Skip to main content

Vork - Jaargang 7 - Editie 3 - September 2020

Page 1

editie 3 | jaargang 7 | september 2020

.org

P RIKKE N IN DE VO E D SE LK E T E N

Ultrabewerkte hap eet te gemakkelijk weg Rewilding: Op safari in Europa

Discussie biomassa blijkt rookgordijn


PRIKKEN IN DE VOEDSELKETEN


PRIKKEN IN DE VOEDS EL KET EN

P RIKKEN IN D E VOEDSELKETEN Vork, prikken in de voedselketen

Vork, prikken in de voedselketen

Vork, prikken in de voedselketen

editie 3 | jaargang 6 | september 2019

editie 2 | jaargang 6 | juni 2019

editie 1 | jaargang 6 | maart 2019

> Verbeelding in de

> Zijn voedingsadviezen

> Klimaatverandering en

> Vlees uit het verdomhoekje > Europees landbouwbeleid op dood spoor

> Dilemma vleesvervangers > Kunstmest en dierlijke mest allebei nodig

> Dierentalen bestaan echt niet > Afscheid van de ploeg

wetenschap

waardeloos?

Vork is een uitgave van Agrio

genetische erosie

Vork is een uitgave van Agrio

3/8/2019 9:31:49 AM

001_VK02.indd 1

001_VK03.indd 1

6/7/2019 10:08:38 AM

9/6/2019 11:02:03 AM

editie 2 | jaargang 7 | juni 2020

Simon Groot, winnaar prestigieuze World Food Prize:

PRIKKE N IN D E VO E D S E LK E TEN

Octrooien zijn er door de VS doorgedrukt om grote bedrijven als Monsanto beschermen, maar PRIKKEN INteDE VOEDS EL KET ENze blokkeren de ontwikkeling van nieuwe, verbeterde variëteiten

editie 2 | jaargang 7 | juni 2020

editie 1 | jaargang 7 | maart 2020

editie 4 | jaargang 6 | december 2019

Lees meer op

> De onstuitbare opmars van

> Invasieve exoten: bestrijden Vork.org

> Non-speciecisme als alternatieve filosofie > Ooit een dikke vos gezien?

Onderzoek nodig voor > De vork als politiek strijdmiddel inzicht en vermindering > Vleesheffi ngzoönosen lijkt weinig effectief risico’s

micro-organismen

Vork is een uitgave van Agrio

001_VK01.indd 1

12/1/2019 2:34:15 PM

.org

P RIKKEN IN D E VOEDSELKETEN Vork, prikken in de voedselketen

Vork, prikken in de voedselketen

Vork, prikken in de voedselketen

of gedogen?

001_VK02.indd 1

Gevaren en risico's van exotische kraaloogjes Honger in tijden van de coronacrisis

Agroforestry: Polderoplossing landbouw

3/6/2020 12:30:59 PM

6/8/2020 11:09:14 AM

editie 3 | jaargang 7 | september 2020

.org

PR IKKE N IN D E VO E D S E LK E TEN Vork, prikken in de voedselketen

ver maar n rde

PRIKKE N IN D E VO E D S E LK E TEN

Mis de

editie 3 | jaargang 7 | september 2020

volgende Vork niet Ultrabewerkte hap eet te gemakkelijk weg Rewilding: Op safari in Europa

Discussie biomassa blijkt rookgordijn

Kritisch Oriënterend Gehele voedselketen 4 x per jaar € 49,50

9/4/2020 2:39:51 PM

WORD ABONNEE: www.vork.org | info@vork.org | 0314- 68 22 93


COLOFON P R I K K E N I N DE VO E D SE LKE T E N

Vork is een kritisch, opiniërend en beschouwend platform over ontwikkelingen in en om de voedselketen. In Vork is per 2019 opgenomen en voortgezet Plattelandspost. Uitgever Ben van Uhm Uitgeverij Agrio Handelsweg 2, 7041 GX ‘s-Heerenberg Internet: www.vork.org E-mail: info@vork.org Hoofdredactie Joost van Kasteren en Robert Ellenkamp Tel.: (0314) 626438 E-mail: redactie@vork.org Redactieleden Reinout Burgers, Seb van Dijk, Michiel Löwik, Ellen Mangnus, Mascha Scharenborg, Paul Jacobs (eindredactie), Carina Wijnands (fotoredactie). Vormgeving Agrio Media & Design Abonnementen Hendrien Braakman Tel: (0314)682293 E-mail: info@vork.org Los nummer (incl. verzending) € 14,95. Jaarabonnement 2020 € 45,41 (excl. btw.) Prijswijzigingen voor 2021 onder voorbehoud.

ISSN: 2352-2925

Copyrights Het auteursrecht op dit blad en op de daarin verschenen artikelen wordt door de uitgever voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen, vermenigvuldigd, gekopieerd of worden opgeslagen in een databank zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. Vork september 2020

5


P R I K K E N I N DE VO E D SE LKE T E N

10

32

Jeroen Candel:

Mascha Scharenborg

‘Er is geen debat over voedselbeleid’

18

Bankerfields zorgen voor meer natuurlijke vijanden

Ton Verheijen

Lokaal, onbewerkt en biologisch (niet) beter

40 Lisa Dietz

Bedrijfscultuur slachthuizen kan beter

24 Willem Heemskerk

Kip, patat en biertje in Oeganda

6

Vork september 2020

48

Pieter Winsemius en Rudy Rabbinge

Landelijk gebied opnieuw inkleuren


INHOUD

COLUMNS

08

Joost van Kasteren

Landelijke gebied

16

Rudy Rabbinge

Niet genoeg landbouwgrond om Nederland te voeden

58

46

Rewilding: Op safari in Europa

66

Hidde Boersma

Feitenkennis

Peter de Jaeger

64

Liesbeth Smit

Health shaming

Michiel Lรถwik

Ultrabewerkte hap eet te gemakkelijk weg

30 74

Knipoog

Eten uit een printer Janneke Donkerlo

Discussie biomassa blijkt rookgordijn

56

Denkvoer

Veevoer op tafel

82

88 Ellen Mangnus

Bevordert vrijhandel mondiale voedselzekerheid?

Boekbespreking

Alles in het verdomhoekje, behalve vlees

Vork september 2020

7


Joost van Kasteren Hoofdredacteur Vork

8

Vork september 2020

W

ordt het onderhand geen tijd voor een Deltacommissaris voor het landelijk gebied, vroeg ik me af toen ik het artikel van Pieter Winsemius en Rudy Rabbinge (pag. 48) had gelezen. Daarin geven ze een aanzet – een vingeroefening in hun woorden – voor een efficiënter gebruik van de beperkte ruimte voor de vele functies in het landelijk gebied. Je zou het een meer kwantitatieve vertaling kunnen noemen van de column van Friso de Zeeuw in het vorige nummer. Nu moet ik eerst even wat opbiechten: begin maart – voor de coronacrisis – heb ik deze drie heren samengebracht met enkele anderen waaronder voormalig landbouwminister Cees Veerman en onze columnist Hidde Boersma voor een open brief aan regering en parlement. Daarin dringen we erop aan dat de Rijksoverheid weer de regie op zich moet nemen in de ruimtelijke ordening. De belangrijkste uitdaging is het tegen-


VOORWOORD

Landelijk gebied gaan van de verloedering van landelijk gebied. De situatie is ernstig. Tamelijk willekeurig zien we fantasieloze dozen in het landschap verschijnen; distributiecentra voor goederen en voor data. Met subsidiegeweld worden akkers en weiden getransformeerd tot laag-bijde-grondse spiegelpaleizen die in onze elektriciteitsbehoefte moeten voorzien. De enige begrenzing aan de verspiegeling is tot op heden de beperkte capaciteit van het netwerk. En als het geen spiegels zijn, dan zijn het wel zwaaiende wieken, die vogels uit de lucht en mensen uit hun slaap houden. Het landelijk gebied wordt ook bedreigd door gemeentes die – vaak hand in hand met de provincie – steeds meer ruimte claimen voor stadsuitbreiding. De woningbehoefte zou de komende dertig jaar stijgen met 700.000 tot 900.000 woningen als gevolg van bevolkingsgroei en vooral woningverdunning. Na de coronacrisis is het nog maar de vraag of we die woningen in het landelijk gebied moeten bouwen. Er stonden al veel vierkante meters kantoor- en bedrijfsruimte leeg en dat wordt de komende tijd alleen maar meer als mensen vaker vanuit huis of wijkverzamelgebouw gaan werken. De landbouw, een van de belangrijkste spelers in het landelijk gebied, gaat ook niet vrijuit als het gaat om de verloedering van het landelijk gebied. We kunnen lang discussiëren over de oorzaken, maar de schaalvergroting van het boerenbedrijf is te vaak ten koste gegaan van de kwaliteit van het landschap. Te veel landschapselementen zijn geofferd op het

altaar van de modernisering en dat compenseer je niet met wat schaamgroen in de vorm van bloeiende akkerranden. De schaalgrootte in de intensieve veehouderij is inmiddels ook zodanig dat die bedrijven niet meer passen in het landelijk gebied en geconcentreerd zouden moeten worden op een paar industrieterreinen. Ooit is het concept bedacht van de LOG’s, de landbouwontwikkelingsgebieden, maar omdat er wel een wortel was maar geen stok om bedrijven naar die gebieden te dirigeren, is dat niets geworden. De glastuinbouw laat zien dat het wel kan, om de bedrijvigheid te concentreren op een bepekt aantal gebieden. In onze open brief pleitten we indertijd voor een grotere rol van de Rijksoverheid in de ruimtelijke ordening, maar inmiddels vraag ik me af of ook die overheid wel de kennis en de capaciteit heeft om die rol te vervullen. Onder het motto ‘Kennis kun je kopen’ is de laatste decennia veel inhoudelijke kennis bij de overheid verdwenen. Zoveel zelfs dat ministeries niet eens meer in staat zijn om kennis in te kopen, getuige de vele overschrijdingen in budget en tijd. Een Deltacommissaris heeft niet alleen de mogelijkheid om verder te kijken dan de politieke waan van de dag of van het regeerakkoord, maar zou ook een inhoudelijk sterk apparaat moeten opbouwen. Een nieuwe Dienst Landelijk Gebied die voldoende doorzettingsmacht heeft, bijvoorbeeld op het gebied van grondaankoop en -uitgifte, om vorm te geven aan de zo noodzakelijke herinrichting van het landelijk gebied.

Vork september 2020

9


Jeroen Candel:

‘Er is geen echt maatschappelijk debat over voedselbeleid’ „Een van de grote problemen rond het landbouw- en voedselbeleid is het ontbreken van een overkoepelend maatschappelijk debat. We bekvechten wel over allerlei onderdelen, maar waar we naartoe willen met de landbouw blijft onduidelijk.” Een gesprek met bestuurskundige Jeroen Candel van de WUR, niet alleen over de kringloopvisie, maar ook over de Van-Boer-tot-Bord-strategie van de Europese Commissie en de mogelijkheden om het voedselbeleid te democratiseren.

Carola Schouten probeert om een toekomstvisie te schetsen met haar kringloopvisie. Biedt die geen perspectief? „Met de kringloopvisie breekt Schouten in ieder geval met het landbouwbeleid van de afgelopen dertig, veertig jaar. Dat was vooral reactief. Dat past ook bij de Nederlandse beleidsstijl. We zoeken graag naar consensus door te polderen. Het streven naar consensus heeft echter geleid tot een cliëntelistisch landbouwbeleid. Het primaat ligt bij de sector en de overheid is vooral faciliterend.” „Het goede aan de kringloopvisie is dat die verder reikt dan de volgende kabinetsperiode. Als je eerst gaat studeren en overleggen, is de kans groot dat je regeerperiode voorbij is voor je aan een visie toekomt. Aan de andere kant moet zo’n visie wel worden uitgewerkt en dat is lastig met een agrarische sector die bol staat van de frustraties. Jarenlang was er geen visie en werden problemen op 10 Vork september 2020


LANDBOUW

Vork september 2020

11


„Je zou de landbouwsubsidies ook kunnen gebruiken om de boeren te helpen een stap te maken.”

de lange baan geschoven. Nu is er wel een visie, maar worden boeren tegelijkertijd geconfronteerd met ingrijpende maatregelen die voortkomen uit het vooruitschuiven van harde keuzes in het verleden en daardoor op stel en sprong moeten worden ingevoerd.” Naast de nationale kringloopvisie is op Europees niveau ook de Van-Boer-totBord-strategie gelanceerd als onderdeel van de ‘Green Deal’. Ik heb niet het idee dat die twee op elkaar aansluiten. „Dat klopt. De Farm-to-Fork-strategie en de kringloopvisie sluiten zeker niet een-op-een op elkaar aan. Om te beginnen beperkt de kringloopvisie zich tot de landbouw – een gemiste kans naar mijn idee – terwijl de Van-Boer-tot-Bordstrategie zich richt op het hele voedselsysteem. Daarmee sluit die aan bij wat je in heel Europa op lokaal niveau ziet gebeuren, namelijk dat vooral lokale overheden stappen zetten om een voedselbeleid te ontwikkelen. Niet alleen grote steden zoals Milaan en Amsterdam, maar ook een middelgrote gemeente als Ede. Op nationaal niveau pakken eigenlijk alleen het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen het voedselbeleid op. Nederland heeft indertijd wel een poging gedaan, mede naar aanleiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid om een voedselbeleid op te stellen, maar de Voedselagenda van Van Dam bleef steken bij de Voedseltop in 2018, die toch vooral een feestje voor het bedrijfsleven was.” „Een tweede belangrijk verschil is dat de Farm-to-Fork-strategie is gericht op een aantal harde doelen, zoals minder antibioticagebruik in de veehouderij en reductie van het gebruik van synthetische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest. De strategie zelf heeft geen wetgevende betekenis, maar volgens plan komt er uiterlijk 2023 een wetgevingskader waarin een aantal van die doelen wettelijk worden vastgelegd. De kringloopvisie heeft zich nog niet vertaald in duidelijke doelen. Het is een aansprekend verhaal voor veel mensen, maar de uitwerking 12 Vork september 2020


LANDBOUW ontbreekt. En juist daar, in die uitwerking, zitten nog grote vragen. Bijvoorbeeld op welk schaalniveau je de kringlopen kunt sluiten. Dat zal variëren, maar ik denk dat je de kringloop niet op bedrijfsniveau en zelfs niet op nationaal niveau kunt sluiten omdat we te maken hebben met een Europese markt.” En dan hebben we nog het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor de periode tot 2027. „Anders dan je zou denken is de Farm-to-Fork-strategie niet bedoeld om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid te hervormen. De Europese commissaris voor landbouw was niet eens bij de presentatie. Nee, het landbouwbeleid zelf blijft buiten schot, voorlopig. Sterker nog, volgens de Europese Commissie levert het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid al een forse bijdrage aan de strijd tegen klimaatverandering en voor biodiversiteit. Als je dat afzet tegen een manifest van begin dit jaar 1, dat door 3.600 wetenschappers is ondertekend, dan lijkt dat sterk op green washing, althans volgens twee medewerkers van het Europees Milieubureau 2.” „Zelf denk ik ook dat er weinig zal veranderen. Nederland is nog een van de landen die het meest hervormingsgezind is, samen met de Scandinavische landen en misschien Duitsland. De andere lidstaten vinden het wel best zo. Dat heeft ook te maken met de context. Frankrijk maakt zich vooral zorgen over de leefbaarheid van het platteland. Veel Franse boeren zijn totaal afhankelijk van de hectarepremie voor hun inkomen. Voor Roemenië geldt min of meer hetzelfde. Je hebt daar heel veel kleine bedrijfjes die zonder inkomenssteun niet zouden overleven, en een aantal grootgrondbezitters die sterk van de betalingen profiteren.” Een voortzetting van de status quo dus? „Ja, ik vrees van wel. Erg jammer, want je zou de landbouwsubsidies ook kunnen gebruiken om de boeren te helpen een stap te maken. Veel van hen zitten klem, ze kunnen niet naar een ander bedrijfsmodel. Er zijn best mensen – niet alleen boeren – die het op een andere manier willen doen, maar dat lukt meestal niet. De landbouw is maar heel beperkt toegankelijk voor mensen van buiten de sector. Gebrek aan vers bloed blokkeert de vernieuwing. Wat je zou willen is dat EUgeld wordt gebruikt voor de overbrugging naar een ander soort landbouw, maar het grootste deel zal ook de komende periode wel down the drain blijven gaan in de vorm van een hectarepremie. Het enige effect daarvan is dat de grondprijzen blijven stijgen en dat grootgrondbezitters, zoals de Tsjechische premier en zakenman Andrej Babis, nog rijker worden.”

We bekvechten wel over ammoniak en bestrijdingsmiddelen, maar fundamentele vragen komen niet aan de orde Vork september 2020

13


„De Nederlandse regering wil wel de andere kant op, maar de meeste EU-landen vinden het wel best zo.”

Kan Nederland de kringloopvisie dan wel uitvoeren? „Voor de komende Europese begrotingsperiode ligt er een voorstel om de lidstaten meer ruimte te geven op voorwaarde dat ze zelf een nationaal strategisch plan formuleren. Voor Nederland zou dat plan kunnen helpen bij de uitwerking van de kringloopvisie. De Nederlandse regering wil wel de andere kant op maar, zoals gezegd, de meeste landen vinden het wel best zo. Dan krijg je dus dat het ongelijke speelveld-argument weer van stal wordt gehaald, waardoor in eigen land de druk toeneemt om niet voor de troepen uit te gaan lopen, althans niet te ver.” We hebben dus te maken met een nationale kringloopvisie die niet aansluit bij een Europese Farm-to-Fork-strategie, terwijl beide langetermijnperspectieven niet passen bij het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Bestuurlijk een hele kluif, lijkt me. „Inderdaad. Een van de problemen is dat de kringloopvisie en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zich beperken tot het aansturen van de landbouw, van de boeren, en niet de andere partijen in de voedselketen. De Farm-to-Fork-strategie doet dat wel, maar als je kijkt naar de uitwerking dan komt er ook veel terecht op het bord van de boer. Dus ja, er is meer sturing nodig door de overheid, maar die moet dan wel betrekking hebben op alle schakels in de keten. En in het geval van de landbouw zou meer gebruik moeten worden gemaakt van doelvoorschriften waar boeren op kunnen anticiperen. Dat gaat niet vanzelf, daarvoor moet iemand – de minister – het voortouw nemen en dat vergt politieke moed. De vraag is echter of politici nog durven te regeren of dat ze liever blijven polderen om iedereen en vooral het bedrijfsleven te vriend te houden.” Maar dat laatste lukt steeds minder naarmate het maatschappelijk debat over landbouw en voedsel steeds meer het karakter van een loopgravenoorlog krijgt. „Is er wel een maatschappelijk debat? Een van de grote problemen met het voed14 Vork september 2020


LANDBOUW selbeleid is juist dat het daaraan ontbreekt. We bekvechten wel over ammoniak en over bestrijdingsmiddelen, maar fundamentele vragen komen niet aan de orde. Begin dit jaar hebben we met een werkgroep van de Europese academies voor wetenschappen vanuit de sociale wetenschappen ons licht laten schijnen op de transitie naar een meer duurzaam voedselsysteem. Een van de dingen die we hebben besproken is de vraag hoe je voedsel moet framen. Zijn het commodities (waren) die op de vrije markt verhandeld worden, waarvoor je dus moet betalen? Of is het meer een common good, waar we allemaal verantwoordelijkheid voor dragen?” „Je kunt voedsel ook zien als een human right, een mensenrecht, wat inhoudt dat de overheid ervoor zorgt dat iedereen voldoende, veilig en gevarieerd voedsel tot zijn beschikking heeft. Onlangs heb ik met Ingrid de Zwarte een artikel 3 gepubliceerd over het effect van Covid-19 op het functioneren van de voedselbanken. We constateerden dat het systeem weliswaar veerkrachtig is, maar ook kwetsbaar, omdat het sterk leunt op oudere vrijwilligers. Onze conclusie was dan ook dat de overheid de verantwoordelijkheid moet nemen voor de voedselbanken en inspringt waar dat nodig is.” Samen met Joris Lohman heb je begin dit jaar een manifest geschreven voor meer hoffelijkheid in het landbouwdebat. Zie je daar al wat van terug? „In zoverre dat er allerlei initiatieven zijn om het maatschappelijke debat over landbouw op een andere manier te voeren. Een interessant voorbeeld is de boer-burgerdialoog die wordt opgezet naar het idee van de G1000 burgertoppen 4. In dit geval worden er via loting 500 burgers geselecteerd die het gesprek aangaan met eveneens 500 door loting aangewezen boeren. Het idee van de G1000 is indertijd gelanceerd door de Belgische auteur David Van Reybrouck als alternatief voor de vastlopende parlementaire democratie. We moeten afwachten hoe het uitpakt, maar omdat iedereen iets heeft met eten, is zo’n burgertop over voedsel misschien wel een manier om het begrip democratie opnieuw inhoud te geven. Of ben ik nu te optimistisch?” Beeld: Ellen Meinen

Joost van Kasteren Hoofdredacteur Vork

BRONNEN 1.

