Skip to main content

In het spoor van Vincenzo Bellini

Page 1

Anton Brand In het spoor van Vincenzo Bellini rock ink

[1]


In het spoor van Vincenzo Bellini


© Anton Brand, Groningen, 2012, 2014 Alle rechten voorbehouden Tekst: Anton Brand Omslagfoto: Anton Brand – Castello di Grinzane Cavour, 150 jaar Risorgimento, 2011 Beeld binnenwerk: p. 10 Wikimedia Commons; p. 11 criticaclassica.wordpress.com; p. 12 age fotostock; p. 13 Coyau, Wikimedia Commons, CC-BY-SA-3.0; p. 14  Giorces; p. 15 Francesco Hayez; p. 16 en 17 Museo civico Belliniano, foto Anton Brand; p. 18, 20 en 26 Anton Brand; p. 19 Giuseppe Rillosi; p. 21 Giovanni Boldini; p. 22 Andras Csontos, dreamstime.com; p. 23 Mario Nunes Vais; p. 24  Michele Rapisardi; p. 25  Museo civico Belliniano; p. 28 Flickr.com/Photgramma2; p. 30 kaart Italië gebaseerd op 123free­vectors.com/Mikima Foto achterzijde: Henk Veenstra Lettertype: Adobe Kepler, Robert Slimbach


Anton Brand In het spoor van Vincenzo Bellini rock ink | 2014


Ten geleide Dit e-boek van schrijver Anton Brand is gewijd aan de Italiaanse opera. Clip: Arturo Toscanini heropent het Teatro alla Scala in Milaan met het Concerto della Ricostruzione op 11 mei 1946.

Terwijl we het spoor volgen van grootmeester Bellini die per trein van Parijs naar zijn laatste rustplaats op Sicilië wordt gebracht, stoppen we ook bij de stations van andere Italiaanse operacomponisten zoals Rossini, Donizetti, Verdi en Puccini. Bij elke grootmeester heeft Brand zorgvuldig een clip geselecteerd uit de hoogtepunten van het werk van de betreffende componist. Deze clips kan men direct zien en vooral beluisteren. Dit e-boek is niet meer dan een introductie in de wereld van de Italiaanse opera. Vandaar dat het kort en fragmentarisch is. Voor het volledige verhaal verwijzen we graag naar het boek ‘Laatste reis’ van Anton Brand.


Woord vooraf Een schuchtere jongeman wordt verliefd op een andere jongen die David heet. Zoals het gaat in de liefde wil men alles met elkaar delen. David neemt de jongeman mee naar de opera, in de stadsschouwburg van Amsterdam. Die eerste keer doet het de jongeman weinig. Het is niet echt zijn ding. Hij houdt meer van The Beatles en van Pink Floyd. Maar het gaat verder. De liefde gaat dieper, de liefde wordt sterker. De twee gaan samenwonen. Als mannen worden de jongens steeds beter in hun dagelijkse werkzaamheden, ze kunnen zich wat meer veroorloven. Een tripje naar Berlijn? Het kan nu eindelijk. Daar – in die enorme metropool, zo lang tussen twee werelden in gelegen – gebeurt het. Het staat in de sterren deze keer. Midden in de geschiedenis, midden in een stad waar men op verschillende manieren het verleden probeert schoon te poetsen. Zoals in het westelijk deel, waar zich een ongekend laissez faire van de stad meester heeft gemaakt. Het is nog steeds Berlijn, maar het voelt anders. Het is er warm, er kan van alles, er gebeurt van alles. Het is er net als in het land van de opera minnende Italianen. Het silhouet van David, wandelend langs de Spree. Een glimp in diens ogen. Handen die elkaar zachtjes raken. ’s Avonds gaan ze uit. Net zo’n opera als toen in Amsterdam, maar nu komt die echt binnen. Zo hard dat het de jongeman – inmiddels een man – pijn doet. Een tweede liefde ontbrandt. Een passie voor opera. Jaren later zal Anton Brand een fascinerend boek over zijn geliefde Italiaanse opera schrijven, zoals alleen zij het kunnen die werkelijk zijn gegrepen door de muziek. Meeslepend verhaalt hij over de dood van een van de grootste Italiaanse componisten, Vincenzo Bellini, en vooral over wat de Italianen bewerkstelligden om het lichaam van de alom bewonderde componist


vanuit Parijs – waar Bellini zijn laatste adem liet – terug te brengen naar diens geboortegrond. Het lijk zou uiteindelijk worden vervoerd per trein. Die treinreis – waarbij Bellini postuum werd toegejuicht door de Italianen die en masse naar de stations togen waar de trein passeerde – vormt de rode draad van het boek. Ondertussen schetst Brand ook intrigerende biografieën vol opmerkelijke details van andere Italiaanse grootmeesters, zoals Rossini, Donizetti, Verdi en Puccini. Het is zijn liefde voor opera die Brand hierin met ons deelt. Bill Mensema


