HET SPAANS KASTEEL EEN TISSELTSE HOEVE MET EEN EXOTISCH TINTJE
Paul De Borger
1
INHOUD Inleiding…………………………………………………………..……………………………………….. 3 1. Situering en vroegste geschiedenis………………………………………………………………….. 4 2. De naam………………………………………………………………………………………………… 6 3. Hoeve of kasteel? 3.1. De situatie vandaag en sporen van vroeger…………………………………………….. 7 3.2. De gebouwen in de 19de eeuw……………………………………………………………. 12 3.3. De Keukenhoeve in de 18de eeuw………………………………………………………… 14 de
de
3.4. De toestand in de 16 en 17 eeuw…………………………………………………...... 16 4. De eigenaars en het patrimonium 4.1. De Keukenhoeve in volle glorie…………………………………………………………… 17 4.2. De eerste gekende eigenaars: Huys en De Carnin (<1551 – 1583)………………….. 22 4.3. De familie De Clercq – Van Hoff (1583 – 1618)………………………………………… 25 4.4. De familie Van den Broecke – Leijniers (1618 – 1649)………………………………… 27 4.5. De Spaanse connectie (1649 – 1839) 4.5.1. De familie de San Juan (1649 – 1679)……………………………………….. 27 4.5.2. De familie de Santander (1679 – 1813)………………………………………. 29 4.5.3. De erfdeling van de familie de Santander (1767)…………………………… 31 4.5.4. De familie de la Serna (1813 – 1839)………………………………………… 33 4.6. De familie Trumper (1839 – 1892)……………………………………………………….. 36 4.7. De familie d’Overschie de Neeryssche (1892 – 1921)………………………………… 39 4.8. De familie Smedts – Marynissen – Clymans (sinds 1921)……………………………. 40 5. De pachters 5.1. De familie De Bruyn (1617 – 1633)………………………………………………………. 42 5.2. De familie Van der Wilt – De Wachter (1634 – 1719)……...…………………………… 42 5.3. De familie Kerremans (1719 – 1795)…………………………………………………….. 47 5.4. De familie Cortebeeck (1795 – 1831)…………………………………………………….. 50 5.5. De familie De Block (1832 – 1890)……………………………………………………….. 52 5.6 De laatste pachtersfamilies (1890 – 1921)……………………………………………… 55 6. Het landbouwareaal……………………………………………………………………………………. 56 7. De tweede pachthoeve: het nieuwe Keukenhof…………..………………………………………… 58 Bibliografie en bronnen………………………………………………………………………………….... 64
2
Inleiding Op de grens van Klein-Brabant en Vaartland, tussen Breendonk en Tisselt, staat al minstens 460 jaar een hoeve met de intrigerende naam ‘Het Spaans Kasteel’. Idyllisch verscholen tussen het groen en veilig verschanst achter haar omwalling heeft ze de tijd getrotseerd. Over de geschiedenis van het Spaans Kasteel – oorspronkelijk Keukenhoeve of Hof ter Keuckene genoemd - was tot nu toe weinig geweten en nog minder gepubliceerd. Dit boek vertelt voor het eerst het hele verhaal van het vroegere ‘maison de plaisance’ en zijn twee pachthoven. Het is het relaas van een van de oudste bewaard gebleven hoeves in de regio, met verrassende de vertakkingen naar de Grote Raad in het Mechelen van de 16 eeuw, de Spaanse hofhouding van de aartshertogen Albrecht en Isabella, de oprichting van de Koninklijke Bibliotheek, de Belgische Revolutie, het begin van de Breendonkse brouwerij Moortgat en de executie van de Tisseltse burgemeester tijdens de Eerste Wereldoorlog. We reconstrueren in dit boek de geschiedenis van de gebouwen en het patrimonium van het Hof ter Keuckene. We maken kennis met de opeenvolgende eigenaars en onderzoeken de ‘Spaanse connectie’, die aanleiding gaf tot de nieuwe naam: het Spaans Kasteel. We leren ook de pachters kennen en proberen tussen de lijnen van oude archiefstukken door een glimp op te vangen van het leven op de pachthoeve. Wanneer het Spaans Kasteel precies is ontstaan, weten we niet. Het grondplan van de hoeve, met haar uitgebreide omwalling, wijst naar een ver verleden en een mogelijk middeleeuwse oorsprong. De naam ‘kasteel’ lijkt dat te bevestigen, maar is enigszins misleidend. Een echt kasteel is de hoeve nooit geweest, al waren de randvoorwaarden en de aanzet daartoe wel aanwezig: omvang, structuur en (invloed)rijke eigenaars die het landgoed deels gebruikten als ‘speelhuis’ of buitenverblijf. Wat dat betreft, is er een opvallend verschil met het voormalige Breendonkse kasteel Meerhof, dat zich vroeger op een boogscheut van het Spaans Kasteel bevond. Het Meerhof heeft in zijn naam altijd zijn agrarische oorspong bewaard, maar wist zich door toedoen van zijn adelijke eigenaars vanaf de 16de eeuw te ontwikkelen tot een echte grafelijke residentie. Het Spaans Kasteel was in zijn vroegste geschiedenis wellicht sterk vergelijkbaar met het Meerhof, maar heeft zo’n evolutie – ondanks zijn ambitieuze naam – niet gekend, vermoedelijk omdat de prioriteiten van de eigenaars elders lagen. En toch is het kasteel Meerhof nu al bijna een eeuw verdwenen, terwijl de hoeve Spaans Kasteel nog altijd in volle glorie tussen haar landerijen ligt. Dat heeft uiteraard veel met het toeval te maken, en voor het Meerhof meer bepaald met het noodlot van de Eerste Wereldoorlog. Maar misschien zit er toch ook wel iets in het adagium dat zegt dat de boer altijd voort ploegt. Zoals ook de heemkundige. Hij mag zich daarbij gelukkig prijzen als anderen hem helpen bij het doorploegen van de archieven. Voor het schrijven van dit boekje ben ik grote erkentelijkheid verschuldigd aan Chris Apers, die mij met haar ontsluiting van de oudste schepenregisters van Willebroek en Puurs op het juiste spoor zette en me ook in andere opzichten met raad en daad heeft bijgestaan. Zonder haar hulp stond ik nu wellicht nog altijd voor de spreekwoordelijke hooiberg. Mijn dank gaat ook uit naar Philippe en Nadine Quinet – De Saegher: afstammelingen van André Trumper, eigenaar van het Spaans Kasteel in de 19de eeuw. Ik heb hen hierboven oneer gedaan door te stellen dat er nog niets gepubliceerd is over het Spaans Kasteel: zij hebben de geschiedenis van de de ste hoeve in de 19 en 20 eeuw wel degelijk met kennis van zaken beschreven, zij het goed weggestopt in hun biografie van Dr. Trumper. Hun familiearchief bleek bovendien cruciale documenten te bevatten over de nog oudere geschiedenis van de hoeve. Hetzelfde geldt voor het archief van Reginald de la Serna, nazaat van de laatste Spaanse eigenaars van het ‘kasteel’. En last but not least wil ik ook Etienne en Marina Clymans – Marynissen bedanken, de huidige eigenaars en bewoners van het Spaans Kasteel. Voor hun belangstelling en behulpzaamheid, maar ook omdat zij de hoeve hebben gered van de leegstand of erger, en ze met veel smaak en toewijding hebben geconserveerd en gerenoveerd: een wissel op de toekomst van een waardevol erfgoed. Paul De Borger
3
1. Situering en vroegste geschiedenis Langs de A12 van Brussel naar Antwerpen, zo’n 500 meter voor de uitrit Breendonk en aan het begin van een onooglijk straatje aan de rechterkant, staat taverne ‘Spaans Hof’. Ze ontleent haar naam aan een eeuwenoude hoeve een eind verder in de smalle Peeterstraat: het ‘Spaans Kasteel’. De hoeve bevindt zich aan de oostzijde van de straat, langs de linkerkant voor wie van de A12 komt. Ze ligt temidden van weiden en landerijen, al sluipt de industrie vervaarlijk dichtbij. De gebouwen zijn grotendeels aan het zicht onttrokken door hoge bomen. Het Spaans Kasteel is helemaal omwald, maar aan de straatkant is de gracht het smalst. Net ten noorden van het complex begint de Keukenhofdreef, genoemd naar de oorspronkelijke naam van de hoeve en tot in de 19de eeuw afgezoomd met bijna 400 bomen. Zowel de Peeterstraat als de dreef behoorden vroeger tot het patrimonium van het landgoed. De Keukenhofdreef geeft via de Wolvenweg verbinding met de Beekstraat naar Tisselt. De Peeterstraat was van oudsher de verbinding met Breendonk, tot de oversteekplaats van de A12 een tiental jaar geleden werd afgesloten. Daardoor werden de bewoners van het Spaans Kasteel en de rest van de Peeterstraat de facto afgesneden van hun vroegere moedergemeente, waar ze tot dan toe nog geregeld naartoe trokken om naar school, naar de kerk of naar de winkel te gaan.
Afbeelding 1 : Situering Spaans Kasteel (Google Maps). De dikke witte lijn geeft de omvang aan van het landgoed van de de de 16 tot 18 eeuw (met 44 bunder of 53 hectare grond).
Het Spaans Kasteel én de Peeterstraat maakten eeuwenlang deel uit van het grondgebied van Breendonk en de heerlijkheid van Puurs. Na de afschaffing van de oude heerlijkheden en de oprichting van de gemeenten in de Franse Tijd, werd de Peeterstraat in het begin van de 19de eeuw een grensstraat: de oostkant van de straat ging naar Tisselt, de westkant bleef Breendonk/Puurs. Op de Tisseltse kadasterkaarten is tot ver in de 19 eeuw sprake van ‘Section A, dite de Breendonck’ en van het ‘haut quartier de Breendonck’ (Gigault 1807, Le Brun 1811, zie afbeelding 2) of van ‘Het hoog gedeelte van Breendonck’ (Popp, 1865). Het toponiem ‘Breendonck’ verwijst daarbij niet naar de parochie of gemeente Breendonk, maar naar een geografische entiteit: de ‘brede donc’ (landverheffing) tussen de vele moerassige ‘broeken’ in de buurt (met Willebroek op kop). Op die ‘brede donc’ ontwikkelden zich vanaf de 13de eeuw een aantal woonkernen die later uitgroeiden tot het gehucht Breendonk: wat we nu de wijk Breendonkstraat in Willebroek noemen. Dáár bevond zich het oorspronkelijke Breendonk. Pas veel later, na de bouw van 4
de kerk op de naburige Moorheide in 1779, werd de naam ook gebruikt voor het geheel van dertien gehuchten en wijken die rond de kerk werden verenigd in een nieuwe parochie: Breendonk. De ‘brede donc’ (of ‘dunc’) was samen met de rest van de heerlijkheid Puurs al van in de Karolingische tijd eigendom van de Rijksabdij van Kornelimunster bij Aken. Het beheer van het verafgelegen domein liet de abdij in grote mate over aan wereldlijke voogden (‘advocati’), meer bepaald de machtige Heren van Grimbergen, uit het geslacht van de Berthouts. Die maakten van de gelegenheid gebruik om zich stukken van de geestelijke heerlijkheid toe te eigenen. Zo verwierven ze in het begin van de 13de eeuw (1207, 1211 en 1226) drie grote percelen bosgrond van Kornelimunster op de ‘brede dunc’. In 1278 verkocht Kornelimunster de hele heerlijkheid Puurs via een tussenpersoon (Felicitas van Traynel) aan de jonge en dynamische Sint-Bernardusabdij van Hemiksem. Van dan af werden er geen gronden van het domein meer van de hand gedaan. 1 We mogen dus aannemen dat alle grote allodiale (niet-leenroerige) enclaves in privébezit binnen de heerlijkheid Puurs, uit het domein zijn gelicht vóór 1278. Een kleine drie eeuwen later, in het midden van de 16de eeuw, is er in de oudst bewaard gebleven schepenbrieven van Willebroek sprake van drie grote hofsteden ‘op Breendonk’: het Meerhof (dat ondertussen de allure van een kasteeltje had aangenomen), de Hooghpoorte en het Hof ter Keuckene (de oorspronkelijke naam van het Spaans Kasteel). Zou het kunnen dat die drie hoeves zich hebben ontwikkeld op de drie percelen grond die de de Heren van Grimbergen in de eerste decennia van de 13 eeuw hebben gekocht op de ‘brede dunc’? In dat geval zouden we kunnen concluderen dat het Hof ter Keuckene alias het Spaans Kasteel niet 460 à 500 jaar oud is, zoals de eerste vermelding in de Willebroekse schepengriffie (in 1551) suggereert, maar mogelijk zelfs 750 à 800 jaar.
Afbeelding 2 : ‘Chateau de l’Espagnol’ in het ‘Haut quartier de Breendonck’ (Kaart Tisselt, Lebrun, 1811, RAA)
1
Zie hierover: Jan Verbesselt, Het domein van de Abdij van Kornelimünster in Brabant. Het ontstaan en de ontwikkeling van Puurs, Pittem, 1968. 5
2. De naam In de oudst bekende vermelding (Willebroekse schepengriffie, 14 november 1551) wordt de hoeve het ‘Hof ter Keuckene’ genoemd. In dezelfde akte is er ook sprake van de aanpalende ‘Keuckenheide’, noordwestelijk van het landgoed. Het is onduidelijk of de hoeve naar de heide werd genoemd, of omgekeerd. Ook de betekenis van de naam is niet geheel duidelijk. Volgens Ernest Moeremans zou de Keukenheide de plaats zijn waar ooit terechtstellingen met de brandstapel werden voltrokken. Die hypothese baseert hij op etymologische overwegingen en het feit dat executieplaatsen vaak aan aan 2 de grenzen van de heerlijkheden waren gesitueerd, wat bij de Keukenheide effectief het geval is. Voor de heerlijkheid Puurs, waar de schepenbank ‘halsrecht’ bezat en dus mocht ter dood veroordelen, kennen we evenwel met zekerheid de Galgenberg in de huidige Lichterstraat als executieplaats. En dat is een heel eind verwijderd van de Keukenheide, al is het natuurlijk niet onmogelijk dat in een verder verleden de terechtstellingen op een andere plaats gebeurden. Waarschijnlijker is de minder tot de verbeelding sprekende, maar meer voor de hand liggende verklaring dat er op de Keukenheide kruiden of gewassen werden gevonden of geteeld die in de keuken werden gebruikt, of dat er op wild gejaagd werd voor consumptie in de keuken (cfr. Keukenhof in Nederland). In het Landboek van Puurs, een kaart- en cijnsboek van de Sint-Bernardusabdij in Hemiksem uit 1668, heeft provisor Judocus Bal het over de ‘Heyde die naer de Keuken-hoeve, niet 3 wydt van daer gelegen, genoemt wordt de Keuken-heyde’. Volgens hem was de naam Keukenhoeve er dus eerst. Maar waarom zou een hoeve naar haar eigen keuken(activiteiten) worden genoemd? Tenzij er gekookt werd voor een ander, groter en belangrijker complex: een kasteel of ‘maison de plaisance’ waarvan de hoeve dan een soort dienstgebouw was. Het pachthof Keukenhoeve maakte inderdaad deel uit van zo’n groter geheel, maar ook dat heette ‘Hof ter Keuckene’. We houden het erop dat de Keukenhoeve werd genoemd naar de naburige heide waar ingrediënten werden gevonden voor gebruik in de keuken. Hoe dan ook: ‘Hof ter Keuckene’ is de officiële naam, die we tot in de 18de eeuw terugvinden in notariële documenten en schepenbrieven, afwisselend met de variant ‘Keuckenhoeve’. Ook in de 19de en 20ste eeuw wordt de naam Keuckenhoeve nog gebruikt, maar dan alleen voor een tweede pachthof, aan de noordwestelijke, ‘Breendonkse’ kant van de Peeterstraat, schuins tegenover het Spaans Kasteel. Dat ‘tweede pachthof’ maakte oorspronkelijk deel uit van het grotere landgoed, maar werd ervan gescheiden door een erfdeling in 1767 (zie paragraaf 4.5.3). Om het onderscheid tussen de twee hoeves te maken, werd de Tisseltse hoeve voortaan in officiële documenten ‘Spaans kasteel’ genoemd, terwijl die aan de Breendonkse kant ‘Keukenhoeve’ heette. In 1649 werd het landgoed gekocht door Philippe de San Juan (zie paragraaf 4.5.1). Bijna twee eeuwen lang, tot in 1839, zou het domein in Spaans bezit blijven. Vandaar uiteraard het adjectief ‘Spaans’ in de naam die de Keukenhoeve in eerste instantie wellicht vooral in de volksmond kreeg: de de het ‘Spaans kasteel’. Rond het einde van de 18 , begin 19 eeuw werd die naam min of meer geofficialiseerd omwille van de hierboven geschetste reden. Zo duidt de Ferraris-kaart uit 1776 nog ‘Château Keucken’ aan, terwijl de kaarten van Gigault (1807) en Lebrun (1811) ‘Château de l’Espagnol’ als naam geven en de Atlas der Buurtwegen (1844) en de Popp-kaart (1865) ‘Spaansch kasteel’. In die periode was ook in notariële akten en andere officiële documenten sprake van ‘Spaensch kasteel’, ‘Spanjaertsfort’, ‘Spagnaerdshof’ of ‘Spaensch hof’. Nóg een andere, officieuze naam die tot op vandaag wordt gebruikt door mensen uit de buurt, is ‘Blockers kasteeltje’, een verwijzing naar de invloedrijke familie De Block, die de hoeve decennia lang pachtte in de 19de eeuw (zie paragraaf 5.5).
2
Ernest Moeremans, Bijdrage tot de toponymie van Klein-Brabant, licentiaatsverhandeling, Leuven, 1949, p. XVII 3 Landboek van Klein-Brabant en omgeving van de abdij Sint-Bernards, 1668-1669, facsimile, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, jaarboek 1984, p. 187 6
3. Hoeve of kasteel? Het Spaans Kasteel dankt zijn epitheton ‘Spaans’ dus aan zijn vroegere eigenaars. Blijft de vraag waar de naam ‘kasteel’ vandaan komt, terwijl het gebouw in zijn huidige vorm toch duidelijk een hoeve is. Mogelijk heeft die benaming vooral te maken met de omwalling en de (ophaal)brug, de vroeger overdekte toegangspoort en enkele andere architecturale aspecten van de oude gebouwen. Misschien speelde ook het ontzag mee van de ‘autochtone’ buurtbewoners voor de hooggeplaatste en ‘exotische’ Spaanse eigenaars van de hoeve. Anderzijds is er in een aantal documenten wel degelijk sprake van een ‘speelhuis’ of een ‘maison de plaisance’ (buitenverblijf) dat wordt onderscheiden van de bijhorende pachthoeve. Zo stipuleert een pachtcontract uit 1652 dat de verhuurder het ‘speelhuis’ voor eigen gebruik reserveert4. In een pachtboek uit 1725 wordt een onderscheid gemaakt tussen het ‘castillo’ (kasteel) en de ‘censo’ (pachthoeve), en ook bij de al vermelde erfdeling van de Spaanse bezitters in 1767 wordt verwezen naar het ‘château ou maison de plaisance (…) nommé la de Keukenhoeve’. Op een kaart uit de 17 eeuw is het wooncomplex effectief afgebeeld als ‘Steenen huys’ met enige grandeur (zie paragraaf 3.3). In het jaar 1800 wordt het Spaans Kasteel beschadigd tijdens een storm. Vermoedelijk is het ‘maison de plaisance’ of wat ervan restte daarna heropgebouwd als een gewone hofstede. In de volksmond heet de hoeve meestal het ‘Spaans Kasteeltje’ en misschien benadert dat verkleinwoord de werkelijkheid nog het best: niet echt een doorsnee hoeve, maar ook geen echt kasteel.
3.1.
De situatie vandaag en sporen van vroeger
Het Spaans Kasteel weet met zijn hedendaagse uitzicht zijn eeuwenoude geschiedenis goed te verbergen. De hoeve heeft haar huidige vorm gekregen in het begin van de 20ste eeuw al waren er ook in de 19de eeuw ingrijpende verbouwingen. Momenteel ziet de hoeve eruit als een klassiek bakstenen gebouw van twee verdiepingen, deels met cement bezet, met een aantal rechthoekige en een aantal afgeronde ramen en een leien dak. Het is een tweewoonst waarvan het zuidelijke deel door de eigenaar (de familie Clymans – Marynissen) wordt bewoond en het noordelijke deel door de pachter (Fons Gevels). Aan de noordkant (links op afbeelding 3, rechts op afbeelding 4) staan in het verlengde van het woongedeelte de iets lagere stallingen.
Afbeelding 3 : Spaans Kasteel met walgracht, vanuit het zuiden (straatkant). (foto : Etienne Clymans)
4
Pachtcontract Keukenhoeve tussen Philippe de San Juan en Hendrik Van der Wilt, notaris Gerard Van Paesschen, Liezele, 4.3.1652, RA Antwerpen. (zie verder) 7
Afbeelding 4 : De binnenkoer vanuit het noorden, met v.l.n.r. het woongedeelte van de eigenaar, dat van de pachter en de stallen (foto : Etienne Clymans)
Aan de zuidoostkant ligt de walbrug en haaks op het hoofdgebouw staat de vroegere paardenstal annex knechtenverblijf (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5 : Spaans Kasteel vanuit het oosten, met wal, walbrug, woongedeelte en rechts vooraan de vroegere paardenstal annex knechtenverblijf. (foto : Etienne Clymans)
8
De rechtergevel van het huis (zuidoost) vertoont sporen van oudere bak- en zandsteenarchitectuur, onder meer vensteromlijstingen (zie afbeeldingen 3 en 6). Het interieur van de hoeve is in de jaren zeventig grondig gerenoveerd. Bij een vorige verbouwing, in de jaren twintig, werd een steen gevonden met het jaartal 1574 erop vermeld. Opmerkelijk is een bakstenen binnenmuur (in de lengteas) met een sterk verweerde kroonlijst en raamomlijstingen in zandsteen (zie afbeelding 7). Dat was vroeger de buitenmuur. Het huis was toen dus minder breed (‘diep’) dan nu.
Afbeelding 6: zuidoostelijke zijgevel met sporen van vroegere zandsteenelementen. (foto: Etienne Clymans)
Afbeelding 7: binnenmuur met kroonlijst en raamomlijsting in witte zandsteen: de vroegere buitenmuur. (foto: Etienne Clymans)
In het boek Burchten en hoevekastelen (1976) van Luc Genicot vinden we een beschrijving van het interieur van de hoeve vóór de meest recente verbouwing.5 De informatie is gebaseerd op een bezoek van de auteur aan de hoeve en toelichting door de toenmalige eigenaar, Marcel Marynissen : ‘Van het oorspronkelijke gebouw uit 1574 (sic) resten nog het keldergedeelte en de twee kamers vooraan aan de zuidoostzijde. De kelders zijn met een tongewelf overtrokken; zij komen een eind uit boven de begane grond, een noodzakelijke aanpassing wegens de drassigheid van de omgeving. De twee kamers aan de voorkant zijn elk voorzien van een zware balk, die de zoldering helpt dragen. In de westelijke kamer was er vroeger een open haard; het gat voor het bevestigen van de haardkettingen is nog merkbaar in de zoldering. (…). De haard of schouw waarvan sprake werd volgens de overlevering in de 19de eeuw overgebracht naar de pastorij van Ramsdonk. Dat werd ons verteld door de huidige eigenaars van het Spaans Kasteel, Etienne Clymans en Marina Marynissen. Zij wisten het van hun ouders en grootouders. Het verhaal werd ons bevestigd door de pastoor van Ramsdonk, Gustaaf Van de Sande. De merkwaardige, monumentale schouw staat nog altijd in het salon van de eeuwenoude pastorij (zie afbeelding 8). De arduinen renaissanceschouw vertoont een wortelmotief op de sterk gewelfde rechtstanden. Een soortgelijke schouw bevindt zich in Kasteel Diepensteyn in het naburige Steenhuffel. Die schouw wordt gedateerd in het eerste kwart van de 17de eeuw 6. De schouw in Ramsdonk wordt bekroond met een massieve houten mantel die is versierd met bladmotieven, vogels en twee gezichten. Het centrale deel van de mantel is bespannen met een beschilderd doek dat wellicht niet origineel is.
5
Luc Francis Genicot, Burchten en hoevekastelen. Het groot kastelenboek van België, Vokaer, Brussel, 1976, p. 248. 6 C. De Maegd & S. Van Aerschot, Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 1975:2N, Gent. 9
Afbeelding 8 : momumentale schouw uit het Spaans Kasteel, sinds de 19 (foto: Paul De Borger)
de
eeuw in de pastorij van Ramsdonk.
De beschrijving van Genicot gaat als volgt verder : Op halve hoogte van de twee kamers werd een verdieping toegevoegd aan de noordzijde. Wanneer wij deze betreden komen wij aan de betimmering van het dak en daar merken we dat we voor de buitenmuur staan van de twee kamers van 1574. (…) We zien aan de buitenmuur dat er oorspronkelijk twee verdiepingen geweest zijn. De bovenverdieping was met drie vensters doorbroken, zoals de sporen van de vernsterdorpels duidelijk aantonen in de buitenmuur. (…) Er zijn bijgevolg maar weinige sporen bewaard gebleven van het gebouw dat in 1574 werd rechtgezet. Het moet echter groter zijn geweest dan de oppervlakte die nu door de oude sporen wordt aangeduid ; zo loopt het tongewelf van de kelders verder onder een nieuw gebouwd woongedeelte, naar het westen toe. (…) Naast het woongedeelte is er ook nog de grote schuur die de aandacht verdient. Zij moet de oorspronkelijk 28 meter op 13 groot zijn geweest. Deze tiende-schuur werd waarschijnlijk in de 17 eeuw gebouwd. Later is het dak ingevallen en werden verscheidene verbouwingen uitgevoerd. Afgezien van de ‘jaarsteen’ weet Genicot geen verdere informatie te verschaffen over de geschiedenis van de hoeve. De grote schuur waar hij naar verwijst, staat ook nu nog op het erf, achter de de de gekasseide binnenkoer (zie afbeelding 9). Ze dateert evenwel niet uit de 17 , maar uit de 19 eeuw, zoals we verder zullen zien. De Keukenhoeve had trouwens helemaal geen ‘tiendenrechten’. Ook de waterput en het bakhuis zijn bewaard gebleven.
10
Afbeelding 9 : De grote schuur, gebouwd in het midden van de 19de eeuw. (foto: Etienne Clymans)
11
3.2.
De gebouwen in de 19de eeuw
Hoewel de hoeve er op het eerste gezicht dus niet zo oud uitziet, heeft ze de toch wel haar historische structuur bewaard, of toch minstens sinds het begin van de 19de eeuw. Die begon voor het Spaans Kasteel met een dramatische gebeurtenis. Op 9 november 1800 (18 Brumaire van het jaar 9 van de Franse Republiek) werd de hofstede namelijk getroffen door een zware storm die toen over onze gewesten raasde en op vele plaatsen grote schade aanrichtte, zowel in eigen land als in Engeland, Nederland en Frankrijk. Overal sneuvelden huizen, schuren, kerktorens en molens. De mensen van toen spraken van 'een ongehoort tempeest van windt'. De Nederlandse dominee Rudolf Beckeringh schreef in zijn dagboek : ‘Den 9 november 1800, des zondags avonds van 7 tot 9 uur woei een orkaan, welke storm in Engeland, Frankrijk, Braband en in de Herts vreselijke verwoestingen heeft aangericht'. Hedendaagse metereologen beschouwen die storm als een der zwaarste die West-Europa ooit teisterden, samen met onder meer die van Tweede Paasdag 1606, 7 december 1703, 18 januari 1735 en 14 november 7 1940. Dat ook het Spaans Kasteel in de klappen deelde, weten we uit een passage in een notariële akte uit 1803, waarmee de toenmalige eigenaars uit onverdeeldheid wilden treden. In de omschrijving van het landgoed vermeldt de notaris naast de vele gronden ook ‘la maison de plaisance, grange, écuries, remises et autres édifices, pour autant que concerne les bâtiments tout en pièrres, chaux, férailles, bois, paille, vitres, plomb et autres matériaux, le tout évalué presentement à une moins valeur qu’en dix sept cent quatrevingt treize, en égard aux dégradations et écroulement arrivé par l’ouragand du 18 Brumaire de l’année neuf’.8 De waarde van de gebouwen of wat ervan restte, werd in de akte op nauwelijks 200 gulden geschat.9 Ter vergelijking : de grond waarop de gebouwen stonden (1,29 ha) werd op 1316 gulden geschat, de 390 bomen in de dreef op 390 gulden en de 215 (fruit)bomen in de ‘plantation’ zelfs op 752 gulden. Het gehele domein was volgens de schatting 34.534 gulden waard. Uit dat alles blijkt dat de gebouwen ernstig werden beschadigd door de orkaan en zelfs (gedeeltelijk ?) waren ingestort. Drie jaar later, toen de akte werd opgesteld, was de schade klaarblijkelijk nog altijd niet hersteld. We kunnen ons afvragen waar de pachter (de familie Cortebeeck, zie paragraaf 5.4) in die periode verbleef. Van andere gebouwen is in de akte namelijk geen sprake. Woonde hij elders, eventueel bij zijn schoonvader in de voormalige ‘tweede pachthoeve’, aan de Breendonkse overkant van de straat? Of was het Spaans Kasteel toch nog bewoonbaar? We moeten het antwoord schuldig blijven. Het is ook niet bekend wanneer, hoe en door wie de hoeve uiteindelijk werd heropgebouwd. Dat het landgoed in die periode in het bezit was van meerdere eigenaars, van wie er een aantal in Spanje woonden, zal de zaak zeker niet vergemakkelijkt hebben. We mogen er hoe dan ook van uitgaan dat de wederopbouw gebeurd is tegen het midden van het eerste decennium van de 19de eeuw. De hedendaagse, hierboven beschreven oriëntatie en ligging van de gebouwen (paragraaf 3.1) komt namelijk in grote lijnen overeen met die op het kadastrale plan van Gigault in 1807 (afbeelding 10). Op dat moment moet het Spaans Kasteel zijn nieuwe aanschijn dus al gekregen hebben. In welke mate dat nog correspondeerde met de grondplannen van het aloude ‘maison de plaisance’ en zijn pachthoeve, valt moeilijk te zeggen. We komen daar later op terug. Maar van een ‘speelhuis’ was in de de 19 eeuw alleszins geen sprake meer. De storm van 9 november 1800 maakte dus op hardhandige wijze een einde aan het ‘ancien régime’ van het Spaans Kasteel, zodat voor de bewoners van het pachthof ook wat dat betreft een nieuwe tijd aanbrak.
