DEC 2021
Een boodschap met een gouden randje…
Voorwoord
Een ‘boodschap met een gouden randje’ Toen de problematiek rondom de stikstofuitstoot begon, was er een duidelijke visie: de uitspraak van de Raad van State (RvS) maakte het verplicht voor het Kabinet om alle stikstof-uitstoters zonder passende vergunningen te gaan legaliseren (o.a. de PAS melders) of handhaven. Alle uitstoters.
S
indsdien hebben we het gedraai en geduw van het inmiddels demissionaire Kabinet kunnen aanschouwen. Terwijl de uitspraak van de RvS duidelijk is en iedere sector en bedrijf (ook buiten de landbouw om!) behoort te voldoen aan de wet, is van de oorspronkelijke grondhouding van dit demissionaire Kabinet (‘De boeren zijn niet het probleem, maar kunnen helpen bij de oplossing’), niets over: de ‘zwarte Piet’ in het stikstofdebacle wordt inmiddels voor de volle 100% neergelegd bij de landbouwsector en zelfs bij veel vergunninghouders in die landbouwsector! Het zijn enkel en alleen boerenbedrijven – ook die met een vergunning - die als ‘piekbelasters’ worden aangemerkt, en het zijn de boerenbedrijven die weg moeten wezen. Niet alleen rondom kwetsbare Natura 2000 gebieden, maar definitief zoals de demissionaire minister van LNV heeft opgenomen in een wijziging van de Omgevingswet. Ondanks de eerdere afspraken met de Kamer dat daar geen sprake van zou zijn! Ondertussen kunnen al die andere uitstoters zonder vergunning, ongebreideld hun gang blijven gaan, niet gehinderd door welke voorwaarde dan ook, of door dreiging met handhaving. Ook ‘milieugroeperingen’ werken daar volop aan mee, zwaar gesubsidieerd door diezelfde overheid zetten zij zich puur en alleen in om bedrijven die het onschuldige NH3 uitstoten, te beëindigen. Ze laten toe dat de uitstoot van NH3 wordt vervangen door het schadelijk NOx. Ieder principe heeft een prijs, kennelijk? Terwijl er GEEN metingen zijn die bewijzen dat het de boerenbedrijven zijn, die schadelijke neerslag veroorzaken in N2000 gebieden. Want er is geen bewijs of monitoring, met betrekking tot de staat van de natuur in de Nederlandse provincies. Sterker nog: de Standard Data Forms (Europees systeem, dat voor iedere lidstaat een gelijke beoordeling van de kwaliteit van habitattypen inhoudt, zonder rekening te houden met virtuele schade), waarmee de Nederlandse overheid ieder jaar aan Brussel moet melden hoe het gaat met de natuur in alle Natura 2000
gebieden, zijn slechts zelden negatief. Iets deugt hier niet. Er worden straks onterecht en op onrechtmatige gronden landbouwbedrijven onteigend of opgekocht – met belastinggeld. Waarmee de landbouwsector onomkeerbare schade wordt toegebracht, terwijl er geen winst is voor de natuur. De winst gaat naar de uitstoters van NOx zonder vergunning. Helaas is dit de bestuurscultuur waar we mee te maken hebben en die onuitroeibaar lijkt, ondanks het sneuvelen van het derde Kabinet Rutte naar aanleiding van leugens en bedrog. Kennelijk raken we weer met hetzelfde opgescheept. Welke optie is een betere, in plaats van boeren uitkopen, verplaatsen, onteigenen of de vergunning afnemen? Het Landbouw Collectief waar Dutch Dairymen Board deel van uitmaakte -, leverde in november 2019 al een veel beter en innovatiever plan van aanpak in, om stikstof structureel te reduceren met hulp van de boeren. Lees dat rapport nog eens via de QR-code. En dan niet alleen de eerste pagina’s met de drie korte termijn opties, maar vooral vanaf pagina 11. Want daar staan de realiseerbare, innovatieve en oplossingsgerichte suggesties die dit (demissionaire) Kabinet aan de hand zijn gedaan. Om ieder jaar, structureel stikstof te reduceren – meer dan genoeg voor de (wegen)bouw en andere activiteiten. Het zijn de werkbare oplossingen die slechts een fractie kosten van de miljarden euro’s belastinggeld-slurpende-sloopoperatie die deze overheid op wil starten. Innovaties, daar is de Nederlandse economie en landbouweconomie groot mee geworden. Wat wij als DDB blijven doen, is het aanreiken van oplossingen. Van
Word lid van de DDB voor maar € 85,- per jaar. Dit kan via de website of u kunt een e-mail sturen naar info@ddb.nu.
Colofon OPDRACHTGEVER Dutch Dairymen Board REDACTIONELE
7776 PD Slagharen. email: info@ddb.nu, www.ddb.nu OPLAGE 16.100
DOELGROEP Nederlandse melkveehouders, Bestuurders
AANSPRAKELIJKHEID Deze speciale editie is met grote zorgvuldigheid
melkveehouderij, Zuivelindustrie, Politiek REDACTIE/ EINDREDACTIE
en naar beste weten samengesteld. Uitgever en auteurs streven naar
Dutch Dairymen Board FOTO MATERIAAL DDB, EMB, archief Agrio,
juistheid en volledigheid van informatie. Nochtans zijn fouten mogelijk.
i-Stock VORMGEVING/ONTWERP Agrio Media&Design, tel.: 0314
Uitgever en auteurs aanvaarden geen aansprakelijkheid voor schade die
- 62 64 31, email: jan@agrio.nl ADRES DDB p/a Ged. Schuinesloot 3,
het gevolg is van handelingen gebaseerd op onze informatie
Inhoud
alternatieven. Samen met andere partijen. En natuurlijk hebben die oplossingen ook een prijs. Maar wanneer de Nederlandse overheid écht Klimaatdoelen wil halen, of stikstofproblemen op wil lossen, doen ze er goed aan met alle boeren te praten en niet over hen te beslissen. Wat de DDB daarbij nodig heeft, is uw steun. Want zonder achterban geen draagvlak of mandaat. In deze uitgave van het DDB Magazine tonen we aan dat onze sector problemen op kan lossen: een boodschap met een gouden randje. Nu nog politieke wil om het meest duurzame voedselsysteem wereldwijd, in al haar kracht te behouden!
Voorzitter DDB
Omgevingswet
Uit de gecreëerde stikstofimpasse
Sieta van Keimpema,
6 Duinen Schiermonnikoog
7 Noordzeekustzone 5 Duinen Ameland
2
Een ‘boodschap met een gouden randje’
4
Duurzaam voedselsysteem niet mogelijk zonder landbouw
7
De Staat Californië (VS) is er de afgelopen jaren in geslaagd een grote reductie van broeikasgassen te realiseren
8
Wat kost het produceren van melk?
11
Overheden kopen landbouwgrond
12
7e Actieprogramma nitraat, een regelrechte oorlogsverklaring
15
Een zonneweide….
16
Het nieuwe GLB en ons Nationaal Strategisch Plan (NSP)
19
Is GWP* echt ‘wazige wiskunde’? Beslis zelf maar
20
Is de koe een klimaatkiller?
8 Lauwersmeer
3 Duinen Vlieland 9 Groote Wielen
19 Leekstermeergebied
13 Alde Feanen
Sneekermeergebied
20 Zuidlaardermeergebied
17 Bakkeveense Duinen 16 Wijnjeterper Schar
2 Duinen en Lage Land Texel
22 Norgerholt 25 Drentsche Aa-gebied
15 Van Oordt's Mersken
14 Deelen
Lieftinghsbroek
23 Fochteloërveen 26 Drouwenerzand
24 Witterveld
27 Drents-Friese Wold & Leggelderveld
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving
84 Duinen Den Helder-Callantsoog
28 Elperstroomgebied
18 Rottige Meenthe & Brandemeer
85 Zwanenwater & Pettemerduinen
29 Holtingerveld
34 Weerribben
72 IJsselmeer
31 Mantingerbos 30 Dwingelderveld
32 Mantingerzand
162 Abtskolk & De Putten
33 Bargerveen 35 De Wieden
86 Schoorlse Duinen
74 Zwarte Meer 75 Ketelmeer & Vossemeer
89 Eilandspolder
87 Noordhollands Duinreservaat
37 Olde Maten & Veerslootslanden
36 Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
73 Markermeer & IJmeer
93 Polder Zeevang 90 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder
39 Vecht- en Beneden-Reggegebied
91 Polder Westzaan
40 Engbertsdijksvenen
78 Oostvaardersplassen
92 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske
97 Meijendel & Berkheide
77 Eemmeer & Gooimeer Zuidoever
46 Bergvennen & Brecklenkampse Veld 47 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek
41 Boetelerveld
43 Wierdense Veld
48 Lemselermaten
42 Sallandse Heuvelrug
94 Naardermeer 83 Botshol
45 Springendal & Dal van de Mosbeek
38 Rijntakken 76 Veluwerandmeren
79 Lepelaarplassen
88 Kennemerland-Zuid
96 Coepelduynen
50 Landgoederen Oldenzaal
57 Veluwe
!
