Het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, verschijnt drie keer per jaar en wordt uitgegeven via het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut. De redactie werkt, waar mogelijk, volgens de Leidraad voor juridische auteurs.
Redactie
Juultje Bong & Johan van Dalfsen
Aan dit nummer werkten mee
Lenore Beij, Martin Buijsen, Mieke de Die, Robert-Jan van Eenennaam, Andre den Exter, Nikkie van Heel, Ernst de Jong, Linda Knap, Ivy Kooijman, Kevin Mäkelburg, Jurriaan Penders, Andrea Steger.
Redactionele bijdragen
De redactie, alsmede het bestuur der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut, is te bereiken via rgdispuut@gmail.com.
Website
Alle voorgaande nummers zijn ook te vinden op rgdispuut.nl.
Advertenties & commercieel
Het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, wordt gesponsord Ploum: Advocaten en notarissen te Rotterdam.
Bestuur der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut
Het 13e Bestuur van het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut (2025-2026)
Voorzitter: Kevin Mäkelburg
Secretaris: Abbey Maarleveld
Penningmeester: Johan van Dalfsen Commissaris Extern: Juultje Bong
Het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut Juridische Faculteitsvereniging Rotterdam
Behoudens door de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schrikkelijke toestemming van de uitgever. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten of onvolkomenheden. Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen aan het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de (elektronische) ontsluiting van (delen van) het RGD-magazine in enige vorm.
Een principiële keuze
-
door
K.M. Mäkelburg, voorzitter der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut
Het Nederlandse tuchtrecht voor zorgprofessionals kent een lange geschiedenis, met wortels in de Medische Tuchtwet van 1928. In november 2025 verscheen de derde evaluatie van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Het is een omvangrijk en zorgvuldig rapport dat op sommige punten pregnante conclusies trekt. Want wat de onderzoekers blootleggen, is geen verhaal van een systeem dat zijn kinderziektes heeft overwonnen. Het is het verhaal van een systeem dat zijn fundamentele problemen van evaluatie naar evaluatie met zich blijft meedragen.
De wetswijziging van 2019 was geen klein gebaar. Er werd een griffierecht ingevoerd. Er kwamen tuchtklachtfunctionarissen. De voorzittersbeslissing werd uitgebreid. De lerende functie van het tuchtrecht moest eindelijk serieus worden genomen. Vijf jaar later constateert de evaluatie dat de klachtenstroom niet wezenlijk is veranderd, dat de doorlooptijden zijn opgelopen, dat het percentage gegronde klachten gelijk is gebleven en dat van leren in de praktijk weinig terechtkomt.
Intussen groeit in het veld iets dat beleidsmakers niet kunnen negeren: een afnemend draagvlak. Beroepsorganisaties spreken steeds openlijker uit dat het tuchtrecht in zijn huidige vorm niet meer werkt. Beroepsbeoefenaren ervaren de procedures als bestraffend, belastend en bevorderlijk voor defensief handelen. Klagers zijn teleurgesteld over wat hun klacht oplevert. De tuchtcolleges zelf besteden onevenredig veel tijd aan zaken die niet bij hen thuishoren.
De onderzoekers presenteren twee scenario's. Het eerste bouwt voort op de koers van
2019 door verfijnen, aanscherpen en leren beter te verankeren. Het tweede is ingrijpender: beperk het tuchtrecht tot waar het oorspronkelijk voor bedoeld was en waar het ook werkelijk geschikt voor is. Serieuze fouten, wezenlijk persoonlijk verwijt, correctie waar dat nodig is. De rest: elders. Betere procedures, andere wegen.
Dit magazine gaat over die keuze. Niet als abstracte beleidsvraag, maar als een concrete vraag die raakt aan de dagelijkse praktijk van honderdduizenden zorgverleners en de mensen voor wie zij zorgen. Voor deze editie vonden wij tien auteurs bereid het woord te nemen: advocaten gezondheids- en strafrecht, hoogleraren, tuchtrechters en beroepsorganisaties. De toekomst van het tuchtrecht verdient meer dan één stem. Samen vertegenwoordigen zij de volle breedte van het veld: van de rechtszaal tot de spreekkamer, van de universiteit tot de bestuurstafel.
Het moment voor een principiële keuze is aangebroken. Dat zeggen de onderzoekers zelf. Dit nummer vraagt u mee te denken over welke keuze dat moet zijn.
Inhoudsopgave
5 De evaluatie van de Wet BIG als motor voor beweging in het tuchtrecht
- mr. dr. L.J. Knap
9 De Toekomst van het Tuchtrecht - drs. J. Penders
14 Tuchtrecht in de praktijk: ‘Veelal is de angst voor het medisch tuchtrecht onterecht.’
- mr. dr. A.P. den Exter
16 Tuchtrecht in de gezondheidszorg, frustraties voor beide partijen. Kan het anders?
- mr. M. de Die
22 Het (toekomstige) tuchtrecht in de praktijk
- mr. L. Beij
26 Komt een huisarts bij de tuchtrechter
- mr. E. de Jong
32 De toekomst van het tuchtrecht vanuit het perspectief van verpleegkundigen
- mw. I.A.S. Kooijman & mr. A. Steger.
37 Spreken of zwijgen? De zorgverlener tussen tuchtrecht en strafrecht
- mr. R.J. van Eenennaam & mr. N. van Heel
41 De toekomst van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg. Back to basics?
- prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen
De evaluatie van de Wet BIG als motor voor beweging in het tuchtrecht
- door mr. dr. L.J. Knap*
De evaluatie van het tuchtrecht in de Wet BIG1 laat zien waar het tuchtrecht zijn waarde bewijst, maar ook waar spanningen bestaan, waar doelen moeilijk te verenigen zijn en waar verwachtingen niet volledig worden waargemaakt. Daarmee levert zij waardevolle en evenwichtige inzichten op. Maar de vraag is wat die inzichten daadwerkelijk teweegbrengen.
De reflex is om de impact van een wetsevaluatie te zoeken in wat er ná publicatie gebeurt, in beleidsreacties, wetswijzigingen of aangepaste werkwijzen. Maar die manier van kijken naar impact is te beperkt. Impact ontstaat niet pas na de evaluatie als het rapport verschijnt, maar begint al bij de opzet ervan. In de keuzes die onderzoekers maken, zoals de vraagstelling, aanpak en onderzoeksmethoden die gekozen worden, ligt al voor een deel besloten of een evaluatie later iets in beweging kan zetten.2
Vanuit dat perspectief is de evaluatie van de Wet BIG interessant voor de toekomst van het tuchtrecht. De manier waarop zij is opgezet en gepresenteerd, maakt niet alleen zichtbaar waar het schuurt en waarom dat zo is, maar opent ook de mogelijkheid om het anders te doen. Waar eerdere evaluaties vooral uitmondden in een breed palet aan aanbevelingen, verbindt deze evaluatie die aanbevelingen expliciet aan twee toekomstscenario’s. Daarmee nodigt zij niet alleen uit tot reflectie, maar ook tot het maken van keuzes over de richting van het tuchtrecht.
* Mr. dr. L.J. Knap is advocaat bij Pels Rijcken binnen de sectie civiel (proces)recht, gespecialiseerd in de zorgsector, tevens lid-jurist bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam en gastdocent aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.
1 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter en J.K.M.
1. Twee functies onder de motorkap
Het tuchtrecht onderscheidt twee functies ter bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door zorgverleners. Enerzijds is dat het corrigeren van zorgverleners die tekortschieten. Anderzijds is dat het leren door de beroepsgroep en de normontwikkeling die daaruit voortvloeit. Die dubbele doelstelling sloot aan bij bredere ontwikkelingen in de gezondheidszorg, waarin reflectie, transparantie en kwaliteitsverbetering centraal staan. In de loop der tijd is de nadruk op deze lerende functie toegenomen, hetgeen met de wetswijziging van 2019 expliciet tot uitdrukking is gebracht.3
De evaluatie laat zien dat juist deze combinatie onder druk staat. Hoewel verschillende wijzigingen van de Wet BIG die in 2019 zijn ingevoerd positief zijn ontvangen, blijkt dat de lerende functie in de praktijk beperkt tot ontwikkeling komt. Het tuchtrecht blijft in de praktijk een juridisch systeem dat gericht is op oordelen en het opleggen van maatregelen.
Gevers, Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025 (hierna: Ploem e.a. 2025).
2 L.J. Knap, Optimising the impact of ex-post legislative evaluations in healthcare: Bridging the gap between healthcare legislation and practice, proefschrift Tilburg University 2025.
3 Stb. 2018, 260 en Stb. 2018, 111.
Dat past goed bij corrigeren, maar minder goed bij leren. Leren vraagt juist om openheid, veiligheid en de ruimte om fouten te bespreken. Veel zorgverleners ervaren het tuchtrecht vaak als bestraffend en belastend, en niet als een plek om te leren van fouten.4
2. Rechtdoor of afslaan: welke route gaat het worden?
Door expliciet te laten zien dat corrigeren en leren binnen één systeem moeilijk te verenigen zijn, verschuift de evaluatie het debat op een fundamenteel niveau. Het gaat niet langer alleen om de vraag waar binnen het bestaande systeem verbeteringen mogelijk zijn, maar om de vraag of dat systeem zelf nog wel passend is. Daarmee komt niet alleen de werking van het tuchtrecht ter discussie te staan, maar ook de reikwijdte ervan. Waar liggen de grenzen van wat het tuchtrecht kan en moet doen, en wat vraagt om een andere plek in het stelsel – bijvoorbeeld binnen andere kwaliteitsinstrumenten zoals de Wkkgz?
Juist daar zit een belangrijke kans voor de impact van de evaluatie. Door de spanning scherp te formuleren, nodigt zij uit om opnieuw na te denken over de verwachtingen die aan het tuchtrecht worden gesteld. Daarmee ontstaat ruimte om alternatieven te verkennen.
Wat deze evaluatie onderscheidt, is dat zij deze stap ook expliciet zet door twee concrete scenario’s te formuleren. Enerzijds kan het tuchtrecht verder worden ontwikkeld als
4 Ploem e.a. 2025, p. 47.
5 Ploem e.a. 2025, p. 231-235.
6 L.J. Knap, R. van Gameren, R.D. Friele, J. Legemaate, Factors influencing the impact of ex-post legislative
een systeem waarin zowel corrigeren als leren een plaats krijgen. Anderzijds kan worden gekozen voor een scherpere afbakening, waarbij het tuchtrecht zich richt op het corrigeren van (met name) ernstige tekortkomingen en de lerende functie elders wordt georganiseerd, bijvoorbeeld binnen zorginstellingen en het bredere kwaliteitsstelsel. De evaluatie lijkt te suggereren dat dit laatste scenario op langere termijn het meest toekomstbestendig kan zijn.5 Die richting is voorstelbaar, maar vraagt om een herbezinning op de rol van het tuchtrecht binnen het stelsel als geheel.
Door deze scenario’s naast elkaar te zetten, wordt zichtbaar dat het huidige systeem geen vanzelfsprekend eindpunt is, maar het resultaat van keuzes die ook anders gemaakt kunnen worden. Daarmee zet de evaluatie betrokken partijen aan om zich te verhouden tot alternatieven en keuzes te maken. Moet het tuchtrecht beide functies blijven combineren, of vraagt het om een scherpere afbakening? En waar moet de lerende functie dan worden belegd? De impact van de evaluatie ligt daarmee niet alleen in de analyse, maar ook in de manier waarop zij de verschillende richtingen structureert.
3. Wie pakt het stuur over?
Een belangrijke voorwaarde voor impact ná de evaluatie is dat de verantwoordelijkheid expliciet moet worden belegd betrokken partijen, zodat het duidelijk is wie aan zet is.6 Het tuchtrecht is ingebed in een complex stelsel
evaluations: a scoping review, Journal of Legislative Studies 2023.
van partijen met ieder hun eigen rol. Die spreiding maakt het systeem robuust, maar kan ook leiden tot stilstand wanneer niemand zich expliciet eigenaar voelt van het vervolg. De evaluatie laat bovendien zien dat in het veld uiteenlopende opvattingen bestaan over het functioneren en de toekomst van het tuchtrecht. Juist doordat verschillende partijen vanuit hun eigen perspectief naar het tuchtrecht kijken, ontbreekt een eenduidige richting en ligt stilstand op de loer. Zonder duidelijke toedeling van verantwoordelijkheid kan ieder blijven wachten op de ander.
De evaluatie biedt hier duidelijke handvatten voor. De aanbevelingen worden nadrukkelijk gekoppeld aan concrete partijen binnen het stelsel, zoals de wetgever, tuchtcolleges, beroepsorganisaties en de IGJ.7 Daarbij wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen algemene aanbevelingen en aanbevelingen die horen bij de verschillende toekomstscenario’s. Daarmee wordt niet alleen duidelijk wat er zou moeten gebeuren, maar ook wie daarin aan zet is en in welk toekomstbeeld die rol betekenis krijgt.
Beweging wordt zo niet gepresenteerd als een algemeen proces, maar als het resultaat van handelen door specifieke actoren. Door verantwoordelijkheid impliciet te verdelen en zichtbaar te maken, wordt het lastiger om die verantwoordelijkheid te ontwijken of vooruit te schuiven. De evaluatie adresseert niet alleen een probleem, maar ook de plekken in het systeem waar beweging moet ontstaan. Ook hier geldt dat de voorwaarden voor impact al in de evaluatie zelf zijn ingebouwd.
4. (Inter)actie als noodzakelijke brandstof
Wetsvaluaties veranderen zelden direct de wet. Hun betekenis ligt in eerste instantie in het verschuiven van hoe een probleem wordt gezien en besproken. Pas daarna kan dat inzicht doorwerken in ander handelen, nieuwe keuzes en uiteindelijk in aanpassing van beleid, wetgeving of werkwijzen in de praktijk.
Dat betekent dat inzicht op zichzelf niet genoeg is. Voor verandering is beweging nodig en die ontstaat in de interactie tussen
7 Ploem e.a. 2025, par. 10.5.
8 L.J. Knap, R. van Gameren, R.D. Friele, J. Legemaate, Factors influencing the impact of ex-post legislative
partijen.8 De evaluatie laat zien dat de spanning tussen corrigeren en leren niet binnen één domein kan worden opgelost. Het raakt namelijk niet alleen het juridische kader, maar ook de dagelijkse praktijk van zorgverleners, de organisatie van zorginstellingen en het toezicht op de kwaliteit van zorg. Oplossingen ontstaan daarom pas wanneer deze perspectieven bij elkaar komen en partijen met elkaar in gesprek gaan om zich gezamenlijk te verhouden tot de geschetste scenario’s.
De nadruk op interactie is niet alleen een uitkomst van de evaluatie, maar zit ook besloten in de manier waarop het onderzoek is opgezet. Door middel van interviews, groepsbijeenkomsten en een expertmeeting zijn uiteenlopende perspectieven actief samengebracht. Daarmee fungeert de evaluatie niet alleen als analyse van het systeem, maar ook als een platform waarin die perspectieven elkaar hebben ontmoet. Het evaluatierapport creëert zo een gedeeld referentiepunt: een gezamenlijke taal om de spanning te benoemen en om de mogelijke richtingen voor de toekomst verder te verkennen. In die zin is interactie de brandstof voor de motor van verandering. De gesprekken kunnen nu aan de hand van concrete toekomstscenario’s worden voortgezet. Dat gesprek kan zich vervolgens verplaatsen naar verschillende niveaus, van beleidsvorming tot beroepspraktijk, en daar doorwerken, nog voordat er sprake is van formele wijzigingen.