7
Zie daarover: Demarée, G.R. & Muir-Wood, R. De 'Grote Storm van december 1703' in de Lage Landen: een stormachtige periode in de Spaanse Successieoorlog, in: de Kraker, A.M.J. et al. (Ed.). Klimaat en atmosfeer in beweging. Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis, 2008: pp. 33-54 8 Akte van verdeling Spaans Kasteel door de erfgenamen De Santander, 4.4.1803, notaris Guillaume Van Malderen, Brussel, RA Anderlecht, Notariaat Generaal van Brabant. (zie ook paragraaf 4.5.3) 9 De vergelijking met de waarde in 1793 verwijst naar een schatting die we helaas niet hebben teruggevonden. 12
Afbeelding 10: kadastraal plan van Tisselt, Gigault (1807), detail, RAA.
Afbeelding 11: Atlas van de Buurtwegen, Tisselt, 1844, detail
Het vermelde plan van Gigault (hierboven) toont de toestand van het Spaans Kasteel in het begin van de 19de eeuw. Diezelfde structuur vinden we ook terug in de Atlas der Buurtwegen in 1844 (afbeelding 11) en in een verkoopakte uit 1839, met de oudst bekende gedetailleerde beschrijving van de gebouwen: ‘De hoeve is omwald met water en bevat twee kelders : een gewelfde en een niet-gewelfde. Op het gelijkvloers bevinden zich een keuken, een wasplaats (‘laverie’) en een washok (‘buanderie’) met pomp en twee slaapkamers. Op de eerste verdieping zijn er twee kamers met daarboven zolders bedekt met pannen. Naast de woonvertrekken bevindt zich de varkensstal. De linkervleugel van de gebouwen bestaat uit koeienstallen, paardenstallen en latrines, met daarboven zolders bedekt met pannen. In de rechtervleugel bevindt zich een overdekte toegangspoort (‘porte cochère’), een brug, met aan de buitenkant (‘à l’extérieur’) een paardenstal en een hangar, met daarboven zolders bedekt met pannen. Tegenover de woonvertrekken staat een koetshuis (‘remise’) en een schuur, bedekt met pannen. In de boomgaard staat een bakhuis, bedekt met pannen. Alle gebouwen zijn opgetrokken in steen’.10 Op het eerstvolgende ons bekende kadasterplan (Popp, 1865, afbeelding 12) zien we dat de gebouwen buiten de wal (in de beschrijving van 1839 ‘hangar’ en ‘paardenstal’ genoemd) verdwenen zijn, maar dat binnen de omwalling de grote schuur is bijgebouwd. Aan de noordoostelijke zijde van het hoofdgebouw is eveneens een vleugel bijgebouwd. Op elk van de drie plannen zien we dat de toegangspoort achter de walbrug overbouwd was. Het grote terrein ten zuiden van de hoofdgebouwen heette toepasselijk het ‘Poortveld’ en was eveneens omwald. Op het Popp-plan lijkt die tweede wal aan de staatkant gedempt, maar eigenlijk werd dat deel als (vlas)rootput gebruikt. Momenteel is de tweede wal helemaal verdwenen. Afbeelding 12: Popp-atlas, Tisselt, 1865, detail, RAA
10
RA Antwerpen, Verkoopakte ‘Spagnaerdshof’ door Maria Anna de la Serna aan Dr. André Trumper, 8.4.1839, voor notaris Guillaume Henry Annez, Brussel, Hypotheekkantoor Mechelen, Transcription des actes de mutation, n° 241, art 62. (Zie ook: N. De Saegher & Ph. Quinet, André Dieudonné Trumper, médecin à Bruxelles au XIXe siècle, nr. 6, Archief van de Stad Brussel, 2008) 13
3.3.
De Keukenhoeve in de 18de eeuw
Over het uitzicht van het Spaans Kasteel of de Keukenhoeve in de 18de eeuw hebben we relatief weinig informatie. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat het domein bijna een eeuw lang (van 1679 tot 1767) in onverdeeld bezit is gebleven van de Spaanse familie De Santander (zie paragraaf 4.5.2). Er was in die tijd weinig ‘notariële activiteit’ rond hun bezittingen. Pas in 1767 kwam daar verandering in. Toen werd op vraag van het in Spanje verblijvende deel van de familie overgegaan tot een verdeling van de erfgoederen in de voormalige Spaanse Nederlanden. In de betreffende erfdelingsakte11 krijgen we een goed beeld van het patrimonium en de gronden die bij het landgoed ‘Keukenhoeve’ hoorden (op dat moment ongeveer 39 bunder of 47 hectare, zie hoofdstuk 4: Eigenaars en patrimonium), maar over de gebouwen zelf vernemen we slechts weinig. Er is bij de erfdeling enerzijds sprake van de grote pachthoeve (‘la grande cense’), genoemd ‘la Keukenhoeve’, met ruim 21 bunder grond. De waarde daarvan werd geschat op 18.277 gulden. Daarnaast was er “le château ou maison de plaisance avec la petite cense enclos nommé aussi la Keukenhoeve”, met ruim 18 bunder grond erbij, ter waarde van 15.611 gulden. De hierboven al vermelde ‘tweede pachthoeve’ aan de noordwestelijke kant van de straat had dus blijkbaar een grotere waarde dan het ‘kasteel’ en het kleine pachthof samen. Bij de verkoop van die tweede pachthoeve later dat jaar aan Jan Baptiste Verhulst werd ze omschreven als ‘een groot steenen 12 pachthof, genaempt de Keukenhoeve met den hoff, twee schueren, nieuwe steenen stallingen (zie afbeelding 13). Om een idee te krijgen van het uitzicht van het ‘kasteel’ in die tijd, moeten we ons behelpen met de Ferraris-kaart uit 1776 en een niet gedateerde kaart die te situeren is vóór 1767, wellicht zelfs in de 17de eeuw. Volgens de afbeelding op de Ferraris-kaart (afbeelding 14) had het ‘kasteel’ in 1776 een enigszins andere structuur dan op de kaarten van Gigault en Lebrun in het begin van de 19de eeuw. Gezien de beschadiging van de gebouwen bij de storm van 1800 en de daaropvolgende wederopbouw zou dat uiteraard wel kunnen. We moeten er wel rekening mee houden dat de Ferraris-kaart eigenlijk een stafkaart is en dat de gebouwen mogelijk minder nauwkeurig zijn getekend dan op de gedetailleerde kadastrale plannen van Gigault en Lebrun. Hoe dan ook: volgens de Ferraris-kaart lag de walbrug van het kasteel aan de westkant, vlak tegen de straat, en dus niet aan de zuidkant. De wal zelf had ook andere contouren, met een uitstulping naar het oosten. Er was blijkbaar geen overbouwde poort. De oostelijke vleugel lijkt wat groter te zijn, wat de indruk geeft dat er een soort binnenkoer was.
Afbeelding 13: De ‘tweede pachthoeve’ op de Ferraris-kaart, 1776, KBR
Afbeelding 14: Het Spaans Kasteel op de Ferraris-kaart, 1776, KBR
11
Verdeling erfgoederen Simon de Santander, notaris Franciscus Van Meerbeeck, Brussel, 7 en 14 mei 1767 (RA Anderlecht, Notariaat Generaal van Brabant, inv. 8464) 12 Verkoop pachthof Keukenhoeve aan Jan Baptiste Verhulst, notaris Alexander De Mol, Willebroek, 1.8.1767, registratie Puurse schepenbank 7.9.1767 (AR Antwerpen, OGA Puurs, minuten schepenakten, inv. 36, nr. 65) 14
Op de Ferraris-kaart (afbeelding 14) en ook op die van Gigault (afbeelding 10) en de Atlas der Buurtwegen (afbeelding 11) heeft de hoeve een grondplan dat doet denken aan dat van vele kastelen: een centraal omwald complex en een gebouw in een annex buiten de gracht, in dit geval eveneens omwald. Men zou in die annex de pachthoeve verwachten. Na de heropbouw van het Spaans Kasteel in het begin van de 19de eeuw is dat zeker niet (meer) het geval. Er is alleen sprake van paardenstallen in die annex. Het pachthof bevond zich binnen de hoofdomwalling (cfr. omschrijving 1839 hierboven). Voor de periode vóór 1800 valt de hypothese niet helemaal uit te sluiten, al zijn er toch niet echt concrete aanduidingen in die zin. Ook niet op het belangwekkende plan van het landgoed uit het familiearchief van de nakomelingen van Dr. André Trumper, de Brusselse eigenaar van het Spaans Kasteel tussen 1839 en 189213. Het plan toont een geconcentreerd, aaneengesloten blok gronden rond een ‘Steenen Huys’, dat op de figuratieve afbeelding effectief wel min of meer de allure heeft van een ‘huis van plaisantie’ (zie afbeelding 15). Het plan is niet gedateerd en ook niet gesigneerd door een landmeter. Het is slordig getekend, althans wat de gebouwen betreft. De vraag is dan ook : wie heeft dit plan gemaakt, hoe oud is het en hoe betrouwbaar? Werd met name het ‘Steenen huys’ getekend met enige ‘artistieke vrijheid’ of is het een waarheidsgetrouwe afbeelding? Aangezien het landgoed wordt voorgesteld als één onverdeeld geheel waartoe ook de tweede pachthoeve (‘la grande cense’ waarvan hierboven sprake) nog behoort, moet het plan allicht dateren van voor de erfdeling van 1767. Er zijn zelfs goede redenen om aan te nemen dat het om een kaart uit de de 17 eeuw gaat. De volgorde, beschrijving en grootte van de genummerde percelen komt perfect overeen met die op de aankoopakte van Philippe de San Juan uit 1649. Enkele namen van aangrenzende eigenaars verwijzen ook naar personen die in de 17de eeuw leefden. We komen daar later op terug. De slordige tekenstijl en het onvolmaakte perspectief van de gebouwen duiden er misschien op dat het om een kopie gaat door een niet-professionele hand. Als gevolg van het gebrekkige perspectief is het bijvoorbeeld niet duidelijk of het ‘Steenen huys’ nu al dan niet rond een binnenkoer is gebouwd. Er zijn alleszins twee bouwlagen met telkens vier ramen te onderscheiden, een zadeldak en mogelijk zelfs dakkapellen. Waar zich in dit complex dan de pachthoeve bevond, is niet helemaal duidelijk. Was het een deel van het ‘Steenen huys’? Ook op dit plan zien we buiten de hoofdomwalling, op het ‘Poortevelt’ nog een gebouw(tje), maar in de bijhorende beschrijving wordt niet gezegd dat dit de pachthoeve zou zijn. Daarvoor lijkt het ook te klein.
Afbeelding 15: niet gedateerde kaart, wellicht 17 13
de
eeuw, detail ‘Steenen huys’ (familiearchief Quinet – De Saegher)
Met dank aan Philippe en Nadine Quinet - De Saegher, Waterloo. 15
3.4.
De toestand in de 16de en 17de eeuw
Keren we nog verder terug in de tijd, dan zien we dat er in de oudst bekende vermelding, uit 1551, sprake is van het ‘winhof Hof ter Keuckene’. Een pachthof dus en geen ‘kasteel’, al wordt de 14 ‘hofgracht’ ook dan al vermeld. In 1602, bij de verkoop van een rente die op het landgoed is gehypothekeerd, wordt het ‘Hof ter Keuckene’ omschreven als een ‘steenen huys met schuur, landen, weiden en bossen, grotendeels 15 gelegen in Puurs’. In nog een andere ‘rentebrief’, uit 1606, is er sprake van ‘een steenen huis met neerkamer, bovenkamer en kapelle, een hofgracht errond en een grote poort’16 De aanwezigheid van slechts twee kamers lijkt niet direct op een kasteel te wijzen, maar de vermelding van een ‘kapel’ is wel merkwaardig. In 1615 hypothekeert de toenmalige (deel)eigenaar, jonker Willem De Clercq, het landgoed om een lening aan te gaan. Bij die gelegenheid wordt de ‘Keuckenhoeve’ omschreven als ‘een stenen huis met een schone brede hofgracht errond, een optrekkende brug erover.’17 In 1618 verkopen Willem De Clercq en de andere deeleigenaars aan Cornelio Van den Broecke ‘een grote hoeve Ter Keuckene’, bestaande uit ‘een steenen huis met hof en boomgaard, omwaterd met een hofgracht, land, beemd, bossen en grachten’18 In 1661 leent Don Philippe de San Juan van Don Paulo Melchior de Villegas en daarvoor hypothekeert hij de ‘Keucken Hoeve te Puurs, met grachten rondom en schuren, stallen en 44 bunder grond’. De hoeve bestaat uit ‘een stenen huis met koolhof, boomgaard, ophaalbrug en visvijvers’.19 Hoewel uit het al vermelde pachtcontract uit 1652 blijkt dat er wel degelijk sprake is van een ‘speelhuis’, wordt het landgoed toch veeleer omschreven als ‘hoeve’. Wel wordt geregeld verwezen naar het ‘steenen huis’ (zoals op de kaart op afbeelding 15), de hofgracht, (ophaal)brug en poort, en een enkele keer dus ook naar een kapel : allemaal kenmerken die erop wijzen dat het toch niet zomaar de eerste de beste hoeve was. Dat blijkt ook uit het grote areaal aan gronden dat bij de hoeve hoorde : 44 bunder of bijna 53 hectare. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op dat patrimonium en de eigenaars.
14
Aankoopakte Jan de Carnin, Schepenbank Willebroek, 14.11.1551, RA Antwerpen, OGA Willebroek, inv 1A, (zie ook C. Apers, Schepenbrieven van Willebroek, 2007, deel 1, nr. 116). 15 Rentebrief tvv Francisco Van Jennich, 20.3.1602, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°21v (Chris Apers, Het oudste schepenregister van Puurs, 1600-1628, eigen publicatie, 2012, nr. 65) 16 Rentebrief tvv Bernard Le Ducq, 12.11.1606, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°18r. (idem, nr. 50) 17 Rentebrief tvv Jan Martens, 19.6.1615, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°137r. (idem, nr. 455) 18 Verkoopakte van Hof Ter Keuckene door Guilliam De Clercq aan Cornelio Van den Broecke, 10.10.1619, registratie voor schepenen van Puurs op 10.10.1621, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f° 199v (idem, nr. 602) 19 Rentebrief tvv Melchior de Villegas, 12.8.1661, RA Antwerpen, OGA Willebroek, inv 2B (zie ook C. Apers, Schepenbrieven van Willebroek, 2007, deel 2, nr. 440).
16
4. De eigenaars en het patrimonium van de Keukenhoeve 4.1.
De Keukenhoeve in volle glorie
Vooraleer nader kennis te maken met de eigenaars van de Keukenhoeve geven we eerst een overzicht van de gronden die tot het areaal van het domein behoorden. We doen dat aan de hand van de reeds vermelde, niet gedateerde kaart, die we gemakkelijkheidshalve toch maar ‘Kaart 1649’ noemen, met een verwijzing naar het jaar waarin Philippe de San Juan de Keukenhoeve verwierf. De kaart (afbeelding 16) illustreert alleszins de toestand en de omvang van het domein zoals het in de aankoopakte van 1649 wordt beschreven, al ontbreekt er wel een deel van het plan in het noordoosten. We zien een compact blok van aaneengesloten percelen rond het ‘Steenen huys’. Ze strekken zich enerzijds uit in noordoostelijke richting rond de (Keukenhof)dreef naar de huidige Wolvenweg, vroeger ook wel Vaer(t)winkelstraetje en Breendonkstraetje genoemd (ook op deze kaart trouwens, in de linkerbovenhoek), en anderzijds naar het zuiden, rond de huidige Peeterstraat, vroeger ook Veurtweg genoemd. De percelen worden allemaal met naam en oppervlakte (in roeden) opgesomd. De namen zijn vaak samenstellingen met ‘aert’ (aarde of veld), ‘velt’, ‘bruel’ (weide of beemd), ‘setsel’ (cfr ‘nederzetting’ en Engelse ‘settle’) en opvallend vaak ook ‘bosch’. Ongetwijfeld een toponymisch overblijfsel van het middeleeuwse ‘nemus in Bredendunc’, het Breendonkse bos waarvan de abdij van Kornelimunster in de 13de eeuw een aantal stukken verkocht aan de Heren van Grimbergen. De namen van die gronden komen we in de loop der eeuwen telkens opnieuw tegen. Het gaat in totaal om 36 percelen met een globale oppervlakte van 44,5 bunder (53 hectare). Die oppervlakte had het domein ook al in 16de eeuw. 1) Eerst het steen huys, stallinge, coolhoff ende boomgaert, met sijne optrekende brugge, rontsomme in sijne vischwatere gelegen, groot 334 roeden (400 roeden is 1 bunder of 1.2 hectare20). Dit is de kern van het landgoed, tot op de dag van vandaag. Voor een meer gedetailleerd beeld van het huis, zie afbeelding 15) 2) Het Poortevelt, 441 roeden. De naam spreekt voor zich : het veld dat voor de walbrug en de toegangspoort ligt. De naam wordt ook in de aankoopakte van 1649 gebruikt en dat versterkt de hypothese dat de situering door Ferraris van de walbrug aan de westzijde onnauwkeurig is. Op het Poorteveld staat een gebouwtje afgebeeld, dat in de legende van de kaart niet vermeld wordt, net zo min als in de aankoopakte van 1649. 3) Het stuck daer de schuere op staet, 546 roeden. De aankoopakte van 1649 geeft voor dit perceel exact dezelfde naam, omschrijving en oppervlakte. Hier heeft de kaart dan weer geen gebouw, ondanks de naam. Mogelijk verwijst die naar een oudere toestand. Later wordt dit perceel ‘Het tweede Heyvelt’ genoemd. 4) De weyde genaempt de Haeghe, 427 roeden. 5) Het Heyvelt, 679 roeden. Op de kaart staat een hoeve afgebeeld die niet vermeld is in de legende en ook niet in de aankoopakte van 1649. Het gaat hier om de latere ‘tweede pachthoeve’ (zie hoofdstuk 7). De hoeve is zeer slordig getekend; wellicht is het een latere toevoeging op het plan. Noordwestelijk van dit perceel begon een dreef naar de toenmalige Paelinckstraet (momenteel Veurtstraat : de verbindingsstraat van Breendonk naar Londerzeel). In de Atlas der Buurtwegen (1844) wordt dat pad toepasselijk ‘Keukenhoefweg’ genoemd. Het Heyvelt en hoeve werden in 1767 uit het domein gelicht en verkocht aan Jan Baptiste Verhulst. 6) Het Berghveldeken, 318 roeden. Ook dit perceel verdween in 1767 uit het patrimonium. Op de Ferraris-kaart (1776) zien we dat er een huis op gebouwd is, Uit andere bronnen blijkt dat de woning eigendom is van Antonius Verlinden en zijn echtgenote Anna Catharina Uytenhove. 20
De precieze oppervlakte van een bunder varieerde van regio tot regio. In Puurs werd een eigen maat gehanteerd die ongeveer overeenkwam met die van de Mechelse bunder: 1,2 hectare. 17
Kort daarna (vóór 1787) komt er nog een tweede hofstede bij, net naast het Spaans Kasteel (zie afbeelding 10). De eigenaar, Cornelis De Hertogh, is een voorouder van de huidige eigenaars van het Spaans Kasteel. 7) De Langen Aert, 1099 roeden. Een groot veld (bijna drie bunders), dat bestaat uit twee partijen, maar toch als één geheel wordt beschouwd, ook in de akte van 1649. De Langen Aert vormt samen met de hierna volgende Cleynen Aert en Grooten Aert één compact stuk grond ten zuidwesten van de huidige Peeterstraat, langs ‘Breendonkse kant’, tussen de huidige Bessemstraat en de zogenaamde Heyboschen. 8) De voorste partije inden Cleynen Aert, 305 roeden
Afbeelding 16 : niet gedateerde ‘Kaart 1649’, 37 cm b x 40 cm h. De legende in de rechterbovenhoek geeft de naam en ‘De groote van ider stuck’ (400 roeden is 1 bunder, in Puurs gelijk aan 1.2 hectare). (familiearchief Quinet - De Saegher)
18
9) De achterste partije inden Cleynen Aert, 433 roeden 10) De voorste partije inden Grooten Aert, 600 roeden. 11) De middelsten partije inden Grooten Aert, 590 roeden 12) De achtersten partije inden Grooten Aert, 270 roeden. De drie percelen van de Grooten Aert werden na de erfdeling van 1767 samen met het belendende Promitersbos (nr. 17) verkocht aan Frans Kerremans (op dat moment pachter van het Spaans Kasteel) 13) Het Ramsdonckvelt, 544 roeden, ten noordoosten van de Peeterstraat, aan de ‘Tisseltse kant’. De grens met Ramsdonk ligt vlak in de buurt. 14) Het Juffrouwveldeken, 265 roeden (de naam verwijst allicht naar een vroegere eigenares) 15) Den Verbranden Bosch, 611 roeden (de naam spreekt voor zich) 16) Het Juffrouwboschken, 291 roeden 17) Het Promiters Boschken, 645 roeden. Soms ook Pramieters of Braemieters Bosch genoemd. De naam kan naar braamstruiken verwijzen of naar wortels. In 1767 eveneens verkocht aan Frans Kerremans. 18) De Schaepsdreve, 218 roeden. Dit perceel wordt wel vermeld in de legende, maar is niet afgebeeld op ’Kaart 1649’, net zo min als de percelen 19 tot 23, en 34 en 36. Deze gronden lagen in het noordoosten van het domein, voorbij de Wolvenweg, en daar is blijkbaar een stuk van de kaart verdwenen, zoals ook te zien is aan de scheurlijn. Gelukkig beschikken we nog over een andere kaart, waar de vermelde percelen wél op staan.21 Het gaat om een klein, ietwat slordig geschetst plan (21 cm hoog op 28 cm breed) dat duidelijk een kopie of een afgeleide is van ‘Kaart 1649’. We noemen ze daarom ‘Kaart 1649 bis’ (zie afbeelding 17). Het is vooral deze kleine kaart die ons toelaat beide kaarten te dateren in de 17de eeuw. Er staan immers een aantal namen van aanpalende eigenaars op die effectief in het midden van de 17de eeuw te situeren zijn: Simon Sibens (uiterst links op de detailkaart afbeelding 18) was schepen in Puurs en overleed vóór 1664. Balthazar Borgers (uiterst rechts op afbeelding 18) was schepen in Willebroek, werd geboren rond 1590 en overleed na 1657. Daneel Peeters (linksmidden op afbeelding 18) was in 1664 pachter in de nabijgelegen hoeve De Voort (op de hedendaagse ‘Vijfhoek’ in Breendonk). De enige naam die chronologisch een beetje uit de reeks valt, is die van Nicholas Tersago, vemeld tussen de percelen 27 en 31. Van hem weten we dat hij in 1689 samen met Guilielmus Janssens een perceel grond van drie dagwand (1 dagwand = 100 roeden, 4 dagwand = 1 bunder) kocht, ‘voormalig bos aan de 22 Vaerwinkelstraat’, van Maria Anna van Aebinga . Het zou dus om het op de kaart vermelde perceel kunnen gaan. In dat geval zou de kaart van 1689 of later dateren. In principe is het overigens ook mogelijk dat beide kaarten afgeleiden zijn van het plan dat landmeter Franciscus Van Nijen uit Lippelo in 1706 maakte van het landgoed. Die kaart zelf hebben we niet teruggevonden, maar er wordt wel geregeld naar verwezen in notariële akten, vooral bij de erfdeling van de familie De Santander in 1767. In dat geval is het wel vreemd dat er nog namen van allang overleden eigenaars op staan, al gebeurde dat wel vaker, bijvoorbeeld als het om onverdeelde erfgoederen ging. Hoe dan ook : beide kaarten verwijzen ontegensprekelijk naar een onverdeelde en compacte toestand van de Keukenhoeve, zoals het landgoed eruitzag bij de aankoop door Philippe de San Juan in 1649 en zoals het tot in 1767 zou blijven. Daarom noemen we de kaarten bij voorkeur toch ‘Kaart 1649’ en ‘Kaart 1649 bis’. De nummers van de percelen op de kleine kaart komen niet overeen met die op de grote kaart, maar de namen wel. De ’Schaepsdreve’ vinden we onder nummer 33. De naam verwijst naar de schapenteelt op de omliggende heidegronden.
21
Net als de grote ‘Kaart’ 1649’ komt ze uit het archief van de vroegere eigenaar André Trumper (Met dank aan Philippe en Nadine Quinet - De Saegher, Waterloo). 22 Apers, Chris, De Sint-Annahoeve in Puurs (publicatie in voorbereiding). 19
19) De voorste Brultens aenden draeyboom, 206 roeden (nr 27/28 op kleine kaart). Dit is één van de vijf percelen met de omschrijving ‘bruel’ (beemde, weide) in de naam. Blijkbaar stond er op of nabij dit perceel, dat vlakbij de Wolvenweg lag, een soort slag- of draaiboom. 20) Den grooten Bruel, 460 roeden (nr. 30 op kleine kaart) 21) De middelsten Bruel, 245 roeden (nr. 31a op de kleine kaart) 22) Het achterste Brulten, 327 roeden (nr. 31b op kleine kaart) 23) Het Brulten, 260 roeden (nr. 29 op kleine kaart). Dit is het enige perceel van het landgoed aan de overzijde (noordkant) van de Bosbeek. 24) Het Vaerenwinckelvelt, 930 roeden. Dit grote veld is zowel op de grote als op de kleine kaart (nr 26) afgebeeld. Het ligt in de hoek van de Keukenhoevedreef en de Wolvenweg. Vandaar wellicht het woord ‘winckel’ in de naam. Het tweede lid in het toponiem (Vaeren-, soms ook Vaer- of Vaert- en volgens het huidige kadaster -Vier) heeft vermoedelijk te maken met de nabijgelegen Veurt of Voort: een doorgang of oversteekplaats, al is niet duidelijk van wat. De Bosbeek ligt daarvoor iets te veel naar het oosten. Een verwijzing naar de eveneens nabij gelegen Willebroekse ‘schipvaert’ is het ook niet, want de naam bestond al van vóór het graven van de Vaart (in 1550-1561). Vermoedelijk is de Vaerenwinckel dus de hoek of de bocht in de weg van Tisselt naar de Veurt (via de Wolvenweg). Naast het Vaerenwinckelvelt ligt het Vaerenwinckelbosch (nr 29 op de grote kaart). De percelen worden aan de zuidoostelijke kant begrensd door gronden (opbrengsteigendommen) van ‘Den Krancken van Mechelen’: het hospitaal van het Mechelse begijnhof (momenteel brouwerij Het Anker). 25) De distelvelden in twee partyen, 812 roeden. Een tweedelig perceel aan de noordwestelijke kant van de Keukenhofdreef. 26) De Conynenbergh, 129 roeden. Een omwald perceel bosgrond in de oostelijke hoek van het Poortveld, waarmee het later één geheel zou vormen. De naam suggereert dat het ooit een heuveltje of landverheffing was. 27) Het Calverenbosch, 642 roeden. Een groot perceel bos, ten zuidoosten van de buitenste wal. Samen met de Conynenbergh is dit volgens het plan de enige resterende bosgrond van het domein, al blijkt uit de toponymie dat er vroeger veel meer bossen moeten zijn geweest. Aan de andere zijden is het perceel door dreven omgeven. Voorbij die wegen bevindt zich in het noorden en het oosten een stuk grond van de ‘Krancken van Mechelen’ en in zuidoosten een perceel van de ‘Heilige Geest van Willebroek’. De ‘(Tafel van de) Heilige Geest’ of ‘Armentafel’ was een van oorsprong middeleeuwse instelling die de behoeftigen in een dorp of heerlijkheid steunde. Het was een soort verre voorloper van het OCMW. De instelling haalde haar inkomsten onder meer uit (vaak geschonken) opbrengsteigendommen. Zoals hier dus. 28) Het Crieckbosch, 508 roeden. Ten zuiden van het vorige perceel, in het oosten palend aan de ‘Heilige Geest van Willebroek’. 29) Het Vaerenwinckelbosch, 571 roeden. (zie het Vaerenwinckelvelt hierboven) 30) Het Saeyebosch, 744 roeden, ten zuidwesten van het vorige perceel. De naam kan verwijzen naar een boomplantage of naar de ontginning van het bos als akkerland. 31) Het Scheirboschken, 81 roeden. Een scheir- of schaarbos was een bos met struikgewas of kleine bomen waar hakselhout werd gekapt. 32) Het cleijn setsel, 415 roeden. Gelegen in het noordwesten van het domein, naast de Distelvelden en boven het Scheirboschken. Aan de andere kant grensde het perceel aan een eigendom van de alomtegenwoordige, steenrijke Antwerpse familie De La Faille. De naam ‘setsel’ is verwant met het Engelse ‘to settle’ en ‘nederzetting’. 33) Het groot setsel, 1344 roeden. Met zijn 3.5 bunders (ruim 4 hectare) is dit het grootste perceel in het hele landgoed. 20
34) Het Schoutheerenboschken, 229 roeden. Dit terrein wordt vermeld in de legende, maar is niet afgebeeld op de grote kaart. Het staat wel op de kleine kaart, onder nummer 31. Zoals de naam aangeeft was het vermoedelijk ooit in het bezit van de schout (van Puurs), de politiecommissaris zeg maar. Links op de kaart (noordwest) wordt de ‘schoutheere van Puers’ trouwens ook vermeld als aanpalende eigenaar. 35) Den Verbranden Bosch, 399 roeden. Dit perceel staat weer wel op de grote kaart. Het heeft dezelfde naam als nr 15, maar ligt helemaal aan de andere kant van het domein, in het noordwesten, een beetje los van de andere gronden. Het wordt in het noord- en zuidoosten begrensd door het ‘Slangenbosch’ en in het zuidwesten door de Keukenheide. De kleine kaart geeft onder nummer 40 nog wat extra informatie over dit perceel : ‘Verbranden Bosch of Sleutelbosch’ staat er, en als ‘paalgenoten’ worden Daneel Peeters en ‘Lafaille’ genoemd. 36) Het Bessemboschken, 109 roeden, ten slotte, staat alleen op de kleine kaart, helemaal aan de rechterkant, in het zuidoosten, als nummer 25. De naam verwijst vermoedelijk, net als de nabijgelegen Bessemstraat, naar rijshout dat werd gebruikt om bezems te maken.
