Bill Mensema
ko rt v erhaal | r o ck i n k
Bill Mensema Bluebird
Bill Mensema
r 0 c k i n k | 2012
© 2000/2012 Alle rechten voorbehouden
Tekst: Bill Mensema Omslagfoto: Flickr.com / Amanda Slater (http://www.flickr.com/photos/pikerslanefarm) Tekening: Lieuwe Kuipers Tekst pagina’s 28 en 19: Wikipedia (http://en.wikipedia.org/wiki/Datsun_Bluebird_910) Ontwerp: Ebel Kuipers (www.ebelkuipers.nl) Lettertype: EKDallinga’s
Halverwege de maand september van het jaar 2000 kocht ik voor het eerst van mijn leven een auto in het buitenland. Ik was op dat moment op bezoek bij mijn familie in Adelaide, in Australië. Dat is een grote stad in een nog veel groter land. Ik besefte rap dat ik een auto nodig had als ik wat van de stad en het land wilde zien. Daar had ik ook wel rekening mee gehouden. Alvorens naar Australië te vertrekken had ik een bom duiten gespaard. Vrij vlot na mijn aankomst bladerde ik al door de Adelaide Advertiser, de plaatselijke krant, totdat ik de advertenties voor te koop aangeboden auto’s vond. Onder de 1000 dollar was er niet veel te vinden, maar daarboven begon het dan. Er waren erg veel auto’s te koop voor een bedrag van zo rond de 5000 dollar, maar wat ik dan kocht was me niet duidelijk. Ik kende weliswaar de meeste merken maar werkelijk geen één van de genoemde types. Wat kon ik me voorstellen bij een Nissan Pintara of een Holden
5
Commodore V8 of een Mitsubishi Magna of een Mitsubishi Sigma of een Ford Fairlane of een Ford Falcon of een Nissan Pulsar? Niets. In elk geval niet op papier. Ik nam dus de bus naar het centrum van Adelaide, waar ik een half uur lang op de hoek van King William Street en North Terrace ging staan, om de voorbij rijdende Australische auto’s te observeren en zo een beetje een gevoel voor de Australische automobiel te krijgen. Het werkte een beetje. De mystieke Sigma’s en Pulsars bleken vergelijkbaar te zijn met de Toyota Corolla en de Ford Fiësta in Europa. Voor de rest was het een amalgaam van grotendeels witte brede koekblikken, zoals ik dat ook vaak gezien had in de jaren 80 in Amerika. Ik sjokte terug naar Currie Street waar ik net bus 113 miste, de enige bus waarvan ik zeker wist dat die me vlakbij het huis van mijn familie kon brengen, in Henley Beach, één van de westelijke suburbs van Adelaide. Ik moest ruim een half uur wachten op de volgende bus. Ik had echt zo snel mogelijk een auto nodig. De volgende dag zette mijn oom mij af op South Road, waarna hij doorreed naar een psychiatrisch centrum, waar hij zou deelnemen aan een praatgroep met andere Vietnam veteranen. Ik wandelde intussen over de lange zuidelijke uitvalweg van de stad langs de talrijke used car lots, waar je allerlei soorten auto’s kunt kopen. Mooie glimmende moderne wagens voor een smak geld en groezelige gribussen op 4 wielen voor aardig wat minder geld. En verder alles wat daar tussenin zit. Ik had genoeg geld op mijn rekening staan maar om nu 5000 dollar neer te tellen voor een auto waar ik hooguit een maand of 4 in zou rijden … Nee, dat ging me als
6
zuinige Hollander echt te ver. Het moest toch ook mogelijk zijn een redelijk bak voor niet meer dan 2000 dollar te vinden? Leek mij wel. Toch? Sterker nog, ik vond er één, in het wagenpark van het grijzige vrouwtje Jane, een buitengewoon sympathieke verkoopster van tweedehandse auto’s. Het was een bruine Holden Commodore Automatic, een waanzinnig brede bak, waaraan ik niets nadeligs kon ontdekken behalve een pregnante geur van pis en rotte eieren die over de bekleding hing. Met wat citroen afwasmiddel moest ik dat toch kunnen weg soppen. Maar dat was dan ook het enige minpuntje, voorzover ik kon overzien. Wat de pluspunten betrof sommeerde ik in mijn hoofd de volgende: de motor zag er goed uit; de wielen hadden nog meer dan genoeg profiel; de auto was zo breed dat ik languit kon liggen op de nu nog stevig stinkende voorbank; de auto had een automatische koppeling, wat ik veel prettiger vind rijden dan een handmatige koppeling; het allerbelangrijkste: ik kon van Jane de auto meekrijgen voor maar 2000 dollar. Niettemin wilde ik toch graag eerst de mening van mijn oom horen voor ik tot de daadwerkelijke aanschaf over zou gaan. Op het buiten terras van de Kentucky Fried Chicken op South Road wachtte ik op hem, terwijl ik de éne na de andere sigaret opstak en mezelf in m’n gedachten al zag rondrijden door Adelaide in een brede bruine Holden Commodore. Om een uur of 5 kwam mijn oom aanrijden in zijn witte Nissan Pintara. Ik stapte bij hem in de auto en we reden terug naar het met bontgekleurde vlaggetjes omgeven terrein met tweedehandse wagens van Jane de autoverkoopster. Trots beende ik naar de brede bruine Holden Commodore, die ik na een lange middag zoeken
7
