Duurzame
Melkveehouderij
Pr ot
ec t
ed
4 jaar praktijkervaringen uit het project ‘Kop in ’t zand’
• • • • • •
Bodemvruchtbaarheid Mest en bemesting Bouwplan melkveebedrijf Voeding en veestapel Lucht en water Duurzame bedrijfsstrategieën
Duurzame
Melkveehouderij
Deelnemende bedrijven Kop in ‘t Zand
Zwolle
Fam. Roelofs
Bakhuis VOF
Fam. Ormel
ed
Fam. Grotenhuis
Dalmsholte
Fam. Bouhuis
Bruinehaar
Lemelerveld
Nutter
ec t Broekland
Daarle
Almelo
LattropBrecklenkamp
Holten
Fam. Valk
Hengelo
Deventer
Enschede
Fam. Groeneveld
Haaksbergen
Pr ot
Fam. Dijsselhof en Strijdveen
Fam. Bos
Fam. Blankena
Fam. Vedders
Fam. Lansink
Projectgroep Kop in ’t Zand
Joop Rensen Stimuland, projectleider
2
Harry Roetert Stimuland, projectmanager
Gerrit de Lange Countus accountants + adviseurs, begeleider
Gerrit Bossink ForFarmers, begeleider
Herman van Schooten WUR Livestock Research, begeleider
Voorwoord Voor u ligt de uitgave ‘Duurzame Melkveehouderij’ van het project Kop in ’t Zand. Dit project is gericht op een duurzame melkveehouderij met daarin vooral aandacht voor bodemvruchtbaarheid, voeding, bemesting, economie en milieu. De twaalf voorlopers in het project hebben gezamenlijk gewerkt aan een melkveehouderij die klaar is voor de toekomst. Maar wat is nu eigenlijk duurzaam? Hoe word je duurzaam? En als je
ed
niet duurzaam doet, ben je dan zelf ook niet duurzaam?
Voor de deelnemers aan Kop in ’t Zand betekent duurzaam het beoefenen van een landbouw die een positief
effect op het gezin en de omgeving en zo weinig mogelijk negatief effect op het milieu heeft. Vanzelfsprekend moet er ook een goede boterham kunnen worden verdiend. Met de gedachte ‘het kan altijd beter’ heeft het
project veel nieuwe inzichten opgeleverd. Met name de uitdaging om samen ergens voor te gaan heeft geleid tot een mooi resultaat. Daarvan getuigt deze uitgave. Ik hoop dat de resultaten er toe leiden dat u zich als
ec t
lezer bewust wordt ‘dat het altijd beter of anders kan’.
Ik wil iedereen die een bijdrage heeft geleverd aan dit project bedanken voor hun medewerking. In het bijzonder de deelnemers die het uiteindelijk mogelijk hebben gemaakt dat dit project van de grond is gekomen en Stimuland die dit project de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd. De provincie Overijssel heeft daaraan graag een bijdrage geleverd.
Ik wens u veel leesplezier en hoop dat deze uitgave u inspireert, zodat wij samen kunnen zorgen voor een
Pr ot
duurzame Overijsselse landbouw! Piet Jansen
Gedeputeerde Landelijk Gebied, Landbouw en Water
3
Duurzame
Melkveehouderij
ed
Inhoudsopgave
Colofon
Inleiding
Teksten: Joop Rensen (Stimuland), Herman van Schooten (WUR Livestock Research), Gerrit de Lange (Countus accountants + adviseurs), Gerrit Bossink (ForFarmers)
Bodemvruchtbaarheid
Eindredactie: Stimuland, Ommen
Deelnemer in Beeld: Familie Groeneveld ‘Volg je eigen lijn en sta achter de dingen die je doet. Zo hou je plezier in het werk.’
5 6
10
Mest en bemesting
12
Productie: Roodbont Publishers B.V.
Bouwplan op een melkveebedrijf
16
Deelnemer in beeld: melkveehouderij Bakhuis VOF ‘Een goede duurzaamheid begint bij een goede economische duurzaamheid.’
20
Vormgeving: Varwig Design Deze brochure is uitgegeven ter gelegenheid van de afsluiting van het project ‘Kop in ’t Zand’.
Pr ot
© Stimuland, februari 2011
ec t
Fotografie: Stimuland, fam. Ormel, Ilse Fotografie, WUR Livestock Research
4
Voeding en veestapel
22
Lucht en water
26
Deelnemer in beeld: familie Grotenhuis ‘Besteed aandacht aan de bodem en wees zuinig op je grond.’
