Skip to main content

De Vissenholhoeve en drie andere Breendonkse hoeves

Page 1

De geschiedenis van de

DE VISSENHOLHOEVE en drie andere Breendonkse pachthoeves uit het patrimonium van de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem

Paul De Borger Dirk Binon

1


INHOUD Inleiding

4

1. De Vissenholhoeve 1.1 De grootste pachthoeve in Breendonk van de Sint-Bernardsabdij

5

1.2 De naam 1.2.1 De schoonste van sevene

6

1.2.2 Hoeve te Wachtinck

6

1.2.3 Vissenholhoeve

9

1.3 Situering, omvang en structuur van de hoeve en haar landerijen 1.3.1 De hoeve in 1668

10

1.3.2 Situering in het hedendaagse landschap

12

1.3.3 De Vissenholhoeve in 1739

13

1.3.4 De hoevegebouwen in de loop der eeuwen

15

1.4 De eigenaars 1.4.1 Jan De Sager (tot 1627)

19

1.4.2 De Sint-Bernardsabdij van Hemiksem (1627-1797)

20

1.4.3 De verkoop van de hoeve als ‘zwart goed’ in 1797

20

1.4.4 De familie Tiberghien (1797-1851)

24

1.4.5 De verkoop van de hoeve in 1851

24

1.4.6 De familie Hanssens (1851-1894)

27

1.4.7 De familie Vincent – Van Cutsem (1894-1920)

28

1.4.8 De familie Van den Brande (1920-1995)

28

1.5 De pachters 1.5.1 De pachtovereenkomst met de Sint-Bernardsabdij

30

1.5.2 De familie De Wachter (1648-1732) 1.5.2.1 Joannes De Wachter en Margaretha Van Ingelgem (1648-1690)

34

1.5.2.2 Petrus De Wachter en Catharina Ceurevelt (1690-1732)

35

1.5.3 De familie De Keersmaecker (1732-1837) 1.5.3.1 Philippus De Keersmaecker en Catharina De Wachter (1732-1775)

36

1.5.3.2 Petrus De Keersmaecker en Anna Maria Huysmans (1775-1780)

37

1.5.3.3 Petrus De Keersmaecker en Joanna De Saegher (1780-1803)

39

1.5.3.4 Joannes De Keersmaecker en Maria Elisabeth Janssens (1803-1824)

40

1.5.3.5 Maria Elisabeth Janssens en Joannes De Boeck (1824-1839)

40

1.5.4 De familie De Wit – De Pauw (1839-1845)

41

1.5.5 De familie Van der Perre – Van Doorslaer (1845-1851)

41

1.5.6 De familie Verlinden - Govaerts (1851-1875)

42

1.5.7 De familie Piessens - Tierens (1875-1920) 1.5.7.1 Petrus Joannes Piessens (1875-1881)

43

1.5.7.2 Vitalis Tierens en Paulina Piessens (1881-1909)

43

1.5.7.3 Joannes Josephus Tierens en Francisca Aloysia Tierens (1909-1920)

48

2


2. De hoeve van Feles 2.1 Een hoeve uit de pionierstijd van Breendonk-centrum

50

2.2 De Moorheide

50

2.3 De eigenaars 2.3.1 De familie Kerremans (1690-1746) 2.3.1.1 Peter Kerremans (1690-1703)

53

2.3.1.2 Joost Kerremans (1703-1746)

55

2.3.2 De familie Verhoeven (1746-1825) 2.3.2.1 Frans Verhoeven (1746-1785)

55

2.3.2.2 Rombout Verhoeven (1785-1801)

56

2.3.2.3 De verkoop van de hoevegronden als ‘zwart goed’ in 1797

56

2.3.2.4 De weduwe Rombout Verhoeven (1801-1827)

57

2.3.3 De familie Helman (1827-1839)

58

2.3.4 De familie De Cocq (1839-1975)

59

2.3.5 De familie De Velder (1975-1982)

60

2.4. De pachters 2.4.1 De familie Cuyckens - Verhoeven (1827-1835)

62

2.4.2 De familie Andries - Leemans (1835-1847)

62

2.4.3 De familie Adriaenssens (1847-1934)

62

2.4.4 De familie Tersago (1934-1963)

63

3. De hoeve van Kobe Teck 3.1 Drie eeuwen familiegeschiedenis

68

3.2 Hendrick De Maeyer (1690-1697)

68

3.3 De familie Kerremans (1697-1789) 3.3.1 Peter Kerremans (1697-1714)

69

3.3.2 Joost Kerremans (1714-1746)

69

3.3.3 Willem Kerremans (1746-1768)

71

3.3.4 Frans Kerremans (1768- 1788)

72

3.4 Petrus Joannes Verbruggen (1789-1845)

74

3.5 De familie Teck - Verheyden (sinds 1845)

75

4. De hoeve Van Winstenhoven 4.1 Van heide tot kerkplein

77

4.2 De familie Meeus (1669-1782)

77

4.3 De familie Van Winstenhoven (1782-1852)

79

4.4 De familie Maes (1852-1922)

82

3


Inleiding Sinds de middeleeuwen is Breendonk altijd een deel van Puurs geweest, op 140 jaar zelfstandigheid na, van 1836 tot de gemeentefusies van 1977. Al van in de Karolingische tijd behoorde ‘Brededunc’ tot ‘Poderce’ (Puurs), het uitgestrekte domein tussen Rupel en Vliet dat al sinds de 9de eeuw in het bezit was van de abdij van Kornelimünster bij Aken. In 1277-1278 verkocht Kornelimünster het hele domein via een tussenpersoon aan de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem. De jonge Cistercienzerabdij (gesticht in 1237) voerde de volgende decennia en eeuwen een dynamisch beleid in Puurs en bracht het domein tot bloei. Gronden werden ontgonnen en in pacht gegeven, hoeves gebouwd en verhuurd. Zo bezat de abdij in Puurs tientallen grote en kleine pachthoven en in totaal meer dan 1600 bunder of bijna 2000 hectare grond: eigen gronden, cijnsgronden en leengronden. In dit boek vertellen we het verhaal van vier van die pachthoven. Ze bevonden zich alle vier in Breendonk. Of liever: in wat we nu Breendonk noemen. De ‘Vissenholhoeve’ was de enige met een echte naam en stond in de wijk ‘De Wachting’, meer bepaald in de huidige Zavelstraat. De andere drie waren gesitueerd op de Moorheide, het huidige centrum van Breendonk. De ‘Hoeve van Feles’ stond tegenover het kruispunt van de Beenhouwerstraat en de Groenstraat. De ‘Hoeve van Kobe Teck’ – de enige van de vier die nog altijd bestaat – vinden we terug in de Jan Hammeneckerstraat. En de ‘Hoeve van Winstenhoven’ lag in de schaduw van de kerk, op het huidige kerkplein. Breendonk heeft zich relatief laat ontwikkeld in vergelijking met de overige deelgemeenten van Puurs en de andere dorpen in de buurt. Dat komt enerzijds doordat Breendonk in de periferie van Puurs lag, maar het had zeker ook te maken met de wat hoger gelegen heide- en bosgronden, die minder vruchtbaar waren dan de leemgronden rond de Vliet, in het kerngebied van Puurs. Denk maar aan de namen van gehuchten en wijken als Moorheide, Hoge heide (of Grote Heide) en Keukenheide. Het oorspronkelijke Breendonk, momenteel de wijk Breendonkstraat in Willebroek, kwam vanaf het begin van de 13de eeuw tot ontwikkeling, maar toch werd het in 1668 door Judocus Bal, de provisor van de Sint-Bernardsabdij, nog altijd ‘bos- en heideachtig’ genoemd. Het naburige gehucht Moorheide was op dat moment nog grotendeels onontgonnen en werd pas in de volgende decennia onder impuls van Sint-Bernards in cultuur gebracht. In die tijd, eind 17de eeuw, ontstonden daar ook drie van de vier hoeves die we hier voorstellen: de Hoeve van Feles, de Hoeve van Kobe Teck en de Hoeve Van Winstenhoven. Ze werden gebouwd op pachtgronden van de abdij, maar de hoevegebouwen zelf waren eigendom van de pachters. Die behoorden tot de pioniers van de ontwikkeling van Breendonkdorp. Dat maakt hun verhaal extra boeiend. De vierde hoeve, de Vissenholhoeve in de Zavelstraat, kwam in de 17de eeuw eveneens in het bezit van Sint-Bernards. Ze bestond al langer, mogelijk zelfs al sinds de middeleeuwen, maar kreeg haar definitieve vorm door toedoen van de abdij. In tegenstelling tot de andere drie waren hier ook de hoevegebouwen eigendom van Sint-Bernards. De Vissenholhoeve was de grootste pachthoeve van de abdij in Breendonk en krijgt in dit boek dan ook de meeste aandacht. We onderzoeken haar naam, situeren de hoeve in het hedendaagse landschap en volgen de evolutie van de gebouwen en de landerijen. We maken kennis met de pachters en lichten de pachtovereenkomst met de abdij toe. We zien hoe de hoeve in 1797 door de Franse bezetter verbeurd werd verklaard en verkocht, en stellen de opeenvolgende nieuwe eigenaars en hun pachters voor. We schetsen ook de geleidelijke versnippering van het areaal en de teloorgang van de hoeve. De geschiedenis van de andere drie hoeves loopt gedeeltelijk parallel met die van de Vissenholhoeve. Ze hadden, althans tot 1797, dezelfde eigenaar en de pacht werd geregeld met identieke contracten. Na de opheffing van de Sint-Bernardsabdij werden ze alle vier openbaar verkocht. Vanaf dan gingen ze hun eigen weg. Maar wat doorheen hun geschiedenis opvalt, is de standvastigheid van de pachters. Dezelfde families bleven vaak eeuwenlang op de hoeve wonen, ook na de verkoop van 1797. Of ze probeerden de hoeve zelf in handen te krijgen. Toch is de echte rode draad door dit boek de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem en de grote rol die zij heeft gespeeld in de ontwikkeling van Breendonk. Op de kaart hieronder hebben we de precieze locatie aangeduid van de vier hoeves die we in dit boek voorstellen (nummers 1 tot 4). Daarnaast situeren we ook een aantal andere historische gebouwen in Breendonk (kasteel, hoeves, molens, brouwerijen). Als ze ook nu nog bestaan, geven we dat aan met een x of ± (contouren of perceel herkenbaar). 4


1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Vissenholhoeve Hoeve van Feles Hoeve van Kobe Teck (x) Hoeve Van Winstenhoven Kasteel Meerhof Spaans kasteel (x) Keukenhoeve (±) Sint-Annahoeve Brouwerij/herberg De Kroon (nu slagerij Van Riet) 10. Windmolen in het dorp 11. Windmolen op de Rijweg

12. Paardenmolen in de Sint-Jozefstraat (vroeger Smoutmolenstraat genoemd) 13. Brouwerij/herberg De Tinnen Pot 14. Brouwerij/herberg Den Hert 15. Hoeve De Groene Jaeger 16. Hoeve De Vet 17. Moorhoeve (x) 18. Tiendenhof 19. Mollekensboschhoeve (±) 20. Robberechtshoeve (x) 21. Hof te Wachteyke 22. Galg en galgenberg van Puurs

Paul De Borger / Dirk Binon 5


1. De Vissenholhoeve 1.1 De grootste pachthoeve in Breendonk van de Sint-Bernardsabdij Tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw stonden aan het begin van de Zavelstraat in Breendonk nog enkele overwoekerde restanten van een eeuwenoude hoeve: het Vissenhol. De laatste bewoners, de familie Van den Brande, hebben de bouwvallige hoeve verlaten in 1962. Zij waren, zonder het zelf te beseffen, verre nakomelingen van de eerste bekende eigenaars in de 17de eeuw, de familie De Sager, al was de hoeve in de loop der eeuwen geregeld van eigenaar gewisseld. De geschiedenis van de Vissenholhoeve, ook ‘Hoeve te Wachtinck’ en ‘De schoonste van sevene’ genoemd, is te traceren tot het begin van de 17de eeuw, maar gaat mogelijk terug tot de middeleeuwen. In 1627 werd de hoeve na een proces in beslag genomen door de Sint-Bernardsabdij. Bijna twee eeuwen lang behoorde ze tot het patrimonium van die machtige en invloedrijke Cisterciënzersabdij. Het was de grootste pachthoeve van de abdij in Breendonk. In 1797 werd de Vissenholhoeve door de Franse bezetter verkocht als ‘zwart goed’. Gedurende de de 19 eeuw was het pachthof in het bezit van investeerders uit Parijs, Vilvoorde, Brussel en Mechelen. ste Pas in het begin van de 20 eeuw werden de plaatselijke pachters ook de eigenaars van de ondertussen aanzienlijk kleiner geworden hoeve. De Vissenholhoeve bevond zich vooraan in de huidige Zavelstraat, langs de westkant: precies op de hoek tussen de straat en de Vissenholdreef. Dat was de naam van de veldweg die er ook nu nog ligt, al heeft hij niet meer de allure van de mooie dreef en belangrijke verbindingsweg die hij ooit was (afbeelding 1).

Afbeelding 1: ‘Caerte van het Vissenhol’ (detail) in het Land-boeck van Pudersse, supplement, f° 241.

1

1

Het Land-boeck van Pudersse van de Sint-Bernardsabdij in Hemiksem bevindt zich in het archief van de Abdij van Bornem. Het werd in facsimile uitgegeven door de Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant in 1984 en deels ook opgenomen in Houtman, Erik, e.a. Een Kaartboek van de Sint-Bernardsabdij Hemiksem 1666-1671, uitgave Rijksarchief, 2005. 6


1.2 De naam “Dese hoeve”, aldus Judocus Bal in het Land-boeck, “waarvan de huysen, schure en de stallen ons toebehooren, wordt gemeynelyk genoemt ‘De schoonste van sevene’, te weten van seven huysen die hier omtrent plachten te staen. Sy word by my geheeten ‘De hoeve te Wachtinck’ (….) omdat men eertyts in de troubele tyden hier omtrent de Wacht gehouden heeft onder eenen boom, de Wachter Eyck genaemt.”2

1.2.1 De schoonste van sevene De merkwaardige benaming ‘Schoonste van sevene’ komt slechts sporadisch voor, vooral in de archieven van de Sint-Bernardsabdij zelf. Bijvoorbeeld in onderstaande vermelding in de jaarrekening van 1730. Het gebruik en de etymologie ervan laten we dan ook voor de rekening van Judocus Bal.

Afbeelding 2: Rekening uit 1730 voor de pacht van de ‘hoeve genaemt de Schoonste van Seven op Vissenhol gelegen’, RAA, Rekeningboeken van de Sint Bernardsabdij, Inv. T14/039, nrs. 35 e.v.

1.2.2 De hoeve te Wachtinck De tweede naam van de hofstede, ‘De hoeve te Wachtingh’ of ‘Wachtinck’, verwijst naar een bekend en oud toponiem. Het wordt al in het begin van de 14de eeuw gebruikt en we vinden het ook vandaag nog terug in de straatnaam ‘Wachtingstraat’. In 1310 is er in een oorkonde van het Gasthuis van Kalfort al sprake van “horreum nostrum apud Wachtheijke” (onze schuur nabij Wachtheijke) en in 1321 wordt in een andere oorkonde een “huys ende hof te Wachtecke” vermeld.3 De vraag rijst of we dit middeleeuwse ‘Hof te Wachtecke’ kunnen vereenzelvigen met de 17de eeuwse ‘Hoeve te Wachtingh’ in het Land-boeck en dus met de Vissenholhoeve. Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we er rekening mee houden dat de precieze locatie en omschrijving van de ‘Wachting’ in de loop der eeuwen nogal varieerde. Sinds de 19de eeuw wordt de Wachting meestal ten noordwesten van de huidige Wachtingstraat gesitueerd. De zuidoostkant ervan wordt het Dodemansveld genoemd. Maar in het Land-boeck wordt de eigenlijke Wachting op een andere plaats gelokaliseerd, meer bepaald op de noordoostelijke hoek van de huidige Hoge Dreef en de Provincielaan (Londerzeel – Puurs). Daar lag volgens de kaarten in 2

Land-boeck, facsimile, 1984, p. 191. Judocus Bal (Schelle, 29.12.1604 – Antwerpen, 1.8.1672) was provisor (beheerder) en later ook prior van de Sint-Bernardsabdij. Hij was de samensteller van het Land-boeck, maar de hier gehanteerde editie, waarnaar ook in de referenties wordt verwezen, was een kopie met supplement die in 1749 werd gemaakt door Godefridus Bouvaert (6.10.1685 – 18.5.1770), de bibliothecaris van de abdij. 3 Moeremans, Ernest, Bijdrage tot de toponymie van Klein-Brabant, Puurs, Oppuurs, Breendonk, Liezele, Ruisbroek (licentiaatsverhandeling, KU Leuven, 1949). p. 274 en Jan Verbesselt, Het domein van de Abdij van Cornelimunster in Brabant. Het ontstaan en de ontwikkeling van Puurs, Pittem, 1968, p. 212 7


het Land-boeck effectief een veld ‘Den Wachtinck’ en ernaast het ‘Wachtersveld’. Als de interpretatie van de naam door Judocus Bal klopt (‘wachtplaats aan een eik’), dan is deze locatie op de grens tussen de oude heerlijkheden Londerzeel en Puurs én aan de belangrijke verbindingsweg vanuit Brussel naar Temse daarvoor inderdaad meer voor de hand liggend dan het Vissenhol. Recent archiefonderzoek lijkt niet alleen deze specifieke locatie op de grens met Londerzeel te bevestigen, maar zelfs de etymologische verklaring van de naam door Judocus Bal. Dat blijkt uit een inventaris van de bezittingen van het Gasthuis van Kalfort uit 1480 die wordt bewaard in het 4 aartsbisschoppelijk archief in Mechelen . Het Gasthuis was eigenlijk een gastenverblijf voor pelgrims die een bezoek brachten aan het klooster en de kapel van Kalfort waar al sinds ongeveer 1300 een relikwie van de tranen van Christus werd vereerd. Mogelijk was het relikwie meegebracht van een kruistocht door één van de ridders van het nabijgelegen domein Coolhem. Het klooster beschikte over een aantal bezittingen om in zijn onderhoud en de dienstverlening aan de pelgrims te voorzien. Eén van die bezittingen was de Hoeve te Wachteyke. In het register wordt de locatie van de hoeve en de bijhorende gronden als volgt beschreven:  In den eerste voer thof twee buender te drie staden (=stukken, percelen).  Item daer neven een velt gheeten tSas Velt, groet omtrent drie buender.  Item een buender lants gheheeten tSas Bloc jeghen Gilliis van Wachteyke dare over.  Iem een buender lants ghelegen opt Vorder Velt, ghestrect aen de strate.  Iem een buender lants gheleghen voer Heinric van Wachteyke neven de Coelsbossche, heet De Davert.  Item een buender lants ghelegen in de Wachteyke Bossche, gheheeten tPotter Stucke. Ende een stuxken der neven, dYser Streecke.

Afbeelding 3: Inventaris van het Gasthuis van Kalfort, fragment met vermelding van de gronden van het Hof te Wachteyke, 1480. (AAM) 4

Aartsbisschoppelijk archief Mechelen, inventaris van kloosterarchivalia, deel 1, Kalfort, nummer 1. Met dank aan Chris Apers voor het signaleren en ontsluiten van deze inventaris. 8


Het vermelde toponiem Sasveld, dat volgens de inventaris uit 1480 vlak naast het perceel lag waar de hoeve zelf op stond, bestaat ook nu nog en is gesitueerd aan de huidige Provincielaan. Het Sasveld is niet vermeld op de kaarten van de Sint-Bernardsabdij, maar wel op andere kaarten (o.a. Gigault en Popp). We hebben het perceel zelf aangeduid op onderstaande kaart van het Land-boeck (nummer 1). Daaruit blijkt dat ernaast De Wachtink (2) lag en daarnaast het Wachtersveld (3), samen ongeveer 900 roeden. Dat zou dus de plaats geweest zijn waar de gasthuishoeve zich bevond: daar lag dan de oorsprong en de kern van de wijk Wachting, die zich later veel verder zou gaan uitstrekken. Aan de overkant zien we op de kaart de Caesblocken (4). Dat zou het Sasblock kunnen zijn van de inventaris. De naam ’sas’ verwijst misschien naar de doorgang tussen de twee velden of de doorgang op de grens van Londerzeel en Puurs (mogelijk ooit een soort controlepost, oorspronkelijk de ‘Wachteik’). Als de gasthuishoeve effectief daar stond, dan is ze vermoedelijk tegen de 17de en zeker in de 18de eeuw verdwenen. De Vissenholhoeve lag daar ongeveer een kilometer vandaan, aangeduid met nummer 5 op de kaart. De conclusie is dus dat de ‘gasthuishoeve te Wachteyke’ niet dezelfde is als de Vissenholhoeve, ook al noemt Judocus Bal die zelf ‘Hoeve te Wachtinck’.

Afbeelding 4: De locatie van het Sasveld (1), het Hof te Wachteyke (2), het Wachters veld (3), de Caesblocken (4) en de Vissenholhoeve (5) op een kaart uit het Land-boeck van Sint Bernards, 1749 (Abdijarchief Bornem)

De inventaris van het Gasthuis bevat nog een andere interessante vermelding. Op de volgende folio wordt een lijst gegeven van de bossen in het bezit van de instelling, en daar staat: “Item te Wachteyke, voer Heinric doen van wachte, een bosch omtrent twee buender groet.” Op de Wachteyke lag dus een bos van twee bunder dat ter beschikking werd gesteld van een zekere Heinric als vergoeding voor het doen van de wacht. Dat lijkt met andere woorden een bevestiging van de etymologische verklaring door Judocus Bal van Wachteycke. Al houden we een slag om de arm: de vermelde Heinric zou ook gewoon de bos- of veldwachter voor die buurt kunnen zijn. Heinric van Wachteyke wordt ook vermeld in de beschrijving van de gronden van de hoeve. Daar wordt verwezen naar een perceel met de naam de Davert, dat ‘voer Heinric van Wachteyke’ is gelegen. Dat perceel lag dus voor of naast het huis van Heinric. Dat is interessant want op de kaart 9


van het Land-boeck staat een perceel dat het ‘Avere veldt’ wordt genoemd (nummer 6 op de kaart hierboven), en dat ligt vlak naast de Vissenholhoeve. Als de Davert effectief hetzelfde is als het Avereveld, dan zou het dus kunnen dat Heinric van Wachtheyke in een voorloper van de Vissenholhoeve woonde. Maar dat is allemaal heel hypothetisch. de

En dat geldt ook voor de bedenking dat er in de 17 eeuw in de wijk de Wachting verschillende mensen met de familienaam De Wachter woonden, bijvoorbeeld ook de pachter van de Vissenholhoeve (zie paragraaf 1.5.2). Zou het kunnen dat zij nakomelingen waren van Heinric van Wacheyke in de 15de eeuw?

1.2.3 Vissenholhoeve De naam Vissenholhoeve of gewoon ‘het Vissenhol’ is de meest gebruikelijke vanaf het begin van de 18de eeuw. Hij wordt in het Land-boeck vermeld in het Supplement dat bij het oorspronkelijke boek uit 1668-1669 wordt gevoegd in de kopie van Godefridus Bouvaert uit 1749. Het supplement bevat kaarten van landerijen, wijken en gehuchten die na de voltooiing van de eerste editie werden ontgonnen of gewijzigd. In andere archiefstukken van de abdij wordt de naam Vissenhol al eerder gebruikt, minstens vanaf 1616: ‘hoffstede geleghen in de Wachtickstraete aen de heyde geheeten den Vissenhol’5. Elders is sprake van locaties ‘in’, ‘bij’ of ‘op’ het Vissenhol. Het gaat dus duidelijk om een toponiem, een plaatsaanduiding. De naam ‘Vissenhol’ refereert dan vermoedelijk naar een visput of vijver, al komt een enkele keer ook wel ‘Vossenhol’ voor. Mogelijk gaat het om de put die ook nu nog altijd langs de Wachtingstraat ligt, zo’n 200 meter ten noorden van de plaats waar destijds de hoeve stond. Op onderstaande kaart (afbeelding 5) zien we dat er daar in het midden van de 19de eeuw zelfs twee vijvers waren.

Afbeelding 5: Visputten in de Wachtingstraat, Atlas der Buurtwegen van Breendonk, 1843, Gemeentelijk Archief Puurs

Nog een andere mogelijkheid is dat ‘Vissenhol’ verwijst naar ‘fis’ in de betekenis van ‘bunzing’, maar dan zouden we eerder de spelling ‘Fissenhol’ verwachten. Bij de openbare verkoop van de hoeve als ‘nationaal domein’ onder het Franse bewind in 1797 wordt de hoeve ‘Kessenhol’ genoemd, maar dat is allicht een verbastering van ‘Vissenhol’ door de Vlaamsonkundige ‘fonctionnaire’ die de verkoopsdocumenten opstelde. (zie paragraaf 1.4.3)

5

Ernest Moeremans, o.c, p 272 10


1.3 Situering, omvang en structuur van de hoeve De oudste kaart waarop de Hoeve te Wachting is afgebeeld vinden we terug in het Land-boeck van 6 Pudersse .

1.3.1 De hoeve in 1668 Judocus Bal geeft er niet alleen toelichting over de naam van de hoeve, maar ook over de manier waarop de Sint-Bernardsabdij ze heeft verworven en welke gronden erbij hoorden. Hij schrijft: “Sy is tot ons gekomen by confiscatie van Jan De Sager, te weten de hofstede met dry bunderen ende 143 roeyen landt: en de rest is genomen uyt de 17 bunderen heyen, die wy aen ons selven houden te leen 7 (…) eertyts gekomen ten deel van François van Haelen ende ten deel van Geerden de Man.” 8

Het gaat dus om een samengesteld areaal. Enerzijds is er de hoeve zelf, met ruim drie bunder grond. Die had de abdij ‘geconfisceerd’ van Jan De Sager. Wanneer precies en waarom staat er niet bij. Maar elders in het Land-boeck vinden we daarover wel een aanwijzing. De abdij had aan de grens met Londerzeel namelijk nog andere gronden van Jan De Sager in beslag genomen en daarbij wordt iets meer toelichting gegeven; “In het jaer 1627 hebben wy by confiscatie over de delicten van Jan De Sager, gecondemneerden, (…) over gedaene onkosten en misen van justitie (gerechtskosten, nvdr), 9 verkregen de naervolgende gronden (…).” Blijkbaar was Jan De Sager in 1627 om een of andere reden in een juridisch conflict verwikkeld geraakt met de abdij en had hij dat proces verloren, met hoge kosten tot gevolg die hij niet kon betalen. Daarom had de abdij niet alleen een aantal gronden van Jan De Sager in beslag genomen, maar ook zijn hoeve. (Meer over Jan De Sager in paragraaf 1.4.1). Bij de geconfisceerde hoeve werden nog ongeveer 10 bunder extra gronden gevoegd die de abdij eerder had verkregen van François Van Haelen10 en Geerden De Man. Zo bedroeg de grondoppervlakte van de hoeve ongeveer 13 bunder of 15 hectare. En dat is geen toeval want 12 of 13 bunder was al sinds de Karolingische tijd (in de achtste eeuw) de klassieke oppervlakte van een mansus11: de hoeveelheid land die door een boer (mansionarius) en zijn gezin bewerkt kon worden. De Vissenholhoeve was daarmee een middelgrote boerderij: groter dan een ‘kossaarderij’ van arme keuterboeren (‘kossaards’), maar kleiner dan de echt grote (pacht)hoeves die twee, drie of nog meer ‘mansi’ landerijen telden. Afbeelding 6 toont het mooi aaneengesloten blok landerijen zoals ze zijn afgebeeld op de kaart in het Land-boeck. De beschrijving van de gronden gaat als volgt: 1. Deze hoeve wordt in pacht gehouden by Jan De Wachter (zie paragraaf 1.5.2.1), ende het stuk saey-landt daer de huysen op staen is eene groote acker, hebbende oost, zuyt en noord de straete, west het naevolgende ende is groot 3 bunder en 332 roede. Dit is de kern van de hoeve, het deel dat in 1627 werd geconfisceerd van Jan De Sager. Het grote perceel werd later onderverdeeld in vijf stukken: de hoevegebouwen met de tuin, ‘Den Ommeloop’, ‘De Weyde’, ‘Het Boeckweyblock’ en ‘De Neerheyde’. (zie afbeelding 11) 2. ’t Tweede stuk is eenen block landts genaemt de Pest-stede. Ligt oost tegen de straet, zuydt de kinderen Jans De Sager, noort het voorgaende, west het volgende: ende is groot 2 bunder, 5 roeden en 10 voeten. De naam Pest-stede is mogelijk een verwijzing naar een vroegere hoeve of gezin die getroffen werden door de pest. Al kan hij ook iets te maken hebben met de

6

Land-boeck, facsimile, 1984, pp 191-192. Idem 8 Eén bunder (of vier dagwand of 400 roeden) was ongeveer 1.2 hectare. 9 Land-boeck, facsimile, 1984, p. 224 10 Idem, pp 191-192. Vermoedelijk gaat het hier om de eigenaar van het Hof ten Broeck in Liezele, die in het de begin van de 17 eeuw vele eigendommen had in de buurt. 11 De Germaanse vertaling van het Latijnse woord ‘mansus’ was ‘hoba’, vandaar later in het Nederlands ‘hoeve’. 7

11


aard of de kwaliteit van het land. Een andere naam voor dit perceel was het minder onheilspellend klinkende ‘Haverveld’. 3. Het derde stuk is ten deele landt en ten deele heyde: rugmerkt oost het voorgaende, nr 2, noordt ’s Heeren straet, zuydt het naestvolgende, west ook ’s Heerenstraet: ende is groot 2 bunder, 121 roeden. Dit perceel werd later ‘De Braeck’ genoemd’. 4. Een heyveldt, regelnotende oost Cornelis De Sager, zuyt en west de gemeyne (‘gemeenschappelijke’) heyde, noort het lest voorgaende : ende is groot 5 bunder en 83 roeden. Dit perceel werd later verdeeld in twee stukken: het Voorven en het Achterven. 5. Nog een stuk saey-landt over de straet, hebbende de selve oost, west Peeter De Sager, zuydt het kleyn heyken, noordt het gasthuys van Calfort; ende is groot met syne kanten oost zuydt, noordt 195 roeden. Dit perceel werd later ‘De Velderen’ genoemd. Let op de verwijzing naar het ‘gasthuis van Kalfort’, dat hier eind 17de eeuw dus nog altijd gronden had (zie paragraaf 1.2.2). Verder worden ook nog twee percelen vermeld onder Liezele: “Item liggen tot dese hoeve twee stukken beemds onder Liesele, samen groot 435,5 roeden”. Allemaal samen geeft dat 13 bunder 336 roeden en 10 voeten, deels akkerland, deels heide.