Een avond in Berlijn Zoals op die avond in Berlijn, in maart 2006, toen David en ik in de grote zaal van de Deutsche Oper aan de Bismarckstraße Sonnambula zagen. Dit keer zaten we op de eerste rij, geld geen probleem meer, en konden we de dirigent, Daniel Oren, met een keppeltje op zijn hoofd, bijna aanraken. Het toneelbeeld was ronduit feestelijk: een Zwitsers Alpenlandschap met chalets, edelweiss, koeien en her en der de vierkante rode vlag met het witte kruis die het symbool is van de kwaliteit van het bankwezen, kaas, horloges en koekoeksklokken. De rol van Amina werd gezongen door de Zuid-Koreaanse sopraan Eunyee You. Toen ze aan haar waanzinaria begon – ‘Ik had niet gedacht, o bloem, dat ik jou zo snel zou zien sterven’ –, stapte ze van het toneel af, op de omloop van de orkestbak, en liep ze in tien minuten van verscheurende vertwijfeling, uitmondend in een uitzinnige blijdschap, om het orkest heen, achter de dirigent langs, hoog oprijzend toen ze aan David en mij voorbijkwam. Terug op het toneel viel ze, zoals het hoort, Elvino in zijn armen – en stonden mij de tranen in de ogen. Oneindige melodieën. Daar en toen, bij Sonnambula in de Deutsche Oper, besefte ik wat er sinds Puritani in de Amsterdamse Stadsschouwburg in mijn leven was veranderd. Ik was een operaliefhebber geworden. Acquired taste. Niet van huis uit meegekregen, maar verworven. Mezelf eigen gemaakt. Voor sommigen is één aria al te veel, uit welke opera dan ook. Mij doen ze pijn, de mooiste aria’s van Rossini, Donizetti, Bellini, Verdi en Puccini. Het is een pijn om naar te verlangen, als naar een vrije dag om te schrijven, het herlezen van Thomas Mann of een urenlange wandeling door MOMA , het Museum of Modern Art, in New York. Een mooie lunch met een glas sauvignon blanc mag natuurlijk ook. [9]


Vincenzo Bellini

vertrek

* Catania, 3 november 1801 † Puteaux, 23 september 1835

Cecilia Bartoli zingt Ah! non credea mirarti... Ah! non giunge..., aria en cabaletta uit La Sonnambula van Vincenzo Bellini (Milaan 1831).

Bellini brak met een traditie. Italiaanse opera­ componisten hielden amper rekening met de tekst, laat staan met de emotie die door de solisten tot uitdrukking moest worden gebracht. Het ging hen om melodieën – wat ertoe leidde dat menige voorstelling als los zand aan elkaar hing, omdat er nauwelijks verband was tussen het libretto en de partituur. Bellini wilde muziek schrijven die aansloot bij de gevoelens en de houding van zijn solisten – en dus bij de handeling. Daarom hechtte hij grote waarde aan een goed libretto, nam hij veel tijd voor het componeren (al met al schreef hij in de tien jaar dat hij als operacomponist actief was maar tien opera’s, waar Rossini er in twintig jaar tijd veertig produceerde, maar die had dan ook aan een maand genoeg om Semiramide te schrijven), en werkte hij het liefst voor solisten die hijzelf had uitgekozen om een rol te zingen – Rubini, Tamburini, Lablache, Giulia en Giuditta Grisi, Pasta, Malibran, allen vedetten van wereldfaam. Met hen moesten speciale contracten worden afgesloten omdat ze almaar op tournee waren en van stad naar stad en van theater naar theater reisden. Bellini begeleidde hen persoonlijk, niet alleen als solist, om het optimale uit hun zang te halen, maar ook als acteur, om van zijn opera een waarachtige, dramatische voorstelling te maken. Makkelijk maakte hij het hen niet: zijn lyrische aria’s met hun ‘oneindige melodieën’ vroegen om beweeglijke stemmen met een groot bereik in toonhoogtes, en om zijn rollen te zingen moest de solist in kwestie over uithoudingsvermogen beschikken.

[10]


Francesco Florimo * San Giorgio Morgeto, 12 oktober 1800 † Napels, 18 december 1888 Francesco Florimo was een jaar ouder dan Bellini. Hij kwam uit een dorp in de regio Calabrië, San Giorgio Morgeto, en was dus in Napels, net als Bellini, een zuiderling. Hoewel ze elkaar na Bellini’s vertrek naar Milaan nog maar één keer hebben ontmoet – ze maakten in de eerste maanden van 1832 samen een reis van Napels naar Catania, om Bellini’s ouders te bezoeken en veel eerbetoon en huldeblijken in ontvangst te nemen –, zijn ze vanaf de kennismaking op het conservatorium tot Bellini’s dood dikke vrienden gebleven, die elkaar lange, gepassioneerde brieven schreven. Er is zelfs gesuggereerd dat ze een verhouding of een seksuele band hebben gehad – maar dat lijkt niet erg waarschijnlijk, want dan zouden ze vaker hebben geprobeerd elkaar te zien om samen tijd door te brengen. Uit hun correspondentie valt het niet af te lezen. Maar die brieven zijn dan ook grondig door Florimo geredigeerd, om Bellini in een gunstig daglicht te stellen en onwelvoeglijkheden te schrappen. Andere brieven werden door Florimo verkocht, hij verbrandde veel handschriften uit de tijd dat Bellini een verhouding met Giuditta Turina had, en voegde her en der passages toe, soms citaten uit gesprekken die Bellini met anderen zou hebben gehad. Hoe het ook zij, Bellini en Florimo leken wel bloedbroeders. ‘Ontvang mijn omhelzingen, en geloof dat ik altijd je Bellini ben, die van je houdt.’