51 Lonnekermeer
44 Borkeld
49 Dinkelland
56 Arkemheen
95 Oostelijke Vechtplassen
54 Witte Veen
STIKSTOF
103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
58 Landgoederen Brummen
53 Buurserzand & Haaksbergerveen 60 Stelkampsveld
102 De Wilck
55 Aamsveen
98 Westduinpark & Wapendal 104 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein
99 Solleveld & Kapittelduinen
81 Kolland & Overlangbroek
38 Rijntakken 65 Binnenveld
63 Bekendelle
100 Voornes Duin 106 Boezems Kinderdijk 101 Duinen Goeree & Kwade Hoek
64 Wooldse Veen
38 Rijntakken 107 Donkse Laagten
61 Korenburgerveen 62 Willinks Weust
82 Uiterwaarden Lek 105 Zouweboezem
38 Rijntakken
70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid
108 Oude Maas 71 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
113 Voordelta
109 Haringvliet 115 Grevelingen
110 Oudeland van Strijen 112 Biesbosch
116 Kop van Schouwen
69 De Bruuk
71 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
142 Sint Jansberg 141 Oeffelter Meent
132 Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
111 Hollands Diep
143 Zeldersche Driessen
130 Langstraat 114 Krammer-Volkerak
117 Manteling van Walcheren
131 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
145 Maasduinen
118 Oosterschelde
119 Veerse Meer
163 Vlakte van de Raan
120 Zoommeer
139 Deurnsche Peel & Mariapeel
127 Markiezaat 128 Brabantse Wal
123 Zwin & Kievittepolder
144 Boschhuizerbergen
133 Kampina & Oisterwijkse Vennen
129 Ulvenhoutse Bos
134 Regte Heide & Riels Laag
121 Yerseke en Kapelse Moer
122 Westerschelde & Saeftinghe
137 Strabrechtse Heide & Beuven 135 Kempenland-West 140 Groote Peel
124 Groote Gat
126 Vogelkreek
Sarsven en De Banen 125 Canisvliet
147 Leudal
148 Swalmdal
149 Meinweg 150 Roerdal
151 Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop
Grensmaas
155 Brunssummerheide
153 Bunder- en Elslooërbos
154 Geleenbeekdal 157 Geuldal 156 Bemelerberg & Schiepersberg 159 Sint Pietersberg & Jekerdal 160 Savelsbos 167 Maas bij Eijsden 161
158 Kunderberg
157 Geuldal
Noorbeemden & Hoogbos
Het Landbouw Collectief Den Haag, 20 november 2019
Rapport
De digitale versie van het DDB magazine is op de website te lezen met daarin de linken die verwijzen naar de achtergrondinformatie die in de diverse artikelen zijn genoemd.
www.ddb.nu DDB 2021 december 3
m e e t s y s l e s d e o v m a Duurza niet mogelijk zonder landbouw Peter Ballerstedt, PhD Veevoeder Agronoom, Voedingsdeskundige Herkauwers
Peter Ballerstedt was één van de gastsprekers op het congres van 3 september 2021, waarvan de Dutch Dairymen Board één van de twee hoofdsponsors was. Het congres is georganiseerd door Farmers Defence Force en was toegankelijk voor iedereen. gezien als zondebok voor veel problemen, in plaats van het feit dat deze een deel van de oplossing kan zijn. Men lijkt niet te willen begrijpen dat de producten die de veestapel in staat is te produceren, veel waardevoller zijn dan het voer dat we erin stoppen. Ook het begrip dierenwelzijn wordt vaak verward met dierrechten. Dat is niet hetzelfde en iedereen die werkt in de veehouderij, doet dat met zorg voor zijn of haar dieren. Dit artikel gaat niet over emissies en de problematiek ervan, maar over voedsel.
WAT IS ER AAN DE HAND?
Als wetenschapper heeft Peter Ballerstedt een heel belangrijke boodschap die we, ook in Nederland, allemaal moeten leren, ons eigen moeten maken en moeten uitdragen: “Er kan geen volksgezondheid zijn zonder voedsel van dierlijke oorsprong”. Een duurzaam voedselsysteem is niet mogelijk zonder landbouw! In de huidige maatschappij wordt de veeteelt
Peter Ballerstedt ziet het als zijn voornaamste taak bruggen te bouwen, hij spreekt met veel artsen en voedingsdeskundigen. Tijdens de opleiding tot arts in de Verenigde Staten wordt nagenoeg geen aandacht besteed aan voedsel, Peter moet soms zelfs uitleggen wat een “herkauwer” is, zegt hij met een knipoog. Hij legt uit dat de gezondheid van het vee begint met voeding, en dat is bij mensen niet anders. Peter vertelt niemand wat men moet eten, daarin is hij niet geïnteresseerd. Wat voor hem belangrijk is, is dat mensen juist geïnformeerd worden over voedsel zodat ze weloverwogen hun eigen beslissingen kunnen nemen. Hij is van mening dat de politiek, de publieke opvoeders hierin hun taak verzaakt hebben. Het verkrijgen van adequate, essentiële voeding, en het bereiken, of herstellen, of onderhouden van metabole gezondheid (het gezond functioneren van je lichaam, red.) is van evident belang. Vervolgens kunnen mensen, mits
ze juist zijn geïnformeerd, keuzes maken op basis van persoonlijke voorkeuren. Het menselijke spijsverteringsstelsel is er niet op gebouwd om voldoende energie en voedingsstoffen te halen uit een volledig plantaardig dieet. Het is fysiologisch onmogelijk. Gelukkig hebben we herkauwers, die iets (voor een aantal mensen) smerigs als boerenkool in iets heerlijks kunnen veranderen, zoals room voor onze aardbeien, of een overheerlijke T-bone steak voorafgaand aan het toetje! Herkauwers hebben een bijzondere vaardigheid die wij als mensen ontberen. Het idee dat het houden van vee en het consumeren van voedsel van dierlijke oorsprong in strijd is met duurzame ontwikkeling, is gewoon verkeerd. We staan voor een flinke uitdaging. In 2050 bestaat de wereldbevolking uit ongeveer negen miljard mensen. We zullen de voedselproductie moeten verdubbelen. Dat betekent een toename van de vraag naar dierlijke eiwitten met ongeveer tweederde. Ik ben bang, geeft Ballerstedt aan, dat dit nog een dramatische onderschatting is, maar dit zijn cijfers op basis van nu gepubliceerde bronnen. De voedselproductie moet van vrijwel hetzelfde landoppervlak worden gehaald als wat we nu landbouwkundig in gebruik hebben. En neem van mij aan, dat niet iedereen zo slim als de Nederlanders is geweest in het creëren van akkerland uit zeebodem. Dat is en blijft een opmerkelijke prestatie. De (politieke) trend die we nu zien ontstaan, betekent een dramatisch verlies van landbouwgrond. We degraderen wereldwijd, qua voedselzekerheid en voedselveiligheid, onze kostbaarste hulpbron aan gezonde en noodzakelijke voedingsstoffen voor de mens. En, wat heb je eraan als jouw voedselproductie wordt overgeheveld naar een ander land waar het minder efficiënt wordt geproduceerd? Dan heb je alleen de lasten verhoogd, ook voor het milieu. Als we kunstmest of organische mest gebruiken, dient dat wel goed te gebeuren. De juiste bron, de juiste hoeveelheid, juiste tijd, juiste plaats. We zullen moeten werken aan een meer gelijkmatige verspreiding over het hele veld. Er zijn best een aantal zaken die voor verbetering vatbaar zijn; gelukkig. De landbouwsector begrijpt dat en
ontloopt haar verantwoordelijkheid niet. Maar zorg wel voor een eerlijk speelveld! Als we het hebben over (gezonde) voedselproductie is het belangrijk dierlijk versus plantaardig voedsel te zetten. Geheel ten onrechte worden er in studies vaak vergelijkingen gemaakt op basis van iso-calorische basis (op gelijke caloriebasis). 100 Calorieën uit suikermaïs worden, bijvoorbeeld, vergeleken met 100 calorieën uit rundvlees. Deze vlieger gaat natuurlijk niet op en is een vergelijking van appels met peren! Als je de mens 100 calorieën suiker en zetmeel te eten geeft, dan heeft dat niet hetzelfde metabolische effect als wanneer je iemand 100 calorieën botervet te eten geeft. Voor eiwitten geldt, uiteraard, precies hetzelfde. “Als ik gelijke hoeveelheden eiwitten uit plantaardig en dierlijk voedsel zou krijgen, dan zou dat ook niet hetzelfde metabolische effect hebben”. De vraag is waarom de vergelijking wordt gemaakt, waarom dat wel zo zou zijn. De hoeveelheid vitaminen die je nodig hebt, wordt beïnvloed door de aard van je voeding. Kort gezegd, hoe meer koolhydraten in je dieet, hoe meer vitamine C je
DDB 2021 december 5