Afbeelding 6: Hoeve te Wachtingh. In het Land-boeck van Pudersse, kaart getekend door François Van Nijen. Uit: Houtman, Erik, e.a. Een Kaartboek van de Sint-Bernardsabdij Hemiksem 1666-1671, uitgave Rijksarchief, 2005

12


Het valt op hoe de familie De Sager in 1668 nog altijd alomtegenwoordig was in de buurt, zelfs zestig jaar na de confiscatie van de hoeve. Bij de eigenaars van de omliggende percelen is er sprake van de kinderen Jans De Sager, Cornelis De Sager en Peeter De Sager: allemaal (klein)kinderen van de onteigende Jan De Sager. Allicht daarom werd de straat waaraan de hoeve lag, tot ver in de 19de eeuw de ‘Sagerstraat’ genoemd. Pas dan werd de naam verbasterd tot ‘Zavelstraat’, vermoedelijk omdat de buurtbewoners allang niet meer wisten waar de naam Sagerstraat vandaan kwam.

1.3.2 Situering in het hedendaagse landschap Als we de contouren van de hoeve in 1668 op bovenstaande kaart projecteren op een hedendaagse luchtfoto, dan krijgen we een beter zicht op de aanzienlijke oppervlakte :

Afbeelding 7: Situering van de Vissenholhoeve in het hedendaagse landschap (Google Maps). De dikke witte lijn geeft de omvang aan van de hoeve in 1668 (ongeveer 13 bunder of 15 hectare grond).

Op de foto zien we dat de landerijen van de hoeve een flink stuk van de Zavelstraat en de Hoogheide besloegen. Met 13 bunder was de Vissenholhoeve het grootste pachthof van Sint-Bernards in Breendonk. In Puurs en Kalfort had de abdij nog grotere hoeves, zoals de twee pachthoven van het Hof van Coolhem (respectievelijk 23 en 22 bunder), de Merlegathoeve (29 bunder) en de zogenaamde Nieuwe Hoeve (15 bunder). Ook in Breendonk waren er grotere hoeves, maar die waren in privébezit, onder meer De Keukenhoeve (44 bunder) en de Sint-Annahoeve (52 bunder). Een belangrijk verschil met de toestand vandaag is het traject van de huidige Provincielaan (N 259). Eeuwenlang liep die weg, een stuk van de verbindingsroute van Brussel naar de Schelde in Temse, niet in rechte lijn naar het noorden, maar via een bocht rond de Vissenholhoeve en de Wachtingstaat. De verbinding tussen de Provincielaan en de hoeve werd gemaakt door een dreef, die nu eens ‘Vissenholdreef’ en dan weer ‘Sint-Bernardsdreef’ werd genoemd. Dat stukje van het tracé is in het huidige landschap nog slechts vaag te herkennen als een veldweg (wit gemarkeerd op afbeelding 7). De dreef werd in 1728 door de Sint-Bernardsabdij met bomen beplant.

13


In 1837 werd de Provinciale Baan heraangelegd als ‘steenweg’ en in rechte lijn doorgetrokken tot aan het gehucht De Wolf, zodat de gebruikers niet langer de omweg langs de Vissenholhoeve en de Wachtingstraat moesten maken. De nieuwe verbindingsweg liep dwars door de landerijen van de Vissenholhoeve. Meer bepaald de percelen De Neerheyde en De Braek (zie afbeelding 11) werden doormidden gesneden en kregen voortaan een dubbel of drievoudig kadasternummer, respectievelijk 148 a en b, en 149 a, b en c. Zie afbeelding 8 hieronder.

Afbeelding 8: Kaart van de kadastrale wijzigingen op de ‘Hooge Heyde’ door de aanleg van de ‘provinciale steenweg’ van Brussel naar Temse. Links de oude toestand en rechts de nieuwe. (RAA, HGA Breendonk, Nieuwe percelen al s gevolg van grensveranderingen, 1837)

Nog een gevolg van de rechttrekking van de weg was het ontstaan van een tweede ‘stratendriehoek’ naast de veel oudere ‘Drijhoeck’ iets meer naar het oosten (waar momenteel een kapelletje staat). De nieuwe driehoek werd gevormd door de Hoogheidestraat (zuid), de nieuwe weg (west) en het oude tracé naar het gehucht De Wolf (oost). In de volksmond werd die driehoek ‘Den Tip’ genoemd, en dat was ook de naam van het café dat er later ontstond en dat werd werd uitgebaat door de familie Tierens (zie paragraaf 1.5.7). Na verloop van tijd raakte het oude tracé (de oostelijke zijde van de driehoek) in onbruik en momenteel is het nog nauwelijks als weg te herkennen. De oude toestand met de omweg langs het Vissenhol is goed te zien op beide onderstaande kaarten. De eerste komt uit een Kaartboek van het Seminarie van Mechelen (1739). Daar is sprake van de ‘Dreve van St. Bernaerts’. De tweede kaart komt uit de Gigault-Atlas. Daar heet de weg: ‘Allee dite Vissenhol’.

14


Afbeelding 9: Vissenholhoeve (rechtsonder), Zavelstraat en ‘Dreve van Sint Bernaerts’ (huidige Provincielaan en veldweg naar de Vissenholhoeve), Kaartboek van gronden, eigendom van het Seminarie van Mechelen in Puurs, Liezele en Oppuurs. Opgemaakt door landmeter Jacobus Thomas Roelants op basis van metingen uitgevoerd door landmeter Joannes Van Acoleyen, 1739, Kaartblad 1 (RAA)

Afbeelding 10: Vissenholhoeve, Zavelstraat, Wachtingstraat en ‘Allée dite Vissenhol’, Gigault-atlas Puurs, 1805 (RAA)

Op Afbeelding 5 (1843) is de Provinciale Steenweg net doorgetrokken, maar de dreef is nog duidelijk gemarkeerd (als ‘Chemin 8’).

1.3.3 De Vissenholhoeve in 1739 Naast de originele kaart van de ‘Hoeve te Wachtingh’ uit 1668 (getekend door landmeter François Van Nijen) vinden we in het supplement van het Land-boeck van Pudersse nog een tweede, meer gedetailleerde kaart van ‘Het Vissenhol, het Cleyn Heyken, de Hooge Heyde, de Caesblocken, en andere’. Ze werd in 1739 opgesteld door landmeter Judocus De Deken.

15


Afbeelding 11: Caerte van het Vissen-hol, het Cleyn Heyken, de Hooge Heyde, de Caes-blocken, in het Land-boeck van Pudersse, supplement 1749. Kaart getekend door J. De Deken in 1739. Uit; Houtman, Erik, e.a. Een Kaartboek van de Sint-Bernardsabdij Hemiksem 1666-1671, uitgave Rijksarchief, 2005

De kaart is gedetailleerder dan die uit 1668, maar de bijhorende beschrijving van de hoeve zelf is minder uitgebreid: “Eerst het Vissenhol12, bestaet in differente partyen aen malkanderen, te weten n° 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7, paelt noort ende oost de straeten, zuydt Gillis Piesens, west den mastbosch van Sinte Bernards; groot te samen 8 bunder, 1 dagwand, 27 roede.” En dan volgt nog een expliciete verwijzing naar de eerdere beschrijving in het Land-boeck onder de naam ‘Hoeve te Wachtingh’: “Staet voor in den Boeck, folio 172.” Anders dan bij die beschrijving uit 1668 krijgen alle percelen op deze nieuwe kaart wel een naam en een precieze oppervlakte: 1) Het Avereveldt, 884 roeden (2 bunder en 84 roeden): dit veld werd bij de eerdere beschrijving de Peststede genoemd en was toen 2 bunder en 5 roeden. 2) De hoeve zelf, Vissenhol, 72 roeden13. Voor details, zie afbeelding 1. 3) Ommeloop, 151 roeden; allicht zo genoemd omdat de straat er in een bocht omheen loopt. 4) De Weyde, 338 roeden; de naam spreekt voor zich. 5) Neerheyde, 517 roeden; de naam verwijst naar een laag gelegen stuk heide. 6) Boekweyblock, 428 roeden; een stuk grond waarop (ooit) boekweit werd geteeld. 7) De Braeck, 937 roeden of 2 bunder en 137 roeden (tegen 2 bunder en 121 roeden bij de eerste beschrijving); vermoedelijke een verwijzing naar een braakliggend perceel, al dan niet in het drieslagstelsel. Volgens deze tweede beschrijving vormen die zeven percelen – samen 8 bunder 1 dagwand en 27 roeden - het volledige areaal van de Vissenholhoeve. Dat is dus beduidend minder dan in 1668, toen

12

Er is dus geen sprake meer van ‘Hoeve te Wachtingh’ of ‘Schoonste van Sevene’. In de eerdere beschrijving (zie paragraaf 1.3.1) werden de nummers 2 tot 6 beschouwd als één groot veld van 3 bunder 332 roeden. In deze tweede beschrijving zijn de diverse percelen samen 3 bunder en 378 roeden. 13

16


ook nog de percelen 8 en 9, en 11 tot 13 bij de hoeve hoorden, die daarmee in totaal ruim 13 bunder 14 landerijen telde. We vermelden ook nog enkele andere percelen: 8) Een stuck landt, gelegen op de Velderen, paelt noordt Jan de Saeger, noordt-oost het Gasthuys van Calfort15, oost-zuydt de dreve, zuyd-west het Cleyn Heyken, staet voor in den Boeck, n°5, folio …., groot 1 dagwand en 95 roeden. 9) Item een stuk landt genaemt het Veldeken, paelt west-noordt het Cleyn Heyken, noordt-oost den Voet-weg, oost-zuydt Sinte Bernardsbosch, west de straet, groot 2 dagwand. 10) Item het Cleyn Heyken met de Hofstede, is groot 2 dagwand en 18 roeden. De plantasie rondsomme is geplant A° 1735, groot 1 dagwand 71 roeden. 11) Item eenen Bosch, genaemt het Achterven, paelt west de straete, noordt, oost, zuydt SinteBernards, groot 1 bunder, 1 dagwand, 50 roeden. Dit grote perceel bos werd in 1668 samen met de nummers 9, 12 en 13 nog beschreven als heide. De namen – Voorven en Achterven – wijzen op een moerassig verleden. 12) Item een strepe mastbosch (dennenbos), paelt oost den voetweg, zuydt de dreve, voorst Sinte Bernaerds, is geplant A° 1735, groot 88 roeden. De contouren van dit lange en smalle perceel zijn net als die van de nummers 1, 8 en 9 vanuit de lucht nog goed te herkennen (zie afbeelding 7). 13) Item eenen bosch genaemt het Voorven, paelt noordoost den voorschreven mastbosch, oostzuydt de dreve, zuydt-west ende west-noordt Sinte Bernaerds, groot 1 bunder, 1 dagwand en 85 roeden. 14) Item een stuk landt gelegen op den Wachtinck, paelt noordt, oost en zuydt het naervolgende stuk, west de straet scheydende ons Dreve, groot 2 dagwand, 78 roeden. Zoals hoger al gemeld (paragraaf 1.2.2) is dit wellicht de echte locatie van de Wachting, eerder dan het Vissenhol. 15) Item een stuk landt, genaemt het Wachtersveldt; paelt noort het voorschreven stuk ende zuydt de straet (momenteel een veldweg tussen de Hoge Dreef en het einde van de Zavelstraat), zuydt-west de Tisseldreve (de oude naam van de Hoge Dreef) 16) De Caesblocken (nummers 34 tot 40 op de kaart), gelegen onder de Prochie van Londerseele, vormden een aangesloten blok percelen, samen 4 bunder, die de SintBernardsabdij net als de Vissenholhoeve in 1627 had verworven door confiscatie van Jan De Sager (zie paragraaf 1.4.1). De Caesblocken behoorde wellicht tot het ouder areaal van het middeleeuwse Hof te Wacheyke (zie paragraaf 1.2.2). 17) tot 20) Percelen die later bij het areaal van de Vissenholhoeve werden gevoegd (zie paragraaf 1.4.3) De latere evolutie van de hoevegronden zullen we behandelen bij de beschrijving van de opeenvolgende eigenaars en pachters. De grootte van het beschikbare areaal varieerde in de loop der jaren.

1.3.4 De hoevegebouwen in de loop der eeuwen Hoe zag de Vissenholhoeve eruit? De oudste documenten en akten beperken zich tot de omschrijving ‘hoeve met schuur en stal’ of ‘een hoeve bestaande uit verschillende gebouwen’. Om een beeld te krijgen van die gebouwen moeten we ons dus behelpen met de afbeeldingen op de diverse kaarten en kadastrale plannen. Hoe betrouwbaar die zijn, valt moeilijk te zeggen, vooral voor de oudere afbeeldingen. Bij de kaarten uit het Land-boeck ging het vooral om de landerijen. De gebouwen waren van minder belang. De waarde van een hoeve werd vooral bepaald door de gronden, niet door de gebouwen die erop stonden. De Ferraris-kaart uit 1776 is dan weer een stafkaart en geen kadasterkaart; ook daar waren de gebouwen dus minder belangrijk, al waren de cartografen van graaf Joseph de Ferraris wel militaire professionals. Vanaf Gigault (1805) gaat het om echte kadasterkaarten, dus die zijn allicht wel 14

In het pachtboek van de Sint-Bernardsabdij uit die periode varieert de oppervlakte van de hoevegronden tussen 9 en 12 bunder. Bij de openbare verkoop van de hoeve na de inbeslagname door de Franse bezetters was het opnieuw meer dan 13 bunder. 15 Bedoeld wordt: grond die eigendom was van het klooster-gasthuis van Kalfort. 17


betrouwbaar. Hoe dan ook: uit de opeenvolging van de afbeeldingen kunnen we afleiden dat er in de loop der eeuwen wel wat verbouwd en vergroot werd aan de Vissenholhoeve. Daarnaast beschikken we over enkele inboedelbeschrijvingen die wat aanwijzingen bevatten over de gebouwen en de structuur ervan. De meest gedetailleerde beschrijving vinden we in een verkoopakte uit 1851. Helaas bestaat er geen enkele foto van de hoeve, behalve dan twee portretten van de pachtersfamilie Tierens uit 1919 met een heel partieel zicht op het woonhuis. Hieronder een overzicht van de afbeeldingen van de Vissenholhoeve in de loop der eeuwen: Land-boeck van Pudersse – 1668 De oudste afbeelding. We zien een huis met schoorsteen dat parallel staat met de straat en een ander gebouw, wellicht de schuur en/of stal, haaks op de straat. En een mooie moestuin.

Kaartboek Seminarie Mechelen - 1739 Min of meer dezelfde structuur als op de vorige afbeelding, al lijkt het woonhuis wat verder van de straat te staan en achter het bijgebouw. Let ook op de afsluiting of slagboom aan het begin van de Vissenholdreef.

Land-boeck van Pudersse, supplement – 1739 Op het eerste gezicht lijkt de structuur ook hier hetzelfde, maar op deze afbeelding staat het woonhuis (met schoorsteen) haaks op de straat, zoals het ook later was. Vermoedelijk waren de vorige afbeeldingen wat dat betreft onnauwkeurig. De schuur wordt hier parallel met de straat afgebeeld. Verder ook een klein gebouwtje op de ‘koer’ en een ander in de tuin, vermoedelijk de bakoven. Ferraris – 1776 Op de Ferraris-kaart is er nog een gebouw bijgekomen aan de straatkant, zodat de hoeve stilaan evolueert naar een vierkantstructuur. Uit de jaarrekeningen van Sint Bernards weten we dat er in 1783 een nieuwe schuur werd gebouwd. Dat was waarschijnlijk de zuidelijke vleugel, die we op de eerstvolgende kaart, die van Gigault, afgebeeld zien.

18


Gigault – 1805 De Gigault-kaart is de eerste moderne kadasterkaart van Puurs. We mogen er dan ook van uitgaan dat de gebouwen hier correct zijn weergegeven. Ook op de volgende kadasterkaarten zien we trouwens dezelfde structuur: de hoeve heeft nog meer een vierkantstructuur gekregen, met vooraan waarschijnlijk een poort tussen het woonhuis en de rest van de gebouwen. Alleen achteraan blijft er nog een opening. Kaart Six d’Oterleek – 1818 Ook op deze kaart, opgesteld tijdens het Nederlandse bewind en in opdracht van minister van Financiën Cornelis Carolus Six d’Oterleek, zien we hoe de hoeve precies op de hoek van de huidige Zavelstraat en de Vissenholdreef stond.

Atlas der Buurtwegen – 1843 De Atlas der Buurtwegen geeft identiek hetzelfde bouwplan. De aanduidingen van straatbreedtes maakt het theoretisch ook mogelijk om de grootte van de gebouwen te bepalen. Acht jaar later, in 1851, werd de Vissenholhoeve verkocht door de toenmalige eigenaars, de familie Whettnall – De Pouillon Tiberghien. In de verkoopakte, verleden voor notaris Joannes Michael De Cocq uit Mechelen, wordt de hoeve zo beschreven16: “Eene pagthoeve, genaemd Vissenhol, bestaende in verschyde zeer solide en ruyme gebouwen opgerigt in vierkantigen vorm, in ‘t midden van welke is besloten (een) grooten basse-cour, behelzende het voornaemste: (een) schoone pagterswooning gedekt in pannen en hebbende verschyde beneden- en bovenkamers, keuken, kelders, drooge schuylplaetsen en graenzolders, remisiën, logiën; voorts regt over dies huys: een aenzienlijk en allersterkst batiment geschikt tot schuer, het welk door zyne grootte zeer gemakkelijk tot een tweede pagterswooning kan worden bestemd; van de twee andere zijden; peerden-, koeyen- en schapenstallen, verkens- en voederagiekoten, twee keukens, etc; fraye hoving omringd van hagen en beplant met veel 17 fruytboomen in vollen dragt; ovenbuer , beerput en meer andere dependentiën alsmede twee 18 parceelen land genaemd den Bemd en den Overloop19, te zamen uytmakende eenen blok gelegen onder de gemeente Breendonck, tegen de Wagtingstraat, Wijk B nummers 414, 415, 416 en 417 (…) groot in oppervlakte een hectare, negentachtig are, vijf centiare.”

16

Verkoopakte Vissenholhoeve door Catherine Françoise de Pouillon Tiberghien en Edward Jean Whettnall, d.d. 12.8.1851, notaris Joannes Michael De Cocq te Mechelen, Stadsarchief Mechelen, notariaat, inv. 2388. 17 Een bakoven in apart gebouw 18 Dit perceel werd eerder ‘De Weyde’ genoemd: kadaster B 417 (zie afbeelding 9, nummer 4) 19 Zie afbeelding 9, nummer 3 19


Popp – 1863 Ook op de Popp-kaart, de moeder van de hedendaagse kadasterkaarten, herkennen we weer diezelfde oriëntatie van de gebouwen. In een boedelbeschrijving uit 1881 is er sprake van een keuken, een kamer (woonplaats), kelderkamer, een plaats neven de keuken, een washuis, een kelder, een zolder, een schuur, een koestal en een voederij (Akte voor notaris Petrus Ludovicus Jacobus Peeters te Puurs, 18.04.1881, arch. Francine Tierens) Verkavelingsplan – 1995 Toen de hoeve ongeveer een eeuw later (1962) werd verlaten, was de zuidelijke vleugel van de hoeve veel kleiner geworden. Dat zien we op het verkavelingsplan uit 1995, dat ook de ligging weergeeft van de oude gebouwen (rood) tegenover de nieuwe toestand. Links was de schuur, in het midden het woonhuis met de koeienstal en rechts een (recentere) paardenstal. Afbeelding 12, 1-9 : De Vissenholhoeve op diverse kaarten en plannen.

Na de verkaveling van 1995 blijft van de hoevegebouwen niets meer over. In het hedendaagse landschap ziet de locatie er zo uit : Situatie anno 2017 Het begin van de vroegere Vissenholdreef vanuit het oosten, in de Zavelstraat. Op de hoek tussen de dreef en de straat stond de schuur. Het woonhuis bevond zich ter hoogte van de huidige villa.

Afbeelding 13

De Vissenholdreef vanuit het westen richting Zavelstraat.

Afbeelding 14

Tot slot hieronder ook nog de enige twee bekende foto’s van de hoeve, al geven ze slechts een heel onvolledig beeld. Ze zijn gemaakt rond 1917 toen de familie Tierens de hoeve pachtte (zie paragraaf 20


1.5.7.3). We zien hen op de binnenkoer voor de deur en een raam van de hoeve. Die deur bevond zich aan de zuidkant van het woonhuis, dat haaks tegenover de straat stond.

Afbeelding 15: De familie Tierens voor de Vissenholhoeve in 1917 Achterste rij: Francisca Dedecker (meid) – grootvader Vitalis Tierens Voorste rij: Alfons, vader Jan Jozef, Frans, moeder Francisca Aloysia, Hortensia Alfonsina (arch. Francine Tierens)

Afbeelding 16: Fons en op het paard Frans Tierens (arch. Francine Tierens)

21


1.4 De eigenaars De eerste eigenaar aan wie we de hoeve met zekerheid kunnen toewijzen, is Jan De Sager.

1.4.1 Jan De Sager (tot 1627) Uit het Land-boeck weten we dat de Sint-Bernardsabdij de Vissenholhoeve in 1627 verkregen heeft door confiscatie van Jan De Sager (zie paragraaf 1.3.1). Maar wie was die man? In de 20 parochieregisters van Puurs, beschikbaar vanaf 1591, wordt hij niet vermeld . In de oudste bewaarde 21 schepenregisters van Puurs komt de naam Jan De Sager wel een aantal keren voor. Daaruit blijkt dat hij in 1601 schepen van Puurs wordt genoemd. Hij was de zoon van Goossen De Sager en de echtgenoot van Barbara Feerman. Ook in het repertorium van notaris Gerard Van Paesschen uit Liezele wordt Jan De Sager enkele keren vermeld. Daar lezen we dat hij vijf kinderen had: Jan, Peter, Cornelis, Dymphna en Anna. Zijn dochter Dymphna is op 10 september 1616 getrouwd met Laurentius De Buyser. Het geboortejaar van Jan moeten we dus wellicht situeren rond 1560 of vroeger. Hij is overleden in 1636, zijn vrouw wellicht pas in 1651. 22 Uit de schepenregisters blijkt dat Jan De Sager onder meer gronden bezat op het Dodemansveld tegen de Wachtingstraat en op de Moorheide in het huidige Breendonk-centrum. In 1607 en 1613 wordt verwezen naar zijn hofstede met schuur, stal en drie dagwand grond ‘op de Wachtinge’. In 1616 koopt hij van Lancen Huyghe nog een hofstede aan de ‘Wachingestraat, naast het Visschehol van het Klooster van Sint Bernards en zijn eigen goed’. In 1617 hypothekeren Jan en Barbara hun hofstede met drie dagwand grond in de Wachtinge én een ‘besloten veld’ van een bunder groot, ernaast op de heide, met de naam ’s Pesters Stede (zie afbeelding 6, nummer 2). In aktes van 22 november 1623 en 11 april 1624 lezen we dat Jan De Sager, de echtgenoot van Barbara Feerman, gevangen zit in Puurs. Barbara gaat op beide data een lening aan en hypothekeert daarvoor al hun eigendommen. Zo krijgen we een goed beeld van hun bezittingen op dat moment: 

    

Een hofstede met hof, schuur en stal, “waar Barbara nu woont” in de Wachtingstraete aan de Hoogheide. Vermoedelijk moeten we deze hoeve ten zuiden van de Vissenholhoeve situeren, naast het Haverveld (zie afbeeldingen 6 en 11). Jan De Sager jr. erfde ze van zijn moeder en zijn nakomelingen vinden we er eeuwen later nog terug. Ook in dit verhaal trouwens (zie paragraaf 1.4.8). Drie bunder land erachter, met nog een hofstede erop. Dit is de eigenlijke Vissenholhoeve. Drie bunder heide aan de Wachtingstraat. Een hofstede naast de vorige grond, met drie dagwand grond, verhuurd aan Lancen Huyghe. Om welk perceel land het gaat en waar we de hofstede precies moeten situeren, is niet duidelijk. Twee en een half dagwand grond op het Wachtingeveld Vier bunder heideland of ‘schomme’, De Caesblocken genoemd, in Londerzeel op de Grootheide op de grens van Londerzeel en Puurs. Ze hadden dit goed verkregen van Gerard Van den Bossche rond 1609 (zie afbeelding 11, nr. 16). Dit ‘blok’ landerijen behoorde ooit toe aan het Gasthuis van Kalfort (zie paragraaf 1.2.2).

Daarbij wordt nog vermeld dat Jan De Sager en zijn vrouw de goederen hadden verworven tijdens hun huwelijk. Het gaat dus om drie hofsteden met in totaal ongeveer 12 bunder grond. Wat er precies aan de hand was met Jan De Sager in 1623-1624 en waarom hij toen gearresteerd werd, is niet bekend. Maar wellicht was zijn echtgenote daardoor in financiële problemen geraakt. Na 1624 komt Jan De Sager niet meer voor in het schepenregister. Maar we mogen er allicht van uitgaan dat de confiscatie van zijn hoeve door Sint Bernards in 1627 rechtstreeks te maken had met zijn arrestatie en financiële problemen. Judocus Bal heeft het immers over ‘de delicten van Jan De Sager, 20

Dirk Binon, Parochieregisters van Puurs - dopen, huwelijken, overlijdens, 1591–1797, diverse volumes, eigen uitgaven, 2002-2011. 21 Chris Apers, Het oudste schepenregister van Puurs (1600-1628), eigen uitgave 2011. Het register wordt bewaard in het Rijksarchief Antwerpen (Beveren), inventarisnummer D111, nr 1. 22 Gaston Roggeman, Notariaat G. Van Paesschen, Liezele, 1628-1680, bewerking, eigen uitgave. 22


gecondemneerden (…) over gedaene costen en misen van justitie’ (zie paragraaf 1.3.1). De abdij eigende zich de hoeve toe, met drie bunder grond, waaronder de ‘Peststede’ alias ‘het Havereveld’, het grote veld ten zuiden van de boerderij. En daarnaast ook nog de ‘Caesblocken’. Jan De Sager moest het recht van de sterkste ondergaan. En dat was in Puurs zonder twijfel de Sint-Bernardsabdij.

1.4.2 De Sint-Bernardsabdij van Hemiksem (1627-1797)

Afbeelding 17: De Sint-Bernardsabdij op een gravure van David Coster uit 1726

Afbeelding 18: Judocus Gillis uit Puurs, prior en later abt van Sint-Bernards (gravure van Franciscus Denijs)

Toen de Sint-Bernardsabdij de Vissenholhoeve in 1627 in beslag nam, was zij al 350 jaar heer en meester in Puurs, waar het gehucht ‘De Wachting’ toen toe behoorde. Puurs was een ‘geestelijke heerlijkheid’. Ze werd dus niet ‘beheerd’ door een baron, graaf of andere ‘wereldlijke heer’, maar door een ‘geestelijke heer’: de abt van de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem. In het midden van de 17de eeuw was dat toevallig ook een échte Puursenaar: Judocus Gillis (°1594, Puurs – †1660, Hemiksem), prior vanaf 1624 en abt van 1647 tot zijn dood. De Cisterciënzerabdij van Sint-Bernards aan de Schelde (gesticht in 1237) had het domein van Puurs in 1278 gekocht van de Abdij van Kornelimünster nabij Aken. Die had het al van in de Karolingische tijd, in de 9de eeuw, in haar bezit. Door hun krachtdadig en dynamisch beleid brachten de abten van Sint Bernards Puurs tot bloei. Meer dan 500 jaar lang hadden zij het er als geestelijke heren helemaal voor het zeggen. Ze beheerden er tientallen hoeves en honderden hectaren grond, ontgonnen bos en heide, inden belastingen, bestuurden, spraken recht (de galg stond in de huidige Lichterstraat) en bepaalden zelfs in welke wind- of watermolens mensen hun graan moesten laten malen (wind- en waterrechten). En vanaf 1627 behoorde dus ook de Vissenholhoeve tot hun bezittingen. Zoals we gezien hebben, breidden ze het areaal van de hoeve uit en maakten ze er een middelgroot pachthof van (zie paragraaf 1.3.1). Gedurende 170 jaar verhuurden de paters van Sint-Bernards de pachthoeve aan de familie De Wachter en later aan hun aangetrouwde verwanten van de familie Kerremans. Meer daarover later (zie hoofdstuk 1.5). Maar dan kwamen de Fransen.

