Issuu on Google+

1  Een publieke herinnering

Mensen hebben een versterkte behoefte aan geschiedenis als zij ervaren dat hun samenleving aan grote veranderingen onderhevig is. Zij gaan op zoek naar observatiepunten in het verleden die uitzicht geven over het oerwoud van de tijd. Het hiermee verkregen historisch perspectief is bedoeld om duiding aan de eigen tijd te geven en eventuele collectieve trauma’s te verwerken.1 Vandaag de dag wordt graag teruggekeken op de jaren negentientachtig. Retro-disco’s leveren de soundtrack, Zwagerman schuift gezellig aan om nog meer gimmick van zijn Gimmick! te maken, er zijn filmpjes over Lubbers, krakers, Doe Maar en Live Aid, en de panelleden besluiten dat de crisis, het kabinet en de mode van nu veel lijken op die van toen. Ze praten nog wat na over het inbreekgedrag van Wijnand Duyvendak en het verzwegen psp-lidmaatschap van Rita Verdonk en er worden stickers met ‘fout in de jaren tachtig’ uitgedeeld die kijkers uiteraard ook op hun facebookprofiel kunnen plakken. Matthijs van Nieuwkerk rondt af: ‘[...] en de rest is geschiedenis.’ Zodra iets geschiedenis is of kan worden zouden historici in actie moeten komen. Maar de jaren tachtig vormen vooralsnog een zwart gat. Het zwarte gat is een direct gevolg van twee supernova’s die zich eerder in de twintigste eeuw voltrokken. Wereldoorlogen en de afrekening met deze catastrofes enerzijds en de politieke en bestuurlijke vernieuwingen vanaf 1945 anderzijds deden West-Europa en Noord-Amerika uiteindelijk voorkomen als welvarende en voorbeeldige democratieën. 7


De kracht van deze supernova’s leek eind jaren 1970 op te zijn, maar het is vooralsnog onduidelijk wat hier precies op volgde. Net als bij zwarte gaten: je hoeft geen astronoom te zijn om te weten dat deze na supernova’s ontstaan, maar tegelijkertijd kan niemand precies vertellen wat zwarte gaten zijn. Behalve dat zij licht en tijd vervormen en een hoge dichtheid en aanzuigende werking hebben en dit alles is ook het geval met de jaren 1980. Iedereen, ook wie deze periode niet eens beleefde, heeft een beeld van de jaren tachtig. Dit beeld ontstond al in het decennium zelf, want de jaren-tachtig-mensch had eveneens grote behoefte de maatschappelijke veranderingen van zijn eigen tijd historisch te duiden. Maar het beeld was en is niet stabiel: de duidingen waren en zijn voor een groot deel gebaseerd op eigen ervaringen. Deze zorgen ervoor dat de jaren tachtig integraal deel blijven uitmaken van maatschappelijke verwerking en publieke herinneringen die het lastig maken om de periode afstandelijk te analyseren. Historici nemen in zo’n geval vaak liever nog wat meer afstand en wachten af. Maar als historici nu helemaal niets opschrijven dan komt de afrekening met de jaren tachtig en de decennia daarna in handen van elites, autonomen en patjepeeërs die het toen meemaakten en die nu media, beleid en lawaai maken. De herinnering aan de jaren tachtig is afhankelijk van hun waardering, herinnering en bronnenselectie van het verleden. Deze interpretatie gaat onvermijdelijk gepaard met vervorming, waarin de autoriteit van de eigen ervaring de geschiedenis van deze periode dreigt te bepalen.

Generatie fictie Een vergelijkbare vervorming heeft de geschiedenis van en over de jaren zestig gedomineerd en deels verpest. Zo duurde 8


het in Nederland tot 1995 voordat historici met afstand tot het onderzoeksobject de eerste geschiedenisboeken over deze periode afrondden. Maar toen was het eigenlijk al te laat. In de jaren zestig hadden nieuwe vormen van massamedia zoals televisie en populaire pers veel publiek gezag verworven en zij waren de conditio sine qua non voor de veranderingen die toen plaatsvonden, maar ook van de reputatie die deze perio­ de achteraf verwierf. De media speelden de rol van ‘dempers, vervalsers en “contrarevolutionairen” door de jaren zestig te mystificeren, te vervalsen en tot “spectacle” te reduceren’.2 Het gevolg is dat de jaren zestig als een radicaal breukvlak bleven gelden terwijl er ook iets voor te zeggen valt deze in de jaren veertig, vijftig, zeventig of tachtig te zoeken of het bestaan van breukvlakken in zijn geheel te ontkennen en juist continuïteiten te benadrukken. Een ander gevolg van de vervorming is dat de jongeren van de jaren zestig, ‘de’ babyboomers, vaak de schuld hebben gekregen van alles wat er mis is in de wereld.3 Dit is begrijpelijk, want het is verleidelijk om zich tegen een oudere generatie af te zetten zodra een situatie in het heden onwenselijk is en het is nuttig omdat het groepsvorming bevordert. Iets soortgelijks is nu ook aan de orde in het publieke debat over de jaren tachtig, dat volgens Bas Heijne bijvoorbeeld om de wraak op ‘de krakersgeneratie’ en ‘de generatie van 80’ draait.4 Ik denk niet dat het erg zinvol is de jaren tachtig als ‘clash of generations’ te benaderen. Generaties zijn immers niets meer dan fictie; verhalen over groepen leeftijdgenoten die in werkelijkheid niet bestaan. Deze fictie is op zichzelf heel realistisch en belangrijk voor het vormen van vragen en oordelen over anderen en andere tijden. Maar het blijven verhalen, ‘often created simply to suit the needs of demographers, journalists, futurists and marketers’ en natuurlijk ook politici.5 Een generatieve benadering van welke periode dan ook is 9


veel te gemakzuchtig. Jonge mensen ondernamen vaker in het oog springende acties dan ouderen, waardoor zij de aanjagers van veel grote gebeurtenissen en ontwikkelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw lijken. Toch waren deze gebeurtenissen nooit mogelijk geweest zonder de hulp en/of tegenwerking van oudere mensen, maar mediamakers en populaire geschiedschrijvers hebben hun een veel minder grote rol gegeven. De gemakzucht blijkt ook uit het gegeven dat iedere oudere generatie van een fout verleden kan worden beschuldigd. In het publieke debat lijkt het alsof er eens in de zo veel tijd een nieuwe generatie gezaghebbers moet afrekenen met een vorige. Overigens gebeurt het omgekeerde ook: oud geworden actieve generaties beschuldigen jongeren van het uitblijven van acties en dat is minstens zo gemakzuchtig. Het lijkt erop alsof tegen‑ en subculturen die in hun hoogtijdagen het gezag uitdaagden de treurige gewoonte hebben ontwikkeld om hun eigen mislukkingen te projecteren op ‘whatever’s come next’.6 Deze strijd was ook in de jaren tachtig zelf gaande. Toen vroeg de politicus en überbabyboomer Marcel van Dam zich af waarom jongeren niet massaal in opstand kwamen tegen ouderen toen de crisis keihard toesloeg. Hij vond het ‘volstrekt ten onrechte’ dat deze strijd ‘überhaupt niet gevoerd wordt [en] dat mijn generatie niet bedreigd wordt’.7 Het is opvallend dat Van Dams vraag tot de dag van vandaag wel vaak gesteld, maar amper eenduidig beantwoord wordt. Dit komt doordat veel jongeren uit de jaren tachtig een heel andere geschiedenis vertellen. Zo belandde Xandra Schutte in oktober 1982 toevallig tussen de rellen rondom de ontruiming van het Amsterdamse kraakpand Lucky Luyk, die volledig uit de hand liepen. Vijftien jaar na dato schreef ze: 10