nodig hebt. De oorzaak van Scheurbuik zou te wijten zijn aan vitamine C gebrek, maar als je vers vlees eet, genees je scheurbuik. Dierlijke voedingsmiddelen zijn superieure voeding voor de mens. Ze zijn de enige bron van verschillende, belangrijke, voedingsstoffen en in de meest beschikbare vormen. Superieur in termen van voedingsstoffen die we uit planten kunnen halen, maar in een betere verhouding, ze zijn beter beschikbaar. Dan hebben we de voedingswaarde van plantaardige versus dierlijke eiwitten nog niet eens meegenomen als we kijken naar de milieueffecten! Als we dat doen, zien we een aantal opmerkelijke zaken. Er wordt gekeken naar de dagelijkse, gemiddelde eiwitbehoefte en -voorziening. Wat de “voedselpolitiek” deskundige voedingsorganisaties doen, is naar het totaal kijken en de conclusie trekken “we komen onder de plafonds uit, dus we zijn goed bezig”. Er zijn echter een paar misvattingen, bijvoorbeeld als het om ruw eiwit gaat. Als je varkenshouders in Nederland de vraag stelt of ze het rantsoen voor hun dieren baseren op ruw eiwit of aminozuren, is het antwoord evident: aminozuren. Welk dier komt het dichtst bij de mens in de buurt? Een koe of een varken? Juist, het varken. Het varken is een goed model voor menselijke voeding. Eigenlijk kunnen we de conclusie trekken dat varkensproducenten al bijna een halve eeuw meer weten over eiwitvoeding dan menselijke voedingsdeskundigen. Gelijke hoeveelheden eiwitten van planten en dieren zijn niet gelijk verteerbaar. Dus waarom zouden we ze ecologisch vergelijken alsof ze dat wel zijn? Als we kijken naar essentiële aminozuren in plaats van naar ruw eiwit, dan verschuift het gesprek dat ik heb met voedingsdeskundigen en artsen. Er is ook gekeken naar broeikasgaseffecten, landgebruik en naar zoet water. Dat is nu gewijzigd in broeikasgas-emissies,
CO2 equivalent per kilogram lysine. Het verschil in emissies tussen tarwe en melk is nagenoeg weggevallen. We hebben voedsel, en voedsel heeft macronutriënten erin, en micronutriënten. Bovenaan staat de uitstoot van broeikasgassen in kilogram CO2-equivalent voor wat je zou moeten eten om een derde van je dagelijkse behoefte aan zink, ijzer, calcium, foliumzuur, vitamine A en B12 binnen te krijgen. Bovenaan staan geraffineerde granen. De waarden voor dierlijke producten van herkauwers of van dieren afkomstige voedingsmiddelen dienen verlaagd te worden met minstens een factor drie (IPCC-rapport, verderop in dit nummer). De overschatting voor biogeen methaan slaat om als we het hebben over fossiele methaan. Dus als we zowel de kwaliteit als de kwantiteit bekijken, vermenigvuldigen onze dieren zich, vergroten ze de voedselvoorraad en verbeteren ze de kwaliteit ervan. Dit is een andere realiteit dan het verhaal dat vaak verteld wordt, althans volgens mijn waarneming. Bestaat er, als het gaat om de consumptie van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, zoiets als te weinig voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong in het menselijk dieet? Als ik sommige mensen hoor, ontkennen ze dat er zoiets bestaat. Maar zoiets bestaat wel degelijk, in de wereld zijn bijna een miljoen mensen hierdoor ondervoed. Tekorten aan onmisbare aminozuren zijn de oorzaak van veel aandoeningen in zowel hogeinkomenslanden als de lage-inkomenslanden. Onthoud dat ondervoeding niet synoniem is aan een calorisch tekort!! U kunt de hele lezing van Peter Ballersteldt terugkijken op YouTube met Nederlandse ondertiteling via de QR-code.
De Staat Californië (VS)
is er de afgelopen jaren in geslaagd een grote
reductie van broeikasgassen te realiseren Aanleiding hiervoor, was een nieuwe wet, die een reductie van 40% van methaan oplegde, te voltooien in 2030. Californië besloot om de reductie van methaan in de veehouderij, financieel te stimuleren in plaats van voorschriften met boetes te implementeren. Voor het eerst gebruikte Californië geld, om boeren te helpen hun milieu-impact te verbeteren: 1 miljard dollar. Daarmee werden allereerst afdekkingen gefinancierd over de mestlagunes om zo biogas op te vangen: 60 procent van het biogas is methaan. Dit biogas wordt omgezet in brandstof voor voertuigen: hernieuwbaar aardgas, RNG. Veel veehouders in Californië doen inmiddels mee en ontvangen zoveel financiële compensatie voor het omzetten van biogas in brandstof, dat zij hiermee bijna evenveel geld verdienen als met de opbrengst van hun melkproductie. Omdat steeds meer veehouders deelnemen aan dit project, heeft men de afgelopen vier jaar in Californië de hoeveelheid methaan met 25% kunnen verminderen. En ja, die 40% reductie verwacht men ook te halen in 2030. De Californische regering heeft de route gekozen die het meest succesvol blijkt te zijn: ze besloten om met hun veehouders te gaan samenwerken, om samen het doel te bereiken. De Staat Californië zei niet: “Laten we de veestapel met 50% verkleinen”. Zij hadden gelukkig meer verstand. Maar, wat als ze dat wel hadden gezegd? Zoals politici in Nederland en Ierland. Stel dat ze boeren hadden gedwongen om 40% van hun koeien op te ruimen, om methaan te verminderen. Wat zou er dan gebeurd zijn? Dan zou een overheid buiten Californië, de melkproductie hebben gestimuleerd, om op te schalen en zo het gat te vullen van melk die niet meer in Californië werd geproduceerd. Want de vraag daalt niet wereldwijd, die stijgt zelfs.
Wat er daardoor kan ontstaan is een proces dat ‘carbon leakage’ wordt genoemd. ‘Koolstof lekkage’ betekent dat als één land zoals Nederland of één Staat zoals Californië de rundveestapel zou verkleinen om broeikasgassen te verminderen, dat elders in de wereld de rundveestapel wordt vergroot én dus ook de broeikasgassen in dat land. Daardoor wordt het klimaatprobleem niet kleiner. In Nederland en Ierland roepen politici: laten we de veestapel verkleinen om de broeikasgassen te verminderen. Een even lachwekkend als rampzalig idee, want wat er gebeurt als de Ieren of de Nederlanders hun veestapel verkleinen, is dat de Brazilianen hun veestapel wellicht vergroten. Of een andere regio. En omdat de Nederlandse boeren en Nederlandse productiemethode de meest duurzame is wereldwijd (Nederland zit in de top 5 wereldwijd van meest duurzame voedselsystemen!), zal krimp in Nederland en uitbreiding in bijvoorbeeld Brazilië, leiden tot méér methaan uitstoot, meer opwarming van de aarde. Nederlands beleid leidt dan tot klimaatschade! Nederlandse boeren kunnen en willen deel uitmaken van een oplossing. Wij doen iets wat iedereen nodig heeft: voedsel produceren. Voedsel heb je iedere dag nodig. De Nederlandse melkveehouders hebben hun veestapel al in belangrijke mate gereduceerd, de afgelopen decennia. En produceren met die sterk afgenomen veestapel, veel meer melk dan voorheen op de wereldwijd meest efficiënte manier! Wij presteren met één koe, waar een ander land daar drie voor nodig heeft. Qua duurzaamheid lopen we voorop. Het wordt tijd dat onze Nederlandse overheid deze waarheid als een koe, ook inziet. Want het reduceren van de Nederlandse veestapel, leidt tot meer milieu-impact en niet tot minder.
De Duitse Kamer van Koophandel bestudeerde de aanpak van de Staat Californië en stelde een ‘doelmarkt-analyse’ voor Bondsministerie voor Economische Zaken en Energie (BMWi). De studie gaat in op de algemene voorwaarden voor biogasprojecten in Californië en maakt een marktbeoordeling voor Duitse bedrijven.
DDB 2021 december 7
Wat
kost het produceren van melk? Voor het zesde jaar op rij, heeft de DDB een analyse naar de melkproductiekosten uit laten voeren. Want niet alleen de hoogte van de melkprijs bepaalt het succes van een melkveebedrijf. Juist de oplopende kosten maken het verschil. Kosten moeten terugverdiend kunnen worden via de opbrengsten. En juist die opbrengsten blijven al jarenlang, veel te ver achter, bij de oplopende productiekosten, is een conclusie na zes jaar productiekosten onderzoek.
MELKPRODUCTIEKOSTEN EU Samen met zeven andere leden van de European Milk Board (EMB), is in 2021 weer een analyse van de melkproductiekosten uitgevoerd die tevens de onderlinge verschillen tussen EU-lidstaten laat zien. De berekeningen worden uitgevoerd voor de belangrijkste melk producerende landen in de EU, op basis van officiële, representatieve EU-gegevens (gegevens van het informatienet over landbouwbedrijfsboekhoudingen - ILB). In deze editie van het kostprijsonderzoek die u hier via de QR-code kunt lezen,zijn, naast de resultaten voor België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Ierland en Litouwen, de gemiddelde melkproductiekosten in de EU meegenomen. Die laatste baseert zich op 26 EU-lidstaten voor de jaren 2015 tot en met 2019. In 2019 bedroegen de gemiddelde EU-melkproductiekosten 45,35 cent/kg, en met opbrengstprijzen van gemiddeld 34,52 cent/kg was er een aanzienlijk verlies voor de melkveehouders. Wanneer alle landen samen worden bekeken, is het interessant te zien dat de productiekosten een brede marge bestrijken tussen ongeveer 34 cent/kg en 59 cent/kg. Maar wanneer het om de opbrengstprijzen gaat, wordt het verschil aanzienlijk kleiner, van bijna 29 cent/kg tot iets meer dan 34 cent/kg.