Afbeelding 17 : niet gedateerde ‘Kaart 1649 bis’, 26 cm b x 21 cm h. (fam. arch. Quinet) ; het omkaderde gedeelte bovenaan ontbreekt op de grotere ‘Kaart 1649’.
Afbeelding 18 : niet gedateerde ‘Kaart 1649 bis’, detail
21
4.2.
De eerste gekende eigenaars: Huys en De Carnin (< 1551 - ± 1583)
Op 14 november 1551 kocht Jan de Carnin het ‘Hof ter Keuckene’ van Matthijs, Peeter en Jan Huys, de zonen van wijlen Jan Huys23. De familie Huys was een Mechelse poortersfamilie. Hoelang zij het landgoed al in hun bezit hadden, is niet bekend. ‘Meester’ Jan de Carnin was advocaat in de Grote Raad van Mechelen, het hoogste rechtsorgaan in de Nederlanden. Hij werd omstreeks 1525 geboren in Den Haag, maar was afkomstig uit een geslacht dat zijn oorsprong vond in Frans-Vlaanderen. Jan trouwde rond 1549 in Mechelen met Johanna, Jonkvrouw van Stavele (1529-1552). Zij was de dochter van Jacob Van Stavele, een Vlaamse edelman die in 1530 voorzitter werd van het Hof van Friesland, en Johanna De Maeyere. Jan de Carnin en Johanna van Stavele kregen een dochter : Anna de Carnin (±1552-1645). Zij trouwde in 1572 met Robbrecht van Hooff (zie paragraaf 4.3). Johanna van Stavele overleed op 12 december 1552 op 23-jarige leeftijd in Mechelen. Ze werd begraven in SintRombouts. Rond 1558 hertrouwde haar weduwnaar Jan de Carnin, vermoedelijk in Den Haag, met Jacqueline de Malfiance. Die schonk hem één dochter: Catharina de Carnin (± 1560 - > 1605). Zij werd later de gouvernante van de erkende kinderen van prins Maurits (de oudste zoon van Willem van Oranje en Anna Van Saksen) bij zijn minnares Margaretha Van Mechelen. Zoals dat destijds wel vaker gebeurde, betaalde Jan de Carnin het aankoopbedrag van het Hof ter Keuckene niet contant, maar ging hij (eveneens op 14 november 1551) een lening aan bij de verkopers zelf, tegen een erfelijke rente van 231 gulden per jaar. Als hypotheek gebruikte hij het pas verworven goed. Zo’n erfrente werd vaak als ‘waardepapier’ verhandeld. Zo zien we dat de erfrente van 231 gulden op de Keukenhoeve ruim een halve eeuw later nog altijd ‘circuleerde’ : in 1602 en 1606 werden delen ervan verkocht door afstammelingen van de familie Huys.24
Afbeelding 19: aanhef verkoopakte ‘Hoff ter Ceuckene’ door Peeter, Mathys en Jan Huys aan Jan de Carnin (1551)
In transcriptie luidt het begin van de akte als volgt : Meester Jan le Carnin, advocaet tot Mechelen, Wij, scepenen der banck van Willebroeck, saluyt met kennissen der waerheyt, doen te wetene eenen iegelijcke die dese brieven zullen zien oft hooren lesen, dat voir ons meyer ende scepenen 23
Aankoopakte Jan de Carnin, Schepenbank Willebroek, 14.11.1551, RA Antwerpen, OGA Willebroek, inv 1A, (zie ook C. Apers, Schepenbrieven van Willebroek, 2007, deel 1, nr. 116 en 58). 24 Rentebrief tvv Francisco Van Jennich, 20.3.1602, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°21v en Rentebrief tvv Bernard Le Ducq, 12.11.1606, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°18r. (Chris Apers, Het oudste schepenregister van Puurs, 1600-1628, eigen publicatie, 2012, nrs. 65 en 50)
22
voir(noemd), gecompareert zijn in huere propre persoonen, Peeter, Mathijs ende Jan Huys, gebroederen, soenen wijlen Jane Huys zaliger memorien. Ende hebben wel ende wettelijcke gederft ende met wettiger verthydenisse overgegeven tot behoeff meester Jane le Carnin, advocaat postulerende inder Grooten Rade onser Heere den Keysere tot Mechelen, de goeden ende percheelen van erfven naer bescreven, alle onder de heerlijckheyt van Willebroecke gelegen ende byden voirs(eide) opgedragen. Ende v(oirseide) m(eester) Janne le Carnin onder de coop van ‘tHoff ter Cueckene, met diversche andere goeden vercocht, … Het Hof ter Keuckene wordt in bijhorende rentebrief (14.11.1551) een ‘winhof’ (pachthof) genoemd, met ongeveer 20 bunder grond.
Afbeelding 20 : ‘een winhoff, geheeten thoff ter kuekenen’
De gebouwen worden niet beschreven, de gronden wel. Het gaat om : 1. Drie bunder ‘Het Breendonckveld’ aan het Vaerwinckelstraatje tegen het goed van Liesbeth Van Broecke (= wellicht Het Groot Setsel op Kaart 1649, afbeelding 16, nr. 33) 2. Drie bunder ‘Het Distelveld’ naast het vorige, tegen het goed van Chistoffel Van den Eynde en de Hofgracht (cfr Distelveld op Kaart 1649, nr. 25) 3. Vijftien dagwand tegen het goed van de Kranke Begijnen van Mechelen, de Keuckenhoeve en het Vaerwinckelstraatje (= wellicht Vaerwinckelvelt en –Bosch op Kaart 1649, nrs. 24 & 29) 4. Zes dagwand ernaast (= wellicht Saeybosch op Kaart 1649, nr. 30) 5. Drie dagwand tegen het goed van Elisabeth Van den Broecke en Margriet Suyckens 6. Eén dagwand beemd tegen Peeter Magnus en Peeter Daems 7. Eén dagwand tegen het klooster van Roosendael en Andries Daems 8. Zes hont (1 hont is 100 roeden) beemd in den Hoeck tegen Adriaen De Pauw en Peeter De Decker 9. Een halve dagwand in het Gemeen Broeck tegen Jan Verschueren 10. Eén hont beemd aan de Broekstraat tegen Claes Peeters en Liesbeth Peeters (= latere oostzijde van de Vaart) 11. Een halve bunder op de Gaeyens tegen de grond van Jan Roelant en François Robaert (= latere oostzijde van de Vaart) 12. Een halve bunder op de Heulkens naast Hendrik Peeters en Gillis Bogaert (= latere oostzijde van de Vaart) 13. Een halve bunder op Groot Vosselaer 14. Zes hont op Vaerwinckel 15. Eén bunder De Houw op Vaerwinckel tegen het goed van Jan De Borgher 16. Drie dagwand op Breendonk in den Bruele tegen Hendrik Peeters Geertszoon 17. Eén bunder bos op Breendonk tegen Jan Crabbe, priester Van Borre en de Keuckenheide 18. Eén dagwand bos op Vaerwinckel naast het goed van de erfgenamen van Jan Boots We zien dat de beschrijving van de gronden deels, maar niet volledig overeenkomt met die op de Kaart 1649 en Kaart 1649 bis. Sommige percelen zijn perfect te identificeren, andere grosso modo (‘op Vaerwinckel’, ‘op Breendonck’, ‘Groot Vosselaar’ ten oosten van Vaerwinckel) en nog andere nauwelijks of niet. De gronden ten noordoosten van de huidige Peeterstraat, rond de Keukenhofdreef en tegen de Vaerwinckel(straat) worden vermeld, het blok ten zuidwesten van de Peeterstraat blijkbaar niet (het Heyveld, de Grote, Kleine en Lange Aert e.d.m.) Het areaal is ook minder groot dan dat op de kaart (20 tegen 44 bunder). Maar dat wil niet noodzakelijk zeggen dat het patrimonium van de hoeve in 1551 effectief kleiner was dan in de 17de eeuw. Mogelijk worden in deze akte (voor de Willebroekse Schepenbank) alleen de gronden onder Willebroek geregistreerd. Want de Bosbeek was dan wel officieel de grens tussen de heerlijkheden van Puurs en Willebroek, in de praktijk bleek de situatie veel complexer en lagen er ook ten westen van de Bosbeek heel wat percelen die onder Willebroek vielen. Misschien werd de verkoop van de percelen onder Puurs wel in een aparte akte geregisteerd voor de Puurse schepenbank. Maar de Puurse schepenbrieven zijn voor die periode helaas niet bewaard. Een aanwijzing in die zin krijgen we wel in een andere akte voor de Willebroekse
23
schepenbank25 : op 20 januari 1560 leent Jan de Carnin een som geld van jonker Peeter Doublet. De rente van 18 gulden wordt gehypothekeerd ‘op al zijn eigendommen te Willebroek : De Ceuckenhoeve met 5 bunder beemd, 8 bunder bos en 7 bunder landbouwgrond’ (samen 20 bunder zoals in de akte van 1551). Daarnaast is de rente evenwel ook ‘bezet op 22 bunder grond te Puurs’. Hieruit blijkt enerzijds dat de Keukenhoeve ook in de 16de eeuw al 42 bunder grond omvatte (deels in Willebroek en deels in Puurs), en anderzijds dat de hoeve zelf nu eens onder Willebroek en dan weer onder Puurs werd gesitueerd. Tot wanneer de Keukenhoeve precies eigendom is gebleven van Jan de Carnin is niet bekend. In 1581 wordt hij in de Willebroekse schepengriffie alleszins nog als eigenaar vermeld26, maar kort daarna moet de hoeve in het bezit zijn gekomen van Willem Van Hooff.
25
Rentebrief Jan de Carnin tvv Peeter Doublet, Schepenbank Willebroek, 20.1.1560, RA Antwerpen, OGA Willebroek, inv 1A (zie ook C. Apers, Schepenbrieven van Willebroek, 2007, deel 1, nr. 170) 26 OGA Willebroek 20.11.1581 (Jan Carmijn als aanpalende eigenaar van een een verkocht perceel bos in Willebroek) (Idem, nr. 463) 24
4.3.
De familie Van Hooff - De Clercq (± 1583 – 1618)
Willem Van Hooff kan slechts gedurende korte tijd eigenaar zijn geweest van de Keukenhoeve, aangezien Jan de Carnin in 1581 nog in die hoedanigheid vermeld werd en Willem zelf overleed op 9 november 1583. Dát hij de hoeve in zijn bezit heeft gehad, weten we slechts uit de verkoopakte van de Keukenhoeve aan Cornelis Van den Broecke op 22 september 1618 (zie paragraaf 4.4), waar sprake is van de ‘grote hoeve het Hof ter Keuckene (…) het welk jonker Willem Van Hooff, des 27 verkopers vader en grootvader, toebehoort heeft.’ . Willem Van Hooff (1522-1583) stamde uit een adellijk Noord-Nederlands geslacht. Hij was heer van Patinenberg in Naaldwijk, ten westen van Rotterdam. Daar verbleef hij met zijn familie in het slot Honselersdijk, eigendom van de vooraanstaande familie Van Arenberg. Willem was namelijk rentmeester voor de Noord-Nederlandse bezittingen van Jan de Ligne, graaf van Arenberg, erfmaarschalk van Holland, gouverneur van Friesland en heer van Overijssel. Willem trouwde in 1546 in ‘s Gravenhage met Aleydt Van Elderen. Ze kregen drie kinderen: Jossine, Robbrecht en Machtilde. Aleydt overleed in 1582 en haar man het jaar daarop. Beiden werden begraven in de kerk van 28 Naaldwijk. Hun oudste dochter Jossine Van Hooff (1548-1618) trouwde in 1575 met Cornelius Van Reynegom (1538-1616), die het rentmeesterschap van de familie Van Arenberg overnam van zijn schoonvader. De familie Van Reynegom was streng katholiek, net als de familie Van Hooff en hun werkgevers, de Arenbergs. Dat verklaart waarom diverse familieleden tegen het einde van de 16de eeuw onder druk van de protestantse opstandelingen naar de Zuidelijke Nederlanden emigreerden. Zo ook Dierick Van Reynegom, een van de zonen van Cornelius en Jossine, die advocaat werd in de Grote Raad van Mechelen. Robbrecht Van Hooff (1550-1584) trouwde in 1572 met Anna de Carnin, de reeds vermelde dochter van Jan de Carnin. Na hun huwelijk ging het koppel in Anna’s geboortestad Mechelen wonen. Anna’s jongste kinderen, Paulina en Willem, kozen voor het geestelijke leven. Haar oudste dochter Johanna bleef ongehuwd en verwierf heel wat bezittingen in Mechelen. En haar oudste zoon Jan Van Hooff werd net als zijn neef Dierick Van Reynegom advocaat bij de Grote Raad. Hij trad in het huwelijk met Joanna Kerremans, dochter van Regnier Kerremans, gewezen burgemeester, schepen en tresorier van Mechelen. Machtilde Van Hooff (1555-1604) tot slot trouwde in 1577 met jonker Philip De Clercq. Hij was de zoon van Philip De Clerq sr. (overleden in 1563), voormalig burgemeester van Mechelen, commissaris van het leger van Philips II en kapitein van 300 mannen, en Marguerite d’Ardenne (gestorven in 1587). Zelf was Philip jr. schout van Mechelen en tresorier der oorlogen van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Philip overleed op 14 juli 1614.29 Na de dood van hun vader Willem op 9 november 1583 erfden Jossine, Robbrecht en Machtilde en hun respectieve echtgenoten de Keukenhoeve. Hoe en wanneer Willem Van Hooff zelf de Keukenhoeve heeft verworven, hebben we niet kunnen achterhalen. De vader van zijn schoondochter was de vorige eigenaar en het ligt voor de hand te veronderstellen dat die familieband er iets mee te maken heeft. Maar een erfeniskwestie was het zeker niet. De overdracht moet gebeurd zijn tussen 1581 en 1583. Hoe dan ook: tijdens het eigenaarschap van Philip De Clercq en Machtilde Van Hooff (in onverdeeldheid met de andere kinderen Van Hooff) werd de Keukenhoeve omschreven als een
27
Verkoopakte Keukenhoeve aan Cornelis Van Broecke, 22.9.1618, Notaris Van der Venne, Mechelen, f° 203, Stadsarchief Mechelen (bewerking Gaston Roggeman, nr. 5464). Zie ook: Registratie voor schepenbank Puurs op 10.10.1621, RAA, OGA, inv 1A, f° 199v (Chris Apers, o.c., nr. 602). De vermelde verkopers waren dan de nog in leven zijnde kinderen en kleinkinderen van Willem Van Hooff. 28 De informatie over de familie Van Hooff is grotendeels gebaseerd op inlichtingen verschaft door Ted Van Hooff uit Delft, en Benny Croket, auteur van het boek De Canegemhoeve en haar duiventil, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, 1995. De Canegemhoeve in Hingene was lange tijd in het bezit van de familie Van Hooff. 29 J. C. De Vegiano & S. F. de Herckenrode, Nobiliaire des Pays-Bas et du Comté de Bourgogne, Gent, 1870 25
‘steenen huys met schuur, landen, weiden en bossen, grotendeels gelegen in Puurs’ (1602)30 en ‘een steenen huis met neerkamer, bovenkamer en kapelle, een hofgracht errond en een grote poort’ (1606)31 Philip De Clercq en Machtilde Van Hooff hadden vier kinderen : Philip (commandant van een compagnie kurassiers, gesneuveld in Hongarije in 1604), Willem (luitenant van de compagnie van de Prins d’Espinoy, getrouwd met Anne-Marie de Zuutpeene), Marie (gestorven in 1634, gehuwd met Pierre Le Comte,) en Marquerite (overleden in 1613, gehuwd met Philip De Horosco). Na de dood van Philip De Clercq in 1614 bleef de Keukenhoeve in onverdeelde eigendom van zijn eigen nog levende kinderen – Willem en Marie – én de kinderen Van Hooff. Op 19 juni 1615 gebruikten jonker Willem De Clercq en zijn echtgenote ‘Anna’ (sic) Van Zuutpene hun deel van de hoeve als onderpand bij een lening: hun rentmeester Joos De Vos leende in naam van de jonker een som geld van Jan Martens, poorter uit Brussel, tegen een rente van 100 gulden per jaar en met als hypotheek zijn ‘derde deel’ in volgende eigendommen: ‘een stenen huis met een schone brede hofgracht errond, een optrekkende brug erover, een boomgaard en een half bunder grond, geheten “De Keuckenhoeve”. En verder volgende gronden : 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20.
“Het Brouwersveld”, twee dagwand “Het Raemsdonckveld”, vijf dagwand groot. “Het Breendonckveld”, van vijf dagwand. “Het Juffrouw Veldeke”, twee dagwand groot. twee bijzondere stukken voor de hoeve, één bunder groot twee percelen “De Distelvelden” waar een ‘leike’ (wegje) met eiken doorloopt, twee dagwand. een veld “Het Heycken”, negen bunder groot. drie bunder beemd aan de beek. één bunder beemd ten oosten van de vaart. één bunder ten westen van de vaart. “De Juffrouwen Bosch”, twee dagwand groot. één bunder bos ernaast. zes dagwand bos “De Pramenter”. “Het Claverbosch” bij de hofgracht, zes dagwand groot. zes dagwand “Den Eesterbosch” bij “het Vaerwinckelbos”. één gemet bos, ook bij “het Vaertwinckel”. één dagwand bos bij “de Draeyboom”. drie bunder bos “Het Grootsetsel” . vijf dagwand bos bij “het Eesterveld”. een schone dreef naar de hoeve, drie dagwand.
De jonker en zijn vrouw bezaten van dit alles een derde deel in eigendom, verspreid over Puurs, 32 Tisselt, Willebroek en Ruisbroek. Als we deze opsomming vergelijken met het beschreven areaal in 1551, dan zien we een aantal gelijkenissen en verschillen. Namen als het Breendonkveld, Ramsdonkveld en Distelveld komen terug, maar er worden ook gronden vermeld die in 1551 niet specifiek werden genoemd, maar die we wel kunnen lokaliseren op ‘Kaart 1649’ (afbeelding 16), zoals het Juffrouwveldeke, het Juffrouwenbosch, ‘een bunder bos daarnaast’ (wellicht het ‘Verbrande bosch’ op de kaart, in 1615 dus blijkbaar nog intact), het Claverbosch, ‘Pramenter’-bos, het Grootsetsel, het bos bij de Draeyboom. In tegenstelling met de situatie in 1551 – toen men nog maar net was begonnen met het graven van de Vaart – wordt nu wel expliciet het onderscheid gemaakt tussen gond ten westen en ten oosten van de Vaart (één bunder, wellicht de Gaeyens en Heulkens van 1551). Verder is er sprake van een groot veld ‘Het Heycken’ (9 bunder) : vermoedelijk gaat het hier om (een deel van) de percelen ten zuiden van de huidige Peeterstraat (in 1551 niet vemeld; het Heyvelt en aanpalende percelen op Kaart 1649). Ook ‘de drie bunder beemd aan de beek’ moeten we wellicht daar situeren.
30
Rentebrief tvv Francisco Van Jennich, 20.3.1602, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f° 21v (Chris Apers, o.c., nr. 65) 31 Rentebrief tvv Bernard Le Ducq, 12.11.1606, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv 1, f°18r. (Idem, nr. 50) 32 Rentebrief Willem De Clercq tvv Jan Martens, 19.6.1615, OGA Puurs, inv 1, f° 137r (Idem, nr. 455) 26
In 1618 verkopen de families De Clercq en Van Hooff de Keukenhoeve aan Cornelis Van den Broecke.
4.4.
De familie Van den Broecke - Leijniers (1618 - 1649)
Cornelis Van den Broecke, die zich naar de mode van de (Spaanse) tijd ook wel Cornelio liet noemen, was ‘commissaris van hunne hoogheden’ (de aartshertogen Albrecht en Isabella, regenten van 1598 tot 1621) en later ‘commissaris van den leger van sijne majesteijt’ (Filips IV, die het bestuur over de Zuidelijke Nederlanden overnam in 1621). Cornelis was getrouwd met Johanna Van der Smissen. Op 22 septeber 1618 kocht Cornelis Van de Broecke de Keukenhoeve van jonker Willem De Clercq en Marie De Clercq (getrouwd met Pieter Le Comte), kinderen van Philip De Clercq en Machteld Van Hooff, enerzijds; en anderzijds van Dierik Van Reyneghom, advocaat in de Grote Raad van Mechelen en zoon van Cornelis Van Reyneghom en Jossine Van Hooff; en van juffrouw Anna de Carnin, weduwe van Robert Van Hooff, haar zoon Jan Van Hooff, eveneens advocaat in de Grote Raad, en haar dochter Johanna Van Hooff. Bij de verkoop voor notaris Van der Venne te Mechelen fungeerde de Willebroekse schepen Rombout Van Leuven als gevolmachtigde van Cornelis Van de Broecke. De ‘grote hoeve het Hof ter Keuckene’ werd omschreven als ‘stenen huis, met hof en boomgaard, omwaterd met een hofgracht, land, beemd, bossen en grachten, samen 44,5 bunder, gelegen in Puurs, Willebroek en Tisselt, waarvan 19 bunder in Puurs’. De hoeve werd verkocht voor 14.500 gulden.33 Cornelis Van den Broecke overleed vóór 1636: dat jaar werd Johanna Van der Smissen immers weduwe genoemd.34 Later werd de hoeve vererfd aan hun dochter Johanna Van den Broecke en haar echtgenoot Daniel Leijniers, rentmeester van de stad Brussel en een telg uit een geslacht van vooraanstaande tapijtwevers. Zij verkochten het landgoed in 1649 aan Don Philippe de San Juan.
4.5.
De Spaanse connectie (1649 - 1839)
Door het huwelijk van Filips de Schone met Johanna van Castilië in 1496 werden de Bourgondische Nederlanden in een ‘personele unie’ verbonden met het Spaanse koninkrijk. Tijdens het bewind van hun zoon, Keizer Karel (1500 – 1558), was voor de Nederlanden nog een relatief belangrijke rol weggelegd in die alliantie, maar zijn zoon Filips II (1527-1598) was een uitgesproken Spaanse vorst die de ‘Spaanse Nederlanden’ vooral als een provincie en een wingewest van zijn uitgestrekte rijk beschouwde. Tijdens de 80-jarige oorlog scheurden de Noordelijke Nederlanden zich af van het Spaanse rijk. De Zuidelijke Nederlanden kwamen meer en meer onder direct Spaans bewind en werden bestuurd door Spaanse landvoogden : eerst ijzervreters als Alva, Requesens en Farnese, en later de meer pragmatische Infante Isabella (dochter van Filips II, 1566-1633) en haar man Albrecht van Oostenrijk (1559-1621). Wat zij allen evenwel gemeen hadden, was hun Spaanse entourage. Ministers, adviseurs, administratie, hofhouding, enz.: het waren haast allemaal Spanjaarden. Eén van die Spaanse inwijkelingen in de Nederlanden was Pedro de San Juan.
4.5.1. De familie de San Juan (1649 - 1679)35 Pedro de San Juan was de zoon van Martin de San Juan en Bernardina de Lucas. Hij werd geboren rond 1580, wellicht in Laredo, in de buurt van de Cantabrische stad Santander. Dat vermoeden wordt versterkt door het feit dat hij in notariële akten geregeld vermeld wordt als ‘ridder van de orde van Sint Jacob’, de meest Cantabrische aller heiligen. Zijn zuster Magdalena werd alleszins in Laredo geboren en zijn latere erfgenamen hadden eveneens hun roots in Santander. Wanneer Don Pedro precies 33
Verkoopakte Keukenhoeve aan Cornelis Van Broecke, 22.9.1618, Notaris Van der Venne, Mechelen, f° 203, Stadsarchief Mechelen (bewerking Gaston Roggeman, nr. 5464). Zie ook: Registratie voor schepenbank Puurs op 10.10.1621, RAA, OGA Puurs, inv 1A, f° 199v (Chris Apers, o.c. nr. 602) 34 Ze betaalt dan een rente van 312 gulden terug aan Symon Portier, gehypothekeerd op de Keukenhoeve ; in een niet specifiek gedateerde akte uit 1636 voor de Willebroekse schepenbank, ARA, OGA Willebroek, 1B, f° 120r (zie C. Apers, o.c., nr. 1067). 35 Het verhaal van de familie de San Juan en hun opvolgers (Santander en de la Serna) is vrij complex. De erfdelingen verliepen niet altijd in rechte lijn. Om de opeenvolging van de Spaanse eigenaars van de Keukenhoeve wat aanschouwelijker te maken, hebben we een rudimentaire familiestamboom opgesteld: zie afbeelding 23, p. 33. 27
naar de Nederlanden is gekomen, is niet bekend. In 1606 verbleef hij hier alleszins al, want van dat jaar dateert een brief, door hem ondertekend als ‘legeraanvoerder’ te Brussel (zie afbeelding 21). In 1618 werd hij, samen met Matheo de Urquina, door aartshertog Albrecht tot secretaris van Staat en Oorlog benoemd in opvolging van Juan de Mancicidor. De Urquina was belast met de militaire correspondentie, decreten en consulten, terwijl San Juan de diplomatieke aangelegenheden onder 36 zijn bevoegdheid had. De ‘secretaris van Staat’ was eigenlijk een minister, zoals blijkt uit een toelichting van Henri Pirenne in zijn Geschiedenis van België : ‘Onder Albert en Isabella worden de belangrijkste vraagstukken der algemene politiek voorbehouden aan kabinet-junta's, samengesteld uit Spinola, de graaf van Hannover, de biechtvader fra Inigo de Brizuela, Juan de Villela, Juan 37 Mancicidor, Pedro de San Juan, enz. Rond die tijd was Don Pedro al goed ‘gesetteld’ in onze regio. Hij was getrouwd met een Vlaamse vrouw, Cornelia De Mens (soms ook Le Meus, Le Mens en Lemmens genoemd). Ze kregen minstens twee kinderen : Louis-Pierre (°1619) en Philippe (°1623). In de jaren ’20 verwierf het echtpaar San Juan – De Mens diverse eigendommen, onder meer een herenhuis in de Brusselse Hoogstraat (1622), een pachthof in SintKwintens-Lennik (1624), een deel van de ‘tienden’ van Gooik (1624), een kasteeltje en pachthoeve in Gosselies (1627) en een pachthof in Linkebeek. Afbeelding 21 : handtekening Pedro de San Juan, 1606, Stedelijk Museum Oudenaarde.
Wanneer Pedro de San Juan is overleden, is niet bekend, maar in 1636 liet hij in zijn testament stipuleren dat al zijn eigendommen zouden toekomen aan zijn kinderen, in eerste instantie zijn oudste zoon, maar wel als ‘fidei commis’, wat erop neerkwam dat indien zijn kinderen zelf geen nakomelingen zouden hebben, de goederen zouden ‘terugkeren’ naar de erflater om vervolgens naar diens eerstvolgende wettige erfgenaam over te gaan. Het was een systeem dat werd gebruikt om te beletten dat familiegoederen in ‘vreemde’ handen (schoonfamilie) zouden terechtkomen. Dat was trouwens precies wat er niet zo lang daarvoor – op macropolitiek niveau – was gebeurd met de Spaanse Nederlanden. Filips II had ze als erfgoed geschonken aan zijn dochter Isabella onder het regime van ‘fidei commis’. Ze had er bij leven het vruchtgebruik van, maar omdat ze kinderloos stierf, ging de ‘provincie’ terug naar de Spaanse kroon, meer bepaald naar Filips IV. In 1649 kocht Philippe de San Juan, de jongste zoon van Pedro, de Keukenhoeve van Daniël Leijniers en Johanna Van den Broeck. De aankoopakte werd op 14 oktober 1649 verleden voor notaris Gerardi te Brussel en ze werd geregistreerd door de schepenbanken van Puurs en Tisselt, respectievelijk op 38 16 oktober en 4 november. Philippe was toen 26 jaar. Hij was nog niet getrouwd en een titel of functie wordt ook niet vermeld. Wel wordt in beide akten expliciet gesteld dat hij de zoon was ‘van wijlen heer Pedro de San Juan, in sijn leven Ridder van d’ordre van Sint Jacob, raedt van oorlog ende secretaris van sijne majestijt’. Verder leggen de registratieakten van Puurs en Tisselt nogal andere accenten. Die van Tisselt werd verleden voor substituut meier Guilliam Van Camp en de schepenen Merten Casens en Jan Van der Stede, en ondertekend door Jan Servrancx. De akte vermeldt de aankoopprijs - 33.000 gulden – en omschrijft de Keukenhoeve als ‘sekere hunne hoeve groot omtrent vierenveertig bunder (…) constituerende soo in winnende landen, als weijden ende bosschen’. Verder wordt het patrimonium niet beschreven, maar er wordt wel nadrukkelijk vermeld dat ‘de goederen hierboven beschreven, sullen aannemen de natuere van fidei commis, geordonneert ende gedeclareert bij den testament van wijlen den voorschreven vader’. Waarom dat precies zo gebeurde, is onduidelijk. Misschien gebruikte Philippe voor de aankoop middelen uit de erfenis van zijn vader.