uiteindelijk had uitgekozen als potentiële kandidaat. Mijn oom liep met me mee. Op het eerste gezicht leek de auto hem wel wat. Gezegend met net zo weinig kennis als ik wat betreft de aanschaf van auto’s keek hij naar de banden (‘Goede profiel’), naar de breedte (‘Goede breedte’) en duwde hij met zijn volle gewicht op de voor- en de achterkant van de auto om te zien hoe de vering was (‘Goede vering’). Nadat Jane de auto gestart had en de motorkap geopend had keek mijn oom naar de pruttelende motor (‘Goede motor’). Al met al leek het hem wel wat. Totdat hij in de auto ging zitten, op de brede voorbank achter het stuur. Ik zag zijn gezicht terstond wit wegtrekken. Kokhalzend sprong hij uit de brede bruine bak. De stank die van de bekleding omhoog steeg was hem blijkbaar teveel. ‘Ik sop die geur wel weg met afwasmiddel,’ zei ik. ‘Dat luk je niet,’ zei mijn oom, ‘Dit is een bush car.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Deze auto is van Aboriginals geweest,’ zei mijn oom, terwijl hij Jane de autoverkoopster strak aankeek. Schuldbewust knikte zij van ja. Nu herinnerde ik mij ineens de vreselijke stank die ik rook toen ik jaren geleden in een Greyhound bus naar het midden van het Australische continent reed, op weg naar de Olga’s en Ayers Rock. We hadden net bij één of andere roadhouse in het midden van de woestijn gestopt voor benzine en verfrissingen. Toen we wegreden stapten er wat Aboriginals in de bus. Drie jonge meisjes. De walm die van hun af dampte, toen ze me in het gangpad passeerden, was bijna ondragelijk geweest. Eerlijk gezegd was ik blij dat de 3 meisjes helemaal achterin de bus gingen zitten.
8
‘Vergeet het maar,’ zei mijn oom, ‘Deze stank krijg je er niet meer uit, al hang je er 100 luchtverfrissers tegelijkertijd in.’ Ontgoocheld keek ik naar de auto die in al zijn stinkende grootsheid voor mijn ogen steeds kleiner werd tot er niets meer van over bleef dan een kleine verschrompelde krent. Onverrichterzake keerden mijn oom en ik naar huis. De volgende dag togen we naar Main North Road, de grote uitvalsweg van Adelaide naar het noorden. Hier stikte het ook van bedrijven waar je tweedehandse wagens kon kopen. Maar nu waren we mannen met een missie, vastberaden met een auto extra terug te keren naar het huis in Henley Beach. We gingen direct naar Gurnsey’s Better en Cheaper Cars, vlakbij Gepp’s Cross. In de Adelaide Advertiser hadden we een paar advertenties gezien voor wagens die ons wel wat leken, vooral de zeer sympathieke, naar beneden gerichte aanschafprijs. Ze bleken zowat allemaal door Gurnsey te worden verkocht. Het kon welhaast niet anders dan dat deze Gurnsey toch wel zeker Onze Man was. We werden niet teleurgesteld. Op het terrein stond een Datsun Bluebird Sedan Venturer uit 1982. De lange, brede koekblik had maar één eerdere eigenaar gehad en dat was een keurig oud vrouwtje geweest. Het was niet meer dan logisch dat de auto er nog zo maagdelijk wit uitzag voor een 18 jaar oude wagen en dat er slechts 113.000 kilometer op de teller stond. 113.000 kilometer? Dat is werkelijk hartstikke weinig kilometers voor zo’n oude auto! Verder was de vering perfect, zag de motor er goed uit en was het geluid van de auto in z’n stationair
9
alleen maar goddelijk te noemen. En natuurlijk was er geen spatje roest op de carrosserie te bekennen. In het kurkdroge klimaat van Australië komt roest amper voor. Volgens de heer Gurnsey moest ik er zonder noemenswaardige problemen makkelijk mee naar Perth in het westen en Darwin in het noorden en Cairns in het oosten van het continent kunnen rijden. Voor 3000 dollar kon ik de auto meekrijgen. Voor nog eens 400 dollar extra kon ik er een verzekering meekrijgen, waarvoor ik bij pech gratis de bougies en de vering kon laten vervangen. Plus nog een heleboel dingen meer, maar dat ging eerlijk gezegd langs me heen. Nou zeg ik: had ik toen maar beter opgelet, maar op dat moment dacht ik maar aan één ding: zo snel mogelijk rondrijden door Adelaide in mijn eigen Bluebird. Ik schudde de hand van de heer Gurnsey en hij schudde gelijktijdig mijn portemonnee waarna onze wegen zich voor immer zouden scheiden. Ik reed achter mijn oom aan, door Woodville en Findon terug naar Henley Beach. In mijn Bluebird, mijn eigen auto. Het stuur zat natuurlijk aan de rechterkant (want ze rijden in Australië aan de linkerkant van de weg), maar het was wel een automaat, met airco nota bene en een radiocassetterecorder. Eindelijk had ik weer mijn eigen koninkrijkje, waarin ik vrijelijk kon roken en met de volumeknop op een schandalig hoog volume kon luisteren naar The Cure, Simply Red, Hall & Oates en natuurlijk Neil Young. De volgende dag nam ik de Bluebird uit voor een ritje. Op aanwijzen van mijn oom reed ik naar Bel Air, in het oosten van Adelaide, tegen de hoge bergrug van de Adelaide Hills aan. Hier beklom ik met mijn wagen Bel Air
10