Pe’er Guy et al ‘Action needed for the EU Common Agricultural Policy to address sustainability challenges’ in People and Nature vol. 2, nr. 2, juni 2020.

2. Celia en Berenice Dupeux ‘The European Commission must not greenwash the Common Agricultural Policy’ www.capreform.eu 9 juli 2020.

3. Candel, Jeroen en Ingrid de Zwarte ‘The impacts of COVID-19 on Dutch food banks: a call on government to guarantee the right-to-food’ in Gastronomica, vol. 20 nr. 3 herfst 2020. 4. https://g1000.nu/blog/wordt-supporter-van-de-boer-burgerdialoog/

Vork september 2020

15


M

Rudy Rabbinge Emeritus hoogleraar Duurzame Ontwikkeling en Voedselzekerheid. Sinds

et enige regelmaat verschijnen er stukken in de Nederlandse media waarin wordt beweerd dat de Nederlandse landbouw de eigen bevolking niet kan voeden. De acties van Nederlandse boeren waarin ze betogen dat de Nederlandse bevolking door de huidige boeren wordt gevoed, worden dan als onjuist en als onzin afgedaan. De rol van Nederland als grote exporteur van agrarische kennis en producten wordt sterk gebagatelliseerd want tegenover de export staat een aanzienlijke import en Nederland voedt niet de wereld maar wordt door de wereld gevoed. Recent werd in een gezamenlijke publicatie van PBL en CBS weer die toon aangeslagen. Nederland zou bijna twee keer zijn eigen areaal nodig hebben om de bevolking te voeden. De argumenten daarvoor zijn echter gebaseerd op een theoretische statistische beschouwing die losgekoppeld is van het karakter van de Nederlandse agrarische sector. Die sector is geen eenheidsworst (‘de landbouw’), maar omvat een twintigtal bedrijfstakken die sterk verschillen en zowel nationaal als internationaal elk een eigen positie hebben. De sierteelt onder glas is een heel andere bedrijfstak dan de pluimveehouderij of pootaardappelenteelt.

2011 is hij met emeritaat van Wageningen Universiteit maar op deeltijdbasis nog aan deze instelling verbonden en vervult verschillende deeltijdse adviesen bestuursfuncties.

16 Vork september 2020

De omvangrijke export van de agrarische sector, circa 100 miljard euro per jaar, bestaat vrijwel volledig uit hoogwaardige producten die worden voortgebracht door innovatieve bedrijven. Een klein deel betreft bulkproducten met lage waarde. Circa 30 procent van alle tuinbouwzaden in de wereld komt uit Nederland en voor pootaardappelen is


COLUMN

dat 50 procent. De waarde van 1 kilogram tomatenzaad is 2 kilogram goud. Meer dan de helft van de bedrijfstakken in de agrarische sector is niet of niet volledig grondgebonden en is zeer competitief dankzij de sterke innovatiekracht en de goed georganiseerde handel. Van de top 10 bedrijfstakken die het meest concurrerend zijn en het meest bijdragen aan duurzame ontwikkeling, zijn er acht afkomstig uit de agrarische sector, blijkt uit een grondige analyse van driehonderd Nederlandse bedrijfstakken. Slechts een klein deel daarvan levert een rechtstreekse bijdrage aan de voedselvoorziening. Die bijdrage is zeker niet verwaarloosbaar, zoals de auteurs van het genoemde rapport lijken te willen beweren. De zuivel bijvoorbeeld produceert veel meer dan de Nederlandse behoefte en levert een forse bijdrage aan de export. Datzelfde geldt voor de akkerbouw – met name voor op suikeren zetmeel gebaseerde producten – en de tuinbouw met de daaronder vallende bedrijfstakken. Slechts een klein deel van het krachtvoer – dat minder dan 30 procent van de consumptie van de koeien uitmaakt – wordt geïmporteerd. Het merendeel van het krachtvoer bestaat uit bijproducten als aanvulling op de eigen voerwinning van vooral gras en maïs. Het nu beschikbare landbouwareaal is ruim voldoende om de eigen behoefte te dekken als de goede landbouw met best

ecological means wordt ingezet op de goede gronden. Diverse gedetailleerde studies gebaseerd op gedegen experimenten op bedrijfsniveau tonen dat aan. Zelfs als wordt afgezien van externe inputs zoals kunstmest of gewasbeschermingsmiddelen, zoals in de biologische landbouw, is zelfvoorziening mogelijk. Dat vergt wel het scheuren van veel grasland en de overstap op een menu met veel minder dierlijke eiwitten. In zijn algemeenheid geldt dat als op goede gronden de meest geavanceerde ecologische inzichten en technieken worden benut, een deel van de minder gunstige gronden kan worden ingezet voor functies zoals cultuur en natuurhistorische waarden, herstel van de weidevogelfauna met voorop de grutto en vastleggen van CO2. Kortom er is veel mogelijk om zowel de voedselvoorziening veilig te stellen als de andere maatschappelijke doelen te bereiken. Rapporten waarin de productieve landbouw min of meer wordt afgeschreven en waarin pleidooien worden gehouden voor ot-en-sienlandbouw die alleen misplaatste nostalgische gevoelens bevredigt, leveren geen bijdrage aan de voortgaande vernieuwing van de landbouw om aan de veranderende maatschappelijke behoeften te voldoen. Deze column verschijnt ook in het tijdschrift Milieu

Niet genoeg landbouwgrond om de Nederlandse monden te voeden Vork september 2020

17


Lokaal, onbewerkt en biologisch is écht (niet) beter Door de recente corona-uitbraak en de problemen in slachthuizen zijn consumenten nog alerter geworden op voedselveiligheid. Die argwaan geldt misschien nog wel sterker voor bewuste consumenten die daarom kiezen voor lokale of biologische producten. Ook onbewerkt, lokaal en biologisch voedsel kan echter een risico zijn voor voedselveiligheid, constateerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid een jaar geleden. Ton Verheijen maakt een rondje langs de velden om te kijken hoe het echt staat met de veiligheid van ons voedsel. Iedereen heeft wel een vriend, kennis of verre nicht die er uitgesproken ideeën op nahoudt over voedsel en eten. Op verjaardagen krijg je dan verhalen over de eigen courgettes die het zo goed doen dit jaar, of over de eco-boerderij verderop die fantastische volle kwark verkoopt. Het gaat al snel over de biologische markt waar alles er zo verlept uitziet, of over topkoks Sergio Herman en Jonnie Boer die op het strand of in de bossen zelf zoeken naar bijzondere planten voor in de keuken. Het gaat over het op internet aangeschafte vleespakket of het overschot aan heckrunderen en edelherten in de Oostvaardersplassen. Kunnen we daar wat vaker het mes in zetten? Vreemd genoeg gaat het nooit over de risico’s van lokaal, onbewerkt en biologisch voedsel. Wat betekent deze populaire consumententrend voor de (microbiologische) voedselveiligheid? Hebben virussen en bacteriën vrij spel op de eco-boerderij? Kunnen parasieten hun gang gaan? Daarover worden 18 Vork september 2020


VOEDING

De supermarkten verbreden hun assortiment met meer rauwe versproducten.

boeken vol geschreven. Wat te denken van een onderzoek van het Deense National Food Institute dat dertien giftige plantensoorten ontdekte die in de betere restaurants worden gebruikt, waaronder slangenkruid en duizendblad. Of vers sinaasappelsap? In 2008 werden mensen ziek van kakelvers sap waarin Salmonella enterica Panama bleek te zitten. In 2017 werden residuen gevonden van het verboden pesticide carbofuran op de immens populaire gojibessen. Ook fipronil in eieren staat ons nog helder voor de geest. En op de biologische boerderij kunnen door dierlijk mest ziekteverwekkers in zelfgeproduceerde producten terechtkomen. BIG DATA

We beginnen het rondje langs de velden bij de NVWA die controleert of bedrijven in de voedselketen zich aan de wet houden. Op het eerste oog zijn er geen schokkende ontwikkelingen te melden volgens Coen van der Weijden, verantwoordelijk voor microbiologische voedselveiligheid. De bekende ziekteverwekkers van een halve eeuw geleden zijn nog steeds actief: Campylobacter, Salmonella, E.coli O157 en Clostridium. En verder parasieten als Cryptosporidium en Toxoplasma. Ook infecties met lintworm en spoelworm komen nog voor, en ziektes die van mens op mens worden overgedragen (eventueel via voedsel). Denk aan infecties door norovirussen of hepatitisvirussen. Is het allemaal erger geworden? Nee. De voedselveiligheid in Nederland staat op een hoog niveau. Door corona lijkt het alsof de situatie drastisch is verslechterd, maar dat is niet het geval, verzekert Van der Weijden. Nieuwe Vork september 2020 19


Bessen kunnen beter verhit worden voordat ze de blender ingaan.

Campylobacter

technologie draagt daaraan bij. De NVWA gebruikt steeds meer big data om risico’s sneller te detecteren, risicogericht toezicht te houden („daar waar het nodig is”) en uitbraken op te lossen. ANGST VOOR E-NUMMERS

So far so good. Maar er speelt wel iets. De supermarkten verbreden hun assortiment met meer exotische en rauwe versproducten. De logistiek wordt steeds efficiënter ingericht in het kader van prijs en houdbaarheid. En daar wringt de schoen. Van der Weijden: „De bewuste consument is bang voor E-nummers. Die wil minder E-nummers en meer houdbaarheid en dat kan vaak niet. Producenten gaan daar creatief mee om. Ze omzeilen het probleem met clean labels. In plaats van melkzuur (E270) voegen ze bijvoorbeeld een natuurlijk product toe dat veel melkzuur bevat. Er staat dan onterecht geen E-nummer op de verpakking.” Angst voor E-nummers is een merkwaardig modeverschijnsel. Zout, kruiden, specerijen, azijn en suikers worden al duizenden jaren aan voedsel toegevoegd om het langer te bewaren. Ook bepaalde vetten hebben eigenschappen die kunnen bijdragen aan de voedselveiligheid. Moderne conserveermiddelen (lees: E-nummers) kunnen hetzelfde, en kunnen bovendien de kleur en smaak verbeteren. De meeste E-nummers zijn goed gedefinieerd en geanalyseerd, zuiver en natuuridentiek, of extracten van natuurlijke producten, zo stelt Marcel Zwietering van de WUR. Maar de consument wil ze niet en fabrikanten conformeren zich aan die trend. Ze voegen bepaalde E-nummers niet meer toe. Dat kan zorgen voor nieuwe risico’s omdat additieven nu eenmaal ziekteverwekkers kunnen beheersen. SMOOTHIES

Hoe dan ook: het aantal meldingen van besmet voedsel is momenteel (juli 2020) volgens Van der Weijden van de NVWA hetzelfde als voor de 20 Vork september 2020


VOEDING

De bewuste consument is bang voor E-nummers.

corona-uitbraak. Een ‘normaal’ niveau. Tijdens de intelligente lockdown zagen de inspecteurs van de NVWA een spectaculaire daling van het aantal meldingen; waarschijnlijk doordat zoveel productiebedrijven stillagen. Van der Weijden: „We maakten ons zorgen over bedrijven die doorgingen en hun productie moesten verhogen. Toch hebben we geen signalen opgevangen dat hun aandacht voor voedselveiligheid verslapte.” Grosso modo ziet Van der Weijden geen grote verschillen in risico’s tussen biologische en conventionele voedselketens. Over bevroren rood fruit maakt de NVWA-man een interessante opmerking. Het wordt vaak handmatig geplukt in Zuidoost-Europa, waar de sanitaire voorzieningen niet altijd goed zijn. Dat beïnvloedt de hygiëne en leidt „incidenteel” tot overdracht van het norovirus en Hepatitis A. Die ziekteverwekkers gaan mee in de vriescel. Ze overleven en kunnen linea recta in onze smoothies terechtkomen. Het risico is niet groot, stelt Van der Weijden, maar wie elk risico wil uitsluiten, kan bessen en aardbeien beter verhitten en afkoelen voordat ze in de blender gaan. ZIEKTELAST

Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden en overlijden door maag-darminfecties via voedsel. De ziektelast wordt uitgedrukt in daly’s (disability adjusted life years), een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat door ziekte of vroegtijdig overlijden. De veertien onderzochte ziekteverwekkers worden voor 40 procent via voedsel aan de mens overgedragen en verder via het milieu, via dieren en van mens op mens. Het totale aantal daly’s in Nederland in 2018 (11.000) bleef gelijk aan 2017. Daarvan waren 4.300 daly’s toe te schrijven aan voedsel. De totale kosten (medische kosten, reiskosten, ziekteverzuim) werden geschat op 426 miljoen euro. De kosten door besmet voedsel werden geraamd op 171 miljoen euro. (Cijfers over 2019 zijn nog niet bekend.) Dierenarts en epidemioloog Lapo Mughini Gras schreef mee aan het Vork september 2020

21


RIVM-rapport. Volgens hem is er geen bewijs dat lokaal en biologisch voedsel (on)gezonder is. Als hij inzoomt op de actuele ontwikkeling op het gebied van zoönosen en voedselveiligheid, noemt hij Salmonella in eieren als een aandachtspunt. Mughini Gras: „Sinds de jaren tachtig nam het aantal patiënten door Salmonella spectaculair af. Deze dalende lijn is gestopt en we snappen niet waarom. Er zijn verschillende hypothesen. Dat gaan we onderzoeken.” ONVERHITTE PRODUCTEN

Mughini Gras stelt dat korte ketens wellicht tot minder besmettingen leiden, omdat elke stap in de koelketen (snijden, verpakken) nu eenmaal risico’s met zich meebrengt. Wat kan de consument eigenlijk doen? Mughini Gras noemt de vier standaardadviezen: „Clean, seperate, cook and chill.” In goed Nederlands: hygiëne in acht nemen, zuivel, vlees en groente van elkaar gescheiden houden tijdens het koken, producten op de juiste manier verhitten of onmiddellijk afkoelen/bevriezen. En natuurlijk: gesteriliseerde en gepasteuriseerde producten gebruiken (daarin zijn pathogenen gedood).

Er kan een vogeltje met Salmonella op je kropje zelfgekweekte sla poepen Dat bewuste consumenten steeds vaker kiezen voor onverhitte producten, is volgens Mughini Gras zorgwekkend. Sommige zuivelproducenten prijzen de momenteel populaire rauwe melk en rauwmelkse kaas namelijk aan als gezond. (De NVWA waarschuwt dat rauwe melk een bron van gevaarlijke micro-organismen kan zijn.) Het risico van ‘niet verhitten’ geldt overigens ook voor vlees, vis, groente en fruit. Gebruik je gezonde verstand, stelt Mughini Gras. „Een doorgebakken stuk vlees geeft nu eenmaal minder risico’s dan een steak tartaar.” FRAUDE, ONKUNDE EN PECH

Dat lokaal, onbewerkt en biologisch voedsel minder (of juist meer) voedselveiligheidsrisico’s heeft, zal Marcel Zwietering van de WUR niet beweren: „Het is niet zwart/wit. In beide ketens kom je risico’s tegen. Kweek je zelf groente? Dan loop je bijvoorbeeld meer risico op toxoplasmose door katten, en heb je meer last van schimmels, met kans op mycotoxines. In allerlei situaties heb je te maken met fraude, onkunde, onachtzaamheid en pech. De eerste drie zijn te beheersen. Pech niet. Er kan een vogeltje met Salmonella op je kropje zelfgekweekte sla poepen. Zoiets kan ook in een conventionele voedselketen gebeuren. Alleen in kassen ligt het risico op besmetting door vogels, muizen, insecten, katten en reeën veel lager. En in conventionele productie in gesloten stallen, waar dieren dicht op elkaar zitten, heb je weer andere risico’s op overdacht van ziektes. Daar wordt ook vaker antibiotica gebruikt. Goed toegepast hoeft ook dat geen probleem te zijn.” 22 Vork september 2020


VOEDING Het gaat erom risico’s zoveel mogelijk weg te strepen, stelt Zwietering. Dit vergt zorgvuldigheid. Gebruik van mest in de biologische landbouw vraagt om extra protocollen voor drogen en bewaren. Ook aan biologische bestrijding van pathogene micro-organismen en dioxine-vergiftiging van eieren van vrije- uitloopkippen moet in de biologische land- en tuinbouw aandacht worden besteed. Doordat er in die tak van sport geen pesticiden worden gebruikt, is er geen risico op pesticide-residuen. Maar daardoor is er juist wel weer een risico op giftige schimmels. Daar staat weer tegenover dat er minder antibiotica wordt gebruikt, zodat er geen antibiotica-residuen aanwezig kunnen zijn. Zwietering concludeert: „Geloof niet in mooie praatjes-verkopers. Biologisch en onbewerkt voedsel zou gezonder zijn en ultra processed food staat in een kwaad daglicht. Dat is kort gezegd het verhaal. Maar sommige processing is gewoon nodig om voedsel veilig, houdbaar en verteerbaar te maken. Fermentatie is bovendien een natuurlijke processing. Je maakt er voedsel lekkerder, langer houdbaar, beter verteerbaar en soms gezonder mee. Dus nee, niet alles wat uit de natuur komt, is veiliger. Denk aan de sterke natuurlijke gifstof botuline-toxine. En ja, in beide ketens moet je de voedselveiligheid serieus nemen. Risico’s beheersen kan en moet in een mondiale keten én op een lokale boerderij.” Beeld: Agrio, Reinout Burgers, Pxhere, Wikimedia

Ton Verheijen Journalist en schrijft over wetenschap en technologie

Lees meer op Vork.org Ex-coronapatiënten hebben veel eiwit nodig voor herstel Eieren, zuivel, vlees en peulvruchten mogen niet ontbreken in het dieet van herstellende coronapatiënten.

Voedselveiligheid: Wat is dat eigenlijk? Lokaal voedsel is lekkerder? Steeds meer mensen prefereren lokaal geproduceerd voedsel. Want dat zou lekkerder, betrouwbaarder en duurzamer zijn.

Niemand weet precies wat dat is. Als je de wereld zou afreizen en zou noteren wat mensen eten en drinken, dan sta je versteld van de variëteit

www.vork.org

Vork september 2020 23


Kortere ketens in Oeganda

Kip, patat en een biertje

24 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo

De snelle groei van de vooral jeugdige stedelijke bevolking leidt tot een ander eetpatroon in Oeganda. Het traditionele platte brood (chapati) met bonen wordt steeds vaker ingeruild voor patat met kip en een biertje erbij. Afrikaveteraan Willem Heemskerk zocht uit wie er profiteert van de groeiende vraag naar ‘westers’ voedsel. Verrassend genoeg zijn dat niet de McFoods van deze wereld.

