Max en Wouter, Het geheim van de Havelaar

Page 1


Max en Wouter

Het geheim van De Havelaar

Chris van de Ven

Max en Wouter

Het geheim van De Havelaar

HOPE XXL, MDT, Multatuli Genootschap

Dank aan Stefan Bloemberg, Bregje Boolting, Marjon Botter, Louise Gommers, Max Hoving en zijn ouders, Robin Kieboom, Dik van der Meulen, Rosemarie van Oorschot, Pierre Rietjens, Jan Terlouw, Philip Vermoortel, Rob Vissers, Arnold Warmerdam.

Dank aan stichting HOPE XXL en Multatuli Genootschap.

© 2022 Chris van de Ven, Duiven

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Vormgeving omslag en binnenwerk: Bloemberg Media, Rob Vissers

ISBN/EAN: 978-90-9036529-9 www.hope-xxl.com

Wenken voor Billie, Hugo, Roan, Henry, Fayen, Jet en alle andere kinderen.

Ik vind het niet erg dat ik het geheim van Havelaar verraad, wel de manier waarop ik dat doe. Daarvoor, bij voorbaat mijn excuses aan de jonge lezer.

Ik hoop, beste jonge lezer, jou aan het schrijven te krijgen. Dat wij uiteindelijk collega’s worden!

De schrijver

Dit is geen ‘makkelijk’ boek. Als je iets eenvoudigs wil lezen, pak dan de Donald Duck of zo.

Drie namen voor een en dezelfde persoon.

Eduard Douwes Dekker schreef onder de naam Multatuli het boek, Max Havelaar.

Dit verhaal gaat vooral over mij, Max de Zesde en over mijn oudgrootvader Eduard. Het is handig als je onderstaande rijtjes kent.

1. Zoon (ik dus)

2. Vader (mijn pa)

Max Versteegh de Zesde 2008- ik leef nog

Max Versteegh de Vijfde 1978- hij leeft ook nog

3. Grootvader (mijn opa)Max Versteegh de Vierde 1950-2012

4. Overgrootvader

Max Versteegh de Derde 1920-1960

5. BetovergrootvaderMax Versteegh de Tweede 1871-1952

6. Oudvader

Max Versteegh 1842-1913

7. Oudgrootvader Eduard Douwes Dekker (Multatuli) 1820-1887

Er komen drie notarissen voor in dit boek:

1. Robert van Ramselaar (junior)1941 - hij leeft nog

2. Robert van Ramselaar (senior)1918 – hij leeft nog

3. Conrad van Ramselaar 1859 - 1951

Huis van Oranje:

1. Koning Willem Alexander 1967 - hij leeft nog

2. Koningin Beatrix 1938 - zij leeft nog

3. Koningin Juliana 1909 - 2004

4. Koningin Wilhelmina 1881 - 1962

5. Koningin-regentes Emma 1858 - 1934

6. Koning Willem III 1817 - 1890 (tijd van Multatuli, mijn oudgrootvader)

7. Koning Willem II 1792 - 1849

8. Koning Willem I 1772 - 1843

Vooraf aan Max en Wouter, Het geheim van De Havelaar

‘Maar ik ben oud geworden, en heb nagedacht. Tot nadenken wens ik nu ook anderen op te wekken, zo mogelyk vóór ze oud geworden zyn, of te oud althans.’ (Multatuli)

‘Ik ben oud en heb nagedacht. Ik vraag anderen om ook na te denken, maar dan voor ze oud zijn of in ieder geval té oud zijn.’ (hertaling door Max)

Ik hoop dat je ongeveer tussen de acht en dertien jaar oud bent en ik ben blij dat je dit boek toch te pakken hebt gekregen, want het is heel, heel belangrijk. Vermoedelijk zit je het nu stiekem in een donker hoekje te lezen, of onder je dekbed. Let goed op dat je ouders het boek niet vinden. Ze pakken het van je af en gooien het in de open haard, als je die hebt.

Ook niet mee naar school nemen, want ook de meesters en juffen willen niet dat je het leest. Bijna iedereen wil dat dit boek verboden wordt. Er staat namelijk een groot geheim in dat ervoor zorgt dat de wereld…nou ja, lees het boek maar.

Op de kaft staat dat het verboden is voor kinderen tussen acht en dertien jaar. Dat hebben de volwassenen en Bart Droogstoppel zo geregeld. Ze weten drommels goed dat ze niet goed bezig zijn, maar verbeteren hun gedrag nauwelijks. Hopelijk ga jij dat veranderen.

Jij hebt Max en Wouter. Het geheim van De Havelaar nu in handen. Lees het snel uit en geef het dan door aan een andere slimme leeftijdgenoot die je kunt vertrouwen. En vergeet nooit, nooit wat de volwassenen wél vergeten zijn, toen ze ouder werden. Ik reken op je!

Max de Zesde, september 2020

De brief van de notaris

‘Wat niet kan, is m’n plicht niet! (Multatuli)

‘Wat onmogelijk is, hoef ik niet te doen.’ (hertaling door Max)

Door de glazen deur waar met krulletters Robert van Ramselaar notaris op staat, ziet Max dat Wouter al in de wachtkamer zit. Natuurlijk is Wouter er ook, want waar je Max ziet, zie je Wouter. Echte vrienden. Hoe lang al? Altijd al! Max is net twaalf geworden, Wouter tien. Hoe en wanneer ze elkaar nou precies ontmoet hebben weten ze geen van beiden. ‘Doet er ook niet toe,’ zegt Max altijd.

Max is blij dat hij Wouter ziet. Ook Wouter kijkt gespannen en knikt. Zonder iets te zeggen gaat Max naast hem zitten en geeft de gebruikelijke ‘schouderbeuk’. Wouter lacht en geeft een nog grotere beuk terug. Het voelt vertrouwd. Gelukkig maar, want het was allemaal zo vreemd. Max had een brief gekregen van de notaris. Z’n vader had de brief voorgelezen bij het ontbijt. Hij dacht eerst dat de brief voor hem was bedoeld. Hij heet namelijk ook Max, net als zijn opa en overgrootvader. Zes Max-en op een rij. Het was bij de familie Versteegh traditie de oudste zoon Max te noemen. Op de envelop stond M. Versteegh. Welke jongen van twaalf jaar krijgt een brief van een notaris? Notarissen schrijven geen brieven aan jongens en nodigen hen ook niet uit op hun kantoor. Notarissen krijgen grote mensen op bezoek die een huis gekocht hebben en daarvoor belangrijke papieren moeten ondertekenen. Of mensen laten een notaris een testament opmaken waar ze in laten zetten wie later hun geld erft. Ook moet je naar de notaris als je een vereniging of club wilt oprichten. De notaris is een belangrijk persoon die ervoor zorgt dat alles goed geregeld wordt.

-Max met zijn vader bellen gespannen aan bij het notariskantoor.-

Max ging dat allemaal niet doen, geen club oprichten, geen huis kopen en er was ook niemand overleden die hij goed kende. Toch vroeg de notaris in de brief of Max zich op maandag 2 maart 2020 om halfzes wilde melden op zijn kantoor. Achter Max z’n naam stond zijn geboortedatum. Notarissen zijn heel precies in al dit soort dingen. Er stond 9 februari 2008. Ja, dat was Max’ geboortedatum, geen twijfel mogelijk. Vader had het notariskantoor gebeld of hij mee mocht komen. Natuurlijk, dat was geen probleem had de secretaresse gezegd. Ze waren er naartoe gelopen, het was vlak bij het huis van Max en zijn ouders. Max kende het centrum van Amsterdam op zijn duimpje. Twee grachten oversteken en dan rechtsaf en ze waren er.

Vader en zoon Versteegh zitten naast elkaar in de wachtkamer. Vader geeft Max ook een ‘schouderbeuk’. Max beukt terug en kruipt wat dichter tegen hem aan. Ze kijken naar elkaar en halen tegelijk hun schouders op omdat ze niet weten wat ze komen doen. Vader had het gevraagd aan de secretaresse, maar die zei van niets te weten. Max is trots op zijn vader. Hij heeft het geweldig getroffen met zo’n pa. De vader van Wouter is al jaren dood. Max stoot zijn vriend zachtjes aan. Die haalt ook zijn schouders op. Wouter fuistert: ‘Wel spannend zeg’. Hij zegt nooit zo veel en als-ie wat zegt, dan is dat zachtjes, alsof anderen het niet mogen horen. Max vindt het fjn dat hij zo’n goede vriend heeft die altijd bij hem is, als het nodig is.

Door het glas van de wachtkamerdeur zien ze plotseling wat beweging. Aan de andere kant van de gang wordt een deur opengerukt. Een wat dikke jongen stuift het kantoor van de notaris uit. Het gaat allemaal heel snel. Met een klap horen ze de voordeur dicht slaan. Buiten schreeuwt hij: ‘Nooit, hoor je. Nooit!’

De notaris, een oude man en niet meer zo goed ter been, is de jongen achterna gelopen en staat nu een beetje vertwijfeld in de gang. Hij kijkt van de glazen deur naar de voordeur en vervolgens naar Max. Hij knikt naar hem. Het zorgelijke verdwijnt van zijn gezicht en hij begint te stralen. Max knikt wat onwennig terug en vraagt zich ondertussen af wie die boze jongen toch kon zijn. Het leek wel of hij hem kende, of hij hem al eerder had gezien. Misschien van school? Hoe oud zou hij zijn? Zestien, zeventien? Maar veel tijd om na te denken heeft hij niet. De notaris, die hem stokoud lijkt, doet de wachtkamerdeur open en zegt wijzend naar zijn kantoor: ‘Kom binnen, kom binnen. Hier heb ik jaren op gewacht. Wat bijzonder, wat bijzonder.’ Ze gaan het kantoor in.

-Vader geeft Max een vertrouwde ‘schouderbeuk’.-

Max en Wouter staan versteld

‘De roeping van den mens is mens te zyn.’ (Multatuli)

‘Iedereen moet proberen een goed mens te zijn.’ (hertaling door Max) ‘Wat bijzonder, wat bijzonder.’ De notaris herhaalt die woorden keer op keer terwijl ze plaatsnemen aan een massief eikenhouten tafel. Max kijkt het kantoor rond. Het is een mooi oud kantoor in een mooi statig pand aan een Amsterdamse gracht. De wanden staan vol met boekenkasten van donker eiken. Er hangen schilderijen. Er ligt een dik donkergroene, wat versleten, vloerbedekking die op mos lijkt. Het ruikt ook een beetje naar een nat oud bos, bedompt en muf. De plant tussen de boekenkasten kan wel water gebruiken. Het bureau van de notaris staat voor het raam, alsof het al eeuwen niet van zijn plaats is geweest. Op het bureau staat een oud beeldscherm en er liggen een toetsenbord en een muis. Allebei nog met een kabel. Er is dus wel iets veranderd in de jaren, maar grotendeels lijkt het toch alsof ze in een flm zijn gestapt die zich rond 1900 afspeelt. Op de tafel staat een vierkant oud reiskoffertje waar Max steeds weer zijn blik op werpt. ‘Wat bijzonder, wat bijzonder’, zegt de notaris nogmaals en neemt de hand van Max stevig in de zijne en … ziet Max dat nou goed, huilt de notaris? Er zit in ieder geval een traan in zijn linker ooghoek.

De notaris houdt Max’ hand heel lang vast, veel langer dan wat normaal is en toch voelt het helemaal niet vervelend. De notaris kijkt aldoor naar Max en schudt alleen maar het hoofd. Hij heeft helemaal geen aandacht voor Max’ vader. Meestal gaan volwassenen eerst met elkaar in gesprek en kinderen komen dan later even aan de beurt. Nu gaat het alleen om Max. Dat voelt hij wel. Maar die vochtige ogen van de notaris? Zou er iemand gestorven zijn waar Max niets van weet? Hij kijkt naar zijn vader.

-Max krijgt van notaris Van Ramselaar junior een warme hand.-

De notaris laat plotseling de handen van Max los en begint enorm te lachen en schreeuwt bijna uit: ‘Het is niet waar, het is niet waar! Juffrouw Laps, juffrouw Laps!’ De deur vliegt open en de secretaresse stormt binnen.

‘Kijk, kijk,’ wijst de notaris op het achterhoofd van Max. Hij lacht, maar nu vloeien er ook tranen over zijn wangen. Juffrouw Laps kijkt en gaat met haar handen door de haardos van Max. Dat is natuurlijk ook vreemd! Dat een vrouw zomaar aan het haar van een jongen gaat zitten friemelen. Haar handen gaan naar de twee kruinen op Max’ hoofd. Je moet weten dat Max raar haar heeft waar de kappers maar weinig orde in kunnen aanbrengen. Het springt vaak alle kanten op en op zijn achterhoofd heeft hij dus niet één, maar twee kruinen van waaruit zijn haar over zijn hoofd groeit. Max kijkt naar Wouter die met grote ogen kijkt naar wat zich allemaal afspeelt. ‘Wat bijzonder, wat bijzonder’, zegt juffrouw Laps meer tegen zichzelf dan tegen iemand in het bijzonder. ‘Wat ik je zeg, wat ik je zeg.’ Daarna verlaat juffrouw Laps het kantoor weer. De notaris schuift het antieke koffertje naar het midden van de tafel, recht voor Max. Het lijkt of hij tijdens deze handeling weer een echte deftige notaris is geworden. Zijn tranen en zijn lach zijn weg. Hij heeft zijn gezicht weer in de plooi.

‘Excuses Max, maar het is zo bijzonder allemaal. Je moet weten dat honderddrieëndertig jaar geleden in dit kantoor van mijn overgrootvader, aan deze tafel, jouw oudgrootvader zat en die heeft voor jou dit koffertje nagelaten. Zijn naam was Eduard Douwes Dekker. Een paar weken voor zijn dood in 1887 heeft hij voor jou dit koffertje hierheen gebracht met een opdracht. Dit jaar, vandaag 2 maart 2020, is het precies tweehonderd jaar geleden dat je oudgrootvader werd geboren hier in Amsterdam. Hij wilde dat precies op deze dag zijn achter-achter-achter-achter-kleinkind, met de naam Max of Maxime, dit koffertje zou ontvangen. Zou er geen Max of Maxime zijn geweest dan moesten we het koffertje met inhoud en al vernietigen. Maar je bent er, je bent er. Wat jammer dat de brief die erbij hoorde verloren is gegaan door de brand van 1924. Maar gelukkig weet mijn vader wat erin stond.’

Op dat moment gaat de deur open en een nog oudere man komt het kantoor binnen. Luid roepend: ‘Wat bijzonder, wat bijzonder!’ Het is de vader van de notaris.

-De 102 jaar oude notaris Van Ramselaar komt het kantoor binnen van zijn zoon die 79 jaar is.-

De verdwenen brief

‘Dat ieder onzer aan het roer behoort te staan van zyn eigen verstand.’ (Multatuli)

‘Iedereen moet zelf nadenken.’ (hertaling door Max)

‘Wat bijzonder, wat bijzonder!’ zegt de man, met prachtig wit haar en een sneeuwwitte baard, die minstens honderd jaar moet zijn. Dat het bijzonder is weet Max nu wel, maar wat is er nou zo bijzonder? Hij kijkt naar zijn vader, maar die kijkt net zo vragend terug.

De oude man is naar de tafel gelopen en legt zijn hand op het reiskoffertje. Hij kijkt naar de notaris en zegt:

‘Het is zover, jongen.’

Het is wel vreemd dat zo’n oude man tegen een andere oude man jongen zegt.