[11]


Bellini’s dood: Puteaux, woensdag 23 september 1835 Villa Levys, het sterfhuis

Puteaux Paris

Auguste Aymé reed die dag te paard naar zijn schoonzus in Rueil. Op de heenweg bezocht hij Puteaux, maar Joseph weigerde hem binnen te laten. In de loop van de dag stak een najaarsstorm op en begon het hevig te regenen. Toen Aymé op de terugweg naar Parijs aan het eind van de middag nog eens in Puteaux langsging, was hij doorweekt.

De deur stond op een kier. Aymé bond zijn paard aan het tuinhek en ging naar binnen, de trap op, naar de eerste verdieping, waar Bellini een ruime kamer had. Het verbaasde hem dat er niemand in huis was terwijl de deur openstond. Alsof de villa in haast was verlaten.

Hij klopte aan, maar er werd niet gereageerd.

Maar toen Aymé een hand op die van zijn vriend legde, drong de vreselijke waarheid meteen tot hem door – die hand was koud, Bellini was overleden.

[12]

Bellini lag in bed en sliep, zo te zien.


Bellini’s begrafenis op Père-Lachaise: Parijs, vrijdag 2 oktober 1835 Grafmonument op Père-Lachaise, door Carlo Marochetti

Bellini’s lichaam werd van Puteaux naar de Église des Invalides overgebracht. De plechtigheid begon om halftwaalf met een door Luigi Cherubini geschreven requiem. De aansluitende mis werd gezongen door een koor van tweehonderd mannen en vrouwen. Na de mis trok een lange stoet van de kerk naar de begraafplaats, voorafgegaan door een honderdtwintigkoppig muziekkorps. Rossini, Cherubini, Carafa en Ferdinando Paër begeleidden de baar. Om de tien minuten weerklonken trommelslagen, die menigeen rillingen bezorgden. Het was vreselijk weer, het hield niet op te regenen. Desondanks was Parijs uitgelopen om getuige te zijn van Bellini’s laatste gang en elkaars verdriet.

Puteaux

Père-Lachaise

Paris

Aan de groeve sprak professor Orioli uit naam van de Italiaanse gemeenschap, Paër namens alle kunstenaars, en een jonge Siciliaan, doctor Furnari, voerde het woord namens de jongeren op Sicilië. Hij was in tranen. ‘Bellini, vaarwel. Er zullen altaren worden opgericht om je te gedenken en je muziek zal velen tranen doen plengen. Je zult voortleven in Pirata en Puritani, en vooral in dat ontroerende werk Norma, waarin zich de zachtmoedigheid van je ziel weerspiegelt. Vaarwel, goede Bellini. Ik heb enkel de woorden die jijzelf van de lieflijkste noten voorzag: moge je ziel in vrede rusten.’ Toen de grond om de groeve in modder was veranderd en de kist was neergelaten – daar waar het grafmonument van Carlo Marochetti zou komen te staan –, wierp Cherubini er als eerste een handvol aarde op. Hij huilde. [13]


Gioachino Rossini * Pesaro, 29 februari 1792 † Passy, 13 november 1868

Station Rossini

Bellini had Rossini in augustus 1829 in Milaan ontmoet. De grootmeester van de opera had net in Parijs triomfen gevierd met Guillaume Tell – het zou zijn laatste werk voor de bühne zijn, al leefde hij nadien nog bijna veertig jaar – en was op weg naar Bologna om zijn vader op te zoeken, die twee jaar tevoren weduwnaar was geworden. Daartoe was nog geen gelegenheid geweest.

Thomas Hampson zingt Largo al factotum uit Rossini’s opera Il barbiere di Siviglia (Rome, 1816).

In Milaan vroeg hij belet bij Bellini en bezocht hij in het Teatro della Canobbiana twee uitvoeringen van Il Pirata, Bellini’s opera die in oktober 1827 in de Scala in première was gegaan en zowel bij het publiek als bij de theatercritici een warm onthaal had gevonden. Hoewel hij tegenover anderen ook wel zijn reserves geuit schijnt te hebben, prees Rossini de volwassenheid van Pirata en voorspelde hij Bellini, bijna tien jaar jonger dan hij, een grote toekomst als vertegenwoordiger van een nieuwe generatie. Hij beluisterde gevoel in Bellini’s composities en herkende daarin een intens vermogen om lief te hebben.

[14]


Rossini schrijft een brief: zaterdag 3 oktober 1835

Paris

Gioachino Rossini ligt in bed. Schrijft aan een brief. De geadresseerde is Filippo Santocanale, een advocaat in Palermo. Bellini en Florimo hadden hem in april 1832 leren kennen, tijdens hun reis naar Sicilië, en waren met hem bevriend geraakt. Santocanale wordt beschouwd als de laatste echte vriend die Bellini in zijn levensdagen maakte.

Dat schrijft hij aan Santocanale. En hij doet verslag van de begrafenisplechtigheden in de Église des Invalides en op Père-Lachaise. ‘Daar zal het lichaam van die arme Bellini rusten tot er andere afspraken zijn gemaakt.’ Die gedachte moet meteen in Rossini’s hoofd hebben gezeten.

Het is zaterdag 3 oktober 1835. Buiten is het even guur en koel als de voorgaande dag, toen Bellini werd begraven. Rossini is snipverkouden en ‘halfdood’. Hij voelde zich al een paar dagen niet lekker, en hoewel hij van Bellini’s afscheid geen moment wilde missen, heeft het zijn gezondheid geen goed gedaan dat hij drie uur in de modder heeft gestaan en doorweekt was toen hij van de begraafplaats thuiskwam.