0,00 EURO INKOMEN Een blik op twee grote melk producerende landen - Nederland en Denemarken - leert dat de Nederlandse en Deense boeren en hun meewerkende gezinsleden, na aftrek van de kosten helemaal niets overhouden en dus geen inkomen hebben! Nederland en Denemarken zijn landen met zeer moderne landbouwbedrijven die steeds nieuwe technische ontwikkelingen doorvoeren. Desondanks houden de
melkveehouders gemiddeld geen cent over: het uurloon is 0,00 euro. Ook in andere landen ligt het inkomen op een zeer kritiek niveau. Alleen Ierland slaagt erin enigszins in de buurt te komen van, wat als een passend inkomen is berekend. Dr. Karin Jürgens, de samensteller van de studie, vat het als volgt samen: “Melkveebedrijven missen niet alleen de inkomsten die nodig zijn voor een stabiele en toekomstbestendige bedrijfsvoering, ze verdienen niet eens genoeg voor een passend inkomen of zelfs een adequate levensstandaard.” Op de mogelijke kritiek dat de inkomenswaarden te hoog zijn vastgesteld, antwoordt ze het tegendeel: “De inkomensvariabele in de studie houdt rekening met het opleidings- en kwalificatieniveau en is objectief gebaseerd op de geldende landbouw-cao’s of twee keer het nationale minimumloon in het betreffende land.”
VOEDSELZEKERHEID Hoe kan het aanvaardbaar zijn dat iemand niets of bijna niets verdient? Melkveehouders zijn goed opgeleide arbeidskrachten met een jarenlange ervaring, die iedere dag hard werken. Ook in de weekenden en tijdens vakanties. Vooral tijdens de pandemie hebben de boeren geen middel onbeproefd gelaten om ervoor te zorgen dat er nooit een probleem was met de voedselvoorziening. Bovendien nemen melkveehouders flinke financiële risico’s en dragen een grote verantwoordelijkheid voor hun dieren, voor de voedselzekerheid en voor het milieu. De analyse van de melkproductiekosten is gebaseerd op betrouwbare, gefundeerde gegevens. Het stelt melkveehouders in staat een volledig inzicht te krijgen in de kostenontwikkelingen in de melkveehouderij. Dit bewijs van de hoogte van de productiekosten kan gebruikt worden in de gesprekken met zuivelbedrijven, retailers en beleidsmakers en kan
gebruikt worden om eerlijke prijzen te eisen. De volgende generatie boeren - de toekomstige voedselproducenten, willen ook graag melk produceren.
STRUCTUUR EU-MELKVEEBEDRIJVEN Het gemiddelde melkveebedrijf in de EU heeft 47 hectare landbouwgrond en 43 melkkoeien met een melkopbrengst van 7.229 kilogram. De melkveehouderijen in de EU zijn overwegend familiebedrijven. De zelfstandigen overheersen in de meeste EUlidstaten (69-96%) die in de vergelijking zijn opgenomen, met uitzondering van Denemarken (slechts 35% zelfstandigen). Het gemiddelde melkveebedrijf in Frankrijk is naar verhouding zeer groot qua landoppervlak en relatief kleiner melkveebeslag. De gebruikte oppervlakte van Nederlandse boerderijen daarentegen
Green Deal Farm to Fork In het voorjaar van 2020 heeft de Europese Commissie aangekondigd weer meer eisen neer te leggen bij de landbouwsector, via de Green Deal met daarin de “Farm-toFork”-strategie. Van melkveehouders wordt verwacht dat ze opnieuw investeringen plegen op hun bedrijf ter verbetering van bijvoorbeeld dierenwelzijn, biodiversiteit, water- en klimaatbescherming. Maatregelen die de kosten sterk zullen verhogen. Daaraan kunnen melkveehouders echter alleen maar voldoen als ze terug kunnen vallen op een inkomen dat de kosten dekt. Een melkprijs die minimaal de (extra) kosten door opgelegd beleid en opgelegde eisen, compenseert. Daarover heeft de Europese Commissie nog niks concreet vastgelegd.
DDB 2021 december 9
Samenvatting EU-kerncijfers: In 2019 waren de melkproductiekosten, inclusief een passende vergoeding, in alle acht landen en in de EU gemiddeld lager dan de uitbetaalde melkprijzen (en dit is zonder rekening te houden met de gemiddelde netto-investeringen). De kosten lagen tussen 34,21 cent/kg in Ierland en 58,63 cent/kg in Litouwen, met 45,35 cent/kg als EU-gemiddelde. Dit betekent een kostentekort van 9% (Ierland) tot 51% (Litouwen), en 24% in de hele EU.
is zeer klein in verhouding tot een relatief vrij groot aantal gehouden koeien. Deense melkveebedrijven hebben de hoogste cijfers voor alle structurele indicatoren. Ierse melkveehouderijen hebben met een omvang van de veestapel die vergelijkbaar is met die van België en Luxemburg en een landoppervlakte dat vergelijkbaar is met die van België, een veel lagere melkopbrengst, wat te wijten is aan hun specifieke productiesysteem. De melkopbrengst van Litouwse boerderijen is 5.650 kilogram per melkkoe, wat dicht bij de Ierse waarden ligt maar het beschikbare landbouwareaal en het aantal gehouden melkkoeien liggen veel lager. Met Litouwen wordt voor het eerst een Oost-Europees land weergegeven in de kostenstudie. Vergeleken met de andere landen zijn de landbouwbedrijven relatief klein met een gemiddelde van gemiddeld 11 melkkoeien.
NEDERLAND In 2019 waren de productiekosten voor een kilo melk in Nederland 44,54 ct. Met een gemiddelde melkprijs van slechts 32,75 ct/kg hadden de bedrijven een tekort van 26% om hun kosten te dekken. Gemiddeld bedroeg de melkprijs over de afgelopen vijf jaren, tot 2019, 32,15 cent/kg. Samen met de EU-subsidies (1,80 cent/kg) behaalden Nederlandse melkveebedrijven een gemiddeld inkomen van 33,95 cent/ kg. Zij lagen dus 1,93 cent/kg onder de kosten van de input en de algemene kosten van productiemiddelen en algemene bedrijfskosten (operationele kosten, zonder arbeid). Deze waren gemiddeld 35,88 cent/kg de laatste vijf jaar. Het gemiddelde melkveebedrijf in Nederland genereert slechts een bedrijfsresultaat op het niveau van het bestaansminimum en leeft van de afschrijvingen. Sinds 2015 zijn de investeringen van Nederlandse melkveebedrijven dienovereenkomstig sterk gedaald. De inkomensbenadering voor de arbeidskosten van het familiebedrijf bedraagt 9,24 cent/ kg voor de laatste vijf jaar sinds 2015. De inkomensbenadering is gebaseerd op een gemiddeld uurloon van 24,00 euro (inclusief werkgeversdeel). De melkproductie kostenanalyse tussen acht EU-landen bevat veel belangrijke informatie en geeft inzicht in bedrijfsstructuren of in verschillen en overeenkomsten tussen overheidstoeslagen per kilogram melk. Terwijl Nederlandse melkveehouder in 2019 slechts een EU-toeslag (steun) per kilogram melk ontvangen van 1,58 cent, ontvangt een Luxemburgse melkveehouder 7,35 cent per kilogram. Dit verschil is te danken aan het feit dat de Nederlandse overheid slechts mondjesmaat de mogelijkheden benut, die “Brussel” biedt, terwijl de Luxemburgse overheid duurzaam en consequent investeert in haar melkveehouderijsector. Dat daardoor een ongelijk speelveld ontstaat (dat mogelijk door invoering van het nieuwe GLB-NSP nog groter wordt) tussen melkveehouders uit beide EU-lidstaten, moge duidelijk zijn. Maar ook zaken als gemiddelde pacht, gemiddelde netto-investeringen, de kosten- en melkprijsontwikkelingen over vijf jaar en de dekkings-tekorten zijn allemaal, in het Nederlands vertaald, terug te vinden in de studie op de site van de DDB: www.ddb.nu. De totale studie, met ook de individuele berekeningen van de andere zeven deelnemers aan de studie, zijn terug te lezen in het rapport op de site van de EMB: www.europeanmilkboard.org
Overheden kopen landbouwgrond Steeds vaker zien we dat overheden landbouwgronden opkopen. Kan dit zo maar en wat kan dit betekenen voor de grondprijzen? We nemen als voorbeeld het mooie en landelijke Alblasserwaard, welke weer valt onder het Waterschap Rivierenlanden. Het Waterschap koopt de laatste jaren met grote regelmaat landbouwgronden op. Zij doen dit op subtiele wijze, maar hebben zo al tientallen hectares weggekaapt voor de neus van plaatselijke boeren. Nadat gronden enkele maanden te koop staan en boeren zich hebben stuk gebeten op de hoge vraagprijs en vaak onwelwillende banken, wordt de grond opgekocht door het Waterschap. Door deze acties komt er steeds meer en meer een hoge bodem in de grondprijs. Makelaars hebben geen haast met het snel afronden van een verkoopopdracht, omdat er vaak een ‘onzichtbare koper’ op de markt is die blijkbaar met publieke middelen een hoge prijs wil betalen. Als de gronden in eigendom zijn, worden ze binnen afzienbare tijd aangeboden voor kortlopende pracht door middel van een openbare inschrijving, waardoor ze een onrealistisch hoge pacht opbrengen. Aan het gebruik van de gronden en de afstand van de pachter tot de percelen worden nauwelijks voorwaarden gesteld, hetgeen weinig bijdraagt aan duurzaam grondgebruik. Zo kan het gebeuren dat agrarisch natuurbeheer op percelen, per direct wordt stopgezet. Foei overheden…. Navraag en bestuderen van de website leert dat voorkomende projecten, zoals dijk- of kadeversterking, kan leiden tot grondaankopen in de directe omgeving maar ook op bedenkelijke verdere afstand van het uit te voeren project. Gronden dienen dan als tijdelijke ruilobjecten of, worden toegevoegd als natuurcompensatie of extra waterberging. Is het project afgerond en zijn de aangekochte gronden niet meer nodig, dan zouden ze weer worden verkocht kunnen worden
aan geïnteresseerde kopers, zo valt te lezen op de website van Waterschap Rivierenlanden. Maar is dit in de praktijk wel zo? Wie controleert dit? Navraag leert dat bestuurlijke goedkeuring is gegeven om 45 ha grond aan te kopen voor toekomstige kadeversterking in opdracht van de Provincie Zuid-Holland. De provincie kan ook opdrachten geven voor aankoop van extra gronden voor andere doelen, zoals voor ecologische verbindingszones, extra natuurontwikkeling of waterberging. De belofte dat grond weer in de verkoop gaat is zo erg onzeker, net zomin als de belofte dat aankoop door het Waterschap geen prijsopdrijvend effect mag hebben. Wie controleert dit…? Vooral stuitend is dat voor de grondaankopen hoogstwaarschijnlijk geld wordt gebruikt dat is geïnd als waterschapheffingen. Geld dat besteed zou moeten worden voor watermanagement en niet voor natuur- of biodiversiteit versterking. Geïnde gelden worden zo oneigenlijk gebruikt. En hoe inzichtelijk is dit allemaal en waar liggen wettelijke grenzen? De DDB wil de komende tijd dieper op deze transacties ingaan. Dit geldt uiteraard niet alleen voor Waterschappen maar ook voor ander overheidsingrijpen op de grondmarkt, die zeer verstorend kunnen werken op de gewenste transitie van de landbouw, waarbij beschikbaarheid van benodigde gronden belangrijk kan zijn. Ook zal de vraag beantwoord moeten worden waarom geen duurzaam grondgebruik wordt gestimuleerd maar men blijkbaar gaat voor de hoogste pachtopbrengst. Heeft u ook de indruk dat overheden bij u in de buurt, op oneigenlijke basis grond aankopen, of dat de grondprijs wordt opgedreven doordat overheden hoge prijzen bieden, laat het ons weten zodat de DDB hier de komende tijd gedetailleerder onderzoek naar kan doen.