‘Ja vader, het is zover.’

Ze gaan zitten.

‘Wat is zover?’ vraagt Max’ vader, die van spanning en nieuwsgierigheid ook niet meer weet wat hij moet denken.

‘Heeft uw vrouw u niets verteld?’

Wat krijgen we nou, dacht Max. Weet moeder hier wat van? Dat leek hem onmogelijk. Had zij iets geheim gehouden? In een fits zag Max voor zich hoe ze reageerde op de uitnodigingsbrief die de notaris had gestuurd en die bij het ontbijt was voorgelezen. Ze had eigenlijk helemaal niet gereageerd. Max en zijn vader hadden honderduit gepraat en zij had eieren staan bakken en eigenlijk nauwelijks wat gezegd. Toen ze de eieren op tafel zette, zei ze enkel: ‘Ga er maar naartoe dan zul je het wel horen.’

‘U hebt een vrouw die zich aan haar woord houdt en een deel van een geheim kan bewaren. Ik zal u eerst voorstellen aan mijn vader Robert van Ramselaar.’ De oude man knikte en nam het woord over.

‘Dank je, Robert’.

Wouter fuistert in het oor van Max: ‘Die oude mannen hebben ook dezelfde voornaam. Net als jij en je vader. Een Max senior en een Max junior en een Robert senior en een Robert junior.’

‘Je vraagt je af, Max, wat komt die oude man doen? Wat heeft die mij te vertellen? Ik ben honderdtwee, maar denk niet dat ik seniel ben. Het lichaam is dat van een oude man, maar hierboven is nog niets mis. Ik weet precies wat er honderddrieëndertig jaar geleden hier, op deze plek aan deze tafel is afgesproken. Alleen de brief waar dat allemaal in staat, is verbrand. Je oudgrootvader had je een brief geschreven van dertig kantjes. Ik heb hem wel twintig keer gelezen. Je oudgrootvader schreef fantastisch. Hij is, volgens

veel kenners, de beste schrijver van Nederland. Ik ben het daar volledig mee eens. Ik verwijt mezelf nog steeds dat ik niet een kopie van de brief heb laten maken. Dat is heel dom van me en daarvoor mijn excuses. We bewaarden de brief boven op zolder in een klein kluisje met nog een paar belangrijke documenten van andere mensen. In 1924 moest een klerk iets uit dat kluisje halen. Hij werkte al heel veel jaren bij ons en had altijd een sigaar in zijn mond. Wat er precies gebeurd is, weten we niet, maar toen hij het kluisje had geopend, heeft hij waarschijnlijk een nieuwe sigaar willen opsteken en daarbij is er iets mis gegaan, want er is brand ontstaan. Hij had een olielamp mee naar boven genomen, want we hadden daar nog geen elektra. Heeft hij de lamp laten vallen? Heeft hij de sigaar met de vlam van de lamp willen aansteken? We weten het niet, maar we weten wel dat het vuur razendsnel om zich heen greep en dat moet allemaal zo snel zijn gegaan dat hij ingesloten raakte en daarbij om het leven kwam. De hele zolder is uitgebrand en van de documenten in de openstaande kluis was alleen maar wat as over en dit sleuteltje, dat bij de brief was ingesloten. In de kluis zaten ook nog een heleboel gouden munten.’

De oude notaris legde een sleuteltje en de gouden munten naast het reiskoffertje op tafel.

‘Ik ben blij dat ik je nog kan vertellen wat je oudgrootvader voor je heeft bedacht. Het is een lang verhaal en het gaat laat worden. Zullen we pizza’s laten komen? Ik rammel.’

-Notaris Van Ramselaar junior schuift het koffertje met boeken naar Max en vader.-

Lastige familiegeschiedenissen

‘Want boven Vaderland staat de Mensheid.’ (Multatuli)

‘Mensen zijn belangrijker dan het land waar je geboren bent.’ (hertaling door Max)

Juffrouw Laps neemt de bestelling op. Wouter en Max delen samen een pizza. Veel honger hebben ze door alle opwinding niet.

‘De Van Ramselaars zijn een taai geslacht,’ vervolgt de honderdtweejarige nadat juffrouw Laps het kantoor weer heeft verlaten. ‘Mijn vader, Conrad van Ramselaar, is geboren in 1859 en begon in 1887, hier op deze plek, zijn notariskantoor. Hij stierf, tweeënnegentig jaar oud, in het jaar 1951. Dat was tien jaar na de geboorte van Robert, mijn zoon. Zelf ben ik van 1918 en heet ook Robert. Mijn vader, die dus Conrad heette, was voor de tweede keer getrouwd met een veel jongere vrouw en zij wilde nog kinderen. De mensen spraken schande van mijn geboorte. Mijn vader, die toen al negenenvijftig jaar oud was, had daar lak aan en deed wat hij zelf wilde. Toen ik drieëntwintig jaar was, en nog studeerde voor notaris, werd ik ook vader. Robert junior is mijn enigst kind. Na mijn studie heb ik met mijn vader Conrad samengewerkt hier op het kantoor. Hij liet het aan mij na. Robert junior werd ook notaris en we hebben hier nog samengewerkt tot 1988, het jaar van mijn pensionering.’

De ‘jongste’ notaris -Max had snel uitgerekend dat die dan negenenzeventig jaar oud moest zijn- nam het gesprek weer over.

‘Toen mijn vader, Robert senior, in 1988 met pensioen was gegaan, ging ik alleen verder. We hebben dezelfde naam, dus bleef de tekst op de deur onveranderd. Ik ben ondertussen ook al weer negen jaar gepensioneerd, maar we zijn speciaal voor deze zaak teruggekomen en hebben het pand als kantoor aangehouden omdat we jullie precies hier het verhaal en de opdracht van je oudgrootvader wilden vertellen. We wisten dat dit nog negen jaar zou duren. Dat is het waard, want het is allemaal heel bijzonder. We zijn blij dat je er bent, Max. Juffrouw Laps is mijn oud-secretaresse en is eergisteren begonnen om alles een beetje af te stoffen. Dat was nog een heel werk. Als jullie weg zijn, gaan we het kantoor te koop zetten. Maar eerst vertel ik kort iets over ons Koninklijk Huis zodat je een beetje snapt over welke periode we het hebben. Ik kan me voorstellen dat je de draad een beetje kwijt bent. De tijd die we hebben overbrugd is die tussen onze huidige koning Willem Alexander en koning Willem III. We hebben nu dus Willem Alexander, zijn moeder, dat weet je wel, was koningin Beatrix. Zij is een dochter van koningin Juliana. Wilhelmina, de moeder van Juliana, was de dochter van koning Willem III. Op de dag in 1887 dat deze Koning Willem III vijvenzeventig jaar oud werd, stierf jouw oudgrootvader in Duitsland.

Een paar weken voor zijn dood zat jouw oudgrootvader hier aan tafel met dit kistje en honderd gouden munten met daarop de beeltenis van koning Willem III én de verloren

brief. Hij voelde dat hij niet lang meer te leven had. Hij leed erg aan astma en kon dagenlang fink hoesten. Hij had er al lang last van, maar het werd erger en erger en hij is in het huis ‘Auf dem Steig’ in Nieder-Ingelheim gestorven. Hij had twee kinderen uit zijn eerste huwelijk met Tine en een aangenomen zoon met zijn tweede vrouw Mimi. Van de drie kinderen, Edu, Nonnie en Wouter zijn bij ons geen nakomelingen bekend.

Wat toen bijna niemand wist, en nu niemand meer weet, is dat Eduard Douwes Dekker nog een zoon had. Een zoon waarvan niemand mocht weten dat die was geboren. Een bastaard noemden ze dat vroeger. Als een meisje een kind kreeg voordat ze getrouwd was, was dat een schande. Jouw oudgrootvader was als jonge man stapelgek verliefd op een meisje van deftige ouders. Die ouders vonden jouw oudgrootvader niet goed genoeg voor hun Caroline. Ze mochten niet met elkaar trouwen. Caroline maakte het uit omdat haar vader dat eiste. Dat zij toen al zwanger was, wisten zij niet. Max Versteegh, jouw oudgrootvader, is geboren in 1845.

Willen jullie trouwens wat drinken?

Juffrouw Laps?’

-De eerste vrouw van Dek, Tine met de kinderen Edu en Nonnie. De tweede vrouw van Dek, Mimi met de aangenomen zoon Wouter.-

De familiegeschiedenis van Max

‘Er is maar één slechtheid, één misdaad, één zonde: gebrek aan hart.’ (Multatuli)

‘Wat verschrikkelijk erg is, een harteloos iemand.’ (hertaling door Max)

Het duizelt in de hoofden van Max junior en Max senior én in het hoofd van Wouter. Ze willen water. De twee oud-notarissen bestellen niets, maar even later komt het water en twee kopjes koffe voor de beide Roberts van Ramselaar. Er is veel informatie voorbij gekomen en er komt nog veel meer, zeiden ze. Het gaat laat worden, daarom waren er pizza’s onderweg.

‘Het hoofd koel houden en rustig blijven luisteren’, fuistert Wouter. Vader Max had ook met rode oortjes geluisterd en nadat juffrouw Laps weer weg was vroeg hij:

‘Weet mijn vrouw dit?’

Notaris junior kijkt vragend naar notaris senior, die knikt, waaruit blijkt dat hij maar verder moet vertellen.

‘Op uw vrouw en haar rol kom ik later terug. Net als op al die andere vrouwen die er weet van hebben gehad, al leeft daarvan niemand meer.

Beste Max, je oudgrootvader was dus Eduard Douwes Dekker. Toen hij veertig was, schreef hij het beste en bekendste Nederlandse boek Max Havelaar. Hij noemde zich Multatuli, dat betekent zoiets als: ik heb veel meegemaakt, veel doorleefd.’

Multatuli? Max Havelaar? Dat klonk Max bekend in de oren. Op school hadden ze de vijftig belangrijkste dingen uit de Nederlandse geschiedenis behandeld. De Canon van de Nederlandse Geschiedenis…! Ze hadden moeten lachen om het woord kanon. Het kanon van de Nederlandse geschiedenis! Maar de meester had dus uitgelegd dat een canon iets anders was dan een kanon. Een lijst van belangrijke dingen, zo had de meester het genoemd. En een van die vijftig onderwerpen was de schrijver Multatuli. Max had dat niet zo interessant gevonden en ze hadden er ook niet heel veel aandacht aan besteed, maar nu zat hij op het puntje van zijn stoel. Was hij familie van deze Multatuli? Heeft de grootste schrijver van Nederland speciaal voor hem iets nagelaten? Wat nu, hier voor hem, op tafel staat? Het meest geïnteresseerd was hij in het koffertje. De gouden munten waren ook spannend, maar wat zat er in dat koffertje? ‘Ook gouden munten’, fuistert Wouter.

‘En van de koffe’, zegt Max. Het was voor het eerst dat hij wat zei na ‘pizza Hawaï’ en ‘water’.

‘En van de koffe’, beaamt Van Ramselaar senior die zijn kopje omhoog houdt en er een finke slok van neemt. ‘Max Havelaar-koffe. Dat drinken we hier ook al vanaf 1988.’

Junior - nou ja iemand van negenenzeventig junior noemen is wat vreemd, maar alles

was vreemd - junior ging verder.

‘Let goed op Max. Eduard Douwes Dekker, schrijversnaam Multatuli, schreef over zichzelf in het boek met de verzonnen naam Max Havelaar. Hij was zelf dus hoofdfguur in het boek.’

-In groep acht vertelde de meester over de Canon van Nederland en over Max Havelaar.-

‘Dus Eduard, Multatuli en Max Havelaar zijn allemaal dezelfde persoon’, zo vatte kleine Max het samen en liet meteen merken dat hij best wel slim was en door had wat er verteld werd. ‘Ik ben naar hem vernoemd?’

‘Precies. De echte naam, de schrijversnaam en de hoofdpersoon uit het boek, allemaal dezelfde persoon, allemaal jouw oudgrootvader. Hij had, zo heette dat toen, dus een onwettig kind bij Caroline en zij heeft haar kind destijds Max genoemd. Eduard hoorde pas van het bestaan van Max toen deze al zestien jaar was. Caroline Versteegh had hem dat geschreven in een brief. Ze had het altijd geheim gehouden en vroeg aan Eduard dat ook te doen. Toch wilde ze na zestien jaar dat hij wist dat hij nog een zoon had. Dat ze al die jaren van Eduard was blijven houden en dat het haar speet dat ze niet samen hadden kunnen trouwen. Dat ze, toen ze het uitmaakte, niet wist dat ze zwanger was en dat de schande groot was geweest. Haar vader had haar zoon uiteindelijk wel geaccepteerd en er was aan die eerste Max verteld dat zijn ‘vader’ heel jong was overleden. Caroline schreef hem dat in 1858. Ze wilde per se geen contact en ook niet dat Eduard zijn zoon zou bezoeken. Hij had een zoon. En die onwettige zoon heette: Max Versteegh, toen zestien jaar oud.

-De voorkant van het eerste boek dat Multatuli schreef. Max Havelaar wordt nog steeds als het beste boek van Nederland gezien.-

Alle Max-en op een rij

‘Alsof ik geroepen was de wereld te hervormen. Dat die hoogmoed ’n fout was – o, de ondervinding heeft het me wel geleerd! Maar ik meen dat er leelyker fouten zyn.’ (Multatuli)

‘Ik probeer alles beter maken. Dat lijkt me niet overdreven of erg!’ (hertaling door Max)

De pizza’s werden bezorgd. Juffrouw Laps had ze in stukken gesneden en op borden gelegd. ‘Smakelijk’, had ze gezegd en was weer verdwenen. Daar zaten ze dan. In een prachtig chic oud notariskantoor, met de handen pizza te eten. Alles was Max vreemd.

‘Eet jij maar eerst’, zegt senior tegen zijn zoon. ‘Laat ik hem afkoelen.’

‘In 1843 is Max Versteegh, Max-één, geboren. Hij groeide op in het huis van zijn grootouders. Zijn moeder Caroline woonde ook bij haar ouders in. Het waren rijke mensen en, wat niet onbelangrijk is, ze woonden niet in Nederland, maar in een kolonie van Nederland, Nederlands-Indië. Aan de andere kant van de wereld had Nederland een groot eilandenrijk ingenomen waar het veel aan verdiende. Ook Eduard was daar als achttienjarige jongen naartoe gegaan op het schip waarvan zijn vader kapitein was. Eduard was van school gehaald. Hij kon wel goed leren en was slim, maar haalde toch slechte rapportcijfers. Eduard kwam in 1838 op Java aan, het belangrijkste eiland. Hij werd er ambtenaar en leidde er een bont leventje. De vader van Caroline vond het wat al te wild. Die Eduard was geen goede partij voor zijn dochter.

Eduard heeft nooit, maar dan ook nooit iemand verteld dat hij nog een zoon had. Niet aan zijn eerste vrouw Tine, niet aan zijn tweede vrouw Mimi, niet aan zijn eigen kinderen. Hij respecteerde de wens van Caroline en wilde het leven van haar en haar zoon Max niet verstoren. Caroline stierf in 1864. Toen Eduard hoorde van de dood van Caroline is hij nagegaan hoe het met zijn zoon ging. Het was een slimme vent geworden die prima voor zichzelf kon zorgen en een rijke opa en oma had. Eduard wist dat het hem goed ging; hij heeft hem nooit opgezocht of gezien, maar hij liet zich wel op de hoogte houden over het wel en wee van zijn onwettige zoon.