Road, die scherp omhoog leidde tot in de Adelaide Hills. Eenmaal boven zou ik een fenomenaal uitzicht over Adelaide hebben, aldus mijn oom. Het leek me wel wat, maar het zou er niet van komen. Ik was nog maar amper aan de klim op Bel Air Road begonnen toen het mij opviel dat de Bluebird amper kracht wist te zetten. Met een slakkengangetje van 3 kilometer per uur kroop de auto over de weg. Op het moment dat ik er wat van wilde zeggen sloeg de auto af. Hij gaf geen sjoege meer. Na een aantal verwoede pogingen de auto weer aan de gang te krijgen gaf ik het op. Ik kon het kreng niet meer aan de gang krijgen, wat ik ook deed. Ik stapte uit en moedeloos keek ik naar de auto, die met z’n brede muil wezenloos voor zich uit staarde. Ik wist niet meer wat te doen en deed uiteindelijk dan maar dat waar ik wellicht het beste in ben, waarvoor ik bestemd ben, wat het Oneindige Plan met mij bedoeld heeft: ik stak een sigaret op. Het beviel me goed. Intussen viel het me op dat ik werkelijk aan niets dacht. Ik dacht niet aan de auto die ineens niks meer doen wou. Ik dacht niet aan het geld dat ik gisteren massaal over de balk had gegooid, niet aan Australië of Nederland, niet eens aan de brandende sigaret in mijn hand. Niets. Een volmaakt niets was al wat in mij naar boven kwam en ik was één met mijn sigaret en mijn haperende auto en met alles eigenlijk. Uiteindelijk stapte ik weer in mijn auto, drukte even op het gaspedaal, draaide de sleutel om en hoewel ik alleen maar een doffe klik had verwacht startte de auto ineens en alles was weer goed. Ik reed weer. Ik had weer wielen. Dat de auto zo ineens ging stil staan, dat was niet meer dan een hikje geweest. De auto had immers al een tijdje
11
stil gestaan. Zulke dingen kunnen dan gebeuren. Eigenlijk was er verder niets aan de hand. Dit dacht ik allemaal maar het zou zeer ten onrechte zijn. Het volgende weekend reed ik van Adelaide naar het 300 kilometer verderop gelegen Berri, waar een ander deel van de familie woonde. Mijn oom reed met me mee. We rookten allebei een sigaret. Vanzelfsprekend zweeg ik hierover tegen mijn tante, want die mocht niet weten dat mijn oom zo nu en dan nog steeds wel eens een sigaretje opsteekt. Nadat we over de Adelaide Hills waren getrokken en alweer afgezakt waren in het enorme, uitgestrekte plateau van de Murray Flatlands viel het mijn oom op dat mijn odometer – de snelheidsmeter – het niet meer deed. Stomverbaasd keek ik naar het dashboard en tot mijn chagrijn zag ik dat de snelheidswijzer het inderdaad niet meer deed. Ook zag ik dat er helemaal geen kilometers meer op de teller werden bijgeteld. ‘Het is logisch dat de teller niet wordt bijgehouden,’ zei mijn oom, ‘Want de odometer is kapot.’ ‘Sinds wanneer heb jij verstand van auto’s?’ vroeg ik hem geïrriteerd. Mijn oom haalde zijn schouders op en stak nog één van mijn sigaretten op. Intussen realiseerde ik me dat het oude vrouwtje, die deze auto ooit tot haar bezittingen had gerekend, wel een verduiveld doortrapte trien moet zijn geweest, want ik begon nu behoorlijk te twijfelen aan die 113.000 kilometer op de teller toen ik de auto had aangeschaft bij Gurnsey’s Best en Cheaper Cars. Hoewel de weg die leidde door een haag van dorre eucalyptusbomen er verlaten bij lag was het toch zaak niet veel harder te gaan dan de toegestane 110 kilometer per uur. Zeker op het platteland kunnen de
12
Australische wetshandhavers overal onverwacht opduiken en de bekeuringen zijn niet mals. Gauw 100 dollar voor 10 kilometer te hard. Gevoelsmatig reed ik derhalve voort op een sloom tempo van 80 kilometer, hetgeen buitengewoon vervelend is als je over zulke lange, kaarsrechte wegen moet rijden, waar er verder geen zak te zien is behalve uitgedroogde bomen langs de kant van de weg. Op den duur werd ik daar zo pissig van dat ik hard op het dashboard begon te slaan. Ik haalde de magistraten van de halve hemel erbij. Niet omdat ik dacht dat dat zou helpen en dat mijn odometer als door een wonder zou worden gerepareerd, maar vooral om uiting te geven aan de frustraties die in mij begonnen op te borrelen. Tot mijn verrassing hielp het gebeuk op het dashboard. De odometer begon zich ineens weer van zijn taak te kwijten en tot mijn genoegen constateerde ik dat ook de cilinders van de kilometerteller weer actief werden. Verheugd wees ik mijn oom op de nieuwe ontwikkelingen op het dashboard. Hij boog zich voorover vanuit de dikke wolk sigarettenrook die om zijn hoofd hing en glimlachte. Maar niet lang. Hij wees mij erop dat de snelheidswijzer het nu wel weer deed, maar dat de watermeter het nu opgegeven had. Op het moment dat ik zag dat de watermeter het niet meer deed begaf de odometer het opnieuw en ook de kilometerteller deed niets meer. Niet alleen dat. Ook de benzinemeter werkte ineens niet meer. Daarna bleef ik vloeken en tieren achter het stuur, totdat we bij Swan Reach kwamen, waar we moesten stoppen voor de ferry over de Murray River. Natuurlijk had mijn oom gelijk. Dat de meters het alleen maar zo nu en dan deden was uitermate vervelend, maar