DDB 2021 december 11
7e Actieprogramma nitraat, een regelrechte oorlogsverklaring Doelstelling van het 7e APN, zou het verbeteren van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit moeten zijn, om onder andere de derogatie binnen te halen. Het actieprogramma behoort daarnaast te voldoen aan de uitgangspunten van de ´goede landbouwpraktijk´ en mag het milieu niet extra belasten. Jammer genoeg voldoet het ontwerp daar niet aan. Het ontwerp ‘sloopt’ duizenden boerenbedrijven door de zeer hoge, niet terug te verdienen kosten voor de boeren die overigens nog niet in beeld zijn gebracht. Het ontwerp staat haaks op de Goede Landbouwpraktijk, betekent een verhoging van de milieu impact en werkt inefficiëntie en verspilling van kostbare grond en bodem in de hand.
WATERKWALITEIT In het overgrote deel van Nederland voldoet de grondwaterkwaliteit aan de norm (zelfs ruimschoots op klei- en veengrond): 50 mg/l. Slechts een paar regio’s in Nederland voldoen nog niet aan de norm. Zoals Zuid-Nederland, dat genoemd wordt als regio waar de afgelopen twee jaar het nitraatgehalte in het grondwater zelfs weer zou zijn gestegen. Dat droogte daaraan ten grondslag ligt, waardoor concentratie is ontstaan die in 2021 alweer is opgelost, vertelt de tekst er niet bij. De norm wordt op zandgrond vastgesteld op zomergemiddelden. Terwijl zomers in Zuid-Nederland de sloten – van oudsher - droog staan. Een gebiedsgerichte aanpak ligt voor de hand. Want hoe
zullen maatregelen in de bedrijfsvoering in bijvoorbeeld Nederland, ooit een gunstige invloed kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit in Zuid-Nederland. Demissionair Minister Schouten kiest in het eerste ontwerp echter voor generieke maatregelen. Waarmee duizenden boerenbedrijven zonder enig nut of noodzaak, met gigantische kosten opgezadeld worden.
KWEL Daarnaast wordt er geen enkele aandacht geschonken aan het feit dat in een aantal regio’s (West Nederland) de grondwaterkwaliteit sterk wordt beïnvloed door natuurlijke omstandigheden zoals kwel en andere fosfaatbronnen. In die regio’s zal het nitraatgehalte in het water nooit voldoen aan de norm, ook zónder landbouwactiviteiten niet. Deze informatie zal het Ministerie in Brussel aan moeten dragen, om onrechtvaardige maatregelen en economische schade voor de Nederlandse landbouwsector, te voorkomen.
GRENSSTREEK Voor oppervlaktewater in de grensstreek geldt, dat het water bóven de Nederlandse norm ons land in stroomt: de Nederlandse landbouw heeft daaraan part noch deel. Tijdens ons gesprek op LNV werd bevestigd dat er contact is met de buurlanden in verband met het te vervuilde oppervlaktewater. Echter, de demissionaire Minister heeft kennelijk nog
Eind september 2021 werd het “Ontwerp voor het “7e Nederlandse actieprogramma over de Nitraatrichtlijn 2022 - 2025” gepubliceerd door het Ministerie van LNV. De reacties van boerenbelangenbehartigers was op zijn zachtst gezegd, niet mals. De DDB noemde het ”een regelrechte oorlogsverklaring” aan de boeren van Nederland. Een recordaantal van meer dan 3600 boeren en organisaties, stuurde een reactie in op het 7e APN tijdens de opengestelde internetconsultatie. Sinds de publicatie is er sprake van een collectief verzet van alle landbouwbelangenorganisaties tegen het nu voorliggende ontwerp dat een direct gevaar vormt voor het voortbestaan van duizenden boerenbedrijven in de akkerbouw- en melkveesector. Inmiddels heeft de DDB in een gesprek met Team Mest van het ministerie van LNV, haar bezwaren besproken en adviezen en suggesties aangedragen.
onvoldoende succes geboekt bij het sommeren van onze buurlanden om hun waterkwaliteit op orde te brengen. De verantwoordelijkheid voor deze waterverontreiniging, mag echter niet op het bord van de boeren belanden!
RIOOLWATER Geen enkele waterzuiveringsinstallatie in Nederland, zuivert 100% van het aangeboden rioolwater: veel van de installaties zuiveren maximaal tot driekwart van het aangeboden rioolwater. De rest wordt structureel (niet voldoende) gezuiverd, geloosd op het oppervlaktewater. En ook na hoosbuien – die steeds vaker voorkomen – raakt veel verontreinigd water uit de riolen, ongezuiverd op het oppervlaktewater.
BUFFERSTROKEN In het 7e APN wordt de maatregel aangekondigd om wel tot 5 meter van het land, grenzend aan alle boerensloten aan het teeltplan en de mestruimte te onttrekken. Daarmee verlies je als boer inkomen. Lasten (zoals waterschapsof financieringslasten, mestafvoerkosten) houd je wel. Bufferstroken zijn niets meer of minder dan een vorm van onteigening en inperking van je vergunning.
GRONDGEBONDENHEID Een groot deel van de melkveebedrijven verliest door deze onteigening, zijn grondgebondenheid. Een forse kostenverhoging want óf je krimpt je veestapel in, of je moet extra grond pachten of kopen.
GANZEN
VERPLICHTE MESTVERWERKING.
In Nederland is de ganzenpopulatie sinds 1975 – het jaar dat de opvangdoelstellingen zijn geformuleerd – vertienvoudigd. De opvangdoelstellingen werden vastgelegd op basis van de ecologische draagkracht van de Natura2000 gebieden. Ook die ecologische draagkracht wordt inmiddels met honderden procenten overschreden. De gigantische vracht ganzenmest in het oppervlaktewater en in Natura2000 gebieden, is een constante en groeiende vervuilingsbron die ten onrechte buiten beeld is. Voor meer informatie: Zie QR-Code Ganzen.
Iedereen die door bufferstroken zijn grondgebondenheid verliest, wordt verplicht al zijn mest af te voeren naar mestverwerkers. Een regel die niéts te maken heeft met de Goede Landbouwpraktijk. Allereerst zal de bodemkwaliteit eronder lijden, terwijl de milieukundige-voetafdruk van het afvoeren en bewerken van zoveel mest, onbenoemd blijft.
FOSFAAT Van een fosfaatoverschot in de bodem is nu al geen sprake meer. De bodemvoorraad staat nagenoeg op
DDB 2021 december 13
nul. Een verdere afname zal direct invloed hebben op de bodemvruchtbaarheid en diergezondheid, waardoor de regeling in grote gebieden van Nederland, negatieve effecten zal hebben in plaats van positieve.