Geoffrey Kibweka werkt in Kampala als kantoorassistent bij een ICT-bedrijf. Hoewel hij niet veel verdient ziet hij kans om geld over te houden voor de studie van z’n broertje en z’n ouders op het platteland wat geld te sturen. Zelf heeft hij ondertussen zijn status aangepast aan het nieuwe leven in de stad. Zo eet hij steeds vaker kip met patat met in het weekend een biertje. Dit in tegenstelling tot zijn minder geschoolde leeftijdsgenoten die meestal lunchen met matoke (gekookte banaan) en bonen, kikomando (chapati – plat, ongedesemd brood – met bonen) of rolex (chapati-rol met ei). VERANDEREND EETPATROON

Oeganda heeft een van de snelst groeiende bevolkingen van Afrika. Van de nu 46 miljoen mensen is meer dan de helft jonger dan 18 jaar. Ruim een kwart van de Oegandese bevolking woont in een stedelijke omgeving. De metropool Kampala – de hoofdstad – telt 3,2 miljoen inwoners. Het zijn vooral jongeren zoals Geoffrey die naar de stad trekken. De economie draait er op volle toeren en dat biedt veel kansen. Banen zijn er weliswaar niet genoeg, maar er is altijd wel een handeltje te drijven. Een belangrijk onderdeel van het stedelijk leven zijn de vele eettentjes. Op het menu staan vaak kip met patat en een biertje, maar er worden ook traditionele gerechten geserveerd zoals rolex en kachumbari (tomaten- en uiensalade). De vraag is wat het veranderende eetpatroon van de jonge stedeling betekent voor de miljoenen kleine boeren in Oeganda. Profiteren zij van deze nieuwe vraag? Of leidt dit menu tot een nog grotere invoer van landbouwproducten? Met alle gevolgen van dien voor de lokale economie en de verpaupering van het platteland. Voor een antwoord op die vraag moeten eerst nagaan welke grondstoffen nodig zijn voor deze nieuwe trend in het stedelijke voedingspatroon. Voor bier is de traditionele gerst niet meer nodig, want steeds vaker worden ook sorghum en maïs gebruikt als grondstof. Voor de productie van kippen en eieren zijn broedkippen en kuikens nodig en kippenvoer zoals maïs en soja. De lokale productie van aardappelen vraagt onder meer om goed pootgoed. Patat en kip tenslotte worden meestal gebakken of gefrituurd in zonnebloem- of katoenolie. Welke rol Vork september 2020 25


Van boven naar beneden: Duits bierfeest Oktoberfest in Kampala. Een belangrijk onderdeel van het stedelijk leven zijn de talloze eettentjes waar veel kip op houtskool wordt gegaard. De Rolex is een traditioneel Oegandees gerecht van chapati brood en een groente omelet. 26 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo spelen kleine boeren in de ketens die de ingrediënten leveren voor de kip met patat en een biertje van Geoffrey Kibweka en zijn grootsteedse vrienden? PATAT

Aardappelen worden traditioneel door kleine boeren geteeld op het platteland in het zuidwesten van Oeganda. Ze worden meestal gekookt gegeten maar in de urbane gebieden is patat erg populair geworden. Het wordt vooral verkocht in ‘roadside’ eettentjes, als lunch en als ‘take-away’ in de avond. Grote fastfoodketens hebben contracten met lokale boerencoöperaties voor de levering van kwaliteitsaardappelen voor de patatconsumptie. Kleinere eettentjes kopen de aardappelen van lokale handelaren. De gemiddelde aardappelconsumptie ligt in het zuiden in de orde van 14 kg per persoon per jaar (in Nederland 81 kilo) en wordt vrijwel volledig geproduceerd in Oeganda. Jaarlijks gaat het om 250.000 ton en de productie groeit gestaag. Het pootgoed is grotendeels van lokale oorsprong, onder andere geproduceerd door de Uganda National Seed Potato Producers Association (UNSPPA). De kwaliteit is niet hoog maar door positieve massaselectie van gezonde planten, produceren kleine boeren een redelijk pootgoed dat gemiddeld 30 procent meer opbrengt dan niet geselecteerd pootgoed. Nationaal onderzoek richt zich met steun van IPC (International Potato Center) op de introductie van nieuwe rassen. Recentelijk wordt ook steeds meer gekeken naar de introductie van buitenlandse (vaak Nederlandse) rassen. KIP

Gefrituurde en gebakken kip is snel populair geworden ten koste van de traditionele gestoofde kip, wederom vooral bij de jonge bevolking in stedelijke gebieden. Nog niet zo lang geleden importeerde Oeganda veel kip, maar de binnenlandse – commerciële – productie neemt snel toe. De veelal kleinschalige kippenbedrijven zijn overal in Oeganda te vinden, maar vooral in (peri-) urbane gebieden. Er is een groot lokaal aanbod van ongeveer 75.000 ton kip. Waar de traditionele huishoudelijke consumptie 2 kilo per persoon per jaar is, ligt die in urbane consumptie op circa 8 kilo per stedeling. Kippen voor de stedelijke bevolking komen voor het merendeel nog van kleine boeren die gemiddeld 200 kippen hebben. Er treedt wel een verschuiving op naar meer commerciële, maar nog steeds kleinschalige producenten met circa 5.000 kippen per boer. Zo’n 6.000 van deze kleine producenten hebben zich georganiseerd in de Uganda Local Chicken Farmers Association. De helft van deze kleinschalige commerciële boeren werkt met snelgroeiende hybriden van broedkippen die voornamelijk uit Kenya en Nederland worden geïmporteerd. Gebruik van hybride rassen wordt ook gestimuleerd door de lokale voerindustrie (Ugachic, Bizinyika, etc.) die het complete pakket van kuikens en krachtvoer levert. SOJA

Kippenvoer bestaat voor meer dan de helft (60 procent) uit maïs en plantaardig eiwit zoals sojabonencake, katoenzaadcake, aardnotencake of maïszemelen. Soja-eiwit is het belangrijkste ingrediënt en wordt vaak aangevuld met geïmporteerde vitamines en mineralen uit o.a. Nederland. De sojabonen worden vrijwel uitsluitend geproduceerd door kleine boeren; niet om te eten, maar om het te verkopen. De productie van uitgangsmateriaal is grotendeels in handen van kleine boeren Vork september 2020 27


Oeganda bezit ook tal van kleine dorpspersen. Ze worden ondersteund door de overheid om de olie-extractie (frituurolie) zowel kwalitatief als kwantitatief te verbeteren.

associaties en coöperaties die ‘Quality Declared Seed’ van nieuwe sojarassen produceren. Commerciële zaadbedrijven zijn minder geïnteresseerd in de productie van gecertificeerd sojazaad. De ongeveer 40.000 hectare soja die door kleine boeren geteeld wordt is niet voldoende om aan de binnenlandse vraag te voldoen en daarom worden ook sojabonen geïmporteerd. De extractie van sojaolie gebeurt in een aantal grote industriële raffinaderijen, waaronder de Mukwano Group en Nile Agro Industries. Het eiwit is zo gewild dat ook veel sojabonen geroosterd worden om de olie kwijt te raken en eiwit over te houden. FRITUUROLIE

Het bakken van de kip en het frituren van de patat vereisen veel olie. De nationale consumptie van plantaardige olie bedroeg recentelijk 120.000 ton, waarvan slechts een derde lokaal wordt geproduceerd. De rest komt voornamelijk uit Maleisië en Indonesië en wordt geïmporteerd door een aantal grote bedrijven. De overheid van Oeganda investeert in nationale olieproductie; met name van zonnebloemolie maar ook van soja- en palmolie. Zonnebloemen worden geproduceerd door kleine boeren in het arme noorden van het land. Lokale handelaren die vaak ook het zaaizaad leveren, kopen de oogst op en leveren die aan de verwerkende bedrijven. Die werken vaak ook samen met boerencoöperaties waar veel boeren bij zijn aangesloten. De coöperaties zorgen voor gezamenlijke verkoop en inkoop, maar ook voor technisch advies en ook regelen ze soms kredieten. Voor de zonnebloementeelt in het noorden wordt veel gebruik gemaakt van uit Zuid-Afrika geïmporteerd zaad van hybride rassen. Die geven een hogere olieproductie per hectare dan lokaal geproduceerd zaad. Naast de grote persen van de olieverwerkende industrie, bezit Oeganda ook tal van kleine dorpspersen. Ze worden ondersteund door de overheid om de olie-extractie zowel kwalitatief als kwantitatief te verbeteren. Een belangrijk bijproduct vormen de perskoeken die – anders dan de sojacake – grotendeels naar melkveebedrijven gaan. BIER

Het overgrote deel van het lagerbier dat in Oeganda wordt gedronken, wordt lokaal gebrouwen. Bekende brouwerijen zijn Nile Breweries en Uganda Bre28 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo weries, beide eigendom van 's werelds grootste bierbrouwer AB INBEV. De brouwerijen gebruiken steeds meer lokaal geproduceerde ingrediënten zoals sorghum en maïs. Nile Breweries heeft hiervoor contracten afgesloten met coöperaties van kleine boeren en kleinschalige handelsbedrijven. De markt is interessant voor boeren vanwege de stabiele vraag bij een gegarandeerde prijs. De overheid stimuleert de lokale afzet door belastingkortingen voor brouwers bij het gebruik van lokale grondstoffen. De brouwerijen op hun beurt hebben programma’s voor voorlichting over rassen en andere technische zaken en voor kwaliteitsbewaking en kredietvoorziening. Om aan de verwachte vraag naar sorghum te voldoen, zou de productie moeten worden opgevoerd tot wel 100.000 ton. BLOEIENDE WAARDEKETENS

De groeiende populariteit van het grootsteedse menu van kip, patat en bier zorgt voor bloei van de lokale waardeketens van aardappelen, kip, sojabonen, zonnebloemen en sorghum. Die zijn allemaal relevant voor kleine boeren en kleine en middelgrote bedrijven. Dankzij stimulerend en flankerend overheidsbeleid kunnen deze ketens zich ontwikkelen ten koste van de import van grondstoffen en halffabricaten. De waardeketens bevestigen de conclusie van Niek Koning, dat nationaal beleid veel kan doen voor het ondersteunen van midden- en kleinbedrijf in de keten, vooral als er functionerende coöperatieve bedrijven aanwezig zijn.1 In Oeganda is dat het geval. De coöperaties en associaties worden ondersteund door UCA (Uganda Cooperative Alliance) en deze bestaan op basis van een gezond bedrijfsmodel voor inkoop, verkoop en krediet voor individueel producerende boeren. Belangrijke elementen in het overheidsbeleid zijn ondersteuning met publieke diensten – zoals onderzoek, voorlichting en kwaliteitscontrole – met belastingprikkels en, indien noodzakelijk, het afschermen tegen goedkope importen van in dit geval spijsolie en krachtvoer. Vanuit het oogpunt van zowel de producent als de consument zijn deze waardeketens van belang voor de gewone man en vrouw. De prijs van voedsel is betaalbaar, terwijl de (kleine) boer een redelijk inkomen kan verdienen. Vooral in het arme noorden leiden ze tot zichtbare vermindering van de armoede. Beeld: Wikimedia, Willem Heemskerk, Adventures in Uganda. Jonathan Ssezibwa

Willem Heemskerk Agronoom en werkte sinds 1977 in diverse Afrikaanse landen. Voor dit artikel maakte hij gebruik van de informatie van de veteranengroep (zie Vork maart 2020) en van de correspondenten Stephen Birungi, Connie Masaba en Farid Karama in Oeganda

BRONNEN 1.

Niek Koning (2017) ‘Food security, agricultural policy and economic growth’ (zie ook Vork editie 1 van 2017)

Vork september 2020 29


Eten uit de printer ‘Zal ik koken vanavond?’ ‘Nee, doe geen moeite, we hebben de foodprinter toch?’ Na een lange werkdag op kantoor, bekijk je voordat je vertrekt even in de app van jouw voedselprinter. Welke maaltijd wordt het vandaag? Hoe laat wil je eten en met hoeveel personen? Vijf minuten later start je de auto en tijdens de rit naar huis begint jouw foodprinter thuis de benodigde ingrediënten te selecteren. Terwijl je vermoeid in de file aansluit, is de foodprinter al klaar en begint het opwarmen van de maaltijd. Eindelijk thuis is het alleen een kwestie van een flesje wijn opentrekken, wat verse groenten snijden en de tafel dekken. Kan dit echt?

CARTRIDGES MET VERSE INGREDIËNTEN

Zeker, het bestaat al. Producenten van voedselprinters zijn al enkele jaren 30 Vork september 2020

actief, ook in Nederland. Op basis van een driedimensionaal computerontwerp maakt de 3D-foodprinter duurzame maaltijden. De printer volgt nauwkeurig het ontwerp om voeding in puree, pasta, vloeistof- of poedervorm laag voor laag uit te printen. Er bestaan verschillende technieken om voedsel in 3D te printen. Een ervan is vergelijkbaar met een inkjetprinter die op basis van cartridges je teksten en foto’s print. De cartridges van een 3D-foodprinter bevatten echter geen inkt, maar voedingsstoffen die precies kunnen worden afgestemd op de wensen en behoeftes van een individu. Waar het ene bedrijf wellicht kiest voor het printen van snoep, maakt het andere een complete pizza. Er zijn voedselprinters voor bakkerijen, confiseurs, cateraars en de horeca. De cartridges bestaan voornamelijk uit chocolade en marsepein.


Terwijl de meeste foodprinters bestemd zijn voor de zakelijke markt, geeft bijvoorbeeld het bedrijf Natural Machines ook consumenten toegang tot een 3D-printer die voedsel kan uitprinten. Het bedrijf stelt dat het met hun Foodini mensen weer gezonde verse ingrediënten wil laten gebruiken. De foodprinter werkt met capsules waar verse ingrediënten in moeten worden gestopt. De 3D-printer maakt vervolgens één ingrediënt per keer, maar kan ze ook combineren. Gezonder eten en minder voedselverspilling liggen hiermee binnen handbereik. BIJZONDERE KUNSTWERKJES

Een relatieve nieuwkomer is de 3D-foodprinter van byFlow, gevestigd in Eindhoven. Met zo’n vijftig verschillende ingrediënten maakt de machine bijzondere kunstwerkjes van mascarponecrème tot chocolade en van groentepuree tot rundvlees. De foodprinter is nu nog vooral gericht op artistieke ontwerpen waarmee chefs de gasten in hun restaurant imponeren. In de toekomst wil het bedrijf machines leveren om op industriële schaal gepersonaliseerde producten te maken, waarbij rekening wordt gehouden met iemands allergie of persoonlijke voorkeur. Foodprinters kunnen tegemoetkomen aan individuele eetwensen, zoals glutenvrij, lactosevrij en veganistisch eten. EEN GEZONDE MAALTIJD PRINTEN

Trends als ambachtelijkheid, natuurlijk eten en weten waar je voedsel vandaan komt lijken niet te rijmen met deze technologie, maar de makers doen er alles aan om consumenten af te brengen van het ingebakken idee dat printers gevuld zijn met inkt en dat het ongezond is. De printer maakt het juist mogelijk om met een combinatie van verschillende hoeveelheden vet, eiwitten, vitaminen en mineralen een gezonde maaltijd te

KNIPOOG Je kunt lacherig doen over de voedseltrends. Of ze bloedserieus nemen. In Knipoog doen we het allebei. Dit keer kijkt Mascha Scharenborg naar de wondere wereld van de foodprinter.

printen. Ook biedt de foodprinter medische voordelen voor bijvoorbeeld suikerpatiënten, maaltijden op maat voor patiënten in ziekenhuizen en mensen met kauwproblemen. EINDELOZE TOEPASSINGSMOGELIJKHEDEN

In hotels, supermarkten, huishoudens en kantoren: de toepassingsmogelijkheden voor 3D-foodprinting lijken eindeloos. Maar de kosten zijn nog hoog en ook zijn betere software- en voedselveiligheidssystemen nodig, zeggen kenners. Futuristisch of niet, de voedselprinter is aan een flinke opmars bezig. En zeg nou zelf: nooit meer te veel boodschappen doen en je gezonde maaltijd printen wanneer jou dat uitkomt, klinkt toch behoorlijk aantrekkelijk? Je spaargeld opofferen voor dat blinkende kookeiland in je nieuwe keuken om uitgebreid te koken voor familie en vrienden, was dus misschien helemaal niet nodig. Alhoewel, het is natuurlijk wel dé perfecte plek om straks je nieuwste aanwinst op te showen. Beeld: Peter van Trijen

Mascha Scharenborg Freelance journalist en redacteur van Vork Vork september 2020

31


Biologisch

‘Bankerfields’ natuurlijke

32 Vork september 2020


MILIEU

als het kan, chemisch als het moet

zorgen voor meer vijanden in gewas Bloeiende akkerranden zijn misschien goed voor het imago van de boer, maar volgens bioloog Guido Sterk zijn bankerfields veel effectiever voor het inzetten van natuurlijke vijanden. Het idee is dat die vijanden vanuit stroken in het perceel het gewas intrekken om bepaalde parasieten te bestrijden. Mascha Scharenborg sprak met Sterk en liet zich ook informeren over de veldproeven met deze vorm van geïntegreerde bestrijding die de coöperatie CZAV uitvoert in Zeeland en West-Brabant.

Bankerfields vormen een belangrijk onderdeel van geïntegreerde gewasbescherming; het combineren van verschillende methoden van plaagbestrijding met minimaal gebruik van synthetische middelen. Voordelen zijn minder of geen residuen van die middelen op groenten en fruit en een veel kleinere kans op resistentie bij plaagorganismen. Door het aanleggen van lange stroken ‘kweekhaarden’ krijgt de ontwikkeling van natuurlijke vijanden een stimulans. Het verschil met akkerranden is dat de voornaamste antagonisten in banVork september 2020 33


Door het aanleggen van lange stroken ‘kweekhaarden’ krijgt de ontwikkeling van natuurlijke vijanden een stimulans kerfields vaak bodemorganismen zijn, die ‘preventief’ werken, zoals bodemroofmijten en kortschildkevers. Die zijn te verkiezen boven ‘puinruimers’ uit de bloeiende akkerranden, zoals sluipwespen, gaasvliegen, roofwantsen en lieveheersbeestjes, want die worden aangetrokken door schade aan het gewas. OVERSTAP

Als onderzoeker bij het Belgische Proefcentrum voor de Fruitteelt was Sterk jarenlang betrokken bij de ontwikkeling van geïntegreerde bestrijding. Sinds 2010 heeft hij zijn eigen bedrijf, IPM Impact, waarbij IPM staat voor Integrated Pest Management. Sterk: „Het is nog erg nieuw wat we doen, ook al ben ik er al een aantal jaren mee bezig. Ik merk dat telers een drive nodig hebben om over te stappen op geïntegreerde gewasbescherming; ze moeten er duidelijk voordeel bij hebben. Dat is logisch. Er wordt natuurlijk voor zoveel mogelijk opbrengst van goede kwaliteit geteeld en niet voor zoveel mogelijk nuttige beestjes zoals veel mensen lijken te denken.” Sterk benadrukt dat het volledig vervangen van synthetische bestrijdingsmiddelen een utopie is. „We zullen altijd wel chemische bestrijding nodig hebben. Bankerfields in uien werken preventief én curatief op trips. Als er toch trips in het gewas wordt waargenomen, zeker in het begin van de teelt, grijp dan direct in met systemische middelen. Mijn insteek is: biologisch als het kan, chemisch als het moet. Chemie blijft nodig, al is het alleen maar om uitheemse nieuwe parasieten het hoofd te bieden. Denk bijvoorbeeld aan de suzuki-vlieg die sinds 2012 in Nederland en België zware schade aanricht in kleinfruit en in kersen, maar waartegen nog altijd geen biologische oplossing op de markt is.” HALF MILJOEN GAASVLIEGLARVEN

In zijn tijd bij het Proefcentrum voor de Fruitteelt in Sint-Truiden heeft Sterk zich intensief beziggehouden met de perenbladvlo, een van de lastigste insecten in de perenteelt. „We zijn toen meer met natuurlijke vijanden gaan werken, zoals de roofwants Anthocoris nemoralis. Later ben ik dit gaan uitbouwen, eerst naar de kasgroenten en boomkwekerijen, daarna naar de vollegrondsgroenteteelt zoals de bloemkool en aardappelen. Sinds 2010 heb ik mijn eigen bedrijf en daarmee hebben we in 2017 samen met Bayer en Agrifirm een efficiëntieproef aangelegd in Biddinghuizen. Daarbij hebben we alle in Nederland erkende middelen tegen uientrips ingezet in een uienperceel dat sterk was aangetast door trips.” 34 Vork september 2020


MILIEU

Een bankerfield van Oost-Indische kers, gericht op het kweken van bladluispredatoren

„We liepen tegen zware tripsschade aan in de uien waar bloemenranden waren aangelegd. Gedurende twee jaar hebben we daarom verschillende potentiële kandidaat-bankerplants getest, zoals phacelia (bijenbrood), komkommerkruid, haver, wikke, klaver en maïs. Wat we zagen was dat het aantal bespuitingen tegen trips terugliep van 15 tot 20 keer behandelen met breedwerkende middelen naar 1 of 2 keer met selectieve preparaten die nuttige organismen sparen. Soms werden zelfs tot een half miljoen gaasvlieglarven geteld per hectare uien; een fortuin aan biologische bestrijders. En het zijn niet eens de meest belangrijke voor het bestrijden van uientrips.” ZAAIUIEN

Dit jaar zijn er op zo’n 100 hectare akkerland bankerfields ingezaaid, onder andere in Limburg, Flevoland en in Noord-Holland. In Zeeland en West-Brabant loopt een grote proef waarin Guido Sterk samenwerkt met CZAV, een agrarische coöperatie in Zuid-Nederland, en het Amerikaanse bedrijf Corteva Agriscience. In het kader van het Europese project FABulous Farmers wordt geëxperimenteerd met bankerfields met phacelia in zaaiuien. Bram de Visser, verkoopleider akkerbouw bij CZAV, is enthousiast. „Voor plantuien zijn bankerfields met de groenbemester phacelia niet zo geschikt omdat plantuien veel eerder ontwikkelen dan de phacelia. Daardoor zijn er Vork september 2020 35


Verschillende stadia van de Thrips tabaci. De insect is een plaag in de uienteelt. De bankerfields in de uienteelt werken preventief én curatief op trips.

onvoldoende natuurlijke vijanden als de trips zich meldt. Zaaiuien komen later op en dan werkt het wel. Vooral de gaasvlieg en zweefvlieg worden regelmatig waargenomen, niet alleen in de bankerfields, maar ook in de uien.” Dat laatste, de verplaatsing van gaas- en zweefvliegen naar het gewas, kan nog beter door de bankerfields te maaien op het moment dat er voldoende natuurlijke vijanden aanwezig zijn. De Visser: „De komende jaren bekijken we wat het optimale moment is om te maaien. Het is nu nog te vroeg om te zeggen of het eerder maaien goed uitpakt voor de verplaatsing in de uien.” HOGE VERWACHTINGEN

Een andere uitdaging is om te zorgen dat de populatie natuurlijke vijanden voldoende is opgebouwd op het moment dat de trips toeslaat in uien. De bloemen moeten wel tijdig bloeien om effectief te zijn. De Visser: „Het is belangrijk om de bankerfields al vroeg in het voorjaar in te zaaien. Maar we gaan ook kijken of we de bankerfields wellicht al in het najaar kunnen inzaaien. Het probleem daarbij is vorst. Phacelia kan daar niet tegen dus dan zouden we een andere waardplant moeten gebruiken. Er is kortom, nog veel te onderzoeken.” De Visser heeft hoge verwachtingen over het inzetten van bankerfields door akkerbouwers. „Meerdere Zeeuwse uientelers hebben inmiddels bankerfields met phacelia ingezaaid. Dat laat zien dat ze behoefte hebben aan aanvullingen 36 Vork september 2020


MILIEU

(Vlnr) Er zijn een aantal ‘bankerfieldbloemen’ waaronder komkommerkruid (Borago officinalis), groenbemester phacelia en klaver.

op hun geïntegreerde bestrijding om trips beter onder de duim te houden. Ons doel is om met waardplanten meer natuurlijke vijanden te creëren, waardoor er minder inzet van chemie nodig is. Uiteraard moet de opbrengst van de gewassen op peil blijven. Rendement blijven telen is voorwaarde één, maar daarbij gaan chemische en natuurlijke bestrijding hand in hand.” Hoe dat in de toekomst uitpakt, blijft ongewis. De Visser verwacht dat onder andere ingezet gaat worden op het kweken van natuurlijke vijanden. „Daar zijn bedrijven voor, maar de vraag is natuurlijk welk kostenplaatje daar aanhangt. Belangrijk is ook dat goed gekeken wordt naar timing van de inzet van deze beestjes. Inzet van bankerfields kost sowieso al geld qua bruto oppervlakte, maar als bespuitingen niets uithalen, is dat ook duur.” AKKERRANDEN

Hoe mooi en gewaardeerd kleurrijke bloemrijke akkerranden ook zijn, voor gewasbescherming zijn ze een ramp, zegt Sterk met de nodige stelligheid. „Akkerranden zijn goed voor het imago van de boer, maar het duurt generaties voordat de natuurlijke bestrijders die erin vertoeven, de akker intrekken. Als ze dat al doen. Waarom zouden ze immers als daar niks te halen valt op gebied van stuifmeel of nectar? Aardappelen, maïs, graan, kolen, uien en prei zijn bijzonder weinig interessant voor de meeste nuttige organismen. Helaas wel

Bankerfields goed voor biodiversiteit Een bijkomend voordeel van bankerfields is dat ze bijdragen aan de biodiversiteit en het organische stofgehalte van de bodem. Door de bankerplanten na de teelt onder te werken, wordt het organisch stofgehalte in de bodem sterk vergroot. Dit leidt tot een toename van alternatieve prooien, zoals springstaarten en rouwmuglarven, die als vervangend voedsel kunnen dienen voor nuttige organismen als er geen plaagorganismen aanwezig zijn. Bioloog Guido Sterk: „Ook

tellen we soms wel 40 tot 50 bestuivers, met name hommels, honingbijen, solitaire bijen en zweefvliegen, en dagen nachtvlinders per vierkante meter. Deze enorme toename in biodiversiteit is natuurlijk mooi meegenomen, zeker voor mij als bioloog, maar uiteindelijk staat de gewasbescherming centraal.” Wat ook mooi is meegenomen zijn de positieve geluiden van wandelaars die uitleg komen vragen over percelen met hun bloeiende bankerfields.

