126e jaargang - 2025 | 2 - 3 (mei - september)
volkskunde
tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven
ISSN OO42-8523 Uitgegeven met steun van de Vlaamse overheid, de Universitaire Stichting van België en Musea en Erfgoed Antwerpen vzw. Redactie: lic. Paul Catteeuw (redactiescretaris; Kontich) dra. Sofie De Ruysser (Antwerpen), dr. Hester Dibbits (Amsterdam), prof. dr. Sophie Elpers (Arnhem), dra. Roselyne Francken (Antwerpen), prof. dr. Hans Geybels (Leuven), prof. dr. Marc Jacobs (Brugge), prof. dr. Maarten Larmuseau (Kessel-Lo), prof. dr. Theo Meder (Almere), dra. Jorijn Neyrinck (Brugge), dra. Hilde Schoefs (Bilzen), prof. dr. Annick Schramme (Antwerpen), dra. Els Veraverbeke (Gent), prof. dr. Johan Verberckmoes (Heverlee) Verantwoordelijker uitgever: lic. Sigrid Peeters (Oelegem/Ranst) dr. Jur. Paul Peeters (Oelegem/Ranst) Eindredactie: Paul Catteeuw & Johan Verberckmoes Lay-out: Robin Reynders Beeld cover: Nienke Siegers! Adressen Redactie: J.B. Reykerslaan 28, 2550 Kontich, redactie@volkskunde.be Beheer-uitgeverij: Zandhovensesteenweg 13, 2520 Oelegem/Ranst , info@volkskunde.be Website https://www.volkskunde.be Jaarabonnement Voor België: € 24,00 - buiten België: € 30,00 Voor nummers buiten abonnement: info@volkskunde.be
Richtlijnen voor auteurs:
Johannes Altenberend
Willy Katzenstein Belevenissen, ervaringen en houdingen van een Joodse bezettingssoldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog in België
1. Inleiding: Overwinning of nederlaag? Also nun geht es los. Direktion Trier. Gestern Abend bin ich vom Untero!zierkorps, das ich eingeladen hatte, sehr schön gefeiert worden. Ich bin auf den Schultern herumgetragen, mit Hoch und Hurra! Laßt es Euch immer gut gehen und keine Sorgen!! Herzliche Grüße Willi1+2 Met deze veldbriefkaart nam Willy Katzenstein, een joodse inwoner van Bielefeld, afscheid van zijn ouders. Op 12 september 1914, de dag van zijn veertigste verjaardag, werd het 2. Landsturm Eskadron van de huzaren dat in Schloß Neuhaus bij Paderborn was gestationeerd, naar België getransporteerd om zich ter beschikking te stellen van het generaal-gouvernement. Het transport met de trein vertrok uit Paderborn met een cavaleriekapitein, 22 ondero#cieren (waaronder Katzenstein), 130 manschappen en 163 paarden. Tijdens het vertrek uit de kazerne en de treinreis werden Duitse soldatenliederen gezongen, begeleid door het “stormachtige gejubel” van de bevolking. Zowel de soldaten als de “zakdoekzwaaiende” bevolking hadden duidelijk een groot vertrouwen in de overwinning (348 e.v.). Na meer dan vier jaar oorlog toonde de Duitse terugtocht in 1918 een vergelijkbaar beeld. Weliswaar hoorde je geen gejubel na de onvoorwaardelijke capitulatie, maar hun nederlaag gaven de Duitsers voor zichzelf niet toe. De teruggekeerde eenheden werden
overal vrolijk als “dappere krijgers” begroet. Op 10 december 1918 vertrok het eskadron op zijn laatste rit naar huis. Na een paar uur zagen de teruggekeerde soldaten de bekende torens van Paderborn in de zonneschijn glinsteren. Een muziekkorps wachtte hen op bij het station om hun intocht in de feestelijk versierde stad te begeleiden. Een paar uur later ontving Katzenstein zijn ontslagpapieren: “Vrij!!!”. (607 e.v.) In een typoscript: “Landsturm im Weltkrieg” beschreef Willy Katzenstein in 1920 op basis van zijn dagboeken de vier jaar oorlog die hij als soldaat in België doorbracht. De aantekeningen zijn niet dagelijks, maar ze geven het verloop van de oorlog en de ontwikkeling van de nationale en internationale politiek nauwkeurig weer, soms snel, soms samenvattend. Sommige passages zijn gebaseerd op de lectuur van kranten, militaire situatierapporten en dagelijkse bevelen, waarbij de auteur herhaaldelijk de teksten met zijn eigen observaties en oordelen doorspekt. De aantekeningen worden interessant wanneer hij zijn dagelijks leven als ondero#cier van de Duitse bezettingsmacht beschrijft. De nadruk ligt dus niet op de militaire en politieke conflicten tussen de vijandelijke mogendheden. Evenmin is het de bedoeling om een geschiedenis van de bezetting te schrijven. Hij heeft veeleer de intentie om de ervaringen, houdingen en belevenissen van een joodse bezettingssoldaat aan de hand van zijn eigen getuigenissen te portretteren. Op deze manier kan men con137
De eerste parade van Duitse troepen op 14 september 1914 op het marktplein in Brussel (Staatsbibliotheek Württemberg, BfZ foto’s WKI 24 Brussel). 138
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein temporaine percepties herontdekken, actiemogelijkheden in de geschiedenis zichtbaar maken en vaststaande narratieven onder de loep nemen. De aspecten die in deze bijdrage worden geselecteerd, komen zowel voort uit Katzensteins subjectieve herinneringen als
van het Verband der deutschen Juden. Op zeer korte tijd werd hij dus betrokken bij belangrijke nationale comités en leerde hij in Berlijn vooraanstaande vertegenwoordigers van het Duitse jodendom kennen (67-151). Het uitbreken van de oorlog veranderde in één
uit de ervaringen van de door de bezetting getroffen Belgische bevolking. Aangezien de beschrijving van het dagelijkse leven onder de bezetting wordt herhaald, worden de aspecten exemplarisch verdeeld over Katzensteins standplaatsen.3 Maar eerst schetsen we zijn carrière tot 1914. Willy Katzenstein werd op 12 september 1874 in Bielefeld geboren als kind van Alex (1846-1926) en Rosalie Katzenstein (18541920) en groeide op in een welgestelde geassimileerde Joodse familie. Samen met zijn broer Moritz (1842-1907) richtte Alex Katzenstein in 1872 een privébank op, die in 1900 fuseerde met andere joodse regionale banken. Nadat Willy was geslaagd voor zijn eindexamen in het secundair onderwijs (Abitur), studeerde hij rechten in Freiburg, München en Berlijn. In 1896 promoveerde hij op 21-jarige leeftijd tot doctor in de economie in München. Een jaar later legde hij zijn eerste staatsexamen rechten af in Berlijn, voor hij zijn eenjarige dienstplicht vervulde bij het “voornaamste en duurste regiment” van de Schwere Reiter (Zware Ruiters) in München. Ondanks verschillende herhalingsoefeningen voor reservisten kreeg hij als jood nooit de verhoopte promotie tot o#cier. Er volgden enkele jaren als stagiair-advocaat voor hij zich in 1904 als advocaat in Bielefeld kon vestigen. Hij engageerde zich meteen bij het lokale bestuur van de links-liberale Fortschrittliche Volkspartei. Geïnspireerd door zijn oom Moritz en rabbijn Felix Coblenz nam hij ook de verantwoordelijkheid voor de Joodse gemeenschap op zich. In 1907 werd hij gekozen in het bestuur van het Verband der Synagogen Gemeinde Westfalens. In 1908 was hij betrokken bij de oprichting van de Vereinigung für das liberale Judentum in Deutschland, waarvan hij een jaar later tot bestuurder werd benoemd. In 1909 werd hij ook bestuurder
klap Katzensteins leven, want op 23 augustus 1914 werd hij opgeroepen, bij de Landsturm ingedeeld en naar Paderborn in beweging gezet. Daar werden oudgedienden, meestal huisvaders uit alle sociale klassen, als huzaren voorbereid op militaire dienst te paard.
2. Brussel - In het centrum van de bezettingsmacht Tijdens de treinreis naar Brussel observeerde Willy Katzenstein de gevolgen van de Duitse invasie in België. Dat het hier om een openlijke schending van het internationaal recht ging, drong niet door tot de als jurist opgeleide huzaar. Hij zag ontspoorde treinwagons en vernielde tunnels als sabotagedaden van Belgische soldaten of vrijwilligers. Buitensporig geweld door Duitse soldaten omschreef hij geruststellend als “slecht gedrag”. Tegelijkertijd zag hij door Duitse troepen platgebrande dorpen, waarbij hij aannam dat de incidenten door verzet van Belgische burgers werden veroorzaakt. Hij bracht trots verslag uit van de intocht van zijn eskadron in Brussel, die “te paard” in blauwe vredesuniformen onder deels nieuwsgierige, deels vijandige blikken de aandacht trok. De talrijke Duitse soldaten deden hem denken aan een “sterk thuisgarnizoen” met als enige verschil dat de soldaten wapens moesten dragen. Katzenstein maakte geen geheim van zijn Duits perspectief. Het eerste wat hem opviel waren de dichtgetimmerde voorgevels van voormalige Duitse winkels. De ramen waren vernield en de eigenaars verdreven. In de betere buurten zag hij de neergelaten jaloezieën, die aantoonden dat de Belgische bewoners naar het buitenland waren gevlucht. In één adem vermeldde hij echter ook de minachting voor Belgische 139
140
instellingen. Het justitiepaleis werd als kazerne gebruikt, met strozakken “tussen glanzende marmeren muren op dikke, kostbare tapijten”. De vestibule met de vele zuilen veranderde in een stal en had “niets meer van de oude voornaamheid” (355 e.v.).
te vorderen die voldeden aan de behoeften van het Duitse leger. Hoewel opeising van goederen en diensten was toegestaan onder het Haagse Landoorlogreglement van 1907 – tegen het verzet van de bevolking in – waren ze aan bepaalde voorwaarden gebonden. Er
Na de terugtrekking van de Belgische troepen ter verdediging van Antwerpen was Brussel aanvankelijk een onrustige stad. Het gedonder van kanonnen uit de richting van Antwerpen en de verplaatsing van zware Duitse wapens naar ginder baarden zowel de Duitse soldaten als de lokale bevolking zorgen. Uit angst voor onrust en sabotage werden de soldaten meermaals in staat van alarm gebracht. In individuele gevallen konden bedreigende situaties ontstaan wanneer het eskadron te paard zijn macht demonstreerde of wanneer de lokale bevolking door dwangmaatregelen werd geprovoceerd. Katzenstein noteerde in zijn dagboek echter ook heel andere indrukken van mensen, die “een vriendelijke indruk maakten en misschien uit angst heel onderdanig groetten” (360-364). Het eskadron had gehoopt om op te treden als persoonlijke wacht van gouverneurgeneraal Colmar von der Goltz. Hij stond – net onder de keizer – aan het hoofd van het militaire en civiele bestuur. Maar al na een paar dagen werd het eskadron toegewezen aan de inspectiedienst van het district Brussel en uiteindelijk van de provincie Brabant, waar het voor de Duitse overheersing militaire en administratieve veiligheid moest bieden. De dagboekschrijver onthield zich van commentaar over de organisatie en geschillen tussen de militaire en civiele administraties en hun samenwerking met de nog bestaande Belgische autoriteiten. Er zijn alleen maar aantekeningen wanneer de Duitsers decreten uitvaardigden of wanneer de Belgische autoriteiten uit protest tegen de bezetting staakten. Katzenstein was meer geïnteresseerd in de dagelijkse belevenissen en ervaringen van de bezettingssoldaat. De belangrijkste taak van de huzaren was in het gebied ten zuiden van Brussel bij de Belgische bevolking goederen
was bijvoorbeeld recht op compensatie en er moest met de behoeften van de burgerbevolking rekening worden gehouden. Al tijdens de eerste campagnes werden karren, paarden en wagens onder bedreiging van geweld gevorderd en overgedragen (365-368). Korte tijd later vorderde het eskadron nog eens honderddertig paarden op, die tot spannen voor wagonkonvooien werden samengevoegd. De zoektocht naar rijpaarden bij adellijke landeigenaren bleef zonder resultaat (382 e.v., 386 e.v.). Na de graanoogst nam het eskadron duizenden centenaars aan graanvoorraden in beslag, net als hooi en stro voor de paarden. Ook runderen werden samengedreven en naar Antwerpen weggevoerd, waar het vlees tot voedselconserven werd verwerkt (391 e.v., 395 e.v.). Daarnaast werden enorme hoeveelheden wijn ingevorderd: voor de soldaten aan het front en voor eigen gebruik. Al in de winter van 1914/15 veroorzaakte het tekort aan meel bevoorradingsproblemen voor de bevolking, die nog werden verergerd door de conflicten tussen verschillende militaire eenheden over hun rechtsgebied (386, 395 e.v., 399, 403 e.v.). Hoewel voor ongeoorloofde vorderingen door soldaten straffen dreigden, maakten die deel uit van het dagelijkse leven onder de bezetting. Katzenstein beschrijft bijvoorbeeld een bezoek aan de stad Mechelen. De soldaten “doorzochten” de vernielde en verlaten huizen van boven tot onder. Ze voorzagen zichzelf van “schoeisel” en vele andere “nuttige dingen”, waaronder een krat schuimwijn en honderd flessen rode wijn uit een wijnwinkel. Katzenstein noch zijn superieuren voelden dit als onrechtvaardig gedrag aan. Integendeel, hij was blij met een paar flessen van de beste wijnen, die anders voor hem totaal onbetaalbaar waren (369, 391). Terwijl hij door het vorderingsgebied reed,
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein heden rekening hield. Hierdoor kon hij de gruwelpropaganda tegen de Duitsers pareren en tegelijkertijd het imago van de eervolle Duitse soldaat hooghouden (362 e.v., 412 e.v., 416). Met de verovering van Antwerpen was België “van de vijand gezuiverd” en kon het eskadron
Souvenirfoto ter gelegenheid van zijn promotie tot onderluitenant op 26 oktober 1914. Willy Katzenstein presenteert zichzelf als een trotse huzaar met zwaard (...) – © Nalatenschap Katzenstein
merkte Katzenstein de vernielingen op in Poulseur, Andenne, Leuven, Aarschot en Mechelen. Hij schonk geen geloof aan de verklaringen van de Belgische bevolking, die klaagde over de “Duitse wreedheden” tijdens de opmars. Enkel in uitzonderlijke gevallen, die streng zouden zijn bestraft, zouden Duitse soldaten zich aan “vrouwen, weerloze en ongewapende mensen” hebben vergrepen. Eerder gaf hij de schuld aan Belgische guerrillastrijders die niet openlijk hadden gevochten en daarom het internationaal recht hadden geschonden. Zonder de willekeur en de massa-executies van Duitse soldaten te vermelden – hij refereerde alleen aan de “soldaten bedwelmd door oorlog en wijn” tijdens de eerste weken van de oorlog – kan hij represailles tegen de burgerbevolking rechtvaardigen. Zijn “geloof” in de Duitse militaire rechtspraak en in het fatsoenlijke gedrag van Duitse soldaten was zo groot dat hij niet eens met de begane wreed-
een “overwinningsfeest” vieren (375). Brussel was echter niet alleen het centrum van de politieke en militaire macht en de hogere Belgische administratieve autoriteiten, maar ook het “centrum van plezier”. In januari 1916 verbleef Katzenstein drie dagen met buitengewoon verlof in de stad. Naast de gestationeerde soldaten en administratieve ambtenaren observeerde hij ook vakantiegangers en gedetacheerden uit alle delen van België, net als o#cieren en manschappen die met verlof waren van het front om bij te komen van de gevaren en de inspanningen. In cafés en banketbakkerijen zag je bijna alleen soldaten en “de galante jongedames in de buurt van Brussel-Noord”. ‘s Avonds heerste er onder de o#cieren in de amusementscentra een zeer levendige sfeer. Katzenstein had kennis gemaakt met de bars gaité en merry grill, waar hij zowel een “jonge frontluitenant met vurige blikken een lokale schone zag achtervolgen”, als de “oude kolonel met witte baard die een klein brunette op zijn niet meer zo stevige knieën wiegde” (450). Achter de spottende opmerkingen zie je een duidelijke kritiek op het gedrag van het wilhelminische o#cierskorps dat misbruik maakte van de oorlogssituatie. Eind 1917 was hij terug in Brussel en deed hij verslag van grote amusementsgelegenheden waarin het “vrouwelijk element” een steeds grotere rol speelde. Waarschijnlijk waren bijna tweeduizend jonge meisjes in allerlei Brusselse etablissementen aan het werk. Helaas waren ze volgens hem niet de beste vertegenwoordigers van “vrouwelijkheid”, sommigen vielen op door hun ongepast gedrag en velen waren enkel uit op een avontuurtje. Tijdens zijn talrijke korte bezoeken kreeg hij de indruk dat Brussel, als centrum van de bezetting, tot een Duitse stad was omgevormd. Zo waren er winkels waar je de gerenommeerde Duitse 141
dagbladen of militaire benodigdheden kon krijgen (387, 529 e.v.). Hij zag er tegenop om het “levenslustige en comfortabele Brussel” te verlaten, want hier kon hij alle voordelen van een metropool genieten (404).
3. Bezettingssoldaat in Wallonië 3.1. Waver Begin maart 1915 werd het eskadron naar de kantonnale stad Waver overgeplaatst. Katzenstein merkte op dat het stadje met zijn 9000 inwoners het centrum was van een rijk plattelandsgebied met talrijke grote landgoederen van de adel en rijke pachtboerderijen (412). Delen van het eskadron werden ondergebracht in de renstallen van Brügmann bij Neerwaver. Katzenstein nam zijn intrek in het kasteel van graaf le Hardy de Beaulieu. Op een postkaart beschreef hij het verblijf als “mijn kasteel”, hoewel hij niet blij was met de inrichting en het afwijzende gedrag van de aristocraat (409 e.v.). Vanuit Waver moesten deelcommando’s in de naburige dorpen controleren of de bevelen van de militaire gouverneur werden opgevolgd. Katzenstein voelde zich erg op zijn gemak met de patrouilles, die hem overdag “kriskras” door het land voerden en veel kans op persoonlijke ontmoetingen boden. De takencatalogus omvatte de hele administratie van het bezette land. Het omvatte de vaststelling van de beschikbare weilanden voor Duits vee en het op het platteland opgeslagen veevoer, maar ook de zoektocht naar verborgen wapens en afgevuurde munitie, het bestrijden van houtdiefstal, het zoeken naar stropers en de verspreiding van verboden kranten (400, 413). Samenwerking met de burgemeesters was hiervoor een voorwaarde, zoals hij meermaals aangeeft (410 e.v.). Een centraal probleem voor Katzenstein was de haat van de Belgische bevolking tegenover de Duitse overheersers enerzijds en de vriendschappelijke sfeer tegenover de Amerikanen vanwege hun graanleveringen anderzijds. 142
Het enorme aantal Duitse soldaten tijdens de doortocht, de vernielingen in Waver en de “onverbiddelijkheid” van de soldaten hadden de inwoners van de steden en het platteland “wantrouwig en angstig” gemaakt. Hij nam nota van de klachten van de inwoners dat Duitsland schuld had aan het ongeluk van België. De oorlog en de invasie van België waren moedwillig en lang op voorhand voorbereid. Hij stelde deze visie tegenover zijn persoonlijke perspectief. De Duitse soldaten zouden zich overal hebben ingespannen, soms met succes, “de weg naar het hart van de bevolking te vinden en het bestaande wantrouwen weg te nemen” (393 e.v., 406, 414). Hij schreef over de “tolerantiebekwaamheid” van de Duitse bezetters tegenover tegendraads gedrag van de Belgen (397, 401, 405). Tegelijkertijd verwachtte hij dat de Belgen ons “niet te veel als vijanden” zouden zien, want duistere terughoudendheid of onvriendelijkheid zou zeer provocerend werken. In die zin meldde hij herhaaldelijk dat de contacten niet alleen door vijandigheid werden gekenmerkt, maar dat hij ook te maken kreeg met gastvrijheid en het “goedaardige karakter” van de plattelandsbevolking, ook al was het vaak alleen maar “uiterlijke” hoffelijkheid (403, 410 e.v., 414). Achter zulke uitspraken van Katzenstein gaan vaak wensdromen schuil die bedoeld zijn om een soepele machtsuitoefening te vergemakkelijken. Hij vertrouwde bijvoorbeeld de redenen voor het gebrek aan loyaliteit van de Belgen toe aan zijn dagboek. Ze beleefden de oorlog anders dan de Duitsers. Ze misten de “opwinding van het enthousiasme die de ernst van de tijd verdoezelt” en het geloof in een “grotere en betere toekomst” (416). Ze houden rekening met een permanente Duitse bezetting van België. De Belgen zagen niets dan ellende in de oorlog: werkloosheid, duur meel, klachten over het gedrag van de Duitse troepen, diefstal en bedelarij. Toen al het broodgraan in België op bevel van de gouverneur-generaal in de zomer van 1915 in beslag werd genomen, nam de haat tegen de bezetter nog toe, omdat men beweerde dat de
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein Duitsers het graan voor zichzelf wilden veiligstellen (426). Die indruk van een “onzekere tijd” werd absoluut ook versterkt door de verboden die de vrijheid van het individu inperkten, zoals de beperking op het houden van duiven of het algemene verbod op fietsen,
hem erkenning op bij zijn kameraden en de bevolking. Daarentegen zorgde het constante doffe gedreun van zwaar geschut aan het front honderd kilometer verderop in de “vredige stilte” voor onrust. Dit herinnerde hem aan
met uitzondering van verplaatsingen naar het werk. Angst voor geallieerde spionage speelde een belangrijke rol in veel van de decreten van de gouverneur-generaal. Omwille van het voorgaande werden uitgevoerde doodvonnissen met aanplakbrieven aan de Belgische bevolking bekendgemaakt. Een belangrijk en steeds terugkerend thema in de notities van de bezettingssoldaat waren de provocaties en protesten in het dagelijkse leven, zoals het zingen van de Marseillaise, het dragen van kleurrijke insignes of een groen klimopblad als symbool van vaderlandsliefde, evenals actief en passief verzet (397, 405, 413, 420, 424, 426, 473). In de landelijke omgeving van Waver deed Katzenstein echter ook geheel nieuwe ervaringen op. Hij zag het grote aantal “cafés en estaminets”, die vaak slechts een deel van een huis uitmaakten. Overal had je er het dunne Belgische bier of de populaire “geuzelambiek”, te vergelijken met het Westfaalse Altbier (417). Hij leerde ook de “zo populaire en heerlijke frieten” waarderen (456). Tot het plattelandsleven behoorde ook de teelt van uitstekende asperges, die door een gebrek aan afzet goedkoop werden aangeboden. Daarnaast werd er “ijverig geslacht en worst gedraaid”, zodat de soldaten “niet slecht” leefden (419). Ze kenden hem op bijna alle boerderijen en hij werd er goed ontvangen. Dit gaf hem een zeker gevoel van vrijheid, bood hem de mogelijkheid tot interessante gesprekken en maakte hem vertrouwd met het land en de mensen. Katzenstein voelde zich gerespecteerd toen een bediende in livrei hem “bedreven en stil” een uitstekend diner serveerde in de prachtige eetzaal van het kasteel Vieuxsart (420 e.v.). In zijn gesprekken met edellieden, boeren, burgemeesters en eenvoudige plattelandsbewoners kwam zijn kennis van het Frans, geleerd op het gymnasium, goed van pas en het leverde
“gruwelijke gebeurtenissen”, maar dergelijke beklemmende beelden werden snel gecompenseerd door berichten over militaire successen aan het oostfront of door een vrolijk “hoera” op het tot zinken brengen van het Britse luxestoomschip Lusitania door een Duitse onderzeeër waarbij meer dan duizend mensen omkwamen (410, 418).
3.2. Genval Katzenstein bracht de zomer van 1915 door in Genval, een vriendelijk landbouwdorpje met tweeduizend inwoners Het plaatsje was in vredestijd vanuit Brussel een drukbezocht “vakantieoord”. Na de bezetting werden de hotels en het kurhaus aan het meer door Duitse o#cieren en soldaten in beslag genomen. Katzenstein had hier voor het eerst een klein commando overgenomen dat de Belgische bevolking de indruk van bewaking moest geven. Vanuit zijn woning bij het station observeerde hij de troepentransporten met geschut en materiaal kort voor het derde Frans-Britse Artois-offensief en hoopte op een goede afloop van de “reuzenveldslag” (438 e.v.). Hij kon zijn dagelijkse ritten zelfstandig plannen. Ze brachten hem bijvoorbeeld van Genval langs historische paden naar het slagveld van Waterloo via Ohain, Lasne, Chapelle en Lamarache of naar het kasteel van Terhulpen, waar hij een “levendig gesprek” had met de kasteelvrouw, Amélie de Bosschaert, een in Duitsland geboren edelvrouw (437, 427). Hij ontving ook uitnodigingen voor gesprekken en diners van andere mensen, waarbij hij zich afvroeg of dit “natuurlijke vriendelijkheid dan wel berekening” was. Want hij was sceptisch tegenover de “kleine Belgen”, zoals hij neerbuigend opmerkte. Ze dachten dat ze het centrum van de wereld waren. Hun vaak valse berichten over Duitse brutaliteiten 143
Veldpostkaart nr. 154 gedateerd 13 juli 1915 (...) Genval, 13.7.15 – Meine Lieben! Jullie laatste lieve brieven wil ik – wanneer ik niet word gehinderd – morgen beantwoorden. Vandaag zou ik jullie even het huis willen voorstellen, waarin ik op het ogenblik woon. De ligging is, zoals jullie zien, niet zoals bij het Chateau de la Bawette, daarentegen ziet men hier meer volk, en de omgeving, de ganse streek is wondermooi. Voor vandaag de hartelijkste groeten. Jullie Willy – © Nalatenschap Katzenstein
en wreedheden werden in neutrale landen ook gemakkelijk geloofd (434). Daar kwamen nog de steeds terugkerende overtredingen tegen Duitse besluiten bij. In de parochie van La Chapelle-Saint-Laurent, bijvoorbeeld, werd de keizerlijke gea#cheerde bekendmaking van de verjaardag van het begin van de oorlog met “koeienmest” besmeurd. Katzenstein meldde niet dat de Belgische bevolking deze a#che, die “Aan het Duitse volk” was gericht, als een provocatie zag. Hij was ook fel gekant tegen de activiteiten van de patriotten. Zij zouden met “zwarte lijsten en anonieme dreigbrieven” optreden tegen mensen die met de Duitsers collaboreerden. Om het belang van deze kwestie te benadrukken, noteerde Katzenstein een decreet van de nieuwe gouverneurgeneraal Moritz von Bissing, die voor vijandelijk Duits gedrag dreigde met gevangenisstraffen of geldboetes (436). 144
Inkwartieringen in de kleine steden Waver en Genval en op het platteland veranderden de aanblik van het gebied tussen het front en het generaal-gouvernement. In september 1915 bracht Katzenstein bijvoorbeeld verslag uit van de inkwartiering van het hele Pruisische gardekorps in Genval, dat vanuit het oosten hierheen was overgebracht om “uit te rusten” en zich op een inzet aan het westelijk front voor te bereiden. Genval bood daartoe de beste omstandigheden met zijn kurhaus, dat nu werd gebruikt als soldatenhuis met een piano, kranten en een bibliotheek. Bovendien werden alle dorpen en boerderijen getroffen door inkwartiering. Volgens Katzenstein brachten deze frontgroepen afwisseling, maar ook onrust in het idyllisch beschreven plattelandsleven (437).
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein 3.3 Ottignies Katzensteins promotie tot plaatsvervangend o#cier ging gepaard met zijn overplaatsing naar Ottignies. Hij kreeg nu het bevel over een eenheid van tien huzaren, die hij aan patrouilles moest toekennen (441 e.v.). Onmiddellijk noemde hij de stad een “ellendig nest” en klaagde over de minachtende houding van de burgemeester en het neerbuigende gedrag van zijn superieuren (442 e.v., 449). In Ottignies dacht hij nu vaker na over zijn gemoedsgesteldheid. Hij was vertwijfeld over de verspilde tijd, net op een leeftijd dat hij had moeten werken. Het gedrag van de soldaten was slechts een “bedrieglijke schijn”, in werkelijkheid had iedereen een diep verlangen naar thuis en familie, naar vreedzame activiteit en naar het einde van de volkerenmoord (455). Voor alle soldaten was contact met thuis een centrale behoefte. Deze contacten werden mogelijk gemaakt door de veldpost, die Katzenstein intensief – bijna dagelijks – gebruikte. Hij schreef meer dan zeshonderd
Afscheidsfoto in Ottignies (17 juli 1916) – © Nalatenschap Katzenstein
postkaarten en een onbekend aantal brieven naar zijn ouders en ontving hun antwoord. De korte briefjes werden gebruikt om privé-informatie uit te wisselen en om pakketten met kleding, medicijnen en voedsel te regelen, die – ook door kameraden – in beide richtingen werden gestuurd, (475, 616, 621). Via briefkaarten met stadsgezichten en verwijzingen naar de bezoeken gaf hij zijn ouders een gekleurd beeld van zijn leefomstandigheden. Over de bezettingspolitiek en het benauwende dagelijkse leven van de Belgische bevolking ervoeren ze niets. Van zijn ouders ontving hij de laatste nieuwtjes uit Bielefeld, wat de relaties met de familie versterkte. De inhoud van de kaarten is niet verrassend, want vaak werden alleen maar geruststellende zinnen uitgewisseld (39 e.v., 609-633). Openbare vieringen met militair ceremonieel voor de verjaardag van de keizer, bataljons- en compagnievieringen of persoonlijke vieringen van de soldaten kwamen vaak voor (454, 475, 498). De belangrijkste gebeurtenis van het jaar was echter Kerstmis. Dat gold ook voor de joodse soldaten. Op 15 december 1915 deed hij verslag van de voorbereidingen en zei dat er grote pakketten waren aangekomen met milde giften (Liebesgaben) voor het eskadron en de soldaten. Een vrolijke kerststemming ontbrak, omdat de oorlog te lang duurde. En hij schreef op tweede kerstdag dat het einde van deze verschrikkelijke oorlog nog steeds niet in zicht was. Pas daarna verwees hij naar de verlichte kerstboom en de “mooie liedjes”, hoewel zijn gedachten naar thuis afdwaalden (447 e.v.). Een jaar eerder had hij bijna euforisch en zegezeker bericht over “liefdesgeschenken” (Liebesgaben – milde giften)) van de Vaterländische Frauenvereine Westfalen, over de “kerstboom in de kaarsengloed” en over de kerstliederen die traditioneel thuis (in de “heimat”) werden gezongen, Stille nacht en O du fröhliche (396 e.v.). Van de propagandistische enscenering van Kerstmis in 1914 was al in 1915 en de jaren daarna niets meer te merken. Er waren geen zendingen van 145
Kerstfeest in Kontich (© Nalatenschap Katzenstein) – © Nalatenschap Katzenstein
thuis in 1916. Volgens Katzenstein schommelde de stemming tussen “hoop op vrede en twijfel”. Hij bezorgde de soldaten onder zijn commando een pakje sigaren en een stuk honingkoek (491 e.v.). In 1917 noteerde hij zelfs helemaal niets. Enkel een herinneringsfoto uit Kontich bleef bewaard. Katzensteins ervaringen schommelden herhaaldelijk tussen persoonlijke, zelfopgelegde afzondering en vriendschappelijk contact met zelfgekozen kameraden van gelijke sociale status (476). Hij voelde zich vaak ook eenzaam en verlaten. Op de ochtend van zijn derde verjaardag tijdens de oorlog las hij met ontroering de liefdevolle brieven van zijn ouders en van zijn zus die in het verre Engeland woonde. Niemand wist dat hij jarig was en hij wilde niets zeggen, dus hield hij zijn verjaardagstemming in stilte voor zichzelf. Hij hoopte erop dat hij zijn volgende verjaardag weer thuis met al zijn dierbaren zou kunnen vieren (478). Of achter deze gevoelens een persoonlijk verdedigingsmechanisme tegen anti-joodse provocaties schuilging, is niet aangetoond, maar tegen de 146
achtergrond van zijn ervaringen wel denkbaar. De “thuisverloven” worden in het oorlogsdagboek even emotioneel beschreven. Op 9 juni 1916 zou hij vanuit Ottignies de “vakantietrein” naar zijn ouders nemen. ‘s Morgens vroeg waren twee van zijn mannen naar een boerderij gereden om een eend en boter te halen. Andere mensen sleepten vet, bier, meel en vers vlees aan. Vervolgens somt hij in detail op wat hij naar Bielefeld meebracht. Zwaar beladen, zonder ook maar één woord van spijt voor de lijdende Belgische bevolking (466, 486 e.v.). Een onrechtvaardigheidsgevoel hoefde hij niet te hebben, omdat de soldaten voedsel naar huis mochten meenemen. Daarentegen beschreef hij uitvoerig de bedrukte stemming in Duitsland. Iedereen verlangde naar vrede en hoopte dat de herfst een einde zou maken aan het bloedvergieten. Het voedseltekort werd sterk voelbaar. Heel veel kinderen en zwakke mensen leden aan ondervoeding. De mensen verdragen het geduldig, maar overal heerst grote verbittering over de ongelijkheden en onregelmatigheden in de voedseldistributie. Het “hamsteren” en achter-
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein houden van levensmiddelen, wat vaak werd gedaan door boeren en handelaren omwille van een grotere winst, werd veroordeeld (457, 466 e.v.). Het jaar daarvoor had Katzenstein al geklaagd over oorlogsmoeheid, prijsstijgingen en winkelsluitingen, gewonde en verminkte
voeden van de Belgen aan hun bondgenoten over te laten (406, 437-441, 455 e.v., 460 e.v.). Van enige humanitaire overtuiging is hier geen sprake. Katzenstein dacht aanvankelijk ook aan zichzelf toen hij eind 1916 “een hele ham, het beste Belgische landbouwfabricaat” mee
soldaten. In schril contrast hiermee stond het uiterlijke beeld van de straten die door de vele vlaggen altijd een feestelijk karakter hadden. In september 1917 en augustus 1918 kon Willy Katzenstein nog eens genieten van vrolijke en gelukkige dagen bij zijn ouders om te ontsnappen aan de “zenuwslopende onrust”. Veel Duitsers vreesden dat de oorlog was verloren (571, 486 e.v.). Hoewel er in september 1915 in België al maximumprijzen voor voedsel waren vastgesteld om speculatie en woekerprijzen aan banden te leggen, verergerde in het voorjaar van 1916 de voedselcrisis bij de stadsbevolking. Katzenstein wist dat de vorderingen ten koste gingen van de bevolking en dat de Amerikaanse graanleveringen niet voldoende waren om de bevolking te voeden. Het viel de bezettingssoldaat echter zwaar om “honger” duidelijk als een ervaring van de bevolking te benoemen. In plaats daarvan citeerde hij in detail een aankondiging van de gouverneur-generaal van 22 april 1916, waarbij het verboden was om levensmiddelen op te eisen en aan te kopen om het bezettingsleger te voeden. Het doel van de aankondiging was een eerlijke verdeling van alle voedingsmiddelen en het veevoeder om de verzorging van het Belgische volk veilig te stellen. Katzenstein concludeerde dat de Duitse troepen in België met onmiddellijke ingang vanuit Duitsland moesten worden bevoorraad, waar al een voedseltekort was. In België was “alles, vlees, vet, conserven, boter” nog in overvloed aanwezig, maar vrij duur door de zwarte markt. De Belgische bevolking werd daarom grotendeels ontzien ten nadele van de Duitse troepen. Gezien de continentale blokkade tegen Duitsland zou het misschien eerlijker zijn om de voorraden die hier in België beschikbaar zijn te gebruiken om Duitsland te ontlasten en de zorg voor het
naar huis nam (486). Op 12 juli 1916 nam Katzenstein met een rit te paard afscheid van Brabant: “Het was een genoegen om op zo’n mooie zomerochtend door dit rijke, gezegende land te rijden. Overal mooie dorpjes met schone, vriendelijke huizen, meestal omgeven door tuinen, vruchtbare akkers, glooiende velden met tarwe en haver, statige boerderijen. Na verschillende verkenningsbezoeken werden we gastvrij ontvangen door boer B. in Nil-Saint-Vincent, waar we een zeer goede lunch hadden” (469 e.v.).
4. Bezettingssoldaat in Vlaanderen 4.1. Boom Half juli 1916 werd het eskadron vervolgens overgeplaatst naar een kazerne in Antwerpen en onmiddellijk opgedeeld. Katzenstein kreeg het commando over tien man in Boom, een dorp met ongeveer 18.000 inwoners (470 e.v.). Hij nam zijn intrek in een aangenaam huis dat in 1914 door de eigenaar was verlaten. Hij vermeldde niet dat de familie voor de Duitse troepen was gevlucht. Zijn eerste waarnemingen en ervaringen waren gemengd. Als positief ervoer hij onmiddellijk de uitnodiging aan de o#cierstafel; dit voldeed aan zijn verwachtingen en eisen. De eerste ritten te paard toonden hem een tot dan toe onbekende kant van België: “Alles vlak, veel waterlopen, ..., weinig akkerbouw, maar vrij veel industriële bedrijven, vooral steenfabrieken, en daarom een dichte arbeidersbevolking” (471). Tijdens een rit naar de Scheldedijk bij Wintam kwam hij door “teruggetrokken dorpen”. Visvangst, mandenvlechten en klompenproductie waren er de voornaamste bezigheden. Hij merkte ook de 147
(Waarschijnlijk) Rijkswachtkazerne Boom: Katzenstein derde van links – © Nalatenschap Katzenstein
talrijke militaire forten op waarrond tijdens het beleg van Antwerpen zware gevechten hadden gewoed. Vanuit een Duits perspectief merkte hij op dat de verwoesting van hele dorpen aan de Engelsen en Belgen te wijten was, omdat ze een vrij schootsveld wilden (471 e.v.). Katzenstein vond het leven in Boom aangenaam: “Opstaan rond 8 uur, na het ontbijt (met escorte) uitrijden van ongeveer 9 uur tot 11 uur, vaak om inlichtingen in te winnen, dan kantoorwerk, inschrijvingen in de dienstboeken enzovoort. Om 1 uur lunchen aan de o!cierstafel tot ongeveer 2 uur, daarna thuis tot kort voor 6 uur, lezen of schrijven naar believen. Om 6 uur komen de patrouilleleiders om het patrouilleboek te tekenen, daarna houd ik appel in de stal. (....) Tegen 8 uur thuis avondeten, daarna meestal nog naar Hotel de l’Univers, waar ik altijd wel enkele andere heren voor een gezellig samenzijn ontmoet” (494). Het tekort aan aardappelen, vet en graan in de zeer strenge winter van 1917 trof Katzenstein, hoewel zijn focus in ieder geval niet op 148
de lijdende Belgische bevolking lag, maar op de Duitse o#cieren, die ook door de aardappelrantsoenering werden getroffen. Zij konden het daarentegen nog steeds uithouden, vooral omdat er geen tekort aan vlees en gevogelte was (502). Aan de andere kant reageerde hij met humor op de hongertochten van de stadsbevolking naar het platteland om aardappelen of ander voedsel op de kop te tikken. Zijn mensen hadden een zeer goed oog voor verborgen aardappelen en hadden vaak rondborstige en omvangrijke vrouwen opgepakt en hen onderworpen aan een snelle “vermageringskuur”. Het interesseerde hem niet wat het betekende voor de levenswijze van de Belgische gezinnen wanneer de besparing op brandstof en verlichting werd verordonneerd of de verplichte inlevering van huishoudelijke goederen werd aangekondigd. Hij was wel kritisch over de sluiting van industriële vestigingen en het wegvoeren van machines. Voornamelijk Duitse industriële kringen waren hiervoor verantwoordelijk, met als doel de concurrentie uit te schakelen (501, 517 e.v., 526 e.v.).