-Nederland ‘bezat’ NederlandsIndië van ongeveer van 1600 tot 1949. Max Havelaar gaat over de slechte behandeling van de inwoners. Het land heet nu Indonesië.-

Toen Eduard in 1859 het boek Max Havelaar ging schrijven noemde hij de hoofdpersoon Max, naar zijn onwettige zoon, die in 1885 ook een zoon kreeg die de naam Max kreeg. Het was gebruikelijk in die tijd om de oudste zoon naar de vader te vernoemen. Zo vreemd was dat niet. Dus Eduard had een zoon én een kleinzoon met de naam Max.’

‘Je pizza wordt koud, ik neem het hier wel van je over, vader’.

Robert van Ramselaar junior ging verder, terwijl hij zijn vingers afikte.

‘Pizza moet je met de handen eten’, zei hij.

‘Er zijn nu twee Max-en. Ik noem ze Max-een en Max-twee. Jij bent Max nummer zes. Je vader is Max-vijf en jouw opa was Max nummer Vier. Bij Max-drie is het begonnen.

Eduard is na de geboorte van Max-twee naar ons kantoor gekomen. Hij was oud en voelde dat hij niet lang meer te leven had. Hij had wat bedacht. Daarvoor kwam hij, hier op kantoor, bij mijn opa met een opdracht. Een deel van de opdracht was om te zorgen dat als Max-twee een kind zou krijgen, wij ervoor moesten zorgen dat deze ook Max zou heten, of als het een meisje was, Maxime. Daarvoor moesten wij in het geheim de vrouw van Max-twee benaderen. We mochten niet veel uitleggen, maar haar vragen hun eerste kind te vernoemen naar de vader en opa. In ruil daarvoor én voor de geheimhouding kreeg zij vijf gouden Willem III-munten. Zij gehoorzaamde of beter, ze wist het te regelen dat hun kind de naam kreeg die zij voorstelde. In 1920 werd Maxdrie geboren. En ook bij de volgende ging het goed. In 1955 kwam Max-vier, jouw opa. En u…’, de notaris keek naar de vader van Max, ‘u bent van 1980, Max-vijf. Uw vrouw hebben we in 2005 bezocht, een week na jullie huwelijk. Zij heeft woord gehouden en nu komen we aan het eind van onze opdracht, Max-zes!’ Weer worden de ogen van Robert junior waterig. Max zelf voelt ook iets van tranen opkomen. Maar waarom komen er tranen? Het is allemaal verwarrend, maar toch niet om te huilen?

Senior neemt het woord: ‘Laten we eerst de pizza’s opeten. Ze worden koud, jullie hebben nog geen hap genomen. Vertel ik daarna waarom Eduard dit honderddrieëndertig jaar geleden allemaal heeft opgezet.

Heel bijzonder, heel bijzonder.’

De opdracht

‘Goed te willen zijn en als ondergeschikte te moeten knoeien, dit valt me moeilijk.’ (Multatuli)

‘Goed willen doen is vaak moeilijk, zeker als je niet de baas bent.’ (hertaling door Max)

Ze eten zonder veel te zeggen wat van hun pizza’s. Juffrouw Laps haalt de borden met de restjes weg. Ze heeft warme, natte stoffen servetten meegebracht waarmee ze hun handen en monden afvegen. Dat geeft een fris gevoel. Max heeft er stiekem ook zijn ogen mee droog geveegd.

Tijdens het eten had niemand gesproken. Max was heel benieuwd wat hij nog allemaal zou horen en Wouter niet minder. Ze hadden elkaar een beuk willen geven, maar dat leek nu ongepast. Max’ vader had hem wel over zijn hoofd geaaid. Max vond het fjn dat zijn vader erbij was. Hij wist nu dat na zijn oudgrootvader Eduard er zes Max-en waren geboren. Hijzelf, zijn vader Max, zijn grootvader Max, zijn overgrootvader Max, zijn betovergrootvader Max, zijn oudvader Max. En Eduard was dus die oudgrootvader.

‘Jammer dat er geen Maxime tussen zit’, zegt Max om het gesprek weer op gang te brengen.

‘Die is er wel geweest’, senior kijkt Max aan. ‘Max-drie kreeg als eerste kind een meisje. Zij stierf twee maanden na haar geboorte. De moeder was tijdens de bevalling al gestorven. Max-drie hertrouwde en bij zijn tweede vrouw kwam er weer een jongen.

‘En de opdracht?’ Max wil niet onbeleefd zijn, maar hij heeft nog veel vragen en knapt zowat van de spanning. Waarom was er zoveel moeite gedaan? Wat had er allemaal wel niet mis kunnen gaan? Wat als er geen kinderen meer waren geboren, of kinderen die niet Max waren genoemd? Waren er genoeg gouden munten geweest? Wat als het hele notariskantoor was afgebrand? Wat als de post de brief van de notaris niet op tijd bij hem thuis bezorgd had? Of dat die zoek was geraakt tussen de reclamefolders? Hoe is de notaris betaald? Die zal toch ook kosten hebben gehad en negen jaar een kantoor aanhouden voor één enkele afspraak kost ook veel geld!

Max barst van de vragen, maar stelt de belangrijkste: ‘Wat wil mijn oudgrootvader dat ik doe?’ Wouter kijkt naar Max en knikt instemmend bij de gestelde vraag.

Van Ramselaar senior legt zijn hand op de reiskoffer en schuift hem langzaam naar hem toe. Dat gaat best moeizaam. Zouden er dan toch gouden munten in zitten? Junior neemt het woord.

‘Dit koffertje is de hele wereld over gereisd. Je oudgrootvader had het altijd bij zich en bewaarde daarin zijn belangrijkste notities. Hij schreef al heel vroeg hele vellen papier vol. Hij is twee keer naar de andere kant van de wereld gevaren. Hij is een keer grotendeels over land vanuit Nederlands-Indië teruggereisd naar Europa. In WestEuropa was hij dan eens in Frankrijk, dan weer in Duitsland, Nederland, België en weer naar Duitsland. Altijd ging zijn reiskoffertje mee.

-Max’ oudgrootvader had een heleboel gouden munten nagelaten. Deels voor de onkosten van de notaris en deels voor de moeders van de Max-en. Het was een ‘beloning’ voor hen als ze hun eerstgeboren zoon of dochter Max of Maxime zouden noemen.-

Vlak voor zijn dood heeft hij het leeggemaakt en uit zijn boekenkast alles wat hij geschreven had in dit koffertje gedaan. Eduard was in 1887, vooral als schrijver, heel beroemd in Nederland. Hij had veel vrienden, maar nog veel meer mensen die een vreselijke hekel aan hem hadden.’

Het grote moment is daar, het koffertje gaat open en de boeken worden voor Max op tafel gelegd. Het is een behoorlijke stapel.

‘Eduard was ervan overtuigd dat alles wat hij geschreven had, vergeten zou zijn in het jaar dat hij tweehonderd zou zijn geworden. Dat vandaag de dag niemand meer over Multatuli zou spreken en dat ze hem zouden zijn vergeten. Hij heeft het verkeerd ingeschat, nu zijn naam in de lijst van de vijftig belangrijkste Nederlandse geschiedenisonderwerpen staat.

Eduard schreef voor volwassenen en riep hen op om zaken anders en beter te regelen in de samenleving. Er ging veel fout in zijn ogen. Er was zoveel onrecht en onderdrukking. Hij schreef daarover en mensen vonden het prachtig hoe hij erover schreef, maar ze deden vervolgens niets. Geen mens kwam in actie om de wereld een betere plek voor iedereen te maken.

Toen bedacht hij dat wellicht honderddrieëndertig jaar na zijn dood, een kind, een

achter-achter-achter-achter-kleinkind van hem, wel zou kunnen waarmaken wat hem niet gelukt was.

Een betere wereld komt er niet door dat aan volwassenen te vragen. Die maken er een potje van. Kinderen moeten ervoor zorgen! Op volwassenen hoef je niet te rekenen. Die zijn ooit kind geweest, maar vergeten wat goed was toen ze nog onbevangen en speels waren.

‘Jij Max, jij gaat ervoor zorgen dat dit boek, het boek Max en Wouter en het geheim van De Havelaar wordt geschreven.’

Van Ramselaar Junior stond op en haalde nog een fuwelen zakje uit het koffertje. Hij schudde het leeg. Een heleboel gouden munten rolden eruit. ‘Voor de onkosten en je loon’, en hij knipoogde naar Max.

-De koffer met alle boeken die Multatuli heeft geschreven.-

Een boek over wat?

‘Twee knapen vielen in ’t water. ‘Door Gods goedheid’ werd een gered.

De andere verdronk... Door Gods kwaadheid?’ (Multatuli)

‘Als twee jongens die niet kunnen zwemmen in het water vallen en er vervolgens een gered wordt, is dat dan omdat god goed is? Als de ander verdrinkt, is dat dan omdat god slecht is?’ (hertaling door Max)

‘We laten jullie even alleen. Ik neem aan dat jullie op adem moeten komen.’ Van Ramselaar senior staat op en loopt met een grote glimlach samen met zijn zoon het kantoor uit. Voordat junior de deur dichttrekt, draait die zijn hoofd om. ‘Geen gouden munten pikken, Max. Hoewel… dan pik je van jezelf. Ze zijn voor jou’.

Max staat op en pakt de boeken een voor een op. Wouter telt de munten en kijkt op zijn mobiel wat ze waard zijn. De vader van Max belt met zijn vrouw. Het lijkt voor hen of de wereld stilstaat en tegelijkertijd op hol geslagen is.

‘Daar ligt zeker voor twintigduizend euro aan goud’, fuistert Wouter.

‘Ik vertel het thuis wel uitgebreid, ik snap dat je er niet veel van snapt’, zegt Max’ vader tegen zijn vrouw en hangt op.

‘Waar moet ik over schrijven?’ vraagt Max zich hardop af. Hij gaat de gang in en betrapt de notarissen die aan de deur meeluisterden. Beide heren hebben weer vochtige ogen en nu Max hen betrapt heeft, beginnen ze tegelijk en door elkaar heen te praten. Max kan eruit opmaken dat ze het geweldig vinden dat hij zich afvroeg waarover hij moet gaan schrijven. Dat hij het schrijven en de opdracht belangrijker vindt dan de gouden munten. Dat hij echt een afstammeling van Eduard Douwes Dekker is. Dat ze ontroerd zijn omdat hun eigen vader en zijzelf de opdracht hebben kunnen uitvoeren. Dat het nu aan Max is om invulling aan die opdracht te geven. De notarissen nemen weer plaats terwijl Max bijna schreeuwt: ’Waarover moet ik schrijven?’

Max voelt de hand van zijn vader op zijn schouder. Ze kijken elkaar aan. Vader glimlacht. Ook Max gaat zitten.

‘De brief is verloren gegaan. Anders zouden we je die hebben kunnen geven en waren wij nu klaar.’

Junior kijkt naar senior, die vervolgt: ‘Ik ken de brief goed. Hij was heel lang. Eduard schreef jou over zijn teleurstellingen. Dat hij geprobeerd had met zijn boeken en ideeën de wereld te veranderen. Daarginds in Nederlands-Indië dat nu Indonesië heet, maar ook hier in Amsterdam, in Nederland, en eigenlijk over heel de wereld. Dat mensen zijn boeken zo mooi vonden, maar dat hij daar lak aan had, hij kon er zelfs heel boos om worden. Mensen moesten wat doen aan het onrecht dat de bewoners van NederlandsIndië werd aangedaan. Ook voor de vrouwen kwam hij op: de helft van de mensen werd in zijn ogen niet voor ‘vol’ aangezien. Vrouwen werden door de mannen vaak als vee behandeld, zelfs minder dan vee! De arbeiders hadden het erg slecht. Dat moest

veranderen in zijn ogen, en snel ook. Daar schreef hij over. En dat mensen moesten stoppen met het geloven in de stomme praatjes, de complete onzin die de dominees en pastoors elke zondag in hun kerken vanaf de preekstoelen uitkraamden. Dat hield de mensen dom, angstig en afhankelijk. Zèlf nadenken. Het goede proberen te doen. Dat dat erg moeilijk was, maar dat iedereen dat zou moeten proberen. Dat proberen goed te doen het enige was wat een mens moest doen om een goed mens te zijn. Dat kinderen fatsoenlijk behandeld moesten worden en serieus moesten worden genomen. Dat je daar geen makke, sullige schapen van moest maken, maar dat je ze moest leren nadenken. Dat je ze moest helpen om zich te ontwikkelen tot goede mensen. Niet zo zeuren over deugdzaam zijn, braaf en keurig en netjes en oppassend. Eduard kon zich zo opwinden om wat hij om zich heen zag; de mannen met geld, de religieuzen met macht, de onderwijzers met hun slechte onderwijs, de regering met ministers die suffer dan suf waren en daarbij ook nog eens onbekwaam. De koning, Willem III: een hansworst. Nee, als Eduard koning zou zijn, dan zou hij laten zien hoe het moest. Hij zou het goede doen. Mensen de ruimte geven zich vrij te ontwikkelen tot goede mensen. Dat het nooit perfect zou worden, maar dat hij zou proberen het zo goed mogelijk te doen. Los van geloof en politieke partijen. Samen met elkaar, goed zijn voor elkaar en jezelf. Genieten van het leven en niet bang gemaakt worden met een hel als straf of een hemel als beloning na je dood. Er is niets na de dood, zei Eduard. Je moet er hier op aarde, tijdens je leven, iets van maken en ervan genieten.

Je begrijpt dat Eduard hiermee toen heel, heel veel mensen tegen de schenen schopte en een hoop vijanden maakte die hem een oproerkraaier noemden en een verderver van de jeugd. Je moet weten dat bijna iedereen streng gelovig was in die dagen en dan schrijft Eduard dat er geen god is. De mensen met macht en geld waren bang voor opstand in Indië of in Amsterdam.

Waar iedereen het wel over eens was, ook zijn allerergste vijanden, was dat hij het allemaal zo heel mooi opschreef. Dat niemand voor hem dat ooit zo goed had gekund. Zo mooi en voor iedereen toegankelijk. Zijn zinnen lopen perfect. Geen woord staat verkeerd. Het is dartel en de woorden lijken te dansen.’ Senior zweeg.

‘Logisch dat ze je oudgrootvader in de canon hebben opgenomen’, fuisterde Wouter.

‘En aan jou Max, aan jou vraagt Eduard of jij een boek wil schrijven voor de kinderen van nu. Een boek waarin je hen oproept goed te blijven doen. Volgens Eduard wil ieder kind goed doen en goed zijn voor de ander. Maar als kinderen ouder worden, zo lijkt het, vergeten ze dat weer. Eduard hoopt dat jij de kinderen gaat waarschuwen, om het anders te doen. Dat ze dat later als volwassenen niet vergeten en ernaar handelen. Daarom dit boek!’

-Multatuli schreef vaak over, maar vooral tegen, de mensen die het allemaal beter wisten dan de gewone mensen. Voor de mannen op de preekstoelen in de kerken had hij helemaal geen goed woord over. leugens die daar verteld werden. Leugens om de mensen dom te houden.-

Tegenwerking

‘Het zy zo! Wat ik gedaan heb, heren? Wel, ik deed wat in den Havelaar geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt gy? Wat ik gedaan heb, nog eens? Ik ving, geheel alleen staande, in dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd aan tegen lieden van uw soort, d.i. tegen het Onrecht.