30
Duurzame bedrijfsstrategieën
32
Bedrijfspagina’s projectpartners - BLGG AgroXpertus - WUR Livestock Research - ForFarmers - Countus accountant + adviseurs
36
Routekaart naar duurzaamheid
39
In maart 2007 zijn twaalf melkveehouders gestart met het project. Gezamenlijk in de deelnemersgroep en individueel met de begeleider zijn ze op zoek gegaan naar mogelijke aanpassingen die positief uitpakken voor milieu en omgeving, met behoud van de economie en de sociale kant van het bedrijf. Hieruit is per bedrijf een actieplan gekomen, afgestemd op de individuele situatie van het bedrijf en de ondernemer. Door alle verschillende actieplannen werden over de gehele groep veel actiepunten opgepakt en kwam veel kennis beschikbaar.
ec t
De Nederlandse landbouw is van een hoog niveau, heeft een intensief karakter en is de laatste decennia flink gegroeid. Zelfs de Nederlandse melkveehouderij is ondanks haar grondgebondenheid nog steeds relatief intensief. Veel van de grondstoffen die op deze bedrijven gebruikt worden, komen van buiten de eigen kringloop en mest moet worden afgezet.
ed
Inleiding
Veel kennis is er opgedaan over het benutten van stikstof. Bij vrijwel alle bedrijven is de hoeveelheid stikstof op grasland gereduceerd. Ook wordt er minder vroeg gemaaid om meer structuur in het kuilvoer te krijgen. En bij vrijwel alle bedrijven is het ureum lager dan het landelijk gemiddelde. Geen enkele deelnemer twijfelt er nog aan dat deze aspecten bijdragen aan een betere gezondheid van de veestapel en daarmee de reductie van de kosten. Gevolg hiervan is dat het werk makkelijker wordt en het plezier toeneemt. Meer van dit soort voorbeelden vindt u in deze brochure.
Pr ot
In de maatschappij rijst de vraag of deze landbouwmethode in de nabije toekomst houdbaar is en agrariërs vragen zich af op welke manier ze het bedrijf kunnen aanpassen aan de toekomstige ontwikkelingen. Voor de provincie Overijssel reden om een project te starten in haar reconstructiegebieden, met als doel het werken aan een robuuste en duurzame landbouw in Overijssel. Stichting Stimuland heeft de uitvoering van dit project opgepakt en het de titel Kop in ’t Zand meegegeven.
De Dikke van Dale geeft bij ‘duurzaamheid’ de volgende betekenissen: geschikt, bestemd om lang te blijven bestaan, bestendig, durabel, permanent. Een duurzame landbouw zou je dus kunnen omschrijven als een landbouwmethode die zodanig is ingericht dat ze geschikt is om lang te blijven bestaan. En dat is ook het doel geweest van de deelnemers aan dit project: een milieutechnisch en economisch gezond melkveebedrijf dat ook voor volgende generaties geschikt is om van te kunnen bestaan.
In het project Kop in ’t Zand is het begrip duurzaamheid opgehangen aan de vier P’s van planet, people, profit en pleasure/passion. Ofwel: milieukundige duurzaamheid, sociale duurzaamheid, economische duurzaamheid en tot slot plezier in en passie voor het werk.
De brochure is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Ze gaan over bodemvruchtbaarheid, mest en bemesting, bouwplan op een melkveebedrijf, voeding en veestapel, lucht en water en duurzame bedrijfsstrategieën. In alle hoofdstukken zijn mini-interviews met de deelnemende melkveehouders opgenomen. Drie deelnemers vertellen in bedrijfsreportages uitgebreider over hun ervaringen.
5
Duurzame
Melkveehouderij
1 Bodemvruchtbaarheid
ec t
ed
Een landbouwkundige definitie van bodemvruchtbaarheid is: het vermogen van de bodem om gewassen op langere termijn van voldoende water en nutriënten te voorzien zodat de gewassen tot een hoge productie per eenheid productiefactor komen met een lage belasting voor de omgeving. Een goede bodemvruchtbaarheid is van groot belang voor het efficiënt produceren van voer. Organische stof speelt een centrale rol bij het realiseren van een vruchtbare bodem.