13
de auto reed verder wel. Ik moest gewoon extra goed in de gaten houden dat ik altijd genoeg benzine in de tank had en dat ik het water en de olie ook regelmatig zou moeten bijvullen. Eenmaal terug in Adelaide besloot ik eens te gaan kijken in Cape Jervis, zo’n 130 kilometer ten zuiden van de stad. Vanuit Cape Jervis, op het uiterste puntje van de Fleurieu Peninsula, vertrekt een paar keer per dag de ferry naar Kangaroo Island. Op de Fleurieu Peninsula ligt er nog een behoorlijke bergrug die gekruist moet worden op weg naar Cape Jervis. De wind van de Zuid Oceaan komt daar stevig aan waaien over de kale ronde bergen. Niettemin meende ik m’n auto te horen snorren van plezier toen ik de hoogste top van de bergrug net achter de rug had. Helaas bleek het geen plezier te zijn maar oververhitting waar de Bluebird aan leed. De watermeter, die het nu ineens wel weer deed, sprong direct in het rood. In het even verderop gelegen dorpje Myponga parkeerde ik de auto bij de enige garage van het dorp. Ik sprong uit de wagen, opende de motorkap en met mijn met m’n T-shirt omwikkelde hand schroefde ik de dop van de radiator af. De stoom die eraf kwam verspreidde zich als een dikke mistvlaag over het dorp. ‘You need some water, mate,’ hoorde ik iemand achter me zeggen. Ik knikte, maar het zat me niet lekker. Had ik immers niet sinds het gesodemieter met de zo nu en dan onwillige meters begonnen was elke dag ervoor gezorgd dat er nooit een tekort aan water of olie was? Ik had de radiator vanochtend nog bijgevuld. Hoe kon de radiator nu al zo leeg zijn? Ik was amper 70 kilometer van Adelaide vandaan.
14
Nadat de motor weer was afgekoeld vulde ik de radiator met water en keerde met een bezwaard gemoed terug naar Adelaide. Cape Jervis kon me voorlopig aan m’n reet roesten. Terug in Adelaide liet ik mijn radiator nakijken bij City Radiators aan Port Road. Zenuwachtig wachtte ik de diagnose af. De monteur haalde de radiator uit de wagen en duwde met een grote schroevendraaier op de kleine klepjes aan de achterkant van het ding. Hij ging er zo doorheen met zijn schroevendraaier, als was het boter. Zijn conclusie was dan ook onvermijdelijk. ‘Your radiator is crook, mate.’ Als ik het niet met mijn eigen ogen gezien had, dan was ik zo onderhand toch wel voldoende vertrouwd met de Australische taal-eigenaardigheden om te weten dat mijn radiator naar de mallemoeren was (& niet dat-ie één of andere boef was). Mij restte geen andere mogelijkheid dan de kapotte radiator te laten vervangen door een recon-one – een gereviseerde radiator. Dat was immers het goedkoopst. Even lichtten mijn ogen op, maar ja, ook de goedkoopste oplossing van de monteur van City Radiators kostte me 300 dollar, die ik knarsetandend op de balie aftelde. Het leed leek mij nu geleden en ik toog naar mijn oudoom in Ceduna, een kleine 800 kilometer ten westen van Adelaide. Een groot deel van de rit leidde door de scrub desert op de Eyre Peninsula. Ik was een beetje zenuwachtig omdat er daar amper plekken zijn waar je mensen kunt vinden laat staan een garage. Maar wonder boven wonder hield de Bluebird zich goed, alsof er niets aan de hand was. Alsof het keurig oude vrouwtje destijds
15
nooit iets anders had gedaan dan door de woestijn rijden met de Bluebird. Pas toen ik in de verte in de snel zwart wordende Australische nacht de lichtjes ontwaarde van Ceduna begonnen ineens allerlei lampjes op het dashboard te knipperen. ‘Low On Petrol’? Ik had net nog in Poochera benzine bijgetankt. ‘Brake‘? Ik trapte even op de rem en stelde vast dat die het nog naar volle tevredenheid deed. ‘What's the point of life’? Daar ging ik natuurlijk niet eens op in. Nu passeerde ik het vliegveld van Ceduna. Ik was er bijna. Wat de flikkerende lichtjes op het dashboard betrof, er was vast een contactje los. Nog een paar kilometer te gaan. Het kon me derhalve werkelijk geen flikker schelen. Op dit moment begon de voltagemeter ineens kuren te krijgen. Dat verontruste me iets meer. Voorheen stond-ie straf op 16 en nu ineens op 12. Ja, wat gaan we nou krijgen? Maar volgens de monteur van AutoPro in Ceduna was er niets aan de hand. Volgens hem zei dat niets. Nou ja, hij kon het weten. Hij was immers monteur. Ik was dat helemaal niet, maar ik was handig genoeg om in de garage van mijn oudoom het hele dashboard van de Bluebird uit elkaar te halen en alles opnieuw stevig vast te zetten. Bovendien wisselde ik alle zekeringen, gewoon voor de zekerheid. Toen ik een week later weer huiswaarts keerde, terug naar Adelaide, voelde ik geen greintje paniek. Het was dan ook een lekker tochtje en ik genoot van de muziek en de sigaretten en het lege, weidse landschap. In het kastje onder het dashboard vond ik een cassette van Snap. Dat had ik al een tijd niet meer gehoord. Ik ramde ritmisch mee op het stuur bij de snelle, house-