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein Katzenstein vermeed lange tijd om in detail te treden over de rigoureuze economische uitbuiting van België. Hij stond aan de kant van de gouverneur-generaal, voor wie de culturele integratie van België bij Duitsland belangrijker was dan de eisen van het ministerie van oorlog
klasse en leerden in Duitsland “werk en orde” kennen. Misschien zou deze maatregel later zelfs België ten goede komen. In zijn algemene beoordeling van deze actie werd zijn ambivalente houding duidelijk, want hij sloot zijn bijdrage af met de woorden: “Het voelt toch
voor een maximale uitbuiting van het bezette land. Met de aankondiging van het Hindenburgprogramma in de herfst van 1916 stond von Bissing echter tegenover een verenigd front van het ministerie van oorlog, het OHL (Oberste Heeresleitung: opperbevel) en de industrie. Eind oktober 1916 stemde hij in met de massadeportatie van Belgische arbeiders, die door de fabriekssluitingen “werkloos” waren geworden, voor de Duitse wapenindustrie. Tegen februari 1917 waren ongeveer 60.000 Belgen voor dwangarbeid naar Duitsland gedeporteerd. De o#ciële rechtvaardiging dat dit was om voor de bevolking te zorgen, ontmaskerde Katzenstein als een regelrechte smoes. Men wilde blijkbaar arbeidskrachten aanwerven en zo Duitse soldaten vrij maken voor dienst op het slagveld. Als advocaat wist hij dat volgens het Haagse Landoorlogreglement deportaties illegaal waren (483). Katzenstein beschreef één van deze transporten in meer detail. Zijn eskadron dreef ongeveer tweehonderd mensen die er “zeer uitgemergeld, ziekelijk en hongerig” uitzagen, van kleine dorpen naar het station van Willebroek bij Boom. Daar werden 800 mannen door een militaire commissie onderzocht; driehonderdveertien mensen werden “klaar voor de dienst en transport” bevonden. Hoewel hij sceptisch was over het proces, zag hij toch iets positiefs in de gebeurtenis. Voordat ze werden weggevoerd, kregen de mannen een “stevige noedelsoep en een stuk commiesbrood”, wat de eerder sombere stemming merkbaar deed opleven: “Ze werden heel vrolijk en monter. (...) Vrouwen en kinderen stonden aan de kant en huilden, maar over het algemeen bleef de bevolking kalm”. Katzenstein ging nog een stap verder en merkte op dat de wegvoering van deze mannen misschien wel een “sociaal werk” was. Ze kwamen uit de lagere sociale
niet helemaal goed!”. (483 e.v.) Hoewel Katzenstein het niet met alle decreten van de gouverneur-generaal eens was, voerde hij ze in de praktijk zonder protest uit. Eind 1916 kreeg hij de opdracht om in de gemeente Bornem geschikte notenbomen te markeren, waarvan het hout tot geweerkolven zou worden verwerkt, of, zoals hij het uitdrukte, om ze “ter dood te veroordelen”. Hij hield niet van deze dienst, omdat hij medelijden had met de bomen en de mensen die afstand moesten doen van een boom die lange tijd de toegang tot hun eigendom had bewaakt of een dorpsplein had opgesmukt of op een andere manier dierbaar was: “Oorlog is een ruwe handel” (492 e.v.). Al in Brabant, maar daarna vooral in Vlaanderen, werd hij geconfronteerd met een centraal probleem van België, namelijk de verdeling in regio’s met hun eigen cultuur en taal. Hoewel hij in het Frans kon communiceren, hield hij toch van de Vlaamse taal omdat die meer “ziel” had dan het “gladde Frans” (494). Voor hem leken de relaties met de Duitse bezetters in Vlaanderen vriendelijker dan in de Waalse steden. Een van de belangrijkste redenen hiervoor was dat de Duitse autoriteiten op alle mogelijke manieren de Vlaamse nationalisten die voor een onafhankelijk Vlaanderen streden, bevoordeelden. Hoewel Katzenstein hun recht op onafhankelijkheid erkende, maakte hij onderscheid tussen de activisten en de zogenaamde passivisten. Bovendien distantieerde hij zich van de Duitse veroveringspolitiek en weigerde zich te mengen in “zuiver Belgische aangelegenheden”. De strijd om het Vlaams recht zou pas na de oorlog worden gevoerd, zonder inmenging van een vreemde mogendheid (435, 512 e.v., 521, 526).
149
4.2. Kontich In de lente van 1917 werd Willy Katzenstein aangesteld als “plaatselijk commandant” van Kontich. Hij voelde zich thuis in het dorp van vijfduizend inwoners. Hij kon er in de villa met een mooie tuin van een gevluchte rentenier wonen. Antwerpen was dicht bij en bovenal leek zijn wens om bevorderd te worden tot o#cier eindelijk in vervulling te gaan. Het nieuwe werkterrein kwam overeen met zijn kennis en verwachtingen. Hij werd beloond met een eigen kantoor, telefoon en twee secretarissen. Door nieuwe lijsten, registers en mappen te maken voor elke gemeente hoopte hij orde te scheppen in het verwaarloosde kantoor (504 e.v.). Zijn takenlijst bestreek het hele leven van de bevolking van verschillende gemeenten (507 e.v., 541). De confiscaties betroffen nu ook rechtstreeks de eigendommen van Belgische huishoudens, want tegen eind 1917 moesten alle voorwerpen uit koper en messing, inclusief klinken en deurknoppen, worden ingeleverd. Alle huizen
Willy Katzenstein (links) als Ortskommandant voor zijn villa in Kontich – © Nalatenschap Katzenstein 150
werden bezocht om wol te vorderen; kussens en matrassen werden hiervoor opengesneden. Katzenstein ervoer de verbittering van de Belgen en legitimeerde deze interventies tegelijkertijd met de noodsituatie in Duitsland (527). Katzenstein was al eerder opgeroepen om speciale taken uit te voeren. In de herfst van 1916 en 1917 gaf hij propagandalezingen over de oorlogsobligaties (478 e.v., 522). Aan de andere kant wees hij informatieve lezingen van o#cieren af om de stemming en motivatie van de manschappen op te vijzelen (522). Begin 1918 werd hij gedetacheerd voor een gascursus voor o#cieren om kennis over het nieuwe strijdmiddel over te brengen (531, 534). Ook nieuw was zijn aanstelling als verdediger van vijf beklaagden in een “proces van oorlogsverraad” met in totaal vijftig beklaagden. Het ging om de spionagegroep rond Theo-Camille Maes die militaire informatie had verzameld en via Nederland doorgezonden. Na het pleidooi van de aanklager – hij eiste zestien doodvonnissen, waaronder drie voor vrouwen – begonnen de toespraken van de verdediging. De vonnissen in afwezigheid van de advocaten en de beklaagden werden uitgesproken. Een paar dagen later werden de zes doodvonnissen voltrokken. Om deze reden was hij naar de omgeving van Fort V in Edegem gereden en hij hoorde er het geluid van de schoten. Na de “tragedie” reed hij naar de stad en had een “gemoedelijke” avond, maar kon een onbehaaglijk gevoel niet van zich afschudden (509 e.v.). Meer dan alleen maar een onbehaaglijk gevoel had Katzenstein tijdens het tweede spionageproces tegen Henri Van Bergen en 66 leden van de verzetsgroep. Al voor het proces begon, had hij de indruk dat de rechtbank korte metten wilde maken met de verdachten. De advocaten van de verdediging waren hierover zeer “boos”. De verdediging van Katzenstein betrof onder anderen Margriet Ballegeer, de dochter van de politiecommissaris van Kontich. Ze stond bekend als Duitsgezind en had haar relaties met de
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein Duitse soldaten voor haar spionageactiviteiten gebruikt. Op de tweede dag van het proces bemerkte hij vooreerst de sympathieke verschijning van de beklaagden op. Hij wees vervolgens naar botsingen tussen de advocaten van de verdediging en de rechtbank, die de
5. Zelfbesef als soldaat
beklaagden als “schuldige veroordeelden” behandelde. Op de derde dag sprak hij ook de handelwijze van de voorzitter van de rechtbank tegen, die buiten het proces aan de advocaten van de verdediging uitlegde dat zij niet alleen pleitbezorger van de beklaagden waren, maar op de eerste plaats Duitse o#cieren. Katzenstein was onder de indruk van de “ridderlijke en elegante” woorden van de Belgische senator Léon Colleaux. Katzenstein was persoonlijk aanwezig bij het “trieste schouwspel” van de executie van zes doodvonnissen in Fort V in Edegem door het Landsturmbataillon Bielefeld. Hij beschrijft het executieproces gedetailleerd en emotioneel en besluit zijn verslag met de woorden: “Ze gingen waardig en moedig hun dood tegemoet” (536-540). Katzenstein nam de verdediging op zich in verdere militaire processen tegen Belgische burgers en Duitse soldaten. Hij uitte zijn verontwaardiging over incidenten die tegen de Duitse wet ingingen en “ernstige schade toebrachten aan de eer van de Duitse krijgsraden” (516, 529). En toch steunde hij de talloze decreten die de gouverneur-generaal uitvaardigde tegen het verzet van de Belgische bevolking. Op zijn tochten door Brabant en Vlaanderen controleerde hij de naleving van deze verordeningen, onderzocht overtredingen, nam verhoren af en bracht mensen voor het gerecht (541). Hij rechtvaardigde ook het opleggen van gevangenisstraffen en de doodstraf. Geen enkele natie in oorlog kon tolereren dat er achter de rug van zijn leger “clandestiene activiteiten” plaatsvonden die het leven van duizenden soldaten konden kosten en de veiligheid van het land op de ernstigste manier in gevaar konden brengen. In alle landen staat op spionage en verraad de doodstraf (444).
lieerden. Als soldaat accepteerde hij militaire principes zoals discipline en rangverschillen en diende hij plichtsgetrouw zijn land. Als lid van de Landsturm beschouwde hij zijn leven in België als “aangenaam en gemakkelijk” en pas in de zomer van 1918 werd hij direct geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog (485). Aandachtig volgde hij de oorlogsgebeurtenissen aan de fronten en noteerde de militaire successen (404). Mislukkingen werden verzwegen of slechts in mildere vorm gerapporteerd. Hij vermeed echter om propagandaredenen nederlagen, zoals de Slag bij Bikschote in november 1914, te herinterpreteren als een morele overwinning (388). Gelet op de eerste vredesinitiatieven van de Amerikaanse president Woodrow Wilson eind 1915, nam hij het o#ciële standpunt over de “oorlogsdoelen” over. Hoewel het verlangen naar vrede overal in Duitsland erg groot was, dacht niemand aan vrede totdat het “oorlogsdoel” was bereikt, namelijk de onvoorwaardelijke veiligstelling van Duitsland tegen de politiek van omsingeling en uithongering. Hiermee werd een front gevormd tegen de vijandelijke landen en staatslieden die eropuit waren Duitsland te “vernietigen”, d.w.z. de evacuatie van de bezette gebieden en de teruggave van Elzas-Lotharingen te eisen (446). Door de zeeblokkade werd Engeland gezien als de oorlogstegenstander bij uitstek, dat alleen voor zijn zakelijke belangen vocht en Frankrijk en België instrumentaliseerde (382 e.v., 435). Hij beschuldigde de Amerikaanse president Wilson van hypocrisie en wereldvreemd pacifisme vanwege zijn vredesvoorwaarden (461). In januari 1917 hoopte Katzenstein nog steeds op een “zegevierend einde van de oorlog dat jaar”. Tot 1918 vertrouwde hij op militaire kracht en op het opperbevel rond Hindenburg en Ludendorff, maar nu hoopte
Willy Katzenstein was enthousiast ten strijde getrokken. Hij rechtvaardigde de Duitse invasie in België en de aanvalsoorlog als een defensieve maatregel tegen de geal-
151
152
hij op een vrede van verstandhouding zonder annexaties (493, 500, 532 e.v.). Ondanks deze verwachtingen werden het dagelijks leven en de blik in de toekomst door een grote mate van onzekerheid gekenmerkt, zoals zijn aantekeningen in het voorjaar van 1916 over de
Als lid van het korps ondero#ciers analyseerde Willy Katzenstein intensief de interne omstandigheden van het Duitse leger. Hij bekritiseerde herhaaldelijk de “kastengeest” van de o#cieren, die zich streng afzonderden van hun ondergeschikten. De “heren” van het
gevechten rond Verdun en in het najaar van 1917 over de Duitse vredesbetogingen tonen (458 e.v., 522). In zijn aantekeningen nam Katzenstein uit de Duitse oorlogspropaganda een aangescherpt vijandsbeeld over. De door de geallieerden gebruikte metafoor van de Duitsers als barbaren of Hunnen stelde hij tegenover het beeld van de Duitsers als “cultuurvolk”. Hiermee volgde hij het wijdverspreid zelfbeeld in Duitsland dat werd gekenmerkt door een mengeling van arrogantie en zelfmedelijden. Dit maakte het mogelijk om de slachtofferrol op te nemen en tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor de invasie van België en de gevolgen van de bezettingsmacht te ontkennen. Hij zag zichzelf dan ook als een “vriend van de menselijkheid”. Het deed hem pijn om de haat te zien waarmee zijn vijanden waren vervuld. De Duitsers zouden niet in staat zijn om de vijandelijke volkeren zo te haten en hen te beledigen als barbaren en misdadigers (455). Hij was ervan overtuigd dat de “Duitse cultuur en moraal” superieur waren en daarom zouden zegevieren. Het “Britse imperialisme” moest worden gebroken; hij beschuldigde de Amerikanen ervan commerciële belangen te behartigen door wapens te leveren die de oorlog zouden verlengen. En elders verklaarde hij dat de oorlog alles vernietigde wat anders de volkeren verenigde. De naties zouden nog lange tijd bitter tegenover elkaar staan. In de laatste oorlogsjaren schommelde zijn stemming tussen hoop op vrede en twijfel. Maar hij bleef hopen dat, als de heersers zouden falen, de wil van de volkeren snel een einde van de oorlog zou afdwingen. Katzenstein herinnerde zich zo zijn links-liberale houding en verwachtte nu meer van het principe van volkssoevereiniteit dan van het monarchale principe (455, 476 e.v., 486, 489 e.v., 525).
o#cierskorps in Ottignies weigerden bijvoorbeeld lagere rangen om samen met hen te lunchen of om hen op een burgerlijke manier aan te spreken. Aangezien de o#cieren – in het civiele leven kooplieden, industriëlen of bankbedienden – tot dezelfde sociale klasse behoorden, voelde hij zich door hun gedrag beledigd (359, 443). Hij was ook ontstemd over het gedrag van jonge o#cieren die ondanks weinig dienstervaring alle privileges voor zichzelf opeisten. Hij ervoer de afwijkende toekenning van het IJzeren Kruis, dat de o#cieren van de Landsturm in tegenstelling tot ondero#cieren en soldaten systematisch kregen, onrechtvaardig (426, 458 e.v.). Tot slot kwam hij in opstand over de weigering van de militaire leiding om hem de verhoopte promotie tot o#cier te geven (516 e.v.). Uit het dagboek wordt niet duidelijk of achter dergelijke beslissingen en gedragingen ook antisemitische attitudes schuilgingen. Naarmate de oorlog vorderde, werd Katzensteins kritiek steeds feller en fundamenteler. De “militaire klassenverschillen” stonden hem niet toe om het concept “kameraadschap” te gebruiken als een model van sociale cohesie tussen de hiërarchische niveaus. Zoals uit verschillende dagboekaantekeningen blijkt, vond kameraadschap pas op persoonlijk niveau plaats na het einde van de dienst. Hij had ook een hekel aan de privileges op alle gebieden. O#cieren hadden vaak geen idee meer hoe ondergeschikten hun bevoorrechting ervoeren. Gelukkig wisten de meeste soldaten niet eens hoe de o#cieren in hun messes en private eetgelegenheden leefden, hoe ze hun feesten vierden en hoe ze gebruikmaakten van de mogelijkheid om via vakantiegangers voortdurend grote hoeveelheden voedsel naar huis te vervoeren (490 e.v., 533, 564). Katzenstein voelde zich uiteindelijk persoonlijk over-
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein geleverd aan de gevolgen van de oorlog toen een overplaatsing vanuit Boom naar het front dreigde: “Hier voelt men heel duidelijk hoe deze ongelukkige oorlog vrije mensen tot slaven maakt, over wie men van bovenaf beschikt als waren het objecten” (495 e.v.).
6. Burgers in uniform Willy Katzenstein behoorde tot de gegoede klasse van de geassimileerde joodse bourgeoisie. In zijn oorlogsdagboek maakt hij overigens nergens melding van zijn joodse wortels. Het liberale jodendom had de traditionele riten en gewoontes verregaand opgegeven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij deelnam aan de voorgeschreven godsdienstplechtigheden, bijvoorbeeld op de “verjaardag van de keizer” (454), en in Belgische steden altijd christelijke kerken bezocht. Deze confessionele openheid was ook duidelijk in november 1914, toen hij de lofrede hield op de (christelijke) begrafenis van een overleden kameraad (389 e.v.). Slechts één keer refereerde de dagboekschrijver indirect aan zijn geloof. Toen het Pruisische ministerie van oorlog onder druk van antisemitische krachten die hadden geageerd tegen de “joodse oorlogsprofiteurs en luiaards” in de herfst van 1916 het percentage joden in het leger liet tellen, deden al snel geruchten de ronde dat het onderzoek “vernietigende” resultaten had opgeleverd. Als gevolg daarvan namen de stigmatisering en de isolatie van joodse soldaten op veel plaatsen toe, zodat Katzenstein in november 1916 verklaarde dat hij niet als “luiaard” wilde worden beschouwd (485). De burgerlijke eisen en gedragingen begeleidden hem vanaf het begin in België. Tijdens zijn eerste wandeling door de kazerne van het Belgische garderegiment in Brussel werden de behoeften van de burgerlijke bourgeoisie duidelijk: boeken, wijn, comfort, netheid en orde en een inrichting die bij de status past (355 e.v.). Muziek en kunst kenmerkten ook het burgerlijke zelfbeeld. Telkens als zijn vrije
tijd het hem toeliet, bezocht hij muziek- en theatervoorstellingen en musea in Brussel en Antwerpen. Op 30 januari 1916 woonde hij bijvoorbeeld “Die Meistersinger” bij en van 6 tot 12 mei 1916 de “Nibelungenring” van Richard Wagner in de Brusselse Opera (464 e.v., 454, 623). Vanuit Boom en Kontich reisde hij vaak naar symfonieconcerten en opera’s in Antwerpen. Bijzonder heerlijk vond hij Franz Schuberts “Onvoltooide” (symfonie nr. 8 in b mineur) (486). In oktober 1917 bracht hij uitvoerig verslag uit van de uitvoering van Peter Benoits oratorium De Schelde. Hij loofde hierbij vooral de prestaties van het koor en orkest en legde vooral de nadruk op het geweldige slotlied “Wilhelmus van Nassaue” dat twee keer moest worden gezongen. Vanwege de Vlaams-nationale beweging had het evenement volgens hem een “onmiskenbaar activistisch karakter” (523). Hoe belangrijk dergelijke culturele evenementen voor de soldaat waren, vatte hij samen na de opvoering van Wagners “Götterdämmerung”: “Voor één keer voel je je weer een ‘cultuurmens”, en niet alleen een “man”. In het theater valt het gevoel van strikte militaire rang weg, we zijn allemaal gelijk voor hoge kunst” (465). Verloven en studiereizen maakten al voor de oorlog deel uit van Willy Katzensteins burgerlijke levensstijl. Daarom bezocht hij tijdens weekends met een kameraad de grotere Belgische steden. Twee voorbeelden uit de zomer van 1915 tonen hoe hij zijn cultuurhistorische interesse combineerde met militaire observaties. In Gent, bijvoorbeeld, realiseerde hij zich dat de stad in het etappegebied lag en dat er tussen de militairen en de bevolking een scherpe scheiding was. Aan de andere kant was hij gefascineerd door de middeleeuwse puntgevelhuizen, de pleinen en markten en de kerken, rijk aan kunstwerken. In de Sint-Baafskathedraal zag hij dat het “wereldberoemde altaar van de gebroeders van Eyck” was verwijderd en in veiligheid gebracht. In de badplaats Oostende, die hij kende van voor de oorlog, miste hij de internationale reizigers en badgasten; in plaats daarvan zag hij “mi153
154
litairen, niets dan militairen”. In het bijzonder vielen hem de troepen op die zwaar beladen en zingend naar het nabijgelegen front trokken. (430). Oostende kwam op hem over als een Duitse, zeer drukke garnizoensstad, waar naast Duits alleen Vlaams was toegestaan. Hij
Franse troepen was geplunderd (445 e.v.). Hij observeerde met interesse de architectuur van de kastelen en oude hoeven die hem aan middeleeuwse ridderkastelen deden denken. Hij interpreteerde ze als “Frankische pachthoeven” die sterk verschilden van de boerderijen
maakte zich geen illusies over vrede, toen hij tijdens een wandeling naar Mariakerke en een rit via Blankenberge naar Zeebrugge tot aan de Nederlandse grens de strandversterkingen met zwaar geschut en ondergrondse garnizoenswoningen zag (429-432). Tijdens zijn tochten door Wallonië haalde Katzenstein vaak herinneringen op aan geschiedenislessen die hij op school had gekregen. Het belangrijkste monument van de Slag bij Waterloo, de zogenaamde “Leeuw van Waterloo”, had hij al vanuit Brussel bezocht. Hij beschreef in detail de Duitse monumenten van de legers die bij de slag betrokken waren. Zijn beschrijving komt overeen met het nationale geheugen dat het belang van de inzet van Duitse soldaten tot in de twintigste eeuw benadrukte en zo bijdroeg aan de nationale identiteitsvorming (379). Een paar maanden later marcheerde het eskadron om deel te nemen aan de herdenking van de honderdste verjaardag van deze dag. Vooraanstaande o#cieren en de voorzitter van het burgerbestuur waren met auto’s uit Brussel gekomen, bij het Pruisische oorlogsmonument werden kransen neergelegd en de divisiepriester hield een toespraak die eindigde met een driedubbel hoera voor de keizer. Belangrijker voor de soldaten was de daaropvolgende viering op het historische slagveld, die uitgroeide tot een levendige drukte, bijna als een kermis of schietfestijn, maar dan zonder de dames. Tot slot trok Katzenstein een vergelijking met de situatie op dat moment en betreurde: “Vandaag staan de geallieerden van toen in een bittere strijd tegenover elkaar, en de Duitser die toen hielp deze grond te bevrijden is nu hier de indringer, de vijand van het land” (379, 422 e.v.). Hij kwam ook historische relicten tegen in Villers-la-Ville, waar hij de ruïnes van het 12e-eeuwse cisterciënzerklooster bewonderde dat in 1794 door
in Westfalen en Nedersaksen (449). De verkenning en beschrijving van landschappen behoorde tot de habitus van de midden- en hogere klasse. Met zijn paard Erlkönig ondernam hij in België veel diensttaken. Korte beschrijvingen van de natuur, soms gecombineerd met een historische vergelijking of een vers uit de literatuur, kwamen bij de soldaat op om de “gruwelijke gebeurtenissen” te begrijpen (418). In september 1916 beschreef hij bijvoorbeeld een rit van Boom naar de Rupelmonding: “Een merkwaardig stille hoek van de aarde, die met zijn vissersboten en de steeds aanwezige en merkbare getijdenwerking, de nabijheid van de zee laat zien. Alles ademt nog een middeleeuwse sfeer. De verschrikkingen van het heden dringen tot hier niet door en een gewapende ruiter lijkt bijna op een lansknecht uit de Dertigjarige Oorlog. Telkens weer word ik tot dit dromerige rijk van water, licht en eenzame paden aangetrokken, waaraan de machtige Schelde pracht, voeding en vreugde geeft” (480 e.v.). Zelfs in de laatste oorlogsmaanden en op de terugweg naar huis noteerde hij in zijn dagboek emotioneel gekleurde natuurbeschrijvingen, evenals burgerlijke vorderingen betreffende inkwartiering (600 e.v.).
7. Frontervaring, terugtrekking en revolutie Tijdens het laatste oorlogsjaar noteerde de bijna 44-jarige Katzenstein waarnemingen die hem zwaar vielen. In het voorjaar van 1918 werd het eskadron naar Frankrijk verplaatst. Hij landde in Saint-Quentin en noteerde: “Een gruwelijke weg!”. Dicht bij het front moest het eskadron gevangenentransporten begeleiden en het wegverkeer beveiligen. Terwijl ze
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein nog op zoek waren naar onderdak – de manschappen moesten de nacht in kelders doorbrengen – vielen er vliegtuigbommen in de totaal verwoeste, onbewoonde stad. Tijdens de tweede aanval werd een huzaar van Katzensteins eskadron dodelijk getroffen (545 e.v.).
In de zomer van 1918 dacht Katzenstein na over het verleden, het heden en de toekomst en hij schetste een somber beeld. Het heden was triest vanwege het moorden en de immoraliteit in Duitsland en onder de troepen. In het leger moest men al met harde straffen dreigen tegen
Vanaf dat moment ervoer hij direct de gevolgen van de oorlog: compleet verwoeste dorpen en vernietiging van de infrastructuur door geallieerde bombardementen en systematisch geplande vernielingen door Duitse troepen, rondslingerende munitie en oorlogstuig, begeleiding van meerdere duizenden Engelse en Franse gevangenen, waaronder “deerniswekkende figuren”, verlaten loopgraven, omvergeworpen auto’s, dode paarden, gesneuvelde soldaten, bommenhagel, braakliggende landbouwgrond. De “gedempte schoten” waren moeilijk in te schatten, dus vroeg hij zich af of het luchtafweergeschut was of dat het vliegtuigbommen of ontplo#ngen waren of kanongebulder van het front? Bovendien waren er gewonden te voet en op wagens, en steeds weer de vlucht naar de kelder omwille van luchtaanvallen die resulteerden in fatale verliezen in het eskadron (545-590). Er was gebrek aan discipline in elk leger. In maart 1918 registreerde Katzenstein voor het eerst de rooftochten door soldaten; even later bestormden soldaten rantsoendepots en roofden ze als vandalen steden leeg. Beschaamd rapporteerde hij dat Duitse soldaten op Franse begraafplaatsen graven openbraken en ze plunderden op zoek naar waardevolle spullen. Hij betreurde de geïmproviseerde onderkomens, het slechte eten, het ontbreken van gezelschap, afleiding of werk (538, 566). Desondanks probeerden de mensen de geïmproviseerde kwartieren huiselijk in te richten. Ze waren blij dat ze een handelszaakje, een Duitse boekhandel, een soldatenwoonst en een bioscoop vonden en ze kregen het gevoel dat het leven langzaam weer begon op te bloeien. Daarbij hoorde ook het eerste glas bier sinds Antwerpen: “Het smaakt lekker” (557).
plunderen en maroderen. Iedereen gebruikte zijn macht en o#ciële positie zo goed mogelijk om te pakken wat te krijgen was (565). Principieel vroeg hij zich af of het een “onontkoombaar lot” was dat mensen elkaar leed en dood bezorgden zonder het van elkaar te weten. Hij vond dat de geallieerden voor de voortzetting van de oorlog verantwoordelijk waren, want ze zetten alles op een volledige overwinning op Duitsland. Aan de andere kant voorspelde hij dat een “zware vernedering” van het Duitse volk eerder het begin van een nieuwe oorlog zou kunnen zijn. De hele situatie had bij hem tot een “zenuwslopende ongerustheid” geleid (570 e.v.). Toen een Frans vliegtuig werd neergeschoten, merkte hij ontzet op: “Hoe wreed is oorlog! Daar lijden de mensen op dit moment de pijnlijkste dood en hier juicht en lacht iedereen luidkeels. Maar ik moet ook bekennen dat elke keer als er een vliegtuig neerstort ik een zeker gevoel van voldoening voel, bijna als leedvermaak, dat deze mensen, die van bovenaf dood en verderf zaaien onder zoveel weerloze mensen en ons dag en nacht bedreigen, nu ook dat lot treft” (575). Vanaf midden september kwam het front steeds dichter bij en werd het eskadron gedwongen zich in etappes terug te trekken. Katzenstein beschreef op indrukwekkende wijze de desintegratie van de gevechtstroepen, die zeer uitgeput van het front terugstroomden; uiteindelijk nam hij de tekenen van een open soldatenstaking waar (584). Het “schrijnendste” was echter de aanblik van de Franse burgerbevolking, die uit haar dorpen was “geëvacueerd” en met schamele bezittingen op handkarren door het land trok, beroofd van haar beste bezittingen door vraatzuchtige soldaten. Hij zag zwakke oude mensen die nauwelijks op hun benen konden staan, kleine kinderen die jammerend in de kleine wagentjes lagen (578). 155
156
Soms “schaamde” hij zich voor deze “onmenselijkheden en overdreven onderdrukkingen”. (585) Op de voet volgde hij de politieke veranderingen in Duitsland en de pogingen om een wapenstilstand te bereiken. Twee dingen
zal België vergeten wat Duitsland hem heeft aangedaan”. Katzenstein probeerde Duitsland te verdedigen en koos voor verzoening tussen de volkeren na deze lange en verschrikkelijke oorlog (598). Slechts een paar uur later stak het escorte de (voormalige) Duitse grens over in de
werden duidelijk. Terwijl hij het proces van parlementaire machtsverandering in Duitsland verwelkomde, verwierp hij de vredesvoorwaarden van de Amerikaanse president Wilson van 14 oktober 1918 ten stelligste: “Duitsland zal zich niet onvoorwaardelijk onderwerpen. Zover zijn we absoluut nog niet.” (584) Twee weken later moest hij echter toegeven: “We moeten toegeven. O, mijn Duitsland, wat is er van jou geworden!”. Tegelijkertijd maakte hij een kritische analyse van de oorzaken van de oorlog. Zonder namen te noemen zag hij de “ware oorzaken van onze nederlaag” in de arrogantie en hoogmoed van bepaalde kringen om het tegen de hele wereld op te nemen. Hiermee bedoelde hij de radicale annexionisten van de Deutsche Vaterlandpartei en de grootindustriëlen, die hij al eerder had bekritiseerd. Tegelijkertijd handhaafde hij zijn verwijten aan het adres van de leidende staatslieden van de geallieerden en hield hen moreel medeverantwoordelijk (520, 586 e.v.). Uiteindelijk kwamen de gebeurtenissen in een stroomversnelling: geruchten over een revolutie in Duitsland, het aftreden van de keizer, het uitroepen van de republiek, Friedrich Ebert als nieuwe rijkskanselier, het sluiten van een wapenstilstandsovereenkomst, de vorming van een soldatenraad in Brussel, de revolutionaire toespraken en machinaties in zijn eenheid. Katzenstein besefte dat de revolutie totaal nieuwe omstandigheden inluidde (591). Van zijn ervaringen tijdens de terugtocht moet alleen de intocht na zijn laatste nacht in België worden vermeld. Voordat hij op 21 november afmarcheerde, vertelde hij de landheer dat hij zich in België thuis had gevoeld en hoopte dat Duitsers en Belgen na een paar jaar weer op goede voet met elkaar zouden leven. Volgens Katzenstein riep de Belg met onvermoede passie: “Nee, nooit! Niet in jaren, niet in eeuwen
richting van Sankt Vith. Toen het nieuws van de rigide Franse en Belgische bezettingspolitiek in het gebied op de linker Rijnoever hem tijdens de drie weken durende rit naar huis bereikte, zag hij zijn houding tegenover de geallieerden bevestigd en bestempelde hij de Fransen en nu ook de Belgen als “gewelddadige politici, imperialisten, annexionisten”. De ster van Duitsland zou weer rijzen en het land zijn rechtmatige plaats onder de grote naties teruggeven. Hij vestigde zijn hoop echter niet op een nieuwe oorlog, want wat oorlog betekende, had hij ervaren. Oorlog was de absolute ontkenning van moraliteit, in de middelen en in het doel. Oorlog kon alleen maar het ene onrecht door het andere vervangen. Hij geloofde in de bekwaamheid van het Duitse volk en in de overwinning van recht en rede (606).
8. Toekomst als jood in Duitsland? Aan het begin van het tweede oorlogsjaar had Willy Katzenstein voor het eerst over de toekomst na de oorlog nagedacht. Een mens zou ervan huiveren, als hij erover nadenkt hoe zeer men “gewoon werk” ontwent. “Zwakkere naturen” zouden niet in staat zijn om hun weg naar een baan terug te vinden na jaren soldaat te zijn geweest. En Katzenstein voorspelde: “Naast de fysieke oorlogsinvaliden zullen er later zeker ook talloze morele invaliden zijn, zij zullen de grootste plaag en het grootste gevaar voor het grote publiek vormen” (433). Deze inschatting werd na 1918 bewaarheid en droeg bij aan de opkomst van het nationaalsocialisme. Hij beëindigde het oorlogsdagboek in 1918 echter weer optimistisch met de woorden dat hij nu op weg was naar “orde, werk, vrijheid”. Onmiddellijk op de avond van zijn thuiskomst
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein woonde hij een manifestatie bij die was georganiseerd door de links-liberale Deutsche Demokratische Partei, waarmee hij zijn politiek engagement als gemeenteraadslid van de stad Bielefeld en verschillende stedelijke commissies begon. Hij richtte zich echter vooral op
Bureau van Ortskommandant Katzenstein (midden) in de villa Rest and Be Thankful (Kontich), waar de overgave van Antwerpen werd getekend tijdens de Conventie van Kontich op 9 oktober 1914 – © Nalatenschap Katzenstein
campagnes voor joodse organisaties. In 1921 werd hij gekozen tot hoofd van de joodse gemeenschap in Bielefeld en een jaar later tot voorzitter van de Westfaalse provincie. Hij zette zich ook in voor de oprichting van een werkbare algemene vertegenwoordiging van joden op landelijk niveau, die eerder was mislukt door tegenwerking van de staat en het gefragmenteerde “Duitse jodendom”. Katzenstein was al vroeg lid geworden van de Centralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens, die zich inzette voor gelijkstelling voor joden. Uiteindelijk maakte de ontwikkeling van de opbouw van Palestina zo’n sterke indruk op hem dat hij de in 1929 opgerichte Jewish Agency steunde. Hij
Laatste familieuitstap naar Kitbühel in augustus 1938. Van links naar rechts: Eva, Willy, Marianne en Selma Katzenstein – © Nalatenschap Katzenstein 157
zette zich nu in voor de “messiaanse toekomst van het jodendom” en beschouwde zichzelf als een “goede jood”. Zowel de autobiografie als zijn bijdragen voor joodse kranten getuigen van een hoge mate van zelfreflectie en illustreren duidelijk de verandering in zijn zelfbeoordeling. Willy Katzenstein schreef zijn autobiografie tijdens zijn emigratie vanuit het perspectief van de vervolging onder het naziregime. In het laatste derde van het boek gaat hij uitvoerig in op de stadia van de machtsovername door de nazi’s en de gevolgen voor de joodse bevolking. Dit omvat de boycotmaatregelen na de machtsovername door de NSDAP in 1933 en de antisemitische wetten van september 1935, die de uitsluiting en uitplundering van de joden bevorderden met hun “uitroeiing” (Endlösung) als doel. Eind 1935 nam hij ontslag als notaris en in oktober 1938 werd zijn vergunning als advocaat ingetrokken. Vanaf dat moment concentreerde hij zich volledig op joodse organisaties. Toen sociale kwesties steeds belangrijker werden, gezien de benarde situatie waarin veel joden verkeerden, organiseerde Katzenstein de oprichting van verschillende instellingen die werkten aan het behoud van de economische fundamenten en de creatie van nieuwe mogelijkheden om in hun levensonderhoud te voorzien. In 1935 werd hij gekozen tot lid van de Zentralausschuss der deutschen Juden für Hilfe und Aufbau in Berlijn. Vanaf maart 1936 leidde hij het adviescentrum voor emigratie in Westfalen en adviseerde hij joden die wilden emigreren. In zijn totaliteit krijgt men de indruk dat Willy Katzenstein in zijn biografie het beeld wilde overbrengen van een vlijtige en onvermoeibaar hardwerkende vertegenwoordiger van de joodse belangen. De verwoesting van de synagoge in Bielefeld op 9 november 1938, de arrestatie van veel mannelijke leden van de gemeente en de uitsluiting van zijn dochters van schoolonderwijs leidden tot het besef dat hij “definitief en onherroepelijk” zijn thuisland had verloren en nu zijn “vertrek” moest voorbereiden. Toen dan geïnterneerde mannen uit de gevangenis van het concentratiekamp Buchenwald terugkeerden, 158
Herdenkingssteen op de plaats waar de synagoge van Bielefeld heeft gestaan – Foto Paul Catteeuw
Foto uit de Bielefelder Zeitung naar aanleiding van de schenking van de sleutel van de Bielefelder synagoge als enige overblijfsel van het gebouw in november 2024 – Foto Heinz Stelte
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein vroegen velen van hen Katzenstein persoonlijk om advies en hulp. Het beeld van vernederde mannen die bij de ingang van het huis stonden te wachten, staat tot op de dag van vandaag in het geheugen van Katzensteins nakomelingen gegrift. Na deze ervaringen besefte Willy Kat-
Willy Katzenstein in juni 1939 in Londen – © Nalatenschap Katzenstein
Stolpersteine voor Eva, Willy, Marianne en Selma Katzenstein in Bielefeld – Foto Paul Catteeuw
zenstein dat hij de grenzen van zijn mogelijkheden om te helpen had bereikt en volgde hij het dringende verzoek van zijn vrouw om de familie tegen vervolging te beschermen en Duitsland te verlaten. Nadat ze hadden gehoord dat hun kinderen Marianne en Eva veilig Engeland hadden bereikt, prikte het echtpaar een datum voor zijn eigen emigratie. Ze verlieten Bielefeld op 28 mei en bereikten Londen in de nacht van 1 juni 1939. De daaropvolgende oorlogsjaren werden door economische ontberingen gekenmerkt. Omdat het niet mogelijk was om als advocaat te werken, verdiende zijn echtgenote Selma Katzenstein de kost met de verkoop van handwerk. Willy Katzenstein was lid van verschillende vluchtelingenorganisaties, schreef historische en politieke essays en stond bekend om zijn lezingen in joodse kringen in Londen. Hij overleed in april 1951 in Londen. Johannes Altenberend (1952) is doctor geschiedenis. Hij studeerde aan de universiteit van Bielefeld en doceerde vanaf 1979 geschiedenis, sociale wetenschappen en godsdienst aan gymnasia in Bielefeld; ook doceerde hij een tijd geschiedenisdidactiek aan de universiteit van Bielefeld. Als voorzitter van de historische vereniging van het Grafschaft Ravensberg (2004-2019) was hij uitgever van het tijdschrift van de vereniging en verantwoordelijk voor talrijke historische projecten in de stad. Sinds 2005 is hij lid van de historische commissie voor Westfalen en van 2009 tot 2024 was hij ook assessor in de bestuurscommissie. Hij publiceerde talrijke artikelen over lokale en regionale economische-, sociale- en culturele geschiedenis. j.altenberend@t-online.de 159
Johannes Altenberend
ABSTRACT Willy Katzenstein Experiences, adventures and attitudes of a Jewish occupation soldier during the First World War in Belgium Willy Katzenstein (1874–1951), a citizen of Bielefeld, lawyer, local politician and busy o#cial in numerous Jewish associations and societies, left behind several autobiographical writings. These clearly reveal his assimilated attitude towards Judaism as well as his national and liberal-democratic views. In addition to his autobiography, written in exile in England in 1939, his war diary from the First World War is particularly noteworthy, offering a unique account of the history of German rule in Belgium. In his war diary, Willy Katzenstein writes about his experiences as a hussar who was stationed in various locations in Brabant and Flanders from September 1914 up to December 1918 and in France till the end
160
of the war. The nationally minded Jew justifies both German war policy and the occupation regime in Belgium. As an occupying soldier, he was responsible for enforcing German rule and controlling the Belgian population on the ground. Only rarely, for example during the deportation of Belgian workers to Germany and the execution of Belgian spies sentenced to death, did he express personal doubts about the legitimacy of German rule. In his diary entries, Katzenstein presents himself as a typical German citizen at the turn of the century. On the other hand, he almost completely ignores his a#liation with the Jewish community.
Johannes Altenberend | Willy Katzenstein
Literatuur
Anne Lipp, Meinungslenkung im Krieg. Kriegserfahrungen deutscher Soldaten und ihre Deutung
Wolfgang Benz (Hrsg.), Die Juden in Deutschland
1914–1918, Göttingen, 2003.
1933–1945. Leben unter nationalsozialistischer Herr-
Benoît Majerus, La prostitution à Bruxelles pendant
schaft, 3. Aufl., München, 1993.
la Grande Guerre: contrôle et pratique, in: Crime,
Sebastian Bischoff, Kriegsziel Belgien. Annexionsde-
Histoire & Sociétés 7, 2003, p. 5–42.
batten und nationale Feindbilder in der deutschen
Michael A. Meyer (Hrsg.), Deutsch-jüdische Ge-
Öffentlichkeit 1914–1918, Münster/New York, 2018.
schichte in der Neuzeit, Bd. 3: Umstrittene Inte-
Karl Bittmann, Werken und Wirken, Erinnerungen
gration 1871–1918; Bd. 4: Aufbruch und Zerstörung
aus Industrie und Staatsdienst, Bd. 3: Im besetzten
1918–1945, München, 1997.
Belgien (1914–1917), Karlsruhe, 1924.
Jakob Müller, Die importierte Nation. Deutschland
Sophie De Schaepdrijver, De Groote Oorlog. Het
und die Entstehung des flämischen Nationalismus
Koninkrijk België tjidens de Eerste Wereldoorlog,
1914 bis 1945, Göttingen, 2020.
Antwerpen, 2013.
Herfried Münkler, Der Große Krieg. Die Welt 1914 bis
Sophie De Schaepdrijver, Gabrielle Petit.
1918, 4. Aufl. Berlin, 2014.
The Death and Life of a Female Spy in
Christoph Nübel, Durchhalten und Überleben an der
the First World War, London, 2015.
Westfront. Raum und Körper im Ersten Weltkrieg,
Janet Dean, Spying in World War I: The True Story of
Paderborn, 2014.
Margriet Ballegeer, London, 2013.
Henri Pirenne, La Belgique et la Guerre Mondiale,
Saul Friedländer, Das Dritte Reich und die Juden,
Paris/New Haven, 1928.
München, 2007.
Gunter Spraul, Der Franktireurkrieg 1914. Unter-
Gerhard Hirschfeld/Gerd Krumeich/Irina Renz
suchungen zum Verfall einer Wissenschaft und zum
(Hrsg.), Enzyklopädie Erster Weltkrieg, Paderborn,
Umgang mit nationalen Mythen, Berlin, 2016.
2003.
Jens Thiel, „Menschenbassin Belgien“. Anwerbung,
Gerhard Hirschfeld/Gerd Krumeich, Deutschland im
Deportation und Zwangsarbeit im Ersten Weltkrieg,
Ersten Weltkrieg, Frankfurt a.M., 2013.
Essen, 2007.
Magnus Hirschfeld/Andreas Gaspar (Hrsg.), Sitten-
Jan Van der Fraenen, Voor den kop geschoten.
geschichte des Weltkrieges, 1. Bd., Leipzig/Wien,
Executies van Belgische spionnen door de Duitse
1930.
bezetter, Roeselare, 2009.
John Horne/Alan Kramer, Deutsche Kriegsgreuel
Antoon Vrints, Bezette Stad. Vlaams-nationalistische
1914. Die umstrittene Wahrheit, Hamburg, 2004.
collaboratie in Antwerpen tijdens de Eerste Wereld-
Michael Jeismann, Das Vaterland der Feinde. Studien
oorlog, Brussel, 2002.
zum nationalen Feindbegriff und Selbstverständnis
Antoon Vrints, Sociaal Protest in een bezet land.
in Deutschland und Frankreich 1792–1918, Stuttgart,
Voedseloproer in België tijdens de eerste wereld-
1992.
oolog, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 124, 2011, p.
Willy Katzenstein, „Der Freiheit Wimpel weht am
30–47.