1.4.3 De verkoop van de hoeve als ‘zwart goed’ in 1797 In 1794, na de slag bij Fleurus, veroverde het revolutionaire Frankrijk onze gewesten, ten koste van het Oostenrijkse keizerrijk. De Fransen zouden hier blijven tot in 1814. In die periode werd het traditionele politieke, maatschappelijke, juridische en religieuze bestel helemaal hervormd. Ook de adel en de kerk (sterkhouders van het Ancien Régime) kregen het hard te verduren. Kastelen en domeinen werden in beslag genomen, kloosters en abdijen verbeurd verklaard en hun vele bezittingen openbaar verkocht (Wet van 6 november 1796). Ook de eens zo machtige Sint-Bernardsabdij onderging dat lot. Op 21 december 1796 werden de abdijgebouwen in Hemiksem verzegeld en op 19 maart 1797 ging de abdij onder de hamer als ‘nationaal domein’ of ‘zwart goed’, zoals het in de volksmond werd genoemd omdat de verkoop als illegaal werd beschouwd. In die periode werden ook

23


de meeste andere bezittingen van de abdij openbaar verkocht. Ook de Vissenholhoeve. Dat gebeurde op 10 april 1797 (21 Germinal van het Jaar Vijf van de Republikeinse kalender).

Afbeelding 19 : Titelpagina van het proces verbaal van de verkoop van het Vissenhol als ‘Nationaal domein’ van de 23 Franse republiek op 21 Germinal van het jaar vijf van de Franse Republiek.

Die tiende april 1797 werd in een veilingzaal in Antwerpen te koop aangeboden: een pachthoeve, het 24 Kessenhol genaamd, gelegen in Puurs, bestaande uit meerdere gebouwen, en 13 bunder, 51

23

Archief van het Département des Deux Nèthes, RAA, Beveren. 24


roeden en 13 voet akker- en weiland, verpacht aan Petrus Kerremans tot 25 december 1799 tegen 237 gulden per jaar. In de koop waren ook 708 bomen begrepen die op de landerijen groeiden.

Afbeelding 20: Samenvatting van het proces verbaal van de verkoop van ‘Eene pagt-hoeve, genaemt het Kessenhol’ (RAA)

De landerijen werden in het ‘proces verbaal’ van de verkoop als volgt beschreven: 25

1. Een perceel land genaamd ‘Schaverenveld’, grenzend aan Jacques Spiessens (zuid), ‘rue dite de Wagting’ (noord), de weduwe De Boeck (oost) en erfgenamen Desager (west). Zie 26 afbeelding 21, nummer 1 . 2. Een perceel land genaamd ‘De Weijde’, grenzend aan de Sint-Bernardsabdij (oost, zuid, west, noord). Zie afbeelding 21, nummer 2. 3. Een perceel land genaamd ‘De Nederheyde’, grenzend aan de Sint-Bernardsabdij (oost, zuid, west, noord). Zie afbeelding 21, nummer 3. 4. Een perceel land genaamd ‘De Weydeblock’, omringd door gemeenschappelijke grond genaamd Liesselbrouck. Dit perceel is niet precies te situeren. Wellicht gaat het om een van de landerijen in Liezele die vermeld worden in de eerste beschrijving van de hoeve in het Land-boeck (zie paragraaf 1.2.1). 5. Een perceel land genaamd ‘De Brouk’, grenzend aan de Sint-Bernardsabdij (zuid, oost, noord) en de ‘rue dite de Watting’ (sic). Waarschijnlijk wordt hier ‘De Braeck’ bedoeld. Zie afbeelding 21, nummer 5. 6. Een perceel land genaamd ‘De Veldeken’, grenzend aan ‘De Brouk’ en de Sint-Bernardsabdij. Zie afbeelding 21, nummer 6. 7. Een perceel land genaamd ‘Hetseijke’, grenzend aan de Sint-Bernardsabdij (zuid en noord), de ‘fondation de Calfort’ (de voorloper van het OCMW, in het oosten) en de erfgenamen De Sager. Mogelijk is dit een verbastering van het ‘Kleyn Heyken’ (zie afbeelding 21, nummer 7) 8. Een perceel land genaamd ‘Het Achterveld’, in alle richtingen begrensd door de SintBernardsabdij. Moeilijk te situeren. Mogelijk gaat het om ‘Het Achterven’ (zie afbeelding 21, nummer 8). 9. Een perceel land, genaamd ‘De Wagting’, begrensd door de Sint-Bernardsabdij (zuid, west en noord), en in het oosten de erfgenamen De Wachter. (zie afbeelding 21, nummer 9) 10. Een perceel land, genaamd ‘Het Leegveld’, in alle richtingen begrensd door Sint-Bernards. Mogelijk wordt hier het ‘Leeg Ven’ bedoeld. (zie afbeelding 21, nummer 10) 11. Een perceel land genaamd ‘De Hoogheyde’, in alle richtingen begrensd door de SintBernardsabdij. (zie afbeelding 21, nummer 11). 12. Een perceel land genaamd ‘Den Maestbosch’, begrensd als het vorige. Locatie niet bekend. Mogelijk afbeelding 21, nummer 12. 13. Een perceel land genaamd ‘De Huylenbosch’, begrensd als het voorgaande. Afbeelding 21, nummer 13. 14. Een perceel grond ‘De Hoeveheyken’, begrensd als hierboven. Bevond zich in de Wachtingstraat, aan het einde van het zijwegje ter hoogte van het huidige huisnummer 5. De grootte van de afzonderlijke percelen wordt niet vermeld, maar samen besloegen ze dus ruim 13 bunder. Dat is evenveel als in het Land-boeck, bij de beschrijving uit 1668, maar de percelen kwamen wel niet helemaal overeen. Niet vermeld zijn bijvoorbeeld de percelen ‘Den Ommeloop’ en ‘Het

24

De openbare verkoop en de beschrijving ervan in het proces verbaal gebeurde in het Frans, door ‘fonctionnaires’ die de streek en wellicht ook de streektaal niet kenden. Er werd dan ook ‘met de Franse slag’ omgesprongen met de namen van de te koop aangeboden hoeves en landerijen. 25 Jacobus Piessens (x Maria Theresia Siebens), nakomeling van Jan De Sager en voorouder van de latere eigenaars Van den Brande van de Vissenholhoeve. 26 Gemakkelijkheidshalve verwijzen we voor situering van de percelen opnieuw naar de kaart uit het supplement van het Land-boeck, al staan daar ook percelen op die niet tot het areaal van de hoeve behoorden. 25


Boekweyblock’, die hoogstwaarschijnlijk toch mee verkocht werden. De waarde van het goed was vooraf geschat op 12.263 gulden en de jaarlijkse opbrengst op 325 gulden.

Afbeelding 21: Caerte van het Vissen-hol in het Land-boeck van Pudersse, supplement 1749

Er waren een viertal gegadigden die mee boden. Daar waren geen streekgenoten bij. Voor de plaatselijke bevolking werd het namelijk bijna als ‘hoogverraad’ beschouwd om ‘zwart goed’ zelf aan te kopen. Vandaar dat de verkoop zoals zo vaak niet de geschatte prijs haalde. Uiteindelijk werd de hoeve gekocht door een zeker ‘citoyen’ Asseline voor 9900 gulden. Maar hij deed dat niet in eigen naam, maar wel voor rekening van Pierre-François Tiberghien.27

27

Mogelijk was er ook nog een ‘tusseneigenaar’, meer bepaald Constantinus Josephus Van den Nieuwenhuyze, een industrieel en speculant uit Mechelen. Van den Nieuwenhuyze kocht in 1797-1798 massaal ‘zwart goed’ op, onder meer ook het Hof van Coolhem, de provisorij van St. Bernards in Puurs. In een akte van nalatenschap van de man uit 1827 staat vermeld dat hij ook de Vissenholhoeve verwierf, maar uit de kadastrale atlas van Gigault (1804-1808) blijkt duidelijk dat de hoeve dan (al) in het bezit was van Pierre-François Tiberghien. 26


1.4.4 De familie Tiberghien (1797 – 1851)

Afbeelding 22 : Het abdijkasteel van Heylissem (Hérécines), één van de vele eigendommen van Pierre F. Tiberghien

Pierre-François Tiberghien (1762-1826) was een ‘nouveau riche’ die na de Franse Revolutie een financieel en industrieel imperium uitbouwde. Hij begon als bankier in Parijs, stichtte de Banque Tiberghien en richtte later mee de Banque de France op. Toen de Franse Republiek vanaf 1796 allerlei onroerende goederen van de kerk en de adel in beslag nam en als ‘Nationale Domeinen’ begon te verkopen, kocht Tiberghien er daar een heleboel van op. In 1797 kwam hij zo in het bezit van de abdij van Heylissem nabij Tienen (zie foto). Hij had zich intussen ook op de textielindustrie gegooid en richtte in Heylissem een grote weverij op. Het jaar daarop kocht hij de abdij van SaintDenis nabij Mons. Daar installeerde hij een spinnerij. Later volgde ook nog een weverij in SaintQuentin en een spinnerij in Vilvoorde. Ook in de steelkool- en metaalnijverheid was hij actief, met onder meer ijzer- en koperfabrieken in Saint-Denis. Rond 1810 had Tiberghien ongeveer 2000 werknemers in dienst. En tussendoor kocht hij dus ook nog een heleboel hoeves en gronden, onder meer in Breendonk. Of hij de Vissenholhoeve ooit bezocht heeft, is hoogst twijfelachtig. Voor hem was het gewoon een investering zoals een andere. Pierre-François Tiberghien was getrouwd met Margaret Whetnall. Hij had maar één kind en dat was dan nog een adoptiedochter: Catherine-Françoise de Pouillon Thibergien. Bij testament maakte hij van haar zijn universele erfgename. Na zijn dood in 1826 erfde zij dus zijn hele fortuin, waaronder de Vissenholhoeve en een aantal andere gronden in Breendonk. Een jaar later trouwde CatherineFrançoise in Brussel met de Britse Edward John Whetnall. Of die verwant was met haar adoptiemoeder is niet duidelijk. Het koppel woonde als renteniers in Saint-Germain-en-Laye, nabij Parijs. In augustus 1851 verkochten zij hun Breendonkse bezittingen. Dat gebeurde door de Mechelse 28 notaris Joannes Michaël De Cocq in de nog altijd bestaande herberg Den Arend in Willebroek aan de brug.

1.4.5 De verkoop van de hoeve in 1851 Bij de verkoop van de Vissenholhoeve door de familie Whettnall – Tiberghien werden 24 percelen te koop aangeboden: 22 in Breendonk, dat ondertussen een zelfstandige gemeente was geworden, en 2 in Liezele. De verkopers lieten zich ter plekke vertegenwoordigen door Joannes Baptiste Scheltjens, notaris-klerk in het kantoor van de procederende notaris De Cocq. De totale oppervlakte van de 28

Akte van verkoop Vissenholhoeve door Edward John Whetnall en Catherine-Françoise de Pouillon Thibergien, d.d. 12.8.1851, voor notaris Joannes Michaël De Cocq, stadsarchief Mechelen, inv. 2388 27


landerijen bedroeg ruim 17 hectare. Ongeveer 10 daarvan – inclusief de hoevegebouwen (zie paragraaf 1.3.4) - werden gepacht door Franciscus Josephus Van der Perre (zie paragraaf 1.5.5). Die gronden hebben we zwart omlijnd op onderstaande Popp-kaart. De andere percelen, zo’n 7 hectare, waren verhuurd aan andere pachters en zijn wit omlijnd op de kaart.

Afbeelding 23 : Kadasterkaart P.C. Popp, Breendonk (1863)

Wanneer we inzoomen op de kaart, ziet dat er zo uit:

Afbeelding 24 : Kadasterkaart P.C. Popp, Breendonk (1863), detail

Een overzicht van de percelen die te koop werden aangeboden: 

Koop 1 : de hoeve zelf met de percelen B 414 tot B 417, samen 1 hectare en 89 are. Verhuurd aan Franciscus Josephus Van der Perre voor 106 frank per jaar

28


Koop 2 : Perceel B 419 a : een klein deel (35 are) van het ‘Boeckweyblock’ (zie afbeelding 11) dat na het doortrekken van de Provinciale weg gescheiden was van de rest van dat perceel. Verhuurd aan Franciscus Josephus Van der Perre voor 19 frank per jaar

Kopen 3 en 4 : perceel B 418 a en b - de ‘Neerheyde’ - voor 78 frank verhuurd aan Van der Perre.

Kopen 5 tot 7 : perceel B 413 – Haverveld – in drie delen, samen voor 148 frank verhuurd aan Van der Perre.

Koop 8 : perceel B 606 – ‘De Dooman’ – 30 are, voor 24 frank verhuurd aan J.B. Spiessens.

Kopen 9 tot 13 : perceel B 419 b – ‘De Braeck’ - deels verhuurd (1,2 ha) aan Van der Perre, deels aan Dominicus De Maeyer en Petrus Antonius Van Assche

Koop 14 : perceel B 512 – ‘De Velderen’ – 54 are, verhuurd aan Johannes Van Asch voor 35 frank

Koop 15: perceel B 420 – een langwerpig stuk van 31 are, verhuurd aan Franciscus Van Aken

Koop 16: perceel B 421 – de ‘Halfbunder’ voorheen ‘Het Veldeken’ – 66 are, verhuurd aan Johannes Baptiste Vleminck voor 45 frank

Koop 17 : perceel B 422 – ‘De Venne’, vroeger een deel van het ‘Achterven’ – 61 are, verhuurd aan Van der Perre voor 34 frank

Koop 18 : percelen B 425 en B 426 – eveneens ‘De Venne’ genoemd, vroeger een deel van het ‘Voorven’ – 68 are, verhuurd aan Van der Perre voor 37,5 frank.

Koop 19 : perceel B 436 – ‘Uylenbosch’ – 90 are, verhuurd aan Henricus Spiessens voor 24 frank

Koop 20 : perceel B 434 – ‘Peerdenkerkhof’ – 32 are, verhuurd aan Petrus Johannes Cauwenberg voor 6 frank

Koop 21 : perceel B 378 – ‘Het Plasken’ – 89 are, verhuurd aan Petrus Van Ingelgem en Willem Spiessens voor 32 frank

Koop 22 : perceel B 438 – ‘Sasveld’, vroeger ‘De Wachting’ – 89 are, verhuurd aan Van der Perre voor 52 frank

Kopen 23 en 24: twee percelen in Liezele, respectievelijk in het Grootbroeck (A 553) en in het Puersbosch (A 477), samen 1 hectare, 34 are, beide verhuurd aan Van der Perre voor 76 frank.

Op de eerste koopdag, 15 juli 1851, boden vooral plaatselijke mensen, onder meer enkele van de grondpachters. Tijdens de tweede koopdag, op 29 juli, werden nog wat ‘verdieren’ gesteld, maar dan verscheen Benoît Hanssens ten tonele die de ‘masse’ van de goederen kocht voor 32.045 frank.

29


1.4.6 De familie Hanssens (1851-1894) Benoît Hanssens (Anderlecht, 8 juli 1807 - Vilvoorde, 24 november 1870) was industrieel, senator en burgemeester van Vilvoorde. Hanssens was een zoon van de textielverver Adrien Hanssens en van Elisabeth Vanderhoeven. Zelf was hij getrouwd met Marie-Jeanne Hap. Benoît Hanssens was aanvankelijk fabrikant van damastlaken en vervolgens directeur van een bedrijf met een maalderij, een vermicellifabriek, een zetmeelfabriek en een aardappelmeelfabriek. Hij was burgemeester van Vilvoorde van 1840 tot aan zijn dood. In 1857 werd hij verkozen tot liberaal senator voor het arrondissement Brussel en hij vervulde dat mandaat tot aan zijn overlijden. Hij was ook lid van een vrijmetselaarsloge. Afbeelding 25 : Benoît Hanssens (Stadsarchief Vilvoorde)

Benoît Hanssens was zeer welstellend en had eigendommen in Vilvoorde (onder meer Kasteel Herlaer), Brussel, Heist-op-den-Berg, Itegem, Kortenaken, Londerzeel en Liezele. En in 1851 kwam daar dus ook de Vissenholhoeve in Breendonk bij. Hij had overigens nog meer bezittingen in Breendonk want in de kadastrale Popp-atlas (1863) staan in totaal bijna 24 hectare gronden en twee huizen op zijn naam. Na zijn dood in 1870 werd het omvangrijke patrimonium van Benoît Hanssens vererfd aan zijn vijf kinderen29. Daarbij raakte het areaal van de Vissenholhoeve voor het eerst in ruim 250 jaar weer verdeeld: het was het begin van een verdere versnippering in de volgende decennia. Het gros van de gronden in Breendonk ging naar Edmond Hanssens (1838–1905), volksvertegenwoordiger en net als zijn vader burgemeester van Vilvoorde, van 1879 tot 1905. Edmond erfde 16 hectare gronden in Breendonk, waaronder ongeveer de helft van het areaal van de Vissenholhoeve. Maar de hoevegebouwen zelf en de kern van de gronden eromheen gingen naar Eugénie Hanssens en haar echtgenoot Gustave Washer (1835-1912). Die was net als zijn schoonbroer en –vader zakenman en volksvertegenwoordiger. Het echtpaar Washer – Hanssens erfde de hoevepercelen B 413, B 414 (de hoeve zelf), B 415, B 417, B 418a en de losse percelen B 422, B 436 en B 388 (zie afbeeldingen 23 & 24), samen 7,62 hectare. Edmond Hanssens bood zijn eigendommen in Breendonk (16 ha) en ook in Londerzeel (33 ha) te koop aan vanaf 1888. De verkavelingsakte en het lastencohier werden opgesteld door notaris Gerard Frans uit Londerzeel. Het ging in totaal om 255 percelen grond. Bij het cohier hoorde ook een plan, 30 dat werd opgesteld door landmeter Van der Oost uit Vilvoorde . De zwart omrande percelen zijn die van Edmond Hanssens, de witte die van Gustave Washer. De percelen in de marge van de kaart zijn daar niet correct weergegeven, maar om plaats te besparen op het plan. We zien hoe de grote percelen van weleer te koop werden aangeboden in tientallen kleinere stukken van enkele tientallen aren. Ze raakten evenwel niet allemaal direct verkocht. Sommige percelen zelfs pas na de eeuwwisseling.

29

Erfdelingsakte Benoit Hanssens, d.d. 20.7.1871, voor notaris François Vander Burght te Vilvoorde, RA Leuven, Inv. 882/188. 30 Lastencohier voor verkaveling en verkoop van gronden in Londerzeel en Breendonk door Edmond Hanssens, opgemaakt door notaris Gerard Frans uit Londerzeel op 13.08.1888, met aangehecht een plan gemaakt door landmeter Van der Oost uit Vilvoorde (RA Leuven, Inv. 882/869) 30


Afbeelding 26 : Plan van de gronden in Breendonk van Edmond Hanssens (landmeter Van der Oost, Vilvoorde). De wite lijn is de Vissenholdreef.

1.4.7 De familie Vincent – Van Cutsem (1894-1920) Terwijl we over het verre verleden van de Vissenhoeve vrij goed geïnformeerd zijn, zitten er vreemd genoeg in de recente geschiedenis een paar hiaten en onduidelijkheden. Zo kunnen we uit de kadastrale leggers van de gemeente Breendonk31 afleiden dat Gustave Washer en Eugénie Hanssens in 1894 de hoeve met 7,65 hectare grond verkocht hebben aan Pieter Frans Vincent – Van Cutsem, handelaar te Mechelen. Een verkoopakte daarvan hebben we evenwel niet teruggevonden. Volgens dezelfde kadastrale leggers was de hoeve in 1914 nog altijd in het bezit van de weduwe en de kinderen van de man. Die moeten ze rond 1920 verkocht hebben aan Louis Van den Brande en zijn zuster Elizabeth.

1.4.8 De familie Van den Brande (1920-1995) In tegenstelling tot de eigenaars van de Vissenholhoeve in de voorbije eeuwen waren Louis en Elizabeth Van den Brande echte Breendonkenaars. Ze woonden zelfs vlak in de buurt, in het eerstvolgende huis: voorbij het Haverveld, in de scherpe bocht die de Zavelstraat daar maakt, kadasternummer 410 b en c, momenteel Zavelstraat 6.

31

Kadastrale leggers van de gemeente Breendonk, HGA Breendonk, RA Antwerpen, P028.1 - Inv. 43-50. 31


Afbeelding 27: de buurt van het Vissenhol op de Popp-kaart (1863) met het huis van de familie Van den Brande rood omcirkeld.

Elisabeth werd daar geboren in 1850 en Louis in 1855. Hun ouders waren Egidius Van den Brande en Isabella De Decker. De voorouders van Isabella woonden er al eeuwenlang. Zij was namelijk een verre nakomeling van Jan De Sager, de eerst bekende eigenaar van de Vissenholhoeve en de man die door de Sint-Bernardsabdij in 1627 werd onteigend (zie paragraaf 1.4.1). Door een vreemde speling van het lot waren de laatste bezitters van de Vissenholhoeve dus verwant met de oudst bekende eigenaars. In de volksmond werden Louis en Elisabeth Van den Brande ‘Louis en Lieske van Gielekens’ genoemd, naar de roepnaam van hun vader: Gillis (waarvan Egidius de officiële vorm is). In 1918 woonden ze samen met nog een andere ongetrouwde broer, Petrus Joannes, met zijn drieën in het ouderlijke huis. Maar toen hun broer in november van dat jaar overleed, werd het huis verkocht aan de familie De Smedt – Verbruggen uit Londerzeel. Louis en Lieske verhuisden in eerste instantie naar Opdorp, maar een kleine twee jaar later kwamen ze terug naar Breendonk. Vanaf december 1920 namen ze hun intrek in de Vissenholhoeve, waar de pachtersfamilie Tierens net vertrokken was (zie paragraaf 1.5.7.3). Uit de feiten weten we dat Louis en Lieske eigenaar waren van de Vissenholhoeve, maar wanneer ze die juist gekocht hebben en met hoeveel grond erbij, is niet zo duidelijk. Toen ze er gingen wonen, hadden ze alleszins al een respectabele leeftijd: Louis was 65 en Lieske 70. Toch hadden ze blijkbaar geen (inwonende) knechten of meiden, voor zover we dat uit de bevolkingsregisters kunnen afleiden. Ze kregen wel hulp, vermoedelijk vanaf het einde van de jaren ’20, van een achterneef: Theo Van den Brande (1913-1995). Hij was de kleinzoon van hun broer Judocus. Theo woonde samen met zijn ouders, broers en zusters in de Hoogheide, niet zo ver van de Vissenholhoeve dus. Hij hielp zijn grootoom en –tante jarenlang op de hoeve en toen zij overleden, respectievelijk in 1933 en 1940, werd hij hun erfgenaam en de nieuwe eigenaar van de Vissenholhoeve. Daar hoorde toen nog ongeveer een hectare grond bij: de percelen B 414, 415 en 417 (vroeger ‘De Weyde’ genoemd): zie afbeelding 21 en 27. Theo Van den Brande trouwde in 1946 met Maria Fidelia Van Hove uit Londerzeel. Pas dan verhuisde hij effectief naar de Vissenholhoeve. Het koppel kreeg twee kinderen, André (°1947) en José (°1949). Het gezin bleef in de hoeve wonen tot in 1962. Toen verlieten ze de stilaan bouwvallige boerderij en gingen een eindje verderop in de Zavelstraat wonen. Vader Van den Brande bleef de gronden bewerken, maar de gebouwen raakten meer en meer in verval, en werden geleidelijk overwoekerd door de natuur. De restanten van de hoeve bleven nog bewaard tot 1995 als stille getuigen van haar lange geschiedenis. Toen werd het terrein verkaveld en de volgende jaren verschenen er gloednieuwe villa’s op de plaats waar eeuwenlang de Vissenholhoeve stond.

32


Afbeelding 28: De locatie van de vroegere Vissenholhoeve. Het woonhuis bevond zich waar nu de villa staat. Op het nog onbebouwde perceel, op de hoek van de Wachtingstraat en de Vissenholdreef, stonden de schuren.

33


1.5 De pachters Na de onteigening van Jan De Sager in 1627 (zie paragraaf 1.4.1) was het Vissenhol bijna 300 jaar lang een pachthoeve of opbrengsteigendom. In die tijdspanne werd ze bewoond door elf pachtersgezinnen, al behoorden de eerste vijf daarvan wel tot dezelfde ‘dynastie’: de familie De Wachter en later De Keersmaecker. Zij baatten de hoeve ongeveer twee eeuwen lang uit. Daarna was er wel een vrij groot verloop met zes verschillende pachters op een kleine 100 jaar.

1.5.1 De pachtovereenkomst met de St. Bernardsabdij Gedurende bijna twee eeuwen werd de Vissenholhoeve verpacht door de Sint-Bernardsabdij. De paters verhuurden in Puurs tientallen hoeves en honderden bunders land. In de 18de eeuw waren dat meestal pachtovereenkomsten van zes jaar. De eeuwen daarvoor, toen nog veel braakliggende gronden moesten worden ontgonnen, hadden de contracten vaak een veel langere looptijd, soms tot 50 jaar, om de pachters toe te laten de vruchten van hun ontginningswerk te plukken. De abdij hanteerde een standaard pachtovereenkomst met de rechten, maar toch vooral de plichten van de huurders. Dat ging van allerhande lasten en diensten die verschuldigd waren, over de manier waarop de gebouwen en landerijen onderhouden moesten worden, de ‘houtrechten’ en de ‘mestplichten’, tot de manier waarop een contract verlengd of opgezegd diende te worden. Een aantal artikels in het contract komt ons ook nu nog vertrouwd voor, andere zijn dan weer heel merkwaardig vanuit hedendaags standpunt. Maar het is vooral interessant vast te stellen dat ook eeuwen geleden alles heel duidelijk beschreven werd en niets aan het toeval werd overgelaten. De tekst komt uit het Pachtboek van de St. Bernardsabdij uit 1751.32 We nemen hem grotendeels over :

Afbeelding 29: ‘Conditien en voorwaerden’ voor de pacht van de eigendommen van Sint Bernards in Puurs (algemeen pachtcontract), aanhef, RAA.