16
achtige nummers ‘Oops up’, ‘The power’ en ‘The cult of Snap’. Heerlijk. Ondertussen was ik alweer voorbij Salisbury en passeerde ik Gepp’s Cross. De zanger van Snap deed nu een stukje rap en hij klonk me opeens sloom in de oren. Die-daa-doeoeoeoeoe … Even dacht ik dat de autocassetterecorder bezig was de tape op te eten, maar tegelijkertijd zag ik dat de voltage meter naar beneden dook, van 12 naar 8. In het instructieboekje staat: ‘Bij 8 onmiddellijk langs de kant gaan staan en de Wegenwacht waarschuwen!’ Maar wie leest het instructieboekje erop na als-ie midden op de snelweg de stad Adelaide in rijdt? Voor ik het door had stond de Bluebird stil, midden op Main North Road. Op het snelle stuk van de snelweg nota bene. In de spits. Ik liep vuurrood aan. Ik geneerde me kapot. Ik vreesde de claxons van de auto’s achter me. Die zouden vast en zeker elk moment in een loeiend gehuil gaan losbarsten. Ik wilde zo snel mogelijk ergens anders zijn. Ik wilde naar mijn moeder! Op dat moment hoorde ik een tik op de ruit. Het was de man van de auto achter mij. Hij was uitgestapt en zei me achter het stuur te blijven zitten (mate). Dan zou hij mij en mijn auto wel naar de kant duwen. Wat-ie ook deed. Eenmaal veilig aan de kant belde ik de Australische a n w b en na een klein uur wachten was de Wegenwacht er dan. Het duurde niet lang voordat de man me zei dat m’n alternator – de verdeelkop – naar de kloten was. Dat kon hij niet repareren. Daarvoor moest ik naar een garage. Of ik een garage wist? Ja, aan de overkant van het huis in Henley Beach. ‘No worries,’ zei de Wegenwacht, ‘Dan roep ik even een towtruck op en die brengt je wel met je auto naar Henley Beach.’
17
Vier uur later was ik thuis en stond de Bluebird bij de garage van Mildura Mick. Ik was blij dat ik thuis was maar vooral dankbaar dat de Bluebird het niet in de barre scrub desert van de Eyre Peninsula of in het droge stof bij Iron Knob had begeven, maar gewoon op Main North Road, hier in Adelaide, niet meer dan 17 kilometer van huis vandaan. De volgende ochtend verving Mildura Mick de alternator voor het luttele bedrag van 175 dollar. Opgetogen liep ik aan het einde van de middag naar zijn garage om mijn auto op te halen. ‘How’s it going?’ zei Mildura Mick. ‘Fine. How are you?’ ‘Great,’ zei Mildura Mick, ‘But you won't feel fine much longer.’ Met gefronste wenkbrauwen keek ik hem aan. Mildura Mick schraapte zijn keel en vertelde me toen in een rottempo dat de Bluebird ook een Blown Head Gasket had. Ik had geen idee waar hij het over had. Na te hebben aangehoord hoe dit aanzienlijke probleem nu eerst zou moeten worden opgelost (ik begreep er geen bal van wat er nu precies geblazen was) gaf Mick me een voorzichtige indicatie van de kosten voor deze reparatie. 700 dollar! Aangezien dat bedrag geen kattenpis is moest ik me uit alle macht bedwingen niet in snikken uit te barsten. Mildura Mick had wel door dat ik op het punt stond een enorme hoeveelheid tranenvocht af te scheiden. Hij sloeg zijn arm om mijn schouder en vroeg me of ik misschien nog een garantie op de auto had. Garantie? Jazeker, die had ik bij aanschaf van de Bluebird destijds voor maar 300 dollar geregeld om niet in de problemen te komen waar ik nu in verzeild was geraakt. Opgetogen haalde ik mijn garantiebewijs uit het kastje onder het dashboard
18
en gaf het aan Mildura Mick. Deze las het bewijs aandachtig door. ‘I’m sorry, mate,’ zei Mildura Mick, ‘But it's not worth the paper it's printed on.’ Ik griste het bewijs uit zijn handen en zocht verwoed naar termen als alternator en head gasket en blown head gasket, maar alles wat ik vond was een vergoeding voor bougies en autobanden, mits aan die en die voorwaarden voldaan. Het was tijd de bittere pil te slikken. 875 dollar in totaal. Wat een bedrag! Ik had er bijzonder veel bier voor nodig die pil weg te werken. De reparatie van de Bluebird duurde ruim een week, maar toen de wagen weer klaar was reed hij werkelijk geweldig. Blijmoedig nam ik weer plaats achter het stuurwiel en het vertrouwen in de Bluebird groeide weer met de dag. Het was op den duur zo aanstekelijk dat mijn oom, die een oude vriend uit het leger in Salisbury wou bezoeken, vroeg of hij mijn auto even kon lenen. Natuurlijk. No worries. Vanzelfsprekend leende mijn oom de auto ook om onderweg ongestoord een paar sigaretten te kunnen roken. Elke zweem van rook in de Nissan Pintara – de familieauto – zou onherroepelijk door de fijngevoelige neus van mijn tante worden ontdekt en dan waren de rapen gaar. Mijn oom was immers 53 jaar oud. Een overspannen Vietnamveteraan die al jaren arbeidsongeschikt was. Voor mijn tante, gewoonlijk zo nuchter dat je zou vermoeden dat er Nederlands bloed door haar aderen stroomde, was roken een doodzonde. Zij meende dat elke sigaret die mijn oom nu nog opstak feitelijk een nagel was waarmee hij zijn doodskist
