1 december 2019
Een lapje stof uit een beerput
2
Ik was er deze week, maar vorige week ook al. Toen in het goede gezelschap
archeologen en andere geĂŻnteresseerde mensen. Voor de aanbieding van een archeologisch boekje. Maar veel vaker dan dat ik er
binnenkom, kom ik er langs. Het kolossale
en monumentale pand, Boteringestraat 44. Meestal kijk ik even snel omhoog, langs de
1 december / Roemloos einde
trap, via de hoge ramen naar de gevel.
E
n als mijn kinderen erbij zijn, zeg ik wel eens: kijk, daar hadden we kunnen wonen ... als er een beetje anders met ambtswoningen was omgegaan, in de geschiedenis. Mijn kinderen zijn natuurlijk niet onder de indruk... Zoals dat vaak met verdriet gaat: het slijt met de jaren. Dus ik kan hier nu met droge ogen voorbij fietsen. En me zelfs gelukkig prijzen dat we iets verderop wonen, buiten de diepenring. In een huis met een energierekening die ongetwijfeld stukken lager uitvalt dan wanneer we hier zouden wonen. →
3
‘Regeringshotel’ Toch is het een jaloersmakend pand. Prachtig gerestaureerd. Met een echte balzaal. En een schitterende hal. Eén van de parels van de Groninger binnenstad. Een pand met geschiedenis, een pand waar rijk, provincie en stad elkaar troffen. Waar koningen en koninginnen kwamen, als ze Groningen bezochten en van ‘hun’ commissaris wilden horen hoe de stand van het land hier was. Waar ze logeerden - het pand werd dan aangeduid als ‘regeringshotel’ - en de volgende dag per koets weer vertrokken. Zucht... De stand van het land in Groningen. Daar is ook nu veel over te zeggen. We leven op een uitloper van de hoogconjunctuur. En die heeft grote invloed op het werk van archeologen in de stad. Want hoogconjunctuur betekent bouwen. En dat betekent veel werk voor archeologen. Die hebben meer te doen als het economisch goed gaat. Want dan wordt er gesloopt, worden er leidingen vervangen of gaat er om andere reden een schep in de grond. En zo ontsluiten we ons verleden. En leggen we letterlijk nieuwe feiten in de geschiedenis van onze stad bloot. Ik mag de 24ste editie van het jaarboek in ontvangst nemen. En ik reken erop dat de verbouwingen van dit moment stof genoeg zullen bieden voor de echte jubileumeditie, de 25ste maal dat Hervonden Stad verschijnt.
Stof tot nadenken Het schitterend geillustreerde jaarboek zet aan tot nadenken. Het mag eigenlijk in geen enkele schoen ontbreken. Zo is er een hoofdstuk in over de graven die zijn gevonden bij werkzaamheden in Lutjewolde. Toen het wegdek van de Schultingaweg werd vervangen, vonden wegwerkers een begraafplaats. Archeologen stelden vast dat die van de twaalfde tot de vijftiende eeuw in gebruik is geweest. Maar zowel dit middeleeuwse kerkhof als de kerk die er waarschijnlijk bij in de buurt stond, wist niemand meer te liggen. Dat is toch wel het toppunt van vergetelheid. Dat je niet alleen zelf bent vergeten. Maar dat niemand zich zelfs de plek kan herinneren waar je je laatste rustplaats vond. Dat was zo gebleven, als de archeologen hun werk niet hadden gedaan. In het jaarboek ook een andere vondst die tot nadenken stemt. Vlakbij het provinciehuis, op de hoek van het Martinikerkhof en de Grote Markt werd het aangetroffen. Een lapje textiel in een oude beerput. Het was een goudgeborduurd provinciewapen. Een beetje bruin en vergaan. De eigenaar van het wapen was ooit gedeputeerde. Maar toen hij die functie verloor, had hij geen behoefte meer aan de tekenen van zijn vroegere waardigheid. Wel aan het kussen waar het borduursel op was bevestigd. Maar het provinciewapen vond een roemloos einde in de smurrie. Dat was zo gebleven, als archeologen het niet hadden gevonden. Archeologen maken ons zo van alles duidelijk. Waar we ‘weg’ komen. Maar ook waar we terechtkomen. In huizen waar we nooit woonden. In compleet vergeten kerkhoven. En in een beerput als vergane pracht en praal. Kruimels op de rok van het universum... De dichter J.C Bloem beschreef het al. “Niet te verzoenen is het leven. / Ten einde is dit wellicht nog ‘t meest: / te kunnen zeggen het is even / tussen twee stilten luid geweest.”. •
4