Vandaar dat hij het lichaam liet balsemen en in een lijkwade wikkelen; het werd begraven in een loden kist. Rossini hield er rekening mee dat de gang naar Père-Lachaise niet Bellini’s laatste reis zou zijn. Er zou nog één reis volgen, op verzoek van Bellini’s familie of het stadsbestuur van Catania – de thuisreis.

[15]


Bellini’s laatste reis begint: vrijdag 15 september 1876 Père-Lachaise Paris

Op 15 september 1876 – Florimo jubelde dat het geen toeval kon zijn dat het graf op een vrijdag werd geopend – verzamelden de genodigden en belangstellenden zich om elf uur op Père-Lachaise en vormden ze, tussen de omliggende graven, een ruime kring rond het monument. Florimo en de leden van de Commissie stonden vooraan – het kan bijna niet anders of die oude man die een witte zakdoek tegen zijn gezicht gedrukt houdt, is Florimo –, net als een priester in een witte albe met een stola over zijn schouders en een misdienaar met een crucifix en een wijwatervat.

[16]

Achter hen staat tout le monde: Émile Duval, prefect van het departement Seine, namens de stad Parijs, de arts Vito Bonato, die een procesverbaal moest opmaken voordat het lichaam opnieuw zou worden gekist en weggeleid, senatoren, hertogen, markiezen, graven, baronnen en ridders met hun echtgenotes, de kinderen van Luigi Lablache en Antonio Tamburini, kunstenaars (maar de Franse componisten lieten helaas verstek gaan), journalisten van La Patrie, Fanfulla en Perseveranza, vertegenwoordigers van ambassades en andere diplomaten, theaterdirecteuren, impresario’s, Bellini’s biograaf Arthur Pougin, en niet te vergeten veel zwaar bepakte soldaten, met de bajonet op het geweer, en tamboers, want Bellini was immers Ridder in het Legioen van Eer geweest en zou dus met militair ceremonieel worden opgegraven.


Père-Lachaise Paris

Bardonecchia

Om halftwaalf ging de priester de aanwezigen voor in gebed. Daarna werd de kist gelicht en een paar passen van het monument geplaatst.

Hij was in tranen. Het lieflijke gezicht van ‘de zanger van Sonnambula’ na bijna een halve eeuw weer te zien, was voor Florimo het summum van emotie – het was hem eigenlijk te veel.

De buitenkist bleek verrot, maar de loden binnenkist, waarin zich Bellini’s stoffelijke resten en de urn met zijn hart bevonden, was intact. Het deksel werd weggenomen – en als dat de omstanders al niet aangreep, raakten ze aangedaan door de ijselijke kreet die de lijkbleke, onmachtige Francesco Florimo slaakte.

[17]


Terug in Italië: zondag 17 september 1876

Bardonecchia

In Bardonecchia, in de vallei van Susa, negentig kilometer van Turijn, bereikte de trein de grens. Op het station werd halt gehouden en stapten twee afgevaardigden van de gemeente Susa in, de heren Chiapusso en Cler, om de Commissieleden te begroeten en Bellini’s stoffelijke resten op Italiaanse bodem te verwelkomen. Ze zouden het transport tot Turijn vergezellen. Florimo en de zijnen zagen daar een fijnzinnig gebaar in: Italië was niet langer een speelbal van vreemde mogendheden, had het provincialisme overwonnen en was één geworden, van de flanken van de Alpen tot aan kaap Lilibeo, bij Marsala, aan de westkust van Sicilië.

[18]

Op zondag 17 september, om negen uur ’s ochtends, liep de trein het station van Turijn binnen. Daar heerste een ronduit plechtige sfeer. Alle hoogwaardigheidsbekleders van de stad – de prefect en de leden van het provinciebestuur, de burgemeester en de gemeenteraadsleden, vertegenwoordigers van de Società Filarmonica – stonden op het perron klaar om de Commissie welkom te heten, er waren tal van journalisten, en ook het gewone volk was in groten getale naar het station gekomen om Bellini te begroeten.


Gaetano Donizetti * Bergamo, 29 november 1797 † Bergamo, 8 april 1848

Station donizetti

In de eerste maanden van 1835 hebben ze, in Parijs, elkaar waarschijnlijk enkele malen ontmoet en gesproken. Rossini had hen beiden uitgenodigd een opera voor het Théâtre-Italien te schrijven, om in Parijs te debuteren. Bellini kwam met Puritani – en de beau monde was er vol van. Donizetti componeerde Marino Faliero. Het werk ging op 12 maart 1835 in première, bijna zeven weken na Bellini’s overrompelende succes. Op de bühne stonden niemand minder dan Rubini, Tamburini, Lablache en Grisi – het veelbesproken Puritani-kwartet. Maar tegen Bellini kon Donizetti niet op.

Deel 1 van de waanzin­ aria, Il dolce suono … Spargi d’amaro pianto, uit Donizetti’s opera Lucia di Lammermoor gezongen door Edita Gruberova (Napels, 1835).

Het werd geen flop, maar voor de Parijse operaliefhebbers legde Marino Faliero het af tegen Puritani. Donizetti vertrok naar Napels. Een paar maanden later nam hij wraak, met zijn adembenemende en bloedstollende Lucia. Ik denk dat Bellini er bewondering voor zou hebben gehad.

[19]

Deel 2 van de waanzin­ aria, Il dolce suono … Spargi d’amaro pianto, uit Donizetti’s opera Lucia di Lammermoor gezongen door Edita Gruberova (Napels, 1835).