Verhogen organischestofgehalte
Het succes van verhoging van het organischestofgehalte in de bodem hangt af van de afbreekbaarheid van het materiaal. Hoe gemakkelijker en sneller het organisch materiaal wordt afgebroken, hoe minder het na een bepaalde tijd nog bijdraagt aan het organischestofgehalte. Zo bevat groen materiaal relatief veel gemakkelijk afbreekbare verbindingen, zoals suikers en cellulose. Het breekt daardoor sneller af dan zaagsel, dat relatief veel lignine bevat. Stro en stalmest zitten daar tussenin.
Pr ot
Bodemvruchtbaarheid wordt bepaald door chemische, fysische en biologische kwaliteitsfactoren. Van oudsher is er vooral aandacht voor het chemische deel: het gehalte aan N, P, K, Mg, enzovoort en het fysische deel: structuur, vochtleverend vermogen en dergelijke. De laatste tijd is er steeds meer aandacht voor het biologische deel. Organische stof is een essentieel onderdeel van de bodem. Het levert een positieve bijdrage aan de chemische, de fysische en de biologische factoren. Met de aanvoer van organische materialen dien je twee doelen: 1. verhoging van het gehalte aan organische stof en 2. levering van voedingstoffen.
100
Zaagsel Stalmest Stro Groen materiaal
Restant org. stof (%)
90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
0
2
4
6
8
10
Jaren na toediening Teruggevonden percentage organische stof na een eenmalige toediening van verschillende materialen.
6
De figuur laat van verschillende materialen het percentage overgebleven organische stof in een aantal jaren na toediening zien. Het organisch materiaal dat na toediening wordt afgebroken, kan niet meer bijdragen aan een verhoging van het organischestofgehalte. In dit verband wordt daarom gesproken van effectieve organische stof (e.o.s.). Dit is de hoeveelheid organische stof die één jaar na toedienen van het organische materiaal nog aanwezig is.
Herinzaai grasland In voorjaar van 2010 heeft Rolf Roelofs een perceel grasland op twee manieren gescheurd: een deel door frezen en ploegen en een deel door gebruik van de pennenfrees. ‘Bij de pennenfrees is de benutting van stikstof beter. Ik heb met weinig bemesting over het gehele seizoen een goede opbrengst kunnen realiseren, daar waar het geploegde deel het op een gegeven moment liet afweten.’ Kortom, de stikstof uit de ondergewerkte zode wordt beter benut als die bovenin blijft. Aandachtspunt is wel de hogere onkruiddruk. Rolf is tevreden: hij heeft in het najaar - binnen de tijdelijke uitzonderingsregel op het scheurverbod - weer een stuk laten inzaaien met de pennenfrees. Zijn tip: ‘Maai het gras voor het frezen heel kort, zodat de frees minder snel last heeft van overtollig gras.’
ed ec t
Beluchting zorgt voor een betere zuurstofvoorziening van de bodem: positief voor de bodemvruchtbaarheid.
Leverancier van voedingsstoffen
afbraak niet alle stikstof nodig en blijft er stikstof over (= netto-mineralisatie). Bij organisch materiaal met relatief veel koolstof zullen de micro-organismen voor de afbraak echter stikstof gaan gebruiken van andere bronnen in de bodem. Dit gaat ten koste van de hoeveelheid stikstof die beschikbaar is voor de plant (= immobilisatie). De C/N-verhouding van het organisch materiaal bepaalt dus of de afbraak stikstof oplevert voor de plant of juist stikstof kost. Organische materialen met een C/N-verhouding < 15 hebben de neiging netto stikstof te mineraliseren en bij een C/N-verhouding > 25 juist te immobliseren. Daar tussenin kan het afhankelijk van de omstandigheden beide kanten op, maar zullen de effecten niet groot zijn.
Pr ot
De gehalten aan voedingsstoffen en de afbraaksnelheid van het materiaal bepalen gezamenlijk de betekenis van het organisch materiaal als leverancier van voedingsstoffen. In organisch materiaal zijn de voedingsstoffen voor een belangrijk deel gebonden in organische verbindingen. Ze zijn dan niet opneembaar voor planten. Ze moeten eerst ‘gemineraliseerd’ worden: de organische verbindingen moeten door micro-organismen worden omgezet in een voor de plant opneembare vorm. De micro-organismen hebben naast koolstof (C) ook stikstof (N) nodig om zich te kunnen vermeerderen. Bij organisch materiaal met relatief veel stikstof ten opzichte van koolstof (groen materiaal) hebben de micro-organismen voor de
Gras onder maïs
Op proefbedrijf De Marke wordt al jaren met succes gras als vanggewas onder maïs gezaaid. Voor Gerrit Blankena aanleiding om dit ook te proberen en zo op de scherpere bemestingsnormen in te spelen. Op één perceel is deze werkwijze drie jaar achtereen toegepast. ‘Ik heb geleerd dat je beter iets eerder kunt onderzaaien dan vlak voor het sluiten van het gewas.’ In 2007 en 2008 is op een perceel deels gras onder maïs gezaaid en is het N-min gehalte in de laag 0-60 cm na de maïsoogst gemeten. Op het deel zonder grasonderzaai was het N-min gehalte 61 kg /ha en op het deel met grasonderzaai 38 kg. Voor Gerrit is dit een bewijs dat het werkt.