36
P. Janssens, Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. III, Mattheo de Urquina (Brussel 1968) H. Pirenne, Geschiedenis van België. Deel 4. De staatkundige en godsdienstige omwenteling, Gent, 1925, p. 390. 38 Van beide registratieakten bevindt zich een kopie in het familiearchief van Philippe en Nadine Quinet - De Saegher, nakomelingen van André Trumper, de 19de eeuwse eigenaar van de Keukenhoeve. Die heeft ze wellicht als historische eigendomstitels meegekregen bij de aankoop van de hoeve in 1839. 37
28
De registratieakte van Puurs werd opgesteld in aanwezigheid van Symon Sybens, Adriaen Coeck en Adriaen Goovaerts, ‘schepenen mijns eerw. Heer Judocus Gillis, prelaet van Sinte Bernaerts binnen sijnen eygendomme ende heerlijckheit van Puers’. Als meier wordt Jan Van Wangen vermeld. De verkopers lieten zich vertegenwoordigen door jonkheer Philippe Van Dycke. Deze akte, die werd ondertekend door J. De Masener, geeft in tegenstelling tot die van Tisselt wél een gedetailleerde beschrijving van de goederen, of tenminste toch van de landerijen. De verkoop behelst ‘sekere hoeve soo deselve gestaen ende gelegen is rontsomme het waeter, met schueren, stallingen, appendenties en dependenties, gelegen binnen dese heerlijckheit en eygendomme van Puers, groot int geheel omtrent de vierenveertig bunders. De beschrijving van de percelen komt perfect overeen met de opsomming en situering van de gronden op ‘Kaart 1649’ en ‘1649 bis’ (zie hoger) : 1. ‘Inden eersten’ de coolhof ende boomgaerden rontsomme sijne hofwaeters, groot drie dagwand ende vierendertig roeden. 2. Het Poortvelt, paelende aen drije sijden sijn hofwaeters, groot 441 roeden 3. Een stuck lants daer de schuere op staet, paelende oost den hofgracht, suijt den grooten aert, west de cleijnen aert en noort de Haeghe, groot 546 roeden 4. De Haeghe, oost de heirbaene, suijt het voorschrevene, west de Langen Aert, noort het Heyvelt, groot 427 roeden 5. Het Heyvelt, in twee partijen, paelende suijt het voorschreven, west de Bosschen, noort de Ceuckenheijde en oost het Bergveldeken, groot 679 roeden. 6. Etc. Tot en met perceel 15 (Verbranden Bosch) is de volgorde en de beschrijving van de percelen in de akte identiek aan ‘Kaart 1649’. Dan worden in de akte twee percelen ‘overgeslagen’ (het ‘Jouffrouboschken’ en het ‘Prometiersboschken’). Die worden verderop in de akte bijgevoegd (als nrs. 27 en 28), en vanaf nummer 29 zijn de kaart en de akte opnieuw identiek. Philippe de San Juan trouwde later met Catharina De Zoete, mogelijk een nakomeling van Nicolaas De Zoete, secretaris van de Grote Raad in de tweede helft van de 16de eeuw, en dichteres Catharina Boudewijns. Philippe overleed in 1679 en dan trad de successieregel van de fidei commis effectief in werking, want zowel zijn oudere broer Luis Pedro als hijzelf stierven kinderloos. Daardoor kwam het erfgoed van hun vader Pedro de San Juan in handen van diens eerstvolgende wettige erfgenaam: Simon de Santander San Juan. Hij was de zoon van Don Pedro’s zuster Magdalena en Augustin de Santander, en had naar Spaanse gewoonte de naam van zijn vader én moeder overgenomen. Voor Catherine De Zoete, de weduwe van Philippe, was de fidei commis uiteraard nadelig en zij probeerde de regeling juridisch aan te vechten. Ze kreeg daarvoor de steun van haar schoonzus Marie Robertine Despomereaux, weduwe van Luis Pedro de San Juan en later getrouwd met N. Bouton, fiscaal adviseur bij de Raad van Brabant. Die laatste spande in naam van zijn echtgenote en schoonzus een proces aan tegen Simon de Santander, maar de rechtbank verklaarde op 3 juni 1679 dat ‘le testament de feu le secrétaire Don Pedro de San Juan fauct le 13 d’aout 1636 doit sortir son 39 plaein effect’. Het vonnis wordt op 19 april 1680 geregistreerd voor de schepenbank van Puurs. Later dat jaar wordt dat vonnis blijkbaar wel aangepast en verkrijgt Catharina De Zoete toch het vruchtgebruik ‘van het pachthof geheten ‘De Keuckenhoeve’, opgebouwd zijnde door haere overleden man’.40 Dat laatste is wel vreemd, want zoals we weten, heeft Philippe de San Juan de Keukenhoeve helemaal niet zelf gebouwd. Zou het kunnen dat hier niet naar het hoofdgebouw wordt verwezen, maar naar de tweede pachthoeve, aan de noordwestkant van de straat, waarvan inderdaad niet bekend is wie ze heeft gebouwd en wanneer? (Zie hoofdstuk 7, De tweede pachthoeve) Hoe dan ook : Simon de Santander wordt wel degelijk de nieuwe eigenaar van de Keukenhoeve.
4.5.2. De familie de Santander (1679 - 1813) Het proces van 1679 is niet het enige dat Simon de Santander San Juan heeft moeten voeren om zijn rechten te laten gelden op het erfgoed van Don Pedro de San Juan. Bij de erfdeling van de familie de Santander in 1767 (zie verder) worden – naast het proces van 1679 tegen N. Bouton – ‘revisionele 39
Acte en vonisse tot laste vanden Heer Bouton, Schepenbank Puurs, dd 19.4.1680, RA OGA Puurs, inv. 2, f° 138r (C. Verstrepen, Schepenbrieven Puurs, Jaarboek van de Vereniging van Heemkunde in Klein-Brabant, 2011, nr .53) 40 Interdictie ten behoeffne van vrouwe Catharina Soete, weduwe van Jonker de San Juan tot laste van Sr. Santander de San Juan, idem, f° 183r (C. Verstrepen, o.c., nr. 73) 29
vonnissen’ vermeld in 1686, 1691, 1692, 1694 en 1705, telkens over betwistingen tussen Simon de Santander San Juan (of zijn weduwe of nakomelingen) en andere familieleden die aanspraak maakten op (een deel van) de bezittingen van Don Pedro. Maar in elk van die processen werden de Santanders in het gelijk gesteld. Simon de Santander San Juan was getrouwd met Doña Maria Santos de Rada. Hij overleed in maart 1689 in Brussel. Zij hadden vier kinderen : Augustin, Simon, Jean en François. Ook bij de dood van Simon werd de erfdeling weer geregeld volgens het systeem van de fidei commis, zodat zijn oudste zoon, Augustin, de volledige erfenis zou krijgen. Maar Augustin stierf in 1703 op zijn beurt zonder kinderen en het erfgoed kwam daardoor toe aan zijn broer, Simon de Santander Rada, ‘adviseur van de katholieke koning en hoofdcommissaris van de koninklijke wacht’. Die trouwde twee keer. Eerst met Doña Antonia de Zorilla San Martin. Uit dat huwelijk sproot één zoon voort : Jean-Emmanuel de Santander Zorilla. Na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwde Simon met Doña Juana de Rada. Ook zij schonk hem een zoon : Simon de Santander Rada jr. Simon de Santander Rada sr. overleed in 1737 en liet zijn bezittingen andermaal als fidei commis over aan zijn oudste zoon : Don Jean-Emmanuel. Die werd priester en tevens ‘eerste bibliothecaris van de koning in Madrid’. Hij schonk zijn erfrecht aan zijn jongere broer Don Simon de Santander Rada jr. Die laatste was in het midden van de 18de eeuw zowat de enige van de nakomelingen van Don Pedro de San Juan die niet naar Spanje was teruggekeerd, maar nog altijd in Brussel verbleef, meer bepaald in de voorouderlijke residentie de Kattenpoort in Brussel. Simon de Santander Rada jr. was net als zijn broer een echte boekenliefhebber. Hij bezat een formidabele bibliotheek. Maar in oktober 1767 besloot hij die van de hand te doen. De verkoopscatalogus van de verzameling van meer dan 1850 waardevolle werken is nog altijd een ‘collector’s item’ bij hedendaagse bibliofielen. Op de frontpagina zien we dat Simon de naam van zijn voorouders aanneemt (San Juan), dat hij zich ‘ecuier’ (jonkheer) noemt en ‘secretaire de sa Majesté Catholique’, maar vooral ook ‘seigneur d’Hodiarbois & de Keuckenhof’. (zie afbeeding 22) Strikt genomen klopte die laatste titel evenwel niet meer. Don Simon was het erfrecht op de Keukenhoeve eerder dat jaar namelijk kwijtgespeeld in een gerechtelijk dispuut met zijn Spaanse neven en nichten. De kinderen van zijn oom Juan de Santander waren het niet eens met de erfrechtelijke gang van zaken waarbij Simon op basis van de fidei commis-regeling het volledige patrimonium van hun gezamenlijke grootvader Simon de Santander de Oude claimde. Ze begonnen in 1766 voor de Raad van Brabant een proces tegen Simon. Ze kregen gelijk en dat leidde tot een veroordeling van Don Simon en daarna tot een minnelijke schikking in 1767, waarbij de erfgoederen van Simon de Santander de Oude werden verdeeld onder de nakomelingen van diens zonen Simon, Jean (Juan) en François (Francisco).41 Afbeelding 22 : Voorblad verkoopscatalogus van de bibliotheek van Simon de Santander, ‘Ecuier, Seigneur d’Hodiarbois & de Keuckenhof, Secretaire de Sa Malesté Catholique’, 1767
Dat proces en de financiële verplichtingen die eruit voortvloeiden, bieden wellicht ook de verklaring van de voor vele tijdgenoten en hedendaagse waarnemers onbegrijpelijke verkoop van de boekencollectie: Simon de Santander had het geld nodig, vooral ook omdat hij in de erfdeling nogal wat contant moest bijpassen.
41
De hele successiekroniek van de families De San Juan en de Santander wordt uit de doeken gedaan in diverse documenten die verband houden met het proces van 1766 (o.a Vonnissen in het proces tegen Don Simon de Santander San Juan, 24.4.1766 & 27.5.1766 & 26.11.1766 en het akkoord op 4 en 5.12 1766, RA Anderlecht, Raad van Brabant, Inv. 5845). 30
4.5.3. De erfdeling van de familie de Santander (1767) Overeenkomstig het vonnis en de daaropvolgende minnelijke schikking tussen de nakomelingen van Don Simon de Santander de Oude werden diens bezittingen op 7 mei 1767 verdeeld : in eerste instantie tussen zijn drie zonen, die ondertussen allang overleden waren, en in een tweede fase 42 tussen die hun kinderen. De verdeling gebeurde voor notaris Franciscus Van Meerbeeck in Brussel. Het ging om veel meer eigendommen dan de Keukenhoeve alleen, maar voor de (toen nog) Breendonkse hoeve betekende de erfdeling vooral een versnippering na een eeuwenlange periode van onverdeeldheid. De erfgenamen de Santander werden vertegenwoordigd door : Don Simon de Santander Rada jr. Hij vertegenwoordigde 1. Zichzelf, als zoon van Don Simon de Santandar Rada sr. 2. Zijn (half)broer Jean-Emmanuel de Santander Zorilla, priester en eerste bibliothecaris van de katholieke koning te Madrid 3. Clara Antoinette de Santander Carcia de Cilla, echtgenote van Joachim Rodriguez de Artea en dochter van Jean de Santander, bij leven gouverneur en kapitein-generaal van de provincie Vilalba 4. Maria Assumption de Santander, eveneens dochter van Jean de Santander, religieuze in het klooster van Santa Clara in Castro Urdiales, nabij Laredo. Don Joachim Gomez Rio, uit Laredo. Hij vertegenwoordigde 1. Zijn echtgenote Doña Maria Antoinette de Santander, dochter van Jean de Santander 2. Don Jean Antoine de Santander, commissaris van oorlog van de katholieke koning, zoon van Jean de Santander 3. Doña Maria Francisca de Santander, dochter van Jean de Santander en weduwe van Joseph Benoit Zarauz Velez 4. Doña Françoise Bonaventura de Santander, dochter van Jean de Santander en echtgenote van Francisco Xavier de la Peña, ontvanger van het kerkelijk tribunaal van de stad Santander. Don Simon de Santander Rada sr. had dus twee kinderen43 en zijn broer Jean de Santander had er zes. Alle acht waren ze volgens het testament van 24 april 1760 ook erfgenamen van de derde zoon van Simon de Santander de Oude : de kinderloze Don François de Santander, bij leven eerste officier van de tresorie-generaal van de Nederlanden. De totale waarde van het erfgoed werd op 120.000 gulden geschat, te verdelen in drie loten van 40.000 gulden : één voor Simon, één voor Jean en één voor François. Naast de Keukenhoeve (die in totaal op 35.000 gulden werd geschat), bevatte het erfgoed onder meer ook het herenhuis de Kattepoort in de Hoogstraat te Brussel (Marollen), bewoond door Simon de Santander (geschat op 16.200 gulden), het pachthof ‘t Hof ter Heyde met 34 bunder grond in Sint-KwintensLennik (geschat op 24.500 gulden), het pachthof van Hodiarbois met 54 bunder grond te Gosselies (geschat op 13.725 gulden), het pachthof ‘t Hof ten Blusten met 28 bunder grond in Linkebeek (geschat op 23.000 gulden) en nog een aantal andere goederen. Verder was er ook nog het kasteel van Hodiarbois, maar dat was een leengoed en werd buiten de erfdeling gehouden. (zie afbeelding 23, hierboven) Al bij de eerste verdeling in drie loten werd de Keukenhoeve gesplitst : la grande cense (…) nommée le Keukenhoeve (het groot pachthof, aan de zuidwestkant van de straat) ging met 21 bunder gronden naar de erfgenamen van Don Juan (Lot B). De waarde ervan werd geschat op 18.277 gulden.
42
Verdeling erfgoederen van wijlen Simon de Santander de Oude, 7.5.1767, Notaris Franciscus Van Meerbeeck, RA Anderlecht, Notariaat generaal van Brabant, inv. 8464. 43 Eigenlijk had hij bij zijn tweede echtgenote (Juana de Rada) ook nog een dochter (Isabella, x Sebastian de la Serna), maar die wordt om een of andere reden niet vermeld bij deze erfdeling. 31
Naast het pachthof en de ‘helft van de weg’ betrof het volgende gronden (zie ‘Kaart 1649’, afbeelding 16): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18.
Het tweede deel van het Heyveld Het Tweede Heyveld De Haeghe Bergveldeken Eerste deel van de Grooten Aert Middelste deel van de Grooten Aert Achterste deel van de Grooten Aert Grooten Bruel Middelsten Bruel Achtersten Bruel Distelvelden Pramieters Bosch Scheirboschken Kleijn Setsel Groot Setsel Schoutheeren Boschken Sleutelbosch Schaepsdreve
De percelen hebben allemaal een nummer dat volgens de akte verwijst naar het plan van landmeter F. Van Nijen van september 1706 (zie hoger). De nummering komt niet overeen met die op ‘Kaart 1649’. Het tweede deel van de Keukenhoeve (le château ou maison de plaisance avec la petite cense enclos, entourré des eaux et fosses nommé aussi la Keukenhoeve) ging samen met de helft van de weg en de dreef (‘van het Breendonkstraetje of Vaerwinckel naar het kasteel’), en 18 bunder grond naar de erfgenamen van Don François (Lot C). Het werd geschat op 15.611 gulden ; ondanks het ‘kasteel’ dus minder dan de ‘grote pachthoeve’. De bijhorende percelen grond waren : 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
Poorteveld Ramsdonckveld Joffrouveld Verbrand bosch Voorste Bruelens Bruelken Naamloos stuk Vaerwinckelveld Konijnenberg Kalverenbosch Krieckbosch Vaerwinckelbosch Saeybosch Bessemboschen
Als we de vergelijking maken met de situatie in 1649 (de laatst beschikbare globale inventaris van het patrimonium van de hoeve), dan zien we dat de totale oppervlakte van het grondareaal wat verminderd is : 39 bunders tegenover 44. Van de ‘Cleijnen Aert’ en de ‘Langen Aert’ (samen 4.5 bunder) is hier geen sprake meer. Na de verdeling over de drie loten werd de Keukenhoeve nog verder versnipperd : Lot B moest immers opgesplitst worden in zes delen, elk met een waarde van 6683 gulden (voor de zes kinderen van Jean de Santander). De eerste drie loten hadden betrekking op de Keukenhoeve. Lot B1 - de ‘Grote Pachthoeve’ met het Tweede deel van het Heyveld, het Tweede Heyveld, de Haeghe, Bergveldeken, Scheirbosch en Distelveld (samen 7 bunder) – ging naar Doña Françoise Bonaventura de Santander en haar man François Xavier de la Peña. Enkele maanden later, in augustus 1767 verkochten zij de pachthoeve met de helft van de grond (3.5 bunder) voor 5623 gulden aan Jan-Baptiste Verhulst uit Willebroek (zie hoofdstuk 7). Een stuk boven de geschatte waarde dus.
32
Lot B2 – het Pramieters Bosch, het Eerste, Middelste en Laatste stuk van de Grooten Aert en het Sleutelbosch (samen 6 bunder en 2 dagwand) – ging naar Doña Maria Antoinette de Santander en haar echtgenoot Joachim Gomez Rio. Zij verkochten deze gronden (behalve het Sleutelbos) op 13 augustus voor 6529 gulden aan Frans Kerremans, de pachter van de ‘kleine pachthoeve’ en het ‘kasteel’ (zie paragraaf 5.3). Lot B3 – Grooten Bruel, Middelsten Bruel, Achtersten Bruel, Schoutheeren Bosch, Cleijn Setsel, Groot Setsel en Schaepsdreve (samen 7 bunder en 1 dagwand) - ging naar Jean-Antoine de Santander. Ook lot C (toegewezen aan de kinderloze François de Santander), moest verdeeld worden, met name tussen al zijn erfgenamen, zowel die vertegenwoordigd door Simon de Santander als degenen die werden vertegenwoordigd door Don Joachim Gomez Rio. Lot C1 – het kasteel en de kleine pachthoeve van het Keukenhof – werd toegewezen aan deze laatste groep erfgenamen, die allemaal in Spanje woonden. Zij zouden het landgoed decennia lang in onverdeeldheid houden. In de loop der jaren wist Simon de Santander Rada jr., de enige van de familie die nog wel in de Nederlanden verbleef, er twee vijfden van te verwerven : in 1790 kocht hij het erfdeel van zijn nicht Doña Maria Antoinette de Santander (en haar echtgenoot Don Joachim Gomez Rio) en eerder al had hij een vijfde deel gekregen van zijn halfbroer, priester Jean-Emmanuel de Santander Zorilla. Die had het op zijn beurt als schenking ontvangen van zijn nicht, de kloosterlinge Maria Assumption de Santander. De resterende drie vijfden bleven in handen van de Spaanse tak van de familie. Pas in 1813 zou het Spaans Kasteel weer helemaal in eigendom komen van één persoon : Charles Antoine de la Serna, bibliothecaris in Brussel en een neef, vertrouweling en erfgenaam van Simon de Santandar Rada jr.
4.5.4. De familie de la Serna (1813 - 1839) Charles Antoine de la Serna was de zoon van Sebastian de la Serna (1725-1774) en Anna Isabella de Santander (+ 1811), een zuster van Simon de Santander die om een of andere reden niet vermeld wordt in de erfdeling van 1767. Charles Antoine werd geboren in 1752 in Colindres, een voorstad van Laredo, de Cantabrische stad waar ook zijn voorouders vandaan kwamen. Na zijn studies filosofie in Valladolid en Salamanca emigreerde hij rond 1772 naar Brussel, waar hij bij zijn oom Simon ging inwonen. Zoals zovele van zijn familieden, had ook Charles-Antoine een passie voor boeken. Samen met zijn oom, die in 1767 zijn waardevolle boekencollectie had moeten verkopen (zie hoger), bouwde hij een nieuwe, nog veel grotere verzameling uit. Afbeelding 24 : lithografie Charles Antoine de la Serna (verz. R. de la Serna)
Hij bekleedde ook diverse officiële posten als biliothecaris, onder meer in de oude Librije van Bourgondië, en nadien, tijdens de Franse Tijd, als conservator van de bibliotheek van de Centrale School (1797-1802) en de daaruit ontsproten Stadsbibliotheek (1803-1811). Die zou na de onafhankelijkheid van België de kern gaan vormen van de Koninklijke Bibliotheek. Charles Antoine de la Serna was dus één van de grondleggers van die Koninlijke Bibliotheek. Tijdens de Franse Tijd was hij ook lid van de Algemene Raad van het Dijledepartement (voorloper provincie Brabant).44 Hij trouwde in 1803 op 50-jarige leeftijd met Catherine Baert, de dochter van Philippe Baert, ook al een bibliothecaris en bovendien historicus en archeoloog.45 Toen Don Simon op 21 februari 1791 kinderloos overleed, liet hij zijn volledige erfenis na aan zijn neef Charles Antoine46. Die kwam zo onder meer in het bezit van de voorouderlijke residentie in Brussel. Maar hij verkreeg ook de twee vijfden van het Spaans Kasteel die in het bezit waren van zijn oom en een aantal andere gronden in Breendonk die vroeger deel uitmaakten van het domein van de Keukenhoeve (De Cleijnen Aert en de Langen Aert, telkens in twee percelen, samen ongeveer 5 hectare). In 1792 kocht Charles Antoine een derde vijfde van het Spaans Kasteel van Françoise Bonaventura de Santander. Twee jaar later kocht hij bovendien de gronden terug die pachter Frans Kerremans na de erfdeling van 1767 had verworven: het Pramiters bos en de drie percelen van de 44
Zie onder meer F. Remy, Nationaal Biografisch Woordenboek, Deel 2, p. 426-431 Philippe Baert was privé-bibliothecaris van de schatrijke markies du Chasteler en onder diens auspiciën onder meer betrokken bij het eerste onderzoek naar de archeologische vondsten die in 1781 werden gedaan bij graafwerken aan de Scheldedijk in Bornem (o.a. een bronzen Jupiterbeeld) 46 Testament d.d. 16.2.1791 voor notaris Jean-Jacques Cattoir in Brussel. 45
33
Groten Aert, nu respectievelijk genoemd: den Aert aen de Kalverenbosch, den Aert tegen de Achtersten Aert en den Achtersten Aert, samen goed voor een kleine 7 hectare. In mei 1813 ten slotte, kort voor zijn dood (13.11.1813), nam hij ook de resterende twee vijfden van het Spaans Kasteel over, van Joseph, Joaquin en Emmanuel Zarauz. 47 Die hadden ze geërfd van hun moeder Maria Francisca de Santander en van hun oom Don Jean Antoine de Santander.48 Zo kwam het landgoed voor het eerst in lange tijd weer in het volle bezit van één eigenaar die bovendien in onze gewesten verbleef. Op de oudste kadasterkaarten van Tisselt (Gigault, 1807 en Lebrun, 1811) en Breendonk (Gigault, 1807) kunnen we het patrimonium van het Spaans kasteel op dat moment reconstrueren. De kaarten dateren van kort vóór de aankoop van de laatste delen van de hoeve door Charles Antoine de la Serna, maar de kadasternummers komen wel overeen met die op de eigendomstitels. Omdat de percelen zich uitstrekken over de twee pas opgerichte ‘communes’ van Puurs en Tisselt hebben we een combinatiekaart van beide Gigault-kaarten gemaakt (zie afbeelding 25). We zien daarop dat het domein, dat door de erfdeling van 1767 was herleid tot 18 bunder, opnieuw in omvang is toegenomen tot in totaal ruim 33 hectare (vanaf de Franse Tijd werd in hectare gemeten): 21,74 onder Tisselt en 11,84 onder Breendonk. Dat is nog altijd fors minder dan in 1767, maar de volgende eigenaars zullen verder blijven werken aan de restauratie van het landgoed tot een aaneensluitend geheel. Die volgende eigenaars waren in eerste instantie de kinderen van Charles-Antoine de la Serna en Catherine Baert : Marie Anne (°1804), Pierre Ferdinand (°1806) en Constance (°1809). Zij waren nog bitter jong toen hun vader stierf (1813) en de bezittingen van de kinderen zullen de eerste jaren dan ook wel beheerd zijn door hun moeder (+1819) of een voogd. De kinderen de la Serna behielden het Spaans Kasteel in onverdeeldheid tot in 1838. Maar dat belette hen niet om het domein verder uit te breiden. In 1824 verwierven zij (allicht via hun voogd) het Heybosch (46 are, perceel A op afbeelding 25) van Jean De Smedt en Anne Maria De Maeyer.49 Dat perceel verbond de andere gronden met de Bessemstraat. In 1835 kochten de kinderen de la Serna zelf het Kriekbosch (1,73 hectare, perceel B op de kaart), het Ramsdonkveld (1,77 hectare, perceel C) en het Juffrouwveldeken (1,55 hectare, perceel D), allemaal van de ‘Hospices civils de Paris’.50 Daardoor werd het hele zuidelijke blok landerijen hersteld zoals het vóór 1767 was.
Afbeelding 25 : Combinatie van de Gigault-kaarten van Tisselt en Puurs (1807). De ongenummerde omrande percelen waren in 1813 in het bezit van Charles Antoine de la Serna. Percelen A-D werden er door zijn kinderen bijgevoegd. 47
Akte verleden voor notaris Bastin te Brussel, 21.5.1813 Akte verleden voor notaris Van Maldere te Brussel op 4.4.1803. 49 Akte verleden voor notaris De Pauw in Ruisbroek op 24.5.1824 50 Akte verleden voor notaris Peeters in Willebroek op 24.3.1835. 48
34
In 1838 maakten de kinderen de la Serna een einde aan de onverdeeldheid van het Spaanse Kasteel en werd Marie Anne de la Serna de enige eigenares. 51 Maar nog geen jaar later verkocht ze het domein aan de Brusselse dokter André Trumper.
Afbeelding 26 : de familie de San Juan – de Santander – de la Serna. Deze familiestamboom is grotendeels gebaseerd op notariële en niet op genealogische bronnen. Daarom bevat hij ook weinig jaartallen.
51
Akte verleden voor notaris Mataigne te Brussel, 11.6.1838. 35
4.6.
De familie Trumper (1839 - 1892) 52 André Dieudonné Trumper (1794-1874) werd geboren in Waver, als zoon van een handelaar. Hij studeerde medicijnen in Brussel en Antwerpen en specialiseerde zich later in Leuven tot dokter in de chirurgie en de bevallingen. Zijn militaire dienst deed hij bij de Franse marine. Hij maakte de slag van Waterloo mee als arts en bleef bij het leger tot in 1822, het jaar waarin hij trouwde met Marie Elisabeth Hachart (1798-1854). Het koppel kreeg zeven kinderen, van wie er slechts één in leven bleef. Het gezin woonde in de Rue du Grand Hospice (Grootgodshuisstraat) 13.
Afbeelding 27 : André Trumper op 31-jarige leeftijd (gravure van Pierre De Gobert uit 1841 naar een schilderij van Henri Duwée uit 1825)
Dr. Trumper was lid van diverse medische organisaties en genootschappen, publiceerde een aantal opgemerkte artikels en boeken over zijn vakgebied en werd onderscheiden voor zijn inspanningen ter verbetering van de hygiëne en de ziekenzorg van de armen in Brussel. Tijdens de Belgische Revolutie in 1830 speelde hij een vooraanstaande rol, die hem vijf jaar later een ‘Croix de Fer’ opleverde, met volgende motivatie: ’Au moment de l'entrée de l'ennemi par la porte de Flandre, il se mit à la tête des citoyens armés, les conduisit à la rencontre des Hollandais, somma l'officier commandant de l'avantgarde de s'arrêter, et contribua puissamment à la retraite de l'ennemi sur ce point’. André Trumper was een eminent vrijmetselaar en liberaal gemeenteraadslid in Brussel. Hij was ook één van de oprichters van de Brusselse universiteit in 1834.53 Vijf jaar later, in 1839, kocht Dr. Trumper de ‘ferme nommé Spagnaerdshof met dreef, vijver, koer, tuin, boomgaard en de landen daarbij horend’ van Marie Anne de la Serna. Dat gebeurde in twee fases. Op 20 maart vond de verkoop plaats van twee percelen grond (het Saeybos en het Distelveld), samen ongeveer 4 hectare, voor 7350 frank. Op 29 maart volgde de rest van de hoeve voor in totaal 73.940 frank.54 Zo kwam het landgoed na bijna twee eeuwen in Spaans bezit te zijn geweest, opnieuw in handen van een Belgische eigenaar. De beschrijving van de hoeve zoals ze er toen uitzag, hebben we eerder al gegeven (zie : De gebouwen in de 19de eeuw, paragraaf 3.2). Wat de aard en de omvang van landerijen betreft: die waren in 1839 grotendeels hetzelfde als in de tijd van de La Serna’s. Ondertussen was wel het moderne kadaster ingevoerd. De eerste aanzet daartoe werd gegeven door het decreet van 21 maart 1793, in de Franse Tijd. De bedoeling was in eerste instantie de realisatie van een duidelijk, doorzichtig en evenwichtig register voor het heffen van grondbelasting. Op basis van die eerste wet waren de zogenaamde ‘primitieve’ kadasterkaarten gemaakt (zoals de reeds vermelde kaarten van Gigault en Lebrun). Maar op 15 september 1807 kwam er een nieuwe kadasterwet en die leidde tot nieuwe opmetingen en een andere perceelsnummering. Het duurde verscheidene decennia vooraleer dat werk voor het hele Belgische grondgebied was afgerond, maar in de aankoopakte van het Spagnaerdshof door Dr. Trumper werd de nieuwe kadastrale nummering alvast wel gebruikt, samen met de oude namen van de velden en landerijen.
52
Met bijzondere dank aan Philippe et Nadine Quinet-De Saegher (nakomelingen van Dr. Trumper) voor de informatie in dit hoofdstuk. 53 Philippe et Nadine Quinet-De Saegher, André Dieudonné Trumper, médecin à Bruxelles au XIXe siècle, Brussel, Archief van de Stad Brussel, Studia Bruxellae, 2008. 54 Verkoopakte Saeybosch en Distelveld, 20.3.1839, en Verkoopakte ‘Spagnaerdshof’ door Marie Anna de la Serna aan Dr. André Trumper, 29.3.1839, voor notaris Guillaume Henry Annez, Brussel, beide geregistreerd op het Hypotheekkantoor Mechelen op 8.4.1839, Transcription des actes de mutation, n° 241, art 61 & 62. (RA Antwerpen) 36
Dat laat ons toe om het hele areaal nog eens op een rijtje te zetten en aan te duiden op de 55 kadasterkaart van Popp . We vermelden de percelen in de volgorde en met de oppervlaktematen zoals ze in de akte zijn aangegeven, met soms kleine afwijkingen tegenover de kadastergegevens. Op het grondgebied van Tisselt gaat het om volgende percelen : 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25.