Gaat heen en doet desgelyks!’ (Multatuli)

‘Ik, Multatuli, deed zoals ik het boek Max Havelaar verteld heb. Ik stond op tegen onrecht met gevaar voor eigen leven en verloor mijn werk daardoor. Dat zouden jullie ook moeten doen.’ (hertaling door Max)

Terwijl Max bekomt van wat hij gehoord heeft en de notarissen nog een slok koffe nemen vliegt er uit het niets ineens een steen door een raam van het kantoor. De baksteen belandt op het bureau, bovenop het oude toetsenbord. Als door de bliksem getroffen lopen ze naar het raam. Daar staat hij. De boze jongen die Max meende te herkennen van de gangen in school. Een wat vreemde jongen die een paar klassen hoger zit.

‘Mijn oudgrootvader ga jij niet belachelijk maken, Max Versteegh. Je moet niet denken dat ik niet weet wat zich daar bij jullie afspeelt. Ik weet je te vinden. Jij met je achterlijke familie. Onruststokers, oproerkraaiers. De volgende steen krijg je tegen je hoofd, zowaar ik Bart Droogstoppel heet!’ Hij rent weg. Max weet niet wat hem overkomt. Hij voelde zoveel haat in de woorden van die Bart Droogstoppel.

Juffrouw Laps komt binnen met stoffer en blik. Senior neemt de steen van het bureau en ze gaan weer aan tafel zitten. Op de steen staat duidelijk te lezen: KLOOTZAKKEN.

Van Ramselaar junior zucht, ‘Hij laat het er niet bij zitten. Bart Droogstoppel is als achter-achter-achter-achterkleinkind van Batavus Droogstoppel al net zo laf als zijn oudgrootvader. Eduard schreef in Max Havelaar over hem: Batavus Droogstoppel. De man was alles waar Eduard een hekel aan had en is de oudgrootvader van deze Bart. Die Batavus heeft zijn leven lang een enorme haat tegen Eduard gehad.

Als Eduard succes had, dan wilde hij wraak. Ging het Eduard slecht, en dat was vaak zo, dan was hij in zijn nopjes.

Droogstoppel was ook bang voor Eduard. Jouw oudgrootvader was veel beter met woorden, maar ook veel sterker en hij ging voor niemand opzij. Hij duelleerde met mannen waarvan hij vond dat die terechtgewezen moesten worden. Hij was goed met de sabel en sloeg er soms ook met zijn vuisten op los. Droogstoppel was een lafbek. Lees maar het tweede hoofdstuk in Max Havelaar. Het verhaal van de Griek.’

‘Dat komt later wel’, onderbrak senior zijn zoon. ‘We zijn onze Max een verklaring schuldig. Toen honderddrieëndertig jaar geleden Eduard Douwes Dekker hier was geweest, stond een dag later die Droogstoppel hier op de stoep.

-Bart Droogstoppel had raak gegooid.-

Hij maakte een hoop kabaal en sprak schande over het notariskantoor van mijn vader. Hij was volledig op de hoogte van Eduards plannen. Eduard had hem namelijk eerst gevraagd of Droogstoppel zijn boeken wilde bewaren en dan, via zijn achterkleinkinderen, ervoor zorgen dat de boeken met de opdracht in 2020 bij een nakomeling van Eduard terecht zouden komen. Dat Eduard ooit gedacht heeft dat Droogstoppel dat zou doen, begrijp ik nog steeds niet. Eduard kon ongelofelijk naïef zijn. Hij zal gedacht hebben dat Droogstoppel een dergelijk verzoek, om het goede te doen, zou oppikken. Dat iedereen diep vanbinnen toch uiteindelijk het goede wil doen. Niets van dat al. Droogstoppel vond het idee op zich belachelijk en, nog veel erger, hij hoopte dat de boeken van Eduard vergeten zouden worden. Met het vergeten van de boeken zouden ook Multatuli’s idiote ideeën verdwijnen en uiteindelijk zou niemand meer aan die hele Multatuli, Havelaar of Dekker nog enige aandacht besteden.

Batavus Droogstoppel moet destijds Eduard gevolgd zijn naar ons kantoor. Eduard moet hem verteld hebben dat wij de tweede keus waren als hij het zelf niet wilde doen. Dat jouw overgrootvader bij een afwijzing ons kantoor de opdracht zou geven. Mijn vader Conrad vertelde mij later dat Droogstoppel alsnog de opdracht wilde uitvoeren. Hij had er een nachtje over geslapen en kwam op zijn eerdere beslissing terug. Mijn vader vroeg even door en het werd hem al snel duidelijk dat Droogstoppel had bedacht de opdracht beter wel te kunnen aanvaarden. Na de dood van Eduard zou hij dan de boeken verbranden en de gouden muntstukken in zijn zak steken. Dat hij een belofte zou verbreken, maakte hem niet uit. God en Nederland zouden hem eeuwig dankbaar zijn, zo dacht hij. Dan hadden we er nooit meer iets van gehoord en niet hier gezeten.’

‘Mijn opa Conrad’, zei junior, ‘werkte Droogstoppel de deur uit. Die riep op straat dat hij er wel voor zou zorgen dat het in 2020 heel anders zou lopen dan wat die nietsnut en onverlaat van een Multatuli had bedacht. We kwamen er vanmorgen achter dat hij

daarin woord heeft gehouden. Die Bart kwam hier vanochtend en maakte een boel stampij. We hebben één geluk. Hij is net zo dom en laf als Batavus. Veel kan hij niet uitrichten. Jullie zagen hem, vanuit de wachtkamer, vanochtend boos weglopen denk ik’. Vader en Max knikten.

Ze kregen een hand van de twee notarissen die hen, met name Max, veel succes wensten met het schrijven van dit boek.

Ze gaven ook een tip. Max kreeg een briefje met een naam, adres en telefoonnummer. ‘Die man kan je helpen.’ zeiden de twee oude notarissen tegelijkertijd.

Toen ze buiten stonden keken ze nog een keer achterom. Er werd een groot bord met TE KOOP voor het raam gezet. Het was groot genoeg om het gat in het raam mee af te sluiten.

Max liep verder en vouwde het briefje open. Die naam kende hij wel: Jan Terlouw.

-Ze waren de deur nog niet uit of het bord TE KOOP werd over het gat in het raam geplaatst.-

Beste lezer.

Als je nu al wat meer wilt weten over die Bart, dan kun je het zwerfhoofdstuk op pagina 41 lezen, Je kunt ook wachten tot het aan de beurt is of je leest het pas na afoop. Ligt een beetje aan je smaak en instelling. Ben je je nieuwsgierigheid de baas, dan lees je nu gewoon verder. Je kunt het zwerfhoofdstuk dus lezen wanneer je wilt.

De Torensluis

‘Ik heb gedaan wat ik kon.’ (Multatuli)

‘Ik deed mijn uiterste best.’ (hertaling door Max)

Max had het briefje met daarop de naam van Jan Terlouw diep in zijn jaszak gestopt. Om de paar stappen voelde hij of het er nog zat. Geheel in gedachten liep hij naar huis. Hoe vaak was hij niet langs het notariskantoor gelopen, dat net om de hoek lag? Nooit eerder was het hem opgevallen. Nooit had hij gedacht dat hij er ooit naar binnen zou gaan en dat er dan een opdracht van zijn oudgrootvader voor hem klaar zou liggen. Honderddrieëndertig jaar geleden voor hem achtergelaten.

Vader liep wat achter hem met de reiskoffer. Wouter was zeker al naar huis gegaan. Max had genoeg aan zijn hoofd en hij wist dat zijn vriend later wel weer zou opduiken. Ze liepen langzaam. Het voelde een beetje als zweven. Iedereen ging hem voorbij zonder te weten wat er net allemaal was voorgevallen. Niemand wist van zijn opdracht. Niemand wist dat Nederlands grootste schrijver hem, de jonge Max Versteegh, had uitverkoren een opdracht uit te voeren. Hoe luidde die precies? Gelukkig dat vader was meegegaan. Die zou het nog wel weten.

-Max en zijn vader hebben het verhaal van de notarissen gehoord. Ze zijn vereerd, verbaasd, trots en ook wel een beetje huiverig voor wat hen te wachten staat. Terwijl ze moeder bellen maakt vader een selfe.-

‘Sla hier maar linksaf.’ Max stopte en keek naar zijn vader, die richting de Torensluis knikte. Dat was niet de weg naar huis. Dat was juist rechtsaf. Met ferme pas liep vader hem voorbij en zette de reiskoffer neer. Max ging naast hem staan. Hij voelde vaders hand op zijn schouder. Vader knikte nogmaals. MULTATULI stond er op het voetstuk van het beeld dat hij al zo vaak gezien had. Waar hij al zo vaak aan voorbij was gegaan zonder er ook maar even aandacht aan te schenken. MULTATULI! Max begon enorm te huilen. Vader drukte hem strak tegen zich aan: ‘Jouw oudgrootvader. Mijn oudvader. De vader van mijn opa’s opa.’

-Vaak was Max al langs dit beeld gelopen. Nu pas wist hij dat dit het hoofd was van de vader van zijn opa’s opa. Max’ oudgrootvader!-

Ze stonden nog zeker een paar minuten sprakeloos voor het beeld dat in 1987, honderd jaar na de dood van Eduard Douwes Dekker, door koningin Beatrix was onthuld. Zo snel als de tranen bij Max waren verschenen, zo rap waren ze weer weg. Hij keek naar het beeld en het leek of Max groeide. Hij glom van trots. Max voelde het bloed door zijn lichaam stromen. Bloed dat een paar graden warmer werd dan normaal. Het leek of hij zou kunnen vliegen, dat hij alles en iedereen aankon. Wat een prachtig beeld was het ineens. Het hoofd van zijn oudgrootvader, machtig en stoer, tegen de wind in gekeerd. Max zag dat de kunstenaar de ogen van het beeld iets van een teleurgestelde blik had gegeven. Ze keken een beetje naar beneden. Was het hoofd juist zo krachtig, de ogen keken, zo leek het wel, gedoofd.

‘Gaat niet gebeuren, klootzakken!’ schreeuwde iemand aan de overkant van de gracht. Max herkende meteen de stem van Bart Droogstoppel, die zich uit de voeten maakte. Hij liep hard weg, dat zag er koddig uit. Soms heb je mensen die net zo mooi kunnen hardlopen als marathonlopers, die soepel en haast huppelend, heel hard kunnen rennen. Bart Droogstoppel leek meer op een manke neushoorn met likdoorns. Hij struikelde bijna bij het oversteken en liep zowat tegen een fetser op. Hij draaide zich nog een keer om en hief zijn gebalde vuist in de lucht. Hij riep nog wat, maar dat was niet te verstaan.

‘Laat die maar lopen. We gaan naar huis.’ Vader pakte Max’ hand, maar liet die al snel los want de reiskoffer met boeken was te zwaar om met een hand te dragen.

Moeder wilde alles weten en kon nu ook haar deel van het verhaal vertellen. Ze herkende uit de beschrijving notaris Ramselaar junior, de man die haar veertien jaar geleden had aangesproken. Ze was meegegaan naar het kantoor dat toen ook al een beetje muf rook. Ze had te horen gekregen dat ze haar oudste kind Max of Maxime moest noemen. Nou ja, moest. Het werd dringend doch vriendelijk gevraagd.

Ook had hij gezegd dat op 2 maart 2020 alles duidelijk zou worden. De drie gouden munten lagen al die jaren onaangeroerd in een stoffen zakje verstopt tussen het beddengoed.

Met z’n drieën namen ze alles nog eens rustig door. Tegen tien uur ging Max naar zijn kamer. ‘Morgen gaan we er rustig over verder praten’, had vader gezegd.

Max ging op zijn bed zitten. ‘Hoe gaan we dit aanpakken, Wouter?’ Hij gaf zijn vriend een beuk en viel als een blok in slaap.

-Bart Droogstoppel staat te schreeuwen aan de overkant van de gracht. Max en zijn vader weten niet wat die jongen bezielt.-

Jan Terlouw wil helpen

‘Ik geef wenken, geen regels.’ (Multatuli)

‘Ik zeg niet wat je moet doen. Ik geef advies.’ (hertaling door Max)

‘Max, het is tien uur, heb je goed geslapen?’ Vader en moeder waren niet naar hun werk gegaan en ze hadden Max ook niet wakker gemaakt voor school. Hij had de klok rond geslapen, als een roos! Max zat in de brugklas en haalde goede cijfers. Hij was een slimme jongen en kon best een dagje missen. Na het ontbijt pakte vader zijn iPad en las de vragen hardop voor die hij had genoteerd.

Hoe zouden ze het aanpakken? Wilde Max de opdracht van oudgrootvader Eduard wel aanvaarden? Het was geen plicht, maar een verzoek, toch? Hoe gaan we Jan Terlouw benaderen? Wie zou hen nog meer kunnen helpen? Houden we het geheim of vertellen we het direct aan vrienden en bekenden? Wat wilde die Bart Droogstoppel? Of beter, wat wilde die Bart níet en waarom deed hij zo vervelend? Wat te doen met de gouden munten? Max moet een kinderboek schrijven, maar waar moet dat boek over gaan? We moeten zoveel mogelijk over Eduard te weten komen. Er is heel veel over hem geschreven, hele boekenkasten vol. Hoe gaan we dat allemaal doen? Laten we ons leven op de kop zetten?

Max werd vaak betrokken bij de beslissingen die genomen werden in het gezin Versteegh. Waar ze naar toe gingen op vakantie, of toen er beslist moest worden of ze zouden verhuizen vanwege mama’s werk en ze gedrieën besloten dat toch niet te doen. Dit soort zaken werd meestal aan tafel besproken. Max hoorde van andere kinderen wel eens andere verhalen. Dat ze maar te luisteren en te doen hadden wat hun ouders wilden. Bij Max thuis was dat niet zo, het ging altijd in goed overleg.

-Max overlegt met moeder aan de keukentafel.-

De vragen van vader werden snel beantwoord. Natuurlijk wilden ze de opdracht aanvaarden. Vader zou Jan Terlouw bellen, maar verder zouden ze het nog aan niemand vertellen. Max’ ouders zouden een week vrij nemen en zoveel mogelijk informatie verzamelen over ‘Dek’.

Zo gingen ze Eduard Douwes Dekker noemen! Vader had op internet gelezen dat hij door

zijn vrienden ook zo genoemd werd. Dek! Eduard Douwes Dekker of Max Havelaar was zo lang. Multatuli klonk wat vreemd. Max Havelaar was ook niet echt handig. Oudgrootvader klonk ook niet, maar Dek, dat was perfect. Vader zou een heleboel boeken over Dek aanschaffen, ook digitaal, dan kon je makkelijk dingen opzoeken. De gouden munten zouden ze bij de bank in een gehuurd kluisje opbergen.

Toen vader even naar het toilet ging, zei Max: ‘Wouter mag het toch allemaal wel weten, mama? Hij was gisteren ook bij de notaris’.

‘Natuurlijk mag die het weten.’ Moeder was de enige die op de hoogte was van de vriendschap met Wouter. Dat hij een speciale vriend was voor Max. Ze had gezegd dat veel kinderen een vriend als Wouter hadden. Zeker kinderen die geen broers of zusjes hadden. Ze had hem toen een kus gegeven op een van zijn twee kruinen. Max was gisteravond haar helemaal vergeten te vertellen dat de notaris en de secretaresse aan zijn haar hadden zitten friemelen.