Vork september 2020

37


Rendement blijven telen is voorwaarde één, maar daarbij gaan chemische en natuurlijke bestrijding hand in hand voor plagen. In bloemrijke akkerranden zijn wel veel goede insecten te vinden, maar die zijn meestal te laat om als natuurlijke bestrijder te kunnen functioneren. Bloemranden vormen bovendien een kweekhaard van plagen zoals uientrips. Verder trekken ze bestuivers en andere nuttige insecten juist uit het gewas.” Volgens Sterk kun je voor bankerfields het beste kiezen voor één of enkele gewassen die de natuurlijke vijanden aantrekken van de sleutelparasiet die je wil bestrijden. De gekozen planten mogen verder niet inheems zijn noch in staat zijn om onze winters te overleven. Op die manier vermijd je zaadbanken in de bodem en daarmee ook het overdadig gebruik van herbiciden in volgende jaren. Sterk: „Je kunt het vergelijken met het intensief gebruik van exotische biologische bestrijders in kassen. Ook in dit geval moet je verspreiding in de

In bloemrijke akkerranden, hier met onder meer wikke, zijn wel veel goede insecten te vinden, maar die zijn meestal te laat om als natuurlijke bestrijder te kunnen functioneren. 38 Vork september 2020


MILIEU natuur voorkomen door wetenschappelijk onderzoek vooraleer ze verkocht en gebruikt mogen worden.” Toch zijn bankerfields niet altijd het antwoord. Sterk: „In bieten is er een nultolerantie voor bladluizen omdat ze virussen overdragen. Met breedwerkende insecticiden kun je die wel voldoende bestrijden, maar de meeste hiervan draaien de biodiversiteit de nek om. Inmiddels zijn er ook selectieve en efficiente middelen op de markt die weinig toxisch zijn voor biologische antagonisten. Dat is de kaart die we moeten trekken in teelten zoals pootaardappen en bieten.” In uien, wortelen, eetaardappelen, koolsoorten, prei en granen ziet Sterk wel degelijk mogelijkheden voor geïntegreerde gewasbescherming met bankerfields, maar „inzet van selectieve middelen blijft de basis. We willen de schade voor zijn.” Volgens Sterk staan we nog maar aan het begin van de doorbraak van geïntegreerde gewasbescherming in de akkerbouw. Meer verdieping is wenselijk. „De bodemsamenstelling, de voorgeschiedenis, teeltmethoden en toepassing van andere middelen spelen een belangrijke rol bij het resultaat van geïntegreerde bestrijding. Daar gaan we de komende jaren mee aan de slag. Voorlopig ziet het er zeer veelbelovend uit.” Beeld: Proefboerderij Wijnandsrade, Guido Sterk, Pxhere, Pixabay

Mascha Scharenborg Freelance journalist en redacteur van Vork

Lees meer op Vork.org Minder landbouw leidt tot daling insecten Volgens Herwig Scholz, biologisch boer, is het verdwijnen van de veehouderij een oorzaak van de insectendaling.

Mijnheer Prikkebeen in de politiek Bloemrijke akkerranden en plaagbestrijding Meer natuur houdt plagen in toom, was jarenlang het idee. Soms zorgt meer natuur echter voor meer plagen.

70 wetenschappers uit 21 landen pleiten voor actie om de dreigende ineenstorting van het insectenrijk af te kondigen.

www.vork.org

Vork september 2020 39


Bedrijfscultuur slachthuis kan beter Begin dit jaar kwamen er weer beelden naar buiten van misstanden in slachterijen, zoals van varkens die levend in de broeiwaterbak terechtkwamen en verdronken. Meteen klonk de roep om meer regels en betere handhaving, maar is dat de oplossing? Vork-medewerker Lisa Dietz probeert te achterhalen wat de rol is van de bedrijfscultuur in slachthuizen. 40 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo

Iedereen gruwelt van de beelden en verhalen van horrorpraktijken in slachthuizen waarop dieren worden getrapt, geslagen of op andere wijze worden mishandeld. Hoe vreselijk ook, volgens Richard van der Kruijk, algemeen secretaris van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV), moeten we die in perspectief zien. „Per jaar verwerken de slachthuizen die lid zijn van COV zo’n 19,5 miljoen varkens en herkauwers. Op die aantallen doen we het eigenlijk heel goed. Maar elk foutje in onze sector heeft een grote impact. We liggen onder een maatschappelijk vergrootglas.” „Incidenten kunnen gebeuren, dat is inherent aan werken met mensen en dieren”, gaat Van der Kruijk verder. „We zijn afhankelijk van het gedrag van mensen. Als een medewerker ruzie heeft thuis, beïnvloedt dat die persoon. Ook de wil om te leven van een dier kan een rol spelen.” Volgens Frederieke Schouten, directeur van Varkens in Nood, gaan er echter structureel dingen mis; te vaak in ieder geval om van incidenten te spreken. De cijfers lijken haar gelijk te geven. Toezichthoudend orgaan NVWA publiceerde in 2018 cijfers over hun inspecties bij de 23 grootste roodvleesslachthuizen 1, waarin met percentages is aangegeven hoe goed deze slachthuizen scoren op het gebied van dierenwelzijn. De helft van de slachthuizen scoort op alle vlakken 100 procent, maar de andere helft laat in meer of mindere mate steken vallen. Die slachthuizen laten soms dieren te lang zonder water en voer zitten, drijven ze te hardhandig op, bedwelmen ze niet goed of controleren niet op tekenen van leven voordat ze de dieren verbloeden. Niet alle overtredingen worden werkelijk gerapporteerd, zo bleek uit een rapport uit 2019 over Vork september 2020 41


het functioneren van de NVWA 2. De gepubliceerde cijfers zijn waarschijnlijk een onderschatting van het werkelijke aantal overtredingen. BEDRIJFSCULTUUR

De vraag is of en zo ja in hoeverre de bedrijfscultuur in slachthuizen een rol zou kunnen spelen bij het nog steeds voorkomen van onnodig dierenleed in slachthuizen. Die bedrijfscultuur is al lang niet meer zo instrumenteel in de omgang met dieren als vaak nog wordt gedacht, legt Van der Kruijk uit. „Een slachterij anno 2020 is zich heel bewust van de maatschappelijke aandacht voor de vleessector wat betreft voedselveiligheid en dierenwelzijn. De directie is continu bezig met de bedrijfsfilosofie door het hele bedrijf heen te vertalen. De werknemers hebben duidelijke richtlijnen, worden geïnstrueerd en weten wat er van hen verwacht wordt. Daarin verschillen we niet van andere bedrijven.” Op andere vlakken verschillen slachthuizen wel van andere bedrijven. „Onze sector is qua imago niet de meest aantrekkelijke op de arbeidsmarkt,” vertelt Van der Kruijk. Daarom maken slachthuizen gebruik van Oost-Europese arbeidsmigranten om het werk te doen dat Nederlanders niet meer willen doen. Veel van hen werken er slechts voor een korte periode. Het resultaat is dat de werkploeg in een slachthuis relatief veel verloop kent en grotendeels bestaat uit werknemers van verschillende culturen die verschillende talen spreken. Dat maakt het lastig om de bedrijfscultuur te veranderen. EMPATHIE

Slachthuizen onderscheiden zich ook van andere bedrijven vanwege het fabrieksmatig doden van dieren. Schouten: „Werken in een slachthuis is bruut werk. Om het vol te houden moet je jezelf afstompen.” Die emotionele afstomping is onmiskenbaar op de beelden van slachthuis Westfort die actiegroep Ongehoord begin dit jaar deelde met RTL Nieuws. „Die beelden laten zien dat varkens ruw worden behandeld en op hun kop worden geslagen, terwijl een NVWA-arts erbij staat te kijken. Die rapporteert niet eens dat er nodeloos geweld plaatsvindt”, vertelt Schouten. Zowel in Nederland als in het buitenland is nog weinig onderzoek gedaan naar emotionele afstomping van slachthuismedewerkers. Een studie in Australië vond dat slachthuismedewerkers gemiddeld negatiever staan tegenover dieren dan gemiddeld 3. Schouten beaamt dat: „Mensen die echt van dieren houden, trekken het absoluut niet in een slachthuis. De mensen die er werken zijn vaak al minder in staat om empathie te voelen voor dieren.” Dezelfde studie liet zien dat slachthuismedewerkers ook in het algemeen agressiever zijn. Dit uitte zich ook in hun omgang met dieren op het werk. Omge-

Als medewerkers weten dat de camerabeelden extern worden bekeken, kom je uit die ons-kent-ons-cultuur 42 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo

Videobeeld over misstanden bij slachterij Westfort gemaakt door actiegroep Ongehoord.

keerd ondervinden slachthuismedewerkers zelf ook gevolgen van hun werk voor hun eigen welzijn. Een studie uit Zuid-Afrika toonde aan dat in deze groep arbeiders vaak psychologische trauma’s voorkomen 4. Het dagelijks geconfronteerd worden met geweld op het werk zou hieraan bijdragen. TRAINING

Om ondanks de uitdagingen van de sector het dierenwelzijn toch zo goed mogelijk te waarborgen, hebben de slachthuizen een aantal maatregelen genomen. Zo proberen ze bijvoorbeeld de meer ervaren werknemers op ‘kritieke’ posities te zetten: die plekken in de slachtlijn waar dierenwelzijn snel in het gedrang kan komen, zoals bij het fixeren, bedwelmen of verbloeden. Daarnaast volgen de werknemers die met levende dieren werken verplicht een training die het COV samen met de SVO vakopleiding food heeft gemaakt. Deze training Dierenwelzijn duurt een dag en wordt gegeven in het Nederlands 5. In het eerste deel van de slachtlijn waar nog met levende dieren wordt gewerkt, lopen zogeheten welfare officers rond die ervoor moeten zorgen dat het dierenwelzijn niet in het gedrang komt. Zij hebben een extra tweedaagse training gevolgd, in het Engels. De mate waarin deze trainingen aankomen bij de werknemers is onbekend. Zoals gezegd komt een deel van hen uit Oost-Europa en zullen ze het Nederlands of Engels niet altijd machtig zijn. Bovendien is een relatief groot deel van het slachthuispersoneel laaggeletterd. AANSPREKEN

De verhalen en beelden zoals die van de actiegroep Ongehoord bewijzen dat de maatregelen onvoldoende effectief zijn. Van der Kruijk van het COV is zich daarvan bewust. „De grootste uitdaging in iedere organisatie is om de bedrijfsfilosofie bij iedereen goed op het netvlies te krijgen. Dat moet een directie doen door voorbeeldgedrag, goede communicatie, heldere richtlijnen, veel erover praten en een sfeer creëren waarin mensen elkaar aanspreken. Maar gemiddeld Vork september 2020 43


De werkploeg in een slachthuis bestaat vaak uit werknemers van verschillende culturen.

vinden mensen het lastig om een ander aan te spreken op gedrag. Kijk bijvoorbeeld hoe terughoudend we tijdens de coronapandemie reageren als iemand te dichtbij komt. Anderen durven aanspreken op gedrag is echter wel cruciaal om maatregelen te laten werken. In Nederland zijn we daar nog relatief goed in vergeleken met sommige andere culturen. De diversiteit aan culturen in slachthuizen maakt het complex om die sociale controle goed te organiseren en borgen.” Volgens Van der Kruijk is een dergelijke ‘aanspreekcultuur’ wel het voornaamste vlak waarop slachthuizen nog verbetering kunnen boeken. Volgens Schouten van Varkens in Nood is er meer verbetering mogelijk in de bedrijfscultuur en mag de vertaling van de bedrijfsfilosofie naar de werknemers nog veel sterker. „De directie van een slachthuis moet zich er heel duidelijk over uitspreken dat dierenwelzijn belangrijk is en een zerotolerancebeleid doorvoeren. Als iemand op de camera een schokapparaat gebruikt, wat niet mag, dan moet de directie streng oordelen. Dat kan alleen als zijzelf het dierenwelzijn als prioriteit zien.” ONS KENT ONS

Strengere handhaving door de NVWA zou de beweging naar een ‘aanspreekcultuur’ verder kunnen ondersteunen, maar zoals eerder genoemd maken NVWA-dierenartsen niet altijd melding van overtredingen 2. „Als de NVWA te weinig ingrijpt, ontstaat een situatie waarin alles maar gewoon doorgaat,” vindt Schouten. Zij pleit er dan ook voor dat de NVWA onafhankelijker wordt in haar optreden en harder handhaaft. Momenteel hebben toezichthouders veelal een vaste standplaats in een slachthuis en sommigen staan al zo lang in een bepaald slachthuis dat ze zich er onderdeel van voelen. Zij handelen in het belang van het bedrijf, niet dat van het dier. Sommige jongere dierenartsen die wel in het belang van het dier willen handelen, ervaren intimidatie op de werkvloer 2. Schouten denkt dat deze problemen opgelost kunnen worden door dierenartsen meer te laten rouleren langs verschillende slachthuizen en door ze met 44 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo zijn tweeën te laten inspecteren. Daarbij vindt ze dat straffen strenger moeten worden. „De overheid mag dierenleed dat voorkomen had kunnen worden, zoals varkens die levend in de broeibak terechtkomen, absoluut niet accepteren.” Verder zou Schouten graag zien dat cameratoezicht – dat nu nog vrijwillig is – vanuit de overheid verplicht wordt gesteld en dat camerabeelden het slachthuis ook verlaten. „Als medewerkers weten dat de beelden extern worden bekeken, kom je uit die ons-kent-ons-cultuur.” TROTS

Om nog een verbeterstap te zetten op het gebied van dierenwelzijn, is het COV samen met Wageningen Universiteit een onderzoek gestart. Samen proberen zij tot een eenduidig basisprotocol ‘dierenwelzijn’ te komen voor de kritieke plekken in het slachthuis, om nieuwe incidenten te voorkomen. Van der Kruijk: „Sommige slachthuizen hebben maatregelen beter opgepakt dan andere. Door best practices van elkaar over te nemen, hopen we een situatie te bereiken waarin we incidenten kunnen voorkomen.” Het resultaat van het onderzoek wordt eind dit jaar verwacht. Overigens betwijfelt Van der Kruijk dat er grote veranderingen uit het onderzoek zullen komen. „Het laatste verbeterstapje zit in de cultuur, het gedrag en de permanente naleving van afspraken. Maar eigenlijk is die cultuur er al. Misschien kan het nog iets beter met nog meer aandacht, transparantie, interactie en opleiding.” Schouten is dat niet met hem eens en denkt dat op deze vlakken juist wel grote veranderingen mogelijk en nodig zijn. „Het zou goed zijn als die dierenwelzijnstrainingen herhaald worden in plaats van eenmalig aangeboden, en als er discussies over worden gevoerd met de werknemers. De NVWA doet dat bijvoorbeeld ook met zijn inspecteurs zodat iedereen op één lijn zit.” Van der Kruijk: „Als de directie van een slachthuis daar niet lacherig over doet, het serieus neemt en er tijd voor vrijmaakt, dán krijg je langzaam een andere bedrijfscultuur. Ja dan kan het zelfs gebeuren dat de werknemers trots uit hun werk halen. Dat is wat je wilt, dat mensen het idee hebben ‘de dieren worden hier geslacht, maar het is aan ons om dat op een zo waardig mogelijke manier te doen’.” Beeld: Vion, Ongehoord

Lisa Dietz Studeerde diergeneeskunde en schrijft over dier & biologie

BRONNEN 1.

NVWA Naleefmonitor. https://www. nvwa.nl/onderwerpen/inspectieresultaten-kleine-en-middelgrote-roodvlees-slachthuizen

2. Ministerie LNV. Feitenonderzoek toezichtsketen en tekortkomingen hierin kleine- en middelgrote slachthuizen

Noord-Nederland 3. Society & Animals (2013) 21:395-413 4. Int J Qualitative Stud Health Wellbeing (2016) 11:30266 5. SVO Vakopleiding Food. www.svo.nl

Vork september 2020 45


N

a de rellen in de Schilderswijk en de moord op de onschuldige Bas van Wijk in Amsterdam, riep Eva Vlaardingerbroek in een column in Elsevier op tot law & order. Het kon zo niet langer, alle taboes moeten van tafel om hier een eind aan te maken, vooral natuurlijk de taboes over cultuur, ras en religie. Het is tijd voor hard optreden want Nederland is terechtgekomen in een geweldsspiraal door al dat slappe pappen en nathouden. Klinkt redelijk. Behalve: er klopt niks van als je naar de cijfers kijkt. Nederland is de afgelopen decennia alleen maar veiliger geworden. Het aantal moorden daalt, net als het aantal misdrijven en het aantal verdachten. Onder alle leeftijden en alle etniciteiten is de daling zichtbaar. Nederlanders, nieuw en oud, lopen steeds netter in de pas. Of zijn we de krakersrellen en de nozems vergeten?

Hidde Boersma Freelance wetenschapsjournalist en documentairemaker

46 Vork september 2020

Zo’n verwrongen beeld van de werkelijkheid zie ik niet alleen bij het onderwerp geweld en veiligheid. Wijlen rockster statisticus Hans Rosling maakte er zijn werk van: mensen van hun vooroordelen afhelpen door hen te vertellen hoe de wereld er echt voorstaat. Zijn favoriet was armoede: als je westerse mensen vroeg of de armoede de afgelopen dertig jaar gedaald, gestegen of gelijk gebleven was, koos een ruime meerderheid voor een van de laatste twee antwoorden.