19
definitief dicht timmerde. Dat vond ik eerlijk gezegd een nogal overtrokken idee. Officieel had mijn oom immers zijn laatste peuk 10 jaar geleden al uitgedrukt. Sindsdien had niemand hem ooit meer kunnen betrappen op een kuch, een hoest of een rochel – of het moesten zijn lange, rochelende scheten zijn. Maar ja, dat had weer niets met zijn longen te maken. Het was net na middernacht dat mijn oom die avond thuis kwam. In het huis was iedereen al naar bed, behalve ik, die buiten op de overdekte veranda in een onuitsprekelijk boek zat te lezen. ‘Waar was jij zolang?’ vroeg ik aan mijn oom, die tegenover me ging zitten met 2 flesjes bier die hij uit de koelkast in de keuken had gehaald. ‘Ik had pech,’ zei mijn oom. ‘Wat?! Pech met mijn auto?’ vroeg ik geschrokken. ‘Ja. Een lekke band.’ ‘Waar?’ ‘Bij de Salisbury Passover,’ zei mijn oom. Dat was een viaduct, wist ik, tussen North Adelaide en Salisbury, over de Port Wakefield Road. Echt the middle of nowhere. Ik stelde me zo voor dat het er aardeduister moest zijn geweest, zo laat in de avond, met alleen zo nu en dan een roadtrain, een grote vrachtwagen met 2 aanhangers, die er langs raast, op weg naar Port Pirie, Port Wakefield of Port Augusta. ‘Heb je de band verwisseld?’ vroeg ik onnozel. ‘Uiteindelijk wel,’ zei mijn oom. ‘Wat bedoel je?’ ‘Nou, ik kon de reserveband wel vinden, maar er was helemaal geen krik in de achterbak.’ ‘Wat zeg je?’ ‘Er was geen krik.’
20
‘Wat heb je toen gedaan?’ vroeg ik. Tegelijkertijd vroeg ik me af waar ik hier in Adelaide morgenvroeg een krik kon kopen en vooral hoeveel dat geintje me nou weer zou gaan kosten. ‘Ik ben naar Gepp’s Cross gelopen.’ ‘Maar dat is zeker 8 kilometer lopen.’ ‘Ja.’ ‘En toen?’ ‘Nou, daar waren 2 jongens en die hebben me meegenomen naar de Passover in hun wagen en daar hebben we de band verwisseld.’ ‘Ben je echt dat hele stuk naar Gepp’s Cross gelopen?’ ‘Ja.’ ‘Was er niemand die stopte?’ ‘Nee.’ ‘Wat een ellende,’ zuchtte ik. ‘Ja,’ zei mijn oom, ‘Praat me er niet van.’ De volgende middag kocht ik bij Mildura Mick een krik voor 20 dollar. Van dat geld had ik liever een paar pakjes sigaretten gekocht want mijn oom rookte zowat al mijn sigaretten op. Niettemin kocht ik voor mijn oom bij de Shell pompstation op de hoek van Grange Road en Findon Road een grote Cadbury reep om het doorstane leed van de afgelopen nacht enigszins te verzachten. Ik reed Grange Road uit, kruiste South Road en sloeg af op West End. Langs de grote bierbrouwerij en de enveloppen fabriek reed ik door tot het einde van West End, sloeg af en koerste dwars door de grote parken die het centrum van Adelaide omgeven naar North Terrace, dat ik uitreed tot voorbij de Botanic Gardens. Daar stak ik Fullarton Road over en dook ik Magill Road in, dat dwars door het oostelijke deel van de stad leidde tot de voetheuvels van de Adelaide Hills. Want daar moest ik wezen. 21
Middenin de Hills ligt een dorpje dat Uraidla heet. Het is het centrum van de talloze tuinbouwbedrijfjes in de Hills. Eenmaal in de heuvels zie je overal boomgaarden waar vooral appels en citrusvruchten geteeld worden. Langs de kant van de doorgaande weg naar Balhannah staan er in Uraidla tal van kraampjes waar je vers fruit kunt kopen alsmede jam en zelfgebakken koekjes. Wat je er ook kunt vinden zijn zakken paardenstront voor maar 2 dollar per 25 kilo. Ideaal voor de bemesting van de tuin. De zakken staan gewoon ergens tegen een boom en op de boom is er vaak een potje getimmerd waarin je het geld kunt deponeren. Zo gaat dat in Australië. We vertrouwen elkaar. Mijn tante had nog wat mest nodig voor de tuin en ze vroeg mij, die zo graag door stad en land rond reed in zijn nu weer functionerende Bluebird, een grote, stinkende zak paardenstront op te halen. Met alle plezier, zei ik, en weg was ik. Ik reed Magill uit en boog af op de Old Norton Summit, een smal weggetje dat in slechts 3 kilometer ruim 500 meter de hoogte in ging. Ik was nog maar amper op de Summit, of de motor van mijn Bluebird begon te reutelen. Niet zo lang, want na 5 seconden sloeg de motor zelfs af en stond ik stil op het scheve, omhoog hellende wegdek. Snel trapte ik de rem in en wederom bezondigde ik mij in een reflex aan allerlei mensonterende verwensingen aan het adres van mijn auto. Nadat ik uitgeraasd was en vastgesteld had dat ik de auto wederom met geen mogelijkheid aan de gang kon krijgen – zelfs het laconieke roken van een sigaret wilde deze keer niet helpen – wist ik de auto veilig in de berm van de weg te duwen. Ik liep terug naar Magill waar ik een telefooncel vond van waaruit ik de Australische a n w b opriep.