Tegelijkertijd maakt de evaluatie duidelijk dat die beweging niet vanzelf doorzet. Eerdere wetswijzigingen zijn wel doorgevoerd, maar er is beperkt zicht op hoe deze in de praktijk uitwerken en in hoeverre zij bijdragen aan leren en kwaliteitsverbetering. Dat onderstreept dat het gesprek en mogelijke veranderingen niet alleen moeten worden ingezet, maar ook gevolgd. Monitoring en terugkoppeling zijn een essentieel onderdeel van het realiseren van impact, iets wat volgens de evaluatie na eerdere wetswijzigingen juist te beperkt is gebeurd.9 Zonder die terugkoppeling blijft onduidelijk of veranderingen daadwerkelijk het beoogde effect hebben. De evaluatie van de Wet BIG bevindt zich momenteel in een fase van agendering en debat. Het rapport is door
evaluations: a scoping review, Journal of Legislative Studies 2023.
9 Ploem e.a. 2025, p. 235.
de minister aangeboden aan de Tweede Kamer10 en heeft het gesprek geopend, de spanning benoemd en de keuzeruimte zichtbaar gemaakt. Daarmee zijn de voorwaarden voor verdere impact aanwezig, maar de richting moet nog worden gekozen. Juist dat maakt dit een cruciaal moment: de fase waarin inzichten moeten worden omgezet in keuzes. Dat vraagt om een proces dat zich ontwikkelt via voortdurende interactie tussen onderzoek, beleid en praktijk.
5. Conclusie
Impact is geen automatisch gevolg van een evaluatie. Ook een evaluatie die scherp analyseert, scenario’s biedt en partijen aanspreekt, verandert niet vanzelf het systeem. Tussen inzicht en verandering ligt een proces van vertaling, waarin inzichten worden
geïnterpreteerd, besproken en omgezet in handelen. In dat proces spelen meerdere factoren een rol, zoals de manier waarop partijen de evaluatie duiden, de mate waarin zij zich aangesproken voelen en de bereidheid om keuzes te maken die bestaande praktijken raken. Ook na het maken van keuzes, of dat nu leidt tot verandering of niet, is het proces niet afgerond. Het tuchtrecht vraagt om blijvende aandacht en monitoring, zodat zichtbaar wordt wat wel en niet werkt en waar bijsturing nodig is.
Juist daarom is de evaluatie van de Wet BIG meer dan een moment van reflectie. Zij markeert een fase waarin de motor draait en verschillende routes zijn uitgestippeld, en nodigt daarmee uit tot betekenisvolle keuzes over de toekomst van het tuchtrecht.
10 Kamerstukken II 2025/26, 29282, nr. 615.
De Toekomst van het Tuchtrecht
- door drs. J. Penders*
Het tuchtrecht speelt een belangrijke rol in het bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Het systeem is erop gericht om patiënten te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen, waarbij het tevens zorgprofessionals verantwoordelijk houdt voor het naleven van professionele standaarden en door jurisprudentie bijdraagt aan de operationele duiding van die professionele standaarden. De laatste jaren staat het tuchtrecht toenemend onder druk. Veel zorgverleners vinden de huidige procedures tijdrovend en emotioneel belastend, terwijl patiënten vaak niet het gevoel hebben dat hun klachten op een efficiënte of passende manier worden afgehandeld.
De evaluatie van het tuchtrecht in de Wet BIG, aangeboden door de minister aan de Tweede Kamer op 25 november 2025, scherpt deze discussie nog wat verder aan.1 Het doel van het tuchtrecht is en blijft belangrijk, maar sluit het huidige systeem nog wel aan op de realiteit van de moderne gezondheidszorg? Welke hervormingen zijn noodzakelijk om recht te doen aan de belangen van alle betrokkenen: patiënten, zorgverleners en het bredere zorgsysteem?
In dit artikel bespreek ik de knelpunten van het huidige systeem en de verschillende toekomstscenario’s die in de evaluatie zijn geschetst. Daarnaast pleit ik voor een herziening van het tuchtrecht die het beste aansluit op de behoeften van de gezondheidszorg.
Als KNMG zien we een toekomst waarin het tuchtrecht zich toelegt op ernstige klachten en normstelling, terwijl lichtere klachten een plek vinden in de klachtprocedures binnen zorgorganisaties.2
* Drs. J. Penders is voorzitter van de Artsenfederatie KNMG.
1 Kamerstukken II, 2025/26, 29282, nr. 615.
1. Het Huidige Tuchtrecht: Doelen en Uitdagingen
Het tuchtrecht is een specifieke vorm van rechtspraak die vastgelegd is in de Wet BIG en gericht is op BIG-geregistreerde zorgverleners, waaronder artsen, verpleegkundigen, tandartsen en andere medische professionals. De kerndoelstelling van het tuchtrecht is om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te waarborgen door klachten over het handelen van zorgverleners te beoordelen. Zorgverleners die volgens de klacht niet voldoen aan professionele standaarden kunnen worden aangesproken en, waar nodig, worden gecorrigeerd. Het systeem is echter niet zonder gebreken. Wij zien dat de volgende knelpunten het functioneren van het tuchtrecht belemmeren:
Lichte klachten overbelasten het systeem
Een groot deel van de klachten die bij het tuchtcollege worden ingediend, betreft
2 Zie ook: Tuchtrecht moet beter | KNMG en KNMG-voorzitter Penders: ‘Lichte klachten weren uit het tuchtrecht, maar wél blijven benutten om van te leren’ | medischcontact
lichtere klachten. Deze gaan vaak over communicatie, bejegening of organisatorische tekortkomingen en raken niet rechtstreeks aan de fundamentele schending van professionele normen. Sommige patiënten hopen met hun klacht erkenning of genoegdoening te krijgen, maar het tuchtrecht is hier in de kern niet voor bedoeld. Het gevolg is dat het systeem onnodig wordt belast met klachten die beter geschikt zouden zijn voor interne klachtenprocedures. Deze overbelasting leidt tot lange doorlooptijden en gaat ten koste van de behandeling van ernstige klachten. Tegelijkertijd leidt het tot onvrede bij klagers.
Emotionele belasting voor zorgverleners
Zorgverleners ervaren een tuchtprocedure vaak als een zware en stressvolle ervaring. Het wordt ervaren als een aantasting van de beroepseer. Klachten, zelfs als deze ongegrond worden verklaard, dragen bij aan gevoelens van onzekerheid en defensief handelen. Hierdoor kunnen zorgverleners suboptimaal functioneren, wat de kwaliteit van zorg voor patiënten juist belemmert. Het huidige tuchtrecht schiet tekort in het creëren van een veilige cultuur waarin leren en verbeteren centraal staan. Richtlijnen en leidraden bevatten suggesties en alternatieve handelopties. Met de angst voor een tuchtklacht in het achterhoofd worden beide opties ingezet, terwijl we vanuit optimale en passende zorg juist onnodige zorg willen voorkomen.
Beperkt leereffect van tuchtprocedures
Hoewel het tuchtrecht een corrigerende én lerende functie heeft, wordt de lerende werking in de praktijk onvoldoende gerealiseerd. De sterke juridische insteek van het systeem belemmert een breed inzicht in hoe lessen uit fouten systematisch kunnen worden toegepast. Voor zorgverleners voelt een klacht vaak meer aan als een juridische confrontatie dan als een kans om te leren. Het lerende effect is echter bedoeld om zowel op individueel niveau als op groepsniveau te werken. Naast individuele reflectie kan jurisprudentie zorgen voor duidelijkheid over wat binnen of buiten de grenzen van het professionele
kader valt, waardoor ook collectief van gemaakte fouten geleerd kan worden.
Geen aandacht voor team- en systeemfouten
De zorgpraktijk is tegenwoordig sterk teamgebaseerd, met complexe samenwerkingen tussen meerdere professionals. Fouten ontstaan daarom mede door gebrekkige samenwerking binnen teams of door systeemgerelateerde problemen. Het tuchtrecht richt zich echter nog altijd exclusief op individuele zorgverleners, wat het aanpakken van teamfouten of bredere organisatorische oorzaken bemoeilijkt. Individuele zorgverleners kunnen juist gehandeld hebben, maar het in de samenwerking toch hebben laten liggen en vice versa.
2. De Evaluatie van het Tuchtrecht: Twee Scenario’s
Het rapport over de evaluatie van het tuchtrecht schetst twee mogelijke scenario’s voor de toekomst: het voortbouwen op het huidige systeem met nadruk op het optimaliseren van de lerende werking (scenario 1) of het inslaan van een nieuwe koers waarin de lerende functie van het tuchtrecht volledig buiten het systeem wordt geplaatst en het tuchtrecht zich uitsluitend richt op normstelling en correctie (scenario 2).3 Bij de doorontwikkeling van het tuchtrecht vinden wij het belangrijk dat waarden zoals patiëntveiligheid, rechtvaardigheid en transparantie centraal staan. Het tuchtrecht zou daarnaast recht moeten doen aan de positie van de patiënt, waarmee ook het vertrouwen tussen arts en patiënt stimuleert.
Eerste scenario
Het eerste scenario richt zich op het voortzetten van de huidige koers, waarbij zowel de corrigerende als de lerende functie van het tuchtrecht behouden blijft. Om het systeem efficiënter te maken, wordt onder andere voorgesteld de doorlooptijden van klachtenprocedures aanzienlijk te verkorten. Daarnaast zou een tuchtklachtfunctionaris klachten vooraf toetsen op zwaarte en
3 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers,
Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025.
ontvankelijkheid, zodat lichtere klachten tijdig worden doorverwezen naar geschiktere kanalen. Ook wordt beoogd de juridische setting van het tuchtrecht te versoepelen. Door een minder formele en meer laagdrempelige aanpak kan niet alleen de belasting voor zorgverleners worden verminderd, maar ook het leereffect worden versterkt. Deze verbeteringen zorgen ervoor dat het systeem toegankelijk blijft voor zowel patiënten als zorgverleners, terwijl geleerd kan worden van klachten.
Tweede scenario
Het tweede scenario stelt een fundamentele verandering voor, waarbij het tuchtrecht zich beperkt tot de kernfuncties: normstelling en correctie. Lichtere klachten worden niet langer door het tuchtrecht behandeld, maar via interne procedures van zorginstellingen afgehandeld. Deze klachten kunnen vallen onder het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Dit scenario benadrukt de noodzaak van sterke klachtensystemen binnen instellingen of branches, die bijdragen aan herstel en de lerende functie binnen een veilige en constructieve setting. Hierdoor krijgt het tuchtrecht de ruimte zich volledig te richten op ernstige klachten, zoals grove medische fouten of grensoverschrijdend gedrag. Deze scheiding maakt het tuchtrecht doelgerichter en efficiënter.
3. De Weg Vooruit: Naar een Toekomstig Tuchtrecht
Beide scenario’s hebben hun sterke en zwakke punten en roepen belangrijke vragen op over de balans tussen corrigeren en leren, en over de rol die zorginstellingen kunnen en moeten spelen in het afhandelen van klachten en het trekken van lessen uit fouten. Het debat over welke koers te varen, illustreert de complexiteit van het moderniseren van een systeem dat zowel patiënten als zorgverleners moet dienen.
Als KNMG zijn wij voorstander van een herziening van het tuchtrecht, waarbij de kernfuncties van correctie en normstelling worden versterkt.
Leren vinden we uitermate belangrijk, maar kan beter worden ondergebracht buiten het tuchtrecht in klachtprocedures binnen
zorginstellingen. Dit kan naar onze mening worden bereikt door:
Focus op ernstige klachten
Het tuchtrecht moet zich beperken tot gevallen waarin sprake is van ernstige tekortkomingen in professioneel handelen. Denk aan gedrag dat een directe bedreiging vormt voor de veiligheid of kwaliteit van zorg, zoals ernstige medische fouten of grensoverschrijdend gedrag. Door lichtere klachten buiten het tuchtrecht te plaatsen, ontstaat meer ruimte om ernstige klachten sneller en zorgvuldiger te behandelen.
Een tuchtklachtfunctionaris (of andere functionaris of instantie) die klachten vooraf toetst op zwaarte en ontvankelijkheid kan hierbij een belangrijke rol spelen. Dit voorkomt dat klachten die niet geschikt zijn voor het tuchtrecht alsnog bij tuchtcolleges terechtkomen.
Verplaats de lerende functie naar de Wkkgz
Lichtere klachten kunnen effectiever worden behandeld binnen de klachtprocedures van zorginstellingen, zoals geregeld in de Wkkgz. Deze klachtenregeling kan de lerende functie beter ondersteunen in een constructieve en veilige setting. Hiervoor is het wel noodzakelijk om de interne klachtprocedures te versterken:
• Bescherm de positie van de klachtenfunctionaris en faciliteer de klachtbemiddeling.
• Zorg voor systematische analyse van klachten binnen instellingen en landelijke uitwisseling van inzichten, zodat lessen uit klachten breder gedeeld worden met de beroepsgroep.
Modernisering van het tuchtrecht
Het tuchtrecht moet rekening houden met de teamgebaseerde praktijk van de huidige zorg. Klachten die voortkomen uit teamproblemen of systeemfouten vereisen een andere aanpak, bijvoorbeeld door deze te verplaatsen naar de organisatie zelf. Het verplaatsen van de lerende functie van het tuchtrecht geeft ruimte om dit soort klachten beter te behandelen binnen de intern georganiseerde klachtprocedures.
Aandachtspunten bij scenario 2
Binnen de beroepsgroep bestaat een nadrukkelijke voorkeur voor scenario 2. Toch brengt dit scenario ook uitdagingen met zich mee. Een belangrijke vraag is wie bepaalt of een klacht als ‘ernstig’ moet worden gekwalificeerd en of dit altijd vooraf objectief kan worden vastgesteld. Verder is er een risico dat klachten door zorgorganisaties onderling verschillend worden behandeld, wat de rechtseenheid kan schaden.
Ook het behoud van de lerende functie uit lichtere klachten vraagt om aandacht. Als interne klachtprocedures verspreid blijven over verschillende organisaties, kan het lastig zijn om lessen en verbeterpunten breed te delen binnen de beroepsgroep. Dit vraagt om een systeem waarmee alle zorgverleners, niet alleen binnen instellingen maar ook landelijk, profiteert van feedback en normontwikkeling.
4. Conclusie
Het tuchtrecht is en blijft een cruciaal onderdeel van het zorgsysteem, maar een toekomstbestendige herziening is noodzakelijk om het systeem doelgericht te houden, maatschappelijk ongewenste defensieve geneeskunde te voorkomen en de patiënt voldoende passende mogelijkheden te bieden. Door de focus te leggen op ernstige klachten en de
lerende functie te laten aansluiten op de praktijk binnen de Wkkgz, ontstaat een rechtvaardiger en effectiever systeem.
Een modern tuchtrecht corrigeert waar nodig en draagt bij aan het vertrouwen van patiënten in de zorg. Tegelijkertijd kan, door lichtere klachten te benutten in een andere setting, de beroepsgroep blijven leren en verbeteren. Zo versterken normstelling, correctie en leren elkaar – en dragen ze samen bij aan transparantie en een veiligere en beter functionerende gezondheidszorg.
Toch vereist de implementatie zorgvuldige afwegingen, zoals duidelijke criteria voor klachtbeoordeling, versterkte interne klachtprocedures en mechanismen om lessen uit lichtere klachten breed te delen. Daarbij is het van belang om met alle maatschappelijke actoren – de beroepsgroep, patiëntenorganisaties, (juridisch) experts uit het veld en de maatschappij – de dialoog te voeren, zodat het systeem breed gedragen wordt en optimaal functioneert. Een toekomstbestendig tuchtrecht corrigeert effectief, ondersteunt normontwikkeling en laat het lerend vermogen van de zorg intact. Op die manier kan het patiëntvertrouwen worden versterkt, terwijl zorgverleners adequaat en rechtvaardig worden beoordeeld en gestimuleerd om te blijven leren en verbeteren.
Tuchtrecht in de praktijk:
‘Veelal is de angst voor het medisch tuchtrecht onterecht.’