COLUMN

Terwijl in werkelijkheid de helft minder mensen arm zijn. De onwetendheid over de vooruitgang die de wereld doormaakt, is ook sterk zichtbaar in het Nederlandse landbouwdebat. Vraag of de landbouw nu intensiever is dan veertig jaar geleden en het antwoord zal bevestigend zijn. Niets is minder waar: de hoeveelheid kunstmest per hectare is gehalveerd, het bestrijdingsmiddelengebruik gedecimeerd en het aantal koeien lag toen hoger dan nu. Slootjes zagen destijds groen van de algen door eutrofiĂŤring. Ook het areaal natuur is gestegen sinds 1980, ten koste van boerenland. Zulke onkunde over de staat van de wereld is niet onschuldig. Wie denkt dat de wereld de verkeerde kant op beweegt, wil het beleid radiaal de andere kant op bewegen. Dus law & order voor misdaad, en minder handel, globalisering en intensivering als het gaat om armoede en honger. En, zoals de Europese New Green Deal laat zien, een andere landbouwvorm omdat de huidige stuk zou zijn. Dat zit er achter de wens om het areaal biologische landbouw te laten stijgen van 5 naar 25 procent.

Het valt niet mee de burger beter te informeren. Het is een gevecht tegen grootmachten. Goed nieuws is geen nieuws, en dus vertellen de media voornamelijk de ellende. Dat is zo langzamerhand de uitzondering in deze wereld, maar de kijker ziet het nog steeds als de norm. Daarnaast houden maatschappelijke organisaties, ngo’s, het beeld van een verslechterende planeet in stand. Want zonder ellende geen donateurs. Niettemin levert het milieu- en hulporganisaties ook een flink deksel op de neus: waarom geef ik zoveel als er niks lijkt te verbeteren? Het beste antiserum tegen een verkeerd wereldbeeld is Ourworldindata. Iedereen zou eens een uurtje moeten surfen op de site van het project van Max Roser van de Universiteit van Oxford. Ik geef een paar spoilers: het aantal mensen dat kan lezen en schrijven lag in 1900 op 21 procent, nu op 86. Het aantal kinderen dat sterft voor het vijfde levensjaar lag in 1900 op 36 procent, nu op vier procent. Meer dan de helft van de mensen leeft nu in een democratie, in 1900 was dat een op de tien. En, Eva, het aantal moorden in het Westen, ligt rond het laagste punt ooit. We zijn op goede weg.

Feitenkennis Vork september 2020 47


Hoewel het landelijk gebied veelvuldig op de schop is gegaan door ruilverkaveling, landinrichting, inpoldering en schaalvergroting, is het ook in dit geval onwaarschijnlijk dat de inrichting optimaal is.

Landelijk gebied opnieuw inkleuren We gaan niet erg efficiĂŤnt om met ons landelijk gebied, menen Pieter Winsemius en Rudy Rabbinge. De problemen die daarmee gepaard gaan, zoals milieuvervuiling en verschraling van de natuur en van de landschappelijke kwaliteit, lossen we niet op met pleisters plakken in de vorm van nog meer regels en richtlijnen. Volgens de auteurs moeten we de komende dertig jaar de kaart van Nederland opnieuw inkleuren. Een gedachtenexperiment: Neem de kaart van Nederland en kleur al het landelijk gebied grijs. Met de dobbelsteen bepalen we vervolgens waar we welke maatschappelijke functies gaan vervullen, uiteenlopend van akkerbouw en veehouderij tot natuur en recreatie. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijke benadering tot een optimale invulling leidt van het landelijk gebied. Diezelfde grijze kaart kunnen we inkleuren met de huidige, historisch bepaalde functies, bijvoorbeeld roze voor landbouw en groenig voor natuur. Hoewel het landelijk gebied veelvuldig op de schop is gegaan door ruilverkaveling, landinrichting, inpoldering en schaalvergroting, is het ook in dit 48 Vork september 2020


LANDBOUW

geval onwaarschijnlijk dat de inrichting optimaal is. Nog los van het feit dat zowel het ‘roze’ als het ‘groenige’ gebied wordt besmet met maatschappelijke nevenactiviteiten en spelregels die een optimale landbouw of een optimale ecologische kwaliteit in de weg zitten. GEEN BLAUWDRUK

Bij wijze van vingeroefening – dus geen blauwdruk – willen we laten zien hoe we efficiënter om kunnen gaan met de beperkte ruimte en de vele functies in het landelijk gebied. Ons uitgangspunt is een inkleuring waarbij de meest productieve landbouwgebieden rood zijn gekleurd op grond van bodem en ecologische karakteristieken, de meest uitdagende multifunctionele gebieden oranje en de meest hoogwaardige natuurgebieden groen. Het rode gebied levert de hoogste economische meerwaarde in de vorm van landbouwproducten. Het oranje gebied biedt met zijn afwisseling de meeste maatschappelijke belevingswaarde. Het groene gebied zorgt voor opwaardering van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN; voorheen EHS) en waarborgt zo de gewenste ecologische waarden. Voor onze vingeroefening maken we een onderscheid tussen akkers en weiden (zie kaders). In beide gevallen wordt de helft van het huidige areaal roodgekleurd, dat wil zeggen bestemd voor hoogproductieve landbouw. De andere helft wordt voor een deel multifunctioneel ingevuld – oranje gekleurd – met een ‘brede’ extensieve landbouw als basis. Het resterende deel fungeert als overloopgebied voor woningbouw en recreatie, maar vooral ook voor natuur. Vork september 2020 49


Bij wijze van vingeroefening willen we laten zien hoe we efficiënter om kunnen gaan met de beperkte ruimte en de vele functies in het landelijk gebied

Akkerbouwers en veehouders in de rode gebieden kunnen optimaal concurreren op de wereldmarkt, maar zullen gebonden zijn aan strenge milieuregels (Best Ecological Means). Hun veel hogere productiviteit resulteert in een aanmerkelijke betere benutting van nutriënten en een effectievere gewasbescherming waardoor de milieubelasting sterk afneemt. Ook de lagere veedichtheid en de extensieve akkerbouw in de oranje gebieden zorgen voor een aanmerkelijk lagere emissie van nutriënten en bestrijdingsmiddelen. HERVERKAVELING

De voorgestelde plattelandsvernieuwing vereist een grootschalige herverkaveling waarbij boeren over een lange periode – dertig jaar – met hun voeten gaan stemmen. Kiezen zij voor een ‘rode’ bedrijfsvoering op daarvoor geschikte gronden, waarbij ze hun inkomen uit de markt halen of opteren ze voor vestiging in het oranje gebied, dat minder landbouwkundige potenties heeft? Met name in het laatste geval moet een nieuw verdienmodel hen een wenkend perspectief bieden. Dat kan op verschillende manieren. Als landbouwgrond een andere bestemming krijgt, voor bijvoorbeeld woningbouw, kun je een deel van de overwinsten van verkopende agrariërs en van projectontwikkelaars afromen en bestemmen voor de inrichting van het oranje gebied. Daarnaast kunnen boeren worden beloond door middel van lagere waterschapslasten en hogere vergoedingen voor zwaar agrarisch beheer voor hun bijdrage aan natuurwaarden, waterberging en het tegengaan van verdroging en verzakking. Verder maakt de aankomende Wet ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven het mogelijk dat producenten en retailers prijsafspraken maken op voorwaarde dat de producten een duidelijke meerwaarde hebben op het gebied van duurzaamheid. Een rekenvoorbeeld illustreert dat een aantrekkelijk verdienmodel denkbaar is, zowel voor de melkveehouder als voor de akkerbouwer in het oranje gebied. Op een gemiddeld melkveebedrijf van 70 hectare vertaalt een halvering van de waterschapslasten (nu ca. € 100 per ha) zich in € 3.500 lagere kosten 50 Vork september 2020


LANDBOUW

Het kabinetsvoorstel voor stikstofreductie is onnodig duur en ook weinig effectief. Het richt zich op ‘technische’ maatregelen en – extreem dure – uitkoop van agrarische bedrijven.

en een hoger melkgeld van 2 cent per liter in extra inkomsten van ruim € 8.000. Indien een veehouder daarnaast kiest voor zwaar agrarisch beheer voegt een verhoging van de huidige vergoeding van ca. € 1.100 per ha – nu al voldoende om de lagere melkopbrengst ruwweg te compenseren – met € 100 per ha daar ruwweg € 7.000 aan toe. De herinrichting van het oranje akkerland is waarschijnlijk minder ingrijpend dan die van het weideland. Het gaat in deze gebieden vooral om het vergroten van zowel de toegankelijkheid als de aantrekkelijkheid ervan voor bezoekers en om het herstellen van de voorwaarden voor voldoende biodiversiteit met inbegrip van akkervogels. Die ingrepen leggen echter wel beperkingen op aan de akkerbouwers en dat vereist compensatie. Naar eerste schatting zou een beheersvergoeding van € 500 per ha kunnen volstaan. Met een oppervlak van 0,15 miljoen hectare oranje akkerbouwgebied is dus over een periode van dertig jaar een bedrag van circa 75 miljoen euro vereist. AFWEGING

De huidige inrichting van het landelijk gebied is sterk gericht op agrarische productie en bevestigt voortdurend een aantal misvattingen. Nederland is niet vol. Hooguit kunnen we spreken van een suboptimale benutting van ons landschappelijk areaal, gecombineerd met overproductie die het heiligverklaarde streven naar een ‘eerlijke prijs’ ondergraaft. Kringlooplandbouw biedt geen oplossing. De focus op het herbenutten van reststromen is weliswaar zinvol, maar laat de integrale bedrijfsvoering buiten beschouwing, met als waarschijnlijk resultaat een optimale eco-efficiëntie op de verkeerde Vork september 2020

51


Weidegebied Nederland beschikt over ongeveer 1,2 miljoen hectare weidegebied. In onze vingeroefening wordt dat areaal als volgt ingekleurd: ∞ Een ‘rood’ gebied van 0,6 miljoen hectare (waarvan ca. 0,1 miljoen voor maïsteelt) bestaande uit de meest geschikte gronden, die optimaal ingericht worden voor de hoogproductieve melkveehouderij. Met 2,5 koe per hectare en jaarlijks 10.000 liter melk per koe levert dat 12,5 miljard liter melk op en daarmee het overgrote deel van het huidige melkvolume van 15 miljard liter. ∞ Een ‘oranje’ gebied van 0,4 miljoen hectare fungeert als bufferzone rond steden en natuurgebieden en beschermt de open ruimte tegen verrommeling. Een ‘brede’ landbouw combi-

neert een extensieve melkveehouderij met andere functies, zoals weidevogelbeheer, zorg en recreatie. Met één koe per hectare en een jaarproductie van 6.000 liter levert dat ca. 2,5 miljard liter melk. Daarmee evenaart de totale melkproductie van het rode en oranje weidegebied het huidige volume. ∞ Een overloopgebied van 0,2 miljoen hectare dat voor een groot deel groen wordt gekleurd, maar voor een deel ook kan worden benut voor woningbouw of andere bestemmingen, zoals waterberging, energiewinning en CO2-opslag.

Akkerland Het huidige oppervlak bedraagt ca. 0,6 miljoen hectare, die we als volgt kunnen inkleuren: ∞ Een ‘rood’ gebied van 0,3 miljoen hectare, bestaande uit de meest geschikte gronden voor de hoogproductieve akkerbouw. Met optimale inzet van hulpmiddelen (precisieboeren; Best Ecological Means) kan de nu al hoge productiviteit met 50 procent worden verbeterd, terwijl tegelijk de omgevingsschade aanmerkelijk wordt ingeperkt. ∞ Een ‘oranje’ gebied van 0,2 miljoen hectare dat, net als het oranje weidegebied, fungeert als een rijkgeschakeerde, kwalitatief hoogwaardige

52 Vork september 2020

bufferzone. ‘Brede’ landbouw zal ook hier leiden tot een minder productieve akkerbouw, maar het is aannemelijk dat op nationaal niveau de hogere productiviteit in het rode gebied de lagere productiviteit in het oranje gebied zal compenseren. ∞ Een overloopgebied in de orde van 0,1 miljoen hectare dat grotendeels groen wordt gekleurd, maar voor een deel ook een andere bestemming kan krijgen, zoals woningbouw, recreatie en natuur of ‘nieuwe’ maatschappelijke functies.


LANDBOUW

Het is beangstigend hoe het fameuze Groene Hart de laatste decennia door lintbebouwing, misplaatste distributiecentra en glastuinbouw in hoge mate is volgeschimmeld.

plaats en op het verkeerde schaalniveau. Het kabinetsvoorstel voor stikstofreductie is onnodig duur en ook weinig effectief. Het richt zich op ‘technische’ maatregelen (stalinrichting, aangepast voer, ruimere weidegang) en – extreem dure – uitkoop van agrarische bedrijven in de naaste omgeving van Natura 2000-terreinen. Een gedifferentieerde maar structurele plattelandsvernieuwing biedt melkveehouders een aanmerkelijk beter toekomstperspectief, waarbij als neveneffect de stikstofuitstoot zowel in het rode gebied (door toepassing van Best Ecological Means) als in het oranje gebied (door een lagere veebezetting) verregaand wordt teruggebracht. DUIDELIJKE KEUZES

De door ons voorgestelde plattelandsvernieuwing is gebaseerd op duidelijke keuzes voor de toekomst. De natuur krijgt ontplooiingskansen door het Nationaal Natuurnetwerk versneld af te ronden – vooral met natte deltanatuur – met hectares uit de overloopgebieden. Weide- en akkervogels en in het algemeen de biodiversiteit van het ‘oude’ cultuurlandschap krijgen kans op herstel in de oranje gebieden. Tegelijkertijd ontstaat er ruimte voor noodzakelijke ingrepen voor klimaat en waterberging. De voorgestelde herinrichting biedt ook ruimte voor het inpassen van hoogwaardige volkshuisvesting. Het is beangstigend hoe het fameuze Groene Hart de laatste decennia door lintbebouwing, misplaatste distributiecentra en Vork september 2020 53


Kiezen boeren voor ‘rode’ bedrijfsvoering op daarvoor geschikte gronden, of opteren ze voor vestiging in het oranje gebied, dat minder landbouwkundige potenties heeft?

glastuinbouw in hoge mate is volgeschimmeld. Een toekomstgerichte bouw vereist een zorgvuldige inpassing in het overloopgebied, waarbij woonkwaliteit en kwaliteit van het landschap hand in hand gaan. Het allerbelangrijkste is echter dat er weer beweging komt op het ‘oude land’. Die beweging, zo hebben de inpoldering van de IJsselmeerpolders en de daaropvolgende ruilverkaveling en landinrichting laten zien, is een basisvoorwaarde voor agrarische vernieuwing. De beweging is ook noodzakelijk voor natuurontwikkeling: een stilstaande sloot is misschien wel buitengewoon romantisch maar ook buitengewoon dood. De plattelandsvernieuwing biedt bovendien een handvat voor het tegengaan van krimp: een omgeving die ruimte laat voor vernieuwing, daagt mensen uit om een nieuwe kleur te geven aan hun leven. OMSTREDEN

De voorgestelde plattelandsvernieuwing is omstreden. Sceptici vrezen met name de concentratie van hoogproductieve landbouw in de rode gebieden. Hoogproductief staat echter niet gelijk aan intensief en/of grootschalig. De ‘rode’ melkveehouderij is nog steeds grondgebonden, de opschaling is van 2 naar 2,5 koe per hectare. De eisen voor het beschermen van mens, dier en milieu zijn hoog en op professionele bedrijven goed te handhaven, mede dankzij geavanceerde management- en stalsystemen. Dankzij precisieboeren wordt, zoals gezegd, de aanvoer van hulpstoffen gereduceerd terwijl de betere benutting leidt tot een drastische vermindering van de uitstoot. Daarnaast biedt precisieboeren de mogelijkheden om (pro54 Vork september 2020


LANDBOUW

Akkerbouwers en veehouders in de rode gebieden kunnen optimaal concurreren op de wereldmarkt, maar zullen gebonden zijn aan strenge milieuregels (Best Ecological Means).

ductie-)ecologische inzichten in praktijk te brengen bijvoorbeeld in de vorm van strokenteelt. Daardoor kan ook de ‘landschapspijn’ die gepaard gaat met monoculturen afnemen. Het ‘nieuwe boeren’ begint zich al op vele plaatsen af te tekenen. Ook beleidsmakers zien in dat zeker in veenweidegebieden de druk van de klassieke landbouw te veel schade met zich meebrengt. Het draagvlak onder burgers neemt toe, maar het is nu zaak om met tastbare voorbeelden de boodschap ferm uit te dragen. Burgers moeten ‘zien’ dat, net als bij de Ecologische Hoofdstructuur, het mogelijk is om een hoogproductieve ‘rode’ landbouw te combineren met een multifunctionele, extensieve ‘oranje’ landbouw en een veerkrachtig groen natuurnetwerk. Beeld: Bram Teeuwsen, Susan Rexwinkel, Ellen Meinen, Ruth van Schriek.

Pieter Winsemius Pieter Winsemius is – onder andere – voormalig minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu.

Rudy Rabbinge Rudy Rabbinge is onder andere emeritus universiteitshoogleraar WUR Duurzame Ontwikkelingen Voedselzekerheid.

Vork september 2020 55


Veevoer op tafel

A

l vanaf het begin van mijn carrière ben ik gefascineerd door het werken met plantaardige ingrediënten. Bij voorkeur werk ik met relatief onbekende ingrediënten zoals verse zeewieren, microalgen, waterlinzen, lupine, paddenstoelen en bonen. Het kwam dus heel goed uit dat ik vorig jaar benaderd werd door de boeren- en tuindersvereniging ZLTO voor hun project FoodLab Pulses, waarin de vraag centraal staat ‘Hoe krijgen we meer Nederlandse peulvruchten op ons bord?’. In FoodLab Pulses zijn vijf fooddesigners gekoppeld aan voedselbedrijven. Mijn studio werd gekoppeld aan Boon, een sympathiek bedrijf dat bekend is van de bonenburgers en andere boonproducten uit de supermarkt. We kozen voor veldbonen, vooral bekend als veevoer. 56 Vork september 2020

Waarom zouden we deze boon met veel plantaardige eiwitten aan het vee geven terwijl we die ook zelf kunnen eten? Snel werden we het erover eens dat de muffige veldboon een speelse, plantaardige identiteit verdient. Niet als vleesvervanger, maar als een van de peulvruchten. NIEUWE IDENTITEIT

Om een nieuwe identiteit te ontwikkelen, is het belangrijk om te weten waar de veldboon vandaan komt, tot welke familie hij behoort en wat zijn verleden is. Het begrip ‘veldbonen’ zorgt voor de nodige verwarring tussen de consument en producent en tussen ontwerper en teler. Als consument heb je waarschijnlijk nog nooit van veldbonen gehoord, maar waarschijnlijk wel van tuinbonen. Maar wie weet dat de populaire tuinboon het groene, bittere jong is van de veldboon?


Terwijl onder agrariërs veldbonen vooral bekendstaan als veevoeder. Wanneer we spreken over de verse tuinbonen dan praten we over veldbonen voor menselijke consumptie en als we het hebben over veevoeder dan hebben we het over de kleine en harde veldbonen, ook wel paardenbonen of duivenbonen genoemd. Die kleine veldbonen worden droog geoogst, terwijl tuinbonen juist vers van het veld komen. De verse tuinboon heeft aandacht genoeg en wordt in het seizoen veel gegeten. Daarom wil ik het vanaf nu hebben over de droge veldboon, die voornamelijk wordt gebruikt als veevoer. Voor de oorlog werden de veldbonen (droog) gebruikt voor het bakken van paardenbrood bestaande uit: paardenbonen, erwtenmeel en groenteresten speciaal voor het paard. Tijdens de oorlog kwam hetzelfde paardenbrood op het menu van de mens terecht. Niet omdat het zo smakelijk was, wel omdat het voedzaam was en de maag vulde. Na de oorlog verdween het paardenbrood dan ook snel van ons menu. PRODUCTINNOVATIE

Ten onrechte; er valt met de kleine, droge, onooglijke en ondergewaardeerde veldboon veel meer te doen. Daarbij komt fooddesign om de hoek kijken voor het leggen van nieuwe verbanden tussen verschillende disciplines: telers, voedselproducenten, chefs en creatieve disciplines. Hoe kun je het verhaal van de veldboon overbrengen door middel van een productinnovatie? Hoe kun je de veldboon toegankelijk maken voor een breder publiek? Door identiteit te geven aan de veldboon, en zijn ‘echte’ verhaal te vertellen. Inmiddels hebben we in onze studio meerdere experimenten gedaan met veldbonen. Met de boon zelf, de kiem, het bonenmeel en de bonenmelk tot aan de verwerking van de hullen, het restmateriaal.

DENKVOER Ons voedselsysteem is over de datum. In deze rubriek verwondert fooddesigner Katja Gruijters zich over vastgeroeste patronen en vanzelfsprekendheden binnen het voedselsysteem. Kan het ook anders? In deze aflevering: Hoe we van het veevoeder veldbonen lekkernijen kunnen maken.

