RAI CarrosserieNL
Verlichting | VN/ECE Reglement nr. 48 UITGAVE AUGUSTUS 2025
Overzicht 22c. Opvallende markering achter 6b. Stoplicht
22b. Opvallende markering zijkant motorvoertuig
21. Optische en geluidssignalen
14b. Markeringslicht achter
14a. Markeringslicht voor
22c. Opvallende markering achter 7. Waarschuwingssignaal 6b. Stoplicht 9. Kentekenplaatverlichting 14b. Markeringslicht achter
1. Dimlichtkoplamp 22b. Opvallende markering zijkant motorvoertuig
21. Optische en geluidssignalen 2. Grootlichtkoplamp 14a. Markeringslicht voor 5a. Richtingaanwijzer voor 1. Dimlichtkoplamp 7. Waarschuwingssignaal
7. 5d. Waarschuwingssignaal Richtingaanwijzer achter
2. Grootlichtkoplamp 19. Dagrijlicht
9. Stoplicht Kentekenplaatverlichting 6a.
5a. Richtingaanwijzer voor 3. Mistvoorlicht
10. Achterlicht
7. Waarschuwingssignaal 12. Parkeerlicht
5d. Richtingaanwijzer achter 11. Mistachterlicht
19. Dagrijlicht
6a. Stoplicht 13. Parkeerlicht
3. Mistvoorlicht
10. Achterlicht 15. Achterretroreflector niet driehoekig 11. Mistachterlicht
12. Parkeerlicht
5b. Richtingaanwijzer zijkant
18. Zijretroreflector
7. Waarschuwingssignaal
13. Zijmarkeringslicht
4b. Manoeuvreerlicht 14b. Markeringslicht achter
23. Noodstopsignaal 15. Achterretroreflector niet driehoekig
20. Hoeklicht 5b. Richtingaanwijzer zijkant
18. Zijretroreflector
7. Waarschuwingssignaal
13. Zijmarkeringslicht
4a. Achteruitrijlicht 13. Parkeerlicht
4b. Manoeuvreerlicht 14b. Markeringslicht achter
20. Hoeklicht 14a. Markeringslicht voor
4a. Achteruitrijlicht 22c. Opvallende markering 23. Noodstopsignaal achter 14b. Markeringslicht achter 22c. Opvallende markering 23. Noodstopsignaal achter 7. Waarschuwingssignaal
14a. Markeringslicht voor 22a. Opvallende markering voor
14b. Markeringslicht achter 9. Kentekenplaatverlichting 23. Noodstopsignaal 7. Waarschuwingssignaal 5c. Richtingaanwijzer achter
8. Breedtelicht 22a. Opvallende markering voor 17. Voorretroreflector
9. Kentekenplaatverlichting 6a. Stoplicht 10. 5c. 11. 6a. 13. 10. 16. 11.
8. Breedtelicht 17. Voorretroreflector 5c. Richtingaanwijzer zijkant
4b. Manoeuvreerlicht
18. Zijretroreflector 13. Zijmarkeringslicht 5c. Richtingaanwijzer zijkant
22d. Opvallende markering zijkant aanhangwagen en oplegger
14b. Markeringslicht achter
4b. Manoeuvreerlicht
22d. Opvallende markering zijkant aanhangwagen en oplegger
4a. Achteruitrijlicht 13. Parkeerlicht 16. Achterretroreflector driehoekig
18. Zijretroreflector 13. Zijmarkeringslicht
Achterlicht Richtingaanwijzer achter Mistachterlicht Stoplicht Parkeerlicht Achterlicht Achterretroreflector driehoekig Mistachterlicht
14b. Markeringslicht achter
4a. Achteruitrijlicht
RAI CarrosserieNL 2
3
Verlichting | VN/ECE Reglement nr. 48 Eisen en voorschriften verlichting bij bedrijfswagens en aanhangwagens
RAI CarrosserieNL 4
5
Voorwoord
Inhoudsopgave
Voor je ligt de vierde editie van de brochure over VN/ECE Reglement Nr. 48 – verlichting. Deze versie is gebaseerd op de meest recente richtlijn: R48, supplement 1 (wijzigingenreeks 07), te vinden op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/? uri=uriserv:OJ.L_.2021.347.01.0001.01.NLD. De brochure is samengesteld door RAI CarrosserieNL en richt zich op de regels voor verlichting aan de buitenzijde van nieuwe bedrijfswagens (categorie N) en aanhangwagens/opleggers (categorie O).
Voorwoord Inhoudsopgave Definities + synoniemen Voertuigcategorieën Verlichtingscategorieën Verlichting op bewegende delen 1. Dimlichtkoplamp 2. Grootlichtkoplamp 3. Mistvoorlicht 4a. Achteruitrijlicht 4b. Manoeuvreerlicht 5a. Richtingaanwijzer voor 5b. Richtingaanwijzer zijkant motorvoertuig 5c. Richtingaanwijzer zijkant aanhangwagen en oplegger 5d. Richtingaanwijzer achter 6a. Stoplicht S1 & S2 6b. Stoplicht S3 & S4 (derde remlicht) 7. Waarschuwingssignaal 8. Breedtelicht 9. Kentekenplaatverlichting 10. Achterlicht 11. Mistachterlicht 12. Zijmarkeringslicht 13. Parkeerlicht 14a. Markeringslicht voor 14b. Markeringslicht achter 15. Achterretroreflector niet driehoekig 16. Achterretroreflector driehoekig 17. Voorretroreflector niet driehoekig 18. Zijretroreflector niet driehoekig 19. Dagrijlicht 20. Hoeklicht 21. Optische en geluidssignalen 22. Opvallende markering 22a. Opvallende markering voor 22b. Opvallende markering zijkant motorvoertuig 22c. Opvallende markering achter 22d. Opvallende markering zijkant aanhangwagen en oplegger 23. Noodstopsignaal 24. Goedkeuringsmerken 25. Aanvulling R48
Wat vind je in deze brochure? • Overzicht van verplichte/verplichte en toegestane verlichting: per voertuigtype, met plaatsingsvoorschriften. • Elektrische aansluiting: hoe de verlichting aangesloten moet worden. • Afwijkingen: wat is toegestaan ten opzichte van de standaardvoorschriften. Nieuwe of aangepaste punten t.o.v. de vorige editie zijn cursief weergegeven, zodat je deze makkelijk herkent. Belangrijke wijzigingen in deze editie: • Verplichte richtingaanwijzers aan de zijkant bij sommige nieuwe voertuigen. • Noodstopsignaal toegevoegd. • Uitleg wanneer zijmarkeringslampen als richtingaanwijzer mogen worden gebruikt. • Zichthoek opvallende markering. Let op: deze markering mag maximaal 3 graden afwijken van het verticale vlak loodrecht op de ondergrond. • De optische & geluidssignalen zijn in een apart hoofdstuk opgenomen voor extra duidelijkheid. • Achterin de brochure vind je het hoofdstuk ‘Aanvullingen R48’. Hier staan aanvullende teksten die in de rest van de brochure zijn aangeduid maar te uitgebreid waren om direct op te nemen. Voor wie is deze brochure? Deze informatie is bedoeld voor: •M edewerkers van het bedrijfsbureau en werkvoorbereiding (die tekeningen en werkinstructies maken). onteurs en kwaliteitscontroleurs die verantwoordelijk zijn voor de montage en controle •M van verlichting op nieuwe voertuigen. Let op: Voor bestaande voertuigen kunnen andere voorschriften gelden. Je vindt de volledige inhoud ook online op: www.raivereniging.nl/carrosserienl De optische & geluidssignalen worden in een apart hoofdstuk behandeld. We hebben de intentie met deze brochure een waardevolle toevoeging te zijn en hopen dat dit ook zo zal worden ervaren. De inhoud van deze uitgave is met de grootst mogelijke zorg samengesteld. RAI CarrosserieNL kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele wijzigingen in regelingen, onjuistheden en/of onvolledigheden. Mocht u vragen of opmerkingen hebben betreffende de inhoud mail deze dan naar carrosserienl@raivereniging.nl
6 7 8,9 10 11 12, 13 15 16 17 18 19 20 21, 22 23 24 ,25 27 28, 29 30 31 32, 33 34 35 36, 37, 38, 39 41 42, 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52, 53 54 55 56, 57 58 60 61 62, 63
RAI CarrosserieNL 6
7
Definities + synoniemen
1. Dimlichtkoplamp = het licht dat wordt gebruikt om de weg voor het voertuig te verlichten zonder tegenliggers of andere weggebruikers te verblinden of te hinderen. 2. Grootlichtkoplamp = het licht dat wordt gebruikt om de weg voor het voertuig over een grote afstand te verlichten. 3. Mistvoorlicht = een licht dat wordt gebruikt om de verlichting van de weg voor het voertuig bij mist of een soortgelijke toestand van verminderd zicht te verbeteren. 4a. Achteruitrijlicht = het licht dat wordt gebruikt om de weg achter het voertuig te verlichten en andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruitrijdt of achteruit gaat rijden. 4b. Manoeuvreerlicht = extra verlichting in de directe omgeving rondom het voertuig om te helpen bij lage snelheid manoeuvres. 5. Richtingaanwijzer = het licht dat wordt gebruikt om andere weggebruikers erop te attenderen dat de bestuurder van plan is om naar links of naar rechts van richting te veranderen. (5a= richtingaanwijzer voor, 5b= richtingaanwijzer zijkant, 5c= richtingaanwijzer achter). 6. Stoplicht = het licht dat wordt gebruikt om andere weggebruikers achter het voertuig erop te attenderen dat voorwaartse ( of achterwaartse) beweging opzettelijk wordt vertraagd. Alternatieve benaming: remlicht. (6a= normale remlichten, 6b= derde remlicht). aarschuwingssignaal = de gelijktijdige werking van 7. W alle richtingaanwijzers van het voertuig om erop te attenderen dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers. Alternatieve benaming: gevarenlicht. 8. Kentekenplaatverlichting = de inrichting die wordt gebruikt om de plaats voor de achterkentekenplaat te verlichten; deze kan uit verschillende optische componenten bestaan.
Definities + synoniemen
9. Breedtelicht = het licht dat wordt gebruikt om, vanaf de voorkant gezien, de aanwezigheid en de breedte van hetvoertuig aan te geven. 10. Achterlicht = het licht dat wordt gebruikt om, van deachterkant gezien, de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven. 11. Mistachterlicht = een licht dat wordt gebruikt om het voertuig bij dichte mist van achteren beter zichtbaar te maken. 12. Parkeerlicht = een licht dat wordt gebruikt om de aanwezigheid van een binnen de bebouwde kom geparkeerd voertuig aan te geven. Het vervangt in dat geval de breedte- en achterlichten. 13. Zijmarkeringslicht = een licht dat wordt gebruikt om, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig aan te geven. 14. Markeringslicht = het licht dat dicht bij de buitenste rand van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht om de totale breedte van het voertuig duidelijk aan te geven. Dit licht is bestemd om bij bepaalde voertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door bijzondere aandacht te vestigen op de omvang. Alternatieve benaming: toplicht. (14a= Markeringslichtvoor, 14b= Markeringslicht achter, zie ook staaklicht). 15. Achterretroreflector (niet driehoekig) = een niet-driehoekige inrichting aangebracht op de achterzijde van het voertuig die wordt gebruikt om de aanwezigheid van het voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron, waarbij de waarnemer zich bij deze lichtbron bevindt. 16. A chterretroreflector (driehoek) = een driehoekige inrichting aangebracht op de achterzijde van het voertuig die wordt gebruikt om de aanwezigheid van het voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron, waarbij de waarnemer zich bij deze lichtbron bevindt.
17.
V oorretroreflector = een inrichting aangebracht op de voorzijde van het voertuig die wordt gebruikt om de aanwezigheid van het voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron, waarbij de waarnemer zicht bij deze lichtbron bevindt.
18. Z ijretroreflector = een inrichting aangebracht op de zijkanten van het voertuig die wordt gebruikt om de aanwezigheid van het voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron, waarbij de waarnemer zicht bij deze lichtbron bevindt. agrijlicht = een naar voren gericht licht dat wordt 19. D gebruikt om het voertuig tijdens het rijden overdag beter zichtbaar te maken. oeklicht = een licht dat wordt gebruikt voor uitlijnen 20. H verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien. 21. N oodstopsignaal = signaal om andere weggebruikers achter het voertuig erop te attenderen dat het voertuig sterk vertraagt in verband met de heersende omstandigheden op de weg. “beweegbare onderdelen” van het voertuig: die carrosseriepanelen of andere voertuigdelen waarvan de stand gewijzigd kan worden door kanteling, verdraaiing of verschuiving zonder daarvoor gereedschap te gebruiken. Hieronder vallen geen kantelbare bestuurderscabines van vrachtwagens;
Afmetingen en uitzonderingen
Breedte Bij de totale breedte worden de volgende uitstekende delen m.b.t. verlichting buiten beschouwing gelaten: a. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, breedte en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren en zijmarkeringslichten e.d.op het voertuig aangebrachte douaneverzegeling en voorzieningen om deze te bevestigen en te beschermen, b. verlichtingssystemen van bedrijfsdeuren op voertuigen van de categorieën M2 en M3
Let op!
Voorzieningen en uitrusting die in de breedterichting aan het voertuig worden toegevoegd, mogen in totaal niet meer dan 100 mm uitsteken. In het geval van staaklichten max. 50 mm per zijde uitsteken. Bron: Verordening (EU) 2021/535 Lengte Bij de totale lengte worden de volgende uitstekende delen buiten beschouwing gelaten: a. voorzieningen voor indirect zicht; b. markeringslichten; c. koppelinrichtingen bij motorvoertuigen. Bij aanhangwagens moet in de totale lengte en bij elke meting in de lengte de dissel zijn inbegrepen, tenzij die specifiek wordt uitgesloten.
Let op!
Betreffende maatvoering plaatsing verlichting (vanaf wegdek, onderling): • I ndien niet anders opgegeven moet gemeten worden vanaf buitenste rand lichtdoorlatende oppervlak, dus NIET vanaf buitenste rand unit waarin de verlichting gemonteerd is! Betreffende verlichting en opvallende markering: Voor alle lichtsignaal¬voorzieningen (waaronder ook opvallende markering valt), ook die op de zijpanelen, moet de referentieas van het op het voertuig aangebrachte licht evenwijdig zijn aan het vlak waarop het voertuig op de weg rust; bovendien moet deze as loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig bij zijretroreflectoren en zijmarkeringslichten en evenwijdig aan dit vlak zijn voor alle andere signaal¬voorzieningen. In elke richting is een tolerantie van ± 3° toegestaan. Bovendien moeten eventuele specifieke montageinstructies van de fabrikant in acht worden genomen.
RAI CarrosserieNL 8
9
Voertuigcategorieën
Verlichtingscategorieën
M1 Motorvoertuigen tot 3.500 kg en vervoerscapaciteit tot en met 8 personen (exclusief chauffeur)
Richting aanwijzer voor: Categorie 1
minimum lichtsterkte 175 cd
M2 Motorvoertuigen tot en met 5.000 kg en vervoerscapaciteit meer dan 8 personen
Categorie 1a
minimum lichtsterkte 250 cd
Categorie 1b
minimum lichtsterkte 400 cd
M3 Motorvoertuigen boven 5.000 kg en vervoerscapaciteit meer dan 8 personen N1 Motorvoertuigen voor goederenvervoer met maximum massa ten hoogste 3.500 kg
Richting aanwijzer achter: Categorie 2a
minimum lichtsterkte 50 cd, maximum 350 cd
Categorie 2b
minimum lichtsterkte overdag 175 cd, maximum 700 cd, bij 2 knipperlichten per zijde 980 cd minimum lichtsterkte ‘s nachts 40 cd, maximum 120 cd, bij 2 knipperlichten per zijde maximum 168 cd
N2 Motorvoertuigen voor goederenvervoer met maximum massa meer dan 3.500 kg maar niet meer dan 12.000 kg N3 Motorvoertuigen voor goederenvervoer met maximum massa meer dan 12.000 kg N3G Terrein-motorvoertuigen van de categorie N3 O1 Aanhangers en opleggers met maximum massa ten hoogste 750 kg O2 Aanhangwagens en opleggers met maximum massa meer dan 750 kg maar niet meer dan 3500 kg O3 Aanhangwagens en opleggers met maximum massa meer dan 3.500 kg maar niet meer dan 10.000 kg O4 Aanhangwagens en opleggers met maximum massa van meer dan 10.000 kg
Let op
Met maximum massa wordt de technisch maximum massa bedoeld. Wordt een voertuig terug gekeurd dan is de wettelijke massa lager dan de technische massa. De eisen van de technische massa zijn van toepassing.