Door de Laars: maandag 18 september – donderdag 21 september 1876 Torino

Bologna

Ancona Barletta Molfetta Giovinazzo Bardonecchia

Reggio di Calabria

Het bericht dat de trein in aantocht was, verspreidde zich als een lopend vuurtje van dorp naar stad, van stad naar dorp en van station naar station – tot steeds meer opgetogenheid en decorum. In Apulië werd halt gehouden in de oude stadjes Barletta, Molfetta en Giovinazzo. De stations waren fraai versierd met vlaggen en bloemen, er was veel volk op de been, de burgemeesters en de pastoors lazen hun terdege voorbereide toespraken voor of speechten à l’improviste, overal werden kransen aangeboden, en muziekkorpsen in pittoreske uniformen, zeg maar klederdracht, speelden Bellini’s melodieën.

[20]

Het volk riep ‘Viva Bellini! Viva Catania!’ naar de trein. Waarop de Commissieleden, zich ervan doordrongen op welk station ze waren, vanuit de trein terugriepen: ‘Viva Barletta! Viva Molfetta! Viva Giovinazzo!’


Giuseppe Verdi * Le Roncole, 10 oktober 1813 † Milaan, 27 januari 1901

Station verdi

De ommekeer kwam als gevolg van een toevallige ontmoeting. Op een avond, in Milaan, terwijl de sneeuw in dichte vlokken viel, liep Verdi Bartolomeo Merelli tegen het lijf, de directeur van de Scala. Hij gaf Verdi een pak papier, een veelbelovend libretto, dat Verdi thuis ‘met een bijna heftige beweging’ op tafel smeet. Het viel open bij een vers dat Verdi, ‘zonder te weten hoe’, begon te lezen. Va, pensiero, sull’ali dorate. ‘Vlieg, gedachte, op gouden vleugels…’ Verdi zette zich aan het werk en in oktober 1841 was Nabucco af. Al bij de première in de Scala, op 9 maart 1842, identificeerde het publiek zich met de Israëlieten die in Babylon door Nebukadnezar – Nabucco – gevangen gehouden werden. Hun koor, het Va, pensiero, werd de hymne van de Risorgimento, de Italiaanse vrijheidsstrijd. Verdi’s naam was gevestigd. In de tien jaar die volgden schreef hij veertien opera’s, naar eigen zeggen goede en minder goede, die echter bijna allemaal meteen een succes werden.

[21]

Placido Domingo en Rolando Villazón zingen E lui desso l’infante uit Verdi’s opera Don Carlos (Parijs, 1867).


Van Reggio di Calabria naar Catania: vrijdag 22 september 1876

Reggio di Calabria

Catania

Catania

Die tweeëntwintigste september was een glorieuze dag voor Sicilië. Om vijf uur ’s middags kreeg Florimo, aan dek, Catania in zicht, aan de voet van de machtige Etna, en hoorde hij het kanonschot dat vanaf de kade werd afgevuurd, ten teken dat de Cataniërs het schip uit de richting van Messina zagen naderen. De stad zag er adembenemend mooi uit, een lust voor het oog – grandioos, magnifiek, in volle glorie. Op de kade had zich een mensenmassa verzameld die haar weerga niet kende. Popelend van ongeduld stond men te wachten tot de Guiscardo zou binnenvaren en afmeren.

en Giardino Bellini – met duizenden vlaggen te versieren, op de Piazza del Borgo was een reusachtige triomfboog opgericht, en kleurige najaarsbloemen tooiden de overheidsgebouwen, kerken en woonhuizen. Alsof het Sant’Agata was – drie dagen in februari waarop de stad elk jaar in traditionele ceremonies, nachtelijke processies en met een magistraal vuurwerk op de Piazza del Duomo haar patroonheilige herdenkt.

Velen hadden eraan bijgedragen de straten, pleinen en parken – Corso Vittorio Emanuele II, Via Garibaldi, Piazza del Borgo, Piazza del Duomo

Maar de Cataniërs waren vast van plan er net zo’n manifestatie van trots en toewijding van te maken als tijdens Sant’Agata.

[22]

Maar nee, het was september. Morgen zou het de drieëntwintigste zijn, een zwarte dag.


Giacomo Puccini * Lucca, 22 december 1858 † Brussel, 29 november 1924

Aangemoedigd door zijn moeder, die letterlijk het brood uit haar mond spaarde om haar Giacomo te stimuleren musicus te worden, ging Puccini op zijn zestiende studeren aan het conservatorium van Lucca. Het is aannemelijk dat hij vanaf toen geregeld naar het Teatro del Giglio ging, waar hij uitvoeringen zag van Verdi’s opera’s Rigoletto, Il Trovatore en Traviata. Het bestuderen van Verdi’s partituren maakte hem tot een zo groot bewonderaar dat hij in het voorjaar van 1876 samen met zijn broer Michele dertig kilometer van Lucca naar Pisa en terug liep om Aïda te zien. Daarna stond zijn besluit vast: hij zou geen kerkorganist maar operacomponist worden. ‘Het was alsof de muzikale poorten voor me geopend werden.’