32

Pachtboek van de St.Bernardsabdij Hemiksem 1751-1791, RAA, T14/039, inv. 114. 34


Conditien ende voorwaarden op de welcke men van wegens de Abdije van St. Bernards sal in paght uytgeven ende verhueren verscheijde hoeven, landen, beemden ende muelens, competeerende de voors. Abdije ende gelegen respectievelijk onder Puers, Eijck, Ruijsbroeck. 33

In den eerste sullen de paghters gehouden sijn sonder corten aen hunne paghtsomme te betaelen alle dorps ende lands lasten, settingen, beden en subsidien, ploegh en schouw gelden, afteiringen van soldaeten, logementen der selve contributien, (….) en generaelijck alle belastingen (…) Oock indien eenige costen quaemen te rijsen ter oorsaecke de paghters in gebreken bleven de gemelde lasten op den gestelden tijt te betaelen, sullen sijn tot laste van de paghter sonder corten. (…) Item34 sullen de huerlingen schuldig sijn de canten behoorlijck op te setten, de straeten haer land aenwegende wel te maeken, de beken ende waeterloopen te ruijmen, de graghten te slooten, ende te onderhouden op haeren ouden voet, diepte ende breedte, alle loffelijcke heijmingen 35 te doen op hunnne coste, ende voorts de voors(chreven) hoeve ende landen te bevrijden van alle schaede en ‘s 36 heeren omganghen , item de somerdijcken van de beemden wel loffelijck ende op sijnen tijt te maeken ende te onderhouden, ende oft het geviel dat door hunnen onaghtsaemhijt eenige grontgaeten quaemen te vallen, soo sullen de selve ten costen van de huerder moeten gemaekt worden; dogh oft het geviel dat de huerders hier inne quaemen te ontbreken, so sal de calangieringe 37 ende andere costen door de huerders alleen gedraegen worden. Item38 sullen de paghters geen gesagh hebben tot eenig opgaende hout, boomen, stroncken, wortelen, strijcken, fruijtboomen te cappen, dan alleen tot de scheir van de stroncken van de canten ten behoorlijcken tijt gelijck het houmesch toecomdt dat is eens op den termijn van ses jaeren, soo van week als hert houdt, sonder dat op het afscheijden eenige vergoedinge, part oft deel te mogen pretenderen van het houdt dat ten afscheijden sijne volle jaeren ofte ouderdom niet en soude hebben, maer moet het laeten ter dispositie van den hr. verhuerder, die mede aen sig hout den scheir der willige pooten, ende word dit alles het gene hier boven vermeld is verstaen soo van boomen, stroncken, fruijtboomen ea het gene tegenwoordig is staende op de hoeve als wel het gene naermaels door de huerders aldaer moght geplant worden. Noghte en sullen de huerders oft iemand anders geene troncken oft andere boomen en canten mogen uijtdoen ofte laeten uijtdoen, sonder espres consent van den hr. verhuerder, ende contrarie gedaen sijnde, soo sullen de huerlingen gehouden sijn aen de verhuerder goet te doen ten vier dobbelen twee schat, welken niet tegenstaende den hr. verhuerder t’ allen tijde en plaetsen sal mogen uijtdoen sulcke opgaende boomen, stroncken, canten ende andere beplante plaetsen, als het hem sal goet duncken, sonder dat de huerlingen daer sullen mogen tegen seggen, mits laetende het haer van de gevallen troncken en canten aen de paghters, sullende de bequaeme canten naer geliefte van den hr. verhuerder wederom mogen beplant worden, sonder tegen seggen der huerder als voren, de gene door hun ofte de haere geen schaede en sullen vermogen toe te brengen aen de plantagien met uijt de selve oft hooge canten eenigh hacksel te haelen, andersints sal de toegebraghte schaede alsoo door haer dobbel moeten vergoedt worden. 39

Item sullen de paghters gehouden sijn het land op het expireeren van dese huere ende afscheijden van het land, het selve te laeten in sijn behoorlijck mest en voedsel, sonder daer voor iets bij maniere van prijseringe voor te baete, verbeteringe oft andersints te mogen pretenderen, maer sal het land geheel blijven ter dispositie van den hr. verhuerder naer kennis, in der voegen, dat den aencomende paghter geheel in ’t verbruyck van ’t voorsc. land alsdan sal comen sonder dat de tegenwoordighe 33

Dit eerste ‘item’ of artikel gaat over de belastingen die op de hoeves of gronden verschuldigd waren. Ook de schouwen (‘haerdsteden’) en ploegen (als maat voor de bewerkte grond) werden belast. Daarnaast moesten de pachters ook opdraaien voor de kosten van fouragerende troepen. Het waren onrustige tijden… En als ze hun lasten niet betaalden, dan waren ze zelf aansprakelijk voor de (gerechts)kosten. 34 Dit artikel gaat over de manier waarop de pachters de landerijen moesten onderhouden, ook de grachten en sloten, de dijken en zelfs de wegen die langs de gronden liepen. Deden ze dat niet naar behoren, dan liet de abdij het op hun kosten doen. 35 omheiningen 36 Dit verwijst naar de geregelde ‘ommegang’ door de gemeente door de schepenen ter controle van de wegen. Wie de wegen niet onderhield, kon daartoe gedwongen worden en extra beboet. 37 Gerechtskosten 38 Hier gaat het over het ‘houtrecht’, een belangrijke opbrengst in een tijd waarin hout een essentiële grondstof was in de bouw en voor verwarming. Het ‘scheirhout’ mag om de zes jaar gekapt worden door de pachters, de rest van het hout is voor de verhuurders. 39 De pachters moeten het land goed onderhouden en bemesten, ook als de huur is opgezegd, zonder dat ze daar een vergoeding voor mogen vragen. Dat is in het huidige pachtrecht wel anders. 35


huerders iets sullen mogen pretenderen van het gene alsdan op het gemelde land moghte gevonden worden. (…) 40

Item sullen de huerders de huijsingen, schuere, stalle, etc wel gaede slaen tegens den brand en andere ongelucken, ende indien eenigen brandt of ongeluck (het gene Godt genaedelijck verhoede) door hun oft haere schuld oft onachtsaemhijt quaem voor te vallen, soo sal de voorgevalle schaede alsoo door haer moeten vergoedt worden. 41

Ende waer het saeken den brant wierd veroorsaeckt sonder haere schult oft onachtsaemhijt, als door donder, bliksem oft andersints soo sal het vrij staen aen den hr. verhuerder de huijsingen, stallen, schuere etc op te bouwen ofte niet, ende sal den paghter sig moeten voorsien ende behelpen op de beste maniere sonder cost van den hr. Verhuerder totter tijt toe dat den termijn van de huerceel sal geeijndight sijn, wanneer het aen den hr. verhuerder sal vrij staen met het land te doen naer goetduncken. Mitsgaeders sullen de paghters gehouden sijn op hunnen eijgen cost te doen alle noodige reparatien 42 van mueren, wannen, deuren, vensters, daeken, en generalijck alle metser en timmerwerck, te weten de handt en toevoer uijtgenomen de materalen van steen, calck, grof hout en ijser sonder iets meer, het gene aen haer van wegens het clooster sal aengewesen worden, welck ook verstaen word van alle nieuw werck het gene door den hr. verhuerder moghte toegestaen worden en sullende paghters de huijsinge, stallinge, schuere, ovenbuere etc op ’t afschijden laeten in goeden staet en reeke, andersints sal bij foute van dien hier inne voorsien worden door den hr. verhuerder ten laste en coste van den paghters, ende bij soo verre eenige verbeteringe, reparatie, restaurantie, ofte hoe danig het anders soude connen genoemt worden door de paghters waeren geschiet aen de huijsinge, stallinge, schuere etc soo en sal daer voor door den hr. verhuerder aen haer niets goed gedaen worden moghte door haer iets gepretendeert worden, maer sal alles blijven aen ’t voors. Clooster van St. Bernards.

Afbeelding 30: Algemeen pachtcontract van de eigendommen van Sint Bernards in Puurs, fragment, RAA.

40

De pachter is aansprakelijk voor brand of rampschade door onachtzaamheid. Deze alinea werd later in de marge toegevoegd : in geval van brand of ongeluk door heirkracht is de huurder niet aansprakelijk, maar hij kan niet eisen dat de Abdij de woning herstelt of hem een andere ter beschikking stelt. De pachttermijn loopt wel gewoon door. 42 De pachter moet de gebouwen onderhouden en repareren op eigen kost. Alleen het zware materiaal wordt vergoed door de Abdij. Voor eventuele verbouwingen of vernieuwingen krijgt de pachter geen vergoeding. 41

36


Item43 sullen de paghters gehouden sijn het land wel en loffelijck te cultiveren, suijveren ende wieden, besonderlijck in ’t afscheijden, andersints sal bij naerlaetinge van dien den hr. verhuerder dit laeten doen ten privaten coste van de huerlingen die ook in geene gevalle eenige quijtscheldinge ofte moderatie sullen genieten, ten sij bij haircraght en hagelslagh (dat Godt mede verhoede) de graenen nogh staende ongepickt en ongemaeijdt te velde ende als daer alsoo merckelijck schaede was voorgevallen, soo sullen de paghters gehouden sijn binnen twee daegen eerst volgende daer van te doen de wete aen de hr. verhuerder ofte des selfs geauthorisserden, om de selve wettelijck oft door twee onpartijdige mannen te doen beleijden ten coste van de paghters, ende indien de schaede bevonden word grooter te weesen als het derde paert van de geheel paghte, soo sal aen haer behoorlijcke moderatie oft quijtscheldinghe geschieden bunders gewijs ende naer proportie van de geheel paghtsomme, maer geen, indien bevonden word wel eenig schaede voorgevallen te sijn, maer niet grooter als het gemelde derde deel. 44

Item sullen de huerders gehouden sijn in het vijfde jaer van den voors. termijn van ses jaeren hunne huere te vernieuwen ofte op te seggen aen den hr. verhuerder, om als dan te doen volgens goetvinden, ende off het geviel dat naer expiratie van den voorn. termijn van ses jaeren de paghters bleven woonen ende in huere, sonder alvorens eene nieuwe paght te hebben gemaeckt, ofte de huere niet soude sijn voortgeteekent, ’t sij bij vergetenethijt, conniventie45 oft andersints, soo sullen de paghters daer uijt geene consequentie mogen trecken, dat haere huere souden moeten gecontinueerd worden voor eenen termijn van andere ses jaeren, maer is wel expresse conditie, dat het alsdan, en bij vervolgh van tijt, altijt aen den hr. verhuerder sal vrij staen, de hoeve, landen oft beemden aen een ander te verhueren, sonder oppositie oft tegenseggen van de huerders, die niet langer huere sullen hebben als voor een jaer, mits dat de opsegginge sal moeten geschieden ses maenden voor de expiratie van het loopende jaer, daer en tusschen sullen de huerders bij dese continuatie moeten voeldoen aen alle dese conditien ende soo wel als voor de tegenwoordige huere staen ten heerlijcke, reële en parate executie bij brieven van debitis ende executoriën, daer aen sij hun bij de sijn submitterende. Eindelijck46 sullen en geloven de voors. paghters in alles te doen, dat goede ende getrouwe huerlingen schuldig sijn ten behooren te doen, op alle welcke conditien sij de voors. Huijsingen, landen en beemde, aen haer wel bekend, ende daer mede te vrede sijnde in paght en huer sijn aen nemende, mist desen, verbinden hunne persoonen, en goederen, mitsgaeders van hunne hoirs ende naercomelingen ende erfgenaemen op heerlijcke en parate executie als boven, (…) Aldus gedaen op ’t hof van Coolhem, dagh en jaer als bovengeschreven is, en tot teeken der waerhijt ende tot meerder sekerhijt hebben wij dese wedersijts met onse eijgen handtschrift onderteekent, act. (…)

1.5.2 De familie De Wachter (1648-1732) 1.5.2.1 Joannes De Wachter en Margaretha Van Ingelgem (1648-1690) De eerst gekende pachter47 van de Vissenholhoeve na de confiscatie door de St. Bernardsabdij was Johannes De Wachter (°17.11.1619, Liezele +14.5.1690, Puurs). Hij was een zoon van Goris (Godefridus) De Wachter en Barbara Lauwers uit het nabijgelegen Liezele. In de 17de eeuw woonden in de buurt van de Vissenholhoeve heel wat De Wachters. Men zou zich kunnen afvragen of er een verband is met De Wachting als naam van de wijk. Terwijl we wel een link durven veronderstellen tussen de familie De Saeger en de Saegerstraat (later Zavelstraat, zie paragraaf 1.4.1), is dat veel minder evident voor de familie De Wachter en De Wachting. Het toponiem Wachting is namelijk veel 43

De pachters moeten hun landerijen behoorlijk onderhouden. Doen ze dat niet, dan zal de Abdij dat bij afloop van het contract op hun kosten laten doen. Als de oogst door een natuurramp vernield wordt, dan kan er een minnelijke schikking worden getroffen om de pacht te verminderen. 44 Dit artikel gaat over de duur van het contract (zes jaar) en de manier waarop het opgezegd of verlengd kan worden. Indien de pacht na de eerste termijn van zes jaar stilzwijgend verlengd wordt, dan is dat maar voor een termijn van één jaar. 45 toegeeflijkheid 46 De pachters moeten zich gedragen ‘als goede huurders’ en zijn hoofdelijk aansprakelijk, samen met hun erfgenamen en nakomelingen. 47 Op basis van de rekeningboeken van de Sint-Bernardsabdij, RAA. 37


ouder dan Saegerstraat en gaat terug tot de 14de eeuw. We weten wel dat er in de 15de eeuw in de buurt mensen woonde die Van Wachtheyke werden genoemd (zie paragraaf 1.2.2). Zoals het toponiem Wachtheyke evolueerde tot Wachting zou het antroponiem Van Wachtheyke ook geëvolueerd kunnen zijn tot De Wachter. Maar dat is speculatie natuurlijk. 48

Joannes De Wachter trouwde op 6 september 1643 met Margaretha Van Ingelgem (°± 1620, Liezele + 29.9.1687, Puurs). Zij was mogelijk een dochter van Gillis Van Ingelgem, die nogal wat gronden had in de buurt. Tussen 1644 en 1662 kreeg het koppel negen kinderen: Antonius (°24.4.1644), Adrianus (°24.12.1645), Anna (°11.10.1648), Petrus (°11.12.1650, jong gestorven), Judocus (°17.3.1652), Egidius (°28.1.1654), Catharina (°15.9.1656), Petrus (°7.8.1658) en Maria (°26 april 1662). Jan De Wachter was pachter van de Vissenholhoeve toen het Land-boeck werd opgesteld in 16881689 (zie paragraaf 1.2.1). Na zijn dood in 1690 werd de pacht overgenomen door zijn jongste zoon Peter De Wachter.

1.5.2.2 Petrus De Wachter en Catharina Ceurevelt / Joanna Verhofstadt (1690-1732) Peter De Wachter (°17.8.1658, Puurs +8.10.1732, Puurs) trouwde op 11 december 1696 met Catharina ‘Catelijne’ Ceurevelt (°6.2.1664, Puurs +9.10.1706, Puurs). Tussen 1698 en 1706 kregen zij zeven kinderen: Anna Maria (°15.8.1698), Jacobus (°1.3.1700), de tweeling Catharina en Joanna (°16 januari 1702), Elisabeth (°13.4.1704) en nog een tweeling: Helena en Theresia (°3.10.1706). De geboorte van die laatste twee is Catelijne wellicht fataal geworden, want ze overleed een week later, op 9.10.1706. Zoals dat destijds gebruikelijk was, hertrouwde de 49-jarige weduwnaar vrij snel, meer bepaald op 6.11.1707 met de twintig jaar jongere Joanna Verhofstadt (°28.11.1679, Liezele +2.2.1745, Puurs). Zij was de dochter van Jan en Eleonora Van Doorslaer. Peter en Joanna kregen geen kinderen. Bij de fiscale telling van 1702 werd Peter De Wachter geregistreerd met ‘één ploege’. 49 Dat is een aanduiding van de oppervlakte van het door hem bewerkte land. Eén ploeg was de hoogste kwalificatie, al waren er in heel Puurs (zo’n 4000 inwoners op dat moment) toch 23 met zo’n taxatie. Peter De Wachter bewerkte die grond volgens de telling samen met twee knechten en een meid. Ook zijn vrouw hielp allicht mee, maar de kinderen waren toen nog te klein. Peter had verder twee paarden (wat vrij veel was), maar slechts vier koeien, een rund, een kalf en een varken. Een eerder beperkte veestapel dus, wat er op wijst dat de nadruk in het bedrijf op de akkerbouw lag, eerder dan op de veeteelt. Maar dat gold voor de meeste boerenbedrijven in die tijd. Opmerkelijk is wel dat er in de telling ook 40 schapen worden vermeld. In heel Puurs waren er toen slechts een vijftal schaapherders. Maar de vele heidegronden in de buurt van het Vissenhol waren daarvoor uiteraard wel geschikt. Bij de Vissenholhoeve hoorde in die periode in totaal ongeveer 8 bunder grond, zoals blijkt uit onderstaande rekening uit 1730. De pacht bedroeg 144 gulden.

Afbeelding 31: Rekening uit 1730 van Peter De Wachter ‘over pagt van de hoeve genaemt de Schoonste van Seven op Vissenhol’, RAA, Rekeningboeken van de Sint Bernardsabdij, Inv. T14/039, nrs. 35 e.v 48 49

De Vissenholhoeve lag dicht bij de grens met Liezele, dat niet tot de heerlijkheid Puurs behoorde Apers, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, RA Anderlecht, bewerking 2003 38


Peter De Wachter overleed op 8.10.1732 en Joanna op 2.2.1745. Peter had één zoon, Jacob. Toch was hij het niet die de pacht overnam, maar zijn zuster Catharina en haar man Philippus De Keersmaecker.

1.5.3 De familie De Keersmaecker (1732-1837) 1.5.3.1 Philippus De Keersmaecker en Catharina De Wachter (1732-1775) Catharina De Wachter (°16.1.1702, Puurs +28.2.1785, Puurs ) trouwde op 20 april 1732 met Philippus De Keersmaecker uit Londerzeel (°24.1.1703, Londerzeel +19.4.1777, Puurs). Hij was de zoon van brouwer Adrianus De Keersmaecker en Joanna Le Corbususier. Zijn ouders woonden ongeveer waar nu de Colruyt in Londerzeel gevestigd is. Tussen 1733 en 1744 kregen Philippus en Catharina zes kinderen: Joanna Catharina (°17.2.1733), Maria Jacoba (°17.7.1734), Petrus (°5.9.1736), Franciscus Florentinus (°22.08.1738), Maria Anna (°18.07.1741) en Judocus (°10.03.1744). 50

Volgens de fiscale telling van 1747 had het gezin een knecht, twee paarden, vier koeien, één rund, twee varkens en twee ‘haardsteden’. Philippus werd belast voor een halve ploeg, wat minder is dan zijn schoonvader in 1702. Van schapen was er geen sprake meer. Het lijkt erop dat de economische situatie in de Vissenholhoeve er wat op achteruit was gegaan tegenover de vorige generatie. Het beschikbare areaal was nochtans niet kleiner geworden. Dat blijkt uit onderstaand overzicht uit 51 1756 in het Pachtboek van de St.Bernardusabdij 1751-1791 . In vergelijking met de situatie in 1730 (8 bunder) waren er nog diverse percelen bijgekomen, onder meer op het ‘Achterven’, het ‘Leeg Ven’ en de ‘Wachtinge’ (zie afbeelding 11 voor de situering), goed voor een totaal van ruim 12 bunder. Daardoor was de pacht ook verhoogd met 37 gulden tot 181 gulden.

50 51

Apers, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, RA Anderlecht, bewerking 2003 Pachtboek van de St.Bernardusabdij 1751-1791, RAA., f°261r° 39


Afbeelding 32 : opsomming van de landen in pacht door Philippus De Keersmaecker in 1756, uit het Pachtboek van St. Bernards

Later verminderde de oppervlakte van de pachtgronden opnieuw een beetje. Op 19 juli 1775 droeg Philippus De Keersmaecker de pacht over aan zijn zoon Petrus. Het pachtgeld bedroeg toen 164 gulden voor 9 bunder 213 ½ roeden en 13 ½ voet. Philippus overleed op 19 april 1777. In die tijd noteerde de pastoor in het parochieregister ook al de woonplaats van de overledenen. Bij Philippus schreef hij ‘Wachting’. In 1785 overleed ook Catharina De Wachter, ‘op de Veurt’. Waarschijnlijk woonde zij op dat moment in bij een andere zoon of dochter.

1.5.3.2 Petrus De Keersmaecker en Anna Maria Huysmans (1775-1780) Peter De Keersmaecker (°5.9.1736, Puurs +15.4.1803, Breendonk) trouwde rond 1772 met Anna Maria Huysmans (°±1745, Willebroek, +26.6.1780, Puurs). Zij kregen tussen 1773 en 1779 vijf kinderen, waarvan er drie jong stierven: Philippus (°10.2.1773), Petrus Joannes (°5.2.1775), Egidius (°3.11.1776 en overleden op 21.11.1776 ‘in het Vissenhol’), Joanna Catharina (°2.6.1778 en overleden op 8.6.1778) en Anna Catharina (°29.5.1779 en overleden 4.8.1779 ‘in het Vissenhol’).

Afbeelding 33: De handtekeningen van Peter De Keersmaecker en Anna Maria Huysmans in het Pachtboek van St. Bernards (1775)

Of de vroegtijdige dood van de drie laatste kinderen iets zegt over de gezondheidstoestand van hun moeder, valt uiteraard niet te achterhalen, maar feit is dat Anna Maria Huysmans niet veel later ook zelf overleed, op 26 juni 1780. Zoals dat gebruikelijk was, werd kort daarna (op 12 december 1780) een ‘staat van goed’ of boedelbeschrijving opgemaakt52 om het erfdeel van de overlevende ‘wezen’ te bepalen. Zo’n staat van goed, opgesteld ‘ten sterfhuyse’ van de overledene en daarom in de volksmond ook wel ‘het sterfhuis’ genoemd, is een bijzonder interessant document. Het geeft niet alleen een minutieus beeld van de bezittingen van onze voorouders, maar duidt ook op de rechtszekerheid en successieregeling binnen het gezin. Er werd een hoofdstuk in het leven van de nabestaanden mee afgesloten, zodat zij daarna met een nieuwe lei konden beginnen. En dat gebeurde ook effectief, want het gros van de weduwnaars en weduwen – en dat waren er veel hertrouwden binnen het jaar na het overlijden van een partner. Ze startten een nieuw gezin, waar ook de ‘kinderen uit het eerste bed’, zoals ze wel eens werden genoemd, hun plaats kregen. Het ‘nieuw samengesteld gezin’ is dus heus niet zo’n nieuw fenomeen, al waren de oorzaken van toen wel anders dan nu. Hoe dan ook: het systeem van het ‘sterfhuis’ zorgde voor financiële en sociale duidelijkheid voor alle gezinsleden, nieuw en oud. Het toont hoe de maatschappelijke orde in de 18de eeuw toch ook behoorlijk was georganiseerd. Als we het document van nabij bekijken, zien we dat het op 12 december 1780 werd opgesteld door de griffier (secretaris) van de ‘heerlijkheid van Puurs’ (in 1780 was dat notaris Josephus Adrianus Aerts). De aanvraag werd gedaan door ‘officier’ (veldwachter) Frans Kerremans. Het onderzoek gebeurde door de schout (politiecommissaris, in 1780 Jan Emmanuel Wuyts), de griffier en de schepenen Joannes Franciscus Vervranghen (zelf pachter van de voorste hoeve van Coolhem) en Franciscus Cools. Petrus Joannes Huysmans uit Tisselt (wellicht een broer van de overledene) en Egidius Van Ingelgem uit Willebroek waren de voogden over de twee minderjarige kinderen: Philippus en Petrus Joannes De Keersmaecker. Judocus Josephus Maes (Puurs) was de schatter. De staat van goed geeft zowel de ‘baeten’ als de ‘schulden’. De inboedel wordt zeer nauwgezet beschreven en geschat. Dat gaat van alle gebruiksvoorwerpen in het huis over de meubels, 52

Staet van goeden in baeten ende schulden bevonden ten sterfhuyse van wylen Anna Maria Huysmans, 12.12.1780, RAA, Oud Gemeentearchief Puurs, Inv. D 111. 40


ornamenten, kleren (zelfs degene die vader en ‘boedelhouder’ Peter De Keersmaecker op de dag van de schatting droeg), beddengoed, voedingsmiddelen, bier in tonnen, in de schuur opgeslagen en nog op het veld staande oogsten, landbouwalaam, vee, mestrechten (de kost van het bemesten van de gronden), tot het ‘labeur’ (de werkuren) om de landen te bewerken en het contante geld dat de boedelhouder in huis had. Bij de ‘baete’ (9 folio’s) waren er onder meer een staande klok, spiegel, schilderijkens, tafel met acht stoelen, zeer veel tinnen voorwerpen (borden, bekers), een vleeskuip met vlees, zadels en rijkussen voor paarden, spinnewielen, koperen ketels, ijzeren potten, visspaan, bierboom, ton goed bier, ‘pluijmen bedde en pluijmen cussens’ (wellicht van de heer des huizes), maar ook ‘kafbedden’ voor de knechten en de meid, een wagen, een korenwagen, een kar, een stootkar, twee ploegen, een eggeslede, een heleboel handgereedschap, enz. Verder twee paarden en twee veulens (goed voor 210 gulden53, zowat het meest waardevolle bezit), vijf koeien (met 190 gulden eveneens hoog ‘geprezen’), kippen en een haan, koren in de schuur opgeslagen (480 gulden), haver in de schuur (105 gulden), 448 bussels roggestro, ongezwingeld vlas en hooi, klaverzaad, lijnzaad, ‘peezaad’, een zaaikleed, enz.

Afbeelding 34: Fragment uit de ‘Staet van goeden’ ten ‘sterfhuyse’ van Anna Maria Huysmans: ‘item de koeybeesten ende runders, t’saemen gepresen: 190 gulden en 0 stuivers; item allen de peirden met de twee veulens t’saemen gepresen: 210 gulden; item de waeghen met de toebehoorten gepresen 50 gulden’.

Op het veld staan nog peeën (wortels), sloozen (ongesloten kool), kruid (loof van dicht bijeen gezaaide bieten), brempt. Verder werd er nog geteeld: koren, gerst, rogge, boekweit, tarwe, haver, vlas, bonen en aardappelen. Nog een aantal opmerkelijke ‘posten’: een stuk land van een halve bunder dat Peter De Keersmaecker samen met zijn vrouw in 1777 had gekocht van Theresia Verheyen, ter waarde van 691 gulden; de mestrechten voor vijf bunder en drie dagwand met koren bezaaide akkers (goed voor liefst 345 gulden); het contante geld dat Petrus in huis had (130 gulden!); de kleren, schoenen en kousen die Petrus droeg op de dag van de schatting (4 gulden). Dat allemaal samen geeft voor ‘de baeten’ het flinke bedrag van 3473 gulden. Bij de schulden noteren we onder meer 237 gulden pacht aan St. Bernards, maar ook nog landpacht aan Barbara Van Paesschen uit Liezele (30 gulden); aan Peters moeder, de weduwe Phillips De Keersmaecker (40 gulden); aan het Seminarie van Mechelen (15 gulden), dat nogal wat gronden had langs de Saegerstraat; en aan de kinderen Van Sillebrandts uit Meise (40 gulden voor vijf jaar achterstallige landpacht). Peter had dus nog meer gronden in pacht dan alleen die van Sint Bernards. 53

Ter vergelijking: een ervaren werkman verdiende ongeveer een gulden per dag. 41


Verder ook 50 gulden dorpslasten, 45 gulden ‘bodeloon’ voor de knechten en de meid, en 30 gulden 54 kosten voor het opmaken van het ‘sterfhuis’ , meer bepaald voor de griffier, de schout en de schepenen van Puurs, voor ‘comparitie van twee daeghen, incl. maecken ende voltrecken van dese staet en schrijven, registreren, leveren van twee copijen, zegels, acte van voogdye, vergaederen van wethouderen, etc’ De aktekosten zeg maar. De schulden bedroegen samen 491 gulden. Het batig saldo was afgerond 2981 gulden. De helft van dat bedrag was voor de vader van de wezen, de andere helft moest hij aan de wezen geven op hun 25ste verjaardag. Daarnaast beloofde Peter zijn wezen ‘eerlijck ende naer staet te sullen onderhouden van eet ende dranck, cleederen ende leijnwaert, soo sieck als gesont, en deselve doen ten scholen gaen ende doen leeren lesen ende schrijven oock naer staet ende conditie’. Het ‘sterfhuis’ werd opgemaakt in december 1780, een half jaar na het overlijden van Anna Maria Huysmans. Maar Peter De Keersmaecker was ondertussen niet bij de pakken blijven zitten. Al in oktober was hij hertrouwd, met Joanna Catharina De Saegher.

1.5.3.3 Petrus De Keersmaecker en Joanna Catharina De Saegher (1780-1803) Peter De Keersmaecker hertrouwde op 10 oktober 1780, met Joanna Catharina De Saegher (°± 1754, Puurs +27.05.1805, Breendonk). Tussen 1781 en 1796 kregen zij acht kinderen: Joanna Catharina (°8.9.1781), Maria Theresia (°3.11.1782), Joannes Josephus (°20.2.1785), Maria Philippa (°10.12.1787), Joanna Dorothea (°31.3.1790), Philippus (°10.12.1791), Joannes Dominicus (°4.8.1794) en Petronilla (°6.5.1796). Bij de communicantentelling van 1787 bestond het gezin van Peter De Keersmaecker uit zeven volwassenen (+12) en 2 kinderen (-12). De volwassenen waren waarschijnlijk: hijzelf en zijn vrouw, de twee zonen uit zijn eerste huwelijk, twee knechten en een meid. De twee kinderen waren allicht de oudste twee uit zijn tweede huwelijk.55 In 1794 liet het nieuwe Franse bestuur een algemene vermogenstelling uitvoeren om de belastingmaat te bepalen. De aangiftes zijn niet altijd even betrouwbaar – wat dat betreft verschilden belastingplichtigen in de 18de eeuw niet van die in de 21ste eeuw – maar ze geven toch wel een idee van de beschikbare middelen en goederen van de gezinnen. Peter De Keersmaecker verklaarde op 21 november 1794 aan de commissaris dat zijn huishouden uit 13 personen bestond – er waren een paar kinderen bijgekomen - en dat hij 13 bunder, 2 dagwand en 38 roeden zaailand in gebruik had, maar geen weiden of bossen. Verder had hij naar eigen zeggen in zijn schuur en stallen 1 quintaal 56 tarwe, 50 quintalen koren, 3 quintalen gerst, 1 quintaal vlas, 8 quintalen boekweit, 30 quintalen haver, 60 quintalen hooi, 250 quintalen stro, 7 koeien, 3 vaarzen, 2 varkens, 3 paarden, 1 veulen, 1 wagen en 1 kar.57 Al bij al een aanzienlijke aangifte die erop wijst dat de zaken behoorlijk goed gingen op de Vissenholhoeve. Bij de Volkstelling van 1796 bestond het gezin uit: Peter De Keersmaecker, Anna Catharina De Saegher, zoon Philippus De Keersmaecker (°1773) en vier kinderen onder 12 jaar. De tweede zoon uit het eerste huwelijk, Petrus Joannes, was vermoedelijk het huis al uit. Er zouden eigenlijk meer kinderen onder 12 moeten zijn, wat er mogelijk op wijst dat er enkele jong gestorven zijn. Er verder ook één knecht (Petrus De Wachter) en een meid (Theresia Walschap)58. In 1797 werd de Vissenholhoeve als zwart goed verkocht door de Franse bezetter (zie paragraaf 1.4.3). Dat moeten ook voor pachter De Keersmaecker spannende tijden zijn geweest. Op de ‘affiche’ van de verkoop staat dat het huurcontract nog tot 25 december 1799 liep tegen 237 gulden per jaar. Maar ook na de verkoop bleef Peter De Keersmaecker de hoeve verder pachten, tot zijn overlijden op

54

De uitdrukking ‘kosten op het sterfhuis’ vindt hier haar oorsprong: ‘nutteloze kosten’ die men liever vermijdt om het saldo van het ‘sterfhuis’ zo min mogelijk te belasten. 55 Telling in verband met de aanvraag van het dooprecht door de onderpastoor van Breendonk (Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Bundel Breendonk, 18de eeuw) 56 Een quintaal is een oude gewichtsmaat die overeenkwam met 100 pond (± 50 kg). 57 Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 58 Volkstelling Puurs 1796, bewerking Dirk Binon, 1994 42


15 april 1803. Hij was toen 63 jaar. Zijn weduwe Joanna Catharina De Saegher stierf twee jaar later, op 27 mei 1805. Zij was pas 51. Na de dood van Peter ging de pacht naar de oudste zoon uit zijn tweede huwelijk, Joannes Josephus De Keersmaecker.