‘Pak jullie jassen, we gaan nu naar Twello. Jan Terlouw wil dat we direct komen. Ik heb hem gebeld. Hij zegt zijn afspraken af en we zijn welkom op zijn landgoed.’ Even later zaten ze in de auto. Wouter zat naast Max en hij had zijn iPad ook bij zich. Ze tikten de naam Jan Terlouw in en waren tot in Twello aan het lezen over deze wel heel bijzondere Nederlander. Natuurlijk wisten Wouter en Max dat hij een groot schrijver was. Koning van Katoren en Oorlogswinter hadden ze allebei gelezen en de flms daarvan op dvd gezien. Behalve Koning van Katoren en Oorlogswinter had hij nog achtendertig boeken geschreven. Maar er was nog veel meer, hij was minister geweest, commissaris van de Koningin in Gelderland, jarenlang partijleider van D66, vicepremier van Nederland. Hij was ook nog een geleerde, iets met natuurkunde en kernplasma. Het mooiste vonden ze een opname van Terlouw. Toen hij tachtig jaar werd kreeg hij zeven minuten zendtijd op tv. Hij sprak de mensen in Nederland toe op een manier die zelfs Max en Wouter snapten. En nu waren ze onderweg naar hem. Een heel aardige man, dat kon niet anders. Ze rekenden even snel uit hoe oud hij nu dan was: achtentachtig!

‘Veertien jaar jonger dan de oudste notaris’, zei Wouter die van opwinding Max een beuk gaf.

-Op tv kijken ze de toespraak over ‘het touwtje uit de brievenbus’ van Jan Terlouw terug. Terlouw is een grote fan van Multatuli en zijn gedachtegoed.-

Nog een stapel boeken mee naar huis

‘Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandisie verzocht van wat martelary!’ ’ (Multatuli)

‘Och, hij was er graag op uit gegaan om op kruispunten met veel getoeter en kabaal te laten horen dat er een ridder was die, ook al werd hij er zelf slechter van, graag goede dingen voor je wilde doen.’ (hertaling door Max)

‘Wat fjn dat we direct mochten komen’, met die woorden valt Max’ vader met de deur in huis terwijl Terlouw hen binnenlaat. Ze lopen door de lange gang naar het achterste gedeelte van de woning. In de woonkamer staan veel muziekinstrumenten. ‘Die zullen wel niet voor de sier zijn, muzikale familie!’, fuistert Wouter.

Terlouw vraagt of ze thee willen? Nou, dat willen ze wel, na die lange rit vanuit Amsterdam helemaal naar Twello. Terlouw wijst naar de dampende pot op tafel. Ook de kopjes staan al klaar. ‘Ik kleed me even om, kom net terug van de koeien voeren’. Nu pas ziet Max dat Terlouw boerenwerkkleding aan heeft.

Even later, keurig in het pak gestoken, staat de beroemde schrijver voor Max en zegt: ‘Ik wil graag horen wat er gisteren is gebeurd. Je vader heeft al wel het een en ander verteld aan de telefoon. Ik ken de notarissen Van Ramselaar goed. Senior heb ik ook wel vaak ontmoet, maar junior is een leeftijdgenoot van mij en een heel goede vriend. Ze hebben mij nooit verteld over deze bijzondere opdracht. Ik snapte ook niet dat ze hun kantoor aanhielden. Ik heb ze vaak gezegd dat ze het pand beter konden verkopen. Dat het waanzin was dat het maar leeg stond. Junior zei dan altijd dat zijn vader er nog geen afstand van kon doen. Senior moet al over de honderd zijn! Ik dacht dat de oude

Van Ramselaar er nog te veel aan gehecht was, niet dat het open moest blijven voor de belangrijkste dag in jouw leven, Max. Dus vertel me alles wat er gisteren is gebeurd en denk niet dat ik een oude man ben. Dat ben ik wel, mijn lichaam is bijna negentig, maar in mijn hoofd ben ik net zo oud als jij, Max.’

Max vertelt in geuren en kleuren wat er allemaal is gebeurd. Van de brief, de boze jongen, de twee notarissen, de pizza’s, juffrouw Laps, de reiskoffer, de gouden munten, de opdracht, de boeken, de brand waardoor de brief verloren ging, de steen door het raam. Als vader iets wil aanvullen, dan steekt Terlouw zijn hand op en knikt naar Max, hij moet het vertellen.

De ouders van Max zijn trots op hem. Ook al is hij nog jong, hij vertelt alles heel precies. Terlouw is een en al oor en hij knikt doorlopend bemoedigend naar Max, die zich prima thuis voelt. Over Wouter zegt Max niets, dat hoeft ook niet.

‘En toen heeft papa u gebeld en nu zijn we hier.’ Max kijkt naar Wouter die twee duimen omhoog steekt en dan weer naar Terlouw.’

‘Robert van Ramselaar heeft er goed aan gedaan jou mijn naam te geven. Ik ben een grote fan van Dek, zal ik ook maar Dek zeggen? Ik vind Dek de beste schrijver van Nederland en de man verkondigde honderdzestig jaar geleden al ideeën waar ik achter sta. Ik heb veel van zijn boeken gelezen en ook veel boeken óver hem. Wat nog belangrijker is, ik ken een paar mensen die nog veel meer van hem weten.’

Terlouw loopt naar zijn boekenkast en haalt bijna een heel schap leeg. Hij legt de boeken stuk voor stuk op de tafel.

-Jan Terlouw geeft alle boeken die hij van Multatuli in de kast heeft staan mee aan Max.-

‘Deze vijfentwintig delen vormen de Volledige Werken van Multatuli. De eerste zeven delen hebben een iets andere kaft. Daarin vind je alles wat Dek, jouw oudgrootvader, heeft geschreven dat in een boek of brochure te koop is geweest bij een boekhandel. De andere achttien delen zijn brieven van en aan hem. Verder ook allerlei documenten die van belang zijn geweest in het leven van Dek.

Wouter bladert door deel één en fuistert dat het heel veel, heel dunne bladzijden zijn.

‘Er is jaren aan gewerkt om dat allemaal te verzamelen. En deze dikke pil is de biografe van Dik van der Meulen. Die heeft in 2003 het hele leven van Eduard Douwes Dekker beschreven. Dit moet je ook hebben… Schitterend. En dit is… en dit….”

Terlouw haalt zijn kast leeg en praat door: ‘Jouw oudgrootvader is ook voor mij een heel belangrijk man. En ook voor Nederland. Ik help je dus graag je opdracht tot een goed einde te brengen. Om te beginnen krijg je al deze boeken mee. Die kun je nooit allemaal lezen, maar ik ga drie mensen benaderen die jou gaan bellen en je zullen helpen. Dik van der Meulen zal ik vragen of hij jou over het leven van Dek wil vertellen. De Vlaming Philip Vermoortel zou daarop aansluitend over de boeken kunnen vertellen.

Iemand van de jongerenstichting HOPE XXL kan je wel helpen als het erom gaat hoe het gedachtegoed van Multatuli in de praktijk te brengen. Het zijn allemaal Multatulianen, mensen die, net als ik, veel waarde hechten aan het werk van je oudgrootvader en deze mensen kun je vertrouwen.

En die Bart Droogstoppel, ga die maar uit de weg. Daar heb je niets aan en wees niet bang voor hem. Hij lijkt me een lafaard!’ Max knikte, maar voelde wel dat die Bart nog voor gedoe zou gaan zorgen waar Max helemaal niet op zat te wachten.

-Terlouw luistert aandachtig naar wat Max allemaal te vertellen heeft over zijn bezoek aan de notarissen en de opdracht die hij van zijn oudgrootvader had gekregen.

Daarna kijken ze samen in de Max Havelaar.-

De eerste kennismaking met het werk van Dek

‘Later, later!’ dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolse en huiselyke banden. Dan zoud-i ’n werelddeel gelukkig maken.

En nog een. En nóg een...

Helaas, er stonden er maar vyf in ’t boekje van z’n geografe!

Vyf werelddelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.

Wat dán? Wat daarna? (Multatuli)

‘Later, later dacht hij, als hij niet meer naar school hoefde en niet meer naar zijn ouders moest luisteren dan zou hij een heel werelddeel gelukkig maken, en nog een, en nog een. Helaas, er stonden maar vijf werelddelen in zijn aardrijkskundeboek. Maar vijf! Dat was niet veel! Wat moest hij daarna dan doen als hij iedereen gelukkig had gemaakt?’ (hertaling door Max)

Toen ze weer in de auto stapten, gaf Terlouw nog snel een boek mee, in karton verpakt.

‘Dit is net verschenen. Het lag nog op mijn stapeltje te openen post.’ Lees dat terwijl je naar huis rijdt. Ik krijg vaak gratis boeken toegestuurd. Dat is een voordeel als je bekend bent én oud. Ik weet wat het is, de schrijver heeft me erover gebeld. Het lijkt me goed om hier mee te beginnen.

Max Versteegh, er is werk aan de winkel. Over een maand wil ik jullie graag weer uitnodigen, dan bespreken we het boek dat je gaat schrijven. Nu eerst studeren, Max! Probeer zoveel mogelijk te weten te komen van Dek. Je had een geweldige oudgrootvader, maar ik ben ook zeer zeker erg onder de indruk van jou.’

Twee volle dozen met boeken hadden ze van Terlouw meegekregen. ‘Als je alles gelezen en bestudeerd hebt, dan geef je ze maar terug’, had Terlouw lachend gezegd. ‘Als ik dat nog wil meemaken moet je wel heel snel lezen, jongen. Ik heb er ook jaren over gedaan en de eerlijkheid gebiedt me te zeggen: ik heb echt niet alles gelezen. Succes!’

Nog voor ze het landgoed van Terlouw hebben verlaten heeft Max het postpakket geopend. Er zit een soort stripboek in, maar dan heel mooi uitgegeven. Op de stevige, dikke kaft staat een tekening van Dek. Niet precies zijn oudgrootvader, maar zo ongeveer. In grote letters staat erboven Max Havelaar. Ook de namen van de tekenaar en schrijver staan op de voorkant: Eric Heuvel en Jos van Waterschoot.

Al bladerend ziet Max op de eerste tweeëntachtig pagina’s het verhaal van Max Havelaar in stripvorm. Gevolgd door twintig pagina’s met de titel: Het dossier over

Max Havelaar. Daarin wordt verteld over Dek, zijn werk en het hele gebeuren omtrent De Havelaar. Max begint te lezen en over zijn schouder leest Wouter mee.

Terug in Amsterdam heeft hij het stripgedeelte al helemaal gelezen. Het dossier Havelaar voor de helft. ‘Ik lees de rest nog even op mijn kamer’, zegt Max die van de fruitschaal drie bananen grist en de trap oprent. Halverwege kijkt hij onder zijn linkerschoen. Hij ruikt duidelijk poep. De schoen is schoon. De andere schoen? Is ook schoon! Hij kijkt op de traptreden of daar soms poep op zit. Nee schoon! Toch weet hij zeker dat het hondenpoep is wat hij ruikt. Ook al hebben ze bij Versteegh geen hond, hij weet hoe hondenpoep ruikt. Iedereen heeft wel eens in hondenpoep getrapt en iedereen weet hoe dat ruikt.

Het zit ook niet aan zijn kleren. Het lijkt wel van boven te komen en de geur wordt alsmaar scherper. Hij neemt de laatste treden, komt boven en doet zijn slaapkamerdeur open. De walm slaat hem om de oren en in zijn neus. Boven zijn bed is het woord KLOOTZAK ‘geverfd’. Geverfd is niet het goede woord. Het is erop gekalkt, gesmeerd, tegenaan gewreven. Max ziet dat het geen verf is. De letters bestaan uit hondenpoep. Het lijkt wel of het met de hand is aangebracht. Hondenkak als een soort vingerverf. Ook op zijn kussen en zelfs onder de dekens zit hondenpoep. Zijn pantoffels die achter het bed stonden zitten vol poep. Dan valt Max’ oog op de stapel boeken van Dek. De boeken die zijn oudgrootvader heeft nagelaten liggen keurig in drie stapeltjes onder het bureau van Max. Max is woedend, maar het lijkt of er aan de boeken niets mankeert, dat stemt hem weer wat gerust. Van een afstandje bekijkt hij ze. Ze liggen erbij zoals hij ze heeft achtergelaten. Toch is hij er niet gerust op en komt langzaam dichterbij. Ziet hij dat goed? Hij pakt De Havelaar en tot zijn grote schrik voelt en ziet hij dat het boek nat is. Er druppelt vocht uit. Ook deze geur herkent Max.

Bart Droogstoppel heeft over de boeken heen staan plassen!

-Max heeft direct door wie zijn kamer heeft besmeurd. Waarom Bart Droogstoppel dat doet is hem een raadsel.-

Beste lezer,

Wellicht heb je na hoofdstuk tien direct doorgebladerd naar dit gedeelte.

Als schrijver wil ik je adviseren om het nu komende zwerfhoofdstuk over te slaan en pas helemaal op het eind te lezen. Ik kan me echter voorstellen dat je denkt: ‘Wat is dat nou met die rare Bart en zijn vreemd smerig gedrag?’ Lees het dan nu maar. Kun je je bedwingen, sla het dan over en kom later hier terug.

Hoe zit het nou met die Bart?

Net zoals Max in een rechte lijn van Eduard Douwes Dekker afstamt, is er ook een directe lijn van Batavus Droogstoppel, uit het boek Max Havelaar, naar Bart Droogstoppel. Ik sla de andere voorvaderen van Bart over en vertel alleen over die Batavus en de vader van Bart, die voluit Gerardus Isaak Evert Rudolfus Droogstoppel heet. Hij liet zich vroeger, als kind en student, met de voornaam Geert aanspreken, maar iedereen noemt hem nu meneer Droogstoppel. Er zullen niet veel mensen zijn die hem nog van zijn schooltijd kennen en echt vrienden heeft het echtpaar Droogstoppel niet. Alleen wat familieleden die zelden op bezoek komen, eigenlijk nooit. Die zien ze enkel bij begrafenissen. Dan zit Bart, na afoop, vaak met zijn vader en moeder alleen aan een tafeltje. Af en toe knikt er iemand naar hen. Bart kent niemand en vraagt ook nooit aan vader wie het zijn.

Bart werd in 2003 geboren te Amsterdam en is tijdens dit verhaal dus zeventien jaar oud. Zijn vader en moeder woonden toen, net als de vele generaties Droogstoppel voor hen, aan de Laurus Nobilissingel 73 te Amsterdam. Een mooi woonhuis met een klein kantoor dat Batavus Droogstoppel in 1850 had gekocht van de winsten die hij maakte op de handel in koffe uit Nederlands-Indië.

Wat zijn vader precies voor werk deed wist Bart niet. Het had te maken met ‘aandelen op de beurs’. Dat vader er goed in was wist hij wel. Hij had ooit een bankafschrift gezien op zijn vaders naam. Het bedrag had Bart doen duizelen. Hij snapte niet waar al dat geld vandaan kwam. Wel dat er weinig vanaf ging omdat zijn vader erg zuinig was. Er mocht zelden iets worden gekocht en ze aten karig. ‘s Zondags in de kerk deed zijn vader altijd net alsof hij wat in de collectezakje stopte, maar Bart wist wel beter.