Tijdens die experimenten is de Faba Factory ontstaan, een open innovatie-lab voor de ontwikkeling van nieuwe producten uit veldbonen zoals tofu, crackers, street food en bier. Een van de producten die we samen met Boon verder gaan ontwikkelen is tofu van veldbonen. Het wordt het symbool van de Faba Factory waarmee we veldbonen samen met andere partijen in de keten gaan populariseren als plantaardig product. Met als doel de veldboon in het zonnetje te zetten en meerwaarde te geven; van het veld direct op het bord! Plantaardig, duurzaam en lekker. Nieuwsgierig geworden naar de nieuwe identiteit van de veldbonentofu? Houd de website van studiokatjagruijters.nl en ZLTO. nl goed in de gaten. De resultaten worden (online) gepresenteerd op de Dutch Design Week 17-25 oktober 2020. Beeld: Jonas de Witte

Katja Gruijters Fooddesigner, oprichter van Feed Your Mind en docent Product Design aan Artez hogeschool Arnhem Vork september 2020

57


Rewilding

Op safari in Het Europese platteland loopt leeg en daardoor komen er miljoenen hectaren landbouwgrond vrij. Dat biedt kansen voor grootschalig herstel van de natuur. De vraag is alleen hoe? Gaan we natuurdoeltypen ontwikkelen en vaststellen welke doelsoorten in welk gebied aanwezig moeten zijn? Of laten we de natuur zijn gang gaan en zien we wel wat ervan komt? Critici zijn bang dat een doos van Pandora wordt geopend. De uitkomst van rewilding is onzeker en mist wetenschappelijke onderbouwing. Peter de Jaeger zocht uit of we binnenkort op safari kunnen in de Europese wildernis. 58 Vork september 2020


NATUUR

Europa Konikpaarden in Oekraïense Donaudelta

In plaats van de mens als hovenier wil de stichting Rewilding Europe de natuur zijn gang laten gaan. „Natuurlijke ecosystemen zijn niet afhankelijk van menselijk beheer. Door te maaien, kappen en branden werk je juist tégen de natuur. Om meer variatie te krijgen moet je niet ingrijpen maar natuurlijke processen de vrije loop laten. De natuur eigen keuzes laten maken. Dat doet ze gratis en voor niks, zonder subsidies. Huidig natuurbeheer is duur en teveel gericht op behoud van wat er is, zoals hooiland of heidelandschap. Dat is geen natuur, maar cultuur”, zegt Frans Schepers, directeur van de stichting Rewilding Europe. MEEBEWEGEN

We moeten meer meebewegen met de natuur; ons minder als cowboy gedragen en meer als indiaan. Minder proberen de natuur te overheersen en meer beseffen dat we er onderdeel van zijn. De Gelderse Poort is een schoolvoorbeeld van moderne natuurontwikkeling. Door stijging van het rivierwater, vanwege toenemende regenval, dreigden er geregeld overstromingen in het rivierengebied van Rijn en Waal. In plaats van hoge kosten te maken door dijken te verhogen, is eind vorige eeuw dat geld gebruikt om de uiterwaarden bij Nijmegen te verlagen en natuurlijker te maken. Vork september 2020 59


Natuurgericht toerisme in Millingerwaard (Gelderse Poort).

„Herstel van de natuur langs de rivieren, met overstromingsvlakten, vorming van rivierduinen, afwisselend bos, struweel en open plekken door begrazing, bracht enorm veel verrassingen”, zegt Schepers. „Vogelsoorten en vlinders kwamen terug en zelfs een uitgestorven libellensoort, de rivierrombout, heeft daar weer een populatie.” Mensen komen massaal naar dit natuurgebied om ervan te genieten. Natuurbeleving brengt een nieuwe economie op gang. Soortgelijke modellen past Rewilding Europe nu toe op grotere schaal in Europa. Inmiddels zijn er acht regio’s in Europa waar we op safari kunnen. Zoals in de Donaudelta in Roemenië. Daar worden landbouwpolders die nauwelijks gewas opleveren teruggegeven aan de natuur door ze om te vormen tot overstromingsgebieden. Hier kunnen vissen zich ongestoord voortplanten, viseters als pelikanen en otters profiteren van die visrijke wateren. Die omslag sluit aan bij de lokale economie, van oorsprong een visserijcultuur. De bewoners waren in de communistische tijd gedwongen landbouw te bedrijven. Nu kan de lokale gemeenschap de visserij weer oppakken. Het herstelde drasland biedt ook kansen voor ecotoerisme. Rewilding Europe helpt ook met de spontane terugkeer, actieve bijplaatsing of herintroductie van diersoorten die een ‘sleutelrol’ vervullen in deze ecosystemen. Dam- en edelherten worden uitgezet in Bulgarije. Daardoor is er meer prooi voor beren en wolven, en daarmee ook voor aasetende gieren. De boeren staan achter dit project omdat de herten de aandacht van de grote roofdieren afleiden van hun kuddes schapen en geiten. Zij beginnen er een bed and breakfast voor mensen die gieren en wolven komen spotten. GROOTSCHALIGE NATUUR

Verwildering is gebaat bij grootschaligheid, maar Rewilding Europe koopt nauwelijks grond aan. „Grond is erg duur en het duurt lang voor je schaal van betekenis hebt”, zegt Schepers. „Daarom werken we samen met lokale organi60 Vork september 2020


NATUUR leaf saties en beheerders die beheers-, jacht- of graasrechten hebben. Via dat soort zeggenschap is schaal wel mogelijk en zijn grote aaneengesloten gebieden met wilde natuur te creëren.” Veel van die gebieden ontstaan door de aanleg van corridors die natuurgebieden met elkaar verbinden. Mooi voorbeeld is het Abruzzo nationaal natuurpark in de Italiaanse Apennijnen. Daar leeft een kleine populatie van de Marsicaanse beer, een zeldzame vorm van bruine beer. „Die zit daar beetje opgesloten. Door de verbinding met andere parken vergroot dat dier zijn leefgebied. De eerste beren zijn al overgestoken naar een ander park en hebben daar jongen gekregen”, zegt Schepers. Een belangrijk onderdeel van natuurherstel is ook het wegnemen van tienduizenden ongebruikte dammen die rivieren en beken belemmeren in hun natuurlijk gedrag. Ook het opnieuw laten slingeren is gunstig, omdat daardoor moerasoevers ontstaan die water kunnen vasthouden. Schepers: „In de Schotse Hooglanden zijn de hellingen kaalgevreten door schapen. Het regenwater gutst ongehinderd naar beneden en veroorzaakt overstromingen. Door die schapen weg te laten, bossen terug te laten keren en de rivierloop te herstellen, wordt het water afgeremd en houden de bewoners benedenstrooms droge voeten.” Natuurherstel en klimaatagenda zijn twee kanten van dezelfde medaille, aldus Schepers. Met natuurgerichte oplossingen help je zowel de biodiversiteit als het klimaat. Dat is dankzij lobbyen van Rewilding Europe en andere natuurorganisaties doorgedrongen tot de Europese Commissie, die in mei kwam met de nieuwe Biodiversiteitsstrategie 2030. Belangrijk onderdeel daarvan is voltooiing en uitbreiding van het Natura 2000-netwerk, een aaneenschakeling van Europese natuurgebieden. Schepers: „Herstel van de Europese natuur kan flink bijdragen aan de oplossing van het klimaatprobleem. Technische oplossingen, zoals opslag van CO2 in de bodem, kosten klauwen met geld. Laat liever de natuur haar werk doen.

Enkele processen die het landschap vormen o Spontane regeneratie van bossen o Overstroming van riviervlaktes met afzetting van zand, grind en klei o Erosie van land o Onderlopen en weer droogvallen van kwelders o Natuurlijke kustafslag o Afsterven van bomen, dood hout als nestelplaats voor insecten o Gevarieerde jaarrond begrazing door kleine en grote grazers o Natuurlijke verandering van populaties van diersoorten

o Gedragsverandering van prooidieren door aanwezigheid roofdieren o Dode dieren als voedsel voor aaseters o Sociaal kuddegedrag bij grote hoefdieren o Ziektes en plagen, en natuurlijke mechanismen die dat tegengaan o Natuurbranden die zorgen voor verjonging o IJs van bevroren rivieren die bomen omvertrekken o Extreme weersomstandigheden

Vork september 2020 61


Marsicaanse beer in Abruzzo park Italië

Niet door bomen te planten, maar door regeneratie van bossen, graslanden, kustgebieden en vooral venen.” Venen leggen meer CO2 vast dan tropische regenwouden en bevatten wereldwijd 450 gigaton; 60 procent van alle CO2 in de atmosfeer. Voor de landbouw wordt het grondwaterpeil verlaagd en de venen ontwaterd, zodat boeren met hun trekker niet wegzakken in zompige grond. Maar door de ontwatering ontsnapt alleen al in Nederland jaarlijks ruim 30 ton CO2 per hectare. Elders, zoals in Duitsland en Finland, wordt nog steeds op grote schaal turf gestoken om onze tuinen te bemesten. „Als je die venen gaat herstellen en onder water zet, komt er geen CO2 meer vrij. Dat is de snelste en goedkoopste maatregel met het grootste klimaateffect.” LOSLATEN

Rewilding is een nieuwe techniek van natuurherstel die botst met het huidig natuurbeheer, dat vooraf vastgestelde doeltypen en doelsoorten wil realiseren. Loslaten van deze controle door de mens is spannend. Critici voeren aan dat de uitkomst voor het ecosysteem niet te voorspellen valt wanneer je de natuur op zijn beloop laat. Zo werd in een artikel in Current Biology door Engelse en Deense ecologen gesproken over openen van de doos van Pandora wanneer je niet ingrijpt in de autonome natuurontwikkeling. Schepers: „Rewilding geeft een zekere onvoorspelbaarheid; de natuur is nu eenmaal dynamisch en dat is precies waar meer aandacht voor nodig is. Veel ecologen zijn het vertrouwen kwijtgeraakt in de natuur en durven alleen iets te doen wat vooraf wetenschappelijk is aangetoond. Dat zegt meer over die ecologen dan over de natuur. Wij zijn bezig met een herontdekkingstocht van hoe de natuur werkt. Al doende leren we.” Liesbeth Bakker, de kersvers benoemde hoogleraar rewilding ecology aan de Wageningen Universiteit, erkent dat er over deze nieuwe benadering weinig 62 Vork september 2020


NATUUR leaf bekend is in de wetenschap. „De wetenschappelijke literatuur wordt gedomineerd door opiniestukken. Er wordt nog weinig gemeten. Rewilding is nog niet aan getallen opgehangen. Daar beoog ik met deze leerstoel verandering in te brengen.” Dat doet zij door natuurontwikkelingsprojecten, samen met Europese collega’s, jarenlang te monitoren. Maar er zijn vaak ook getallen weggestopt in rapporten van natuurorganisaties die niet doordringen tot de wetenschappelijke hoek. Bakker probeert die gegevens boven tafel te halen. Daarnaast wil zij onderzoeken waarom biodiversiteit stijgt in het Nederlands rivierengebied sinds de natuurontwikkeling, terwijl elders in Nederland en wereldwijd die juist afneemt. Wat zijn de achterliggende mechanismen? „Als we weten hoe het werkt, kan die kennis worden ingezet voor natuurherstel”, zegt zij. Zo kijkt ze op de Planken Wambuis (op de Veluwe) naar het effect van door wilde zwijnen omgewoelde grond. Die zwijnen maken kuilen en kale plekken in het grasland die vervolgens welkome leefgebieden worden voor zandbijen en pionierplanten die van droogte houden. BEGRAZING

Een andere studie betreft het verschil tussen intensieve en extensieve begrazing. Bakker: „Niet alleen het effect op de biodiversiteit, maar vooral ook voor brandveiligheid. Het lijkt erop dat de kans op brand kleiner is wanneer het landschap deels open wordt gehouden door runderen of paarden. In Nederlandse uiterwaarden ontstaat door begrazing een open landschap waardoor het overtollig rivierwater veilig kan worden afgevoerd en tijdelijk opgeslagen in nieuw gecreëerde overstromingsvlakten.” Rewilding heeft zelfs in Nederland volop kansen, meent Bakker. Ons land is opgedeeld in zee, zoet water en land, strikt van elkaar gescheiden door dijken en dammen. Verbindingszones ontbreken nagenoeg. Door natuurontwikkeling kan dit deels worden opgeheven, zoals bijvoorbeeld door de aanleg van de Marker Wadden binnen het volledig bedijkte Markermeer. Die overgang tussen land en water is een moeraszone vol waterplanten en een paaigebied voor vissen. Land-waterbindingen geven nieuwe natuur. Van oorsprong is ons land een groot estuarium waar vissoorten leefden die afhankelijk zijn van verbindingen tussen land en water, van zoet en zout. Nederland was ooit een hotspot in de wereld voor trekkende vissen als paling en zalm. Die potentie is er nog steeds. Vissen willen wel migreren maar vinden dammen en dijken op hun weg. Daar valt nog veel te winnen, meent Bakker. „Met onze watermanagementvaardigheden moet toch een veilige verbinding te maken zijn met de zee. De Haringvlietdam die op een kier is gezet, is daar een mooi voorbeeld van. Als je de ruimte creëert maken de vissen daar dankbaar gebruik van. In zulk soort land-water- en zoet-zoutverbindingen zie ik echt veel toekomst.” Beeld: Andrey Nekrasov, Rewilding Europe

Peter de Jaeger Freelance journalist

Vork september 2020 63


E

r is iets geks aan de hand. Ondanks dat het voor ons allemaal goed is om wat gezonder te gaan eten, wordt gezond eten nog steeds gezien als iets geks, extreems en vooral iets ongezelligs. Dat gezonde imago is iets waar je je keihard tegen af moet zetten met foto’s van gigantische porties friet op social media en minachtend commentaar op diegenen die van thuis een salade als lunch meebrengen naar de kantine.

Liesbeth Smit Liesbeth Smit is voedingswetenschapper en hoort bij online food collectief I’m a Foodie (iamafoodie.nl). Ze schreef ‘Eet als een Expert’ en is oprichter van het wetenschapscommunicatiebureau The Online Scientist (theonlinescientist.com).

64 Vork september 2020

Je zult maar worden gezien als een van die ongezellige gezonde mensen. Mensen die door hun leefstijl wel heel oud worden, maar vast ook heel erg ongelukkig. Hoe leuk kan een leven zijn waarin je volkorenbrood en broccoli eet, het koekje bij de koffie afslaat, en in de kroeg zielig aan een tafeltje een alcoholvrij biertje drinkt terwijl de rest ladderzat en diepgelukkig op de tafels danst? Nou, ik heb zo’n leven. Ik eet al zo’n twintig jaar gezond. Niet om zieltjes te winnen, te pochen of te overtuigen. Nee, gewoon, omdat het goed is voor mijn lichaam en geest. Ik wist niet dat je ‘te goed’ kon zijn in je keuzes voor een gezonde leefstijl. Zo perfect dat je de frustratie van anderen over je afroept. Zo schreef Asha ten Broeke in een Volkskrant-column genaamd ‘Eten als zonde’ dat het mensbeeld van mensen die pleiten voor gezonde voeding zo mechanistisch is. Gezond eten zou volgens haar vreugdeloos zijn. Hoe anders is mijn perceptie van mijn eetgedrag. Ik eet elke dag wat ik het allerlekkerste vind.


COLUMN

Dat is ook altijd een gezonde keuze. Ik vind het namelijk niet lekker om iets te eten waarvan ik weet dat het mijn risico op darmkanker (bewerkt vlees), overgewicht (frisdrank) of hart- en vaatziekten (roomboter) verhoogt. Ik ‘geniet’ niet van een diepvriespizza na een lange dag werken. En het is voor mij geen feest om een bak Ben & Jerry’s ijs leeg te eten. Want dat is het algemene idee. Dat iedereen de hele tijd tegennatuurlijk bezig is als hij of zij gezonde keuzes maakt. Dat iedereen het liefst fastfood naar binnen propt (want: feestelijk), en iedereen een hekel heeft aan spruitjes (want: gezond en dus vies). En dat het een ultieme verwennerij is om, zoals Asha schrijft, patat te eten omdat het doet denken aan betere tijden, pannenkoeken om te troosten en pizza omdat het bevrijdend is om de controle los te laten. Ik dacht heel lang dat het aan mij lag. Ik ging bijna denken dat ik echt gelukkiger zou worden als ik minder gezond ging eten. Dus probeerde ik het. Ik at wel het koekje bij de thee, nam een slokje rode wijn, en warmde zelfs voor het eerst in mijn leven een diepvriespizza op – tot grote vreugde van mijn

vriend. Maar het beloofde effect bleef uit. Ik werd niet gelukkiger of gezelliger, en voelde me niet getroost of bevrijd. Wat blijkt: er bestaan gewoon mensen zoals ik voor wie het geen moeite kost om genoeg groenten te eten. Die zonder mopperen koek, snoep en snacks laten staan en hummus-dip lekker en feestelijk vinden. Die zonder een gevoel van beperking elke dag opnieuw gewoon eten wat goed is voor hun lijf. En zich daarbij kiplekker voelen – én gelukkig zijn. Maar dit soort ultragezonde mensen zijn er blijkbaar niet veel, als ik alle verbaasde reacties op mijn eetgedrag mag geloven. Misschien zijn ze uitgestorven door al het health shaming dat ze dagelijks meemaken. Laten we het al die mensen die zo graag iets gezonder willen eten, niet nog lastiger maken door hun meegebrachte tupperware-bakje met gegrilde groenten belachelijk te maken en te doen alsof je alleen gelukkig wordt van pannenkoeken met spek. Straks denken ze nog echt dat het leven minder leuk is met broccoli en spruitjes.

Health shaming Vork september 2020 65


Ultrabewerkte hap eet te gemakkelijk weg Bewerken van voedsel is nuttig en nodig voor onder andere voedselveiligheid. Vanaf de uitvinding van het vuur en mogelijk ook daarvoor al, hebben mensen dat gedaan, maar de laatste pakweg tien jaar is het bewerken van voedsel in een ander daglicht komen te staan. De moderne mens met een overvloed aan lekker eten, zou dik worden van ultrabewerkt voedsel omdat het de eetsnelheid vergroot waardoor je meer calorieĂŤn binnenkrijgt dan goed voor je is. Vork-redacteur Michiel LĂświk zocht uit wat er wel en niet klopt aan deze redenering.

66 Vork september 2020


VOEDING

Vork september 2020 67


Volgens Richard Wrangham, hoogleraar biologische antropologie aan Harvard, kregen de voorouders van Homo sapiens vuur onder controle en konden daarmee lekkerder en beter verteerbaar voedsel bereiden. Dit leidde tot een groter lichaam, een kleinere mond met kleinere tanden, een korter maagdarmkanaal en grotere hersenen die dagelijks veel energie opeisen. Door hun evolutie zijn mensen afhankelijk geworden van bereid voedsel dat zachter is en minder lang gekauwd behoeft te worden. Wrangham heeft deze evolutionaire gang van zaken uitgebreid uit de doeken gedaan in zijn boek 'Koken – Over de oorsprong van de mens' 1. Zijn gedachtegang wordt volgens Jaap Seidell, hoogleraar Voeding & Gezondheid (VU Amsterdam), door niemand betwist: „Het bereiden van voedsel, zoals koken, bakken en snijden, doen mensen al honderdduizenden jaren. Het is nuttig en noodzakelijk en we zijn er afhankelijk van. Zonder bewerkt voedsel is ons moderne leven niet goed denkbaar. Het is goed voor de gezondheid en voedselveiligheid en gaat voedselverspilling tegen.” Tiny van Boekel, emeritus hoogleraar Levensmiddelentechnologie (WUR) vindt het ook een interessante theorie die verklaart waardoor mensen zich onderscheiden van dieren: „Bewerkte voedingsmiddelen hebben gunstige effecten op voedselveiligheid, duurzaamheid, voedingswaarde en houdbaarheid. Om de doelstellingen van voedselzekerheid en grondstoffengebruik (water en energiegebruik) te behalen, is bewerken van voedingsmiddelen nodig.” MISVERSTANDEN

De vraag is of (ultra)bewerkt voedsel zich tegen de mens kan keren. Een eenduidige definitie van ultrabewerkt voedsel (zie kadertekst) blijkt moeilijk te geven. Er zijn altijd uitzonderingen. Van Boekel heeft veel moeite met de definitie en terminologie van ultrabewerkt voedsel, omdat het door verkeerde associaties misverstanden oplevert over het nut van bewerken. Van Boekel: „Het is niet de weg die we op moeten gaan. Vleesvervangers en babyvoeding voldoen bijvoorbeeld ook aan de definitie. De Ierse hoogleraar Michael Gibney heeft in een artikel 2 laten zien dat de classificatie de afgelopen tien jaar zeven keer is veranderd. Vooral het criterium van maximaal vijf ingrediënten, waar ook toegestane additieven toe behoren, vind ik onzinnig. Thuis in de keuken kan ook ultrabewerkt voedsel ontstaan en daarbij staat iedereen te klappen en te juichen.” Seidell spreekt dat tegen: „Alleen fabrieksmatig geproduceerd voedsel kan de classificatie ultrabewerkt krijgen. Daarbij zouden additieven voor de houdbaarheid en veiligheid gebruikt kunnen worden. Pretstoffen voor de smaak en het gemak om de overconsumptie te bevorderen kunnen beter achterwege blijven. Stoffen erin wanneer het moet en eruit laten wanneer het kan.” Seidell vindt het lastig om onderscheid te maken tussen bewerkt en ultrabewerkt voedsel, al zijn er wel duidelijke voorbeelden: „Koekjes met jam (suiker met een kleur en een smaakje) is ultrabewerkt, terwijl de voedingswaarde van de jam en de koekjes niet te vergelijken is met het oorspronkelijke fruit en met 68 Vork september 2020