1.5.3.4. Joannes Josephus De Keersmaecker en Maria Elisabeth Janssens (1803-1824) Joannes Josephus De Keersmaecker (°20.2.1785, Breendonk +11.11.1822, Breendonk) was de oudste zoon van Petrus De Keersmaecker en diens tweede vrouw Joanna Catharina De Saegher. Toen zijn vader in 1803 overleed, was hij nog maar 18 jaar en dus wellicht te jong om alleen de leiding over de pachthoeve over te nemen. Vermoedelijk deed hij dat in eerste instantie samen met zijn moeder en na haar dood met de hulp van broers en/of zusters, en het huispersoneel. Joannes Josephus trouwde in 1812 met Maria Elisabeth Janssens (°19.7.1788, Hingene +5.7.1867, Breendonk), dochter van Petrus Joannes Janssens en Maria Theresia Cuyckens uit Hingene nabij de molen. Bij de volkstelling van 1814 hadden Joannes Josephus en Maria Elisabeth een knecht (Philippe Van Hooymisssen uit Liezele) en een meid (Thérèse Debondt uit Londerzeel), maar geen kinderen. Pas in 1819 kregen zij hun eerste en enige kind: Philippus Josephus. Toen Joannes Josephus in 1822 overleed, was hij nog maar 37. Zijn weduwe was 35 en bleef alleen achter met de verantwoordelijkheid voor een peuter en een pachthoeve.

1.5.3.5. Maria Elisabeth Janssens en Joannes Franciscus De Boeck (1824-1839) Maria Elisabeth hertrouwde dan ook al snel, op 25 februari 1824, en ver ging ze het niet zoeken. De 43-jarige Joannes Franciscus De Boeck (°12.02.1781, Puurs +22.7.1837, Puurs) was afkomstig van een hoeve ‘om de hoek’, op de weg naar het gehucht De Wolf, meer bepaald de boerderij die de familie Tierens een eeuw later zou betrekken toen zij de Vissenholhoeve verlieten (momenteel Provincielaan 37, het ‘nieuwe Vissenhol’, zie paragraaf 1.5.7.3). Joannes Franciscus was de zoon van Henricus De Boeck (1740-1794) en Anna Catharina De Backer (1740-1818).

Afbeelding 35: de buurt van het Vissenhol op de kaart van Six d’Oterleek (1818) met het Vissenhol (1) en het huis van de familie De Boeck (2). De Provincielaan was toen nog niet doorgetrokken en alle verkeer naar Puurs moest nog langs de Vissenholdreef en de Wachtingstraat naar De Wolf. (Gemeentearchief Puurs)

Joannes Franciscus was zelf pas weduwnaar geworden: zijn eerste vrouw, Anna Catharina Van Beveren uit Liezele (1781-1823), was onlangs gestorven. Hij zat dus in hetzelfde situatie als Maria Elisabeth Janssens. De twee besloten van de nood een deugd te maken en met elkaar te trouwen. Het koppel bleef in de Vissenholhoeve wonen. Ze kregen geen kinderen. 43


Bij de volkstelling van 1829 zien we dat er negen mensen op de hoeve wonen: Jan Frans De Boeck (48 jaar), Maria Elisabeth Goossens59 (41), zoon Philippus Josephus (10), en drie knechten en twee meiden: Peter Van Hoeck (24 jaar, uit Wolvertem), Judocus D’Hertevelt (22 jaar, uit Londerzeel), Joannes Vandenbergh (21 jaar, uit Puurs), Francisca Verbesselt (28 jaar, uit Londerzeel) en Sophia Desmedt (22 jaar, uit Puurs). Maar ook met haar tweede echtgenoot kende Maria Elisabeth weinig geluk. Ook hij stierf relatief jong, meer bepaald op 22 juli 1837 op 54-jarige leeftijd. Vermoedelijk is Maria Elisabeth kort daarna verhuisd naar de ouderlijke hoeve van haar overleden echtgenoot, want rond 1839 vinden we in het Vissenhol nieuwe pachters: de familie De Wit – De Pauw. Twee jaar na haar verhuizing, in 1841, verloor Maria Elisabeth haar enige zoon Philippus, op 21-jarige leeftijd. Het jaar daarop trouwde ze op 53-jarige leeftijd voor de derde keer, met de 39-jarige Franciscus Henricus De Keersmaecker, een neef van haar eerste echtgenoot. Ze kreeg – uiteraard – geen kinderen meer en overleed in 1867. Maar dan was ze al bijna 30 jaar weg uit de Vissenholhoeve. In 1839 kwam inderdaad na bijna twee eeuwen een einde aan het pachterschap van de familie De Wachter – De Keersmaecker en aanverwanten op de Vissenholhoeve. De volgende pachterfamilies zouden het niet zo lang volhouden.

1.5.4 De familie De Wit – De Pauw (1839-1845) Na het bijna 200 jaar durende verblijf van de familie De Wachter en hun nakomelingen in de Vissenholhoeve kwam er vanaf 1839 een groot verloop van pachters. De eerste in de rij was de familie De Wit - De Pauw. Jan Baptiste De Wit werd op 2 augustus 1807 geboren in Londerzeel als zoon van Karel De Wit en Joanna Catharina De Mol. Hij trouwde in 1838 met Anna Petronilla De Pauw uit Wolvertem (°± 1809). Wanneer ze precies in de Vissenholhoeve kwamen wonen, is niet helemaal zeker, maar vermoedelijk was dat in 1839. Dat valt alleszins af te leiden uit de bevolkingsregisters en uit het feit dat ze in 1845 opnieuw vertrokken zijn, allicht na afloop van één pachtermijn van zes jaar. Tussen 1839 en 1844 kregen ze vijf kinderen, waarvan er drie jong overleden: Jan Baptiste (°23.6.1839 +27.9.1839), Petrus Joannes (°10.7.1840), Maria Josepha (°20.7.1841 +10.1.1842), Petrus Ferdinandus (°22.10.1842 + 14.6.1844) en Maria Anna (°18.6.1844). De laatste werd dus vier dagen na de dood van de voorlaatste geboren. Ongetwijfeld een harde dobber voor de ouders. Kindersterfte was schering en inslag in die tijd. Dat de Vissenholhoeve nog altijd een groot boerenbedrijf was, blijkt uit het feit dat er drie knechten en twee meiden waren : Josephus Kersbeeck (20 jaar, uit Ramsdonk), Petrus Joannes Van Ingelgem (25 jaar, uit Londerzeel), Ludovicus Janssens (20 jaar, uit Londerzeel), Carolina Cleemput (20 jaar, uit Sint-Amands), Sophia Schellemans (26 jaar, uit Londerzeel). Maar na zes jaar hielden Jan Baptiste en Anna Petronella het toch voor bekeken in Breendonk. In februari 1845 keerden ze terug naar Londerzeel. Als pachters van de Vissenholhoeve werden ze opgevolgd door de familie Van der Perre – Van Doorslaer.

1.5.5 De familie Van der Perre – Van Doorslaer (1845-1851) Franciscus Josephus Van der Perre werd geboren in Mechtem, rond 1819. Op 21 oktober 1843 was hij in Malderen getrouwd met Brigitta Van Doorslaer (°Malderen, ± 1819). Ze kregen er een zoontje, Franciscus (°1844) en kwamen begin 1845 in de Vissenholhoeve wonen.

59

De ambtenaar heeft zich hier van naam vergist, maar de andere gegevens (leeftijd, geboorteplaats) maken duidelijk dat het wel degelijk om Maria Elisabeth Janssens gaat. 44


Daar kregen ze er de volgende jaren nog twee kinderen bij: Josephus Ambrosius (°19.9.1846) en Maria Sophia (°17.9.1849). In tegenstelling tot hun voorgangers hadden zij (in 1846) ‘maar’ één knecht (Josephus Peeters uit Puurs, 34 jaar) en één meid (Rosalia De Decker uit Malderen, 19 jaar). In 1851 werd de Vissenholhoeve door de familie Whettnall – Tiberghien verkocht aan de familie Hanssens – Hap. Uit de aankoopakte blijkt dat pachter Van der Perre toen ongeveer 10 van de in totaal 17 hectare landerijen van de hoeve huurde, voor 617 frank per jaar. Voor de details verwijzen we naar paragraaf 1.4.5. De hoeve zelf werd toen als volgt beschreven : ‘Eene pagthoeve, genaemd Vissenhol, bestaende in verschyde zeer solide en ruyme gebouwen opgerigt in vierkantigen vorm, in ‘t midden van welke is besloten (een) grooten basse-cour, behelzende het voornaemste: (een) schoone pagterswooning gedekt in pannen en hebbende verschyde beneden- en bovenkamers, keuken, kelders, drooge schuylplaetsen en graenzolders, remisiën, logiën; voorts regt over dies huys: een aenzienlijk en allersterkst batiment geschikt tot schuer, het welk door zyne grootte zeer gemakkelijk tot een tweede pagterswooning kan worden bestemd; van de twee andere zijden; peerden-, koeyen- en schapenstallen, verkens- en voederagiekoten, twee keukens, etc; fraye hoving omringd van hagen en beplant met veel fruytboomen in vollen dragt; ovenbuer, beerput en meer andere dependentiën’. 60 Zie ook paragraaf 1.3.4. De pachtovereenkomst werd onder de nieuwe eigenaars niet verlengd en eind 1851 vertrok de familie Van der Perre weer naar Merchtem. In hun plaats kwam de familie Verlinden – Govaerts uit Hombeek.

1.5.6 De familie Verlinden - Govaerts (1851-1875) Joannes Josephus Verlinden werd op 23 november 1825 geboren in Hombeek, als zoon van herbergier Philippus Verlinden en Catharina Gooskens. Op 3 mei 1851 trouwde hij met zijn dorpsgenote Joanna Catharina Goovaerts, geboren op 17 december 1828 als dochter van Guilielmus Goovaerts, handwerker, en Anna Maria Neefs.61 Eind december 1851 namen zij hun intrek in de Vissenholhoeve, die toen net van eigenaar was veranderd. Hun eerste kind was al op 23 juni in Hombeek geboren, kort na hun huwelijk dus, maar het overleed op jonge leeftijd. In Breendonk kwamen er nog zeven kinderen bij, van wie er een jong stierf : Joannes (°28.2.1853), Guillielmus Ludovicus (°20.2.1855), Henricus Jacobus (°18.2.1859), Anna Maria Angelica (°29.12.1860), Theresia (°26.12.1862 +30.8.1867), Josephus Eduardus (°24.11.1864) en Joannes Emilius (°10.6.1870). Het gezin had geen meiden of knechten: een groot verschil met de vijf personeelsleden van de familie De Wit, nauwelijks tien jaar eerder. Mogelijk was de hoeveelheid pachtgronden in de nieuwe huurovereenkomst opnieuw gedaald; een evolutie die zich ook de volgende decennia verder zou doorzetten. Vanaf 1856 kreeg het jonge gezin wel de hulp van (schoon)vader Willem Govaerts (18021873), een weduwnaar, die toen vanuit Hombeek naar Breendonk verhuisde. Datzelfde jaar werd ook een meid in dienst genomen: de 20-jarige Coleta De Bondt uit Londerzeel. Maar die ging een jaar later alweer uit dienst en werd niet vervangen. Met de jaren zullen uiteraard ook de kinderen Verlinden wel een handje hebben geholpen op de boerderij. In 1870 kwam er andermaal een nieuwe eigenaar: Gustave Washer (zie paragraaf 1.4.6). De Vissenholhoeve werd opnieuw een stukje kleiner en had toen nog maar 7.6 hectare pachtgronden. In januari 1875, wellicht na vier huurtermijnen, verliet de familie Verlinden de hoeve om zich in Kontich te gaan vestigen. Daarna werd de Vissenholhoeve opnieuw door Breendonkenaars gepacht.

60

Verkoopakte Vissenholhoeve door Catherine Françoise de Pouillon Tiberghien en Edward Jean Whettnall, d.d. 12.8.1851, notaris Joannes Michael De Cocq te Mechelen, Stadsarchief Mechelen, notariaat, inv. 2388. 61 De Ware Vrienden van het Archief, bewerking Burgerlijke Stand Mechelse deelgemeenten 1796-1910, http://www.dewarevrienden.net. 45


1.5.7 De familie Piessens - Tierens (1875-1920) 1.5.7.1. Petrus Joannes Piessens (1875-1881) Petrus Joannes Piessens werd op 23 maart 1820 in Breendonk geboren als zoon van Joannes Baptista Piessens en Maria Theresia Teck. Zij woonden in de Wachtingstraat (kadaster B 529), ter hoogte van het huidige huis nr 22. Niet zo ver van de Vissenholhoeve dus (zie afbeelding 36). Hun zoon Petrus Joannes trouwde op 7 januari 1852 in Malderen met Joanna Catharina Tierens (°9.5.1822 +25.12.1858). Het koppel vestigde zich in Heindonk in de Molenstraat. Tussen 1853 en 1858 kregen zij zes kinderen, allemaal dochters, van wie er drie jong overleden. Kort na de geboorte van de laatste, Anna Maria, op 5 december 1858, overleed moeder Joanna Catharina, meer bepaald op kerstdag van dat jaar. Enkele dagen later stierf ook het meisje. Petrus Joannes bleef alleen achter met drie kleine kinderen: Maria Coleta (°3.3.1853), Philomena (°1.3.1856) en Paulina (°20.3.1857). Kort daarna (wellicht in 1859) hertrouwde hij met de zeven jaar oudere Clara Verhoeven uit Londerzeel (°16.11.1813). Ook zij stierf relatief jong, op 12 mei 1870, op 56-jarige leeftijd; Petrus Joannes werd door het leven niet gespaard. Hij bleef nog vijf jaar in Heindonk wonen en keerde dan toch terug naar zijn geboortedorp, waar hij in 1875 pachter werd van de Vissenholhoeve.

Afbeelding 36: de omgeving van het Vissenhol op de Popp-kaart (1863) met het geboortehuis van Petrus Piessens (1) en Vitalis Tierens, zie paragraaf 1.5.7.2 (2). Ondertussen was de provinciale weg doorgetrokken en de ‘omweg’ langs het Vissenhol overbodig geworden (vergelijk met afbeelding 35).

Zijn oudste dochter, Maria Coleta, trouwde in 1878 met Petrus Joannes Goossens en ging in de Moorstraat wonen. In 1880 trouwde Philomena met Theophiel Alfons Goossens (geen familie van Petrus Joannes). Zij vestigden zich in de Brandstraat op de grens met Willebroek. De derde dochter, Paulina, bleef bij haar vader in de Vissenholhoeve wonen.

1.5.7.2 Vitalis Tierens en Paulina Piessens (1881-1909) In 1881 gaf Petrus Joannes Piessens de pacht van de Vissenholhoeve door aan zijn jongste dochter Paulina en haar aanstaande echtgenoot: Vitalis Tierens. Vitalis (24.8.1856 – 21.9.1933) was een buurman van de familie Piessens, meer bepaald de zoon van Dominicus Tierens en Maria Francisca Broothaers, die vlak in de buurt café ‘In den tip’ uitbaatten (kadaster B 518), momenteel Wachtingstraat 47, op de hoek met de Provincielaan (zie afbeelding 36). Toen stond het café effectief in een driehoek tussen beide straten en een buurtweg achter het huis die van de Wachtingstraat naar de Provincielaan liep. Dat was de vroegere hoofdweg, voor het doortrekken van de provinciale weg. Zie paragraaf 1.3.2. Samen met de pacht droeg Petrus Joannes Piessens met een notariële akte ook de hele inboedel van de hoeve over aan zijn dochter: “Eene partij huismeubelen, keukengerief, landbouwgereedschappen,

46


vee, strooi en verdere provisiën, mest, beir, brandhout, vruchten, voedsel, schaarhout en verdere pachtrechten te bevinden op en in de door hem als huurder gebruikte landen.”62 In de akte wordt kamer na kamer de inboedel beschreven. Dat biedt ons eerst en vooral een zicht op de structuur en de indeling van de hoevegebouwen op dat moment. Er is sprake van een keuken, een kamer (woonplaats), kelderkamer, plaats neven de keuken, washuis, kelder, zolder, schuur, koestal en voederij. Uit de beschrijving van de inboedel valt af te leiden dat de familie Piessens het niet zo breed had, bijvoorbeeld in vergelijking met de inboedel van het ‘sterfhuis’ van Anna Maria Huysmans, precies een eeuw eerder op dezelfde plaats (zie paragraaf 1.5.3.2). Het totaal geschatte bedrag bedroeg 1717 frank. Zo valt het op dat er geen paarden of groot landbouwmateriaal worden vermeld. Er wordt ook niet verwezen naar slaapplaatsen voor knechten of meiden, die er blijkens de bevolkingsregisters ook niet waren. Het vee is beperkt tot drie koeien, samen goed voor bijna de helft van de schatting (800 frank). Verder onder meer:    

In de keuken: “hangende horlogie, tafel met zes stoelen, bank, eenige tellooren, schappraai met kleine provisieën, boterstand, melkkuip en eenige kleinigheden” – samen geschat op 42 frank In de kamer: “kasken, twee glazen kandelaars, soepterrin, taskens, koppekens, messen, lepels, fourchetten, jatten en verder kleinigheden” – samen geschat op 22 frank In het washuis: “ijzeren pot, lanteern, temst, eenige telloren en schotels, melkteilen, lampen, koper, ijzer, aarden, blik, tin en glijzenwerk, brasketel” – samen geschat op 21 frank In de schuur: “partij strooi, ladder, knap, win, twee kruiwagens, streep, boonstaken, twee manden, korf, rieken, rijven, hakken, haken, schuppen, schoep, vlegels, ijzeren egge, twee biervaten” - samen geschat op 58 frank

Afbeelding 37: Schatting van de inboedel bij de schenking in 1881 door Petrus Joannes Piessens aan zijn dochter Paulina, fragment (archief Francine Tierens).

Ook de vruchten op het veld maakten deel uit van de schenking. Daaruit blijkt dat de familie Piessens nog slechts drie akkers in pacht had: de Weide, het Haverveld en de Neerheide (zie afbeelding 21). Als de oppervlakte van die velden nog dezelfde was als vroeger, dan gaat het om ongeveer vijf hectare. En die waren op het moment van de overdracht niet eens volledig in gebruik. De akte vermeldt:  

62

Op het stuk land, genaamd de Weide: 15 are vlas, 15 are patatten en 62 are koren – samen goed voor een waarde van 260 frank (ongeveer de volledige oppervlakte van 1 hectare) Op het Haverveld: 15 are klaver, 15 are patatten en 45 are koren (samen maar 0,7 van de 2.5 hectare)

Akte voor notaris Petrus Ludovicus Jacabus Peeters te Puurs, 18.04.1881 (archief Francine Tierens) 47


Op de Neerheide; 50 are vlas, 15 are klaver en 10 are koren (samen 0,75 van de 1.5 hectare)

In ruil voor de schenking moest Paulina Piessens haar vader heel zijn verdere leven onderdak en eten geven en hem onderhouden volgens de in het contract opgenomen clausule. Na zijn overlijden moest zij haar zuster Coleta 400 frank uitbetalen en haar tweede zuster Philomena 600 frank. Een maand na de schenking, op 13 mei 1881, trouwden Paulina Piessens en Vitalis Tierens. Tussen 1882 en 1897 kregen zij twaalf kinderen: eerst elf meisjes (waarvan er drie kort na de geboorte stierven) en uiteindelijk één jongen: Desiderius Franciscus. Bij de geboorte van die laatste op 17 oktober 1897, overleed Paulina in het kraambed, op 40-jarige leeftijd. Het kind zelf stierf drie maanden later. Grootvader Petrus Joannes Piessens was ondertussen ook al overleden, op 26 september 1888. En zo stond Vitalis er dus alleen voor, met acht jonge dochters tussen 1 en 15 jaar. En toch is hij nooit hertrouwd. Pas in 1909 kwam er hulp bij op de hoeve, meer bepaald toen zijn oudste dochter trouwde.

1.5.7.3 Joannes Josephus Tierens en Francisca Aloysia Tierens (1909-1920) Francisca Aloysia werd geboren op 24 augustus 1882. Toen haar moeder in 1897 overleed, zal zij als oudste dochter ongetwijfeld een beetje de moederrol in het gezin hebben moeten opnemen, ondanks haar prille leeftijd. Al haar zussen trokken de volgende jaren naar de stad om er te gaan ‘dienen’, maar Francisca Aloysia bleef in de Vissenholhoeve wonen, ook na haar huwelijk met Joannes Josephus Tierens. Die werd op 31 augustus 1879 in Malderen geboren, maar zijn voorouders kwamen wel uit Breendonk. Joannes Josephus en Francisca Aloysia trouwden op 22 januari 1909. Zij kregen drie kinderen: Vitalis Joannes Alphonsus (°11.11.1909), de jong gestorven Hortensia Alfonsina (°23.4.1911 + 17.6.1919) en Franciscus Josephus Philemon (°26.2.1913). Op onderstaande foto zien we het hele gezin. De foto werd waarschijnlijk genomen tussen 1916 en 1918. Het is een van de enige twee bekende foto’s van de hoeve (zie paragraaf 1.3.4). De familie Tierens bevindt zich op de binnenkoer, voor de deur en een raam van de hoeve. Die deur bevond zich aan de zuidkant van het woonhuis, dat haaks tegenover de straat stond.

Afbeelding 38 : De familie Tierens voor de Vissenholhoeve, rond 1917. (arch. Francine Tierens) Achteraan op de foto: Francisca Dedecker (de meid) en grootvader Vitalis Tierens Vooraan: Alfons, vader Jan Jozef, Frans, moeder Francisca Aloysia en Hortensia Alfonsina 48


In 1920 verliet de familie Tierens de Vissenholhoeve. Ze kregen de kans om even verder, op de Provincielaan, een maalderij over te nemen. De maalderij was gelegen op de plaats waar een kleine eeuw eerder de familie De Boeck – De Backer woonde, die toen ook al even opdook in de geschiedenis van de Vissenholhoeve (zie paragraaf 1.5.3.5 en afbeelding 35). Het is dus zeker niet onterecht dat een kleine eeuw later de naam ‘t Vissenhol in sierlijke smeedijzeren letters op de gevel van de woning prijkt, waar momenteel de familie Hermans – Tierens woont (zie afbeelding 39). Francine Tierens is de jongste dochter van Fons Tierens, die we hierboven op de foto zien. De eigenlijke Vissenholhoeve kwam in 1920 in het bezit van de familie Van den Brande. Maar hun verhaal hebben we eerder al verteld : zie paragraaf 1.4.8.

Afbeelding 39 : ‘t Vissenhol’ in de Provicielaan; het ‘nieuwe Vissenhol’.

49


2. De hoeve van Feles

Afbeelding 40 : De hoeve van Feles rond 1980 (verz. Henriette Tersago)

2.1 Een hoeve uit de pionierstijd van Breendonk-centrum Tot in 1982 stond rechtover de Beenhouwerstraat, aan het begin van de parallelweg met de Groenstraat, een pittoreske oude hoeve. Er bestaan nog enkele foto’s van en ze werd meermaals vereeuwigd op schilderijen en tekeningen. Een officiële naam had ze niet, maar in de volksmond werd ze doorgaans ‘De hoeve van Feles’ genoemd, een niet helemaal correcte verwijzing naar een vermeende vroegere eigenaar. Het was niet zo’n grote hoeve en architecturaal was ze ook niet zo bijzonder, maar het was voor iedereen wel duidelijk dat het een oude ‘doening’ was. En daarvan zijn/waren er in Breendonk helaas niet veel. Maar de hoeve van Feles is vooral interessant omdat haar geschiedenis nauw verweven is met die van de Moorheide. Dat was in de 17de en 18de eeuw een onooglijk gehucht temidden van heiden en bossen. Vanaf het einde van de 18de eeuw ontwikkelde de buurt zich ietwat toevallig tot het centrum van Breendonk door de bouw van de kerk in 1780. De eigenaars en pachters van de Hoeve van Feles hebben daarbij een niet onbelangrijke rol gespeeld.

2.2 De Moorheide De Moorheide was tot de tweede helft van de 17de eeuw een grotendeels onontgonnen heidegebied dat grosso modo samenviel met de driehoek die momenteel wordt gevormd door de Molenheide en Groenstraat, Jan Hammeneckerstraat en Breendonk-Dorp. De eerste bekende vermelding dateert uit 160763, wat vrij laat is en duidt op de relatieve onbelangrijkheid van het gehucht. De oudste verwijzingen naar bewoning op de Moorheide vinden we terug in 1620 en 1622, meer bepaald vermeldingen van hofsteden in het bezit van respectievelijk Peter Verhulst en het echtpaar Jan 63

Register van de Goedenissen en Erfenissen van Puurs, RAA, nr. 1, 1600-1628, folio 52r°: ‘aende Moorheyde’. Zie: Ernest Moeremans, Bijdrage tot de toponymie van Klein-Brabant, Puurs, Oppuurs, Breendonk, Liezele, Ruisbroek (licentiaatsverhandeling, KU Leuven, 1949). p. 245. 50


64

Selleslag en Digna Thys-Cools. Waar die hoeves zich precies bevonden en of er toen ook al andere waren, is niet duidelijk. Vermoedelijk kwamen er de volgende decennia nog enkele bij, maar het algemene beeld is dat de Moorheide tot het midden van de 17de eeuw nauwelijks bewoond was. Daar kwam vanaf ongeveer 1665 verandering in door toedoen van de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem, de geestelijke beheerder van Puurs. De paters begonnen heidegronden op de Moorheide in pacht te geven aan boeren die de gronden ‘inbermden’ (ontgonnen) en er in sommige gevallen ook een huis op bouwden. In de rekeningboeken van Sint Bernards uit die tijd staan de pachtopbrengsten van deze nieuw ontgonnen gronden op de Moorheide effectief vermeld in het hoofdstuk ‘Ontfanck van ingebermde heijden’. 65 De oudst bekende kaart van de Moorheide dateert uit 1739. Ze staat in het ‘Land-boeck van 66 Pudersse’ . Bijna alle percelen van Sint Bernards die op de kaart zijn afgebeeld, werden volgens de bijhorende beschrijving ontgonnen (‘ingebermt’ en/of ‘beplant’) tussen 1686 en 1735. Daarom waren ze nog niet opgenomen in de oorspronkelijke versie van het Landboek (1668-1669), die werd opgesteld door Judocus Bal, provisor van de abdij. In 1749 maakte pater Godefridus Bouvaert, ‘boekzaelbewaerder’ van Sint-Bernards, een kopie van het Landboek, aangevuld met een supplement dat kaarten en beschrijvingen bevat van landerijen en percelen die sinds de opmaak van de eerste editie werden verworven en/of ontgonnen. De kaart van de Moorheide, gemaakt door landmeter Judocus De Deken in 1739, is er daar één van.

Afbeelding 41: Kaart van de Moorheide, Judocus De Deken, 1739 (Land-boeck van Pudersse)

We zien op de kaart een aantal straten die ook nu nog bestaan: de schoor straete (nu Groenstraat), de moor straete (Moorstraat), de schaef straete (nu Breendonk-Dorp) en de straete van londer sele 64

Chris Apers, Het oudste schepenregister van Puurs (1600-1628), eigen uitgave 2011, nr. 573 en 620. Jaarrekeningen van de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem, RA Antwerpen, T14/039, inv. 35-106 66 Houtman, Erik, e.a. Een Kaartboek van de Sint-Bernardsabdij Hemiksem 1666-1671, uitgave Rijksarchief, 2005, p.146-147. 65

51


naer willebroeck (nu Breendonkstraat). Verder ook enkele (toen nog) naamloze dreven, met bomen beplant: de huidige Beenhouwerstraat, het veldwegje dat vandaag Marollenweg wordt genoemd, de huidige Zwaluwlaan, vroeger Steenboschweg en daarna Moorterweg genoemd, de Molenheide en Buisseretlaan. En daartussen liggen volgens het Landboek 21 percelen en een 15-tal hofsteden en huizen, de meeste ervan net buiten de gronden van de abdij (niet ingekleurd). Het gaat om stukken ‘landt’, maar ook om percelen ‘bosch’, beplant met ‘mast- en eycke-boomen’. Slechts bij twee van de 21 percelen wordt verwezen naar een beschrijving in het Landboek van 1668. Al de rest is dus later in cultuur gebracht; de meeste percelen vanaf 1686. Eén daarvan is de ‘Hoeve van Feles’. In een ‘attestatie’67 voor de schepenbank van Puurs in 1692 verklaren Gommaer Meeus, Jan Vermeeren, Peeter Kerreman, Philips De Borgher en Carel Verbercht ten behoeve van de abt van Sint Bernards dat 'aen hun kenbaer is seckere heyde gelegen binnen desen Vrye Eigendomme genoempt de Moorheyde ende hoe die van het voornoempde Goidshuys in vredelycke possessie syn van de voorschreven heyde te beplanten, op te graeven, uyt te bermen, deselve uyt gebermde partyen te verhueren sonder teghen seggen van iemandt, soo deselve heyde tegenwoordigh op differente plaetsen, dreffs gewyse staet beplant ende ter syden deselve dreven opgegracht, welcke boomen alsoo geplant synde, bij die van het voornoempde Goidshuys worden gesleund ende den troncke ofte houdt daeraff comende geprofficieert, gevende de voornoempde comparanten voor redenen van weetentheyt, dat sy respectievelyck de voornoempde boomen hebben geplant, de grachten gegraven ende de verhuerde partyen uitgebermt, van welcke uytgebermpde partyen Daniel Meeus en Guilliam Moyersoen in huere houden omtrent de dry hondert roeden68, voor de somme van vier gulden 't sjaers, item de voors. Peeter Kerreman een dachwant waerop hy een huys heeft gestelt tot vier gulden 't sjaers, item de voornoemde Philips De Borgher een partye groot 250 roeden voor vier gulden 18 stuyvers ’s jaers, item Henrick De Mayer, zoon van Philips wat meer als een dagwant voor de somme van dry gulden ’t sjaers op welcken plaetse den selven De Mayer heeft gestelt een huys ende schuere….' enz. 69

Afbeelding 42: Attestatie voor de schepenbank van Puurs d.d. 10.11.1692 (fragment)

De getuigen bevestigen dus dat de heide recent ontgonnen is op last en ten behoeve van Sint Bernards en dat zij daarbij geholpen hebben. Samen met anderen huren zij ook een deel van de gronden als pachters.

