GOODYEA R

Nederlands
Voorjaar 2025 ontving ik een bericht van het Kunstenfestival Watou: ‘We zijn nog op zoek naar een curator voor 2026, met engagement dat al in 2025 start. Denk je hier eens over na? Het is niet te onderschatten, laat ik het zo voorzichtig uitdrukken…’ Direct daarna volgt een tweede mail. ‘Of samen met Danielle? Ik weet natuurlijk niet in hoeverre jullie nog samen zijn... en samen iets doen...’
Ik lees het opnieuw. En nog eens.
Vijf jaar geleden was ik een van de deelnemende kunstenaars. ‘Met jou durf ik het wel aan’, zegt Danielle. Ik beslis meteen dat ik mijn krijt mee zal nemen om verder te tekenen waar ik in 2021 gebleven was.
Een klein half jaar later sta ik op een bijeenkomst voor vrijwilligers in Watou en hoor mezelf zeggen: ‘Misschien zou elk koppel ooit een festival moeten samenstellen.’

Marleen en Raymond
In 2021 doen Jan Kempenaers en ik mee aan het Kunstenfestival. In de wintermaanden ervoor breng ik krijttekeningen aan op woningen en boerderijen. Jan fotografeert de tekeningen, maar ook het landschap, dat met de seizoenen mee verandert. De velden liggen onder een dunne laag sneeuw.
In de Dodemanstraat lopen we het erf van een ingestorte boerderij op. Ik trek krijtlijnen om een staldeur, in mooie rechte halen. Op de klink ligt rijp. Binnen klinkt gestommel. Ik denk dat het van dieren komt en teken verder. Plots staan Raymond en zijn zus Marleen in de deuropening. Even later zitten we binnen, warmen onze handen aan een mok hete koffie.
Op tafel staan een doos suikerklontjes, koffiemelk en een thermoskan, beschenen door koel TL-licht. De gaskachel ruist zacht, de radio staat op fluisterstand. De vloer is netjes geveegd en het plafond afgetimmerd met isolatiemateriaal. Het vertrek telt zo’n vijf bij vijf meter, klein, maar niet bedompt. Daarachter de stal waar vroeger de koeien stonden.
Marleen strijkt het tafelkleed strak. ‘Tweeënzeventig jaar woonden we in de boerderij, eerst met onze ouders, later met z’n tweeën. Tot het dak het begaf. De laatste jaren zitten we hier, in wat vroeger het melkkot was. We zijn hier elke dag, maar we slapen verderop, in een huis met een puntdak.’
‘Eind Tweede Wereldoorlog stortte er een Engels jachtvliegtuig neer op de akker. Sensatiezoekers vertrapten de oogst.’ Raymond kijkt even opzij.
‘Dat vond papa niet leuk. Hij wilde geen mensen op het erf’, zegt Marleen. Ze haalt haar schouders op. ‘Wij zijn niet zo. Maar er komt bijna niemand.’
Ze spreken luid en snel, zonder elkaar in de rede te vallen.
In het najaar van 2025 ben ik er terug. Marleen schenkt meteen een kop koffie in. Mijn blik glijdt langs de muren, over de radio, de kastjes, de wasmachine, de koelkast, de tafel en het plafond. Marleen rommelt in een hoek en houdt een plastic watermeter omhoog. ‘Er is vanochtend veertig millimeter regen gevallen. Raymond is de sloot aan het uitbaggeren.’
‘Onderweg hiernaartoe stroomde het water over het asfalt. Het voelde alsof ik op een zilveren koord reed.’
Ze knikt, pakt een ui van de tafel. ‘Door de regen barsten de uien en rotten de aardappelen. En Raymond krijgt pijn aan zijn been.’ Ze toont de gespleten ui. ‘Door de nattigheid ontkiemen ze waar je bij staat. Koffie?’
Raymond duwt de deur open. ‘Ik herkende uw wagen.’
Hij draagt een nieuwe bril met een blauw montuur. Er zit modder op zijn broek en zijn rechterbeen sleept een beetje, alsof de grond het niet loslaat. ‘De slote ligt vul drekke.’ Hij houdt zijn jas aan en gaat aan tafel zitten.
Vochtige grondlucht mengt zich met de koffiegeur. Buiten tikt regen tegen het raam. Mijn oog valt op de muur. ‘Waar dienen die pinnen voor?’
‘Het zijn beugels van de melkmachine die zijn afgezaagd’, zegt Raymond.
