Issuu on Google+

Het materialisme en hedonisme in India. De culturele antropologie leert ons dat mensen altijd materialen (bezittingen) nodig heeft gehad. De eerste herdersvolken (jagers) hadden weinig eigendommen omdat ze steeds van plek tot plek verder trokken. Dan kan je moeilijk 3 huizen met je meeslepen. Toen de herders zich in dorpen gingen vestigen, nam de hoeveelheid bezittingen toe: dan kon je wel 3 hutten hebben. Het hebben van bezittingen is dus aan de mens inherent. Uiteraard wil de een meer (of soms minder) dan de ander. Mensen zoeken een balans tussen zo veel mogelijk zelf hebben en toch genoeg overlaten aan anderen. Want als anderen niets hebben dan gaan ze stelen en roven en komt jouw bezit in gevaar. Kijken we naar de eerste geschiedenis van India (en dan heb ik het over wat uit wetenschappelijk betrouwbare bronnen vaststaat) dan zien we ook daar een cultureel normaal patroon. Mensen immigreren in het land, vestigen zich in dorpen, ontwikkelen hun cultuur verder en er ontstaan diverse, verschillende zienswijzen. Het beeld dat de meeste Surinaamse Hindoes hebben van de oude Ariërs is een van: alle mensen waren goed, leefden braaf volgens de regels van de dharma, gedroegen zich gedwee volgens de normen en waarden van het kastenstelsel (of sociaal-economisch stelsel), het ashram stelsel en de regels en voorschriften van de Veda’s en de huiselijke smriti’s (Grihya Smriti’s: wetboeken voor het alledaagse leven) Kortom mensen leefden heel erg spiritueel en waren niet wel gesteld voor materiële zaken. Bezittingen waren toch alleen maar lastig: die moest je niet willen en niet hebben. Ze bonden je toch alleen maar aan het aardse en belemmerden je verlossing of moksha. Er was een god (of een heleboel goden) in de hemel en als je godsdienstig en vroom geleefd had en goede daden verricht had kwam je in de hemel, anders in de hel. Tegen 550 v.Chr. rekende het Jainisme en het Boeddhisme af met god; die bestond niet. De hemel werd ook afgeschaft. Had je goed genoeg geleefd en was je flink onthecht van het aardse, kwam je geest na de dood van het lichaam niet meer terug op waarde: je bereikte de nirwana of een zalige geestestoestand. Je geest bleef wel leven.. Ook in het Jainisme en het Boeddhisme werden aardse goederen en rijkdom als kwalijke dingen gezien: je moest ze beter niet hebben. Dat alle of de meeste mensen toen heel spiritueel leefden en geen belangstelling hadden voor geld en graan, dat beeld is een beeld dat volgens mij behoorlijk vertekend is. Volgens mij hadden toen al mensen over het algemeen belang bij bezittingen. Zo her en der tussen de regels door lezen we bij voorbeeld hoeveel koeien verschillende rishi’s hadden! En ze hadden ook een eigen ashram, huis noemen we dat tegenwoordig. In India (ook China en Griekenland) was 500 v.Chr. een bloeiperiode van wetenschap, filosofie, godsdienst en cultuur. Boeddha, Mahavira (Jainisme), Confusius, Lao Tse ( van het Taoïsme) en de eerste Griekse grote filosofen leefden in die periode. In die periode wordt ook de geleerde Brihaspati geplaatst. Het Hindoeïsme (Brahamanisme) kent hem als de leraar van de goden. Als mens en Rishi wordt hij door de Carvaka’s gezien en geclaimd als hun eigen guru en oprichter van de Carvaka leer, beweging. Brihaspati wordt door de aanhangers van het Carvakisme (een woord dat ik zelf bedenk) gezien als de grondlegger van hun geloof. Brihaspati wordt door hen ook Lokayat (letterlijke betekenis: aards gericht) en Carvak genoemd. Carvak betekent iemand die zegt dat voedsel (materiële dingen, in tegenstelling tot spirituele zaken) het belangrijkste is. Cara (denk maar aan het Sarnami woord tjaara: voedsel, aas, materiële hoop. Betjaara is iemand die zielig en een beetje hopeloos is) betekent voedsel. Vak betekent spraak. Carvak betekent dan: iemand die welbespraakt is, iemand die zijn materialisme heel goed aan anderen kan verkopen. In de Veda’s ben ik op enkele plaatsen tegengekomen dat de Carvaks vergeleken worden met kwakende kikkers. Er moeten (als ik me niet vergis, en dat kan) zelfs enkele stammen of dorpen zijn geweest waar de materialisten geconcentreerd woonden en deze stammen werden ook als Carvaks aangeduid. Onder de noemer Carvak plaats ik het materialisme in India als tegenhanger van de spiritueel gerichte levenswijzen zoal die staan in de Veda’s en de latere geschriften. Uit de oudheid hebben we geen oorspronkelijke, authentieke geschriften van de Carvak. Brihaspati (ongeveer 600 v.Chr.) schijnt een “boek”geschreven te hebben dat Brihaspati Sutra (handleiding, leidraad van Brihaspati) heet, maar we hebben geen exemplaren van dit boek. Het ligt voor de hand dat de machthebbende brahmanen ervoor zorgden dat de geschriften van de materialisten, hun