67

Een verklaring van een of meerdere getuigen over een gebeurtenis of een (historische) toestand. In dit geval voor de schepenbank van Puurs en ten behoeve van de abt van Sint Bernards. 68 100 roeden = 1 dagwand / 4 dagwand of 400 roeden = 1 bunder = 1,2 hectare = 12.000 m² 69 Attestatie voor de schepenbank van Puurs d.d. 10.11.1692, RA Antwerpen, Oud Gemeentearchief Puurs, D111, inv. 3, f° 330 v. 52


De ontginning van nieuwe (heide)gronden werd inderdaad niet rechtstreeks door de abdij zelf uitgevoerd, maar uitbesteed aan pachters. Dat gebeurde vaak met lange pachtperiodes (tot 50 jaar), wellicht om de pachters de tijd te gunnen voor een grondige exploitatie en de gelegenheid om er ook nog de vruchten van te plukken. De pachters bouwden op hun percelen soms ook een eigen woning, met instemming van de abdij. Na afloop van de pachtperiode werden die huizen geschat en overgenomen door de abdij of door de nieuwe pachter. Een van de pachters die volgens bovenstaande getuigenis een huis bouwde op zijn pachtgrond, was dus Peter Kerremans. En het huis dat hij bouwde was de ‘Hoeve van Feles’.

2.3 De eigenaars 2.3.1 De familie Kerremans (1690-1746) 2.3.1.1 Peter Kerremans (1690-1703) Dat het vermelde huis van Peter Kerreman(s) in de ‘attestatie’ van 1692 wel degelijk de ‘Hoeve van Feles’ is, blijkt uit een vermelding in een pachtboek van de Sint-Bernardsabdij uit de tweede helft van de 18de eeuw70. Daarin staat een pachtcontract met Francis Verhoeven (zie verder: paragraaf 2.3.2.1): afgesloten op 1 oktober 1753, voor 5 bunder en 85 roeden land, verdeeld over zes percelen. Eén van die percelen wordt omschreven als ‘een stuck waerop Peeter Kerreman een huijs heeft geset op de Moorheijde’. Het perceel is 243 roeden groot en bij de vermelding staat ook een verwijzing naar een nummer op de kaart van de Moorheide in het Landboek: nr. 9 meer bepaald. En dat is effectief de ‘Hoeve van Feles’, zoals hieronder blijkt (zie afbeelding 44).

Afbeelding 43: Pachtboek van de St. Bernardsabdij Hemiksem, contract met Francis Verhoeven 1753 met vemelding hoeve Peter Kerremans en verwijzing naar nr. 9 op de kaart in het Landboek (fragment)

70

Pachtboek van de St.Bernardabdij Hemiksem 1751-1791, RA Antwerpen, T14/039, inv. 11, fol. 95 53


Afbeelding 44: Kaart van de Moorheide, Judocus De Deken, 1739, detail van nr.9 (Land-boeck van Pudersse)

In de beschrijving van het bewuste perceel 9 in het Landboek wordt vermeld dat het werd ‘ingebermt’ in het jaar 1690. We mogen er dus van uitgaan dat de hoeve ook in dat jaar is gebouwd, zeker omdat er in de attestatie van 1692 al naar verwezen wordt. Op onderstaande combinatiekaart zien we waar we de hoeve juist moeten situeren in het hedendaagse landschap. Aan de linkerzijde een luchtfoto en rechts een fragment van de Popp-kaart uit 1863 waarop de historische percelen nog nauwkeurig zijn aangeduid. De percelen 289-290-234 op de Popp-kaart (rechterzijde) komen overeen met het perceel 9 op de kaart uit het Landboek. Het aanpalende perceel 235 (linkerzijde) was in de 18de eeuw eigen bezit van de familie Kerremans en dus geen pachtgrond. Op de luchtfoto links zien we hoe die percelen zich uitstrekten over de huidige Molenheide, Merellaan en Zwaluwlaan.

Afbeelding 45: De Hoeve van Feles op een combinatiekaart Popp en luchtfoto (Geopunt.be)

Peter Kerremans werd vermoedelijk op 6 december 1632 geboren als zoon van Egidius Kerremans en Anna Raes. Hij trouwde drie keer: eerst met Barbara Neefs (rond 1664), daarna met Johanna De Pauw (op 12.12.1693 in Puurs) en tot slot met Joanna De Backer (op 13.4.1706 in Puurs). Voor zover bekend had hij alleen met zijn eerste echtgenote kinderen, minstens vijf en vermoedelijk zes. Hij overleed op 16 augustus 1717, ‘op de Moorheide’ in Puurs. Hoewel Peter Kerremans de hoeve pas in 1690 heeft gebouwd, blijkt uit de jaarrekeningen van Sint Bernards dat hij al vanaf 1675 land van het klooster op de Moorheide in pacht had, meer bepaald een stuk van ‘omtrent een dagwant’. We nemen aan dat het hier om het perceel gaat waarop hij later de hoeve bouwde. Peter Kerremans was niet alleen een pionier van de ontginning van de Moorheide, 54


maar bekleedde ook een tijd (minstens van 1694 tot 1703) het ambt van ‘preter’ (bos- en veldwachter) van Sint Bernards ‘in ’t quartier van Breendonck’. Als vergoeding voor dat ambt mocht hij gratis gebruik maken van een perceel van een dagwand en 65 roeden, dat toepasselijk het ‘Preterstuck’ werd genoemd: “Item wort wegens sijne Eerwr. (de abt van St. Bernards, nvdr) toegelaeten aen Peeter Kerremans als preter int quaertier van Breendonck onder Puers om voor sijne diensten soo langhe hij het preterschap sal bedienen te gebruyken een stuck lants groot 1 dagwt. en 65 r. genpt. het Preterstuck tot Breendonck.71 De precieze ligging van dit perceel is onbekend.

Afbeelding 46: Jaarrekening Sint Bernards, 1694, fragment met vermelding Peter Kerremans als ‘preter’ (RAA)

2.3.1.2 Joost Kerremans (1703-1746) In 1703 liet Peter Kerremans een testament opstellen door notaris Joannes Verheyden uit Puurs. Daaruit blijkt dat zijn zoon Judocus (Joost) Kerremans op dat moment de hoeve op de Moorheide al van zijn vader had overgekocht.72 Uit de jaarrekeningen van St. Bernards blijkt dan weer dat Joost Kerremans vanaf dan ook de pacht betaalde van de grond (243 roeden) waarop de hoeve stond. Hieronder een voorbeeld uit de jaarrekening van 1717.

Afbeelding 47: Jaarrekening Sint Bernards, 1717, fragment met vermelding Joost Kerreman(s) als ‘pachter (RAA)

Joost Kerremans (±1670-1746) trouwde in 1698 met Catharina De Bruyn. Zij kregen één dochter, Joanna (°1701). In 1703 overleed Catharina en Joost hertrouwde kort daarna met Maria Van Wemmel (±1675-1745). Tussen 1704 en 1716 kregen zij zeven kinderen. De jongste daarvan was Cornelia (°1716). Cornelia trouwde in 1744 met de hierboven al vermelde Frans Verhoeven. Zij namen de hoeve in 1747 over van hun (schoon)zuster, de vermelde Joanna Kerremans, en haar man Govaert Gabriels. Die hadden ze zelf verworven na de dood van Joost Kerremans in 1746.73

71

Jaarrekeningen van de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem, RA Antwerpen, T14/039, inv. 35-106. Testament Peter Kerremans, dd 20.2.1703, voor notaris Joannes Verheyden, Puurs, RAA, inv. 3658. 73 Deze transacties worden beschreven in deakte van verkoop van de hoeve door Frans Verhoeven aan zijn zoon Rombout, d.d. 3.8.1785, Oud Gemeentearchief Puurs, Minuten Schepengriffie, RA Antwerpen, D111, inv. 54. 72

55


2.3.2 De familie Verhoeven 2.3.2.1 Frans Verhoeven (1747-1785) Vanaf 1747 waren Frans Verhoeven en zijn echtgenote Cornelia Kerremans dus de eigenaars van de hoeve. Frans Verhoeven (1722-1793), was eigenlijk een buurman van de familie Kerremans. Hij woonde een paar huizen verder (naar het noorden): het meest linkse huis op afbeelding 41 hierboven. Die hoeve hadden zijn ouders, Rumoldus (Rombout) Verhoeven en Petronella Daems in 1724 de gekocht. De hoeve was privébezit en stond niet op grond van Sint-Bernards. Ze dateerde uit de 17 eeuw. Frans en Cornelia trouwden op 24 september 1744. Ze kregen drie kinderen: Jan (1745), Rombout (1746) en Anna Catharina (1748). Bij de fiscale telling van 1747 werd Frans ‘ingecohierd’ met 1 paard, 2 koeien, 1 rund, 1 kalf, 1 varken en 1 haerdstede74: een gemiddelde aangifte. Frans en Cornelia waren dus de eigenaars van de hoevegebouwen, maar de grond waarop die stonden, was nog altijd eigendom van de Sint-Bernardsabdij. Uit het pachtcontract van 1753 (zie afbeelding 43 hierboven) blijkt dat Frans Verhoeven op dat moment in totaal ruim vijf bunder gronden huurde van Sint Bernards, niet alleen in de Moorheide, maar ook op de ‘Groote Heide’, onder meer percelen op de hoek van de huidige Hoge Dreef met de Zavelstraat, en op de hoek van de Hoge Dreef met de Sint-Jozefstraat. Daarvoor betaalde hij 74 gulden pacht per jaar. In het pachtcontract wordt ook verwezen naar de algemene pachtvoorwaarden die voor alle pachters van Sint-Bernards golden (zie paragraaf 1.5.1). Daarnaast bevat het contract een aantal specifieke bepalingen, onder meer een opmerkelijk strenge regel over het huis dat door de pachter was gebouwd op de grond van de abdij: “Item is conditie dat den paghter de huijsinge op ’t Cloosters gront gestelt (…) ten afschijden ten sijnen coste moet afbreken, de fondamenten en sullementen, schouw en kelder uijtgraeven, van gruijs kuijsschen en den gront effenen, ten waer het voorsc. Clooster de voorsc. huijsinge wilde aenveirden en overnemen, te prijjsen bij mannen des verstaende”. Met andere woorden: bij het eind van het contract moesten de pachters het huis dat ze op de pachtgrond hadden gebouwd, letterlijk met de grond gelijkmaken, tenzij de paters beslisten dat ze het wilden overnemen. Maar de pachter zelf had daar geen enkele inspraak in. Dit artikel stond in alle soortgelijke pachtcontracten. Later beseften de paters dat deze bepaling te ‘rigoureus’ was en werd het artikel vervangen door een met meer ‘moderatie’. Voortaan konden de paters de pachters niet langer zonder meer tot afbraak dwingen, maar werd altijd een minnelijke schikking getroffen, waarbij de volgende pachters óf de abdij het huis overnamen tegen een door een onafhankelijke schatter bepaalde prijs.75 Cornelia Kerremans overleed in 1749 op 33-jarige leeftijd en zoals dat gebruikelijk was, hertrouwde Frans al snel: op 9 februari 1750, met Catharina Uytenoven uit Londerzeel. Snel, maar blijkbaar toch nog ‘te laat’ want drie maanden later werd hun eerste kind al geboren. Er zouden er nog zeven volgen. Frans Verhoeven ontpopte zich de volgende decennia tot een notabele inwoner van Puurs. Rond 1766 was hij er ‘Heilige-Geestmeester’: OCMW-raadslid, zouden we nu zeggen. Tien jaar later, in 1776-1777, ijverde hij mee voor de bouw van de kerk van Breendonk. Hij werd in 1780 dan ook de eerste kerkmeester van de ‘kapel van Breendonck’: voorzitter van de kerkfabriek, zeg maar.

2.3.2.2 Rombout Verhoeven (1785-1801) Op 16 augustus 1785 trouwde Rombout Verhoeven (1746-1801), de op een na oudste zoon van Frans, met Petronella Sleebus. Enkele dagen daarvoor, op 3 augustus, kocht hij de ouderlijke hoeve76 met inboedel en een aanpalend perceel grond over van zijn vader, die ondertussen voor de tweede keer weduwnaar was geworden. Ook de andere overlevende kinderen van Frans waren als medeerfgenamen betrokken partij: de ongehuwde Jan, Maria-Anna en Anna-Maria, en de getrouwde Joanna (echtgenote van Petrus De Smedt). Zij verkochten aan hun zoon, broer en schoonbroer 74

Volkstelling Puurs en Oppuurs 1702 en 1747, RA Anderlecht, Bewerking Chris Apers, eigen uitgave, 2003. Pachtboek van de St.Bernardabdij Hemiksem 1751-1791, RAA, T14/039, inv. 11, fol. 619 76 Akte van verkoop hoeve Frans Verhoeven aan zoon Rombout, d.d. 3.8.1785, Oud Gemeentearchief Puurs, Schepengriffie, RA Antwerpen, D111, inv. 54 75

56


Rombout ‘alle meubelen, huisraad, bestiaelen, granen en vruchten te velde, houtgewas, mestrechten, en al hetgene onder het ‘taxaet’ (de schatting van de eigendommen, nvdr) is begrepen’ voor de aanzienlijke som van 2432 gulden77. Daarnaast ook een stuk grond van drie dagwand78 en tot slot “sekere steenen huijse met kamers, kelder, schuere, stallingen, hoven, steenput, boomen ende alle dependentien, staande (…) op de grondt competerende aan d’abdije van Sinte Bernards ende voor een deel van de camer op de grond van de voorschreven getransporteerde partij lands.”

Afbeelding 48: Aankoop door Rombout Verhoeven van hoeve, grond en inboedel, Schepenbank Puurs, dd. 3.8.1785 (RAA), fragment

Naast de 2432 gulden voor de inboedel moest Rombout ook 1200 gulden betalen voor de drie dagwand grond, en 950 gulden voor het huis. Het kapitaal moest pas na de dood van Frans worden betaald (aan de andere erfgenamen, in proportie), maar zolang Frans nog leefde, moest Rombout hem jaarlijks 3% rente betalen (vruchtgebruik). Daarnaast moest Rombout ook nog ongeveer drie bunder grond blijven huren van zijn vader voor 30 gulden per jaar. Dat de familie Verhoeven een zeker standing had, blijkt uit het feit dat alle betrokkenen – mannen én vrouwen - konden schrijven, of althans toch hun handtekening konden zetten op de akte. En dat was niet evident in die tijd. We zien de handtekeningen van Francus (sic), Joas (Joannes), Joanna, Maria Anna, Anna Maria en Rumoludus (Rombout). Verder ook die van schout Joannes Emmanuel Wuyts.

Afbeelding 49 : Handtekeningen onder het verkoopcontract van de hoeve in 1785 77

Ter vergelijking: een ervaren werkman verdiende ongeveer een gulden per dag. Het perceel in kwestie lag ten westen van de hoeve en liep net als de hoevegrond zelf door tot aan de huidige Zwaluwlaan. (zie afbeeldingen 45 en 50) 78

57


Onderstaande uitsnede uit de Ferraris-kaart (1776) toont het kerngebied van de Hoeve van Feles in die tijd, met de landerijen rond de hoeve als één geheel, al bestonden ze enerzijds uit het gepachte perceel van Sint Bernards, waar de hoeve op stond (243 roeden), en anderzijds uit het perceel dat Rombout Verhoeven in 1785 overkocht van zijn vader, broer en zussen (3 dagwand of 300 roeden). De cijfers verwijzen naar de gemeente waar de eigenaar woonde: 24 was Puurs, 25 Ruisbroek. Let ook op de waterput of vijver, die er tot kort na de Tweede Wereldoorlog lag.

Afbeelding 50 : De Hoeve van Feles op de Ferrariskaart, detail (KBR 1776)

Bij de communicantentelling79 van 1787 bestond het gezin van Rombout Verhoeven uit zes volwassenen (+12) en 1 kind (-12). De volwassenen waren waarschijnlijk hijzelf en zijn vrouw Petronella Sleebus, en enkele meiden en knechten. Mogelijk woonde ook zijn vader Frans nog bij hen in. Het kind was allicht Barbara, de oudste dochter van Rombout en Petronella (°1786). Op 12 april 1790 overleed Petronella Sleebus en later dat jaar hertrouwde Rombout met Anna Catharina Huygelen (1752-1827), afkomstig uit een welstellende Ruisbroekse familie. Zij kregen tussen 1791 en 1797 drie kinderen. In 1793 overleed Rombouts vader Frans Verhoeven op 71-jarige leeftijd. Bij de algemene vermogenstelling van 1794 door de Franse bezetters (zie ook paragraaf 1.5.3.3) verklaarde Rombout Verhoeven dat zijn huishouden uit 8 personen bestond – er waren een paar kinderen bijgekomen - en dat hij 9 bunder, 3 dagwand en 6 roeden zaailand in gebruik had, maar geen weiden of bossen. Ongeveer 12 hectare dus. Naast de vijf bunder (6 hectare) van Sint Bernards bewerkte Rombout dus blijkbaar ook nog heel wat andere gronden, vermoedelijk eigen bezit. Dat maakte van de ‘Hoeve van Feles’ een van de grotere pachthoven in het toenmalige gehucht 80 Breendonk. Verder had Rombout naar eigen zeggen in zijn schuur en stallen 35 quintalen koren, 9 quintalen gerst, 14 quintalen boekweit, 11 quintalen haver, 16 quintalen hooi, 80 quintalen stro, 5 81 koeien, 4 vaarzen, 2 varkens, 2 paarden, 1 veulen, 1 wagen en 1 kar. Toch wel een aanzienlijke aangifte die erop wijst dat de zaken behoorlijk goed gingen op de hoeve.

79

Telling naar aanleiding van de aanvraag van het dooprecht door de onderpastoor van Breendonk, Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Bundel Breendonk, 18de eeuw. De telling vermeldt alleen het aantal gezinsleden, zonder verder details. 80 Een quintaal is een oude gewichtsmaat die overeenkwam met 100 pond (± 50 kg). 81 Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 58


Dat blijkt ook uit de Volkstelling van 1796, waarbij er ten huize Verhoeven twee knechten (Hendrik Van Der Wilt en Jan De Moor) en twee meiden (Maria Theresia Reiniers en Petronella Raes) worden vermeld. Verder bestond het gezin uit Rombout Verhoeven, Anna Catharina Huygelen en drie niet nader genoemde kinderen onder 12 jaar. Er zouden eigenlijk meer kinderen onder 12 moeten zijn, wat 82 er mogelijk op wijst dat er enkele jong gestorven zijn.

2.3.2.3 De verkoop van de hoevegronden als ‘zwart goed’ in 1797 Tijdens de bezetting van onze gewesten door het revolutionaire Frankrijk vanaf 1794 werden de gronden van de Hoeve van Feles door de overheid in beslag genomen en openbaar verkocht, net als de overige bezittingen van de Sint-Bernardsabdij en andere religieuze instellingen (zie paragraaf 1.4.3). De verkoop van de pachtgronden van de hoeve van Feles gebeurde op 27 Floréal van het Jaar 5 van de nieuwe Republikeinse Kalender (16 mei 1797). Het ging om de zes percelen die de families Verhoeven en daarvoor Kerremans al meer dan een eeuw in pacht hadden en waar ze ook hun hoeve op gebouwd hadden (zie afbeelding 43). In de verkoopsaffiche83 werden ze omschreven als “cinq bonniers 112 verges de terre labourable en 6 pieces”. Van die zes percelen lagen er vier op de ‘Grootheijde’. Het vijfde werd het ‘Peerstuck’ genoemd, een naam die we nergens anders hebben aangetroffen, maar die op basis van de beschikbare informatie alleen kan verwijzen naar een perceel op de ‘Moorheide’, meer bepaald tussen de huidige Molenheide en Dorpstraat (ongeveer ter hoogte van de apotheek). Het zesde perceel was de eigenlijke hoevegrond. Daarbij wordt effectief vermeld dat er zich op dat zesde stuk een hoeve bevindt die eigendom is van de pachter. Verder staat er nog bij dat de ‘bail’ (het pachtcontract) loopt tot 24 december 1799.

Afbeelding 51 : fragment van het proces verbaal van de verkoop van de hoeve van Feles als ‘Nationaal domein’. (RAA)

De gronden werden gekocht door een zekere Henricus Keldermans (“ex religieux”) uit Mechelen voor de som van 13.200 gulden. Dat was een merkwaardig hoog bedrag: meer dan het dubbele van de instelprijs van 6215 gulden en zelfs meer dan de opbrengst van de veel grotere Vissenholhoeve van Sint Bernards in de Wachtingstraat. Die was een maand eerder in dezelfde omstandigheden als ‘nationaal domein’ verkocht voor 9900 gulden, inclusief de hoevegebouwen dan nog (zie paragraaf 1.4.3). Naar de reden van die hoge verkoopprijs is het gissen, maar wel zeker is dat Keldermans de 82 83

Volkstelling Puurs 1796, bewerking Dirk Binon, 1994 Archief van het Département des Deux Nèthes, RAA, Beveren 59


gronden al snel doorverkocht (zie verder). De hoevegebouwen zelf bleven nog een tijd in handen van de familie Verhoeven, die de pachtgronden ook gewoon verder kon blijven huren.

2.3.2.4 De weduwe Rombout Verhoeven (1801-1827) Ondanks de eigenaarswissel van de pachtgronden, bleef de familie Verhoeven-Huygelen de betreffende percelen ook de volgende decennia verder gebruiken. In 1801 overleed Rombout Verhoeven op 55-jarige leeftijd. Dat zal voor zijn weduwe een harde dobber zijn geweest, met de zorg voor drie kleine kinderen en een pachthoeve waar ze de verantwoordelijkheid voor moest dragen. Toch is de 49-jarige Anna Catharina Huygelen nooit hertrouwd, wat ongewoon was in die tijd. In 1805 werden onder het nieuwe Franse bestuur de eerste echte kadasterkaarten van Puurs gemaakt. De zogenaamde Gigault-atlas (genoemd naar ‘ingénieur-vérificateur du cadastre’ Louis Achille Gigault) geeft voor het eerst een duidelijk beeld van de diverse percelen en hun eigenaars. Op 84 onderstaande uitsnede zien we dat de Hoeve van Feles de kadasternummers F 361 en F 362 krijgt.

Afbeelding 52: De Hoeve van Feles op de Gigault-kaart van Puurs, de eerste kadasteratlas van Puurs (1805) Let ook op de vijver, die er tot rond 1945 lag.

Opvallend is de grote schuur (rechts) die op latere kaarten en afbeeldingen niet meer te zien is. De ‘Veuve Rombout Verhoeven’ wordt in de ‘leggers’ van de atlas vermeld als eigenares van de percelen F 361 (de hoevegebouwen) en F 363 (erfgrond van de famile Verhoeven en daarvoor Kerremans). Perceel F 362 is de vroegere pachtgrond van Sint Bernards, die in 1797 was gekocht door Henricus Keldermans. Maar volgens de Gigault-atlas is de grond ondertussen eigendom geworden van een zekere Janssens uit Antwerpen. Die zal het perceel korte tijd later opnieuw verkopen (zie verder). Tussen de straat en de hoeves zien we opnieuw de plas of vijver (F 358) op de plaats waar zich nu een schapenweide bevindt (zie ook afbeelding 50). Die put verdween pas na de Tweede Wereldoorlog. Anna Catharina Huygelen bezat volgens de atlas ook nog enkele percelen grond in de huidige Dorpstraat, tussen de kerk en de bocht naar de Schaafstraat. Die grond, de Swinge genoemd, was ongeveer twee hectare groot. Het was een erfgoed van haar eigen familie op de plaats waar veel later onder meer de speelplaats van de meisjesschool en het ‘nieuwe kerkhof’ zouden komen. 84

Het gaat hier om zogenaamde ‘primitieve kadasternummers’, die niet overeenkomen met de hudige (die kwamen pas in gebruik rond 1818) 60


Bij de volkstelling van 1814 bestond het huishouden van Anna Catharina Huygelen uit zes personen: naast zijzelf ook haar zonen Jan (19 jaar) en Peter (17) en dochter Petronilla (21). En daarnaast toch ook nog altijd een knecht (François Kersebeeck, 22) en een meid (Françoise Dehertogh, 21). In 1827 overleed Anna Catharina Huygelen en nog datzelfde jaar verkochten haar kinderen de hoeve aan Louis Helman, vicomte de Grimberghe en baron van Willebroek (1795-1870).

2.3.3 De familie Helman (1827-1839) 85

Uit de de akte van verkoop van de hoeve door de kinderen Verhoeven aan Louis Helman in 1827 blijkt dat de baron ook de pachtgrond waarop de gebouwen stonden toen al bezat, evenals enkele andere percelen in de buurt. Hij had die geërfd van zijn oom, Alexandre Joseph Gregoire Helman de Willebroeck (1751-1826). Die had ze volgens de akte “al tientallen jaren in zijn bezit”. Alexandre Helman moet de gronden dus al in het begin van de 19de eeuw hebben overgekocht van de vermelde Janssens uit Antwerpen. Maar wanneer precies hebben we niet kunnen achterhalen. de

De ‘baron van Willebroeck’ woonde in die tijd overigens niet meer in Willebroek. Het 17 eeuwse kasteel in de huidige Torenstraat, tussen de kerk en de Vaart, was tijdens de Brabantse Omwenteling in 1789 en de Boerenkrijg in 1798 zwaar beschadigd en werd tien jaar later helemaal afgebroken. Luidens de verkoopakte van de Hoeve van Feles woonde Louis Helman in 1827 in de ‘Kommediantstraat 1199’ in Brussel.

Afbeelding 53: Het Kasteel van Willebroek in Flandria Illustrata van Antonius Sanderus, 1641. Zicht langs de Vaart-kant met de kerktoren op de achtergrond.

Volgens de akte verkochten Petrus Verhoeven, Joannes Verhoeven en Franciscus Cuyckens (samen met zijn echtgenote Petronilla Verhoeven) aan Louis Helman ‘zekere huijzing, voederij, schuer en stalling, immers alle verdere gebouwen zich bevindende op den grond van den heer kooper” voor de prijs van 400 gulden. Tegelijkertijd en via dezelfde akte huurde het echtpaar Cuyckens – Verhoeven de gebouwen en de grond (een bunder en acht roeden) van de nieuwe eigenaar tegen 50 gulden per jaar. Een ‘sale & lease back’ operatie avant la lettre dus. Eén van de huurvoorwaarden was dat de huurders jaarlijks 200 pond ‘geley stroey’ op de daken van de gebouwen moesten leggen, wat er op wijst dat de hoeve toen nog een strooien dak had.

85

Verkoop- en verhuurakte tussen Louis Helman en de kinderen Verhoeven, dd 28.9.1827, minuten notaris Jacobus Peeters te Willebroek, RA Antwerpen, inv. 10611, nr. 139. 61


2.3.4 De familie De Cocq (1839-1975) In 1839 verkocht Louis Helman de hoeve op zijn beurt door aan Jean Egide De Cocq (1766-1852), procureur en notaris te Mechelen. Het goed werd omschreven als “een schoon stuk land met het groot 86 steenen huys en stalling daer op staende, gelegen binnen de gemeynte van Breendonck , aen de Groenstraet, wijk F, nombers 234, 289 en 290, metende volgens het kadaster een hectare, een are en negentig centiare, paelende aan de straet en mijnheer De Cocq”. De koper had dus eerder al een aantal aanpalende percelen verworven. Uit zijn erfenisakte87 blijkt effectief dat hij in 1824 en 1825 al drie percelen grond van de weduwe en de kinderen Verhoeven had gekocht, meer bepaald A 535 (De Swinge naast de kerk, zie paragraaf 2.3.2.4), B 235 (naast de hoeve), en B 239, ten zuidwesten van de huidige Zwaluwlaan. Voor de ligging van die percelen: zie afbeelding 55. Jean Egide De Cocq zou de volgende jaren trouwens nog meer gronden kopen in Breendonk. Bijna 140 jaar lang bleef de Hoeve van Feles in het bezit van de familie De Cocq. Na de dood van Jean Egide werd zijn nalatenschap in 1855 verdeeld onder zijn erfgenamen.88 Het ging onder meer om liefst 209 percelen grond in en om Mechelen, in Willebroek, Tisselt en Klein-Brabant tot in Dendermonde. De meeste Breendonkse percelen (samen ongeveer 10 hectare) werden bij de kaveling toegewezen aan zijn zoon Jean-Michel De Cocq (1807-1870), eveneens notaris en vader van de latere Mechelse burgemeester Edouard De Cocq. De Hoeve van Feles wordt in de akte als volgt omschreven: “Eene hofstede, bestaende in (eenen) huys, onlangs gerestaureerd, schuer, stal en verdere dependentiën, met den hof en twee parceelen land daer aenklevende, gelegen niet verre van het dorp van Breendonck, langs henen de Groenstraet tusschen deselve en twee andere wegen, ter plaetse genaemd Steenbosschen, Wijk B, nummers 290, 289, 234 en 235, te samen een hectare drij en negentig are, vijf en zeventig centiaren, in huere bij Henricus Adriaenssens“. Meer over de vermelde huurder volgt later. Uit de akte van 1855 blijkt dus dat de hoeve toen recent gerenoveerd was. Wat die vernieuwingswerken juist inhielden, is niet bekend, maar mogelijk werd het strooien dak waarvan in 1827 nog sprake was, toen vervangen door een pannendak. De hoeve zal toen wellicht het uitzicht hebben gekregen dat ze meer dan een eeuw later nog altijd had, bij de afbraak in 1982 :

Afbeelding 54: De Hoeve van Feles in 1982, kort voor de afbraak (foto Jos Winckelmans)

Enkele jaren later, in 1863, verscheen de Popp-atlas van Breendonk, genoemd naar Philippe Chrétien Popp (1805-1879), die voor alle Belgische gemeenten kadasterkaarten maakte. Uit de bijhorende 86

Breendonk had zich drie jaar eerder, in 1836, als zelfstandige gemeente afgescheiden van Puurs. Verkavelingsakte erfenis Jean Egide De Cocq, minuten notaris Egidius Nicolaus Slavon, Mechelen, 14.8.1855, Stadsarchief Mechelen, Notariaat, nrs. 2242B-2269B 88 Idem. 87

62


kadastrale leggers blijkt dat Jean-Michel De Cocq op dat moment in Breendonk ongeveer 12 hectare grond bezat. De percelen op de Moorheide, samen ongeveer 4.5 hectare, hebben we op de uitsnede van de kaart hieronder aangeduid. Het betreft ongeveer de hele westkant van de huidige Molenheide met de Merellaan en de Zwaluwlaan.