Een goed geslaagde onderzaai van gras levert veel organische stof.
7
TIP! • Zaai eens gras als groenbemester onder maïs.
Organischestofbalans, ook op melkveebedrijven
Ook de aanvoer van compost verhoogt het organischestofgehalte in de bodem.
Aanvoerbronnen zijn gewas(resten) en organische meststoffen. Niet alle verse organische stof is bruikbaar om het gehalte bodemorganische stof op peil te houden. Verse organische stof die binnen één jaar verteert, levert wel voedingsstoffen en is goed voor het bodemleven, maar draagt niet bij aan het organischestofgehalte. Daarom wordt bij een organische stof balans gerekend met effectieve organische stof, de organische stof die na één jaar nog aanwezig is (e.o.s.).
ed
Uit onderzoek blijkt het voor melkveehouders te lonen om met name van hun maïspercelen een organischestofbalans op te stellen. Dit brengt het verschil in jaarlijkse aanvoer en afbraak van organische stof (afvoer) in beeld. Zo kun je op jaarbasis zien of er extra organische stof nodig is. Ook kun je maatregelen doorrekenen op hun positieve of negatieve bijdrage aan de balans.
Opstellen van een balans
Stap 1. Aanvoer van organische stof
ec t
Voor de bijdrage van verschillende bronnen zijn normen bekend (zie www.handboeksnijmais.nl, hoofdstuk 3.4). Bereken voor elke aanvoerpost (mest, gewasresten, groenbemester, compost, enzovoort) hoeveel effectieve organische stof op perceelsniveau wordt aangevoerd.
Stap 2. Bepaal de afvoer van organische stof
Pr ot
De hoeveelheid organische stof die wordt afgebroken, hangt af van grondsoort, organischestofgehalte, bouwvoordikte, bewerkingsintensiteit, vocht, temperatuur en pH. Vuistregel: jaarlijks breekt 2-3% van de organische stof af in de bouwvoor. Dit komt overeen met ongeveer 2.000-3.000 kg organische stof per ha. Op gronden met een organischestofgehalte van 2% of lager en lage mestgiften is de afbraak soms maar 750 kg per ha. Een laboratorium als Blgg AgroXpertus kan de afbraaksnelheid nauwkeurig bepalen.
Stap 3. Maak de organischestofbalans Bereken het verschil tussen aanvoer van (effectieve) organische stof en afbraak van organische stof in de bodem.
Rekenvoorbeeld snijmaïsperceel
Stap 4. Interpretatie
Zandgrond met 3% organische stof, bouwvoor 25 cm, 40 m3 rundveedrijfmest per jaar, groenbemester winterrogge. Effectieve organische stof (kg/ha) Aanvoer
40 m³ rundveedrijfmest Gewasresten Totaal zonder groenbemester
Groenbemester, goed geslaagd Totaal met groenbemester
Afvoer
1.200 660 1.860
Afbraak
2.625
Totaal
2.625
Als de balans op nul uitkomt, blijft de toestand van de bodem gelijk. Bij een positieve balans wordt voorraad opgebouwd. Als de balans negatief uitpakt, teert de bodem in op organischestofvoorraad: die verschraalt. Bedenk dan een maatregel om de balans in orde te krijgen via extra aanvoer van organische stof.
850
2.710
Uit de berekening in de voorgaande tabel blijkt dat er een groenbemester nodig is om de afvoer van organische stof op een snijmaïsperceel voldoende te compenseren. De aanvoer van organische stof uit een groenbemester is afhankelijk van de mate waarin de groenbemester geslaagd is. Om genoemde hoeveelheid e.o.s. uit een groenbemester te behalen moet er 2.500-3.000 kg drogestof aan gewasopbrengst staan. In de praktijk wordt dit meestal niet gehaald en beperkt de aanvoer zich tot 100-400 kg e.o.s. per ha.
Ondergewerkt maïsstro levert flink wat organische stof.
8