Dreef, sectie A perceel 143 Vijver, 41 are 10 ca, A 148 Tuin, 9 are 90 ca, A 149 Boomgaard, 34 are 20 ca, A 150 Hoeve met koer, 20 are 35 ca, A 151 Grond of veld Konijnenberg of Poortveld genaamd, 77 are 85 ca, A 153 Poortveld, 62 are 20 ca, A 154 Vijver, 23 are 60 ca, A 155 Kalverenbosveld, 1 ha 32 are 60 ca, A 156 Idem, b, 65 are 50 ca, A 157 Kriekbos, 1 ha 73 are 22 ca, A 172 Ramsdonkveld, 1 ha 77 are 50 ca, A 173 Parmentier, 1 ha 91 are 90 ca, A 174 Idem, 21 are 55 ca, A 174bis Juffrouwveldeken, 1 ha 55 are 19 ca, A 175 Verbrande Bosch, 1 ha 58 are 76 ca, A 176 Ander Distelveld, 1 ha 12 are 85 ca, A 137 Distelveld, 1 ha 7 are , A 139 Vaerwinckelveld, 3 ha 2 are, A 144 Vaerwinckelbosch, 2 ha 3 are 5 ca, A 145 Saeybosch, 1 ha 49 are, A 146 Tweeden Saeybosch, 1 ha 16 are, A 147 Het voorste halfbunder in het Brueltje, 68 are 54 ca, A 230 Het dagwand aan het Breendonkstraetje, 30 are 29 ca, A 232 Het Brueltje over de beek, 78 are 74 ca, A 438
In totaal ongeveer 26 hectare. Er wordt nog bij vermeld dat op de dreef (nr. 1, A 143) 135 canadabomen staan, in de boomgaard (nr. 4, A 150) nog eens 82 en op het veld de Konijnenberg (nr 6, A 153) ook nog 5. Op perceel 25 (A 438) staan 30 iepen. Op Breendonk bevinden zich volgende percelen : 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Den Aert aen den Kalverenbosch, 1 ha 85 are 43 ca, Sectie F (later werd dit sectie B), nr 49 Den Aert tegen den Achtersten Aert, 1 ha 7 are 45 ca, F 50 Den Achtersten Aert, 1 ha 51 are 60 ca, F 51 Den Achtersten Kleijnen Aert, 1 ha 37 are 10 ca, F 55 Kleijnen Aert, 1 ha 12 are 85 ca, F 56 Eerste Stuk van den Langen Aert, 1 ha 65 are 40 ca, F 57 Tweede Stuk van den Langen Aert, 1 ha 87 are 35 ca, F 58 Heybosch, 46 are, F 60
Samen maakt dat ongeveer 12 hectare in Breendonk en dus 38 hectare in totaal voor de hele hoeve. De percelen zijn op Afbeelding 28 aangegeven met hun kadasternummer. We kunnen ons voorstellen dat het een ambitie was van Dr. Trumper om ook de percelen A 140 en A 142 te verwerven, zodat alle gronden die aan de dreef (A 143) paalden, (weer) bij het domein zouden horen. Voor A 140 is dat evenwel niet gelukt. Wel slaagde hij er in 1840 in om het naamloze perceel A 142 (1.41 ha) over te 56 kopen van de kinderen van Ingelgem . Dat perceel maakte vroeger ook al deel uit van het domein, als de helft van het zogenaamde ‘Groot Setsel’ (zie ‘Kaart 1649’). In 1851 ten slotte verwierf Trumper 55
Philippe-Christian Popp (1805-1879) was bediende en controleur bij het kadaster en werkte vanaf 1842 aan zijn Atlas cadastral parcellaire de la Belgique. Hij publiceerde plannen en bijhorende ‘leggers’ (registers van kadasternummers, eigenaars en percelen) voor 1800 Belgische gemeenten. De plannen voor de gemeenten in Klein-Brabant en omgeving werden rond 1862 gemaakt. 56 Akte verleden voor notaris Moens in Puurs op 2.4.1840. 37
ook nog het perceel ‘Het Streepken’ (A 141, 34.60 are) van de kinderen De Block. Maar hij is er dus niet in geslaagd om het tweede deel van het Groot Setsel opnieuw bij de hoevegronden te voegen.
Afbeelding 28 : Combinatie van de Poppkaarten van Tisselt en Breendonk, met de percelen die bij de aankoop van het Spaans Kasteel door Dr. Trumper tot het domein behoorden (49-60 in Breendonk en 137-438 in Tisselt) en de percelen die hij later verwierf (141-142). De percelen 42-48 waren eigendom van baron d’Overschie (zie verder).
In die periode moet ook de grote schuur op het erf gebouwd zijn (zie afbeelding 9). Op de kadasterkaart van Gigault (1807) en de detailkaart van de Atlas der Buurtwegen (1844) is die immers niet afgebeeld, terwijl ze op de kadasterkaart van Popp (1865) wel te zien is. Na het overlijden van Dr. Trumper (18.10.1874) kwam het Spaans Kasteel in handen van zijn enige dochter, Hortense (1832-1911). Hortense Trumper was in 1855 getrouwd met de uit Temse afkomstige Philippe Georges De Coninck (1831-1897), een industrieel die onder meer de ‘Cartonnerie Papeterie de Dieghem’ oprichtte. Als zakenman hield hij zich ook bezig met het beheer van de hoeve, de pachtgelden en –contracten en dergelijke meer. Hij gebuikte de percelen ook geregeld als hypotheek bij leningen die hij voor zijn ondernemingen aanging. Maar eind 1890 besloot het koppel het Spaans Kasteel met al zijn eigendommen toch te verkopen. De eigenlijke verkoop vond plaats in juli 1892. De koper was baron Victor d’Overschie de Neeryssche.
38
4.7.
De familie d’Overschie de Neeryssche (1892 – 1921) Baron Victor d’Overschie (1831-1898) was een telg uit een adellijk geslacht uit het Nederlandse Roermond dat in 1722 naar Neerijse (tussen Brussel en Leuven) kwam afgezakt. Daar waren de baronnen d’Overschie later generatie na generatie burgemeester. Zo ook Victor d’Overschie. Na de dood van zijn vader Auguste in 1880 erfde Victor niet alleen het kasteel van Neerijse en tal van andere familiegoederen, maar ook enkele percelen grond in Breendonk, vlak naast de Keukenhoeve en net tegenover het Spaans Kasteel. Het ging om gronden die tot het historische erfgoed van het Spaans Kasteel behoorden, meer bepaald de percelen met kadasternummers B 42, 45, 46, 47 (dreef) en 48 (zie afbeelding 28). Op de ‘Kaart 1649’ waren dat respectievelijk de nummers 5 (Heyvelt), 4 (De Haeghe, inclusief de dreef) en 3 (Het stuck daer de Schuere op staet, later ‘Tweede Heyvelt’ genoemd). Samen goed voor 4,63 hectare. Het waren terreinen die na de erfdeling van 1767 samen met de Keukenhoeve waren gekocht door Jan Baptiste Verhulst.
Afbeelding 29: wapenschild d’Overschie
De kinderen Verhulst hadden de landerijen én de hoeve in 1829 opnieuw verkocht, meer bepaald aan de grootvader van Victor d’Overschie, maar diens zoon had alleen de gronden behouden en de hoeve in 1860 op zijn beurt doorverkocht aan Egidius Peeters. (Zie hoofdstuk 7, De tweede pachthoeve). In de regio zijn grootgrondbezitters uit het Brusselse altijd al actief geweest. Dat had onder meer te maken met de centrale ligging, de goede bereikbaarheid via de ‘Schipvaert tot Willebroeck’ en – later – met het grote aantal percelen dat ‘op de markt’ kwam als ‘zwart goed’ na de opheffing van abdijen en andere kerkelijke instellingen in de Franse Tijd. Al heeft deze laatste factor zeker niet meegespeeld in het geval van het Spaans Kasteel. Hoe dan ook: op 14 juli 1892 kocht Victor d’Overschie de Neeryssche voor notaris Edouard Wijdemans in Etterbeek het Spaans Kasteel van de familie De Coninck – Trumper. Hij liet zich daarbij vertegenwoordigen door David De Man, kandidaat-notaris uit Sint-Joost-ten-Noode. De prijs bedroeg 126.000 frank.57 De beschrijving van de hoeve in de akte is quasi identiek aan die bij de aankoop van het landgoed door Dr. Trumper in 1839. Alleen de door de dokter en zijn dochter verworven landerijen zijn er uiteraard bijgekomen. Het is opmerkelijk dat bij de opsomming van de ‘aanpalende’ eigenaars ook nog altijd de ‘Hospices de Malines’ en het ‘Bureau de bienfaisance de Thisselt’ worden genoemd. Afbeelding 30 : Baron Victor d’Overschie de Neeryssche (Heemkundige Kring Huldenberg)
Dat waren respectievelijk de opvolgers van de ‘Kranke Begijnen van Mechelen’ (die al in de aankoopakte van Jan de Carnin in 1551 werden vermeld) en de ‘Heilige Geest van Willebroeck’ op ‘Kaart 1649’ (bij de verkoop aan Trumper in 1839 was er nog sprake van de ‘Sainte Esprit de Willebroeck’). Met de gronden die de baron al bezat vóór de aankoop van het Spaans Kasteel, benaderde het landgoed opnieuw zijn historische vorm en omvang : zo’n 45 hectare, tegenover ongeveer 53 hectare in de 17de eeuw. 57
Verkoopakte ‘Spagnaerdshof’ door fam. De Coninck – Trumper aan Victor d’Overschie de Neeryssche, 14.7.1892, voor notaris Edouard Wijdemans uit Etterbeek, geregistreerd op het Hypotheekkantoor Mechelen op 16.7.1892, Transcription des actes de mutation, n° 5 (RA Antwerpen). 39
Victor d’Overschie overleed ongehuwd in 1898 en na zijn dood kwam het Spaans Kasteel in het bezit van zijn nicht Anne-Marie d’Overschie. Die was getrouwd met graaf August de Bethune-Hesdigneul. Anne-Marie d’Overschie overleed op 36-jarige leeftijd in 1908. Haar echtgenoot verkocht het Spaans Kasteel in 1921 aan diverse kopers. De kern van het landgoed, met de hoeve, de walgracht en 58 ongeveer 8,5 hectare grond, werd gekocht door de familie Smedts – Van Eeckhoudt.
4.8.
De familie Smedts – Marynissen - Clymans (sinds 1921)
De appel viel niet ver van de boom voor Edward Smedts, toen hij op 19 mei 1921 het Spaans Kasteel kocht van graaf de Bethune. Hij was namelijk geboren in het huis vlak naast de hoeve, op 6 mei 1874. Daar was zijn vader Adolf Leopold Smedts in 1862 ‘ingetrouwd’ met Marie-Therèse De Hertogh. Adolf was zelf afkomstig uit Puurs: zijn vader Judocus en grootvader Petrus Jacobus waren er brouwers en herbergiers. Maar de familie De Hertogh woonde al minstens sinds 1787 in het hoevetje naast het Spaans Kasteel, 59 op het perceel dat op ‘Kaart 1649’ (afbeelding 16) het Bergveldeken wordt genoemd. Dat perceel kwam bij de erfdeling van de familie de Santander in 1767 in het bezit van Doña Françoise Bonaventura de Santander en haar man François Xavier de la Peña. Net zoals de andere percelen van hun erfdeel hebben zij ook die grond snel verkocht. Op de Ferraris-kaart (1776) zien we dat er ondertussen een huis op gebouwd was. Uit andere bronnen blijkt dat die woning eigendom was van Antonius Verlinden en zijn echtgenote Anna Catharina Uytenhove. Wellicht korte tijd later volgde iets verder naar het zuidoosten de hofstede van Cornelis De Hertogh, net naast het Spaans Kasteel (zie kaart Gigault, afbeelding 10) Edward Smedts trouwde in 1906 in Hofstade met Maria Van den Broeck. Het koppel vestigde zich daar ook en kreeg er twee kinderen: Jeanne (1907) en Maria (1908). Na de dood van zijn eerste echtgenote hertrouwde Edward in 1915 met Maria Paulina Van Eeckhoudt, eveneens in Hofstade. In 1917 werd daar een derde dochter geboren: Lina.
Afbeelding 31 : Edward Smedts (verz. Clymans-Marynissen)
Afbeelding 32 : Maria Paulina Van Eeckhoudt (verz. Clymans-Marynissen)
Toen het Spaans Kasteel in 1921 te koop werd aangeboden door graaf de Bethune, was dat voor Edward Smedts een unieke kans om terug te keren naar zijn geboortegrond. De verkoop werd gehouden in herberg ‘In den Grooten Hert’ in Londerzeel door notaris Georges Jacobs uit Brussel. Edward Smedts verwierf de hoeve, samen met ongeveer 8,5 hectare van de landerijen, voor 72.850
58
Akte verleden voor notaris Georges Jacobs in Brussel op 19.5.1921. Cornelis De Hertogh wordt op die plaats al vermeld bij de communicantentelling van 1787 (telling in verband met de aanvraag van het dooprecht door de onderpastoor van Breendonk; Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Bundel Breendonk, 18de eeuw). Hij was afkomstig uit Rossem (Wolvertem), werd geboren rond 1756 en was getrouwd met Barbara Verlinden. 59
40
frank.60 Het ging meer bepaald om ‘Eene hofstede met tuin, boomgaard, vijver en verdere afhankelijkheden, gelegen ter plaatse genaamd ‘Het Spaansch Kasteel’, met de kadasternummers A148, 149a, 150b, 150c, 151a en 143. Die nummers betroffen respectievelijk de vijver of wal, de tuin, de boomgaard, de hoeve (151) en de dreef. Daarnaast kocht hij ook ‘een perceel zaailand met rootput’, gekadastreerd als A155a61, en verder nog de percelen A153a (‘Konijnenberg’ op ‘Kaart 1649’, afbeelding 16), 154a (Poortveld), 156a en 157a (samen het oude Kalverenbosveld), 172 (vroeger het Kriekbos genoemd) en 173 (het vroegere Ramsdonkveld). De kadasternummers zijn terug te vinden op de Popp-kaart (afbeelding 28). Naast de hoeve gaat het dus om een mooi aaneengesloten blok gronden in zuidelijke richting langs de Tisseltse oostkant van de Peeterstraat. Edward Smedts was de eerste eigenaar van het Spaans Kasteel die de hoeve ook zelf als landbouwer uitbaatte. Afbeelding 33 : Het Spaans Kasteel in de jaren ’50 vanuit het zuidwesten, voorzijde (verz. Schelkens-Verbruggen)
In de jaren ’20 werden hij en zijn echtgenote daarbij geholpen door drie knechten en één dienstmeid, die alle vier waren meegekomen vanuit Hofstade : Leonard Cortebeeck, Jan Baptiste Pepermans, Joannes Parijs en Mathilde Holemans. In de jaren ’30 en ’40 bleef alleen Leonard Cortebeeck nog over. Maar er kwamen wel drie schoonzonen bij, al was er maar één daarvan die effectief meewerkte op het bedrijf. Jacobus Henricus ‘Rik’ Gevels (1908-1993) was afkomstig uit de Moorstraat in Breendonk en trouwde in 1932 met Jeanne Smedts (1907-1980). Joseph Potoms uit Humbeek huwde in 1935 met Maria Martha Smedts. Hun zuster Lina Smedts (1917-2011) trouwde in 1947 met Marcel Marynissen (1921-2008) uit Boom. Twee jaar later overleed Edward Smedts. Daarna werd de landbouwactiviteit overgenomen door zijn schoonzoon Rik. Marcel en Lina stonden beiden in het onderwijs. Toch waren zij het die later de eigenaars werden van het Spaans Kasteel. Hun schoonbroer Rik was dus eigenlijk hun pachter. Momenteel worden de landbouwactiviteiten voortgezet door Fons Gevels (° 1937), de zoon van Rik en Jeanne. Marcel Marynissen en Lina Smedts bleven na hun huwelijk nog een aantal jaren in de hoeve wonen. Dat was toen een tweewoonst, waarbij de familie Marynissen-Smedts in het zuidoostelijke gedeelte woonde, en de familie Gevels-Smedts in het noordwestelijke. Maar in de jaren ’60 bouwden Marcel en Lina op het belendende ‘Poortveld’ (zie afbeelding 16) een villa. Het hoofdgedeelte van de hoeve bleef daarop enkele jaren leeg staan. Tot dochter Marina Marynissen en schoonzoon Etienne Clymans uit Kapelle-op-den-Bos in de jaren ’70 in de oude hoeve kwamen wonen, na een renovatie van het interieur met respect voor een aantal authentieke elementen. Daarnaast reinigden en verdiepten zij de walgracht zodat de besloten en verschanste kern van het oude domein weer in ere werd hersteld.62
60
Verkoop Spaans Kasteel door graaf August de Bethune aan Edward Smedts, voor notaris Georges Jacobs, 19.5.1921, Familiearchief Clymans – Marynissen. 61 De rootput was eigenlijk de wal rond het Poortveld, en dan vooral de zuidwestelijke (straat)kant ervan. Ook in het Spaans Kasteel werd dus vlas geteeld, net als in zovele andere hoeves in de regio. In Tisselt floreerde de vlasproductie zelfs tot een eind in de 20ste eeuw door de aanwezigheid van een vlasfabriek. (Zie hoofdstuk 6) 62 Zie ook : paragraaf 3.1 De situatie vandaag en sporen van vroeger 41
5. De pachters van de Keukenhoeve Terwijl we een vrij nauwkeurig beeld hebben van de opeenvolgende eigenaars van de Keukenhoeve in de voorbije 500 jaar, is het plaatje wat de pachters betreft minder compleet en coherent. Op een pachtboek uit de 18de eeuw en twee huurcontracten na - één uit de 17de en één uit de 19de eeuw – moesten we ons behelpen met sporadische vermeldingen in notariële akten, volkstellingen, bevolkingsregisters, geboorte- en overlijdensregisters, en andere secondaire bronnen die af en toe een verwijzing bevatten of een spoor trekken naar mensen die op de hoeve woonden, als pachter, knecht of dienstmeid. Op die manier hebben we een aantal pachtersfamilies kunnen identificeren en de pachtgeschiedenis van de hoeve kunnen reconstrueren sinds het begin van de 17de eeuw. De Keukenhoeve was een uitgestrekt landgoed, met meer dan 50 hectare velden, weiland, bossen en landerijen. De pachters waren dan ook geen ‘cossaerts’ of ‘keuterboeren’. Het waren vaak mensen met aanzien die ook zelf niet onbemiddeld waren.
5.1.
De familie De Bruyn (± 1617 - ± 1633)
De eerste pachter die opduikt uit de nevelen der geschiedenis, is Willem De Bruyn. Hij wordt als huurder van de Keukenhoeve vermeld in de verkoopakte van 1618 van de familie De Clercq - Van Hooff voor notaris Van der Venne in Mechelen63. Ook het jaar daarvoor komt zijn naam al voor in een akte van dezelfde notaris.64 Daar gaat het over het feit dat Pieter Le Conte in naam van zijn echtgenote Maria Le Clercq (deeleigenares van de hoeve) Cornelia Le Clercq machtigde om Willem De Bruyn, ‘pachter, woonende op de hoeve genaemd t’ Hof ter Keuckene, te administreren’. Veel is er niet bekend over Willem De Bruyn. Vermoedelijk werd hij rond 1586 geboren in Ruisbroek. Daar trouwde hij in 1616 met Elisabeth Van Camp. Wellicht heeft het koppel dus kort na hun huwelijk de Keukenhoeve in pacht genomen. Tussen 1621 en 1638 kregen Willem De Bruyne en Elisabeth Van Camp minstens acht kinderen.65 In 1633 kocht het koppel van Jan Tuytelaer en Cathelijne Van Loock een hofstede met een gemet grond ‘te Willebroek op Breendonk’.66 Allicht hebben ze toen de pacht van de Keukenhoeve opgezegd om hun eigen hofstede te gaan uitbaten. Dat vermoeden wordt bevestigd door het feit dat we vanaf 1634 een nieuwe pachter kennen in de Keukenhoeve : Hendrik Van der Wilt. Willem De Bruyne bleef overigens ‘goed boeren’ want bij de erfdeling na zijn overlijden in 1666 konden zijn erfgenamen drie hofsteden en ongeveer 13 bunder grond onder elkaar verdelen. Naast de hoeve op Breendonk hadden Willem en Elisabeth ook nog een hoeve op de Moorheide (momenteel Breendonk-centrum) en een op de Keukenheide verworven.67
5.2.
De familie Van der Wilt – De Wachter (± 1634 - ± 1719)
Op 1 maart 1635 registreerde notaris Gerard Van Paesschen uit Liezele dat Jacques De Coster, 68 rentmeester van de heren van Rumst, een aantal pachters ‘admitteert’. Eén van hen was Hendrik Van der Wilt, ‘pachter van Joanna Van der Smissen’. Wat er precies werd verpacht, staat er niet bij, maar het ging ongetwijfeld om de Keukenhoeve. Het feit dat Joanna Van der Smissen als verhuurster wordt vermeld, wijst erop dat haar man Cornelis Van de Broecke (zie Eigenaars, paragraaf 4.4) in 1635 al overleden was. Dat de heer van Rumst, in die tijd Jan Baptist van Baume, de nieuwe pachter blijkbaar moest ‘admitteren’, kan te maken hebben met het feit dat een deel van de gronden onder Willebroek ressorteerde, dat zelf tot 1661 deel uitmaakte van de Heerlijkheid van Rumst. Of was het nog een oud overblijfsel van de rechten die de Heren van Grimbergen (de voorgangers van de Heren van Rumst) sinds de 13de eeuw konden laten gelden op een aantal eigendommen ‘op Breendonk’ 63
Verkoopakte Keukenhoeve aan Cornelis Van Broecke, 22.9.1618, Notaris Van der Venne, Mechelen, f° 203, Stadsarchief Mechelen (bewerking Gaston Roggeman, nr. 5464). Zie ook: Registratie voor schepenbank Puurs op 10.10.1621, RAA, OGA Puurs, inv 1A, f° 199v (zie C. Apers, o.c., nr 602). 64 Akte van administratie, 25.2.1617, Notaris Van der Venne, Mechelen, f° 32, Stadsarchief Mechelen (bewerking Gaston Roggeman, nr. 5134). 65 Met dank aan Dirk Binon voor de genealogische informatie. 66 RAA, OGA Willebroek, 1B, f° 69r (zie C. Apers, o.c., Deel 1, nr. 1019). 67 RAA, OGA Willebroek, 3A, f° 331 (zie C. Apers, o.c., Deel 2, nr. 545). 68 RAA, Notariaat Gerard Van Paesschen, 1.3.1635 (zie ook: G. Roggeman, bewerking notariaat G. Van Paesschen, nr. 408) 42
binnen Puurs, waaronder mogelijk de Keukenhoeve? (zie hoofdstuk I, Situering en vroegste geschiedens) Hoe dan ook: de Keukenhoeve had in 1635 een nieuwe pachter. Wellicht was de pacht al ingegaan in 1634 want dat jaar zien we dat ‘Anna Smissen’ de vrouwelijke doopgetuige (‘meter’) was van de pasgeboren Cornelius Van der Wilt. Anna Smissen was allicht niemand anders dan Joanna Van der Smissen. Dat de eigenaar als doopgetuige fungeerde van een boreling van een pachter, gebeurde geregeld en was een blijk van vertrouwen en goede relaties tussen huurder en verhuurder.
Afbeelding 34 : ‘tmerck Henrick vd Wilt’ op de akte van 1.3.1635 voor notaris Van Paesschen. De pachter kon – zoals zovelen in die tijd – blijkbaar niet schrijven en ‘ondertekende’ de akte dan maar met een ‘merkteken’ (i.c. een cirkel met een kruis)
Hendrik Van der Wilt werd rond 1597 geboren in Ruisbroek. Hij was vermoedelijk een zoon van Jacobus Van der Wilt, tussen 1580 en 1624 pachter van de grote Gansbroekhoeve aan de Rupel aldaar. Dat kunnen we niet zwart op wit aantonen, maar het valt af te leiden uit het feit dat Hendrik als doopgetuige optrad voor één van de kinderen van Petrus Van der Wilt, een andere zoon van Jacobus, en, omgekeerd, dat Catharina De Hollander (echtgenote van Petrus Van de Wilt) diezelfde rol speelde bij de doop van een van de kinderen van Hendrik. Hendrik Van der Wilt trouwde in 1627 in Puurs met Elisabeth Wouters, dochter van François Wouters en Naeynke (Adriana) Selleslagh en kleindochter van het welstellende koppel Jan Selleslagh en Dymphna Thijs-Cools. Tussen 1628 en 1649 kregen Hendrik en Elisabeth acht kinderen, waarvan het eerste geboren werd in Ruisbroek en de anderen in Puurs 69 : 1. Catharina VAN DER WILT werd gedoopt te Ruisbroek-aan-de-Rupel op vrijdag 1 december 1628 (doopgetuigen waren Guilielmus SELLENSLACH en Catharina DE HOLLANDER) 2. Joannes VAN DER WILT werd gedoopt op zondag 11 mei 1631 te Puurs (doopgetuigen waren Joannes WOUTERS en Barbara VITS). 3. Cornelius VAN DER WILT werd gedoopt op zondag 23 juli 1634 te Puurs (doopgetuigen waren Cornelius BREMS en Anna SMISSEN). 4. Carolus VAN DER WILT werd gedoopt op woensdag 27 mei 1637 te Puurs (doopgetuigen waren Carolus VERHULPEN en Elisabeth CAMP). 5. Joanna VAN DER WILT werd gedoopt op zondag 13 mei 1640 te Puurs (doopgetuigen waren Nicolaus PRINS en Joanna BROECK). 6. Petrus VAN DER WILT werd gedoopt op maandag 6 april 1643 te Puurs (doopgetuigen waren Petrus PEETERS en Catharina SELLESLACH). 7. Franciscus VAN DER WILT werd gedoopt op maandag 6 april 1643 te Puurs (doopgetuigen waren Franciscus WOUTERS en Dymphna THIJS-COOLS). 8. Daniel VAN DER WILT werd gedoopt op zondag 17 oktober 1649 te Puurs (doopgetuigen waren Daniel WUIENS en Anna SELLESLACH). ‘Elisabeth Camp’, doopgetuige van Carolus Van der Wilt in 1637, was vermoedelijk de echtgenote van de vroegere pachter Willem De Bruyn, die – zoals we hoger gezien hebben – in de buurt waren blijven wonen (‘op Breendonk’).
69
Met dank aan Dirk Binon voor de genealogische informatie. 43
Joanna (van den) Broeck, doopgetuige van Joanna Van der Wilt in 1640, was de dochter van Cornelis Van de Broeck en Joanna Van der Smissen en op dat moment de nieuwe eigenares van de Keukenhoeve (samen met haar man Daniël Leijniers, rentmeester van Brussel, zie Eigenaars, paragraaf 4.4). Nog enkele jaren later, in 1649, kreeg de hoeve andermaal een nieuwe eigenaar: Don Philippe de San Juan. Die sloot in 1652 een nieuwe pachtovereenkomst met Hendrik Van der Wilt, met de ‘‘conditie en voorwaerde dat don Philippe San Juan sal verhueren sekere sijne hoeve genaempt de Keuckenhoeve respectieve gelegen onder Puers, Willebroeck ende Thisselt, mette appendentien en dependentien tegenwoordig in huere beseten bij Hendrick Van der Wilt …’ Het is de oudste ons bekende huurovereenkomst en het document bevat een aantal interessante 70 gegevens.
Afbeelding 35: Pachtcontract tussen Philippe de San Juan en Hendrik Van der Wilt, 4.3.1652, fragment (Notaris Van Paesschen, ARA)
Zo werd de akte wel verleden op 4 maart 1652, maar de (hernieuwde) pachtovereenkomst ging pas in ‘half meerte 1654’. Verder ‘reserveert deselve verhuerder tsijnewaerts het speelhuis mette hoffgrachten ende visserij daeraene gelegen, mitsgaeders de bosschen’. Ook het Poortveld reserveert hij voor zichzelf. Hieruit blijkt voor het eerst dat er bij de Keukenhoeve wel degelijk sprake is van een ‘speelhuis’ dat moet worden onderscheiden van de pachthoeve en dat door de eigenaars wellicht als buitenverblijf werd gebruikt. Of dat ook bij de vorige of volgende eigenaars het geval was, is niet bekend. Vermoedelijk was de pachthoeve een annex van het ‘speelhuis’ en bevonden beide zich binnen de hofgracht. ‘Het fruyt op het voorseyde Poorteveld wassende en buyten den hof sal blijven ten profijte van den pachter’. Hieruit kunnen we afleiden dat er fruitbomen stonden op het Poortveld, of op een deel ervan, bijvoorbeeld de Konijnenberg. (zie ‘Kaart 1649’, Afbeelding 16)
70
Pachtcontract Keukenhoeve tussen Philippe de San Juan en Hendrik Van der Wilt, notaris Gerard Van Paesschen, Liezele, 4.3.1652, RA Antwerpen. Inv. 2866.