Dat zijn vader een vrouw had weten te strikken vonden zijn studiegenoten destijds wonderlijk. ‘Er is geen vrouw te vinden die op Geert valt’, werd er gezegd. Bart vond zijn moeder lief. Ze aaide Bart soms en vond het niet erg dat hij te dik was. Vader, daarentegen, liet geen moment voorbijgaan om te laten merken dat hij liever geen zoon had gehad. Of beter, wel een zoon, maar dan een betere. Bart ontliep zijn vader zo veel mogelijk. Op school ging alleen moeder naar de ouderavonden. Er was altijd gezeur op school. Van kleins af aan was Bart het mikpunt voor anderen. Hij wist ook niet waarom. Thuis bij moeder had Bart het fjn. Zolang vader op zijn kantoortje zat was er niets aan de hand. Was hij klaar met werk dan moest de tv uit, gingen de jaloezieën voor de ramen bijna geheel dicht en mochten de lampen pas aan als je bijna niets meer zag. Moeder schonk vader dan een borrel in. Dat was altijd om acht uur. De tv werd aangezet voor het journaal. De borrel moest er staan voor de nieuwslezer ‘goedenavond’ had gezegd. Was moeder te laat dan plofte hij en kon hij verschrikkelijk te keer gaan. ‘Geert met de losse handjes’ was zijn bijnaam in zijn studententijd. Bart vluchtte dan naar zijn kamer.

Tijdens het journaal gaf vader altijd hardop commentaar. Er deugde niets aan alles wat er op het journaal voorbijkwam. Ook de nieuwslezers kregen ervan langs. Die waren onverstaanbaar volgens hem. Had degene die het nieuws voorlas een kleurtje dan ging de tv uit en moest de radio aangezet worden. Moeder deed dat allemaal heel snel en ging dan naar de keuken. Afwassen of zo.

Het was vader geweest die Bart op 1 maart 2020 op zijn kantoor had laten komen. Bart wist niet wat hem overkwam. Met knikkende knieën ging hij naar binnen. Vader vertelde hem dat zijn voorvader Batavus Droogstoppel door schrijver Multatuli in het boek Max Havelaar voor gek was gezet. Dat deze zeer eerbiedwaardige heer van stand door een onverlaat als Eduard Douwes Dekker was weggezet als een liegende, goedgelovige, simpele, onbenullige en burgerlijke fapjanus. Bart had zijn wenkbrauwen gefronst bij het woord fapjanus. Zulke woorden gebruikte zijn vader niet vaak. Eigenlijk nooit. ‘De hele familie wordt wederom te kakken gezet’, zei vader.

Bart kreeg te horen dat Multatuli, voor zijn dood, Batavus Droogstoppel had opgezocht met de vraag of zijn familie, alles wat hij geschreven had zou willen bewaren tot 2020. Al Multatuli’s werk moest dan opnieuw uitgegeven worden. Multatuli had op dat moment weer geld van zijn hele rijke vriend gekregen, dezelfde man die ook al een mooi huis voor hem had gekocht. Batavus wist dat allemaal niet en pas later hoorde hij dat hij er goed aan had kunnen verdienen. Natuurlijk had Batavus dan het materiaal wel willen ‘bewaren’, tegen een redelijke vergoeding. Dekker was op dat moment al een zwakke man en die boeken van hem zouden prima in de open haard als brandstof hebben gediend. Geen haan die er nog ooit naar gekraaid zou hebben. De goudstukken zou hij goed belegd hebben op de beurs.

Het liep echter allemaal anders. Multatuli was, na Droogstoppels weigering, een andere weg ingeslagen. Hij had gezegd dan alles bij notaris Van Ramselaar achter te laten en ze hadden elkaar nooit meer gezien. Kort daarop las Batavus in de krant dat Dekker op 19 februari 1887 gestorven was. Hij was direct naar Van Ramselaar gegaan en beweerde daar dat hij alsnog van Multatuli de opdracht had gekregen om zich te bekommeren om de boeken.

Van Ramselaar vertrouwde het niet, vroeg om een schriftelijk bewijs van dat verzoek en liet toen de lange brief van Dek voor zijn achter-achter-achter-kleinkind, die Max de Zesde zou blijken te zijn, lezen. Multatuli had in die brief geschreven dat hij eerst bij Droogstoppel was geweest en dat iedereen de brief mocht lezen, ‘die er iets mee te maken had’. Door Droogstoppel de brief te laten lezen hoopte hij Batavus ervan te overtuigen dat er niets meer van hem verlangd werd. Daarna werd een foeterende Batavus Droogstoppel netjes het notariskantoor uitgebonjourd.

Batavus wist nu dus hoe het zat en kende de plannen van Multatuli. Hij heeft in zijn familielijn er vervolgens voor gezorgd dat een en ander bekend bleef. De vader van Bart haalde een brief van Batavus tevoorschijn en las die voor. Het werd duidelijk dat Bart moest gaan zorgen dat Max de Zesde zou worden tegengewerkt, zodat deze geen boek zou schrijven, om te voorkomen dat de familie Droogstoppel niet weer zou worden weggezet als een stel hypocriete mafkezen. Bart fronste zijn wenkbrauwen bij het woord mafkezen. Bart wilde het niet, maar vader was furieus. Hij schold Bart uit voor alles en nog wat en zei dat hij geen cent zou erven, maar dat het geld allemaal naar de kerk zou gaan als zijn zoon zo’n slapjanus zou blijven.

Bart was naar zijn kamer gegaan. Hij had daar een voorraadje koude frikandellen. Van zijn geringe zakgeld kocht Bart vaak een doos frikandellen. Hij bewaarde die op zijn kamer. Ze bleven wel een dag of drie goed buiten de vriezer of koelkast. Eenmaal ontdooid at hij ze op zonder dat ze in het frituurvet gebakken waren. Er zaten er acht in een doos. Soms, net als nu, kon hij die achter elkaar opeten.

Bart wist toen nog niet hoe, maar was bang genoeg voor zijn vader om niet iets te verzinnen om het Max de Zesde lastig te maken. Dat moest morgen al gebeuren.

Rond de woorden van zijn vader, ‘we worden te kakken gezet’, smeedde hij een plannetje om Max te dwarsbomen. Van harte ging dat allemaal niet. Vies was het ook, maar wat moest hij anders? Hij nam nog een frikandel, haalde een steen uit het tuinpad en schreef er ‘KLOOTZAK’ op.

PS

Om het nog wat ingewikkelder te maken. Multatuli heeft de fguur Droogstoppel bedacht voor zijn boek. Rond 1858 had hij namelijk iemand ontmoet. Hij heeft toen een half uur met een echte makelaar in koffe gesproken, Robert Voûte. Het was deze man die hem Droogstoppel deed ‘bedenken’.

-Robert Voûte (1810-1871), stond model voor de fguur Droogstoppel.-

Lezen, luisteren en kijken

‘-Vrouwtje!

-Hè?

-Je zoekt zo yverig… ik geloof, dat daar iets ligt…

Ze kwam niet, en ging voort met sprokkelen. Heel natuurlyk. Ze zocht hout en takjes onder de bomen, en wat ik haar wyzen wilde, lag op ’t voetpad. Daar was geen hout, naar ze begreep. Misschien dacht ze dat ik haar bespotte.

-Waarlyk, wezenlyk, waarachtig… vrouwtje… kom dezen kant uit. Ik geloof inderdaad dat daar iets ligt… ja… ’t lykt wel geld…

-Nou… as je dat docht, had je ’t zelf wel opgeraapt!

Toen nam ik ’t geldstukjen, en bracht het haar, en was bedroefd dat die oude vrouw zo weinig goede mensen had ontmoet in haar lang leven.’ (Multatuli)

‘Mevrouw, ja u die druk hout aan het sprokkelen is voor de kachel. Ik geloof daar ligt iets waardevols op het voetpad voor u’. De vrouw kwam niet en ging door met takjes verzamelen. Ze dacht natuurlijk dat ik haar voor de gek hield, maar er lag echt een geldstuk. ‘Echt waar mevrouw, er ligt geld op het voetpad, kom het maar oprapen’. ‘Als dat zo zou zijn, had je ‘t zelf wel gepakt.’ riep de vrouw. Toen heb ik het geldstuk opgeraapt en het aan haar gegeven. Ik vond het jammer dat de vrouw nooit eerder iemand ontmoet had die haar iets gunde.’ (hertaling door Max)

Vader had meteen de politie gebeld én een schoonmaakbedrijf. De agenten hadden nog nooit zoiets meegemaakt, maar zagen direct dat de dader via de geforceerde tuindeur was binnengekomen. Ze maakten proces-verbaal op en ze zouden een ‘bezoekje’ brengen aan Bart Droogstoppel. Ze vonden het een vreemde geschiedenis. Vader had hen niet verteld van de notarissen en de opdracht die Max had ontvangen, alleen dat een jongen, Bart Droogstoppel, hen had uitgescholden op de Torensluis en ‘klootzakken’ had geroepen toen hij zich uit de voeten maakte.

Het schoonmaakbedrijf deed fantastisch werk. Drie mensen hadden in een paar uur de klus geklaard. De boeken hadden ze meegenomen en zouden worden ‘gereinigd’. Max had er een hard hoofd in of dat wel zou lukken.

-Na alle commotie hebben Max’ ouders voorgesteld de nacht bij hen in bed door te brengen. Max vindt dat wel gezellig, net als vroeger, warmpjes tussen hen in.-

Die nacht sliep Max tussen zijn vader en moeder in. Dat was lang geleden. Op zondagmorgen kroop hij nog wel eens bij zijn ouders in bed, maar een hele nacht dat kon hij zich niet herinneren. Ze spraken verder nauwelijks over het voorval. Vader en moeder waren niet van die types die ‘wel eens even verhaal gaan halen’. Daarbij had het ook iets zieligs. Dat die Bart de moeite had genomen om in het Vondelpark zakjes met hondenkak uit afvalbakken te verzamelen. Je moet er maar opkomen! Bart had de tuindeur geforceerd en had de zakjes op de kamer van Max opengeknipt. De lege buideltjes stopte hij in de kussensloop van Max. Die Bart had er wel over nagedacht. Het was geen opwelling geweest. Wat bezielde die jongen? Waarom die haat? Wat had Max misdaan?

Twee dagen later was de politie bij Bart Droogstoppel langsgegaan. Hij had alles ontkend en de agenten konden niet veel omdat niemand hem de steen door het raam had zien gooien, er waren geen getuigen. Bart had gezegd dat hij ‘toevallig’ langs liep toen ‘iemand anders’ de steen had gegooid. Verder was hij steeds braaf thuis geweest, de vader van Bart had dit bevestigd. De politie, hoewel ze beter wisten, liet het rusten. Het advies aan Max was om de Laurus Nobilissingel te mijden, zeker ter hoogte van nummer 73. Mocht er weer iets gebeuren, dan konden ze zich melden. Nu kon de politie niets doen.

Naast alle commotie door de opdracht, het bezoek aan Terlouw én het gedoe met die Bart hadden ze van het nieuws niet veel meegekregen. Ook al omdat Max niet naar school was gegaan, kwam het bij de familie Versteegh als een verrassing toen bleek dat heel Nederland op slot ging vanwege een besmettelijke ziekte. Corona hield het land in de greep en kluisterde iedereen aan huis. Lockdown!

Voor Max kwam het wel goed uit. Hij kreeg weken de tijd om zich te verdiepen in Dek en de boeken die door én over hem waren geschreven.

Max was, zoals Terlouw had beloofd, gebeld door Multatulianen Dik en Philip. Ook de directeur van stichting HOPE XXL had contact gezocht. Een paar dagen achtereen hadden ze met elkaar gezoomd. Dik had uren verteld over het leven van Dek. Van zijn geboorte aan de Korstjespoortsteeg in 1820 tot zijn dood in Duitse plaats NiederIngelheim in 1887. Philip had verteld over wat Dek allemaal had geschreven. Eerst over de liefdesbrieven aan Caroline Versteegh en later natuurlijk over Max Havelaar dat in 1860 verscheen. Ook over de zeven delen Ideeën en de vele brieven die bewaard waren gebleven. HOPE XXL was in 2008 gestart met een jongerenproject. Gaandeweg bleek dat hun gedachtegoed helemaal paste bij Dek en waar hij, als Multatuli, toe had opgeroepen.

Jan Terlouw informeerde bijna dagelijks hoe het ging en dat hij later tips zou geven, om Max te helpen zijn boek te schrijven. Wouter was natuurlijk bij alle gesprekken aanwezig. Vader en moeder luisterden op afstand ook mee. Gedrieën, Wouter was dan vaak al naar huis, spraken ze alles nog eens rustig door. Vader maakte heel veel aantekeningen.

Waren er geen zoomsessies, dan zat iedereen te lezen. Max had nogmaals het stripverhaal erbij gepakt en toen de flm uit 1976 bekeken. Drie keer zelfs! Het was een mooie flm waarin Peter Faber zijn oudgrootvader speelt. Daarna las hij de hertaling van Max Havelaar. Een journalist uit Leiden, Gijsbert van Es, had De Havelaar in modern Nederlands herschreven en stukken ingekort. Ook de cd’s, waarop de oudburgermeester van Amsterdam, Job Cohen, de Max Havelaar voorleest, had hij twee keer beluisterd. Philip had geadviseerd om ook het origineel te lezen, maar dat vond Max nog te moeilijk.

-Philip Vermoortel uit Vlaanderen praat Max bij over de boeken die Multatuli geschreven heeft. Dik van der Meulen gaat vooral in op het leven van de schrijver. Chris van de Ven vertelt over HOPE XXL en het streven naar een betere wereld én wat Multatuli voor die stichting betekent.-

Na Havelaar las hij Multatuli Verknipt Een portret in 500 fragmenten. De directeur van HOPE XXL had het onlangs samengesteld. Daarin lazen Max en Wouter in twintig hoofdstukken hoe Multatuli dacht over het geloof, over vrouwen, over kolonialisme, over Woutertje Pieterse. Maar ook over Deks rol als vader, over Dek als echtgenoot die er vriendinnen op na hield, over zijn geklaag, over zijn vrijgevigheid, over zijn humor en over zijn voorliefde voor wiskunde en schaken. Bij elk hoofdstuk hoorde ook nog een heel leuk en interessant flmpje van negen minuten op YouTube. Max had ze allemaal twee keer bekeken. Wouter, als hij thuis was, nog wel vaker dacht Max.

Binnen een paar dagen voelde Max zich al een halve Multatuliaan, iemand die veel van Multatuli weet.

Een ding was Max duidelijk. Dek noemde zichzelf een ‘vat vol tegenstrijdigheids’, dat klopte precies. Het was een bijzondere man.

Nog meer lezen, luisteren en kijken

‘Gy, jongelingen, gy vrouwen, gy meisjes... ge zyt mensen.

Men zegt u dat ge ’t niet zyt. Men behandelt u alsof ge ’t niet zyt.

Men dwingt u het niet te zyn...

Maar ik zeg u: Ge zyt mensen. Op u rust mensenplicht!

Ik acht het ’n groote fout in de opvoeding, dat de kinderen niet reeds vroeg leeren zelf te zien en niet door de bril van ouders, onderwijzers, predikanten en schrijvers van boekjes.