[23]

Station puccini

Giacomo Puccini werd op 22 december 1858 in Lucca geboren, telg van een muzikale familie. Zijn vader, Michele Puccini, had in Napels bij Donizetti en Mercadante gestudeerd, was organist en directeur van het plaatselijke conservatorium en schreef zelf twee opera’s. Van hem kreeg Puccini orgellessen – tot vader onverwachts overleed toen Puccini vijf was, op 23 januari 1864, eenenvijftig jaar oud. Na zijn dood werd het onderricht overgenomen door een oom, Fortunato Magi. Die zag weinig in de knaap, vond de kleine Giacomo een slechte leerling, die alleen met slaag discipline bij te brengen viel, en trok algauw zijn handen van hem af.

Luciano Pavarotti zingt E Lucevan le Stelle uit Puccini’s opera Tosca (Rome, 1900).


Catania – Apoteosi di Bellini: vrijdag 22 september 1876

Catania

De mensen moesten natuurlijk wel worden beziggehouden, en liefst ook geamuseerd. Op de kade speelden muziekkorpsen het volkslied en wel honderd marsen, op het balkon van het Palazzo dell’Università bracht een concertorkest variaties op composities van Bellini, naast werken van de maestro’s Gandolfi en Platania. Toen het begon te schemeren werd op het plein voor het universiteitsgebouw gasverlichting ontstoken, overal in de stad laaiden Bengaalse vuren op, vermengd met het heldere wit van magnesium, en brandden toortsen en fakkels. De Giardino Bellini hing vol lichtgevende bollen in groen, wit en rood. De avond viel, maar het leek klaarlichte dag. Niemand minder dan de beroemde Amerikaanse sopraan Maria Luisa Swift was naar Catania gekomen om samen met signora Bozzi, alt, signor Giacomini, tenor, en signor Zezevich, bas, aan het slot van het concert bij [24]

de universiteit Apoteosi di Bellini te zingen, de verheerlijking van Bellini, zijn verheffing tot de rang der goden, op muziek van Pacini en tekst van Giuseppe Raffaele Abate. Toen het kwartet was uitgezongen, werd op het balkon een schilderij van Michele Rapisardi onthuld dat dezelfde titel droeg als het muziekstuk – Apoteosi di Bellini. De maestro wordt door drie engelen naar het paradijs gebracht. Als een heilige ten hemel gedragen. Zijn haar is glad achterover gestreken, zijn blik is koen, fier en zelfbewust, een rechte neus, de lippen vastberaden opeengeperst, een wilskrachtige kin – maar hij is gekleed in een wit doodshemd. Florimo vermeldde het niet, maar het kan niet anders of de wijn vloeide rijkelijk. De cafés en bars deden vast goede zaken. Enfin, het was een avond lang voor elk wat wils.


Catania – de hommage van een sopraan: zaterdag 23 september 1876

Catania

Die avond – het kan bijna niet anders – moet zich het incident hebben voorgedaan dat de mythevorming rond Bellini naar een climax stuwde. Het lichaam is uit de kist genomen en op een witte, houten baar gelegd, met een trapje met drie treden ernaast – vermoedelijk om er makkelijker bij te kunnen. Terwijl de doktoren aan het werk waren, meldde Maria Luisa Swift zich bij de zijkapel. De toegang ervan werd bewaakt door een sergeant van de burgerwacht.

‘Laat haar door!’ riepen ze in koor. De sergeant keek om de hoek van de afzetting en zocht contact met cavaliere Tenerelli. ‘Signora Swift kan binnenkomen,’ besliste hij. Ze ging binnen – en keek met een lome blik naar de stoffelijke resten, haar ogen vol tranen. ‘Mag ik hem kussen?’ vroeg ze. Het werd haar toegestaan.

‘Signora,’ zei hij beleefd, ‘het is verboden naar binnen te gaan.’

Ze stapte naar voren en kuste Bellini als een geliefde, lang en stevig.

‘Zeg tegen de burgemeester,’ ant­ woordde de sopraan, ‘dat ik, als ik naar Amerika vertrokken ben, de relikwieën van Bellini niet meer kan zien.’

Aan dat moment had ze genoeg om twee haren uit zijn borst te trekken.

Omstanders bemoeiden zich ermee.

Rijk met die erbarmelijke buit, aldus Florimo, zou ze afscheid van Catania nemen. [25]


Catania – Cattedrale di Sant’Agata: zondag 24 september 1876

Catania

Het praalgraf, waarin Bellini ter ruste zou worden gelegd, stond, bij binnenkomst in de kathedraal, voor de tweede pilaar ter rechterzijde. Het was gemaakt door de uit Florence afkomstige beeldhouwer Giovanni Battista Tassara. Nu nog afgedekt met een zwart kleed, zou het morgen na de requiemmis worden onthuld. Of het een mooi monument is? Centraal in het witmarmeren kunstwerk staat de sarcofaag, met twee gebeeldhouwde lauwerkransen erop. Rechts daarvan, of eigenlijk schuin ervoor, rijst een treurende engel op, met wijduitstaande vleugels, het Genie van de Muziek, een lier aan zijn voeten. Links brandt een toorts.

[26]

Onder de sarcofaag is een bronzen plaquette te zien: een scène uit Norma, erboven is de Apoteosi di Bellini afgebeeld, een sculptuur naar het schilderij van Rapisardi. Bellini’s naam is in kapitalen uitgehouwen in de vloer voor het monument. Op de sarcofaag staan een notenbalk en een dichtregel van Romani uit Sonnambula: Ah! non credea mirarti sì presto estinto, o fiore O bloem. Zo jong te sterven…


Enkel en alleen muziek

Een genie is ten hemel gedragen. Toen hij het leven vaarwel zei, liet hij muziek na – enkel en alleen muziek. Onvergetelijk gebleven. Onvergankelijk geworden.