- door mr. dr. A.P. den Exter*
In het debat over het medisch tuchtrecht ligt de nadruk vaak op verzwaring of beperking van het systeem. Als universitair hoofddocent Gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid -jurist bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam, ziet Andre den Exter dagelijks hoe het tuchtrecht in de praktijk functioneert. Volgens Den Exter ligt de kern in het versterken van de lerende werking van het tuchtrecht. In dit interview wordt er gereflecteerd op het afnemende draagvlak van het tuchtrecht, de rol van alternatieve geschilbeslechting en de invloed van AI op de praktijk.
1 De recente wetsevaluatie van het medische tuchtrecht schetst twee scenario's. Welk scenario heeft uw voorkeur en waarom?
Den Exter merkt op dat de primaire doelstelling de lerende werking van het tuchtrecht is. ‘’Gesteld wordt dat dit doel niet of nauwelijks wordt gerealiseerd met het eerste scenario, het voortborduren op de bestaande situatie. Zelf ben ik nog niet overtuigd dat het tweede scenario, het verzwaren van de toegang tot het tuchtrecht, wel een dergelijke doelstelling kan bewerkstelligen. Mijns inziens zou betere motivatie van uitspraken en het inzetten op permanente educatie over het tuchtrecht voor zorgprofessionals bijdragen aan de realisatie van die doelstelling’’ zegt Den Exter.
Wel is Den Exter van mening dat er strenger mag worden geselecteerd op zogenaamde onzinklachten. Deze worden volgens hem nog te veel voorgelegd aan de tuchtcolleges.
Mr. dr. A.P. den Exter is universitair hoofddocent Gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid-jurist bij het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam.
2. Het tuchtrecht heeft over de jaren steeds minder draagvlak bij zorgverleners. Denkt u dat de knelpunten vooral zitten in de uitvoering van het huidige systeem, of raken ze wellicht aan de fundamenten van het tuchtrecht zelf?
Het tuchtrecht is inherent aan bijzondere beroepen. Den Exter merkt op dat hij advocaten en notarissen niet hoort klagen over het draagvlak van het tuchtrecht. ‘’Natuurlijk, de doorlooptijden zijn lang en kunnen verbeterd worden. De juiste vragen dienen gesteld te worden’’ zegt Den Exter. ‘’Veelal is de angst voor het medisch tuchtrecht onterecht. Alleen al het aantal zaken dat ter zitting komt en gegrond wordt verklaard, behelst een fractie van alle ingekomen klachten.’’
Volgens Den Exter blijft het punt dat hulpverleners het tuchtrecht vooral als punitief ervaren en minder als leerinstrument. Dit raakt volgens hem de kern van het tuchtrecht. Den
Exter benoemt dat het aan het tuchtcollege is om dit beeld te corrigeren door het onderbouwen van de uitspraken met verwijzing naar de eigen beroepsnormen.
Den Exter: ‘’Onvoldoende kennis van de eigen beroepsnormen en het hierop aanspreken van de professional is geen bestraffing. Dan begrijpt men het tuchtrecht eenvoudig niet.’’
3. Ziet u in uw werk een verschuiving van het tuchtrecht als corrigerend instrument naar een systeem dat gericht is op leren en verbeteren van de kwaliteit van de zorg? Zou, zoals dit gebruikelijk is in het gezondheidsrecht, niet een grotere rol moeten worden toebedeeld aan alternatieve geschillenbeslechting, bijvoorbeeld mediation?
Den Exter merkt op dat dit beslist beter kan en wijst daarbij weer naar het tuchtrecht dat gericht is op leren en verbeteren. ‘’Veel onvrede en communicatieklachten zouden eerder via de klachtenfunctionaris, de geschillencommissie of via mediation behandeld kunnen worden.’’ Den Exter is van mening dat ‘zwaardere’ klachten via het tuchtrecht behandeld moeten blijven worden. Ook stelt Den Exter dat de vrijblijvendheid daartussen
drempelverlagend werkt bij klagers, door bijvoorbeeld een klaagschrift te laten opstellen met behulp van AI. Is dit een ontwikkeling die u ook ziet in de praktijk? Zo ja, wat zijn de oplossingen in uw optiek?
Den Exter ziet deze ontwikkelingen nog niet terug in de praktijk. Vooralsnog ziet Den Exter veelal handgeschreven klaagschriften, warrig taalgebruik en veelal met emotie geschreven klaagschriften. ‘’Regelmatig moet er worden nagebeld, waarover nu eigenlijk wordt geklaagd en tegen wie.’’
Den Exter stelt dat AI hierin wellicht een verbetering kan brengen, al was het maar wat betreft de Nederlandse taal.
5. Als u vanuit uw ervaring als tuchtrechter een verandering zou mogen doorvoeren in het medisch tuchtrecht, welke zou dat dan zijn en waarom?
Den Exter zou overlegmomenten en afstemming tussen tuchtcolleges en de klachtenfunctionaris willen doorvoeren. Den Exter merkt op dat het voor tuchtcolleges onbekend is welke klachten afgevangen worden door de nieuwe klachtenfunctionaris en welke rol deze speelt. ‘’Daarvoor hoeft de wet niet veranderd te worden’’ zegt den Exter. ‘’Wel zou-
Tuchtrecht in de gezondheidszorg, frustraties
voor beide partijen. Kan het anders?
- door mr. M. de Die*
Het tuchtrecht in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vormt een belangrijk instrument voor kwaliteitsbewaking en normstelling binnen de gezondheidszorg. Dat is althans de theorie en het oogmerk van de wetgever. De praktijk laat vaak iets anders zien: (te) lichte klachten die op een ongegrondverklaring uitlopen, waarna klagers ontevreden en soms gefrustreerd achterblijven, omdat hun ongenoegen niet is erkend. En de aangeklaagde zorgverlener kan na een jaar (in eerste aanleg) of twee jaar (i.g.v. hoger beroep) opgelucht ademhalen als de klacht ongegrond is verklaard. Intussen is zij wel vele slapeloze nachten verder, omdat een tuchtklacht als ingrijpend wordt ervaren, ook al is er rationeel gezien weinig reden tot inhoudelijke zorg.
Er bestaat al lang kritiek op de toegankelijkheid en effectiviteit van het tuchtrecht, bijvoorbeeld vanwege de complexiteit van procedures, de ervaren belasting voor zorgverleners, en de vraag of het tuchtrecht daadwerkelijk bijdraagt aan kwaliteitsverbetering of vooral een afschrikwekkend effect heeft. Er zijn inmiddels, in opdracht van ZonMw1, drie wetsevaluaties van de Wet BIG uitgevoerd, waarvan de derde in 2025 is afgerond.2
De evaluatie onderzoekt het functioneren van het tuchtrecht sinds de wetswijziging van 2019, die onder meer het griffierecht, de vereenvoudigde afdoening van klachten, bredere beroepsverboden en een grotere rol voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) introduceerde. Geconcludeerd wordt dat het tuchtrecht een belangrijk instrument blijft voor kwaliteitsbewaking en
* Mr. M. de Die is advocaat gezondheidsrecht en partner bij Velink en De Die Advocaten
1 Programma Evaluatie wet- en regelgeving ZonMw: https://www.zonmw.nl/nl/evaluatie-van-wet-en-regelgeving
patiëntveiligheid, maar dat de doelstellingen van de wetswijziging slechts gedeeltelijk zijn gerealiseerd. Het tuchtrecht is laagdrempelig gebleven, maar het blijft lastig om klachtenstromen effectief te sturen naar de juiste procedure. Nog steeds wordt een aanzienlijk deel van de klachten ingediend bij het tuchtrecht terwijl deze beter via andere routes, zoals het Wkkgz-klachtrecht, behandeld zouden kunnen worden. De introductie van de tuchtklachtfunctionaris biedt enige ondersteuning, maar heeft niet geleid tot wezenlijke verbetering in de toegang of afhandeling. Het griffierecht (50 Euro, te betalen door de klager of in hoger beroep door appellant) vormt over het algemeen geen grote barrière, maar kan voor bepaalde groepen wel een drempel zijn. De wettelijke mogelijkheid tot kostenveroordeling wordt nauwelijks benut. De doorlooptijden van tuchtprocedures zijn na eerdere verbeteringen weer toegenomen. De digitale
toegankelijkheid van het tuchtrecht is beperkt en dat wordt als belemmerend3 ervaren.
Tuchtrechtelijke maatregelen worden adequaat toegepast en de IGJ heeft als wettelijk toezichthouder dankzij nieuwe bevoegdheden een steviger positie gekregen, ook als het gaat om toezicht op naleving van tuchtmaatregelen. Het strafrecht, dat naast het tuchtrecht geldt, blijft een ultimum remedium en wordt zelden ingezet.
De belangrijkste aanbevelingen zijn: verbeter de sturing op klachtenstromen door klagers beter te begeleiden naar de juiste procedure; versterk de lerende functie van het tuchtrecht zonder de procedure te belasten met ongeschikte klachten; optimaliseer de toegang tot het tuchtrecht, onder meer door digitalisering en uitbreiding van de rol van tuchtklachtfunctionarissen; heroverweeg het griffierecht om drempels voor kwetsbare groepen te voorkomen; bevorder de kennis en het gebruik van het tuchtrecht door de IGJ; stel wettelijke eisen aan deskundigheidsbevordering als voorwaarde voor herregistratie; en overweeg scenario’s voor een toekomstbestendig tuchtrecht, waaronder een effectievere inrichting van de klachtenafhandeling.
De onderzoekers schetsen twee scenario’s voor de toekomst van het tuchtrecht in de Wet BIG. Scenario 1: het tuchtrecht blijft zowel corrigerend als lerend, met extra nadruk op de lerende functie. Om te voorkomen dat lichte klachten het systeem belasten, worden procedurele drempels voorgesteld, zoals verplicht voorafgaand contact met de tuchtklachtfunctionaris. Het doel is het tuchtrecht toegankelijk te houden, maar te beschermen tegen ongeschikte klachten.
Scenario 2: beperkt het tuchtrecht tot het corrigeren van ernstige tekortkomingen door
beroepsbeoefenaren. Alleen ernstige klachten worden nog behandeld, met een strengere toetsing vooraf. Dit scenario sluit beter aan bij ontwikkelingen in kwaliteitsbewaking binnen zorginstellingen en wordt als toekomstbestendiger beschouwd. Klachten met een leeraspect of van lichtere aard worden verwezen naar andere procedures, zoals de Wkkgz.
1. Opties voor de toekomst
Als we nu naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen uit de recente evaluatie eens doordenken, waar zouden we dan op uit kunnen komen?
Beperkt de toegang
De eerste fundamentele vraag is of het tuchtrecht open moet blijven staan voor alle soorten klachten en klagers. Mijn stelling is – en daarmee haal ik wellicht een heilig huisje omver – dat dit niet moet.
De achterliggende redenen voor veel klachten en de onderbouwing ervan sluiten in veel gevallen helemaal niet aan bij het doel van het tuchtrecht. Mensen zijn vaak boos, teleurgesteld en verdrietig over de verleende zorg en/of de uitkomst ervan en die emoties, hoe begrijpelijk ook in individuele gevallen, sturen de tuchtklacht. Het gaat echter niet om genoegdoening. Daar is de tuchtrechter niet voor. Dat ‘gehoord worden’ voelt als erkenning is fijn voor klagers en in die zin een neveneffect, maar daarvoor behoeft niet de zware tuchtprocedure opgetuigd te worden. Voorts zijn veel klachten gebaseerd op stellingen, die soms helemaal niet zijn onderbouwd, of zijn onderbouwd met veronderstellingen en meningen die kant noch wal raken. In toenemende mate gaat het daarbij om hallucinaties van AI. Helaas raakt de onderbouwing van een tuchtklacht vaak niet de eerste
tuchtnorm van artikel 47 Wet BIG. Die norm luidt, kort gezegd: heeft de beroepsbeoefenaar de zorg verleend die van haar verwacht mocht worden. De maatstaf daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor het desbetreffende beroep geldende beroepsnormen, waaronder de professionele standaarden. Dat de werelden van klagers, beklaagden en het tuchtcollege soms botsen is vaak op zitting te zien. Bij slecht onderbouwde klachten brengt klager zijn standpunt naar voren, maar speelt verder nauwelijks een rol van betekenis, omdat het inhoudelijk gesprek zich afspeelt tussen de leden-beroepsgenoten en de beklaagde, waarbij de klachtonderdelen worden ‘vertaald’ naar de professionele norm. Kortom, de wijze waarop klagers een zaak aanbrengen heeft in veel gevallen weinig tot geen direct raakvlak met de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg.
Verder geldt het vaste uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Meermaals is in publicaties aandacht gevraagd voor de gap tussen de wet (tuchtrechtelijke aansprakelijkheid is individueel) en de praktijk van de zorg (er is geen zorgverlener meer die volledige individueel zorg verleent). Zeker in ziekenhuizen en andere zorginstellingen is sprake van teamwork en daar is het tuchtrecht niet op ingericht.4 Het is de klager die bepaalt tegen wie hij een tuchtklacht indient. Vaak wordt slechts een of worden meerdere hulpverleners aangeklaagd en blijven anderen buiten schot, terwijl zij wellicht ook een relevant aandeel in het zorgproces hebben gehad. En belangrijker nog: de samenhang en de afstemming binnen het zorgproces blijven buiten beeld, terwijl een goede analyse van het proces juist wél kan leiden tot kwaliteitsverbetering zoals meldingenanalyses en calamiteitenonderzoeken laten zien. Kortom: de keuzes die de klager maakt zijn bepalend en dragen lang niet altijd bij aan bevordering en verbetering van de kwaliteit. Mijn antwoord op de vraag of de toegang tot de tuchtrechter beperkt moet worden is daarom ‘ja’.
4 J. Legemaate, De betekenis van het medisch tuchtrecht voor de kwaliteit van zorg, NJB 2021, p. 1509 e.v., Vgl. A.C. de Die, Preadvies voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht 2008, Gewaarborgde kwaliteit, p. 158 e.v.
Hoe zou die beperking er uit kunnen zien?
1. Introduceer een verplicht voorportaal Ik zou er een groot voorstander van zijn als er een centrale plaats zou zijn waar mensen die met vragen of klachten over de zorg zitten, terecht kunnen en ook terecht móeten als verplicht voorportaal voor het indienen van een tuchtklacht. Werktitel: Juridisch Voorportaal Klachten Zorg (JVKZ). Het JVKZ heeft drie functies: luisteren, filteren en voorlichten. Waar gaat de klacht precies over, hoe zou deze juridisch vertaald kunnen worden5, welk doel heeft de klager, welke route zou hij het beste kunnen volgen en wat zijn daarbij de mogelijkheden en beperkingen?
Het JVKZ moet volledig onafhankelijk zijn, kosteloos en breed toegankelijk voor iedereen. Immers als deze stap verplicht is, moet het geen moeite kosten om het JVKZ te bereiken en te raadplegen. Als de betrokkene nog niet met de hulpverlener over zijn klacht heeft gesproken, zal hem in overweging worden gegeven het gesprek aan te gaan, tenzij er redenen zijn die maken dat dat redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Daarbij kan de klager desgewenst gebruik maken van een onafhankelijk klachtbemiddelaar, welk aanbod via het JVKZ gratis beschikbaar moet zijn.