Nu leeren ze vaak nadenken, wat anderen hun hebben vóórgedacht.’ (Multatuli)

‘Meisjes, jullie zijn ook mensen. Ze zeggen wel dat jullie geen mensen zijn, ze behandelen jullie niet als mensen en dwingen jullie geen mens te zijn. Maar jullie zijn, net als mannen, mensen. Jullie moeten ook goede mensen zijn. Ik vind het fout dat jullie niet leren zelf te kijken. Jullie moeten niet napraten wat ouders, onderwijzers, mensen van de kerk en schrijvers jullie voorschrijven. Iedereen moet zelf nadenken en niet alleen maar nadenken wat anderen hebben voorgedacht.’ (hertaling door Max)

Alle Nederlanders mopperden op corona, maar voor de familie Versteegh was het ideaal. Max had nu alle tijd om te lezen, te luisteren, te kijken en het internet af te speuren. Het lezen ging steeds sneller. Lekker met een boek op de bank. Vader aan de eettafel, met zijn laptop voor zich, plaatste de ene na de andere bestelling en dan werd een dag of wat later het zoveelste pakketje met extra boeken bezorgd. Moeder maakte overzichten over wat ze hadden gelezen en bekeken. Ze probeerden alle drie zoveel mogelijk hetzelfde te lezen. De familie leek wel een grote spons die zoveel mogelijk kennis over Dek opzoog. Max keek af en toe naar zijn ouders terwijl die druk bezig waren. Dan gaf hij Wouter een beuk die dan steevast zei: ‘Je boft met die twee!’ Hij bofte inderdaad met zijn ouders en ook zeker met zijn oudgrootvader. Als Max een positief stuk over Dek las dan werd hij warm van binnen. Was het negatief, Dek kon er soms ook echt wel een potje van maken, dan snapte Max dat ook wel. Hij las wel honderd keer dat Dek ‘een vat vol tegenstrijdigheids’ werd genoemd. Dat was hij zeker. De achterkaft van Multatuli Verknipt had Max gekopieerd en op zijn aantekeningenschrift geplakt.

‘Zijn vele adepten noemden Multatuli bijzonder, geniaal, fantastisch schrijver, groots denker, voorloper, held, edelmoedig, vastberaden, wereldburger, goudeerlijk, onwrikbaar op zoek naar het goede, hulpvaardig, groot spreker, aantrekkelijk.

Zijn opponenten noemden hem een afbreker, ijdeltuit, slechte vader, slechte echtgenoot, verderver van de jeugd, oplichter, gokker, hoerenloper, mooiprater, dwingeland, licht ontvlambaar, onfatsoenlijk, groot egoïst, larmoyant klager, schuldenmaker. Oh, wat hadden ze een hekel aan hem. ’n Klootzak zouden we nu zeggen.’

Max had de woorden adepten, opponenten en larmoyant klager moeten opzoeken en toegevoegd aan zijn moeilijke-woordenlijst. Fanatieke volgers, tegenstanders en jammerlijke klager, had hij genoteerd. Onder klootzak had hij een dikke streep gezet. Hij kende iemand in zijn omgeving die er zelfs vuile handen voor had willen maken om dat woord van een dikke streep te voorzien op het behang van zijn slaapkamer.

Max had steeds meer in de gaten wat Dek gewild had en wat voor man hij was geweest. Dat was ook niet moeilijk want Dek had heel openlijk en heel veel over zichzelf geschreven. Max vond hem soms wel wat té eerlijk, té vrijgevig, té boos, té gedreven en onrustig, té star, maar hij snapte zijn oudgrootvader wel, ook al zou Max het vaak anders hebben aangepakt.

-Max leest 500 fragmenten uit Multatuli Verknipt. Een boek met stukjes tekst van en over zijn oudgrootvader.-

Naast het aantekeningenschrift, met veel feiten, had Max ook een hele stapel briefjes met mooie stukjes tekst verzameld. In boeken en artikelen las je vaak dezelfde fragmenten

die heel kenmerkend waren voor Dek. Max had zich voorgenomen om in zijn boek elk hoofdstuk te beginnen met een mooi fragment van Multatuli. Hij realiseerde zich dat het nog lastig kiezen zou worden. De stapel bestond nu al uit meer dan honderd briefjes! Hij zou de stukjes, net als de Leidse journalist, Gijsbert van Es, ook hertalen zodat zijn leeftijdgenootjes het beter zouden snappen en aan Multatuli’s manier van schrijven zouden wennen. Terwijl hij studeerde dacht hij ook al na over het boek dat hij moest schrijven. Hij had al wel wat ideeën met zijn vader en moeder besproken tijdens het avondeten. De eerste hoofdstukken moesten gaan over het bezoek aan de notarissen. Daarna ingaan op het bestuderen van Dek en diens werk. Het laatste hoofdstuk: Het geheim van De Havelaar.

Vader vergeleek Dek met de schilder Rembrandt van Rijn. Hij was de beste en meest bekende schilder van Nederland. Max had zijn schilderijen (het gezin had een museumjaarkaart) in het Rijksmuseum zien hangen en die waren miljoenen waard. Over de hele wereld waren ze bekend. Rembrandt de belangrijkste voor de Nederlandse schilderkunst, Dek de belangrijkste voor de Nederlandse literatuur! Maar kenden ze zijn oudgrootvader in het buitenland? De Havelaar was wel in veertig talen vertaald, maar zo bekend als Rembrandt was hij niet.

Wouter gaf Max een beuk en zei: ‘Was je maar een achter-achter-achter kleinzoon van Rembrandt en had hij je een paar van zijn schilderijen nagelaten in plaats van Dek en zijn boeken. Dan hoefde je nooit meer te werken als je er een verkocht!’ Max had wat geglimlacht, maar zei verder niets tegen Wouter.

-De vader van Max zegt vaak dat Rembrandt van Rijn de grootste schilder van Nederland is, en Multatuli de grootste schrijver. Ook Rembrandt staat in de canon van de Nederlandse geschiedenis.-

Bezoek aan Het Multatuli Museum

‘Neem een raad aan. Deze: dat gy geen raad aanneemt.’ (Multatuli)

‘Een advies van mij? Neem geen adviezen aan.’ (hertaling door Max)

Het Centraal Station van Amsterdam, anders een komen en gaan van reizigers, was nagenoeg leeg. Af en toe kwam er een trein binnenrollen die nauwelijks mensen vervoerde. Max stond, met mondkapje, alleen op perron 2A toen de trein uit Haarlem arriveerde. Er stapten een paar mensen uit. Een van hen zwaaide al vanuit de verte en Max liep op Dik van der Meulen af. ‘Beste Max, we zijn een beetje in overtreding want we mogen eigenlijk niet ‘zinloos’ reizen van de overheid, maar ik vind het zeer belangrijk wat jij aan het doen bent. Jij moet het museum gezien hebben en omdat ik in het bestuur zit en een sleutel heb stel ik voor er direct naartoe te lopen.’ Via De Singel liepen ze naar de Korsjespoortsteeg nummer 20. Dik opende de deur van het huis waar Dek in 1820 was geboren en liep de trap op waar de meubels van Max’ oudgrootvader stonden. Deks tweede vrouw Mimi had ze in 1910 aan het museum geschonken. Dik draaide zich naar Max om, hij bleef keurig op anderhalve meter zodat ze elkaar niet met coronavirus zouden besmetten, en liep toen naar de trap terug. ‘Kijk jij eerst maar even alleen hier rond. Kom ik straks wel vertellen wat er allemaal staat.’ Toen hij halverwege was riep Dik: ‘Jij mag overal aankomen, op zitten, aanschuiven en in kijken’.

-Max zit graag op de sofa als hij even iets moest opzoeken. Dat zijn oudgrootvader op die sofa was gestorven vind hij niet eng. Integendeel.-

Max was alleen. Het eerste wat hem opviel was de sofa in de hoek. Natuurlijk had hij er al foto’s van gezien. De beroemde sofa waar Dek op was gestorven. Er was een touwtje overheen gespannen wat duidelijk moest maken dat het niet de bedoeling was dat bezoekers er op gingen liggen. Max haalde het touwtje weg, aaide over de stof, sloot zijn ogen, en sprak hardop de woorden die Dek had gesproken tegen twee Vlaamse vrienden die hem vlak voor zijn dood hadden bezocht. ‘En zegt maar aan de vrienden dat mijn grootste ambitie geweest is, een goed mensch te zijn.’ Hij spande het touwtje weer over de sofa, stond op en keek naar rechts, midden

in het gezicht van uitgever Funke.

Ook die foto stond in zowat alle boeken over Multatuli. Funke was een van de weinigen die Multatuli echt had begrepen en ervoor zorgde dat hij kon schrijven. De man had een engelengeduld met zijn schrijver gehad. Hij bewonderde hem en was altijd vriendelijk. Max keek nog een keer goed naar Funke. Een vriendelijker gezicht had hij nog nooit gezien. Of toch? Terwijl Max knikte naar de foto zei hij: ’Bedankt, meneer Funke’. Hij was niet oud geworden. Funke’s zoon vertelde later dat Dekker ontroostbaar was geweest op de begrafenis.

Funke deed hem aan iemand denken. Iemand met diezelfde vriendelijke blik. Natuurlijk, zei hij hardop tegen Wouter, ‘hij lijkt op Terlouw’.

-Max heeft zelden zo’n vriendelijke man gezien als Funke, Multatuli’s uitgever en vriend.-

Max’ blik viel nu op de grote urn met daarop in grote sierlijke letters MULTATULI. Daarin had de as van Dek gezeten. Tot 1948. Toen is de as uitgestrooid op de begraafplaats Westerveld waar een monument voor Multatuli was opgericht. Max lichtte de deksel van de urn op. Hij was leeg, maar dit was de eerste urn van de eerste Nederlander die zich had laten cremeren. Dat was toentertijd een hele stap omdat Christenen zich moesten laten begraven in door de kerk gewijde grond, anders kon je niet naar hun hemel. Dek geloofde al die onzin niet en liet zijn dode lichaam verbranden.

Dik vertelde hem later dat hij erbij was toen de as uit de urn was gehaald. Het cremeren ging toen nog niet zo zorgvuldig als nu. Er hadden namelijk ook nog kleine stukjes bot van Multatuli tussen gezeten. Dat had Dik ontroerd.

De urn van Multatuli. Eduard Douwes Dekker was de eerste Nederlander die zich heeft laten cremeren. Dat kon toen alleen in Gotha, een plaats in Duitsland.

-De urn van Multatuli. Daarnaast de urn van Mimi.-

Max draaide zich om en liep naar de stoel aan het bureau dat aan de andere wand stond. Dek had het, voor zijn vijfenvijftigste verjaardag van bewonderaars gekregen. Max ging aan het bureau zitten en deed alsof hij een kroontjespen in de inkt doopte en met sierlijke grote letters de titel van zijn boek Max en Wouter. Het geheim van De Havelaar noteerde op de eerste pagina van zijn te verschijnen boek. Op deze plek zou hij zijn boek willen schrijven. Hij hoopte dat de coronapandemie nog even zou duren zodat het museum nog een tijd lang dicht zou blijven en hij hier rustig kon werken aan het bureau van zijn oudgrootvader.

Hij opende vervolgens de grote boekenkast. Achter drie grote glazen deuren stonden, op achttien schappen, de boeken van Dek. Max keek of er nog plek was voor de boeken die Dek hem had nagelaten. Die moesten toch ook in het museum komen, tenminste als het schoonmaakbedrijf de pislucht van Bart Droogstoppel eruit zou kunnen halen. Het leek Max niet handig om stinkende boeken in een museum tentoon te stellen.

-Max zet de gekregen boeken terug in de boekenkast van zijn oudgrootvader.-

Dik kwam weer naar boven en wees Max op het reiskoffertje dat op de grond stond. Max had het koffertje nog niet gezien, terwijl hij er ook een thuis had staan. Het zat vol met hotelstickers en was best wel versleten. Het exemplaar van Max was iets groter, maar moest nieuw gekocht zijn en nooit gebruikt.

Ze speelden een spelletje met het schaakspel dat in een vitrine stond. Max’ vader was een goede schaker. Hij had een boekje gekocht over schaakpartijen die Dek had gespeeld via postkaarten. De post kwam vroeger een paar keer dag. Dek schreef dan de zet op die hij wilde doen en stuurde een kaart naar zijn tegenstander. Die vulde de tegenzet in en zo ging de kaart heen en weer.

Dik vertelde dat hij in de kelder van het huis veel gewerkt had aan de Volledige Werken en aan zijn boek over het leven van Multatuli. Dat het voor hem een speciale plaats was, het geboortehuis van Multatuli, zo dicht bij de grootste schrijver van ons land.

Toen ze na uren kletsen weer bij de voordeur stonden en Dik de boel had afgesloten overhandigde hij de sleutel aan Max.

Wouter stond hen buiten op te wachten en stak twee duimen omhoog. Ze zagen niet dat Bart Droogstoppel om de hoek stond te kijken.

-Af en toe komt vader langs en spelen ze schaakwedstrijden van Multatuli na.-

Aan het werk, maar Bart verstoort de boel

‘Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hoger te schatten dan een ander, omdat hy niet in Nederland geboren was.’ (Multatuli)

‘Ik zeg je duidelijk dat ik niet meer ben dan mensen die niet in Nederland zijn geboren.’ (hertaling door Max)

Er werd weer een pakket bij Max bezorgd. Moeder had een nieuwe laptop met snel draadloos internet voor hem aangeschaft. Ook maakte ze de dagen erna lunchpakketjes als hij ging werken in het museum. Stipt om negen uur ging Max naar binnen en hij werkte dan de hele dag aan zijn boek. Als er een pagina klaar was mailde hij die naar zijn ouders. Die haalden er de tikfouten uit en gaven commentaar. Er ging veel tijd in zitten, maar dat vond geen van drieën erg. Tegen vijf uur ging Max naar huis en deed verder die dag niets meer dan wat gamen of met Wouter tv-kijken.

Max schreef de eerste hoofdstukken over het bezoek aan de notarissen. Het leek wel een eeuw geleden dat hij daar de opdracht gekregen had. De eerste twee pagina’s over dat bezoek had Max geschreven alsof hij het zelf allemaal vertelde. Vader had daarop gereageerd dat het misschien handiger was dat hij een ‘verteller’ aan het woord zou laten. Dat er ‘iemand’ was die beschreef wat er allemaal gebeurd was. Dat is vaak in boeken zo. Toen Max de twee pagina’s had herschreven, vond hij dat vader gelijk had. Het was beter dan dat er steeds IK stond. Ik zag dit of Ik deed dat. Een verteller die alles van een afstand bekeek en weergaf vonden ze alle drie mooier en handiger.

-Het geboortehuis van Eduard Douwes Dekker is nu een museum. Max mocht hier zijn boek schrijven.-

Moeder had de tip gegeven om het boek te illustreren met pentekeningen. Zij was handig met de computer en kon foto’s omzetten in prachtige plaatjes, die het verhaal van Max zouden verduidelijken. Dat was een slim idee geweest, want een boek voor kinderen tussen de acht en dertien jaar moest wel te begrijpen zijn. Max had zich in het begin afgevraagd of hij, dertien jaar oud, wel een boek kon schrijven? Vader was toen naar hun boekenkast gelopen en had daar het Dagboek van Anne Frank van het schap gehaald. ‘Beste Max, Anne was dertien jaar toen ze haar dagboek kreeg. Dit boek is wereldberoemd en Anne staat, net als Dek, ook in de Canon van de Nederlandse Geschiedenis. We zeggen steeds dat De Havelaar van Dek het beste Nederlandse boek is, maar het is niet het bekendste. Dat is dit dagboek van het meisje dat in de Tweede Wereldoorlog vijfentwintig maanden zat ondergedoken, hier vlakbij, in een pand aan de Prinsengracht. Voordat ze werd verraden en afgevoerd naar een concentratiekamp waar ze overleed, zat ze met acht mensen in een soort ‘appartement’, een aantal ruimtes boven elkaar, waar je alleen kon komen door een boekenkast te verplaatsen. Daarachter zat een trap naar de verborgen kamers, keuken en badkamer. Verstopt voor de Duitse en Nederlandse Nazi’s omdat ze Joods waren.’