‘Ik zou graag een krijttekening op de muur willen maken.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Hier binnen is niet veel plaats.’
‘Tussen de twee deuren is nog plek.’
‘Een grijze muur. Niets speciaals.’
De muur is opgetrokken uit gasbetonblokken. Tot ooghoogte is de muur afgewerkt met een dunne pleisterlaag, daarboven is het oppervlak ruw. Ik loop ernaartoe. ‘Het gaatje dat de deurklink in de muur heeft gemaakt, is speciaal.’ Deur open, deur dicht. Zo moet het gegaan zijn, tweeënzeventig jaar lang of meer. ‘Dat gaatje is van jullie. Jullie klinkgat, jullie punt in het heelal’, zeg ik.
Marleen lacht zacht. ‘Dat kan je niet zomaar zeggen. De deur waait ook open door de wind. Het kan hier zo spoken dat we er bijgelovig van worden. We zouden het met stopverf moeten dichten. Beter nog: de hele muur stuken.’
‘Misschien hoeft er alleen een tekening te komen’, zeg ik.
De lucht hangt als een betonblok boven de velden. Kaal en zonder tekening. Ik klop het krijt van mijn broek en wandel richting het dorp. Het wegdek van de Dodemanstraat glimt na van de regen. De akkers zijn kletsnat en strakgetrokken tot aan de horizon. Op elektriciteitskabels wachten kraaien en eksters tot er iets te pikken valt.


Ik vertelde Raymond en Marleen dat ik kwam om te tekenen, maar verzweeg wat er verder speelt. Naar hen teruggaan om het te zeggen is een slecht idee. Hoe zouden ze reageren? ‘Wisten jullie dat ik deze zomer curator van het festival ben...’ Dat klinkt opschepperig. En ook niet helemaal waar. Officieel ben ik co-curator, samen met Danielle.
In de zomer van 2025 verdiepen we ons in het festival en het dorp. We lezen Dat was Watou. Dagboek van de Poëziezomers 1980-2008, van Gwy Mandelinck. Zijn naam duikt steeds op in archieven, in gesprekken. Op de nieuwe begraafplaats, waar de boomkwekerij begint, ligt zijn graf. De initiator. De taalmens. De bibliothecaris die het grensdorp op de kaart heeft gezet, overleed in 2024. Het dorp lijkt hem nog niet kwijt. Danielle leest voor uit het boek: ‘Ik wandel deze middag in de vrieskou anderhalf uur over “gemene wegen” die voor de ene helft België en voor de andere helft Frankrijk toebehoren.’ ‘Is “Gemene wegen” geen goede titel voor onze editie?’, vraagt ze zich af. Na ruim veertig edities is het festival even beroemd als berucht. Wie ging er niet naartoe?
In de zomer van 2021 meende ik Mandelinck te zien toen hij het plein overstak. Een rijzige man in een wijd zittend colbert, de panden sloegen open in de wind. Ik groette. Hij knikte.
Al snel zitten we tot over onze oren in het werk. Op de eettafel liggen catalogussen uit verschillende jaren, dichtbundels en toeristische folders. Aan de muur in onze woonkamer hangt de plattegrond van Watou. Het dorp is omzoomd met licht glooiend akkerland. Met een beetje fantasie heeft het de vorm van een vogel. De Oude-Poperingestraat en de Douvieweg zijn de vleugels. Het plein is het hart. De Houtkerkestraat, Oude-Provenstraat en de Moenaardestraat zijn de staartveren. Zou de Dodemanstraat vernoemd zijn naar de omgekomen piloot? Kluiten modder, gebroken vleugels, een geknakte staart. Het gat in de grond is er niet meer, maar de opening in de lucht is gebleven.
De dichter Michaël Vandebril voegt zich bij ons. Hij spreekt zacht en weegt zijn woorden. Het poëtische luik van het festival ligt bij hem. Hij staat voor zijn vierde en laatste editie. Samen vormen we de driekoppige bemanning. We lopen over de akkers, openen festivallocaties die nog in winterslaap zijn en strooien met namen van kunstenaars en dichters.
Een tractor rijdt voorbij met een aanhanger vol spruitjes. Groene bolletjes stuiteren over het asfalt. Ik raap er een op en stop het in mijn zak.
Chemin Mitoyen
Over de lengteas van de Gemenestraat loopt de grens tussen Frankrijk en Vlaanderen. Een strook van zo’n tweeënhalve kilometer lang, glooiend tussen beide gebieden. Aan de Franse kant, bij het gehucht Callicannes, staat een restant van een douanepost van de snelwegpolitie. Aan de overzijde is de post verdwenen. Daar ligt nu een groot tankstation voor vrachtwagens. Een zwaarlijvige chauffeur klautert in zijn cabine. Fotopanelen herinneren aan de vlinderoverkapping die het grensverkeer ooit tegen regen en wind beschutte.
Op het oude douaneterrein wapperen Franse en Vlaamse vlaggen boven een modulair projectgebouw. Daarachter staat een verlaten hotel. Op een zijgevel zit roet van een brand. Naast het hotel ligt een restaurant, Terminus, waar het op dit vroege maandagmiddaguur al druk is. Verderop, bij het tankstation, zit een slagerij die ook een uitgebreid assortiment dure wijnen verkoopt. Aan de Franse kant staan huizen in verval, een pizzeria voor chauffeurs, een drank- en sigarettenwinkel. In de etalage een collectie flessenopeners met bewerkte houten handvatten. Zo’n twintig meter van de weg af, licht heuvelopwaarts, ligt een kleine volkswijk uit de vroege jaren zeventig. Een jongen op een skelter komt naar beneden. Te groot voor zijn voertuig. Hij slipt, trekt een zwarte streep en verdwijnt.
Tweehonderd meter verder, achter het tankstation en bij het begin van de Gemenestraat, ga ik zitten op een stapel pallets, die voor mij lijkt te zijn neergezet. Hoge populieren wuiven in de wind. Verderop liggen
weidegronden en zanderige stoppelvelden. Zwaar verkeer heeft bij het draaien en keren de berm en het asfalt opengereten. Ik neem me voor om het bandenspoor te betekenen. Of eerst het wijkje? Of de paaltjes langs de weiden?
Een zure geur kruipt mijn neus in. Een Shetlander staat moederziel alleen in een wei. Loslatende wintervacht, grijze snorharen, gepensioneerde leeftijd, voorbij alle decorum. Ogen verstopt achter vettige dreadlocks. Zijn buik is tonnetjerond. ‘Kom maar, beestje’, zeg ik en strijk de eenzaat over de neus. Hij staat daar alsof hij de grens bewaakt, maar van zijn functie is ontheven.
Het Vlaamse straatnaambord zit vast aan een paal in een betonnen sokkel. Met krijt trek ik lijnen over het gladde oppervlak. Mijn vierbenige metgezel stampvoet en schudt zijn manen. Als ik zijn bewegingen nadoe, draait hij zich van mij weg. Het Franse straatnaambord staat in een grafzerkachtige, grintbetonnen voet. Het krijt waait uit over gras, bladeren en distels.


In de berm
Na een lange vergadering op het stadhuis valt de auto stil op de terugweg. We zijn dan al maanden bezig met Gemene wegen. Voordat wij in beeld kwamen, waren er via een open call al zeven collectieven geselecteerd. We beschouwen die als een cadeau en bouwen eromheen verder. In het dorp lopen gesprekken, tekeningen, namen en plekken door elkaar heen. Dan komt ook het voormalige restaurant De Paterstafel aan het plein erbij als festivallocatie. De naam staat in handgezaagde, geel verkleurde letters op de bakstenen gevel. In 2021 at ik er een broodje. Op de muren zaten de spreekwoordelijke paters rond een tafel. Eén had een duivelsstaart. De nieuwe eigenaar, Philippe, stelt het pand gratis ter beschikking voor het festival; in ruil daarvoor wil hij ook zijn eigen werk tentoonstellen. De stad wil voorkomen dat De Paterstafel los van het festival gaat bewegen. De voorwaarde voelt vals, maar raakt precies aan de ‘gemene’ kant van de titel. Daarom kunnen we haar niet zomaar afwijzen. We besluiten de tegenspraak mee naar binnen te nemen.
Danielle en ik gaan in de berm liggen wachten op de takeldienst. Blij dat de autopech zich niet op de heenweg voordeed. Het is een zalig moment. Een geschenk. De takelaar is een bijna gepensioneerde man, de rust zelve. Hij rijdt ons naar zijn woning in een piepklein dorpje met een kerk, een begraafplaats en een handvol huizen. Hij nodigt ons uit om bij hem thuis op de taxi te wachten. Het festival is hem bekend, maar hij is er nog nooit geweest. Pas laat op de avond zijn we terug in Gent. De taxichauffeur is een kaalgeschoren, glimmende ondernemer die voor alles een oplossing heeft.