Het lijkt inmiddels eeuwen geleden. Hoe lang duurt het voordat een historische tijd werkelijk historie is? Na hoeveel tijd zijn gebeurtenissen die je hebt meegemaakt tot geschiedenis verschrompeld? Praat met de krakers van weleer en ze zullen zeggen dat ze rond 1980 het centrum van de wereld, nu ja van Nederland, waren. Het hele politieke bestel stond op de helling; politiek, justitie en politie legden het af tegen de revolterende jeugd; de revolutie stond op het punt van uitbarsten. Maar als een oproerige tijd geschiedenis is geworden zijn er alleen nog jaartallen, droge feiten en sjablonen.8

Hiervoor zijn eerst historici nodig, die nog wel meer kunnen maken van het verleden dan de bovengenoemde producten. Met een beetje geluk en wijsheid helpen zij bij het begrijpelijk maken van andere tijden. Het is wonderlijk dat Schutte en Van Dam totaal tegenstrijdige voorstellingen beschrijven. Laatstgenoemde moet vanuit zijn rode toren de gebutste me-bussen toch ook hebben zien rondrijden. Ik denk dat Schuttes revolutionaire voorstelling van de jaren tachtig eveneens ietwat is opgeklopt. Het is merkwaardig dat Van Dams revolutionaire elan van de jaren zestig geenszins, en dat van Schutte en de jaren tachtig grotendeels wÊl verdwenen is. Tegenover het rumoer staat immers ook een beeld van een periode waarin Nederlanders engagement verruilden voor passief consumentisme. Het geluid van deze toeschouwers en voetvolk bij de heftige gebeurtenissen van de jaren tachtig was bovendien tot voor kort helemaal niet te horen. Pas in de jaren tien van de eenentwintigste eeuw verschenen de eerste artikelen en documentaires die bijvoorbeeld de enorme rellen rond de kroning van Beatrix in april 1980 vanuit het perspectief van politiemannen en me’ers benaderen. De media zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de publieke herinnering van de jaren tachtig. En net zoals 11


dat eerder met de jaren zestig gebeurde vervormen zij nu de jaren tachtig. Zo werd het terugblikprogramma Made in the Eighties als volgt aangekondigd: De jaren tachtig – van werkloosheid naar yuppendom. Krakersrellen, massaprotest tegen de Bom, Bestek ’81. Van Koude Oorlog naar de val van de Muur. Wat zagen we eruit, met die schoudervullingen, beenwarmers, alles oversized natuurlijk, en met een kapsel alsof je föhn ontploft was. De rages: Rubik’s Cube, Pacman, Aerobics, breakdance. Made in the Eighties gaat Back to the Future!9

De geschiedvervalsing zit in het woordje ‘we’: lang niet iedereen had ontploft haar. Het programma bleef steken bij oppervlakkige praatjes en nostalgische plaatjes en vervlakte de grote conflicten tot modeverschijnselen. De beschouwingen wekten vervolgens bij Bruce117 op het kritische forum fok.nl heel veel ‘gaaaap’ op en Tong80 bevestigde dat het ‘een beetje jammer van de saaie studiogasten’, zoals Ed Nijpels, Daniël Dekker en Debbie Jenner, was. De diepzinnigste duiding kwam van een zekere Ole: ‘Eighties zijn en waren zwaar kut. Kom er nog wel op terug.’ Helaas bleef Ole zwijgen.10 Individuele herinneringen leggen minder verbanden met wat er voor, na en buiten de eigen leefwereld is gebeurd dan publieke herinneringen. Maar de publieke herinneringen van de hedendaagse nostalgie-industrie zijn bewust oppervlakkig, omdat hierin een volgende hype en nieuwe nostalgie schuilt. Wie het verleden tot dergelijke mode en merkzucht reduceert kan moeilijk verbaasd zijn dat het historisch besef van Nederlanders veel te wensen overlaat. Ik wil de herinnering aan de jaren tachtig als de jaren zestig met coke confronteren met een politiek historische duiding. Niet om een paar ferme historische tikken uit te delen aan de 12


vervormde herinneraars, want iedereen heeft recht op een eigen herinnering, ook als deze door media of wie dan ook gedomineerd wordt; achter de vrijheid van meningsuiting schuilt de vrijheid van herinnering. Wel, omdat er een belangrijk deel van de geschiedenis van de jaren tachtig in het zwarte gat verdwijnt als op de huidige voet verder wordt herinnerd.

Het dilemma De jaren tachtig liggen in het hart van een politieke transformatie in Nederland. De jaren zeventig waren intensief politiek: iedere vorm van menselijk gedrag werd uitgelegd als politiek gedrag en iedereen mocht over alles meepraten en over bijna alles meebeslissen. Dit was een logisch gevolg op ontwikkelingen vanaf de jaren vijftig. Politieke elites en levensbeschouwelijke veranderingen maakten het toen mogelijk dat Nederland in de jaren zestig van een hiërarchisch geordende en gezagminnende in een zeer tolerante en gedemocratiseerde samenleving transformeerde. Deze verandering ging samen met het progressieve geloof dat alles en iedereen maakbaar en veranderbaar was. Nederland kreeg in de jaren zeventig zowel lokaal als internationaal een grote mond in het belang van inspraak, hervorming en emancipatie.11 De jaren negentig genieten een totaal andere reputatie. Politiek Den Haag gedroeg zich meer en meer als een groot bedrijf. Politici raakten het directe en aanhoudende contact met kiezers kwijt en lieten wezenlijke kwesties van en over de inwoners half‑ of onbesproken liggen. Onder Paars verdwenen ideologische tegenstellingen in danig extreme mate dat alle parlementaire partijen op elkaar leken. Bij ingewikkelde dossiers zoals de Wet Arbeidsongeschiktheid in 1993 was ‘politiek prestige’ belangrijker dan het vertegenwoordigen of oplossen 13


van maatschappelijke problemen van burgers. Parlement en overheid verloren hierdoor een deel van hun geloofwaardigheid, ook omdat zij openlijk hun eigen probleemoplossende vermogen betwijfelden, zoals bijvoorbeeld Wim Kok: ‘Wie het weet, mag het zeggen.’12 De burger zei wel iets terug tegen de toenmalige premier, maar wist eigenlijk van niets. Veel Nederlanders werden in deze jaren rijker dan ooit tevoren, maar tegelijkertijd werd het publieke leven armer: behalve een onbehaaglijke fluittoon omdat vormen van sociale controle verdwenen en diverse culturen van elkaar vervreemden viel hier weinig te horen. Deze burger gaf weinig om de volksvertegenwoordigers en deze apathie leek geheel wederzijds. Politiek en burger bleven steken in een consensus van argwaan. Deze transformatie van het kokende naar het onderkoelde land vormt de achtergrond van het eighties en ethisch dilemma dat in dit boek centraal staat. Eighties, omdat de verschuiving van politiek naar antipolitiek, van betrokkenheid naar vervreemding en van open dissensus naar gesloten consensus in de jaren tachtig heeft plaatsgevonden. Deze jaren tachtig beginnen logischerwijs om 00.00 op 1 januari 1980 en eindigen op hetzelfde uur op 1 januari 1990, maar om de transformatie beter zichtbaar te maken komen eerdere en latere gebeurtenissen waar nodig eveneens aan de orde. Het decennium zelf was geen radicale breuk, maar behelsde, zoals bij alle transformaties, een geleidelijke ontwikkeling van de politieke cultuur die met horten, stoten, vallen, opstaan, met soms evenwijdige, maar dan weer tegengestelde golfbewegingen verliep. Het dilemma is ethisch vanwege de vraag waarom mensen zich met maatschappelijke vraagstukken en machtsverhoudingen bezighielden, wat zij hierbij goed of fout gedrag vonden en welke keuzes zij maakten. Vanaf het einde van de jaren zestig tot het begin van de jaren tachtig spreidde het begrip politiek 14