Mast“. Selbstzeugnisse eines westfälischen Juden
Antoon Vrints, Beyond Victimization: Contentious
zwischen Assimilation und Emigration. Eingelei-
Food Politics in Belgium during World War I, in:
tet und kommentiert von Johannes Altenberend,
European History Quarterly 45, 2015, p. 83–107.
Bielefeld, 2024. Ulrich Keller, Schuldfragen. Belgischer Untergrundkrieg und deutsche Vergeltung im August 1914, Paderborn, 2017. Peter Graf Kielmansegg: Deutschland und der Erste Weltkrieg, Frankfurt a.M., 1968. Ludwig von Köhler, Die Staatsverwaltung der besetzten Gebiete, 1. Bd.: Belgien, Stuttgart ,1927. 161
1
De oorspronkelijke bijdrage en de ingeschoven paragraaf van Johannes Altenberend is door Paul Catteeuw uit het Duits vertaald. “Daar gaan we dan. Directie Trier. Gisteravond zorgde het korps ondero#ciers dat ik had uitgenodigd voor een heel leuk feest. Ik werd op de schouders rondgedragen, met gejuich en hoera! Moge het jullie goed gaan en maak je geen zorgen! Hartelijke groeten. Willi”.
2
Veldpostkaart nr. 14, 12 september 1914, in: Willy Katzenstein, „Der Freiheit Wimpel weht am Mast“. Selbstzeugnisse eines westfälischen Juden zwischen Assimilation und Emigration. Eingeleitet und kommentiert von Johannes Altenberend, Bielefeld, 2024, p. 609. Katzensteins getuigenissen omvatten de autobiografie die hij in 1939 in ballingschap in Londen schreef, het oorlogsdagboek “Landsturm im Weltkrieg” en de postkaarten die hij aan zijn ouders schreef. De referenties uit de autobiografie (49-270), het oorlogsdagboek (345-608) en de veldpostkaarten (609-633) worden direct in de tekst gegeven in (...). De vertaalde tekstfragmenten uit het bovenstaande werk zijn cursief afgedrukt. Gedetailleerde bibliografische referenties met commentaar zijn te vinden in de respectievelijke noten van het boek waarnaar hierboven wordt verwezen; een selectie van de gebruikte literatuur is afgedrukt in de bijlage bij deze bijdrage.
3
Brussel 18.9.1914-3.3.1915; Waver 4.3.191530.6.1915; Genval 1.7.1915-28.10.1915; Ottignies 29.10.1915-19.7.1916; Boom 20.7. 1916-29.4.1917; Kontich 30.4.1917-27.3.1918; Antwerpen 28.3.1918-9.4.1918; Saint-Quentin 10.4.191827.5.1918; Ham 28.5.1918-10.9.1918.
162
Duifje Engbersen
In het web van de maquette In januari 2023 verwierf het Rijksmuseum Amsterdam de maquette van Asielzoekerscentrum Klompjan gemaakt door Karen Gegiazarian in 2012. De maquette is een gedetailleerde 3D-weergave op schaal van het toenmalig asielzoekerscentrum Klompjan in het Twentse dorp Markelo (7300 inwoners). Het AZC heeft meer dan twintig jaar deel uitgemaakt van de dorpsgemeenschap (19912012). Het object meet ongeveer tweeënhalf bij anderhalve meter en bevat vierennegentig caravans plus bijgebouwen en faciliteiten. Klompjan moest zijn deuren sluiten en het asielverzoek van Karen, zijn vrouw en twee kinderen werd afgewezen. De maquette werd achtergelaten bij medewerkers van het AZC, waarna het een zwervend bestaan leidde en steeds in nieuwe handen terechtkwam. De ontsluiting1 van de maquette bracht ver-
schillende stakeholders bij elkaar en legde spanningen bloot tussen uiteenlopende erfgoedpraktijken. Milena Mulders studeerde journalistiek en ontwikkelde zich tot erfgoedprofessional. Mulders is initiatiefnemer en coördinator van het project Tussenlanding, dat vanaf 2020 een duurzame bewaarplaats zocht voor de maquette van AZC Klompjan. Het project resulteerde in een sociaal netwerk rond de maquette en de vorming van het grassrootscollectief Tussenlanding. Veel leden van het collectief hebben een achtergrond met het AZC en sommige specifiek met AZC Klompjan. Het project Tussenlanding vertrok vanuit een brede erfgoedvisie waarbij de dynamische en ervaringsgerichte kwaliteiten van erfgoed centraal staan. De maquette was niet enkel een kijkobject, maar juist ook een sociaal object dat, met de juiste toevoegin-
Maquette Asielzoekerscentrum Klompjan, Markelo, vervaardigd door Karen Gegiazarian, 2012. 163
gen, belangrijke uitwisselingen faciliteerde. Vergelijkbaar met Nina Simons definitie van the social object.2 Daarnaast had het project een politieke lading. Door het erfgoed van het AZC zichtbaar te maken, werd duidelijk dat het niet ging over ‘de migrant’, ‘de vluchteling’
belangrijke fasen onderscheid. De eerste fase is de identificatie en bestudering van het object binnen het project Tussenlanding, de tweede de verwerving van het object door het Rijksmuseum, de derde alle verwikkelingen voorafgaand aan de presentatie van de maquette, en als
of ‘de asielzoeker’, maar over mensen, over ons allemaal. Door te kijken en te luisteren kwamen verhalen naar boven over samenleven, falende systemen, leed, vriendschap van zowel bewoners, vrijwilligers als omwonenden.
laatste de vertoning van het object in het Rijksmuseum. Daarnaast onderzoek ik in hoeverre Marstines concept van guardianship kan dienen als alternatief raamwerk om de zorg voor de maquette te benaderen.
Het Rijksmuseum verwierf de maquette in 2024. Het museum biedt een overzicht aan Nederlandse kunst en geschiedenis vanaf de middeleeuwen tot nu. Daarnaast organiseert het museum verschillende wisselende tentoonstellingen. Het Rijksmuseum ontwikkelt en onderzoekt zorgvuldig manieren om relevante verhalen te vertellen met zijn collectie. Naast de wisselende tentoonstellingen en educatieve projecten van het Rijksmuseum blijft het kijkobject veelal centraal staan, met de nadruk op de maker en diens intentie. Het museum legt bovendien sterk de focus op de fysieke eigenschappen en historische context van objecten. Een contrast met de bredere erfgoedvisie van het project Tussenlanding. De ontsluiting van de maquette van AZC Klompjan raakt steeds aan het thema eigenaarschap. Iedere stakeholder nam deel in de erfgoedvorming rondom de maquette, maar wie heeft het eigenaarschap om te bepalen wat dit erfgoed is? En hoe daarmee om te gaan? Erkende het Rijksmuseum de relatie van Tussenlanding met het object als wezenlijk voor zijn identiteit? En hoe verhield deze relatie zich tot de maker?
Vraagstuk Hoe verhouden de verschillende stakeholders zich tot elkaar en tot de maquette binnen het ontsluitingsproces van het object? Dit was de centrale vraag van mijn onderzoek, waarin ik vier 164
Aanleiding Als student aan de Reinwardt Academie leerde ik erfgoed kritisch te benaderen. De roep om inclusie, toegankelijkheid en diversiteit, inmiddels al meer dan 20 jaar geleden, vroegen om herziening van de rol van musea en erfgoedprofessionals. Tegenwoordig ligt de focus bij erfgoedobjecten juist ook op immateriële waarden en de wisselwerking tussen erfgoed, gemeenschappen en personen. In november tot en met april 2023 liep ik stage bij Milena Mulders en het project Tussenlanding. Tijdens mijn stage bij Tussenlanding onderzocht ik de culturele biografie van de maquette, geïnspireerd door de participatieve werkwijze van het project en Igor Kopytoffs invloedrijke oproep tot het analyseren van de culturele biografie van de objecten.3 Zijn werk wordt veelvuldig aangehaald in wetenschappelijk onderzoek. In het concept van de culturele biografie van objecten worden objecten niet alleen bestudeerd in hun materiële context, maar juist ook in hun sociale en culturele transformaties.4 In september 2024 kreeg ik van het lectoraat Cultureel Erfgoed van de Reinwardt Academie de opdracht de ontsluiting van de maquette door het Rijksmuseum te volgen. Het lectoraat onderzoekt en ontwikkelt handelingsperspectieven voor erfgoedprofessionals, zodat ze complexe erfgoedvraagstukken effectief kunnen begeleiden en bemiddelen. Het lectoraat Cultureel Erfgoed werd al in een vroeg stadium als sparringpartner bij het project Tussenlanding betrokken.
Duifje Engbersen
Onderzoeksmethodes Ik interviewde voor dit onderzoek Karen Gegiazarian, Milena Mulders en Milica Traklovic. De laatste is expert op het gebied van migratie en postkoloniale kritiek, lid van het collectief Tussenlanding en sprak een audiofragment in voor de presentatie van de maquette. Drie medewerkers van het Rijksmuseum, Harm Stevens, conservator 20e eeuw, Tirza Mol, conservator en medewerker restauratie en Wieneke ’t Hoen, senior educator Publiek. Daarnaast is mijn onderzoek gebaseerd op participatieve observaties. Hiervoor was ik aanwezig bij verschillende momenten in de ontsluiting na de aankoop van de maquette door het Rijksmuseum. Door mijn eigen deelname aan het collectief Tussenlanding kreeg ik een persoonlijke inkijk in de ontsluiting en het perspectief van Milena Mulders en het collectief & netwerk Tussenlanding, wat mijn onderzoek richting gaf en observaties aanvulde.
Fase 1 Milena Mulders nam de maquette in 2020 onder haar hoede. De maquette stond in de hal van het Buddy Film Foundation, een stichting voor gevluchte filmmakers, en kon daar niet meer blijven staan. Milena en migratiehistoricus Hanneke Verbeek konden de maquette tijdelijk onderbrengen bij het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Het vinden van een duurzame bewaarplaats voor de maquette werd het project Tussenlanding. Het eerste deel van het project werd gefinancierd via de toen nieuwe subsidieregeling van het Fonds voor Cultuurparticipatie: Vind elkaar in erfgoed. Verken de Faro-werkwijze.5 Via deze subsidieregeling wilde het fonds voor cultuurparticipatie een actieve rol van erfgoedgemeenschappen in de omgang met cultureel erfgoed bevorderen. Aansluitend op het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor
n e
eb
n e
ue e
de samenleving, ofwel het Verdrag van Faro (2005).6 Dit verdrag stelt de mens en samenleving en hun relatie met erfgoed centraal. In een poging het object en de geschiedenis die het behelst beter te begrijpen, brachten Verbeek en Mulders de maquette terug naar Markelo, gingen in gesprek met hen die direct te maken hadden gehad met AZC Klompjan en achterhaalde de maker van het object. Via een basisschool juffrouw van AZC Klompjan en haar facebookgroep van oudbewoners werd contact gemaakt met Gegiazarian. Dus waarom maakte Karen Gegiazarian de maquette? In een interview uit 2022 vertelt Gegiazarian over zijn ervaring in AZC Klompjan. “Every day we were preoccupied with the next day. What was awaiting us. It felt like we were hanging in the air, nobody knew what they would do with us. Would they send us back, would we stay, or… in short you didn’t know what kind of life you would have.” 7 Hij vertelt hoe het maken van miniaturen begon, “We had nothing to do all day, so we had a lot of free time. That’s why I started this manual hobby. I never did this as a hobby before. I started in AZC Markelo. I crafted little gifts, handcrafted objects and I offered them to the employees, as souvenirs.”8 Toen het nieuws van de sluiting van het AZC Gegiazarian bereikte, startte hij met het maken van de maquette. Milena en Hanneke bedachten samen met Karen en zijn familie, oud-bewoners, medewerkers en vrijwilligers van AZC Klompjan verschillende scenario’s voor de toekomst van de maquette. Tijdens de gesprekken, vertelt Mulders, werd duidelijk dat de maquette niet alleen betekenis had voor oud-bewoners, maar ook voor de bredere gemeenschap, inclusief medewerkers en omwonenden. De maquette werd vergeleken met een lieu de mémoire, een fysieke plek of object dat dient als geheugenopslagplaats. Deze objecten of plekken zijn een vorm van herdenking die verband houdt met het collectieve geheugen. Maar geeft 165
Mulders aan, deelnemers vonden de maquette ook relevant buiten Markelo, omdat het thema migratie een bredere maatschappelijke impact heeft. Er was in het begin weinig consensus. Mulders vertelt dat Karen voorstander was van de digitalisatie, het zou het beheer en behoud
moeilijk is om steeds weer in gesprekken terug te moeten keren naar die ingrijpende periode in zijn leven.
ervan vereenvoudigen, anderen vonden het fysieke object te belangrijk. Mulders merkte op dat in veel scenario’s de verantwoordelijkheid over het object bij praktische problemen of andere gevallen terugviel op haar en Hanneke. Mulders concludeerde dat voor een duurzame oplossing een beheerpartner nodig was, het liefst een museale partner die het fysieke object kon behouden. Gegiazarian droeg het vertrouwen en verantwoordelijkheid voor de maquette over aan Mulders en Verbeek. Mulders geeft aan dat dit op simpele wijze op papier werd gezet, maar dat de samenwerking vooral op vertrouwen was gebaseerd. Gegiazarian stelde geen voorwaarden of eisen.
verder en verder. Voor de organisatie van de activiteiten en gesprekken tijdens de Tussenlandingen stelde Mulders een divers team samen, bestaande uit verschillende expertises, vaak met een eigen AZC-achtergrond. Dit team groeide uit tot wat nu het collectief Tussenlanding is.
In de tussentijd moest Milena Mulders – sinds begin 2023 voerde zij het project zonder Hanneke Verbeek verder uit – steeds opnieuw een tijdelijk onderdak regelen voor de maquette. Elke tijdelijke locatie bood ruimte voor onderzoek naar de uiteenlopende waarden en betekenissen van het object samen met verschillende groepen en personen. Karen bemoeide zich nauwelijks met de verdere ontwikkelingen van het project, al hield Mulders hem hiervan op de hoogte. Voor elke locatie waar de maquette tentoongesteld stond, regelde Mulders een vergoeding voor de maker. In gesprek met Karen vertaalt zijn dochter dat hoewel hij genoot van de betrokkenheid bij het vinden van een bestemming voor de maquette, hij de drukte rondom het project – interviews, foto’s en bezoeken – intensief vond. Karen lijkt zichzelf eerder te beschouwen als miniatuurbouwer (als ‘maker’) dan als kunstenaar en alle implicaties die dat met zich meebrengt. Daarnaast geeft Karen aan nog last te hebben van de periode die de maquette verbeeldt. Het is begrijpelijk dat het 166
De maquette maakte sinds 2020 zeven ‘tussenlandingen’ en zo groeide het netwerk
Fase 2 In 2023 toonde het Rijksmuseum interesse in de maquette. Dat was een onverwacht scenario. Het museum erkende daarmee de maquette als onderdeel van de Nederlandse geschiedenis en relevant voor de Collectie Nederland. Over de motivatie om te verwerven kan een verband gelegd worden met beleidsstukken van het Rijksmuseum. In het collectieplan 2023-2028 is ‘mobiliteit’ één van de nieuwe richtlijnen.9 Dit omvat onder andere de impact van vrijwillige en onvrijwillige migratie op mensen, samenleving, geschiedenis en kunst, inclusief de verplaatsing van families, handelaren, kunstenaars en de ontheemding van vluchtelingen en tot slaaf gemaakten.10 Volgens het bestuursverslag van 2023 streeft het museum naar bredere representatie, herkenning in de collectie en versterking van de 20e eeuw.11 Gegiazarian was bereid de maquette te verkopen, Mulders ondersteunde hem in gesprekken met het museum. Mulders benadrukte in deze eerste gesprekken het belang van het luisteren naar de verhalen van betrokkenen. Het Rijksmuseum vroeg Mulders om een voorstel voor samenwerking op papier te zetten, maar er kwam geen akkoord. In een poging om toch tot een echte uitwisseling te komen, organiseerde Mulders een groepsgesprek met medewerkers van het Rijksmuse-
Duifje Engbersen um, Karen Gegiazarian en het netwerk Tussenlanding. Het gesprek vond plaats in Imagine IC in november 2023 in Amsterdam.
Verschillende perspectieven: Gegiazarian, het netwerk Tussenlanding en het Rijksmuseum Een belangrijke voorwaarde vanuit het netwerk Tussenlanding was dat de maquette publiek toegankelijk moest blijven, inclusief de verschillende verhalen uit en rondom AZC Klompjan. Waffa Al-Attas, creatieve producent en onderdeel van het project, benadrukte de emotionele lading die aan het project Tussenlanding verbonden is en stelde dat de maquette een katalysator voor dialoog moest blijven, en niet een traditioneel museumstuk mocht worden. Het Rijksmuseum kon geen garantie bieden over de toegankelijkheid van het object. Het museum verwerft stukken met het doel ze op zaal te tonen12, maar kan van tevoren daarover geen concrete toezeggingen doen. Zoals ik al eerder zei, vond Gegiazarian de drukte rond de maquette leuk maar intensief. Dit verklaart misschien ook zijn bereidheid te verkopen, ondanks het feit dat het onduidelijk was of de maquette überhaupt op zaal kwam te staan. Hoewel hij het mooi vond dat de maquette een vaste plek kreeg, voelde het ook dubbel voor hem. “Op één manier ben ik verdrietig, dat de rondreis klaar is, omdat er heel veel mensen bezig waren met dat, maar aan de andere kant vind ik het leuk dat het een plek heeft gekregen.” De voorzichtigheid van het Rijksmuseum in toezeggingen belemmerde een vertrouwensband tussen het museum en het netwerk Tussenlanding. De relatie van het Rijksmuseum met Gegiazarian was helder: hij was de maker van de maquette, daar moest het museum zich naar verhouden. Gegiazarian wenste zich grotendeels terug te trekken van de verdere ontsluiting. De relatie van het Rijksmuseum met het netwerk Tussenlanding bleef in het midden. Het protocol bleek sterk objectgericht
n e
eb
n e
ue e
en minder gevoelig voor de wisselwerkingen van gemeenschappen en personen rond het object, naast de maker. Het netwerk bleef over met de vraag of het Rijksmuseum voldoende oog had voor de verschillende betekenissen van het object en de huidige dynamiek eromheen. Wat ging er gebeuren nu dat Tussenlanding hun zeggenschap over het object verloor? Het museum gaf aan open te staan voor ideeën in de toekomst, maar ze konden er geen beloftes over doen en het initiatief voor een samenwerking zou dus vanuit het Tussenlanding moeten komen. Voor het collectief Tussenlanding vormde dit een obstakel, omdat een nieuw voorstel tijd en geld zou kosten zonder een duidelijk toekomstperspectief. Vond het museum hen eigenlijk wel belangrijk? De zoektocht van het project Tussenlanding naar een museale partner kan vergeleken worden met het concept van guardianship.13 Dit concept, bekend in de M%ori-traditie als kaitiakitanga, werd overgenomen door Haidy Geismar om het consumentistische begrip van cultureel ‘eigendom’ te bekritiseren.14 In plaats daarvan pleit ze voor een benadering van tijdelijke zorg, passend bij het respecteren van de dynamische en ervaringsgerichte kwaliteit van erfgoed. Zij ziet eigenaarschap als een relationeel begrip, waarbij overleg en samenwerking centraal staan.15 Eigendom wordt hierbij niet gezien als een object, maar als een relatie, waarbij politieke en sociale verbanden essentieel zijn voor de identiteit van het object.16 Door de levende kwaliteit van erfgoed te erkennen, leidt guardianship tot nieuwe manieren van denken over collectie beheer en toegang tot deze kennis. In het geval van de maquette kunnen het netwerk en collectief Tussenlanding worden beschouwd als essentiële relaties van het object. Het netwerk en het collectief Tussenlanding hadden een band en een geschiedenis met de maquette en wilden meedenken over zijn toekomst.
167
Fase 3 De maquette werd onderdeel van de 20eeeuwse collectie en werd een half jaar ondergebracht bij het Collectie Centrum Nederland voor inspectie en beheer. Mulders bleef het museum op de hoogte houden van de ontwikkelingen van het project Tussenlanding. Mulders: “Zij hadden dat object, maar ik had nog steeds mijn agenda en scenario’s waar ik trouw aan wilde zijn Als dat dan hier niet ging gebeuren, dan moet ik het dus elders gaan doen.”17 Het collectief Tussenlanding onderzocht daarop samen met de gemeente Hof van Twente, oud-bewoners, oud-medewerkers en omwonenden van AZC Klompjan de mogelijkheid van een fysieke markeringsplek gekoppeld aan de verhalen van AZC Klompjan. Afgeleid van een Lieu de mémoire. Aan de hand van verschillende groepsgesprekken werden de (im)materiële sporen die AZC Klompjan achterliet besproken. Zo ook werd onderzocht of er behoefte was aan een fysieke markeringsplek en welke de eventuele functies daarvan zouden kunnen zijn.
Samenkomst van de presentatie Ondertussen besloot het Rijksmuseum de maquette van AZC Klompjan te presenteren. Het Rijksmuseum werkt met vaste en tijdelijke tentoonstellingen gethematiseerd door tijd. De objecten in de vaste opstellingen van het Rijksmuseum worden periodiek gewisseld in overleg met conservatoren. Harm Stevens, conservator 20e eeuw, geeft aan dat de instemming voor de presentatie eenvoudig was, het object maakte diepe indruk vanwege zijn gedetailleerdheid en grootte. En er was een onmiskenbare maatschappelijke urgentie. Hierbij hielp dat in de Volkskrant de geschiedenis en verwerving van het object uiteen werd gezet.18 Harm Stevens en Wieneke ’t Hoen maakte de eerste aanzet tot de teksten in de presentatie van de maquette. Het Rijksmuseum werkt met verschillende informatiemiddelen op zaal. Het basisaanbod bestaat uit de multimediatour, de ‘inzoomers’ en de teksten.19 De teksten 168
vormen de kern van het basisaanbod.20 Kunst en historische objecten worden samen gepresenteerd, begeleid met een zaaltekst die richting geeft aan de manier waarop de bezoeker de voorwerpen kan bekijken.21 Elk object krijgt daarnaast een korte, neutrale tekst van maximaal 60 woorden. Naast de standaard objecttekst kwam er een extra tekst van 200 woorden voor de maquette, waarin wordt stilgestaan bij hoe het in het museum is terechtgekomen. “Om meer aandacht te geven aan de community en de zwerftocht van het object”, legde Wieneke t’ Hoen uit.22 Mulders werd uitgenodigd om de zaalteksten te bespreken. Ik woonde de meeting bij. Voor de meeting liet Mulders op haar eigen initiatief Gegiazarian en het collectief Tussenlanding meelezen. Er was niet gevraagd naar feedback van Gegiazarian en het collectief Tussenlanding door het museum, maar het werd verwelkomd en deels verwerkt in de zaal- en objecttekst. Het museum bleef het laatste woord houden over de definitieve versie. Harm Stevens zegt over het schrijven van de etiket- en zaalteksten: “Ik denk dat het bij zo’n object als dit het belangrijk en interessant is om je te verstaan met de mensen die er gewoond hebben en daar is Milena (Mulders) natuurlijk een heel belangrijke woordvoerder van.” Bij de bespreking van kladteksten benadrukt Mulders dat de uitdaging bij de maquette is om het onzichtbare zichtbaar te maken.23 Mulders legt mij uit: “Deze aankoop en het feit dat het gepresenteerd wordt in die context, dwingt ons om te kijken naar een plek waar we normaal niet naar kijken en die onzichtbaar is”.24 Wieneke ’t Hoen werpt de kritische vraag op of die aanpak nog wel strookt met de intentie van de maker.25 Ze benadrukt dat het museum geneigd is dicht bij het object en de maker te blijven.26 Zo blijkt uit verschillende publieksonderzoeken van het Rijksmuseum dat het publiek een voorkeur heeft voor een objecttekst die zo dicht blijft bij dat wat aan het object te zien is.27
Duifje Engbersen
n e
eb
n e
ue e
Appadurai (2017) beschrijft hoe objecten in etnologische musea waarde krijgen door hun doelbewuste vervaardiging op de plaats en in de tijd waarin ze oorspronkelijk zijn ontstaan.28 Het Rijksmuseum hanteert een vergelijkbare visie bij de informatiemiddelen op zaal.
meer woorden worden gebruikt en de teksten kregen de functie om de bezoeker te raken met een persoonlijke stem.34 Na de tentoonstelling nam het museum de extra teksten op in de vaste opstelling”.35 De teksten werden wel weer teruggebracht naar maximum
Het museum omschrijft dat het doel van de objecttekst is om de oorsprong en daarmee de uniciteit van het object voor het voetlicht te brengen.29 “Elk van de achtduizend voorwerpen die in het Rijksmuseum te zien zijn, is ooit eigenhandig gemaakt door een maker, een fabriek of productiecentrum, op een bepaald moment in de tijd en op een bepaalde plaats”.30 Voor Mulders en het collectief Tussenlanding stonden de sociale en politieke lading van het object centraal, daarvoor was een presentatie nodig die de dynamische en ervaringsgerichte kwaliteiten van het object versterkte. De informatiemiddelen (op zaal) van het Rijksmuseum waren hiervoor niet de juiste plek. Daarnaast had het collectief Tussenlanding geen zeggenschap over de presentatie van de maquette. Wat de educatieafdeling nog zal ondernemen omtrent de maquette is nog onduidelijk.31
60 woorden en een neutrale toon, alleen de details waren nu anders. Want “…tijdelijke projecten maken het mogelijk om te experimenteren, maar regulier aanbod vraagt om inbedding in het overkoepelende beleid”.36
Guardianship, zoals ik eerder benoemde, draait niet om eigendom, maar om overleg en samenwerking. Om dit principe toe te passen, moet het eigenaarschap gedeeld worden, wat ook betekent dat er zeggenschap moet worden afgestaan. Dit geldt niet alleen op individueel niveau, maar ook op institutioneel niveau.
Overkoepelend beleid en experiment in het museum In de tentoonstelling Rijksmuseum & Slavernij, georganiseerd in augustus 2021, werden aan reguliere objectteksten teksten van verschillende schrijvers toegevoegd.32 Het uitgangspunt was meerstemmigheid en door middel van op feiten gebaseerde verhalen wilde het museum een breder beeld geven van de Nederlandse geschiedenis.33 Om dit te bewerkstelligen werden een paar nieuwe afspraken gemaakt. Onder andere mochten er
In het publieksonderzoek in 2023 werden de tekstbordjes voor en na de tentoonstelling van Rijksmuseum & Slavernij voorgelegd aan deelnemers van het onderzoek.37 Deelnemers hadden een voorkeur voor de tekst uit 2013, maar het bordje uit 2023 werd wel als relevante verdieping ervaren.38 Deelnemers vonden dat de verdiepende informatie eigenlijk meer ruimte verdient dan in een klein objecttekst mogelijk is.39 Het museum stelt zichzelf nu de vragen: “Hoe kunnen we relevante verhalen vertellen en tegelijk de connectie behouden tussen de tekst en dat wat aan het voorwerp te zien is? Is het tekstbordje daarvoor de juiste plek?”40
Toevoeging van een persoonlijk verhaal Een multimediastop werd toegevoegd aan de presentatie van de maquette, een uitzondering voor het museum vanwege de hoge kosten en inspanning. Meestal worden stops pas ontwikkeld als meerdere projecten dit vereisen. Elke stop bestaat uit drie lagen: de eerste bestaat uit algemene informatie over het object, de tweede zoomt in op een specifiek detail van het object en in de derde laag wordt door een expert iets over zijn of haar persoonlijke fascinatie voor het voorwerp toegelicht.41 Dit staat dus in tegenstelling tot de neutrale toon van de objecttekst en de focus op de maker en materialiteit. Opvallend is dat uit publieksonderzoek van het Rijksmuseum blijkt dat de derde laag het minst beluisterd wordt.42 169
Team Tussenlanding bij de opening van de maquette in het Rijksmuseum, 14 november 2024. Foto: Negin Zendegani.
Fase 4 Ik woonde een meeting bij waar de objectwissel op zaal werd besproken, om de zoveel tijd worden geselecteerde objecten omgewisseld voor een ander object. In de meeting werd op verzoek van Mulders besproken om eventueel een opening te organiseren voor de maquette van Gegiazarian, en om de familie en betrokkenen daarvoor uit te nodigen. Het museum wees een o#ciële opening af, omdat het ongebruikelijk is voor één object, maar ondanks de logistieke beperkingen werd er iets georganiseerd. Harm Stevens vroeg zich hardop af bij wie hij eigenlijk moest zijn om dit te faciliteren? Het museum heeft verschillende afdelingen die zich hier verantwoordelijk voor kunnen maken, maar er is iemand nodig die dat regelt. De verantwoordelijkheid hiervoor leek op één persoon terecht te komen. In dit geval hijzelf. De vraag is of dit een duurzame werkwijze is om groepen te faciliteren en de relaties te onderhouden. Op 14 november 2024 stond Karen Gegiazarian in het Rijksmuseum voor de maquette die hij maakte in het Asielzoekerscentrum Klompjan. Gegiazarian, zijn vrienden en familie, maar ook het collectief Tussenlanding zagen de maquette voor het eerst in het Rijks170
museum. Voor velen, ook voor de maker, was het een emotioneel weerzien. Het is voor het Rijksmuseum een uitzondering dat een object na aankoop binnen een jaar op zaal staat, vertelt Marion Anker aan de genodigden. Marion Anker is wetenschappelijk medewerker bij het Rijksmuseum. Ook Harm Stevens, Tirza Mol en Wieneke ’t Hoen waren erbij aanwezig. De laatste gespreksessie over een mogelijke markeringsplek in Markelo vond plaats in het Rijksmuseum. Het zien of opnieuw zien van de maquette maakte indruk. Er werd besproken hoe de maquette verbonden kan blijven met de markeringsplek van het voormalige AZC Klompjan en de verhalen van betrokkenen. Uit de gesprekken kwam een advies voort aan de gemeente Hof van Twente om een fysieke markeringsplek te realiseren. Sinds de opening hebben Milena Mulders en het collectief Tussenlanding meerdere verzoeken ontvangen om groepen rond de maquette te begeleiden, maar niet van het Rijksmuseum. De zaaltekst draagt nu de titel Maquette vindt bestemming, maar was oorspronkelijk Maquette vindt eindbestemming. Harm Stevens: “Zelfs binnen het museum blijft het in beweging.
Duifje Engbersen Mogelijk gaat de maquette in bruikleen, dus er staat nog veel te gebeuren. Het is ook nooit echt definitief – en dat vind ik eigenlijk wel mooi”.43 Daarnaast blijft mobiliteit een richtlijn binnen de collectie. Het museum zal de komende jaren voortbouwen op dit thema.
Conclusie Een belangrijk aspect van dit onderzoek was het in kaart brengen van de spanningen tussen verschillende erfgoedpraktijken. Het Rijksmuseum had een focus op het object als kunstwerk of historisch artefact, waarbij de maker, de materialiteit en de historische context centraal staan. Om die context te vatten moesten ze zich verhouden tot het netwerk Tussenlanding. Dit netwerk bestond zowel uit directbetrokkenen van het AZC als een professionele gemeenschap. Het netwerk Tussenlanding benaderde de maquette als een sociaal object, verweven in een netwerk van politieke en sociale relaties. Deze verschillende benaderingen leidden soms tot frustraties, maar ook tot waardevolle uitwisselingen. Het collectief Tussenlanding bracht ervaringsdeskundigheid en essentiële inzichten in de culturele biografie van de maquette, maar versterkte ook de maatschappelijke relevantie van het object door objecten niet enkel te benaderen als dragers van materiële en historische informatie, maar ook als middelen voor dialoog en gemeenschapsvorming. Het Rijksmuseum bood zorg en een groot platform, waarin het werk van Karen Gegiazarian werd erkend en de verzamelcontext van de maquette door een aanwinstenpresentatie. En een audiostop die ruimte gaf aan de complexiteit van het thema. Toch bleven er vragen over de mate waarin het museum de politieke en sociale relaties van het object voldoende erkende als wezenlijk voor haar identiteit. Het initiatief tot samenwerking kwam van buiten het museum, terwijl de verantwoordelijkheid om deze samenwerking te faciliteren vaak bij individuele medewerkers binnen het museum
n e
eb
n e
ue e
terechtkwam. Wat de stakeholders samen of apart nog zullen ondernemen moet worden afgewacht. De ontwikkeling van structurele kaders voor dergelijke samenwerkingen, zoals het omarmen van het concept van guardianship kan ervoor zorgen dat musea toekomstige projecten of aanwinsten met meer gevoeligheid behandelen en inclusiever kunnen organiseren. De maquette van Karen Gegiazarian is nog tot begin november te zien in het Rijksmuseum Amsterdam. Daarna wordt deze opgeslagen in het collectiecentrum Nederland, waar hij beschikbaar blijft voor bruiklenen. Milena Mulders schreef een boek over de maquette Asiel – (auto)biografie van een verweesd object. Meer informatie is te vinden via de uitgever LM publishers.
Duifje Engbersen (2002) is afgestudeerd aan de Reinwardt Academie als erfgoedprofessional. Sinds haar afstuderen is ze actief lid van het Tussenlanding-collectief en zette ze een impact-campagne op voor de documentaire van Wendelien Voogd en Inneke Mink: Why every psychatrist should play the piano. Duifje woont in Amsterdam en werkt momenteel in een koffiezaak. Volgend jaar begint ze aan de Universiteit van Amsterdam aan de Master Publieksgeschiedenis. duifjenaomi@outlook.com 171
Duifje Engbersen
ABSTRACT In the Maquette’s Web My research focuses on the acquisition of Karen Gegiazarian’s maquette by the Rijksmuseum Amsterdam. Gegiazarian fled Abkhazia with his family, arriving at Klompjan, a temporary refugee shelter in Markelo. When Klompjan announced its closure, he built a detailed model of the facility. Rediscovered years later, the model inspired the Tussenlanding project in 2020, eventually leading to its acquisition by the Rijksmuseum. My central research question is: How do the various stakeholders relate to each other and to the model in the process of making the object accessible? In addition, I investigate to what extent Marstine’s concept of guardianship can serve as an alternative framework for approaching the care for the model. The Rijksmuseum focused on the object as a work of art or historical artifact, emphasizing the creator, the materiality, and the historical context. The Tussenlanding collective approached the model as a social object, embedded in a network of political and social relationships. They also enhanced the societal relevance of
172
the object by approaching it not only as a carrier of material and historical information but also as a means of dialogue and community building. The Rijksmuseum provided care and a prominent platform, recognizing the work of Karen Gegiazarian and contextualizing the model within its collection through an acquisition presentation and an audio stop that allowed for the complexity of the theme. Still, questions remained about the extent to which the museum su#ciently acknowledged the political and social relationships of the object as essential to its identity. The initiative for collaboration came from outside the museum, while the responsibility to facilitate this collaboration often fell on individual staff members within the museum. The development of structural frameworks for such collaborations—such as embracing the concept of guardianship—could enable museums to handle future projects or acquisitions with greater sensitivity and organize them more inclusively.
Duifje Engbersen 1 1.
eb
n e
Met “ontsluiting” refereer ik aan het proces van
Companion to Museum Ethics: Redefi-
identificatie, bestudering, interpretatie, bescher-
ning Ethics for the Twenty-First Twenty-First Century Century
ming, behoud en presentatie van de maquette. 2 2.
n e
Simon, Nina.!The Nina. The Participatory Museum. Santa Santa Museum Cruz: Cruz: Museum 2.0, 2010 2.0, 2010 Nina Simon gebruikt de term om te illustreren hoe objecten het middelpunt van dialoog kunnen worden wanneer bestaande sociale objecten worden geïdentificeerd en versterkt. Afgeleid van Engeströms gebruik van het begrip, datgene wat je verbindt met een bepaalde groep mensen.
3 Kopythoff, igor. Ed. Appadurai, Arjun. The social 3.
ue e
Museum, (Routledge, London, 2011). p.18. 14 Marstine, The Routledge Companion 14. to Museum Ethics, p.18. 15 Marstine, The Routledge Companion 15. to Museum Ethics, p.18. 16 Marstine, The Routledge Companion 16. to Museum Ethics, p.18. 17 Marstine, The Routledge Companion 17. to Museum Ethics, p.18. 18 Anna van leeuwen, “Karen maakte een maquette 18.
life of things, commodities in cultural perspective. perspec-
van het AZC waar hij verbleef. Die is nu aange-
tive. University University of Pennesylvania, of Pennesylvania, (1986), (1986), p. 66-68. p. 66-68.
kocht door het Rijksmuseum.”, De Volkskrant,
4 4.
Kopythoff, The social life of things, p.66-68
26 maart (2024). https://www.volkskrant.nl/
5 5.
Fonds voor cultuurparticipatie. 2020. “Nieuwe
tentoonstellingen/karen-gegiazarian-maak-
subsidieregeling: erfgoedparticipatie volgens
te-een-maquette-van-het-AZC-waar-hij-ver-
het Verdrag van Faro” laatst bewerkt op 14
bleef-die-is-nu-aangekocht-door-het-rijksmu-
mei. Https://cultuurparticipatie.nl/actueel/34/ nieuwe-subsidieregeling-erfgoedparticipatie-volgens-het-verdrag-van-faro. 6 6.
Het verdrag werd pas in 2024 ondertekend door Nederland.
7 De video werd gemaakt door Iztok Klancar in 7. opdracht van Framer Framed en geïnitieerd door Milena Mulders en Hanneke Verbeek. Karen Gegiazarian wordt geinterviewd door
seum~bcb88065/ (bezocht op 30-6-2025). 19 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijks19. museum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.13 20 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: 20. Tekst in het Rijksmuseum. p.13. 21 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijks21. museum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.27 22 Wieneke ’t Hoen, interview door 22. auteur, 10 september, 2024.
Ahmed Al-Amoudi en de vertaling werd
23 Mulders, meeting, 3 september, 2024. 23.
verzorgd door Henri Der Sarkissian en Wafa
24 Milena Mulders, interview door 24.
Al-Attas. De ondertiteling werd later ook vertaald naar o.a. het Arabisch en Farsi. 8 Klancar, Iztok. In opdracht van Framer Framed, 8. “Tussenlanding, Framer Framed, Imagine IC, verhalen over tijdelijkheid.” Interview met Karen Gegiazarian, Amsterdam, 2022. Video, 9 min. https://iztokk.com/commissioned-work 9 Pia 9. Piavan vande deWiel, Wiel,Els ElsBrinkman Brinkman(red.), (red.), Rijksmuseum jaarverslag 2023, Rijksmuseum Amsterdam, 2024. p.63. 10 Van 10. Vande deWiel, Wiel,Brinkman, Brinkman,RijksmuRijksseum jaarverslag, museum jaarverslag, p.63. p.63. 11 Pia 11. Piavan vande deWiel, Wiel,Els ElsBrinkman Brinkman(red.), (red.), Rijksmuseum jaarverslag 2023, Rijksmuseum Amsterdam, 2024. p.64. 12 Van de Wiel, Brinkman, Rijks12. Rijksmuseum jaarverslag, museum jaarverslag, p.64. p.64. 13 Marstine, J. (Ed.). The Routledge 13.
auteur, 15 februari, 2025. 25 W. ’t Hoen, meeting, 3 september, 2024. 25. 26 W. ’t Hoen, meeting, 3 september, 2024. 26. 27 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijks27. museum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.23 28 Appadurai, Arjun, Museum Objects 28. as Accidental Refugees, 2017. Historische Anthropologie. 25. 401-408. p.2 29 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, 29. Jasmijn, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.41-42. 30 30. Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.41-42. 31 Wieneke ’t Hoen, interview door 31. auteur, 10 september, 2024. 32 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijks32. museum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.77 33 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: 33. 173
Tekst in het Rijksmuseum. p.77. 34. 34 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.77. 35. 35 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.77. 36. 36 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.77. 37. 37 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p.116-117 38. 38 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.116-117. 39. 39 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.116-117. 40. 40 Kintz en Ter Haar, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum. p.116-117. 41. 41 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p. 40 42. 42 Kintz, Pauline en (red.) Ter Haar, Jasmijn, Rijksmuseum: Tekst in het Rijksmuseum, 2024. p. 14 43. 43 Harm Stevens, interview door auteur, 4 september, 202 2024.
174
Gabriel Harmsen
Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa Een redmiddel voor culturele soevereiniteit?