RUST- EN VANGGEWASSEN Ondanks het feit dat de waterkwaliteitsdoelen in het overgrote deel van Nederland worden gehaald, wordt het vanaf 2023 overal in Nederland verplicht om elke vier jaar een slecht-renderend ‘rustgewas’ (zoals granen) te telen in het bouwplan. Vanaf 2027 zelfs elke drie jaar. Deze verplichting gaat ten koste van de teelt van financieel interessantere gewassen zoals aardappelen en suikerbieten. En gaat, opnieuw, ten koste van het inkomen van boeren. Terwijl de kosten toenemen. Of de teelt van een rustgewas vervolgens, ook maar iets bijdraagt aan het voorkomen van nitraatuitspoeling, blijft onbenoemd. ‘Vanggewassen’ mogen straks alleen nog in het voorjaar worden ondergewerkt waardoor bijvoorbeeld gras onvoldoende verteert in de bodem, waardoor er weer extra bemest moet worden. Ook dit werkt kostenverhogend en contra productief. Door deze ‘kalenderlandbouw’ gaat ook het positieve effect dat vorst kan hebben op de bodemstructuur of het voorkomen van bijvoorbeeld aardappelziektes, verloren.
KALENDERLANDBOUW In plaats van aanpassingen die rekening houden met de veranderende weersomstandigheden, introduceert demissionair Minister Schouten nog meer peildatums. Dat is niet met elkaar te rijmen. Boeren passen zich aan, aan de weersomstandigheden om zo schade aan het land (spoorvorming) te voorkomen en een optimaal gewas (qua opbrengst en kwaliteit) te oogsten. Suikerbieten, aardappelen (of maïs) worden over het algemeen pas geoogst ná 1 oktober. Dát is de praktijk! Met het voorstel van Kalenderlandbouw, bewijst LNV geen idee te hebben van de praktijk.
om te voldoen aan de maatregelen in dit actieprogramma. En waarom krijgen we geen compleet overzicht van LNV over waar we die overschotten vinden? Over welke regio’s hebben we het? Ondernemers onteigenen en zware verplichtingen opleggen zonder dat daar een zwaarwegende maatschappelijke óf milieukundige reden voor is, ís daarbij onrechtmatig. De landbouwsector gaat de laatste jaren gebukt onder een (demissionair) Minister en een Ministerie dat beleid opstelt dat volstrekt niet integraal is. Terwijl dat juist noodzakelijk is: integraal gebiedsgericht beleid en géén generiek beleid. Wéér gaat het Ministerie op de stoel van de boer zitten – terwijl ze daar duidelijk geen kaas van hebben gegeten. Wordt ingegrepen op de mogelijkheid voor boeren, om rantsoen en teeltplan goed op elkaar af te stemmen. Wordt alle innovatie en transitie in de landbouwsector, gefrustreerd. Dit is geen doelen-beleid maar een middelen-beleid!
ECONOMISCHE EFFECTRAPPORTAGE Een economische effectrapportage, die inzichtelijk maakt wat de financiële gevolgen zijn voor de betrokken landbouwbedrijven, ontbreekt. Onhaalbare, ineffectieve wetgeving die ernstige economische gevolgen heeft voor één beroepsgroep, behoort niet gepubliceerd te worden – ook niet als ontwerp. Daarmee is alleen onrust en verzet ontstaan. Vragen die essentieel zijn, zoals wat de (financiële) consequenties zijn van de afname van de beschikbare grond door de bufferstroken, de opgelegde rustgewassen, voor de mestmarkt, blijven onbeantwoord. Evenals de vragen of dit plan überhaupt uitvoerbaar is en welke relatie deze plannen hebben tot de gewenste kringlooplandbouw. De doelstellingen voor de Green Deal en Farm2Fork-strategie worden genoemd. Terwijl al sinds januari duidelijk is, dat de GD/F2F zal leiden tot meer honger in de wereld, het sterk reduceren van boerenbedrijven en voedselproductie in Europa en géén positief effect zal hebben op de natuur of op de klimaatdoelen.
MIDDELENBELEID EN GEEN DOELENBELEID Bovenstaande maatregelen hebben weinig van doen met het behalen van de waterkwaliteitsdoelen. Het enige wat ze veroorzaken is dat ze boeren demotiveren. Want als het om de waterkwaliteit zou gaan, waarom is er dan geen uitzondering voor gebieden waar het wél goed gaat? Want in het overgrote deel van Nederland is de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater al ruim onder de norm. In plaats van dat te belonen, worden alle boeren in iedere regio verplicht
CONCLUSIE Er is geen draagvlak voor dit 7e Actieprogramma nitraat onder de boeren. De DDB heeft het ministerie van LNV, Team Mest aangeraden om samen en constructief, met de boeren naar oplossingen te zoeken die recht doen aan de boeren, hun eigendommen en de onvervreemdbare rechten die ze hebben via hun vergunningen! Dit Ontwerp 7e APN mag opnieuw naar de tekentafel.
Ganzen
Jan Aantjes
Een zonneweide… U is het misschien ook al overkomen. U krijgt een prachtige brochure in de brievenbus, met een aantrekkelijk aanbod voor de aanleg van een Zonneweide op uw landbouwgrond. Dan zijn er twee opties: u gooit het direct bij het oud papier, of uw nieuwsgierigheid is gewekt. Het laatste is niet onbegrijpelijk, want er wordt een mooie voorstelling van zaken gedaan met zicht op hoge vergoedingen én een hoog rendement. Maar let op, veelal worden deze vergoedingen mooier voorgespiegeld dan ze in werkelijkheid zijn, om u te verleiden tot het tekenen van een intentieovereenkomst. Vaak zijn de voorgestelde bedragen te hoog en niet realistisch, maar na het tekenen van een intentieovereenkomst heeft u al een overeenkomst met een partij aan uw broek. Waarom zijn deze bedragen vaak te hoog? Gewoon, om u over de streep te trekken. Later gaat men corrigeren voor ligging, afstand tot elektriciteit verdeelstation, enzovoort, wat leidt tot een lager vergoedingsbedrag. En dan zijn er nog meer zaken waar u rekening mee dient houden. Denk hierbij aan gevolgen voor de landbouwvrijstelling. Hoe om te gaan
met de situatie als u de onderneming staakt (een contract heeft meestal een duur van 25 jaar), wat is het effect op uw betalingsrechten en de grondgebondenheid? Vervolgens is het ook van groot belang om andere dingen aan de voorzijde goed te regelen, zoals, bijvoorbeeld, wie onderhoudt de grond rond het zonnepark en staat daar een vergoeding tegenover? Maar vooral, hoe wordt de grond na het beëindigen van het contract weer opgeleverd? Kortom allemaal zaken waar u rekening mee moet houden en die ook van invloed zijn op het rendement. Dus, schroom niet om u goed te laten informeren door uw accountant of een onafhankelijk adviesbureau, alvorens ook maar iets te ondertekenen! Overigens is en blijft de DDB voor behoud van vruchtbare landbouwgrond voor de landbouw!
DDB 2021 december 15
Het nieuwe GLB en ons Nationaal Strategisch Plan (NSP) Het Nationaal Strategisch Plan (NSP) is de Nederlandse invulling van het nieuwe GLB. Eind 2020 is het NSP op hoofdlijnen gepresenteerd. In de tweede helft van 2021 zouden meer details bekend moeten zijn, bijvoorbeeld de verdeling van de budgetten. In een notendop ziet u onderstaand de opbouw van het nieuwe GLB als voorzien in 2023. Dat wil zeggen, het NSP, de Nederlandse invulling (het GLB-NSP is een samenwerking van het IPO, LNV en Unie van Waterschappen).
aanpak voor specifieke problemen die verder gaan dan één bepaald perceel of bedrijf. Ook vallen hier de subsidies voor jonge boeren, investeringen en kennisontwikkeling onder.
ECOREGELINGEN EN PUNTENSYSTEEM In de binnenste cirkel is de basispremie te zien. Dat is de kern van het GLB, zoals we dat al jaren kennen. In het nieuwe GLB vallen hier ook de conditionaliteiten onder. Om de binnenste cirkel is een nieuwe cirkel ontstaan, die van de eco-regeling. Eco-activiteiten zijn maatregelen die boeren kunnen toepassen op hun percelen en dragen bij aan vijf doelen: bodem, water, klimaat, landschap en biodiversiteit. De basispremie en eco-regelingen zijn bedoeld om individuele ondernemers te ondersteunen. Om deze beide cirkels staat de cirkel van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). In deze cirkel werken boeren succesvol samen aan natuurbeheer in een bepaald gebied. Maar wat als het gebied waarin uw bedrijf gelegen is, door de provincies NIET is ingetekend in het Natuur Beheer Plan als kansrijk ANLb-gebied en u geen meerjarige pakketten kunt afsluiten? En wat als u WEL binnen de ANLb-begrenzing binnen uw provincie bent ingetekend, is er dan voldoende budget om alle geïnteresseerden mee te laten doen? Of is er dan nog een “ecologische afweging” die gemaakt wordt door de 40 collectieven in Nederland omdat het budget bij lange na niet voldoende is om iedere boer te laten deelnemen? In de vorige GLB-periode was ongeveer 30% van de landbouwgrond ingetekend om mogelijk ANLb-pakketten af te sluiten voor de duur van 6 jaar waarbij er budget was voor het bedienen van ongeveer 8% van geïnteresseerde boeren. Tot slot is er de buitenste cirkel. Hier zien we de niet-grondgebonden instrumenten. Denk aan gebiedsgerichte
Boeren maken aanspraak op de basispremie voor duurzame landbouw als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dit wordt conditionaliteit genoemd, om in aanmerking te komen dient u aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Daarna kiest u voor een eco-activiteit die past bij uw bedrijf. Elke prestatie levert punten op, meer punten betekent meestal meer subsidie. Omdat iedere regio zijn eigen uitdagingen kent, is waar je op kunt scoren regionaal maatwerk. Het idee achter dit systeem is om boeren zoveel mogelijk keuzevrijheid te geven. Vrijheid om mee te doen en vrijheid om te kiezen voor de maatregelen die het beste passen bij hun bedrijf. Daardoor kunnen boeren zelf bepalen hoe zij verduurzamen en houden ze tegelijkertijd grip op hun bedrijfsvoering en hun portemonnee, is het idee. Bij dit systeem zouden bij een eco-regeling ook marktpartijen KUNNEN aansluiten. Zo kan de beloning voor de boer worden gestapeld en kan er een verdienmodel ontstaan (stapelen mag als het publiek geld gecombineerd met privaatrechtelijk geld betreft).