zich uit tot alle denkbare vormen van machtsgebruik en ‑misbruik. Politiek omvatte veel meer dan Den Haag en reikte tot diep in de privélevens van Nederlanders. Veel Nederlanders maakten dankbaar gebruik van deze gezagsverschuiving door over van alles mee te praten en beslissen. De uitkomst, praktische haalbaarheid en gevolgen waren ondergeschikt aan het authentiek en overtuigd naleven van idealen en engagement.13 Max Weber beschreef dit politieke gedrag al in 1919 als Gesinnungsethik. Hiertegenover plaatste de Duitse socioloog Verantwortungsethik, waarin politiek gereduceerd is tot het rekening houden met de gevolgen van besluitvorming. Hoewel Weber in de politiek idealiter een balans tussen Verantwortung en Gesinnung waarnam en het begrippenpaar niet gebruikte om politieke transformaties chronologisch mee te duiden, biedt dit een dermate beeldend en treffend perspectief dat het laatstgenoemde hier wel gebeurt. Verantwortungsethik drong namelijk steeds dieper door in de Nederlandse samenleving en past goed bij het pragmatisme van de jaren negentig. Verantwortung zorgde voor vervlakking van de ideologische tegenstellingen omdat niemand iets had aan botsende idealen bij het efficiënt uitstippelen van beleid: het was beter om compromissen of consensus na te streven.14 In dit spoor gingen de grote volkspartijen cda, vvd en PvdA steeds meer op elkaar lijken en won de opvatting dat politiek bestuur minder antwoorden op problemen kon en hoefde te hebben dan in de jaren zeventig aan kracht. In deze nieuwe pacificatie wilden links, midden en rechts allemaal erg graag met elkaar samenwerken om te regeren. Zij regeerden over zogenaamde ‘calculerende burgers’ van wie werd aangenomen dat zij hun zaken met de overheid zelf wel konden oplossen en die vooral niet te veel moesten krijgen, omdat ze altijd hun hand ophielden.15 Als politici boze burgers wél gul de hand zouden reiken, zouden zij het risico 15


lopen ‘afwijkend’ en dus vervelend voor andere parlementaire partijen te worden. De kabinetten Van Agt i en ii en vooral Lubbers i tot en met iii draaiden dan ook om zakendoen en draagvlak vinden waarbij scherpe confrontaties idealiter vermeden en pragmatisch genegeerd werden. Tegelijkertijd depolitiseerde het publieke leven: burgers legden minder getuigenis van hun idealen en engagement af en trokken minder vaak gezamenlijk op tegen overheid en gezag. De zwevende kiezer is eveneens een typisch product van Verantwortung omdat hij per verkiezing afweegt welke partij het beste voor hem is, waar hij voorheen uit ideologische overtuiging of in de tradities van zware morele gemeenschappen altijd voor dezelfde partij koos. Een dilemma impliceert dat de actoren moesten kiezen tus­ sen twee wegen die beide grote bezwaren opleverden. Dit boek draait om het dilemma tussen de totaalpolitiek van Gesinnung, waarin een actor in principe alles geeft om doelen te verwezenlijken, en de gereductioneerde voorstelling van Verantwortung, waarin een actor vooral iets komt halen en eventuele onderhandelingen zo zakelijk mogelijk ingaat en over zo min mogelijk laat gaan.

De praktijk van het dilemma Het is maar de vraag in welke mate Nederlanders in de jaren tachtig bewust over Gesinnung en Verantwortung piekerden. Politici stelden dit dilemma activerend aan de orde en de sociaal­democratische leider Joop den Uyl was hier zeer bedreven in. Zo richtte Den Uyl bij de verkiezingen van 1981 zijn pijlen op de gemeenschappelijke vijand van linkse mensen: het ‘nieuwe rechts’ dat als een stormvloed met Margaret Thatcher vanaf 1979 en Ronald Reagan vanaf 1981 uit het Wes16


ten was komen opzetten. In Nederland hadden Hans Wiegel en Dries van Agt de sluizen en gemalen wijd opengezet met hun plan ‘Bestek ’81’ om te bezuinigen en de overheid uit het publieke leven te laten terugtrekken, hetgeen overigens tijdens Van Agt i slechts voor een zeer klein deel gelukt was.16 Het dilemma tussen Gesinnung en Verantwortung was voor een politicus als Den Uyl een keuze tussen links (PvdA, D66 en de kleine linkse partijen) en rechts (vvd, cda en de kleine confessionele partijen). Rechts, en vooral het nieuwe rechts van de vvd, was de ‘berusting en kultivering van de idee dat de politiek niet bij machte is werkelijke veranderingen door te voeren’. Deze ‘berusting’, ‘ontpolitisering’, ‘een toenemend a-demokratische sfeer’ en ‘algemeen gevoel van onbehagen’ nam Den Uyl ook bij linkse mensen waar en zij stonden nu voor de keuze om tegen de stroom in te zwemmen of zich juist mee te laten voeren: een dilemma tussen alles of niets doen. De PvdAleider hoopte op het eerste en noemde stemmen ‘een daad van verzet tegen de berusting van het kabinet Van Agt-Wiegel’.17 Voor linkse politici en idealisten was dergelijk activisme begin jaren tachtig een vanzelfsprekende boodschap en roeping die zij desnoods met veel lawaai verkondigden. Zij beleefden en propageerden het dilemma tussen niets of alles doen vele malen bewuster en explicieter dan mensen die zich minder met politiek en maatschappelijke kwesties bezighielden. In de eerste plaats hadden zij meer behoefte zich te uiten in publieke zelfreflecties door de grotere moeilijkheden en uitdagingen die wereldveranderaars in hun levens ondervonden dan mensen die dat niet deden. Ten tweede waren links en progressief begin jaren tachtig in het defensief. Progressief links stelde eind jaren zestig: ‘Alles moest anders; en het leek nog mogelijk ook.’ Tien jaar later klaagden dezelfde ‘maatschappijvernieuwers in verwarring’ over ‘het gebrek aan kreativiteit en denkkracht bij de progres17


sieven’ en dat ‘links zo vastgeroest zit aan de oude schema’s’. De kleine progressieve en socialistische partijen zagen hun aanhang en zetels krimpen. Het tweede kabinet-Den Uyl kwam er ondanks alle kille bezuinigingsmaatregelen maar niet. En nieuwe sociale bewegingen rond single issues als kernwapens en het milieu stonden lang niet altijd open om met de parlementaire partijen samen te werken.18 Veel progressieve linkse mensen beleefden deze teloorgang als een vertegenwoordigingscrisis, waarbij politiek en burger van elkaar vervreemdden. Zo schetste H.J.A. Hofland ‘de kiezer van 1981’ als iemand die ‘voor zichzelf begonnen’ was met als leuze ‘bekijk het maar’, want zij leefden ‘niet in de staat en dankzij de overheid, maar ondanks de overheid en om de staat heen’. De journalist van de eeuw maakte een vergelijking met de late jaren vijftig. Toen bedreigden psp en de Boerenpartij de gevestigde politieke orde. ‘Toen was antiparlementair een doodzonde, nu is a-parlementair normaal. Toen speelde alles zich af in een sfeer van geloof in materiële vooruitgang; nu weet iedereen praktisch zeker dat het alleen maar slechter kan.’ Het lijkt alsof Hoflands zogenaamde ‘dekolonisatie van de burger’ anno 1981 ontaard was in een vertegenwoordigingsloos land waarin niemand elkaar begreep met een gitzwarte toekomst. Critici en opiniemakers zagen het antiparlementarisme namelijk zowel links – met krakers en autonomen – als rechts – met fascisten en passieve consumenten – welig tieren, waarbij de dreiging van ellendige toestanden à la de Tweede Wereldoorlog steeds als valbijl opdoemden.19 Uiteindelijk was de oplossing voor de problemen van links om de Verantwortung eveneens te omhelzen en verderop in dit boek wordt beschreven met welke dilemma’s dit gepaard ging. Anno nu valt op dat de eerste spijtoptanten van zich laten horen. Zo stelt PvdA-ideoloog Paul Kalma dat de sociaaldemocratie zich door een combinatie van ‘verzakelijking en 18