44
‘Item sal den pachter moeten onderhouden de huyzinge, schuere, stallen en alle edificiën van vitsen en plecken van de vierden rijgel nederwaerts’. Dit artikel in het contract verwijst naar het onderhoud van gebouwen met vakwerk van gevlochten latten (‘vitsen’) bepleisterd met leem (‘plecken’). De ‘rijgel’ is een dwarslat of plank in het vakwerk. Blijkbaar waren toch niet alle gebouwen helemaal in steen opgetrokken. ‘Item sal den pachter allen jaeren tot onderhoud van de daken moeten leveren 500 geluy’ (bundels stro of riet voor dakbedekking). ‘Item sal (de pachter) het goed, zowel gereserveerd als ongereserveerd, moeten bevrijden van het betalen van alle dorpslasten, beden, logeringen van soldaten (zulks) dat de here verhuerder (van) alles sal vrije en exempt sijn’. De pachter moest dus alle belastingen betalen en eventueel ook soldaten inkwartieren. Dat laatste was iets wat in onze oorlogsgevoelige contreien geregeld voorkwam (zie verder). ‘Item sal den pachter moeten laten staan de elzen, olmen en kerselaers, en andere (bomen) bekwaem om op te voeden, en die te doen kruisen en opvoeden zonder iet daer voor te mogen rekenen’. Hij moest met andere woorden zorg dragen voor de aangeplante bomen en ervoor zorgen dat jonge boompjes in de was kwamen. Item en sal den pachter zijn bestialen niet mogen laten gaen weijden in de bosschen ’t hemwaerts bij de heere verhuerder gereserveert’. De huurder mocht zijn dieren alleen op de gehuurde gronden laten grazen en niet op de percelen die door Philippe de San Juan voor zichzelf waren weerhouden. Item de huerder sal jaerlijcks moeten doen vijf carweien met waegen en peerden tot Thisselt ten contentemente van de heer verhuerder’. Mogelijk gaat het hier om transport van en naar de ‘Schipvaert’ in Tisselt: de weg die Philippe de San Juan ongetwijfeld gebruikte om zich vanuit Brussel naar zijn ‘speelhuis’ te begeven. Dergelijke karweien of (dag)diensten waren vrij courant in pachtcontracten. Item als het gebeurde dat den heer verhuerder hebbende enig hout begeerde zelve te doen cappen ende vercopen, dat in sulcke gevallen hij of den coper ’t zelve sal moegen uitvoeren ten naesten minsten schaeden’. De opbrengsten van de houtwas waren dus voor de verhuurder, maar hij moest het wel zelf (laten) kappen. De andere artikels in het pachtcontract hebben vooral te maken met de financiële aspecten: de huurder moest de cijnzen, dorpslasten en lasten van ‘dyckagie’ zelf betalen. De pachtprijs bedroeg 522 gulden per jaar en moest betaald worden op de (ver)’valdag’ of ten laatste zes weken later ‘op peene van pachtbraken’. De opzeg van de pacht moest door beide partijen zes maanden vooraf gebeuren. Bij het beëindigen van de pachtovereenkomst ‘sal den pachter mogen bezaaien acht bunderen land sonder daer voore iet te moeten betaelen dan alleen de bede (dorpslasten).’ De overeenkomst werd ‘gepasseert op den speelhuyse vande voorseijde hoeve in presentie van Theodore van Assele en Cornelis Colijns’.
Afbeelding 36 : Pachtcontract tussen Philippe de San Juan en Hendrik Van der Wilt, 4.3.1652, handtekeningen (Notaris Van Paesschen, ARA). Philippe de San Juan, die ongetwijfeld een goede opleiding had genoten, ondertekende zelf, en Hendrik Van der Wilt had zijn ‘merck’ ondertussen aangepast tot ‘HW’.
45
Tot wanneer Hendrik Van der Wilt precies pachter is gebleven van de Keukenhoeve, is onbekend, maar na zijn dood werd de pacht overgenomen door zijn zoon Carolus (Karel) Van der Wilt en diens echtgenote Margriet Peeters. Bij de geboorte van hun oudste zoon, Philippus, op 30 november 1666, zien we dat Catharina Theresia De Soete (echtgenote van Philippe de San Juan) optrad als officiële vrouwelijke doopgetuige, al werd ze bij de doop zelf vervangen door Francisca Lauwers. De mannelijke doopgetuige was niet (groot)vader Hendrik Van der Wilt, maar Daniël Peeters, pachter van de nabijgelegen hoeve De Voort en schoonbroer van Karel Van der Wilt. Dat wijst er wellicht op dat Hendrik Van der Wilt op dat moment al overleden was. Bij het huwelijk van Karel en Margriet op 15 oktober 1665 was Hendrik nog wel getuige (samen met Franciscus Peeters), maar bij het huwelijk van zijn tweede zoon Cornelius met Francisca Lamberts, op 16 november 1666, was dat niet meer het geval. Vermoedelijk is hij dus in de loop van dat jaar overleden. Karel VAN DER WILT (° 27.5.1637) en Margriet PEETERS (°±1642) kregen negen kinderen : 1. Philippus VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op dinsdag 30 november 1666 (doopgetuigen waren Daniël PEETERS, Catherina Theresia DE SOET Loco Francisca LAUWERS) 2. Petrus VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op zondag 27 mei 1668 (doopgetuigen waren Petrus VAN DER WILT en Catharina DE CLERCK) 3. Joanna VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op maandag 14 oktober 1669 (doopgetuigen waren Maria BULENS Loco Petrus PEETERS en Joanna VAN DER WILT) 4. Anna VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op woensdag 14 december 1672 (doopgetuigen waren Cornelius DE WIT en Anna SIEBENS) 5. Catharina VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op zaterdag 26 januari 1675 (doopgetuigen waren Joannes PEETERS en Catharina SIEBENS) 6. Maria VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op zaterdag 13 mei 1679 (doopgetuigen waren Cornelius DE WIT en Maria VAN DER BORGHT) 7. Cornelia VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op zondag 19 september 1683 (doopgetuigen waren Petrus VAN WESEMAEL en Margareta PAUWELS) 8. Franciscus VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op vrijdag 28 juni 1686 (doopgetuigen waren Henricus VAN BOSCH en Francisca SIEBENS) 9. Catharina VAN DER WILT werd gedoopt te Puurs op donderdag 13 juli 1690 (doopgetuigen waren Joannes HEREMANS en Catharina RAES) Tijdens de pachtperiode van Karel Van der Wilt, op 29 maart 1688, verkoopt Don Simon de Santander, de toenmalige eigenaar (zie paragraaf 4.5.2), aan Cornelis Verheyden uit Lippelo een partij bomen staande in de dreef tegen de Keukenhoeve of het kasteel genaamd de Keuckenleye. Hij verkoopt ook 68 of 69 stronkeiken die rondom de vijver staan en drie bomen “staende binnen de poorte van het casteel”. De verkoopsom bedraagt 437 Carolusgulden. De koper moet zelf de stronkeiken rond de vijver kappen en hij zal alle putten in de dreef en rond de vijver moeten vullen. De koper moet zich borg stellen om deze voorwaarden goed te volbrengen, zodat de verkoper zonder problemen nieuwe bomen kan zetten. Opgemaakt ten huize van Karel Van der Wilt met de getuigen 71 de heer Lowis Petit en Rombout Kerremans. Karel Van der Wilt overleed op kerstdag 1690 op 53-jarige leeftijd. Zoals dat destijds gebruikelijk was, hertrouwde zijn weduwe korte tijd later, meer bepaald op 16 mei 1691, met Jan De Wachter. Samen baatten ze de Keukenhoeve verder uit. Hoe moeilijk dat in die onzekere tijden was, blijkt uit een attest uit 1692 waarin ‘de wethouderen van Puurs ten versoeken van Margriet Peeters, in houwelyck hebbende Jan De Wachter ende ter vooren weduwe van Carel De Wildt, verclaeren dat Margriet Peeters inden jaere 1690 (het jaar waarin haar eerste echtgenoot stierf) notabelyck is beschaedicht geweest door militaire fourageringhe’ (opeising van goederen en voedsel). Het ging om een 71
Notaris Van Berwaer, 29 maart 1688, S.A.M. notariaat nr. 83. 46
aanzienlijke schadeclaim: 2243 gulden of ruim vier keer de jaarpacht.72 Kinderen kregen Margriet Peeters en Jan De Wachter niet meer, gezien hun gevorderde leeftijd, maar er waren natuurlijk nog wel de minderjarige kinderen uit het eerste huwelijk van Margriet. Jan De Wachter overleed vóór 1719. Dat jaar werd Margriet Peeters namelijk opnieuw weduwe 73 genoemd. Ze overleefde ook haar tweede echtgenoot nog een aantal jaren en stierf op 10 maart 1726 op 84-jarige leeftijd. Op dat moment was ze pachteres van het ‘tweede pachthof’ van de Keukenhoeve, samen met haar jongste dochter Catharina Van der Wilt en schoonzoon Jan Marivoet. Dat weten we uit een pachtboek van Francisco de Santander. Strikt genomen kon Francisco, de broer van eigenaar Simon de Santander, geen rechten laten gelden op de Keukenhoeve (zie De erfdeling van de familie de Santander, paragraaf 4.5.3.), maar in de praktijk was hij er blijkbaar wel de beheerder van. Hij hield de rekeningen bij en trad een paar keer op als getuige bij de doop van kinderen van de pachters. In het in het Spaans opgestelde register (1725-1738) wordt een onderscheid gemaakt tussen de pacht van het ‘castillo’ enerzijds (het ‘kasteel’ en het oude pachthof) en die van de ‘censo’ anderzijds: het ‘nieuwe’, tweede pachthof. Dat laatste werd in 1725-1726 dus gehuurd door Margriet Peeters en Jan Marivoet (zie hoofdstuk 7, De tweede pachthoeve).74 Wanneer de familie was overgestapt van de ‘oude’ naar de ‘nieuwe’ pachthoeve is niet bekend. Mogelijk gebeurde dat rond 1719. Dat jaar krijgen we alleszins een aanwijzing omtrent nieuwe huurders in het oude pachthof.
5.3.
De familie Kerremans (≤ 1719 - 1795)
Op 22 september 1719 werd in Puurs Frans Kerremans gedoopt, zoon van Cornelis Kerremans en Catharina Peeters. De mannelijke doopgetuige was ‘koninklijk commissaris’ Don Francisco de Santander75. Daaruit kunnen we met een vrij grote waarschijnlijkheid afleiden dat Cornelis Kerremans in 1719 pachter was van de Keukenhoeve. Dat weten we ook uit andere bronnen, zoals het vermelde pachtboek van Francisco de Santander, waarin Cornelis Kerremans ingeschreven staat als huurder van het ‘Castillo la Keukenhoeve’ (het ‘Steenen huys’ van ‘kaart 1649’). Cornelis werd gedoopt in Puurs op 4 juni 1686 als zoon van Rombout Kerremans en Elisabeth De Buyser. Die woonden zelf ook in de buurt van de Keukenhoeve. In 1688 was Rombout getuige bij een houtverkoop door Simon De Santander (zie hoger) en bij de volkstelling van 1702 werden hij en zijn vrouw als buren van Jan De Wachter en Margriet Peeters vermeld.76 Mogelijk waren zij zelf ook pachters van de Keukenhoeve, maar daar hebben we geen verdere bewijzen voor gevonden. Cornelis trouwde rond 1711 met Catharina Peeters. Tussen 1712 en 1719 kregen zij vijf kinderen. 1. Petrus KERREMANS werd gedoopt in Puurs op donderdag 4 augustus 1712 en is vermoedelijk jong overleden, want hij werd later niet vermeld bij erfdelingen. (doopgetuigen waren Petrus PEETERS en Elisabeth DE BUYSER) 2. Elisabeth KERREMANS werd gedoopt te Puurs op zondag 28 januari 1714 (doopgetuigen waren Joannes KERREMANS en Elisabeth PEETERS); ze trouwde later met Jan VAN DEN BRANDE. 3. Egidius KERREMANS werd gedoopt te Puurs op maandag 27 april 1716 (doopgetuigen waren Egidius KERREMANS en Maria MEES); hij trouwde later met Joanna VAN DEN BRANDE. 4. Catharina Serafina KERREMANS werd gedoopt te Puurs op maandag 14 februari 1718 (doopgetuigen waren Daniël PEETERS en Servina KERREMANS); ze trouwde later met Peter Jan CORTEBEECK. 72
Attestatie voor Margriet Peeters en Jan De Wachter door de Wethouders van Puers, Schepenbank Puurs, d.d. 24.11.1692, RA OGA Puurs, inv. 3, f° 332v (Bewerking C. Verstrepen, o.c., nr .324) 73 In een notariële akte waarin ze als getuige optreedt. (Notaris Jan De Cock, d.d. 17.11.1719, RAA, Inv. 4077) 74 Pachtboek Francisco de Santander 1725 – 1738, f° 33 e.v., familiearchief Reginald de la Serna, Floreffe. 75 Binon, Dirk, Bewerkt doopregister parochie Puurs, 1697-1721, eigen uitgave, 2009. Ook de meeste andere hier vermelde genealogische informatie is ontleend aan de bewerkingen van de Puurse parochieregisters (dopen, huwelijken en overlijdens) door dezelfde auteur. 76 Apers, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, RA Anderlecht, bewerking 2003 47
5. Franciscus Matheus KERREMANS werd gedoopt te Puurs op vrijdag 22 september 1719 (doopgetuigen waren D. Franciscus de SANTANDER (Koninklijk Commissaris) en Elisabeth DE BUYSER); hij trouwde later met Joanna Maria WAUTERS. Bij de fiscale telling van 1747 werd Cornelius Kerremans ingecohierd met een ‘halve ploeg’. Dat is een aanduiding van de oppervlakte van het door hem bewerkte land. Een ‘halve ploeg’ was eerder gemiddeld. Slechts weinig pachters werden op een volle ploeg getaxeerd (acht in heel Puurs), maar voor een grote hofstede als de Keukenhoeve zou je dat misschien toch wel verwachten. Maar we mogen niet uit het oog verliezen dat het beschikbare landbouwareaal van het domein op dat moment verdeeld was over twee pachthoven, waarvan de oude kernhoeve, binnen de wal, de kleinste was: bij de erfdeling van de familie De Santander in 1767 goed voor ‘slechts’ 18 bunder (zie: paragraaf 4.5.3). Die grond bewerkte Cornelius Kerremans volgens de telling van 1747 samen met zijn vrouw, één zoon (wellicht Frans, de andere kinderen waren al getrouwd) en één ‘meyssen’. Hij had drie paarden en een veulen, wat wél veel was. In heel Puurs (in 1747 ongeveer 4000 inwoners), waren er 12 boeren met drie paarden, 39 met 2 en 21 met 1 paard. En zelfs die laatsten behoorden nog tot de welstellende klasse. De overgrote meerderheid van de bevolking had helemaal geen paard, omdat het arme keuterboeren waren, knechten of dagloners, of omdat ze niet actief waren in de landbouw. Het fiscaal cohier vermeldt voor Cornelis verder één koe, twee ‘runders’, een kalf en twee varkens. Een eerder beperkte veestapel dus, wat er samen met het grote aantal paarden op wijst dat de nadruk in het bedrijf op de akkerbouw lag, eerder dan op de veeteelt. Maar dat gold voor de meeste boerenbedrijven in die tijd. Daarnaast werden er twee haardsteden (schouwen of verwarmde plaatsen) genoteerd, wat eigenlijk ook maar gemiddeld was. Over een kasteel of ‘speelhuis’ wordt in de fiscale telling overigens niet (meer) gerept.77 Opmerkelijk is dat Cornelis Kerremans zelf wordt genoemd als één van de opstellers van die fiscale telling in Puurs, meer bepaald in de hoedanigheid van ‘armenmeester’. De functie van ‘armenmeester’ of ‘Heilige Geestmeester’ zouden we nu omschrijven als OCMW-raadslid. Hij bekleedde die functie minstens van 1745 tot 1747, mogelijk ook langer. Op 12 september 1751 trouwde zijn zoon Franciscus in Puurs met Joanna Maria Wauters (getuigen waren de respectieve vaders Cornelis Kerremans en Petrus Wauters). Enkele maanden later, op 19 december, verkochten Cornelis en Catharina Kerremans voor 800 gulden de helft van hun inboedel aan hun zoon en schoondochter. Het ging meer bepaald om ‘de helft van alle de meubiliaire effecten en huijsraedt, koeyen, peerden, waegens, karre, ploeghen, dorszeil, sacken, bezaeytheidt (gewassen op het veld, die helaas niet nader gespecifieerd werden), voedsel, houtwas’, enz. De ouders bewaarden voor zichzelf wel ‘alle hunnen cleederen ende lijnwaert, comptante penningen, obligatieën, renten en crediten, mitsgaders twee kisten, eene schapraye en een pluymen bedde’. Verder wordt in de akte gestipuleerd dat zodra één van de ouders zou overlijden, Frans en Joanna Maria ook de andere helft van de goederen zouden kopen voor een identieke som van 800 gulden. Ondertussen zouden beide koppels de ‘geseijde meubiljaire en haeffelijcke goederen gelijckelijck gebruijcken’, en ook de pacht, de lasten én de opbrengsten van de hoeve met elkaar delen, ieder voor de helft.78
Afbeelding 37 : De handtekeningen van de familie Kerremans op de verkoopsakte van 24.4.1760. We zien dat de ouders Cornelis Kerremans en Catharina Peeters met een kruisje ‘tekenen’, ‘verclaerende van niet te konnen schrijven’. Ook dochter Servina Kerremans kan niet schrijven. De anderen wel: Frans(us) Kerremans en zijn echtgenote Joanna Maria Wauters, Gillis (Egidius) Kerremans, Elisabeth Kerremans en haar man Jan Van den Brande, en Peter Jan Cortebeeck 77
Apers, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, RA Anderlecht, bewerking 2003. Akte van verkoop inboedel Cornelis Kerremans, 19.12.1751, notaris J.A. Aerts, RA Antwerpen, Notariaat Puurs, inv. 3486. 78
48
(de man van Servina Kerremans).
Een kleine tien jaar later, op 24 april 1760, kochten Frans en Joanna Maria ook de andere helft van de inboedel van hun (schoon)ouders over, deze keer voor 900 gulden. De formulering van de verkochte goederen is identiek aan die van 1751. Over de pacht en de lasten en opbrengsten wordt niet meer gesproken. Vermoedelijk had de jonge generatie ondertussen het beheer van de Keukenhoeve helemaal overgenomen. De ‘transportanten’ behielden wel nog voor ‘hun eigen gebruyck ende geniets hun leven geduerende, d’eene helft van neghen staeken bieën’. Ze moesten ook jaarlijks 500 liter melk krijgen, zonder daarvoor te moeten betalen. Verder werd bepaald dat ze ‘hun leven geduerende de caemer sullen mogen genieten voor hunne wooninghe gelijck oock de potagies uijt de hof (..) mitsgaders eenighe stoelen, potten en pannen tot hun gerief’. Volgens de overeenkomst zouden Gillis, Elisabeth en Servina Kerremans, de broer en zusters van Frans, na de dood van hun ouders ieder 50 gulden ontvangen uit het ‘sterfhuis’. Frans moest bovendien met zijn ‘karre’ beschikbaar zijn om zijn ouders naar de kerk te voeren of ‘elders daert hun sal believen mitsgaders de vracht te doen tot het 79 haelen van brandthout en torf ten dienste van deselve sijne ouders’. Bovenstaande beschrijving geeft uitzonderlijk een wat intiemer beeld van het leven op de Keukenhoeve. We zien dat er met hout en turf gestookt werd, en dat er bijen gekweekt werden. De koe zorgde voor melk en er was een groententuin. Maar welke gewassen er op de hoeve geteeld werden, daarover is weinig bekend. We komen daar verder op terug (in hoofdstuk 6). Lang heeft Frans zijn ouders niet naar de kerk moeten voeren, want zijn moeder, Catharina Peeters, overleed al op 8 september 1760. Het overlijdensregister vermeldt als woonplaats ‘in het Keukenhof’. Haar echtgenoot Cornelis stierf een goed jaar later, op 9 december 1761. Na de dood van hun (schoon)ouders baatten Frans Kerremans en Joanna Maria Wauters de Keukenhoeve helemaal alleen uit. Enkele jaren later, in 1767, onderging het landgoed ingrijpende veranderingen als gevolg van de grote erfdeling van de familie de Santander (zie: Eigenaars, paragraaf 4.5.3). Daardoor raakte het aloude landgoed versnipperd. Maar voor Frans Kerremans bood de opsplitsing van het domein een opportuniteit. Zijn pachthof, ‘le château ou maison de plaisance avec la petite cense enclos, entourré des eaux et fosses nommé la Keukenhoeve’ kwam ongeschonden en in zijn geheel uit de erfdeling. Bovendien kreeg hij de kans om zelf een aantal gronden van de tweede, ‘grote’ pachthoeve te verwerven. Op 13 augustus 1767 werd inderdaad een verkoopsovereenkomst gesloten voor notaris Alexander de 80 Mol in Willebroek tussen Don Joachim Gomez Rio (namens zijn echtgenote Donna Antoinette de Santander) enerzijds, en Frans Kerremans en zijn vrouw Joanna Maria Wauters anderzijds. De verkoop betrof vier stukken grond die bij de erfdeling van 1767 onder Lot B2 waren toegewezen aan Simon de Santander en de andere erfgenamen die hij vertegenwoordigde, maar die door Simon vervolgens geruild werden met Antoinette de Santander tegen een aantal percelen in het domein van Hodiarbois. Simon de Santander was trouwens getuige bij de verkoop, samen met Peter Kuyckens. Het ging meer bepaald om : 1. Den Braemitsers Bosch, 1 bunder, 2 dagwanden en 18 roeden, palende het Ramsdonkveld (N), de Grooten Aert (W), de heirbaene of dreve (Z), het Jonkvrouwveld (O). Voor dit perceel betaalde Frans Kerremans 1837 gulden. (Zie afbeelding 16, ‘Kaart 1649’, nr. 17) 2. De eerste partij in den Grooten Aert, 6 dagwanden, palende de Cleijnen Aert (W), de verkopers (N), de beke of Ramsdonkveld (O) en de Middelsten Aert (Z). Voor 1785 gulden. (Zie ‘Kaart 1649’, nr. 10) 3. De middelste partij in den Grooten Aert, vijf dagwanden, 46 roeden, palende het voorschreven stuk ofte het Ramsdocnkvelt (N), de achterste partij in de Grooten Aert (Z), de achterste partij in de Cleijnen Aert (W). Verkocht voor 1506 gulden. (Zie ‘Kaart 1649’, nr. 11) 4. De achterste partij in de Grooten Aert, 1 bunder en 70 roeden, palende de vorige partij (N), het Bramieters Bosch (O), de heirbaen of Palinckstraete (Z), mijnheer Biesemans (W). Verkocht voor 1401 gulden. (Zie ‘Kaart 1649’, nr. 12)
79
Akte van verkoop inboedel Cornelis Kerremans, 24.04.1760, notaris J.A. Aerts, RA Antwerpen, Notariaat Puurs, inv. 3495. 80 Akte van verkoop grond Keukenhoeve door Joachim Gomez Rio aan Frans Kerremans, voor notaris Alexander De Mol te Willebroek op 13.8.1767, geregistreerd voor de Schepenbank Puurs op 16.11.1767 (RA Antwerpen, OGA Puurs, Inv. 94). 49
Zo verkreeg Frans Kerremans dus ongeveer 5.5 bunders (6.6 ha) van de voormalige gronden van het ‘grote pachthof’ van de Keukenhoeve aan weerszijden van de Veurtstraat, voor in totaal 6529 gulden. Daarmee kwam – voor het eerst in bijna 130 jaar – een deel van het patrimonium van het Spaans Kasteel opnieuw in ‘autochtone’ handen. Om de aankoop te kunnen betalen, leende Frans Kerremans – eveneens voor notaris De Mol - nog diezelfde dag 5000 gulden van het Aartsbischoppelijk Seminarie van Mechelen, tegen een interest van 162 gulden per jaar, met de gronden zelf als hypotheek. Enkele jaren later, op 6 augustus 1774, overleed Joanna Maria Wauters. Het echtpaar Kerremans – Wauters had geen kinderen. Nauwelijks twee maand later, op 18 oktober, hertrouwde de 55-jarige Frans Kerremans met Anna Catharina Verhulst : dochter van Philippus Verhulst en Anna Janssens uit Willebroek, en zuster van zijn buurman Jan Baptiste Verhulst, die in 1767 het ‘tweede pachthof’ van de Keukenhoeve had gekocht (zie hoofdstuk 7). Ook met haar kreeg hij geen kinderen. Bij de communicantentelling van 1787 in Breendonk werden er ten huize Frans Kerremans nochtans acht ‘communicanten’ (12+) genoteerd.81 Wie dat – naast zijn echtgenote - allemaal waren, is onduidelijk; wellicht vooral personeel. Op 7 januari 1794 deed pachter Kerremans de vier percelen grond die hij in 1767 had gekocht, weer van de hand. Ze kwamen opnieuw in Spaans bezit, want de koper was Charles Antoine de la Serna, afstammeling van de vroegere eigenaars, die later op zijn beurt de Keukenhoeve zou verwerven (Zie Eigenaars, paragraaf 4.5.4). De percelen werden op dat moment respectievelijk ‘Parmentier, ‘den Aert aen den Kalverenbosch’, ‘den Aert tegen den achtersten Aert’ en ‘den Achtersten Aert’ genoemd.82 Later dat jaar liet het nieuwe Franse bestuur een algemene vermogenstelling uitvoeren om de belastingmaat te bepalen. De aangiftes zijn niet altijd even betrouwbaar – wat dat betreft verschilden belastingplichtigen in de 18de eeuw niet van die in de 21ste eeuw – maar ze geven toch wel een idee van de beschikbare middelen en goederen van de gezinnen. Frans Kerremans verklaarde op 21 november 1794 aan de commissaris dat zijn huishouden uit 8 personen bestond en dat hij tien bunder zaailand in gebruik had, maar geen weiden of bossen. Verder had hij naar eigen zeggen in zijn schuur en stallen 16 quintalen83 tarwe, 20 quintalen koren, 10 quintalen gerst, 14 quintalen haver, 15 quintalen hooi, 55 quintalen stro, 8 koeien, 2 vaarzen, 2 kalveren, 2 varkens, 4 paarden, 1 veulen, 2 wagens en 1 kar.84 Het jaar daarna, op 28 april 1795, overleed Anna Catharina Verhulst. Vermoedelijk hield Frans Kerremans het toen voor bekeken als pachter van het Spaans Kasteel, want bij de volkstelling van 1796 vinden we hem niet langer terug als huurder, maar als ‘gewezen boer’, woonachtig ‘in Breendonk’. Mogelijk woonde hij in bij de nieuwe pachter van het Spaans Kasteel, die net na hem staat ingeschreven in de volkstelling, met name zijn neef Jan Baptiste Cortebeeck, zoon van Petrus Joannes Cortebeeck en Serafina Kerremans, de zuster van Frans.85 Frans Kerremans overleed op 9 maart 1807 op 87-jarige leeftijd.
5.4.
De familie Cortebeeck (1795 - ±1832)
Jan Baptiste Cortebeeck werd geboren rond 1761 in Tisselt. Hij trouwde op 21 juli 1795 met Maria Theresia Verhulst. Zij was de dochter van Jan Baptiste Verhulst, de uitbater van de ‘nieuwe Keukenhoeve’ (het vroegere ‘tweede pachthof’, zie hoofdstuk 7). De getuigen bij het huwelijk waren (schoon)vader Jan Baptiste Verhulst en Frans Kerremans, die niet alleen een volle oom was van de bruidegom, maar ook een aangetrouwde oom van de bruid, via zijn tweede echtgenote Anna Catharina Verhulst. Wellicht nam het jonge koppel onmiddellijk na het huwelijk zijn intrek in het Spaans Kasteel. Toen lag dat nog in Puurs, maar kort daarna werd de hoeve samen met de hele noordoostkant van de Peeterstraat bij Tisselt gevoegd.
81
Telling in verband met de aanvraag van het dooprecht door de onderpastoor van Breendonk (Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Bundel Breendonk, 18de eeuw) 82 Verkoop grond door Frans Kerremans aan C.A. de la Serna, voor notaris Mayé te Brussel, op 27.1.1794. 83 Een quintaal is een oude gewichtsmaat die overeenkwam met 100 pond (± 50 kg). 84 Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 85 Volkstelling Puurs 1796, bewerking Dirk Binon, 1994. 50
Volgens de volkstelling van 1796 had de familie Cortebeeck op dat moment drie knechten en twee meiden in dienst: Jacobus De Bondt, Guilielmus Michiels, Peeter Huysmans, Petronella Cleymans en Anna Catharina De Lathouwer. Het gezin Cortebeeck - Verhulst zag er later als volgt uit : Joannes Baptist CORTEBEECK Geboren ± 1761, overleden op 5 mei 1833 te Tisselt, ongeveer 72 jaar. Zoon van Petrus Joannes Cortebeeck en Serafina Kerremans, getrouwd op 21 juli 1795 met Maria Theresia VERHULST Geboren op 15 oktober 1770 te Tisselt, overleden 15 april 1816 te Tisselt, ongeveer 46 jaar. Dochter van Jan Baptiste Verhulst en Maria Moens. 1. Maria Francisca CORTEBEECK, Gedoopt te Breendonk op 30 mei 1796 (doopgetuigen Franciscus Kerremans en Maria Theresia Moens), overleden te Breendonk op 23 december 1869, 73 jaar 2. Petrus Joannes CORTEBEECK Geboren rond 1800 3. Joanna Maria Catharina CORTEBEECK Geboren op 15 jun 1803 te Puurs, overleden op 30 maart 1846 te Tisselt, 42 jaar 4. Sophia CORTEBEECK Geboren op 2 mei 1804 te Puurs, overleden op 15 juni 1878 te Willebroek, 74 jaar 5. Maria Coleta CORTEBEECK Geboren in 1806 te Puurs, overleden op 14 maart 1877 te Tisselt, 70 of 71 jaar 6. Maria Theresia CORTEBEECK Geboren op 30 januari 1810 te Tisselt, overleden op 20 augustus 1875 te Tisselt, 65 jaar 7. Maria Anna CORTEBEECK Geboren op 21 maart 1813 te Tisselt, overleden op 1 november 1874 te Willebroek, 61 jaar Zes dochters en één zoon dus. Uit het bevolkingsregister 1820-1830 blijkt dat alle kinderen in die tijd nog bij hun vader inwoonden op ‘Het Spanjaardshof’. Hun moeder was in 1816 overleden. Op de hoeve werkten ook nog twee kechten (Jan Baptiste Blommaerts en Peter Jan Goossens) en één meid (Francisca Van Biesen). De paarden- en veetellingen uit die tijd tonen aan dat Jan Baptiste Cortebeeck wat dat betreft tot de belangrijkste pachters van Tisselt behoorde. In 1820 had hij tien ‘hoornbeesten’ (zeven ouder en drie jonger dan twee jaar) en vier paarden ouder dan drie jaar. Alleen andere grote boeren als Peter Jan De Wit en Antoon Vandenbrande kwamen in de buurt. Bij de paardentelling van 1824 was Jan Baptiste Cortebeeck samen met Peter Jan De Wit de enige pachter in Tisselt die vier paarden bezat. Rond die tijd was het areaal van het Spaans Kasteel dan ook opnieuw toegenomen tot 33 hectare (zie paragraaf 4.5.4). Het bevolkingsregister 1830-1840 geeft aan dat Maria Coleta ondertussen het ouderlijke huis verlaten had. De andere kinderen waren nog niet getrouwd, op Sophia na, die gehuwd was met Jacobus Leys en een dochterje van 4 had (Maria Anna). Haar man woonde niet op de hoeve en op 1 december 1831 verhuisde Sophia naar Puurs, wellicht om er samen met haar gezin een nieuwe woonst te betrekken. Ook vader Jan Baptiste ging mee. De andere kinderen bleven klaarblijkelijk op de pachthoeve wonen. Zoon Peter vertrok eind 1831 eveneens naar Puurs, zodat de twee knechten (Jan Baptiste Blommaerts en Jacobus De Wachter) als enige mannen op het hof overbleven. Vrouwvolk was er genoeg in huis en daarom was een meid vermoedelijk niet nodig. Er werd er alleszins geen 86 vermeld in het bevolkingsregister. Kort daarna betrokken nieuwe pachters het Spaans Kasteel: de familie De Block – Van Ranst. 86
Bevolkingsregisters Tisselt, 1820-1830, 1830-1840, Gemeentelijk Archief Willebroek (GAW) 51
5.5.