VOEDING

Niet zozeer de bewerking is het probleem, maar de ruime beschikbaarheid en marketing van producten met een slechtere samenstelling.

volkoren granen.” Zowel Seidell als Van Boekel zouden graag een alternatieve term zien, maar we moeten, aldus Seidell, „Niet in de semantiek blijven hangen.” EETSNELHEID

Makkelijk verteerbaar (ultrabewerkt) voedsel en vooral dranken kunnen mensen dik maken. Zowel Van Boekel als Seidell wijzen in dit kader naar de eetsnelheid en de verzadigende werking van voedingsmiddelen die mede bepalen hoeveel iemand eet en drinkt. Seidell: „Bewerkte voedingsmiddelen met

NOVA-classificatie In 2009 publiceerde de Braziliaan Carlos Augusto Monteiro een nieuw voedselclassificatie-systeem met de naam NOVA. Dit systeem is gebaseerd op de mate van bereiding en verdeelt het voedsel in vier categorieën: Groep 1. Onbewerkte of minimaal bewerkte voedingsmiddelen, zoals groente, fruit, vlees en vis Groep 2. Bewerkte kookingrediënten,

zoals zout, olijfolie en suiker; gebruikt om groep 1 te bereiden Groep 3. Bewerkte voedingsmiddelen voor een langere houdbaarheid en verbeterde smaak, zoals groente in blik, brood, bier en wijn Groep 4. Ultrabewerkte voedingsmiddelen: industriële formules met meestal meer dan vijf ingrediënten, zoals kant-en-klaarmaaltijden, chips, koekjes, frisdrank en pizza’s

Vork september 2020 69


Vervang geraffineerde graanproducten door volkorenproducten, beperk de consumptie van bewerkt vlees en drink zo min mogelijk suikerhoudende dranken

weinig vezels en voedingsstoffen en veel suiker, zout en toevoegingen zorgen ervoor dat mensen sneller eten, minder snel verzadigd raken en er daardoor meer van binnenkrijgen.” Van Boekel voegt eraan toe dat, „door langer te moeten kauwen, iemand minder energie binnenkrijgt.” Onderzoek van de WUR 3 heeft laten zien dat dranken meer energie per tijdseenheid leveren dan vaste voedingsmiddelen: bijvoorbeeld 420 kcal/min voor volle chocolademelk en 41 kcal/min voor een gekookt ei. Voedsel met een lage eetsnelheid heeft een vaste textuur, een hoge energiedichtheid en bevat weinig water. Deze kenmerken sluiten niet een-op-een aan bij de mate van bewerking, maar via de eetsnelheid kan ultrabewerkt voedsel wel voor gezondheidseffecten zorgen. GEZONDHEIDSEFFECTEN

De vraag is of en zo ja in hoeverre ultrabewerkt voedsel effect heeft op de gezondheid. Voor Seidell voldoet de bewijsvoering van de gezondheidseffecten van ultrabewerkt voedsel aan de criteria die de Gezondheidsraad daaraan stelt. Zowel observationeel (epidemiologisch) onderzoek als experimenteel onderzoek laten een vrij eenduidig verband zien tussen de mate van consumptie van ultrabewerkt voedsel en een verhoogd risico op chronische welvaartsziekten zoals type 2-diabetes, hart- en vaatziekten en vormen van kanker 4. Van Boekel is niet overtuigd: „Er zijn wel aanwijzingen voor gezondheidseffecten van ultrabewerkt voedsel, zoals de recente interventiestudie van Kevin Hall 5,6, maar bewezen is het nog niet. Ook het vertalen naar de dagelijkse praktijk is lastig. Uiteindelijk gaat het erom hoe mensen hun voedselpakket samenstellen. Als dat voornamelijk bestaat uit geraffineerde producten met 70 Vork september 2020


VOEDING

De afgelopen dertig jaar zijn producten buiten maar niet binnen de Schijf van Vijf veel goedkoper geworden wat leidde tot ongezondere keuzes, ook bij kinderen.

veel vet, zout en suiker, dan gaat het inderdaad mis. Maar dan zit het probleem vooral in verkeerde keuzes en minder in het bewerken op zich. Het is nog te vroeg om de balans over gezondheidseffecten op te maken.” VOEDINGSADVIEZEN

Vanwege de toename van overgewicht en obesitas adviseerde de Braziliaanse overheid al vanaf 2014 om ultrabewerkt voedsel te vermijden. Een paar jaar later volgden andere Zuid-Amerikaanse landen dat voorbeeld. In de Richtlijnen Goede Voeding van de Nederlandse Gezondheidsraad staat geen algemene uitspraak over ultrabewerkt voedsel. Wel wijst een aantal richtlijnen in die richting: vervang geraffineerde graanproducten door volkorenproducten, beperk de consumptie van bewerkt vlees en drink zo min mogelijk suikerhoudende dranken. Van Boekel: „Vanuit internationale voedingsdeskundigen is er druk om ultrabewerkt voedsel in de ban te doen, maar ik verwacht dat de Gezondheidsraad, die redelijk terughoudend en voorzichtig is, daar geen richtlijn voor opstelt ook omdat het vrij nieuw is en er nog onduidelijkheid bestaat.” Seidell: „De producten die we volgens de Gezondheidsraad moeten mijden en die niet binnen de Schijf van Vijf vallen, zijn bijna allemaal ultrabewerkt. Ze leveren zo’n 90 procent van de toegevoegde suikers en ook een groot deel van de consumptie van zout en van industriële transvetten.” SCHIJF VAN VIJF

De vraag is in hoeverre ultrabewerkt voedsel iets toe kan voegen aan de voorlichting. Volgens Van Boekel is de Schijf van Vijf een goede poging om tot een gebalanceerd voedingspatroon te komen. „De samenstelling van het product en Vork september 2020

71


Onderzoek van de WUR heeft laten zien dat dranken meer energie per tijdseenheid leveren dan vaste voedingsmiddelen.

de bijdrage ervan aan een gezonde voeding is veel belangrijker dan de bewerkingsgraad. Het wat oubollige adagium ‘Eet gevarieerd en met mate’ zou volgens mij de boodschap moeten zijn en daarin is ruimte voor alle productcategorieën.” Seidell: „Eet gevarieerd en met mate is een nietszeggende slogan omdat je ook matig en gevarieerd junkfood kunt eten. De slogan is alleen van toepassing voor producten binnen de Schijf van Vijf. Ultrabewerkte voedingsmiddelen met veel energie en zout en weinig voedingsstoffen vallen buiten de Schijf en die mogen volgens het Voedingscentrum alleen bij uitzondering (bijvoorbeeld één keer per week) geconsumeerd worden.” PREVENTIEAKKOORD

In het Nationaal Preventieakkoord tegen overgewicht neemt het herformuleren van voedingsmiddelen een centrale plaats in. Daardoor kan echter ultrabewerkt voedsel ontstaan. Volgens Seidell hoeft dat niet. „We moeten bij herformuleringen niet de huidige smaakbeleving als streefnorm nemen, maar mensen laten wennen aan bijvoorbeeld een minder zoute soep. Veel belangrijker is echter dat mensen meer producten binnen de Schijf van Vijf gaan eten. Nu nog bestaat zo’n 50-60 procent van de consumptie uit voedingsmiddelen buiten de Schijf van Vijf. Herformulering van die producten met minder zout en suiker kan nuttig zijn, maar het RIVM heeft al berekend dat de doelstellingen van het Preventieakkoord daar niet mee worden gerealiseerd.” Van Boekel ziet dat anders: „Herformuleringen zijn een prima insteek om voedingsmiddelen voedingskundig te verbeteren, alleen moet de focus daardoor niet bij afzonderlijke producten komen te liggen. Het gaat om het hele voedingspatroon. Voor herformuleringen zijn bewerkingen nodig, waaronder 72 Vork september 2020


VOEDING

toevoegingen, en dat kan leiden tot ultrabewerkt voedsel. Mensen moeten dat wel accepteren om het voordeel van een betere samenstelling te behalen.” DOORGESLAGEN

Van Boekel en Seidell zijn het er in grote lijnen over eens dat de ontwikkeling van ultrabewerkte voedingsmiddelen is doorgeslagen. Seidell: „Te veel producten zijn niet ontwikkeld voor de voedingswaarde, maar voor de lekkere trek, met veel vet, toegevoegde suikers en zout en weinig vezels en voedingsstoffen. Er is de afgelopen decennia te veel junkfood op de markt gekomen en supermarkten en andere verkooppunten staan er vol mee.” Van Boekel: „De productontwikkeling die weinig bijdraagt aan een goed voedingspatroon is te ver doorgeslagen, bijvoorbeeld het vergaand raffineren, het verwijderen van vezels en het toevoegen van te veel zout. Toch is niet zozeer de bewerking het probleem, maar de ruime beschikbaarheid en marketing van producten met een slechtere samenstelling. We kunnen niet omgaan met die enorme overvloed aan verleidelijke voedingsmiddelen in een dik makende omgeving.” Het is inderdaad genoegzaam bekend dat deze opgave voor velen te zwaar is. Van Boekel: „Om dat te veranderen moeten we de markteconomie anders organiseren en dat betekent opboksen tegen de gevestigde economische belangen van de intensieve landbouw en de export van landbouwgewassen.” Seidell voegt eraan toe: „De afgelopen dertig jaar zijn producten buiten maar niet binnen de Schijf van Vijf veel goedkoper geworden wat leidde tot ongezondere keuzes, ook bij kinderen. Om de consumptie van producten binnen de schijf te vergroten zal het aanbod en de marketing, bijvoorbeeld bij aanbiedingen, een andere toon moeten aanslaan.” Beeld: Istock, Voedingscentrum. Pixabay

Michiel Löwik Freelance wetenschapsjournalist en redacteur van Vork

BRONNEN 1.

Wrangham R. Koken – Over de oorsprong van de mens. Nieuw Amsterdam Uitgevers. Amsterdam, 2009

2. Gibney M.J. Ultra-Processed Foods: Definitions and Policy Issues. Current Developments in Nutrition, Volume 3, Issue 2, 2019, nzy077, https://doi. org/10.1093/cdn/nzy077 3. Van den Boer J. et al. The availability of slow and fast calories in the Dutch diet: The current situation and opportunities for intervention. Foods 2017,

6, 87; doi:10.3390/foods6100087 4. https://www.mdpi.com/20726643/12/7/1955/htm 5. Hall K.D., et al. Ultra-processed diets cause excess calorie intake and weight gain: An inpatient randomized controlled trial of ad libitum food intake. Cell Metab. 2019 Jul 2;30(1):67-77.e3. doi: 10.1016/j.cmet.2019.05.008. 6. Van Kasteren J. Fabrieksvoedsel maakt dik. https://www.vork.org/ nieuws/fabrieksvoedsel-maakt-dik/

Vork september 2020

73


74 Vork september 2020


MILIEU

Hout, het snelle goud?

Discussie biomassa blijkt rookgordijn Dat het gebruik van hout in meubels en huizen een goede manier is om CO2 langdurig op te slaan, daar zijn alle deskundigen het wel over eens. Anders is dat als het gaat om het gebruik van houtige biomassa voor het opwekken van warmte en elektriciteit. Freelance journalist Janneke Donkerlo doet een poging om door de bomen het bos nog te zien, maar stuit daarbij op een ander, veel fundamenteler probleem. Al enkele jaren wordt in Nederland heftig geageerd tegen biomassacentrales. De aanblik van kaalgekapte bossen en containers vol houtpellets doet menigeen huiveren. Intussen vliegen wetenschappers elkaar bijkans letterlijk in de haren over nut en schadelijkheid van houtige biomassa. Op basis van wat ik heb gelezen en heb gehoord van experts spelen er drie thema’s in deze discussie: Wordt de uitstoot van CO2 bij verbranden van houtige biomassa gecompenseerd door de opname ervan door herbebossing? Wat zijn de gevolgen van houtkap voor de biodiversiteit? En wat voor effect heeft het verbranden van hout op de luchtkwaliteit? In het Nederlandse energieakkoord is afgesproken dat in 2023 16 procent van de opgewekte energie hernieuwbaar moet zijn, en in 2050 bijna 100 procent. Tot voor kort zag de Nederlandse overheid biomassa als een duurzame mogelijkVork september 2020

75


Voor Nederlandse madurodambegrippen is het kappen van 0,5 ha bos inmiddels een doodzonde

heid om dat doel te bereiken; in ieder geval totdat andere energiebronnen efficiënter en meer betaalbaar zouden zijn. In 2017 werd daarom voor een periode van tien jaar 11,4 miljard euro subsidie vrijgemaakt voor energie uit biomassa. Het duurde niet lang voordat tegenstanders van zich lieten horen. Zij voerden aan dat bij het verbranden van houtige biomassa fors meer CO2 vrijkomt. Omdat hout een lage energiedichtheid heeft, is er meer nodig om 1 kilowattuur (kWh) elektriciteit te genereren, en dat zorgt voor meer CO2-uitstoot dan kolen en zelfs twee keer zoveel als gas. De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer zou dus juist toenemen in plaats van afnemen. Hoe kon men zo dom zijn? Het was al vijf over twaalf! TAK- EN TOPHOUT

Voorstanders van het gebruik van biomassa claimen daarentegen dat, voorafgaand aan de verbranding, een grote hoeveelheid CO2 door datzelfde omgehakte bos is vastgelegd. Na heraanplant wordt bovendien ook weer CO2 opgenomen, dit in tegenstelling tot fossiele brandstoffen die, eenmaal verbrand, nooit meer aangemaakt worden. Tegenstanders op hun beurt beweren dat complete bomen de verbrandingsoven ingaan. Waarop voorstanders stellen dat het in werkelijkheid vrijwel altijd gaat om het tak- en tophout. Dat lijkt ook logisch, aangezien zaaghout meer geld opbrengt dan pellets uit resthout (minstens het dubbele, soms zelfs het tienvoudige). Een boseigenaar zal dus nooit zomaar bomen kappen louter voor de productie van pellets. Het zuidoosten van de VS produceert ruim 300 miljoen kubieke meter stammen voor zaaghout en papier. Daarbij is de productie van pellets met 12 miljoen ton relatief gering ten opzichte van de totale houtproductie. Nooit kappen en het bos zijn gang laten gaan, is overigens ook geen oplossing voor het klimaatprobleem. Een volgroeid bos neemt per saldo geen CO2 meer op. Oude bomen sterven langzaam af, een proces waarbij CO2 vrijkomt. Zo’n bos is ‘in balans’. Bij duurzaam bosbeheer daarentegen neemt een bos juist meer CO2 op dan dat het uitstoot. 76 Vork september 2020


MILIEU

Nooit kappen en het bos zijn gang laten gaan, is geen oplossing voor het klimaatprobleem. Een volgroeid bos neemt per saldo geen CO2 meer op.

Maar zo eenvoudig is het nu ook weer niet, want de duur van heropname van CO2 is omstreden. Bij snoeihout uit plantsoenen is de uitgestoten CO2 na een jaar weer vastgelegd door hergroei. Bomen worden echter pas gekapt als ze groot genoeg zijn en dat kan 30 tot 100 jaar duren. Een eenvoudig rekensommetje volstaat dus niet om vast te stellen wanneer de koolstofschuld, die ontstaat door het verbranden van hout, is voldaan. ONTBOSSING EN BIODIVERSITEIT

Het tweede thema is biodiversiteit. Ooit was een groot deel van Nederland bedekt met bos, maar daar was begin 1900 nog maar 4 procent van over. Inmiddels is dat weer aangegroeid tot 11 procent en de groei zal de komende jaren doorgaan door een actief bebossingsbeleid. Bossen zijn niet alleen van waarde voor het klimaat, maar ook voor het tegengaan van erosie, het vasthouden van water en voor de onmisbare biodiversiteit. Wereldwijd neemt het bosareaal momenteel af. De FAO berekende dat er jaarlijks nog zo’n 10 miljoen ha verloren gaat. Ontbossing vindt vooral plaats in Brazilië en Indonesië. Daar worden bossen eenmalig gekapt voor hardhout en landbouw en veeteelt. In landen met actief bosbeleid neemt de hoeveelheid bos juist toe. In Europa kwam er tussen 1990 en 2010 ongeveer 11 miljoen hectare bos bij. In China werd tussen 2000 en 2005 jaarlijks 4 miljoen hectare bos aangeplant en daarmee behoort het land inmiddels tot de vijf bosrijkste landen ter wereld. Nederland zelf is geen bosbouwland, maar er wordt wel onderhoud gepleegd door onder meer Staatsbosbeheer. Voor Nederlandse madurodambegrippen Vork september 2020

77


Dat er enorme hoeveelheden pellets de ovens ingaan, zegt vooral iets over onze hoge energieconsumptie en de discussie over biomassa lijkt dat aspect te overschreeuwen.

is het kappen van 0,5 ha bos inmiddels een doodzonde. Hier en daar worden wel bomen gekapt (dat komt de gezondheid en veiligheid van een bos juist ten goede), maar dat is bij lange na niet voldoende. Niet voor meubels en houtbouw, maar ook niet voor de productie van pellets. Bijna al het hout voor de Nederlandse markt komt uit uitgestrekte bosbouwgebieden in Scandinavië, de Baltische staten, Canada en Noord-Amerika, maar ook België en Duitsland produceren zaaghout en pellets voor Nederland. Geïmporteerde pellets mogen alleen gemaakt worden van resthout uit gecertificeerde bossen. Dat dit systeem niet waterdicht is, blijkt uit het feit dat wetenschappers uit Estland, het land waar een fors deel van onze pellets vandaan komen, erop wijzen dat in 2017 en 2018 ruim 12 miljoen kubieke meter hout uit de Estlandse bossen verdween. Voor duurzaam gebruik is volgens hen 8,4 miljoen kuub echter het maximum. Tegenstanders van biomassa wijzen er bovendien op dat oerbossen belangrijk zijn als leefgebied van flora en fauna en dat ook rottend hout op de bodem onmisbaar is voor allerlei beestjes, planten en schimmels. Een duurzaam beheerd bos heeft inderdaad minder biodiversiteit dan een oerbos. Maar ook semi-natuurlijke productiebossen bieden leefruimte aan een grote variatie flora en fauna. Indien selectief gekapt dus. FIJNSTOF

Een derde argument van de tegenstanders van houtige biomassa – met name de burgers die in de buurt wonen van de circa 250 lokale biomassawarmtecentrales – is het vrijkomen van fijnstof. Te veel fijnstof kan schadelijk zijn 78 Vork september 2020


MILIEU

Energiebronnen 2018/2019 Energiebron totale energieverbruik (elektriciteit en warmte)

Geschatte hoeveelheid

Fossiele energie Hernieuwbare energie

91,2% Zonnepanelen

0,9%

Windmolens: - op land

1,3%

- op zee

0,6%

Aardwarmte en warmtepompen

0,6%

Biomassa: - biomassaketels bedrijven

1,0%

- bijstook kolencentrales

1,0%

- afvalcentrales

0,8%

- biogas

0,6%

- houtkachels en openhaarden

0,9%

- bio-olie

1,1%

Totaal hernieuwbare energie

8,8%

Totaal

100%

Bron: CBS en Energieopwek.nl

In 2020 zal het percentage hernieuwbare energie naar schatting 11 procent zijn.

voor mens en natuur. Ouderwetse open haarden en houtkachels veroorzaken inderdaad veel overlast. Deze verstoken naar schatting zo’n 100 miljoen kubieke meter hout per jaar en stoten 75 keer (!) meer fijnstof uit dan een moderne biomassaketel. Mensen zouden zich volgens de voorstanders van biomassa beter druk kunnen maken over de nabijgelegen verkeersaders, die 80 tot 90 procent van de luchtvervuiling veroorzaken. Iets dergelijks geldt ook voor de uitstoot van stikstof. De hele Nederlandse energiesector is verantwoordelijk voor minder dan een 0,5 procent van de totale stikstofuitstoot in Nederland. DRUPPEL OP GLOEIENDE PLAAT

De heftige discussie rond biomassa suggereert dat er heel wat op het spel staat. Biomassa zou goed zijn voor 60 procent van alle duurzame energie die in Nederland wordt geproduceerd. Maar wacht eens, waar hebben we het helemaal over? Nog geen 9 procent kwam in 2019 uit duurzame bronnen, dus 60 procent van 9 procent is peanuts ten opzichte van het totale verbruik (zie kader). Dat er enorme hoeveelheden pellets de ovens ingaan, zegt vooral iets over onze hoge energieconsumptie! Daarmee lijkt de ophef over biomassa het dilemma rond verduurzaming van onze energievoorziening te overschreeuwen. Waar het echt over zou moeten gaan, is hoe we in 2030 de CO2-uitstoot met bijna de helft kunnen verlagen ten opzichte van 1990 en in 2050 met bijna 100 procent zoals het Energieakkoord beoogt. Blijkbaar niet door middel van biomassa. De SER – het adviesorgaan van de overheid – adviseerde dit jaar om te stoppen met het subsidiëren van het gebruik van biomassa. Biomassa Vork september 2020 79