verzaking, [...] de neo-liberale consensus liet inzuigen. Alsof het kapitalisme niet meer bestond en er alleen nog maar een enigszins sociaal en prudent beleid gevoerd hoefde te worden.’ Nieuw-rechts werd niet langer als vijand herkend en erkend. Sterker nog, Paars voerde en werkte het beleid van Lubbers verder uit en dit was volgens Kalma de belangrijkste oorzaak van de ‘verregaande programmatische en electorale verzwakking in de afgelopen twintig jaar’ van zijn partij. Kalma was in de jaren tachtig zelf een belangrijke voorvechter van deze koerswending, dus zijn spijt en die van anderen schreeuwen om verdere historische duiding van de politieke transformatie.20 De grote hoeveelheid linkse dilemma’s zorgt wellicht voor een scheefgetrokken beeld van de transformatie. Levensgenieters zonder drammerig idealisme en pragmatische politici van de Verantwortung hadden ongetwijfeld minder last van het dilemma tussen alles of niets doen. En hadden ze dat wel, dan had het weinig zin het te delen, dus bleven er ook veel minder directe historische bronnen van passieve politici en burgers over de transformatie bewaard. Toch is het van groot belang te proberen de keuzes van deze burgers en hun gedrag in het publieke leven hier te analyseren. De tweede helft van de twintigste eeuw wordt immers ook wel gezien als een geleidelijke opkomst van ‘the age of authenticity’. In dit tijdperk leefden in eerste instantie West-Europese en Noord-Amerikaanse en gaandeweg nog heel veel andere wereldburgers op basis van individuele keuzes. Deze keuzes werden door op het individu gerichte marketing en met zo min mogelijk politieke interferentie gestuurd en gaven vorm aan hun als authentiek ervaren levens, geluk en identiteit.21 In de ogen van bezorgde idealisten van de jaren tachtig waren dit passieve consumenten die zich aan het publieke en politieke leven onttrokken. In het beste geval leverden zij weinig hinder op en in het slechtste was hun passieve gedrag 19


een gevaar voor de rechtsstaat. Maar hiermee wordt zowel deze groep als de historische werkelijkheid tekortgedaan. PvdAbestuurder Felix Rottenberg verwoordde midden jaren tachtig aardig wie zij waren en waarom zij minstens zo interessant zijn als hun geëngageerde medemens. Zij belichaamden namelijk ‘de liberale Veronica-cultuur. Die is niet ideologisch, maar ongebonden en vrijblijvend. Die is niet per definitie rechts, nee wordt als progressief ervaren omdat ze de toekomst zo zonnig tegemoet ziet’.22 Dit was een van de eerste keren dat burgers een ‑isme van een (bijna) commerciële partij opgespeld kregen zonder dat zij direct door links als verwerpelijke materialisten werden weggezet. Dit leek in eerste instantie een verstandige keuze omdat veel stemmers inderdaad zingeving, authenticiteit en identiteit aan consumptiegoederen ontleenden. Tegelijkertijd werd het nieuwe geluk ook geassocieerd met oppervlakkigheid. Zo was ‘hedonisme’ volgens een argwanende historicus in de jaren negentig uitgegroeid tot ‘een nieuw conformisme. Wie niet geniet van het leven is een sukkel’.23 In deze laatste zin gaat een gevoel schuil dat de leemte van de ontbrekende rechtse dilemma’s kan vullen. Hoewel de levensstandaard vanaf het midden van de jaren tachtig naar ongekende hoogten steeg, genoten veel Nederlanders om uiteenlopende redenen allerminst. Alle mensen, rechtse en linkse, hadden last van ressentiment: een ‘gevoel van vijandigheid wegens aangedaan of vermeend onrecht, meestal gepaard met verlangen om zich te wreken of die vijandigheid te doen blijken’.24 Deze ressentimenten uitten zich van extreem gezeur tot extreem geweld. Aan de ene kant stonden nou-daar-zijn-we-mooi-klaarmee-types, aan de andere relschoppers, maar ze zaten allemaal wel op dezelfde lijn in hun ongenoegen jegens macht en gezag van het politieke regime. Dit ressentiment heeft een venijnige staart. Onder de po20


litiek van Verantwortung ging politiek weinig over essentiële vraagstukken en veel over technocratisch beleid en was het derhalve ook moeilijk meepraten. Dit was geen enkel probleem voor de genietende burgers, maar toen zij begin eenentwintigste eeuw wel weer wilden meepraten resulteerde dit vooral in gekanker op politieke elites van toen, nu en straks. Opvallend is dat de klachten vooral gericht zijn tegen links en Paars in de jaren negentig met de elitaire babyboomers die toen de lakens uitdeelden als historische bron van het kwaad. Historici hebben dit beeld nog amper van commentaar voorzien. In zijn kritiek op de ideeën van Martin Bosma constateert Ronald Havenaar dat de populisten met hun radicale en bruut verwoorde direct-democratische agenda ironisch genoeg veel gemeen hebben met de door hen zo gehate babyboomers van de jaren zestig. Havenaar stelt dat politiek niet langer saai is na decennia stil te hebben gelegen in vaste machtsverhoudingen tussen de drie grote volkspartijen: ‘de sufheid van deze stilstand hebben we geheel en definitief achter ons gelaten: tel uit je winst.’25 Piet de Rooy koestert daarentegen de veronderstelde saaiheid als stabiliteit en plaatst deze in een lange Nederlandse traditie waarin rivaliteiten tussen volksdelen met pragmatische compromissen werden opgelost. Hij en Maarten Brands stelden Nederland begin eenentwintigste eeuw voor alsof ‘alles functioneerde [...], maar in de keukenkastjes hing toch een rare lucht. In dat licht was Fortuyn de man die met behulp van een doosje lucifers op zoek ging naar een lek in de gasleiding’.26 De metafoor geeft aan dat Paars al van het lek had kunnen weten, maar zij laat iets cruciaals achterwege. Zowel de keukenkastjes als de gasleiding staan in een lelijke nieuwbouwwoning die door jarentachtigkabinetten bedacht werd. De rechtse regeringen van de jaren tachtig waren aan de terugtrekkende beweging van de politiek begonnen en deze bewe21


ging verdient in het hiervoor beschreven licht verdere duiding. Tegelijkertijd komt ook het ressentiment jegens elites hier in diverse case studies aan de orde om te achterhalen waar de kritiek op de maatschappijvernieuwers vandaan kwam en waar die in de jaren tachtig toe leidde. Tegelijkertijd wordt hiermee bestudeerd of met de transformatie van Gesinnung naar Verantwortung in de jaren tachtig ook de potgrond van het burgerlijk ressentiment is aangesleept. In de huidige tijd zijn veel mensen en politici om zeer uiteenlopende redenen van elkaar vervreemd geraakt. Delen van het publieke debat verzuurden door de commerciĂŤle waarde van vaak anonieme opinies. Internet en social media hebben veel moois en snelle informatievoorziening opgeleverd, maar ook veel vergruizing, die in combinatie met de zuurheid van het debat voor argwaan ten opzichte van kennis en bezinning zorgen. Het lijkt mij onverstandig om de geschiedenis aan de periode waarin een belangrijk deel van de wortels van deze problemen rusten aan deze ontwikkelingen over te leveren. De oppervlakkige nostalgie en de gepolitiseerde afrekeningen behoeven verdieping.