GEBIEDSGERICHTE AANPAK De aanpak is het meest effectief als dit gebiedsgericht gebeurt, volgens de Overheid. Een voorbeeld van een gebiedsgerichte aanpak is het ANLb (agrarisch natuur en landschapsbeheer). Het nieuwe GLB steunt gebiedsopgaves, bijvoorbeeld door middel van subsidies. Daarvoor is het nodig om subsidieaanvragen aan te laten sluiten bij de plannen die in een gebied gemaakt worden.
In de huidige implementatie-periode van het GLB moeten boeren voldoen aan diverse wettelijke eisen om de directe grondgebonden betalingen van de eerste en tweede pijler aan te kunnen vragen. In de voorstellen van de Europese Commissie voor de nieuwe implementatieperiode van het GLB moeten de lidstaten voorstellen doen om deze eisen nog meer inhoud te geven; dit wordt de verhoogde conditionaliteit genoemd. Dit onderzoek analyseert wat verschillende varianten van verhoogde conditionaliteit inhouden voor de bedrijfskosten van een aantal representatieve bedrijfstypen in de Nederlandse landbouw. Op deze wijze wordt verkend bij welke minimale hoogte van de basistoeslag het voor een bedrijfstype gemiddeld nog uit kan om aan de eisen van conditionaliteit te voldoen. Daarmee kan een beeld verkregen worden van het bereik en de effectiviteit van de conditionaliteitseisen.
TIJDSPAD
STAND VAN ZAKEN GLB-NSP Lees hier de informatie die tot nu bekend is: RVO (Zie QR-Code RVO.) Los van de voorgenomen inhoud en de Nationale uitwerking, is de overgang naar het nieuwe GLB in vertraging gekomen. De besluitvorming in Nederland over het Nationaal Strategisch Plan, de Nederlandse invulling van het nieuwe GLB, wordt steeds weer uitgesteld. Dit hangt ook samen met de coalitie-onderhandelingen tijdens de kabinetsformatie, waar de landbouwsector, het stikstofdossier en de gebiedsgerichte aanpak thema een belangrijk onderdeel van zijn. De ingangsdatum van 1 januari 2023 blijft tot nu toe wel overeind. De overgangsperiode is in januari 2021 ingegaan. 1 Januari 2023 moet het nieuwe GLB - de nationale invulling daarvan ingaan. Veel is nog onduidelijk, de overheveling van Pijler I naar Pijler II, gebiedsgerichte aanpak en voorwaarden, de invulling van de eco-regelingen. Ook de eerdergenoemde conditionaliteiten en niet te vergeten het Ontwerp 7de Actieprogramma Nitraatrichtlijn dat definitief vorm gaat krijgen en onlosmakelijk met het nieuwe GLB-NSP wordt verweven. RVO
DDB 2021 december 17
?
Is GWP* echt ‘wazige wiskunde’ Beslis zelf maar Is de rundvleesindustrie op een meetmethode uitgekomen die haar eindelijk een rooskleurig beeld geeft? Is er een nieuw meetsysteem dat de sector vrijpleit van de schuld van de opwarming van de aarde? En zo ja, is het allemaal te mooi om waar te zijn? Frank Mitloehner Volgens een recent artikel in Bloomberg Green beweert de auteur dat de GWPster (GWP*), die volgens sommigen een verbeterde manier is om het opwarmingseffect van broeikasgassen te meten, een zoethoudertje is voor methaan-producerende sectoren zoals de dierlijke landbouw. In feite zouden de rundvlees- en zuivelsector, wel eens ‘een hoefje in samenzweringswateren kunnen hebben gezet’ met de meetmethode die ons door de Universiteit van Oxford wordt aangereikt. Als u dit leest, weet u waarschijnlijk dat het gesprek over koeien en klimaat omstreden is. Het is vaak beladen en emotioneel, en dat is te verwachten. Dat is wat er gebeurt als discussies raken aan zaken die zeer persoonlijk zijn en doordrenkt van tradities. Van onze cultuur tot onze rituelen en van onze opvoeding tot onze gezondheid: voedsel is zoveel meer dan voeding. Het speelt ook een rol in ons milieu, en als we het over rood vlees hebben, is dat waar de discussie meestal begint. Ik heb mijn professionele leven gewijd aan het verminderen van de milieu-impact van dierlijke landbouw. Hoewel ik geen klimaatwetenschapper ben, concentreert een groot deel van mijn werk zich op het kwantificeren van broeikasgassen van
rundvee en andere landbouwdieren. Daarom is mijn Twitter-naam @GHGGuru en niet @ ClimateGuru (die toevallig een advocaat is voor de National Wildlife Federation – moet je nagaan). Het hele jaar door kun je me vinden op boerderijen of in een van onze faciliteiten aan UC Davis, waar ik toezicht houd op de meting van broeikasgasemissies van vee. De informatie die we in het laboratorium en op ranches verzamelen, is van cruciaal belang om te bepalen hoe de veestapel ons klimaat opwarmt. Een ander belangrijk stukje van de puzzel is een methode die ons helpt te bepalen hoeveel opwarming wordt veroorzaakt door de emissies die we meten. Ik ben al lang een voorstander van GWP* als een methode die de impact van methaan op de temperatuur op aarde goed weergeeft. De oude stand-by metriek is GWP100. Die heeft lang dienstgedaan, maar ik ben het eens met wetenschappers die beweren dat die altijd tekort is geschoten bij de beoordeling van methaan. Dat komt omdat methaan niet simpelweg een sterkere versie van kooldioxide
is, zoals GWP100 suggereert. Het is een totaal ander ‘wezen’, en het gedraagt zich anders in de atmosfeer. Ik heb het al eerder gezegd en ik zal het blijven zeggen: Methaan is een krachtig broeikasgas dat we moeten verminderen. Als de methaanuitstoot toeneemt, stijgt de temperatuur vier tot vijf keer meer dan wat de GWP100 schatting aangeeft. Als de uitstoot over 10 jaar vrijwel stabiel is, zal de temperatuur ook stabiel zijn. Dat komt doordat methaan na een decennium in de atmosfeer wordt vernietigd via hydroxyloxidatie (een term die ik kennelijk graag gebruik). Als de methaanemissies aanzienlijk dalen, zullen we afkoeling zien, omdat de hogere emissies van gisteren, worden vernietigd en niet volledig worden vervangen.