De volgende ochtend reis ik met het openbaar vervoer. Viereneenhalf uur later sta ik weer op het plein. Ik teken een korset voor de leeuw. Ik leg hem aan de leiband.
De krijtlijnen houden de leeuw op zijn plek. De man midden op het plein laat ik ongemoeid.
‘Is dat kunst?’ vraagt een oude man. Hij leunt voorover, zijn jas hangt open.
‘Een tuigje voor de leeuw’, zeg ik.
Hij kijkt naar de leeuw. ‘Een dekmanteltje… Wanneer begint het?’
‘Veertien juli is de opening.’ Het begint te miezeren. ‘Regen begint ook niet, die valt gewoon’, zeg ik.
Hij wrijft over zijn been. ‘Kunst doet geen pijn. Dat is gunstig.’ Zijn mondhoek hangt een beetje. ‘Het monument staat hier al vanaf 1922.’
‘Ik zou u uitnodigen voor de opening, maar eigenlijk is het andersom... U woont hier.’
‘Al vierentachtig jaar.’ Hij knikt en schuifelt verder. Ik kijk hem na.
‘Ik heb het festival groot zien worden’, zegt hij. Ik gebaar naar de waard om bij te schenken. De drank stijgt licht naar mijn hoofd. Het is niet mijn gewoonte mensen in cafés te ontmoeten. Ik pulk aan het viltje. Buiten zakt het licht naar donkerblauw. De soldaat staat in de gloed van de lantaarn. Van mijn tekening is niets meer te zien.
Pol leunt iets naar voren. ‘Ik ben van hier. Mijn toenmalige vrouw runde een krantenwinkel in de Vijfhoekstraat. Wij woonden erboven. Ik wist alles als eerste. Vanaf de jaren tachtig was ik bij het festival betrokken.’ Hij spreekt zacht, zorgvuldig, alsof hij woorden drapeert. Dan beginnen de verhalen. Panamarenko die per helikopter arriveert, na het openingswoord naar het door de stad gereserveerde restaurant snelt en twee kreeften laat inpakken voor de terugvlucht naar Antwerpen, één voor zichzelf en één voor zijn moeder. Jan Fabre die op een terras zit omdat hij zijn hotel niet terugvindt.
De vrouw van Guillaume Bijl die met een kleine camera de kunstenaars-scene filmt.
‘Ik sta er ook op’, zegt Pol.
Ik knik, maar mijn gedachten zijn alweer bij het tekenen. ‘Ik teken met krijt op plekken die er altijd al waren, maar nooit echt aan het festival deelnamen. Het monument op het plein bijvoorbeeld. Ik probeer door de ogen van de leeuw naar Watou te kijken.’
‘En je vrouw, door welke ogen kijkt zij?’
Mijn gedachten gaan razendsnel. Het antwoord is cruciaal. ‘Zij kijkt door de ogen van een soldaat’, zeg ik. ‘Ze heeft een missie. Ze wil het dorp en het festival vervlechten. Ze lost niet.’
Hij lacht even, maar houdt zijn blik iets te lang op mij gericht. ‘Het dorp is wereldberoemd’, zegt hij en neemt een slok van zijn wijn. ‘Wat gaan jullie deze zomer precies doen?’
Ik vertel over Gemene wegen. De Gemenestraat. Gemeen als wat gedeeld wordt. Gemeen als wat vals is.
‘Over mij dus,’ zegt hij. Hij grinnikt. ‘En De Paterstafel?’
‘Een belangrijke plek dit jaar,’ zeg ik. ‘Daar komt samen wat in het dorp en tijdens het festival ontstaat.’
Hij knikt langzaam.
‘De eigenaar wil er ook eigen werk tonen,’ zeg ik. ‘Dat is zo afgesproken met de stad. Vorige week ben ik bij hem langs geweest.’
‘Philippe’, zegt Pol.
Ik draai mijn glas tussen mijn vingers en vertel Pol over het atelierbezoek in Middelkerke. Een pakhuis vol rekken, doeken, sculpturen en kisten. Veertig jaar werk, zei hij. Een vermogend man. In de loop der jaren kocht hij stukken van Panamarenko, Christo, Tuymans en Duchamp. Die incorporeert hij in zijn eigen werk. Sommige verknipt hij, andere overschildert hij of snijdt hij open. Een lans door een tekening van Christo. Over een zonnestelsel

van Panamarenko stond in rode verf een zin in hanenpoten. Gesigneerd met ‘Philippe’. Hij had veel voor de stukken betaald, zei hij, en juist daarom mocht hij erin snijden. Voor De Paterstafel dacht hij aan negen werken. Anders had het geen zin. Buiten trekt de kou langs de ramen.