Het feest der vervreemding In de wirwar van herinneringen over politiek in de jaren tachtig steken slechts twee grote verhalen boven de rest uit. Ze worden door uiteenlopende partijen dwars door elkaar heen verteld. Het eerste luidt dat gewone Nederlanders in een tijd van ernstige economische crisis boos waren over alles en veel lawaai maakten. De Haagse politiek, die in de jaren zeventig nog over dat alles ging, luisterde echter niet naar deze boosheid. Het tweede verhaal vertelt dat de politiek zich uit het openbare leven terugtrok en dat de geĂŻndividualiseerde burger 22


dit zonder morren liet gebeuren, omdat hij liever thuis televisiekeek dan dat hij in het publieke leven demonstreerde. Vaak eindigen deze verhalen in een cirkelredenering: was de burger toch gaan demonstreren, dan had de politiek niet geluisterd, dus kon hij maar beter voor zijn eigen geluk kiezen. Van de zijde van de Haagse politiek en de partijpolitiek vallen beide verhalen met elkaar te rijmen. De twee beschrijvingen sluiten aan bij de transformatie van Gesinnung naar Verantwortung en wijzen beide op een terugtrekkende beweging van de politiek. Van de zijde van de burger zijn de twee verhalen bij nadere bestudering lastiger met elkaar te rijmen. Zo maakt de historische foto‑ en schetsenverzameling Het jaren tachtig boek uit 2010 op de achterflap reclame met: Velen zullen zich de jaren ’80 herinneren als de tijd van protest: tegen kruisraketten, tegen kernenergie, ‘geen woning, geen kroning’, tegen de bezuinigingen van de kabinetten Lubbers, tegen de Apartheidspolitiek, tegen het bezoek van de paus aan ons land. De Nederlanders waren boos! De jaren ’80 waren echter ook de tijd van de komst van de computer, de cd, de videorecorder, de walkman. De tijd dat we konden juichen voor Joop Zoetemelk, Nelli Cooman, Yvonne van Gennip en het Nederlandse voetbalelftal dat Europees kampioen werd. We genoten van Kees van Kooten en Wim de Bie, we lachten om Sjef van Oekel, we zongen mee met de Dolly Dots en keken massaal naar Mien Dobbelsteen.27

De eerste alinea wijst naar een hoeveelheid maatschappelijke betrokkenheid die voor lezers van nu voltooid verleden tijd moet lijken. De tweede alinea beschrijft een volk dat zich vooral door individuele consumptie en plat vermaak laat leiden. Er kan best een kern van waarheid in beide duidingen zitten, maar de historische beoordeling van de beschrevenen blijft wel be23


perkt tot bozeriken, dan wel televisiekijkende zombies. Beide verhalen kunnen overigens net zo goed niet waar zijn want ik heb geen bewuste herinneringen aan mensen die in de jaren tachtig met de Dolly Dots meezongen. De doorgaans playbackende poppenstipjes hadden hun bekendste meezinghit, de schaamteloze abba-kloon Radio, al in 1979. Ten slotte lijken de verhalen elkaar tegen te spreken. Hoe kan een intens boze demonstrant tegelijkertijd vredig naar Mien Dobbelsteen kijken? Het is mogelijk de twee beelden simpelweg door de economische situatie te verklaren: begin jaren tachtig ging het slecht en waren Nederlanders boos en in de tweede helft ging het beter en was men dus stil. Ik denk echter dat het niet zo simpel is. Politiek gedrag en transformaties draaien om veel meer dan alleen economische motieven. Er was midden jaren zestig weinig mis met de economie en toch lieten velen van zich horen, net als in de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw toen er over werk, bezuinigingen en inkomen ook minder te klagen viel dan vandaag. Het contrast tussen de twee verhalen laat volgens mij vooral zien hoe nostalgie werkt en hoe beschouwers historische vergelijkingen maken. De populaire nostalgie voor de jaren tachtig zorgt doorgaans voor een feest der herkenning. In dit feest der herkenning maakt de beschouwer een vergelijking met het verleden die de overeenkomsten met de huidige tijd benadrukt, veelal om de gelijkwaardigheid van zaken in beide tijden te duiden. In de jaren tachtig was er bijvoorbeeld economische crisis, veel werkloosheid, een kille rechtse wind uit Den Haag, bezuinigingsdrift, ontspoorde jongeren, moreel verval, toegenomen racisme en een haperend cultuurbeleid en dat is anno 2011 net zo. ‘De geschiedenis herhaalt zich’ is de oneliner die hierbij hoort, al blijkt deze kreet zelf bij nadere bestudering vaak de enige te zijn die zich herhaalt. Het feest der herkenning kan ook juist de verschillen met 24


het verleden benadrukken. De analogie is dan bijvoorbeeld bedoeld om de nastrevingswaardigheid van een bepaalde situatie in het verleden te benadrukken. Dit gebeurt onder andere met de jaren vijftig waarbij de beschouwers naar een land verlangen waarin alles eenvoudig was, er geen criminaliteit bestond en de burger respect voor het gezag had. De jaren vijftig hoeven niet door de beschouwer in levenden lijve beleefd te zijn. De studenten van de Amsterdamse Happy Chaos-bijeenkomsten waren in de lente van 2010 bijvoorbeeld nog op zoek naar verloren gezag, waarbij zij beschuldigend naar de jaren zestig wezen en nostalgisch naar de jaren vijftig keken. Het is denkbaar dat de nostalgie-industrie ook naar nieuwe wenselijkheden van de jaren tachtig zoekt. De genoemde zoekende student van vandaag is een gevoelige doelgroep. ‘Wij mogen dan geen protestgeneratie heten, maar wij zijn niet achterlijk,’ stelde een boze actievoerder die onlangs tegen het schrappen van werkcolleges politicologie bij de Universiteit van Amsterdam demonstreerde. Los van de zeer voorstelbare boosheid, valt op dat zij beide duidingen negatief formuleerde: de student heeft niet aangegeven tot welke generatie zij wel behoort en wat die generatie wil. Student Annabel van hard//hoofd tv onderzocht dit door te kijken of, en zo ja, hoe demonstreren als actievorm werkte. De oudere activisten bij wie zij te rade ging konden haar echter weinig leren: de een stelde dat mensen te lui waren geworden voor acties en de ander raadde haar aan met internet en dollars straatarme Malawinezen te laten protesteren voor de goede zaak om er een internetfilmpje van te laten maken. Grappig en ludiek, maar het is geen dwingend verhaal en totdat ‘de nieuwe generaties die de klappen gaan vangen’ hiermee komen, zullen zij door nostalgische spoken uit de jaren tachtig achtervolgd worden.28 Analogieën benadrukken ook regelmatig het onwenselijke van een andere tijd. In West-Europa komen dergelijke verge25


lijkingen vaak uit bij de Tweede Wereldoorlog. De Wet van Godwin, genoemd naar internetjurist Mike Godwin, stelt bijvoorbeeld dat de kans op een vergelijking met nazi’s of Hitler bij online discussies 100 procent nadert naarmate deze discussies langer duren.29 Zodra een discussiegenoot iemand anders wil wegzetten komt het verwijt dat de ander net zo verwerpelijk is als de Duitse nationaalsocialisten snel bovendrijven. Deze wet kan over geen enkele andere oorlog dan de Tweede Wereldoorlog gaan. Toch zijn dergelijke vergelijkingen ook tijd‑ en plaatsgebonden. Zo maakte de Franse president François Mitterrand een analogie naar die andere grote oorlog op 28 juni 1992 in een brandend Sarajevo. Mitterrand waarschuwde de wereld voor wat daar exact 78 jaar eerder was gebeurd, toen Gavrilo Princip aartshertog Franz Ferdinand vermoordde. Hoewel beelden van de Bosnische oorlog de wereld overspoelden wisten de media Mitterrands analogie niet over te brengen, waarschijnlijk omdat de Eerste Wereldoorlog behalve voor veel Fransen te ver weggestopt was in het publieke geheugen.30 De jaren tachtig in Nederland kenden geen oorlog. Alleen de confrontaties tussen krakers en de politie komen enigszins in de richting. Interessant genoeg komen de analogieën die het onwenselijke van de jaren tachtig benadrukken vooral bij deze confrontaties uit. Discussies over de jaren tachtig hebben, als ze maar lang genoeg duren, eveneens een kans van 100 procent uit te monden in opmerkingen over krakers. En doorgaans is hier erg weinig tijd voor nodig. Waren krakers, actievoerders en ander links tuig nu goed of fout? Een meerderheid van de bevolking lijkt afstand genomen te hebben van de radicale methodes en politiek van weleer. Volgens Herman Vuijsje heeft dit actiedebat zo’n enorme aanzuigende werking gehad dat de gehele discussie over de jaren tachtig weinig meer was dan een ‘vereffening onder generatiegenoten, waarvan de meerderheid zich nu eindelijk durft 26