Natuurlijk kende Max het verhaal van Anne Frank en hij was al een paar keer in Het Achterhuis geweest. Het was nu een museum. Hij realiseerde zich nu pas dat Anne en hij even oud waren. Hij pakte zijn fets en snelde richting de Anne Frank School aan de Niersstraat. Hij had gezien dat op de gevel van die school, waar Anne op had gezeten, een tekstfragment uit haar dagboek was aangebracht.

-Max realiseerde zich dat hij nu net zo oud was als Anne Frank, toen zij met haar dagboek begon.-

Omdat iedereen zoveel mogelijk binnen moest blijven vanwege corona waren er weinig mensen op straat. Hij stond even later alleen voor de ingang van de school en las: Niemand die zelf niet schrijft weet hoe fjn schrijven is; vroeger betreurde ik het altijd dat ik in ‘t geheel niet tekenen kon, maar nu ben ik overgelukkig dat ik tenminste schrijven kan. Je Lieve A. Frank

Hij las de zin wel tien keer. Hij verving in zijn hoofd, schrijven door het woord lezen. Dan stond er zoiets als: Niemand die zelf niet leest weet hoe fjn lezen is. Ik ben overgelukkig dat ik lezen kan. Lezen kon Max ondertussen als de beste en hij was er dol op. Nu zou

hij ook schrijver worden, zodat anderen hém konden lezen.

Hij was enthousiast aan de slag gegaan en het schrijven ging hem go ed af. Hij zat dagen rustig aan het bureau van Multatuli, de plek van zijn oudgrootvader Eduard Douwes Dekker, te werken. Tot de dag dat hij niet om negen uur begon, maar al om zeven uur onrustig was opgestaan en na een snel ontbijt naar het museum was gelopen. Nog maar nauwelijks begonnen, hoorde Max gestommel. Hij had niemand de krakende trap op horen komen, dus het moest van beneden komen. Op de bel-etage trof hij niemand aan. Het geluid kwam uit de kelder. Max opende de deur naar de smalle keldertrap en hij rook… hondenpoep. Hij snelde de steile trap af, voelde woede in zich op komen en stond even later tegenover een verblufte Bart Droogstoppel, die net een zakje met hondenpoep openknipte. En hoewel Bart een paar jaar ouder was en een kop groter, vloog Max hem aan. Hij haalde uit met zijn vuist en sloeg Bart Droogstoppel vol op de neus. Bart Droogstoppel viel huilend en schreeuwend achterover. Max sprong boven op hem, greep een zakje met hondenpoep en wreef dat in het bebloede gezicht van Bart Droogstoppel!

‘Wie is hier de klootzak?’, schreeuwde Max tegen de half bewusteloze Bart Droogstoppel.

-In de kelder van het Multatuli museum is Max furieus en slaat hard in op Bart Droogstoppel die het gelaten over zich heen laat komen.-

Bart Droogstoppel verdwijnt, net als Wouter en Max

‘De eigenaardigheid van den groten ontdekkingstocht dien wy allen behoren mee te maken, ligt juist hierin, dat ieder onzer aan het roer behoort te staan van zyn eigen verstand.’ (Multatuli)

‘We moeten allemaal leren zelf na te denken en ons verstand te gebruiken.’ (hertaling door Max)

Max rent de keldertrap op. Grist een theedoek uit het keukentje van het museum en vult de afwasteil met warm water. Dan, voorzichtig en zonder knoeien, de trap af naar beneden. Daar zit Bart wezenloos voor zich uit te kijken met een gezicht vol poep, bloed, tranen, kwijl, snot, en jammert hij nog wat na. Max doopt de theedoek in het water en haalt ermee het ergste vuil van Barts gezicht die hem ook gebruikt om er zijn neus in te snuiten en hij veegt er nog wat nadruppelende tranen mee weg. Zo zitten ze een tijdje, tegenover elkaar, op de vloer van de kelder van het Multatuli Museum. Als Bart gestopt is met huilen sluit Max de deur van het binnenplaatsje dat toegang biedt naar de kelder.

Max denkt aan het verhaal over Dek en het handgemeen in een theater. Daar waren twee mannen geweest die vervelende opmerkingen hadden geroepen naar de dame op het podium. Dek was boos geworden en had beide heren een finke klap verkocht. De rechter had hem later veroordeeld tot een geldboete en veertien dagen gevangenisstraf.

‘Wat heb je tegen mij?’ vraagt Max.

Bart heft zijn hoofd op. ‘Tegen jou eigenlijk niets, ik word ook maar gestuurd door mijn oudgrootvader, Batavus Droogstoppel. Ik weet precies wat jouw opdracht is en mijn opdracht is om jou het werken onmogelijk te maken en ervoor te zorgen dat dit boek, dat jij nu schrijft, niet wordt uitgegeven. Mijn oudgrootvader had een enorme hekel aan Multatuli. In Max Havelaar is mijn oudgrootvader een loser, een schijnheilig religieus man die alleen maar aan geld denkt en bang is van wat mensen over hem en zijn familie zeggen. Mijn oudgrootvader was diep geschokt door wat er allemaal in Max Havelaar te lezen stond. De eer van onze familie was aangetast.’

‘STOP’, roept Max. ‘In Max Havelaar wordt op het einde duidelijk dat Batavus Droogstoppel helemaal niet bestaat. Multatuli schrijft in het laatste hoofdstuk over Droogstoppel:

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb u geschapen… ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen… Ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffe, en verdwyn!

‘Jouw oudgrootvader is door Multatuli verzonnen Bart. Hij heeft nooit bestaan. En als hij niet heeft bestaan dan kun jij ook niet bestaan.’ Max heeft de woorden nog niet uitgesproken of Bart lost langzaam op. Hij wordt eerst wat vaag en doorzichtig om dan geheel te verdwijnen. Wouter staat naast Max en geeft hem een beuk.

‘Ook jij hebt nooit bestaan, Wouter. Jij was mijn imaginair vriendje, als ik alleen was, of als het spannend werd. Jij was mijn beste vriend die alleen in mijn hoofd bestond, in mijn verbeelding.’ Ook Wouter verdwijnt. Hij zwaait naar Max en lost op in het niets, net als Bart.

Max staat alleen in de kelder van het Multatuli Museum. Max voelt zich ook vreemd. Het museum lijkt te veranderen. Max kan al door de muren heen kijken en ziet de mensen door de Korsjespoortsteeg lopen. Dan kijkt hij naar zijn benen en handen die al transparant zijn geworden. Ook Max verdwijnt, ook hij lost op in het niets en wat overblijft is het witte papier waarop deze woorden worden getypt door mij, de schrijver van dit verhaal dat hier zo plotseling eindigt…………………………………………………………

Beste Lezer,

Ik, de schrijver, heb Max de Zesde, Wouter en Bart verzonnen. Ik heb Max’ vader en moeder bedacht en de notarissen uit het niets mee laten spelen. Ik heb dit hele verhaal uit mijn duim gezogen. Om het echt te laten lijken heb ik ook mensen meegenomen in de vertelling die wel bestaan. Die ook nog zeggen en doen, wat ze zouden zeggen en doen, als Max werkelijk bij ze had aangeklopt.

WAAROM, ZUL JIJ, DE LEZER, JE AFVRAGEN, HEB IK, DE SCHRIJVER, JOU MET WOORDEN EN VALSE INFORMATIE IN DE VAL GELOKT? WAAROM HEB IK OP DE KAFT GEZET: HET GEHEIM VAN DE HAVELAAR?

Om de (jonge) lezer te lokken?

WAAROM STAAT ER ZO DUIDELIJK OP DE VOORZIJDE VAN DIT BOEK ‘VERBODEN VOOR JONGEREN TUSSEN DE ACHT EN DERTIEN JAAR’?

Om jou en andere mensen nieuwsgierig te maken, zodat ze dit boek aanschaffen?

Ja, is het antwoord op deze vragen. Net als in Max Havelaar heb ik eerst een verhaal ‘opgediend’ om je mee te nemen naar de uiteindelijke boodschap van dit boek. Multatuli deed dat in de Max Havelaar ook. Hij wilde de Nederlanders laten zien wat voor volkje ze waren én nog belangrijker hoe de bewoners van Nederlands-Indië werden mishandeld en uitgebuit. Daarbij kwam ook nog dat Eduard Douwes Dekker geprobeerd heeft een eind aan het onrecht te maken en mede daardoor heeft hij veel ellende gekend. Er werd niet naar hem geluisterd.

Dus schreef hij er een boek over. Maar hij was slim. Hij realiseerde zich dat hij zijn boodschap moest ‘verpakken’ in een goed verhaal. Hij verzon er dingen en mensen bij om de lezer mee te nemen in dat verhaal.

Misschien wil jij, jonge slimme lezer, wel luisteren en ‘het geheim’ van De Havelaar kennen. Misschien wil jij wel luisteren naar de boodschap van Eduard Douwes Dekker, Multatuli, Max Havelaar. Tweehonderd jaar na zijn geboorte luisteren jonge mensen wellicht nu wel. Een boodschap die hij in al zijn werk steeds liet terugkomen. Een boodschap waarvan ik hoop dat jij hem niet vergeet nu je jong bent of die je blijft herinneren als je straks geen kind meer bent.

Vergeef me dat ik dit verhaal heb verzonnen om je te leiden naar het belangrijkste hoofdstuk. Ik vertel daarin bondig wat hij jonge mensen zou hebben aangeraden. Ik heb daar ook een beetje een eigen draai aan gegeven, waarvan ik denk, dat Eduard Douwes Dekker die zeker zou omarmen.

Boven elk hoofdstuk staat een fragment van onze beste Nederlandse schrijver. Zodat jonge mensen ervan kunnen genieten, opdat Multatuli niet vergeten wordt. Onze grootste schrijver verdient dat, omdat hij een groot denker was en zijn gedachten zo wonderlijk mooi op papier kon zetten.

Ik gun jullie onze beste schrijver.

Het geheim van De Havelaar

‘En zegt maar aan de vrienden dat mijn grootste ambitie geweest is, een goed mensch te zijn.’ (Multatuli)

‘En vertel iedereen dat ik geprobeerd heb een goed mens te zijn.’ (hertaling door Max)

‘Schrijf een kinderboek over Multatuli’, zei Louise mijn schoondochter, ‘voor je kleinkinderen, Billie, Hugo, Roan, Fayen en Jet. Je weet veel van je favoriete schrijver. Er is nog geen boek voor kinderen waarin ze echt kennis kunnen maken met Eduard Douwes Dekker.’

Ik vond dat een aardig idee, maar ook een moeilijke opgave. Hoe maak je Multatuli voor kinderen begrijpelijk als je bedenkt dat het voor veel volwassenen al ‘te taai’ is. Maar wat Multatuli zo lang geleden al zei en heeft opgeschreven past helemaal bij HOPE XXL. De organisatie waar ik nauw bij betrokken ben.

Ik heb een poging gewaagd en weet niet of jij vindt dat die gelukt is. Is het voor jou en andere kinderen te moeilijk of kunnen alleen de allerslimsten het verhaal volgen?

Ik heb dus Max de Zesde verzonnen en zijn ingebeelde vriendje Wouter. Alles wat ik heb beschreven is niet gebeurd, maar had wel kunnen gebeuren! Ik zie Multatuli ervoor aan dat het wel zo gegaan zou zijn, als in dit boek beschreven. Stel nou dat Max de Zesde wel de opdracht had gekregen. Stel dat hij die keurig tot een goed einde had gebracht en het boek wat je nu bijna uit hebt, had geschreven. Dan waren de laatste woorden van Max de Zesde wellicht geweest:

‘Beste lezer. Ik heb mijn best gedaan om namens mijn oudgrootvader Eduard Douwes Dekker, Multatuli, honderddrieëndertig jaar na zijn dood, tweehonderd jaar na zijn geboorte, dit boek te schrijven en te schenken aan alle kinderen van nu. Dat ze het geheim van mijn oudgrootvader kennen en nooit vergeten’.

Tien ‘wenken’, tips die voor kinderen vaak heel normaal zijn, maar die veel mensen vergeten als ze eenmaal volwassen zijn geworden. Dat is zo jammer.

Dat is, Het geheim van De Havelaar!

‘Dat gaat zo maar niet, meneertje de schrijver’

‘O, Holland!... Wanneer de jongeren de vleugels willen uitslaan, dan zit er aan weerszijden een ouder!’ (Multatuli)

‘Als kinderen zelfstandig willen worden dan houden de ouders het kind te kort.’ (hertaling door Max)

HO. STOP! Hier Max weer!

Ik pak de pen over voor het allerlaatste woord. Wat denkt die wel? Ik laat me niet door de eerste de beste schrijver zo maar oplossen in lucht. Hij laat me van alles meemaken en in het laatste hoofdstuk komt hij met het verhaal dat het allemaal verzonnen is. Om zich er van af te maken laat hij mij gewoon in het niets verdwijnen. Oké, Woutertje bestond niet, maar wel in mijn hoofd en daar is niets mis mee. Heel veel kinderen hebben een verzonnen vriendje. En die Bart Droogstoppel heeft de schrijver erbij gehaald omdat er toch iemand vieze handen moet maken. De notarissen waren ook nodig voor het verhaal. Maar ik, Max de Zesde, laat me niet zo maar uitgummen. Het had namelijk allemaal best zo kunnen gebeuren.

Dat is ook het mooie van boeken. Alles kan. Je kunt draken laten verschijnen, verdriet en plezier verzinnen, avonturen bedenken, tovenaars hun kracht ontnemen, een kind president van Amerika maken, de zon twee dagen niet op laten komen, marsmannetjes op bezoek laten komen, paardrijles nemen en dan Olympisch kampioen worden op een mank paard, een aardige onderwijzer een moord laten begaan, van een moordenaar een aardige onderwijzer maken, verbieden dat er nog spinazie wordt gegeten, bomen laten praten, koninkrijken laten opkomen en vergaan, scheten heel lekker laten ruiken, het weer bepalen, achtervolgingen beschrijven, oorlogen beëindigen, mensen redden, met hondenpoep KLOOTZAK op een slaapkamermuur laten schrijven, ALLES KAN! Je verzint wat je wilt. Dat heet FICTIE.

Er is ook NON-FICTIE. Dan vertelt de schrijver wat er is gebeurd en houdt deze zich zo goed mogelijk aan de waarheid. Je kunt fctie en non-fctie ook mengen. Deels klopt het, maar er is een heleboel bij verzonnen. Dat is in dit boek het geval. Bart, de notarissen, mijn ouders zijn allemaal verzonnen. Jan Terlouw, Dik van der Meulen, Philip Vermoortel en ik, Max de Zesde, bestaan echt. Of toch niet allemaal?

Misschien maak ik je nu horendol met wie er wel of niet bestaan, maar ik wil een voorstel doen. Wat ik leuk zou vinden is dat jij, mijn lezer, ook gaat schrijven. Er volgen nu twintig lege pagina’s waarop jij een kort verhaal kunt neerpennen. Het mag fctie, non-fctie of een mengvorm zijn. Multatuli zou dat prachtig hebben gevonden. Dat door dit boek, waardoor jij de beste schrijver van Nederland een beetje hebt leren kennen, jij ook gaat schrijven. En misschien word je later dan wel een schrijver van beroep en is dit ook een geheim van De Havelaar.

Max de Zesde

PS. Als je een verhaal geschreven hebt, stuur je het me dan toe? Zou ik leuk vinden. www.multaboni.nl

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook