Skip to main content

De gerechtsdeurwaarder #02 2016

Page 1

Uitstel zakelijke zekerheden tot 1 januari 2017

Q i

Voorlopige tenuitvoerlegging, zekerstelling en kantonnement

ACTUA

De nieuwe benoemingsprocedures

BIJZONDERE ONTMOETINGEN

“De gerechtsdeurwaarders en de bedrijfsjuristen: klaar om bruggen te bouwen” Frank Maryns (NKGB) en Marc Taeymans (IBJ) over wat beide beroepsgroepen voor elkaar kunnen betekenen

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 1

DE GERECHTSDEURWAARDER

n Q

#02

Kwartaalblad nr. 2 september 2016 jaargang 5

PB-PP B- 00000 BELGIE(N) - BELGIQUE

Tijdschrift van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België

27/09/16 13:53


HOOFDREDACTIE

Nicolas Decock, Sylvie Vanmaele, Charissa Voet

INHOUD

REDACTIERAAD

WOORD VOORAF Marc Brackeva

03

ACTUA

04

De nieuwe benoemingsprocedures

Q UID NOVI? Juridische dienst NKGB

Eric Choquet, Nicolas Decock, Lionel De Mol, Patrick Gielen, Ivo Goeyens, Kris Slabbaert, Sylvie Vanmaele, Ronald Vanswijgenhoven, Charissa Voet

10

• Binnen het beroep — Intranet: nieuwe formule — Benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarders • Op wetgevend vlak — Uitstel zakelijke zekerheden tot 1 januari 2017 • Op vlak van rechtspraak — Het begrip ‘buitengerechtelijk stuk’ — Belasting toegevoegde waarde advocaten

Q UID IURIS? I. Schellens & H. Hellenbosch

16

Voorlopige tenuitvoerlegging, zekerstelling en kantonnement BIJZONDERE ONTMOETINGEN

Frank Maryns (NKGB) en Marc Taeymans (IBJ) in gesprek over wat beide beroepsgroepen voor elkaar kunnen betekenen

29

UITGEVER

KnopsPublishing Sint-Antoniusstraat 22 2200 Antwerpen PERIODICITEIT

Kwartaalblad ERKENNINGSNUMMER

P 914378 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER 2016. Alle rechten zijn voorbehouden aan de NKGB. Niets mag uit deze publicatie gereproduceerd worden zonder de toestemming van de verantwoordelijk uitgever. Bijdragen/artikels kunnen gemaild worden naar secretariaat@sam-tes.be.

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 2

Marc Brackeva Henri Jasparlaan 93 1060 Brussel

27/09/16 13:53


WOORD VOORAF MARC BRACKEVA, VOORZITTER

BESTE CONFRATERS,

September is traditioneel een erg drukke maand. Toch neem ik graag de tijd om u allen te bedanken. Terugkijkend op het voorbije werkjaar kan ik enkel besluiten dat we, als korps, bijzonder goed hebben samengewerkt. Intern werd opnieuw een grote stap vooruit gezet in onze vernieuwingsoperatie. Extern spraken we meer dan ooit tevoren met één stem, zowel in het publieke als het politieke debat.

betekent bovendien dat we een databank van gedematerialiseerde authentieke akten kunnen uitbouwen die opzoekwerk efficiënter maakt, de informatiedoorstroom naar de parketten in strafzaken vergemakkelijkt en de kans op fouten naar beneden haalt. Het kenniscentrum is gestart met de uitbouw van dit platform. De e-betekening treedt in werking op 31 december 2016, al is het mogelijk dat de datum nog vervroegd wordt via een KB.

Dat resulteerde in een aantal mooie projecten, waarbij de nieuwe procedure voor de invordering van onbetwiste geldschulden en de elektronische betekening het meest in het oog springen. Op het moment dat u dit voorwoord leest, is het centraal register voor de invordering van onbetwiste geldschulden – het CROS – intussen van start gegaan. Het feit dat de beleidsmakers ons het ver trouwen hebben gegeven om dit platform te ontwikkelen en te beheren, toont aan dat we voor hen opnieuw the trusted third party vormen op het vlak van digitalisering. Ook met de goedkeuring van de e-betekening zetten we een nieuwe stap in de digitalisering van justitie. Hiermee kan u voortaan in burgerlijke zaken en strafzaken kiezen of u uw exploot op elektronische wijze betekent of aan de persoon zelf. Ik besef dat er nogal wat onrust bestaat over de invoering van de e-betekening. Nochtans is dat onnodig. In tegenstelling tot de hardnekkige geruchten van enkele kwatongen, herhaal ik u nogmaals dat het territorialiteitsbeginsel onverminderd blijft gelden. De oprichting van het bijhorende register

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 3

27/09/16 13:53


ACTUA

JURIDISCH MAATSCHAPPELIJK KENNISCENTRUM VOOR DE GERECHTSDEURWAARDERS

De nieuwe benoemingsprocedures (artikelen 119 tot 121) DE POTPOURRI III-WET BEVAT onder andere een

bepaald aantal concrete maatregelen om het goede verloop van de benoemingsprocedures te verzekeren en om de interne werking van de ad hoc commissies te vergemakkelijken. Ter herinnering, de hervorming van de wet van 7 januari 2014, tot wijziging van het nieuwe statuut van de gerechtsdeurwaarder, was de aanleiding om benoemings­commissies op te richten voor de gerechts­deurwaar­ders. Deze commissies staan voortaan garant voor een meer objectieve toegang tot het beroep van gerechtsdeurwaarder. In dit kader werd eveneens een examen ingevoerd (schriftelijk gedeelte gevolgd door een mondeling gedeelte),

4

om tot een nuttige rangschikking van de kandidaat-­ gerechtsdeurwaarders te komen. De wetgever wilde het aantal schorsings- en vernietigingsberoepen bij de Raad van State beperken en de politisering van de benoemingen tegengaan. Bij ministerieel besluit van 24 april 2014, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 5 mei 2014, werden bijgevolg twee onafhankelijke en neutrale benoemingscommissies ingericht (de ene Franstalig en de andere Nederlandstalig), samengesteld voor de helft uit gerechtsdeurwaarders en de andere helft uit niet-gerechtsdeurwaarders. Beide commissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 4

27/09/16 13:53


I. DE GEBREKEN VAN DE WET VAN 7 JANUARI 2014 Tijdens de eerste vergaderingen waarin de opstart van de commissies (de logistiek, opstellen reglementen, lancering benoemingscommissies) werd besproken, bleek al snel dat het voor de commissieleden onmogelijk zou worden om hun wettelijke opdrachten te vervullen binnen de door de wetgever toegestane termijn. De opgelegde wettelijke termijnen bleken veel te strikt en bijgevolg contraproductief, waardoor de goede afloop van hun andere activiteiten in het gedrang kwam. Het probleem stelde zich zowel bij de selectieprocedure voor de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, als de titularis-­ gerechtsdeurwaarders. Vooral de selectieprocedure voor de titularis-gerechtsdeurwaarders baarde de meeste zorgen. De commissies zouden, binnen een termijn van 30 dagen, alle kandidaten voor een vacante betrekking moeten ontvangen voor een grondig interview (en rangschikken op basis hiervan). Deze vacante betrek­ kingen konden bovendien eerstdaags in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden.

“

De opgelegde wettelijke termijnen bleken veel te strikt en bijgevolg contraproductief. Het probleem stelde zich zowel bij de selectieprocedure voor de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, als de titularis-gerechtsdeurwaarders.” De wet diende bijgevolg te worden bijgeschaafd om dit proces op punt te stellen. Tegelijkertijd kon men bij de minister van Justitie ook het probleem van het aanwe­zig­ heidsquorum, dat zich bij de vergaderingen stelde, aankaarten. De benoemingscommissies hebben zodoende verschillende voorstellen tot wijziging van de wetgeving voorgelegd aan het ministerie, waarvan sommige vervolgens opgenomen werden in het wetsontwerp houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie. Dit ontwerp werd ingediend bij de Kamer van Volks­

vertegenwoordigers op 18 januari 2016, afgekondigd op 4 mei 2016 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 19 mei 2016. Deze wet wordt eveneens «Potpourri III» genoemd.

Interne organisatie van de commissies: aanwezigheidsquorum bij de vergaderingen Problematiek In artikel 512, § 5 van het Gerechtelijk Wetboek staat gepreciseerd dat alle effectieve commissieleden (of hun plaatsvervanger) aanwezig moesten zijn om geldig te beraadslagen en te beslissen. In de loop van de eerste vergaderingen bleek al snel dat het niet eenvoudig was om systematisch alle leden te verenigen, wat vaak tot gevolg had dat beslissingen werden uitgesteld naar een latere vergadering.

Oplossing De benoemingscommissies hebben bijgevolg aan de minister van Justitie voorgesteld om de regels inzake het aanwezigheidsquorum te versoepelen. Op deze manier kunnen beslissingen genomen worden zonder dat noodzakelijkerwijze alle leden aanwezig zijn. Alleen de aanwezigheid van de meerderheid van de leden zou volstaan. Deze werkwijze wordt reeds geruime tijd toegepast door de benoemingscommissies voor het notariaat (van wie de opdrachten gelijkaardig zijn, bovenop hun bevoegdheid inzake advies en klachtenbemiddeling) om hun werk te optimaliseren.

Potpourri III– art. 119 Dit voorstel werd gehoord door de wetgever, die het heeft opgenomen in artikel 119 van de wet en bijgevolg artikel 512, § 5 van het Gerechtelijk Wetboek heeft gewijzigd. Deze versoepeling van de regels inzake het aanwezig­ heidsquorum zal ongetwijfeld het werk van de benoemingscommissies vergemakkelijken, die voortaan sneller en effeciënter beslissingen zullen kunnen nemen.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 5

5

27/09/16 13:53


Benoeming van de kandidaatgerechtsdeurwaarders: te strikte termijn Problematiek Wat de benoemingsprocedure voor de kandidaatgerechts­deurwaarders betreft, leken de termijnen voor de organisatie van het examen voor de stagiair-­ deurwaarders te strikt, aangezien de ad-hoc­commissies onvoldoende bewegingsruimte hadden. De benoemingscommissies beschikten over een termijn van negentig dagen om het schriftelijke gedeel­te van het examen te organiseren en verbeteren en vervolgens te beraadslagen en de laureaten op te roepen voor het mondeling gedeelte (art. 513, § 3 Ger.W.). In werkelijkheid moet men veertig dagen aftrekken van deze termijn: de stagiair-gerechtsdeurwaarder beschikt over een maand om zijn kandidatuur in te dienen bij de FOD Justitie. Deze moet, in de praktijk, de ontvangen dossiers slechts tien dagen later al overmaken, na de geldigheid ervan te hebben gecontroleerd en goed­ gekeurd. Dit laat slechts vijftig dagen aan de benoemingscommissies om hun wettelijke opdrachten te vervullen. Diezelfde commissies moeten alle kandidaten die toegelaten werden tot het mondeling gedeelte, oproepen, ondervragen, punten geven en rangschikken binnen een beperkte periode van zestig dagen (art. 513, § 4 Ger.W.). Hiervoor dienden de leden van de benoemingscommissie opnieuw voldoende tijd vrij te maken, zonder zeker te zijn of dit zou lukken, rekening houdende met hun respectievelijke agenda’s, met de andere taken die ze dienden uit te oefenen en met het op voorhand moeilijk in te schatten aantal te horen kandidaten die voor het schiftelijk gedeelte zouden slagen.

Oplossing De benoemingscommissies wensten een eenvou­dige afschaffing, of, op zijn minst een aanzienlijke verlen­ging van deze termijnen.

Potpourri III – art. 120, 1° De wetgever heeft een deel van de verlangens van de commissieleden gehoord en de termijn voor de organi­ satie van het schriftelijk gedeelte verlengd met dertig

6

“

De wetgever heeft de termijn voor de organisatie van het schriftelijk gedeelte verlengd met dertig dagen, met andere woorden van negentig tot honderdtwintig dagen.”

dagen, met andere woorden van negentig tot honderd­ twintig dagen (art. 120, 1°,van de Potpourri III-wet tot wijziging van artikel 513, § 3, lid 1 Ger.W.). Tegelijk werd de aan de koning toegekende termijn om over te gaan tot benoeming van de nuttig gerangschikte kandidaat-gerechtsdeurwaarders door de benoemingscommissies ook verlengd. De koning beschikt nu over een termijn van veertig dagen tussen de datum van over­making van de effectieve lijst van de gerangschikte kandidaten en de datum van hun benoeming, om de benoeming officieel te maken bij koninklijk besluit (art. 120, 2° van de Potpourri III-wet tot wijziging van art. 513, § 5 Ger.W.).

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 6

27/09/16 13:53


Benoeming van de titularisgerechtsdeurwaarders Mechanisme van de interviews Problematiek De door de commissies gewenste wijzigingen van de wetgeving hadden hoofdzakelijk betrekking op de benoemingsprocedure voor titularis-gerechtsdeur­ waarders, die onmogelijk was om te organiseren zonder deze wijzigingen. In de oorspronkelijke versie van de wet waren de benoemingscommissies verplicht om alle kandidaten te horen die geldig gesolliciteerd hadden voor een vacante betrekking. Daarna kon pas beraadslaagd worden om een rangschikking op te stellen van de 3 meest geschikte kandidaten. In de veronderstelling dat een twintigtal vacante betrekkingen zouden gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad, en dat men, in bepaalde arrondissementen, kon uitgaan van een zestigtal kandidaturen

voor een vacante betrekking, zou het voor de leden van de commissies eenvoudigweg onmogelijk zijn om een volledig en grondig interview te houden met elke postulerende kandidaat. Uiteindelijk mogen er slechts 3 kandidaat-gerechtsdeurwaarders in aanmerking genomen worden (en dit voor elke betrekking!). Dit realiseren op een termijn van slechts 30 dagen, tussen de ontvangst van de dossiers (verstuurd door het ministerie van Justitie) en de verzending van de lijst van de gerang­schikte kandidaten naar het ministerie, lijkt onhaalbaar. Deze bepaling was overgenomen van het notariaat in navolging van talrijke andere bepalingen met betrekking tot de benoemingen. Het is natuurlijk zo dat de statuten van de notaris en van de gerechtsdeurwaarder, beiden openbare en ministeriële ambtenaren, gelijkaardig zijn. Het is dan ook logisch dat de voorwaarden voor de toegang tot deze twee beroepen relatief op elkaar lijken. Echter, in casu, is er een groot verschil met die van het notariaat waar een aanzienlijke selectie plaatsvindt door middel van een voorafgaand examen, waarvoor alle kandidaten die wensen te postuleren moeten slagen.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 7

7

27/09/16 13:54


Bovendien varieert het aantal betrekkingen per stand­ plaats van één tot maximaal een tiental. Daarbij komt nog de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen, waardoor het aantal geïnteresseerde kandidaat-gerechtsdeurwaarders voor een bekend­ gemaakte vacante betrekking in hun arrondissement potentieel verhoogt. Bovendien werden in een bepaald aantal standplaatsen al meer dan drie jaar geen vacante betrekkingen meer bekendgemaakt (de laatste vacante betrekking die in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd dateert van 13 mei 2013). Dit alles verklaart waarom er zoveel kandidaat-­ gerechtsdeurwaarders in de wachtrij staan.

Oplossing De leden van de benoemingscommissies hebben bijgevolg een oplossing gezocht om te vermijden dat ze elke kandidaat moeten interviewen. Om het aantal interviews te beperken onder de kandidaten die geldig gepostuleerd hebben, kan een te horen kandidatenpool opgesteld worden. Dit gebeurt op basis van door de koning te bepalen objectieve criteria. Elke kandidaat die niet in aanmerking komt zal echter desondanks kunnen vragen om door de commissies gehoord te worden, zodat minder beroep wordt ingediend bij de Raad van State.

Potpourri III – artikel 121, 2° De wetgever heeft het belang van deze vraag ingezien en heeft het geformuleerde voorstel integraal overgenomen in artikel 121, 2° van de Potpourri III-wet, tot wijziging van artikel 515, § 4, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek: De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen alle kandidaten te horen. Zo niet, bestudeert zij de door de minister van justitie overgemaakte benoemings­ dossiers en maakt, op basis van door de koning te bepalen objectieve criteria, een lijst op van de te horen kandidaten. Van deze lijst wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt. Nadat de benoemingscommissie door een aangetekende zending iedere kandidaat van haar met redenen omklede beslissing op de hoogte heeft gebracht, roept zij de in aanmerking genomen kandidaten op en hoort ze, alsook alle niet in aanmerking genomen kandidaten die, binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving die aan hen werd gedaan, hierom hebben verzocht bij aangetekende zending. Zij maakt vervolgens een rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten. Indien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kandidaten.

8

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 8

27/09/16 13:54


Vacante betrekkingen Problematiek

Oplossing

Een tweede probleem, verbonden aan de benoemingsprocedure voor de titularis-gerechtsdeurwaarders, betrof de frequentie waarmee de vacante betrekkingen in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden. Aangezien geen enkele beperking voorzien werd, kon de publicatie van een vacante betrekking op elk ogenblik plaatsvinden. Voor elke afzonderlijk gepubliceerde betrekking, hadden de benoemingscommissies bijgevolg een rangschikking en een omstandig proces-verbaal per kandidaat moeten opmaken (art. 515, § 5 Ger.W.). Echter, gelet op de toepasselijke wettelijke termijnen van kracht, zouden de benoemingscommissies de dossiers van de aanvaarde kandidaten (hierin begrepen het advies van de procureur des Konings en van de arrondissementskamer) meer dan vier maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad ontvangen. De interviews, gevolgd door de opstelling van de met rede­nen omklede rangschikking en de publicatie van de benoe­ming, hadden bijgevolg ten vroegste 6 maanden na de verschijningsdatum van de vacante betrekking kunnen plaatsvinden. Een veelvoud van publicaties van de vacante betrekkingen gedurende het hele jaar zonder enige structuur, heeft als gevolg dat er enerzijds een hogere werklast voor de commissies ontstaat. Deze zouden vrijwel voortdurend moeten klaarstaan. Anderzijds zou het onmogelijk zijn om interviews te hergroeperen van een kandidaat die zou solliciteren voor verschillende vacante betrekkingen die op verschillende ogenblikken in het jaar gepubliceerd werden.

De benoemingscommissies hebben aan het ministerie van Justitie gevraagd om voortaan slechts eenmaal per jaar de vacante betrekkingen te publiceren in het Belgisch Staatsblad, teneinde hun werk te optimaliseren (gedurende een maand) en de dossiers van de kandidaten (en hun interviews) op globale wijze te bestuderen. Potpourri 3 – art. 121, 1° De wetgever heeft de wens om het aantal publicaties van vacante betrekkingen te beperken, begrepen maar heeft geopteerd voor een halfjaarlijkse beperking, tenzij een afzonderlijke publicatie nodig zou zijn (artikel 121, 1° van de Potpourri III-wet, tot vervanging van artikel 515, § 1, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek).

“

De wetgever heeft geopteerd voor een halfjaarlijkse beperking.”

II. BESLUIT Uiteindelijk kon het werk van de commissies geoptimaliseerd, gerationaliseerd en verlicht worden door de door middel van de de Potpourri III-wet tussengekomen wijzigingen van de wetgeving. De examenprocedure met het oog op de benoeming van de nieuwe kandidaat-gerechtsdeurwaarders werd intussen tweemaal succesvol uitgevoerd (in 2015 en 2016). De nieuwe procedure voor de benoeming van de titularis-gerechtsdeurwaarders moet zich daarentegen nog bewijzen. De lancering van deze procedure werd inderdaad vrijwillig afgeremd, in afwachting dat de hierboven beschreven wijzigingen van de wetgeving, die noodzakelijk zijn voor de commissies om hun opdrachten te vervullen, zouden worden onderschreven. Negentien vacante plaatsen werden op 10 juni 2016 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, zodat de eerste golf van benoemingen van nieuwe gerechtsdeurwaarders verwacht wordt begin 2017.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 9

9

27/09/16 13:54


QUID NOVI? N

DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

… Binnen het beroep Intranet: nieuwe formule HET STAAT BUITEN KIJF dat er de laatste jaren een

wind van vernieuwing en modernisering door het gerechtsdeurwaarderslandschap waait. De inwerkingtreding en uitrol van het nieuwe statuut heeft bij velen het gevoel losgeweekt dat deze opfrissing geen dag te vroeg is gekomen, en dat de gerechtsdeurwaarder weer stevig op de gerechte­ lijke kaart staat. Het kenniscentrum en een nieuwe website werden in het leven geroepen om het vernieuwde gerechtsdeurwaardersambt aan de buitenwereld te tonen. In dezelfde geest werd het wenselijk geacht ook intern één en ander aan te pakken en te moderniseren waaronder het intranet. Het intranet bevatte voorheen eerder summiere en gefragmenteerde informatie voor pasbenoemde titularissen en gehomologeerde kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Stagiairs hadden slechts beperkte toegang. Vandaag wil het intranet, ontstaan uit een sterke samenwerking tussen de juridische dienst en de web­master van de NKGB, op een dynamische en visueel aantrekkelijke wijze een praktisch instrument bieden aan zowel gerechtsdeurwaarders, kandidaten als stagiairs. Niet alleen wordt alle interne regelgeving en communicatie op een overzichtelijke wijze gebundeld, het geeft ook een overzicht van de samenstelling van de verschillende beroepsorganen en commissies gelinkt aan het beroep. Op de welkomstpagina werd een tijdslijn gecreëerd die belangrijke gebeurtenissen binnen of voor het beroep signaleert, en er is een chatfunctie beschikbaar voor alle gebruikers om contact met de webmaster te kunnen opnemen. Het intranet wil boven alles een stappenplan zijn, en de Nationale Kamer nodigt elke gebruiker dan ook uit om suggesties of verbeterpunten – technisch,

10

taalkundig of naar inhoud –, te signaleren. Het is in eenieders belang om van het intranet een gebruiks­ vriendelijk en zo volledig mogelijk platform te maken zodat het consulteren ervan in de toekomst een vaste routine wordt in elk gerechtsdeurwaarderskantoor. Voor meer details aangaande de inhoud van het intranet “nieuw formule”, wordt er naar de omzendbrief 2016CIR029 verwezen alsook naar de homepage van de website van de NKGB, rubriek “intranet”.

Benoeming kandidaat-gerechts­ deurwaarders: lichting van 2016 Zes Franstalige stagiairs en elf Nederlandstalige stagiairs slaagden voor zowel het mondeling als het schriftelijk deel van het vergelijkend examen 2015–2016. Daardoor konden ze gerangschikt worden met zicht op een eventuele benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Het aantal vacante plaatsen lag hoger dan het aantal geslaagden waardoor alle laureaten konden benoemd worden in het koninklijk besluit van 16 juni 2016 (BS 27 juni 2016). De NKGB wenst hen van harte proficiat.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 10

27/09/16 13:54


TAALROL

NAAM

VOORNAAM

ARRONDISSEMENT

FR

Dath Franck Hainaut Janssens de Varebeke Moreau Richoux

Anne-Catherine Claudie Charles Sébastien Jean-Louis Joachim Damien Alexandre

Henegouwen Eupen Hengouwen Waals Brabant Luik Hengouwen

NL

Boedt Debersaques Gasia Haouhaou Hoskens Roels Schepers Sels Steenssens Van Overstraeten Vergauwen

Jelle Mathieu Olivier Youssef Eva Michelle Eline Hanne Yannick Ben Jan Karen

West-Vlaanderen West-Vlaanderen Leuven Antwerpen Antwerpen Oost-Vlaanderen Limburg Antwerpen Antwerpen Oost-Vlaanderen Antwerpen

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 11

11

27/09/16 13:54


… Op wetgevend vlak Pandrecht De wet van 26 november 2014 heeft de inwerkingtreding uitgesteld van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, tot uiterlijk 1 januari 2017. Dit uitstel heeft de mogelijkheid gecreëerd om de praktijk te consulteren over de nieuwe regeling waardoor enkele voor de praktijk belemmerende aspecten werden vast­ gesteld. Dit heeft de regering ertoe gebracht om opnieuw een voorontwerp van wet in te dienen om het pandrecht en de voorziene werking van het pand­ register verder op punt te stellen en te verfijnen. De ministerraad keurde op 15 juni 2016 dit voor­ ontwerp van wet goed. De belangrijkste wijzigingen in dit ontwerp zijn de volgende: »» het aanpassen van een aantal kruisverwijzingen ten gevolge van een evoluerende wetgeving; »» de verduidelijking dat het pandrecht aan de pand­ houder een voorrecht geeft; »» de verduidelijking dat een pandrecht gevestigd kan worden op een roerend goed nadat het reeds onroerend is geworden door bestemming; »» het herstel van de vroeger reeds bestaande mogelijkheid tot herverpanding mits toestemming van de pandgever;

12

»» het afschaffen van de mogelijkheid om de tegen­ werpelijkheid van het pandrecht op een schuld­ vordering te realiseren door registratie; »» het automatisch karakter van het register; »» de verruiming van de toegang tot het pandregister om de efficiëntie van het systeem en de tegenstelbaarheid van het pandrecht aan alle derden te verzekeren; »» de termijn voor het instellen van een verzoek tot rechterlijke controle a posteriori wordt omwille van de rechtszekerheid tot één maand verkort; »» verduidelijking dat het pandrecht voorrang heeft op alle jongere rechten op de verpande goederen; »» de aanpassing van de datum van inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot 1 januari 2018, tenzij de Koning een vroegere datum plant; »» de afschaffing van het registratierecht op de inpandgeving van een handelszaak en het registratierecht op de vestiging van een landbouwvoorrecht. Het blijkt echter dat de FOD Financiën heeft meegedeeld dat het register van de zakelijke zekerheden niet operationeel zou kunnen zijn tegen 1 januari 2017 en dat hij dus vraagt dat in artikel 109 van de wet van 2013 de datum 1 januari 2017 zou worden vervangen door 1 januari 2018; tenzij de Koning een vroegere datum plant.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 12

27/09/16 13:54


… Op vlak van rechtspraak HvJEU – Zaak C223/14: Tecom Mican SL/ Man Diesel & Turbo SE Deze beslissing werd gewezen in het kader van een geschil tussen MAN Diesel, een Duitse vennootschap, en Tecom Mican (“Tecom”), een Spaanse vennootschap. De twee vennootschappen hadden een agentuur­ overeenkomst afgesloten die MAN Diesel nadien een­ zijdig ontbonden heeft. Ingevolge deze ontbinding heeft Tecom de griffier van de bevoegde rechtbank in Spanje gevraagd om aan MAN Diesel, door tussenkomst van de bevoegde Duitse entiteit, een kennisgeving te doen van een ingebrekestelling (aanmaning) waarin ze de betaling eist van een som die ze aan haar verschuldigd acht. De griffier oordeelde dat er geen enkele gerechte­lijke procedure bestond die een beroep op de gevraagde rechtshulp noodzakelijk maakte en heeft bijgevolg geweigerd om de door Tecom ingeleide vordering tot kennisgeving in te willigen. Deze vennootschap heeft vervolgens verhaal geformuleerd tegen deze weigering, maar de griffier heeft het verworpen, met de precisering dat niet om het even welke onderhandse akte beschouwd kon worden als “buitengerechtelijk stuk” vatbaar voor “kennisgeving” in de zin van Verordening (EG) n° 1393/2007 inzake de betekening en de kennis­geving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken. De Spaanse rechtbank van eerste aanleg waarbij het verhaal van Tecom tegen de beslissing van de griffier aanhangig gemaakt werd, heeft aan het Hof van Justitie van de Europese Unie meerdere prejudiciële vragen gesteld omtrent het begrip “buitengerechtelijk stuk” in de zin van de verordening. Het betreft 4 vragen: “1. Kan men een zuiver onderhandse akte beschouwen als ‘buitengerechtelijk stuk’ in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007, ook al werd ze uitgegeven door een niet-gerechtelijke overheidsinstantie of ministerieel ambtenaar? 2. Zo ja, kan men elke onderhandse akte beschouwen als buitengerechtelijk stuk, of moet deze aan bepaalde specifieke eigenschappen voldoen? 3. Kan een burger van de Unie, zelfs wanneer de onderhandse akte aan deze eigenschappen voldoet, de betekening en de kennisgeving, volgens de procedure voorzien in artikel 16 van de huidige verordening nr. 1393/2007, vragen wanneer hij deze kennisgeving

reeds heeft laten uitvoeren via een andere overheidsinstantie, zoals een notaris? 4. Dient men ten slotte rekening te houden, voor de toepassing van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007, met het feit dat deze samenwerking grensoverschrijdende gevolgen heeft en noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt? Wanneer dient men te beschouwen dat de samen­ werking grensoverschrijdende gevolgen heeft en noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt?” Ter herinnering, artikel 16 van verordening nr. 1393/ 2007 is opgesteld als volgt: “Buitengerechtelijke stukken kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat worden verzonden.” De verordening geeft echter geen definitie van wat begrepen wordt onder “buitengerechtelijk stuk”. Er moest dus nog bepaald worden of een eenvoudige ingebrekestelling inderdaad een akte was die via de officiële kanalen ter kennis gegeven kan worden. In een arrest van 11 november 2015 heeft het Hof van Justitie voor het eerst een definitie gegeven van het begrip “buitengerechtelijk stuk” waarvan de formele verzending aan de in een andere lidstaat verblijvende geadresseerde noodzakelijk is, en heeft het daarin een eenvoudige onderhandse ingebrekestelling opgenomen. Volgens het Hof is een eenvoudige onderhandse ingebrekestelling die niet door een deurwaarder werd opgesteld, een buitengerechtelijk stuk. Deze dient bijgevolg door de nationale overheden ter kennis te worden gegeven volgens dezelfde regels als die voor gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken. In voormeld arrest heeft het Hof verklaard dat onder het begrip ‘buitengerechtelijk stuk’ zowel stukken vallen die zijn opgesteld of gewaarmerkt door een overheids­instantie of een ministerieel ambtenaar, als onderhandse akten waarvan de formele verzending aan de in het buitenland verblijvende geadresseerde noodzakelijk is voor het uitoefenen, het aantonen of het behouden van een recht of een aanspraak in burgerlijke of handelszaken. Het Hof heeft hierbij onderstreept dat de verzending van derge­lijke stukken tussen lidstaten bijdraagt tot de versterking van de goede werking van de Unie op gebied van de samenwerking in burgerlijke en handelszaken. Het wekt op zijn minst enige verbazing dat de een­ voudige onderhandse ingebrekestelling en elke akte noodzakelijk voor het uitoefenen, het aantonen of het

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 13

13

27/09/16 13:54


behouden van een recht, als buitengerechtelijk stuk beschouwd worden, gelet op de betekenis die tot hier­toe aan dit begrip gegeven werd. Het is nuttig om hieromtrent te verwijzen, in inter­ nationaal recht, naar artikel 17 van het Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken dat bepaalt dat “Buitengerechtelijke stukken, afkomstig van autoriteiten en gerechtsdeurwaarders van een Verdragsluitende Staat, kunnen ter betekening of kennisgeving in een andere Verdragsluitende Staat worden toegezonden op de wijzen en onder de voorwaarden, als in dit Verdrag geregeld.” Hieruit volgt logischerwijze dat in internationaal recht, een buitengerechtelijk stuk een akte is afkomstig van autoriteiten en gerechtsdeurwaarders, waardoor de onderhandse akten de facto uitgesloten worden. De praktische handleiding over de werking van het Verdrag van Den Haag bevestigt deze benadering, waar ze aangeeft dat buitengerechtelijke stukken verschillen van gerechtelijke stukken aangezien ze niet rechtstreeks verbonden zijn aan een proces, en van zuiver onder­ handse stukken aangezien ze de tussenkomst van een autoriteit of van een ministerieel ambtenaar vereisen. Zelfs indien de gevolgen van dergelijke beslissing op dit ogenblik moeilijk meetbaar zijn, heeft deze recht­ spraak een (betreurenswaardige) achterdeur geopend die er op termijn zou kunnen toe leiden dat het beroep op de aanmaningsbrief via een gerechtsdeurwaarder in vraag gesteld wordt, aangezien de kennisgeving van een aanmaningsbrief in zekere zin dezelfde gevolgen en dezelfde waarde zou hebben.

afschaffing van artikel 44, § 1, 1° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, waardoor de prestaties van advocaten aan de btw onderworpen werden, het Hof was overgegaan tot het onderzoek van het gelijktijdig ingeleide verhaal in nietigverklaring van deze bepaling. Alvorens uitspraak te doen over de geldigheid van de btw over de prestaties van de advocaat gelet op de grondwettelijke bepalingen, heeft het Hof het echter nuttig geacht om het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) prejudiciële vragen te stellen omtrent de geldigheid van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 die de btw invoert, gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; en met name op artikel 47 ervan (zie GwH, arrest 165/2014 van 13 november 2014).

HvJEU – Zaak Orde van Franstalige en Duitstalige balies, Vlaams Netwerk van Verenigingen waar armen het woord nemen VZW e.a., Jimmy Tessens e.a., Orde van Vlaamse Balies, evenals Orde van advocaten aan de balie van Arlon e.a. tegen Ministerraad In ons decembernummer van 2014 meldden wij u dat, na de verwerping door het Grondwettelijk Hof van het schorsingsberoep dat werd ingeleid door de advo­caten ten overstaan van artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen en tot

14

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 14

27/09/16 13:54


In het bijzonder vroeg ons hooggerechtshof zich hoofdzakelijk af of het feit dat btw verschuldigd is over diensten van advocaten, en de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten voor deze diensten, verenigbaar zijn met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en in het bijzonder met het recht om te worden bijgestaan door een advocaat. Bovendien vroeg het zich af of de regeling in kwestie in overeenstemming is met het beginsel van wapengelijkheid, aangezien deze kostenstijging enkel niet-btw-plichtige rechtzoekenden treft die geen rechtsbijstand genieten, terwijl btw-­ plichtige rechtzoekenden over de mogelijkheid beschikken om de over die diensten betaalde btw af te trekken. Op datum van 28 juli 2016 heeft het Hof zijn arrest gewezen en heeft het, in hoofdorde, voor recht gezegd dat het onderwerpen van de kosten en erelonen van

advocaten aan de btw, in principe, geen afbreuk doet aan de toegang tot het gerecht. Voor meer details omtrent de redenering van het Hof, verwijzen wij naar de overwegingen van de beslissing.1 Het is nu aan het Grondwettelijk Hof om het verhaal tot nietigverklaring verder te onderzoeken teneinde hierover uitspraak te doen.

1 Via de volgende link: http://curia.europa.eu/juris/document/ document.jsf?text=&docid=182290&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=542340

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 15

15

27/09/16 13:54


QUID IURIS? I

INEZ SCHELLENS, KANDIDAAT-GERECHTSDEURWAARDER HERMAN HELLENBOSCH, ADVOCAAT BALIE ANTWERPEN

Voorlopige tenuitvoerlegging, zekerstelling en kantonnement I. UITVOERBARE TITEL EN UITVOERBAARHEID: 1. Art 1494 Ger.W.: Geen uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken. Art. 1495 Ger.W.: Geen veroordelende beslissing kan worden ten uitvoer gelegd dan nadat zij aan de partij is betekend. Onverminderd het bewarend beslag bedoeld in artikel 1414 ,1 kan de veroordeling tot betaling van een som geld, die het voorwerp is van een beslissing [waar­ tegen nog verzet openstaat], niet worden ten uitvoer gelegd voor het verstrijken van een maand na de bete­ kening van de beslissing, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging daarvan is gelast. Die bepalingen gelden op straffe van nietigheid van de daden van tenuitvoerlegging. Wanneer een schuldenaar in gebreke blijft kan een schuldeiser pas overgaan tot gedwongen uitvoering wanneer hij over een uitvoerbare titel beschikt. De uitvoerbare titel is een titel waarin het vorderingsrecht van de schuldeiser belichaamd is en die, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, de gedwongen executie mogelijk maakt.2 De uitvoerbare kracht van een gerechtelijke beslissing is die eigenschap die een partij machtigt om hetgeen de rechter heeft beslist te laten verwezenlijken, desgeval-

16

lend met de hulp van de openbare macht, via de door de wet bepaalde middelen van tenuitvoerlegging. De uitvoerende kracht strekt tot de verwezenlijking van het oordeel van de rechter.3 Het is een eigenschap die van rechtswege aan gerechtelijke uitspraken toekomt. Dit uitvoerbaar karakter wordt verleend aan akten opgesteld door daartoe bevoegde openbare ambtenaren die gemachtigd zijn om deze akten te voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging. Deze taak komt toe aan de staat, de schuldeiser kan nooit zelf met dwang of geweld vervolgen.4 2. Tot voor de wetswijziging van 19 oktober 20155 voor­zag de wet dat de rechtsmiddelen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging ervan schorsen. Enkel rechterlijke beslissingen die in laatste aanleg gewezen waren konden definitief ten uitvoer worden gelegd. Ook andere titels dan een vonnis of arrest die als zodanig niet in aanmerking kwamen voor een schorsend verhaalmiddel zoals een notariële akte, een proces-verbaal van minnelijke schikking of een akkoordvonnis konden onmiddellijk worden uitgevoerd.6 Enkel rechterlijke beslissingen die nog bestreden konden worden met een gewoon rechtsmiddel waren in beginsel niet uitvoerbaar. Verzet en hoger beroep schorsten de gedwongen executie.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 16

27/09/16 13:54


De uitzondering was de uitvoerbaarheid bij voorraad die hetzij van rechtswege, hetzij ingevolge een uitdrukkelijke beschikking van de rechter aan een beslissing kon worden gegeven. De uitvoerbaarheid van rechtswege impliceert dat deze niet gevraagd dient te worden door een partij, noch door de rechter uitdrukkelijk dient bevolen.7 De uitvoerbaarheid bij voorraad gaf de schuldeiser de mogelijkheid over te gaan tot voorlopige uitvoering. 3. Door de wetswijziging van 19 oktober 2015 wordt het basisprincipe van de uitvoerbaarheid van vonnissen omgekeerd. Vanaf 1 november 2015 geldt dat het hoger beroep niet langer schorst tenzij de rechter het bij bijzonder gemotiveerde beslissing anders beveelt. De doelstelling van de wetgever is het gebruik van het hoger beroep als middel tot uitstel van een gedwongen executie terug te dringen en tegelijkertijd de gerechtelijke achterstand bij de hoven van beroep aan te pakken.8 De rechter kan enkel mits bijzondere motivering afwijken van de schorsende werking van het verzet of de niet-schorsende werking van het hoger beroep. Dankzij de voorlopige tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing kan de schuldeiser dillatoire manoeuvres van zijn onwillige schuldenaar tegengaan.9

1 Art. 1414 Ger.W.: Elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, geldt als toelating om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroor­delingen, tenzij anders is beslist. 2 DIRIX, E., BROECKX, K., “Beslag”, APR 2010, nr. 206, Wolters Kluwer, Mechelen. 3 TAELMAN, P., BROECKX, K., “Rechtsmiddelen en hun (niet-)schorsende werking na Potpourri I”, Documentatiebundel studiedagen POTPOURRI I, die Keure, Brussel, 2015, p. 10. 4 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid. 5 Belgisch Staatsblad 22 oktober 2015. 6 COPPENS, A., “Voorlopige vs. definitieve uitvoering”, noot onder Cass. (3e k.) AR C.14.0396.N, 23 februari 2015 (R.S.Z./ Vanthienen nv), NjW nr. 321, 319-320. 7 CLIJMANS, N., “Het tenietdoen van de voorlopige tenuitvoer­legging in hoger beroep. Cassatie licht toe”, RABG 2006, afl. 18, 1367. 8 SCHEERS, D., THIRIAR, P., Potpourri I – Gerechtelijk recht, Intersentia, Mortsel, 2015, 147; TAELMAN, P., BROECKX, K., supra vn. 3. 9 SCHEERS, D., THIRIAR, P., ibid., 148.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 17

17

27/09/16 13:54


Art. 1397 Ger.W. (nieuwe bepaling): Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorst verzet tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niet­tegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen. Het verzet schorst (tenzij de rechter de voorlopige uitvoerbaarheid heeft bevolen), het hoger beroep niet (meer). De schorsende werking houdt in dat het verstekvonnis na het instellen van het verzet niet ten uitvoer kan worden gelegd en de aangevangen vervolging niet meer kan worden vervolgd.10

II. VOORLOPIGE TENUITVOERLEGGING EN DE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE UITVOERENDE SCHULDEISER Art. 1398 Ger.W.( nieuwe bepaling): De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt alleen op risico van de partij die daartoe last geeft. Zij geschiedt zonder borgstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen en onverminderd de regels inzake kantonnement. 4. Het principe dat de voorlopige tenuitvoerlegging geschiedt op eigen risico gold onder de oude wetgeving en blijft in de nieuwe wetgeving als principe ongewijzigd van kracht. De rechtspraak van voor de wetswijziging blijft derhalve actueel.

Er is door de wetgever een onderscheid gemaakt tussen de beide rechtsmiddelen. Dit onderscheid wordt ingegeven door het feit dat het verstek impliceert dat er geen tegenspraak is gevoerd en de afwezige partij zich niet in rechte heeft kunnen verdedigen.11

Het feit dat een uitspraak uitvoerbaar is houdt geen verplichting in voor de partij in wiens voordeel ze bestaat. Het is slechts een mogelijkheid, waaraan verzaakt kan worden.14 Degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar vonnis, handelt op eigen risico, onverminderd de regels van kantonnement.15

De schuldeiser kan ingevolge de wetswijziging van 19 oktober 2015 elk vonnis gewezen met betrekking tot een vordering aanhangig gemaakt na 31 oktober 2015 en voor zover het vonnis geen betrekking heeft op een wettelijke van deze regeling uitgesloten materie,12 onmiddellijk na de betekening ten uitvoer laten leggen, zonder dat het verstrijken van de termijn voor hoger beroep dient te worden afgewacht en zelfs wanneer de tegenpartij hoger beroep heeft aangetekend.

Indien een partij de tenuitvoerlegging heeft benaarstigd van een vonnis dat in hoger beroep al dan niet gedeeltelijk hervormd wordt dient zij niet alleen terug te geven wat zij ontvangen heeft, maar zij dient ook alle mogelijke schade te vergoeden die de tegenpartij geleden heeft ingevolge de tenuitvoerlegging.16 Hieronder vallen bijvoorbeeld ook de uitvoeringskosten en de vervallen intresten na betaling van een geldsom in gevolge de voorlopige tenuitvoerlegging.

We spreken van een voorlopige tenuitvoerlegging wanneer wordt uitgevoerd op basis van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld of wanneer verzet is ingesteld terwijl de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen.13

Indien het vonnis strekt tot de betaling van een geldsom en de veroordeelde partij gaat over tot betaling dan is, wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd, de schuldeiser gehouden tot de terugbetaling van de ontvangen gelden, te verhogen met de intrest vanaf het tijdstip van de betaling.17 De schuldenaar dient in dit geval geen veroordeling van de schuldeiser na te streven, de beslissing van de appelrechter vormt de uitvoerbare titel voor de restitutie

18

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 18

27/09/16 13:54


van hetgeen krachtens het vonnis van de eerste rechter betaald werd. Een nieuwe vordering tot restitutie is bijgevolg niet ontvankelijk.18 Gaat het om de hervorming van een uitspraak aangaande de verbin­ tenis(sen) om iets te doen, dan moet de schade wel door de rechter geraamd worden.19

10 BROECKX, K., “Voorlopige tenuitvoerlegging en kantonnement na uitvoerend beslag”, in X., Meester van het proces, Topics gerechtelijk recht, Larcier, Brussel, 141. 11 TAELMAN, P., BROECKX, K., supra vn. 3, 25. 12 Art 1399 Ger.W. zie infra nr. 7. 13 SCHEERS, D., THIRIAR, P., supra vn. 9, 148.

5. De aansprakelijkheid is volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie een foutloze risicioaansprakelijkheid.20 De partij die een vonnis liet uitvoeren, dient, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan in hoger beroep, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe is vereist dat bij die tenuitvoerlegging enige kwade trouw of fout in de zin van art. 1382–1383 BW aanwezig was.21 Uit de omstandigheid dat een partij geweigerd heeft een voorlopig uitvoerbaar vonnis vrijwillig ten uitvoer te leggen, kan niet worden afgeleid dat zij een fout heeft begaan die de toepassing uitsluit van art. 1398, tweede lid, ten aanzien van de partij die op eigen risico tot de gedwongen tenuitvoerlegging van dat vonnis last heeft gegeven.22 De verplichting tot terugbetaling van hetgeen een partij op grond van de voorlopige tenuitvoerlegging van een gerechtelijke uitspraak heeft verworven, werkt terug tot op het tijdstip waarop de betaling is geschied. Het bedrag wordt echter niet opeisbaar vóór de datum van de uitspraak van de appelrechter.23 Essentieel is wel dat de schuldenaar door een voorlopige tenuitvoer­ legging verplicht wordt tot betaling. Indien de veroordeelde vrijwillig overgaat tot betaling zonder daartoe door een uitvoering te zijn gedwongen is er geen sprake van een voorlopige tenuitvoerlegging in de zin van art. 1398 Ger.W. en kan er ook geen toepassing worden gemaakt van de risicoaansprakelijkheid.24 6. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt ook dat de risico­ aansprakelijkheid beperkend moet worden geïnterpreteerd.25 Ze is van toepassing bij de voorlopige tenuitvoerlegging, niet bij de aanwending van buitengewone rechtsmiddelen.

14 Cass. 20 november 1953, Pas. 1954, I, 220; COPPENS, A., supra vn. 6, 320. 15 Cass. AR C.93.182.N, 7 april 1995 (Firma V.D.V., P.V.B.A./Verdonck); vgl. Cass. (1e k.) AR C.95.0233.N, C.95.0331.N, C.95.0332.N, 2 oktober 1997 (Vulstoffen Exploitatie B.V.B.A./Generale Bank N.V.). 16 COPPENS, A., supra vn. 6, 319. 17 Cass. AR C.14.0396.N, 23 februari 2015. 18 DIRIX, E., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoerlegging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR 2002, afl. 2, 1210, 24. 19 DIRIX, E., ibid. 20 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, nr. 371, 254;BROECKX, K., supra vn. 10, 155; COPPENS, A., supra vn.6, 319; DIRIX, E., supra vn. 18, TPR 2002, 1210, 24; DIRIX, E., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoerlegging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR 2007, afl. 4, 2066, nr. 39; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoerlegging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR 2015, afl. 1, 331, nr. 49. 21 Cass. AR C.93.182.N, 7 april 1995 (Firma V.D.V., P.V.B.A./Verdonck). 22 Cass. 26 februari 2010, AR C.08.0597.F. 23 Cass. 15 september 1983, Arr. Cass. 1983-84, 41; Pas. 1984, I, 42, concl. O.M.; RW 1983-84, 2887; JT 1985, 185. 24 BROECKX, K., supra vn. 10, 156; DIRIX, E., supra vn. 120, TPR 2007, 2067, nr. 41; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn.20, 333, nr. 51. 25 DIRIX, E., supra vn.18, TPR 2007, 2067, nr. 40.

Ze is niet van toepassing wanneer de uitvoering plaatsvindt op grond van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die na een cassatieberoep wordt vernietigd. In dat geval is de schuldeiser gehouden tot terugbetaling op grond van de regels van de onverschuldigde betaling. Hieruit volgt dat wanneer de schuld­eiser de betaling te goeder trouw

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 19

19

27/09/16 13:54


heeft ontvangen, intrest verschuldigd is vanaf de datum van het cassatiearrest.26 Een met verlof van de beslagrechter gelegd bewarend beslag maakt geen voorlopige tenuitvoerlegging uit van een vonnis in de zin van art. 1398 Ger.W. Wanneer dit verlof naderhand wordt ingetrokken of hervormd en de opheffing van het beslag wordt bevolen, dient de beslagene die jegens de beslaglegger aanspraak maakt op vergoeding van de door het beslag veroorzaakte schade, aan te tonen dat de beslaglegger door het leg­gen of het handhaven van het beslag een fout heeft begaan.27 7. Art. 1398/1 Ger.W.( nieuwe bepaling): In afwijking van artikel 1397, eerste lid, en behalve specifieke bepalingen schorst verzet tegen het eind­ vonnis gewezen door de rechter van de familierecht­bank de tenuitvoerlegging daarvan niet. De rechter die zitting houdt in de familierechtbank kan, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de voorlopige tenuitvoerlegging weigeren indien een van de partijen hem daarom verzoekt.

20

Art. 1399 Ger.W.(nieuwe bepaling): Verzet en hoger beroep schorsen de tenuitvoerlegging: 1°  van de eindvonnissen inzake de staat van personen; 2°  de vonnissen uitgesproken door de rechter van de familierechtbank die zitting neemt in het kader van zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, en die betrekking hebben op geschillen inzake formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk, de opheffing van het verbod op het huwelijk van minderjarigen en de toestemming daartoe. De voorlopige tenuitvoerlegging van deze vonnissen kan niet worden toegestaan. Art. 1401 Ger.W.(nieuwe bepaling): Indien de eerste rechters de voorlopige tenuitvoer­ legging hebben uitgesloten, kan deze altijd worden verzocht bij het hoger beroep. 8. Uit de samenhang van de art. 1401 en 1406 Ger.W. volgt dat de appelrechter, aan wie dezelfde beoor­

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 20

27/09/16 13:54


“

Het spreekt voor zich dat deze nieuwe benadering van de uitvoerbaarheid niet zonder gevolgen zal blijven. De uitvoering zal immers vroeger kunnen worden aangevat.”

delingsbevoegdheid is toegekend als aan de eerste rechter, uitspraak mag doen zowel over een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging als over een vordering m.b.t. tot het toestaan of ontzeggen van het recht tot kantonnement,28 ook al is die vordering voor het eerst voor hem ingesteld.29 Art. 1402 Ger.W.: De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. Deze bepaling strekt ertoe te verhinderen dat de appelrechter de opportuniteit van de voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt. Ze verhindert echter niet dat de appelrechter de beroepen beslissing inzake de voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet, indien zij is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging.30 De bepaling staat er niet aan in de weg dat de appel­ rechter de voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met mis­ kenning van het recht van verdediging. Een motiveringsgebrek in de beslissing van de eerste rechter over de tenuitvoerlegging laat de appelrechter niet toe die voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen.31 Waar de appelrechter de uitvoerbaarheid niet kan opschorten heeft hij wel de mogelijkheid om tussen te komen. 9. De voorlopige tenuitvoerlegging maakt geen stilzwijgende berusting uit, noch in hoofde van de schuldenaar, noch in hoofde van de schuldeiser die tot executie overgaat. De schuldenaar is immers verplicht voorlopig gevolg te geven aan de uitvoerbare beslissing en de schuldeiser berust slechts wanneer hij zonder voorbehoud betekent

en ten uitvoer legt zonder zelf op een bepaald punt beroep in te stellen.32 Het spreekt voor zich dat deze nieuwe benadering van de uitvoerbaarheid niet zonder gevolgen zal blijven. De uitvoering zal immers vroeger kunnen worden aangevat. Twee in het verleden minder courante rechtsfiguren, met name de zekerstelling en het kantonnement, zullen nu veel meer toegepast worden.

III. ZEKERSTELLING 33 Art. 1400 Ger.W.(gedeeltelijk vernieuwd): § 1. De rechter kan aan de voorlopige tenuitvoerlegging de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld, die hij bepaalt en waarvoor hij, zo nodig, de modaliteiten vaststelt. § 2. De zekerheid is van rechtswege bevrijd wanneer de consignatie door de veroordeelde partij gedaan is overeenkomstig artikel 1404. 10. Krachtens de bepalingen van art. 1400 Ger.W. kan de rechter aan de uitvoerbaarheid van de gehele of gedeeltelijke veroordeling de voorwaarde van het stellen van een zekerheid verbinden. De rechter bepaalt de omvang en de modaliteiten van de te stellen zekerheid. Algemeen wordt aanvaard dat de rechter steeds, zelfs ambtshalve, zelfs zonder dat het uitdrukkelijk gevraagd wordt, een zekerheid kan opleggen. De rechter beschikt aldus over een soevereine appreciatiebevoegdheid. 26 Cass. AR C.14.0396.N, 23 februari 2015. 27 Cass. (1e k.) AR C.03.0475.F, 17 februari 2005 (Distribois/Zurich, Generali Belgium e.a.). 28 Zie infra nr. 16. 29 Cass. 19 september 2002; Cass. 3 januari 1992. 30 Cass. (1e k.) AR C.02.0055.N, 1 april 2004 (Koninklijk Hoger-Op-Merchtem-Brussegem/V.C.A. e.a.). 31 Cass. (voltallige kamer) AR C.03.0231.N, 1 juni 2006 (Hannecard, Hannethane/Novograph); CLIJMANS, N., supra vn. 7, 1368; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn.20, 329, nr. 47. 32 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, nr. 375, 257. 33 BROECKX, K., supra vn. 10, nr. 31, 151-152.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 21

21

27/09/16 13:54


De zekerheid moet volstaan om te beantwoorden aan de volledige restitutieplicht van de schuldeiser bij een eventuele hervorming in graad van beroep na een voorlopige executie. Deze regeling strekt tot bescherming van de schulde­naar tegen een mogelijke insolvabiliteit van de voorlopig in het gelijkgestelde schuldeiser. De zekerstelling door de schuldeiser beoogt hetzelfde doel als het kantonnement door de schuldenaar, nl. de bescherming van deze laatste, doch werkt verschillend.

IV. KANTONNEMENT (ART. 1403 E.V. GER.W.) 11. De voorlopige tenuitvoerlegging en het kantonnement zijn onderscheiden rechtsfiguren. Het kantonnement is geen uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige tenuitvoerlegging, het maakt de voorlopige tenuitvoerlegging zonder voorwerp door de voorwaardelijke betaling die ze tot gevolg heeft.35

De zekerheid die de rechter als voorwaarde aan de voorlopige tenuitvoerlegging kan verbinden is geen noodzakelijk onderdeel van de tenuitvoerlegging, maar is enkel – wanneer de rechter beveelt ze te stellen – een voorwaarde die aan die tenuitvoerlegging voorafgaat.34

Het begrip kantonnement wordt gehanteerd in twee verschillende betekenissen.36

De zekerstelling is een voorafgaandelijk aan de executie te vervullen voorwaarde en verschilt hierdoor van het kantonnement dat een voorwaardelijke betaling na executie uitmaakt.

Het recht dat aan de schuldenaar toekomt: »» om het bewarend of uitvoerend beslag te verhinderen of de in beslaggenomen goederen te bevrijden: »» door storting in de Depositoen Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven; »» toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, interest en kosten.

Terwijl de zekerstelling geen voorafgaandelijk rechts­ middel vergt, is het kantonnement afhankelijk van het instellen van een rechtsmiddel. De zekerstelling kan opgelegd worden bij alle soorten veroordelingen tenzij uitdrukkelijk verboden bij wet, waar het kantonnement enkel bij veroordelingen tot het betalen van een geldsom kan worden gehanteerd.

Het kantonnement van de oorzaken van het beslag wordt omschreven als volgt:

Het kantonnement van de oorzaken maakt een einde aan de onbeschikbaarheid van het beslagene.

34 Cass. 14 juni 1984, Arr.Cass. 1983-84, 1354; Pas. 1984, I, 1260; RW 1985-86, 892. 35 BROECKX, K., supra vn. 10, 47, 158. 36 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 386; BROECKX, K., ibid., 44-46,158; BROECKX, K., “Kantonnement”, in X., Gerechtelijk recht: Artikelgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, I, Deel V, Titel I, Hfdst. IV, Wolters Kluwer, Ger.W. art. 1403-3, nrs. 2-3. 37 BROECKX, K., supra vn 35, Ger.W. art. 1403-6, nrs. 9-14. 38 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 389. 39 BROECKX, K., ibid., Ger.W. art. 1403-7, nrs. 15-16.

22

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 22

27/09/16 13:54


Het kantonnement van het voorwerp van het beslag wordt omschreven als volgt: Een specifieke vorm van bewaargeving waarbij: »» naar aanleiding van een bewarend beslag op gelden of roerende goederen die in handen zijn van een andere persoon dan de schuldenaar; »» door de schuldenaar, zijn schuldeiser of de derde die de goederen onder zich heeft; »» aan de beslagrechter kan gevraagd worden dat de in beslag genomen goederen in bewaring zullen worden gegeven aan een sekwester of aan de Depositoen Consignatiekas. Het kantonnement van het voorwerp maakt geen einde aan de onbeschikbaarheid van het beslagene. 12. Het kantonnement is een absoluut en persoonlijk recht, de schuldenaar kan nooit verplicht worden tot kanton­ nement. De schuldenaar kan wel afstand doen van het recht tot kantonnenement.37 Er dient geen voorafgaandelijke toelating van de beslagrechter te worden bekomen. De beslagrechter kan maximaal tussenkomen om de wettelijke voorwaarden te toetsen of om eventuele modaliteiten te beoordelen, doch nooit om toelating te geven of de opportuniteit te beoordelen.38

De tussenkomst van de beslagrechter is niet vereist bij het kantonnement in handen van de gerechtsdeurwaarder. De tussenkomst van de beslagrechter is ook niet vereist bij het minnelijke kantonnement. Het kantonnement kan gevraagd worden bij een reeds gelegd of dreigend beslag en kan enkel uitgeoefend worden door een schuldenaar die een geldsom verschuldigd is.39 13. In de bepalingen van art. 1403 Ger.W. wordt het kantonnement na bewarend beslag uitgewerkt. Art. 1403 Ger.W.: De schuldenaar tegen wie bewarend beslag is gedaan of toegestaan, kan in elke stand van het geding het beslagene bevrijden of het beslag verhinderen door in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, interest en kosten. Is het beslag gedaan op geldsommen, dan kan deze bewaargeving geschieden met het in beslag genomen geld; is het op andere goederen gedaan, dan kan de bewaargeving geschieden met de opbrengst van de verkoop van al die goederen of van een deel ervan. De schuldenaar wendt zich vooraf tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de gelden in bewaring worden gegeven en, indien daartoe grond bestaat, de in beslag genomen goederen geheel of ten dele worden verkocht. Art. 1404 Ger.W. heeft betrekking op het kantonnement na uitvoerend beslag.

Kantonnement en uitvoerend beslag Art. 1404 Ger.W.: Met uitzondering van schuldvorderingen tot levens­ onderhoud, komt hetzelfde recht op dezelfde wijzen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde rechtspleging toe aan de schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen verzet of hoger beroep is ingesteld, alsook wanneer schorsing van die vervolgingen is bevolen. De storting heeft plaats met bijzondere bestemming van de som tot afdoening van de schuldvordering van de beslaglegger en geldt als betaling voor zover de

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 23

23

27/09/16 13:54


beslagene erkent schuldenaar te zijn of als zodanig wordt erkend. 14. Kantonnement van de oorzaken van het beslag biedt de mogelijkheid aan de debiteur om de executie te vermijden. Het doel is de schuldenaar te beschermen tegen een eventuele latere insolvabiliteit van de schuldeiser.40 Het recht tot kantonnement komt ieder schuldenaar toe die veroordeeld is tot betaling van een geldsom bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing, op voorwaarde dat de schuldenaar vooraf hoger beroep heeft aangetekend.41 De veroordeling dient betrekking te hebben op een geldsom bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing. Dus verbintenissen tot doen, niet doen of de afgifte van andere zaken dan een geldsom zijn uitgesloten.42 Het kantonnement na uitvoerend beslag geldt als voorwaardelijke betaling in afwachting van de beslissing van de appelrechter.43 Het kantonnement is niet meer mogelijk wanneer de gewone rechtsmiddelen werden uitgeput. Het hoger beroep moet ook daadwerkelijk worden aangetekend, een intentie tot het aantekenen van hoger beroep volstaat niet.44 Het beroep moet verder door de schuldenaar zelf ingesteld zijn, niet door een eventuele andere partij die gehouden is de schuldenaar te vrijwaren en aldus een derde is ten aanzien van de schuldeiser.45 Het kantonnement kan bovendien alleen worden ingeroepen voor bedragen waarvoor hoger beroep werd ingesteld. Werd een beperkt beroep ingesteld, dan zal aldus slechts beperkt gekantonneerd kunnen worden.46 De voorziening in cassatie heeft, behoudens anders­ luidende wettelijke bepaling, geen schorsende kracht. Een kantonnement kan de tenuitvoerlegging van een door dergelijk cassatieberoep bestreden arrest niet verhinderen.47 De kosten van het kantonnement vallen ten lasten van de schuldenaar, ook ingeval van een gedeeltelijke hervorming in graad van beroep.48

24

15. Krachtens art. 1404 Ger.W. kan de schuldenaar tegen wie beslag is gelegd ook zijn toevlucht nemen tot het kantonnement indien de schorsing van de vervolging is bevolen. De schorsing van de vervolging kent weinig toepassingsgevallen. Een voorbeeld van schorsing van de vervolging is deze bij de uitvoering op basis van authentieke aken, hoofdzakelijk notariële akten en in zeer uitzonderlijke wettelijke gevallen met name bij inschrijving wegens valsheid of wanneer de rechter op grond van artikel 1134 uitstel van betaling heeft toegestaan.49 Een bijkomende jurisprudentiële schorsingsgrond, bv. wanneer de inhoud van een notariële akte aanleiding geeft tot een ernstige betwisting of de uitvoerbare actualiteit van de titel betwist wordt, zou de executie van de akte door de beslagrechter kunnen worden geschorst. In deze gevallen zou de schuldenaar zich kunnen beroepen op het recht tot kantonnement.50 16. Het kantonnement bij uitvoerend beslag is in sommige gevallen bij wet of zelfs bij rechterlijk verbod uitgesloten. Uitkeringen tot levensonderhoud kunnen krachtens de wet51 niet gekantonneerd worden. Dit wettelijk verbod is ingegeven door de urgentie die bij alimentatie steeds aan de orde is. Het recht op kantonnement kan ook uitgesloten worden door de rechter ten gronde voor het geheel of een gedeelte van de veroordeling indien de vertraging in de regeling de schuldeiser blootstelt aan een ernstig nadeel. Art. 1406 Ger.W.: De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Het kantonnementsverbod kan niet worden vermoed. Het kan evenmin ambtshalve door de rechter worden uitgesproken.52

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 24

27/09/16 13:54


Het rechterlijk kantonnementsverbod dient uitdrukkelijk te worden gevorderd door de schuldseiser.53 De schuldenaar heeft een principieel recht op het kantonnement. Het uitsluiten van dit recht is een uitzonderlijke maatregel die enkel met de nodige omzichtigheid en wanneer hiervoor voldoende gronden bestaan kan worden genomen.54 De rechter moet het kantonnementsverbod ook voldoende motiveren teneinde controle door de appelrechter mogelijk te maken.55 Het kantonnementsverbod kan uitsluitend worden opgelegd door de bodemrechter of de rechter in beroep en niet door de beslagrechter of de rechter in kortgeding, behoudens voor veroordelingen die ze zelf zouden uitspreken.56 De rechter in hoger beroep kan het kantonnementsverbod ongedaan maken en de schuldenaar toelating geven om opnieuw te kantonneren.57

“

De schuldenaar heeft een principieel recht op het kantonnement. Het uitsluiten van dit recht is een uitzonderlijke maat­regel die enkel met de nodige omzichtigheid en wanneer hiervoor voldoende gronden bestaan kan worden genomen.”

40 BROECKX, K., supra vn. 36, Ger.W. art. 1403-3, nrs. 2. 41 BROECKX, K., supra vn. 10, 51, 160.

Het kantonnementsverbod kan slechts indien het kantonnement tot ernstig nadeel voor de schuldeiser zou leiden, het is niet vereist dat het nadeel onherstelbaar zou zijn. De bewijslast van het voorhanden zijn van de voorwaarden rust op de schuldeiser.58 Onder ernstig nadeel worden de levensbehoeften van de schuldeiser beoogd. Deze levensbehoeften kunnen slaan op het economische voortbestaan van een onderneming. Het niet onmiddellijk betalen van een som van € 125.000,00 aan een vennootschap met een beperkt kapitaal en omzet werd in de rechtspraak reeds beschouwd als ernstig nadeel.59 Ook wanneer de schuldeiser de betaling nodig heeft om op zijn beurt zijn schuldeisers te betalen, werd een ernstig nadeel weerhouden. Een zware af te betalen lening werd dan weer niet als ernstig nadeel weerhouden.60 17. Een kantonnement van het voorwerp van het beslag heeft louter een verplaatsing tot gevolg. Goederen komen in handen van een sekwester, het kantonnement van het voorwerp van het beslag stelt geen einde aan de onbeschikbaarheid. De goederen verdwijnen wel uit het vermogen van de derde en vermijdt de samenloop met de schuldeisers van de derde. De loop van de intresten wordt in dit geval wel niet geschorst.61

42 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 410. 43 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2002, 1212, nr. 27. 44 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid., 411. 45 BROECKX, K., supra vn. 10, 52, 160. 46 BROECKX, K., ibid. 47 Cass. AR 7856, 22 juni 1992 (R.J.V./Couchie). 48 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2007, 2071, nr. 48. 49 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 413; BROECKX, K., supra vn. 36, Ger.W. art. 14045, nrs. 11-12. 50 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid. ; BROECKX, K., ibid., nr. 13. 51 Art. 1404 eerste lid Ger.W. 52 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid., 417. 53 BROECKX, K., supra vn. 10, 57, 161. 54 DIRIX, E., supra vn. 20, TPR 2002, 1213, nr. 28; DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2007, 2069, nr. 44. 55 BROECKX, K., ibid. 56 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 418. 57 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid.; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn.20, 339, nr. 63. 58 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2007, 2069, nr. 44 ; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn. 20, 336, nr. 56. 59 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid., 419.

18. De schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing kan de executie hiervan vermijden door overeenkomstig art. 1403

60 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid. 61 BROECKX, K., supra vn. 36, Ger.W. art. 140706, nrs. 13-14.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 25

25

27/09/16 13:54


Ger.W. in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkend of aangestelde sekwester, een bedrag in bewaring te geven, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, intresten en kosten.62 Dit kan geschieden met tussenkomst van de beslagrechter die de modaliteiten zal vastleggen (art. 1403 Ger.W.) of rechtstreeks in handen van een gerechtsdeurwaarder (art. 1405 Ger.W.) 19. De tussenkomst van de beslagrechter dringt zich op van zodra er betwisting rijst over het principe van het recht op kantonnement of omtrent de concrete toepassing ervan. De tussenkomst van de beslagrechter kan worden gevraagd met het oog op het laten bepalen van de modaliteiten van het kantonnement.63 De vordering wordt ingeleid bij dagvaarding en zoals in kortgeding. 20. Kantonnement rechtstreeks in handen van de gerechtsdeurwaarder wordt geregeld in de bepalingen van art. 1405 Ger.W. Art. 1405 Ger.W.: In de gevallen van de artikelen 1403 en 1404, en met de eraan verbonden gevolgen, kan de schuldenaar in handen van de optredende gerechtsdeurwaarder een toereikend bedrag in consignatie geven om tot waarborg te strekken voor de oorzaken van het beslag in hoofdsom, interesten en kosten. De deurwaarder maakt proces-verbaal op van de bewaargeving der gelden in zijn handen en overhandigt een afschrift ervan aan de schuldenaar. Hij is ertoe gehouden deze gelden binnen drie dagen op een rekening te storten, die hij bij de Deposito- en Consignatiekas voor zich laat openen en waarop de naam van de beslagene wordt vermeld. Van deze storting maakt de ambtenaar van de Deposito- en Consignatiekas melding op het origineel van het exploot houdend het proces-verbaal van de bewaargeving der gelden, waarvan de deurwaarder de minuut bewaart. Opvraging van de gelden door de deurwaarder kan niet geschieden dan met toestemming van de schuldenaar tegen wie het beslag is gedaan of krachtens een

26

“

De schuldeiser is gebonden door de aanvaarding van de gerechtsdeur­ waarder. De toereikendheid van het gekantonneerde bedrag kan achteraf niet meer in vraag gesteld worden.”

beslissing die niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel. Het kantonnement kan geschieden in handen van de gerechtsdeurwaarder door middel van het in consignatie geven van een toereikend bedrag om tot waarborg te strekken voor de oorzaken van het beslag. De tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder is vereist en hij kan geen andere dan de wettelijke voorwaarden aan het kantonnement verbinden.64 Het betreft een vrijwillige bezoldigde bewaargeving en de gerechtsdeurwaarder is gehouden een PV van bewaargeving op te stellen en de ontvangen gelden binnen de drie dagen op een rekening bij de Deposito- en Consignatiekas te storten.65 Het in bewaring geven van de gelden aan de Depositoen Consignatiekas buiten de drie dagen termijn staat een rechtsgeldig kantonnement niet in de weg.66 De rechtstreekse storting in handen van de Depositoen Consignatiekas kan geen rechtsgeldig kantonnement tot stand brengen.67 Ook de storting in handen van een andere gerechtsdeurwaarder dan de uitvoerende gerechtsdeurwaarder voldoet niet aan de voorwaarden gesteld in artikel 1405 Ger.W.68 De schuldeiser is gebonden door de aanvaarding van de gerechtsdeurwaarder.69 De toereikendheid van het gekantonneerde bedrag kan achteraf niet meer in vraag gesteld worden.70 21. Het te kantonneren bedrag dient te volstaan ter dekking van de hoofdsom, (vervallen) intresten en kosten zoals deze blijken uit de ingeroepen titel.71 Een gedeeltelijk kantonnement is uitgesloten en afbetalingen worden niet toegestaan.72 Het kantonnement kan niet samengesteld worden uit gespreide betalingen.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 26

27/09/16 13:54


Bij het uitvoerend beslag kan het kantonnement enkel worden samengesteld uit gelden, andere roerende waarden zoals bijvoorbeeld goud zijn uitgesloten. Er dient gekantonneerd voor de oorzaken van het beslag in hoofdsom intrest en kosten terwijl de wisselende koersen van goud deze niet kunnen waarborgen.73 Het kantonnement in geval van verscheidene hoofdelijk veroordeelde schuldeisers zal niet kunnen worden beperkt tot het hoofdelijke aandeel in de verschuldigde sommen. Zekerstelling middels borgtocht of een garantie kan op voorwaarde van akkoord van alle partijen, de schuldeiser kan evenwel geen vervangende (bank)garantie worden opgedrongen op het gevaar af afbreuk te doen aan de uitvoerbare titel.74 22. Het kantonnement van de oorzaken van het beslag beschermt de schuldeiser tegen mogelijke insolva­bi­­liteit van de schuldenaar. Het heft de onbeschikbaarheid op, de gekantonneerde gelden worden in de plaats gesteld. Het vermijdt de nadelige publicatie van de beslag­ berichten.

ex art. 1404, tweede lid, wordt de schuldenaar geacht zijn schuld op datum van het kantonnement te hebben voldaan, zodat hij met ingang van die datum op die schuld geen intrest meer verschuldigd is.75 Art. 1407 Ger.W.: In alle gevallen dat bewarend of uitvoerend beslag is gedaan op gelden of roerende goederen die in handen van een andere persoon dan de schuldenaar zijn, kunnen deze, de derde die ze onder zich heeft, en de schuldeiser die ze in beslag genomen heeft, zich wenden tot de beslagrechter om te doen bevelen dat de gelden of roerende goederen in bewaring zullen worden gegeven aan een erkende of aangestelde sekwester, dan wel, wanneer het vaststaande of te vervallen bedragen betreft, aan de Deposito- en Consignatiekas.

62 DIRIX, E., BROECKX, K., ibid. 420. 63 BROECKX, K., supra vn. 36, Ger.W. art. 1403-6, nr. 12. 64 BROECKX, K., ibid., Ger.W. art. 1405-2, nr. 2. 65 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 399. 66 Cass. AR C.95.0366.F, 5 september 1996 (Szarvadi/Modulmed N.V.). 67 BROECKX, K., supra vn. 10, 62, 164.

Geeft aanleiding tot de vrijgave van het bedrag dat de oorzaken van het beslag zou overschrijden.

68 BROECKX, K., ibid.; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn.20, 339, nr. 63. 69 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 399.

Het kantonnement bij uitvoerend beslag geldt als voorwaardelijke betaling aan de schuldeiser die bij gevolg beschermd wordt bij insolvabiliteit van zijn schuldenaar.

70 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2007, 2067, nr. 46. 71 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2, 421. 72 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2007, 2070, nr. 46. 73 DIRIX, E., BROECKX, K., supra vn. 2. 74 DIRIX, E., supra vn.20, TPR 2002, 1212, nr. 27.

Er zijn geen intresten meer verschuldigd vanaf het tijdstip van kantonnement. Bij een kantonnement

75 Cass. AR C.95.0366.F, 5 september 1996 (Szarvadi/ Modulmed N.V.).

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 27

27

27/09/16 13:54


V. HET ONEIGENLIJK (MINNELIJK) KANTONNEMENT 23. Het wettelijke kantonnement is omslachtig en tijd­rovend. Bovendien is de rentevoet van de Deposito- en Consignatiekas weinig aanlokkelijk. Deze vaststellingen hebben aanleiding gegeven tot het ontstaan van het oneigenlijk of minnelijk kantonnement.76

Bibliografie 1. BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoerlegging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR, 2015, afl. 1, 325-340. 2. BROECKX, K., “Kantonnement”, in X., Gerechtelijk recht: Artikelgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, I, Deel V, Titel I, Hfdst. IV, Wolters Kluwer, Ger.W. Art. 1403-1 – Ger.W. Art. 1407-7 (44 p.). 3. BROECKX, K., “Voorlopige tenuitvoerlegging en kanton­

Deze praktijk bestaat er in dat buiten de voorschriften van de wet om het bedrag van de veroordeling op een gemeenschappelijke rekening op naam van beide raadslieden wordt geblokkeerd in afwachting van een uitspraak in graad van beroep.

nement na uitvoerend beslag », in X., Meester van het proces, Topics gerechtelijk recht, Larcier, Brussel, 2010, 141-169, 256. 4. CLIJMANS, N., “Het tenietdoen van de voorlopige tenuitvoerlegging in hoger beroep. Cassatie licht toe”, RABG, 2006, afl. 18, 1366–1370.

Lange tijd heerste er onzekerheid of het minnelijke kantonnement dezelfde gevolgen kan hebben als het wettelijk kantonnement.77 Uiteindelijk is het minnelijke kantonnement door het Hof van Cassatie in verschillende arresten aanvaard en bevestigd geweest.78

5. COPPENS, A., “Voorlopige vs. definitieve uitvoering”,

De feitenrechter beoordeelt, aan de hand van de briefwisseling tussen partijen en de omstandigheden van de zaak, op onaantastbare wijze welke de bedoeling van de partijen is geweest bij hun akkoord over de vastlegging van de gelden.79

7. DIRIX, E., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoer­

noot onder Cass. (3e k.) AR C.14.0396.N, 23 februari 2015 (R.S.Z. / Vanthienen nv), NJW, nr 321, 319-320. 6. DIRIX, E., “Beslag en executie – Voorlopige tenuitvoer­ legging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR, 2002, afl. 2, 1208–1215. legging – Kantonnement, overzicht van rechtspraak”, TPR, 2007, afl. 4, 2063–2072. 8. DIRIX, E., BROECKX, K., “Beslag”, APR, Wolters Kluwer, Mechelen, 2010, 627. 9. SCHEERS, D., THIRIAR, P., Potpourri I – Gerechtelijk recht,

Een consignatie van een som geld hoeft niet in alle gevallen en onder alle omstandigheden als een loutere bewaargeving te worden aangemerkt. Er kan ook overeengekomen zijn dat een werkelijke betaling tot stand kwam waardoor de geconsigneerde gelden aan de schuldeiser toekomen van zodra is komen vast te staan dat de gelden door de schuldenaar verschuldigd zijn.80 Het is onvoldoende dat partijen louter overeengekomen zijn dat één en ander als betaling zal gelden. De geldsom dient ook effectief buiten de macht van de solvens te worden geplaatst. De gelden die minnelijk gekantonneerd worden, komen uiteindelijk toe hetzij aan de debiteur-solvens, hetzij aan de schuldeiser, naargelang de uitspraak over de rechten van de ene of andere partij. Samenloop doet hieraan geen afbreuk.81

28

Intersentia, Mortsel, 2015, 226. 10. TAELMAN, P., BROECKX, K., “Rechtsmiddelen en hun (niet-)schorsende werking na Potpourri I”, Documentatiebundel studiedagen POTPOURRI I, Die Keure, Brussel, 2015.

76 BROECKX, K., supra vn. 10, nr. 70-74, 168-170; BROECKX, K., supra vn. 36, Ger.W. art. 1404-12, nr. 36. 77 BROECKX, K., ibid., nr. 37-40. 78 BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn. 20, nr. 64, 339; DIRIX, E., supra vn. 20, TPR 2002, nr. 32, 1215; DIRIX, E., supra vn. 20, TPR, 2007, nr. 50, 2072. 79 BROECKX, K., supra vn. 10, nr.. 71-73; BROECKX, K., supra vn. 35, Ger.W. art. 1404-12, nr. 41. 80 Cass. AR 6657, 9 november 1990 (Bekla B.V.B.A./ Fazzi-de Clercq). 81 Cass. 17 maart 2005; Pas. 2007, 228, RW 2006–2007, 1679, noot V. SAGAERT; TBH 2007, 341, noot I. PEETERS en A. ZENNER; BRIJS, S., DE MUYNCK, C., LINDEMANS, R., DE FAUW, J., supra vn.20, 339, nr. 64.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 28

27/09/16 13:54


BIJZONDERE ONTMOETINGEN EEN GESPREK MET FRANK MARYNS (ONDERVOORZITTER NKGB) & MARC TAEYMANS (ONDERVOORZITTER IBJ)

De gerechtsdeurwaarders en de bedrijfsjuristen: klaar om bruggen te bouwen Komen bedrijfsjuristen en gerechtsdeur­waarders vaak met elkaar in contact in hun beroepsveld? MARC TAEYMANS  Ik denk dat er weinig rechtstreeks contact is tussen de bedrijfsjurist en de gerechtsdeurwaarder. Zowel het ontvangen van de betekeningen als het laten uitvoeren ervan, gebeurt op dit ogenblik niet echt door de bedrijfsjurist. Het ontvangen van de betekeningen kan door iedereen binnen een bedrijf en ik denk niet dat er veel bedrijven zijn waar het zo georganiseerd is dat het een taak is die voorbehouden is voor de bedrijfsjurist. In mijn onderneming is dat nu toevallig wel het geval, omdat wij in een bank werken en veel betekeningen krijgen van de gerechtsdeurwaarders. Voor wat betreft het laten uitvoeren van betekeningen, instrueren bedrijfsjuristen meestal de advocaat. FRANK MARYNS  Ik denk dat we het niet altijd beseffen dat er contacten zijn tussen bedrijfsjuristen en gerechtsdeurwaarders. Als wij bijvoorbeeld contact hebben met de juridische diensten van bedrijven of verantwoordelijken bij de RVA, worden wij te woord gestaan door bedrijfs­juristen. Ik neem aan dat ook bij sociale secretariaten aardig wat juristen zitten die onder het statuut van bedrijfsjuristen kunnen vallen. Idem dito voor een notariskantoor, daar zijn ook juridische medewerkers, al zijn het misschien geen bedrijfsjuristen. MARC TAEYMANS  Als ik even mag aanvullen: als begrip ‘beschermd door de wet’ is een bedrijfsjurist eigenlijk eenieder die een juridische functie binnen een bedrijf

uitoefent en die lid is van het Instituut. Maar om lid te zijn, zijn de criteria nogal restrictief en moet men in hoofdzaak juridisch advies aan zijn werkgever verlenen. Dus juridische medewerkers van notariskantoren of sociale secretariaten zijn wel juristen in een onderneming maar eigenlijk niet noodzakelijk bedrijfsjuristen. Maar het is juist dat bedrijfsjuristen zich bij de gerechtsdeurwaarders wat meer bekend moeten maken, zodanig dat de gerechtsdeurwaarders wat gemakkelijker naar een bedrijfsjurist van een bedrijf zouden vragen. FRANK MARYNS  En vice versa. MARC TAEYMANS  Ik denk dat dat inderdaad een gezamenlijke conclusie kan zijn: dat het noodzakelijk is om zowel het ene als het andere beroep wederzijds meer te profileren.