uit te spreken’. Liever ziet hij dat het debat verbreed wordt tot alle Nederlanders, omdat zij in hun afwachtende houding collectief verantwoordelijk waren voor bijvoorbeeld het feit dat krakers zo lang hun destructieve gang konden blijven gaan. ‘Nietsdoen, gedogen, afzijdig blijven werd niet beschouwd als iets wat in bepaalde situaties praktisch was – nee, het was nastrevenswaardig, het was een intrinsieke deugd, geschraagd door een ideologie, een “isme”.’ Hoewel Vuijsjes gebruik van het woord ‘generatie’ weinig verheldert, en zijn aanklacht tegen het ‘passivisme’ ook gezien kan worden als een behoefte om zelf evenzeer openstaande rekeningen te vereffenen, is zijn streven om het debat te verbreden bewonderenswaardig.31 Maar dit kan alleen door op een andere wijze vergelijkingen met het heden te trekken. Populaire analogieën zijn zelden bedoeld om het tegenovergestelde van vergelijkbaarheid en herkenning te benadrukken. In dit ‘feest der vervreemding’ herkennen beschouwers zo min mogelijk van het verleden. Het maakt hen nieuwsgierig en prikkelt hen erin te duiken om meer van het onbekende te onderzoeken. Deze vervreemding is voor een groot publiek weinig aantrekkelijk omdat zij niets verheldert, maar een moeilijke zaak vaak nog ingewikkelder maakt. Voor veel historici is deze vervreemding juist een drijvende kracht. Zodra de historicus iets niet begrijpt wil hij er alles over weten, ook al zorgen meer kennis en verdieping niet voor verheldering, maar voor verdere verbazing en nieuwe vragen. L.P. Hartley begon The Go-Between in 1953 met: ‘The past is a foreign country, they do things differently there.’ De zin verwierf profetische proporties onder romantisch ingestelde historici omdat zij het ongrijpbare en aantrekkelijke van het verleden zo goed benadrukt.32 Deze aantrekkingskracht werkt meestal beter naarmate het verleden verder weg ligt en maakte van mij een historicus die in de negentiende eeuw zijn vreemde land vond. Niemand heeft mij echter overtuigd waarom dit 27


land niet ook veel dichterbij te vinden zou kunnen zijn. Dit boek probeert in tegenstelling tot de nostalgische geschiedenisboeken het vreemde van de jaren tachtig recht te doen. Als Nederland in deze jaren werkelijk transformeerde dan moeten daar elementen in zitten die beter vanuit het feest der vervreemding dan vanuit het feest der herkenning te begrijpen zijn, alleen al omdat transformaties alles zo paradigmatisch veranderen dat de wereld van daarvoor in een onzichtbaar en vreemd verleden ligt.

Bronnen van de jaren tachtig Het bronnenmateriaal uit de jaren tachtig is zeer geschikt om het vreemde en vervreemdende van deze tijd alle ruimte te geven. De jaren-tachtig-mensch had veel behoefte aan duiding van de veranderende wereld in een historisch perspectief. Sociologen, journalisten, politici, schrijvers, kunstenaars en leden van subculturen plaatsten hun eigen tijd in het verleden en keken voorzichtig naar de toekomst. Het eerste geschiedenisboek over de jaren tachtig werd bijvoorbeeld al in 1986 geschreven. Geert Maks The Amsterdam dream. Korte geschiedenis van de politieke cultuur in de jaren tachtig droop van de nostalgie naar de jaren zestig, de angst dat niemand elkaar nog begreep en de hoop dat er betere tijden aan zouden breken in de nabije toekomst. Maks jaren tachtig begonnen op 3 maart 1980, om precies te zijn op het moment dat tot bulldozers omgebouwde tanks de barricades bij het kraakpand aan de Amsterdamse Vondelstraat bestormden. Deze gebeurtenis markeerde: [...] het eind van de jaren zestig en zeventig, het eind van een periode van enorme democratische vitaliteit. Nu glimlachen

28


we daar soms wat om, met een zweem van nostalgie of opgelucht, maar los daarvan: uniek waren die jaren wel degelijk. Nog nooit eerder in de geschiedenis was men in Nederland – maar ook in veel andere westerse landen – zo intens met z’n democratische en, in ruimere zin, organisatorische leven bezig geweest. Zoekend, tastend, nadenkend, experimenterend, miskleunend, maar toch. De Vondelstraat was een breekpunt. Het was het begin van een tijdperk van nieuwe vormen van sociaal verzet, nieuwe reacties van de overheid, nieuwe methodes van bestuur. De rijen sloten zich. [...] De jongere generatie sloot zich op in de eigen subculturen. En het bestuur bestuurde.33

Analyses als deze vertellen iets over hoe tijdgenoten de problemen van de jaren tachtig duidden. Soms zijn deze duidingen herkenbaar, en hebben ze standgehouden of lijken ze zelfs hun tijd vooruit. Op andere momenten komen de beschouwingen uit een andere wereld; wie kan zich werkelijk voorstellen dat er tanks over de Overtoom tuften? En wie kan zich voorstellen dat een heel tijdperk werd afgesloten door zoiets futiels als de ontruiming van een kraakpand: een handeling die tegenwoordig op weinig mensen indruk maakt? Had Mak eigenlijk wel gelijk met zijn keuze voor dit breukvlak en redeneerde hij wellicht niet te veel vanuit Amsterdam? Te veel aandacht voor Amsterdam als politiek theater van de jaren tachtig kan resulteren in cynische reacties over de arrogantie en dominantie van het westen ten opzichte van de resten. Dit is zeker niet de bedoeling van 80’s dilemma, maar omdat dit boek, om het bevattelijk te houden, een nationaal in plaats van internationaal perspectief heeft, geldt Amsterdam wel als de belangrijkste stad van Nederland. Het vreemde van de jaren tachtig zit echter ook in alledaagse toestanden die alle Nederlanders troffen. 29


De meeste hoofd‑ en bijrolspelers in dit boek delen drie dingen met elkaar. Ten eerste delen zij een maatschappelijk crisisgevoel: er zit iets niet goed in de relatie tussen politiek en burger en de toekomst ziet er somber uit. Ten tweede speelt esthetiek een belangrijke rol bij deze duidingen. Los van de boodschap is de verpakking van groot belang in het begrijpen van de eigen tijd, of deze nu nimmer gepubliceerde memoires van een kraakpand of de vele malen herdrukte glam van Zwagermans Gimmick! betreffen. De omschrijvingen van de jaren tachtig zijn mooi of lelijk, maar zelden mooi noch lelijk. Ten derde spelen veel beschouwers in hun duidingsdrang met het begrip ‘politieke cultuur’. Voor veel wereldveranderaars van de jaren zestig tot en met tachtig waren politiek en cultuur innig verstrengeld: ‘Politics and culture were, or could be, or should be, the same thing.’34 ‘Politieke cultuur’, dat toen nog met een ‘k’ werd gespeld, ging in de jaren 1980 volgens Hedy d’Ancona’s over ‘politiek klimaat, om nergens neergeschreven afspraken, om een nimmer getoetste konsensus met betrekking tot “vanzelfsprekende” uitgangspunten’.35 Het begrippenpaar was bedoeld om afstand te nemen van de harde, kille en zakelijke kant van politiek, bestuur en partij en nam de manier waarop mensen aan politiek deden als uitgangspunt. Vanaf de jaren negentig kreeg politieke cultuur ook voor historici betekenis. Het besef dat politiek alleen begrepen kon worden door ook buiten de traditionele parlementaire en partijpolitieke historiografie te kijken werd een serieuze en vruchtbare academische stroming die veel goeds, maar ook veel vaags heeft opgeleverd. Politieke cultuur is namelijk nooit dwingend geformuleerd, maar behelsde vooral een andere manier van kijken naar politiek, waarin rituelen en omgangsvormen belangrijker waren dan de uitkomsten van beleidsmakers. 30


De bronnenselecties zijn in dit boek eveneens gestuurd vanuit de gedachte dat de politieke veranderingen van de jaren tachtig alleen zichtbaar kunnen worden door verder dan de kring van wetgeving, controle, rechtspraak en uitvoering te kijken. Tegelijkertijd neemt het boek afstand van het vrijblijvende van politieke cultuur, want dit boek gaat over macht en het dilemma wie deze wanneer op welke manier moest hebben. De vraag wie er wel en wie er niet mochten meedoen met het maken of breken van het land is veel te ernstig om vrijblijvend te worden beantwoord. De analyses en bronnen in dit boek vormen een touwbrug tussen twee kloven. De eerste is vooral te diep en loopt tussen droge parlementaire geschiedenis enerzijds en de historici die zich met de bestudering van het publieke leven bezighouden anderzijds. Deze kloof is makkelijk te overbruggen zolang het argument dat parlement en burger een belangrijke relatie met elkaar hebben maar stevig overeind blijft. De tweede kloof is te breed en loopt tussen academische en publieke geschiedenis. Deze overbrugging is ingewikkelder en vereist verantwoording.

Eighties verantwoord 80’s dilemma schuurt tegen belangrijke codes van het historische ambacht. De bestudering van een maatschappelijk thema als de jaren tachtig kan de banden tussen academische geschiedschrijving en de samenleving versterken. Deze banden zijn de afgelopen dertig jaar uitgelubberd. Enerzijds vertellen historici niet langer meer de grote verhalen.36 Dit gebeurde niet geheel toevallig vanaf de vroege jaren tachtig. Linkse historici die het vak gebruikten om groepen te emanciperen en onrecht ongedaan te maken begonnen toen te twijfelen aan 31


de basis van hun werk. En ivorentorenpolitiekhistorici opereerden op zo’n grote afstand van planeet Nederland dat weinig mensen er iets van snapten. Zo stierven activistische, klassiek diplomatieke en orale geschiedenis met een missie vrijwel uit en schreven de eerste historici over iets belangrijks als de verzuiling wel heel dikke, maar ook heel saaie detaillistische boeken, die de problemen van deze vorm van samenleving amper duidden of deconstrueerden; dit gebeurt nu eindelijk pas.37 Overigens vormde geschiedenis geen uitzondering binnen de sociale en geesteswetenschappen. Wetenschappelijke disciplines die de maatschappij bestudeerden slaagden hier steeds minder goed in, laat staan om problemen op te lossen. De sociale wetenschappen verloren bijvoorbeeld veel door steeds kwantitatiever en minder kwalitatief te werk te gaan. Ondertussen werd de universiteit een werkloosheidsmachine waar studenten jaren deden over weinig onderwijs, dat steeds meer als een kil, groot bedrijf gerund werd. En dan is het p-woord dat op ‘-ostmodernisme’ eindigt nog niet eens genoemd en misschien is dat maar goed ook, want daar wordt alles alleen maar vager van. Wetenschap bood geen perspectief meer, ook al werkten en werken vele studenten en docenten zich iedere dag het schompes om dit tij te keren. Anderzijds nam de belangstelling voor erfgoed, erfgoedinstellingen, nationale identiteit en geschiedenisonderwijs vanaf het einde van de jaren tachtig een vlucht. Hier kwamen nieuwe vragen en verhalen uit voort die door de belangrijkste kenners van het verleden, de historici, niet langer beantwoord en verteld konden worden. Sommige collega’s beschouwden dit in de jaren negentig zelfs als een verlossing, want geschiedenis was ‘te belangrijk om het uitsluitend aan de historici zelf over te laten’. Zij zouden hierbij de hulp van politici en opiniemakers goed kunnen gebruiken.38 32


Was dit een gul gebaar of een gemiste kans zelf weer gezag over de bestudering van het verleden en grip op het geschiedenisonderwijs te krijgen? De zaak werd hoe dan ook pas echt ingewikkeld toen de samenleving historici begin eenentwintigste eeuw vroeg nationale verbondenheid te creëren en een antwoord te geven op de vraag waar ‘we’ vandaan komen omdat zij dat zelf niet meer wist. Maar in de jaren negentig had de gezaghebbende historicus Ernst Kossmann nationale identiteit afgeschreven als een ‘kwal op het strand’, waar zijn collega’s het best maar met een grote boog omheen konden lopen.39 Tegelijkertijd leverde de bestelling van een Nederlands geschiedenisverhaal 2.0, met een bijbehorende canon en een nationaal historisch museum, ook werk, geld en aandacht op. Kossmanns kwal was opeens veel waard geworden. Er wordt vooralsnog slechts in de kwal geprikt. Enkele academische historici klagen over de nationalistische valse missie van de politieke elite.40 Anderen doen wel mee met nationale canons of musea, maar staan zelden voor hun producten op de barricade of in de schijnwerpers, die dan snel weggekaapt worden door de opdrachtgevers.41 Weinig historici durven de kwal op te pakken en in het gezicht te gooien van mensen die geschiedenis als instrument willen misbruiken om andere mensen en zaken in en buiten te sluiten in het verhaal van Nederland. Het gevolg is dat een historische leek als Piet Hein Donner de kwal heeft opgepakt en een monoculturele geschiedenis van Nederland predikt die wel wat weg heeft van de geschiedenismethode die onder de Albanese secretaris-generaal Enver Hoxha populair was. Dat historici weinig met of tegen de kwal doen komt omdat veel van hen kwallen het liefst helemaal negeren en een vlot bouwen waarmee ze van het strand en de identiteitsdiscussie af komen. Erfgoed en geschiedschrijving kunnen zeker bijdragen aan verbondenheid, maar dit is in Nederland nooit 33


afdwingbaar, alleen al omdat de gevraagde verbondenheid en nationale identiteit van dag tot dag en mens tot mens te veel verschillen en dit dus altijd een multicultureel land zal zijn. Maar ronddobberen op zee is niet genoeg. Het vlot moet eigenlijk een viermaster zijn waarmee alle historisch geïnteresseerden nieuwe werelden kunnen ontdekken. De samenleving vraagt veel, maar tegelijkertijd vragen de internationale citaatfetisjisten rond universiteiten en wetenschappelijke geldschieters om iets anders. In de ban van de succesvolle praktijk bij de bètastudies krijgen geesteswetenschappers en letterkundigen van hen pas onderzoeksgeld als zij gezaghebbende internationale publicaties schrijven voor tijdschriften die bijna niemand leest. Dit wringt. Juist door de behoefte aan observatiepunten in het verleden is er behoefte aan publieke geschiedenis. Deze geschiedenisboeken, ‑tentoonstellingen en ‑beschouwingen verkopen goed, maar worden vooral door historici en geïnteresseerden buiten universiteiten geschreven en gemaakt. Dit is volgens mij slecht voor het ambacht. In de afgelopen 150 jaar dat de academische geschiedschrijving bestaat hebben juist in het hoger onderwijs de spannendste kruisbestuivingen tussen student en docent plaatsgevonden die nieuwe ideeën over het verleden mogelijk maakten. Natuurlijk hoeft niet iedereen en alles gelezen te worden, alleen al omdat veel academici beroerd schrijven, maar de academische historicus van vandaag heeft wel heel veel verloren. Kan één boek de zaak redden door juist meer afstand en verdieping tot de jaren tachtig na te streven? Hoe kan dit, als de auteur zelf evenzeer onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp van deze jaren is? De meeste van mijn kinder‑ en jeugdherinneringen spelen zich in dit decennium af en worden gekleurd en vertroebeld door het publieke beeld. Beleefde ik de antikernwapendemonstratie in Den Haag van 1983 voor 34