Het voeren van een gesprek over ongenoegen lijkt vanzelfsprekend, maar het is verbazingwekkend hoe vaak die stap in de praktijk niet genomen wordt. Is het gesprek gevoerd en levert dat niets op, dan zal bezien worden wat de meest passende vervolgstap zou moeten zijn. Voor de meeste kwesties zal de route van de Wkkgz passend zijn. Argumenten van klager als dat “de klachtenfunctionaris niet onafhankelijk is, omdat deze betaald wordt door de instelling” moeten daarbij, met goede uitleg aan klager, gepasseerd worden. De Wkkgz stelt eisen aan de klachtenregeling. Veel ongenoegen blijkt voor alle partijen op bevredigende wijze door de klachtenfunctionaris te kunnen worden opgelost. Bovendien kan de héle casus, dus ook met degenen die niet onder het tuchtrecht vallen of degenen die wel betrokken waren maar die bij
5 Het kan ook zijn dat er geen juridische vertaling mogelijk is, omdat de zaak niet juridisch is, waarbij de klager uitgelegd kan worden wat hij in dat geval kan doen
klager niet in beeld zijn, besproken worden. Bereidheid tot openheid, het voeren van een oprecht gesprek en het (durven) erkennen als er zaken niet goed zijn gegaan, zijn aan de kant van zorgverleners wel voorwaarden om de kans op een goede uitkomst te vergroten.
Is klager uit op schadevergoeding en heeft de casus juridische substantie, dan is de weg naar de Geschillencommissie of de civiele rechter aangewezen. Wil klager de zorgverlener aanspreken op de kwaliteit van de verleende zorg dan zal in gesprek met de klager bezien moeten worden of de klacht onderbouwd kan worden aan de hand van de invulling van de wettelijke tuchtnorm en wie hij dan moet aanklagen wil de zaak tot een volledige beoordeling van de casus leiden.
De bezwaren tegen het voorstel zijn voorspelbaar. (i) Het is een gedwongen route en dwang ligt moeilijk in Nederland. Toch denk ik dat dit voorstel zoveel voordelen heeft voor álle betrokkenen, ook voor klagers (voorkomen van frustratie) dat het de moeite waard is. (ii) Een gratis voorziening, wat kost dat de schatkist wel niet? Daar breng ik tegenin dat de kosten van de huidige belasting van het systeem ook aanzienlijk zijn en een gerichtere route niet alleen kostenbesparend, maar ook effectiever én efficiënter (sneller en gerichter doelbereik) zal zijn. (iii) Het lastigste punt zal zijn het element van het bindend advies, nóg een dwingend element. Naar mijn overtuiging zal het zonder bindend karakter niet lukken om de gewenste kanalisatie te bereiken. Mensen zijn immers geneigd vast te houden aan hun eigen overtuigingen en opvattingen, maar dat helpt niemand verder.
Mijn idee zou ook zijn om geen beroeps- of verzetmogelijkheid in te bouwen tegen het bindend advies, omdat dat op zichzelf weer tot juridisering zal leiden.6 Het bindend karakter van het advies van het JVKZ zou zich moeten beperken tot het blokkeren van de toegang tot de tuchtrechter, niet de route naar de Wkkgz-klachtenregeling en evenmin de route naar de civiele rechter. Dat laatste zou een ingrijpende wijziging van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering meebrengen, wat niet haalbaar, niet wenselijk is en
6 Vergelijk de mogelijkheid van verzet tegen de uit oogpunt van procesefficiency geïntroduceerde voorzittersbeslissing van het tuchtcollege, waar geregeld gebruik van wordt
ook niet nodig is, omdat het doel is tuchtklachten te kanaliseren en te bewerkstelligen dat klachten of ander ongenoegen op de juiste plaats behandeld worden.
2. Breid de taak en functie van de tuchtklachtfunctionaris uit Een andere optie, een variant op optie 1, is dat de reeds bestaande tuchtklachtfunctionaris, geïntroduceerd bij de wetswijziging van 2019, meer taken en bevoegdheden krijgt. Op dit moment is er een tuchtklachtfunctionaris beschikbaar, maar wordt deze alleen geraadpleegd als klager deze functionaris weet te vinden en benadert. Alleen al de aanduiding ‘tuchtklachtfunctionaris’ is mij altijd overgekomen als een drempel. Informatie over “indienen van een tuchtklacht tegen mijn arts” begint meestal met “u kunt een klacht indienen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg” en niet met de optie van raadplegen van de tuchtklachtfunctionaris. Het anders inrichten van informatie lijkt mij laaghangend fruit, dat kan bijdragen aan het doel “de juiste klacht op de juiste plaats”. Daarnaast kan de wettelijke taak van de tuchtklachtfunctionaris zodanig worden gewijzigd dat de potentiële klager deze functionaris eerst moet raadplegen voordat hij een tuchtklacht kan indienen. De functie van deze verplichting is zoals onder 1 besproken: eraan bijdragen dat de route wordt gekozen die het best aansluit bij het doel van klager, over de juiste personen wordt geklaagd en de klacht zo adequaat mogelijk wordt onderbouwd. Daarmee wordt de tuchtklachtfunctionaris geen rechtsbijstandverlener van de klager, maar wel de verstrekker van de noodzakelijke informatie over doel en werking van het tuchtrecht aan de potentiële klager.
3. Kijk naar de tuchtrechtregeling SKJ
Een laatste optie die ik onder de aandacht breng, is rechtstreeks ontleend aan de regeling van het tuchtrecht van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). SKJ kent een eigen tuchtrecht dat qua procedure en tuchtnormen sterk lijkt op het wettelijk tuchtrecht van de Wet BIG.7 De procedure is echter wezenlijk anders. Na de ontvangst van de klacht wordt deze beoordeeld door het zogeheten Voorportaalcollege. Dat beoordeelt eerst of gemaakt waarmee de beoogde efficiencywinst weer direct teniet wordt gedaan.
7 Tuchtreglement SKJ, versie 1.5, artikel 3.
de klacht aan de eisen voldoet, formele eisen, maar ook andere punten: o.a. een maximum van vijf klachtonderdelen en een deugdelijke onderbouwing.8 Als de klacht aan de eisen voldoet volgt niet automatisch een doorverwijzing naar het tuchtcollege (College van toezicht). Er zijn drie opties: doorverwijzing naar een mediator9, naar de commissie van consultatie of naar het College van toezicht. De commissie van consultatie vind ik de meest interessante optie. Die commissie richt zich niet op de vraag of de klacht wel of niet gegrond is maar wat er van de klacht geleerd is of kan worden. Daartoe voert de commissie gesprekken met zowel klager als beklaagde (visiegesprekken), bepaalt of er sprake is van ‘leeropbrengst’ en brengt advies uit aan het Voorportaalcollege, dat vervolgens bepaalt of de klacht wordt doorverwezen naar het College van toezicht. Deze optie in de procedure sluit goed aan bij het doel van het tuchtrecht: bevordering van de kwaliteit van de zorg. Leren van een klacht staat centraal en als dat effect voldoende bereikt is kan het daarbij blijven.
Mijns inziens zou de introductie van een dergelijke optie in het wettelijk tuchtrecht bijdragen aan het doel (leren en zo nodig corrigeren) en het verminderen van stress bij de professional. Verreweg de meeste professionals zijn vanuit hun intrinsieke motivatie bereid en in staat in gesprek aan te gaan over de kwaliteit van hun handelen. In de Wet BIG zou het zo geregeld kunnen worden dat het mondeling vooronderzoek naar voren gehaald wordt: dat volgt direct nadat de klacht is ontvangen. De beklaagde hulpverlener hoeft
geen verweerschrift in te dienen, maar wordt uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek zou dan niet alleen met de secretaris-vooronderzoeker, maar samen met een lid-beroepsgenoot moeten plaatsvinden, zodat de zorginhoudelijke aspecten voldoende uit de verf komen. Het doel: leren van een casus, staat centraal en dat doel moet tevoren voor partijen glashelder zijn. Ik zou er voorstander van zijn dat de gesprekken direct in aanwezigheid van beide partijen plaatsvinden, omdat dit de transparantie bevordert. In gevallen waarin een klager laat weten niet geïnteresseerd te zijn in leereffecten, maar dat het hem te doen is om een oordeel, zal hij naar de tuchtklachtfunctionaris verwezen worden die met hem bespreekt welke route het meest passend is. Bedacht moet worden dat het huidige mondeling vooronderzoek twee doelen heeft: aanvulling of verheldering van feiten en het beproeven van een minnelijke oplossing. In mijn optie 3 stel ik voor het mondeling vooronderzoek te hernoemen tot kwaliteitsgesprek. Niet alleen moet het gesprek zelf van goede kwaliteit zijn (wat ook iets vraagt van klager), maar gaat het over de kwaliteit van de zorg, de communicatie binnen de hulpverleningsrelatie en de vraag of de klacht aanleiding geeft ervan te leren en de kwaliteit te verbeteren. Ik ben ervan overtuigd dat die optie aansluit bij het doel dat klagers vaak formuleren: zij realiseren zich heel goed dat er dingen anders of fout kunnen gaan, maar willen voorkomen dat anderen hetzelfde overkomt. Als dát de gespreksleidraad vormt zou doelbereiking van het tuchtrecht best eens een stap(je) dichterbij kunnen komen.
8 Tuchtreglement SKJ, versie 1.5, artikel 7.4.1 en 7.4.2. 9 Indien de klacht voornamelijk betrekking heeft op communicatie, art. 7.6.2 Reglement.
Het (toekomstige) tuchtrecht in de praktijk
- door mr. L. Beij*
Bijna 100 jaar geleden werd de Medische Tuchtwet ingevoerd. Het doel van deze wet was het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de gezondheidszorg. Vijf tuchtcolleges konden op basis van een ingediende klacht een oordeel vellen over het handelen van bepaalde beroepsbeoefenaren en zo nodig een maatregel opleggen.1 Strikt genomen is er in die bijna 100 jaar weinig veranderd: hoewel er nog maar drie tuchtcolleges bestaan, is het doel van het tuchtrecht en de bevoegdheid een maatregel op te leggen onveranderd.
Onveranderd is ook dat de procedure nog steeds als zinloos, belastend en te lang wordt ervaren terwijl veel klachten ongegrond worden verklaard.2 Met de in de in 1997 ingevoerde regeling van het tuchtrecht in de Wet BIG werd gepoogd daarin verbetering aan te brengen. Inmiddels zijn we drie evaluaties, vele artikelen, visies en meningen waarin de functie van het tuchtrecht ter discussie staat verder. Daarin wordt vooral vanuit een theoretische benadering gekeken of en hoe het tuchtrecht op een andere wijze kan worden ingericht. Naast de theorie is het belangrijk de praktijk te betrekken bij de discussie over het toekomstige tuchtrecht. Immers is de maatschappij waarin we leven veranderd in de afgelopen 100 jaar. Veel mensen brengen meer tijd door met hun telefoon dan in gesprek met andere mensen. Gesprekken worden in toenemende mate gemeden: de telefoon wordt ook ingezet als mensen (toch) iets duidelijk willen maken aan een medemens. Vragen worden – ook weer via die telefoon – gesteld aan en beantwoord door “Chat” of “Co”. De (steeds schaarser wordende) zorgverleners werken in een
*Mr. L. Beij is advocaat bij Medirisk te Utrecht. Zij is gespecialiseerd in gezondheidsrecht en heeft uitgebreide ervaring met advisering en ondersteuning in procedures van zorgverleners en zorgaanbieders.
1 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, V.E.T. Dörenberg, J. Cazemir, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B.
verharde, vergrijzende, steeds agressiever wordende maatschappij. Zij hebben te maken met steeds complexere gezondheidsproblemen en werken onder grote druk in een systeem dat grotendeels door de politiek wordt bepaald waaraan het aantal elkaar in rap tempo opvolgend ministers op de post van het Ministerie van Volksgezondheid niet bijdraagt.
In dit artikel pleit ik ervoor om naast alle theoretische beschouwingen over het tuchtrecht ook maatschappelijke ontwikkelingen en praktische perikelen rondom het tuchtrecht te betrekken die wat mij betreft van grote invloed (kunnen) zijn op het (toekomstige) tuchtrecht in de praktijk.
Het begint allemaal bij de patiënt die bij de dokter komt vanwege vragen over of problemen met zijn of haar gezondheid. Op internet is al lang gezocht naar de oorzaak van die problemen. Maar internet kan de problemen niet verhelpen. Dat moet de dokter doen. Die ziet de patiënt vaak pas als de gezondheidsproblemen al even spelen. De patiënt heeft
Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.3.
2 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.7.
het vaak eerst even aangekeken en vond het soms ook spannend om naar de dokter te gaan. En vaak heeft het vanwege de wachtlijsten in de zorg ook even geduurd voordat de patiënt een plekje bij de dokter kon krijgen. Tijdens het gesprek vraagt de dokter de klachten uit en wordt onderzoek gedaan. De dokter heeft daarvoor vanwege de wijze waarop onze gezondheidszorg is ingericht maar kort de tijd. En daar ontstaat – vaak onbewust – de eerste frictie.
De patiënt voelt zich niet of te weinig gezien en gehoord, de dokter moet door om de patienten uit de volle wachtkamer ook te zien. In plaats van het maken van een vervolgafspraak om dit gevoel te bespreken gaat het gevoel waarmee de patiënt de spreekkamer verlaat een eigen leven leiden, ook onder invloed van alle spanningen, stress en onrust die een potentieel op het doktersbezoek volgend behandelingstraject met zich brengt. In de daaropvolgende periode kan het ook zo zijn dat uitkomst van het onderzoek tegenvalt en sprake blijkt van een moeilijk behandelbare of zelfs onbehandelbare ziekte waarmee de maakbaarheid van het leven in het geding komt. Mensen vinden dat moeilijk te accepteren en op een of andere manier lijkt het erop dat zij daarvoor een schuldige moeten aanwijzen. Ondanks dat zij zelf hebben gewacht met het bezoeken van de dokter, zelf niet hebben aangekaart dat zij de tijd die de dokter nam niet genoeg vonden en ook niet goed begrepen waarom de dokter het advies van
internet niet opvolgde, is het de schuld van de dokter dat nu sprake is van een moeilijk behandelbare of onbehandelbare ziekte. In het rouwproces dat daarop volgt wordt de boosheid en woede groter, wordt vergeten dat de dokter de patiënt juist heeft willen helpen met de gezondheidsklachten en dat de dokter de gezondheidsklachten waarmee de patiënt de dokter aanvankelijk bezocht niet heeft veroorzaakt. Maar dat die klachten zijn ontstaan zonder dat de dokter daarop invloed heeft gehad of zal kunnen hebben, net zomin als de dokter invloed kan uitoefenen op de effectiviteit en/of het aanslaan van een behandeling.
De patiënt die vervolgens besluit zijn onvrede te uiten, wordt geconfronteerd met een scala aan mogelijkheden om dit te doen. Een iiipatiënt kan zich in willekeurige volgorde en tegelijkertijd wenden tot verschillende instanties: hij kan naar de klachtenfunctionaris, een klachtencommissie, de geschillencommissie, het tuchtcollege, maar hij kan ook een claim indienen of naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg en in zeldzame gevallen aangifte doen. Die instanties kennen verschillende termijnen waarbinnen de onvrede moet worden geuit, weten niet altijd of dezelfde onvrede al door een andere instantie wordt behandeld en/of beoordeeld en stellen lang niet allemaal de vraag of de patiënt de onvrede al heeft besproken met de betrokken zorgverlener. Terwijl dat wel een hele belangrijke vraag is omdat eigenlijk alle onvrede eerst tussen patiënt en dokter zou moeten worden
besproken.3 Hoe moeilijk dat ook voor beide partijen is in een verhardende maatschappij waarin mensen het lastig vinden elkaar op een normale manier aan te spreken.