‘Hij laat het niet met rust,’ zeg ik tegen Pol. ‘Hij verwerkt het. Schildert eroverheen. Neemt het op in zijn werk. Van wie is het dan?’ Het viltje ligt in stukken voor me.
Pol kijkt naar zijn glas. ‘Ik ben de muren in De Paterstafel aan het witten. Alles wordt egaal. Een white cube. Dan zie je tenminste wat er hangt.’
De tekening op de Christusfiguur eindigt bij zijn blote voeten, als een sjerp. Anders dan bij de leeuw. Die waakt, Christus geeft zijn zegen. Leeuw en Christus staan pal tegenover elkaar. Tussen hen in staat de soldaat, pistool in de aanslag, klaar om het haantje van de kerktoren te schieten.

betekent dat je een halve dag meedraait als vrijwilliger. Maar alleen als dat mensen dichter bij de plek brengt, niet verder weg.’
Van de overkant van de tafel komt geen reactie. De schepen veegt een stofje van het formica tafelblad. De cultuurambtenaren houden zich muisstil.
‘De Paterstafel en het paviljoen moeten plekken worden waar iets kan ontstaan. We noemen het Collectief Watou. Wat er te zien is, kan elke week veranderen. Het moet een plek worden waar mensen durven binnenlopen.’
Op de terugweg naar Gent zijn we murw van de kritiek. ‘Jullie gaan crashen op de hoeveelheid werk. Jullie weten niet waaraan jullie beginnen. Jullie gaan veel te ver met het dorp. Het zijn onze mensen. Hoe gaan jullie de kwaliteit bewaken?’ We kijken elkaar aan en lachen de vermoeidheid weg. Langs de weg bewegen pluimen in de wind. Vorige maand viel de auto nog stil ter hoogte van de rietkragen.
De elektriciteitspalen in de Gemenestraat zijn allemaal hetzelfde, op één na. Ook deze paal is van beton en loopt taps toe, maar over de hele lengte zitten uitsparingen in het beton. Ze worden kleiner naar boven toe. Door de openingen valt het landschap in stukken uiteen. Ik breng krijtlijnen aan in de uitsparing waar mijn blik doorheen valt. Zo kadert de paal het landschap. Tractoren, auto’s en wielrenners passeren. Het ruikt naar omgewoelde aarde en gemaaid gras, daaronder een bittere zweem van pesticiden. De wolken kondigen regen aan. Ik werk door. De wind heeft vrij spel.
De enige voetganger die voorbijkomt is een vrouw van begin zeventig. Ze draagt een lange, gevoerde beige jas en loopt op Crocs. Ze vertraagt en kijkt even naar mijn werk. ‘Voor het festival?’ vraagt ze. ‘Ja, en ook een beetje voor mezelf’, zeg ik.
Tegen de avond komt ze opnieuw langs. Ze heet Martina. ‘Het krijt reflecteert’, zeg ik. We kijken naar de paal zonder iets te zeggen. ‘Tekent u ook?’ vraag ik. ‘Ja, kleurplaten. Het helpt me de winter door.’ ‘Heeft u er veel?’ ‘Dozen vol.’ ‘Hangt u ze weleens op?’ ‘Nee, alleen inkleuren en daarna in de doos.’ Ze zwijgt even. ‘Mag ik ze zien?’ vraag ik.
De kamer ruikt naar grafiet en zacht cederhout. Aan de vensterbank is een tafelpuntenslijper vastgedraaid. ‘Van mijn dochter. Ik kreeg lamme handen van het slijpen. Zo’n zwengel helpt. Het moet puntig blijven.’
Tegen de muur leunt een ingeklapte strijkplank. ‘Ik heb heel mijn leven gestreken’, zegt ze. ‘Drieëntwintig jaar bij een firma en vijfentwintig jaar thuis. Er stonden hier wel twintig wasmanden. Vouwen, strijken, stikken. Vooral de grote hoezen waren moeilijk. Ik deed alles alleen.’
Ze opent een doos en haalt een stapel kleurplaten tevoorschijn. ‘Ik was