[27]

eindStation

Maria Callas zingt Casta diva uit Bellini’s opera Norma (Milaan, 1831)


Bellini’s opera’s

Teatro Massimo Bellini, Catania

Adelson e Salvini (12 februari 1825, Teatrino del Conservatorio di San Sebastiano, Napels) Bianca e Gernando (30 mei 1826, Teatro San Carlo, Napels) – Herziene versie: Bianca e Fernando (7 april 1828, Teatro Carlo Felice, Genua) Il pirata (27 oktober 1827, Teatro alla Scala, Milaan) La straniera (14 februari 1829, Teatro alla Scala, Milaan) Zaira (16 mei 1829, Nuovo Teatro Ducale, Parma) I Capuleti e i Montecchi (11 maart 1830, Teatro La Fenice, Venetië) La sonnambula (6 maart 1831, Teatro Carcano, Milaan) Norma (26 december 1831, Teatro alla Scala, Milaan) Beatrice di Tenda (16 maart 1833, Teatro La Fenice, Venetië) I puritani (24 januari 1835, Théâtre Italien, Parijs)

[28]


Horen en zien op een rij

Arturo Toscanini heropent het Teatro alla Scala in Milaan met het Concerto della Ricostruzione op 11 mei 1946.

Deel 1 van de waanzin­ aria, Il dolce suono … Spargi d’amaro pianto, uit Donizetti’s opera Lucia di Lammermoor gezongen door Edita Gruberova (Napels, 1835).

Luciano Pavarotti zingt E Lucevan le Stelle uit Puccini’s opera Tosca (Rome, 1900).

Cecilia Bartoli zingt Ah! non credea mirarti... Ah! non giunge..., aria en cabaletta uit La Sonnambula van Vincenzo Bellini (Milaan 1831).

Deel 2 van de waanzin­ aria, Il dolce suono … Spargi d’amaro pianto, uit Donizetti’s opera Lucia di Lammermoor gezongen door Edita Gruberova (Napels, 1835).

Maria Callas zingt Casta diva uit Bellini’s opera Norma (Milaan, 1831).

Thomas Hampson zingt Largo al factotum uit Rossini’s opera Il barbiere di Siviglia (Rome, 1816).

Placido Domingo en Rolando Villazón zingen E lui desso l’infante uit Verdi’s opera Don Carlos (Parijs, 1867).

[29]


Het Italië van de opera

Milaan Verdi: grafkapel, standbeeld Toscanini: graf Teatro alla Scala

Bergamo Donizetti: geboortehuis, grafmonument, museum

Turijn Teatro Reggio, Teatro Carignano

Trento Trieste

Venetië Teatro La Fenice

Busseto e.o. Verdi: geboortehuis, Villa Verdi, standbeeld, museum

Venezia

Pesaro Rossini: geboortehuis, theater

Bologna

Genova

San Marino Firenze

Torre del Lago Puccini/ Chiatri Puccini: Villa Puccini met mausoleum, standbeeld, theater

Ancona Bari Piccinni: geboortehuis, standbeeld, theater

Perugia L’Aquila

Pescia Pacini: grafmonument

Città del Vaticano

Florence Rossini: grafmonument

Campobasso Bari Napoli

Potenza

Rome Teatro Argentina Napels Teatro di San Carlo

Cagliari

Catanzaro San Giorgio Morgeto Florimo: geboortehuis, borstbeeld

Palermo

De route van Bellini’s laatste reis

[30]

Messina

Reggio di Calabria

Catania Bellini: geboortehuis (nu museum), grafmonument, standbeeld, theater, park


Boeken van Anton Brand Laatste reis. In het spoor van Vincenzo Bellini Uitgeverij Passage Groningen, 2012; ISBN 97890 5452 247 8 / NUR 301; ingenaaid; 12,5 × 20 cm; 206 pagina’s; omslag: DBDdesign / Ruurd de Boer; foto: George Mulder, 2010 (standbeeld van Vincenzo Bellini door Giulio Monteverde, Catania, 1882); prijs: € 17,90 Kijk ook eens op Antons blog: http://laatstereis.wordpress.com.

Andere boeken van Anton Brand bij Uitgeverij Passage, Groningen Bukittinggi. Een vertelling, 1996; ISBN 90 5452 033 7 / CIP / NUGI 300; ingenaaid; 12,5 × 20 cm; 170 pagina’s; omslag: Ella Knip; niet meer leverbaar

Hoek van Ameland. De geschiedenis van een plek, een huis en zijn bewoners (met George Mulder), 2003; ISBN 90 5452 029 9 / NUR 521; 168 pagina’s; gebonden; geïllustreerd en deels in kleur; vormgeving: Studio de Wilde Muis / Joppe van der Spoel; prijs: € 34,50

Liefdeknopen. Bericht van mijn ouders, 2008; ISBN 97890 5452 1921/ NUR 300; 268 pagina’s; ingenaaid, met zijflappen; 12,5 × 20 cm; vormgeving: Studio de Wilde Muis / Joppe van der Spoel; prijs: € 17,50

Lagen in Stad. Oude vondsten in nieuwe verhalen (onder redactie van Gert Kortekaas en Martijn Lindeboom), 2013; ISBN 97890 5452 280 5 / NUR 693; 216 pagina’s in kleur; rijk geïllustreerd; vormgeving: DBD Design / Ruurd de Boer; prijs: € 18,90