Familie De Block (±1832 - 1890)
Petrus De Block werd geboren op 8 oktober 1811 als oudste zoon van Jacobus De Block en MariaTheresia Van de Wauwer. Zijn ouders baatten de Zeuthoeve uit, de eeuwenoude pachthoeve in het noordwesten van Puurs. Naast landbouwer was vader De Block er ook actief als paardenfokker. De familie De Block woonde wel in Puurs, maar was eigenlijk afkomstig uit Breendonk. De ouders en grootouders van Jacobus woonden in de Breendonkstraat : Petrus De Block en Johanna Verlinden, en Jan De Block en Joanna Catharina Verschueren. Petrus De Block trouwde op 12 juli 1832 met Lucia Van Ranst uit Eikevliet. Wanneer het jonge koppel het Spaans Kasteel precies in pacht heeft genomen, is niet helemaal duidelijk. De bevolkingsregisters van Tisselt geven daar geen uitsluitsel over wegens een hiaat tussen 1832 en 1846. De familie De 87 Block duikt er pas in 1846 op, als bewoners van huis nummer 114, Secie B in de Peeterstraat. Er wordt helaas niet vermeld wanneer zij daar zijn komen wonen. Maar de kinderen van Petrus en Lucia werden alleszins allemaal in Tisselt geboren, tussen 1833 en 1857. We gaan er dan ook van uit dat de familie De Block vanaf 1832 of 1833 in het Spaans Kasteel verbleef. Hoe dan ook: in 1844 sloot Petrus De Block voor notaris Jacob Peeters in l’Auberge du Double Aigle in Willebroek een pachtovereenkomst met André Trumper, de toenmalige eigenaar van het Spaans 88 Kasteel (zie Eigenaars, paragraaf 4.6) . Maar ook daar blijkt niet uit of het om een nieuw of een hernieuwd contract gaat. Petrus De Block wordt erin vermeld als ‘fermier, demeurant à Thisselt’. Het contract betreft de ‘ferme nommée Château de l’Espagnol’ te Tisselt, met huis, tuin, schuur, stallen en bakhuis, omringd door een wal, en alle andere aanhorigheden voor een totale oppervlakte van iets meer dan 34 hectare. Zoals we hoger gezien hebben, bezat Dr. Trumper in die periode in Tisselt en Breendonk een patrimonium van ruim 38 hectare. Een aantal gronden verhuurde hij dus aan andere pachters. Meer duidelijkheid daarover krijgen we bij de omschrijving van de aan Petrus De Block verhuurde percelen, waarvan de namen ons ondertussen vertrouwd in de oren klinken (zie ‘Kaart 1649’, afbeelding 16). Naast de omwalde gebouwen en tuin, ging het op het grondgebied van Tisselt om het Poortveld en de Konijnenberg, het Kalverenbosch, het Kriekbosch, het Verbrande bosch, het Veldeken (vroeger ‘Juffrouwveldeken’ en ‘Juffrouwbos’ genoemd), de Permentier, het Ramsdonkveld, het Ander Distelveld, het Vaerwinkelbosch, het Vaerwinkelveld, het Dagwand aan het Breendonkstraetje, het Voorste Brullier (sic), het Tweede Brul (sic), over de Bosbeek. De percelen op het grondgebied van Breendonk waren de Agtersten Aert, de Aert tegen den Agtersten Aert, de Aert aan den Kalverenbosch, de Agtersten Kleijen Aert, de Kleijnen Aert, de Langen Aert (in zijn geheel, niet opgesplitst) en het Heybosch. De percelen aan de noordkant van de Keukenhofdreef werden dus niet aan De Block verhuurd (Distelveld en Groot Setsel). De pachtovereenkomst liep over een termijn van 18 jaar en ging in op 30 november 1845. Dat de ‘bail’ pas een jaar de afsluting van het contract begon te lopen, lijkt erop te wijzen dat het om een contractverlenging gaat, eerder dan om een nieuwe overeenkomst. De huurprijs bedroeg 2400 frank, jaarlijks op 30 november of ten laatste twee maand later contant te betalen in goud- of zilvergeld ten huize van de verhuurder, Rue du Grand Hospice in Brussel. We vermelden enkele van de huurvoorwaarden, die soms behoorlijk modern klinken. De pachter : moet de gebouwen van de hoeve goed onderhouden. De kosten van herstellingen aan de schuur, stallen en woonvertrekken zijn ten laste van de huurder, zowel wat betreft metselwerk, als schrijn- en dakwerk. Ook het onderhoud van de pompen is de verantwoordelijkheid van de huurder. moet twee keer per jaar alle schouwen laten kuisen om de gebouwen van brand te vrijwaren. Hij mag niet roken in de gebouwen en zal erover waken dat de dienstboden en knechten dat 87
Bevolkingsregister Tisselt, 1846-1856, Gemeentelijk Archief Willebroek (GAW) Pachtovereenkomst tussen André Dieudonné Trumper en Petrus De Block, voor notaris Jacques Peeters te Willebroek, 13.8.1844, RA Antwerpen, Notariaat Jacques Peeters, inv. 10634. 88
52
ook niet doen. Het is verboden de schuur te betreden met vuur, zelfs niet in een lantaarn. In geval van gehele of gedeeltelijk vernieling door brand, door wie of wat ook veroorzaakt, is de eigenaar niet verplicht om de schade te herstellen of een ander onderkomen te voorzien voor de pachter. Die laatste mag dan wel zonder verdere verplichtingen de pacht verbreken. moet de gebouwen tegen brand laten verzekeren en de premie betalen volgens de geschatte waarde. moet de landerijen jaarlijks goed en tijdig bewerken, bemesten, bezaaien; niets veranderen aan de aard of de vorm van de velden; de hagen goed onderhouden en eventueel nieuwe planten; de grachten, sloten en irrigatiekanalen goed onderhouden. moet ervoor zorgen dat de landerijen niet overstromen of onderspoeld worden door het water moet de wegen en paden op het domein onderhouden, repareren en opkuisen; en er geen nieuwe bijmaken. moet jaarlijks bij de verhuurder thuis in Brussel 100 kilogram goede boter leveren moet de aanplantingen goed verzorgen en dode bomen of struiken vervangen door nieuwe van dezelfde soort. moet jaarlijks vóór de maand maart de bomen, hagen en struiken laten snoeien en het afval laten verbranden op een afgelegen plaats. mag geen kreupelhout kappen vóór de struiken of bomen vijf jaar oud zijn. Van hoogstammige bomen mag hij geen hout kappen. mag niets veranderen aan de vorm en grootte van de vijver die rond de hoeve ligt; hij mag niemand op de vijver laten vissen zonder toestemming van de verhuurder. mag niet jagen of laten jagen op het landgoed. De eigenaar behoudt het jachtrecht om er zelf gebruik van te maken of het aan anderen uit te besteden naar eigen goeddunken. moet de hoeve voor eigen gebruik pachten en mag ze niet geheel of gedeeltelijk verhuren aan derden. moet aan het einde van de huurovereenkomst de hoeve en de gronden overleveren in goede staat van onderhoud en bewerking, zonder daar enige vergoeding voor te eisen van de eigenaar. Hij mag wel met de volgende huurder een prijs afspreken voor de meststoffen in de grond en voor de vruchten op het veld, volgens een raming gedaan door een schatter die door beide pachters samen worden aangeduid. De familie De Block had in 1842 in totaal 34 hectare grond om te bewerken. Later zou daar nog ongeveer 10 hectare bijkomen.89 Daar waren vele handen voor nodig. Maar die waren er ook, want Petrus en Lucia hadden elf kinderen : 1. Jacobus DE BLOCK Geboren in Tisselt op 7 juni 1833, overleden in Aalst op 7 april 1903 2. Maria Theresia DE BLOCK Geboren in Tisselt op 3 oktober 1835 3. Joanna Maria DE BLOCK Geboren in Tisselt op 14 december 1837, overleden in Tisselt op 30 mei 1862
89
Zie hoofdstuk 6 voor meer details over de landbouwactiviteiten op het Spaans Kasteel tijdens de pachtperiode van de familie De Block. 53
4. Josephus Antonius DE BLOCK Geboren in Tisselt op 10 september 1840, overleden in Tisselt op 1 oktober 1914 5. Carolus Ludovicus DE BLOCK Geboren in Tisselt op 20 maart 1843, overleden in Tisselt op 25 mei 1890 6. Maria Hendrika DE BLOCK Geboren in Tisselt op 9 maart 1846, overleden in Breendonk op 20 juni 1910 7. Petrus Franciscus DE BLOCK Geboren in Tisselt op 11 februari 1849, overleden in Breendonk op 26 januari 1931 8. Maria Catharina DE BLOCK Geboren in Tisselt op 11 februari 1849, overleden in Tisselt op 1 augustus 1849 9. Isabella Jacoba DE BLOCK Geboren in Tisselt op 3 mei 1851, overleden in Breendonk op 29 maart 1931 10. Victorius Aloysius DE BLOCK Geboren in Tisselt op 10 juni 1853, overleden in Hingene op 1 maart 1898 11. Eduardus Joannes DE BLOCK Geboren in Tisselt op 12 november 1857, overleden in Berchem op 2 september 1932 Ondanks al dat mans- en vrouwvolk had Petrus De Block, zoals elke zichzelf respecterende pachter, ook personeel. Vooral toen de kinderen nog klein waren, hadden Petrus en Lucia die hulp nodig. Tussen 1846 en 1856 noteren we liefst 14 knechten en meiden, zij het uiteraard niet allemaal tegelijk: er was een groot verloop. Meestal waren er een drietal knechten en twee meiden. Vanaf het midden van de jaren ’50 begonnen de kinderen uit te vliegen. Maria Theresia was de eerste: zij trouwde in 1855 met Johannes Henricus Verbesselt uit Londerzeel. Jacobus, de oudste zoon, werd priester gewijd in 1857, een sterke traditie in gegoede boerengezinnen. Hij was onder meer studiemeester in het Klein Seminarie in Mechelen en onderpastoor in Brussel en Heist-op-den-Berg. Joanna Maria overleed op jonge leeftijd, in 1862. Ze werd nauwelijks 24 jaar. Carolus Ludovicus bleef heel zijn leven op de hoeve wonen. Hij was niet getrouwd, maar wel actief in de Tisseltse politiek. Vanaf 1869, op 26-jarige leeftijd, zat hij in de gemeenteraad. Later werd hij 90 schepen en zelfs burgemeester (1883-1884). Hij stierf op vrij jonge leeftijd (47 jaar) in 1890. Ook zijn iets oudere broer Jozef De Block ging in de politiek. Zijn leven eindigde in dramatische omstandigheden. Jozef trouwde in 1871 met Maria Stephania Verbeken. Het koppel vestigde zich eerst in de Malderse Steenweg in Londerzeel. Rond 1880 verhuisde het gezin naar de hoeve met windmolen in de Biesemansstraat in Tisselt (nu Baeckelmansstraat). Jozef was er landbouwer, molenaar en – net als zijn voorouders – paardenkweker. Later schopte hij het tot burgemeester van Tisselt. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, op 28 september 1914, werd hij door de Duitsers gearresteerd : ze hadden in zijn molen een verrekijker en telefoondraden gevonden en beschuldigden hem van spionage. Op 1 oktober werd hij geëxecuteerd, aan de rand van het graf dat hij naar verluidt zelf had moeten delven. Hij weigerde om geblinddoekt te worden. De naar hem genoemde straat in Tisselt begint recht tegenover de plaats waar vroeger zijn molen stond.91 Heel wat opbeurender is het verhaal van Maria Hendrika: zij trouwde op 12 september 1871 met ene Jan Leonard Moortgat. Na hun huwelijk begon het koppel met een boerderij annex brouwerijtje in het 90
Karel De Decker, Tisselt, dorp met karakter, Gemeentebestuur Willebroek, 2008, p. 96-97 Louis Vervloet en Gust Van Auwenis, 1 oktober 1914 – Tisseltse burgemeester en molenaar gefusilleerd, in Vaertlinck Contact, tijdschrift van de Willebroekse genealogische en heemkundige kring, jaargang 1, januari 2006, p.5-7 91
54
centrum van Breendonk. Ruim 140 jaar later is Duvel Moortgat een van de grootste en meest gerenommeerde brouwerijen van het land. Ook Petrus Franciscus vestigde zich in het centrum van Breendonk, als winkelier en later rentenier. Hij was getrouwd met Joanna Catharina De Caluwé. Isabella Jacoba woonde eveneens in Breendonk-Dorp en was getrouwd met dierenarts Desiderius Cloostermans. Victor Aloysius werd dokter in de medicijnen en trouwde met Maria Paulina Van de Velde. En zo liep het Spaans Kasteeltje langzaam leeg. Vader Petrus De Block was al op 6 september 1865 overleden en tegen 1880 woonde op de hoeve alleen nog de weduwe Lucia Van Ranst, haar zoon Carolus Ludovicus en haar kleindochter Maria Josepha Verbesselt (° 29.7.1861), die er wellicht als meid werkte. Lucia overleed op 25 maart 1882. Op 25 mei 1890 stierf ook Carolus Ludovicus, op 47jarige leeftijd. Daarmee kwam een einde aan de pachtperiode van de familie De Block in het Spaans Kasteel. Hun verblijf is er zeker niet onopgemerkt voorbijgegaan, want sedertdien wordt de hoeve in de volksmond ook het ‘Blockers Kasteeltje’ genoemd.
5.6.
De laatste pachtersfamilies (1890 - 1922)
Op 5 augustus 1890 werd Judocus Josephus Huygelen de nieuwe pachter van het Spaans Kasteel. Judocus werd geboren op 12 februari 1858 in Eikevliet, als zoon van Ludovicus Huygelen en Joanna Catharina Kegels. Hij was in 1882 getrouwd met Rosa Meskens uit Nieuwenrode, geboren op 14 mei 1854 als dochter van Carolus Antonius Meskens en Clara Teugels. Het koppel had één dochter, Joanna Clothilde, die werd geboren in Eikevliet op 16 augustus 1882. Het gezin bleef tot 1899 in de hoeve wonen en verhuisde dan opnieuw naar Eikevliet. Rosa Meskens overleed er op 3 november 1932. Haar echtgenoot op 7 januari 1942. Ze werden in 1899 als pachters van het Spaans Kasteel opgevolgd door het gezin van Willem Vermeiren en Maria Elisabeth Kerremans. Die waren al oud toen ze de pacht overnamen. Willem was op 22 december 1818 in Tisselt geboren en de 80 dus al voorbij toen hij zich in het Spaans Kasteel vestigde. Zijn vrouw was enkele jaren jonger (° 27.5.1824, Tisselt). Ook twee van hun elf kinderen verhuisden mee: hun zoon Carolus Vermeiren (° 26.8.1861) en dochter Catherina Stephania (° 17.12.1870), die eerder dat jaar getrouwd was met Franciscus Leopoldus De Nys (° 7.1.1868, Heffen). Daarnaast waren er ook twee meiden (Joanna Virgina Van Zaelen uit Breendonk en Ludovica Dorothea Clerbaut uit Liezele) en een knecht (Egied Troch uit Tisselt). Willem Vermeiren overleed op 11 februari 1901 en zijn vrouw op 2 december 1912. Frans De Nys, zijn vrouw Catherina Vermeiren en schoonbroer Carolus bleven nog tot juni 1914 in de hoeve wonen en verhuisden dan naar de Blaasveldse Steenweg. Hun meid Ludovica Clerbaut keerde in juli 1914 terug naar Liezele. Knecht Egied Troch bleef klaarblijkelijk alleen achter in de hoeve, mogelijk om op de gebouwen te passen, maar overleed op 27 maart 1915. De bevolkingsregisters vermelden tijdens de oorlogsjaren geen nieuwe bewoners. Pas op 15 april 1919 arriveerde een nieuwe pachtersfamilie: het gezin van Jan Lodewijk Cortebeeck (1844-1925) en Anna Virginia Van den Bergh (1852-1921). Jan Lodewijk was een verre verwant van die andere familie Cortebeeck, die het Spaans Kasteel pachtte van 1795 tot 1831 (zie paragraaf 5.4) : zijn grootvader Willem was een broer van de toenmalige pachter Jan Baptiste Cortebeeck. Jan Lodewijk en Anna Virginia hadden al een respectabele leeftijd toen ze de hoeve huurden, respectievelijk 75 en 69 jaar. Drie van hun volwassen kinderen woonden nog bij hen in: Francisca Ludovica (°1887), Jacobus Edmondus (°1889) en Joannes Baptist (°1892). Op 20 maart 1921 overleed moeder Anna Virginia en op 10 mei van dat jaar trouwden zowel Francisca Ludovica (met Jan Jozef De Keersmaecker) als Joannes Baptist (met Joanna Ludovica Van Segbroeck). Nauwelijks een week later werd het Spaans Kasteel door graaf August de Bethune-Hesdigneul verkocht aan de familie Smedts – Van Eeckhoudt (zie Eigenaars, paragraaf 4.8). Jan Lodewijck Cortebeeck verbleef nog tot eind 1922 in de hoeve. Dan waren de eerste drie jaar van zijn pachtovereenkomst afgelopen en moest hij plaats maken voor de nieuwe eigenaars, die op 18 december 1922 zelf in de hoeve kwamen wonen. Negentig jaar en twee generaties later wonen hun nakomelingen er nog altijd. 55
6. Het landbouwareaal van het Spaans Kasteel De Keukenhoeve alias het Spaans Kasteel was een groot landgoed met heel wat landerijen: oorspronkelijk meer dan 50 hectare. Later werd het domein opgesplitst in twee pachthoven (het Spaans Kasteel en de Keukenhoeve) van respectievelijk ongeveer 24 en 26 hectare, waarvan het eerste uiteindelijk opnieuw het belangrijkste werd met 35 à 40 hectare gronden. Het ‘Hof ter Keuckene’ werd al in de 16de eeuw een ‘winhof’ genoemd : een opbrengsteigendom dat door de eigenaars werd verhuurd. In het vorige hoofdstuk hebben we kennisgemaakt met een aantal van die pachters. Maar over de manier waarop zij de hoeve exploiteerden, is weinig bekend. Waar werden de gronden voor gebruikt? Wat voor gewassen werden geteelt op de Keukenhoeve en welke daarvan waren het belangrijkst? We beschikken helaas niet over zogenaamde ‘staten van goed’ van de pachters van de Keukenhoeve in het ‘ancien régime’: gedetailleerde inventarissen van de bezittingen (meubels, huisraad, alaam en gewassen op het veld en in de schuren) die werden opgemaakt bij overlijden, verkoop, erfenis of faillissement. Daarom moeten we ons voor die periode behelpen met enkele sporadische verwijzingen naar de (landbouw)activiteiten op het Spaans Kasteel in notariële akten en fiscale tellingen (zie paragraaf 5.3 over de pachtersfamilie Kerremans). We kunnen er evenwel van uitgaan dat er zoals overal in de streek koren, tarwe, haver, boekweit en gerst werd gewonnen, en wellicht ook rapen, wortelen, koolzaad en klaver; misschien ook aardappelen en zeker vlas, twee producten die opgang maakten in de 18de eeuw. Vlas was populair in Tisselt. Er waren diverse rootputten. Ook in de walgracht van het Spaans Kasteel werd vlas geroot (zie paragraaf 4.8). In de boomgaard - 215 (fruit)bomen werden er op een bepaald moment geteld - groeiden ongetwijfeld appelen en peren, maar mogelijk ook kersen en krieken. Meer duidelijkheid komt er in de Franse tijd, met zijn doorgedreven administratie, en later in de 19de de eeuw. Vooral tijdens de pachtperiode van de familie De Block in het midden van de 19 eeuw kunnen we het landbouwareaal van het Spaans Kasteel vrij goed in kaart brengen. In de tabel op de volgende pagina hebben we de resultaten van twee landbouwtellingen (in 1856 en 1866) voor de familie De Block (DB) weergegeven. Om die cijfers te kaderen in het bredere perspectief van de landbouw in Tisselt in de 19de eeuw, hebben we er ook enkele globale tellingen voor de hele gemeente aan toegevoegd: voor de jaren 1802, 1834, 1856 en 1895.92 Wat de specifieke tellingen voor het Spaans Kasteel en de familie De Block betreft, moeten we er wel rekening mee houden dat de landerijen van de hoeve op Breendonks grondgebied hier niet inbegrepen zijn. Helaas zijn de Breendonkse landbouwtellingen niet bewaard gebleven. De telling van 1856 maakt geen melding van die Breendonkse pachtgronden, maar dankzij het pachtcontract met Dr. Trumper uit 1844 (met een looptijd van 18 jaar) weten we dat de familie ook in die tijd wel degelijk gronden van de hoeve in Breendonk in huur had (zie Pachters, 5.5). Anders dan de telling van 1866 vermeldt die van 1856 wel het dierenbezit. De familie De Block had vier paarden en verder twaalf ‘hoornbeesten’ ouder en vijf jonger dan twee jaar, én drie varkens. En dat was voor die tijd een behoorlijke veestapel, al lag de focus toch op de akkerbouw. In de telling van 1866 wordt wél expliciet verwezen naar de Breendonkse gronden van de familie De Block: 13,6 hectare ‘bouwland’ in Breendonk. Maar hoe die gebruikt werden, wordt niet vermeld. In totaal bewerkte de familie De Block toen 43.8 hectare: 28,3 in Tisselt, 13,6 in Breendonk en ook nog 1,9 hectare in Hingene. Die laatste grond was eigen bezit, wellicht een erfgoed van Lucia De Block – Van Ranst, die afkomstig was van Eikevliet. Ook in Tisselt bezat de weduwe De Block – haar man was in 1865 overleden – 1,3 hectare eigen grond. Al de rest – ongeveer 40 hectare – had de familie dus in pacht van Dr. André Trumper (zie Eigenaars, 4,6). Daarmee baatte de familie De Block op het Spaans kasteel één van de grootste landbouwbedrijven, zo niet hét grootste, van heel Tisselt uit. Wanneer we de aard van de in Tisselt geteelde gewassen beschouwen (zie afbeelding 38), dan valt de dominantie van de graangewassen op, vooral in de eerste helft van de 19de eeuw, met rogge als de meest populaire teelt: goed voor bijna 34% van het totale areaal van de gemeente in 1802 en zelfs 46% in 1834. Rogge was toen hét broodgraan bij uitstek. Maar bij de telling van 1856 zien we een spectaculaire daling van de roggeteelt: nog slechts 26%. Die ineenstorting heeft alles te maken met 92
RA Antwerpen, Hedendaags Gemeentearchief Tisselt, Landbouwtellingen, P 132, inv. 278 e.v. 56
de mislukte oogsten in de tweede helft van de jaren ’40 en de goedkope invoer uit het buitenland: de boeren wilden hun teelten diversifiëren. We zien dan ook de opkomst uit het niets van masteluin, een de de de sterker menggraan van rogge en tarwe. Boekweit, populair in de 17 en 18 eeuw, boerde in de 19 eeuw dan weer achteruit, onder meer omdat andere graangewassen dankzij de verbeterde landbouwtechnieken een betere opbrengst mogelijk maakten. de
In de loop van de 19 eeuw nam het aandeel van de aardappelteelt gestaag toe: voor heel Tisselt was er een groei van de aardappelgronden van 7,3% in 1802 over 13% in 1856 tot 18% in 1895. Ook de aardappeloogsten mislukten in de jaren 1845-1850, maar anders dan bij de rogge leidde dat niet tot een terugval van het aardappelareaal, mogelijk omdat er minder alternatieven waren dan bij de granen. de
Vlas bleef in Tisselt heel de 19 eeuw door populair, zelfs na de grote landbouwcrisis die ook het vlas trof vanaf het midden van de eeuw. Het aandeel van de met vlas bezaaide gronden groeide van 5,4% in 1834 zelfs tot 10,9% in 1895. De gemeente deed dan ook ook inspanningen om de vlasteelt te ondersteunen en te stimuleren, zoals de inrichting van een wekelijkse vlasmarkt.93 De landbouwactiviteiten op het Spaans Kasteel liepen grosso modo parallel met die in de rest van Tisselt. Aangezien we niet over cijfers voor de eerste helft van de 19de eeuw beschikken, kunnen we niet nagaan of ook de familie De Block na de crisis van de jaren ’45-’50 minder rogge begon te verbouwen, maar in 1856 zaten ze wat dat betreft sowieso al onder het gemiddelde voor heel Tisselt (20,8 tegen 26%). Toch was rogge ook op het Spaans Kasteel het belangrijkste gewas, gevolgd door tarwe (opvallend meer dan in de rest van de gemeente: 13,2 tegen 7,7% in 1856), gerst (met 10,5% in 1856 ongeveer evenveel als in de rest van de gemeente) en koolzaad (veel meer dan gemiddeld in Tisselt: 10 tegen 1,8% in 1856). Ook klaver (9,25%), vlas (9,1%) en masteluin (8,8%) hadden een behoorlijk aandeel in het areaal, dat vrij gediversifieerd gebruikt werd. Stippen we nog aan dat in 1866 als naoogst op de al bewerkte gronden vooral rapen, klaver en wortelen werden gewonnen, respectievelijk 9, 3 en 2 hectare. 1802
1802
1834
1834
1856
1856
Tarwe Gerst Haver Rogge Boekweit Masteluin Weiden Klaver Vlas Koolzaad Aardapp. Moestuin Bossen Diverse Bieten
ha 18,63 68,30 62,90 186,3 24,84 / / 91,93 43,46 12,42 40,01 2,48 2.45 / /
% 3,4 12,4 11,4 33,8 4,5 / / 16,7 7,9 2,3 7,3 0,5 0,4 / /
ha 30 50 40 300 30 / 68 / 35 16 45 15 2 20 /
% 4,6 7,7 6,1 46,1 4,6 / 10,4 / 5,4 2,5 6,9 2,3 0,3 3,1 /
ha 47,06 61,42 34,50 157,1 21,22 44,77 14,16 63,84 60,52 11,36 79,20 8,50 / / /
Totaal
551,3
100
651
100
603,6
Afbeelding 38 : Landbouwtellingen in Tisselt in de 19 in hectare en procent.
93
de
1856 DB % 13,2 10,5 8,9 20,8 1,5 8,8 1,5 9,25 9,1 10 5,8 0,3 / / /
1866 DB ha 3,00 3,00 2,00 6,00 1,00 2,00 0,25 2,00 2,50 2,00 3,00 0,39 / 1,12 /
1866 DB % 11 11 7,1 21,2 3.5 7,1 0,9 7,1 9 7,1 11 1,4 / 4 /
1895
1895
% 7,7 10,1 5,6 26 3,4 7,4 2,3 10,3 11 1,8 13 1,4 / / /
1856 DB ha 4,15 3,30 2,80 6,55 0,48 2,75 0,46 2,90 2,85 3,14 1,82 0,10 / / /
ha 28,39 86,47 37,51 154,2 / 35,93 27,37 74,32 71,97 / 119,3 11,34 3,85 / 10,82
% 4,3 13,1 5,7 23,3 / 5,4 4,1 11,2 10,9 / 18 1,7 0,6
100
31,3
100
28,3
100
661,5
100
1,6
eeuw, voor de hele gemeente en voor de familie De Block (DB),
Zie: Karel De Decker, Tisselt, dorp met karakter, Gemeentebestuur Willebroek, 2008, p. 113 e.v. 57
7. De tweede pachthoeve: het nieuwe Keukenhof Naast het omwalde hoofdcomplex bevatte het Hof ter Keuckene ook nog een tweede pachthoeve, aan de (Breendonkse) overkant van de Veurtstraat (nu Peeterstraat). Ze werd in 2008 afgebroken. De laatste decennia van de 20ste eeuw was er een herberg in gevestigd die effectief ‘Keukenhof’ heette. Op de Ferraris-Kaart (1776, Afbeelding 11) heeft de hoeve geen naam, maar op die van Gigault (1804) heet ze ‘Ferme dite Keukenhof’ en in de Popp-atlas (1865) is sprake van ‘Keutenhoef’ (sic), terwijl de ‘oorspronkelijke’ Keukenhoeve op beide laatste kaarten respectievelijk ‘Château de l’Espagnol’ en ‘Spaensch kasteel’ wordt genoemd (afbeelding 39).