Stoplichtlicht: Categorie S1
variabel, minimum lichtsterkte 60 cd, maximum lichtsterkte 185 cd
Categorie S2
variabel, minimum lichtsterkte overdag 60 cd, maximum lichtsterkte 521 cd
Categorie S3
aangebracht remlicht, hoog lichtsterkte minimum 25 cd, maximum 80 cd type “D”-dubbele lamp, lichtsterkte minimum 25 cd, maximum 55 cd
Categorie S4
aangebracht remlicht hoog variabel, lichtsterkte minimum 25 cd, maximum 114 cd. type “D”-dubbele lamp variabel, lichtsterkte minimum 25 cd, maximum 80 cd
Richting aanwijzer zijkant: Categorie 5
Categorie 6
Mistachterlicht: Categorie F of F1
minimum lichtsterkte = 0.6 cd (knipperlichten, ondersteuning knipperlichten voorzijde)
Zijmarkeringslichten: Categorie SM1
minimum lichtsterkte 4 cd
minimum lichtsterkte = 50 cd
Categorie SM2
minimum lichtsterkte = 0,6 cd (verschilt van categorie 5 omdat categorie SM2 lampen continu branden en montage recht opzij van het voertuig)
gelijkblijvend minimum lichtsterkte 150 cd, maximum 300 cd
Categorie F2 variabel minimum lichtsterkte 150 cd, maximum 840 cd
Achterlichten en markeringslicht achter: Categorie R of R1
minimum lichtsterkte 4 cd, maximum 12 cd
Categorie R2
minimum lichtsterkte 4 cd, maximum 30 cd
Markeringslicht voor: Categorie A
lichtsterkte min 4 cd, enkele lamp
Categorie AM
max. 140 cd, type `D’ lamp max. 70 cd
Markeringslicht achter: Categorie RM1
lichtsterkte min. 4 cd, enkele lamp max. 17 cd, type `D’ lamp max. 8,5 cd
Categorie RM2
lichtsterkte min. 4 cd, enkele lamp max. 452 cd, type `D’ lamp max. 21 cd
RAI CarrosserieNL 10
11
Verlichting op bewegende delen
Bewegende delen van het voertuig zijn: de carrosseriepanelen of andere voertuigonderdelen waarvan de stand gewijzigd kan worden door kanteling, verdraaiing of verschuiving zonder daarvoor gereedschap te gebruiken. Hieronder vallen geen kantelbare bestuurderscabines van vrachtwagens. Naast welke verlichting op beweegbare onderdelen worden gemonteerd en welke verlichting mag al dan niet worden gemonteerd op beweegbare delen is er ook een onderscheid tussen gebruikstoestand en parkeertoestand en onderscheid tussen verlichting en reflector.
Welke verlichting mag op beweegbare delen •
•
chterlichten, achterrichtingaanwijzers en zowel A drie- hoekige als niet-driehoekige achterretroflectoren mogen alleen in de volgende gevallen op beweegbare onderdelen worden bevestigd: a) verlichting op bewegende delen moet in vaste stand aan alle eisen voldoen die opgenomen zijn in deze brochure. b) is er een samenstel van twee lichten voorzien van een D dan hoeft slechts 1 licht aan de eisen voldoen die opgenomen zijn in deze brochure. OF c) indien extra lichten voor bovengenoemde functies zijn gemonteerd en zijn geactiveerd wanneer het beweegbare onderdeel zich in een vaste open stand bevindt, mits die extra lichten voldoen aan alle voorschriften inzake plaats, geometrische zichtbaarheid en fotometrische eigenschappen die gelden voor de lichten die op het beweegbare onderdeel zijn geïnstalleerd. Indien de achterlichten, achterrichtingaanwijzers en zowel driehoekige als niet-driehoekige achterretroflectoren door een onderling afhankelijk lichtsysteem worden verkregen, geldt een van de volgende voorwaarden: 1) is het complete onderling afhankelijke lichtsysteem op het bewegende onderdeel of de bewegende onderdelen gemonteerd, moet aan de voorschriften van a) worden voldaan. Voor bovengenoemde functies mogen echter extra lichten worden geactiveerd wanneer het beweeg- bare onderdeel zich in een vaste open stand bevindt, mits die extra lichten voldoen aan alle voorschriften inzake plaats, geometrische zichtbaarheid en foto- metrische eigenschappen die gelden voor de lichten die op het beweegbare onderdeel zijn geïnstalleerd, OF
•
•
2) is het onderling afhankelijke lichtsysteem deels op het vaste onderdeel en deels op een beweegbaar onderdeel gemonteerd, moeten het (de) door de aanvrager tijdens de goedkeuringsprocedure van de inrichting gespecifi- ceerde onderling afhankelijke licht(en) in alle vaste standen van het beweegbare onderdeel (de beweegbare onderdelen) aan alle voor die lichten geldende voor- schriften inzake plaats, geometrische zichtbaarheid en fotometrische eigenschappen voldoen. Aan het voorschrift (de voorschriften) inzake geome- trische zichtbaarheid naar binnen wordt geacht te zijn voldaan als dat (die) onderling afhankelijke licht(en), in alle vaste standen van het beweegbare onderdeel (de beweegbare onderdelen), nog steeds voldoet (voldoen) aan de fotometrische waarden die voor de goedkeuring van de inrichting op het gebied van lichtverdeling zijn voorgeschreven. Wanneer de beweegbare onderdelen zich in een andere stand dan een „normale gebruiksstand” bevinden, mogen de daarop geïnstalleerde inrichtingen geen hinder veroorzaken voor andere weggebruikers. Wanneer een licht op een beweegbaar onderdeel is geïnstalleerd en het beweegbare onderdeel zich in de „normale gebruiksstand(en)” bevindt, moet het licht altijd terugkeren in de stand(en) die overeenkomstig dit reglement door de fabrikant is (zijn) aangegeven. Bij dimlichtkoplampen en mistvoorlichten gelden de eisen van bijlage 6 van R48.
Afscherming verlichting door beweegbare delen
Van het zichtbare oppervlak in de richting van de referentieas van breedte- en achterlichten, voor- en achterrichtingaanwijzers en retroflectoren mag niet meer dan 50% worden verborgen door beweegbare onderdelen, al dan niet met een lichtsignaalvoorziening erop bevestigd, in een vaste stand die verschilt van de “normale gebruiksstand”. Onder vaste stand van een beweegbaar onderdeel wordt verstaan de door de voertuigfabrikant aangegeven al dan niet vergrendelde stabiele of natuurlijke ruststand(en) van het beweegbare onderdeel. Indien bovenstaande eis niet praktisch uitvoerbaar is: moeten aanvullende lichten die aan alle voorschriften inzake plaats, geometrische zichtbaarheid en colorimetrische fotometrische eigenschappen voor bovengenoemde lichten voldoen, ingeschakeld worden wanneer van het zichtbare oppervlak in de richting van de referentieas van deze lichten meer dan 50 % wordt verborgen door het beweegbare onderdeel; Door een opmerking ‘Mededeling’ welke in bijlage 1 van het VN/ECE Reglement nr 48 bij punt 10.1 te maken andere instanties ervan op de hoogte stellen dat meer dan 50 % van het zichtbare oppervlak in de richting van de referentieas door bewegende onderdelen kan worden verborgen. En er dient door een opschrift in het voertuig de gebruiker ervan op de hoogte stellen dat in (een) bepaalde stand(en) van de beweegbare onderdelen andere weggebruikers moeten worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van het voertuig op de weg. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een gevarendriehoek of andere voorzieningen volgens de nationale wegverkeersvoorschriften. Dit laatste is niet van toepassing op retroreflectoren. Zie voor volledige tekst R48 5.18 t/m 5.21.3. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/ PDF/?uri=uriserv:OJ.L_.2021.347.01.0001.01.NLD
RAI CarrosserieNL 12
13
Uitsluitend voor intern gebruik RDW
1. Dimlichtkoplamp
B
A
A
c
1
Hmin./max. a 10 °
zichthoek (1.3)
a
d
b
b 45 °
c 15 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
-
verplicht
2
-
-
-
-
-
plaats
d 10 °
kleur
•
• • •
c d
•
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
wit
500 mm
1200 mm
600 mm
400 mm
-
-
(1.0)
(1.1 & 1.2)
-
Montage •
H
Afwijkingen
Paarsgewijs bijschakelen van extra grote koplampen voor dim- en/of grootlicht is toegestaan. Bij de omschakeling naar dimlicht moeten alle grootlichtkoplampen tegelijkertijd worden uitgeschakeld. Het dimlicht mag tegelijk met grootlicht blijven branden. Inschakelcontrole toegestaan. Wordt een dimlichtkoplamp gebruikt dan mag er geen afdekking of rooster gemonteerd zijn, behalve wanneer het rooster of afdekking is toegestaan middels een toelating Lengte: montage aan de voorzijde van het voertuig, orientatie aan voren, dient zodanig te zijn dat de H min./max. chauffeur geen last heeft van weerkaatsingen.
1.0 M ax. 1500 mm voor N2G, N3G, M2G en M3G voertuigen. In alle gevallen regels voor verticale hellingshoek (neerwaartse helling) lichtbundel, zie R48: 6.2.6.1.2. en verder. 1.1 G eldt niet voor M1 + N1 voertuigen. 1.2 Bij alle voertuigen behalve M1 + N1 minimaal 400 mm indien totale voertuigbreedte < 1300 mm. g 1.3 A fschermplaten of andere uitrustingsstukken in ade nabijheid van de koplamp mogen geen secundaire b effecten veroorzaken die andere weggebruikers hinderen.
L
f
f g
g
X c d
H min./max.
11
RAI CarrosserieNL 14
15
2. Grootlichtkoplamp
B
A Hmin./max.
zichthoek
plaats -
• •
• • • • •
A Hmin./max. a 10 °
zichthoek (3.2)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
-
-
-
(2.0)
-
(2.0)
Grootlicht moet voorwaarts georienteerd zijn. De koplampen voor grootlicht mogen alleen ofwel gelijktijdig of paarsgewijs inschakelbaar zijn. Indien er 2 extra koplampen voor grootlicht zijn aangebracht dan mogen niet meer dan 2 paren tegelijkertijd branden. Bij de omschakeling van dimlicht naar grootlicht moet ten minste 1 paar voor grootlicht worden ingeschakeld. Bij het dimmen moeten alle grootlichtkoplampen tegelijkertijd worden uitgeschakeld. Grootlichtkoplampen mogen alleen inschakelbaar zijn indien de schakelaar in AAN-stand behalve indien alleen voor korte onderbroken lichtsignalen gebruikt. Dimlichten mogen gelijktijdig met de grootlichtkoplampen blijven branden. Inschakelcontrole verplicht. Breedte: geen speciale voorschriften. Hoogte: geen speciale voorschriften. Lengte: montage dient zodanig te zijn dat de chauffeur geen last heeft van weerkaatsingen.
kleur wit
H
A
B maximaal
plaats
L
A
3
n.v.t.
Montage
•
B
A
max. v.a. voorzijde
c
2
• •
3. Mistvoorlicht
b 45 °
b
c 5°
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
d 5°
kleur
minimaal
maximaal
minimaal
-
-
-
-
-
-
-
-
wit
-
-
-
(3.0)
-
selectief
geel
-
Afwijkingen
-
2.0 V erboden op aanhangwagens en opleggers. Bij alle motorvoertuigen zijn 2 of 4 grootlichtkoplampen toegestaan.
Montage •
• •
• •
•
a
d
Onafhankelijk van de grootlichtkoplampen, de dimlichtkoplampen of een combinatie hiervan in- en uit te schakelen, tenzij als onderdeel van AFS (Adaptive Frontlight System) gebruikt. Inschakelcontrole verplicht, onafhankelijk niet-knipperend waarschuwingslicht. Geen enkel punt van het zichtbare oppervlak van het mistvoorlicht mag uitsteken boven het bovenste punt van het zichtbare oppervlak van de dimlichtkoplamp Montage de voorkant. Aan de voorkant in de rijrichting georienteerd. Het mist voorlicht moet zo gemonteerd zijn dat het uitgestraalde licht en de weerspiegeling mag geen hinder veroorzaken voor de bestuurder. In de lengte: het mist voorlicht moet zo gemonteerd zijn dat het uitgestraalde licht en de weerspiegeling mag geen hinder veroorzaken voor de bestuurder.
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
250
1200
-
-
(3.1)
-
400
Afwijkingen
3.0 2 Stuks. Toegestaan op motorvoertuigen, verboden op aanhangwagens. 3.1 V oertuigen categorie M1 en N1: max. 800 mm. Uitgezonderd N3G: max. 1500 mm. 3.2 A fschermplaten of andere uitrustingsstukken in de nabijheid van de koplamp mogen geen secundaire effecten veroorzaken die andere weggebruikers hinderen.
RAI CarrosserieNL 16
17
4a. Achteruitrijlicht
4b. Manoeuvreerlicht
g
a b
4a
4b
c d
Hmin./max. zichthoek
plaats achter/ zijkant*
a 45 °
b 45 ° (4.3)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
1
(4.2)
4.0
Montage • •
•
•
• •
• •
c 15 ° (4.4)
(4.1)
-
Orientatie naar achteren Achteruitrijlicht mag alleen branden wanneer de achteruitrijversnelling is ingeschakeld en het motorcontact aan is. Extra toegestane achteruitrijlampen mogen alleen branden indien de breedte-, markerings-, achter-, zijmarkerings- en kentekenplaatverlichting tegelijk in- en uitgeschakeld kunnen worden. Achteruitrijlampen die aan de zijkant(en) gemonteerd zijn mogen worden gebruikt voor voorwaartse manoeuvres tot 15 km/uur. Dit is onder de voorwaarde dat: a) d eze lampen met 1 schakelaar handmatig in- en uitschakelbaar zijn. b) wanneer ze handmatig in geschakeld zijn dan mogen ze blijven branden wanneer de achteruitversnelling uitgeschakeld wordt. c) w anneer de voorwaartse snelheid boven de 15 km/ uur komt moeten ze automatische uitgeschakeld worden. De lampen moeten uitgeschakeld blijven tot dat ze handmatig aangezet worden. Verplichte achteruitrijverlichting moet aan de achterzijde gemonteerd worden. Toegestane extra achteruitrijverlichting mag naar keuze aan de achterzijde of aan de zijkant(en) gemonteerd worden. Inschakelcontrole toegestaan. Lamp moet voldoen aan ECE-R23 code en overeenkomstig certificaat.
d 5° (4.4)
kleur wit -
g 15 °
zichthoek
H
A
B maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
250 mm
1200 mm
-
-
-
-
-
Afwijkingen
(4.5)
4.0 V erplicht op alle motorvoertuigen en aanhangwagens O2, O3 en O4. Toegestaan op aanhangwagens categorie O1. 4.1 M1 en alle andere (motor)voertuigen met L <= 6 m: 1 achteruitrijlamp verplicht en 2e achteruitrijlamp toegestaan. 4.2. A lle (motor) voertuigen L > 6 m. uitgezonderd M1 categorie: 2 stuks verplicht (achter) en 2 extra toegestaan (achter of zijkant). 4.3 3 0 i.p.v. 45 graden naar binnen bij 2 achteruitrijlampen 4.4 I ndien bij (motor)voertuigen met lengte > 6 m. (behalve categorie M1) de 2 toegestane achteruitrijlichtenzijdelings worden gemonteerd, dan moeten de hoek g maximaal 15 graden bedragen in horizontale richting. 4.5 Categorie N2G, N3G, M2G, M3G maximaal 1400 mm.
plaats voor/achter/ zijkant
Montage •
•
•
•
• •
n.v.t. behalve (4.6)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
toegestaan
-
(4.7)
-
kleur wit
(4.8)
Orientatie: naar beneden. Voorschriften 6.26.9 van VN reglement nr. 48 achterin deze brochure van toepassing. Manoeuvreerlicht(en) mag (mogen) alleen branden indien gelijktijdig met dimlicht of grootlicht inschakelbaar. Manoeuvreerlicht(en) mag (mogen) niet op een andere wijze aan gezet worden. De manoeuveerlicht(en) moet(en) automatisch aan gezet worden voor langzame manoeuvres tot 15 km/ uur onder de voorwaarde dat van 1 van de navolgende mogelijkheden gebruik wordt gemaakt: a) Voorafgaand aan dat het voertuig de eerste keer in beweging komt na handmatige activering versnellingsbak. b) Achteruit-versnelling is ingeschakeld. c) Een camerasysteem voor parkeerhulp in werking is. De manoeuvreerlicht(en) moet(en) automatisch uitgeschakeld worden indien de voorwaartse snelheid de 15 km/uur overschrijdt en manoeuvreerlicht(en) moet(en) uitgeschakeld blijven tot aan 1 van bovenstaande voorwaarden voor inschakelen wordt voldaan. Inschakelcontrole toegestaan. Lamp moet voldoen aan ECE-R23 code en overeenkomstig certificaat.