In mijn visie ligt hier een grote – praktische –kans op verbetering met een praktische insteek. Alle instanties die de onvrede van een patiënt kunnen beoordelen, dienen na ontvangst van een bericht van onvrede van een patiënt allemaal te stimuleren dat eerst een gesprek tussen patiënt en de zorgverlener wordt gevoerd. Op die manier wordt de klachtenstroom in de richting van de meest aanwezen klachtafhandeling – de klachtenregeling van de zorgaanbieder zelf op grond van de Wkkgz – gestuurd 4 Een groot voordeel daarvan is ook dat de patiënt de zorgaanbieder kan aanspreken voor het handelen van alle betrokken zorgverleners en niet – zoals in het tuchtrecht – alleen de individuele hulpverlener. Dat past veel meer bij de huidige organisatie van zorg waarin doorgaans meerdere zorgverleners en soms meerdere zorgaanbieders zijn betrokken bij de behandeling van een patiënt.5 Het tuchtrecht hoeft dus niet, zoals wel eens wordt bepleit, te worden aangepast aan het feit dat de zorg steeds minder wordt verleend door solistisch werkende beroepsbeoefenaren: daarvoor kennen we een ander systeem en een andere (wettelijke) grondslag. Wel moeten patiënten zo snel als mogelijk worden verwezen naar de juiste instantie om hun onvrede te laten beoordelen, zodat patiënten niet aan het einde van een procedure pas te horen krijgen dat zij beter een andere procedure hadden kunnen doorlopen voor (het bereiken van het doel van) hun klacht. Dat is wat mij betreft iets wezenlijks anders dan dat anderen dan de klager bepalen waar een klacht moet worden ingediend, zoals werd gesuggereerd in de kabinetsreactie op de tweede evaluatie.6 Immers weten patiënten volgens de patiëntenfederatie niet wie zij kunnen aanspreken voor welke handeling7 en vragen beroepsorganisaties en
3 Daarvoor pleiten ook meerdere beroepsorganisaties en zorgaanbieders: M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p. 80.
4 Dat is de klachtenregeling van de zorgaanbieder als bedoeld in de Wkkgz. In de literatuur en empirisch onderzoek bestaat de wens om de klachtenstroom meer in die richting te sturen: M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.12.
5 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.13.
zorgaanbieders mijns inziens terecht aandacht voor (de verwarring van) het bestaan van verschillende klachtwegen.8 Het daarin door samenwerking en (eenduidige) communicatie tussen de verschillende instanties patiënten zo goed als mogelijk op weg helpen is een praktische oplossing waarmee het recht op een tuchtklacht niet wordt ontnomen. Dat vervangen door een tuchtklacht mag, maar alleen als daarmee het doel van het tuchtrecht én het doel van de patiënt wordt bereikt.
Als een klacht dan toch bij het tuchtcollege terecht komt, zou het van toegevoegde waarde zijn als bij de (her)inrichting van het tuchtrecht rekening kan worden gehouden met de volgende praktische aspecten:
(1) Laat, naast een jurist, ook een aan het tuchtcollege verbonden medicus de klacht (mede) beoordelen, voordat de betrokken zorgverlener wordt gevraagd een verweerschrift in te dienen. Daarbij dient te worden bezien of de klacht, zoals door de Wet BIG beoogd, kan bijdragen aan het bewaken en/of bevorderen van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg. Kan daarvan worden geleerd en de normen van het professionele handelen worden verduidelijkt en/of aangescherpt? Met andere woorden: is de klacht gericht op het algemene patiëntenbelang en niet op individuele geschillenbeslechting?9 Kan door behandeling van de klacht worden bewerkstelligd dat er van wordt geleerd in de praktijk? Alleen met die klachten wordt immers het doel van het tuchtrecht bereikt.
(2) Hou bij de organisatie van de tuchtprocedure rekening met de praktijk en gevoelens van de betrokken zorgverleners. De envelop alleen al van het Tuchtcollege is genoeg om de bloeddruk en hartslag van iedere zorgverlener te doen stijgen, laat staan de dik gedrukte termijnen waarmee in achtvoud (!) om een reactie wordt gevraagd. Daarnaast maakt de inhoud van het klaagschrift de
6 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.65.
7 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.50.
8 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.80.
9 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.32.
nodige indruk, waarin de zorgverlener die doorgaans toch echt naar eer en geweten heeft gehandeld en zijn uiterste best heeft gedaan vaak wordt geconfronteerd met forse en vaak onnodig grievende kritiek op zijn handelen. Tot slot zou het prettig zijn als het Tuchtcollege na ontvangst van de reactie van de zorgverlener, die binnen 4 weken in achtvoud aan het Tuchtcollege moet worden toegezonden, ook zelf de nodige spoed betracht bij de verdere behadeling van de klacht. Nu moeten de zorgverleners (en de patiënten die de klacht indienen) vaak maanden wachten tot ze weer wat horen en/of een zitting wordt gepland. En vervolgens weer weken tot ze de uitspraak ontvangen.
(3) Mocht het Tuchtcollege het nodig vinden partijen te horen, kijk dan of maatwerk mogelijk is. Is een zitting in een (veelal gehuurde) zaal in de rechtbank echt noodzakelijk? Of zou het mogelijk zijn om net als de geschillencommissies en voorheen het Tuchtcollege Eindhoven een voor zowel patiënt als de betrokken zorgverlener meer toegankelijke zaal te regelen waarin een echt gesprek kan
ontstaan? En als toch naar maatwerk wordt gekeken: kan een zitting mogelijk plaatsvinden op een moment dat het voor de zorgverlener minder stress oplevert, bijvoorbeeld aan het einde van de dag of (begin van) de avond? Met in het achterhoofd dat op die wijze veel minder zorgverleners (de betrokken zorgverlener én de zorgverleners uit het College) worden onttrokken aan de toch al onder druk staande zorg?
Het is belangrijk om naast de theorie de praktijk te betrekken in de (discussie over het) toekomstige tuchtrecht. Ten behoeve van de evaluatie is met 2 klagers en 7 advocaten gesproken: van gesprekken met zorgverleners blijkt niet.10 Zorgverleners worden al met genoeg (maatschappelijke) uitdagingen geconfronteerd en ervaren negatieve (neven)effecten van een tuchtprocedure 11 Betrek hen in de discussie, en bespreek wat praktisch werkbaar is. Zodat zorgverleners zo min mogelijk last hebben van een tuchtklacht12 en zich vooral kunnen blijven richten op waar zij het beste in zijn en waar we ze hard nodig hebben: de patiëntenzorg!
10 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.26.
11 M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de wet BIG, Den Haag: ZonMw, 2025, p.48.
12 Zie bijvoorbeeld S. Niemansburg & S. Paauw, Medisch Contact, ‘Ik ben niet meer de spontane arts die ik vroeger was’, 30 januari 2025. Zie https://www.medisch contact.nl/actueel/laatste-nieuws/artikel/ik-ben-niet-meer-despontane-arts-die-ik-vroeger-was-1.
K omt een huisarts bij de tuchtrechter
- door mr. E. de Jong*
Een voorbeeld uit de jurisprudentie. Een vrouw heeft op 2 november 2020 een dubbelconsult bij een huisarts. De vrouw uit meerdere gezondheidsklachten tijdens het consult. Een familielid, dermatoloog, zou haar hebben uitgelegd dat zij vanwege haar klachten moest worden doorverwezen naar een KNO-arts én naar een neuroloog. De huisarts doet onderzoek en verwijst de vrouw vooralsnog alleen naar een KNO-arts. Dit zint de vrouw niet, want zij wenst twee doorverwijzingen. Zij verlaat boos de spreekkamer.
Vervolgens bemoeit de echtgenoot van de vrouw zich ermee. Hij neemt telefonisch contact op met de praktijk. Daarover is in het dossier te lezen ”echtgenoot eist teruggebeld te worden door de huisarts. Gaat haar anders helemaal door de mangel trekken. Hun zijn de klant.”
In het telefoongesprek tussen de huisarts en de echtgenoot maakt ook de echtgenoot duidelijk dat hij voor zijn vrouw een verwijzing naar een neuroloog wil. De toon van dat gesprek is onprettig. In het telefoongesprek legt de huisarts haar beleid nogmaals uit. De echtgenoot is het er niet mee eens en laat dan al weten dat er mogelijk een klacht komt.
En die klacht komt er ook en wel in 2024, dus 4 jaar na dato. Klagers vinden dat de huisarts klaagster onheus en gejaagd heef bejegend, dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht, dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en dat zij klaagster onterecht niet ook heeft verwezen naar een neuroloog. In de verwijsbrief aan de KNO-arts heeft de huisarts bovendien smadelijke gegevens over klagers opgenomen en daarmee onder meer haar
* Mr. E. de Jong is advocaat gezondheidsrecht bij KBS Advocaten en gespecialiseerd in tuchtrecht en medische aansprakelijkheid. Voorheen werkte hij bij de KNMG en was daarvoor IC-verpleegkundige. Daarnaast is hij mede-auteur van het Handboek voor Gezondheidsrecht
beroepsgeheim geschonden. Tot slot heeft de huisarts ook de privacy van klagers geschonden door onbevoegd gebruik te maken van de UZI-pas van een collega-waarneemster, die daardoor toegang had tot het dossier van klaagster, aldus nog steeds klagers. Ongeveer een jaar later, op 4 juli 2025, volgt er een zitting bij het Regionaal Tuchtcollege. Klagers zijn er echter niet, zonder bericht van verhindering. De huisarts en haar gemachtigde zijn er wel. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de echtgenoot van klaagster in zijn klacht niet-ontvankelijk (want geen rechtstreeks belanghebbende) en wijst de klacht inhoudelijk als ongegrond af.1
Dat oordeel wordt door klagers niet geaccepteerd: zij gaan in beroep bij het Centraal Tuchtcollege en er volgt een tweede zitting. Die is op 25 maart 2026. Dit keer zijn klagers er wel. Het baat hen echter niet, want het oordeel van het Centraal Tuchtcollege van enkele weken later is min of meer gelijk aan dat van het Regionaal Tuchtcollege.2 In de uitspraak is onder meer te lezen: ‘Klagers uiten in het klaagschrift en het beroepschrift kritiek op het handelen van de huisarts op een groot
1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg ’s-Hertogenbosch 27 augustus 2025; ECLI:NL:TGZRSHE:2025:99.
2 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 29 april 2026; ECLI:NL:TGZCTG:2026:87.
aantal detailpunten die noch individueel noch in onderlinge samenhang bezien leiden tot gegronde klachten.’ De uitspraak van het Centraal Tuchtcollege is van 29 april 2026. Het is dan 5 ½ jaar na het eenmalige consult.
1. Enkele bespiegelingen
In deze casus komt een aantal gebreken dan wel onevenredige nadelen van het tuchtrecht voor zorgverleners samen. Die gebreken/nadelen zijn al heel lang bekend en worden in de recente, derde evaluatie van de Wet Big ook genoemd. Ik noem er slechts enkele.
Bovenal kan worden genoemd dat het systeem van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg volledig is gebaseerd op ingediende klachten. Zonder klacht geen tuchtrecht. Verreweg de meeste klachten worden ingediend door, wat de wet noemt, een rechtstreeks belanghebbende. Veelal is dat de patiënt, een naaste van een patiënt of een nabestaande. In 2025 werden door de regionale tuchtcolleges 1262 klachten ontvangen.3 Daarvan waren er 1212 afkomstig van een patiënt of een naaste/nabestaande. Dat is 96%. Ter vergelijking: de IGJ kan ook klachten indienen en deed dat in 2025 36 maal.
Patiënten of hun naasten/nabestaanden zijn over het algemeen leken op het gebied van de gezondheidszorg. Dit heeft onder meer tot gevolg dat niet zelden klachten worden ingediend zonder enige onderbouwing of met een onderbouwing die weinig van doen heeft met de norm waaraan getoetst moet worden. Die norm is niet dat al het mogelijke is gedaan, dat van het slechtste scenario wordt uitgegaan of dat de patiënt tevreden moet worden gehouden. De norm is dat wordt bezien of de aangeklaagde zorgverlener heeft gedaan wat de gemiddelde collega, rekening houdend met de professionele standaard, in dezelfde situatie zou hebben gedaan. Klagers zijn echter niet aan die norm gebonden en hoeven daarmee ook niet bekend te zijn. Zij mogen hun eigen normen en verwachtingen aan een klacht ten grondslag leggen, al dan niet verwijzend naar informatie op internet of gestelde visies van bevriende deskundigen. In het genoemde voorbeeld was dat ook aan de
orde. Klagers schermen met een verder onbekend gebleven dermatoloog en waren ervan overtuigd dat klaagster meteen ook naar een neuroloog zou moeten verwezen. Te verwachten valt dat door het gebruik van Chat GPT en dergelijke dit steeds meer voor zal komen.
Een tweede probleem is de kennis achteraf. Niet zelden wordt een klacht gebaseerd op latere ontwikkelingen en soms zelfs op de ultieme latere kennis: de informatie die bij obductie wordt verkregen. Een voorbeeld is de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 1 april 2026. 4 Daaruit blijkt dat een huisarts wordt verweten een diagnose te hebben gemist en een kokervisie te hebben gehad bij een vrouw die plotseling is overleden. Enkele maanden eerder is zij door de huisarts onderzocht en verwezen naar een internist. Toen werd niets gevonden. Dat de vrouw enkele maanden later plotseling overlijdt is uiteraard betreurenswaardig, maar op zich is dat geen relevant gegeven. Die kennis mag dus geen rol spelen. Dat spreekt voor zich, maar het probleem is dat niemand die achteraf verkregen kennis weggedacht krijgt, zeker niet als er sprake is van een overlijden.
Een ander probleem dat hiermee - klagers zijn over het algemeen leken - verband houdt is dat klachten zich heel vaak concentreren op voor klagers begrijpelijke gebeurtenissen. Ik bedoel daarmee dat een klager een gevoel moet hebben dat er iets mis is gegaan. Dat vergt ook een begin van begrip van wat zich heeft voorgedaan. Klachten gaan zelden over ingewikkelde aangelegenheden, zoals de instelling van een beademingsmachine bij een patiënt die op de IC ligt (had de PEEP 10 mm moeten zijn in plaats van 15 mm?), het medicamenteus behandelen van een patiënt met paroxysmale supraventriculaire tachycardieën of de door een psychotherapeut gehanteerde gesprekstechniek. Zoals gezegd mogen klagers aan een klacht hun eigen normen ten grondslag leggen, maar ze moeten wel een concrete klacht formuleren. Dat zijn daarom vaak relatief basale klachten. Die klachten kunnen uiteraard serieus zijn, maar of het ook lukt om ingewikkelde kwesties aan
4 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 1 april 2026; ECLI:NL:TGZCTG:2026:68.
de tuchtrechter voor te leggen valt zeer te betwijfelen.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de meeste klachten die bij de tuchtrechter worden ingediend als ongegrond worden afgewezen, niet zelden zelfs als kennelijk ongegrond. Sterker: een substantieel deel van de klachten dat wordt ingediend kan niet eens door de tuchtcolleges beoordeeld worden, omdat de aangeklaagde helemaal niet onder het tuchtrecht valt. Dit is een grote frustratie
onbegrijpelijk lange termijn. Ter vergelijking: in het advocatentuchtrecht is de verjaringstermijn 3 jaar. 10 jaar is voor sommige klagers overigens echter nog niet genoeg. Het gebeurt niet veel, maar er worden wel klachten ingediend over gebeurtenissen die meer dan 10 jaar eerder hebben plaatsgevonden. En wat soms ook gebeurt is dat er een klacht wordt ingediend enkele weken voordat de verjaringstermijn verloopt.7 De frustraties daarover bij de aangeklaagde laten zich raden.
voor het hele systeem en die frustratie komt in iedere evaluatie naar voren. Daarbij wordt in de laatste evaluatie verschillende malen opgemerkt dat er veel klachten worden ingediend die niet in het tuchtrecht thuishoren.5 Wat daarmee bedoeld wordt is mij niet duidelijk. Als daarmee bedoeld wordt dat de tuchtrechter er alleen is voor serieuze klachten, dan is dat op basis van de huidige regelgeving niet te verdedigen. Slechts kan dit dan worden gezien als een wenselijke situatie die alleen bereikt kan worden als het juridisch systeem wezenlijk anders wordt ingericht qua instroom. Dat is sinds 1997, toen het huidige tuchtrecht in werking trad, feitelijk niet aan de orde geweest.6 Sterker: het tuchtrecht is alleen maar uitgebreid doordat er meer beroepen onder het tuchtrecht zijn gaan vallen.
En dan nog één punt: de verjaringstermijn van maar liefst 10 jaar. Dat is een
5 Evaluatie Het tuchtrecht in de Wet BIG; Den Haag: ZonMw, november 2025 Reeks evaluatie regelgeving: deel 56.
6 Wel is in 2019 een griffierecht van € 50, ingevoerd.
2. Cijfers
De in dit artikel besproken casus brengt mij ook op het volgende. De klacht was ingediend tegen een huisarts. Dat is op individueel niveau niet opvallend, maar als meer overstijgend wordt gekeken naar de verdeling van de tuchtzaken, dan valt het volgende wel op. De beroepsbeoefenaren die onder het tuchtrecht van de Wet Big vallen zijn diegenen die geregistreerd staan in het Big-register.8 Het aantal geregistreerden wisselt steeds, maar was bijvoorbeeld op 1 maart 2026 zoals te zien in kolom A. Kolom B geeft het aantal zaken weer dat de regionale tuchtcolleges in 2025 heeft afgehandeld per beroepsgroep; in kolom C staat het percentage van het aantal geregistreerde in verhouding tot het aantal afgehandelde klachten per beroepsgroep. Kolom D geeft het percentage
7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 27 maart 2025; ECLI:NL:TGZRAMS:2026:60a2025.
8 Ik laat de mogelijkheid van een tijdelijk register zoals bedoeld in artikel 36b Wet Big even buiten beschouwing.
per beroepsgroep in verhouding tot het totaal aantal zaken weer.
Wat we dan zien is dat het tuchtrecht in de gezondheidszorg vooral tuchtrecht ten aanzien van artsen is, zowel in absolute als in relatieve zin. Van de zaken die in 2025 door de regionale tuchtcolleges zijn afgedaan betrof het in 73 % een arts. Artsen lopen relatief gezien het grootste risico op een tuchtklacht. Dat is altijd al zo geweest.
Van de 712 zaken die in 2025 ten aanzien van artsen zijn afgedaan betrof het in 186 gevallen (26 %) een huisarts en in 113 gevallen (16 %) een psychiater. Dit dient echter genuanceerd te worden, want de huisartsen en de psychiaters zijn de grootste groepen van artsen die zich gespecialiseerd hebben. Er zijn ongeveer 16000 geregistreerde huisartsen in Nederland en ongeveer 4100 psychiaters.9 Relatief gezien is de huisarts noch de psychiater het meest risicovolle beroep als het gaat om de kans op een tuchtklacht. Dat was in 2025 de plastisch chirurg (in 2025 14 zaken bij ongeveer 465 geregistreerde plastisch chirurgen). De reden hiervoor laat zich raden en heeft te maken met hetgeen ik eerder opmerkte: de klager moet ontevreden zijn en de klacht formuleren. Cosmetische chirurgie,
onderdeel van de plastische chirurgie, is gericht op een zichtbaar resultaat en als het resultaat tegenvalt ligt ontevredenheid op de loer. Tel daarbij op dat cosmetische chirurgie duur is en door de ‘patiënt’ zelf moet worden betaald, dan is het risico van een klacht voor de hand liggend.
3. System error?
Het voorgaande roept de vraag op of het systeem werkt. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van wat met het tuchtrecht beoogd wordt. Als beoogd wordt dat iedere patient/naaste/nabestaande de mogelijkheid moet hebben om zonder enige kennis van zaken een klacht in te dienen (met een verjaringstermijn van 10 jaar), dan kan worden geconcludeerd dat het systeem daarvoor voldoende de mogelijkheid biedt. De € 50,-- griffierecht is misschien een drempel, maar erg hoog is die drempel niet. Niettemin is € 50,voor sommige mensen veel geld en daardoor misschien een te hoge drempel.
Uitgaande van het voorgaande valt het met het aantal klachten misschien wel mee. Hieronder een overzicht van het door de regionale tuchtcolleges aantal afgehandelde klachten sinds 2010. Zijn dat er veel? Afgezet
tegen het aantal patiëntencontacten van alle Big-geregistreerden valt dat wel mee.10
Maar als de bedoeling is dat de tuchtcolleges tot doel hebben de kwaliteit van zorg te bewaken en bevorderen én dat in een rechtvaardig en redelijk systeem te doen, dan is er werk aan de winkel. De beschreven casus laat zien dat het te makkelijk is om zonder kennis van zaken een klacht in te dienen. In dat laatste zit naar mijn idee het structurele probleem. Het is goed dat er tuchtrecht is,
want soms is ingrijpen door de tuchtrechter echt nodig. Maar een wettelijk tuchtrechtsysteem dat gebaseerd is op klachten van leken heeft te veel risico’s op verkeerde verwachtingen en beschadigde zorgverleners. Of, zoals onlangs in een uitspraak door de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege werd overwogen: ’De voorzitter constateert dat de verwachtingen die klager heeft over de wijze waarop een tuchtrechtelijke procedure dient te verlopen niet overeenstemmen met de wettelijke bepalingen hierover.’
10 De knik in 2016 heeft mogelijk te maken met de inwerkingtreding van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen gezondheidszorg (Wkkgz), waardoor er ook de mogelijkheid kwam om een kwestie aan een geschillencommissie
voor te leggen. Het griffierecht is in 2019 ingevoerd en 2020-2022 was de coronaperiode. Zeker in 2020 was er applaus voor de zorg.
De toekomst van het tuchtrecht vanuit het perspectief van verpleegkundigen
-
door mw. I.A.S. Kooijman & mr. A. Steger*
Over het medisch tuchtrecht is veel te doen, zowel in de juridische praktijk als in de praktijk van de zorgprofessional. De laatste jaren is de kritiek op het tuchtrecht toegenomen.1 Mede naar aanleiding van het onlangs verschenen evaluatierapport 2 gaat de discussie momenteel over de vraag hoe het tuchtrecht toekomstbestendig kan worden. Het doel van het tuchtrecht, de kwaliteit van zorg bewaken en bevorderen, is een doel waar eenieder zich in kan vinden. Maar behaalt het huidig tuchtrecht dat doel voldoende? En past het tuchtrecht wel bij de huidige gezondheidszorgpraktijk? Vanuit het perspectief van verpleegkundigen3 zien we veel knelpunten over het tuchtrecht zelf, maar we focussen ons in dit artikel op een paar knelpunten van het tuchtrecht die te maken hebben met de praktijk van de gezondheidszorg.
Uitgangspunt in het tuchtrecht is dat iedere zorgverlener een eigen professionele verantwoordelijkheid draagt voor het eigen (medisch) handelen.4 Er is al jaren een ontwikkeling gaande waarin we zien dat de druk op het gezondheidszorgsysteem toeneemt. Het aantal patiënten neemt toe, de complexiteit van de zorgvragen neemt toe en het aantal zorgprofessionals neemt af.5 In de gezondheidszorg wordt veel samengewerkt in teams, samenwerkingsverbanden en in netwerken.
* Mw. I.A.S. Kooijman is jr. juridisch adviseur bij Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) en verpleegkundige in de ouderenzorg. Mr. A. Steger is senior adviseur beleid en belangenbehartiging bij V&VN.
1 J. Legemaate, ‘Haalt het medisch tuchtrecht de honderd jaar?’ NJB 2026/3.
2 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025.
Verpleegkundigen werken vrijwel altijd samen met andere zorgprofessionals. Als er iets misgaat, is dat vaak veroorzaakt door verschillende factoren binnen de zorgverlening, verricht door meerdere zorgprofessionals. Fouten zijn niet altijd te herleiden naar één zorgprofessional. Het tuchtrecht is echter ingericht op individuele aansprakelijkheid en persoonlijke verwijtbaarheid. Dit schuurt met de huidige realiteit van de gezondheidszorg.
3 Per 2 april 2026 stonden er ruim 225.000 verpleegkundigen geregistreerd in het BIG-register. Verpleegkundigen zijn daarmee, met afstand, de grootste groep zorgprofessionals in het BIG-register. Zie: CIBG, ‘Registratiecijfers’, 2026.
4 CTG 29 januari 2021, ECLI:NL:TGZCTG:2021:36, r.o. 4.9-4.10.
5 Raad Volksgezondheid & Samenleving, Zorgen in een krappe arbeidsmarkt, 2020.
Tevens leidt de druk op het gezondheidszorgsysteem tot schaarste aan zorgprofessionals. Hierdoor komt de kwaliteit van zorg onder druk te staan.6 De werkdruk voor verpleegkundigen wordt als hoog ervaren.7 Zorgprofessionals kunnen door schaarste overvraagd worden en onder druk komen te staan.8 Door schaarste werken teams soms structureel onderbezet en met medewerkers die (nog) geen volledige diploma’s hebben. Stagiaires en leerlingen worden soms ingezet als volwaardig gediplomeerde zorgverleners. Ook worden zorgverleners ingezet op basis van behaalde certificaten, in plaats van diploma’s. Met als gevolg dat verpleegkundigen steeds vaker naast collega’s staan zonder volwaardig diploma, terwijl de verantwoordelijkheid voor veilige en goede zorg onverminderd zwaar blijft. Verpleegkundigen voelen zich moreel verantwoordelijk om de zorg goed op orde te houden, terwijl de randvoorwaarden, zoals voldoende bevoegde en bekwame collega’s, niet altijd op orde zijn. Dat levert morele stress op, zoals prof. Bianca Buurman in haar Els Borst lezing uitlegt.9 Onder grote druk en stress werken verhoogt ook het risico op fouten door een individuele verpleegkundige. Wie is hiervoor verantwoordelijk?
Schaarste raakt aan de professionele verantwoordelijkheid.10 Maar kunnen we de individuele zorgprofessional (volledig) verantwoordelijk houden bij fouten als de kwaliteit van zorg binnen een zorgorganisatie in het geding komt door schaarste?11 En ligt die verantwoordelijkheid niet op een andere plek? Zorgorganisaties zijn op basis van de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg in de instelling. Zorgorganisaties zijn verantwoordelijk voor voldoende en deskundige zorgverleners om goede zorg te kunnen verlenen, dus moet de verantwoordelijkheid dan niet
6 Nederlandse Zorgautoriteit & Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, ‘Krapte in de zorg zet kwaliteit en toegankelijkheid van zorg onder druk’, 2022.
7 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Helft zorgwerknemers vindt werkdruk te hoog’, 2022
8 Centrum voor Ethiek en Gezondheid, “Ik kom zo bij u…” Verpleegkundigen, verzorgenden en begeleiders onder druk door personeelstekort, Den Haag: 2025, p. 6.
9 B. Buurman, De grens voorbij – goede zorg vraagt ruimte én rugdekking. CEG Els Borst lezing 2025.
10 J.G. Sijmons, ‘Schaarste en professionele autonomie’, TvGR 2022/5, p. 388-399.
veel meer verschuiven van de individuele zorgverlener naar de zorgorganisatie? En is daarvoor de Wkkgz-klachtenprocedure niet ook veel meer geëigend dan een tuchtrechtprocedure?
1. De realiteit van het tuchtrecht
Wanneer de kwaliteit van zorg tekortschiet moeten patiënten de mogelijkheid hebben tot het indienen van een klacht. Dit is een fundamenteel recht. Het evaluatieonderzoek laat zien dat er nog veel klachten worden ingediend in het tuchtrecht die daar niet op hun plaats zijn.12 De vraag die opkomt is of patienten altijd gebaat zijn met de tuchtrechtprocedure of dat hun klacht beter in een ander systeem behandeld zou kunnen worden, zoals onder het klachtrecht van de Wkkgz?
Ook zien we in het tuchtrecht situaties die illustreren dat aan de functies en het doel van het tuchtrecht voorbij wordt geschoten. Bijvoorbeeld de zaak13 overeen geweldsincident van de zoon van de klager (patiënte) naar een verpleegkundige. Vervolgens heeft de klager een tuchtklacht ingediend tegen deze verpleegkundige.
Alhoewel deze klacht ongegrond verklaard is met een voorzittersbeslissing, is deze zaak zorgelijk. Een verpleegkundige wordt aangevallen tijdens haar werk en vervolgens wordt tegen haar een tuchtklacht ingediend. In hoeverre gaat dit nog om het bevorderen van de kwaliteit van zorg? Tevens legt deze zaak een ander knelpunt bloot: de toenemende agressie tegen zorgprofessionals.14
Hierbij komt dat een tuchtklacht door zorgprofessionals vaak als zeer belastend wordt ervaren. Een tuchtzaak heeft vaak impact op het privéleven en het professionele
11 In de zaak CTG 27 augustus 2021, ECLI:NL:TGZCTG:2021:153 oordeelde het CTG dat het de Specialist Ouderengeneeskunde tuchtrechtelijk kon worden verweten dat ze bleef werken in een werkomgeving met ernstige onderbezetting (r.o. 5.16).
12 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025, p. 103.
13 RTG Amsterdam, 13 januari 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:13
14 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Bijna 6 op de 10 zorgmedewerkers ervaren agressie patiënten, 2026.
functioneren van de zorgprofessional.15 Zo ervaren zorgprofessionals angst en frustratie omtrent het tuchtrecht en zijn er zorgprofessionals die overwegen te stoppen met hun vak vanwege het tuchtrecht.16 Ook worden zorgprofessionals opgezadeld met de last van het (soms lange17) voortraject en wordt er na een tuchtklacht soms defensiever gehandeld.18
2. De scenario’s
In de wetsevaluatie is de toekomstbestendigheid van het tuchtrecht onderzocht. De onderzoekers hebben de aanbeveling gedaan om te kiezen tussen twee scenario’s: 1. Het voortborduren op het huidig tuchtrechtelijk systeem of 2. Oriënteren op een herzien tuchtrechtelijk systeem.19 Beide scenario’s kennen kansen en risico’s. Wij zien veel knelpunten die door scenario 1 niet worden opgelost. Bovendien schuurt de realiteit van de gezondheidszorg met het concept van de individuele verantwoording, zoals die geldt in het tuchtrecht. Wat ons betreft is scenario 1 dan ook geen (goede) optie. Voortborduren is in dit geval voortmodderen.
Onze voorkeur gaat uit naar scenario 2, maar ook dit scenario roept vragen op. Er moeten principiële keuzes gemaakt worden over hoe het tuchtrecht er dan wél uit moet zien. Dit vereist zorgvuldigheid. Van belang is dat zorgprofessionals verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun individuele handelen, maar ook (beter) worden beschermd door het systeem. Het moet niet mogelijk zijn om individueel verantwoordelijk te worden gehouden voor problemen veroorzaakt buiten de invloedssfeer van de individuele verpleegkundige. Naar onze mening biedt scenario 2 daarvoor de beste mogelijkheden. Wij zien, net als de onderzoekers, een rol voor het tuchtrecht bij ‘ernstige klachten’: situaties
15 Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, De B van Bekwaam – Naar een toekomstbestendige Wet BIG, 2019, p. 39.
16 S. Niemansburg & S. Pauw, ‘Enqûete tuchtrecht – ‘Ik ben niet meer de spontane arts die ik vroeger was’’, Medisch Contact, 30 januari 2025.
17 Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg, ‘Cijfers Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg’, 2025.
18 J. Weenink, I. Wallenburg, E. Hulst, R. Bal, Essay Tussen Leren, Samenwerken en Straf: de Verschuivende Rol van Wet- en Regelgeving in de Beroepsuitoefening van de Zorg, p. 14
19 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers,
waarin de individuele beroepsbeoefenaar tot verantwoording te roepen noodzakelijk is.20 In deze gevallen moet een individuele zorgprofessional verantwoordelijk worden gehouden en worden gecorrigeerd. De vraag is hoe een ‘ernstige klacht’ moet worden gedefinieerd. Prof. Johan Legemaate stelde onlangs op LinkedIn voor om de klachtgronden van het tuchtrecht te beperken tot twee categorieën: ‘zaken waarin er aanwijzingen zijn voor een ernstige bedreiging van de kwaliteit van zorg en zaken waarin norm ontwikkeling/-verduidelijking nodig is.’21 Dit past bij de essentie en het oorspronkelijke doel van het tuchtrecht. Een aantal voorbeelden zijn (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, drank- of drugsmisbruik en ernstige schendingen van de professionele standaard. De ‘lichtere’ en ‘team’ klachten zouden dan beslecht kunnen worden via het klachtrecht van de Wkkgz bij de zorgorganisaties. Een randvoorwaarde hierbij is versterking van de Wkkgz-klachtenregeling.
We denken dat de onderzoekers met scenario 2 goede aanbevelingen hebben gedaan. Er zijn kanttekeningen te plaatsen, zoals over de voorgestelde procedure. Wie bepaalt of de klacht als ‘ernstig’ te kwalificeren is? Is dat op voorhand altijd te beoordelen? Ook wordt de mogelijkheid opengehouden voor de klager om de klacht na contact met een instantie of functionaris alsnog gemotiveerd in te dienen bij het tuchtcollege.22 Wij vragen ons af of door deze mogelijkheid niet alsnog veel klachten bij het tuchtcollege terecht komen, die daar eigenlijk niet thuishoren.
Hoe zit het met de verhouding tussen ‘lichte’ en ‘ernstige’ klachten? Worden deze door de instanties van tucht- en klachtrecht naar elkaar doorverwezen, indien ze toch ‘ernstig’/’licht’ blijken te zijn?
Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025, p. 213-217.
20 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025, p. 216.
21 Zie: LinkedInprofiel van J. Legemaate, post ‘aanpassing tuchtrecht’. https://nl.linkedin.com/posts/johan-legemaateb8613512_aanpassing-tuchtrecht-activity7443354371544887297-2Rfn
22 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie. Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025, p. 217.
Ook zou behandeling door diverse zorgorganisaties onder het Wkkgz-klachtrecht een risico kunnen betekenen voor de eenduidigheid van de klachtbehandeling doordat er veel verschillende actoren bij betrokken zijn. Daardoor zou de rechtseenheid in het geding kunnen komen. En, hoe wordt het lerend element uit de ‘lichte klachten’ bevordert als de lerende elementen, zoals een normontwikkeling voor beroepsgroepen, verspreid zijn over de zorgorganisaties? Hoe worden deze lessen gedeeld met de gehele beroepsgroep? Ook scenario 2 vergt dus nog veel nadere invulling en ingewikkelde afwegingen. Het is van belang dat zorgvuldig wordt nagedacht over de procedure.
3. Een herstelgerichte benadering
Uit onderzoek volgt dat patiënten voornamelijk behoefte hebben aan erkenning van de (emotionele) impact van de situatie, een luisterend oor en dat zorgprofessionals leren van de gebeurtenis.23 Onze aanbeveling is dan ook de mogelijkheid van een herstelgerichte benadering (restorative justice) bij klachten over de kwaliteit van zorg te onderzoeken. Er is nog weinig aandacht voor herstel bij ongewenste zorguitkomsten, terwijl hier wel een behoefte ligt.24
De herstelgerichte benadering richt zich op wat nodig is om van een gebeurtenis te helen.25 Dit zou een waardevolle aanvulling op het klacht- en hervormde tuchtrecht kunnen zijn. Samen naar een passende oplossing zoeken, zou de kwaliteit van zorg en de uitkomsten voor de patiënt ten goede kunnen komen.
4. De toekomst
Al met al is er nog een lange weg te gaan voordat we een toekomstbestendig tuchtrechtelijk systeem hebben, dat aansluit bij de realiteit van de gezondheidszorg. Verpleegkundigen staan voor veel uitdagingen, maar zij doen iedere dag weer hun best om de beste zorg voor hun patiënten voor elkaar te krijgen. De individuele verpleegkundige kan de oorzaken van maatschappelijke problemen, zoals schaarste, niet aanpakken, maar laten we ervoor waken dat de gevolgen van maatschappelijke problemen niet bij de individuele verpleegkundige terecht komen. Toch zijn wij hoopvol door de discussie die momenteel gevoerd wordt. We zien steeds meer draagvlak voor een herziening van het tuchtrecht. Hopelijk raakt ook de minister overtuigd van de noodzaak tot herziening van het tuchtrecht en wordt dit slagvaardig opgepakt.
23 Centrum voor Ethiek en Gezondheid, Omgaan met onbedoelde en ongewenste uitkomsten in de zorg, 2022, p. 15-18.
24 Centrum voor Ethiek en Gezondheid, Omgaan met onbedoelde en ongewenste uitkomsten in de zorg, 2022, p. 47-49.
25 B.S. Laarman ‘Wat is de rol van het recht als er iets misgaat in de gezondheidszorg?’ TvGR 2023/3, p. 225-228.
Spreken of zwijgen?
De zorgverlener tussen tuchtrecht en strafrecht
- door mr. R.J. van Eenennaam & mr. N. van Heel*
Het komt met enige regelmaat voor dat strafrecht en medisch tuchtrecht elkaar raken. Bepaald (medisch) handelen kan zowel tuchtrechtelijke als strafrechtelijke verwijtbaarheid opleveren, waardoor beide procedures parallel aan elkaar lopen. Klassiek geldt da t het tuchtrecht normerend en corrigerend is, terwijl het strafrecht bestraffend werkt. In de praktijk vervaagt dat onderscheid echter. In deze bijdrage staat het spanningsveld centraal tussen beide routes, in het bijzonder waar het gaat om bewijsrecht en procedurele waarborgen. Ook wordt een blik geworpen op de toekomst: moet het tuchtrecht strafrechtelijker worden, moeten systemen worden gescheiden, of is een waarborgmodel op het snijvlak van beide routes nodig?
Het strafrecht en het medisch tuchtrecht zijn afzonderlijke rechtsgebieden met uiteenlopende doelen. Het medisch tuchtrecht beoogt de kwaliteit van de gezondheidszorg,1 en daarmee van de beroepsgroep, te bewaken. De normen waaraan het handelen van zorgverleners wordt getoetst, zijn neergelegd in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).
Een medische tuchtklacht wordt in eerste aanleg behandeld door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG). Het RTG toetst aan de tuchtnormen van artikel 47 Wet BIG.2 Bij gegrondverklaring kan het RTG maatregelen opleggen, variërend van een
* Mr. R.J. van Eenennaam en mr. N. van Heel zijn advocaat bij SKE Advocaten. Van Eenennaam is gespecialiseerd in sanctierecht, medisch strafrecht en fraudezaken. Van Heel houdt zich bezig met het straf- en strafprocesrecht.
1 https://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/
2 De eerste norm: is het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar hoort te verlenen. De
waarschuwing tot doorhaling in het BIG-register en/of een (tijdelijk) beroepsverbod3. Deze maatregelen dienen primair de normhandhaving en de kwaliteitsbewaking.
Het strafrecht kent andere, vaak cumulatieve doelen: in het bijzonder vergelding (toebrengen van leed) en preventie (voorkomen van herhaling). Een zorgverlener wordt doorgaans in het strafrecht betrokken naar aanleiding van een aangifte, waarna het Openbaar Ministerie (OM) beslist over vervolging. De mogelijke sancties zijn bekend: geldboetes, taakstraffen en vrijheidsstraffen. Anders dan bij het tuchtrecht is de strafrechtelijke reactie expliciet punitief van aard.
tweede norm: is het handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.
In het tuchtrecht wordt medisch handelen getoetst aan de tuchtnormen uit artikel 47 Wet BIG. Schending daarvan kan leiden tot een tuchtrechtelijke maatregel. In het strafrecht daarentegen kan medisch handelen slechts in specifieke, wettelijk omschreven gevallen tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Te denken valt aan dood door schuld (art. 307 jo. 309 Sr), zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 308 jo. 309 Sr), het verlaten van een hulpbehoevende (art. 255 jo. 257 Sr), mishandeling (art. 300 Sr) of seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Voor een strafrechtelijke veroordeling is vereist dat opzet dan wel schuld wordt bewezen. Dat gaat verder dan enkel het handelen in strijd met een professionele norm. In zaken tegen zorgverleners gaat het veelal om schuldvarianten: dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld. Het schuldbegrip (culpa) wordt in het strafrecht omschreven als een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het verschilt daarmee van opzet, dat in het kort neerkomt op willens en wetens handelen. Bij culpa is het gevolg niet gewild, maar wel het resultaat van onzorgvuldig handelen, terwijl anders had kunnen en moeten worden gehandeld.
2. Een medische fout, en nu?
Wanneer er iets misgaat in de zorgverlening, moet dat intern worden gekwalificeerd als incident4 of calamiteit5 op grond van de Wkkgz. Een incident wordt doorgaans via een interne klachtenprocedure afgedaan. Indien sprake is van een calamiteit, moet de zorgaanbieder dit binnen drie werkdagen melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Vervolgens wordt door de zorgaanbieder een calamiteitenrapport opgesteld en aan de IGJ toegezonden. Het doel van een calamiteitenrapport is het achterhalen wat er is misgegaan teneinde herhaling te voorkomen. Openheid van zorgverleners is daarbij
cruciaal, gelet op het lerende en verbeterende karakter van dit onderzoek.
Blijkt uit het onderzoek van de IGJ dat een zorgverlener tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, dan kan de IGJ zelf een klacht indienen bij het RTG. 6 Daarnaast kunnen ook naasten of nabestaanden een klacht indienen en/of aangifte doen. In sommige gevallen doet de IGJ naast de tuchtklacht ook aangifte bij het OM.
Ook wanneer iemand overlijdt door een (vermoedelijk) niet-natuurlijke oorzaak, moet het OM daarvan in kennis worden gesteld, hetgeen eveneens het startpunt van een strafrechtelijk onderzoek kan vormen. De zorgverlener kan zich dan ineens geconfronteerd zien met een tuchtrechtelijk traject én een strafrechtelijk onderzoek die (deels) parallel lopen.
3. Bewijsrecht en procedurele waarborgen: convergentie of principiële divergentie?
Wanneer tucht- en strafprocedure naast elkaar lopen, ontstaat een complex spanningsveld, met name op het gebied van bewijsrecht en daarmee samenhangende procedurele waarborgen.
Bewijs
In het strafrecht geldt dat de rechter slechts kan komen tot een bewezenverklaring op basis van wettig en overtuigend bewijs, waarbij bewijsminimum en bewijsregels strikt zijn genormeerd. In het tuchtrecht wordt doorgaans volstaan met een minder formele bewijsmaatstaf, veelal aangeduid als “aannemelijkheid” of “voldoende vaststaan”.
Deze lagere bewijsdrempel hangt samen met het doel van het tuchtrecht: niet bestraffing, maar normhandhaving en kwaliteitsbewaking. De vraag is echter of deze rechtvaardiging nog toereikend is in zaken waarin tuchtrechtelijke sancties – zoals doorhaling in het BIG-register – zeer ingrijpende gevolgen hebben en de facto een punitief karakter dragen.
4 Een onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt.
5 Een onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood of ernstig schadelijk gevolg voor de cliënt heeft geleid.
6 Volgens https://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/actueel/magazines/jaarverslag/2025/01/cijfers-rtgs gebeurt dat veelal door de nabestaanden, niet door de IGJ.
Proceshouding
In de tuchtrechtelijke procedure staat voorop dat de zorgverlener zich toetsbaar opstelt. Het doel van het tuchtrecht – bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de gezondheidszorg – impliceert dat van zorgverleners wordt verwacht dat zij openheid geven over hun handelen, reflecteren op gemaakte fouten en meewerken aan het onderzoek. Nietmeewerken of een afwerende proceshouding kan zelfs als tuchtrechtelijk verwijtbaar worden aangemerkt en leiden tot een zwaardere maatregel.
In het strafrecht daarentegen geldt het nemo tenetur-beginsel: niemand is gehouden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dit beginsel hangt nauw samen met het recht om te zwijgen en met het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Een verdachte-zorgverlener kan er dus vanuit strategisch oogpunt voor kiezen in de strafzaak te zwijgen.
Daarmee ontstaat een fundamenteel spanningsveld, met enerzijds het belang van waarheidsvinding en normhandhaving binnen de tuchtprocedure, waarin openheid wordt verlangd en anderzijds de bescherming tegen zelfincriminatie wanneer parallel een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Omdat de parallelle procedures elkaar beïnvloeden, is deze proceshouding in beide trajecten van groot belang. Het OM heeft immers belang bij het verkrijgen van de informatie die de zorgverlener in het tuchtrecht wel prijsgeeft maar in de strafprocedure voor zich houdt.
4. Informatie-uitwisseling
Het OM kan die informatie vergaren door de (openbare) zitting van het RTG bij te wonen. Van die zitting kan een proces-verbaal worden opgemaakt dat vervolgens aan het strafdossier wordt toegevoegd. Omgekeerd kan de IGJ aanwezig zijn bij de behandeling van de strafzaak. Daarnaast kan de IGJ op grond van artikel 365 Wetboek van Strafvordering om een afschrift van het vonnis of arrest verzoeken.
7 HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1107.
8 CTG 11 oktober 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:274 & CTG 31 maart 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:113 & RTG Zwolle 26 januari 2018, ECLI:NL:TGZRZWO:2018:31.
Het OM beschikt over ingrijpender opsporingsbevoegdheden dan de IGJ, zodat via het strafrechtelijk onderzoek bewijs kan worden verzameld dat de IGJ vervolgens in haar eigen traject benut.
Niet alleen processtukken, ook het eerder genoemde calamiteitenrapport kan onderwerp van informatie-uitwisseling zijn. Waar de Hoge Raad het vorderen van dit rapport door het OM lange tijd niet toelaatbaar achtte, wordt dit inmiddels onder omstandigheden wel toegestaan.7 Dat heeft gevolgen voor de bereidheid van zorgverleners om zich in het calamiteitenonderzoek volledig openlijk uit te laten.
Verder bepaalt artikel 65 lid 7 Wet BIG dat de IGJ verplicht is om, voor zover het door haar ingediende tuchtklachten betreft, inlichtingen daaromtrent te verstrekken aan het OM. Informatie uit de tuchtzaak kan dus in het nadeel van de zorgverlener doorwerken in de strafzaak, en omgekeerd. Dit is met name problematisch wanneer de tuchtrechtelijke procedure eerder plaatsvindt dan de strafzaak: openheid in het tuchtrecht vergroot het risico op zelfincriminatie in het strafrecht.
Tegen deze achtergrond zijn herhaaldelijk verzoeken gedaan om tuchtrechtelijke behandelingen uit te stellen totdat de strafzaak is afgerond. Dergelijke verzoeken worden echter doorgaans afgewezen. 8
5.
Blik op de toekomst
Afschaffing
Het formuleren van een oplossing voor het geschetste spanningsveld blijkt lastig. Recente evaluatierapporten9 wijzen erop dat het medisch tuchtrecht als geheel relatief weinig effectief is, terwijl de nadelige effecten voor betrokken zorgverleners aanzienlijk kunnen zijn. In de literatuur is daarom geopperd om het medisch tuchtrecht als zelfstandig systeem af te schaffen. Normhandhaving zou dan primair bij de IGJ komen te liggen, terwijl het strafrecht wordt ingezet voor uitzonderlijke, ernstig verwijtbare gevallen.
Een belangrijk nadeel van volledige afschaffing is dat het lerende effect van tuchtrecht, inclusief de normuitleg via tuchtrechtelijke jurisprudentie, grotendeels verloren gaat. Ook de ‘druk’ om zich aan de professionele normen te houden neemt mogelijk af wanneer tuchtrechtelijke handhaving ontbreekt.