Afbeelding 55: De bezittingen van Jean-Michel De Cocq in de Moorheide in 1863 (fragment Popp-kaart, ARA)

Na de dood van Jean-Michel De Cocq in 1870 en zijn echtgenote Victoire Bosselaer in 1877 werden hun goederen in 1880 verkaveld onder hun vier kinderen89. Het ging onder meer om 148 percelen grond in de wijde regio rond Mechelen. De Breendonkse eigendommen gingen naar hun ongehuwde dochter en rentenierster juffrouw Nathalie De Cocq. De belangrijkste onderdelen van haar kavel in Breendonk waren de Hoeve van Feles met ongeveer 4 hectare grond en grond van de hoeve onmiddellijk ten noorden daarvan (B 288 op de Popp-kaart hierboven), eveneens ruim 4 hectare. De eigenaar van die laatste hoeve was op dat moment Felix Delplanque (1835-1893), die de grond waarop ze stond in erfpacht had van de familie De Cocq. Het is naar die Felix dat de “Hoeve van Feles” is genoemd, hoewel hij dus vreemd genoeg in de aanpalende hoeve woonde. Maar zijn kleindochter woonde er later wél. Nathalie De Cocq overleed ongehuwd en kinderloos in 1926. Het vruchtgebruik van haar goederen liet ze per testament90 over aan een eveneens kinderloze nicht en pas na die haar overlijden in 1962 werden haar eigendommen effectief verdeeld en verkaveld over een 30-tal erfgenamen91. Eén van hen was haar neef Carl De Cocq, advocaat te Mechelen. Maar die was ondertussen ook al overleden, in 1954, waardoor zijn erfgoederen overgingen naar zijn twee kinderen: Roland en Yolande De Cocq. Het was die laatste die de Hoeve van Feles en de daarbij horende gronden erfde; de percelen B 234, 235, 289, 290 en 291.

89

Erfdeling Jean-Michel De Cocq en Victoire Bosselaer, minuten notaris Victor Delvaulx, Mechelen, 27.11.1880, RAA. 90 Testament Nathalie De Cocq, neergelegd in de minuten van notaris Edgar Delvaulx te Mechelen, 15.1.1927. 91 Verkaveling eigendommen Nathalie De Cocq, akte notaris Etienne Delvaulx te Mechelen, 25.6.1962 63


2.3.5 De familie De Velder (1975-1982) In 1975 bood Yolande De Cocq de hoeve en de gronden te koop aan. Een deel ervan werd verkaveld in bouwgronden langs de oude Steenbosweg - ondertussen Zwaluwlaan genoemd - en langs de nieuw aan te leggen Merellaan, die dwars door de vroegere landerijen van hoeve liep. Het resterende deel werd gekocht door Leontine De Velder (1923-1993) van de naburige hoeve, en haar nichten Maria en Henriette Tersago en hun echtgenoten. Leontine was de kleindochter van Felix Delplanque (1835-1893), de ‘Feles’ naar wie de hoeve werd genoemd, al heeft hij er nooit zelf gewoond. Maar zijn eigen boerderij en de gronden die hij bewerkte, lagen wel vlak naast de hoeve (zie paragraaf 4.4) en zijn hele familie en zijn nakomelingen, die wel in de hoeve woonden, werden in de volksmond ‘van Feles’ genoemd.

Afbeelding 56: fragment verkavelingsplan “Steenbossen”, dd 28.5.1975 (landmeter Scheers) met de ‘Hoeve van Feles’ (290) en de hoeve De Velder – Delplanque (287b). (verz. Fam. Tersago)

Toen de hoeve in 1975 verkocht werd, stond ze al ruim tien jaar leeg, op een korte periode in het begin van de jaren ’70 na, toen Nelly De Velder en haar echtgenoot Rik Meskens er een tijdje hun intrek namen. Daarna werden alleen de stallen en de gronden nog gebruikt door de familie De Velder.

Afbeelding 57: De hoeve van Feles in het begin van de jaren ’70 met Albert De Velder (1910-1994) (rr) 64


2.4 De pachters 2.4.1 De familie Cuyckens - Verhoeven (1827-1835) De hoeve van Feles werd in 1690 gebouwd op pachtgrond van de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem, maar de hoevegebouwen zelf waren eigendom van de pachters. Dat bleef zo tot in 1827, toen de kinderen van Rombout Verhoeven en Anna Catharina Huygelen de hoevegebouwen verkochten aan baron Helman van Willebroek. Dochter Petronilla Verhoeven (1793-1855) en haar man Frans Cuyckens (1801-1837) bleven nog wel op de hoeve wonen, maar dan als pachters. Frans was de zoon van Ludovicus Cuyckens, die in de jaren ’1820 een tijdje schepen was in de gemeenteraad van Puurs, en vanaf eind 1836 diezelfde functie kreeg in de eerste gemeenteraad van het pas onafhankelijke Breendonk. Frans kwam dus uit een familie met enige standing. Maar dat gold ook voor Petronilla Verhoeven, zoals we gezien hebben. Uit de volkstellling van 1829 blijkt dat het echtpaar Cuyckens – Huygelen op dat moment nog altijd in de hoeve woonde, samen met twee kleine kinderen. Maar in 1835 verhuisden ze naar de Veurt en kwamen er nieuwe pachters in de hoeve wonen.

2.4.2 De familie Andries - Leemans (1835-1847) Vanaf december 1835 verhuurde baron Helman de hoeve voor een termijn van zes jaar aan de familie Andries – Leemans, afkomstig uit Zemst. Jan Baptiste Andries werd rond 1796 geboren in Hombeek en was getrouwd met Maria Francisca Leemans uit Zemst. Het koppel had bij aankomst in Breendonk vijf jonge kinderen, van wie er een in Zemst was geboren en de andere vier in Opdorp. Ze huurden volgens de pachtovereenkomst “een huys met stal en schuer onder een dak en land daar voor en achter liggende, hebbende saemen eene oppervlakkige grootte van een bunder een roede negentig ellen, gestaen en gelegen binnen de gemeynte van Puers achter de kapel van Breendonck, op de Moerheyde, Wijk F nombers 289, 290 en 234” 92 De huurprijs bedroeg 100 frank voor het eerste jaar en 127 voor de volgende jaren. Jan Baptiste en Maria Francisca kregen er in Breendonk nog twee kinderen bij, maar verloren ook een dochtertje. In 1847, na twee huurtermijnen, verhuisde het gezin Andries van de hoeve van Feles naar het Dorp. Daar gingen ze een herberg uitbaten in een huis tegenover de kerk, net naast brouwerij De Kroon van de familie Van Asch (momenteel slagerij Van Riet). Als pachters van de hoeve van Feles werden ze opgevolgd door de familie Adriaenssens.

2.4.3 De familie Adriaenssens (1847-1934) De familie Adriaenssens pachtte de hoeve van Feles gedurende vier generaties en bijna 90 jaar lang. Joannes Josephus Adriaenssens (±1788 - ± 1860) en Anna Catharina Van Winstenhoven (17831855) kwamen in 1847 in de hoeve wonen. Anna Catharina was afkomstig van de hoeve vlak naast de kerk van Breendonk, waarover meer in hoofdstuk 4. Het koppel was al van middelbare leeftijd toen ze naar de hoeve van Feles verhuisden. Hun oudste dochter Sophia was al getrouwd en een andere dochter, Maria Josepha, trouwde in 1859. Ze bleef in eerste instantie samen met haar man Joannes Franciscus Guns bij haar ouders inwonen, net als haar broer Cornelius. Toch was het een andere broer, Henricus Adriaenssens (1822-1873), die in 1860 de pacht zou overnemen. Zijn moeder was dan al overleden en zijn vader was naar Willebroek verhuisd, vermoedelijk om er bij zijn oudste dochter te gaan wonen. Henricus trouwde met Petronilla De Smedt (1821-1904). Zij kregen vijf kinderen, van wie de oudste, Joannes Josephus Adriaenssens (185392

Huuroverkomst tussen Louis Helman en Jan Baptiste Andries, dd 26.4.1836, Minuten notaris Jacobus Peeters te Willebroek, RAA, inv. 10621. De akte werd opgesteld in april 1836, maar de huurovereenkomst was al ingegaan in december 1835. De notaris heeft het over de ‘gemeynte van Puers’: pas in juni 1836 zou Breendonk officieel onafhankelijk worden van Puurs, als zelfstandige gemeente. Vreemd is wel dat notaris Peeters nog de oude oppervlaktematen bunders en roede gebruikt, al waren die al van in de Franse tijd niet meer van toepassing. 65


1918) op zijn beurt de pacht overnam van zijn ouders. Hij trouwde in 1877 met Rosalia Scheers (1854-1933) uit Liezele. In die tijd hoorde bij de hoeve ruim vier hectare pachtgronden die allemaal een eindje van de hoevegebouwen zelf verwijderd lagen: in de Steenbossen, aan de Veurtstraat en langs de Hoge Dreef. De gronden rond de hoeve hoorden bij het pachtgoed van de iets noordelijker gelegen hoeve van buurman Felix Delplanque.93 Joannes Josephus Adriaenssens en Rosalia Scheers kregen elf kinderen. Joannes Josephus overleed in 1918, maar zijn echtgenote bleef tot haar eigen dood in 1933 ingeschreven als gezinshoofd in de hoeve, al was het in de praktijk haar zoon Petrus Henricus “Rikkes Rie” Adriaenssens de boerderij uitbaatte, samen zijn echtgenote Adelia Francisca Rochtus en zijn zuster Philomena. In maart 1934, een jaar na de dood van hun (schoon)moeder, verlieten zij de hoeve en werden ze als huurders opgevolgd door de familie Tersago – De Velder.

2.4.4 De familie Tersago (1934-1963) Josephus Victor ‘Jef’ Tersago (1897-1963) was afkomstig uit Oppuurs. Hij trouwde in 1930 met Barbara Maria Florentina ‘Florentine’ De Velder (1898-1960). Zij was de dochter van Franciscus ‘Sus van Feles’ De Velder en de kleindochter van Felix ‘Feles’ Delplanque, de man die zijn naam gaf aan de hoeve, al woonde hij zoals gezegd eigenlijk in de naburige hoeve. Daar groeide dus ook zijn kleindochter op, maar enkele jaren na haar huwelijk met Jef Tersago ging ze in de hoeve van Feles wonen. Zij kregen drie dochters: Amandine, Henriette en Maria. De indeling van de hoeve was toen als volgt: je kwam binnen in een klein halletje. Rechts was de slaapkamer van de ouders. Links de woonplaats met daarachter de keuken. Van daar kon je naar de kelder of naar de daarboven liggende ‘kellekamer’, waar de kinderen sliepen. De zolder was één grote open ruimte. Rechts van het woonhuis, maar onder hetzelfde dak, bevond zich de stal en daarnaast de schuur. 94 Jef en Florentine Tersago – De Velder bleven in de hoeve wonen tot aan hun dood, respectievelijk in 1960 en 1963. Daarna werd ze niet meer bewoond, op een korte periode in het begin van de jaren ’70 na. De stal en de schuur werden nog wel gebruikt door de familie De Velder. In 1975 werd de hoeve met enkele aanpalende percelen grond door de eigenares, Yolande De Cocq, verkocht aan de families Cortebeeck-Tersago en Hermans-Tersago, en aan hun tante Leontine De Velder. (zie paragraaf 2.3.5) In 1982 werden de gebouwen afgebroken. Ze hebben nu weer plaatsgemaakt voor weidegronden voor schapen. Daarmee is de cirkel rond en zijn de heidegronden van de 17de eeuw in zekere zin hersteld. Al bestaan er plannen om het terrein als bouwgrond te verkavelen. En dan begint alweer een nieuw verhaal.

93

Dat blijkt uit de erfdeling van de eigenaars in die tijd: Erfdeling Jean-Michel De Cocq en Victoire Bosselaer, minuten notaris Victor Delvaulx, Mechelen, 27.11.1880, RAA 94 Getuigenis Henriette Tersago. 66


Afbeelding 58: Jef Tersago en Florentine De Velder voor de gevel van de Hoeve van Feles, waarvan zij de laatste bewoners waren. (verz. Fam. Tersago)

Afbeelding 59: De Hoeve van Feles vanuit het zuidwesten, geschilderd door Frans Van den Eede (1981)

67


3. De hoeve van Kobe Teck

Afbeelding 60: De hoeve van Kobe Teck, zoals de meeste Breendonkenaars haar kennen.

3.1 Drie eeuwen familiegeschiedenis Dis ‘van Kobe Teckes’ Verheyden (1933-2012) was een begrip in Breendonk. En dat kan je ook van zijn voorouders zeggen. Die woonden meer dan 300 jaar op de plaats waar ook nu nog de familiehoeve staat, op de hoek van de Jan Hammeneckerstraat en de Groenstraat. Ergens in het midden van die lange geschiedenis duikt ook Jacobus ‘Kobe’ Teck (1816-1906) op: boer, schepen, notabele Breendonkenaar én de man die de hoeve en de familie ‘een naam’ heeft gegeven. Maar het verhaal van de hoeve begint nog veel vroeger en vertoont grote gelijkenis met die van de nabijgelegen ‘Hoeve van Feles’.

3.2 Hendrick De Maeyer (1690-1697) 95

In de eerder al genoemde ‘attestatie’ uit 1692 over de ontginning van de Moorheide (nu Breendonkcentrum) wordt gemeld dat ene “Hendrick De Maeyer, zoon van Philips, wat meer als een dagwant 96 (huurt ) voor de somme van dry gulden ‘sjaers op welcken plaetse den selven Hendrick De Maeyer insgelyck heeft gestelt een huys ende schuere” (zie afbeelding 61). Dat was de latere ‘hoeve van 97 Kobe Teck. Uit andere bronnen weten we dat het huis in 1690 werd gebouwd. Hendrick De Maeyer werd in 1632 in Puurs geboren als zoon van Philips De Maeyer en Judoca Van Dam. Hij trouwde in 1680 met Clara De Pauw uit Ruisbroek en overleed in 1697.

Afbeelding 61: Attestatie voor de schepenbank van Puurs d.d. 10.11.1692, RAA, D111, inv. 3, f° 330 v. (fragment)

95

Zie paragraaf 2.2 Van de Sint-Bernardsabdij. 97 Land-boeck van Pudersse (1668-1669), in facsimile uitgegeven door de Vereniging voor Heemkunde in KleinBrabant, 1984, p. 268 96

68


3.3 De familie Kerremans (1697-1789) 3.3.1 Peter Kerremans (1697-1714) In 1697 verkoopt Françoise De Maeyer, de dochter van wijlen Hendrick, de helft van de hoeve aan haar stiefbroer Peter Kerremans (±1642-1714), die ook al eigenaar was van de Hoeve van Feles (zie pargraaf 2.3.1.1). In de akte lezen we dat zij heeft “vercocht, opgedraeghen, gecedeert ende getransporteert aen ende ten behoeve van Peeter Kerremans ende Joanna De Pauw, sijne huysvrouwe (…) de hellight (van een huis), als aen d’eerste comparante vuijten hooffde wijlen haeren voors. vaeder Hendrick De Maeyer Philipssone is competerende (…) en dat geërigeert staet op den gront van het clooster van Ste Bernaerts, gelegen op de Moorheyde alhier onder de jurisdictie van 98 Puers”. (zie afbeelding 62) De andere helft van het huis was blijkbaar al in onverdeeld bezit van Peter Kerremans en zijn broers Jan, Michiel en Rombout, en zuster Elisabeth. Zij hadden dat eigendomsrecht geërfd via hun moeder Clara De Pauw, die voor haar huwelijk met Hendrick De Maeyer getrouwd was geweest met Simon Kerremans uit Ruisbroek. Hendrick De Maeyer was dus de stiefvader van Peter Kerremans. In dezelfde zelfde akte wordt trouwens aangegeven dat Peter ook het aandeel van zijn broers en zussen overkoopt, zodat hij en zijn vrouw Joanna De Pauw de enige eigenaars worden van de hoeve.

Afbeelding 62: Verkoopakte hoeve aan Peter Kerremans in 1697 (fragment), notaris Joannes Verheyden (RAA)

3.3.2 Joost Kerremans (1714-1746) Peter Kerremans overleed in 1714 en wellicht ging de hoeve daarna naar zijn zoon Judocus ‘Joost’ Kerremans (1670-1746). Die betaalde volgens de rekeningen van de abdij van Sint-Bernards in 1716 alleszins de pacht voor een stuk grond van 154 roeden op de Moorheide, “daer een huys ende schuere op staat”.

Afbeelding 63: Jaarrekening Sint-Bernards, 1716, fragment met vermelding ‘huys ende schuer op de Moerheyde’ waarvoor Judocus Kerremans huur betaalt. (RAA) 98

Minuten notaris Joannes Verheyden uit Puurs, dd 10.6.1697, RAA, R02, inv. 3652. f° 24 69


De omschrijving “huys ende schuere” komt telkens terug als het over deze hoeve gaat. Ze werd al gebruikt in de attestatie van 1692 (zie hoger) en ook in de jaarrekeningen en latere contracten wordt de hoeve als enige op de Moorheide expliciet zo aangeduid, waarschijnlijk omdat die omschrijving gewoon elke keer werd gekopieerd. En dat geldt ook voor de oppervlakte: 154 roeden. Maar dat laatste is wellicht een kopieerfout, die door de kopiisten keer op keer werd overgeschreven, tot en met de jaarrekening van 1745-1746. Het jaar daarop heeft de bevoegde pater-kopiist de fout vastgesteld en maakt hij er 145 roeden van. En dat is effectief de juiste oppervlakte van de ‘hoeve van Kobe Teck’, zoals ze wordt aangegeven op de kaart van de Moorheide in het Land-boeck van Pudersse99 uit 1739. (zie afbeeldingen 64 en 65)

Afbeelding 64: Kaart van de Moorheide, Judocus De Deken, 1739, fragment (Land-boeck van Pudersse)

Afbeelding 65: Kaart van de Moorheide, Judocus De Deken, 1739, detail (Land-boeck van Pudersse)

99

Houtman, Erik, e.a. Een Kaartboek van de Sint-Bernardsabdij Hemiksem 1666-1671, uitgave Rijksarchief, 2005, p.146-147 70


Joost Kerremans trouwde in 1698 met Catharina De Bruyn en na haar vroegtijdige dood in 1703 hertrouwde hij met Maria Van Wemmel (1675-1745). Tussen 1704 en 1716 kregen zij zeven kinderen. Zie ook pagraaf 2.3.1.2.

3.3.3 Willem Kerremans (1746-1768) Hun oudste zoon, Guilliam “Willem” Kerremans (1705-1768), verkreeg na de dood van Joost in 1746 de hoeve van Kobe Teck. Maar de pacht van de gronden had hij eerder al overgenomen, samen met zijn schoonbroer Frans Verhoeven, uitbater van ‘de hoeve van Feles’. Dat blijkt uit de jaarrekening van Sint Bernards van 1745-1746, waarin de twee zwagers samen worden vermeld als pachters van een aantal gronden. (zie afbeelding 66) Het gaat om landerijen op de Groote Heyde (langs de huidige Hoge Dreef en Sint-Jozefstraat), op de Kempenheyde (tussen de huidige Hoge Dreef, Sint-Jozefstraat en Veurtstraat) en tot slot ook op de Moorheide. Daar pachtten de twee schoonbroers een ‘behuyst’ perceel van 154 (sic) roeden – dat is de hoeve van Kobe Teck - en een eveneens ‘behuyst’ stuk van 243 roeden, de hoeve van Feles. Allemaal samen 4 bunder en 177 roeden, verpacht voor 37 gulden. Maar de hoevegebouwen zelf waren dus in het bezit van respectievelijk Willem Kerremans en Frans Verhoeven.

Afbeelding 66: Jaarrekening Sint Bernards, 1745-1746, fragment, met vermelding van de hoeves van Francis Verhoeven en Guilliam Kerremans (RAA)

Uit een pachtcontract van Willem Kerremans met de Sint-Bernardsabdij uit 1753 blijkt dat het wel degelijk om de hoeve gaat die later ‘van Kobe Teck’ zou worden genoemd. Het contract (zie afbeelding 67) bevat namelijk een duidelijke verwijzing naar het betreffende perceel in het ‘Landboeck van Pudersse’, de kaartatlas van de abdij: Een partije lands op de Moerheyde daer een huys en schuer op staet, groot 145 R(oeden). En in de marge een verwijzing naar het nummer op de kaart : fol(io) 232, n° 8. (zie afbeelding 64 en 65).

71


Afbeelding 67: Contract tussen Sint Bernards en Guilliam Kerremans, dd 1.10.1753 Pachtboek van Sint Bernards 1751-1791, RAA, T14/039, inv. 114, f° 87

Willem Kerremans trouwde rond 1728 met Catharina Cortebeeck uit Willebroek (±1702-1793). Zij kregen zes kinderen.

3.3.4 Frans Kerremans (1768-1788) Franciscus Kerremans (1745-1788), de jongste zoon van Willem en Catharina Cortebeeck, werd de volgende eigenaar van de hoeve. Hij kocht ze voor 500 gulden van zijn moeder na de dood van zijn vader in 1768. Het goed werd toen omschreven als “huys, schuere, stallinge ende backhuys staende op den grondt ter jaerschaere competerende aen d’abdije van Sinte Bernards”.100 Als pachters van vader op zoon had de familie Kerremans een vertrouwensrelatie opgebouwd met de paters van de Sint-Bernardsabdij. Dat is wellicht ook de reden waarom de opeenvolgende generaties ook telkens de ‘preter’ of ‘officier’ van het gehucht mochten leveren. ‘Preters’ waren plaatselijke bewoners die in opdracht van het dorpsbestuur in Puurs en de geestelijke heren van Sint Bernards, toezicht hielden in het gehucht. Aanvankelijk was dat beperkt tot velden en bossen, maar later kregen die preters ook een meer algemene politionele rol en werden zij een soort verbindingsofficier tussen het dorpsbestuur en de bewoners van het gehucht. Ze fungeerden als bode, maakten berichten en vonnissen bekend, en traden op als plaatsvervanger van de schout (politiecommissaris) of meier (burgemeester). Vanaf het begin van de 18de eeuw werden ze ook effectief ‘officier’ genoemd: iemand die in opdracht van de autoriteiten een officie of ambt uitoefende. De preters en officieren waren eeuwenlang de enige min of meer officiële functionarissen in het gehucht Breendonk. Frans Kerremans was officier van 1768 tot aan zijn dood in 1788. Hij nam die functie over van zijn vader Willem, die ze uitoefende van 1755 tot 1768. Ook de grootvader van Willem, Peter, was al preter de geweest in Breendonk, van 1694 tot 1703. En in de 19 eeuw werd nog een andere telg van de familie Kerremans, een neef van Frans, de eerste veldwachter van de zelfstandige gemeente Breendonk. Rond 1771 trouwde Frans Kerremans met Catharina De Moor uit Tisselt (±1750-1781). Zij kregen drie kinderen. Catharina overleed in 1781 op 36-jarige leeftijd. Zoals dat toen gebruikelijk was, hertrouwde Frans enkele maanden later al, in november 1781, meer bepaald met Susanna Kerremans (±17501814), vermoedelijke afkomstig uit de Veurtstraat. Zij kregen vier kinderen. Maar ook dat huwelijk

100

Staat van goed van goeden in baeten ende schulden bevonden ten sterfhuyse van wylen Franciscus Kerremans, RAA, Oud Gemeentearchief Puurs, Inv. D 111, nr. 58. 72


duurde niet lang, want Frans stierf eveneens op jonge leeftijd, meer bepaald op zijn 43ste, op 16 oktober 1788. Kort na het overlijden van Frans Kerremans (op 23 februari 1789) werd, zoals dat hoorde, een ‘staat van goed’ of boedelbeschrijving opgemaakt om het erfdeel van de overlevende ‘wezen’ te bepalen (zie paragraaf 1.5.3.2). In ‘het sterfhuis’ van Frans Kerremans werden de ‘baeten’ en de ‘schulden’ van de ‘boedelhouderse’ (Susanna Kerremans) nauwgezet beschreven en vervolgens werd het saldo verdeeld tussen haarzelf en haar kinderen, met ook nog een verwijzing naar het aandeel van de kinderen van haar overleden man uit diens eerste huwelijk met Catharina De Moor. Het document werd opgesteld door een afvaardiging van de schepenen. Bij de ‘baeten’ beschreven en schatten zij kamer na kamer wat ze op de hoeve aantroffen.101 In de keuken bijvoorbeeld: het ijzerwerk ter waarde van 9 gulden en 9 stuivers; het tin (22 gulden), het koper (20 gulden), de ‘forchetten’, ‘aerdewerck’ en ‘geleyswerck’ op de ‘mose’ (de gootsteen), ter waarde van 7 gulden. In het ‘camerken’ (vermoedelijk de kelderkamer) onder meer een wiege, twee spinnewielen, slaepezel met toebehoorten, vleeschblock, etc ter waarde van 14 gulden. In de ‘groote camer’: stoelen, tafel, een kist, twee spiegels, de staende orlogie met de casse, een pluymen bedde met flauweynen, etc samen ter waarde van 75 gulden. Ook de juwelen van de ‘boedelhouderse’ werden geschat: gouden ringen, gouden hart, een paer silvere aken, een paer silvere gespen, eenen kerckboeck met slot en silvere hoecken, samen ter waarde van 30 gulden. Verder ook de ‘gereede penningen’ van de boedelhouderse ter waarde van 22 gulden, en de ‘cleederen ende leijnwaert’ ter waarde van 68 gulden. Ook wat zich in de kelder en op de zolder bevond, werd in rekening gebracht: eenigh koren, haever, boeckweijde, terwe, claversaet, hop, korenvat, eenighen torf. In de stal bevonden zich drie koeien, maar van enig ander vee, huisdieren of paarden is er vreemd genoeg geen sprake. Misschien waren die al eerder verkocht of bezat de weduwe Kerremans ze gewoon niet. Samen met het alaam en de oogsten in de schuur werden de koeien geschat op 201 gulden. Ook de gewassen, de bemesting en het ‘labeur’ op een aantal velden werden als baten vermeld. Het gaat onder meer over ‘de grooten Tashorinck’. Dat was in die tijd een stuk grond tussen de huidige Dorpstraat en de Veurtstraat (tegen de Vijfhoek), in pacht van Sint Bernards. 102 Verder ook het voorste en het achterste ‘steeken’ (eveneens langs de Veurtstraat gelegen), het Sperrenstuck (niet geïdentificeerd, maar mogelijk naast het huidige Marollenwegje) en het land rond de hoeve. Daarnaast uiteraard ook de hofstede zelf, die de overleden Frans Kerremans van zijn moeder had gekocht in 1768 (zie hoger). Er wordt ‘pro memorie’ ook verwezen naar een huis in Tisselt dat Frans samen met zijn eerste echtgenote, Catharina De Moor, had gekocht, mogelijk van haar ouders. Maar dat huis was na de dood van Catharina in 1781 al ‘vererfd’ aan de wezen uit dat huwelijk. In totaal bedroegen de baten van het ‘sterfhuis’ 1234 gulden. Bij de schulden van de ‘boedelhouderse’ Susanna Kerremans valt op dat zij aan haar schoonmoeder Catharina Cortebeeck nog altijd 400 van de 500 gulden moest betalen van de aankoop van de hoeve door haar overleden echtgenoot twintig jaar eerder. Daarnaast ook nog een lening van 200 gulden, die – zoals toen gebruikelijk, wegens het ontbreken van banken – was verkregen bij een particuliere geldschieter, meer bepaald ene Philips De Vleeschouwer. Ook aan de kinderen van haar man uit zijn eerste huwelijk met Catharina De Moor moest Susanna 267 gulden betalen, een bedrag dat waarschijnlijk was bepaald bij het overlijden van Catharina De Moor in 1781. Verder nog 39 gulden pacht aan Sint Bernards, 15 gulden aan de schepenen voor de afhandeling van het sterfhuis en – heel interessant - ook nog een klein bedrag ‘aen den schoolmeester over schoolgeld’. In Breendonk was er 101

Idem de Pas in de 19 eeuw zou Tashorinck als toponiem worden gebruikt voor de landerijen tegen de Schaafstraat, waar zich momenteel de nieuwe, gelijknamige verkaveling bevindt. 102

73


geen officiële school, maar uit sporadische aanwijzingen zoals deze blijkt dat er toch een soort officieus onderwijs bestond, waarschijnlijk gegeven door particulieren. Het totale bedrag van de schulden bedroeg 932 gulden. Het ‘sterfhuis’ werd dus afgesloten met een positief saldo van 302 gulden, te verdelen tussen Susanna Kerremans (de ene helft) en de zes minderjarige kinderen van de overleden Frans Kerremans uit zijn eerste én zijn tweede huwelijk (samen de andere helft).