de televisie of in de massa of speelde ik toen met lego? Het probleem van deze beeld(ver)vorming wordt hier niet opgelost. Zij wordt daarentegen gekoesterd en als vliegwiel gebruikt voor de totstandkoming van dit boek. Zonder sterk beeld over de jaren tachtig had ik dit boek nooit geschreven. Wel is de nadruk op het vreemde en politiek in de breedste zin bedoeld als waarschuwingsmechanisme tegen eenduidige beeldvorming in het algemeen en over de jaren tachtig in het bijzonder. Ten slotte spelen persoonlijke wetenschappelijke motieven een rol in dit boek. Ik ben historicus omdat ik vreemde mensen en tijden wil begrijpen en ‘de jaren-tachtig-mensch’ is in levende vorm een veelvoorkomend, maar ook een zeer bijzonder exemplaar. Zijn reactie op veel van mijn plannen en ideeën is vaak voorzichtig, afremmend en soms ronduit sceptisch en cynisch. Wat dreef en drijft deze tachtigers, waar zijn zij erfgenaam van en wat willen zij doorgeven? Omdat de mensen die het allemaal meemaakten misschien nog meer dan ik een vertekend beeld hebben van hun verleden is besloten hier vrijwel geen gebruik te maken van actieve herinneringen op basis van interviews, maar wordt hun verleden bestudeerd en geconstrueerd op basis van eerder door henzelf gemaakte duidingen van de jaren tachtig.

Routekaart De bestudering van het dilemma tussen alles of niets doen om de wereld te veranderen is in het vervolg van dit boek gegoten in toepasselijke jaren tachtig thema’s. Er kunnen overigens met weinig moeite onderwerpen bedacht worden die hier niet aan de orde komen, maar dat is onvermijdelijk bij recente politieke geschiedenis. Historici kunnen en zullen gelukkig nog 35


heel lang geschiedenis over de jaren tachtig blijven schrijven; dit is nog maar een begin.42 Allereerst staat de ‘hoge’ politiek in en rond Den Haag centraal. Terwijl de reikwijdte van politici in de jaren zeventig alleen maar gegroeid was, wendden de politici van de jaren tachtig dit gezag nooit aan. Sterker nog, onder het mom van depolitiseren en het voorstellen van de politiek als een bedrijf dat zakendeed en dat veel minder problemen kon en wilde oplossen, leek Den Haag zich steeds minder om de nukken van burgers te bekommeren. Hoe ontwikkelde het aanzien, gezag, zelfbeeld en imago van de machtigste mensen van Nederland zich in de jaren tachtig? Welke gevolgen had de rechtse Kamermeerderheid voor de politieke cultuur, stierf klein links uit en wat betekende dit precies? Hoe en waarom verwierven de media invloed op de Haagse santenkraam? Wat gold als goede politiek, bestuur en leiderschap en hoe verhield dit zich tot het verleden? Op hun beurt wendden veel kiezers zich niet alleen van Den Haag, maar van het hele publieke leven als zodanig af. Over deze afwending gaat het tweede hoofdstuk waarin de ‘lage’ politiek van de straat centraal staat. In het meest extreme geval wrikten burgers in deze straat de stenen los om het politieke en publieke leven door middel van vernieling te veranderen. Dit stuk gaat over de ontwikkeling van verscheidene stereotiepe subculturen en in het bijzonder hun actievormen, het gebruik van de taal van het strijdveld en het (dreigen met) geweld, vechten en burgerlijke ongehoorzaamheid.43 Hoe vielen vechten en wetteloosheid te rijmen met idealisme? Hoe discussieerden krakers en sympathisanten over het gebruik van geweld door en tegen hen? Wat hebben zij gemeen met andere gevreesde vechtersbazen van deze periode, zoals de voet­ balvandalen die ieder gesprek met straat en staat beëindigden? Het daaropvolgende hoofdstuk gaat over de veranderende 36


betekenis van arbeid. Werk en werkloosheid vormden het belangrijkste vraagstuk tijdens de economische malaise van de vroege jaren tachtig, omdat er van het eerste te weinig en het tweede te veel was. Het probleem trok de aandacht van alle politici en burgers en overbrugde de veronderstelde kloof tussen burger en politiek. Onder invloed van de stagflatie werd in het bijzonder jeugdwerkloosheid een enorm probleem dat slechts met veel vallen en amper opstaan werd opgelost. Terwijl volwassenen van alles probeerden om dit zorgenkindje goed te laten opgroeien, veranderde de wijze waarop Nederlanders met arbeid omgingen. Zo kregen vakbonden een andere rol, werden deeltijdcontracten de nieuwe norm, stierven gesubsidieerde experimentele arbeidsprojecten uit en kregen werklozen steeds minder ruimte om een zelfstandig antwoord op hun problemen te vinden.44 Veel Nederlanders waren bovendien bang voor ‘de verloren generatie’ van jonge werklozen en hun No Future en Appetite for Destruction. Veel jongeren verhieven hun werkloze status tot levensstijl en noemden zich baanloos. Baanlozen wisten niet alleen in leven te blijven van een uitkering, zij wisten vaak ook nog zinvolle betekenissen aan dit bestaan te geven. Deze status van werklozen laat zien hoe vreemd en anders de jaren tachtig waren, want tegenwoordig moet iedereen werk accepteren: werk dat vaak niet bij het kunnen en kennen past. Het laatste hoofdstuk bestudeert de cultuur van het engagement in de jaren tachtig. Het onderzoekt hoe deze in Nederland verdween en veranderde aan de hand van ontwikkelingen in het cultuurlandschap en in de wereld van internationale solidariteitsbewegingen. Hoe gaven populaire cultuurmakers in hun werk een plaats aan maatschappelijke problemen? Hoe beleefden internationale hulpverleners de jaren tachtig? Deze thema’s hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken, maar wie weet wat Live Aid is, begrijpt dat die toch 37


kunnen rijmen. Muziek, literatuur en televisie vormen de hoofdmoot van het populaire cultuuronderzoek. Vreemde en obscure muziek‑ en kunstscenes zijn hier minstens zo interessant als de Top 40, Kinderen voor Kinderen en andere vormen van massakunst, alleen al omdat de eerstgenoemden te vaak en de laatstgenoemden vrijwel nooit deel uitmaken van monografieën.45 Bovendien speelt zowel massa‑ als minicultuur als zodanig amper een rol van betekenis in politieke historiografie. Zo staat de geschiedenis van de televisie bijvoorbeeld nog steeds in de kinderschoenen, terwijl dit een van de belangrijkste bindmiddelen van Nederlanders in het laatste kwart van de twintigste eeuw was. Uiteindelijk wordt in dit hoofdstuk ook bekeken wat er voor het veranderde en deels verdwenen engagement in de plaats kwam. De epiloog benoemt ten slotte hoe de politieke geschiedenissen over de jaren tachtig zichzelf hebben ontwikkeld en wat de uitkomst van het 80’s dilemma is. Het stuk komt terug op de rol van de elites en evalueert de transformatie door te kijken of en hoe in de Nederlandse jaren tachtig alles anders was en werd.

38


80's dilemma