Op welke vlakken kunnen bedrijfsjuristen en gerechtsdeurwaarders samenwerken? Hoe kunnen we elkaar helpen? FRANK MARYNS  We kunnen de bedrijfsjuristen bijvoorbeeld informeren over de nieuwe procedure voor de inning van onbetwiste schuldvorderingen die eraan komt, dat zou voor veel bedrijven die daarmee geconfronteerd worden, nuttig zijn. Wij ervaren dat bij het opzeggen van arbeidsovereenkomsten het ook anders kan dan via aangetekende brief en dat de bedrijven daar aardig wat voordeel mee kunnen doen. We moeten hen ook op de hoogte brengen van het feit dat in het nieuwe statuut van de deurwaarder de vaststelling is opgenomen

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 29

29

27/09/16 13:54


bij de ambtelijke taken. Wij doen dus vaststellingen, hetgeen kan bijdragen tot bewijswaarde. Het heeft in ieder geval de authenticiteit meegekregen door de wetgever, waardoor de rechters gebonden zijn. Zo kunnen ook eventueel duurdere deskundigen vermeden worden, en werkt het ook proactief. Ook nuttig voor bedrijven en hun bedrijfsjuristen is dat ze bij de inning van schuldvorderingen een beroep kunnen doen op de gerechtsdeurwaarder bij het onderzoek naar de solva­ biliteit. Zo kunnen zij dus een gemakkelijke inschatting maken voor hun bedrijf: “Geven we het al dan niet door aan onze raadsman?” Daarenboven voorziet het nieuwe statuut ook de institutionele bevoegdheid voor de minnelijke invordering van schulden. MARC TAEYMANS  Ik had zelf gedacht aan twee zaken. U hebt er zelf al één genoemd, dat is het debiteuren­ beheer. Als een bedrijf zeer veel incassodossiers heeft, kan het debiteurenbeheer belangrijke financiële consequenties hebben voor een bedrijf. Ik denk dus dat er een grotere samenwerking zou kunnen zijn tussen diensten binnen een bedrijf en de gerechtsdeurwaarders. In een aantal bedrijven is het zo dat het debiteurenbeheer een

30

taak is van de financiële afdeling en niet van de juridische afdeling. Maar ook hier denk ik dat het nuttig zou zijn dat de deurwaarders zich tot de bedrijfsjurist zouden kunnen wenden voor wat betreft de B2B-invordering, het debiteurenbeheer van onbetwiste geldschulden. Die zou dat dan binnen het eigen bedrijf kunnen promoten als zijnde een goede oplossing om het debiteuren­ beheer te doen. Het andere domein waar er samenwerking zou mogelijk zijn, is de elektronische betekening die er zit aan te komen. Die geeft de mogelijkheid om een elektronisch adres van woonstkeuze door een bedrijf in te stellen om een akte te laten betekenen waarbij dus, als ik het goed begrepen heb, de deurwaarders met een beveiligd platform zouden komen waarbij bedrijven zouden kunnen aansluiten om via dat gekozen e-mailadres aktes te laten betekenen, telkens met hun akkoord. Ik denk dat de bedrijfsjuristen wel de personen zouden kunnen zijn om de gerechtsdeurwaarders te helpen om de adres­ verificatie te doen: op bijvoorbeeld het adres betekeningen@”onderneming x”.be dat geregistreerd is op het platform van de deurwaarders. De bedrijfsjuristen

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 30

27/09/16 13:54


“

Ik denk dus dat er een grotere samenwerking zou kunnen zijn tussen diensten binnen een bedrijf en de gerechtsdeurwaarders.” MARC TAEYMANS

kunnen bevestigen dat dit effectief het adres is dat door de onderneming is aangemaakt om aktes op te ontvangen. U noemde verder de vaststellingen. Ook deze zijn eigenlijk niet zo goed bekend bij de bedrijfsjuristen. Een gerechtsdeurwaarder kan helpen om de bewijslast die een onderneming in een rechtszaak heeft, te vergemakkelijken. Bij betwistingen omtrent handelspraktijken kan het bijvoorbeeld nodig zijn om de inhoud van een website te tonen, omdat er misleidende reclame op wordt gepubliceerd. Zoals u weet kan een website aangepast worden van dag tot dag, van uur tot uur, en om inbreuken vast te stellen is het nuttig een gerechtsdeurwaarder te kunnen inschakelen. Die neemt een kopie van de pagina van de website en certifieert deze. Een laatste zaak waar ik aan denk, is de sekwester. Ik denk bijvoorbeeld aan een geval waar het noodzakelijk is om bij een inbreuk van bepaalde rechten een kopie van informa­ticamateriaal te laten onderzoeken door deskundigen. Het is dan mogelijk om eerst het materiaal in bewaring te geven bij de deurwaarder, dat in een sekwester te zetten, zodanig dat dat veilig bewaard en gevrijwaard is en nadien het onderzoek te laten uitvoeren door een deskundige.

Zijn er nog zaken uit het takenpakket van de gerechtsdeurwaarder die misschien minder gekend zijn maar ook nuttig kunnen zijn voor de bedrijfsjuristen? FRANK MARYNS  Bedrijfsjuristen kunnen bijvoorbeeld een beroep doen op ons indien ze via een minnelijke invordering een schuld willen betaald zien. Daarnaast mogen wij ook consultaties geven ivm ons beroeps­ domein. MARC TAEYMANS  Ja, bij de uitvoering van een vonnis kan dat wel nuttig zijn, omdat jullie daar ervaring mee hebben.

FRANK MARYNS  Ja, maar dan hebben we het ook over de informatieplicht die ons opgelegd is bij de taakomschrijving, zowel naar het bedrijf toe dat veroordeeld is, om het aan te manen snel na te leven wat er is uitgesproken, als naar de schuldeiser toe, om hem in te lichten wat zijn slaagkansen zijn en dat hij geduld moet hebben.

De gerechtsdeurwaarders zetten volop in op digitalisering. Hoe pakken de bedrijfsjuristen dit aan? Waar kunnen de gerechtsdeurwaarders op dit vlak nog werk van maken? MARC TAEYMANS  Digitalisering is natuurlijk een hot topic in de justitiële wereld. Bedrijven zijn natuurlijk al voor een groot deel gedigitaliseerd en werken al met digitale platformen. Voor de bedrijfsjuristen is het dus niets nieuws om op die manier te werken. Wij zijn wel blij dat die digitalisering zich doorzet naar de justitiële wereld. Dit zal de processen hopelijk versnellen, want zeker het bedrijfsleven is gediend met een goed werkende justitie: ‘time is money’. Ik geloof niet dat de digitalisering van justitie alles oplost, maar wij verwel­ komen zeker elk initiatief om de processen vooral sneller en efficiënter te laten verlopen. Daarnaast denk ik dat wij als bedrijfsjuristen ook de digitalisering verder moeten aanpakken. We hebben al een zeer goede website (www.ibj.be), waar de gerechtsdeurwaarders en andere actoren van justitie heel veel informatie vinden over het statuut en het beroep van de bedrijfsjuristen. Wij proberen nu intern voor de bedrijfsjuristen een forum te creëren waar ze elektronisch kennis kunnen uitwisselen en contacten kunnen verbeteren. FRANK MARYNS  Het is al herhaaldelijk gezegd: informatisering en digitalisering zijn geen doelen op zich, het zijn middelen. We dienen daarnaast ook rekening te houden met privacy en veiligheid. De normen die gehanteerd worden zijn niet min, en terecht uiteraard. MARC TAEYMANS  De bedrijfsjuristen zullen zeker die vraag stellen: hoe veilig is jullie digitaal platform? FRANK MARYNS  Er zijn wettelijke garanties voorzien voor de digitale platformen die de Nationale Kamer beheert.

september 2016  NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 31

31

27/09/16 13:54


Kennen de bedrijfsjuristen de nieuwe procedure voor de B2B-invordering en hoe kijken ze hiernaar? FRANK MARYNS  Op het ogenblik van dit interview kunnen de bedrijfsjuristen hier nog geen gebruik van maken, aangezien de procedure nog niet van toepassing is op het terrein. Intussen doet het kenniscentrum van gerechtsdeurwaarders er alles aan om op tijd klaar te zijn met het informaticaplatform waarin alle dossiers van deze procedure digitaal zullen worden geregistreerd. We zullen uiteraard ook de nodige ruchtbaarheid geven aan deze procedure wanneer alles op punt staat, want het is een dienstverlening waar men zit op te wachten. MARC TAEYMANS  De bedrijven zitten inderdaad te wachten op deze procedure, zeker zij die een belangrijke portefeuille hebben aan te innen vorderingen. Maar het is natuurlijk beperkt tot vorderingen op andere ondernemingen, en geldt dus niet voor particulieren. Ik kan me inbeelden dat een telecombedrijf dat zowel bedrijven als particulieren als klant heeft, een onderscheid zal moeten maken. Bijvoorbeeld: “Gaan we de administratieve procedure gebruiken voor het ene en een gerechtelijke procedure voor het andere?” Het zal voor de bedrijven en bedrijfsjuristen een mentaliteitsverandering vergen om naar deze administratieve procedure te grijpen. Maar de voordelen ervan zijn duidelijk: de kostprijs is lager en er is een grote tijdswinst, zeker als de bedrijfsjurist de controle doet van het onbetwist karakter van de schuld. FRANK MARYNS  Er is al een intentieverklaring om de procedure uit te breiden naar B2C maar daar zijn we nog niet aan toe, eerst moet geëvalueerd worden hoe succesvol de B2B-procedure verloopt. In ieder geval is het opzet van de wetgever een werklastverlaging voor de rechtbank, in overeenstemming met de Europese regelgeving. MARC TAEYMANS  Gebeurt alles in deze procedure elektronisch? FRANK MARYNS  Het persoonlijk contact met de gerechtsdeurwaarders staat voorop. Wij willen veldwerkers blijven die ter plaatse gaan en een gesprek voeren. Zo kunnen we onze sociale rol als bemiddelaar meteen aanwenden en indien de schuld niet betwist wordt een afbetalingsplan opstellen waarmee de opdrachtgever akkoord gaat. De onbetwiste schuld wordt dus niet elektronisch verzonden, we gaan de aanmaning ter

32

“

Er is al een intentieverklaring om de procedure uit te breiden naar B2C maar daar zijn we nog niet aan toe.” FRANK MARYNS

plaatse betekenen, zo kunnen we meteen ook een inschatting maken qua solvabiliteit. Pas daarna begint het elektronische luik. De gerechtsdeurwaarder voert alles in in het Centraal Register voor de Onbetwiste Schuldvorderingen (het CROS). Het gehele bundeltje wordt dan elektronisch overgemaakt aan dat Centraal Register. De rechter, want het is nog steeds de rechter, kan dan op basis van die informatie beoordelen of aan alle voorwaarden voldaan is om, in dit geval, een administratieve titel af te leveren die meteen ten uitvoer kan worden gelegd. MARC TAEYMANS  En komt de advocaat nadien nog tussen in het proces, na het verzoek dat hij moet doen aan de gerechtsdeurwaarder? FRANK MARYNS  Neen, in principe niet, mocht het zijn dat de debiteur de schuld betwist, dan gaat het weer zijn gewone gang en kan de schuldeiser een beroep doen op een raadsman, al is hij daar niet toe verplicht. MARC TAEYMANS  Concluderend denk ik dat de bedrijfsjuristen deze procedure onvoldoende kennen. Het zou nuttig zijn dat de gerechtsdeurwaarders stappen ondernemen om de bedrijfsjuristen te informeren van zodra dat opportuun is. FRANK MARYNS  Ja, zeker, ik heb gezien dat de bedrijfsjuristen permanent gevormd worden, wij ook uiteraard, dat is nu intussen opgenomen in ons statuut. Het zou best kunnen dat wij de krachten bundelen en een opleiding geven rond dit thema. Daarnaast werkt het kenniscentrum samen met het VBO aan een informatieve brochure over deze procedure, deze kan dan ook verspreid worden onder uw leden.

NKGB-CNHB  september 2016

De Gerechtsdeurwaarder 2016/09_NL_DEF.indd 32

27/09/16 13:54


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De gerechtsdeurwaarder #02 2016 by SAM-TES - Issuu