Dit werd allemaal opgemerkt in het recente IPCC AR6 Climate Change 2021: The Physical Science Basis rapport in hoofdstuk 7 (zie afbeelding regels 20 tot en met 24):
Vertaling van bovenstaande tekst, afkomstig uit het laatste IPCC rapport: Hoofdstuk 7 vanaf regel 15: “Cumulatieve CO2-emissies en op GWO* gebaseerde cumulatieve CO2equivalenten van broeikasgassen (BKG), vermenigvuldigd met TCRE, benaderen de opwarming van de aarde die samenhangt met de tijdreeksen van emissies (respectievelijk van CO2 en BKG) vanaf het begin van de tijdreeksen (Lynch et al. 2020). Zowel de CGTP als het GWP* zetten veranderingen in het emissietempo van kortlevende broeikasgassen om in cumulatieve CO2-equivalent emissies, zodat de schaal ervan door TCRE een directe omzetting oplevert van kortlevende broeikasgasemissies, in veranderingen in de temperatuur aan het aardoppervlak. Ter vergelijking: door methaanemissies uit te drukken als CO2-equivalenten met gebruikmaking van GWP-100 wordt het effect van constante methaanemissies op de mondiale oppervlaktetemperatuur over een tijdshorizon van 20 jaar met een factor 3-4 overschat (Lynch et al. 2020, hun figuur 5), terwijl het effect van elke nieuwe bron van methaanemissies over de 20 jaar na de invoering van de nieuwe bron, met een factor 4-5 wordt onderschat (Lynch et al. 2020, hun figuur 4). “ In het recente Bloomberg-artikel wordt GWP* een “vage methaanwiskunde” genoemd, en wordt beweerd dat de rundvleessector zich eraan heeft vastgeklampt om de schijn van zijn impact op het milieu te verminderen. Tegelijkertijd wordt in het artikel uitgelegd waarom het de moeite waard kan zijn om eens naar een andere methode dan GWP-100 te kijken: Vanwege de lange levensduur van kooldioxide leidt elke ton die wordt uitgestoten tot een toename van de hoeveelheid gas die zich in de atmosfeer ophoopt. In 2020, toen een groot deel van de wereld op slot zat, daalden de emissies, maar steeg de CO2concentratie. Omdat methaan sneller wordt afgebroken, stapelt het zich niet op dezelfde manier op. Er is slechts een bescheiden verlaging van de methaanuitstoot nodig om de methaanconcentratie in de atmosfeer
te doen dalen en de opwarming te doen afnemen. Dit belangrijke verschil wordt door de huidige klimaatboekhouding over het hoofd gezien. Op het gevaar af het voor de hand liggende te beweren, is het verminderen van de methaanuitstoot een voordelige en noodzakelijke stap in de strijd tegen de opwarming van de aarde en de klimaatverandering. De effecten daarvan worden echter niet nauwkeurig gemeten met GWP-100. In een tijd waarin het nog nooit zo belangrijk is geweest om onze broeikasgasemissies te verminderen, weten we dus niet goed of we een verschil maken en hoeveel verschil we maken. Onlangs heb ik samen met Dr. Sara Place, chief sustainability officer bij Elanco Animal Health, een witboek gepubliceerd waarin we erop wijzen dat zowel de zuivelsector als de rundvleessector de methaanuitstoot met 18% tot 32% moeten terugdringen en daarnaast de uitstoot van kooldioxide en stikstofoxide aanzienlijk moeten verminderen om het punt te bereiken waarop de sector niet langer bijdraagt aan de opwarming van de atmosfeer. Dat is geen creatief boekhouden; het is een hoop hard werken voor de sector. En het eindigt niet met klimaatneutraliteit (geen opwarming). Dat wil zeggen, wanneer producenten die mijlpaal bereiken, kunnen ze beginnen hun historische opwarming in te perken door de uitstoot verder te verminderen. Voor sectoren
zoals de vervoersector, die veel fossiele brandstoffen verbruiken, is koolstofneutraliteit overigens het beste waarop we kunnen hopen. De mogelijkheid om meer te doen door methaanreductie is reëel en haalbaar, hoewel het niet gemakkelijk zal zijn. We kunnen de weg uitstippelen naar klimaatneutraliteit voor de dierlijke landbouw met behulp van GWP*, een metriek die geschikt is voor het doel. En we kunnen daar geraken, terwijl we nog steeds een groeiende bevolking voeden. Dat wil niet zeggen dat de nieuwe metriek de alfa en omega is. Zoals het Bloombergartikel aangeeft, heeft GWP* een ingebouwd vooroordeel ten gunste van producenten op elk niveau, zelfs als die productie enorm is. De kwestie van eerlijkheid is er een die moet worden aangepakt. Het mooie van de wetenschap is ons vermogen om voortdurend voort te bouwen op ontdekkingen en deze te verbeteren. In de tussentijd zullen de wetenschap en de fysica van methaan niet veranderen, en we kunnen het ons niet veroorloven om te wachten met het verminderen van onze emissies terwijl we debatteren over de rechtvaardigheid van GWP*. Weersta, in het belang van onze planeet, de drang om op de afbraakcultuurwagon te springen, en geef de dierlijke landbouw de ruimte die nodig is om een verschil te maken.
Extra gedachten Dr. Dave Frame, directeur van het New Zealand Climate Change Research Institute en auteur van het Intergovernmental Panel on Climate Change, bracht op Twitter een goed punt naar voren (en nog een hier) over de eerlijkheid van het gebruik van GWP*, genoemd in het Bloomberg artikel. Hij breidde zijn punt hier uit: “GWP* beloont gelijkblijvende productie als je begint met het tellen van de emissies vanaf het moment dat de productie gelijk was, maar niet als je de analyse eerder begint. Ook wordt er vaak van uitgegaan dat GWP* het enige signaal in het beleid moet zijn, en ik denk niet dat dat een gegeven is. Je zou een kleine heffing kunnen opleggen voor emissies (die overeenkomt met de opwarming van de aarde als gevolg van die emissies), en een grote heffing voor het niet halen van de emissiereductiedoelstellingen. Op die manier zou je een stijgende bodem en een dalend plafond hebben, en omdat er een prijs op emissies zou staan (en niet alleen op de snelheid waarmee de emissies veranderen), zou je niemand een vrijbrief geven”. - Dr. Dave Frame, @ClimateFramo
DDB 2021 december 19
Is de koe een klimaatkiller? Op 26 november 2021, verscheen in Topagrar een interessant interview met Dr. Windisch.
Hij is hoofd van de afdeling diervoeding aan de Technische Universiteit van München. Aan professor Windisch werd de vraag gesteld of de koe een klimaatkiller is en of we ons de veeteelt nog kunnen veroorloven. In verband met de klimaatcrisis, milieubescherming, het dierenwelzijn. Daarnaast nog de schaarste aan land en een groeiende wereldbevolking: is het houden van vee nog verantwoord of is een veganistisch dieet de oplossing? Voor Prof. Dr. Wilhelm Windisch is het duidelijk: we hebben een verstandige combinatie van beide nodig. Volgens professor Windisch is de koe zeker geen ‘klimaatkiller’, een koe is klimaatneutraal, stelt de professor, omdat het methaan dat een koe produceert in betrekkelijk korte tijd weer wordt afgebroken en de koolstof wordt opgenomen door voedergewassen. Dat is een cyclus. Natuurlijk, bevestigt Windisch, is methaan een broeikasgas: “Maar we moeten onderscheid maken tussen het produceren van extra emissies en het constant houden van emissies. Methaan is een bijzaak in het klimaatdebat. Veel belangrijker is de vraag hoe moet worden omgegaan met eetbare of niet-eetbare biomassa als diervoeder”.
WELKE ROL SPEELT NIET-EETBARE BIOMASSA IN DE KLIMAATDISCUSSIE? Landbouw produceert geen voedsel, maar biomassa, aldus professor Windisch. Slechts een klein deel ervan is eetbaar. Of anders gezegd: 1 kg veganistisch voedsel levert minstens 4 kg niet-eetbare biomassa op. Deze onvermijdelijke biomassa is bijvoorbeeld het stro in de graanteelt of het klavergras in de vruchtwisseling. Daarnaast is er het absolute grasland en de grote hoeveelheden niet-eetbare bijproducten van industriële verwerking. Het belangrijkste doel van de landbouw is dan ook de instandhouding van de nutriëntenkringloop. Landbouwhuisdieren zijn gerechtvaardigd als zij nieteetbare biomassa gebruiken als secundaire recyclers en wij deze voedingsstoffen vervolgens terugbrengen naar het veld. Daarom zijn vleesproductie en veganistische voeding geen tegenpolen, maar een verstandige en noodzakelijke combinatie, vervolgt professor Windisch. Op de vraag of dat betekent dat we boerderijdieren nodig hebben om het klimaat te redden, is de professor ook duidelijk: Als we de emissies beperken tot de hoeveelheid die afkomstig is van onvermijdelijke biomassa, zitten we in een cyclus. Je kunt het ook
zo zien, dat herkauwers quasi veganistisch eiwit produceren. Namelijk uit niet-eetbare biomassa. Op die manier leveren zij voedsel zonder te concurreren met menselijke voeding. Zonder herkauwers zouden we meer veganistisch voedsel moeten produceren, zouden we daarvoor meer landbouwgrond en energie nodig hebben, en zouden we meer niet-eetbare biomassa produceren die niet volledig zou kunnen worden benut. Daarom is het goedkoper om een bepaalde hoeveelheid methaanuitstoot te accepteren: We hebben een bepaald minimumaantal herkauwers nodig!
Herkauwers produceren veganistische eiwitten uit niet-eetbare biomassa. Ook gaat de professor in op de rechtvaardiging van het gebruik van soja van overzee of kuilmaïs in een dergelijke circulaire economie. Volgens de professor moet je naar het hele systeem kijken. Extra krachtvoer is bijvoorbeeld zinvol op het hoogtepunt van de lactatie van een koe, zodat zij het ruwvoer optimaal kan benutten. Dergelijke concentraten bestaan bij voorkeur uit niet-eetbare biomassa, zoals raapzaadextractieschroot en bietenpulp, stelt hij. Maar hij twijfelt aan de teelt van kuilmaïs, dat zou kunnen gaan in de richting van voedselconcurrentie met de mens. Omdat er alleen veevoer en geen voedsel wordt geproduceerd. Dit doorbreekt de circulaire economie en de dierlijke productie moet de volle verantwoordelijkheid nemen voor de ecologische gevolgen, vindt hij. Een kuilmaïsoogst met granen als voedsel zou heel anders moeten worden beoordeeld. Voor Nederland is van dat laatste nauwelijks sprake: In Nederland wordt grotendeels snijmaïs verbouwd op hectares die, in verband met de Nederlandse bodemen klimaatomstandigheden niet geschikt zijn voor het produceren van granen voor menselijke consumptie. En ook de granen die aan vee worden gevoerd, zijn meestal slechts geschikt voor dierlijke consumptie. Nederlandse hectares zijn slechts heel beperkt geschikt voor de verbouw van suikermaïs of korrelmaïs voor humane consumptie. Uit korrelmaïs wordt overigens veel zetmeel gehaald voor humane consumptie, de maïsgluten zijn daarvan het restproduct en dit restproduct gaat vervolgens weer naar de veehouderij. Waarmee de Nederlandse veestapel opnieuw extra voedsel produceert met voor de mens onbruikbare reststromen.