22
Aan het einde van de middag, toen de schemer al had ingezet, verscheen de Wegenwacht en die had het al snel geschoten. Nu was het mijn carburateur die naar de filistijnen was. Natuurlijk kon de goede man het probleem met de carburateur niet ter plekke herstellen. Hij riep derhalve een towtruck op en die bracht mij ruim 6 uur later samen met de steeds maar weer haperende Bluebird terug naar de garage van Mildura Mick in Henley Beach. Allengs kon ik er bijna om lachen, om al die ellende met de Bluebird. Vooral omdat ik toch met alle recht van de wereld de mening was toegedaan dat er nu toch echt niets meer mis kon gaan. Bijna alle onderdelen van de Bluebird waren immers zo langzamerhand vervangen. Het duurde ruim een maand voordat het gedonder weer begon. Ten eerste was ik vergeten tijdig de registratie van de auto over te schrijven. Vier dagen te laat verscheen ik op de Registration Office in Port Adelaide om te horen dat ik voor straf maar liefst tweemaal de overschrijfkosten diende te betalen. Schouderophalend trok ik mijn portemonnee. Dat kon toch niet zoveel wezen? Maar dat viel tegen. Mijn vergeetachtigheid kostte me 75 dollar extra. Ten tweede bleek er iets mis te zijn met de waterpomp. Tijdens een bezoek aan mijn tante Jenny in het 130 kilometer ten noorden van Adelaide gelegen dorpje Clare wees zij mij erop. ‘Er druppelt water vanuit je motor op de grond,’ zei ze. ‘Dat is niet waar,’ zei ik. Niet omdat het niet waar was – ik zag het nu ook druppelen – maar vooral omdat ik het gewoon niet waar wilde hebben. ‘Echt waar,’ zei mijn tante, ‘Er druppelt water op de grond.’
23
‘Nee,’ zei ik. ‘Jawel,’ zei zij. ‘Nee!’ ‘Ja!’ ‘n e e !’ Zoals gezegd bleek het de waterpomp te zijn die ook vond dat-ie vervangen moest worden. Mildura Mick, die in jaren een klant niet meer zo vaak had zien langs komen, herstelde de pomp voor een vriendenprijsje (waarvan ik makkelijk 4 maal de overschrijfkosten had kunnen betalen). Maar nu was het toch echt voorbij. Nu kon er toch werkelijk niets meer mis gaan met de Bluebird. Dat was wat Mildura Mick tegen me zei. Ik help het je hopen, is wat ik dacht. De weken daarop gedroeg de Bluebird zich voorbeeldig. Niets was hem teveel en hij begon zowaar weer een betrouwbare kameraad te worden. Helaas was ik genoodzaakt eind december weer naar Nederland terug te keren. Mijn geld raakte immers sneller op dan ik oorspronkelijk verwacht had. Mijn nichtje Shannon, een bijstandsmoeder met 2 kleine kinderen, zou zo lang in de Bluebird rijden totdat ik weer terug in Australië was. Om haar een beetje vertrouwd te laten worden met de Bluebird liet ik haar de laatste weken zoveel mogelijk in de Bluebird rijden. Ik zat ernaast als een soort rijinstructeur, maar het was niet echt nodig. Shannon was een prima chauffeur. Misschien een beetje een pittige rijder, maar dat was ik vroeger ook geweest. Er was op zich niets mis mee met pittig rijden. Dat moest kunnen. Maar toch een beetje oppassen, hè. Niet zo snel, hè. Pas op, hè. Pas op! p a s o p !