Bosbeheer op de Planken Wambuis. Het afvalhout van snoei- en uitdunningswerkzaamheden wordt gebruikt als biomassa voor energie.

is waardevol als grondstof voor de chemische industrie maar verbranden is zonde, aldus de SER. Geen houtige biomassa dus. Maar wat dan wel? Verschillende politieke partijen willen in sneltreinvaart het aantal windmolens en zonnepanelen uitbreiden. En dat gebeurt ook. Maar is dat genoeg? In juli van dit jaar maakten Shell en Eneco bekend dat zij – zonder subsidie – een windmolenpark voor de kust van Noord-Holland gaan bouwen. Het in 2023 op te leveren park zal een vermogen van ruim 750 megawatt hebben en bestaan uit 69 windturbines met elk een vermogen van 11 megawatt. Met de komst van deze turbines zal windenergie op zee in een klap goed zijn voor 3,3 procent van de totale Nederlandse energiebehoefte. Maar ook dat is een druppel op de gloeiende plaat. Waar moet de rest vandaan komen? GEEN ANTWOORD

Een echt antwoord op die vraag heb ik nog niet gehoord. De ‘linkse’ partijen zoeken hun heil vooral in zonnepanelen en windmolens in combinatie met het reduceren van de energieconsumptie door isolatie van huizen en gebouwen, minder vlees eten en minder reizen per vliegtuig. En vreemd genoeg ook in elektrische auto’s. Dat is fijn voor de luchtkwaliteit in steden, maar waar moet al die extra energie dan vandaan komen? Voor de VVD maakt kernenergie deel uit van de oplossing en die partij zet verder in op innovatie in het algemeen. Forum voor Democratie pleit voor kernenergie op basis van het thorium. Over windmolens en zonnepanelen rept FvD met geen woord. De

80 Vork september 2020


MILIEU

PVV heeft geen visie, behalve dat het tegen windmolens is. De hoogoplopende discussie over biomassa is vooral een rookgordijn, dat het zicht beneemt op de echte keuzes die we moeten maken. Kiezen we voor zon, wind en biomassa, de ‘duurzame’ energiebronnen die een groot beslag leggen op de ruimte? Of kiezen we voor kerncentrales op basis van uranium of thorium die minder beslag leggen op de ruimte, maar wel vragen oproepen over veiligheid, kosten en de opslag van radioactief afval, met name in geval van uraniumcentrales. Of voor een combinatie van CO2-vrije bronnen? Als we het rookgordijn wegtrekken, wordt in ieder geval duidelijk dat aan elke optie nadelen kleven. Of, zoals de Britten zeggen: ‘You can’t have your cake and eat it too.’ Beeld: Pixabay, Wikimedia,

Janneke Donkerlo Freelance journalist

BRONNEN Met informatie van Martin Junginger (Copernicus Instituut), Gert-Jan Nabuurs (WUR), FAO, Urgenda, the European Academies Science Advisory Council (EASAC), RWE, Bart Strengers (PBL), Energieopwek.nl, TNO, Media (Zembla, Pauw, 1Vandaag, The planet of the humans, kranten), Pontmeyer houthandel, De Groene Rekenkamer, Irena, Algemene Vereniging Inlands Hout (AVIH), politieke partijen en Staatsbosbeheer.

Lees meer op Vork.org ‘Voorkomen beter dan genezen’ De uitstoot van ontbossing in de tropen is groter dan gedacht en kan de positieve effecten van bebossing ondermijnen.

Het is een slechte tijd om ‘boom’ te zijn Biomassa wordt Neerlands nieuwe gasgoudmijntje Biomassa kan zomaar Neerlands nieuwe gasgoudmijntje worden, want de pyrolyseolie techniek van houtsnippers timmert flink aan de weg.

Degradatie van onze bossen tot ‘biomassa’ verspeelt in korte tijd de erfenis van Stichting Kritisch Bosbeheer - meer natuurlijk bos.

www.vork.org

Vork september 2020 81


‘Wereldwijde voedselcrisis dreigt als landen hun grenzen sluiten.’ De hoofdeconoom van het Wereldvoedselprogramma, Arif Husain, waarschuwde in de Volkskrant van 27 april voor een ongeëvenaarde crisis als landen hun grenzen zouden sluiten. Zonder handel zouden in veel landen gigantische voedseltekorten ontstaan. Maar is dat zo? Vorkredacteur Ellen Mangnus zocht het uit. Het probleem is juíst dat wereldwijde handelssysteem, stelt Jan Douwe van der Ploeg, emeritus hoogleraar Rurale Sociologie, in zijn beleidsbrief ‘Growing Back Stronger: choosing resilient foodsystems in the wake of Covid-19’.1 Slechts 20 procent van het voedsel wordt internationaal verhandeld, maar de 80 procent die nationaal geconsumeerd wordt, is sterk afhankelijk van het wereldwijde handelssysteem voor bijvoorbeeld kunstmest en zaden. Voedselsoevereiniteit, juíst daar moeten we naar streven, stelt hij. 82 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo

Vrijhandel bevordert de mondiale voedselzekerheid. Of niet?

Covid-19 schijnt nieuw licht op een oud debat dat zijn wortels heeft in de jaren negentig – het debat tussen globalisten die streven naar een zo liberaal mogelijke wereldmarkt en de voedselsoevereinen die het meeste heil zien in zelfvoorziening. NIEUWE INZICHTEN

Heeft de pandemie tot nieuwe inzichten geleid? Ik vraag het aan Rob Vos, Directeur Markten, Handel en Instituten bij het International Food Policy Research Institute IFPRI in Washington DC. Hij schreef mee aan het recent verschenen artikel in het tijdschrift Science ‘Covid-19 & Global Food Security’ 2 en legt uit waarom vrije handel essentieel is voor de voedselzekerheid. Handel zorgt ervoor dat producten van gebieden met overvloed naar gebieden met schaarste kunnen vloeien. Volgens Vos is handelspolitiek geen goed instrument om voedselzekerheid te realiseren. „Handelsbelemmering in de vorm van exportbeperkingen leidt tot stijgende voedselprijzen op wereldmarkten. Dat is niet goed voor consumenten in voedselimporterende landen, maar ook niet goed voor de boeren in de landen met een beschermde binnenlandse markt. Dat bleek tijdens de voedselcrisis van 2007-2008, toen veel landen exportrestricties invoerden. Ze wilden de prijzen op hun binnenlandse markt laag houden, maar het gevolg was dat er minder van die producten op de wereldmarkt beschikbaar waren en prijzen dus juist verder omhoog gingen. Daardoor werden ook de verwerkte producten duurder en uiteindelijk gingen Vork september 2020 83


ook de vraag naar en dus ook prijs van andere voedselgewassen omhoog. Zo zagen ook de landen die die exportrestricties ingevoerd hadden zich geconfronteerd met hogere prijzen. Geen land kan al het voedsel produceren in de diversiteit waar consumenten om vragen en die nodig is voor een gezond dieet. Daarom is handel noodzakelijk. Je kunt je afvragen of het voor de Nederlandse consument nodig is om ook bananen te eten, maar die horen wel bij ons huidige voedselpakket, en dat betekent dus dat we ze in grote getale importeren. Het is ook niet zo dat wat lokaal geproduceerd wordt ook duurzamer, lekkerder en goedkoper is. Zeker niet als consumenten hun hele voedselpakket liefst jaarrond willen kunnen consumeren.” De vraag is – even gechargeerd – of straks niet alle boeren graan produceren voor de goed betalende bierproducenten en maïs voor de kippenindustrie als we de internationale markt laten domineren. Komt de voedselzekerheid in arme landen niet in de knel? Volgens Vos moet de overheid zodanige voorwaarden scheppen dat gewassen die belangrijk zijn voor het dieet, ook aantrekkelijk zijn voor boeren om te telen. Dat kan op meer manieren dan alleen via de prijs, bijvoorbeeld door het verbeteren van de infrastructuur of meer voorlichting. Je kunt ook denken aan het verbieden of belasten van ongezonde producten, want de ergste pandemie van dit moment is overgewicht. Het blokkeren van de internationale handel in landbouwproducten en voedingsmiddelen is geen geschikt antwoord; dat staat juist een divers aanbod in de weg. MONSTERVERBOND

Handel dus, aangevuld met andersoortige maatregelen om boeren te stimuleren divers en gezond voedsel te produceren voor de lokale markt. Toch krijgt het sentiment dat afhankelijkheid van de wereldmarkt tot kwetsbaarheid leidt, steeds meer weerklank. Hebben de voedselsoevereinen ook een punt? „Het is

Overheden moeten zorgen dat boeren voldoende inkomen hebben om te investeren.

84 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo een monsterverbond”, zegt Niek Koning, voormalig universitair docent Agrarische Economie aan Wageningen Universiteit en auteur van een veelgeprezen boek over voedselzekerheid. „De twee partijen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen hebben meer gemeen dan op het eerste gezicht lijkt: ze ontkennen allebei de noodzaak van stelselmatig overheidsingrijpen in de landbouwmarkten, ook op internationaal niveau. De ene partij is voor vrijhandel en verwacht alle heil van de multinationale agribusiness die landbouw bedrijft op plaatsten waar dat het meest efficiënt kan en de producten daarvan op een efficiënte manier brengt naar plaatsen waar tekort is. Ik noem het de vrije markt van het grootkapitaal. De andere partij baseert zich ook op de invisible hand van de markt, maar dan niet die van het grootkapitaal, maar die van de lokale alternatiefjes. Die zeggen: ‘Jongens, laat het nou over aan die boeren. De overheid is alleen maar een lastpak die de boeren op hun nek zit. Die boeren zelf hebben indigenous knowledge, ze hebben een geweldige creativiteit, laat ze hun gang gaan en het zal goed komen.’ Die twee partijen bepleiten in wezen hetzelfde, ze discrediteren de overheid. Eigenlijk zijn het twee gezichten van het neoliberalisme.” STRUCTUREEL MARKTFALEN

Koning voelt zich in geen van beide kampen thuis. Hij is zeker voorstander van handel en van modernisering om de voedselzekerheid te verbeteren, maar vrijhandel in agrarische producten moet je voorkomen. „In de landbouw heb je te maken met een structureel marktfalen. Het aanbod kan eenvoudigweg niet snel op de vraag afgestemd worden.” “Boeren overleven door knalhard en supergemotiveerd te werken voor een matige beloning. Geen weldenkende kapitalist wil zijn vermogen inzetten voor zo’n laag rendement.” Maar keihard werken, wat boeren dus doen, leidt echter niet vanzelf tot ver-

Slechts 20 procent van het voedsel wordt internationaal verhandeld.

Vork september 2020 85


Handelsbelemmering in de vorm van exportbeperkingen leidt tot stijgende voedselprijzen op wereldmarkten.

nieuwing en verbetering van de productiviteit. Daarvoor heb je een overheid nodig die boeren in staat stelt om die ontwikkelingen op gang te brengen. Bijvoorbeeld door het verbeteren van infrastructuur, het opzetten van een structuur voor landbouwvoorlichting, stimuleren van onderzoek en kredietsubsidies. De overheid moet ook iets doen om de risico’s weg te nemen en zorgen dat boeren voldoende inkomen hebben om te investeren.” PROTECTIE ESSENTIEEL

Volgens Koning hebben alle rijke landen vormen van protectie toegepast. „Sinds de Uruguay-ronde doen we alsof we onze protectie afbouwen, maar in plaats daarvan geven we boeren directe inkomenstoelagen of gesubsidieerde oogst- en inkomensverzekeringen. En dan zeggen we tegen de ontwikkelingslanden: jongens jullie moeten ook liberaal, want jullie hebben ook de mogelijkheid je boeren op andere manieren te ondersteunen. Maar die mogelijkheid hebben ze helemaal niet!” Ook Aziatische landen hebben gedurende de Groene Revolutie hun landbouw beschermd en ervoor gezorgd dat de prijzen stabiel bleven. In India kocht de Grain Corporation graan van boeren voor een bepaalde minimumprijs en verkocht die vervolgens voor een gesubsidieerde prijs aan het arme deel van de bevolking. Daarvoor hadden winkels een speciaal afgescheiden systeem. Ook veel andere landen hebben geen neoliberaal beleid gevoerd in de periode dat ze hun landbouw moderniseerden. Integendeel, ze zorgden dat de loodsen gevuld waren met inputs, zoals kunstmest en zaaigoed en ze grepen proactief in in de prijsvorming. In plaats van vrijhandel moeten er volgens Koning drie dingen gebeuren om de voedselzekerheid in de wereld te vergroten. Ten eerste heeft elk land belang bij een minimaal niveau van zelfvoorziening en moet het ervoor zorgen dat het niet te afhankelijk wordt van voedselimporten. Ten tweede moeten arme landen een onvervreemdbaar recht krijgen om hun landbouw met invoerrechten te beschermen. Ten derde zijn er op internationaal niveau instrumenten 86 Vork september 2020


VOEDSELKETEN undo nodig om voedselprijzen te stabiliseren, zoals internationale afspraken over volumes en de aanleg van buffervoorraden om voedselprijzen binnen een bepaalde bandbreedte te houden. NIEUWE DYNAMIEK

Overheden moeten dus ingrijpen in de markt, maar dat wil niet zeggen dat het grootkapitaal geweerd moet worden en dat we naar het model van de ‘kleine alternatiefjes’ over moeten stappen. Als grote bedrijven, bierbrouwerijen bijvoorbeeld, geen gerst of sorghum opkopen om bier van te brouwen, dan gebeurt er in veel plattelandsregio’s helemaal niets. Het lijkt misschien idyllisch, maar als de bevolking toeneemt, komen die gemeenschappen in een negatieve spiraal. Er moet meer voedsel worden geproduceerd, maar er is geen geld om te investeren in bodemverbetering en beter zaaizaad. Koning: „Bedrijven zorgen voor dynamiek. Er wordt een afzetmarkt gecreëerd, er worden wegen aangelegd en de boeren krijgen de middelen om hun opbrengsten te verbeteren. Die investeerders hebben niet als doel om een nieuw paradijs te creëren; nee ze zijn keihard bezig met geld verdienen. De dynamiek die dat met zich meebrengt, werkt altijd verstorend. Boeren worden bijvoorbeeld afhankelijk van één grote opkoper, andere boeren verliezen hun bedrijf en moeten op zoek naar een baan buiten de landbouw en soms komt zelfs de lokale voedseldiversiteit in het gedrang.” „Om die negatieve bijeffecten te corrigeren, moeten overheden ingrijpen. Ze moeten ervoor zorgen dat voedsel betaalbaar blijft op de lokale markten en dat mensen die uit de landbouw worden gedreven ander emplooi krijgen. De oude Marx schreef veel over uitbuiting, maar hij schijnt ook gezegd te hebben dat er een ding erger is dan uitbuiting en dat is helemaal niet uitgebuit worden.” VRIJHANDEL OF PROTECTIONISME?

Al met al lijkt het erop dat vrijhandel, de afwezigheid van elke vorm van protectionisme, op de korte termijn misschien wel een bijdrage levert aan het voorkomen van voedselcrises, maar op de lange termijn funest is voor de ontwikkeling van agrarische capaciteit. De een – Rob Vos – zegt dat overheden ook andere instrumenten moeten inzetten om die agrarische capaciteit te ontwikkelen. De ander meent dat internationale afspraken helpen om voedselcrises te voorkomen zonder de agrarische ontwikkeling te belemmeren. Ik ben er nog niet helemaal uit voor mezelf, maar denk dat vrijhandel niet de meest geschikte methode is om te zorgen voor lokale voedselzekerheid. Beeld: Pixabay, Wikimedia, US Embassy

Ellen Mangnus Freelance journalist en redacteur van Vork

BRONNEN 1.

https://www.tni.org/en/foodsystems

2. https://www.ifpri.org/publication/covid-19-and-global-food-security

Vork september 2020 87


Alles in het verdomhoekje – behalve rundvlees Het was natuurlijk niet zo slim van de CEO van Impossible Foods om te zeggen dat zijn plantaardige hamburger het einde van de vleesindustrie inluidt. En ook op de suggestie van de EAT-Lancet Commissie dat de wereld beter af is met een grotendeels vegetarisch menu valt het nodige af te dingen. Maar Diana Rodgers en Robb Wolf slaan wel heel erg door de andere kant op in hun recent verschenen boek ‘Sacred Cow’. En daardoor ondergraven ze nota bene hun eigen boodschap van een rationele maatschappelijke discussie over de rol van vlees – vooral rundvlees overigens, want van kippen- of varkensvlees moeten ze ook niet veel hebben. Dat is jammer, want ze zeggen best zinnige dingen over de rol van vlees in het menu. In het eerste deel gaan ze in op de voedingswaarde van vlees. Terecht zetten ze grote vraagtekens bij het idee dat rood vlees en bewerkt vlees respectievelijk mogelijk en daadwerkelijk kankerverwekkend zijn, zoals de IARC (International Agency for Research on Cancer) stelt. Idem dito voor het wijdverspreide 88 Vork september 2020

idee dat het eten van dierlijke producten leidt tot een hogere sterfte aan hart- en vaatziekten. Terecht is ook hun nadruk op de voedingswaarde van vlees, dat wil zeggen de hoeveelheid en de kwaliteit van eiwitten (aminozuren), mineralen en vitamines die je per geconsumeerde calorie binnenkrijgt. Anders dan bij plantaardige varianten, zoals de Impossible Burger, worden die aminozuren en micronutrienten ook nog eens veel gemakkelijker opgenomen in ons maagdarmkanaal dat op een omnivoor menu is afgestemd. Wat me wel verbaasde, is de hoeveelheid vlees die volgens hen in een gezond menu hoort. Volgens de auteurs zou je


BOEKBESPREKING

tussen de 360 en 480 gram vlees per dag moeten eten, ofwel de helft van je dagelijkse energie-inname. In deel twee zetten de auteurs – wederom terecht – de nodige vraagtekens bij de veronderstelde effecten van met name de rundvleesconsumptie op milieu, klimaat en biodiversiteit. Met instemming wordt de Amerikaanse wetenschapper Frank Mitloehner aangehaald die meent dat je een onderscheid moet maken tussen bronnen van fossiel methaan (bijvoorbeeld aardgasverliezen) en van biogeen methaan (herkauwers, moerassen). Die laatstgenoemde bronnen maken deel uit van de biologische cyclus, waarbij methaan in de atmosfeer binnen 10-12 jaar wordt omgezet in CO2, dat op zijn beurt wordt opgenomen door het gras dat de runderen vreten.

Diana Rodgers, Robb Wolf (2020) ‘Sacred Cow’, Benbella Books, Dallas. Prijs: € 22,99

LEVENSCYCLUSANALYSE

Waar de auteurs uit de bocht vliegen is met hun aanval op kweekvlees. Volgens hen is dat een stuk minder milieuvriendelijk dan vlees van runderen die met gras zijn gevoerd op basis van de uitgangspunten van de regeneratieve landbouw (diëtiste Rodgers heeft ook een biologisch landbouwbedrijf). Om hun stelling te onderbouwen verwijzen ze naar een levenscyclusanalyse van kweekvlees door Carolyn S. Mattick. Daarmee is volgens de auteurs het ‘bewijs’ geleverd dat kweekvlees milieutechnisch slechter uit de bus komt dan rundvlees, terwijl de auteur zelf concludeert dat het ‘kweken’ van vlees in bioreactoren de mogelijkheid biedt om meer voedsel op minder land te produceren en tegelijkertijd nog wat andere milieuproblemen op te lossen. NIEUWE VERDOMHOEKJES

Dat is precies het probleem met dit boek. Aan de ene kant doen de auteurs

hun best om vlees uit het verdomhoekje te halen, waar het voor een deel ten onrechte in verzeild is geraakt. Aan de andere kant creëren ze nieuwe verdomhoekjes voor plantaardig ‘vlees’, kweekvlees en alle producten van de gangbare landbouw – een industriële monocultuur die de mens vergiftigt en de bodem uitput. Alleen grass-fed beef op regeneratieve (ruimtevretende) wijze geproduceerd, kan in hun ogen de toetst der kritiek doorstaan. Prima dat de auteurs een aantal vooroordelen over vlees uit de weg proberen te ruimen, maar het uitsluiten van alles wat niet precies in je straatje past, lijkt me niet de beste manier om een rationele discussie over de rol van vlees in het menu aan te zwengelen.

Joost van Kasteren Hoofdredacteur Vork

Vork september 2020 89


Ga voor meer nieuws over de voedselketen nu naar Vork.org Wekelijks 3 nieuwe artikelen!

www.vork.org


Jeroen Candel:

We bekvechten wel over ammoniak en over bestrijdingsmiddelen, maar fundamentele vragen komen niet aan de orde

Lees meer op

Vork.org Farm to Fork zorgt voor grotere landgebruikvoetafdruk


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vork - Jaargang 7 - Editie 3 - September 2020 by Agrio - Issuu