3.4 Petrus Joannes Verbruggen (1789-1845) Susanna Kerremans hertrouwde in 1789 met de veel jongere Petrus Joannes Verbruggen (17611845). Hij was de zoon van Petrus Verbruggen en Joanna Catharina Deckers, die even verder woonden, in het wegje tegenover het kruispunt tussen de huidige Groenstraat en Jan Hammeneckerstraat. Het koppel kreeg nog drie kinderen, maar die overleden allemaal op jonge leeftijd. Bij de algemene vermogenstelling van 1794 door de Franse bezetters (zie paragraaf 1.5.3.3) verklaarde Petrus Joannes Verbruggen aan de commissaris dat zijn huishouden uit 8 personen bestond. Wie dat precies waren, staat er niet bij, maar vermoedelijk hijzelf, zijn vrouw, de kinderen uit hun eigen huwelijk en die uit het eerste huwelijk van Susanna, en mogelijk ook een meid. Petrus Joannes had ongeveer 2 bunder akkerland in gebruik. Verder had hij naar eigen zeggen in zijn schuur en stallen 14 quintalen103 koren, 2 quintalen vlas, 1 quintaal boekweit, 1 quintaal haver, 20 quintalen stro, 3 koeien en 1 varken.104 Al bij al een eerder beperkte aangifte, bijvoorbeeld in vergelijking met die van de hoeve van Feles, van buurman Rombout Verhoeven (zie paragraaf 2.3.2.2). Bij de Volkstelling van 1796 werd Petrus Joannes Verbruggen dan ook ‘cossaert’ genoemd: een kleine boer. Er waren dan nog vier minderjarige kinderen en het gezin had toch ook een meid, de 20-jarige Theresia Pauwels. Bij de openbare verkoop van de goederen van de Sint-Bernardsabdij in 1797 (zie paragraaf 1.4.3) gingen ook de pachtgronden van de hoeve van Kobe Teck onder de hamer. Anders dan gebruikelijk wist Petrus Joannes Verbruggen de landerijen die hij van de Abdij huurde, zelf op te kopen, samen ongeveer 2,5 hectare. Of dat rechtstreeks gebeurde of via een stroman, zoals vaak het geval was, is niet duidelijk, maar in het begin van de 19de eeuw had hij de vroegere pachtgronden van de abdij alleszins in eigen bezit. Dat blijkt uit de zogenaamde Gigault-atlas: de eerste echte kadasterkaart van Puurs, in 1805-1807 opgesteld onder supervisie van ‘ingénieur-vérificateur du cadastre’ Louis Achille Gigault. Op onderstaande uitsnede (afbeelding 68) zien we dat de ‘hoeve van Kobe Teck’ het kadasternummer 355 krijgt. Op de bijhorende ‘leggers’ wordt Petrus Joannes Verbruggen vermeld als eigenaar van het huis en ook voor de percelen met de kadasternummers 354, 356, 358, 359 en 367. 105 Die kwamen allemaal uit het vroegere patrimonium van Sint Bernards. Op de kaart zien we dat de hoeve een rechthoekige vorm had. Het woongedeelte bevond zich vermoedelijk aan de straatkant en de schuur annex stal stonden daar haaks op. Dat was anders dan op de kaart in het Land-boeck uit 1739 (zie afbeeldingen 64 en 65), toen de schuur zich blijkbaar achter het huis bevond en er evenwijdig mee stond.

103

Een quintaal is een oude gewichtsmaat die overeenkwam met 100 pond (± 50 kg). Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 105 Het gaat hier om zogenaamde ‘primitieve kadasternummers’, die niet overeenkomen met de hudige (die kwamen pas in gebruik rond 1818). 104

74


Afbeelding 68: het grondbezit van Petrus Joannes Verbruggen en Susanna Kerremans in 1805, uit het vroegere patrimonium van de Sint Bernardsabdij. Gigault-atlas Puurs, 1805

Enkele jaren later overleed Susanna Kerremans. Wanneer precies is niet duidelijk, maar in het bevolkingsregister van 1814 wordt zij alleszins niet meer vermeld. Haar echtgenoot Petrus Joannes (53) woonde op dat moment alleen in de hoeve, samen met zijn stiefdochter Maria Anna Kerremans (27): een dochter van Susanna en haar eerste echtgenoot, Frans Kerremans. Maria Anna had een zoontje van vier maand. Een vader wordt niet vermeld in de telling. Er was wel nog een meid, de 17jarige Barbara Van Moer. Drie jaar later, in 1817, kwam nog een andere stiefdochter van Petrus Joannes bij hen inwonen: Joanna Josepha Kerremans. Zij was getrouwd met Joannes Henricus Teck. Ze woonden eerder op de Rijweg en hadden twee kinderen: Petrus Joannes en Jacobus, later bijgenaamd ‘Kobe Teck’.

3.5 De families Teck en Verheyden (sinds 1845) Joannes Henricus Teck (1780-1861) was een telg uit een familie die al minstens van het begin van de de 17 eeuw op de Rijweg en aan het einde van de Schaafstraat woonde. Dat was in die tijd allemaal Ruisbroeks grondgebied, al behoorde het gehucht geestelijk bij de parochie Puurs en later bij Breendonk. De familie heette oorspronkelijk Tax of Tacks, later werd dat Tack en Teck. Een van de voorouders van Joannes Henricus was in 1669 pachter van Het Thiendenhof, een pachthof aan het einde van de Schaafstraat op de plaats waar 'des Cloosters Thiende-Schuer placht te staen'106. Dat was vlak bij de molen op de Rijweg. Joannes Henricus Teck was dus getrouwd met Joanna Josepha Kerremans (1789-1857). Toen ze bij hun stief en -schoonvader Petrus Joannes Verbruggen kwamen inwonen in 1816 werd hij ingeschreven als wever. Hun twee kinderen waren toen al geboren: Petrus Joannes in 1814 en Jacobus, de latere ‘Kobe Teck’ in 1816. Bij de eerstvolgende volkstelling, in 1829, wordt Joannes Henricus Teck (48 jaar) vermeld als landbouwer, én als gezinshoofd. Schoonzus Maria Anna had het huis ondertussen verlaten. De 106

Land-boeck van Pudersse (1668-1669), p. 183 75


andere gezinsleden waren echtgenote Joanna Josepha (41), zonen Petrus Joannes (15) en Jacobus (13). Schoonvader Petrus Joannes Verbruggen (68) wordt als laatste vermeld, maar was vermoedelijk nog altijd eigenaar van de hoeve. In het bevolkingsregister van 1840 wordt Petrus Joannes Verbruggen trouwens opnieuw als eerste genoemd, als landbouwer (78 jaar). Daarna volgen Joannes Henricus Teck (59), Joanna Josepha (52), Petrus Joannes (25), Jacobus (23), en dienstmeisje Joanna Op de Heyde (15). Enkele jaren later verliet Petrus Joannes Teck de hoeve en in 1845 overleed ‘pater familias’ Petrus Joannes Verbruggen. Uit de kadastergegevens blijkt dat het grondbezit van de familie op dat moment nog altijd hetzelfde was als in het begin van de 19de eeuw: 2.5 hectare. De volgende decennia werd de hoeve uitgebaat door Jacobus ‘Kobe’ Teck (1816-1906). In 1854 stelde Kobe zich kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen. Hij werd verkozen en mocht meteen ook schepen worden, onder meer van burgerlijke stand. Dat mandaat zou hij blijven uitoefenen tot 1875. In 1855 trouwde Kobe met Joanna Catharina De Wachter (1822-1898). Ze kregen zes kinderen. In 1857 overleed zijn moeder Joanna Josepha Kerremans. In 1863 bezat Kobe Teck ongeveer zes hectare grond, waarvan een deel in onverdeeldheid met zijn broer Petrus Joannes. Het ging enerzijds om de oude familielanderijen uit het patrimonium van Sint Bernards: onder meer de nummers 204, 206, 207, 208 en 209 op de onderstaande uitsnede uit de Popp-kaart.107 Daarnaast ook een aantal later verworven percelen, in de Moorstraat en de Schaafstraat.

Afbeelding 69: De hoeve (nummer 208) en aanpalende gronden in 1863: nrs 204, 206, 207 en 209. (Popp-atlas)

In 1894 trouwde de jongste dochter van Kobe Teck, Louisa Catharina Teck (1867-1930), met Desiderius Verheyden (1864-1932). Hij was afkomstig uit de Schaafstraat, waar zijn ouders een hoeve uitbaatten die er ook nu nog staat, schuin tegenover de Storystraat. De vader van Désiré, Carolus Verheyden, was net als zijn schoonvader Kobe Teck jarenlang schepen in Breendonk. Désiré zelf was lid en penningmeester van de kerkfabriek én medestichter van de Breendonkse Boerenbond. In 1895 verkreeg het kersverse koppel Verheyden – Teck de hoeve van hun (schoon)ouders. In 1912 lieten zij de hoeve helemaal verbouwen. Ze kreeg toen haar huidige uitzicht. Via hun zoon Achiel Verheyden (1898-1950), getrouwd met Joanna Maria Mortelmans (1902-1972) uit Lier, kwam de voorouderlijke hoeve uiteindelijk in het bezit van Dis Verheyden (1933-2012) en zijn echtgenote Josée Verhoeven uit Wommelgem.

107

Philippe-Christian Popp, Atlas cadastral parcellaire de la Belgique, gemaakt tussen 1842 en 1879. De atlas van Breendonk dateert van rond 1863. (KBR) 76


4. De hoeve Van Winstenhoven

Afbeelding 70: De ‘Hoeve van Winstenhoven’ in 1924, kort voor de onteigening. De kerk is nog in aanbouw: let op de ladder op het dak. (foto verz. G. Marnef)

4.1 Van heide tot kerkplein Tot 1924 bevond zich op het huidige kerkplein, in de schaduw van de kerk, een eeuwenoude hoeve. Ze stond er allang voor de eerste kerk werd gebouwd in 1780 en werd pas afgebroken toen er bij de bouw van de nieuwe kerk in 1923-1925 plaats moest worden gemaakt voor een kerkplein en een nieuwe pastorij. De toenmalige bewoners, de familie Maes, weigerden hun hoeve te verlaten en moesten onder druk onteigend worden. Misschien niet zo vreemd als je weet dat hun voorouders de grond en later de hoeve al ruim 250 jaar in gebruik hadden. Een echte naam had de hoeve niet, al is er een enkele keer wel sprake van ‘De Hoefkapelle’ (zie paragraaf 4.3). Wij opteren evenwel voor de naam van een van de ‘dynastieën’ die de hoeve uitbaatten: de familie Van Winstenhoven. De hoeve stond oorspronkelijk op grond van de Sint-Bernardsabdij. Het perceel lag op de Moorheide en in het ‘Land-boeck van Pudersse’ zien we dat het in 1668 een oppervlakte had van 411 roeden of 1 bunder en 11 roeden (een roede was ongeveer 30 m²). 108

4.2 De familie Meeus (1669-1782) 109

Uit de jaarrekeningen van de abdij blijkt dan weer dat het perceel al in 1669 werd gepacht door Elisabeth De Groof (±1632-1694), de weduwe van Joost Meeus (±1627-±1668), een verre voorouder van de familie Maes. In 1694 ging de pacht over op hun zoon Daniël Meeus (1664-1730), gehuwd met Catharina Smets (±1669-1734). Hun zoon Guilliam ‘Willem’ Meeus (1702-1773) werd vanaf 1734 de volgende pachter, samen met zijn echtgenote Maria De Hollander (1705-1784). Ondertussen had de familie Meeus ook een huis gebouwd op het land dat ze huurden. Wanneer precies is niet duidelijk, maar alleszins vóór 1739, want op een kaart uit dat jaar in het ‘Land-boeck’ staat de hoeve afgebeeld (zie afbeelding 71 108 109

Houtman, Erik, o.c. p.146-147 Jaarrekeningen van de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem, RA Antwerpen, T14/039, inv. 35-106 77


en 72). Zoals we eerder in dit boek gezien hebben, gebeurde het wel vaker dat huurders van de SintBernardsabdij op hun pachtgrond zelf een huis bouwden. Vaak gingen die pachtcontracten (zie paragraaf 1.5.1) over van generatie op generatie en als er toch een eind kwam aan de pacht van een bepaalde familie, dan namen de abdij of de nieuwe huurders de hoevegebouwen gewoon over (zie paragraaf 2.3.2.1). In het pachtboek van Sint Bernards uit 1753 wordt Willem Meeus als pachter vermeld.110 Hij huurde nog altijd het stuk van 1 bunder en 11 roeden, waarvan gezegd wordt dat het ‘behuyst’ is (zie afbeelding 73). Het perceel krijgt het nummer 21, een verwijzing naar de kaart in het Landboeck (zie afbeelding 72). Daarnaast huurde Willem ook nog een tweede ‘stuck land’ van 150 roeden, eveneens op de Moorheide, meer bepaald net ten zuiden van de plaats waar later het gemeentehuis zou komen (nr. 5 op afbeelding 71).

Afbeelding 71: De ‘Hoeve van Winstenhoven’ in het Land-boeck van Pudersse, op de kaart van landmeter De Deken, 1739. Van de kerk is er dan nog geen sprake en de buurt is nog nauwelijks bewoond.

Afbeelding 72: De ‘Hoeve van Winstenhoven’ in het Land-boeck van Pudersse (detail)

110

Pachtboek van de St.Bernardsabdij Hemiksem 1751-1791, RA Antwerpen, T14/039, inv. 114, fol. 95 78


Afbeelding 73: Contract tussen Sint Bernards en Guilliam Meeus, dd 1.10.1753, fragment Pachtboek van Sint Bernards 1751-1791.

Na de dood van zijn vader in 1773 nam Peter Jan Meeus (1744-1782) de pacht over. Enkele jaren later, in 1778, trouwde hij met Cornelia Coeck (1753-1837). In 1779 werden de ‘kapel van Breendonk’ en de eerste pastorij gebouwd. Voor de bouwgrond daarvan werd ook een stuk van het perceel gebruikt dat de familie Meeus in pacht had. In een nieuwe pachtovereenkomst (dd. 24.12.1779) werd effectief gemeld dat er een deel van het perceel werd ‘afgetrocken den der Capelle, hof & van den h(ee)r (pastoor)’. Peter Jan had ook nog een derde perceel in pacht, meer bepaald ‘een geroeyt bos’ naast het al eerder gehuurde perceel nr 5 op afbeelding 71. Alles samen 1 bunder en 377 roeden, een kleine twee hectare.

Afbeelding 74: Contract tussen Sint Bernards en Peter Jan Meeus, dd 24.12.1779, fragment Pachtboek van Sint Bernards

4.3 De familie Van Winstenhoven (1782-1851) Peter Jan Meeus overleed op 38-jarige leeftijd in 1782. Later dat jaar hertrouwde Cornelia met Peter Van Winstenhoven (1758-1796). Hij was een zoon van Willem Van Winstenhoven en Elisabeth Van Camp. Die woonden tegen het kruispunt van de Groenstraat en de huidige Jan Hammeneckerstraat. Rond die tijd zag het nog altijd schaars bebouwde centrum van Breendonk er zo uit: Afbeelding 75: De ‘Hoeve van Winstenhoven’ op een kaart gemaakt door Carolus Josephus Everaet in 1787. (ARA). Ondertussen is ook de kerk gebouwd en zijn er enkele huizen bijgekomen in vergelijking met de kaart van de Sint-Bernardsabdij uit 1739 (afbeelding 71)

79


In 1794 liet het nieuwe Franse bestuur een algemene vermogenstelling uitvoeren om de belastingmaat te bepalen (zie paragraaf 1.5.3.3). Peter Van Winstenhoven verklaarde toen dat zijn huishouden uit 7 personen bestond. Wie dat precies waren, staat er niet bij, maar vermoedelijk hijzelf, zijn vrouw, hun minderjarige kinderen en mogelijk ook een knecht. Petrus Joannes had ongeveer drie bunder akkerland in gebruik, dus meer dan hij van Sint-Bernards huurde. Verder had hij naar eigen zeggen in zijn schuur en stallen 1 quintaal111 tarwe, 15 quintalen koren, 3 quintalen gerst, 1 quintaal vlas, 1 quintaal boekweit, 8 quintalen haver, 30 quintalen stro, 10 quintalen hooi, 3 koeien, 1 varken 112 en 1 kar. Al bij al een eerder beperkte aangifte. Wel een kar, maar geen paard bijvoorbeeld. Toch werd Peter Van Winstenhoven bij de Volkstelling van 1796 een ‘karreboer’ genoemd, een trede hoger op de sociale ladder dan de kleine boer of ‘cossaert’. Zijn gezin bestond op dat moment uit negen personen: hijzelf, zijn vrouw, zes minderjarige kinderen (onder 12) en de 15-jarige knecht 113 Jacob Meeus (mogelijk een familielid van de eerste echtgenoot van zijn vrouw). Later dat jaar overlijdt Peter op 38-jarige leeftijd. Bij de verbeurdverklaring van de eigendommen van Sint Bernards in de Franse Tijd (zie paragraaf 1.4.3) werden ook de pachtgronden van de familie Van Winstenhoven openbaar verkocht. Dat gebeurde op 21 Germinal van het Jaar 5 van de nieuwe Republikeinse Kalender (maandag 10 april 1797). Op de verkoopaffiche staat de hoeve vermeld als ‘De Hoef-Kapelle’. Die wat vreemde benaming heeft mogelijk te maken met een verkeerde interpretatie door de fonctionnaire van dienst van het contract met Sint Bernards, waar sprake is van ‘der Capelle, hof’ (zie afbeelding 74). De openbare verkoop betrof 1 bunder en 357 roeden grond, verdeeld over vier percelen: het stuk waar de hoeve op stond, ‘Het Paepenheybosch’, ‘Het Heyken’ en ‘Het Pooterbosch’. De eerste twee percelen waren wellicht die naast de kerk, de andere twee die ten zuiden van de latere Beenhouwerstraat (zie afbeelding 73 en 74) Naast het uitgebreide proces-verbaal van de verkoop in het Frans bestaat er ook een korte samenvatting van het aangeboden goed in het Nederlands. Daarin wordt onder meer gemeld dat het goed verpacht was aan de ‘weduwe P. Van Vinshoven’ (sic), dat de ‘huurceel’ eindigde op 25.12.1799, dat de pachter eigenaar was van het huis, en dat de geschatte waarde 1928 francs bedroeg.114

Afbeelding 76: samenvatting en schatting van de openbare verkoop van de Hoeve Van Winsenhoven (RAA)

De gronden werden gekocht door een zekere ‘citoyen Richard’ uit Antwerpen voor 1675 francs, minder dan de geschatte prijs dus. Rond 1800 hertrouwde de weduwe Cornelia Coeck voor de derde keer, nu met Jan Baptiste Reyniers. Tegen 1804 zijn Jan Baptiste en zijn vrouw erin geslaagd om de grond waar hun hoeve op staat, terug te kopen. Dat blijkt uit de Gigault-atlas van Puurs (zie paragraaf 2.3.2.4). Op onderstaande uitsnede zien we dat de Hoeve Van Winstenhoven het kadasternummer E 424 droeg115. Ze had een langwerpige vorm en tegenover het hoofdgebouw stond ook nog een kleiner bijgebouw, zoals dat ook te zien is op afbeelding 70. Het perceel was ongeveer 8 are groot: heel wat kleiner dus dan vroeger. De rest van de gronden – ten zuiden of links van de hoeve op de kaart – was blijkbaar overgenomen door een aantal (nieuwe) buren.

111

Een quintaal is een oude gewichtsmaat die overeenkwam met 100 pond (± 50 kg). Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 113 Volkstelling Puurs 1796, bewerking Dirk Binon, 1994 114 Archief van het Département des Deux Nèthes, RAA. 115 Het gaat hier om zogenaamde ‘primitieve kadasternummers’, die niet overeenkomen met de huidige (die kwamen pas in gebruik rond 1818) 112

80


Afbeelding 77: De Hoeve Van Winstenhoven (nr 424) op de Gigault-kaart van Puurs, de eerste kadasteratlas van Puurs (1805)

Ook met haar derde echtgenoot had Cornelia Coeck niet veel geluk, want tegen 1814 was zij voor de derde keer weduwe. Bij de volkstelling van dat jaar worden voor de hoeve twee gezinnen vermeld. Enerzijds dat van Cornelia Coeck, met naast zijzelf (54 jaar, ‘cultivatrice’ of landbouwster) ook een 81


dochter uit haar tweede huwelijk: de 17-jarige Marie Josepha Van Winstenhoven; en twee kinderen uit haar derde huwelijk: de 13-jarige Joanna Catharina Reyniers en de 9-jarige Joannes Franciscus Reyniers. Het tweede gezin was dat van een oudere zoon van Cornelia: de 26-jarige Cornelius Van Winstenhoven (1788-1858) (‘journalier’ of dagloner). Hij was twee jaar eerder getrouwd met Maria Cornelia Sanders uit Londerzeel (1781-1848). Ze hadden een zoontje van een jaar, Jan. Later zouden nog twee andere kinderen volgen: Jozef en Maria-Josepha.

4.4 De familie Maes (1851-1922) In 1829 namen Cornelius Van Winstenhoven en Maria Cornelia Sanders de boerderij over van hun (schoon)moeder Cornelia Coeck, die in 1837 overleed. Hun jongste dochter, Maria-Josepha (18251891), trouwde in 1851 met Henricus Maes (1824-1900). Zij werden rond die tijd de volgende eigenaars van de hoeve, samen met hun ongehuwde (schoon)broer Jozef Van Winstenhoven (18241862). Op de kadasterkaart van Popp (1863)116 ziet Breendonk-centrum er zo uit:

Afbeelding 78: De Hoeve Van Winstenhoven op de Popp-kaart van Breendonk. De hoeve had de kadasternummers 522 en 523.

Henri Maes en Maria-Josepha Van Winstenhoven kregen negen kinderen, waarvan er zes jong overleden. Na de dood van vader Henricus Maes in 1900 bleven de drie overige, ongehuwde kinderen (Jan, Victor en Florentine) er wonen tot in 1922. Toen werd de aloude familiehoeve onteigend voor de aanleg van het kerkplein. De broers en zus Maes gingen daarop in het naburige huis wonen, op de hoek van de Dorpstraat en de kerkhofweg. De familie Maes weigerde eerst de hoeve af te staan, maar werd uiteindelijk toch verplicht onteigend. Bij die gelegenheid werd een plannetje gemaakt van de hoeve:

116

Philippe-Christian Popp, Atlas cadastral parcellaire de la Belgique, gemaakt tussen 1842 en 1879. De atlas van Breendonk dateert van rond 1863. (KBR) 82


Afbeelding 79: Plattegrond van de ‘Hoeve van Winstenhoven’ bij de onteigening in 1922. Het was een klassieke Brabantse langgevelhoeve met woonhuis, stal en schuur onder één dak. In dit geval 20.5 op 8.5 meter. Vermoedelijk zag ze er ook de eeuwen daarvoor zo uit. 1: Kelderkamer / 2: Slaapkamer / 3: Gang / 4: Keuken / 5: Huis(kamer) / 6: Stal / 7: Schuur / 8: Aardappelput / 9: Paardenstal / 10: Varkenskot / 11: Varkenskot (GA Puurs)

Omdat de hoeve Van Winstenhoven zo centraal in het dorp gelegen was, bestaan er ook enkele foto’s van. Ze werden genomen in het begin van de 20ste eeuw en later tijdens de bouw van de nieuwe kerk in de jaren ’20:

83


Afbeelding 80: een foto van een bevlagde Dorpstraat rond 1905, aanleiding onbekend (mogelijk 75 jaar onafhankelijkheid België), met rechts voor de (oude) kerk de hoeve Van Winsenhoven. We zien het hoofdgebouw en het kleinere bijgebouw, met daartussen de poort. Tussen het witte huis op de voorgrond en de hoeve liep de kerkhofweg, op de plaats waar hij ook nu nog ligt. Het witte huis zou tijdens de oorlog net als de kerk vernield worden, zoals te zien is op afbeelding 83. De hoeve bleef gespaard, maar werd in 1924 toch afgebroken (verz. G. Marnef).

Omslagillustratie voorkant:

84


Afbeelding 81: deze foto van de Dorpstraat is enkele jaren later genomen, vermoedelijk rond 1907. Hij komt uit een reeks postkaarten die Joseph D’Hont, winkelier en herbergier in diezelfde Dorpstraat, liet uitgeven. Opnieuw zien we rechts vooraan de hoeve Van Winsenhoven. (verz. J. Peeters).

85


Afbeelding 82: de hoeve van Winstenhoven vanuit het zuiden. Hier zien we naast de poort ook een van de afgeronde ramen van de slaapkamer, met luiken. Ook in de zijgevels van beide gebouwen zijn luiken aangebracht. De dakpannen zijn aan de zijkant en op de nok wit gecementeerd. De foto is genomen tijdens de bouw van de nieuwe kerk rond 1924 (let op de ladder op het dak). De oude kerk werd in 1914 vernield door Duits en Belgische geschut (verz. G. Marnef).

Afbeelding 83: de hoeve van Winstenhoven vanuit het noorden, rond 1924. Hier zien we de andere kant van de hoeve. Met een afgeronde deuropening en de ramen van de keuken (links) en de kelderkamer (rechts). De nieuwe kerk is in aanbouw. De bouwwerf is afgesloten met een omheining en aan het portaal staat nog een stelling. Voorbij de hoeve zien we dat het vroegere witte huis aan de kerkhofweg (foto 80) verdwenen is: het werd eveneens vernield tijdens de oorlog. De dorpsjeugd poseert graag voor de fotograaf. (verz. G. Marnef).

86


Afbeelding 84: de achterzijde van de hoeve van Winstenhoven, rond 1924. Tussen de hoeve en de kerk lag nog een stuk van de tuin van de hoeve. Daarachter bevond zich de oude pastorij, die in de oorlog samen met de kerk werd vernield. De pastorij was te bereiken langs een wegje links van de bomen. De dorpsjeugd wil uiteraard graag mee op de foto. (verz. G. Marnef).

Omslagillustratie voorkant: Caerte van het Vissen-hol, het Cleyn Heycken, de Hooge-Heyde, de Caesblocken en andere (uitsnede) Landmeter Judocus De Deken, 1739 in Land-boeck van Pudersse, supplement in de kopie door Godefridus Bouvart uit 1749, fol. 240., abdijarchief Bornem. Omslagillustratie achterkant: Caerte van de Moor-heyde en den Tashorinck (uitsnede) Landmeter Judocus De Deken, 1739 in Land-boeck van Pudersse, supplement in de kopie door Godefridus Bouvart uit 1749, fol. 231, abdijarchief Bornem. Inzetfoto’s: de hoeve Van Winstenhove, de hoeve van Kobe Teck, de hoeve van Feles

87


In 1278 kwam Breendonk samen met de rest van Puurs in het bezit van de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem. De jonge Cistercienzerabdij (gesticht in 1237) voerde een dynamisch beleid in Puurs en bracht het domein tot bloei. Gronden werden ontgonnen en in pacht gegeven, hoeves gebouwd en verhuurd. Zo bezat de abdij in Puurs tientallen grote en kleine pachthoven. In dit boek vertellen we het verhaal van vier van die pachthoven. Ze bevonden zich alle vier in Breendonk. De ‘Vissenholhoeve’ was de grootste en de enige met een officiële naam. Ze stond in de wijk ‘De Wachting’, meer bepaald in de huidige Zavelstraat. De andere drie waren gesitueerd op de Moorheide, het huidige centrum van Breendonk. De ‘Hoeve van Feles’ stond tegenover het kruispunt van de Beenhouwerstraat en de Groenstraat. De ‘Hoeve van Kobe Teck’ – de enige van de vier die nog altijd bestaat – vinden we terug in de Jan Hammeneckerstraat. En de ‘Hoeve van Winstenhoven’ lag in de schaduw van de kerk, op het huidige kerkplein. Dit boek vertelt de kroniek van de vier hoeves in de loop der eeuwen. Het situeert ze in het hedendaagse landschap en volgt de evolutie van de gebouwen en de landerijen. We maken kennis met de pachters en hun relatie met de abdij, en we ontdekken de cruciale rol die sommigen van hen hebben gespeeld in de ontwikkeling van Breendonk.

De hoeve Van Winstenhoven

De hoeve van Kobe Teck

De hoeve van Feles

88


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Vissenholhoeve en drie andere Breendonkse hoeves by Paul De Borger - Issuu