-
H
A
B maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
-
-
-
-
-
-
-
-
Afwijkingen
4.6 L icht moet omlaag gericht zijn. Geen directe zichtbaarheid van het lichtoppervlak van manoeuvreerlicht toegestaan, gezien door waarnemer op afstand van 10 m. (gemeten in rechthoek rondom voertuig, min. afstand tot voertuig hierbij 10 m.) en op hoogte van 1 en 3 m. boven het wegdek. 4.7 Toegestaan op motorwagens. 4.8 2, maximaal 1 per zijde.
RAI CarrosserieNL 18
19
5a. Richtingaanwijzer voor
5b. Richtingaanwijzer zijkant motorvoertuig L
f
f g
B
A
X
A
c
5a
Hmin./max. zichthoek
plaats voor -
a 45 ° (5.2)
b 80 °
d
b
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
-
-
-
5b
a
c 15 °
g
d 15 ° (5.10)
ambergeel
-
Montage
• Categorie 1 of 1a of 1b • Het branden moet onafhankelijk van andere lampen geschieden. • De lampen moeten aan dezelfde voertuigzijde door dezelfde bediening tot aan- en uitschakelen worden gebracht en synchroon knipperen. • Inschakelcontrole verplicht voor categorie 1, 1a, 1b. Visueel en/of akoestisch. Visueel d.m.v. doven of blijven branden of andere frequentie waardoor duidelijk zichtbaar dat 1 van de richtingsaanwijzers defect. Akoestisch duidelijk hoorbaar en duidelijke frequentiewijziging bij defecte richtingaanwijzer. • Indien motorvoertuig voorzien van aanhangwagen: in motorvoertuig extra inschakelcontrole of detectiemogelijkheid van een defect op de voertuigcombinatie. Voor extra toegestane richtingaanwijzers is inschakelcontrole niet verplicht. • Categorie 1, 1a en 1b: voor gebruik op een afstand van ten minste 40 mm van het dimlicht en/of het mistvoorlicht; • Categorie 1a en 1b: voor gebruik op een afstand van meer dan 20 mm maar minder dan 40 mm van het dimlicht en/of het mistvoorlicht; • Categorie 1b: voor gebruik op een afstand van ten hoogste 20 mm van het dimlicht en/of het mistvoorlicht
-
d
H min./max.
zichthoek
H
kleur
c
A
B
plaats
c 15 ° (5.6)
d 15 ° (5.10)
f 30 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
350 mm
1500 mm
600 mm
400 mm
zijkant
verplicht
2
-
(5.1)
-
-
-
(5.12)
(5.13)
-
(5.0)
Voorschrift frequentie knipperlicht 90 + of – 30 keer per minuut. Wanneer 1 richtingaanwijzer door een andere oorzaak dan kortsluiting defect is dan moeten de andere richtingaanwijzers blijven knipperen, maar in dat geval mag de frequentie afwijken van de voorgeschreven frequentie. • Lamp moet voldoen aan ECE-R6 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
5.0 Hoogte max. 2100 mm gemeten tot hoogste punt. Op voorwaarde dat de structuur van het voertuig een hoogte van 1500 mm niet toelaat EN geen extra achter richtingaanwijzers zijn gemonteerd. 5.1 De afstand van 600 mm mag tot 400 mm verminderd worden als de totale voertuigbreedte minder dan 1300 mm bedraagt. 5.2 Een hoek van 20 graden is toegestaan wanneer de afstand vanaf het wegdek tot de onderrand van het zichtbare lichtoppervlak < 750 mm is (categorie 1, 1a, 1b, 2a, 2b). 5.10 Mag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.
Montage
g 5°
H
kleur
x
minimaal
maximaal
max. v.a. voorzijde
ambergeel
350 mm
1500 mm
1800
-
(5.3)
(5.4)
(5.5)
• Categorie 5 en 6 • De richtingaanwijzer moet onafhankelijk van andere lampen branden. Deze moeten aan dezelfde voertuigzijde door dezelfde bediening tot aan- en uitschakelen worden gebracht. Alle richtingaanwijzers aan 1 zijde moeten synchroon knipperen. • Inschakelcontrole niet verplicht. • N1, M2 en M3 voertuigen L < = 6 mtr en M1 voertuigen: categorie 5; N1, M2 en M3 voertuigen L > 6 mtr en N2 + N3 voertuigen: Categorie 6. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 5 moeten op gelijke afstand van elkaar in de lengte van het voertuig worden gemonteerd. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 6 moeten in het gebied tussen het voorste 1/4L en het achterste 1/4L aanhangwagen gemonteerd worden. • Categorie M1 en N1, lengte < 6 m: moeten de eventueel gemonteerde ambergele zijmarkeringslichten ook met dezelfde frequentie (synchroom) knipperen als de richtingaanwijzers. • Lamp moet voldoen aan ECE-R6 code en overeenkomstig certificaat. • Knipperlicht; 90 + en – 30 keer per minuut knipperend.
Afwijkingen
5.3 M inimaal 350 mm bij M1 en N1 voertuigen, minimaal 500 mm bij alle andere motorvoertuigcategorieën. 5.4 Hoogte max. 2300 mm tot hoogste punt gemeten. Indien de structuur van het voertuigen een hoogte van 1500 mm niet toelaat en er geen extra achterrichtingaanwijzers zijn gemonteerd. 5.5 B ij M1 en N1 voertuigen max. 2500 mm tot voorzijde, bij alle andere voertuigcategorieëen max. 2500 mm indien structuur van het voertuig het onmogelijk maakt de minimale zichtshoeken in acht te nemen. 5.6 Categorie 5: 15 graden welke tot 5 graden te verminderen als de extra toegestane achterrichtingaanwijzers >=2100 mm boven het wegdek. Categorie 6: 30 graden. 5.10 categorie 5: 15 graden welke tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. Categorie 6: 5 graden. Categorie M2, M3, N2, N3. Indien richting aanwijzers categorie 5 aan zijkant zijn gemonteerd mogen de zijmarkeringslampen echter niet knipperen. Zijmarkeringslichten mogen onder voorwaarden ook als richtingaanwijzer fungeren. Zie 12 Zijmarkeringslicht voor meer informatie. Lees verder op volgende pagina.
RAI CarrosserieNL 20
21
5b. Vervolg - Richtingaanwijzer zijkant motorvoertuig
5c. Richtingaanwijzer zijkant aanhangwagen en oplegger L
L
f
f g
f g
g
X 5b
5c
c d
X
H min./max. c 15 ° (5.6)
d 15 ° (5.10)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
zijkant
verplicht
2
-
-
-
(5.12)
(5.13)
zichthoek
plaats
f 30 °
g 5°
zichthoek
H
kleur
x
plaats
H min./max. c 15 ° (5.6)
d 15 ° (5.10)
f 30 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
minimaal
maximaal
max. v.a. voorzijde
ambergeel
350 mm
1500 mm
1800
zijkant
verplicht
-
-
-
(5.3)
(5.4)
(5.5)
-
-
(5.15)
(5.14)
g 5°
H
kleur
x
minimaal
maximaal
max. v.a. voorzijde
ambergeel
500 mm
1500 mm
1800
-
-
(5.4)
(5.5)
Vervolg pagina 17.
Afwijkingen
5.12 Verplichte richtingaanwijzers zijkant Twee zijrichtingaanwijzers categorie 5: - voertuigen M1 - v oertuigen N1, M2 en M3 maximale voertuiglengte 6 meter categorie 6: - voertuigen N2 en N3 - v oertuigen N1, M2 en M3 voertuiglengte meer dan 6 meter Het is in alle gevallen toegestaan zijrichtingaanwijzers categorie 5 te vervangen door categorie 6. 5.13 Montage extra richtingaanwijzers zijkant toegestaan: a) C ategorie M2, M3, N2 en N3 en lengte tussen de 6 en 9 mtr: 1 extra lamp categorie 5. Montage extra richtingaanwijzers zijkant verplicht: Startpositie M gelijk aan startpositie M bij 5.13. b) C ategorie M2, M3, N2 en N3 en lengte > 9 mtr: 3 extra lampen categorie 5. Montage zo gelijkmatig verdeeld als praktisch mogelijk over de lengte.
Deze voorschriften bij a) en b) vermeld gelden niet als tenminste 3 zijmarkeringslampen gelijktijdig knipperen met de richtingaanwijzer aan dezelfde kant van het voertuig. Wanneer lichten zijn gemonteerd die functie van voorrichtingaanwijzers (categorie 1, 1a en 1b) en zijrichtingsaanwijzers (categorie 5 of 6) combineren dan mogen 2 extra zijrichtingaanwijzers (categorie 5 of 6) worden gemonteerd om te voldoen aan de zichtbaarheidsvoorschriften. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 5 moeten op gelijke afstand van elkaar in de lengterichting worden gemonteerd.
Montage
5.6 1 5 Graden voor categorie 5. Categorie 6: 30 graden welke tot 5 graden te verminderen als de extra toegestane achterrichtingaanwijzers >=2100 mm boven het wegdek. 5.10 Mag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. categorie 5 15 graden categorie 6 5 graden 5.14 Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 6 tussen voorste 1/4L en achterste 1/4L monteren. 5.15 Montage richtingaanwijzers zijkant verplicht: a) C ategorie O3 en O4: verplicht 5 lampen zo gelijkmatig als praktisch mogelijk verdelen over de lengte, categorie 5 lamp. Montage richtingaanwijzers zijkant toegestaan: b) C ategorie O2 met L>9mtr: 3 extra richtingaanwijzers categorie 5 of 1 extra richtingaanwijzer categorie 6 per kant. Het voorschrift bij a) vermeld geldt niet als tenminste 3 zijmarkeringslampen gelijktijdig knipperen met de richtingaanwijzer aan dezelfde kant van het voertuig.
Afwijkingen
Zijmarkeringslichten mogen onder voorwaarden ook als richtingaanwijzer fungeren. Zie 12 Zijmarkeringslicht voor meer informatie.
• De richtingaanwijzer moet onafhankelijk van andere lampen branden. Deze moeten aan dezelfde voertuigzijde door dezelfde bediening tot aan- en uitschakelen worden gebracht. Alle richtingaanwijzers aan 1 zijde moeten synchroon knipperen. • Inschakelcontrole niet verplicht. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 5 moeten op gelijke afstand van elkaar in de lengte van het voertuig worden gemonteerd. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 6 tussen voorste 1/4L en achterste 1/4L aanhangwagen gemonteerd worden. • Lamp moet voldoen aan ECE-R6 code en overeenkomstig certificaat. • Toegestane extra richtingaanwijzers categorie 5 moeten op gelijke afstand van elkaar in de lengterichting worden gemonteerd. • Categorie 03 en 04: Indien richtingaanwijzers categorie 5 gemonteerd, dan mogen de zijmarkeringslichten niet knipperen.
5.4 Hoogte max. 2300 mm tot hoogste punt gemeten. Indien de structuur van het voertuigen een hoogte van 1500 mm niet toelaat en er geen extra achterrichtingaanwijzers zijn gemonteerd.
RAI CarrosserieNL 22
23
5d. Richtingaanwijzer achter
a b
B A
5d c d
H min./max. a 80 ° (5.9)
b 45 ° (5.16)
c 15 ° (5.11)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
achter
verplicht
2
-
-
-
(5.7)
(5.12)
zichthoek
plaats
Montage: • •
•
• • • •
d 15 ° (5.10 )
H
kleur
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
ambergeel
350 mm
1500 mm
600 mm
400 mm
-
-
(5.0)
(5.1)
(5.8)
Categorie 2a of 2b De richtingaanwijzer moet onafhankelijk van andere lampen branden. Deze moeten aan dezelfde voertuigzijde door dezelfde bediening tot aan- en uitschakelen worden gebracht. Synchroon knipperen. Categorie M1 en N1, lengte < 6 m: moeten de eventueel gemonteerde ambergele zijmarkeringslichten ook met dezelfde frequentie (synchroom) knipperen als de richtingaanwijzers. Categorieën 2a en 2b: richtingaanwijzers voor montage aan de achterzijde van het motorvoertuig; Categorie 2a: achter richtingaanwijzers met constante lichtsterkte; Categorie 2b: achter richtingaanwijzers met variabele lichtsterkte Inschakelcontrole verplicht voor categorie 2a en 2b. Visueel en/of akoestisch. Visueel d.m.v. doven of blijven branden of andere frequentie waardoor duidelijk zichtbaar dat 1 van de richtingsaanwijzers defect. Akoestisch duidelijk hoorbaar en duidelijke frequentiewijziging bij defecte richtingaanwijzer.
•
•
• •
motorvoertuig voorzien van aanhangwagen: Indien in motorvoertuig extra inschakelcontrole of detectiemogelijkheid van een defect op de voertuigcombinatie. Voor extra toegestane richtingaanwijzers inschakelcontrole niet verplicht. Categorie 2a (min. 50 cd, max. 350 cd) of 2b (min. 175, max. 700 cd). Indien extra achter richtingaanwijzers gemonteerd minimale afstand boven de verplichte achter richtingaanwijzers 600 mm. Voorschrift frequentie knipperlicht 90 +/- 30 per minuut. Wanneer 1 richtingaanwijzer door een andere oorzaak dan kortsluiting defect dan moeten de andere richtingaanwijzers blijven knipperen, frequentie mag wel afwijken van het voorschrift. Lamp moet voldoen aan ECE-R6 code en overeenkomstig certificaat. & richtingaanwijzers mogen niet worden Stoplicht samengebouwd.
Afwijkingen
5.0 H oogte max. 2100 mm tot hoogste punt gemeten indien structuur voertuig hoogte 1500 mm niet toelaat EN geen extra achter richtingaanwijzers zijn gemonteerd. 5.1 A fstand mag tot 400 mm worden verminderd als de totale voertuigbreedte minder dan 1300 mm bedraagt. 5.7 2 Stuks extra achter richtingaanwijzers toegestaan op alle voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4. 5.8 G eldt niet voor de extra toegestane achter richtingaanwijzers. De toegestane achter richtingaanwijzers mogen niet minder dan 600 mm boven de verplichte achter richtingaanwijzers aangebracht zijn. 5.9 B ij M1 en N1 voertuigen: 45 graden naar keuze van de fabrikant. 5.10 M ag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.
5.11 W anneer toegestane achterrichtingaanwijzer hoger dan 2100 mm gemonteerd is mag de hoek van 15 graden verkleind worden tot 5 graden. 5.12 Indien op voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 of N3 twee facultatieve lichten (categorie 2a of 2b) worden aangebracht, moeten die in dezelfde modus werken als de overige verplichte achter richtingaanwijzers (categorie 2a of 2b); d.w.z. statisch of opeenvolgend. 5.16 H <750 mm: hoek van 45 graden veranderen tot 20 graden.
RAI CarrosserieNL 24
25
6a. Stoplicht S1 & S2
a b
B
6a c d
H
min./max.
a 45° (6.4)
b 45° (6.4)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
achter
verplicht
2
2
-
-
(6.0)
(6.1)
zichthoek
plaats
Montage
c 15° (6.5)
• Alle stoplichten moeten tegelijk gaan branden wanneer het remsysteem wordt geactiveerd. • Inschakelcontrole toegestaan. Indien aanwezig in de vorm van niet knipperend waarschuwingslicht dat bij storingen gaat branden. • Min. hoogte tussen verplichte en extra toegestane stoplichten 600 mm. • Afstand van het categorie S1 of S2 stoplicht tot het mistachterlicht > 100 mm. • De stoplichten S1en S2 moeten aan de achterkant van het voertuig gemonteerd zijn. De lichten moeten naar achteren schijnen. • Lamp moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat. • Niet samenbouwen met richtingaanwijzers • De afstand tussen ieder verplicht stoplicht en opvallende markering aan de achterkant moet groter zijn dan 200 mm.
d 15° (6.5)
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
rood
350 mm
1500 mm
-
400 mm
-
-
(6.2)
-
(6.3)
Afwijkingen
6.0 Verplicht: Stoplicht categorie S1 of S2: 2 stuks verplicht op alle voertuigcategorieën. 6.1 Toegestaan: Het is toegestaan om twee stuks extra stoplichten categorie S1 of S2 te monteren op alle voertuigen behalve categorie N1, M1 en O1. Dit is niet toegestaan wanneer stoplicht van categorie S3 of S4 is geïnstalleerd. 6.2 Categorie S1 en S2: 2100 mm indien de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt 1500 mm aan te houden en er geen extra stoplichten zijn gemonteerd. Extra stoplichten moeten gemonteerd worden op een hoogte die past bij de breedte en symmetrie van de lichten en zo hoog mogelijk als de carrosserie het toelaat. De afstand tot de verplichte stoplichten is 600 mm of meer. 6.3 M1 en M2 voertuigen: max. 400 mm. Overige voertuigcategorieën, 600 mm, deze afstand mag tot 400 mm verminderen worden indien totale voertuigbreedte < 1300 mm. 6.4 Is het stoplicht S1 of S2 lager dan 750 mm boven de grond gemonteerd dan mag de hoek b van 45 graden verminderd worden naar 20 graden. 6.5 Categorie S1 of S2: 15º. Hoek d tot 5º verminderen als hoogte stoplicht minder dan 750 mm bedraagt of de extra toegestane stoplichten zich hoger dan 2100 mm boven het wegdek bevinden.
RAI CarrosserieNL 26
27
6b. Stoplicht S3 & S4 (derde remlicht) 6b c
B
d
H
min./max. S3 of S4
a b
a 10 °
b 10 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
achter
verplicht
1
1
-
-
(6.8)
(6.9)
zichthoek
plaats
c 10 °
d 5°
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
rood
350 mm
-
-
-
-
-
(6.10)
-
(6.11)
Montage
• Alle stoplichten moeten tegelijk gaan branden wanneer het remsysteem wordt geactiveerd. • Inschakelcontrole toegestaan. Indien aanwezig in de vorm van niet knipperend waarschuwingslicht dat bij storingen gaat branden. • Het stoplicht S3 of S4 moet gemonteerd worden boven de stoplichten S1 en S2. • Lamp moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat. • De stoplichten S3 en S4 hoeven niet aan de achterkant van het voertuig gemonteerd te zijn. • De lichten moeten naar achteren schijnen. • Mag niet met een ander licht zijn samengebouwd. • Mag binnen of buiten het voertuig worden geinstalleerd. Binnen het voertuig mag het uitgestraald licht geen hinder veroorzaken voor de bestuurder.
Overzicht uitzonderingen 3e remlicht N1-voertuigen onder de randvoorwaarde dat het voertuig moet zijn voorzien van een open laadgedeelte, door de RDW gedefinieerd als: 01 open laadvloer 02 neerklapbare zijschoten 07 afneembare bovenbouw 08 containercarrier 09 voertuig met haakarm 10 kipper 14 voor vervoer voertuigen 21 voor vervoer boten 24 takelwagen 27 hoogwerker Chassis cabine PS Een voertuig met huifopbouw dient dus WEL voorzien te zijn van een derde remlicht
Afwijkingen
6.8 Verplicht: Stoplicht categorie S3 of S4 (derde remlicht): 1 stuks verplicht op voertuigen van de categorie M1 en N1. Met uitzondering van chassiscabines en N1 voertuigen met open laadruimte. Toegestaan op andere voertuigcategorieën. 6.9 Toegestaan: Alleen indien achtervlak gescheiden (bijv. 2 deuren) en onvoldoende ruimte om enkel stoplicht boven de deuren of andere bewegende delen te monteren toegestaan om ipv 1 stuks 2 stoplichten categorie S3 of S4 type D of 1 stoplicht categorie S3 of S4 zo dicht mogelijk bij en aan 1 zijde van dit scheidingsvlak monteren. Wanneer 1 stoplicht categorie S3 of S4 buiten het middenlangsvlak is toegestaan, afstand tot middenlangsvlak max. 150 mm. Tevens toegestaan een onderling afhankelijk stoplichtsysteem van categorie S3 of S4 te installeren.
6.10 Bij stoplicht S3 onderrand zichtbaar oppervlak niet meer dan 150 mm onder de ruit of niet minder dan 850 mm boven het wegdek. Onderrand zichtbaar oppervlak stoplicht moet zicht boven de bovenrand van zichtbaar oppervlak stoplicht categorie S1 of S2 bevinden. 6.11 Het referentiepunt moet in het midden van het voertuig zitten. Bij twee S3 of S4 stoplichten moeten de stoplichten zo dicht mogelijk bij het middenlangsvlak gemonteerd zijn. Wanneer 1 stoplicht categorie S3 of S4 buiten het middenlangsvlak is toegestaan, afstand tot middenlangsvlak max.150 mm. Gemeten tot het referentiepunt van het middenlangsvlak.
RAI CarrosserieNL 28
29
7. Waarschuwingssignaal
8. Breedtelicht f g
a
a
b
b
B 7
A
X
A
B
c
8
d
H
min./max.
b 45 ° (7.6)
verplicht/
aantal
toegestaan
verplicht
voor/achter/
verplicht
voldoende
zijkant
-
-
plaats
d
b
H
a
min./max.
a 80 ° (7.5)
zichthoek
c
A
Montage
c 15 ° (7.7)
kleur
d 15 ° (7.8)
H
f 30 °
g 5°
zichthoek
A
B
X
plaats
a 80 ° (8.4)
b 45 ° (8.5)
c 15 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
max.
ambergeel
350 mm
1500 mm
600 mm
400 mm
1800 mm
zijkant
verplicht
2
-
-
(7.0)
(7.1)
(7.3)
(7.2)
(7.4)
-
(8.0)
-
-
• Verplicht eigen handbedieningsorgaan, alle richtingaanwijzers moeten synchroon knipperen. • Verplichte inschakelcontrole: visueel (knipperend) of akoestisch (goed hoorbaar), bij defect duidelijke frequentiewijziging. Indien motorvoertuig geschikt voor het trekken van aanhangwagen moet het voorzien zijn van een speciale visuele verklikker voor de werking van de richtingaanwijzers op de aanhangwagen, tenzij de verklikker van het motorvoertuig de mogelijkheid biedt om een defecte richtingaanwijzer op de voertuigcombinatie te detecteren. Niet verplicht voor extra toegestane richtingaanwijzers op (motor) voertuigen. • Licht moet knipperlicht zijn, frequentie 90 +/- 30 maal per minuut. Het waarschuwingssignaal moet onafhankelijk van de automotor kunnen werken. Wanneer 1 richtingaanwijzer door andere oorzaak dan kortsluitingdefect dan moeten andere richtingaanwijzers blijven knipperen. Categorie M1 + N1 L < 6 m.: eventuele zijmarkeringslichten synchroon knipperen met richtingaanwijzers.
Afwijkingen
7.0 Minimaal 350 mm bij M1 en N1 voertuigen, minimaal 500 mm bij alle andere motorvoertuigklassen. 7.1 Hoogte max. 2300 mm tot hoogste punt gemeten indien structuur voertuig hoogte 1500 mm niet toelaat EN geen extra achterrichtingaanwijzers zijn gemonteerd. 7.2 Geldt niet voor de extra toegestane achterrichtingaanwijzers. 7.3 Afstand mag tot 400 mm worden verminderd als de totale voertuigbreedte minder dan 1300 mm bedraagt. 7.4 Bij M1 en N1 voertuigen max. 2500 mm tot voorzijde, bij alle andere voertuig categorieën max. 2500 mm indien structuur van het voertuig het onmogelijk maakt de minimale zichthoeken in acht te nemen. 7.5 Bij M1 en N1 voertuigen: 45 graden naar keuze van de fabrikant. 7.6 Categorie M1 + N1: hoek van 45 graden naar 20 graden te verminderen indien hoogte onderrand zichtbaar lichtoppervlak < 750 mm vanaf wegdek gemeten. 7.7 15 Graden voor categorie 5. Categorie 6: 30 Graden welke tot 5 graden te verminderen als de extra toegestane achterrichtingaanwijzers >=2100 mm boven het wegdek. 7.8 Mag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.
Montage
• Oriëntatie naar voren. • Zodanige uitvoering dat de markerings-, achter-, zijmarkerings- en achterkentekenplaatverlichting en de breedtelichten alleen gelijktijdig in- en uitgeschakeld kunnen worden. • Voorgaande is niet van toepassing indien de zijmarkeringslampen samen knipperen met de richting aanwijzers. Inschakelcontrole verplicht, de controlelamp mag niet knipperen en is niet vereist als de dashboardverlichting alleen samen met de breedtelichten kan worden ingeschakeld. Dit geldt niet als de dagrijlichten zijn ingeschakeld mits ten minste de achterlichtenworden ingeschakeld. • Wanneer breedtelicht is samengebouwd met een ander licht moet aan montagevoorschrift m.b.t. breedte en hoogte van het breedtelicht worden voldaan. Indien breedtelicht met richtingaanwijzer is samengebouwd mag breedtelicht gedurende de volle activeringsperiode (zowel aan- als uitcyclus) van de richtingaanwijzer uitgeschakeld zijn. • Lamp moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
8.0 - Verplicht op alle motorvoertuigen. - Verplicht op aanhangwagen met breedte > 1600 mm. - Toegestaan op aanhangwagen met breedte <= 1600 mm.
d 15 ° (8.6)
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
wit
250 mm
1500 mm
600 mm
400 mm
-
-
(8.1)
(8.3)
(8.2)
8.1 Voertuigen categorie O1 en O2: 2100 mm. Bij andere voertuigcategorieën is 2100 mm toegestaan als de vorm het onmogelijk maakt hoogte van 1500 mm aan te houden. 8.2 Bij aanhangwagen of oplegger: maat B maximaal 150 mm. 8.3 Bij voertuigen M1 en N1 categorie: geen voorschriften. Bij alle andere voertuigen: in plaats van 600 mm mag de afstand mag min. 400 mm bedragen als totale voertuigbreedte < 1300 mm is. 8.4 Alternatief, ter keuze fabrikant: Hoek a max. 45 graden toegestaan alleen bij voertuigen categorie M1 en N1 en alleen als aan de voorkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is gemonteerd. 8.5 Categorie M1 en N1 en aan de voorkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is gemonteerd: Bevindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek (ook als aan voorkant voertuig een zijmarkeringslamp) dan mag hoek b verminderd worden naar 20 graden. Bij aanhangwagen mag de hoek tot 5 graden verminderd worden. 8.6 Categorie M1 en N1 en aan de voorkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is gemonteerd: Bevindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek dan mag hoek d tot 5 graden worden verminderd.
RAI CarrosserieNL 30
31
9. Kentekenplaatverlichting
a
9
a 15 °
b 15 °
verplicht/
aantal
toegestaan
verplicht
achter
verplicht
-
-
zichthoek
plaats
Montage
c 30 °
d 30 °
extra
kleur
1
ja
(9.0)
-
• Zodanig dat de breedte- en achterlichten, zij- en markeringslichten (voor zover aanwezig) en de kentekenplaatverlichting alleen gelijktijdig in en uitgeschakeld kunnen worden. • Inschakelcontrole toegestaan. Indien aanwezig moet de functie ervan worden vervuld door de schakelaar voor de breedte- en achterlichten. • Montage in het midden of links bij rechtsrijdend verkeer. • Voorziening plaatsing kentekenplaat overeenkomstig de typegoedkeurings documenten. • Lamp moet voldoen aan ECE-R4 code en overeenkomstig certificaat. • Vanaf 7 juli 2026 bij registratie nieuwe voertuigen categorie O3 en O4 ruimte vrijhouden voor 2e kentekenplaat inclusief kentekenverlichting. • Plaat mag in verticale richting – 5 graden en max. + 30 graden overhellen. • Verlichting kentekenplaat overeenkomstig de bijbehorende typegoedkeuringsdocumenten.
b
d
c
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
wit
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Afwijkingen
9.0 Aantal 1 of meer. Plaatsing en geometrische zichtbaarheid zodanig dat de kentekenplaat wordt verlicht. Zichthoeken: M, N en O voertuigen, zie verordening 2021/535 -> zie volgende pagina. De voor- en achterplaat/platen moeten zichtbaar zijn in de gehele ruimte die door de volgende vier vlakken wordt begrensd: a) de twee verticale raakvlakken aan de twee zijranden van de plaat, die naar de linker- en de rechterkant van de plaat een naar buiten gemeten hoek van 30° vormen ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig; b) het raakvlak aan de bovenrand van de plaat, dat een naar boven gemeten hoek van 15° met de horizontaal vormt; c) het horizontale vlak door de onderrand van de plaat, indien de hoogte van de bovenrand van de plaat ten opzichte van het wegdek niet meer dan 1 500 mm bedraagt; d) het raakvlak aan de onderrand van de plaat, dat een naar beneden gemeten hoek van 15° met het horizontale vlak vormt, indien de bovenrand van de plaat zich meer dan 1500 mm boven het wegdek bevindt.
Zie uitvoeringsverordening 2021/535 EN De plaat mag in verticale richting ten minste – 5° en ten hoogste 30° overhellen, mits de hoogte van de bovenrand van de plaat niet meer dan 1 500 mm van het wegdek verwijderd is. Stand van de voor- en achterplaat ten opzichte van het verticale dwarsvlak: 2.3.4.2.1. De plaat mag in verticale richting ten minste – 5° en ten hoogste 30° overhellen, mits de hoogte van de bovenrand van de plaat niet meer dan 1 500 mm van het wegdek verwijderd is. 2.3.4.2.2. De plaat mag in verticale richting ten minste – 15° en ten hoogste 5° overhellen, mits de hoogte van de bovenrand van de plaat meer dan 1 500 mm van het wegdek verwijderd is.< 2.3.4.3. Hoogte van de voor- en achterplaat boven het wegdek: 2.3.4.3.1. De onderrand van de voorplaat mag zich niet minder dan 100 mm boven het wegdek bevinden. 2.3.4.3.2. De onderrand van de achterplaat mag zich niet minder dan 200 mm boven het wegdek bevinden.
2.3.4.3.3.
De bovenrand van de voorplaat en de achterplaat mag zich niet meer dan 1 500 mm boven het wegdek bevinden.
2.3.4.3.3.1. Voor voertuigen voor speciale doeleinden, waarbij het vanwege de constructie van het voertuig niet mogelijk is te voldoen aan de bepaling inzake de hoogte van de ruimte voor de kentekenplaten voor en achter, mag de maximumhoogte, in afwijking van punt 2.3.4.3.3, meer dan 1 500 mm bedragen, op voorwaarde dat zij slechts zoveel meer bedraagt als de constructie van het voertuig vereist. De voor- en achterkentekenplaten staan loodrecht (± 5°) op het middenlangsvlak van het voertuig, gemeten midden op de plaat. Op verzoek van de fabrikant mag de goedkeuringsinstantie echter om technische, aerodynamische of andere redenen een tolerantie van ±15° ten opzichte van de middellijn toestaan voor de bevestiging van de voorste kentekenplaat.
RAI CarrosserieNL 32
33
10. Achterlicht
11. Mistachterlicht
a b
A
10
B
a
B
11
b
c
c
d
H
zichthoek
a 80 ° (10.4)
min./max.
b 45 ° (10.7)
c 15 ° (10.5)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
achter
verplicht
2
2
(10.8)
-
-
(10.0)
plaats
Montage
• Aan achterzijde gemonteerd, oriëntatie naar achteren. • Zodanig uitvoeren dat de breedte- en achterlichten, de zij- en markeringslichten en de achterkentekenplaatverlichting alleen tegelijk kunnen worden in- en uitgeschakeld. • Voorgaande is niet van toepassing indien de zijmarkeringslampen samen knipperen met de richtingaanwijzers • I nschakelcontrole verplicht, moet gecombineerd zijn met die van de breedtelichten. • A chterlichten dienen verplicht van categorie R, R1 of R2 te zijn. • L amp moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
d
H
min./max.
10.0 Behalve wanneer markeringslichten zijn gemonteerd zijn 2 extra achterlichten toegestaan op alle voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4. 10.1 Hoogte mag max 2100 zijn mits: - geen extra achterlichten gemonteerd zijn EN -d e vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt om de hoogte 1500 mm aan te houden. - Indien extra achterlichten: deze mogen hoger dan 2100 mm gemonteerd worden en min. 600 mm boven de verplichte achterlichten monteren en rekening houdend met 10.2 en 10.3 symmetrische montage.
d 15 ° (10.6)
kleur
zichthoek
H
A
B
plaats
a 25°
b 25°
c 5°
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
rood
350 mm
1500 mm
600 mm
400 mm
achter
verplicht
1 of 2
-
-
-
(10.1)
(10.3)
(10.2)
-
-
-
-
-
(11.3)
10.2 Deze voorwaarde geldt niet voor de extra toegestane achterlichten. 10.3 Bij voertuigen M1 en N1 categorie: geen voorschriften. Bij alle andere voertuigen: in plaats van 600 mm mag de afstand mag min. 400 mm bedragen als totale voertuigbreedte < 1300 mm is. 10.4 Alternatief, ter keuze fabrikant: Hoek a max. 45 graden toegestaan alleen bij voertuigen categorie M1 en N1 en alleen als aan de achterkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is gemonteerd. 10.5 Hoek c min. 5 graden indien montagehoogte van de extra toegestane achterlichten >= 2100 mm boven het wegdek. 10.6 Mag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. 10.7 Bevindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek dan mag hoek b tot 20 graden worden verminderd. 10.8 S oms kunnen achterlichtunits niet in de positie geplaatst blijven zoals ze op het voertuig aangeleverd zijn (horizontaal) LET OP! Niet alle achterlichtunits mogen verticaal gemonteerd worden. Op de lichtunits staan (kleine) symbolen die dit duidelijk maken.
Montage
d 5°
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
rood
250 mm
1000 mm
-
(11.1)
-
-
-
(11.0)
-
-
-
-
-
(11.2)
-
-
• Gemonteerd achterzijde voertuig, orientatie naar achteren. • Inschakeling alleen wanneer dimlicht, grootlicht of mistvoorlichten zijn ingeschakeld. Moet onafhankelijk van andere lichten kunnen worden uitgeschakeld. Het mistachterlicht van het trekkende voertuig mag (automatisch)uitgeschakeld worden wanneer er een aanhangwagen is aangekoppeld en het mistachterlicht van de aanhanger is ingeschakeld. Het mistachterlicht mag blijven branden tot de breedte- en achterlichten worden gedoofd en het mistachterlicht moet gedoofd blijven tot het opzettelijk weer wordt ontstoken. • Inschakelcontrole verplicht. Bestaande uit een onafhankelijke, niet-knipperende waarschuwingslamp + akoestische waarschuwing. • Lamp (categorie F, F1 of F2) moet voldoen aan ECE-R38 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
11.0 Hoogte max. 1200 mm wanneer het mistachterlicht met andere achterlichten gegroepeerd is. 11.1 De afstand tot het stoplicht moet >100 mm zijn. Als er één mistachterlicht is: plaatsing op halve breedte of links van het midden indien rechtsrijdend verkeer (bij linksrijdend verkeer rechts van het midden). 11.2 Voertuigcategorie N2G, N3G, M2G en M3G (terreinvoertuigen) maximale hoogte 1400 mm. 11.3 B ij 1 mistachterlicht: moet zich bevinden aan de kant van het middellangsvlak van het voertuig tegengesteld aan de in het land van inschrijving voorgeschreven verkeersrichting (dus rijrichting rechts dan mistachterlicht links). Het mistachterlicht mag zich ook midden op de achterzijde bevinden.
RAI CarrosserieNL 34
35
12. Zijmarkeringslicht L
X(13.1)
X(13.1)
e
X(13.1)
X(13.1)
f
1.000 max.
c
13
d
H min./max. zichthoek
c 10 °
d 10 °
e 45 ° (12.3 & 12.4)
verplicht/
aantal
toegestaan
verplicht
zijkant
verplicht
(12.1)
-
(12.0)
-
plaats
Montage
kleur
f 45 ° (12.3 & 12.4)
H
A
X
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
ambergeel*
250 mm
1500 mm
(13.5)
3000 mm
-
-
(12.2)
-
(12.1)
• Orientatie zijwaarts • Verplicht op alle voertuigen met L > 6 mtr, behalve op chassis-cabines. • Type SM1 verplicht alle categorieën behalve categorie M1. Voor categorie M1 type SM2 toegestaan. Elektrische aansluitingen zodanig dat breedte-, achterlichten en (zij)markeringslichten + kentekenplaat verlichting alleen tegelijk kunnen worden in- en uitgeschakeld. • Voertuigcategorie M1 en N1 met lengte < 6 mtr: verplicht zijmarkeringslampen te gebruiken indien deze een aanvulling vormen op de verminderde geometrische zichtbaarheid van breedtelichten overeenkomstig 6.9.5.2 en achterlichten overeenkomstig 6.10.5.2 VN-reglement nr. 48 (zie complete tekst achterin deze brochure) • Toegestaan op alle andere voertuigen, type SM1 of SM2 mogen dan worden gebruikt. • Inschakelcontrole toegestaan, indien gemonteerd dan moet de functie ervan door de controle-inrichting voor de breedte- en achterlichten worden uitgevoerd • Achterste zijmarkeringslichten moeten ambergeel zijn als zij samen met de achter-richtingaanwijzers knipperen.
Afwijkingen
12.0 Verplicht op alle voertuigen L > 6 m, behalve op chassis- cabines. Bij M1 + N1 voertuigen L < 6 mtr: alleen markeringslampen verplicht indien de aanwezige breedte- lichten / achterlichten onvoldoende zichtbaar zijn. Toegestaan op alle andere voertuigen. 12.1 Voorste zijmarkeringslicht max. 3 m. uit voorzijde voertuig. -V oertuigen waarvan L <= 6 m. + chassiscabines: 1 zijmarkeringslicht voorste 1/3 - Bij motorvoertuigen M1 met een lengte L >6 mtr. maar <= 7 mtr.: voldoende 1 zijmarkeringslicht op max. 3 mtr. uit voorzijde en 1 zijmarkeringslicht binnen het laatste 1/3 van de lengte van het voertuig voldoende. Tussenliggende zijmarkeringslichten Eén zijmarkeringslicht moet in de middelste 1/3L aangebracht zijn. Afstand tussen 2 zijmarkeringslichten max. 3 m. Als de structuur, het ontwerp of de gebruikswijze van het voertuig het onmogelijk maakt max. afstand tussen 2 zijmarkeringslichten tot 4 m. te vergroten. Achterste zijmarkeringslicht Max. afstand achterzijde voertuig tot achterste zijmarkeringslicht 1 m. -V oertuigen waarvan L <= 6 m. + chassiscabines: 1 zijmarkeringslicht voorste en/of achterste 1/3 L -B ij motorvoertuigen M1 met een lengte L >6 maar <= 7 m.: voldoende 1 zijmarkeringslicht op max. 3 mtr. uit de voorzijde en 1 binnen achterste 1/3L.
12.2 M ax. 2100 mm als de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt om 1500 mm aan te houden. 12.3 Bij voertuigen waarbij zijmarkeringslichten niet verplicht maar toegestaan zijn: hoek e en/of f min. 30 graden. De extra markeringslichten die worden gebruikt om de omtrek van de achterkant van het voertuig, aanhanger of oplegger aan te geven, moeten zodanig zijn gemonteerd dat zij binnen het zichtveld van spiegels. 12.4 Hoek van 45 graden naar voor- en achterkant voertuig en 30 graden naar midden (lees: midden tussen voorste en achterste zijmarkingslicht) alleen van toepassing indien voertuig uitgerust met zijmarkeringslichten ter aanvulling van de verminderde geometrische zichtbaarheid van de voor- en achter richtingaanwijzers (6.5.5.2) en/of breedtelichten (6.9.5.2 en 6.10.5.2). Zie voor complete tekst achterin deze brochure. (H25) 12.5 B evindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek dan mag de neerwaartse hoek d tot 5 graden worden verminderd. * Het achterste zijmarkeringslicht mag rood zijn als het is gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd met het achterlicht, het achtermarkeringslicht, het mistachterlicht of het stoplicht of als het gegroepeerd is met of een deel van het licht uitstralende oppervlak gemeen heeft met de achterretroreflector.
RAI CarrosserieNL 36
37
12. Zijmarkeringslicht: tevens richtingaanwijzer zijkant motorvoertuig
12. Zijmarkeringslicht: tevens richtingaanwijzer zijkant aanhangwagen en oplegger
12
12
Montage
• Bij M2, M3, N2, N3: de verplichte zijmarkeringslichten mogen gelijktijdig mee knipperen met de richtingaanwijzer aan dezelfde kant van het voertuig. Echter: deze zijmarkeringslichten mogen niet mee knipperen wanneer richtingaanwijzers categorie 5 gemonteerd en aangesloten. a. M2, M3, N2, N3 lengte groter dan 6 meter, kleiner dan 9 meter: aanvullende voorziening categorie 5 toegestaan. b. M2, M3, N2, N3 Lengte > 9 meter 3 aanvullende voorzieningen categorie 5 zo gelijkmatig als praktisch mogelijk verdeeld aan weerskanten verplicht. Deze voorschriften (a en b) gelden niet indien minimaal 3 ambergele zijmarkeringslichten aan dezelfde kant van het voertuig gemonteerd welke synchroon en gelijktijdig knipperen met de richtingsaanwijzer. • Bij M1 en N1 voertuigen L < 6 meter toegestaan dat de zijmarkeringslichten synchroon en met dezelfde frequentie knipperen als de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig. • De achterste zijmarkeringslichten moeten ambergeel zijn als zij samen met de achterrichtingaanwijzers knipperen. Wanneer het achterste zijmarkeringslicht is gecombineerd met het achterlicht dat met het stoplicht of het mistachterlicht is samengebouwd dan mag de lichtsterkte van het zijmarkeringslicht tijdens oplichten van het stoplicht of mistachterlicht worden gewijzigd. • Zie item 5b “richtingaanwijzer zijkant motorvoertuig’ voor de voorwaarden waaronder zijmarkeringslampen mogen meeknipperen.
Montage • Lamp moet voldoen aan ECE-R91 code en overeenkomstig certificaat. • De achterste zijmarkeringslampen moeten ambergeel zijn als zij samen met de achterrichtingaanwijzers knipperen. Wanneer het achterste zijmarkeringslicht is gecombineerd met het achterlicht dat met het stoplicht of het mistachterlicht is samengebouwd dan mag de lichtsterkte van het zijmarkeringslicht tijdens oplichten van het stoplicht of mistachterlicht worden gewijzigd. Zie item 5b. ‘Richtingaanwijzer zijkant’ voor de voorwaarden waaronder zijmarkeringslichten mogen meeknipperen. * Het achterste zijmarkeringslicht mag echter rood zijn indien het onderdeel is van het achterlicht, het achtermarkeringslicht, mistachterlicht of het stoplicht of als het gegroepeerd is met of een deel van het lichtuitstralende oppervlak gemeen heeft met de achterretroreflector. • Categorie M2, M3, N2, N3: indien richtingaanwijzers categorie 5 aan zijkant zijn gemonteerd dan mogen de zijmarkeringslampen NIET knipperen.
• Bij O3 en O4: de verplichte zijmarkeringslichten mogen gelijktijdig mee knipperen met de richtingaanwijzer aan dezelfde kant van het voertuig. Echter: deze zijmarkeringslichten mogen niet mee knipperen wanneer tenminste 3 richtingaanwijzers categorie 5 gemonteerd en aangesloten.
• Het achterste zijmarkeringslicht mag echter rood zijn indien het onderdeel is van het achterlicht, het achter markeringslicht, mistachterlicht of het stoplicht of als het gegroepeerd is met of een deel van het lichtuitstralende oppervlak gemeen heeft met de achterretroreflector
• Bij O3 en O4: 3 voorzieningen van categorie 5 zo gelijkmatig als praktisch mogelijk verdeeld aan weerskanten verplicht. Dit voorschrift geldt niet indien minimaal 3 ambergele zijmarkeringslichten aan dezelfde kant van het voertuig gemonteerd welke synchroon en gelijktijdig knipperen met de richtingsaanwijzer.
• De achterste zijmarkeringslampen moeten ambergeel zijn indien ze samen met de achter richtingaanwijzers knipperen.
• De achterste zijmarkeringslichten moeten ambergeel zijn als zij samen met de achter richtingaanwijzers knipperen. Wanneer het achterste zijmarkeringslicht is gecombineerd met het achterlicht dat met het stoplicht of het mistachterlicht is samengebouwd dan mag de lichtsterkte van het zijmarkeringslicht tijdens oplichten van het stoplicht of mistachterlicht worden gewijzigd. Zie item 5c “richtingaanwijzer zijkant aanhangwagen en oplegger’ voor de voorwaarden waaronder zijmarkeringslampen mogen meeknipperen • Lamp moet voldoen aan ECE-R91 code en overeenkomstig certificaat.
RAI CarrosserieNL 38
39
13. Parkeerlicht e
f
h g
B
A c
c d
H
13
min./max.
zichthoek
plaats voor/achter/ zijkant
c 15 °
d 15 ° (13.5)
verplicht/
aantal
toegestaan
verplicht
verboden
2
(13.0)
d
H
min./max.
(13.1)
f 45 °
e 45 °
kleur wit voor, rood achter, ambergeel*
Montage •
laats: in de breedte. Orientatie naar voren en P naar achteren. • De aansluiting moet toelaten dat het (de) parkeerlicht( en) aan dezelfde kant van het voertuig onafhankelijk van alle andere lichten kan worden aangezet. Het (de) parkeerlicht(en) en, indien aanwezig, de breedte- en achterlichten moeten kunnen branden indien motor uitgeschakeld. Combinatie breedte- en achterlicht aan 1 zijde mag functie van parkeerlicht overnemen. • Inschakelcontrole toegestaan, indien gemonteerd mag hij niet met de schakelaar voor breedte- en achterlichten kunnen worden verward. • De werking van het parkeerlicht mag worden over genomen door de achter- en breedtelichten aan dezelfde kant van het voertuig. In dit geval worden de breedte- en achterlichten geacht aan de voorschriften voor parkeerlichten te voldoen. • Lamp moet voldoen aan ECE-R77 code en overeenkomstig certificaat.
g 45 °
H
h 45 ° (13.6)
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
350 mm
1500 mm
-
400 mm
(13.2)
(13.3)
-
(13.4)
Afwijkingen
13.0 Alleen toegestaan op motorvoertuigen met lengte <= 6 mtr EN breedte <= 2 mtr. Op alle andere voertuigen verboden. 13.1 Aantal naar gelang de opstelling: of 2 lichten vooraan EN 2 lichten achteraan of 1 licht aan weerskanten. 13.2 Minimale maat, bij voertuigen categorie M1 en N1 geen voorschriften. 13.3 Voertuigen categorie M1 en N1 geen voorschriften. Bij alle andere categorieen niet meer dan 2100 mm als de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt hoogte van 1500 mm aan te houden. 13.4 Indien er 2 parkeerlichten zijn moeten zij zich op de zijkanten van het voertuig bevinden. 13.5 Mag tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. 13.6 Indien parkeer- of achterlicht lager dan 750 mm boven de grond hoek naar binnen (g) van 45 graden verminderd naar min. 20 graden
* indien samengebouwd met richtingaanwijzers of de zijmarkeringslichten.
RAI CarrosserieNL 40
41
14a. Markeringslicht voor B
c
14a
of
e
d
c
a
a
d
A
f
a
A
H min./max. zichthoek
plaats voor -
a 80 °
c 5°
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
2
wit
(14.1)
-
(14.0)
Montage • •
•
• •
•
d 20 °
-
Categorie A of AM, orientatie: naar voren Zodanig dat de markeringslichten samen met de achter-, breedte-, markeringslichten (indien aanwezig), zijmarkerings- en achterkenteken- plaatverlichting tegelijkertijd in- en uitgeschakeld kunnen worden. Voorgaande is niet van toepassing indien aan 1 of meer van de volgende voorwaarden is voldaan: a. Breedte- en achterlichten en ook zijmarkeringslichten die met voornoemde lichten zijn gecombineerd of samengebouwd, zijn als parkeerlichten ingeschakeld b. de zijmarkeringslampen samen knipperen met de richtingaanwijzers c. de dagrijlichten zijn ingeschakeld e functie van de breedtelichten is vervangen door d. d dimlichtkoplampen/grootlichtkoplampen en/of mistvoorlichten onder bepaalde voorwaarden Inschakelcontrole toegestaan. Indien schakeling aanwezig werkend via de breedte- en achterlichten. Voor zover aan alle andere voorschriften is voldaan, mogen de verplichte of toegestane lichten die zichtbaar zijn van voren & de verplichte of toegestane lichten die zichtbaar zijn van achter aan dezelfde kant van het voertuig, in 1 voorziening zijn gecombineerd. Twee van de lichten die zichtbaar zijn van achteren mogen gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd zijn overeenkomstig punt 5.7 van VN reglement nr. 48. (achterin deze brochure, 25.)
H
kleur
• •
•
•
•
•
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
(14.2)
(14.2)
-
400 mm
-
-
-
(14.3)
Elke markerings- resp. markerings- reflectorlamp kan worden gebruikt. Aanvullende reflecterende middelen zijn toegestaan. Afstand van de markeringslamp tot het achterlicht of breedtelicht min. 200 mm. Markeringslichten voor: categorie A of AM en markeringslichten achter: categorie R, R1, R2, RM1, RM2. Twee van de lichten die zichtbaar zijn van achteren mogen gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd zijn mits aan alle voorschriften inzake kleur, plaats, oriëntatie, geometrische zichtbaarheid, elektrische aansluitingen en eventuele andere voorschriften is voldaan. Voor de complete voorschriften hieromtrent: zie R48 5.7.1 t/m 5.7.2.2. (achterin deze brochure, 25.) Extra (toegestane) markeringslichten in de hoogte zo ver mogelijk monteren van de verplichte markeringslampen mits hun positie verenigbaar is met de operationele en ontwerpvereisten van het voertuig en de symmetrie van de lichten De extra markeringslichten die worden gebruikt om de omtrek van de achterkant van het voertuig, aanhanger of oplegger aan te geven, moeten zodanig zijn gemonteerd dat zij binnen het zichtveld van spiegels/ camera’s voor indirect zicht achteruit zichtbaar blijven. Lamp moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
14.0 Verplicht op voertuigen met breedte > 2100 mm. Toegestaan op voertuigen met breedte >=1800 mm en <= 2100 mm 14.1 Twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn van voren zijn toegestaan. Extra markeringslichten moeten zo ver van elkaar worden gemonteerd als mogelijk ten opzichte van de verplichte markeringslichten mits hun positie verenigbaar is met de operationele en ontwerpvereisten van het voertuig en de symmetrie van de lichten. 14.2 Bij motorvoertuigen mag de bovenrand van het zichtbare oppervlak niet lager zijn dan de bovenrand van het doorzichtige gedeelte van de voorruit. Bij opleggers en aanhangwagens moeten de markeringslichten zo hoog mogelijk, verenigbaar met vereisten inzake breedte, ontwerp, gebruik en symmetrie lichten aangebracht zijn. 14.3 Zo dicht mogelijk bij de buitenrand, 400 mm is een maximum. De extra markeringslichten (voor) zo dicht mogelijk bij de achterkant monteren, afstand tussen extra markeringslichten en achterkant max. 400 mm. NB het is dus verboden om zowel markeringslichten op de cabine als op voorzijde van de opbouw te monteren.
RAI CarrosserieNL 42
43
14b. Markeringslicht achter
15. Achterretroreflector niet driehoekig c d
B
a
a
14b
b
H max.
B
A c
15
zichthoek
plaats achter
a 80 °
c 5°
min./max.
d 20 °
zichthoek
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
2
(14.4)
-
(14.5)
Montage
d
H
H
min.
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
rood
(14.6)
(14.6)
-
400 mm
-
-
-
-
(14.3)
• Categorie R, R1, R2, R3, RM, RM2 • Orientatie naar achteren. • De elektrische aansluiting dient zodanig te zijn dat de markeringslichten samen met de achter-, breedte-, markeringslichten (indien aanwezig), zijmarkeringsen achterkentekenplaatverlichting tegelijkertijd inen uitgeschakeld kunnen worden. Voorgaande is niet van toepassing indien aan 1 of meer van de volgende voorwaarden is voldaan: a. Breedte- en achterlichten en ook zijmarkeringslichten die met voornoemde lichten zijn gecombineerd of samengebouwd, zijn als parkeerlichten ingeschakeld b. de zijmarkeringslampen samen knipperen met de richtingaanwijzers c. de dagrijlichten zijn ingeschakeld d. d e functie van de breedtelichten is vervangen door dimlichtkoplampen/grootlichtkoplampen en/of mistvoorlichten onder bepaalde voorwaarden • Inschakelcontrole toegestaan. Indien schakeling aanwezig werkend via de breedte- en achterlichten. • Voor zover aan alle andere voorschriften is voldaan, mogen de verplichte of toegestane lichten die zichtbaar zijn van voren & de verplichte of toegestane lichten die zichtbaar zijn van achter aan dezelfde kant van het voertuig, in 1 voorziening zijn gecombineerd. • Afstand van het markeringslicht tot het achterlicht of breedtelicht min. 200 mm. • Moet voldoen aan ECE-R7 code en overeenkomstig certificaat.
• Afstand van het markeringslicht tot achterlicht of breedtelicht minimaal - 200mm • Twee van de lichten die zichtbaar zijn van achteren mogen gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd zijn conform R48 punt 5.7. Voor complete tekst zie achterin brochure. (H25)
Afwijkingen
14.3 Zo dicht mogelijk bij de buitenrand, 400 mm is een maximum. De extra markeringslichten moet zo dicht mogelijk bij de achterkant monteren, afstand tussen extra markeringslichten en achterkant van het voertuig max. 400 mm. 14.4 - Verplicht op voertuigen met breedte > 2100 mm. - Toegestaan op voertuigen met breedte >=1800 mm en <= 2100 mm en chassis-cabines. -O p chassiscabines zijn markeringslichten toegestaan 14.5 Maximaal 2 extra toegestaan, zichtbaar van achteren. Mogen ook markeringslampen op/aan rubberen voet (staaklichten) zijn welke buiten het voertuig steken. Maximale uitsteek per zijde 50 mm. 14.6 De verplichte markeringslichten achter moeten zo hoog mogelijk, verenigbaar met vereisten inzake breedte, ontwerp, gebruik en symmetrie van de lichten gemonteerd worden. De afstand tussen de verplichte markeringslichten achter en de toegestane markeringslichten achter moet zo groot mogelijk zijn mits hun positie verenigbaar is met de operationele en ontwerpeisen van het voertuig en de symmetrie van de lichten.
plaats achter
Montage
a 30 °
b 30 °
c 10 °
d 10 ° (15.4)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
(15.1)
(15.0)
-
-
• Aan achterkant voertuig, orientatie naar achteren. • Voldoen aan de voorschriften klasse 1A of 1B in VN-reglement nr. 3 of 150. Het verlichtingsoppervlak van de retroreflector mag delen gemeen hebben met het zichtbare oppervlak van andere lichten aan de achterkant. • Moet voldoen aan ECE-R3 code en overeenkomstig certificaat.
kleur rood
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
250 mm
900 mm
600 mm
400 mm
-
(15.2)
(15.3)
-
Afwijkingen
15.0 - Verplicht op motorvoertuigen. - Toegestaan op aanhangwagens voor zover gegroepeerd met andere verlichting aan de achterkant. 15.1 Extra retroreflectoren toegestaan mits zij de effectiviteit van de verplichte verlichtings- en lichtsignaal-inrichtingen niet nadelig beïnvloeden. 15.2 Niet meer dan 1200 mm indien gegroepeerd met 1 of meer achterlichten. Niet meer dan 1500 mm indien de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt om een hoogte van 900 mm respectievelijk 1200 mm aan te houden. 15.3 Min. 400 mm indien totale voertuigbreedte < 1300 mm bedraagt. Bij voertuigcategorie M1 + N1: geen voorschriften. 15.4 Bevindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak van de reflector op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt dan mag hoek d tot 5 graden worden verminderd.
RAI CarrosserieNL 44
45
16. Achterretroreflector driehoekig
17. Voorretroreflector niet driehoekig
a
16
B
A
b c
H
H
min./max.
min./max.
zichthoek
plaats achter -
a 30 °
b 30 °
c 15 °
d 15 ° (16.4)
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
(16.1)
(16.0)
Montage
-
-
• In de lengte aan achterzijde voertuig, orientatie naar achteren. • Reflectoren moeten voldoen aan voorschriften klasse IIIA of IIIB in VN-Reglement nr. 3 of 150. • De top van de driehoek moet naar boven zijn gericht. • Het verlichtingsoppervlak van de retroreflector mag delen gemeen hebben met het zichtbare oppervlak van andere lichten aan de achterkant. • Reflectoren moeten naar achteren schijnen • Moet voldoen aan ECE-R3 code en overeenkomstig certificaat.
zichthoek
kleur rood -
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
250 mm
900 mm
600 mm
400 mm
-
Afwijkingen
(16.2)
(16.3)
plaats voor
-
16.0 - Verplicht op aanhangwagens. - Verboden op motorvoertuigen. 16.1 Extra retroreflectoren toegestaan mits zij de effectiviteit van de verplichte verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen niet nadelig beinvloeden. 16.2 Niet meer dan 1200 mm indien gegroepeerd met 1 of meer achterlichten. Niet meer dan 1500 mm indien de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt om een hoogte van 900 mm respectievelijk 1200 mm aan te houden. 16.3 Min. 400 mm indien totale voertuigbreedte < 1300 mm bedraagt. 16.4 Bevindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt dan mag hoek d tot een hoek van 5 graden worden verminderd.
A
A
17
d
B
B
-
H
b 30 °
c 10 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
verplicht
2
(17.1)
-
a
d
b
min./max.
a 30 ° (17.5)
(17.0)
c
-
d 10 ° (17.6)
wit of kleurloos
Montage
• Aan de voorkant van het voertuig, orientatie naar voren. • Het verlichtingsoppervlak van de retroreflector mag delen gemeen hebben met het zichtbare oppervlak van andere lichten aan de voorkant. • Moet voldoen aan ECE-R3 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen 17.0
H
kleur
-V erplicht op motorvoertuigen waarvan alle voorwaarts gerichte lichten met reflectoren camoufleerbaar zijn. - Verplicht op aanhangwagens. - Toegestaan op alle andere motorvoertuigen. 17.1 2 Stuks klasse 1A of 1B in VN-reglement nr. 3 of 150 verplicht, extra toegestaan (waaronder 2 stuks welke niet aan B maat voldoen) indien zij de andere verlichting niet nadelig beinvloeden. 17.2 1500 mm als de vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt een hoogte van 900 mm aan te houden.
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
250 mm
900 mm
600 mm
400/150 mm
-
(17.2)
(17.4)
(17.3)
17.3
- Motorvoertuig maximaal 400 mm. - Aanhangwagen maximaal 150 mm. 17.4 - Bij categorie M1 en N1 voertuigen: geen voorschriften. - Alle andere categorieën 600 mm behalve als de voertuigbreedte < 1300 mm, dan minimaal 400 mm. 17.5 B ij een aanhangwagen mag de hoek a tot 10 graden worden verminderd. Indien door de constructie van de aanhangwagen de verplichte reflectoren niet aan hoek 10 graden kunnen voldoen extra reflectoren monteren. Hiervoor geldt de breedtebeperking van punt 17.2 zijnde 150 mm niet. Samen met de verplichte reflectoren moeten deze extra reflectoren voor de vereiste zichtbaarheidshoek zorgen. 17.6 B evindt de onderrand van het zichtbaar oppervlak zich op minder dan 750 mm boven het wegdek dan mag hoek d tot een hoek van 5 graden worden verminderd.
RAI CarrosserieNL 46
47
18. Zijretroreflector niet driehoekig
19. Dagrijlicht
L
X(18.3)
18
X(18.3)
e
X(18.3)
1.000 max.
X(18.3)
f
A
c d
19
H min./max. d 10 ° (18.4)
e 45 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
zijkant
verplicht
(18.1)
-
-
(18.0)
-
-
zichthoek
plaats
c 10 °
f 45 °
H
A
B
plaats
a 20 °
b 20 °
c
a
d
b
c 10 °
d 10 °
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
ambergeel*
250 mm
900 mm
-
3000 mm
voor
verplicht
2
-
-
-
(18.2)
-
(18.3)
-
(19.0)
-
-
Montage
• Plaats in de breedte, orientatie zijwaarts. • Klasse 1A of 1B in VN-reglement nr. 3 of 150. Het reflecterende vlak van de zijretroreflector mag geïntegreerd zijn in het zijmarkeringslicht. Hierbij de maximale montagehoogte van de retroreflector in acht nemen. • M oet voldoen aan ECE-R3 code en overeenkomstig certificaat. * K leur ambergeel, de achterste zijretroreflector mag echter rood zijn indien onderdeel van het achterlicht, het stoplicht, het achtermarkeringslicht, het mistachterlicht, het rode achterste zijmarkeringslicht of de achterretroreflector, niet drie-hoeking.
Afwijkingen
Hmin./max.
zichthoek
kleur
A
18.0 Verplicht op alle motorvoertuigen met L > 6 m. Verplicht op alle aanhangwagens. Toegestaan op motorvoertuigen met L <= 6 m. 18.1 Verplicht: aantal zodanig dat voorschriften voor plaatsingspositie in de lengterichting worden nageleefd. Extra toegestaan waaronder 2 retroreflectoren die niet aan de eisen qua hoogte, lengte en onderlinge afstand voldoen mits zij de effectiviteit van verplichte verlichting niet nadelig beïnvloeden.
Montage 18.2 Maximaal 1200 mm indien samengevoegd met 1 of meer lichten. Maximaal 1500 mm indien vorm van de carrosserie het onmogelijk maakt om 900 resp. 1200 mm aan te houden of indien de retroreflectoren niet verplicht zijn. 18.3 In lengterichting min. 1 stuks op middelste 1/3L. Voorste zijreflector Voorste zijreflector max. 3 m. uit voorzijde. Tussenliggende zijreflector(s) Afstand tussen 2 zijreflectoren onderling max. 3 m., geldt echter niet voor M1+N1 voertuigen. Als structuur, ontwerp of gebruik voertuig het onmogelijk maakt onderlinge afstand tussen 2 zijreflectoren te vergroten tot 4 m. Achterste zijreflector Afstand achterste zijreflector tot achterkant max. 1 m. Bij motorvoertuig met lengte <= 6 m.: 1 zijretroreflector binnen voorste 1/3 deel en/of 1 zijretroreflector binnen laatste 1/3 deel van het voertuig voldoende. Bij motorvoertuig van de categorie M1 met lengte > 6 mtr. maar niet meer dan 7 mtr. is 1 zijretroreflector op max. 3 m. uit de voorkant en 1 zijretroreflector binnen laatste 1/3 deel van de lengte van het voertuig voldoende. De dissel van de aanhangwagen maakt onderdeel uit van de voertuiglengte. 18.4 Mag de hoek tot 5 graden worden verminderd indien het betreffende licht / de reflector zich minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.
• Voorzijde voertuig, orientatie naar voren • Automatisch inschakelbaar bij starten van de motor. Vele uitzonderingen hierop: zie punt 6.19.7 VN-Reglement nr. 48. • Inschakelcontrole toegestaan. • Lamp moet aan de voorkant van het voertuig gemonteerd worden. Plaatsing zodanig dat de bestuurder geen hinder ondervindt van de weerkaatsing van het daglicht. • Lamp moet voldoen aan ECE-R87 code en overeenkomstig certificaat.
kleur
H
A
B
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
wit
250 mm
1500 mm
600 mm
-
-
-
-
(19.1)
-
Afwijkingen
19.0 - Verplicht op alle motorvoertuigen. - Verboden op aanhangwagens. 19.1 Afstand min. 400 mm indien breedte voertuig < 1300 mm.
RAI CarrosserieNL 48
49
20. Hoeklicht
21. Optische en geluidssignalen De volgende diensten mogen optische- en geluidssignalen voeren • • A
20
c d
zichthoek
a
Hmin./max. a 30 ° (20.2)
c 10 °
•
d 10 °
•
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
verplicht
maximaal
zijkant
toegestaan
-
-
-
(20.0)
-
-
plaats
H
kleur
maximaal
minimaal
maximaal
wit*
250 mm
900 mm
-
-
-
-
(20.1)
-
-
• •
•
•
•
•
•
de breedte, 1 hoeklicht aan weerskanten van het In middenlangsvlak van het voertuig. Orientatie zodanig dat de lichten voldoen aan de voorschriften inzake geometrische zichtbaarheid. Hoeklichten mogen alleen ingeschakeld gelijktijdig met grootlicht- en/of dimlichtkoplampen. De hoeklamp aan 1 kant van het voertuig mag alleen automatisch worden ingeschakeld wanneer de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig zijn ingeschakeld en/of wanneer de stuurhoek wordt gewijzigd van de rechtuitstand naar dezelfde kant van het voertuig. hoeklamp moet automatisch worden uitgeschakeld De wanneer de richtingaanwijzer wordt uitgeschakeld en/of de stuurhoek is teruggekeerd in de rechtuitstand. Bij inschakelen achteruitrijlicht mogen beide hoeklichten gelijktijdig worden ingeschakeld. In dit geval moetende hoeklichten worden uitgeschakeld wanneer het achteruitrijlicht wordt uitgeschakeld of de voorwaartse snelheid van het voertuig bedraagt meer dan 15 km/uur.
B
minimaal
Montage •
A
•
Inschakelcontrole niet verplicht. De hoeklichten mogen niet worden geactiveerd bij snelheden boven de 40 km/uur. Montage niet meer dan 1000 mm uit de voorzijde en aan weerskanten van het voertuig. Lamp moet voldoen aan ECE-R119 code en overeenkomstig certificaat.
Afwijkingen
20.0 Toegestaan voor motorvoertuigen. 20.1 Geen enkel punt van het zichtbare oppervlak van het hoeklicht mag uitsteken boven het hoogste punt van het zichtbare oppervlak van de dimlichtkoplamp. 20.2 Tussen min. 30 graden tot max. 60 graden naar buiten.
Politie, ambulances en brandweer Door Ministerie van IenM aangewezen hulpdiensten: piketdiensten, wachtdiensten zoals nachtdokters van GGD en verplegend personeel ingezet bij spoedeisende hulp. Ambulancemotoren en dienstdoende arts van doktersnachtdienst indien melding is binnengekomen bij de Centrale Post Ambulancedienst (CPA) Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat
Kleuren van zwaailichten
Blauw Dringende taken uitgevoerd door politie, brandweer en diensten voor spoedeisende medische hulp zoals een ambulance. Groen Commandovoertuig dat hoort bij politie, brandweer of ambulance. Geel Wijzen van andere gebruikers op bijzondere of gevaarlijke situaties, geen vergunning of ontheffing aan te vragen voor gebruik geel zwaalicht. Inzet verlenen van hulp op of langs de weg, werkzaamheden op of rondom wegen incl. sneeuwruimen, hulpverlening aan voertuigen of bergen/wegslepen voertuigen, vervoer ondeelbare lading (bv graafmachine) waarvoor ontheffing is verleend, begeleiden militaire collonnes, rijden met landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid. Of door deze voertuigen getrokken aanhangwagens/opleggers die inclusief de lading breder zijn dan 2,60 m. Inzet belastingdienst & douane.
Signalen
Blauw Zwaai-, flits- of knipperlicht (rondom zichtbaar). Bestaande uit 1 set blauwe signaalverlichting welke voldoet aan klasse 2 ECE reglement 65 en gecertificeerd conform dit reglement. Montage zodanig dat het blauwe licht rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m. waarneembaar is, gemeten op 1,5 m. boven het wegdek. Toegestaan ter ondersteuning van deze set mag aan de voorzijde van het voertuig symmetrisch t.o.v. de lengteas van het voertuig tussen 0,4 en 1,2 m. boven het wegdek een secundaire set worden gemonteerd.
Deze secundaire set dient ook te voldoen aan klasse 2 ECE reglement 65. Mag alleen werken indien primaire signaalverlichting ingeschakeld, secundaire set mag separaat uitschakelbaar zijn en straalt alleen naar voren licht uit. Groen Rondom schijnend groen permanent zwaai-, flits- of knipperlicht. Alleen te gebruiken bij stilstaand voertuig om daarmee het voertuig van de hoogste betrokken leidinggevende van de betrokken hulpverleningsdienst aan te geven Geel Zwaai-, flits- of knipperlicht (rondom zichtbaar). 1 set gele signaalverlichting, voldoet aan ECE reglement 65 + gecertificeerd. Montage zodanig dat het gele licht rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m. waarneembaar is, gemeten op 1,5 m. boven het wegdek. Extra knipperlichten Extra knipperlichten zijn toegestaan maar worden alleen gevoerd in combinatie met het blauwe zwaai-, knipperof flitslicht. Koplampen Knipperende koplampen, dienen gelijktijdig aan en uit te gaan. Extra richtingaanwijzers Mogen alleen in combinatie met het blauwe zwaai-, knipper-, of flitslicht worden gevoerd. 2 tonige hoorn Alleen in combinatie met primaire blauw licht, 2-tonig, geluidssterkte min. 110 dB(A) overdag, 100 dB(A) ‘s nachts en max. 125 dB(A). Minimale geluidssterkte tussen 10 en 100 ms na inschakelen. De on- en offset ligt tussen de 1 en 10 dB/ms. De wisselfrequentie mag middels een schakelaar zolang de bestuurder de hoorn bedient tijdelijk worden verhoogd. De wisselfrequentie bedraagt in dat geval max. 5 Hz. De toonhoogte van lage toon is ca. 375 Hz. van hoge toon is ca. 500 Hz. Bron: versie 30 juni 2025: wetten.nl - Regeling - Regeling optische en geluidssignalen 2009 - BWBR0025357 Naast de ECE R65 zijn ook de R155 (cyber security) en R10 (voorkomen dat LED lampen storingen geven aan andere apparaten) mogelijk relevant. Vanuit bedrijfswagenfabrikanten is al veel mogelijk inzake verschillende functies en mogelijkheden van LED verlichting en zij kunnen carrosseriebouwers voorlichten hierover.
RAI CarrosserieNL 50
51
22. Opvallende markering
750 kg
22. Opvallende markering
3500 kg
N1
N O
O1
M
M1
7500 kg
N2 O2
10.000 kg 12.000 kg 50.000 kg
N2
N3
O3 O3
O3
M2
Volledige contourmarkering: geeft omtrek van het voertuig aan d.m.v. rood:
een doorlopende lijn.
verboden
geel:
D
C
groen: toegestaan
M3
E
verplicht
F
5000 kg
L K
Montage
Verplicht • Motorvoertuigen Bij voertuigen N2 > 7,5 ton en N3, breedte > 2100 mm en/of lengte > 6000 mm. Uitzondering chassis-cabine, incomplete voertuigen en trekkers (LZV trekkers moeten wel zijn voorzien van lijnmarkering op de zijkanten). Achterkant: volledige contourmarkering verplicht. Zijkanten: gedeeltelijke contourmarkering verplicht. Voorkant: niet toegestaan. • Aanhangwagens en opleggers Bij voertuigen categorie O3 en O4 indien breedte > 2100 mm en/ of lengte > 6000 mm (inclusief dissel) uitzondering incomplete voertuigen. Achterkant: volledige contourmarkering verplicht. Zijkanten: gedeeltelijke contourmarkering verplicht. Voorkant: lijnmarkering toegestaan. Toegestaan • Op voertuigen van alle andere klassen, behalve M1 en O1. Zijkanten toegestaan volledige ipv gedeeltelijke contourmarkering. • Op voertuigen van categorie O2, O3 en O4 lijnmarkering op de voorzijde toegestaan. Verboden • Voertuigen M1 en O1.
H min./max.
Gedeeltelijke contourmarkering: doorlopende horizontale lijn onderaan het
Algemeen • Indien het vanwege de vorm, opbouw, constructie of bedrijfsomstandigheden NIET mogelijk is de voorgeschreven contourmarkering te monteren, dan mag lijnmarkering worden aangebracht. In plaats van een gedeeltelijke contourmarkering mag een volledige contourmarkering worden gebruikt. Een gedeeltelijke of volledige contourmarkering in plaats van een lijnmarkering is toegestaan. • Als de buitenoppervlakken van de zijkant(en) van de carrosserie gedeeltelijk uit soepel materiaal bestaan, moet deze lijnmarkering op een of meer harde delen van het voertuig worden aangebracht. Het resterende deel van de opvallende markeringen mag op het soepele materiaal worden aangebracht. Als de buitenoppervlakken van de carrosserie volledig uit soepel materiaal bestaan, mag de lijnmarkering op het soepele materiaal worden aangebracht. Kleur • Voorzijde: wit Zijkant: wit of geel Achterzijde: geel of rood Materiaal • Goedkeurmerk
F
104 R - - - -
K B
Lijnmarkering:
geeft de lengte en breedte van het voertuig aan d.m.v. een doorlopende lijn.
M H
min./max.
Montage
C E4
voertuig en markering van de bovenhoeken.
• De opvallende markering moeten zo horizontaal en verticaal mogelijk worden aangebracht als verenigbaar is met de vorm, de structuur, het ontwerp en de gebruiksvoorschriften van het voertuig; als dit niet mogelijk is, moeten de volledige of gedeeltelijke contourmarkeringen, indien aanwezig, de buitencontour van het voertuig zo dicht mogelijk volgen. • De opvallende markering moet zo gelijkmatig mogelijk over de horizontale afmetingen van het voertuig zodat de totale lengte en of breedte van het voertuig goed te zien is. • Als de vorm, de structuur, het ontwerp of de gebruiksvoorschriften van het voertuig het onmogelijk maken de verplichte contourmarkering aan te brengen, mag in plaats daarvan een lijnmarkering worden aangebracht.
•
et is toegestaan om in plaats van de verplichte H lijnmarkeringen gedeeltelijk of volledige contourmarkering aan te brengen, en in plaats van verplichte gedeeltelijke contourmarkering mag volledige contourmarkering worden aangebracht. • De opvallende markering mag (ten opzichte van het vlak welke loodrecht op de ondergrond) onder een hoek van maximaal +/- 3 graden aangebracht zijn.
Trekkers • Trekkers zijn in principe uitgezonderd voor de verplichting van contourmarkering. Contourmarkering toegestaan mits lengte markering ten minste 70% van de lengte van de cabine. • Voor trekkers die onderdeel zijn van een LZV is lijnmarkering verplicht op de zijkanten van de cabine.
RAI CarrosserieNL 52
53
22a. Opvallende markering voor
22b. Opvallende markering zijkant motorvoertuig E
C
D
E F
B
L E
E
E
K
E
Hmin./max.
verplicht/
aantal
extra
toegestaan
toegestaan
maximaal
voor
toegestaan
-
-
-
(22.0)
-
-
plaats
Montage
22.0 Toegestaan aan de voorkant lijnmarkering op voertuigen van de categorie O2, O3 en O4. GEEN gedeeltelijke of volledige contourmarkering mag worden aangebracht. Verboden op motorvoertuigen. 22.3 M aximaal 2500 mm toegestaan wanneer 1500 mm technisch niet realiseerbaar is vanwege vorm, structuur, ontwerp of gebruik. 22.6 Markering zo ver mogelijk aan de buitenzijde. De effectieve totaalbreedte van de horizontale markering moet min. 70% van de voertuigbreedte uitmaken.
kleur
H min./max.
H
A
B
verplicht/ toegest.
minimaal
maximaal
minimaal
maximaal
wit
250 mm
1500 mm
-
(22.6)
zijkant
verplicht
-
-
(22.3)
-
-
-
(22.0)
Zichtbaarheid • De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd indien ten minste 70% van het verlichtingsoppervlak van de aangebrachte markering zichtbaar is voor een waarnemer die zich op enig punt binnen de onderstaande waarnemingsvlakken bevindt. • In de hoogte: door twee horizontale vlakken respectievelijk 1,0 m. en 3,0 m. boven het wegdek.
4˚ waarnemingsvlak
Algemeen • De plaatsen voor het aanbrengen van opvallende markeringen op het voertuig moeten zodanig worden gekozen dat markeringen van ten minste 60 mm breed kunnen worden aangebracht.
plaats
4˚ 25 m
Montage
H
C
D
E
F
min.
max.
min.
min.
max.
max.
wit of geel
250 mm
1500 mm
250 mm
250 mm
600 mm
-
-
(22.3)
-
-
-
kleur
22.0 Verplicht voor motorvoertuigen met maximum massa > 7500 kg (N2 en N3) totale lengte > 6 m. Uitgezonderd trekkers, behalve trekkers in de LZV. 22.1 Opvallende markeringen gelden als doorgaand wanneer de afstanden tussen de naast elkaar gelegen elementen zo klein mogelijk zijn en niet meer dan 50% van de lengte van het kortste naastgelegen element bedraagt. Indien de constructie van het voertuig dit niet toelaat, mogen onderbrekingen groter zijn dan 50% van het kortste naastgelegen element met een maximum van 1000 mm. Onderbrekingen mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. 22.2 De lengte van de markering bedraagt min. 70% van de lengte van het voertuig (gemeten exclusief de cabine) met uitzondering van horizontale overlappingen. Alternatief: bij motorvoertuigen, die niet deel uit maken van een LZV, mag lijnmarkering op de voorste 2400 mm ontbreken. Hierbij geldt dat dan de retroreflectoren zijn aangebracht die aan de volgende eisen voldoen: • Goedgekeurd volgens Klasse IVA VN reglement nr. 3 of 150 of ECE nr. 104 of 150, Klasse C. • Minimum oppervlakte 25 cm2. • Afstand voorzijde voertuig tot voorste retroreflector max. 600 mm, afstand tussen retroreflectoren max. 600 mm, afstand achterste reflector tot voorste punt opvallende markering max. 600 mm. 22.3 Maximaal 2500 mm indien 1500 mm niet technisch realiseerbaar vanwege vorm, structuur, ontwerp of gebruik.
K
L
400 mm
(22.1)
(22.2)
-
-
-
Algemeen • De opvallende markering moeten zo horizontaal en verticaal mogelijk worden aangebracht als verenigbaar is met de vorm, de structuur, het ontwerp en de gebruiks- voorschriften van het voertuig; als dit niet mogelijk is, moeten de volledige of gedeeltelijke contourmarkeringen, indien aanwezig, de buitencontour van het voertuig zo dicht mogelijk volgen. • Als de vorm, de structuur, het ontwerp of de gebruiksvoorschriften van het voertuig het onmogelijk maken de verplichte contourmarkering aan te brengen, mag in plaats daarvan een lijnmarkering worden aangebracht. • De plaatsen voor het aanbrengen van opvallende markeringen op het voertuig moeten zodanig worden gekozen dat markeringen van ten minste 60 mm breed kunnen worden aangebracht. Zichtbaarheid • De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd indien ten minste 70% van het verlichtingsoppervlak van de aangebrachte markering zichtbaar is voor een waarnemer die zich op enig punt binnen de onderstaande waarnemingsvlakken bevindt. In de hoogte door twee 4˚ horizontale vlakken respectievelijk 1,0 m., waarnemingsvlak en 1,5 m. boven het 25 m wegdek. 4˚
RAI CarrosserieNL 54
55
22c. Opvallende markering achter
K
F
B
M H
min./max.
plaats achter -
verplicht/ toegestaan verplicht (22.0)
Montage
kleur geel of rood
H
B
M
F
minimaal
maximaal
max.
min.
max.
250 mm
1500 mm
(22.6)
200 mm
400 mm
(22.1)
-
(22.3)
-
(22.5)
-
-
22.0 Verplicht voor motorvoertuigen met een maximum massa > 7500 kg en breedte > 2,10 m. Uitgezonderd: chassis-cabines, incomplete voertuigen en trekkers voor oplegger. Verplicht voor aanhangwagens en opleggers toelaatbaar gewicht > 3500 kg. Uitgezonderd incomplete voertuigen. Verboden M1 en O1. 22.1 Opvallende markeringen gelden als doorgaand wanneer de afstanden tussen de naast elkaar gelegen elementen zo klein mogelijk zijn en niet meer dan 50 % van de lengte van het kortste naastgelegen element bedraagt. Indien de constructie van het voertuig dit niet toelaat, mogen onderbrekingen groter zijn dan 50% van het kortste naastgelegen element met een maximum van 1000 mm. Onderbrekingen mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. 22.3 Maximaal 2500 mm toegestaan wanneer 1500 mm technisch niet realiseerbaar is vanwege vorm, structuur, ontwerp of gebruik. 22.5 De afstand tussen op de achterkant van het voertuig aangebrachte opvallende markering en elk verplicht stoplicht moet groter zijn dan 200 mm. 22.6 Markering zo dicht mogelijk bij de buitenzijde. De effectieve totaalbreedte van de horizontale markering moet min. 70% van de voertuigbreedte uitmaken. 22.7 Markeringsbord mag deel uitmaken van de opvallende markering.
K
Algemeen • Markeringsbord mag deel uitmaken van de opvallende markering. De opvallende markering moet zo horizontaal en verticaal mogelijk worden aangebracht als verenigbaar is met de vorm, de structuur, het ontwerp en de gebruiksvoorschriften van het voertuig; als dit niet mogelijk is, moet de volledige of gedeeltelijke contourmarkering, indien aanwezig, de buitencontour van het voertuig zo dicht mogelijk volgen. • De plaatsen voor het aanbrengen van opvallende markering op het voertuig moet zodanig worden gekozen dat markering van ten minste 60 mm breed kan worden aangebracht. Zichtbaarheid • De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd indien ten minste 70% van het verlichtingsoppervlak van de aangebrachte markering zichtbaar is voor een waarnemer die zich op enig punt binnen de onderstaande waarnemingsvlakken bevindt in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk 1,0 m. en 3,0 m. boven het wegdek.
•
e opvallende markering mag (ten opzichte van het D vlak welke loodrecht op de ondergrond) onder een hoek van maximaal +/- 3 graden aangebracht zijn. Concreet betekent dit dat op achterzijde van kippende opbouw welke een hoek van meer dan 3 graden heeft het verboden is om alleen op dit vlak contourmarkering aan te brengen. Wel is dit toegestaan indien dit gecombineerd wordt met een lijnmarkering op een horizontaal deel op bijvoorbeeld de stootbalk aan te brengen mits dit vlak wel binnen de 3 graden afwijking valt.
Tevens : • Wanneer lengtemarkeringsplaten zijn gemonteerd mogen deze als deel van de opvallende markering aan de achterkant worden beschouwd voor de berekening van de lengte van de opvallende markering en de nabijheid tot de zijkant van het voertuig NB in aantal andere EU landen zijn achtermarkeringsplaten verplicht, in Nederland is het toegestaan. • Sinds 2012 zijn de lengtemarkeringsborden in Nederland niet meer verplicht. Dit volgt uit de VN/ECE R48 (reglement verlichting) die Europees van kracht is. Desondanks schrijven andere landen, waaronder België, wél de lengtemarkeringsborden voor. Om (hoge) boetes voor transportbedrijven te voorkomen is het daarom aan te raden om altijd lengtemarkeringsborden te plaatsen op voertuigen >3.500 kg die ook in het buitenland gaan rijden. Lengte-markeringsborden zijn overigens niet verplicht, maar wél toegestaan in Nederland.
4˚ waarnemingsvlak
4˚ 25 m
RAI CarrosserieNL 56
57
22d. Opvallende markering zijkant aanhangwagen en oplegger E
C
D
E F L K
H min./max.
plaats zijkant -
verplicht/ toegest. verplicht
kleur wit of geel
(22.0)
Montage
-
H
C
D
E
F
min.
max.
min.
min.
max.
max.
250 mm
1500 mm
250 mm
250 mm
600 mm
400 mm
-
(22.3)
22.0 Verplicht voor aanhangwagens en oplegger met maximum massa categorie O3 en O4 en totale lengte > 6 m (incl. dissel bij aanhangwagens. Uitgezonderd incomplete voertuigen (categorie O3 en O4).Verboden op O1. 22.1 Opvallende markeringen gelden als doorgaand wanneer de afstanden tussen de naast elkaar gelegen elementen zo klein mogelijk zijn en niet meer dan 50% van de lengte van het kortste naastgelegen element bedraagt. Indien de constructie van het voertuig dit niet toelaat, mogen onderbrekingen groter zijn dan 50% van het kortste naastgelegen element met een maximum van 1000 mm. Onderbrekingen mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. 22.2 De lengte van de markering bedraagt min. 70% van de lengte van het voertuig met uitzondering van horizontale overlappingen. 22.3 Maximaal 2500 mm toegestaan wanneer 1500 mm technisch niet realiseerbaar is vanwege vorm, structuur, ontwerp of gebruik. 22.4 Lengte aanhangwagen = lengte exclusief de dissel.
-
-
-
-
K
L
(22.1)
(22.2) en (22.4)
-
Algemeen • De opvallende markering moet zo horizontaal en verticaal mogelijk worden aangebracht als verenigbaar is met de vorm, de structuur, het design en de gebruiksvoorschriften van het voertuig; als dit niet mogelijk is, moeten de volledige of gedeeltelijke contourmarkeringen, indien aanwezig, de buitencontour van het voertuig zo dicht mogelijk volgen. • De opvallende markering moet zo dicht mogelijk bij de uiteinden van het voertuig worden aangebracht en moet tot ten minste 600 mm van ieder uiteinde van het voertuig reiken. De plaatsen voor het aanbrengen van opvallende markeringen op het voertuig moeten zodanig worden gekozen dat markeringen van ten minste 60 mm breed kunnen worden aangebracht. Zichtbaarheid • De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd indien ten minste 70% van het verlichtingsoppervlak van de aangebrachte markering zichtbaar is voor een waarnemer die zich op enig punt binnen de onderstaande waarnemingsvlakken bevindt. • In de hoogte door twee horizontale 4˚ vlakken respectievelijk 1,0 m. en 1,5 m. waarnemingsvlak 25 m boven het wegdek. 4˚
RAI CarrosserieNL 58
59
23. Noodstopsignaal
- Verplicht op motorvoertuigen. - Toegestaan op aanhangwagens & opleggers. - Orientatie naar achteren gericht - kleur ambergeel of rood - Zichtbaarheid: gelijk aan de zichthoeken welke gespecificeerd voor de stoplichten (H6a.) en richtingaanwijzers (H5c. en d.) - Mag alleen worden ingeschakeld indien voertuigsnelheid > 50 km. - Aantal afhankelijk van de opstelling van de opstelling van de stoplichten (zie H6a en H6b) of de richtingaanwijzers (zie H5a t/m 5d)
Montage
• Het noodstopsignaal moet worden gegeven door de gelijktijdige werking van alle stoplichten of richtingaanwijzers • Alle lichten van het noodstopsignaal moeten synchroon knipperen met een frequentie van 4,0 ± 1,0 Hz. 6.23.7.1.1. Als een van de lichten van het noodstopsignaal aan de achterkant van het voertuig echter een lichtbron met gloeidraad gebruikt, moet de frequentie 4,0+0,0/-1,0 Hz bedragen. • Het noodstopsignaal moet onafhankelijk van andere lichten werken. • Het noodstopsignaal moet automatisch worden in- en uitgeschakeld . • Het noodstopsignaal mag alleen worden ingeschakeld wanneer de voertuigsnelheid meer dan 50 km/u bedraagt en het remsysteem het in de VN-Reglementen nrs. 13 en 13-H gedefinieerde logische noodremsignaal geeft. • Het noodstopsignaal moet automatisch worden uitgeschakeld als het in de VN-Reglementen nrs. 13 en 13-H gedefinieerde logische noodremsignaal niet langer wordt gegeven of als het waarschuwingssignaal is geactiveerd. • Inschakelcontrole toegestaan.
24. Goedkeuringsmerken
Verder • ls een motorvoertuig uitgerust is om een aanhangwagen te trekken, met het bedieningsorgaan van het noodstopsignaal op het motorvoertuig ook het noodstopsignaal op de aanhangwagen in werking moet kunnen worden gesteld. • Wanneer het motorvoertuig elektrisch verbonden is met de aanhangwagen, moet de werkingsfrequentie van het noodstopsignaal voor de combinatie beperkt worden tot de frequentie 4,0+0,0/-1,0 Hz indien een van de lichten van het noodstopsignaal aan de achterkant van het voertuig een lichtbron met gloeidraad gebruikt. • Als het motorvoertuig echter kan detecteren dat de lichtbronnen met gloeidraad op de aanhangwagen niet worden gebruikt voor het noodstopsignaal, mag de frequentie van frequentie van 4,0 ± 1,0 Hz zijn. • A ls een motorvoertuig uitgerust is om een aanhangwagen met een in Reglement nr. 13 gedefinieerd continu of semicontinu bedrijfsremsysteem te trekken, moet via de elektrische connector een constante stroomtoevoer naar de stoplichten van dergelijke aanhangwagens worden gegarandeerd wanneer de bedrijfsrem wordt geactiveerd. Het noodstopsignaal op dergelijke aanhangwagens mag onafhankelijk van het trekkende voertuig werken en hoeft niet met dezelfde frequentie als of synchroon met dat op het trekkende voertuig te werken
Model A
Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie wat de installatievan verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen betreft in Nederland (E 4) is goedgekeurd krachtens
Reglement nr. 48,wijzigingenreeks 07. Het goedkeuringsnummer geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 48, wijzigingenreeks 07.
Model B Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie in Nederland (E4) krachtens het Reglement nr. 48, wijzigingenreeks 07 en Reglement nr. 33 is goedgekeurd.
Het goedkeuringsnummer geeft aan dat, op de respectieve datum van goedkeuring, Reglement nr. 48 was gewijzigd bij wijzigingenreeks 07 en Reglement nr. 33 nog in zijn oorspronkelijke vorm bestond.
RAI CarrosserieNL 60
61
25. Aanvulling R48 Bron: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=uriserv:OJ.L_.2021.347.01.0001.01.NLD Behorende bij hoofdstuk 4b: manoeuvreerlicht 6.26.9. Andere voorschriften 6.26.9.1. De technische dienst moet tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie een visuele test uitvoeren om te verifiëren dat het zichtbare oppervlak van deze lichten niet rechtstreeks zichtbaar is voor een waarnemer die zich verplaatst op de grens van een zone op een dwarsvlak op 10 m van de voorkant van het voertuig, een dwarsvlak op 10 m van de achterkant van het voertuig, en twee middenlangsvlakken op 10 m aan elke kant van het voertuig; die vier vlakken mogen zich van 1 m tot 3 m boven en evenwijdig aan het wegdek uitstrekken, zoals afgebeeld in bijlage 14. 6.26.9.2. Op verzoek van de aanvrager en met instemming van de technische dienst mag de naleving van het voorschrift van punt 6.26.9.1 door middel van een tekening of een simulatie worden gecontroleerd of mag aan dit voorschrift worden geacht te zijn voldaan indien de installatieomstandigheden voldoen aan punt 6.2.2 van VN-Reglement nr. 23 of punt 5.10.2 van VN-Reglement nr. 148, zoals vermeld op het mededelingenformulier in bijlage 1, punt 9. Behorende bij H13 zijmarkeringslicht 6.5.5.2 Of, naar keuze van de fabrikant, bij voertuigen van de categorieën M1 en N1: voor- en achterrichtingaanwijzers en ook zijmarkeringslichten (**). 30.9.2021 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 347/45 Horizontale hoeken: (cf. figuur hierna)
**) De waarde van 5° voor de dode hoek naar achteren van de zijrichtingaanwijzer is een bovengrens. d ≤ 2,50 m. Bij richtingaanwijzers van de categorieën 1, 1a, 1b, 2a, en 2b die lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) zijn gemonteerd, mag de hoek naar binnen evenwel van 45° worden verminderd tot 20° onder het H-vlak. Verticale hoeken: 15° boven en onder het horizontale vlak. Indien een licht lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) is gemonteerd, mag de neerwaartse hoek evenwel van 15° worden verminderd tot 5°. Om als zichtbaar te worden beschouwd, moet het licht vrij zicht bieden op ten minste 12,5 cm2 van het zichtbare oppervlak, behalve bij zijrichtingaanwijzers van de categorieën 5 en 6. Het lichtuitstralende oppervlak van retroflectoren die geen licht doorlaten, moet worden uitgesloten. 6.9.5.2. Bij voertuigen van de categorieën M1 en N1, als alternatief voor punt 6.9.5.1, naar keuze van de fabrikant of zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger, en alleen als aan de voorkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is geïnstalleerd. Horizontale hoek: 45° naar buiten en 45° naar binnen. Indien een licht lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) is gemonteerd, mag de hoek naar binnen evenwel van 45° worden verminderd tot 20° onder het H-vlak. Verticale hoek: 15° boven en onder het horizontale vlak. Indien een licht lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) is gemonteerd, mag de neerwaartse hoek evenwel van 15° worden verminderd tot 5°. Om als zichtbaar te worden beschouwd, moet het licht vrij zicht bieden op ten minste 12,5 cm2 van het zichtbare oppervlak. Het lichtuitstralende oppervlak van retroflectoren die geen licht doorlaten, moet worden uitgesloten.
Bepalingen punt 5.8.1: Om de geometrische zichtbaarheidshoeken kleiner te maken, moet de plaats van een licht wat de hoogte ervan boven het wegdek betreft, vanaf het H-vlak worden gemeten. 6.10.5.2. Bij voertuigen van de categorieën M1 en N1, als alternatief voor punt 6.10.5.1, naar keuze van de fabrikant of zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger, en alleen als aan de achterkant van het voertuig een zijmarkeringslicht is geïnstalleerd. Horizontale hoek: 45° naar buiten en 45° naar binnen. = vervolg notities Indien een licht lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) is gemonteerd, mag de hoek naar binnen evenwel van 45° worden verminderd tot 20° onder het H-vlak. Verticale hoek: 15° boven en onder het horizontale vlak. Indien een licht lager dan 750 mm boven de grond (gemeten volgens de bepalingen van punt 5.8.1) is gemonteerd, mag de neerwaartse hoek evenwel van 15° worden verminderd tot 5°. Om als zichtbaar te worden beschouwd, moet het licht vrij zicht bieden op ten minste 12,5 cm2 van het zichtbare oppervlak. Het lichtuitstralende oppervlak van retroflectoren die geen licht doorlaten, moet worden uitgesloten.
Behorende bij H14a Markeringslicht voor + H14b Markeringslicht achter 5.7.1. Lichten mogen met elkaar worden gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd, mits aan alle voorschriften inzake kleur, plaats, oriëntatie, geometrische zichtbaarheid, elektrische aansluitingen en eventuele andere voorschriften is voldaan. 5.7.1.1. Aan de voor een licht geldende fotometrische en colorimetrische voorschriften moet worden voldaan wanneer alle andere functies waarmee dat licht is gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd, zijn uitgeschakeld. Wanneer een breedte- of achterlicht echter is samengebouwd met een of meer andere functies die daarmee samen kunnen worden ingeschakeld, moet aan de voorschriften betreffende de kleur van elk van die andere functies worden voldaan wanneer de samengebouwde functie(s) en de breedte- of achterlichten zijn ingeschakeld. 5.7.1.2. Stoplichten en richtingaanwijzers mogen niet worden samengebouwd.
RAI CarrosserieNL 62
63
Notities
Sinds 2012 zijn de lengtemarkeringsborden in Nederland niet meer verplicht. Dit volgt uit de VN/ECE R48 (reglement verlichting) die Europees van kracht is. Desondanks schrijven andere landen, waaronder België, wél de lengtemarkeringsborden voor. Om (hoge) boetes voor transportbedrijven te voorkomen is het daarom aan te raden om altijd lengtemarkeringsborden te plaatsen op voertuigen >3.500 kg die ook in het buitenland gaan rijden. Lengte-markeringsborden zijn overigens niet verplicht, maar wél toegestaan in Nederland.
RAI CarrosserieNL 64
65
© 2025 RAI CarrosserieNL Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/ of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van RAI CarrosserieNL. De eisen kunnen altijd aan veranderingen onderhevig zijn. De meest actuele informatie is voor leden te vinden op www.raivereniging.nl/carrosserienl Verantwoording Ofschoon de inhoud van deze uitgave met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, kan RAI CarrosserieNL niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele wijzigingen in regelingen, onjuistheden en/of onvolledigheden.
RAI CarrosserieNL Europaplein 6 1078 GZ Amsterdam Postbus 74800 1070 DM Amsterdam Tel 020 5044 990 carrosserienl@raivereniging.nl www.raivereniging.nl
RAI CarrosserieNL 66