[31]


Reacties op ‘Laatste reis’ http://ciaotutti.nl/boeken-lezen-over-italie/op-reis-met-bellini/: ‘Lees Laatste reis, een melodieus reisverhaal dat je meevoert naar het leven van een aantal van de beste componisten die Italië heeft voortgebracht.’ Hinke Wissink in Opera Informa: ‘Brands fascinatie voor de Italiaanse opera in het algemeen en voor Bellini in het bijzonder werkt aanstekelijk en tussen de bedrijven door wordt de lezer daarbij ook nog eens getrakteerd op een groot aantal biografische feiten en weetjes over Italiaanse componisten die in de ontwikkeling van het belcanto een belangrijke rol hebben gespeeld. In ieder hoofdstuk is, ook voor de gevorderde operakenner, wel iets interessants te lezen. Laatste reis is met hartverwarmende bezieling geschreven en de kleurrijke beschrijvingen en de sappige weetjes uit de wereld van de opera nodigen uit om zelf op ontdekkingstocht te gaan. In het spoor van Anton Brand!’ Bill Mensema, collega-auteur bij Uitgeverij Passage: ‘Ik wou je even laten weten dat ik gisteren Laatste reis uitgelezen heb & dat ik het een heerlijk boek vond. Het heeft me meegenomen in een wereld die ik amper ken, maar met een geweldig enthousiasme & liefde voor het onderwerp geschreven, zodat het ook voor mij als leek waarlijk een genot was om je daarin te volgen. Voor mij las het eigenlijk als een rockboek.’ http://www.operanederland.nl/Boeken: ‘In Laatste reis beschrijft Brand zijn liefde voor de opera. De titel van het boek refereert aan de reis van Bellini’s levenloze lichaam van Parijs naar zijn geboortestad Catania, maar dit verhaal bestrijkt slechts een klein gedeelte van het boek. Brand vertelt aan de hand van zijn operareizen naar onder andere Parijs, New York, Berlijn, Wenen en de Italiaanse plaatsen Pesaro, Verona, Venetië, Milaan, Sicilië en Turijn over verschillende Italiaanse componisten en uitvoerenden en hij geeft biografische bijdragen over Donizetti, Rossini, Verdi, Puccini, Wagner, Maria Callas (natuurlijk haar liefdeleven), Renata Tebaldi en Arturo Toscanini. In elk hoofdstuk is ook voor de gevorderde operakenner [32]


wel iets interessants te lezen. Laatste reis (is) bezield en liefdevol geschreven. Het boek richt zich op een groot publiek en is als reisverhaal een leuk boek voor op vakantie.’ Marcel de Jong, collega-auteur bij Uitgeverij Passage: ‘De reis was Groningen-Delft. Maar ondertussen zat ik met mijn gedachten in Italië. Door het prachtige boek van Anton Brand: Laatste reis. Wat een tragisch leven hadden Verdi en Donizetti toch!’ Aart van der Wal op http://www.opusklassiek.nl/boeken/brand_ laatstereis.htm: ‘Brands grote fascinatie voor de Italiaanse opera en voor Bellini, de ‘Zwaan van Catania’, in het bijzonder werkt uitermate aanstekelijk. Dat ging zo ver dat hij precies dezelfde treinreis naar Reggio di Calabria wilde maken als toentertijd de kist met het lichaam van Bellini. Maar daarnaast maakte hij nog veel andere reizen, o.a. naar Parijs, New York, Wenen, Milaan, Venetië en Sicilië. Opera, opera en nog eens opera. Brand doet verslag, hij mijmert, memoreert, maar heeft op iedere bladzijde wel iets interessants te melden. Natuurlijk, dit is geen musicologische exegese, maar het boek biedt wel heel wat meer dan alleen maar een interessant kijkje op de wereld van de opera. De kleurrijke beschrijvingen en het enthousiasme waarmee de auteur ons meeneemt naar orkestbak en toneel zijn even aanstekelijk als zijn vlotte schrijfstijl. Een fijn boek voor op het nachtkastje of tijdens de vakantie. In Italië uiteraard…’

[33]


Meer Rock Ink

Ralph Molina

Bill Mensema

Rock Ink

Rock Ink

k o r t v e r h aal | r o c k i nk

A short story by Bill Mensema

Rock Ink is een samenwerkingsverband tussen de twee jeugdvrienden schrijver Bill Mensema (Haren Gn) & grafisch ontwerper Ebel Kuipers (Sappemeer) om – nu we nog leven – geregeld e-boeken uit te brengen, grotendeels over muziek, zo nu & dan in het Engels & dan weer in het Nederlands, ontworpen zoals wij het zien. De e-boekjes zijn gratis te lezen op internet. Ons doel is de verspreiding van ons werk over de hele wereld & in Finland in het bijzonder. www.rockink.nl [34]


[35]


Anton Brand (* Arnhem, 17 juli 1953) raakte dankzij Bellini geïnteresseerd in de opera­componisten van de negentiende en twintigste eeuw – hun werk, levens en liefdes. Rossini, Donizetti, Verdi, Puccini. Hij ging op zoek naar de achtergronden van hun oeuvres en bezocht de plaatsen waar ze hebben gewoond. Lees erover in Laatste reis. In het spoor van Vincenzo Bellini (Uitgeverij Passage, Groningen, 2012).

rock ink www.rockink.nl

[36]


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook