17 mei 2019
2
Een commissaris van de Koning moet volgens
de ambtsinstructie ‘met redelijke tussenpozen’ op bezoek gaan bij gemeenten. En bij
‘bijzondere bevindingen’ dient hij verslag uit te brengen aan de minister van BZK. Dat laatste heb ik nog nooit gedaan. Maar vandaag
verandert dat. Ik schrijf Minister Ollongren een heus ‘ambtsbericht’. Want de oogst van de laatste ambtsbezoeken bevat zorgelijk
17 mei / Zorgen om jeugdzorg
materiaal.
Gedecentraliseerde zorgen Het is nu tien jaar geleden dat ik op het VNGcongres een advies presenteerde over de jeugdzorg. Ik was voorzitter van een commissie die als opdracht kreeg de veel te ingewikkeld georganiseerde jeugdzorg drastisch eenvoudiger te maken. Want jeugdzorg was een door mensen gemaakt doolhof met lange wachtlijsten en veel instanties die niet met elkaar samenwerkten. Ons advies was: breng de jeugdzorg naar de enige bestuurslaag die er werkelijk verbetering in kan brengen: de gemeente. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten was het eens met het advies. En gemeenten kregen de taak. Wat ze helaas ook kregen – het was immers crisis – was een flinke bezuiniging. Het rijk kortte het budget met ongeveer 30%. En anno nu kampen veel gemeenten met tekorten. In een aantal Groninger gemeenten nemen de tekorten op de jeugdzorg een zodanige omvang aan, dat ze hen dreigen te verlammen. Niet alleen binnen de jeugdzorg, maar ook op andere beleidsterreinen van de gemeenten. En daarmee is de bestuurskracht van gemeenten rechtstreeks in het geding. → 3
Jeugdzorg raakt veel gemeenten De problemen met overschrijdingen in de jeugdzorg zijn geen uniek Gronings fenomeen. De decentralisatie van de jeugdzorg gebeurde om goede redenen, maar in een moeilijke tijd waarin rijk en gemeenten moesten bezuinigen. Decentralisatie was een goed idee, omdat de jeugdzorg voor 2015 verkokerd en ineffectief was. De jeugdzorg was tot de decentralisatie versnipperd georganiseerd en slaagde er te vaak niet in om kinderen en jongeren met problemen te helpen. Het ontbrak aan onderlinge samenhang en tijdige beschikbaarheid. We misten kansen op vroegtijdige en maximaal effectieve hulp. En dat was schadelijk voor kinderen, jongeren en ouders. Maar ook voor de samenleving als geheel. Gemeenten waren de enige overheid die de jeugdzorg samenhangend konden organiseren. Iedereen realiseerde zich dat de decentralisatie een grote opgave voor gemeenten en zorgaanbieders zou vormen. Maar er was geen alternatief: wie de jeugd verliest, verknalt de toekomst. De decentralisatie werd bemoeilijkt doordat het rijk het beschikbare budget zoveel kleiner heeft gemaakt. Een nieuwe taak krijgen met zoveel minder geld: dat is mijn definitie van een uitdaging. Toch verrichtten de meeste gemeenten een wonder. Ze bereikten veel meer jongeren die zorg nodig hadden dan vooraf was voorspeld. Dat is op zich goed nieuws, want als je tijdig de zorg krijgt die je nodig hebt, voorkom je erger. Preventie loont. Maar het kost ook geld. Het CBS becijferde over de eerste twee jaar een toename met ruim 12%. En ook in het afgelopen jaar steeg het beroep op jeugdzorg. En daarmee de kosten.
4
Extremer in Groningen Inmiddels is het binnenlands bestuur te klein. Gemeenten uit het hele land laten zien dat ze met deze budgetten deze belangrijke taak niet kunnen uitvoeren. De VNG stuurt een brandbrief aan het kabinet. Knelpunten in het sociale domein zijn dus echt niet een speciaal Gronings probleem. Maar hier is het wel extremer, omdat hier de problemen vaak stapelen. In gemeenten met een hogere werkloosheid, meer eenoudergezinnen, meer armoede, een minder goede gezondheid en een lagere gemiddelde opleiding is ook een grotere behoefte aan jeugdzorg. De provincies moeten toezicht houden op de gemeentefinanciën. Dus er zijn provincieambtenaren die het geld van de gemeenten in de gaten houden. En die zijn niet zonnig: over 2018 en 2019 gaat het bij Groningse gemeenten om een totaal tekort van jaarlijks 43 miljoen euro. Het beroep op jeugdzorg neemt nog steeds toe. En het tekort loopt op. Wie kijkt naar de afzonderlijke gemeenten ziet dat het gaat om zorgelijk grote bedragen. Zo bracht ik vandaag een ambtsbezoek aan de gemeente Pekela, die op een begroting van 41 miljoen euro (met een reserve van nog geen 5 miljoen), een tekort op de jeugdzorg heeft van 1,3 miljoen. Dat is een tekort van 3% van de begroting. Datzelfde percentage geldt voor Oldambt, Stadskanaal, Midden-Groningen, Loppersum en Appingedam. In Veendam bedraagt het tekort op de jeugdzorg zelfs 5 procent van de gehele begroting. Dat is veel voor wie bedenkt dat een groot deel van de gemeentebegroting in ieder geval op korte termijn geldt als niet-beïnvloedbaar. Als je de tekorten op de jeugdzorg afzet tegen de gemeentelijke reserves, zie je dat de jeugdzorg in de gemeenten Veendam, Appingedam en Het Hogeland de volledige gemeentelijke reserves in twee jaar kan opeten. Hoe stevig gemeenten ook hebben geïnvesteerd in methoden om de kosten te beheersen, het kost tijd om die vorm te geven. Gemeenten moeten op basis van hun eigen ervaringen vaststellen wat werkt en wat efficiënter kan. Dit proces kost tijd. Maar je hebt geen tijd als de tekorten zo oplopen.
Ik zie dat de Groninger gemeenten de oplopende tekorten niet zelfstandig kunnen oplossen. Gelukkig lijkt het erop, dat het kabinet bij de Voorjaarsnota een incidentele bijdrage beschikbaar stelt. Om te beginnen vrees ik dat de bijdrage absoluut gezien te laag is om de problemen bij de jeugdzorg op te lossen. Laat staan dat daarmee de bijdrage voor de jeugdzorg op het niveau komt dat
17 mei / Zorgen om jeugdzorg
Wat nu? Natuurlijk, de jeugdzorg is gedecentraliseerd. En daarmee ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten. Maar als de problemen zo groot zijn dat daardoor het vermogen van gemeenten wordt aangetast om iets voor hun inwoners te betekenen, verliezen we veel. En dat maakt het ook voor het rijk onaantrekkelijk om te zeggen: ‘Er zit een lek in de boot, maar gelukkig niet aan onze kant.’ Uiteindelijk zinkt dan de hele boot.
gemeenten de problemen samenhangend aan kunnen pakken, met het accent op preventie. Daarnaast tekent zich door onderbesteding bij het rijk (‘samen de trap op en af’) een nieuwe grote tegenvaller af voor gemeenten. Het is het overwegen waard om in het zoveelste jaar waarin het rijk een begrotingsoverschot realiseert, nog eens kritisch terug te kijken op de noodzaak zoveel op de jeugdzorg te bezuinigen, tegelijk met de decentralisatie. Als waar is dat preventie loont, dan is schrale jeugdhulp geen investering in de toekomst. Meer geld is dus nodig. Maar let op: wanneer dit bedrag volgens de bestaande methode wordt verdeeld, blijft de pijn waar die nu ligt. Ik ben een warm voorstander van grondig onderzoek op basis van de ervaringen in de afgelopen jaren over de optimale omvang én verdeling van de middelen voor jeugdzorg. • 5