rivalen, vernietigd werden. Alles wat we van de Carvaks weten komt uit zogenaamde secundaire literatuur. Dit zijn Brahmaanse geschriften waarin de schrijvers commentaar leveren op het Carvakisme. En deze literatuur is wel voldoende beschikbaar om een beeld van het Carvakisme te reconstrueren. In diverse Hindoeïstische geschriften worden polemieken gevoerd tegen het Carvakisme. De schrijvers geven argumenten waarom het Carvakisme niet deugd. Wat houdt carvak in? In het begin van mijn betoog zei ik al dat volgens mij zelfs de oudste Indiërs bezittingen hadden. Maar het hebben van de noodzakelijke bezittingen maakt van iemand nog geen materialist. Eeen materialist ben je pas als je er heilig van overtuigd bent dat het aardse belangrijker is dan het hemelse en je gedrag is erop gericht zoveel mogelijk van het leven te genieten door zoveel mogelijk bezittingen te hebben. Een hedonist is een levensgenieter. Alles wat genot geeft is gelukzalig en goed. Hedonisten maken zich niet druk om god en godsdienst: die hebben ze afgeschat. Hun filosofie is dat het aardse alles is omdat wij dat weten. Wij weten niet of het hiernamaalse met god en hemel en wedergeboorte bestaat. Het is dus niet verstandig om bang te zijn voor wat hierna gaat en kan komen omdat we gewoon niet weten, niet kunnen weten of er een hiernamaalse is. Dus gaan de hedonisten ervan uit dat je zoveel mogelijk moet genieten. Genot is gewoon goed en geen genot is niet goed. Je lusten bevredigen is het motto in plaats van je lusten beteugelen. Materiaisten worden vaak op een lijn gesteld met hedonisten. Ligt natuurlijk ook voor de hand: materialen en bezittingen vergaar je om ervan te genieten. Carvak houdt dus in dat je zoveel mogelijk van het leven moet genieten. Hun leer houdt verder in: Er bestaan geen goden die je na je dood kunnen straffen of belonen. Een hemel is er ook niet, tenzij je van de aarde een hemel kunt maken. Het prachtige beeld van de hemel waarin je alles kan en mag hebben, met engelen en alle soorten voedsel en drank en het afwezig zijn van pijn en leed is een drogbeeld. Godsdienstig leven, leven volgens de regels van een godsdienst die je toch alleen maar beperkingen opleggen in de richting van genieten, deugen niet, moet je ook maar niet volgen. De Carvaks hebben dus ook de godsdienst afgeschaft. Niet doen wat de Brahmanen zeggen, die zijn uit op het zelf uitbuiten van hun volgelingen. Die verrijken zichzelf door de boel te belazeren, dus afschaffen die handel. Wie het Brahamanisme (leer en praktijk van de Brahmanen) bestudeert, zal de conclusie komen dat die gasten behoorlijk wat boter (of voor mijn part ghi) op op hun kaalgeschoren kop hadden, denk ik. Dus nu leven en je niet druk maken om wat er na de dood gaat komen. Je gedrag dien je te bepalen door wat je prettig vindt en niet wat volgens anderen prettig is. Geen hawans, pudja’s, godsdienstige verplichtingen jezelf opleggen: dat allemaal is nergens voor nodig. Niet kijken naar wat anderen willen, maar wat je zelf wil en wat jou gelukkig maakt. Lak hebben aan anderen en de wereld. Wees gewoon goed egoïstisch. Kan het jou wat schelen dat de buurvrouw buikpijn heeft? Je mag wel de huisarts voor haar bellen met de hoop dat zij hetzelfde zal doen wanneer jij buikpijn hebt. Je helpt haar aan genot komen met de hoop dat zij jou zal helpen om te kunnen genieten. Duidelijk een andere gedachtegang dan het: doe daden zonder op vruchten te hopen, zonder verwachtingen. Een duidelijke verwijzing naar de leer en opvattingen van de carvaks vinden we in het boek Sarvadarshansamgraha (verzameling van alle filosofieën) van de 14e eeuwse schrijver, filosoof Madhavacarya, een Wishnoeïstische geleerde. Uit zijn beschrijving van de carvaks is het volgende af te leiden: 1. Alleen het waarneembare, aardse, materiële dingen bestaan. Voor de rest is er niets. Alle metafysische bevindingen zijn fantasieën van de bedenkers ervan. Alleen de observaties zijn wetenschappelijk aanvaardbare bron van informatie en kennis.


Het enige en uiteindelijke doel van de mensen is het vergaren van rijkdom en het genieten ervan. Je lusten bevredigen. Lokayat geeft aan dat alleen dit aardse leven bestaat en dat je daarvan uitgaande en daarop gericht er flink van mag/moet genieten. 2. Plezier en pijn Het enige doel van de mens is genot, geproduceerd door sensueel plezier. Toch ontkomen we in ons leven niet aan pijn en ongemak. Het is wel de bedoeling dat mensen aan de ene kant proberen zoveel mogelijk geluk en genot te ervaren en aan de andere kant proberen pijn en problemen zoveel mogelijk te voorkomen. Commentaar. Hoe doen wij het nu? Preventie van allerlei ziekten staat toch hoog in het vaandel van de overheid en het volk? Niet af.


carvak