24
Godverdegodverdegodver! Voor ik het door had was Shannon in de parkeergarage boven de Central Market tegen de bumper van een Mitsubishi Magma aangereden. Maar dat was zo’n moderne bumper. Niet van dik zwart rubber, maar van polyester, in dezelfde kleur gespoten als de carrosserie. Je zag ze steeds vaker. Het leek op een bumper, maar het was niet meer dan bol geblazen plastic. De functie van een bumper was verkwanseld aan het idee dat alles vooral mooi moet lijken tegenwoordig. Voor de garages, zoals die van mijn goede vriend Mildura Mick, was dit natuurlijk een nieuwe bron van inkomsten. Dergelijke polyester bumpers kunnen immers geen stootje meer verdragen. Zodra je tegen zo’n bumper aanrijdt, dan kan die bumper in zijn geheel vervangen worden. Zo ook de bumper van de Mitsubishi Magma in de parkeergarage. Shannon was er met zo’n vaart tegenaan gereden dat er een enorme deuk in was ontstaan. Was de bumper van rubber geweest, dan was er niets aan de hand geweest. De bumper had zich in no time zelf weer uitgedeukt. Zo niet nu. Zo niet in de moderne tijd waarin vorm boven inhoud gaat. Aangezien er verderop een oud mannetje stond die het hele ongeval gezien had zag ik mij genoodzaakt uit te stappen en een briefje onder de ruitenwisser te plaatsen met mijn naam en mijn telefoonnummer erop en vooral mijn welgemeende excuses. Ik leek wel een man van eer, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik niet weet wat ik gedaan zou hebben als er helemaal geen getuige was geweest van het voorval, zoals dat oude mannetje. Nadat Shannon de Bluebird zonder verdere aanrijdingen had weten te parkeren gingen we eerst op het terras van
25
café Zazu aan Goudger Street zitten, waar zij zo stevig zat na te trillen van het ongeval dat ze binnen een kwartier zeker 5 sigaretten opgerookt had. ‘Op zich is het prima dat je zo’n ongeluk hebt gekregen,’ zei ik. ‘Puf puf,’ rookte Shannon. ‘It really put the fear of God in you,’ zei ik. ‘Puf puf.’ ‘Beter een klein ongeluk als dit dan een grote,’ zei ik. ‘Puf puf.’ ‘Het zal je leren voorzichtig te rijden,’ zei ik. ‘Puf puf.’ Het was niet aan dovemansoren gericht wat ik daar op het terras van café Zazu gezegd had. Acht maanden lang reed Shannon perfect met de Bluebird. Er was geen enkel ongeval waarvan zij beticht kon worden. Nog belangrijker: zij wist zich die hele tijd zonder gevaar door het drukke stadsverkeer van Adelaide te bewegen en elke dag kwamen Shannon en haar 2 kleine kinderen weer veilig thuis, zich beschermd wetend in de grote, brede koekblik met dikke rubberen bumpers die mijn Bluebird was. Het aller belangrijkste was natuurlijk dat de Bluebird in deze periode helemaal geen kuren meer had. De Bluebird ging nergens meer onverwacht stil staan om vervolgens niet meer aan de gang te slaan. De Bluebird vertoonde werkelijk geen enkel mankement meer. Maar toen ik na 8 maanden weer terug keerde naar Adelaide werd Shannon diezelfde dag nog aangereden op North Terrace in het centrum van Adelaide, toen ze op weg was naar de kinderopvang in Currie Street om haar kleine kinderen op te halen. Een Duitse toerist was zo
26
bedwelmd geraakt door de geur van pis en rotte eieren die uit de bekleding van zijn net gekochte brede bruine Holden Commodore naar boven dampte dat hij vergat Shannon voorrang te verlenen. In plaats daarvan ramde de Holden Commodore van de Duitse toerist keihard tegen de flank van de Bluebird aan. Godzijdank kwam Shannon met de schrik vrij, maar de Bluebird was nu total loss. Zelfs Mildura Mick zou de auto niet meer kunnen opknappen. Adelaide 2000
27
Datsun Bluebird 910 Also called Production Assembly
Body style
Layout Engine
Wheelbase Length Width Height Related
Nissan Bluebird Yue Loong Bluebird 921 (Yulon, t w ) 1979–1986 Japan Miaoli, t w Clayton, Victoria, Australia[1] 4-door saloon 2-door hardtop 4-door Hardtop 4-door Estate f r layout 1.6l l 16S i 4, 1.8l l 18S i 4, 1.8l l 18T i 4, 1.8l z 18E i 4, 1.8l Z18e t Turbocharged i 4, 2.0l l 20b i 4, 2.0l c a 20S I4, 2,0l l d 20 Diesel i 4 2.52m (99.5 in) Saloon 4.35 m (171.3 in) Estate and Coupe: 4.40 m (173.2 in) 1.65 m (65.2 in) Saloon and Estate 1.40 m (55.2 in) Coupe 1.38m (54.6in) Nissan 280z x Nissan Leopard (F30)
The Datsun Bluebird 910 is an automobile which was produced by Nissan from 1979 to 1986. Nissan began realigning its export names with the home market with the 910 series in November 1979. The 'B' tags were dropped in favour of 'Bluebird', though the models were 'Datsun Bluebird' initially. The body style options remained the same but the look was characterized by a boxy style, considered modern at the time. For the export models, a ‘Nissan’ badge began appearing in 1981, and the following year the Datsun name disappeared. […]
28
Australian production Australia had the 910 from 1981–1984 with the l 20b engine, and 1985–1986 with the c a 20s engine. It was a downgraded, locally produced version of the Japanese model with no independent rear suspension, electronic fuel injection, or turbo versions. However the cars were offered in a sporty version, known as the t r x . Australian production totalled 130,000 vehicles.[1] The Bluebird 910 become part of Australian motor sport history on September 29, 1984, when George Fury put his Nissan Bluebird Turbo (an imported version with a Nissan Z engine turbo motor and fabricated i r s ) on pole position for the 1984 James Hardie 1000 touring car race with a time of 2:13.850. This remains the fastest time by a closed sedan on the old 6.172 km Mount Panorama Circuit before the introduction of the Caltex Chase in 1987 increased the lap distance to 6.213 km. For Australia, the 910 was replaced by the Nissan Pintara, a locally built vehicle based on the Skyline, but with a four-cylinder engine.
29
Bill Mensema (*1960) reist vanaf 1993 regelmatig naar de Verenigde Staten en Australië. Daar legt hij de basis voor zijn latere schrijverschap. Bluebird is een direct verslag van zijn belevenissen tijdens één van zijn verblijven in Australië. Dat is merkwaardig genoeg omdat hij in Australië altijd eigenlijk alleen maar over zijn geboorteplaats (het Oost-Groninger Delfzijl) kan schrijven. Inmiddels heeft Bill Mensema drie romans gepubliceerd: Doem Dada (2008), Fietsen met Bob Dylan (2009) en Captain Liefie (2011).
www.rockink.nl