Afbeelding 39 : Keukenhoeve en Spaans Kasteel, resp. op de kaarten van Puurs door Gigault (1804) en Popp (1865)
Het precieze verband tussen beide hofsteden kwam pas aan het licht tijdens het onderzoek naar de geschiedenis van het Hof ter Keuckene, meer bepaald bij de ontdekking van de erfdeling van de familie De Santander in 1767 (zie Eigenaars, paragraaf 4.5.3). Toen werd duidelijk dat beide pachthoeves ooit deel uitmaakten van hetzelfde landgoed, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen enerzijds ‘le château ou maison de plaisance avec la petite cense enclos, entourré des eaux et fosses nommée la Keukenhoeve’ (‘Spaans Kasteel’ en kleine pachthoeve) en anderzijds ‘la grande cense (…) nommée aussi la Keukenhoeve (de tweede, ‘grote’ pachthoeve). Wanneer het tweede pachthof werd gebouwd en door wie, is niet bekend. In de beschrijvingen van de Keukenhoeve in de 16de en 17de eeuw is nergens sprake van een tweede pachthoeve. Op ‘Kaart 1649’ (afbeelding 40) staat de hoeve wel afgebeeld, maar op zo’n slordige manier dat het duidelijk is dat ze er later is bijgetekend. In de legende van de kaart wordt de tweede pachthoeve trouwens niet vermeld. De afbeelding toont een bouwstructuur met drie vleugels : waarschijnlijk woonhuis, schuur en stallen.
Afbeelding 40 : Keukenhoeve (linksonder) en Spaans Kasteel, op ‘Kaart 1649’ (fam. arch. Quinet – De Saegher)
58
Ook in de aankoopakte van 1649 (door Philippe de San Juan van Daniël Leijniers en Johanna Van den Broeck) is geen sprake van de tweede pachthoeve. De locatie waar ze (later) werd gebouwd, heet er net als op Kaart 1649 gewoon ‘Heyvelt’, zonder enige verwijzing naar een hoeve. Er is wel een indicatie dat de hoeve mogelijk door Don Philippe werd gebouwd. In de nasleep van het juridisch geschil over het erfrecht op het Hof ter Keuckene na de dood van Philippe (zie Eigenaars, paragraaf 4.5.2) velde de Puurse schepenbank op 15 november 1680 een vonnis van ‘interdictie ten behoeffne van vrouwe Catharina Soete, weduwe van Joncker de San Juan, tot laste van Sr. Symon de Santander tot eynde van nulliteyt van het verbod gedaen tegen haer door de voorschreven Symon de Santander. Ze zal van het moederlycke goed bij haer overleden man haer nagelaeten genieten van de proprieteyt ende de tocht van het pachthof geheten ‘De Keuckenhoeve’ opgebouwt zynde door haere overleden man den welcke oock de dreng ende andere boomen en plantsoene daer omtrent heeft geplant’. 94 Volgens het vonnis had Philippe de San Juan het gebouw waarvan sprake dus zelf gebouwd. Aangezien het absoluut zeker is dat hij de hoofdgebouwen niet heeft opgetrokken - die zijn zoals we gezien hebben veel ouder - kunnen we daaruit misschien afleiden dat hier effectief wordt verwezen naar de tweede pachthoeve. Ook de vermelding van de ‘dreng’ lijkt dat te bevestigen : ondanks de wat vreemde zinsconstructie gaat het hier om de ‘drenkplaats’ of vijver die bij de hofstede hoorde (zie verder). De tweede pachthoeve zou dan ergens tussen 1649 en 1679 (Philippes overlijden) zijn gebouwd. Bij de erfdeling van mei 1767 werd van de ‘grote pachthoeve’ gezegd dat ze de helft van de weg of dreef (‘chemin ou allée’) bevatte. Het gaat hier om de Veurtweg (nu Peeterstraat). De andere helft van de weg behoorde bij het Spaans Kasteel. Oorspronkelijk was dit deel van de huidige Peeterstraat dus volledig privédomein. Daarnaast hoorde bij de pachthoeve ook nog een ‘dreef in het noordoosten’ (het Keukenhofpad naar de toenmalige Paelinckstraet, nu Veurtstraat richting Londerzeel). De hoeve zelf was 3 dagwand en 41 roeden groot, lag op het Heyvelt en paalde aan de Haeghe (Z), de rest van het Heyvelt (W), de Keukenheide (N) en het Bergveldeken (O). Er hoorden 18 percelen grond bij : in totaal 21 bunder. De waarde werd geschat op 18.277 gulden. Dat was meer dan het ‘Spaans Kasteel en de kleine pachthoeve’, die met 18 bunder grond slechts op 15.611 gulden werden geschat. 95 Naast het pachthof betrof het volgende gronden (zie ‘Kaart 1649’, afbeelding 16): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18.
Het tweede deel van het Heyveld Het Tweede Heyveld De Haeghe Bergveldeken Eerste deel van de Grooten Aert Middelste deel van de Grooten Aert Achterste deel van de Grooten Aert Grooten Bruel Middelsten Bruel Achtersten Bruel Distelvelden Pramieters Bosch Scheirboschken Kleijn Setsel Groot Setsel Schoutheeren Boschken Sleutelbosch Schaepsdreve
Over de huurders van de ‘tweede pachthoeve’ in de 17de eeuw is niets bekend. In het eerder al vermelde pachtboek van Francisco de Santander (1725-1738) zien we dat het ‘Castillo la 94
Interdictie ten behoeffne van vrouwe Catharina Soete, weduwe van Jonker de San Juan tot laste van Sr. Santander de San Juan, 15.11.1680, RA Antwerpen, OGA Puurs, Schepenregister Puurs, Inv. 2. F° 183R (Bewerking C. Verstrepen, Schepenbrieven Puurs, Jaarboek van de Vereniging van Heemkunde in KleinBrabant, 2011, nr .73) 95 Verdeling erfgoederen van wijlen Simon de Santander de Oude, 7.5.1767, notaris Franciscus Van Meerbeeck, Brussel, RA Anderlecht, Notariaat generaal van Brabant, inv. 8464 59
Keuckenhoeve’ (het Spaans Kasteel) in 1725 werd gepacht door Cornelis Kerremans en de ‘censo la Keuckenhoeve’ (de tweede pachthoeve) door Margriet Peeters en haar schoonzoon Jan Marivoet.96 Vermoedelijk huurde Margriet Peeters de tweede pachthoeve al minstens sinds 1719, want uit andere bronnen weten we dat Cornelis Kerremans dat jaar al pachter was van het Spaans Kasteel, terwijl het in de decennia daarvoor door Margriet Peeters en haar opeenvolgende echtgenoten (eerst Karel Van der Wilt en later Jan De Wachter) werd gepacht (zie paragraaf 5.2). Jan Marivoet trouwde op 11 februari 1720 met Catharina Van der Wilt (geboren op 13 juli 1690), de jongste dochter van Margriet Peeters en Karel Van der Wilt. Het koppel kreeg drie kinderen : Johanna (7 november 1720) en de tweeling Franciscus Josephus en Maria Judoca (21 maart 1722). Franciscus werd genoemd naar zijn doopgetuige Francisco de Santander, de beheerder van de hoeve (zie paragraaf 5.3, De familie Kerremans). Op 10 maart 1726 overleed Margriet Peeters op 84-jarige leeftijd. Haar dochter en schoonzoon bleven de tweede pachthoeve verder uitbaten tot in 1733. Dat jaar moest Jan Marivoet al dan niet vrijwillig overgaan tot een openbare verkoop van de gewassen op een aantal landerijen die hij in gebruik had op de ‘Keukenhoeve’. Het ging om negen bunder akkerland bezaaid met ‘hertgranen’ (tarwe, haver en vooral koren) en vijf dagwand vlas. De verkoop werd georganiseerd door notaris Jan De Cock en bracht 584 gulden op, waarvan er 500 meteen aan Francisco de Santander werden uitbetaald. Vermoedelijk ging het dus toch om een min of meer gedwongen verkoop om pacht(achterstallen) te betalen.97 Het jaar daarop werd de pacht overgenomen door Peter Hermans en zijn vrouw Elisabeth Van de Velde. Peter werd op 17 augustus 1691 in Puurs gedoopt als zoon van Adriaan Hermans en Joanna Van Hoorick. Hij trouwde op 1 juli 1733 met Elisabeth Van de Velde. Vermoedelijk is het koppel dus kort na hun huwelijk in het pachthof komen wonen. Bij de fiscale telling van 1747 werd Peter Hermans net vóór zijn buurman Kerremans ‘ingecohierd’ met ‘zijn vrouw, een halve ‘ploege’ grond (een aanduiding van de oppervlakte), een meysse, twee peerden, vier koeyen, een kalf, twee verckens en twee haersteden.’ 98 En net als Frans Kerremans was ook Peter Hermans Heilige Geestmeester in Puurs, meer bepaald van 1749 tot 1752. Peter en Elisabeth kregen twee kinderen (Maria Anna en Andreas), die allebei jong stierven. Zelf overleed Peter Hermans op 24 maart 1766, (‘in het Keukenhof’). Een jaar later, bij de erfdeling van de familie de Santander in 1767, werd de tweede pachthoeve helemaal ontmanteld. Een deel van de gronden kwam in het bezit van Doña Maria Antoinette de Santander en haar echtgenoot Joachim Gomez Rio. Zij verkochten ze aan Frans Kerremans, de pachter van de ‘kleine pachthoeve’ en het ‘kasteel’ (zie paragraaf 5.3). De ‘grote pachthoeve’ met het Tweede deel van het Heyveld, het Tweede Heyveld, de Haeghe, Bergveldeken, Scheirbosch en Distelveld (samen 7 bunder) – ging naar Doña Françoise Bonaventura de Santander en haar man François Xavier de la Peña. Enkele maanden later, in augustus 1767 verkochten zij de hoeve met de helft van de grond (ongeveer 3.5 bunder) voor 5623 gulden aan JanBaptiste Verhulst uit Willebroek.99 Ze werd in de akte omschreven als ‘een groot steenen pachthof, genaempt de Keuckenhoeve, met den hoff, twee schueren, nieuwe steene stallingen, bogaerdeken ende sijne andere appendentiën en dependentiën’. Naast de hoeve kocht Verhulst ook nog het Heyvelt (361 roeden) en een ‘dreefken achter het pachthof met de boomen daerop staende, paelend aan de voorschreven twee parchelen, de baen gaende naar de Voorte en de waterloop’ Tussen de hoeve en het Heyvelt lag inderdaad een brede gracht of vijver (zie afbeelding 41). Verder ook nog De Haeghe en het Tweede Heyvelt’ (op Kaart 1649 ‘Het stuck daer de Schuere op staet’ genoemd). Samen goed voor ruim 4 hectare (zie afbeelding 28, percelen 42-48).
96
Pachtboek Francisco de Santander 1725 – 1738, f° 33, familiearchief Reginald de la Serna, Floreffe. Openbare verkoop gewassen op de velden door Jan Marivoet in gebruik op de Keukenhoeve, 13 juli 1733, notaris Jan De Cock, Willebroek, RAA, Notariaaat, inv. 4091, f° 35 e.v. 98 Apers, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, RA Anderlecht, bewerking 2003. 99 Verkoop Keukenhoeve (tweede pachthoeve) aan Jan Baptiste Verhulst, 21.7 en 1.8 1767, notaris Alexander De Mol, Willebroek, geregistreerd voor de Puurse schepenbank op 7.9.1767, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv. 36, f° 65 e.v. 97
60
Afbeelding 41 : De vijver achter de tweede pachthoeve (‘Keukenhof’) in de jaren ’50 (verz. Schelkens – Verbruggen)
Jan Baptiste Verhulst werd rond 1740 geboren als zoon van Philippe Verhulst (schepen in Willebroek) en Anna Janssens. Toen hij de hoeve kocht in 1767 was hij volgens de akte nog ‘jonckman’. Om de aankoopsom van 5623 gulden te kunnen betalen, leende hij op 22 augustus 1767 een bedrag van 6000 gulden van jonker Ludovicus de Westmalle en zijn echtgenote Cecilia De Broe, tegen een jaarlijkse rente van 240 gulden (4%). Daarvoor hypothekeerde hij de pas verkregen hoeve. Ook zijn vader Philippe Verhulst stond borg met enkele percelen grond.100 Korte tijd later trouwde Jan Baptiste Verhulst met Maria Theresia Moens uit Zemst. Tussen 1770 en 1789 kregen zij tien kinderen, waarvan er twee jong stierven. Als geboorteplaats werd telkens Breendonk - Veurt aangegeven, in twee gevallen ook Breendonk - Keukenhoeve. Bij de communicantentelling van 1787 werden in het huishouden acht communicanten (12+) en drie kinderen (12-) genoteerd. Bij de vermogenstelling van 1794 verklaarde Jan Baptiste Verhulst dat zijn gezin uit acht personen bestond. Hij gaf verder aan dat hij vijf bunder zaailand bewerkte en geen bossen of weiden in gebruik had. Volgens zijn aangifte had hij in zijn schuur en stallen geen tarwe maar wel 20 quintalen (1 quintaal is 100 pond) koren, 12 quintalen gerst, 72 quintalen vlas, 8 quintalen boekweit, 8 quintalen haver, geen hooi, maar wel 30 quintalen stro, 3 vaarzen, 4 koeien, 1 kalf, 2 varkens, 2 paarden, 1 veulen, 1 wagen en 1 kar.101 Jan Baptiste Verhulst boerde dus niet zo slecht, maar toch verkocht hij de hoeve en bijhorende gronden in 1794 aan baron Maximilien d’Overschie de Neeryssche (1770-1819) en gravin Marie102 Thérèse d’Argenteau d’Ochain (1783-1867); zie Eigenaars, paragraaf 4.7. Uit de verkoopakte , voor notaris Alexander De Mol in Tisselt, blijkt dat de lening die Verhulst in 1767 aanging voor het verwerven van het goed, nog altijd niet terugbetaald was. Eigenlijk betaalde baron d'Overschie slechts 200 gulden aan Verhulst, bovenop de afkoop van de lening van 6000 gulden ten behoeve van Anna Louise Powis de Westmalle, die ze als bruidsschat van haar ouders had gekregen bij haar huwelijk met baron August de Norman, keizerlijk kamerheer en auditeur bij het Rekenhof in Brussel. 100
Rentebrief ten laste van Jan Baptiste Verhulst en ten behoeve van Ludovicus de Westmalle, 22.8.1767, notaris J.B. Waersegers, Brussel, geregistreerd voor de Puurse schepenbank op 7.9.1767, RA Antwerpen, OGA Puurs, inv. 36, nr 64. 101 Vermogenstelling Puurs 1794, niet gepubliceerde bewerking Dirk Binon. 102 Verkoopakte Keukenhoeve door Jan Baptiste Verhulst aan Maximilianus d'Overschie, 12.5.1794, notaris Alexander De Mol, Tisselt, RA Antwerpen, inv. 10564 (met dank aan Dirk Binon) 61
Toch bleef de familie Verhulst de hoeve verder uitbaten, maar dan als pachters. De kinderen bleven behoorlijk lang in het ouderlijke huis wonen. Bij de volkstelling van 1796 waren er nog drie meisjes en vier jongens, van wie twee jonger dan 12 jaar. De oudste dochter, Maria Theresia (° 1770), was in 1795 de straat overgestoken om er met haar kersverse echtgenoot Jan Baptiste Cortebeeck het Spaans kasteel te gaan uitbaten. Bij de volkstelling van 1814 woonden er ten huize Verhulst in de ‘Rue de Spaegnaertshof’ zoals de straat toen werd genoemd, nog altijd drie dochters (Maria Francesca, Joanna Catharina en Anna Catharina) en drie zonen (Jan, Ferdinand en Karel). Ze waren tussen 25 en 41 jaar oud. Met zo veel helpende handen in huis leek er geen behoefte aan personeel. Toch had het gezin één ‘domestique’, de 19-jarige Jan Moeyseroms. Op 15 december 1821 overleed vader Jan Baptiste op 81-jarige leeftijd. Zijn echtgenote overleefde hem nauwelijks twee maanden en stierf op 19 februari 1822. Rond die tijd werd de hoeve in pacht genomen door het gezin van Henri De Block (1770-1861). Hij was een oom van Peter De Block, die enkele jaren later (in 1832) zelf pachter zou worden van het Spaans Kasteel. Henri De Block was getrouwd met Maria Catharina Guns (1789-1856). Ze hadden vier kinderen. Henri behoorde tot de notabelen van Breendonk en zetelde na de Breendonkse afscheiding van Puurs in 1836 gedurende 20 jaar in de gemeenteraad. Zijn zoon Jacques schopte het later zelfs tot schepen. Burgemeester zouden de Breendonkse de Block’en evenwel nooit worden, in tegenstelling tot hun Tisseltse (achter)neven van het Spaans Kasteel (zie Pachters, 5.5). Daarvoor was de concurrentie van de burgemeesters-graven De Buisseret allicht te groot. Een dochter van Henri, Maria Theresia De Block (1815-1872), en haar man Egidius Peeters (18171897) slaagden er op 21 december 1860 in om de Keukenhoeve over te kopen van baron Auguste d’Overschie de Neeryssche (1802-1880). Die had de hoeve in 1859 geërfd van zijn ouders, baron Maximilien en gravin Marie-Thérèse. De verkoop betrof evenwel alleen de hoeve (B 40a op de Poppkadasterkaart), de tuin (B 41a), een stuk grond ernaast (B 43a) en de vijver (B 44). Samen goed voor 67 are. De overige gronden bleven in het bezit van de familie d’Overschie (zie afbeelding 26). Baron Victor, de zoon van Auguste, zou later net het tegenovergestelde doen van zijn vader: in plaats van een Breendonkse hoeve te verkopen, kocht hij in 1892 het Spaans Kasteel met alle gronden erbij van Hortense Trumper. Ironisch genoeg ontbrak op dat moment nog alleen de door zijn vader verkochte tweede pachthoeve om het aloude landgoed van het Hof ter Keuckene helemaal te reconstrueren. De nieuwe eigenaar van het tweede pachthof, Egidius Peeters, was de zoon van Willem en Joanna Catharina Teck uit de Breendonkstraat. Net als zijn vader was Egidius landbouwer en paardenkoopman. Ook zijn echtgenote Maria Theresia De Block kwam – zoals we gezien hebben - uit een familie van paardenkwekers. Hun dochter, Maria Francisca Peeters (° 1855), trouwde in 1881 met Joannes Edward De Boeck uit Steenhuffel, die als natiebaas in Antwerpen was gevestigd. Op 1 januari 1882 verkocht het koppel de Keukenhoeve aan Joannes Franciscus Taekels.103 Jan Frans Taekels (1852-1907) was de zoon van Guilielmus Josephus Taekels en Francisca De Block, ook al een telg uit de grote clan De Block: haar vader Adriaan was een broer van de vroegere pachter Henri De Block. Jan Frans Taekels kocht de hoeve voor 6000 frank, waarvan 2000 direct betaald werd en de rest gespreid over een periode van negen jaar tegen een intrest van 4%. De hoeve werd omschreven als ‘eene hofstede genaamd Keukenhof met aanhorigheden, hof, erf en watering, samen groot 67 are, gestaan en gelegen te Breendonk op het Keukenhoefveld, wijk B, nummers 40a, 41a, 43a en 44a’. Een tiental jaar later kwam de hoeve in het bezit van de broer van Jan Frans: Jan Baptista Taekels (1856-1925) en zijn echtgenote Petronella Virginia Smedts (1859-1920) uit Willebroek. Zij hadden vijf zonen en drie dochters. Eén van van hen, Maria Virginia Taekels (1894-1957), nam het Keukenhof op haar beurt over, samen met haar echtgenoot Franciscus Augustinus Verbruggen (18931965) uit Leest. Kort na de Tweede Wereldoorlog verbouwden zij de hoeve grondig. De oudst bekende foto’s van de gebouwen, dateren uit die tijd (zie afbeelding 42 en 43). Hoe de hoeve er daarvoor uitzag, is helaas niet gedocumenteerd.
103
Verkoopakte Keukenhoeve aan Joannes Franciscus Taekels, 1.1.1882, notaris J.B. Verbelen, RA Antwerpen, inv. 12201, nr 1. 62
Afbeelding 42 : Keukenhoeve rond 1950 – voorkant, haaks op de Peeterstraat, aan de linkerkant
Afbeelding 43 : Keukenhoeve rond 1950 – achterkant (verz. Schelkens – Verbruggen)
Hun zoon, François Verbruggen, werd de laatste eigenaar van het Keukenhof. Hij werd geboren in 1934 en trouwde in 1959 met Clara Soetewey uit Wilrijk. Aanvankelijk zette François het landbouwbedijf van zijn ouders verder, maar later begon het koppel in de hoeve, of liever in een aangebouwde annex, een café, dat ze toepasselijk ‘Het Keukenhof’ noemden.
Afbeelding 44 : Keukenhoeve rond 1980 (verz. M. Verbruggen)
Café Het Keukenhof was een echte volkskroeg met François, alias ‘Den Hoed’, en Clara als kleurrijke cafébazen. Na hun overlijden (respectievelijk in 1996 en 2005) stond het huis een tijd lang leeg en in 2008 werd het afgebroken. Ondertussen is er een nieuwe villa verrezen. Het industrieterrein langs de A12 heeft de vroegere landerijen en de vijver opgeslokt, zodat er van ‘la grande cense’ De Keukenhoeve niets meer overblijft. Gelukkig staat aan de overkant van de Peeterstraat, veilig beschut binnen zijn wallen, nog wel het Spaans Kasteel.
63
Bibliografie APERS, Chris, Volkstelling te Puurs en Oppuurs, 1702 en 1747, eigen uitgave, 2003. APERS, Chris, Volkstelling te Willebroek en Tisselt, 1702 en 1747, eigen uitgave, 2003. APERS, Chris, Schepenbrieven van Willebroek, 1549-1674, twee delen, eigen uitgave, 2007 APERS, Chris, Schepenbrieven van Puurs, 1601-1628, publicatie in voorbereiding, 2012 APERS, Chris, De Sint-Annahoeve te Breendonk, publicatie in voorbereiding, 2012 BAL, Judocus, Landboek van Klein-Brabant en omgeving van de abdij Sint-Bernards, 1668-1669, facsimile, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, jaarboek 1984. BINON, Dirk, Volkstelling te Puurs en Breendonk 1796, eigen uitgave, 1994 BINON, Dirk en Pattyn, René, Volkstelling te Willebroek, 1796, eigen uitgave, 1994 BINON, Dirk, De Zeuthoeve te Puurs, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, 1997 BINON, Dirk, De Gansbroekhoeve te Ruisbroek, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, 2001 BINON, Dirk, Parochieregisters van Puurs - dopen, huwelijken, overlijdens, 1591–1797, diverse volumes, eigen uitgaven, 2002-2011 BINON, Dirk, Vermogenstelling in Puurs in 1794, niet gepubliceerde bewerking. CROKET, Benny, De Canegemhoeve en haar duiventil, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, 1995. DE DECKER, Karel, Tisselt, dorp met karakter, Gemeentebestuur Willebroek, 2008. DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, VlaamsBrabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 2N, 1975, Gent DE SAEGHER, Nadine & QUINET, Philippe, André Dieudonné Trumper, médecin à Bruxelles au XIXe siècle, nr. 6, Archief van de Stad Brussel, 2008 DE VEGIANO J. C. & DE HERCKENRODE S. F., Nobiliaire des Pays-Bas et du Comté de Bourgogne, Gent, 1870 GENICOT, Luc Francis, Burchten en hoevekastelen. Het groot kastelenboek van België, Vokaer, Brussel, 1976, KENNES H., PLOMTEUX G. & STEYAERT R. Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Mechelen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 13N2, Brussel – Turnhout, 1995. NATIONAAL BIOGRAFISCH WOORDENBOEK, dl. II & III, Brussel, sinds 1964. PAREDAENS, Jef, Klein-Brabantse Genealogische Databank (www.jefparedaens.be) PIRENNE, Henri, Geschiedenis van België. Deel 4. De staatkundige en godsdienstige omwenteling, Gent, 1925. ROGGEMAN, Gaston, Notariaat A. Van der Venne, Mechelen, 1606-1618, bewerking, eigen uitgave. ROGGEMAN, Gaston, Notariaat G Van Paesschen, Liezele, 1628-1660, bewerking, eigen uitgave. ROGGEMAN, Gaston, Notariaat Joseph Adriaen Aerts, Puurs, 1735-1789, bewerking, eigen uitgave. VERBESSELT, Jan, Het domein van de Abdij van Kornelimünster in Brabant. Het ontstaan en de ontwikkeling van Puurs, Pittem, 1968. VAN AUWENIS, Gust, Parochieregisters en burgerlijke stand van Breendonk, 1789-1950. Bewerking en gezinsreconstructie. Genealogische en Heemkundige Kring Vaertlinck, Willebroek, 2007. VERSTREPEN, Christian, Schepenbrieven Puurs 1679-1725, Jaarboek van de Vereniging van Heemkunde in Klein-Brabant, 2011, nr .53) VIVIJS, Staf, Brede Dunc. Een bijdrage tot de geschiedenis van Breendonk, De Cuyper, Zele, 1981
Archieven RIJKSARCHIEF ANTWERPEN (RAA) Oud Gemeentearchief Willebroek, Schepenregisters, D 153, inv. 1A - 1B (1549-1636) Oud Gemeentearchief Puurs, Schepenregisters, D 111, inv. 1-5 (1601-1725), 36 (1767) Hedendaags Gemeentearchief Puurs, Volkstelling 1814, P 111, inv. 147 Hedendaags Gemeentearchief Tisselt, Landbouwtellingen, P 132, inv. 278 e.v. Notariaat Gerard Van Paesschen, Liezele, Inv. 2864 (1636) en 2866 (1652) Notariaat Joseph Adriaan Aerts, Puurs, Inv. 3486 (1751), 3495 (1760) Notariaat Jan Baptiste Verbelen, Puurs, Inv. 12201 (1882) Hypotheekkantoor Mechelen, Transcription des actes de mutation, n° 241, art 61 & 62 (1839) Hypotheekkantoor Mechelen, Transcription des actes de mutation, n° 5 (1892) Parochieregisters Puurs, Willebroek, Tisselt 17de & 18de eeuw (microfilm) Burgerlijke stand Puurs, Willebroek, Tisselt 19de eeuw (microfilm) Bevolkingsregisters Breendonk 19de eeuw (microfilm) 64
RIJKSARCHIEF BRUSSEL ANDERLECHT (RAB) Notariaat Franciscus Van Meerbeeck, Notariaat Generaal van Brabant, inv. 8464. (1767) Raad van Brabant, inv. 5845 & 5847 (vonnissen 1766) STADSARCHIEF MECHELEN (SAM) Notariaat Adolf Van de Venne (1617-1618) AARTSBISSCHOPPELIJK ARCHIEF MECHELEN (AAM) Communicantentelling Breendonk 1787 (Bundel Breendonk, 18de eeuw) GEMEENTELIJK ARCHIEF WILLEBROEK (GAW) Bevolkingsregisters Tisselt (1820-1940) PRIVE-ARCHIEF FAMILIE CLYMANS – MARYNISSEN PRIVE-ARCHIEF REGINALD DE LA SERNA PRIVE-ARCHIEF FAMILIE QUINET – DE SAEGHER
Kaarten ‘Kaart 1649’ en ‘Kaart 1649 bis’ van de Keukenhoeve en haar landerijen, familiearchief Quinet – De Saegher (anoniem en niet gedateerd; door de auteur gedateerd) Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik, opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris, 1776, Blad 74, Willebroek, Koninklijke Bibliotheek van België. Atlas du plan de la commune de Thisselt, arrondissement de Malines, département des Deux-Nèthes, par les Sieurs Gigault (Géomètre en Chef) et François Devemy (Géomètre Secondaire), 1807, RAA., Z2 / 004 / inv. 155 Atlas Cadastral Parcellaire du Territoire de la Commune de Thisselt, par Mr. Lebrun, Géomètre de 1re classe, 1811, RAA, Z2 / 004 / inv. 157 Atlas de la Commune de Puers, arrondissement de Malines, départment des Deux-Nèthes, par le Sieur Gigault, Géomètre en Chef, 1807, Gemeentelijk Archief Puurs (GAP) en verz. Jos Winckelmans (Kaartbladen Breendonk) Atlas der Buurtwegen, Breendonk, 1844, GAP Atlas der Buurtwegen, Tisselt, 1844, GAW Atlas Cadastral Parcellaire de la commune de Breendonck, par P.C. Popp, 1865, eigen verzameling. Atlas Cadastral Parcellaire de la commune de Thisselt, par P.C. Popp, 1865, eigen verzameling.
Cover voor Achtergrond : Château de l’Espagnol, detail, kadastrale kaart Lebrun, 1811, RAA Inzet : Spaans Kasteel anno 2011, foto Etienne Clymans Cover achter Achtergrond : Tisselt, Haut Quartier de Breendonck en Château de l’Espagnol, overzicht, kadastrale kaart Lebrun, 1811, RAA Inzet : Spaans Kasteel op niet gedateerde kaart (wellicht 17de eeuw), familiearchief Quinet – De Saegher
65
Het Spaans Kasteel Op de grens van Klein-Brabant en Vaartland, tussen Breendonk en Tisselt, staat al minstens 460 jaar een hoeve met de intrigerende naam ‘Spaans Kasteel’. Idyllisch verscholen tussen het groen en veilig verschanst achter haar omwalling heeft de hoeve de tijd getrotseerd. Over de geschiedenis van het Spaans Kasteel, oorspronkelijk Keukenhoeve of Hof ter Keuckene genoemd, was tot nu toe weinig geweten. Dit boek vertelt voor het eerst het hele verhaal van het vroegere ‘maison de plaisance’en zijn twee pachthoven. Het is het relaas van een van de oudste nog bestaande hoeves in de regio, met verrassende vertakkingen naar de Grote Raad te Mechelen in de 16de eeuw, de Spaanse hofhouding van de aartshertogen Albrecht en Isabella, de oprichting van de Koninklijke Bibliotheek, de Belgische Revolutie, het begin van de Breendonkse brouwerij Moortgat en de executie van de Tisseltse burgemeester tijdens de Eerste Wereldoorlog.
66