Strafrechtelijker maken
Een andere oplossing voor het hiervoor geschetste probleem zou kunnen zijn om meer strafrechtelijke waarborgen in te bouwen in de tuchtprocedure. Dat zou betekenen dat nemo tenetur ook in het tuchtrecht zou gaan gelden en men zich ook in die procedure op zijn zwijgrecht kan beroepen. Je hoeft immers niet mee te werken aan je eigen veroordeling. Zo worden de rechten van de verdachte en beklaagde veel beter beschermd en gewaarborgd. Dat past overigens ook goed bij het feit dat de tuchtrechtelijke sancties steeds ingrijpender en punitiever worden, waardoor de vraag rijst of de procedurele bescherming van de zorgverlener niet versterkt moet worden als tegenwicht. Strafrechtelijke waarborgen leveren een dergelijke bescherming. Ook lost dit wellicht de huidige catch 22 op met betrekking tot het al dan niet verklaren in beide procedures.
Problematisch is dat dit zich slecht verhoudt tot het doel van het tuchtrecht: leren en bevorderen of bewaken van kwaliteit. Een verdere “verstrafrechtelijking” van het tuchtrecht kan bijdragen aan rechtsbescherming en legitimiteit, maar gaat mogelijk ten koste van snelheid, toegankelijkheid en effectiviteit. Omgekeerd kan het handhaven van een lichtere procedurele standaard leiden tot spanningen met fundamentele rechtsbeginselen, zeker wanneer de gevolgen voor de betrokkene ernstig zijn.
Scheiding systemen
Een andere theoretische oplossing is het strikter scheiden van de tucht- en strafprocedure. Om ervoor te zorgen dat het doel van het tuchtrecht niet wordt uitgehold en een zorgverlener écht vrijelijk en open kan verklaren zonder voor strafrechtelijke impact te vrezen, zou de informatie-uitwisseling tussen beide systemen misschien moeten stoppen.
Concreet zou ervoor gekozen kunnen worden om de tuchtprocedure (gedeeltelijk) uit de openbaarheid te halen en enkel toegankelijk te maken voor de beroepsgroep. Informatie uit de tuchtprocedure zou dan niet beschikbaar mogen zijn voor het OM en dus niet gebruikt mogen worden in een strafrechtprocedure. Het zwijgrecht in het strafrecht wordt op deze wijze niet meer (indirect) uitgehold via tuchtrechtelijke openheid.
Dit blijft echter bij een theoretische oplossing nu dit in de praktijk moeilijk te realiseren zal zijn. Er zouden diverse wettelijke bepalingen moeten worden gewijzigd of geschrapt – zoals artikel 65 lid 7 Wet BIG – terwijl tegelijkertijd nieuwe regels nodig zijn om de afscherming van tuchtinformatie te organiseren en te handhaven.
Waarborgmodel
De meest reële oplossing ligt vermoedelijk niet in een keuze tussen uitersten, maar in het aanbrengen van gerichte waarborgen op het snijvlak van beide systemen. Daarbij kan worden gedacht aan:
• beperkingen op het gebruik van in tuchtprocedures afgelegde verklaringen in strafzaken (bijvoorbeeld via een bewijsuitsluitingsregeling of een restrictieve interpretatie van het gebruik van stukken);
• een heroverweging van de openbaarheid van tuchtprocedures in zaken waarin een strafrechtelijk onderzoek loopt;
• een kritischer toets op de doorwerking van tuchtrechtelijk vergaarde informatie in strafzaken, mede in het licht van artikel 6 EVRM en de nemo tenetur-jurisprudentie van het EHRM.
Alleen door het expliciet adresseren van deze fricties kan worden voorkomen dat het tuchtrecht zich ontwikkelt tot een vorm van verkapt strafrecht, zonder de daarbij behorende waarborgen. Daarmee staat niet zozeer de vraag centraal óf het tuchtrecht strafrechtelijker moet worden, maar hoe kan worden voorkomen dat het tuchtrecht zich reeds feitelijk als zodanig manifesteert zonder bijbehorende waarborgen.
De toekomst van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg
Back to basics?
- door prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen*
Tuchtrechtspraak is kenmerkend voor professionele beroepsgroepen. Wat beroepsgroepen professioneel doet zijn, is hun autonomie. Autonomie in eigenlijke zin is zelfwetgeving. Een beroepsgroep is professioneel wanneer zij (in belangrijke mate) zichzelf, dat wil zeggen haar leden, de wet kan stellen. Er zijn beroepsgroepen die daarvoor door de samenleving de ruimte geboden is, met denke aan artsen, advocaten en notarissen, en er zijn beroepsgroepen die de bevoegdheid tot zelfregulering nimmer verleend gekregen hebben, hoewel hun leden zich maar al te graag tooien met het epitheton ‘professioneel’. Bij gelegenheid houd ik ambtenaren, zorgbestuurders en managers van a llerlei slag graag voor dat zij welbeschouwd geen professionals zijn, en dat juist hun gebruik van dat woord het begrip professional van inhoud en zin berooft.
Op zelfregulering volgt eigen rechtspraak. Stelt een beroepsgroep zichzelf eenmaal de regels, dan is controle op naleving van die regels door een eigen rechter nooit ver weg. In eigenlijke zin is tuchtrechtspraak rechtspraak van, voor en door de beoefenaren van professionele beroepsgroepen. Dat sinds de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) gesproken wordt van wettelijk tuchtrecht (en niet langer van verenigingstuchtrecht),1 dat in de tuchtcolleges ook niet-beroepsbeoefenaren zitting hebben (en wel juristen, overigens ook al voor de komst van de Wet BIG), en dat ook wettelijke normen door de tuchtrechter
* Prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen, jurist en filosoof, is als hoogleraar gezondheidsrecht verbonden aan de Erasmus School of Law en de Erasmus School of Health Policy and Management van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
1 Wet van 11 november 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, Stb. 1993, 655, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 mei 2025, Stb. 2025, 151 (i.w.tr. 4 juli 2025).
2 De Wet BIG is inmiddels drie keer geëvalueerd. Zie J.M. Cuperus-Bosma e.a., Evaluatie Wet Bop de beroepen in de
worden aangelegd, neemt niet weg dat een uitspraak van een tuchtcollege voor de gezondheidszorg in essentie een oordeel is van (leden van) de groep over het handelen van een groepsgenoot, afgemeten aan de hand van de normen van de groep.
De Wet BIG is meermaals geëvalueerd en ook de praktijk van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg is voorwerp van studie geweest.2 De hardnekkigheid van de problemen waarmee het huidige tuchtrecht voor de gezondheidszorg kampt, is terug te voeren op het feit dat de vele bomen van het wettelijke tucht(proces)recht (Hoofdstuk VII van de Wet
individuele gezondheidszorg, Den Haag: ZonMw 2002, zie J.G. Sijmons e.a., Tweede evaluatie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Den Haag: ZonMw 2013, en zie M.C. Ploem, Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025. In de laatste evaluatie stond het tuchtrecht centraal. Zie voor een recente studie naar de toekomstbestendigheid van het tuchtrecht in de gezondheidszorg verder R.L. Herregodts e.a., Toekomstbestendig tuchtrecht: de lerende werking van het tuchtrecht en team- en netwerkverantwoordelijkheid in he tuchtrecht op grond van de Wet BIG, Groningen: RUG 2022.
BIG) het zicht op het bos als het ware hebben weggenomen. Een aantal van die bomen is het resultaat van overtrokken ambities. Het bos moet weer gezien kunnen worden. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg moet tot zijn essentie worden teruggebracht.
1. Hardnekkige problemen van het huidige tuchtrecht voor de gezondheidszorg
In de laatste evaluatie van de Wet BIG werd allereerst vastgesteld dat de lerende functie van het tuchtrecht onvoldoende uit de verf kwam. Uit interviews kwam naar voren dat volgens velen het tuchtrecht ‘als geheel te veel in de sleutel van correctie van hulpverleners is blijven staan en te weinig in die van lering en verder normontwikkeling, waardoor het in de ogen van respondenten te weinig aan kwaliteitsverbetering bijdraagt’.3 Men vindt dat een wezenlijke versterking van de lerende functie van het tuchtrecht grotendeels achterwege is gebleven, zowel op individueel niveau (door de beklaagde beroepsbeoefenaar) als op collectief niveau (door de beroepsgroep als geheel).4
In de tweede plaats werd in de laatste evaluatie geconstateerd dat beroepsbeoefenaren en hun organisaties een negatief beeld van het tuchtrecht hebben. De tuchtprocedure zou een bestraffende uitstraling hebben, ook in de lichtere gevallen, en mede daardoor ‘weinig bijdragen aan een omgeving waarin door (beklaagde) beroepsbeoefenaren van fouten kan worden geleerd’.5 De onderzoekers voegen daaraan toe dat deze negatieve beeldvorming al langer gaande is en afbreuk doet aan het draagvlak voor het tuchtrecht onder beroepsbeoefenaren.6
Ten slotte slaagt het tuchtrecht voor de gezondheidszorg er maar niet in efficiënt te zijn. In de derde en laatste evaluatie van de Wet BIG kwam naar voren dat in 2024 slechts ongeveer een kwart van de bij de regionale tuchtcolleges ingediende klachten werden afgehandeld door een beslissing na zitting. In
3 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 206.
4 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 207.
5 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 208.
6 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 212.
7 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 35-46, 137-138.
8 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 232.
9 Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 2.
ongeveer drie vijfde van die zaken kwam het maar tot een gegrondverklaring, waarbij dan weer bij ruim een tiende van de gegrondverklaringen tot een tuchtrechtelijk pardon besloten werd.7 Dit betekent volgens de onderzoekers dat ondanks alle in recente jaren genomen maatregelen (tuchtklachtfunctionarissen, afdoen bij voorzittersbeslissing of in raadkamer) de colleges nog steeds veel tijd kwijt zijn aan zaken die niet bij hen thuishoren en die beter en doeltreffender elders behandeld kunnen worden. Dit geldt vooral voor de vele klachten die betrekking hebben op problemen in de organisatie van de zorg en die primair de samenwerking binnen de zorg betreffen.8
2. De functies van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg
Bij wetsevaluaties gaat men na in hoeverre de doelstellingen van een wet, zoals de wetgever die voor ogen had, zijn bereikt. De onderzoekers van de laatste evaluatie stellen vast dat het hoofddoel van het wettelijke tuchtrecht voor de gezondheidszorg gaandeweg is veranderd. Over het hoofddoel van de wet in haar geheel heeft nooit enige twijfel bestaan. De Wet BIG beoogde een zo veel mogelijk uniforme regeling te geven voor alle daarvoor in aanmerking komende beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg teneinde de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te bevorderen en het publiek te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen.9 Het tuchtrecht was aanvankelijk slechts een instrument om een voldoende hoog peil van de beroepsuitoefening te handhaven, vooral door het corrigeren van ernstige fouten van beroepsbeoefenaren.10 Sinds 2015, zo ongeveer ten tijde van de totstandkoming van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz),11 kwam een tweede functie van het tuchtrecht in beeld. Naast de corrigerende werking zou het tuchtrecht ook een lerende functie moeten hebben. Volgens de onderzoekers wordt gedurende de laatste tien jaar
10 Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 64 en p. 96
11 Wet van 7 oktober 2015, houdende regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg, Stb. 2015, 442, zoals laatstelijk gewijzigd op 19 november 2025, Stb. 2025, 391 (i.w.tr. 1 januari 2026).
het belang van ‘leren’ steeds meer benadrukt.12 Met de wijzigingen van de Wet BIG in 2019 is de lerende functie van het tuchtrecht volgens de onderzoekers onvoldoende uit de verf gekomen.13
In de derde en laatste evaluatie van de Wet BIG schetsen de onderzoekers twee scenario’s ter verbetering van het tuchtrecht: óf men handhaaft de sinds 2019 ingezette koers binnen het tuchtrecht (scenario 1) óf men orienteert zich op een nieuwe koers (scenario 2). Het eerste scenario houdt in dat men inzet op verbetering van het tuchtrecht, zowel voor wat betreft de corrigerende als de lerende functie, waarbij vooral aan de laatste functie meer inhoud wordt gegeven. Bij dat scenario passen vooral procesrechtelijke aanbevelingen die die functie moeten versterken, zoals het laten verrichten van het vooronderzoek door de secretaris en een lid-beroepsgenoot en door ervoor te zorgen dat het plaatsvindt op minder formele wijze en in een minder formele setting, met aandacht voor wat met de klacht wordt beoogd.14
In het tweede scenario gaat men ervan uit dat het tuchtrecht niet het meest geschikte instrument is om aan het leren door beroepsbeoefenaren en door samenwerkingsverbanden in de zorg bij te dragen. Leren van fouten is van wezenlijk belang in de zorgsector, maar het zwaartepunt zou bij praktijken en instellingen moeten liggen, in het veld kortom, terwijl het onverminderd van belang blijft dat individuele beroepsbeoefenaren die serieus tekortschieten of voor ernstige problemen zorgen, daarvoor in een formeel tuchtrechtelijk proces moeten kunnen worden aangesproken.15 In deze benadering aanvaardt men dat leren en corrigeren niet samengaan. In dit scenario doen de onderzoekers onder meer de aanbeveling aan de wetgever om de klachtgronden te beperken in die zin dat bij de tuchtrechter alleen klachten kunnen worden ingediend over ernstige gedragingen waar correctie
van een of meer individuele beroepsbeoefenaren geboden is, mede met het oog op de veiligheid en kwaliteit van zorg voor toekomstige patiënten of cliënten.16
3. Niet leren maar corrigeren
Over de functies van het tuchtrecht kan lang gefilosofeerd worden. Dat de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de zorg ermee gediend moet zijn, is boven iedere twijfel verheven. Deze kan echter op verschillende wijzen worden gediend. Belangrijk is het besef dat tuchtrecht hier slechts op een grove manier aan kan bijdragen, en wel op de manier die van oudsher voorop staat. Een professionele beroepsgroep heeft ervoor te waken dat zich ‘rotte appels’ in haar midden ophouden. Door corrigerend op te treden tegen ernstige misstappen van individuele beroepsgenoten, waarborgt zij haar integriteit en die van het beroep. Een dergelijke beroepsgroep moet het publiek laten zien dat zij zichzelf kan zuiveren. Zo behoudt een professionele beroepsgroep het vertrouwen van de samenleving waarin en waarvoor zij werkzaam is. Het tuchtrecht bewaakt van oudsher de kwalitatieve ondergrens, daar waar de veiligheid van patiënten en cliënten in het geding komt, daar waar tuchtprocedures in die zin een algemeen belang dienen.
Van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg kan men maar beter geen overspannen verwachtingen hebben. Aan de genoemde problemen zijn overtrokken ambities debet. Zij zullen verdwijnen met het prijsgeven van die ambities. Hoewel aan het geschetste tweede scenario tal van haken en ogen zitten (wanneer is een beweerdelijke misstap voldoende ernstig om in een tuchtrechtprocedure te worden behandeld? Wie toetst dat?), is kiezen voor een nieuwe koers, die neerkomt op een terugkeer naar de oorspronkelijke functie van tuchtrecht voor de gezondheidszorg, fundamenteel juist
12 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 214.
13 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 214.
14 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 226.
15 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 226.
16 Evaluatie Tuchtrecht in de Wet BIG, p. 228.
Het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut werd opgericht in het studiejaar 2013–2014 door een groep gedreven studenten van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg. Dankzij de enthousiaste betrokkenheid van professor Buijsen, beschermheer en erelid van het Dispuut, kon de oprichting succesvol worden gerealiseerd. Sindsdien vormt het RGD de studievereniging voor masterstudenten Recht van de Gezondheids-