Er hangt een hardnekkige zweem van politisering rond muzikaal erfgoed zowel binnen als buiten Europa. Volksmuziek dient van oudsher als middel om sociaal-politieke doelen te bereiken, zoals het tegengaan van gevreesde culturele degradatie, om nationale identiteiten te versterken, om de klassenstrijd kracht bij te zetten en om rigide etnische grenzen af te bakenen ter ondersteuning van fascistische ideologieën.1 Het einde van de Tweede Wereldoorlog bracht een wending teweeg, waarbij muziek en cultureel erfgoed werden betrokken in het discours rondom geopolitieke vrede. Multilaterale overeenkomsten over humanitaire waarden, politieke stabiliteit en economische integratie leidden tot de oprichting van zowel UNESCO (1945) als de jeugdmuziekbeweging Jeunesses Musicales International (JMI, 1945). Hoewel het tot de jaren negentig heeft moeten duren voordat JMI volksmuziek in haar activiteitenaanbod opnam, schittert de organisatie inmiddels bovenaan de lijst van ngo´s die met muzikaal erfgoed humanitaire belangen nastreven door uitwisseling van volksmuziek in verband te brengen met verzoening. Een sfeer van verzoening hangt echter al tijden niet meer in de lucht. Migratie en asiel zijn de heetste hangijzers van deze tijd, met het daarbij veronderstelde gevaar voor nationale veiligheid en identiteit. Wederom wordt nationale of “volks-”traditie opgenomen in een
radicaalrechtse retoriek van protectionisme en anti-immigratiepolitiek. Het enthousiasme waarmee partijleider van de radicaalrechtse Sverigedemokraterna (SD) Jimmie Åkesson Zweedse volksmuziek promoot, is een van de vele voorbeelden, waarbij hij als gedoogpartner van de huidige Zweedse coalitie regelmatig tegen het zere been schopt van de (voornamelijk linksgeoriënteerde) volksmuziekgemeenschap. Moet men simpelweg concluderen dat traditionele volksmuziek een eeuwige speelbal van identiteitspolitiek is die heen en weer kaatst tussen beide zijden van een steeds groter wordende kloof (of, naar politicoloog Simon Bornschier, “a new cultural divide”) in het Europese politieke veld?2 Anders gezegd, wat is er overgebleven van de verzoenende potentie van muzikaal erfgoed? De rol van muziek in de huidige humanitaire sector is pas recentelijk onderwerp van discussie geworden in de wetenschappelijke literatuur. Hoewel muziekwetenschappers vaak kritisch zijn over de effectiviteit van humanitaire muziekprojecten is er weinig onderzoek gedaan naar “volks-” of “traditionele” muziek in deze context. Er ontbreekt een kritische analyse van het veronderstelde universeel verzoenende karakter van muziek ten opzichte van de “derde golf” van neonationalisme in de Europese politiek.3 In een aanzet dit gat te dichten, onderzoek 175
ik in dit artikel hoe muziek-ngo’s, overheden en politieke bewegingen in een polariserend Europa muzikaal erfgoed gebruiken als een middel tot herstel of behoud van culturele soevereiniteit. De verschillende interpretaties van dit begrip zullen eerst aan bod komen,
aan “het volk” of “de natie”.7 De oorsprong van de natiestaat wordt vaak (op niet onomstreden wijze) gevonden in de Vredesverdragen van Westfalen (1648), maar kreeg voornamelijk een impuls in de romantiek.8 Het concept omvatte het recht van elke “natie” op een eigen staat,
gevolgd door een toepassing op muziek. Als casus bestudeer ik JMI en haar programma “Ethno World” waarbij ik aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis, organisatiestructuur, geldstromen en profilering. De casus wordt tenslotte aangevuld met resultaten uit eigen kwalitatief onderzoek naar een recente “Ethno”-editie in Zweden.4
waarbij de natiestaat zijn uniforme inwonersgroep vertegenwoordigde en op zijn grondgebied soeverein was. In de praktijk omvatten natiestaten echter vaak meerdere “naties” en pure staatssoevereiniteit bleek een utopie. De soevereiniteit van (constitutionele) regeringen werd op het gebied van cultuur dan ook vaak betwist binnen, buiten en aan de grenzen van de betreffende rechtsgebieden. De autoriteit van de staat over culturele zaken is niettemin een bepalende factor gebleven voor internationale samenwerking. Het UNESCO Intergouvernementeel Comité voor de Bescherming van Immaterieel Cultureel Erfgoed bestaat bijvoorbeeld uit vertegenwoordigers van staten in plaats van (directe vertegenwoordigers van) “erfgenamen”.9 Met andere woorden, staten fungeren vaak als bemiddelaar tussen binnenlandse culturele groepen en de internationale gemeenschap vanwege de prominente rol van nationale jurisdictie.10 Ook in de Europese Unie zijn het ontwerp en de uitvoering van culturele financieringsprogramma’s afhankelijk van en ondergeschikt aan het nationale cultuurbeleid van de lidstaten. Het gepolariseerde debat over de soevereiniteit van de staat over cultuurbeleid kent een groeiende groep conservatieven. De radicaalste protectionistische standpunten vallen terug op etnocentrisme (zoals te zien is bij Nieuw Rechts en andere identitaire, etnopluralistische bewegingen), en specifiek in Europa, op antifederalisme en absolute staatssoevereiniteit (“soevereinisme” in het soevereiniteitsdiscours).11 Zoals antropoloog Arjun Appadurai betoogt, maakt de sterk geïntegreerde wereldmarkt het moeilijk voor soevereinisten om vast te blijven houden aan “economische soevereiniteit” als basis voor nationale zelfbeschikking. In plaats daarvan vallen ze terug op een vorm van cultureel protectionisme:
Soeverein over cultuur In de politicologie wordt culturele zelfbeschikking besproken in termen van culturele soevereiniteit: de legitieme autoriteit/macht over cultureel beleid, erfgoedbescherming en handhaving van culturele normen. In de huidige politiek-juridische opvatting valt cultuur veelal onder nationale jurisdictie (d.w.z. de staat bezit de hoogste autoriteit om het culturele leven vorm te geven binnen de landsgrenzen). Het concept soevereiniteit verwijst daarbij specifiek naar legitieme macht binnen een afgebakend territorium of grondgebied. Steeds vaker betwijfelen wetenschappers de relevantie van staatssoevereiniteit als concept in een sterk geglobaliseerde en politiek, juridisch en financieel geïntegreerde wereld.5 Dat terwijl het ideaal zelf juist een opleving kent: het opkomende soevereinisme als politieke tegenreactie is hier een duidelijk bewijs van. Het begrip verdient daarom allereerst meer context. Soevereiniteit, gedefinieerd door politicoloog Daniel Philpott als “de allerhoogste autoriteit binnen een territorium”, werd aanvankelijk toegeschreven aan absolute monarchen die het droit devin genoten.6 Pas na de opkomst van constitutionele bestuursvormen werd soevereiniteit in Europa geleidelijk toegekend aan de staat, een instituut dat verantwoording aflegt 176
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa “In the absence of any national economy that modern states can claim to protect and develop, it is no surprise that there has been a worldwide tendency in effective states and in many aspiring populist movements to perform national sovereignty by turning towards
pen, ofwel “inheemse soevereiniteit,” waarbij de wijze van handhaving van de soevereiniteit cultureel is ingebed in inheemse gebruiken en daarom afwijkt van de opgelegde (westerse) wettelijke kaders van legitimiteit.15 Inheemse Amerikaanse wetenschappers Wallace
cultural majoritarianism, ethno-nationalism and the stifling of internal intellectual and cultural dissent. In other words, the loss of economic sovereignty everywhere produces a shift towards emphasizing cultural sovereignty. This turn towards culture as the site of national sovereignty appears in many forms.”12
Coffey en Rebecca Tsosie beschrijven bijvoorbeeld de hardnekkige overblijfselen van Europese kolonisatie van het Noord-Amerikaanse continent, waarbij inheemse Amerikanen vandaag de dag nog steeds afhankelijk zijn van de instellingen van de kolonisator om hun eigen soevereiniteit te handhaven of (tenminste gedeeltelijk) terug te eisen.16 Het idee dat culturele minderheden recht hebben op culturele soevereiniteit lijkt ook te weerklinken in humanitaire interpretaties van het begrip. In 1977 stelden “deskundigen in verschillende sociaal-culturele disciplines” bij een UNESCO-bijeenkomst in Warschau nadrukkelijk dat “wereldvrede en het vreedzaam samenleven van volkeren” afhingen van “de bevestiging van de culturele soevereiniteit van volkeren”.17 Hierbij werd een impliciet onderscheid gemaakt tussen politieke soevereiniteit (het recht op zelfbestuur) en culturele soevereiniteit: het recht om het eigen culturele leven vorm te geven en voldoende toegang te hebben tot middelen om dit te doen. Culturele soevereiniteit lijkt hier te worden beschouwd als een universeel mensenrecht. Dit universalisme brengt de nodige haken en ogen met zich mee: het wringt namelijk nogal met de relativistische opvatting van Coffey en Tsosie. Ook mensenrechtenwetenschappers zoals Anne Bayefsky en Jonas Brendebach wijzen op deze frictie tussen universalisme en relativisme, en geven voorbeelden waarbij staatsautoriteiten humanitaire interventies kunnen afweren op door een beroep te doen op culturele soevereiniteit.18 Simpel gezegd kan wat door de internationale gemeenschap als inhumaan wordt beschouwd, door individuele staten gezien worden als een cultureel gebruik.19 In zijn onderzoek naar de UNESCO in de jaren zeventig onderscheidt Brendebach daarom twee toepassingen van culturele
De verschuiving die Appadurai constateert vertaalt zich in de praktijk naar beleid gericht op het behoud en de bescherming van nationaal cultureel erfgoed, waaronder muziek met een verondersteld “nationaal” karakter. De interesse in culturele soevereiniteit is echter niet voorbehouden aan radicaalrechtse politici zoals Åkesson van de Zweedse SD. Bornschiers “cultural divide” hangt nauw samen met een algemeen bekend gebrek van liberale democratieën: de waarborging van collectieve (of “culturele”) rechten.13 Juist omdat het ontwerp van de natiestaat uitgaat van een enkele nationale (in Benedict Andersons woorden “ingebeelde”) gemeenschap, wordt verondersteld dat wettelijk onderscheid tussen subgroepen overbodig is en geeft het model voorrang aan individuele rechten binnen die (utopische) uniforme gemeenschap.14 Culturele minderheidsgroepen – niet zelden inheems of autochtoon – moeten hierdoor in de praktijk vechten voor erkenning binnen een rechtssysteem dat groepsrechten van minderheden niet zonder meer waarborgt. Hoewel tegengesteld aan de majoritarians in grootte, hechten minderheidsgroepen ook waarde aan het idee van culturele soevereiniteit, al wordt deze anders gedefinieerd en vormgegeven. Het begrip moet hier binnen een postkoloniale context als tegenhanger worden gezien van het (cultureel) imperialisme. In indigenous studies verwijst culturele soevereiniteit naar de soevereiniteit van inheemse gemeenschap-
177
soevereiniteit: aan de ene kant een “claim op soevereiniteit over cultuur” ondersteund door een filosofie van “humanistisch universalisme”, en aan de andere kant een claim op “culturele soevereiniteit” die de zelfbeschikking van staten over culturele, politieke en juridische
aanspraak op nationale ruimte hoeft namelijk niet noodzakelijkerwijs een aanspraak te zijn op territoriale soevereiniteit in traditionele zin, maar kan ook een aanspraak op sociale ruimte betekenen om een gevoel van culturele soevereiniteit te (her)winnen.25
zaken legitimeert.20 UNESCO zelf lijkt (wellicht om bovenstaande redenen) recentelijk steeds meer weg te sturen van het begrip soevereiniteit, en eerder in te zetten op het behoud van culturele diversiteit.21
Binnen postkoloniale studies wordt ook aandacht besteed aan de rol van muzikaal erfgoed en soevereiniteitsclaims. Voortbouwend op Coffey en Tsosie conceptualiseert Trevor G. Reed de muzikale praktijken van de inheemse Hopi als sonische uitingen van inheemse soevereiniteit.26 Reed analyseert hier voornamelijk de tekst en melodieën van Hopiliederen en stelt dat “inheemse uitdrukkingen die relaties tussen individuen en tussen mensen en andere actoren in de wereld activeren en genereren – ongeacht hun vorm – soevereine handelingen kunnen zijn”.27 Net als Coffey en Tsosie is het doel van Reeds werk om het verschil te benadrukken tussen het inheems-Amerikaanse begrip van soevereiniteit en dat van kolonisten (d.w.z., de federale staat). Ook muziekwetenschapper Kofi Agawu hanteert het begrip soevereiniteit in een (post)koloniale context, ditmaal om de verspreiding van de West-Europese Christelijke hymnetraditie op het Afrikaanse continent te duiden als een ontkenning en onderdrukking van lokale soevereiniteit op “sonisch” vlak.28 Agawu stelt hierbij de herwaardering van Afrikaanse vormen van tonaliteit voor als onderdeel van het herstellen van inheemse soevereiniteit. Binnen het postkoloniale discours blijkt muziek dus ook een strijdtoneel voor soevereiniteitsclaims, waarbij behoud en verspreiding van muzikaal erfgoed ingezet worden om culturele groepsbelangen te consolideren in zowel geografisch als psychologisch opzicht. In het humanitaire domein richt wetenschappelijke literatuur zich voornamelijk op de veronderstelling dat muziek een verbindende kracht is die kan helpen om conflicten op te lossen en wederzijds begrip te creëren. Het idee van muziek als instrument voor verzoening reikt terug naar antieke filosofie en leeft
“Sonische soevereiniteit” De rol van volksmuziek in de totstandkoming van Europese soevereiniteitsclaims wordt onder anderen besproken door etnomusicoloog Philip Bohlman die stelt dat volksmuziek fungeerde als basis voor zowel “nationale” als “nationalistische” muziek tijdens de opkomst van de natiestaat.22 Dat deze muziek een middel bleek om de soevereiniteit van staten te ondersteunen en nationale identiteit te verstevigen werd weerspiegeld in de toename van nationale volksliedbundels en volkslieden danscompetities in het negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse Europa. Het huidige discours rondom deze historische ontwikkelingen richt zich veelal op de beeldvorming die gepaard ging met deze hernieuwde interesse in volkscultuur, en is kritisch op de romantische idealen (zoals teleologische ontwikkeling van natuur, natie en lotsbestemming) die leidden tot discriminerende, racistische of fascistische idealen van nationale cultuur.23 Hier wordt vaak verwezen naar de anthologie van de Duitse collectie Landschaftliche Volkslieder (gestart in 1924), evenals muziekactiviteiten in de Hitlerjugend.24 Bohlman geeft echter ook meer recente voorbeelden waar volksmuziek de identiteit van culturele groepen ondersteunt in betwiste grensregio’s (bijv. Zuid-Tirol, de Karpaten en Elzas-Lotharingen). Ook hier kunnen traditionele muziekpraktijken geïnterpreteerd worden als het opeisen van nationale ruimte – zij het fysiek of figuurlijk. Een 178
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa logischerwijs op na periodes van conflict.29 Dominant in dit narratief is de veronderstelde universaliteit van muziek die taalbarrières zou overstijgen, een ideaal wat nog altijd voortleeft in antropologisch onderzoek, muziekonderwijs, filosofie, en muziekwetenschap.30
Vooral het woord reclaim trekt hier de aandacht en roept de vraag op: van wat of van wie zouden deelnemers hun culturele identiteit willen terugeisen? Deze opmerking suggereert niet alleen dat het programma een gevoel van (individuele) culturele zeggen-
De universaliteit van muziek wordt hier bijvoorbeeld gekoppeld aan Gordon Allports contacthypothese die stelt dat contact op basis van een gedeelde interesse intolerante houdingen tussen groepen vermindert.31 In recent onderzoek naar muziek-ngo’s ontstaat er een groeiende scepsis over de universaliteit van muziek. Volgens etnomusicologen Nomi Dave en Elaine Sandoval vertrouwen ngo’s te veel op enkel de aanwezigheid van muziek om sociale verandering teweeg te brengen met een gebrek aan praktische veranderingen als gevolg.32 Bovendien worden humanitaire muziekprojecten uit het recente verleden inmiddels vaak als zeer eurocentrisch bestempeld, met name wanneer er buiten Europa steevast teruggegrepen wordt naar de West-Europese klassieke muziektraditie. Met de (relatief recente) integratie van muzikaal erfgoed in deze non-gouvernementele projecten is wat betreft dit laatste punt veel veranderd. Tegelijkertijd treedt met deze integratie ook de kwestie van culturele soevereiniteit op de voorgrond. Overweeg bijvoorbeeld de volgende observatie van Gibson et al., die in opdracht van JMI een etnografisch onderzoek uitvoerde naar het Ethno World programma:
schap genereert, maar ook dat het deelnemers in staat stelt om zich te verzetten tegen onrechtmatige culturele onderdrukking of deze af te wijzen en een recht op zelfbeschikking terug te nemen: een soevereiniteitsclaim over culturele expressie. Gibson et al. verduidelijken hun woordkeuze helaas niet, waardoor het aan de lezer wordt overgelaten om te speculeren waarom deelnemers zich losgekoppeld voelen van hun culturele identiteit.34
“For several individuals, taking part in Ethno had enabled them to feel as if they had a sense of empowerment to ‘reclaim’ their own cultural identity through the process of sharing repertoire that they viewed as being a product of their own cultural background.”33
Non-gouvernementeel langs gouvernementele grenzen De historische context van Ethno World schept meer duidelijkheid over de passage van Gibson e.a. Jeunesses Musicales International AISBL (JMI) is een non-profitorganisatie opgericht in Brussel in 1945, en opereerde tot ca. 1995 onder de afkorting FIJM.35 JMI functioneert als een internationaal netwerk van lokale organisaties die muziekactiviteiten voor jongeren organiseren zoals concerten, concoursen, zomerkampen, orkesten en koren. JMI streeft ernaar “niet-gouvernementeel”, “vrij van ideologische, politieke, sociale, raciale of andere discriminerende standpunten” te zijn en “op te komen voor de rechten van de mens in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Verklaring van de Rechten van het Kind van de VN.”36 De organisatie dankt deze humanitaire grondslag aan de oprichters van FIJM, Marcel Cuvelier en René Nicoly. Cuvelier bedacht tijdens de Duitse bezetting van België het plan om een “ondergrondse muzikale padvindersbeweging” op te richten die de toegang van de jeugd tot (voornamelijk klassieke) muziek kon waarborgen.37 De vereniging werd uiteindelijk na de oorlog opgericht om non-profit 179
180
organisaties voor jeugdmuziek samen te brengen in Europa en daarbuiten. Enkele jaren later trad FIJM toe tot de nieuw opgerichte International Music Council (een adviesorgaan van UNESCO, opgericht in 1949). FIJM werd opgericht met een federale or-
heidssubsidies in het thuisland. De afhankelijkheid van lokale overheidsgelden maakt JMI niet alleen kwetsbaar voor (lokale) financiële en politieke onrust, maar wijst in bredere zin op de precaire apolitieke status van de organisatie.42 Hoewel overheidssteun niet onge-
ganisatiestructuur die doet denken aan de structuur van de Volkenbond (1919) en de Verenigde Naties (1945), waarin lidstaten gerepresenteerd werden door afgevaardigde vertegenwoordigers. Deze structuur paste in een tijdgeest waarin herstel van staatssoevereiniteit in een nieuwe geopolitieke orde centraal stond, samen met de terugkeer van democratische principes en vreedzame internationale samenwerking. In de beginjaren van de FIJM bleef deze structuur aanwezig, terwijl de organisatie zich geleidelijk transformeerde van een “postconflict”-ngo, gericht op vredesopbouw, naar een “preconflict”-ngo, gericht op het voorkomen van toekomstige conflicten.38 Organisaties die vandaag de dag lid willen worden van het JMI kunnen zich aanmelden als nationaal of geassocieerd lid. De statuten van de organisatie staan slechts één nationaal lid per land toe die de titel ‘JM + landsnaam’ draagt. Er wordt van het lid verwacht dat het “een landelijke structuur” heeft die “op landelijk niveau” opereert, zonder winstoogmerk en zonder politieke banden. Geassocieerde leden zijn doorgaans kleiner en hun stem weegt minder zwaar in de algemene vergadering.39 De federale organisatiestructuur legt een spanning bloot tussen non-gouvernementele principes en gouvernementele afhankelijkheid. Toen de organisatie in de jaren negentig in financieel zwaar weer verkeerde, werd besloten over te gaan naar een franchiseachtige opzet die het JMI vandaag de dag kenmerkt.40 JMI-leden krijgen sindsdien in ruil voor contributie voornamelijk toegang tot kennisontwikkeling, promotiekanalen, samenwerkingen binnen het netwerk en stemrecht tijdens de algemene vergadering.41 Voor de financiering van de muziekprojecten zijn leden vaak aangewezen op eigen fondsenwerving en over-
bruikelijk is in de non-gouvernementele sector, weegt deze observatie zwaarder in het huidige gepolariseerde klimaat waar cultureel erfgoed steeds vaker wordt ingezet voor politieke soevereiniteitsclaims.
Volksmuziek als vlaggenschip Tot enkele decennia geleden was FIJM echter voornamelijk gericht op klassieke muziek en had weinig belangstelling voor cultureel erfgoed in brede zin. In Zweden volgde volksmuzikant Magnus Bäckström met grote interesse hoe organisaties Rikskonserter en Musik för Ungdom (JM Zweden) betrokken raakten bij FIJM’s internationale projecten voor klassieke muziek, zoals het World Youth Orchestra (WYO) en het World Youth Choir. Daar waar klassieke muziek onder Zweedse jongeren opleefde door succesvolle fondsenwerving voor deze initiatieven, bleef volksmuziek volgens Bäckström structureel in de cultuursector ondervertegenwoordigd. Geïnspireerd door het WYO bedacht Bäckström een format voor internationale volksmuziekbijeenkomsten voor jongeren genaamd “Ethno” met de nadrukkelijke intentie dit samen met FIJM te realiseren.43 De eerste Ethnobijeenkomst werd gehouden op het jaarlijkse Falun Folk Festival in Falun (1990), waar het tot de laatste editie van het festival in 2006 onderdeel bleef van het programma. Gedurende deze periode kregen Ethnoorganisatoren logistieke en financiële steun van zowel FIJM/JMI als Rikskonserter, maar deze steun was niet structureel en de betrokkenheid van Jeunesses Musicales was wisselend. Ondanks de groeiende populariteit van het format in het buitenland (waaronder Estland en België) duurde het tot bestuurs-
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa wisselingen rond 2004 voor JMI voorstelde het format op te nemen in hun programma-aanbod. Vanwaar deze terughoudendheid? Een tekstuele analyse van JMI’s zelfstandig gepubliceerde vijftigjarig jubileumdocument Federation Internationale des Jeunesses Musicales,
bestaan was de expliciete koppeling tussen JMI’s humanitaire idealen en (het behoud van) cultureel erfgoed. Nergens anders komt deze koppeling sterker naar voren dan JMI’s eigen omschrijving van het Ethno World programma:
1945-1995: The First 50 Years (1995) verschaft een belangrijk inzicht in FIJM/JMI’s transformatie van een organisatie voor klassieke muziek naar ambassadeur van stilistisch pluralisme.44 Zo stelde Meir Wiesel, toenmalig voorzitter van JM Israël, dat meerdere JM leden in eerste instantie terughoudend reageerden op stilistisch pluralisme omdat ze geloofden in “de alleenheerschappij van klassieke muziek”: een duidelijke nalatenschap van Cuvelier en Nicoly, die alleen Westerse klassieke muziek geschikt achtten voor de culturele vorming van een nieuwe generatie.45 Deze overtuiging werd echter onhoudbaar gezien de toenemende kritiek op Eurocentrisme als gevolg van Europese dekolonisatie, de overgewaaide counterculture uit de VS en de opkomst van “wereldmuziek” als categorie in de internationale muziekindustrie. Al in 1974 voerde FIJM daarom een statutaire wijziging door die de nadruk verschoof naar “verschillende muzikale tradities en uitingen”.46 De transformatie kwam echter niet alleen voort uit een sociaal bewustzijn, maar was ook tactisch. FIJM verkeerde regelmatig in financieel zwaar weer en moest zich verhouden tot andere muziek ngo’s in een steeds drukker wordend veld van muzikale non-profit organisaties. De uitbreiding van muzikale genres was volgens Wiesel
“Ethno is a platform for building respect and tolerance, preserving cultural heritage by ensuring that traditional, folk and world music live on within young people, and is transmitted from generation to generation. It widens and deepens relationships among musicians and cultures from around the world, whereby participants are able to build a greater appreciation of each other’s respective cultures through music. As such, Ethno uses music as a powerful tool to combat xenophobia, intolerance and racism.”48
“unique, because no other established organization has so far declared it to be its flag (beware – we must not wait too long for this to happen).”47 JMI maakte met de inlijving van Ethno World en de oprichting van andere jeugdprojecten voor pop en jazzmuziek een succesvolle transformatie naar stilistisch pluralisme. Wat daarbij voornamelijk belangrijk bleek voor het voort-
Naast Gibsons opmerking over het herwinnen van culturele identiteit past dit statement over Ethno overduidelijk binnen een humanitair ideaal van culturele soevereiniteit. Muzikaal erfgoed helpt jongeren waardering op te brengen voor niet-eigen culturen en elkaar respectvol te behandelen, binnen de kaders van de universele rechten van de mens. Ook het postkoloniale perspectief op culturele soevereiniteit sluit hierop aan, waar meer de nadruk ligt op de specifieke bescherming van culturele minderheden en het behoud en de bescherming van hun muzikaal erfgoed. De expliciete afwijzing van racisme, xenofobie en intolerantie lijkt hierbij een referentie aan een radicaalrechtse interesse in nationaal muzikaal erfgoed om “niet-westerse” immigranten af te schilderen als vijand van nationale cultuur. Ethno heeft zich recentelijk ontwikkeld tot de drijvende kracht van JMI door de belangstelling van de filantropische instelling van Margaret A. Cargill (MACP). In 2018 keerde de Amerikaanse stichting een meerjarige beurs uit van 2,5 miljoen dollar voor Ethno World en is sindsdien hoofdsponsor van JMI.49 Een blik op de doelstellingen achter het “Arts & Cultures Domain” van het MACP verduidelijkt waarom de stichting ervoor heeft gekozen 181
182
Ethno World te financieren in plaats van andere of alle JMI-programma’s. In dit domein wil het MACP namelijk “volkskunsten” en “inheems-Amerikaanse kunst” ondersteunen, specifiek gericht op de “intergenerationele overdracht van artistieke vaardigheden en
mers verdeeld in groepen die respectievelijk een melodie of lied aanleren. Hoewel deelnemers vrij zijn om zich aan te sluiten bij iedere groep die ze willen, is het gebruikelijk dat groepen worden verdeeld op basis van nationaliteit of culturele identiteit. Binnen deze
culturele kennis”.50 Ondersteund door MACP zet JMI muzikaal erfgoed in de non-profitsector inmiddels stevig op de kaart zowel binnen als buiten Europa. De snelle groei van Ethno World binnen JMI heeft ook geleid tot een zekere standaardisering van het Ethno-format. De vorm van de bijeenkomst, oorspronkelijk bedacht door Bäckström en vrijelijk geïnterpreteerd door organisatoren buiten Zweden, bevat doorgaans een aantal kernelementen betreffende de deelnemersgroep, de opzet van de workshops, de activiteiten en de duur.51 Deelnemers dienen over het algemeen tussen de zestien en dertig jaar oud te zijn en worden door de organisatoren geselecteerd door middel van een aanmeldingsproces. Dat proces zorgt voor een cultureel diverse deelnemersgroep met een zeker evenwicht in instrumentgroepen (d.w.z. ritme-, harmonie- en melodie-instrumenten). Veel Ethno’s hebben aparte tarieven voor deelnemers die binnen of buiten de EU wonen, en deelnemers die in aanmerking komen, kunnen de “Ethno Mobility Grant” van JMI aanvragen om zowel de reis- als deelnamekosten te dekken.52 De bijeenkomsten duren over het algemeen zeven tot tien dagen, en bevatten workshops om repertoire te leren en te arrangeren, repetities en groepsoptredens. Het repertoire bestaat uit liedjes en ‘tunes’ (d.w.z. instrumentale melodieën) die deelnemers zelf meebrengen naar de bijeenkomst. Bij voorkeur brengen de deelnemers muziek mee “uit hun cultuur” of “uit hun land”, traditionele muziek, volksmuziek, of cultureel erfgoed, zoals JMI het noemt.53 Het aantal deelnemers varieert per organisatie: kleine Ethno’s ontvangen soms vijftien deelnemers, terwijl grotere bijeenkomsten (zoals Ethno Zweden) tot 100 deelnemers kunnen ontvangen. Vanwege de beperkte tijd worden de deelne-
afzonderlijke groepen beslissen de deelnemers gezamenlijk over een muziekstuk (bijv. melodie, lied of een medley) dat hun groep vertegenwoordigt. Tijdens de eerste dagen van de bijeenkomst leren individuele groepen hun arrangement aan de rest van de deelnemers, die de muziek op gehoor instuderen. In het dagprogramma worden de workshops vaak vernoemd naar de geografische roots van de melodie (bijv. Spanje, Frankrijk, België, maar ook Catalonië, Occitanië of Vlaanderen). Nadat alle groepen hun tune hebben voorgesteld en aangeleerd, worden de arrangementen bijgeschaafd met de steun van artistieke mentoren (d.w.z. aangewezen muzikanten die door de organisatoren worden ingehuurd), wordt er een speellijst gemaakt en gerepeteerd voor één of meerdere optredens aan het einde van de bijeenkomst. De speellijst bestaat vaak uit een indeling van de “landen” die bij elke tune vertegenwoordigd zijn, en bevat soms ook de titel van het lied of de tune. Buiten het workshop- en repetitieschema zijn er meestal mogelijkheden voor deelnemers om informele workshops of vrijetijdsactiviteiten te organiseren.
Vissen in een vreemde vijver Het van origine Zweedse concept groeide ook in het thuisland tot een bekend evenement dat niet meer weg te denken is uit het culturele landschap, zeker binnen de volksmuziekscene. Na de laatste editie van het Falun Folkfestival in 2006 is de organisatie van Ethno in handen gevallen van Folkmusikens Hus, een volksmuziekinstelling in de regio Dalarna. De steun van Rikskonserters jeugdtak JM Zweden bleef voortduren, ook nadat Rikskonserter in 2011 werd ontbonden tijdens culturele hervor-
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa ming van kabinet Reinfeldt. Reinfeldts hervorming naar Kultursamverkansmodellen (“het culturele samenwerkingsmodel”) voegde een intermediaire stap toe aan de distributie van het nationale budget voor cultuur, waarbij cultuurinstellingen dienen te onderhandelen
te opereren, ze in de praktijk toch afhankelijk zijn van de financiële middelen waarvan de verdeling binnen het politieke domein wordt bepaald. Laat dat domein nu de plek zijn waar “traditioneel” cultureel kapitaal (om met Bourdieu
met het regionale bestuur in plaats van een directe aanvraag te doen bij het ministerie van cultuur (Kulturrådet). Om dit te coördineren is rond 2015 het orgaan Regional Musik i Sverige (RMS) in het leven geroepen, waar JM Zweden in 2020 in is opgegaan. Folkmusikens Hus is lid geworden van RMS, dat op zijn beurt nu het nationale Zweedse lidmaatschap draagt bij JMI. Het samenwerkingsmodel tussen overheid en cultuursector blijkt uit het bestuur van RMS, wat voor zeventig procent bestaat uit afgevaardigden van cultuurcommissies uit regionale overheden (lees: verkozen politici). Dat RMS het nationale JMI-lidmaatschap heeft overgenomen van het voormalige JM Zweden is dan ook wat ongemakkelijk in het licht van JMI’s non-gouvernementele doctrine. Uit een interview met de Zweedse JMI-coördinator Gustaf Bäckström Elmelid blijkt echter dat RMS tot op heden een kleine rol gespeeld te hebben bij de organisatie van Ethno Zweden, en heeft het zich voornamelijk beziggehouden met de uitvoering van een aantal andere JMI-programma’s.54 Het leeuwendeel van de organisatie van Ethno Zweden loopt nog steeds via Folkmusikens Hus, maar ook hier blijkt het praktisch haast onmogelijk om zonder gouvernementele steun te opereren. Financiële en logistieke steun voor Ethno Zweden is afkomstig van twee belangrijke instellingen binnen de nationale infrastructuur van publieke subsidies: cultuur (Kulturrådet) en publiek onderwijs (Folkbildningsrådet). Nationale cultuur- en onderwijssubsidies sijpelen via deze instellingen door naar Folkmusikens Hus en/of diens partners (de lijst is lang: Regio Dalarna, Sveriges Spelmäns Riksförbund en Studieförbundet Bilda för kyrka och samhälle zijn slechts enkele voorbeelden). Het moge duidelijk zijn dat hoewel JMI en haar leden ideologisch gezien apolitiek wensen
te spreken) een vreemde vijver vormt waar ook radicaal rechtse politici maar al te graag in vissen. Aan deze ongemakkelijke waarheid zijn ook Zweedse volksmuzikanten onlangs herinnerd: de neonationalisten zijn de folklore niet vergeten. De campagnes van de eerdergenoemde radicaal rechtse SD maken onder leiding van Åkesson graag gebruik van volksmuziek, dans en klederdracht om zich nationalistisch te profileren. Zo wil de partij overheidsfinanciering van multiculturele projecten overhevelen naar “Zweedse” volkscultuurinstellingen, organiseert het alternatieve folkfestivals voor conservatieven en is het gelieerd aan nieuwsoutlets die regelmatig “Zweedsheid” verheerlijken in de verslaglegging van volksmuziekevenementen. Daarbij wordt herhaaldelijk in de pers verklaard dat Zweedse volksmuziek een belangrijke rol speelt bij het versterken van de Zweedse identiteit.55 Uiteraard komt deze interesse niet uit de lucht vallen: ook in de staatsgeschiedenis van Zweden speelde volksmuziek aanvankelijk een politieke rol bij het versterken van nationale identiteit (en soevereiniteit). Na de ontbinding van de unie met Noorwegen in 1905 werd, voortbouwend op ideeën uit de negentiende-eeuwse romantische literatuur (d.w.z. “Götiska Förbundet” ofwel “het Gotisch verbond”), “Folkmusikkommissionen” (“De Volksmuziekcommissie”) opgericht. Deze commissie publiceerde verspreid over meerdere decennia de volksmuziek anthologie “Svenska låtar” (“Zweedse liederen”) die nog altijd als basis dient voor het Zweedse volksmuziekrepertoire.56 Tijdens de Zweedse folkrevival “Gröna Vågen” (“De groene golf”) in de jaren zeventig, probeerde een nieuwe generatie volksmusici (waaronder Magnus Bäckström) om de conservatieve nativistische reputatie van dit repertoire om te vormen naar 183
184
een middel voor interculturele uitwisseling in de strijd tegen cultureel imperialisme.57 Moet de hernieuwde interesse in volksmuziek van nationalistisch rechts gezien worden als, zo niet een herhaling, dan wel een berijming van vroeg twintigste-eeuwse
gemeenschap (waarvan SD’s electorale succes de katalysator was) als mogelijke uitwerking van deze drijfveren ziet.60 Het Ethno World programma zou zo kunnen dienen als tegengeluid voor nationalistische soevereiniteitsclaims, terwijl het tegelijkertijd een vorm van
geschiedenis? Hoewel de SD in sommige aspecten overeenkomsten vertoont met deze eerdere interesse van de Zweedse bourgeoisie in het construeren van een nationale volksmuziektraditie, moet ook worden benadrukt dat SD de volksmuziek voornamelijk benadert als een instrument voor assimilatie van immigranten, en dat het populisme van SD de sociale hiërarchie van het vooroorlogse Zweden juist afwijst. Daarbij wijst etnomusicoloog Benjamin R. Teitelbaum erop dat volksmuziek ook wordt ingezet om de neonazistische reputatie van de partij te verzachten.58 Ironisch genoeg is de gedoogsteun van SD niet direct een tegenslag voor de organisatoren van Ethno Zweden, aangezien Folkmusikens Hus zich dusdanig inzet voor de Zweedse volkstraditie dat het op steun zou kunnen rekenen van Åkessons partij. Of die steun welkom is, valt te betwijfelen, gezien veel instellingen voor Zweedse folklore samen met Folkmusikens Hus zich al vroeg hebben uitgesproken tegen zo’n nationalistisch cultuurbeleid (weliswaar indirect, onder de slogan “Folkmusiker mot Främlingsfientlighet” ofwel “volksmuzikanten tegen xenofobie”).59 Voor deze organisaties ontstaat een dilemma: in hoeverre zijn zij bereid in de hand te bijten die hen voedt? Inmiddels scharen veel volksmuziekinstellingen zich achter activisten uit de Zweedse volksmuziekscene die in het afgelopen decennium meermaals publiekelijk protesteerden tegen een nationalistische framing van volkscultuur. Uit eigen etnografisch onderzoek blijkt dat JMI haar antixenofobisch en antiracistische drijfveren achter Ethno World onder andere relateert aan de sociaal-maatschappelijke context van Bäckström waarin Ethno is geworteld, en dat ze de recente opleving van activisme in de Zweedse volksmuziek-
culturele soevereiniteit in humanitair en postkoloniaal opzicht steunt middels interculturele uitwisseling van muzikaal erfgoed. In een eigen casestudie van Ethno Zweden 2021 (“herfsteditie”) blijkt dat organisatoren van Ethno Zweden hierbij vooral bouwen op non-verbale communicatie in muzikale processen: culturele zeggenschap en tolerantie ontstaan simpelweg door samen muziek te maken. Organisatoren stellen bijvoorbeeld dat de onderwerpen van racisme en xenofobie impliciet aanwezig zijn in de activiteiten, maar deze zijn te complex, volwassen of cerebraal om over te praten op een jongerenbijeenkomst gericht op muzikaal plezier. Daarbij komen er in interviews met deelnemers ook kritische observaties naar voren: de deelnemersgroepen bij Ethno’s bestaan voor het overgrote deel uit gelijkgestemden, en mogelijke frictie tussen tegenstrijdige culturele normen en waarden blijft onder de oppervlakte ten behoeve van de positieve sfeer. Dit brengt ons terug bij de kritiek van Dave en Sandoval: wordt er hier te veel geleund op de veronderstelling dat de inherente “universele” eigenschappen van muzikaal erfgoed het humanitaire werk min of meer automatisch verzetten?
Culturele soevereiniteit voor allen? Langzamerhand raken in de bovenstaande casus over JMI en Ethno Zweden de drie theoretische perspectieven op culturele soevereiniteit (politiek, postkoloniaal en humanitair) verstrengeld. De groep betrokkenen is groot en divers: ngo’s (bijv. JMI en haar partners), regionale, nationale en supranationale overheden (bijv. de Belgische en Zweedse overheid, evenals de Europese Commissie),
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa internationale organisaties (bijv. de VN en UNESCO), filantropen (bijv. MACP), muziekondernemers of “pioniers” (bijv. Cuvelier, Nicoly en Bäckström), politieke partijen (SD) en protestbewegingen (Folkmusiker mot Främlingsfientlighet). Hoewel niet altijd met
op muziek en nationale identiteit voor nodig: een perspectief dat meer uitgesproken ingaat tegen de nativistische populistische denkbeelden. Om dit perspectief aan te moedigen is het niet genoeg om alleen op muzikale processen te vertrouwen. Als het doel is om traditionele
overeenkomende doelen, streven al deze partijen ernaar om middels muzikaal erfgoed een sociaal-maatschappelijke verandering teweeg te brengen. Daarbij wordt in het maatschappelijk debat de “ander” (in Bornschiers scheiding) beticht van politiek opportunisme, tegenover het utilitarisme van de “een”. In de praktijk blijkt het echter moeilijk om betrokkenen te categoriseren in twee kampen en ontstaan er vreemde of zelfs ongewenste allianties. Wegdraaiend van de discussie of muzikaal erfgoed gebruikt of misbruikt wordt, ontdekken we een onderliggend mechanisme van overlappende culturele soevereiniteitsclaims. Op vergelijkbare wijze beargumenteert George Yúdice dat cultuur daarom gezien moet worden als bron (“resource”, zoals de spreekwoordelijke erfgoedvijver) die wereldwijd fungeert als een “expedient” (uitweg of redmiddel) voor “agency” claims.61 Het is mijn veronderstelling dat binnen de context van muzikaal erfgoed, deze “agency” begrepen kan worden als culturele soevereiniteit. De casus van Ethno World laat zien hoe ngo’s zoals JMI en haar leden afhankelijk zijn van nationaal cultuurbeleid waarachter een (veranderlijke) politieke opvatting schuilgaat over culturele soevereiniteit. Hoewel humanitaire organisaties en overheden samenwerken vanuit de noodzaak om muziektradities te beschermen, kunnen hun respectievelijke opvattingen over het soort culturele soevereiniteit dat dergelijke samenwerking versterkt uiteenlopen en door politieke polarisatie worden beïnvloed. Non-gouvernementele volksmuziekinstellingen zoals Folksmusikens Hus krijgen door steun uit onverwachte hoek een dilemma: hoe kan volksmuziek die gesteund wordt vanuit een rechts-nationalistische standpunt alsnog culturele inclusiviteit representeren? Daar is een kritisch perspectief
volksmuziek te gebruiken als een instrument om de uitdagingen van onze tijd aan te pakken, en om culturele kloven te overbruggen, dan is de discussie over de relatie tussen muzikaal erfgoed en culturele soevereiniteit relevant en urgent. Dat een muzikale jeugdbijeenkomst daar niet de meest geschikte plek voor is, is begrijpelijk. De vraag is, waar dan wel? Hier ligt een taak voor wetenschappers om samen op te trekken met de humanitaire sector in het maatschappelijk debat, een aanmoediging die door dit artikel hopelijk weerklank zal vinden in de nabije toekomst.
Gabriel Harmsen (1995) is docent Muziekwetenschap bij het Departement Media- en Cultuurwetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Hij behaalde zijn BA Muziek aan het Utrechts Conservatorium (2017), volgde een premaster Muziekwetenschap en voltooide de research master Musicology aan de Universiteit Utrecht (2023, Cum Laude). Voor zijn afstudeerscriptie ontving Gabriel de Albert Smijers Scriptieprijs van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN). Ook verrichtte hij onderzoek voor International Centre for Community Music (ICCM) aan de York St. John University. Als muziekwetenschapper is hij gespecialiseerd in revival theorie, volksmuziek en nationale identiteit, en volksmuziek in de humanitaire sector. harmsengabriel@gmail.com 185
Gabriel Harmsen
ABSTRACT Traditional folk music in a polarizing Europe. A lifeline for cultural sovereignty? “Folk” or “traditional” music is commonly used by governments, political movements, and NGOs to bolster cultural identities. On the one hand, folk music is implemented to assert difference by signifying the particularity of cultures. On the other hand, this particularity undergirds humanitarian music projects, where the diversity of musical traditions signifies universal values. The e#cacy of music in human rights practices has only recently received critical attention, and scholarship on traditional genres in this context remains scarce. A critical discussion of contemporary folk music instrumentalization is becoming increasingly urgent as cultural debates in Europe and beyond continue to polarize. I argue that in times of polarization, music NGOs, governments, and political movements use musical heritage as an expedient to assert or maintain cultural sovereignty. To conceptualize folk music as a resource for humanitarian and political cultural sovereignty claims, I draw on George Yúdice’s concept of cultural expediency, Simon Bornschier’s “new cultural
186
divide,” sovereignty discourse, and (ethno) musicological scholarship. I focus on the humanitarian perspective in a case study of the NGO Jeunesses Musicales International (JMI) and its folk music program Ethno World. Through an analysis of primary sources and JMI’s organizational structure, I argue that, while adhering to a humanitarian understanding of cultural sovereignty, JMI’s network relies on public funding and national policies, placing it within the domain of the state’s cultural sovereignty. Using Ethno Sweden, the first-ever Ethno program, as a case study, I examine the gathering in relation to Swedish cultural policy and consider how it may be affected by the national government’s recent shift towards the right. Finally, I suggest that folk music’s expediency to cultural sovereignty leads to a diffusion of political and humanitarian objectives in the cultural heritage arena and to an ineffective reliance on music as a universal language in humanitarian music projects.
Gabriel Harmsen | Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa 1
Voor het doel van dit artikel hanteer ik een
uit het Engels en Zweeds naar het Nederlands
elementaire opvatting van volksmuziek als de muzikale praktijken van culturele groepen met
zijn van de auteur, tenzij anders vermeld. 7
een gedeelde geschiedenis, verbonden aan een bepaald geografisch gebied. Deze muziek wordt doorgaans gekoppeld aan culturele en/
of Nationalism. London, 1983. 8
and the Origins of Sovereignty’, The Interna-
wortels, in tegenstelling tot “folk”muziek wat
tional History Review 21:3, 1999, p. 569–91;
vaak verwijst naar stilistische kenmerken en
A. Osiander, ‘Sovereignty, International
instrumentatie. Ik gebruik “volks-” of “traditione-
Relations, and the Westphalian Myth’, Inter-
inwisselbare kwalificaties omdat mijn interesse
national Organization 55:2, 2001, p. 251–87. 9
4
Protection of Cultural Heritage as a Shared
het gebruik van muzikale tradities dan in de
Interest of Humanity’, Michigan Journal of
S. Bornschier, ‘The New Cultural Divide
International Law 25:4, 2004, p. 1220. 10 Met veel kritiek tot gevolg: zie T. Winter,
and the Two-Dimensional Political Space
‘Beyond Eurocentrism? Heritage Conservati-
in Western Europe’, West European
on and The Politics of Difference’, Internatio-
Politics 33:3, 2010, p. 419–44.
nal Journal of Heritage Studies 20:2, 2014, p.
E. Bergmann, Neo-Nationalism: The Rise
123–37; C. Brumann, ‘Anthropological Utopia,
of Nativist Populism. Cham, 2020, p. 131.
Closet Eurocentrism, and Culture Chaos in
Zowel het theoretisch kader als de casus
the UNESCO World Heritage Arena’, Anthro-
van dit artikel is afgeleid van het afstudeer-
pological Quarterly 91:4, 2018, p.1203–33;
onderzoek voor de research master Musico-
E. Belfiore & O. Bennett, ‘Rethinking the
logy aan de Universiteit Utrecht, waaraan de
Social Impacts of the Arts’, International
Albert Smijers Scriptieprijs 2023 is toegekend 11
Nederland (KIEN). Zie G. Harmsen, ‘Traditi-
12 A. Appadurai, ‘Democracy Fatigue’, in:
onal Folk Music in a Polarizing Europe: An
H. Geiselberger (red.), The Great Re-
studenttheses.uu.nl/handle/20.500.12932/43859
Simpson, ‘The Guises of Sovereignty’, p. 62.
gression. Cambridge, 2017, p. 28–29. 13 W. Coffey & R. Tsosie, ‘Rethinking the Tribal
(bezocht op 1-7-2025).
Sovereignty Doctrine: Cultural Sovereignty
G. Simpson, ‘The Guises of Sovereignty’, in:
and the Collective Future of Indian Nations’,
T. Jacobsen, C. Sampford & R. Thakur (red.),
Stanford Law & Policy Review 12:2, 2001, p.
Re-Envisioning Sovereignty: The End of Westp-
197; E. Nimni, ‘Introduction: The National
halia? Aldershot, 2008, p. 61; W. Outhwaite, ‘The
Cultural Autonomy Model Revisited’, in: E.
Postnational Constellation Revisited: Critical
Nimni (red.), National Cultural Autonomy and
Thoughts on Sovereignty’, Berlin Journal of
Its Contemporary Critics, New York, 2005, p.
Critical Theory 5:1, 2021, p. 31–58; J. Camilleri,
6; G. Yúdice, The Expediency of Culture: Uses
‘Sovereignty Discourse and Practice – Past
of Culture in the Global Era. Durham, 2003.
and Future’ in: T. Jacobsen, C. Sampford &
14 Anderson, Imagined Communities.
R. Thakur (red.), Re-Envisioning Sovereignty:
15 Coffey & Tsosie, ‘Rethinking the Tribal
The End of Westphalia? Aldershot, 2008), p.
6
Journal of Cultural Policy 13, 2007, p. 136.
door het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed
Expedient to Cultural Sovereignty?’: https://
5
F. Francioni, ‘Beyond State Sovereignty: The
eerder ligt in de verschillende motivaties achter deconstructie van een romantisch volksideaal.
3
D. Croxton, ‘The Peace of Westphalia of 1648
of nationale identiteit en premoderne/rurale
le muziek” en “muzikaal erfgoed” als enigszins
2
B. Anderson, Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread
Sovereignty Doctrine’, p. 191.
33, 37; D. Philpott, ‘Sovereignty’, in: G. Klosko
16 Ibid.
(red.), The Oxford Handbook of the History
17 UNESCO Directeur-Generaal, rapport in
of Political Philosophy. Oxford, 2011, p. 561.
navolging van 19C/Resolutie 12.1, ‘UNESCO’s
Philpott, ‘Sovereignty’, p. 561. Alle vertalingen
Contribution to Peace and its Tasks With Respect 187
to the Promotion of Human Rights and the Elimi-
27 Ibid., p. 514.
ADD. & CORR., ¶10 (September 28, 1978), https://
28 K. Agawu, ‘Tonality as Colonizing Force
unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000028556.
in Africa’, in: R. Radano & T. Olaniyan
Zie ook G. Feindt, B. Gissibl & J. Paulmann (red.),
(red.), Audible Empire: Music, Global
Cultural Sovereignty beyond the Modern State: Space, Objects, and Media. Berlijn, 2021, p. 147n2. 18 A. Bayefsky, ‘Cultural Sovereignty, Relativism, and International Human Rights: New Excuses
Politics, Critique. Durham, 2016, p. 338. 29 Belfiore & Oliver Bennett, ‘Rethinking the Social Impacts of the Arts’. 30 K. Higgins, The Music Between Us: Is Music a
for Old Strategies’, Ratio Juris 9:1, 1996, p.
Universal Language? Chicago, 2012; P. Savage
42–59; J. Brendebach, ‘Contested Sovereign-
e.a., ‘Statistical Universals Reveal the Structures
ties: The Case of the “New World Information
and Functions of Human Music’, Proceedings of
and Communication Order” at UNESCO in
the National Academy of Sciences 112:29, 2015,
the 1970s’, in: Feindt e.a., Cultural Sovereign-
p. 8987–92; S. Kang, ‘The History of Multicul-
ty beyond the Modern State, p. 106–27.
tural Music Education and Its Prospects: The
19 Zie bijvoorbeeld U. Dahre, ‘Searching for
Controversy of Music Universalism and Its
a Middle Ground: Anthropologists and the
Application’, Update: Applications of Research
Debate on the Universalism and the Cultural
in Music Education 34:2, 2016, p. 21–28; J.
Relativism of Human Rights’, The International Journal of Human Rights 21:5, 2017, p. 611–28; M. Brown, ‘Cultural Relativism 2.0’, Current Anthropology 49:3, 2008, p. 363–83.
Blacking, How Musical Is Man. Seattle, 1973. 31 G. Allport, The Nature of Prejudice. Cambridge, MA, 1955. 32 N. Dave, ‘Music and the Myth of Universali-
20 Brendebach, ‘Contested Sovereignties’, p. 127.
ty: Sounding Human Rights and Capabilities’,
21 J. Portolés (red.), Re|Shaping Policies for Cre-
Journal of Human Rights Practice 7:1, 2015,
ativity: Addressing Culture as a Global Public
p. 1–17; E. Sandoval, ‘Music in Peacebuil-
Good. Parijs, 2022, p. 220: https://www.unesco.
ding: A Critical Literature Review’, Journal
org/reports/reshaping-creativity/2022/en.
of Peace Education 13:3, 2016, p. 200–217.
22 Het onderscheid tussen deze twee categorieën
33 S.J. Gibson, L. Higgins & R. Humphrey,
is voor het doel van dit artikel buiten beschou-
‘30 Years of Ethno: The History of
wing gelaten. Zie P. Bohlman, The Music of
Ethno Research.’ York, 2021, p. 37.
European Nationalism. Cultural Identity and
34 Ibid., 35–36.
Modern History. Santa Barbara, 2004, p. 86.
35 FIJM staat voor Sécrétariat de Fédération
23 Zie bijvoorbeeld M. Gelbart, The Invention of
Internationale des Jeunesses Musicales asbl. Zie
“Folk Music” and “Art Music:” Emerging Catego-
JM International, ‘JMI Statutes’, geratificeerd in
ries from Ossian to Wagner. Cambridge, 2007.
Groznjan, Juni 2014, geraadpleegd op 8-3-2023,
24 Bohlman, The Music of European Nationalism,
Google Drive, https://drive.google.com/fi-
p. 145; R. Klop&eisch, ‘Das Menschenbild im
le/d/1XUgIc0s95KnFCS3npEKHBJCVKMmEso5h/
Liedgut der Hitlerjugend auf dem Hintergrund
view?usp=sharing (bezocht op 1-7-2025); H.
der Persönlichkeitstheorie der “Deutschen
Behaegel, ‘Jeunesses Musicales International:
Charakterkunde”’, Musikpsychologie: Empi-
Modification des Statuts’, 10156523 Deel B,
rische Forschung–Ästhetische Experimen-
2010, https://fincheck.be/en/jmi/0820.748.177/
te—Jahrbuch der Deutschen Gesellschaft
Brussel/publications; C. Michiels (red.), Fede-
für Musikpsychologie 12, 1995, p. 149–57.
ration Internationale des Jeunesses Musicales,
25 Bohlman, The Music of European Nationalism, p. 129. 26 T. Reed, ‘Sonic Sovereignty: Performing Hopi Authority in Öngtupqa’, Journal of the Society 188
for American Music 13:4, 2019, p. 508–30.
nation of Colonialism and Racialism’, 20 C/14 +
1945–1995: The First 50 Years, vert. K. Barnes, A. Cornélis & E. Juan. Brussel, 1995. 36 JM International, ‘JMI Statutes’, Artikel 3.2. 37 L. Leytens, ‘Short History of the Fe-
deration Internationale des Jeunesses
ook Leytens, ‘Short History’, p. 24.
Musicales’, in: Michiels, Federation Interna-
46 Leytens, ‘Short History’, p. 32.
tionale des Jeunesses Musicales, p. 16.
47 Wiesel, ‘Quo Vadis Do - Mi - Re?’, p. 77.
38 Deze categoriën zijn afkomstig uit Sandoval,
48 JM International, ‘Ethno’: https://jmi.net/
‘Music in Peacebuilding’. Tot op heden verwijst
programs/ethno (geraadpleegd op 29-9-2022).
de organisatie regelmatig naar haar activiteiten
49 In 2019 heeft het MACP 668.567 dollar van het
als “bevordering”, “opbouw”, “verspreiding van
totale bedrag uitgegeven, wat ongeveer overeen-
de waarden van” en het brengen van de “geest
komt met het totaal aan ontvangen donaties van
van” vrede. Zie Ethno World, ‘About’: https://
het JMI in dat jaar. In 2020 werd het subsidiebe-
ethno.world/about/ (geraadpleegd op 23-12-
drag verhoogd tot 3,1 miljoen, mogelijk vanwege
2022); JM International, Ethno Global Music
gevolgen van de COVID-19-pandemie. Het
Gatherings: Ethno Events Programme 2020.
totale bestede bedrag steeg tot 1.290.707 dollar
Brussel, 2020, p. 4; JM International, Ethno
in 2020 en tot 2.077.316 dollar in 2021. Uit de
Global Music Gatherings: Ethno Events Calendar
beschrijving van de MACP-subsidie blijkt dat de
2021, January–April. Brussel, 2021, p. 2; JM
financiering alleen bestemd is voor Ethno World
International, Ethno Global Music Gatherings:
onder de titel “Ethno: Global Music Connections”.
Ethno Events Calendar 2021, June–December.
Deze informatie is afkomstig uit de online belas-
Brussel, 2021, p. 3–4; JM International, ‘JMI
tingformulieren (990-PF) van MACP van 2018 tot
Global Highlights 2019-2020’: https://jmi.
en met 2020. Zie Margaret A. Cargill Philanthro-
net/about (geraadpleegd op 23-9-2022); JM
pies, ‘Financials’: https://www.macphilanthropies.
International, Annual Report 2010: Making A
org/resources/financials/ (bezocht op 1-7-2025);
Difference Through Music. Brussel, 2010, p.16. 39 JM International, ‘JMI Statutes’, Artikel 9.3;
JM International, ‘JMI Global Highlights’. 50 Margaret A. Cargill Philanthropies,
JM International, ‘Membership Info Booklet’:
‘Arts & Cultures’: https://www.macphi-
https://jmi.net/membership (geraadpleegd
lanthropies.org/domains/arts-cultu-
op 21-9-2022). Een stem van een nationaal lid weegt vijf keer zwaarder dan een stem van een
res/ (geraadpleegd op 6-1-2023). 51 Naast het uitvoeren van onderzoek tijdens
geassocieerd lid in de algemene vergadering.
Ethno Zweden in 2021, is mijn kennis van Eth-
Zie JM International, ‘JMI Statutes’, Artikel 19.5.
no-bijeenkomsten gebaseerd op regelmatige
40 Leytens, ‘Short History’, p. 37. 41 JM International, ‘Membership Info Booklet’, p. 4–5. 42 Een goed voorbeeld is Jasna Ahmetović,
deelname als participant aan Ethno-edities in Europa in de periode tussen 2018 en 2023. 52 Toekenning van de beurs hangt af van de aanwezigheid van een nationaal JMI lid in het land van
‘Jeunesses Musicales and the Development of
herkomst. Zie JM International, ‘Ethno Mobility
Musical Culture in Bosnia and Herzegovina:
Grant 2023’: https://ethno.world/ethno-mobi-
Current and Potential Challenges and Transformations’ (Master Thesis). Belgrado, 2015. 43 Magnus Bäckström in H. Ribeiro, M. Bäckström & P. Ahlbom, ‘An Autobiographical History of Ethno Sweden: A Testimonial about Its Origins, Underlying Ideology and Initial Goals’, ORFEU 4:2, 2019, ¶3.9. 44 Michiels, Federation Internationale des Jeunesses Musicales.
lity-grant-2023/ (aangepast op 8-9-2022). 53 Ethno World, ‘About’. 54 Gustaf Bäckström Elmelid (internationaal coördinator van JMI-activiteiten in Zweden), interview met de auteur, online (3-10-2022). 55 L. Helmersson, ‘Swedish Folk Music and Dance – Vibrant but Contested’, Nätverket – Etnologisk Tidskrift 22, 2020, p. 27, 30; D. Kaminsky, ‘Keeping Sweden Swedish: Folk
45 M. Wiesel, ‘Quo Vadis Do - Mi - Re?’,
Music, Right-Wing Nationalism, and the Immi-
in: Michiels, Federation Internationa-
gration Debate’, Journal of Folklore Research
le des Jeunesses Musicales, p. 77. Zie
49:1, 2012, p. 74; B. Teitelbaum, Lions of the 189
North: Sounds of the New Nordic Radical Nationalism. New York, 2017, p. 98–99. 56 M. Boström, D. Lundberg & M. Ramsten (red.), Det stora uppdraget: Perspektiv på Folkmusikkommissionen i Sverige, 1908–2008. Stockholm, 2010; D. Kaminsky, Swedish Folk Music in the Twenty-First Century: On the Nature of Tradition in a Folkless Nation. Plymouth, 2012, p. 19. 57 Ribeiro e.a., ‘An Autobiographical History’, ¶3.1; J. Ling, ‘Folkmusik – en brygd’, Fataburen 34, 1979, p. 9–34; Boström e.a., Det stora uppdraget, p. 19. Voor volksmuziek tijdens de Groene Golf, zie T. Fahlander, Gift dig aldrig med en spelman: Röster om folkmusik i Dalarna, från Isakes Kisti till Päkkos Gustaf. Möklinta, 2020. 58 Teitelbaum, Lions of the North, p. 104. 59 Helmersson, ‘Swedish Folk Music’, p. 32. 60 Harmsen, ‘Traditional Folk Music’. 61 Yúdice, The Expediency of Culture.
190
Marc Jacobs
Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939). Moet de geschiedenis van volkskunde/ folklore in Nederland en België (in het laatste kwart van de negentiende eeuw) worden herschreven?
Titia van der Tuuk, 1898, Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Fotodatabank, IISG BG A14/266,
191
“Vrouwen hebben nochtans nooit gezwegen. Er werd echter niet naar hen geluisterd, ze werden niet opgemerkt en niet eens vermeld. Hun sporen werden uitgewist”. (Michelle Perrot, 2025)1
na zijn ervaringen in 1940, zichzelf goed bewust van de risico’s van publieke geuite informatie over zijn geaardheid.4 Van der Zeijden wou vooral een ander punt maken: in het historisch overzicht van Ton Dekker figureerden slechts enkele en passant vermelde dames. Er waren
“(…) ik vond er verscheiden oude bekenden in een eenigszins anderen vorm dan ik vroeger hoorde, of met een geringe afwijking in de onderdeelen. Juist dat verschil en die afwijkingen nopen tot nadenken en onderzoek. En hiermee heet ik Volkskunde hartelijk welkom en wensch ik het blad een frisch en bloeiend bestaan toe. Titia van der Tuuk”. (Volkskunde, 1888, p. 63)
de “foute” vrouwen net voor of in de Tweede Wereldoorlog (Gerda Schaap, Elsa Valeton, Elise van der Ven-ten Bensel). En daarna, sporadisch vermelde of vooral op foto’s prijkende medewerksters van het Bureau of van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur zoals Jozien Jobse-van Putten, Evelien Doelman, Marleen van Winkoop-Deurvorst, Marie van Dijk en Carla Wijers, Marijke Gijswijt-Hofstra en Ineke Strouken in de jaren 1980 en 1990. Hij wees ook op de aanwezigheid van verder niet geïdentificeerde noch besproken vrouwen op groepsfoto’s in mijn studie over de ZuidNederlandse Centrale voor Folklore-Onderzoek in het midden van de jaren 1930. Waarom ging dat boekje over correspondentienetwerken en institutievorming in de Lage Landen “alleen over mannen”? “Aan vrouwelijke volkskundigen lijkt het volledig ontbroken te hebben. Waren er werkelijk geen vrouwen actief op dit terrein, of is hier mogelijk sprake van een zekere genderbias, die ook in andere wetenschappen heeft geleid tot een onderschatting van het werk van vrouwelijke wetenschappers?” Nog los van het feit dat het met het maken van zulke beweringen belangrijk is, scherp genoeg te lezen en te kijken (want merk bijvoorbeeld Augusta De Clercq5 op), had Albert van der Zeijden wel een punt door het problematiseren van het feit dat vrouwen weinig werden vermeld in overzichten van de geschiedenis van volkskunde in de Lage Landen voor de Tweede Wereldoorlog, of weinig plaats kregen in de overgeleverde bronnen. Van der Zeijden verwees hierbij naar een geschiedenis van “folkloristen” in Groot-Brittannië waar protagonisten zoals Alice Bertha Gomme6 of Charlotte Burne (auteur van Shropshire folklore in 1883, eerste voorzitster van de Folklore Society en redactielid van Folklore), wel een plekje kregen. Moeten we beter kijken,
Het is een kwarteeuw geleden dat Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie verscheen. De ondertitel verklikte de aspiratie van een doorgroei. Het was ook bedoeld als een synthese, in de eerste plaats van de wetenschappelijke inzichten en productie onder de vlaggen “volkskunde” en “cultuurgeschiedenis” van de kwarteeuw ervoor. Maar er werd nog verder teruggekeken, op zoek naar (voor) vaders van “volkskunde in de Lage Landen”, zoals Johannes Le Francq van Berkhey (17291812) of andere antiquaren. Aandacht ging ook naar negentiende-eeuwse voorlopers die vanaf de jaren 1880 meer een netwerk gingen vormen. Zo stelde Ton Dekker: “Toch begint zich na de oprichting in 1888 van het Vlaamse tijdschrift Volkskunde geleidelijk een zekere cohesie af te tekenen tussen een aantal mensen die over volkscultuur schrijven en op elkaar reageren. In het begin van de twintigste eeuw vormt zich een volkskundige ‘citeergemeenschap’ waarbinnen de Nederlandse volkskunde zich verder ontwikkelt”.2 In 2002 poneerde Albert van der Zeijden (1957-2021) dat in die bundel van het Meertens Instituut en andere publicaties over de geschiedenis van volkskunde “gender” te weinig aan bod kwam.3 Hierbij refereerde hij niet aan LGBTQ+-issues, wat gelet op echo’s uit het privéleven van de naamgever van het Instituut vandaag verrassend kan overkomen. Uiteraard was Pieter Jacobus Meertens (1899-1985), zeker 192
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) worden bijvoorbeeld in Groot-Brittannië het werk en de rollen van vrouwen in archeologie, geschiedenis en erfgoed rond de eeuwwisseling in 1900, met bijzondere nadruk voor folklorestudies, herbekeken.8 Naast de Britse aanpak om een basisdatabank te bouwen die
Augusta De Clercq (1887-1944) wou in 1934 meewerken aan de Zuid-Nederlandse Centrale voor Folklore-onderzoek en deed onderzoek in en rond Geraardsbergen. Hiervoor verdient ze erkenning.(geciteerd uit https://laceincontext.com/tag/augusta-de-clercq/)
zo vroeg Van der Zeijden zich af, vanuit de opmerkelijke stelling waarmee hij zijn stuk in 2002 inleidde: “In Westeuropa is er waarschijnlijk geen wetenschap waarin vrouwen in procentueel opzicht zo een hoog aandeel hebben gehad als de volkskunde, de wetenschap die zich bezighoudt met de cultuur van het dagelijks leven”.7 Van der Zeijden richtte vervolgens zelf de schijnwerpers op enkele vrouwen die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland actief waren: Cornelia Catharina van de Graft (1874-1969), Johanna Bergmans-Beins (1879-1948), Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (1883-1956), Hermina C.A. Grolman (1889-1955) en de hoger vermelde Elise van der Ven-ten Bensel (1892-1982). Vandaag, na vele jaren vrouwen- en genderstudies en nieuwe vormen van feminisme en emancipatie en misschien ook omdat er vandaag steeds meer vrouwen actief en leidinggevend zijn in erfgoedwerk (een van de impulsen voor de transdiscipline “erfgoedstudies”, om de voorlo(o)p(st)ers en genealogieën her te bekijken) staat de genderproblematiek op de agenda. Met een groot onderzoeksproject met de veelzeggende titel “Beyond Notability”
netwerkanalyse zal mogelijk maken, kunnen ook, zoals in dit artikel, dieper gravende casestudies een manier zijn om dit op te pikken. De digitaliseringsprojecten in de 21e eeuw laten toe om uitgebreide zoekopdrachten los te laten op grote databestanden, waarbij men los kan komen van de bestaande zoek- en vindsystemen, bijvoorbeeld via het Plan Hoffmann-Krayer, die in de twintigste eeuw dominant waren en diverse activiteiten buiten de vooraf bepaalde reeksen publicaties of maatschappelijke rollen op het spoor te komen.9 Maar zoals wat hierna volgt zal duidelijk maken, kunnen de beproefde systemen van het volgen van voetnoten en citaten ook falen, als sommigen er bijvoorbeeld voor kiezen te zwijgen over de bijdragen van vrouwen. In dit artikel, dat overigens bewust volledig AI-dopingvrij is (dus geen ChatGPT, enz.: om niet nog eens het patroon te bevestigen), wordt, gebruikmakend van diverse databanken en zoeksystemen in combinatie met meer erudiete referentiekaders en ouderwets, intensief zoeken leeswerk van nog niet digitaal ontsloten materiaal, de schijnwerper gericht op de jaren 1880. Dit was de periode toen volgens Dekker in (de) Nederland(en) mensen intensief begonnen te interageren rond volkscultuur, folklore en volkskunde. Ook vrouwen dan?
Een controverse, maar wat ging eraan vooraf? Sinds 2017 loopt er een digitaliseringproject voor de ontsluiting van de correspondentie van Guido Gezelle (1830-1899). Een samenwerkingsverband tussen de bewaarinstelling van de grootste collectie van zijn correspondentie en andere schrijfsels (het Guido Gezellearchief/Openbare bibliotheek Brugge), de KANTL, letterkundigen van de Universiteit 193
Antwerpen en vrijwilligers rond het Guido Gezellegenootschap, is bezig met het transcriberen en de ontsluiting van een achtduizend brieven. Ze worden voortaan ook gescand aangeboden. Het samenspel in 2024 van een tentoonstelling, een publicatie en diverse artistieke projecten onder de titel “Vrouwen van papier” was een geslaagde demonstratie van hoe er een publieksgerichte, analoge laag van ontsluiting overheen kan worden gelegd. Door te focussen op correspondentes kan het verhaal van een bekende priester-dichter-activist worden verrijkt en bijgesteld, want vrouwen speelden duidelijk wel een rol: “Het genderperspectief biedt een andere kijk op hetzelfde verhaal …”10 Hoe fragmentarisch ook, dankzij de ontsluiting van de brieven beginnen vrouwen en “vrouwelijkheid” in beeld te komen rond het fenomeen Gezelle in de tweede helft van de negentiende eeuw, aldus Gita Deneckere. Al is het aangewezen hierbij ook het Actor-Netwerktheorie-principe “volg de lijnen waarheen ze je leiden” te huldigen, zoals in dit artikel wordt gedemonstreerd. Wie op 1 januari 2025 het woord “folklore” intikte in het vrije tekstzoekveld van https:// edities.kantl.be/gezelle/index.htm (bezocht op 28/7/2025) kreeg drie hits. De eerste is een kort informatiekaartje met een transcriptie door Alfons De Cock (een passage uit een plantenencyclopedie van Eugène Rolland over een “Egyptisch kruid”) gedateerd op 24/10/1899. De tweede is een brief uit Leuven op 2 juni 1895 van Leo Lodewijk Simons (18571937) aan Guido Gezelle. En dan is er de derde hit: een brief van Jan Craeynest, gedateerd op 12/07/1885, gericht aan Gezelle. Deze brief maakt deel uit van een controverse die via correspondentie in 1885 publiek werd uitgevochten in de tijdschriften De Nederlandsche Spectator en Rond den Heerd. Het bevatte de volgende boodschap: “Heer ende Meester, Kome om raad en hulpe. Lijk gij misschien al gezien hebt, heeft de Gentsche Hoogleeraar P. Fredericq, de zelfste die in den laatsten Taallanddag te Brugge 194
Cordelia Van de Wiele (1840 – 1929) was tussen 1874 en 1899 meer dan administratief assistente van Guido Gezelle. Ze was een wetenschappelijk medewerkster die zich bezighield met het aanvullen, ordenen en beheren van de informatiebronnen. Zij beheerde het wetenschappelijk apparaat van de Woordentas, verzorgde contacten met informanten, drukkers en uitgevers en was direct betrokken bij de uitgave van de Duikalmanak (1886-1897). Ook zij verdient een betere plaats in het verhaal over (het netwerk van) Guido Gezelle in volks- en taalkunde. https://gezelle. be/biografisch-plein/cordelia-van-de-wiele
riep “Spreek Nederlandsch meinheer” in den Spectator geschreven over het “Potsierlijk West-Vlaamsch” van Rond den Heerd. Johan Winkler heeft op dien “gentschen kaakslag” met eenen “frieschen weêrslag” geantwoord. Daarna tracht die Hoogleeraar voorschreven zijne “Potsierlijkheid” te bewijzen met eenige woorden en woordengedaanten aan te halen uit R.D.H. van 21 Wiedmaand laatst. Daarop wederantwoorde van wege Johan Winkler in den Spectator. Die allerschoonste weertale staat in R.D.H. van vandage te lezen”.11
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) Paul Fredericq (Gent, 1850-1920) was sinds 1883 professor geschiedenis aan de Universiteit Gent, na studies aan het Atheneum in Gent en na het behalen van een doctoraat aan de Universiteit Luik. Hij was liberaal, flamingant en een zwaargewicht binnen het Willemsfonds.
Schriftje met de adressen van vrienden en correspondenten van Guido Gezelle in zijn periode in Kortrijk, verzorgd door Cordelia van de Wiele. Titia van der Tuuk staat er niet in. Stadsbibliotheek Brugge, 9979 M: https://brugge.bibliotheek.be/catalogus/ adressen-van-vrienden-en-correspondenten-van-guido-gezelle/schrift/library-v-obbrugge-gezelle_18976
Portret van Paul Fredericq, 1885, Lithografie door Florimond Van Loo te Gent, Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-1924-14, https://id.rijksmuseum. nl/200221673
Hij was een van de promotors van Nederlandstalig universitair onderwijs maar later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, ook actief in het verzet tegen de Duitse bezetters en Vlaamse collaborateurs die dit wilden instrumentaliseren in tijden van geweld en dwang. Na een gevangenschap in Duitsland vanaf 1916, werd hij na de bevrijding gedurende enkele maanden in 1919 rector van de Gentse universiteit.12 Deze sleutelfiguur in de Vlaamse Beweging was in de jaren 1880 betrokken in een controverse over het gebruiken en de diversiteit van de taal “Nederlands”. In het XIXe Nederlandsch taal- en letterkundig congres te Brugge in augustus 1884 had hij expliciet opgeroepen om geen West-Vlaams maar Algemeen Nederlands te gebruiken in debatten. Hoe kon voldoende academische en politieke massa en “standing” worden bereikt rond het Nederlands, als men zich door (dialect)particularisme uit elkaar liet spelen? In een ingezonden brief aan de redactie van De Nederlandsche Spectator vond Fredericq het op 5 juni 1885 nodig om erop te wijzen dat in een artikel over “folklore” dat op 6 mei 1885 in dat tijdschrift verschenen was, een paar West-Vlaamse bronnen over het hoofd werden gezien. Als er voor een samenbrengen van de krachten rond folklore werd gegaan, dan had de periodieke publicatie Rond den Heerd als “goudmijn voor Folkloristen“ ook moeten vermeld worden. Hier werd dus eigenlijk met bloemen gegooid, maar de bloempot hing er nog aan. Rond den Heerd: een zeer belangrijke goudmijn, “Al wordt het in een potsierlijk West-Vlaamsch dialect geschreven door de heeren taalparticularisten, die wij op het laatste Nederlandsch Congres hebben leeren kennen”. Die woordjes, “potsierlijk” en “taalparticularisten”, in combinatie met “dialect” schoten in het verkeerde keelgat bij diverse betrokke195
nen. Johan Winkler (1840-1916) was niet alleen arts in Friesland maar ook bezig met taal, als verdediger van het Fries, en als pennenvriend en fan gelinkt aan Guido Gezelle en Rond den Heerd. Winkler reageerde op 20 juni 1885 scherp in De Nederlandsche Spectator: “Het is volkomen onwaar dat Rond den Heer[d] in een potsierlijk West-Vlaamsch dialect zoude geschreven zijn. In tegendeel dat blad is en wordt geschreven in een zeer zuiver en zeer schoon Nederlandsch…” Een week later reageerde Fredericq in De Nederlandsche Spectator (27/06/1885), inzoomend op enkele problematische dialectvoorbeelden en enkele pijnlijke spellingsfouten of zetfouten uit recente afleveringen van Rond den Heerd. Hij probeerde duidelijk te maken dat enerzijds belangstelling voor en onderzoek naar dialecten en taalvariatie interessant kon zijn maar dat daarover wetenschappelijk interageren in een gemeenschappelijk gecultiveerde vorm van de taal Nederlands anderzijds strategisch belangrijk was. In de volgende twee weken sloeg Winkler terug in De Nederlandsche Spectator en Rond den Heerd zelf met nog een paar pogingen om de voorbeelden van Fredericq te weerleggen.13 Maar Fredericq had enkele doelen getroffen en bijtend zout op diverse slakken van onvolmaakte tekstredactie gelegd. De verantwoordelijke redacteurs Adolf Duclos en Craeynest konden niet alles afdekken: “T is zoo dom, zoo danig dom dat ge zult in eenen lach schieten”., zo luidt het in de brief aan Gezelle. Op 17 juli 1885 greep de redactie van De Nederlandsche Spectator in, met de mededeling dat ze niet langer de door de kemphanen ingezonden stukken zouden plaatsen over “West-Vlaams”. In Rond den Heerd van 15 november 1885 vond Paul Fredericq het nodig in een soort recht op antwoord alles nog eens op te rakelen en heel het relaas vanaf zijn ingezonden brief (zonder op de aanleiding, het stuk van 16 mei 1885 in De Nederlandsche Spectator, in te gaan of dat te duiden) 196
in Vlaanderen over te doen. Hij duidde dat hij niets tegen dialecten en tongvallen heeft, integendeel: “Maar kan een redelijk mensch aannemen, dat ieder dialect eene afzonderlijke taal moet worden, die de eenheid der Nederlandsche moedertaal van Noord en Zuid zal komen verbreken en aan het gemeenschappelijk Nederlandsch den oorlog verklaren? Dit beoogen nochtans de heeren West-Vlaamsche taalparticularisten van Rond den Heerd”.14 Fredericq herhaalde, net als in De Nederlandsche Spectator, dat hij het strategisch problematisch vond dat Duclos in maart 1885 een voorstel van de Belgische minister Beernaert had bekritiseerd om via een Academie een brug te slaan tussen Nederland en België (Vlaanderen). Duclos argumenteerde toen dat er geen gemeenschappelijk Algemeen Nederlands “die toch niemands moedertaal was” zou bestaan en dat investeren in een Academie rond kunstmatig Nederlands contraproductief zou zijn. Fredericq maakte duidelijk dat de mee gegooide bloempot in zijn commentaar over folklore misschien hard (en verkeerd) mocht zijn aangekomen, maar dat het toch boekdelen sprak dat Duclos uitgedaagd had door te stellen dat hij nog liever de helemaal kunstmatige taal Volapuk of zelfs het Frans zou kiezen dan “Nederlands”. Fredericq gebruikte de ruimte die hij met zijn weerwoord kreeg in Rond den Heerd om nogmaals zijn appreciatie voor taalvariatie, dialecten en werk (ook in Gezelles Loquela) daarrond uit te drukken. Maar in de wetenschap: beter samen sterk, in één Nederlandse taal, maar dan met appreciatie voor variatie.15 Deze polemiek werd door de recente digitalisering nog eens gerepresenteerd in een online werkfiche van KANTL.16 Wat hier overal flagrant buiten beeld blijft, zelfs in de recente wetenschappelijke fiche van KANTL, was het eerste artikel in De Nederlandsche Spectator, waaruit dit hanengevechtje ontkiemd was. Wie had dat op 16 mei 1885 gepubliceerde stuk dan wel geschreven? Waarover ging dat artikel?
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
De vergeten sleuteltekst De titel van het stuk was “Folklore”. De auteur? Titia van der Tuuk uit Arnhem. Het begon niet met “Er was eens …”, maar met een positionering van een nieuw vakgebied: “FOLKLORE Onder dezen nog weinig bekenden naam, die van Engeland zich een plaats heeft veroverd in vele andere talen, verstaat men een zaak, die gewis in ruime mate belangstelling zal wekken. Folklore toch is de samenvatting van al datgene, waarin zich de eigenaardigheid van het volk afspiegelt. Daartoe behooren dus zijn overleveringen, sagen en sprookjes, zijn geloof en bijgeloof, zeden en gewoonten, spelen en dansen, spreuken en spreekwoorden, kinderdeuntjes en bakerrijmpjes, volksliederen, en raadsels en nog meer”. 17 Het gaat volgens haar over onderwerpen die iedereen interesseren, aangezien ze zelfs al in de kindertijd (“het gelukkigste tijdperk onzes levens”) een bron waren van leren en genot: “Misschien is geen tweede zaak zoo geschikt om in de uiteenloopendste kringen en bij menschen van de meest verschillende levensopvatting sympathie te vinden als de folklore”, zo argumenteerde ze. Wiegeliedjes waarmee we in slaap raakten, sprookjes en spookverhalen, “de dwaaste liedjes zonder slot of zin” uit volle borst meegezongen tijdens een rondedans, … “Genieten we niet nu nog, wanneer we die oude herinneringen weer opdiepen, en vertoont zich voor ons geestesoog niet menig zonnig tafereeltje uit onze kinderjaren, alleen bij het hooren van een welbekende volksmelodie”? Deze vorm van gedeelde (kinder)cultuur bood gemeenschappelijke grond om allerlei politieke, levensbeschouwelijke of andere tegenstellingen tussen oudere mensen te overstijgen, mede door de werking van het geheugen. “Wij hebben allen behoefte aan gezonde opwekking en die vinden wij in overvloed in
den frisschen, eeuwig jongen folklore, die tevens vele herinneringsbladen bevat uit de dagen onzer zorgelooze jeugd. Maar (…) hij mist geenszins een hoogere waarde, onafhankelijk van persoonlijke gevoelens en herinneringen”.18 Dichters zoals Shakespeare, Goethe of Heine vonden er bronnen en inspiratie, zo stipte Van der Tuuk aan. Ze stelde over folklore dat er: “een eigenaardige kracht van hem uitgaat (…) Het is de eenvoud en ongekunsteldheid, de naiefheid, de geheele afwezigheid van effectbejag, die ons weldadig aandoen en op ons den indruk maken van een verfrisschend bad waarin wij ons reinigen van het stof van valschheid en onoprechtheid, van vleiende huichelarij en geveinsde lieftalligheid, dat zich in den dagelijkschen omgang aan ons hecht. Waarlijk de folklore is een nooit opdrogende bron, waaruit zoowel de taalvorscher als de letterkundige met gunstigen uitslag kan putten”.19 Er zijn ook andere kenmerken en waarden, zo benadrukte Titia van der Tuuk in 1885: “Het is toch een waarheid, waaraan niemand twijfelt, dat een levende taal zich niet ontwikkelt volgens willekeurige, op congressen, in vergaderingen of zelfs door “onsterfelijken” vastgestelde regels, maar dat haar groei en bloei in het volk zelf zetelt. Dat volk, niet verfijnd (of afgestompt?) door conventies en fatsoen, weet dikwijls voor nieuwe , nieuwe toestanden en behoeften, termen en uitdrukkingen te vinden of te scheppen, treffend door juistheid en karakter; in ‘t algemeen noemt het een kat een kat”.20 De processen waardoor woordenboeken ontstaan, speelden volgens Van der Tuuk niet kort genoeg op de bal. Zo dreigden, tenzij iemand het optekende, interessante woorden en de variatie in het semantische veld of hoe ze worden gebruikt, niet snel of zelfs nooit 197
gecapteerd te worden (waarbij ze voorbeelden zoals “stoer”, “heusch” of “stoet” in de betekenis van brood uitwerkte).21 Hierbij gaf ze nog een andere reeks voorbeelden van woorden die in Nederland gebruikt werden (zoals “sneu”, “nuver”, en de woorden die
“De oogst van sprookjes en sagen zou in ons land naar verhouding veel schraler zijn dan hij in Duitschland was, maar toch zou de verzameling uit meer dan één oogpunt belangwekkend zijn. Een vergelijking met de Duitsche sprookjes zou bij veel overeenkomst ook vrij
“iedereen” in 1885 in Groningen zou verstaan hebben: “hantam” en “hantammig”22) die zouden moeten worden opgetekend en neergeschreven. Maar de rollen moeten duidelijk zijn, zo onderstreepte Titia van der Tuuk. Het moet een wetenschap zijn:
wat verschil opleveren”.25
“Het is hiermee als met de verzamelingen van den naturalist; inboorlingen en wilden zelfs staan hem bij op de jacht, ja, hebben misschien het grootste aandeel in den buit gehad; doch daar houdt hun medewerking ook mee op; het onderzoek, het determineeren en klassificeeren kan niemand den kundigen geleerde uit de handen nemen”.23 Er moest worden samengewerkt, maar met de juiste houding. Dit speelde vooral een belangrijke rol bij het registreren van sprookjes en volksgebruiken, zo benadrukte Titia van der Tuuk. “Dat de verzamelaars van den folklore dus trouw en onbesnoeid het materiaal bijeenbrengen, maar zich ook voor een ander uiterste in acht nemen. De fantasie moet hier buiten spel blijven (…) Gevaar voor verminken en versieren bestaat natuurlijk niet of in zeer geringe mate bij het weergeven van enkele woorden, uitdrukkingen, spreuken en spreekwoorden, is echter groot bij het mededeelen van sprookjes en sagen en bij de beschrijving van zeden en gewoonten. Niet allen bezitten de benijdenswaardige gave van de boerenvrouw uit Niederzwehren, bij Kassel, die de oude sagen en verhalen, welke zich aan bosch en berg en dal vastknoopten , vast in het geheugen bewaarde en ze bij herhaling, steeds in dezelfde woorden, aan Jacob en Wilhelm Grimm vertelde”.24 Titia van der Tuuk vervolgde met een visie op sprookjesonderzoek in Nederland: 198
Ze demonstreerde ook onmiddellijk, aan de hand van voorbeelden uit Groningen, wat dit kon betekenen. “Stark Harm” bij voorbeeld gelijkt veel op Grimms “Der starke Hans”, maar is toch niet dezelfde. Voor “Grieshaor” echter vind ik geen pendant en “Jan mantje in zien pampieren hoeske” is geloof ik ook een echte Groninger”.26 Maar, zo stelde Van der Tuuk, door de betere verkeersinfrastructuur en het verdwijnen van allerlei afsluitbomen, werd alles meer vermengd en zou het steeds moeilijker worden om echt uniek materiaal te vinden.27 Het is dus “hoog tijd” om in Nederland te beginnen verzamelen. Het hing ook van de vorm van het materiaal zelf af, hoe goed kon worden herinnerd en bewaard. Er is nog veel te oogsten, bijvoorbeeld rond baker- en kinderrijmpjes (er is veel meer oraal overgeleverd en dus beschikbaar, naast de door Van Vloten al uitgegeven teksten) of liedjes bij rondedansen en/of spelletjes. Door het rijmen werden die beter onthouden: laaghangend rijk fruit dus. Waar het proces van overlevering ook speciaal was, onder andere door ritmes, was in het geval van wat we in de 21e eeuw ludodiversiteit bij kinderen zouden noemen: “Hetzelfde is ook ‘t geval met de kinderspelen, daar het spel wel altijd een behoefte voor de jeugd zal blijven, en daarin bij veel afwisseling toch ook veel standvastigheid heerscht”.28 Lastiger waren “eigenaardige gebruiken” bij bruiloften, begrafenissen, doopmalen, … Daarvoor zou het noteren en publiceren, en
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) op die manieren redden van “vergetelheid”, (nog) urgent(er) zijn. Maar er was veel meer dat onderzoek en registratie verdiende, zo stelde Van der Tuuk, de “vele opvattingen van het volk over staat, regeering, maatschappij” bijvoorbeeld. Of “rechtsgevoel”. En “geloof”
twijfel aan, dat er zoodoende niet een keten zal worden die onzen tijd met de oudheid, ons land en ons volk met de landen en volken van Azië verbindt”.31
en “bijgeloof”. Of bijvoorbeeld sommige geneesmiddelen en geneeswijzen, … Optekenen is dringend, zo waarschuwde Titia in 1885, “vóór beter verkeermiddelen en algemeener beschaving, die machtige nivelleerwerktuigen, het eigenaardige hebben uitgewischt”. Titia van der Tuuk presenteerde vervolgens een status quaestionis van de bronnen die voor dit soort onderzoek beschikbaar waren, om dan vast te stellen dat er nog veel werk aan de winkel was om het potentieel van dit soort onderzoek waar te maken: “De verzamelde stof is bovendien dikwijls te veel verspreid , om al den dienst te doen , die mogelijk ware”.29
onderzoek van “dr. Meyer” aan die een spreuk over een gebroken been terugvond in een Oud Indisch lied. Er staat geen voetnoot bij, maar we konden haar bron identificeren als een toen pas verschenen boek van Gustav Meyer (18501900), professor vergelijkende taalkunde aan de universiteit van Graz. Het gaat om Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde, uitgegeven te Berlijn in 1885. Niet alleen dat voorbeeld vergezeld van allerlei reflecties is daar te vinden, maar ook een overzicht van recente literatuur en verenigingen in verschillende landen; duidelijk een basisbron voor de interventie door van Van der Tuuk. In haar nalatenschap is dit boek gevonden met de door haarzelf geschreven nota: Titia Van der Tuuk 12 maart 1885.32 Maar even goed verwees ze naar recent onderzoek over kinderspelen en -liederen van dr. J. Stricker dat tot dan toe slechts als lezing gedeeld was. Maar dichter bij huis konden ook, door onderzoek van dialecten, verbanden en patronen worden ontdekt, bijvoorbeeld voor de “Dietsche beweging” zoals Klaus Groth had betoogd op basis van het werk van de gebroeders Leopold. Van der Tuuk geeft aan de hand van voorbeelden aan dat, in de Lage Landen, het onderzoeken van bakerrijmpjes, humor en taalvariatie veel zou kunnen opleveren, iets waarvoor volgens professor M. de Vries de Maatschappij voor Nederlandsche Letterkunde uit Leiden een bemiddelende rol kan spelen. Dit soort onderzoek is belangrijk: “Goed opgevat en op degelijke grondslagen gebouwd, kan de folklore een noodzakelijke en hoogst belangrijke aanvulling worden van de geschiedenis der beschaving”.33 In het laatste deel van haar tekst in De Nederlandsche Spectator pakte Titia van der Tuuk volop uit, deels op basis van suggesties van “dr. Meyer” door de internationale front-
Ze spelde ook uit wat de bedoeling van al dat verzamelwerk was (en let op het gebruik van het woord “man” in dit citaat): “Men ziet dat het aan stof niet ontbreekt; maar waar is de man, die met krachtige hand, met de noodige kennis en met onmisbare liefde en geestdrift de stof zal ordenen en op stevige fundamenten een gebouw zal doen verrijzen, zulk een zaak waardig? Een reuzentaak is het, niet ongelijk aan die, welke Darwin volbracht en van nauwelijks minder gewicht”.30 De aspiratie van dit alles was om allerlei elementen met elkaar te verbinden, over tijd en ruimte heen, van Europa tot Azië en tot diep in het verleden. De ambitie die Titia van der Tuuk formuleert is zeer groot. Via de studie van kinderspelletjes, kinderliedjes, spreuken of dialecten, zouden intercontinentale verbanden kunnen worden aangetoond en connecties kunnen worden begrepen, net zoals Darwin dat voor de biologie en evolutieleer had gedaan: “Het geldt hier de afzonderlijke overal verspreide schakels te verbinden, en er is geen
Als voorbeelden haalt ze onder andere
199
200
zones, netwerken en bolwerken van eigentijds folklore-onderzoek te presenteren. Er waren de Franse boekenreeksen bij Maisonneuve (Les Littératures populaires de toutes les nations) of bij Leroux (Collection de chansons et de contes populaires). Er waren de boeken (La France
nemen, en aan de redactie van het orgaan te doen toekomen. Op deze wijze kan ieder medewerken tot de voltooiing van een grootsch gebouw. Arnhem, Maart 1885. Titia van der Tuuk”.35 De ambitie, visie, strategische positionering en aard van dit programmatische en pragmati-
merveilleuse et légendaire) en het tijdschrift La Mélusine van Gaidoz en Sébillot. In Italië waren er verenigingen en publicatiereeksen gelanceerd door protagonisten zoals Giuseppe Pitrè (1841-1916) uit Palermo. Tijdschriften zoals het Archivio per lo studio delle tradizioni popolari in Palermo of Giambattiste Basile Archivio di letterature popolare in Napels floreerden.34 Ook in Spanje werden tijdschriften en verenigingen uitgebouwd in de jaren 1880, onder anderen door Antonio Machado y Alvarez (alias Demófilo, 1848-1893) en Francisco Rodríguez Marín (1855– 1943). Verder wees ze op actieve netwerken en bewegingen rond folklore in Finland, Zweden en Griekenland, terwijl vele andere Europese landen (inclusief Nederland) achterbleven. Leidend voorbeeld was volgens Titia van der Tuuk echter Engeland, waar het woord “folklore” was gelanceerd. Daar was de 1878 gestichte Folk-Lore Society actief. Daar bloeide een tijdschriftencultuur rond Folk-Lore Record, Folk-Lore Journal en Folk-Lore Magazine. Met zulke voorbeelden voor ogen: was het dan niet hoog tijd om ook in het Nederlandse taalgebied aan de slag te gaan? Uit de voorbeelden die ze in de tekst gaf, verwijzend naar werk van Klaus Groth over de “Dietsche” ruimte (naar verluidt van Duinkerken en de Schelde tot de Weichsel aan de Oostzee) en naar allerlei dialecten in het Nederduits of het Nederlands, liet Titia in het midden of ze alleen Nederland bedoelde dan wel ook Vlaanderen/ België of andere streken. Hoe dan ook
sche artikel, drie jaar voor de lancering van het tijdschrift Volkskunde in 1888, zijn omgekeerd evenredig aan de bekendheid of erkenning in het vakgebied. Wel was er die reactie, die een maand later werd gepubliceerd, een ingezonden brief van een hoogleraar in Gent, Paul Fredericq. Zonder de auteur te vermelden, liet hij de redactie van De Nederlandsche Spectator weten dat enkele “vergeten” bouwstenen aan het voorstel moesten worden toegevoegd:
“Er moet gewaakt worden voor versnippering van krachten, een verschijnsel, dat zich maar al te dikwijls voordoet om er niet ernstig tegen te waarschuwen. Eén centraal wetenschappelijk orgaan schijnt voor ons kleine land voldoende, terwijl gewis niet te vergeefs een beroep zal worden gedaan op de welwillendheid van provinciale bladen, om de nog niet verzamelde stof op te
De Gentse hoogleraar gaf door de invulling van het concept “Nederlandsche Folklore” met deze West-Vlaamse, in het bijzonder Brugse, bouwstenen aan dat hij het bouwwerk als een staatsgrens overschrijdend initiatief beschouwde. Maar het inlassen van het snerende adjectief “potsierlijk” leidde de discussie naar heel andere wegen.
“Onder de boeken en tijdschriften, die in uw nº . van 16 Mei (blz. 161 ) opgegeven worden als bevattende bouwsteenen voor Nederlandsche Folklore , werd het tijdschrift Rond den Heerd van Brugge vergeten. Al wordt het in een potsierlijk West-Vlaamsch dialect geschreven door de heeren taalparticularisten, die wij op het laatste Nederlandsche Congres van naderbij hebben leeren kennen, is Rond den Heerd eene goudmijn voor Folkloristen. Wat het verzamelen van kinder- en volksverhalen betreft , heeft men ook een weinig bekend werkje: Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel , 1868) door de heeren Lootens en Feys , ook bekend door hunne Chants populaires brugeois. Bruges 1879. De heeren J. Sabbe en A. Vermast verzamelen nu eene nieuwe reeks Brugsche en West-Vlaamsche kinderverhalen , waarvan reeds eene proef onder den titel van: De drie Hondjes in de laatste afl . der Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle van Brussel verschenen is”.36
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
Een ontbrekende, (God) vergeten schakel? Maar … wacht even, een visionaire en samenhangende basistekst over “folklore”-onderzoek en hoe dat strategisch, in en buiten Nederland,
schrijfster, vertaalster, onderwijzeres),Beschrijving [Schetsen] / Titia van der Tuuk, Signatuur T 00444 H 1, Periode 1885, Vorm 16 bladen.37 Zonder dat het op het mapje vermeld is, blijkt “Schetsen” twee teksten te zijn; eerst een met de titel “Een zonderling mengsel van Leugen
en Vlaanderen, aan te pakken, al in 1885, geschreven door een vrouw bovendien? Dus voor soortgelijke oproepen en betogen door Gittée, Kurth, De Mont en anderen in 1886, 1887 en 1888? Hoe kon die worden vergeten? Maar ook, hoe kan die worden gevonden als het wegwijssysteem niet de weg toont? Het handschrift van de cruciale “folklore”-tekst bleef overigens bewaard en is nu opgenomen in het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag. Maar ook die kan vandaag pas met een door hardnekkig “blijven zoeken” afgedwongen “toeval” worden ontdekt. De algemene omschrijving in de online catalogus is uitermate beperkt tot het volgende: “[Schetsen] Titia v.d”. met daaronder de volgende metadata: “T 00444 Tuuk, T.K.E. v.d. Vervaardiger Tuuk, Titia Klasina Elisabeth van der (1854-1939;
en Waarheid” en dan “Folklore”. De eerste tekst is een vernietigende recensie door Titia van der Tuuk van een boek van Karl Munding, Die Lügen des sozialistischen Evangeliums und die moderne Gesellschaft (1886). Ze mobiliseerde daarbij allerlei literatuur, inclusief het boek van Max Nordau Die conventionellen Lügen der Kulturmenschheit (1883). Ze wijdde uit over wat het betekende om als auteur en onderzoeker allerlei problemen en leugens in de maatschappij te ontdekken, te decoderen en aan te klagen: “Er zijn van die leugen- en verkeerdheidzoekers, die, behalve hun goeden wil, weinig hebben wat hen tot gelukkige – speurhonden had ik bijna gezegd – vinders maakt”. Meesterlijk polemisch demonstreerde ze bladzijden lang dat Munding, volgens haar analyse, een slechte speurhond en dito denker was, met uitzondering van waar hij
Fragment uit het in maart 1885 gedateerde manuscript van de tekst Folklore, gepubliceerd in De Nederlandsche Spectator op 16/5/1885, Den Haag, Literatuurmuseum, Archief, T 00444 H 1. 201
enkele ideeën van Karl Marx besprak. Ze maakte onder andere brandhout van de aanvallen en kritiek van Munding op mondige vrouwen en vrouwenemancipatie. De vlijmscherpe boekbespreking die het kritisch vermogen en het te duchten polemisch talent, zeker als het over
nis van het tijdschrift werd en wordt regelmatig teruggekeken naar en herbrond in de ontstaansperiode: de tweede helft van de jaren 1880 dus. Dit gebeurde uitdrukkelijk bij het eerste eeuwfeest, met een colloquium, een tentoonstelling en een themanummer van Volkskunde
vrouwenemancipatie ging, treffend illustreert, verscheen in 1886 in De Dageraad.38 Onmiddellijk daarna duikt dan Folklore, op, het voor druk bestemde handschrift van Titia van der Tuuk, gedateerd in maart 1885. Het was voorzien met een instructie dat de drukproef aan de auteur moest worden bezorgd, zonder overigens De Nederlandsche Spectator te vermelden. In elk geval, via de databanksystemen van het archief van een topinstelling voor erfgoed is dit manuscript, dat trouwens ook pas tijdens de allerlaatste herwerkingsfase na peer review door mij werd ontdekt en hier ingelast, bijna onvindbaar (maar gelukkig bestaan er archiefmedewerkers die mails van onderzoekers passend beantwoorden). “Hiding in plain sight?”
in 1988, waarbij zelfs de voorpagina van het eerste nummer uit 1888 herdrukt werd. In zijn welkomstwoord benadrukte de (christendemocratische) gouverneur Harry J.C.G. Vandermeulen (1928 –2022) het zogenoemde cultuurpolitieke belang van “volkscultureel materiaal” in de trant van kanunnik Jan-Baptist David, Jan Frans Willems en Pol De Mont. Deze heren cultiveerden volgens Vandermeulen niet alleen verzamelen en bestuderen maar ze vonden naar verluidt ook dat die fenomenen, bijvoorbeeld via het onderwijs,
Dit kan misschien als verzachtende omstandigheid worden ingeroepen om te verklaren waarom Titia van der Tuuk, de interactie rond haar Folklore-stuk en de rest van haar oeuvre en leven, ontbreekt in de hogervermelde uitgebreide historiografie van Ton Dekker. Hij benadrukte het belang van de oprichting van Volkskunde in 1888 en vooral de rol van Pol de Mont en in tweede instantie August Gittée en vermeldde de episode van het Taalverbond en de oprichting van de Koninklijke Vlaamse Academie.39 Hij linkte de oprichting ook aan een “Vlaamse” strijd rond identiteit: “Daarnaast speelde ook de interne Vlaamse strijd tussen katholieken en liberalen een rol”.40 De in dit artikel op de agenda geplaatste basistekst uit 1885 en de auteur ervan ontbraken echter. Dit is direct relevant voor de geschiedenis van het tijdschrift Volkskunde zelf, dat door het lange bestaan, naast een wetenschappelijk platform, in Vlaanderen zelf erfgoed is geworden. Om zo lang te bestaan, om toekomstklaar erfgoed te zijn, moet het regelmatig worden heruitgevonden: worden getransformeerd. In de geschiede202
“opnieuw dienden toegepast te worden in het dagelijks leven om de Vlaamse culturele identiteit te handhaven en verder te ontwikkelen (…). Een aantal jaren later zocht men de wezenlijke kenmerken van deze culturele identiteit. Men sprak toen van een “eigen geaardheid”, een term die misschien wat moeilijker lag omdat hij neveninterpretaties openliet” [MJ: sic!] (…). In de huidige samenleving is volkskunde en de volkscultuur opnieuw van groot belang zij het dan in een nieuw perspectief … voor cultureel erfgoed (…).41 In de verschillende bijdragen van het themanummer werd verwezen naar een driehoeksverhouding tussen Pol de Mont, August Gittée en Alfons de Cock, trouwens ook de titel van een opmerkelijk boekje van Ger Schmook daarover.42 Hoe was die samenwerking tussen De Mont en Gittée die resulteerde in het tijdschrift Volkskunde in 1888 ontstaan? Hoe was het zes jaar later fout gelopen, waardoor Gittée er uit stapte en vervangen werd door De Cock? Het trio houdt onderzoekers al meer dan honderdveertig jaar bezig; is er in dit verhaal nog een plek voor interacties in een andere arena (in tot nog toe buiten beeld gebleven publicatiekanalen in Nederland, waar wel honoraria voor aangeleverde teksten
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) werden betaald), of bijvoorbeeld andere actoren zoals Titia van der Tuuk? De Mont, Gittée en De Cock, of zoals hoger geïllustreerd door Paul Fredericq en zijn concullega’s, kenden haar allemaal (en vice versa). Maar ondanks de liberale, niet katholieke raakpunten die ze
nederlandsche tijdschriften liet het licht zien”.43 Voortaan? Of waren die er al eerder? En wat deed De Mont toen (ook)? In het themanummer van 1988 publiceerde Marcel van den Berg een bijdrage over andere tijdschriften en verenigingen die zich omstreeks
deelden, werd ze in de overgeleverde/tot nog toe gevonden/ontsloten gepubliceerde bronnen (behalve enkele keren bij Gittée), haast onzichtbaar (gemaakt), ook al hadden ze, zoals verder zal blijken, op zijn minst als redactiesecretaresse van De Dageraad met haar te maken gehad. Maar dan is er nog dat ene, belangrijke spoor in de eerste jaargang van Volkskunde waar we zo dadelijk op terugkomen. In een poging om te verklaren wat er misgelopen was tussen Gittée en Volkskunde, benadrukte Jan Theuwissen de ook door Pol Mont zelf gesignaleerde ergernis over het nauwelijks bestaande/lage honorarium voor publicaties in Volkskunde en het commerciële beleid van een uitgever zoals Hoste, waardoor Gittée “liever voortaan zijn uitmuntende opstellen in Noord-
1888 in Vlaanderen met volkskunde bezighielden. Zoals uit de titel “Onze Broerkens” al doorklinkt, komt er in heel het artikel over auteurs en tijdschriften in 1888 geen vrouw voor, laat staan ene Titia van der Tuuk.44 Ook in de bijdrage van Stefaan Top over de internationale context van volkskundige bedrijvigheid in 1888, zijn vrouwen met een vergrootglas te zoeken. De uitzonderingen uit het midden van de negentiende eeuw die in die tekst de regel bevestigen zijn Luise von Plönnies en Ida, de vrouw van baron Reinberg-Düringsfeld.45 In de bijdrage “volkscultuur” in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging werd door Stefaan Top gedetailleerd ingegaan op de ontwikkelingen rond volkskundig onderzoek in de 19e eeuw, maar Titia van der Tuuk ontbreekt ook daar.46 In de inleidingen door K.C. Peeters en I. Peeters-Verbruggen in het eerste deel van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, waarbij het tijdschrift Volkskunde tussen 1888 en 1938 wordt ontsloten, komt Titia bijna niet voor. Maar er is een erg belangrijke uitzondering. In het register wordt in de rubriek I (Volkskunde in het algemeen), A. Bibliografie, 2. Tijdschriften, wel de merkwaardige fiche 11 opgenomen: “I A 2. 11. TUUK, T. van der e.a., [Recensies van “Volkskunde”, tijdschrift voor Nederlandsche folklore, onder redactie van P. de Mont en A. Gittée; in: “De Dageraad” te Amsterdam (9e jg. blz. 152). Revue de Belgique” februari 1880), VK. I (1888) 62-63”, net voor fiche 12 en 13 met respectievelijk het afscheid van A. Gittée en de vervanging door A. de Cock.47 Afwijkend is de vermelding van T. van der Tuuk, hier zelfs als auteur, terwijl ze voor de rest ontbreekt in de vele delen van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie. Haar uitgebreide publicatiereeks over sprookjes bijvoorbeeld wordt in de volgende vijftig jaar in Volkskunde blijkbaar genegeerd, ook bij de recensies.
(Knipbare) fiches in de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, verzorgd door I. Peeters-Verbruggen, met de ontsluiting van Volkskunde 1888-1938 (Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie, 1964), p. 18, let op de fiche 11.
203
Het zou de moeite zijn om het instrumentarium van sociale studies van wetenschappen en techniek of actornetwerktheorie op deze periode of op “volkskunde” los te laten. Zoiets kan variëren van het mee in beeld brengen van spoken als verhaalelementen, objecten en andere netwerken tot microgeschiedenissen of een antropologie van de professionalisering van bijvoorbeeld geschiedkundig of volkskundig onderzoek in het vierde kwart van de 19e eeuw in Vlaanderen en Nederland. Dit laatste bepleitte Jo Tollebeek in zijn studie over Paul Fredericq, verwijzend naar het werk Laboratory Life (1979) van Bruno Latour en Steve Woolgar en andere werken van wetenschapsonderzoek.48 Overigens is dat werk ook relevant voor het huidige artikel, niet alleen omwille van de eerder besproken controverse rond Fredericq, maar omdat ook hij, net als Gittée, in de Ecole Normale des Humanités te Luik was opgeleid, daarna in de wereld van athenea en dan universiteiten terechtkwam, eerst te Luik en vanaf 1883 te Gent, in dezelfde netwerken opereerde als Gittée en Pol De Mont, en in de jaren 1880 en 1890 af en toe in de contactzone tussen geschiedenis, volkskunde en politiek opereerde. Om te begrijpen wat er is gebeurd, is het belangrijk de overlappende netwerken te zien: de nexus tussen onderwijs en onderzoek, zowel in de lagere, de middelbare als in de hogeschool. Maar ook hoe en waar de leerkrachten werden opgeleid en daarna, in het bijzonder in athenea, werden verplaatst. De metafoor die Schmook lanceerde om de relaties van deze alumni en hun bezigheden, in en buiten de school te duiden, spreekt nog steeds tot de verbeelding: “Er hangt een dradennet van hoge voltage over het land, met rechtstreekse vertakkingen naar de stevig aangekoppelde leerlingposten”.49 Pol De Mont was opgeleid aan de universiteit van Leuven en kwam in de jaren 1880 in het Atheneum te Antwerpen terecht.50 Na zijn opleiding in de normaalschool te Luik, passeerde August Gittée via Hasselt, Ath (1882 tot 1883, leraar Duits) en Aalst 204
Portret van Pol de Mont, 1894, daglichtpapierafdruk, Amsterdam, Rijksmuseum, RP-D-198243-DEMONT(P.)-DOC.1, https://id.rijksmuseum. nl/200638789
(september 1883, leraar moderne talen) waar hij kon blijven tot ten gevolge van de schoolstrijd het atheneum in september 1885 werd opgeheven). Dan begon weer een tocht in Franstalig België, via Ath (1885, leraar Engels) en Charleroi (1887, Engels), Luik (1891, Nederlands) en dan Verviers (1896-1907, Nederlands). Al vanaf 1886 correspondeerde hij met Pol de Mont, publiceerde hij diverse artikelen over folklorestudies in de buurlanden, en hield hij lezingen over het maken van een netwerk en het organiseren van enquêtes via diverse organisaties, zoals het Willemsfonds en de Société d’anthropologie.51
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
Wie daar, modern gewapend, verschijnt … Een van de juweeltjes in de historiografie van volkskunde is de hogervermelde studie van Ger Schmook. Zijn doel was om de beeld-
August Gittée, portret, borststuk, sepiadruk, 1885, Antwerpen, Letterenhuis, G 413 / P tg:lhph:30807
Over de driehoeksverhouding tussen drie co-vaders van Volkskunde: een originele studie (en titel) uit 1952 (collectie Marc Jacobs)
vorming aan te passen, om ook een vrijzinnige, linkse of liberale kleuring van de periode 1882-1895 in de verf te zetten en vooral de erkenning van de rol van August Gittée als doorslaggevende schakel van “wetenschappelijke folklore” te realiseren, deels ook als tegengewicht voor het meer conservatieve of katholieke verhaal. Hij benadrukte dat Gezelle en De Mont en hun volkskundig werk in bredere netwerken en continuïteit moeten worden gesitueerd. Daarbij moeten volgens hem ook ontwikkelingen in Wallonië in de jaren 1850, 1860 en 1870 in het achterhoofd worden gehouden. En moeten voor en in de jaren 1880 herhaaldelijke impulsen in het op (vrijzinnige) onderwijzers gerichte tijdschrift De Toekomst in beeld worden gebracht. In dat tijdschrift leverde bijvoorbeeld ook Isidoor Teirlinck enkele bijdragen. Vanaf de jaren 1870 kreeg “volkscultuur” ook aandacht in de werking van zowel het katholieke Davidsfonds als het vrijzinnige Willemsfonds. Schmook poneerde dat wat er in en na 1885 rond folklore in België gebeurde, deels politiek moet geduid worden, de strijd om de zieltjes van de bevolking, en de schoolgaande jeugd in het bijzonder. De collectieve wijsheid en de kracht van de delen van bevolking die grotendeels geen stemrecht hadden, werd gemobiliseerd in de strijd tussen (rijke) stemgerechtigde katholieken enerzijds en anderzijds progressisten en liberalen, die in een verkiezingsnederlaag in 1884-1885 de greep verloren. Folklore werd ingezet in identiteitsconstructie, in godsdienstige campagnes, in taalparticularisme rond het West-Vlaams en het Limburgs, … Hoe kon “folklore”, de wijsheid en kracht van “het volk”, en de studie ervan, tot een speel- en krachtenveld worden gemaakt die het politieke en levensbeschouwelijke strijdgewoel oversteeg? Hoe kon een 205
katholieke en regionaal particularistische recuperatie worden vermeden? Schmook schetste wat er in de tweede helft van de jaren 1880 in het Nederlandse taalgebied/in België op het spel stond, expliciet aangevend hoe getalenteerde en ambitieuze mensen daarin een
“Om te eindigen kunnen wij enkel nogmaals onzen dank betuigen, voor hetgene van onze volksgedachten, hoe weinig het ook zij, hier gered is. Sedert veertig jaren is het, buiten een en ander in ‘Rond den Heerd’ verschenen, het eenige wat op dit gebied gedaan werd. Hoewel
verschil konden maken:
onze positieve eeuw in zoo lang een tijdperk van werkeloosheid veel heeft doen vergeten, kan er nog een rijke oogst gezameld worden. Waarom zou ook in Vlaanderen niet een dergelijk tijdschrift het licht kunnen zien, maar zonder taalparticularisme, zonder beschermheilige? Want, blijft de strijd der partijen heel en al vreemd aan zulke studiën, Orthodoxie is er evenmin op haar plaats en kan alleen aan hun wetenschappelijkheid afbreuk doen. Met genoegen zouden vele personen mededeelingen geven of ontvangen over begrippen, waarmede wij allen sedert onze kindsheid zoo vertrouwd zijn. West-Vlaanderen bijzonderlijk zou merkwaardige bijdragen leveren. Onze steden zouden het minst de moeite der opzoekingen loonen; integendeel zouden de dorpsonderwijzers, die dagelijks met de buitenlieden omgaan, en met hun gedachten, gewoonten en gebruiken wel bekend zijn, onze vruchtbaarste medewerkers zijn. Gebruiken, liederen en sagen zijn veelal het eenige poetische element in het leven van het landvolk, en men kan niet loochenen, dat ze dikwijls een veredelenden invloed op de grove ruwheid van hetzelve uitoefenen. Die begrippen wortelen in de geschiedenis van onzen stam; ze behooren tot ons nationaal erfgoed en hun kennis zou voorzeker onze gehechtheid aan taal en land sterken. Aug. Gittée. Ath, Januari 1886”.53
“Een jonge wetenschap als de ethnologie, en haar zijpad de folklore, kan evenwel nog behoed worden voor klerikale integrering. Wie daar, modern gewapend, verschijnt, heeft alle kans de teugels in handen te krijgen en een argumentenrijkdom te vinden, waar de glans van de koele rede maar gebaat mee kan zijn. Gittée voelt voor dat vak en pakt aan. Hij gaat tot de aanval over, en levert de kritiek op het Hasseltse “t Daghet’ (…). Dat geschiedt echter niet uitsluitend ter wille van het taalparticularisme maar wel van uit zijn grootneerlandisme, gekweekt in vrijzinnigheid, als uitloper van de glorie en glans der XVII Provinciën”.52 Hij ging de strijd aan voor het potentieel van de wetenschap en tegen de “katholieke”, “Westvlaamse” of “Limburgse” methodes, mede gesteund door buitenlandse krachten zoals Johan Winkler. Kon, zoals Gittée het vanaf 1886 voor ogen had en bepleitte, volkskundig onderzoek niet alleen maar verzamelend of te conservatief, maar “bevrijdend-progressief” zijn, met respect voor het zo onbewerkt mogelijk aanbieden van bronnen en dan comparatief-analytisch voluit mogen gaan. Maar was dit niet compatibel met het pleidooi en de pogingen van Titia van der Tuuk in 1885 en de volgende jaren? Het steekje dat ze in haar stuk had laten vallen, het niet verwijzen naar Rond den Heerd en Guido Gezelle, werd in De Nederlandsche Spectator opgeraapt door Paul Fredericq; de katholieke en taalparticularistische platformen moesten mee in het bad worden getrokken. In januari 1886 pleitte August Gittée in het tijdschrift Nederlandsch Museum in die bespreking van de eerste jaargang van ’t Daghet in den Oosten (“Die pastoorsstijl en -taal, à la Guido Gezelle, moge ons ergeren”) inderdaad voor een nieuw tijdschrift: 206
In 1886 bepleitte Gittée dus deels hetzelfde wat door van der Tuuk enkele maanden eerder al werd benadrukt. Er werd echter in een vileine voetnoot, toegevoegd en ondertekend door de redactie van Nederlandsch Museum zelf, een mesje in de rug van de auteur gestoken. De ongewone noot in het midden van Gittées tekst gaat als volgt:
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) “De Heer Gittée schijnt niet te weten, dat het tijdschrift Jong Vlaanderen, vijfde jg., 1882, benevens een uitgebreid opstel ‘Over Volkskunde’, niet min dan 19 meest onuitgegeven sprookjes, 9 onuitgegeven oude liederen, alsmede eenige bladzijden baker- en kinder
De redactie van Volkskunde nam de enthousiaste reactie van Titia van der Tuuk in het tijdschrift van de vereniging De Dageraad in hun volgende nummer gewoon integraal over. Zo kon iedereen in Vlaanderen kennis maken met haar ideeën en visies:
rijmen heeft opgenomen. Ook kunnen wij den geachten medewerker en onzen lezers mededeelen dat de Heer Pol de Mont het plan heelt opgevat, een folkloristisch tijdschrift voor Noorden Zuid-Nederland te stichten. De Red”.54
“Een eerste stap. — Er verschijnen tal van nieuwe tijdschriften, waarvan uitgevers en redacteuren met meer of minder ernst en overtuiging beweren, dat zij in een bepaalde behoefte voorzien. Die behoefte is dikwijls zoo groot, dat de meeste dier verschijningen ongemerkt verdwijnen! Toch is het soms ook anders. Wij, Nederlanders, misten nog altijd een orgaan voor Folklore; de pogingen van een onzer uitgevers, om zulk een tijdschrift op te richten, mislukten hoofdzakelijk, omdat het moeilijk was, geschikte redacteuren te vinden, die de veelomvattende kennis, noodig voor hun taak, met de even onontbeerlijke liefde voor de Volkskunde vereenigden. Intusschen werd de kans op het verloren gaan van vele eigenaardige gewoonten, op het verdwijnen van allerlei sagen, sprookjes, raadsels, versjes, enz. hoe langer hoe grooter; aan het verzamelen van bouwstoffen werd in ons land zoo goed als niet gedacht! Gelukkig werd in België door de heeren Pol de Mont, August Gittée en eenige anderen reeds sedert een paar jaar de uitgave van een tijdschrift voor folklore voorbereid. Thans is er een begin van uitvoering aan gegeven. Verschenen zijn de beide eerste afleveringen van : Volkskunde, tijdschrift voor Nederlandsche folklore, onder redactie van Pol de Mont en Aug. Gittée”. Van der Tuuk maakte een vlijmscherpe analyse – lees de eerstvolgende intrigerende zin die onderzoekers van volkskundige bedrijvigheid in Nederland tot revisie en verder onderzoek zou mogen prikkelen - die zoals vermeld integraal door Volkskunde werd overgenomen: “Het tijdschrift moge niet zoo grondig en geleerd zijn, als de bovenbedoelde uitgever zich voorstelde de folklore te behandelen, toch begroet ik de verschijning met hartelijke sympathie en onverdeelde vreugde. Het is, blijkens het bericht der redacteuren, de allereerste Belgische uitgave, niet alleen aan het
Gittée maakte in 1886 – al dan niet bewust – een “foutje”, door in een stuk de inbreng van Pol de Mont onvoldoende of zelfs niet te belichten. Zeer uitzonderlijk is dat de redactie in de peritekst intervenieerde en een extra voetnoot toevoegde, al dan niet op initiatief van Pol De Mont zelf, of van uitgever Hoste. Schmook slaagde erin om zeer diep te gaan in de ontrafeling van die interacties. In de ontluikende literatuuroverzichten en positiebepalingen in een reeks tijdschriften, of het nu om Duclos, Gezelle, De Mont of anderen gaat in 1885, 1886 en 1887 , stipte Schmook aan: “Maar zo waren de toestanden: men negeerde eenvoudigweg elkaar”. 55 En toch slaagde ook hij erin om het folklorestuk in De Nederlandsche Spectator uit 1885 te missen, net als de rol en zelfs het bestaan van Titia van der Tuuk in zijn driehoeksverhoudingsonderzoek.
Een eerste stap? Maar zoals we hierboven hebben benadrukt bij het wijzen op fiche 11 in de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige bibliografie was er wel een onmiskenbaar spoor, een loshangend haakje, een rokend pistool, een kier, een aanknopingspunt, … In Nederland toonde een vrouwelijke redactiesecretaris van het tijdschrift De Dageraad zich in de zomer van 1888 bijzonder enthousiast over de lancering van Volkskunde in een over twee afzonderlijke pagina’s geplaatst stuk met de titel “Een eerste stap”.56 Toen gebeurde er iets heel opmerkelijks.
207
verzamelen, maar ook aan het bestudeeren onzer nationale folklore gewijd. Onderscheidt Volkskunde zich in dit opzicht hoofdzakelijk van de overigens zeer verdienstelijke bladen: Het daghet in den Oosten te Hasselt, en Rond den Heerd te Brugge, ook zal het zijne opsporingen
Verdere stappen…
geenszins tot ons land te beperken. Overtuigd, dat de Folklore vooral eene internationale en vergelijkende wetenschap is, stelt de redactie zich ten doel, hare lezers bekend te maken met de vorderingen van dat zoo belangrijke vak der moderne geleerdheid in de voornaamste landen der beschaafde wereld”.
Ze eindigde met een heuse enthousiaste oproep om zich te abonneren en met een oproep om het te blijven volgen.
verdwenen. Tot nu. Maar wie was Titia van der Tuuk dan wel? Had ze direct contact met Pol De Mont en August Gittée? Of vice versa? Zijn er sporen? Een van de plekken waar we in 1887 en 1888 over de schouders van diverse protagonisten kunnen meeluisteren is in de verslagen van de werkgroep volkskunde van Het Taalverbond. Dit was een liberaal georiënteerde (tegen) academie die op 20 maart 1887 opgericht was, na het ontslag van Jan van Beers en Max Rooses en de weigering tot toetreding van Domien Sleeckx in de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (Gent, 1886). Op de stichtingsvergadering op 20 maart 1887 in het Antwerpse café Mille Colonnes benadrukten voorzitter Sleeckx en ondervoorzitter Rooses dat het netwerken (“verbroederen”) in Vlaanderen en het leggen van verbanden met mensen in Nederland de doelen waren. Het taalparticularisme in West-Vlaanderen en Limburg werd bestreden. Er werden afdelingen opgericht, waaronder één voor volkskunde. In het eerste van twee jaarboeken die werden uitgegeven, werden enkele verslagen gepubliceerd van werkzaamheden en vergaderingen van die groep in Antwerpen. In het tussentijds verslag van 19 februari 1888 werd door Frans van Cuyck gemeld:
“Mochten velen zich als abonné aangeven! De prijs is per jaar voor Nederland ƒ 1,80 en kan dus geen beletsel zijn. De beide eerste afleveringen las ik met zeer veel genoegen; ik vond er verscheiden oude bekenden in een eenigszins anderen vorm dan ik vroeger hoorde, of met een geringe afwijking in de onderdeden. Juist dat verschil en die afwijkingen nopen tot nadenken en onderzoek. En hiermee heet ik Volkskunde hartelijk welkom en wensch ik het blad een frisch en bloeiend bestaan toe. Titia van der Tuuk”.
Een folkloristisch tijdschrift is geboren en een vraagboek57 onder de pers, beide dank aan de heeren De Mont en Gittée, wederzijds voorzitter en schrijver der afdeeling. Bovendien zal de heer De Mont, te zamen met den secretaris der Antwerpsche groep, den heer De Bom, binnen kort een lijvig boek uitgeven, dat, benevens een tweehonderdtal sprookjes, volksliederen, legenden en sagen bevatten zal. Ik vermeld dat alles te dezer plaats, omdat het Taalverbond in ‘t algemeen, en de afdeeling Volkskunde in ‘t
Titia van der Tuuk linkte dit direct ook aan haar eigen interesses en expertises: omgang met en opvoeding van kinderen, registratie en onderzoek van orale cultuur en ruimere ambities, zoals ze die in 1885 al uiteengezet had: “Men ziet, dat de redactie haar voorwaar niet gemakkelijke taak ruim opvat. Natuurlijk heeft zij den steun en de medewerking van velen noodig. Mochten haar die niet onthouden worden! Vooral zij, die kinderen hebben en met kinderen in aanraking komen, zijn in de gelegenheid kostelijke bouwstoffen te leveren. Laat men vooral niet denken, dat een versje of een raadsel of een sprookje onbeduidend is; al is ook de inhoud soms onzin, toch is het misschien een belangrijke bijdrage tot de geschiedenis der beschaving”.
208
Noteer dus dat in de eerste jaargang van Volkskunde, in 1888, Titia van der Tuuk in beeld kwam als auteur/redactrice en medestandster. Maar daarna is ze in Volkskunde totaal uit beeld
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) bijzonder, ongetwijfeld den stoot tot die groote bedrijvigheid hebben gegeven. Te Brussel ook is eene plaatselijke groep gevormd”. 58 In een opvolgvergadering op 2 april 1888 werd nog ambitieuzer gerapporteerd: “ Dan, het verblijdt ons, te mogen bestatigen, dat het Taalverbond toch al iets verricht heeft, ik bedoel de schepping van een voor ons land nieuw wetenschappelijk vak: de Folklore. Ja, gij zult mij zeggen, dat die nieuwigheid veertig jaar oud is; dat de Duitscher Wolff reeds in 1843 een folkloristisch tijdschrift uitgaf, en dat de heer Pol De Mont vóor ettelijke jaren de kolommen van Jong Vlaanderen openstelde voor bijdragen van volkskundigen aard. Men gelieve echter te bedenken, dat beider pogingen mislukten of geenen blijvenden indruk achterlieten. Het stond er mee geschapen ongeveer als met de ontdekking van Amerika vóor Christoffel Colombus. Maar ieder zal gereedelijk erkennen, dat het Taalverbond de Colombus is dier andere nieuwe wereld, de Folklore, die eene milde bron oplevert van verstandelijk genot en eene gansche omkeering zal teweegbrengen in de studie der geschiedenis, tot hiertoe veel te weinig aan het volk en zijne beschaving gewijd. Zoodus, men bewere niet, dat het Taalverbond nog niets heeft voorgebracht. Evenwel moet het beste inderdaad nog komen, wat niet belet, dat wij van heden af de toekomst met hoop en vertrouwen mogen te gemoet gaan, eendrachtig ‘vri ende vro!’“.59 In de vergadering van 2 april 1888 was secretaris Gittée afwezig en nam De Bom de honneurs waar. Pol de Mont hield een voordracht over “de groote bruikbaarheid van de schatten der volkskunde in de Froebel- en de lagere scholen. Sprookjes, vertelsels, liedjes, rijmpjes, raadsels enz., zijn altemaal zooveel onverbasterde uitingen van den Nederlandschen volksgeest, en door ze in ons onderwijs te pas te brengen, zou het meer en meer nationaal worden. De folklore doet de opvoeders van beide geslachten krachtige en voortreffelijke
middelen aan de hand ter ontwikkeling van hart en geest hunner kweekelingen. Verder werd er afgesproken dat er contact zou gelegd worden met collega’s uit Nederland om samenwerking te zoeken. Ook werd “de wensch uitgedrukt, in dag- en weekbladen propaganda te maken voor de wetenschap der volkskunde”.60. Het enthousiaste initiatief bloedde echter dood in de volgende jaren. In de o#ciële verslagen van (de afdelingen volkskunde van) het Taalverbond, is er geen sprake van ene Titia van der Tuuk. Case closed? Interessant is dat er in het bij A. Hoste verkrijgbare liberale weekblad Het Volksbelang een uitgebreider verslag van die vergaderingen in april 1888 kan worden gevonden. Het verslag van 14 april 1888, op pagina 2 en 3, bevat diverse aanknopingspunten. Na de presentatie van Pol de Mont over het nut van het verzamelen en delen van sprookjes in en via de klas, vroeg een van de aanwezigen, een zekere heer Mulder, het woord om ervoor te pleiten in Vlaanderen betere prijsboeken te verstrekken: “Boeken in den aard van de sprookjesverzamelingen van Goeverneur, zijn beter geschikt voor kinderen en worden door deze meer verlangd dan vele der boekwerken welke zij thans ontvangen”.61 Dit was wellicht niet het voorstel waarop Pol De Mont zat te wachten en het werd doorverwezen naar de werkgroep onderwijs. Noteer echter wel dat een van de hoofdbezigheden van Titia van der Tuuk toen precies het klaarmaken was van dat soort sprookjes, met en in de lijn van Goeverneur, voor onderwijsdoeleinden. Bij de behandeling van het punt dat contact moest worden gezocht met mensen uit Nederland, stelden de aanwezigen vast: “In het Noorden zijn eveneens verscheidene volkskundigen aan het werk, en buiten hunnen kring ook vinden wij, o.a. in de Dageraad, in de Portefeuille – een best onthaal”.62 Vervolgens stelde Pol de Mont voor om het werk te verdelen en vroeg hij zelf een mandaat om met enkele periodieken uit het noorden een correspondentie op te zetten, zoals met De Dageraad. De facto met redactiesecretaresse Titia van der Tuuk dus. 209
tot haar dood te Arnhem. Voornamelijk onder het pseudoniem Helena publiceerde ze allerlei boeken, eerst over religieuze onderwerpen en preken, dan over Oranjeliefde. Nederland of hoe de deugd beloond wordt (1870) en sprookjes. Ze publiceerde in tijdschriften vooral ook jeugdver-
Portret van Titia van der Tuuk, 1898, Den Haag, Stichting Nederlands Literatuurmuseum en Literatuurarchief, NLMD02_T-00444-III-001.jpeg
Waar kwam Titia van der Tuuk vandaan? Titia Klazina Elizabeth van der Tuuk was een dochter van Nicolaüs van der Tuuk (1821-1867), een hervormd predikant uit Groningen, en de kinderboekenschrijfster Petronella Helena Clasina Lenting (1822-1900). Haar vader was opgeleid aan de hogeschool te Groningen en werkte als predikant te Hellum (1845-1850), ‘t Zandt (1850-1856) en Nieuwwolda (1856-1867). Tijdens zijn leven publiceerde hij diverse teksten over beelden in het Nieuwe Testament, over Bijbelse woorden zoals “schibolleth/sibboleth” en ook preken.63 Haar moeder was van adel, de dochter van Anna Luthera Elisabeth Josephine barones van Haersolte (1799-1853) die in 1821 was getrouwd met prof. dr. Johannes Lenting (1790-1843), hoogleraar te Groningen. Zij woonde bij haar man tot zijn overlijden in 1867. Daarna woonde ze als weduwe samen met haar kinderen, na een tussenstop in Groningen, 210
halen, doorgaans met sterke religieuze inslag, en sprookjesboeken, zoals Eenige sprookjes uit den vreemde naverteld (1870). Ze was actief publiciste in de Kindercourant, gericht op kinderen en hun opvoeders.64 Haar dochter trad als auteur en tekstbewerker van kinder- en jongerenliteratuur in haar voetsporen, maar dan zonder de godsdienstige inslag. Voor ambitieuze en talentrijke meisjes waren de groeimogelijkheden in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw beperkt; zeker als het zoeken van een vermogende echtgenoot niet de geprefereerde optie was. De toegang voor vrouwen tot het universitair onderwijs moest, net als voor stemrecht, het kantoorleven en tal van andere hefbomen, nog worden geforceerd. Samen met andere vrouwen, waarvan Aletta Jacobs wellicht de bekendste (vriendin en medestandster) is geworden, droeg Titia van der Tuuk daar op allerlei manieren toe bij: (activisme en reflectie rond) vrouwenemancipatie. Voor haar was een opleiding tot onderwijzeres een van de weinige wegen tot het veroveren van posities in de maatschappij en zo mogelijk financiële onafhankelijkheid. Tot 1871 was de toegang tot universiteiten en HBS voor meisjes gesloten (en ook daarna nog lang moeilijk). Voor de dochters van predikanten was de normaal- of kweekschool de te aspireren (uit)weg. Het typeert Titia dat ze in een genealogische publicatie over haar familie in 1926 als enige een bijdrage over haarzelf mocht schrijven. Merk op hoe ze voor zichzelf voor de start van haar verhaal als tweejarige geen passieve vorm gebruikte: “In 1856 vertrok ze met haar familie naar Nieuwolda, waar haar vader inmiddels als predikant was beroepen. Van geboorte af was zij zwak van gestel en ging daarom pas laat naar school. Een klein jaar na den dood van haar vader vertrok ze met moeder en zusters
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) naar Groningen (1868), waar ze een meisjesschool bezocht. In 1873 deed ze examen voor hulp-onderwijzeres, in Oct . van ‘t zelfde jaar voor wiskunde en in Oct. 1874 voor Fransch. Ze vertrok naar Borculo, waar ze een benoeming had gekregen aan de lagere school op een
helft van de negentiende eeuw hun hoofdbaan aanvulden met diverse bijbanen, die uitzonderlijk zelfs konden uitgroeien tot hoofdbaan: als boekhouder, klerk of commies, functies in post- en telegrafiekantoren, maar ook als kosters, voorzangers, uitgevers of boekenverkopers, jour-
salaris van f 400 . Ze kreeg een klasse van 80 leerlingen, volgde ‘s avonds nog de lessen in Duitsch en Engelsch en deed in 1875 te Arnhem met goed gevolg examen in Duitsch.65 Titia van der Tuuk bleef banen in het onderwijs combineren met studie, met name van talen, waarbij ze zich tot polyglotte vertaalster bijschoolde. Ze werkte eerst op de lagere school in Borculo (1874-1875), vervolgens in een meisjeskostschool in Baarn (1875-1876), op de MULO voor meisjes te Borculo (1876-1878), en de ULO voor meisjes in Deventer (1878-1882). Ze slaagde er als werkstudente ook in de hoofdakte als onderwijzeres in 1879 te bereiken. Ondertussen haalden ook haar zussen Jacqueline Agathe van der Tuuk in 1874 en Bauwine Henderika van de Tuuk in 1876 onderwijsdiploma’s. Uit een onderzoek van Geertje Bijl bleek dat in Nederland vele onderwijzers in de tweede
nalisten en publicisten.66 Hierbij kan men zowel aan schoolboeken denken, maar ook aan artikels en andere bijdragen in tijdschriften en kranten. Uitzonderingen konden er hun hoofdberoep van maken. Het feit dat Titia van der Tuuk van haar pen kon, of moest leven, en dat in stijl zou doen, is meer dan bijzonder. Tijdens haar loopbaan in het lager onderwijs kreeg Tita van der Tuuk te kampen met mankheid en toenemende gehoorproblemen. Maar ook met politiek-religieuze tegenwerking. Na het lezen van de Ide(e)ën van Multatuli, kwam ze in 1877 in het tijdschrift Tolk van den Vooruitgang openlijk uit de kast als vrijdenkster en atheïste. Snel daarna profileerde ze zich ook als aanhanger van het socialisme en andere -ismes. En dat was nog maar het begin. Maar ook het einde van een rustige baan als leerkracht in het lager onderwijs voor meisjes.
Illustratie van een verhaal over de tocht van kleine Mien naar huis om haar moeder haar prijsboek te tonen: ze was de eerste van de klas, in Titia van der Tuuk, ‘De eerste prijs’, Sint-Nicolaas; geïllustreerd maandschrift voor kinderen, jrg 3:2, 24-05-1896, p. 121-122 De schooltijd was een van recurrente thema’s in het oeuvre van Titia. 211
In De Nederlandsche Spectator publiceerde Titia van der Tuuk in mei 1884 een kritische recensie over een naar haar smaak al te rooskleurig boekje van de katholieke schrijfster Catharina Alberdingk Thijm (1848-1908) 68 over beroepen die vrouwen van hogere
Multatuli (1820-1887), albuminedrukportret gemaakt door César Mitkiewicz, fotograaf in de Nieuwstraat te Brussel (in of voor 1867), Amsterdam, Rijksmuseum, https://id.rijksmuseum.nl/200412416. Titia van der Tuuk bezocht regelmatig lezingen van Multatuli in de jaren 1870 en 1880 in Nederland en correspondeerde met Eduard Douwes Dekker en zijn echtgenote. De aanleiding voor het opmerkelijke statement van de 23jarige predikantendochter in 1877 in het tijdschrift Tolk van den Vooruitgang; “Ik heb mijn geest losgemaakt van de reeds half afgescheurde windselen van ’t geloof, die de vrijheid van denken zoozeer in de weg staan. Ik ben athéiste, vrijdenkster” schreef ze toe aan de invloed van Multatuli’s Ideeën.
Typewriter, vertaalster, auteur, tekstredactrice, en activiste Het einde van haar carrière als schooljuf en het loslaten van de tijdelijke opvang in het thuisonderwijs voor jongedames dat haar moeder organiseerde, het eerste mede het gevolg van het openlijk uitkomen voor haar meningen en visies op allerlei kwesties en maatschappelijke uitdagingen, betekende dat ze elders op de gefragmenteerde arbeidsmarkt voor hogergeschoolde vrouwen terecht moest. Diverse stappen die ze nam in 1884 en 1885 behoren vandaag tot de geschiedenis van kantoorwerk voor hoger opgeleide vrouwen in Nederland.67 212
klassen zouden kunnen uitoefenen. In Lucratieve betrekkingen voor vrouwen uit den beschaafden stand (Gouda z.j. [1884]) had de ex-kloosterzuster, die zich als publiciste heruitgevonden had en daarmee de volgende decennia succesvol zou worden, gesuggereerd dat vrouwen kansen konden hebben als dokteres, verpleegster, boekhoudster, naaister of boekbindster. Met cijfers en voorbeelden maakte Titia van der Tuuk brandhout van het woord “lucratieve” en klaagde ze de ongelijke verloning voor vrouwen in vergelijking met mannen, zelfs voor hetzelfde werk, aan. Verder gebruikte ze de suggestie dat een vrouw boekhoudster kon worden, om publiekelijk aan de kaak te stellen dat in realiteit de vak- en beroepsvereniging van handels- en kantoorbedienden Mercurius dit op allerlei manieren probeerde te verhinderen.69 Dit signaal werd opgepikt en versterkt door de redactie van De Huisvrouw. Weekblad voor Dames die op 14 juni 1884 de aanklacht van Titia van der Tuuk in de schijnwerpers zette: ‘In een opstel van mej. Titia van der Tuuk in den Spectator wordt medegedeeld, dat bij de examens van de vereeniging van handelsbedienden Mercurius te Rotterdam vrouwen worden geweerd. Het feit was ons niet bekend. Het is weder een treurig bewijs van bekrompenheid en aanmatiging. (…) De kantoorbedienden, die lid zijn van Mercurius, hebben zichzelven de bevoegdheid gegeven om brevetten van bekwaamheid uit te reiken, en maken nu van die aangematigde bevoegdheid gebruik om meisjes, die betrekkingen op handelskantoren wenschen te bekleeden, daarin tegen te werken”. In een recht op antwoord op 28 juni 1884 in De Huisvrouw probeerden de voorzitter en secretaris van de in 1882 opgerichte vakorga-
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) nisatie Mercurius de “suggestie” van Titia van der Tuuk weg te wuiven, maar in een volgende algemene vergadering van Mercurius in juli 1884 werd door de kantoorbedienden formeel beslist om voortaan gewoon open kaart te spelen en vrouwen zo lang mogelijk uit te
den smaak van Titia, maar het vergde te veel van haar gezicht. Op dokters advies moest zij er mee ophouden. Daar ze gaarne in eigen onderhoud wilde voorzien, slaagde zij er in geregeld vertaalwerk te krijgen”.72 Het was tijd om te proberen te leven van haar pen en tik-
sluiten.70 In 1885 kreeg Titia van der Tuuk de kans om in de drukkerij van H. Thieme in Nijmegen met (een van) de eerste Remingtonschrijfmachine(s) in Nederland te werken, om het drukproefproces te faciliteren. Dat dit nieuw(s) was, blijkt uit het feit dat dit zelfs in De Dageraad in 1885 werd gemeld als technische innovatie en als een verwezenlijking door een pionierende vrouw. Vele handschriften die bij drukkers binnenkwamen waren onduidelijk en zo slopen er via de letterzetters talloze fouten in de drukproef. Van der Tuuk kon de handschriften echter “met verstand” overzetten met een Remington Standard Typewriter en die ter controle aanbieden. Een door de auteur gecorrigeerde proef van de uitgetikte versie werd dan gebruikt om het zetwerk te doen. “Wanneer men vaardigheid heeft verkregen in de behandeling der Remington-machine, gaat het sneller dan gewoon schrijven, dit is trouwens niet het geval wanneer men, terwijl men werkt, onleesbaar schrift heeft te ontraadselen”.71 Dit berichtje maakt deel uit van een rubriek “Uit de Vrouwenwereld” waarin onder andere melding wordt gemaakt van 31 uren parlementaire discussie in Canada over de (uiteindelijk niet) toekenning van vrouwenstemrecht, van 78 vrouwelijke studenten die zich hadden ingeschreven in de medicijnen in Parijs, en van de toekenning van een ereteken “legioen van eer” aan een vrouw in Frankrijk. En dus ook ene Titia van der Tuuk die met de modernste Amerikaanse technologie, een schrijfmachine, aan de slag ging. Maar onder meer op doktersadvies zou ze het werk als secretaresse en drukproefprocesbegeleidster in de drukkerij enkele maanden later moeten staken. Maar de aangeleerde vaardigheden op een schrijfmachine liet ze niet los. In haar eigen woorden over het werk bij Thieme: “Dit werk viel erg in
machine, en van haar vaardigheden als spreekster (in plaats van voor de klas in lezingen voor volwassenen). Het was 1885, het jaar waarin ze het artikel met de titel Folklore publiceerde in De Nederlandsche Spectactor, een oproep om een nieuw wetenschappelijk veld en publicatiecircuit in Nederland uit te bouwen, een “bouwproject” waaraan ze graag wou meewerken.73 Ze probeerde ook via de circuits van vrijmetselarij aan de bak te komen. Titia investeerde systematisch in het uitbouwen van een thuis-/werkbibliotheek maar ook in het toegang krijgen en gebruiken van gespecialiseerde bibliotheken (“leesmusea”). Ze cultiveerde actief haar rol als recensente (net zoals een onderzoeker zoals August Gittée dat in dezelfde periode in België zou doen). Haar leeshonger was groot en ging heel breed, zowel kranten, tijdschriften als boeken, in fictie als in non-fictie, uit binnen- en buitenland, in het Frans, Duits, Engels en het Nederlands, zo stelde Everard die de leespatronen van Titia Van der Tuuk heeft proberen te vatten, vast: “plus nog eens een flinke stapel literatuur over folklore als nieuw kennisgebied”.74 Ze had zich ondertussen, vanaf 1884 (tot 1902) samen met haar moeder (overleden in 1900) en zussen in Arnhem gevestigd. Net als haar moeder werd ze erg actief in het maken van publicaties voor de schoolgaande jeugd: het schrijven en/of vertalen van kinderboeken en historische romans, en andere publicaties. Het vertaalwerk, schrijf- en redactiewerk voor jongeren, jongens, maar vooral meisjes, leverden haar een inkomen op. Ze publiceerde, tegen betaling, onder meer in tijdschriften zoals De nieuwe kinderbibliotheek, Jong Nederland, Sint Nicolaas, Ons blaadje, Onze kinderen en Jeugd. Maar ook in Voor onze kleinen (1894) en het tijdschrift Excelsior. 213
214
Maandschrift voor jonge dames (1895-1897) dat ze zelf redigeerde.75 In haar autobiografische nota gaf ze aan dat ze vanaf 1884 over diverse onderwerpen (sociale kwesties, enz.) lezingen begon te geven. Ze benadrukte dat ze nadacht en over
Ze besloot zich te engageren voor diverse maatschappelijke uitdagingen, met telkens een bijzondere nadruk op de rol van vrouwen, zoals ze over zichzelf schrijft: “Uit een diep besef van rechtvaardigheid heeft zij zich steeds feministe gevoeld en daarvan steeds, waar het
diverse problemen haar mening vormde, maar dat ze dan ook telkens probeerde voortaan die inzichten uit te dragen en ernaar te leven, zoals ze sinds haar outing als vrijdenkster al had getoond.76 Naast het afzweren van alcohol vanaf de jaren 1880 en het heel strikt vegetarisch worden (“sinds 15 september 1897”), probeerde ze ook een “natuurlijke levens- en geneeswijze” te omarmen. Hieruit resulteerde in 1902 haar meermaals herdrukte bundel “De gezondheid in huis”, grotendeels gebaseerd op het werk van dokter Anna Fischer-Dückelmann over de “vrouw als huisarts”.77 Ze durfde het ook aan inzicht te bieden in seksualiteit in het eveneens dertien keer herdrukte Het seksueele leven van de vrouw, een bewerking van het in 1900 verschenen boek Das Geschlechtsleben des Weibes van Anna Fischer-Dückelmann. In 1915 zou Titia een eigen variant van het boek onder haar eigen naam publiceren (zie verder). Titia hamerde consequent op de toepassing van dezelfde regels van de moraal voor man en vrouw. Ze belichtte vanuit dat uitgangspunt, in lezingen, opiniestukken en essays, bijvoorbeeld de problematiek van prostitutie. Haar voordrachten, die onder andere onder de titel “Mensch of Voorwerp”, waren uitgegeven, wekten naar eigen zeggen veel ophef.78 Ook voor de Rein-Levenbeweging en de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn zette ze zich in, met diverse voordrachten.79 Hierbij werd, vooral in de eerste jaren van de 20e eeuw expliciet ingegaan op seksualiteit of het zich bewust onthouden, prostitutie, masturbatie, menstruatie, het belang van vrouwelijke orgasmes, voldoende kennis over zwangerschap en lichamelijke beleving, dit alles niet alleen om er controle over te krijgen, maar ook om vrouwen een sterkere rol te geven en te zorgen voor mensen in hun omgeving, …
te pas kwam, blijk gegeven. Voor het verkrijgen van het kiesrecht heeft zij met overtuiging gestreden”.80 Volgens Ulla Janz was ze in 1883-1884 samen met Elise Haighton (1841-1911) en Aletta Jacobs (1854-1929) betrokken bij de poging om toen al als vrouw te gaan stemmen (een plan dat mislukte, maar de problematiek wel markeerde).81 Samen met onder anderen Wilhelmina Drucker (1847-1925) en Frederika van Uildriks (1854-1919) vormde ze vanaf 1888 de redactie van het Weekblad tot onderwijs en ontspanning van vrouwen en meisjes. De Vrouw. Samen met onder andere haar zus Jacqueline (1856-1915), met ex-medestudente onderwijs Annette Versluys-Poelman (18531914) en Mietje Rutgers-Hoitsema (1847-1914) werd ze vanaf 1894 actief in de ‘Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht’.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
Titia van der Tuuk (links, zittend achter het katheder) geeft duidend commentaar in een door zangeres Alida Bertels opgeluisterde bijeenkomst voor vrouwenkiesrecht te Amsterdam in 1911. Fotograaf onbekend, Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad, Den Haag.
Haar opleiding als onderwijzeres, met aangescherpte vaardigheden om te spreken voor groepen, om teksten te maken en te verbeteren en (ped)agogisch te denken en handelen, kwam haar, samen met levenslang leren door te lezen en te vertalen en zeer actief te netwerken, op haar pad van pas. Naast een buitengewoon actieve praktijk als publiciste, probeerde ze in honderden (voor)lezingen in heel Nederland gedurende haar hele leven concrete groepen mensen te overtuigen. Daarbij bepleitte Titia van der Tuuk de maakbaarheid van de maatschappij, gekoppeld aan het werken aan zichzelf (door nadenken, trainen,…) en de toegang tot kennis: “We moeten innig doordrongen zijn van de wenschelijkheid van een beteren toestand en ook de middelen willen. De voornaamste middelen zijn de veredeling van het gemoed, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en het scherpen van het verstand”. 82 In haar leven maakte ze tal van vertalingen: een gestage bron van inkomsten maar ook een intellectuele uitdaging: “Vele novellen in Europa. Vreemd en eigen, enz. Vertalingen van romans van Tolstoy,
Fosny, Paston, Besant, Carmen Sylvia; paedagogische werken van Foerster, Dubois, Payot; populair wetenschappelijke werken, vooral over seksueele hygiëne van Dr. Fischer-Duckelmann, Siegert en Schönenberger, Reinhold, Gerling en Isobel Emslie Hutton”.83 Titia van der Tuuk verdient een bijzondere plaats in de geschiedenis van vertalingen naar het Nederlands, zo bepleitte Sophie Levie in 2007. Levie verwonderde er zich toen over dat Titia’s naam “vergeten” leek ondanks een overvloedige productie, al waren er in haar tijd zelf wel “de altijd wat neerbuigende schouderklopjes voor mejuffrouw Van der Tuuk van de heren recensenten aan het eind van hun besprekingen van Oorlog en vrede – als zij al een woord aan de vertaling wijden”.84 Van der Tuuk verzorgde effectief de eerste Nederlandse vertaling van Tolstoi’s Oorlog en vrede in (afleveringen in) 1887/1888 (vanuit het Duits en het Frans) bij uitgeverij Gouda Quint in Arnhem.85 Hiervan verscheen in 1903 een tweede druk bij Cohen & Zonen in Amsterdam en in 1910 een derde druk bij Blankwaardt & Schoonhove in Den Haag en een vierde druk te Rijswijk in 1916. 215
De in 1888 voor het eerst gepubliceerde vertaling van Oorlog en Vrede kende in 1916 een vierde druk, waarvan men hier de titelpagina ziet. Het werd in 1888 ingeleid door een andere vertaler Gerard Keller (1829-1899) in een ook in 1916 herdrukte aanprijzing van Tolstoi, het werk zelf en van het feit dat het nu ook in Nederlands beschikbaar was. De ongelukkige beginzin over de jonge vrouw die haar brood moest verdienen met dit soort werk, spreekt boekdelen: “Mejuffrouw TITIA VAN DER TUUK zou ik kunnen benijden, niet zoozeer om hare gaven des geestes en om hare grondige kennis van vele talen, dan wel om den vrijen tijd, dien zij had en die haar veroorloofde Oorlog en vrede in ons Hollandsch over te brengen”.
Titia van der Tuuk verzorgde een Nederlandse vertaling van Don Quichotte van Miguel de Cervantes Saavedra (Amsterdam, W. Versluys, 1888).86 Zij was ook de vertaalster van een groot deel van de bestsellers van de Engelse kinderboekenschrijver G.A. Henty, op de markt gebracht door uitgeverij Hilarius in Almelo in de jaren 1890.
Maakbare mensen/vrouwen en gezondheid De impact van het vertaal- en intellectueel makelaarswerk van Titia van der Tuuk, ook op het dagelijks leven in het Nederlands taalgebied, verdient meer onderzoek. In de eerste twee decennia van de twintigste eeuw werkte ze mee aan de vertaling, de toe-eigening en de introductie in Nederland van het oeuvre 216
Afbeeldingen uit Anna Fischer-Dückelmann, Die Frau als Hausärztin: ein ärztliches Nachschlagebuch der Gesundheitspflege und Heilkunde in der Familie, mit besonderer Berücksichtigung der Frauen- und Kinderkrankheiten, Geburtshilfe und Kinderpflege, 1911
van Anna Fischer-Dückelmann (1856-1917). Anna was een van de eerste vrouwen die in het Duitse taalgebied een doctorsgraad in de geneeskunde behaalde (Universiteit van Zürich, 1896). Ze propageerde vegetarisme en het nuttigen van groenten en fruit in plaats van vlees en alcohol. Ze probeerde vooral de medische kennis opgedaan in haar opleiding en in haar geneeskundige praktijk te vertalen naar andere vrouwen. In 1901 publiceerde Anna Fischer-Dückelmann Die Frau als Hausärztin. Dat werd een bestseller tot diep in de 20e eeuw, met vele edities en meer dan 3,4 miljoen verkochte exemplaren in het Duits. Daarnaast waren er de edities in 13 talen, waaronder in het Nederlands, en in dan diverse bewerkingen en hercombinaties met andere auteurs, onder anderen onder redacteurschap van Titia van der Tuuk.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
In deze boeken werden niet alleen allerlei tips gegeven voor het herkennen van ziektes of groeifasen, eerste hulp bij ongevallen, maar werd bijvoorbeeld ook heel praktisch uitgelegd en met tekeningen en tips geïllustreerd wat vrouwen konden doen bij menstruatie; welke technieken of kledingoplossingen er al dan niet bestonden.87 Zoals Corinna Treitel opmerkte: “Female readers presumably knew a great deal about their own bodies in a vernacular sense via oral culture, folk practices and their own experiences. At issue here was a different kind of knowing that involved the anatomical, physiological and therapeutic expertise that physicians had amassed over the nineteenth century. Fischer-Dückelmann not only broke long-standing taboos about bringing that knowledge to lay readers but, perhaps more importantly, invented new ways to present the hard-won insights of scientific medicine to women in a way that avoided treating women 217
as silent recipients of authoritative knowledge and instead made them active medical knowers in their own right. She did so by synthesising the insights of physicians with those of irregular healers and centring her discussion on women’s own experiences of having a body.
van Willem Hilarius Watzeszoon (afgekort Wzn) uit Almelo op het einde van de 19e en de 20e eeuw.90 Hij gaf Titia van der Tuuk naast het vertrouwen om periodieke publicaties zoals Excelsior. Maandschrift voor jonge dames te redigeren, ook allerlei vertaalopdrachten,
The Wife as Family Physician, in other words, reinvented hygiene by creating an embodied health epistemology”. 88
zowel voor sprookjes en jeugdliteratuur (met werken zoals Een vrolijk viertal, Ter Uitspanning, In vrije uren, De jonge Vaandrig, Met Hannibal over de Alpen, In ballingschap, Onder de vanen van Gustaaf Adolf, In dienst van den prins, Voor vrijheid en onafhankelijkheid, …) als voor de hygiëne- en vrouwenemancipatorische publicaties, die commerciële successen waren. Het maakte deel uit van een internationale trend en momentum:
Met dit soort hygiëneboeken probeerden auteurs zoals Fischer-Dückelmann en Titia van der Tuuk vrouwen, en bij uitbreiding de brede bevolking, te versterken door de grenzen van kennis te verleggen en aansluiting te zoeken bij ervaringen en kennis die onderzoekers in natuur- en “volksgeneeskunde” ook probeerden te capteren. Kennis en onder vrouwen (en mannen) gedeelde levenservaringen over de levenscyclus (zwangerschap, geboorte, puberteit, huwelijk, seksualiteit, ziekte, dood) en de daarbij horende huis-tuin-en-keukenmiddelen werden gekaderd en aangevuld met wetenschappelijke kennis over de binnenkant van het lichaam en inzichten uit geneeskunde (en duidelijke hints waar verzorging en zelfmedicatie in een huisgezin stopten en wanneer er een dokter moest worden bijgehaald). Dit werd visueel ondersteund waarbij dergelijk wijdverspreide boeken toe-eigening in het leven van alledag konden ondersteunen. In een poging om het succes van de eerste vrouwelijke artsen in die periode te begrijpen, gaande van Aletta Jacobs (die ook de politiek inging) tot Fischer-Dückelmann, identifceerde Corinna Treitel diverse factoren voor en na 1900: “the opening of university medical education to women; the emergence of a life reform movement that was both hospitable to female healers and committed to self-help and an entrepreneurial publisher who used his press to bring a reimagined version of enlightenment to mass audiences”.89 Dit laatste ging op voor diverse uitgevers-drukkers in Nederland, zoals in het geval 218
“Fischer-Dückelmann, her health manual and its remarkable translation history all belonged to a moment created by the intersection of three fin-de-siècle trends knitting the European continent together: a generation of highly educated and multilingual women networked across borders; a coterie of mostly new presses devoted to mass uplift and other progressive causes and a transnational subculture of reformers working to empower individuals, especially women, to seize their own agency as healthy subjects”.91 Het gulden vrouwenboek alias de huisvrouw als arts van Anna Fischer-Dückelmann verscheen in een Nederlandse vertaling bij Brill te Leiden in 1903, 1909, 1915 en 1921. In 1902 werd door W. Hilarius Wzn te Almelo het boek De gezondheid in huis. Natuurgeneeskundige raadgever voor het gezin in gezonde en zieke dagen uitgegeven. Opmerkelijk is dat de naam van Titia van der Tuuk op de titelpagina niet voorkwam. Wel prijkte na de net geciteerde titel de mededeling “bewerkt naar de geschriften van Dr. Anna Fischer-Dückelmann, Dr. Lahmann, Dr. AdamsLehmann, Dr. Schönenberger, Dr. Bixbaum en anderen, onder toezicht en met medewerking van twee Nederlandse geneesheren”. In het boek wordt niet precies duidelijk gemaakt
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) welke delen aan welke auteur moesten worden toegeschreven, al was het merendeel (zowel teksten en illustraties) wel uit het boek van Anna Fischer-Dückelmann uit 1901 overgenomen. Er werd ook een controle ingebouwd, via het laten nalezen door de vrijzinnige
blijkt in de Nederlandse versies van de boeken van bestsellerauteur Fischer-Dückelmann. Naarmate de tijd vorderde, weken de versies steeds meer af, niet alleen omdat FischerDückelmann en haar Duitse uitgever in het begin van de 20e eeuw bij elke nieuwe editie
arts Goswijn Willem Sanne Lingbeek (1860 -1939).92 Hij verzorgde een inleiding waarbij hij de uitdaging door “de schrijfster en den uitgever” aanvaardde (zonder haar naam te noemen) en aangaf dat enkele van de als bron gebruikte auteurs in hun werk misschien te ver gingen in het delen van kennis: een boek van 600 pagina´s weegt niet op tegen de zeven à acht jaar universitaire studies van een arts. Maar hij had vastgesteld dat de tekstbezorgster een scherpe lijn volgde. Ze pleitte voor natuurgeneeskunde, maar zonder dit tegenover academische geneeskunde te plaatsen, maar het aanvullend te gebruiken, door de nadruk te leggen op hygiëne, inclusief hygiënische verpleging en opvolging. Naast kinderverzorging, eerste hulp bij ongevallen, moest toch worden vastgesteld dat na consultatie van een arts die iets voorschreef: “de uitvoering, waarvan zooveel afhangt, berust schier altijd bij de moeder, zuster of een andere huisgenoote van den patiënt”. Hij gaf dan ook aan dat hij het initiatief steunde van “de begaafde schrijfster, die het publiek, naar ik hoop en verwacht, met genoegen zal volgen op die voor haar nieuw veld van werkzaamheid. Moge haar arbeid in die richting en binnen die grenzen gezegend zijn. Laag Soeren, Juli 1902, Dr. G.W.S.Lingbeek”. 93 De laatste delen werden nagelezen voor Dr. Van de Feltz uit Welp. Door de uitgever werden de verschillende hoofdstukken, naarmate ze klaar waren, in afleveringen verkocht en uiteindelijk gebundeld. Het is pas op het einde, na 598 bladzijden, dat ze haar naam expliciet vermeldde, en claimde een bijdrage te hebben geleverd tot de verbetering van de volksgezondheid, de bevordering van welvaart en de verhoging van geluk. Het boek kende, na 1902, bij Hilarius (her)drukken in 1903, 1913 en 1918. Titia van der Tuuk permitteerde zich bij de vertaling en redactie behoorlijk wat vrijheid. Dit
in het Duits aanvullingen en nieuwe (kleur) prenten presenteerden. Maar ook omdat Titia van der Tuuk in de door haar vertaalde versies steeds meer aanpassingen en eigen passages, met voorbeelden uit Nederland, aanbracht. Diverse boeken met dezelfde en soortgelijke titels weken zo steeds meer af: ze bevatten een basisrepertoire van illustraties en commentaren, maar ook allerlei bijkomende beschouwingen. Laat me dit illustreren met een voorbeeld dat men kan volgen rond twee afbeeldingen, in het hoofdstuk over kleding in het basiswerk van Anna Fischer-Dückelmann, Die Frau als Hausärztin. Hierbij werd niet alleen aandacht besteed aan verschillende klederdrachten, maar ook aan de evolutie van kledij doorheen de tijd. In casu kijken we naar een fraaie dubbele compositie. Enerzijds wordt een (in)zicht geboden op een “normaal” rompgeraamte met daarrond de contouren van een van de ultieme klassieke Griekse schoonheden, met het bijschrift Venus van Milo. Anderzijds is er een samengeperst rompgeraamte met daarrond een eigentijds Franse mode(volgend)meisje dat een korset droeg. Dit laatste beeld suggereert problemen met samengedrukte organen, beenderen en vervormingen. Het is overigens niet Anna FischerDückelmann of haar uitgever die op het idee van deze sprekende afbeeldingen is gekomen, wel Samuel Thomas von Soemmerring (17551830) meer dan honderd jaar vroeger. Hij was een geneesheer, uitvinder en zeer actief auteur van talrijke geneeskundige verhandelingen over anatomie, de ontwikkeling van foetussen, en zelfs studies over dinosaurussen, telkens sterk leunend op visuele representaties. In 1788 had hij een prijsvraag gewonnen met een verhandeling over de schadelijkheid van korsetten, een werk dat in 1793 en 1802 in uitgebreidere en geïllustreerde versies verscheen 219
in Berlijn. In het boek uit 1793 legde hij uit hoe te werk was gegaan. Op zoek naar een legitiem vrouwenbeeld om naakt af te beelden en dan dieper te gaan, naar een voorstelling van het geraamte, was hij uitgekomen bij een beeld van de Griekse godin Venus, uit de Medicicollectie in Firenze, waarvan de contouren al herhaaldelijk waren gepubliceerd. Dat leverde de basis voor een uitklapbare compositie bij de verhandeling.94 Vanaf dan verscheen dit duo van een schoon geraamte in een Medici Venus en van een Schoonheid rond een geraamte met samengedrukte torso in allerlei publicaties in de 19e en 20e eeuw, met diverse doeleinden. Het werd onder andere gemobiliseerd in een volkenkundige studie met de titel Fashion in deformity die in 1881 gepubliceerd was door William Henry Flower (en die Titia van der Tuuk misschien heeft gezien). Hierin worden voorbeelden uit alle uithoeken van de wereld samengebracht over hoe mensen hun lichamen transformeren met tatoeages, piercings, amputaties, inbinden van voeten en andere lichaamsdelen en … het fel insnoeren van vrouwentorso’s, zoals in Parijs, lichtend modevoorbeeld in de eigen tijd. In de laatste bladzijden worden diverse bronnen samengebracht om een punt te maken; het blijven volgen van zo’n mode is vergelijkbaar met bijvoorbeeld het blijven afbinden en klein houden van vrouwenvoetjes in China. Het onderliggende idee is dat God via het maken van de natuur, en de geldende natuurwetten, een patroon heeft gemaakt van wat een mens is, en dat de mens niet structureel mag ingrijpen, maar de natuur haar werk moet laten doen.95 Merk verder ook op dat een andere Venus, namelijk de in 1820 ontdekte Venus van Milo, die in het Louvre was terechtgekomen, tegen dan de contouren had vervangen. Het is een andere studie waard.96 Tegen dan was de kritiek op het volgen van de Parijse mode ook een dominanter motief geworden. Opvallend is de keuze om ook bij de Franse modedame op het einde van de 19e eeuw geen armen te voorzien, net als bij de Venus van Milo. 220
E!ecten van een korset en waarom dat door vrouwen beter afgeleerd of vermeden kan worden, in diverse edities van Anna Fischer-Dückelmann, Die Frau als Hausärztin, in het hoofdstuk over kledij.
In de tekst van Fischer-Dückelmann uit 1901 wordt het duo afbeeldingen omringd door een reflectie over de Reform-beweging, die vanaf de jaren 1880 vrijere kleding (en levensstijl) propageerde en zo onder meer vrouwen probeerde te bevrijden van het knellende en kwellende korset dat geraamte en interne organen samendrukte. In de “vertaling” door Titia van der Tuuk, wordt dit niet overgenomen, maar last ze een eigen publicatie in het Nederlands uit 1882 in, om duidelijk te maken dat zij dit als beginnende publiciste al onder een schuilnaam had aangekaart. De “ik” in de volgende passage van De gezondheid in huis in 1902 is Titia van der Tuuk, niet Anna Fischer-Dückelmann: “Ik heb voor mij liggen een artikel “Over de gebreken in de opvoeding der vrouw en de gevolgen daarvan”, dat ik ruim twintig jaar geleden onder den pseudoniem VITALIS in “Olympia” schreef en dat voornamelijk
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
E!ecten van een korset en waarom dat dragen door vrouwen beter afgeleerd of vermeden kan worden, in het ook door “land- en volkenkunde” beïnvloede hoofdstuk” XV Kleeding, bed en woning”, in het door Titia van der Tuuk geredigeerde De gezondheid in huis. Natuurgeneeskundige raadgever voor het gezin in gezonde en zieke dagen, Almelo, Hilarius, s.d., p. 194 (collectie Marc Jacobs). Merk op dat de twee afbeeldingen in een andere volgorde en met een ander onderschrift geplaatst zijn in vergelijking met Anna Fischer-Dückelmann.
tegen het corset was gericht. Ik herinner mij, dat onder meer een der vrouwen, die nu tot de vooruitstrevendsten op velerlei gebied behoort, haar onverholen afkeuring er over uitsprak en het ruw en onfatsoenlijk vond! Ik denk, dat zij nu al wel lang zelf het corset zal hebben afgelegd”.97 Dit soort van publicaties blijken een ingang te zijn voor de studie van de cultuur van alledag, in al die registers zoals lichamelijkheid, kledij, hygiëne en gezondheid. Het werd ook effectief uitgeprobeerd in verschillende vormen (Reform; Rein Leven, …), zoals door Anna Fischer-Dückelmann op plekken zoals Monte Verità bij Ascona in Zwitserland. Ook in
Titelpagina (let ook op de supervisie) van Titia van der Tuuk, De vrouw in haar seksueele leven: Een physiologisch-maatschappelijke studie met geneeskundige en hygiënische wenken, Almelo, W. Hilarius wzn, 1915 (collectie Marc Jacobs), waar Titia van der Tuuk de basistekst van Anna Fischer-Dückelmann aanvulde met eigen bevindingen en inzichten. Dit boek behandelde allerlei aspecten van het vrouw (en man, zeg maar mens) zijn, zoals masturbatie, geslachtsgemeenschap, gedeelde orgasmes, prostitutie, menstruatie, voorbehoedsmiddelen, lichaamsbeweging, enzovoort.
gemeenschappen in Nederland, bijvoorbeeld te Soest, werden combinaties van samenleven, vegetarisme, natuurgeneeskunde met zonnebaden, alternatieve land- en tuinbouw, alternatieve pedagogiek, uitgeprobeerd, plekken waar Titia van der Tuuk rollen opnam.98 Ook een ander bewerkingstraject van een andere bestseller van Fischer-Dückelmann verdient onze aandacht. In 1915 publiceerde de uitgever W. Hilarius Wzn te Almelo, De vrouw in haar seksueele leven: Een physiologisch-maatschappelijke studie met geneeskundige en hygiënische wenken: een vergaande bewerking en “variant” van Anna Fischer-Dückelmann’s boek over sek221
sualiteit van vrouwen uit 1900-1901. Het was zo sterk aangepast dat de naam van Titia van der Tuuk op de titelpagina werd gezet, samen met de melding “onder toezicht voor het medisch gedeelte van J.H.G. Reys, arts te ‘s Gravenhage”. In een voorbericht bena-
al tien drukken van het vertaalde werk van Fischer-Dückelman waren verschenen en dat die impact hadden gehad in ruime kringen “zoals de bewerkster herhaalde malen mocht ervaren”. Maar nu was het tijd voor een nieuw werk dat ze nu zelf zou ondertekenen:
drukte Titia dat ze veertien jaar eerder had kennis gemaakt met Das Geschlechtsleben des Weibes en onmiddellijk begrepen had dat het een werk was dat discussie en wellicht ook verandering in de relatie tussen mannen en vrouwen kon teweeg brengen, in het leven van alledag en allenacht, door de nadruk te leggen op de seksuele behoeften van vrouwen. Vele vrouwen waren onbevredigd, daarover kon onvoldoende worden gepraat (of geschreven), dat had allerlei gevolgen en daar moest iets aan worden gedaan. Het was belangrijk dat vrouwen als volwaardige partner in een (seksuele) relatie werden gezien en aan hun trekken kwamen: daarvoor was breed gedeelde informatie nodig. Titia van der Tuuk gaf aan dat er tegen 1915 in Nederland
“De tijd, die verloopen is tusschen het verschijnen van den eersten druk en thans, is een periode van opleving geweest, waarin vele meeningen tot uiting zijn gekomen; die vroeger werden gesmoord. Ook de wetenschap is niet stil blijven staan en heeft ten opzichte van sommige zaken een geheel nieuwe richting ingeslagen”. 99 In de inleiding hield ze een krachtig pleidooi voor de emancipatie van de vrouw in de maatschappij en dat het toch hoog tijd was dat een en ander veranderde. Ze situeerde dit in een eeuwenlange strijd voor allerlei rechten en tegen slavernij, met inbegrip van het streven naar rechten van de mens, maar dan liefst niet alleen voor mannen. Te veel onderzoek en reflectie gebeurde over mannen door mannen.
Felix Ortt, Titia van der Tuuk en Edward Peeters te Soest, 20/8/1912, Antwerpen, Letterenhuis, Archief Edward Peeters, O 378 / P, tg:lhph:25571 222
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) Maar zo bleven mogelijke oplossingen, zoals het beschouwen en waarderen van huishoudelijk werk of het opvoeden van kinderen als loonarbeid eerder dan als een vorm van slavernij, vooral in armere segmenten van de maatschappij, buiten beeld. Of het inzicht
zo mogelijk binnen het huwelijk en met voortplanting als doel. Alles wat daarvan afweek (masturbatie, homoseksualiteit, “lesbische” relaties, prostitutie, …) werd door haar als onzedig en ziek weggezet en veroordeeld. De onderzoeksters Marloes Schoonheim en Nohra
dat een vrouw maatschappelijk meer kan betekenen dan alleen voor het zorgen van haar gezin, eigen aan burgerschap, eigen aan mens zijn: “zij maakt, even goed als de man, deel uit van den staat, ze is mensch als hij. En de vrees, dat het vrouw-zijn en het moederschap zou lijden onder haar maatschappelijke verantwoordelijkheid en onder het genot van haar volle burgerrechten, is een miskenning van haar waren aard en is reeds in tal van landen, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, ongegrond gebleken. (…) De tot bewustheid ontwaakte vrouw streeft dan ook niet naar vermannelijking door mannelijke beschavingsmiddelen, maar naar versterking, vergeestelijking van het oervrouwelijke en naar ontwikkeling van het zuiver menschelijke in haar, en al is er ook maar één bron, waaraan beide geslachten zich laven, toch zal en moet de verwerking van het opgenomene bij beide verschillen naar individualiteit en sekse. Bij dit ons streven moeten we evenwel goed onderscheiden tusschen het werkelijk vrouwelijke en hetgeen vrouwelijk heet en, als gevolg van de ontwikkelingsgang, inderdaad ook velen vrouwen eigen is geworden, maar niet krachtens haar sekse, doch door den staat van onderdrukking, waarin zij zoo lang hebben verkeerd. De mannelijke sekse verkeert trouwens in hetzelfde geval…”100
Lehner stelden vast dat de anonieme vertaalster van haar boek naar het Nederlands, geleidelijk, in de nieuwe herwerkte oplages, liet merken dat ze het er niet mee eens was.102 Titia van der Tuuk gaf duidelijk aan waar ze gevalstudies uit het werk van Fischer-Dückelmann gebruikte, in het bijzonder in het hoofdstuk over zogenoemde “perversiteiten”. In het werk van Fischer-Dückelmann werd lesbische liefde totaal afgewezen, als abnormaal, als het meest “hatelijke” dat bestaat, te bestrijden, … Ja, er waren problematische uitdagingen waar dokters mee te maken kregen, zoals de combinatie van lesbische geaardheid en pedofilie of met uit de hand lopend hermafroditisme zoals door Fischer-Dückelmann beschreven werd op basis van eigen observaties. Maar het kon echt ook anders, zo maakte Titia van der Tuuk in 1915 expliciet duidelijk in haar versie van De vrouw in haar seksueele leven, waarbij opname in een inrichting of andere interventies in geval van het fenomeen “uranisme; ook spreekt men van homoseksuele liefde” echt niet aangewezen of nodig was:
In het vervolg van haar boek wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkeling van de geslachtsorganen van mannen en vrouwen en op verschillende manieren om liefde te bedrijven, waarbij ook ingegaan wordt op het bestaan van de clitoris.101 Dit was grotendeels overgenomen van Fischer-Dückelmann die benadrukte dat in seksualiteit zowel mannen als vrouwen actief moeten zijn, moeten worden bevredigd,
“Iets anders is het met die vele uraniërs, die onder eerlijke omstandigheden leven, hun medemenschen nuttig zijn en hun hoogste geluk in reine vriendschapsbetrekkingen vinden. Denzulken lastig te vallen is natuurlijk ongeoorloofd; daartoe bestaat niet de minste reden”. (p. 100, 1915!) Het was verder belangrijk, aldus Van der Tuuk, homoseksualiteit op jonge leeftijd te identificeren en de jongens en meisjes dan medisch te begeleiden en te beschermen, voor negatieve commentaren of voor als het helemaal verkeerd zou lopen, en te adviseren hoe hiermee kon worden omgegaan. 223
Voor vrouwen vrijgevochten … Titia van der Tuuk was een veelzijdige vrouw. Ze was, vooral via publicaties en lezingen, activiste op diverse fronten, zoals de vredesbeweging, pro-vrouwenstemrecht, socialisme, (“christen-”)anarchisme (via Chreestarchia te Soest), atheïsme, vegetarisme en geheelonthouding. Via haar familie (zoals een van haar in Zuid-Afrika actieve broers), netwerken en haar contacten met Multatuli was ze ook betrokken met wat er speelde in en rond de toenmalige kolonies, van Nederland en andere landen (met ook concrete adviezen over lichaamsverzorging in Zuid-Afrika, slangen en hun beten, etc.) maar dat verdient een (door iemand nog uit te voeren) studie op zich. Van der Tuuk verzette zich tegen “alles wat te nauw is, drukt, trekt, schuurt of knelt”, of dat nu ging om korsetten (publiek afgezworen door Titia in 1882), kousenbanden, haarlengteverwachtingen (kort voor mannen en lang voor vrouwen: of net het tegenovergestelde?) of over zogezegd binaire categorieën zoals “mannelijkheid” en “vrouwelijkheid”. 103 Zij verzette zich tegen de druk van mannen, ook experten, die een bepaalde vorm van seksualiteit opdringen, en zocht haar heil in het cultiveren van (een eigen variant op) de staat van “ongehuwde, gezonde, reine vrouw”. Haar door de Almelose uitgever Hilarius Wzn niet gevolgde suggestie om de bestseller De vrouw in haar seksueele leven eigenlijk De vrouw als mensch en als geslachtswezen te noemen, in die volgorde, wou dit duidelijk maken: “Mensen zijn belichaamd en het is niet nodig verschillen in die belichaming, ook seksuele verschillen, te ontkennen. Maar het is zeker niet nodig om het seksuele als lichamelijke activiteit een geprivilegieerde plaats toe te kennen. Precies op dit punt wordt het belang van ‘physical culture’ duidelijk: het menselijk lichaam behoort niet te worden gereduceerd tot een vehikel voor seksualiteit en al helemaal niet voor een door mannen gedomineerde seksualiteit”.104 224
Everard nodigde in haar recente oeuvre uit om de missie en de activiteiten van Titia van der Tuuk ernstig te nemen en zo het historisch belang van deze vrouw te begrijpen: “een opdracht tot vrij denken, tot het altijd opnieuw ter discussie stellen van argumenten gebaseerd op traditie, overlevering, heilige boeken, gezaghebbende denkers – heeft Van der Tuuk ook tot de hare gemaakt. En dat maakte haar tot de radicale feministe die ze was”.105 In diverse, opeenvolgende publicaties heeft Myriam Everard steeds explicieter onderbouwd dat Titia van der Tuuk speciaal van vrouwen hield. Al op jonge leeftijd, in mei 1877, omschreef ze haar toenmalige vriendin Barbara (Basje) Fabius als bruidegom: “’t Is misschien vreemd; maar ’k geloof niet, dat ik van een mannelijken bruidegom meer zou kunnen houden dan van haar; anderen zullen dat weer overdreven noemen, omdat ze ’t niet begrijpen; ’t is wel gemakkelijk zich op zoo’n manier er uit te redden. Hoe ’t zij, ’k zou niet weten, hoe het hier zonder haar te stellen”.106 Barbara Fabius koos uiteindelijk voor een huwelijk met een man. Naast dergelijke vondsten in een bewaard gebleven dagboek uit 1877, wees Everard ook op verhoudingen binnen het redactiesecretariaat van De Dageraad in de jaren 1880.107 Redactiesecretaresse Elise Haighton had per brief aan Titia van der Tuuk een aanzoek gedaan om te gaan samenwonen, maar dit werd afgewezen. Het werd nog complexer door de interactie met andere vrouwen, inclusief Aletta Jacobs (18541929, die in 1884 in een vrij huwelijk met Carel Gerritsen was gestapt). Elise Haighton vond het in de zomer van 1885 nodig om enkele jaren naar Paramaribo te verhuizen, zoals ze in een brief aan Titia uitlegde: “zoo gaat het niet langer; ik ga ten gronde zonder te sterven; mijn hart bekwam te veel en te diepe wonden”.108
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) gepleit voor het rechtvaardig beoordelen en behandelen van Uraniërs, waaronder mensen vielen die vandaag onder de LGBQ-categorieën zouden worden gerekend, een moedige daad waardoor ze uiteindelijk, in de 21e eeuw, een bijzondere plek in gendergeschiedenis in Nederland zou toegeschreven krijgen.109
De Dageraad en volkskunde in de jaren 1880
Portret met Titia van der Tuuk (links, zittend), Arnhem, 1885, fotograaf Bruining, IISG BG A14/265
Titia woonde vanaf 1884 gedurende tien jaar op kamers en soms bij haar moeder in Arnhem. Vanaf 1895 ging ze in dezelfde stad inwonen in het gezin van de familie Roosegaarde. Daar vond ze Rose Roosegaarde Bisschop (18561940), met wie ze de rest van haar leven zou delen. Vanaf 1897 zouden ze samen een huishouden vormen, waarbij Titia met haar schrijfen vertaalwerk voor het inkomen zorgde en Rose voor het huishouden. Samen vertrokken ze in 1902 uit Arnhem naar Ede, in 1904 naar Ubbergen; in 1908 naar Soest, in 1912 naar Utrecht en in 1916 naar Zeist. Ze beleefde niet alleen discreet de vrouwenliefde, ze nam ook expliciet stelling in ter verdediging van homosexualiteit. Zo was Titia van der Tuuk een van de negentien vrouwen die in 1912 het publieke statement van de Nederlandse afdeling van het zogenoemde Wissenschaftlich-Humanitäres-Komitee tekende. Hierin werd
Titia van der Tuuk engageerde zich in diverse tijdschriften en verenigingen, zoals de Haarlemse afdeling van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Haar participatie in De Dageraad in de jaren 1880 was belangrijk, voor haar toegang tot interessante mensen, ideeën en publicaties. Ze frequenteerde er sleutelspelers zoals Carel Victor Gerritsen, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Aletta Jacobs en redactrice Elise Haighton (zie hoger). In 1885 volgde Titia Elise op in de redactie van De Dageraad, als secretaris en daarna, in 1887, werd ze lid van het bestuur. Ze maakte er een punt van om als redactielid van De Dageraad – van juli 1885 tot november 1890 – recensies en overzichten van internationale literatuur die ze belangrijk vond te maken, te signaleren, te publiceren, … Het is in deze context dat het voor de geschiedenis van volkskunde in de Lage Landen belangrijke sleutel- of brugtekstje, dat in de zomer van 1888 zowel in De Dageraad als in het pas gestarte Volkskunde verscheen, te situeren valt. Myriam Everard maakte een knappe analyse waarbij ze diverse eindjes aan elkaar verbond en duidelijk maakte wat het belang van De Dageraad was en waarom iemand met het uitzonderlijke profiel van Titia er kansen kreeg en kon floreren in de jaren 1880: “Het is inmiddels duidelijk dat de wording van de feministe Titia van der Tuuk ten nauwste samenhing met haar ontwikkeling tot atheïste en vrijdenkster, en dat de consequentie die zij daaraan verbond door lid te worden van De Dageraad daarin misschien wel de belang225
226
rijkste factor was. Dat zij dat laatste deed op het moment dat De Dageraad zich aan het vernieuwen was en onderdak bood aan een aantal feministische mannen en vrouwen die de vrouwenkwestie hoge prioriteit gaven, kan een gelukkige samenloop van omstandigheden
de optie om te streven naar een volume dat in twee delen per jaar kon worden ingebonden) kenmerkten de artikels. Naast door een niet nader te achterhalen segment van de 348 leden van het netwerk van De Dageraad, werd deze periodiek ook gelezen in vrijmetselaars-
heten, waaraan zij op haar beurt ook weer het nodige heeft bijgedragen. In die vernieuwde Dageraad waren prostitutie, voorbehoedmiddelen, naturalistische romans, en de dubbele moraal thema’s waarover men zonder aanzien des geslachts in discussie ging. Geen vrouw hoefde er bang te zijn daarmee haar eer of goede naam op het spel te zetten, vrouwen die een zelfstandig leven ambieerden kregen niet het eeuwige argument van het moederschap tegengeworpen, en wie haar leven liever met een vrouw dan met een man deelde, werd geen blauwkouserij of mannenhaat in de schoenen geschoven”.110 De Dageraad was in 1855 gestart en verscheen, behalve in 1867-1868 en 1871-1879, maandelijks. In 1898 ging de publicatie op in het weekblad De Vrije gedachte. Vrijdenken, los van dogma’s, eerder antwoorden zoekend in de natuur en (natuur)wetenschappen dan in religie: dat kenmerkte de periodiek. Maar ook eerder Spinoza of Multatuli dan Gezelle; eerder liberaal dan katholiek of protestants. Vrijmetselarij, darwinisme, materialisme, vroeg socialisme, liberalisme, deïsme, positivisme, antiklerikalisme, geboortebeperking, algemeen stemrecht, feminisme, …: over deze stromingen en thema’s ging het in de vele honderden bladzijden die jaarlijks in De Dageraad werden gepubliceerd. In de bijdragen die Titia van der Tuuk in de loop der jaren aanleverde, kwamen deze onderwerpen allemaal aan bod.111 En, in haar geval, ook folklore of volkskunde. Uit het proefschrift van Jan ten Bokkel blijkt dat De Dageraad in het decennium na de doorstart in 1879 zich sterk internationaal ging richten, niet alleen voor het volgen van internationale literatuur, maar ook qua lezingen en congressen. Eruditie, wetenschappelijke aspiraties en de ambitie om stukken te publiceren die de moeite waren om te worden bewaard (vandaar
kringen, bibliotheken, leesgezelschappen en geabonneerde verenigingen. Als nieuw, veelbelovend vakgebied kreeg volkskunde of folklore en “volkscultuur” af en toe aandacht in De Dageraad. Eén van de auteurs was Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919), een Nederlandse socialistische politicus en later zelfs een sociaal-anarchist en antimilitarist. In 1884 publiceerde hij een uitgebreide bijdrage over kerstdag en SintNiklaas.112 Hij baseerde zich hierbij onder meer op het oeuvre van Eelco Verwijs (1830 -1880). Hij had zowel aandacht voor de omgang met de natuur als voor machtsprocessen in de katholieke kerk: “Zoo werden de gebruikelijke feesten, die altijd een stuk volksbestaan uitmaken, niet afgeschaft, maar ze werden gekerstend, men gaf er een christelijken zin en beteekenis aan - zoo won men de harten en het doel werd bereikt. En wat was gemakkelijker dan dat? De natuurdienst zat overal voor, aldus vertoonen de gebruiken hier en daar trekken van overeenkomst”.113 De “Christenen” hadden hun feesten van de “Israelieten” ontleend en in Europa ingevoerd, zonder met het klimaat rekening te houden: “Zoo gedachteloos nam men ze over, dat men geen rekening hield met het klimaat, zoodat wij het Pinksterfeest, wat bij de Joden een oogstfeest was, omdat in dat jaargetijde de oogst werd binnengehaald in die warme luchtstreek, nog altijd vieren op denzelfden tijd, ofschoon er bij ons in dien tijd geen sprake is van oogsten en het veeleer als lentefeest moest worden herdacht”.114 Het toegepaste mechanisme was eenvoudig, aldus Domela Nieuwenhuis: behoud rituelen
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) uit de jaarcyclus maar vervang de goden door heiligen en martelaars.115 In 1885 liepen spanningen rond de positionering van De Dageraad op, wat onder meer tot het afhaken van Domela Nieuwenhuis en andere socialisten leidde. Door het wegvallen
passant wordt vermeld. Wel werden zowel de mondelinge overlevering als de publicaties rond die hoofdfiguur, onder meer van Eduard Grisebach (1845-1906) besproken. Hij besteedde ook aandacht aan Vlaamse varianten van het verhaal, met name het lied
van diverse interne auteurs werd er vanaf 1885 nog sterker ingezet op het volgen van en rapporteren over eigentijdse internationale publicaties; ook via Titia van der Tuuk. Als auteur leverde ze, naast recensies, ook allerlei doorwrochte stukken en essays aan.116 De vrije toon bleef brokken maken, omdat niet alleen de wereld van de kerken, maar ook van de vrijmetselaarsloges af en toe de revue passeerden. Een satirisch stuk over de rituelen en belangrijke teksten (zoals de Hiram) in vrijmetselaarsloges – gekarikaturiseerd als “een eenvoudige combinatie van de zonnemythe en Deventerkoek” – zette veel kwaad bloed en leidde tot het afhaken van leden.117 Als redactiesecretaris kwam Titia van der Tuuk in contact met buitenlandse auteurs, en zo ook met Pol de Mont118 en August Gittée. Wat tot nog toe buiten beeld gebleven is in de geschiedschrijving in Volkskunde, zijn de connecties met en aanwezigheid in De Dageraad. Als we bijvoorbeeld de eerste helft van de negende jaargang (1887-1888) van De Dageraad bekijken, valt het op dat alle artikels in het Nederlands gesteld zijn, maar dat van de lezers blijkbaar ook werd verwacht dat ze om konden gaan met de vele niet vertaalde of uitgelegde uitgebreide citaten in het Duits, Frans, Engels, Latijn en andere talen. De jaargang 1887-1888 startte met een bijdrage van Pol De Mont “uit Antwerpen” met de titel Eduard Grisebach. Het was een soort, over 18 bladzijden, erudiet uit de hand gelopen bespreking van herdrukken van twee recente publicaties: Der neue Tannhäuser (1869, besproken heruitgave in 1885) en Tanhäuser in Rom (1875, besproken heruitgave in 1886). Het ging hier niet zozeer om de (op de verhalenstof gebaseerde) beroemde opera (1841-1845) Tannhäuser van Richard Wagner, die door Paul de Mont slechts en
van Heer Danielken en wat onder meer Jan Frans Willems ermee had gedaan. Dit is een ballade die vandaag bekend staat als “Van heer Danielken”/“Wildy hooren een goet nieu liet?” uit het Antwerps Liedboek uit 1544.119 De Mont duidde de in deze liederen en gedichten voelbare spanning tussen de onweerstaanbare aantrekkingskracht van de “schoone zinnelijkheid des heidendoms” of “de duivelin Venus” enerzijds en anderzijds de vertwijfeling in de confrontatie met de paus, godsdienst en geweten als een uitdaging voor “den modernen mensch”. In heel bloemrijke taal en met treffende lange citaten in het Duits reflecteerde de Mont niet alleen over de politieke functies van de Tannhäuser-verhalen voor de projecten van Willem I en Otto von Bismarck, “zijne vaderlandsche groeten” toezwaaiend in het eengemaakte Duitsland. Of over de relevantie voor de interpretatie van Heinrich Heine, Spinoza, Kant of Schopenhauer. Hij ging ook helemaal los over “het algeheele opgaan van eene jonge en dwepende mannenziel in de dronkenschap eener meer zinnelijke dan platonische liefde”, over “beelden van dood en ontbinding” versus “blozende maagdenwangen en schitterende ogen”. De Mont legde het onder andere als volgt uit: “Nu houdt het gedacht, dat alles sterven moet, het hert des dichters als tusschen gloeiende spaken gevangen”.120 In de eerste helft van dezelfde jaargang verscheen ook een bijdrage van August Gittée “uit Ath”. Opnieuw over sagenstof en een eigentijdse tekstverwerker, maar toch heel anders van aard (en zonder kruisverwijzing naar De Mont, de andere auteur/landgenoot, in dezelfde jaargang). De titel van het stuk was eveneens een auteursnaam, in casu Julius Wolff. Het bleek ook een soort meervoudige bespreking van publicaties over respectieve227
228
lijk de Rattenvanger van Hamelen, de Wilde Jager en “Tannhäuser, ein Minnesang” (Berlijn, 1885). Gittée presenteerde Wolff als een zeer succesvolle, eigentijdse dichter in Duitsland die in “poëtische gewrochten” verhalenstof uit of over de middeleeuwen verwerkte. Het
teren van elementen in de sagen, konden die door Wolff beter en treffender worden uitgewerkt, in het hervertellen en aanvullen van de verhalen. Bijzonder was volgens Gittée dat Wolff speciale aandacht besteedde aan de beschrijving en uitwerking van de personages
besproken rattenvangerverhaal was toen al aan de 25e herdruk en de wilde jager aan de 22e. Wat was het geheim voor zulke bestsellers? Dat was een van de originele vragen die de auteur wou behandelen. Gittée schreef het succes niet in de eerste of enige plaats aan zijn talenten als dichter toe, maar aan de slimme keuze en inkleding van de onderwerpen: “in de omstandigheid, dat hij uit het hart van het volk zelf putte, en de gansche volksziel in zijn gedichten wist weer te spiegelen”. Gittée probeerde te verklaren waarom de al door Jacob Grimm gepubliceerde sagen over de rattenvanger, de jager of de Tannhäuser-ridder tot een succesformule voor uitgevers konden worden gemaakt. Ten eerste was er volgens hem sprake van een grondige, wetenschappelijke inwerking in de geschiedenis van de middeleeuwen in Duitsland, zoals over zwervende zangers in de 12e en 13e eeuw, over het leven van monniken en in kloosters, over ridders, ... Welke sporen en verhalen waren er te vinden over de rol die een fenomeen als “minne” speelde in de middeleeuwen, in samenstellingen die varieerden van minnedienst of minnestrijd of minneroem tot minnezangers? Welke sporen waren er (toen al) te vinden over geestelijken die het moeilijk hadden om aan de strenge regels in een klooster te voldoen? Was het echt een rechtsgebruik dat mannen konden ontsnappen aan de galg als een vrouw zich aanbood om te huwen: kon dit met bronnen worden gestaafd? Wolff had zelfs onderzocht hoe met valken en windhonden in de middeleeuwen werd gejaagd. Maar ook hoe werd “geluisterd” naar het woud, de planten en de dieren en hoe de natuur werd vereerd, als bron van ”Märchenweisheit”, en nagedacht over hoe dit alles als “toverkracht” werd vertaald. Door het zorgvuldig proberen te documen-
en rollen van vrouwen in de verhalen, en door de toekenning van belangrijke inbreng in het (ont)knopen van het intrige. “In de grondigheid, waarmede Wolff de poëzie, aan de heidensche gestalten der Germaansche sprookjeswereld eigen, heeft weten te begrijpen en ten tooneele te voeren, ligt zijn kracht als dichter, uit zijn werken waait u een geurige boschlucht te gemoet. Ze ademen de natuurlijkheid…”121 Dus, twee sterke stukken die dieper peilden naar patronen, formules, toepassingen, in “volkscultuur” of “folklore”, gepubliceerd in een tijdschrift dat niet voorkomt in volkskundige bibliografieën, met Titia van der Tuuk als begeleidende redactrice. In deze periode waarin Volkskunde startte, publiceerde Van der Tuuk ook zelf relevante stukken. Zo was er bijvoorbeeld de in Arnhem, 12 december 1887, ondertekende boekbespreking in De Dageraad, met als titel “Een aanbevelenswaardig boek”. Hier is er geen ondertitel of precieze vermelding van de titel, maar het gaat over het boek “Het systeem der wetenschappen: gevolgd door een uitvoerige boekenopgave, benevens algemeene beschouwingen over middelbaar en universitair onderwijs”, door J.J. Van Laar. Voor lezers van De Dageraad was die auteur wellicht geen onbekende, aangezien hij een van de verdedigers van Multatuli was geweest en ook auteur van een bijdrage in het in dezelfde jaar verschenen huldenummer voor wijlen Douwes Dekker. Titia van der Tuuk onderstreepte het belang van het denken over wetenschappen als een systeem, ook in Nederland, wat volgens haar verder ging dan het debat over het werken met Auguste Comte (1798-1857) en Herbert Spencer (1820-1903). Naast de
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
Titelblad voor De Nederlandsche Spectator met de “Nederlandse Maagd” staande met lans en vrijheidshoed en fakkel en allerlei andere figuurtjes, De Nederlandsche Spectator, nr. 1, 7 januari 1860, lithografie, Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-OB-89.289 https://id.rijksmuseum.nl/200598632 229
exacte wetenschappen besprak de auteur ook sociologie en antropologie.122 “Folklore” of “volkskunde” kwam in 1887 nog niet aan bod in het “systeem”. Titia van der Tuuk benadrukte dan ook, zonder dat nieuwe folkloreveld expliciet te vermelden, dat het systeem van de wetenschappen en de bijbehorende bibliografie nog duidelijk leemten bevatte en moet worden aangevuld. Verder besprak ze de reflecties over de organisatie van het onderwijs vanuit haar eigen ervaring en visies. Ze was het eens met het pleidooi voor minder lesuren in het middelbaar onderwijs en het aanklagen van te grote nadruk op examens, … Titia van der Tuuk maakte van de gelegenheid gebruik om ook een eigen opmerkelijke, kritische stelling aan te kaarten: “Nog op iets anders zou ik willen aandringen. De opleiding tot onderwijzer mag niet kosteloos zijn, wanneer de studie voor alle andere betrekkingen dat ook niet is. Er wordt zooveel geredeneerd over de verheven roeping van den onderwijzer; maar laat ons toch eerlijk zijn ook in dit opzicht. Worden niet velen onderwijzer of onderwijzeres, omdat het den ouders zwaar valt een andere opleiding te bekostigen. En gaan niet anderen weer bij ’t onderwijs, om een sportje hoger te klimmen op de maatschappelijke ladder”.123 Maar dit leidde tot situaties waarbij allerlei mensen in het onderwijs niet op de juiste plaats zitten, niet geestdriftig of met voldoende ernst lesgeven, een gebrek aan takt en beschaving hebben … Maar waarom blijft iedereen hierover maar zwijgen, zo vroeg van der Tuuk zich luid af? Waarom wordt er niet scherper en slimmer beleid gevoerd rond de vorming en ontwikkeling van onderwijzend personeel? In elk geval hoopte ze dat diverse in het gerecenseerde boek gepresenteerde voorstellen in de praktijk konden worden gebracht, maar ze vreesde dat dit niet snel zou lukken. De drie net besproken teksten typeerden drie benaderingen van wetenschap en 230
onderwijs bij protagonisten in de vroege dagen van “volkskunde”: romantisch, analytisch en kritisch toegepast. In volgende nummers verscheen nog meer materiaal van en over August Gittée, Pol De Mont en Titia van der Tuuk.124
Zichtbaar maken In 1886, 1887 en 1888 publiceerden de protagonisten August Gittée en Pol de Mont niet alleen in volkskundige en opvoedkundige tijdschriften en in andere weekbladen in Vlaanderen, maar ook in gespecialiseerde tijdschriften (zoals Revue des traditions populaires) in Frankrijk en in Nederland.125 Alleen is tot nog toe een deel van die literatuur buiten beeld gebleven, zoals in De Dageraad. Het al dan niet ontsloten zijn in de retrospectieve Nederlandse Volkskundige Bibliografie speelde in de laatste decennia van de 20e eeuw een rol in het al dan niet bovendrijven van artikels en titels.126 Dit heeft een effect op de historiografie over volkskunde, en dus tot vandaag nog steeds op de pogingen om bruikbare genealogieën van erfgoedstudies te maken. De tijdschriften De Nederlandsche Spectator of De Dageraad zijn echter niet in dat instrument opgenomen en bijdragen zoals die van Van der Tuuk dreig(d) en zo onzichtbaar te blijven.127 De Nederlandsche Spectator kan mutatis mutandis nochtans worden vergeleken met een tijdschrift zoals The Athenaeum, waar het concept folklore was gelanceerd.128 Het was in De Nederlandsche Spectator dat de goed geadstrueerde oproep over het folkloreveld van Titia van der Tuuk in mei 1885 werd gepubliceerd: stof voor een controverse, waarbij zijzelf en haar stuk snel werd ondergesneeuwd. In 1887 werd een magnum opus over Luxemburgs volkskundig onderzoek besproken. Ook daar werd speciale nadruk gelegd op een als voorbeeld strekkende organisatie van de studie van folklore, via netwerken van priesters, leerkrachten en
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) verwijzing naar of toespeling op het visionaire artikel van Titia van der Tuuk dat vier jaar eerder in hetzelfde tijdschrift was verschenen. Gelet op de polemiek waarin Winkler was betrokken, is het onmogelijk dat hij het niet kende. Zijn artikel begon als volgt:
AFB25. Een van de frequente advertenties van de uitgever van het tijdschrift voor andere aan antropologie en volkskunde gewijde reeksen publicaties, in casu in De Nederlandsche Spectator, 17/3/1888, p. 94
leerlingen in de Athenea van Luxemburg.129 In oktober 1888 werd het verschijnen van een nieuw tijdschrift over folklore gesignaleerd: ‘t Daghet in den Oosten. Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van Taal en andere Wetens weerdigheden.130 Op 13 oktober 1888 werd ook een programma van een nieuw opgerichte commissie en informatienetwerk rond folklore in Overijsel toegelicht, direct gekoppeld aan een oproep tot navolging: “De beoefenaars van folklore zullen zeker niet in gebreke blijven der commissie de behulpzame hand te bieden in het verzamelen van gegevens voor de kennis van het volksleven. Wenschelijk ware het dat ook in andere provincies op gelijke wijze de hand aan het werk werd geslagen waardoor wij leven en denken ten slotte een getrouw beeld zouden ontvangen van het van het voorgeslacht”.131 In de reclamesecties van dat tijdschrift werd expliciet publiciteit gemaakt voor publicaties over folklore en antropologie.132 In 1889 verscheen het door Johan Winkler geschreven artikel “Folklore in Zuid Nederland” in De Nederlandsche Spectator, zonder enige
“FOLKLORE IN ZUID NEDERLAND Sedert de laatste jaren heerscht er onder onze stam- en taalgenooten in Belgenland een zeer opgewekt leven en eene drukke bedryvigheid op het veld van allerlei volkseigene en volksaardige wetenschap, vooral ook in zake volkstaal en folklore. Vele geleerden en vele yverige en welwillende volksmannen in verschillende gouen der vlaamsche en brabantsche gewesten slaan daar met grooten lust en groote toewyding de handen aan den ploeg om die te lang verwaarloosde, ja zelfs wel geminachte wetenschap op te beuren, om haar te beoefenen, en haar de plaats te hergeven waarop zy alle recht heeft”.133 Vervolgens wees Winkler op de activiteiten van de tijdschriften Rond den Heerd (sinds 1866), Loquela (sinds 1881), ‘t Daghet in den Oosten (sinds 1885), “en misschien nog anderen, my onbekend, reeds jaren lang den weg die tot dit doel leidt, met eere betreden, is daar in den laatsten tijd weer een nieu maandschrift uitgegeven, dat mede wil werken om dit doel te bereiken”. Hij bedoelde echter niet Volkskunde, maar wel Volk en Taal, dat sinds 1888 maandelijks verscheen “onder bestier van eenige ware volks mannen en volkskenners die zich daartoe vereenigd hebben onder den naam van De Zantersgilde Zuid Vlaanderen. De uitgever is A. van den Driessche te Oudenaarde en de prijs is 2 frank s jaars”. Hun doel was enerzijds zoveel mogelijk gebruiken, liederen, raadsels, woorden, verhalen, gebruiken te verzamelen “die nooit te boeke en kwamen, maar die niettemin liefelijk voortleven in den mond van ons vlaamschsprekend volk” en op te tekenen en aan volks- en taalkundigen ter beschikking te stellen. Anderzijds was het de bedoeling allerlei archieven te vinden en die te 231
verwerken en dan alles aan “onze geleerde geschiedkenners” ter beschikking te stellen. Maar zo ging Winkler verder, er was nog meer nieuws te melden want twee “andere ondernemingen” hadden in 1888 een prospectus verspreid om aan te kondigen dat ze
(zoals ze dat had bepleit in haar folklore- en Volkskunde-teksten in 1885 en 1888) moet hebben afgewogen, bij het lezen van bijvoorbeeld het bericht aan de lezers in het allereerste nummer van Ons Volksleven in 1888;
startten: Ons Volksleven (over Antwerpen en Brabant) en Biekorf. Volgens Winkler was de lijst van namen die samen “het penmanschap” van Biekorf zouden opnemen (de heren J. Claerhout, K. de Gheldere, E. Lauwers, H. Persyn, A. van Speybrouc, E. van Steenkiste, H. Verriest, A. Janssens en G. Gezelle) zo veelbelovend dat het een wissel op de toekomst in Vlaanderen en Nederland kon zijn:
“God zij geloofd! De tijd is voorbij dat de studie der folklore in onze Dietsche gewesten, zoo goed als verwaarloosd wierd! De tijd is voorbij, dat de weinige beoefenaars van die belangrijke wetenschap als dwazen uitgelachen en bespot wierden! In de leste jaren is die studie wondersnel vooruitgegaan, en te allen kante zijn kloeke mannen, begeesterde minnaars van taal en volk, al het volksaardige uit hunne gouwen aan ’t opteekenen en in tijdschriften aan ’t bijeenbrengen. (…) U vooral, Onderwijzers en Studenten, zeggen wij: Gij zijt de mannen die ons ’t meeste helpen kunt! Gij, Onderwijzers, door uw dagelijksch verkeer met de kinderen en den onverbasterden volksman uwer streek; Gij Studenten, vurige knapen en taaie kampers, gedurende den verloftijd, rond den huiselijken heerd”.136
“Deze namen allen hebben den besten klank op het gebied der vlaamsche taal in het byzonder; den besten klank ook in het algemeen als de namen van eerlike, degelike, wetenschappelike mannen, die het volk waarlik kennen en waarlik liefhebben. Met byzondere ingenomenheid begroeten wy onder deze namen ook dien van Vlaanderens grootsten taalgeleerde, van den volyverigen Guido Gezelle, een naam die nergens ontbreekt waar het de kennis en de eere geldt des vlaamschen volks. Ja, al deze namen strekken ons ten waarborge dat de Biekorf een degelik, wetenschappelik tijdschrift zal zijn, ten volsten den steun weerdig van alle Nederlanders in Noord en Zuid. En dat die steun niet ontbreken zal, opdat de uitgave van de Biekorf mogelik zy, en het in stand blyven daarvan , wenschen wy den wakkeren ondernemers van herten toe. Haarlem JOHAN WINKLER”134 Wie vandaag, na het lezen van allerlei bevlogen teksten en voordrachten over bijvoorbeeld vrouwenemancipatie en atheïsme van Titia van der Tuuk en van recente analyses van haar strijdbare en radicale visies op sekse/gender, zoals “boven alles” en in de eerste plaats gelijkheid als “mensch”,135 kan zich proberen voor te stellen hoe zij zich moet hebben gevoeld en haar prioriteiten en verdere engagement voor een folkloreveld 232
Ja, het was wat, met al die “eerlike, degelike, wetenschappelike mannen, die het volk waarlik kennen en waarlik liefhebben” … (onder leiding en coördinatie van Guido Gezelle; pace Cordelia van de Wiele en co…) En toch, 11 juli 1891, daar is ze weer … De Nederlandsche Spectator publiceerde een opmerkelijke boekbespreking over het nieuwe en lang verwachte magnum opus van Alfons de Cock over volksgeneeskunde in Vlaanderen. Titia van der Tuuk maakte van de gelegenheid gebruik om opnieuw een indrukwekkend vertoog over “folklore” te ontwikkelen. Ze nam een heel brede aanloop, via commentaar over de omgang met demonen in de bijbel en met allerlei voorstellingen over ziekte en gezondheid in de loop van de ontwikkeling van de mensheid. Titia van der Tuuk mobiliseerde de evolutietheorie van Darwin en ook recente opvattingen over de ontwikkeling van embryo en foetussen, uitgaand van de stelling dat
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) “hetgeen voor de organische wereld van kracht is, ook voor de wereld der ideeën geldt. Ik bedoel dit: evenals wij op den korten weg van het moederei tot den zuigeling alle toestanden doormaken, die ons geheele geslacht op zijn langen ontwikkelingsgang heeft door-
“Waarlijk, de middeleeuwen zijn nog niet voor het geheele menschdom voorbij, wanneer in het laatste decennium onzer verlichte eeuw per advertentie wordt gezocht: “een goed adres van een Frieschen duivelbanner, om den Booze uit te drijven uit een vrouwelijk individu”;
worsteld, evenzoo vinden wij in de maatschappij zooals zij nu is, allerlei phasen van verstandelijke en zedelijke ontwikkeling uit vroegere tijden terug. Het is de taak der folklore die toestanden gade te slaan, alle dwalingen en verouderde denkbeelden op welk gebied ook, te verzamelen, te schiften en te verklaren; op die wijze zal menige karakteristieke trek ontdekt worden, menig feit zal in een geheel nieuw licht verschijnen en vele belangrijke bouwstoffen zullen worden gevonden, die voor de geschiedenis der beschaving van meer gewicht zijn dan boeken en handschriften alleen”.137
en wanneer in vollen ernst geloofd wordt dat te Haarlemmermeer “een oude vrouw, sedert jaren als tooverkol gevreesd, haar macht weder heeft doen gelden en twee gezinnen betooverde”. En om den kwaden geest uit te drijven “is men er thans op uit een pikzwarte kip te krijgen die levend gebraden moet worden”.” 138
Van der Tuuk ontwikkelde een hypothese over tegenstellingen tussen donker en licht en hoe die inspelen op omgang met ziekte door de eeuwen heen. Maar tegelijkertijd paste ze het ook toe op de eigen maatschappij, op Nederland in de jaren 1890, waar ze die principes nog steeds aan het werk ziet:
Commentaar op dit laatste fenomeen werkte Titia van der Tuuk verder uit met inzichten die gebaseerd waren op, en expliciet verwezen naar een artikel over de “zwarte hen” van August Gittée in het kersverse tijdschrift Volkskunde. 139 Het is belangrijk, en dat was volgens Titia van der Tuuk in 1891 helaas nog niet het geval, om een zo volledig mogelijk overzicht van alle middelen en kennis te hebben, in verleden en heden. Dit zou niet alleen een inzicht voor onderzoekers opleveren, maar ook helpen bij het bestrijden van kwakzalvers en bedriegers in de eigen tijd:
“Het past geheel in het kader van deze naïeve wereldbeschouwing, om ziekten en kwalen toe te schrijven aan de werking van booze geesten, en daaruit vloeit weer de eigenaardige bestrijding der ongesteldheden voort. De duivel moet uitgeworpen worden, en de lijder moet zich vol vertrouwen wenden tot God. Dat dit geloof nog volstrekt niet verdwenen is, blijkt uit de vele bedevaarten, die nog altijd door zieken in hoop op genezing ondernomen worden; het blijkt uit de vaste overtuiging van sommigen, dat een kind behekst kan worden; het blijkt uit de wonderlijke verrichtingen, die velen noodig oordeelen bij ziekte; het blijkt ook, ofschoon minder rechtstreeks, uit zoovele onwerkzame middelen, die het volk in vol vertrouwen op hun geneeskracht blijft gebruiken zelfs tegen den raad van den bevoegden arts in”.
“door een grondige studie en een alzijdige nauwgezette vergelijking een kostelijk wapen in de hand geven aan hen wien de ware volksbeschaving en volksontwikkeling innig ter harte gaan. Men moet den vijand tegen wien men ten strijde trekt kennen en dat is jammer genoeg dikwijls niet het geval”.140 Na al deze beschouwingen en wensen om de(r)gelijk onderzoek in Nederland te doen, besprak Titia van der Tuuk dan in detail het boek van De Cock zelf, vertrekkend van een artikel in de jaargang 1889 van Volkskunde, een deels in het boek gerecycleerde bijdrage van De Cock zelf. Vervolgens gaf ze aan dat de onderzoekers in andere streken de structuur van het werk konden gebruiken om op verder te bouwen. Ze zag vele overeenkomsten, maar signaleerde ook diverse middelen die in 233
Nederland wel en in Vlaanderen blijkbaar niet bekend waren. Vervolgens gaf ze voorbeelden van allerlei bronnen die in Nederland verder zouden kunnen worden gemobiliseerd, met name oude receptenboeken: “Er is wel reeds veel materieel aanwezig; maar het ligt zoo verspreid, dat een overzicht bijna onmogelijk is. Mocht spoedig een bevoegd persoon alles ordenen en daarbij uit den volksmond opteekenen, wat nog niet in druk is verschenen. Wij zouden dan een gedenkstuk rijker worden, dat, welsprekender dan menig beeld van marmer of metaal, een deel van het verleden voor onzen geest doet herrijzen. Arnhem 1 Juli 1891 TITIA VAN DER TUUK”.141
Er was eens …: “niet zonder succes doch ook zonder roem” En dan hebben we het nog niet gehad over het onderzoek en de productie van sprookjes en andere verhalen en hoe ze die wou inzetten. Een treffende illustratie hiervan is een passage in de eerste jaargang van De werkmansbode; orgaan van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, op 16 juni 1888: een van de vele verenigingen en periodieken waarin Titia actief was. Uit het jaarverslag van het voorgaande jaar blijkt dat ze het nuttig vond om een gebaar te stellen met een door haar samengestelde sprookjesbundel, die idealiter ook bij kinderen in arbeidersgezinnen moest terechtkomen: “Een eigenaardige gift viel onzen voorzitter te beurt van Mej. Titia van der Tuuk te Arnhem, bestaande in een 800 tal boeken, getiteld: „In ’t schemeruurtje”, welke hij besloot te verdeelen onder de afdeelingen naar getalsterkte. Daar dit juist om en bij St. Nicolaas was, werd menig kind hiermede verblijd. Onzen voorz. hiervoor dank, doch in ’t bizonder de geachte geefster”. Toegepaste en didactisch ingezette teksten in de vorm van sprookjes en historische 234
Een van de vertalingen door Titia van der Tuuk uit het oeuvre van G. Henty: Met Hannibal over de Alpen. Almelo, W. Hilarius wzn., 1894 (collectie Marc Jacobs). Henty’s The Young Carthaginian, A Story of the Time of Hannibal verscheen in 1887 als een van zijn 122 boeken, waarvan samen meer dan 25 miljoen exemplaren verkocht werden. Met acht vertalingen surfte Titia van der Tuuk en haar uitgever W. Hilarius Wzn mee op het commerciële succes van deze topper in “boy’s literature”.
Advertentie voor de reeks Jongensboeken van G.A. Henty, in Met Hannibal over de Alpen, 1894.
verhalen, geschikt voor school- en thuisgebruik; ook daarmee streefde ze impact na, naast naamsbekendheid en symbolisch kapitaal.142 In haar kleine autobiografische nota uit 1926 wordt haar activiteit als sprookjesmaakster en -bezorger “en passant” als volgt vermeld: “Omstreeks 1881 verscheen haar eerste sprookjesbundel „ln ‘t schemeruurtje”, nadat zij reeds af en toe bijdragen had geleverd voor de Nieuwe Bibliotheek voor de Jeugd van Van
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) Nooten, daarna volgden: „In ‘t hoekje van den Haard”, „Uit het Tooverland”, „Met verlof in het Vaderland”, „Rijk en arm”, „in vrije uren”, „Ter ontspanning”, „De geschenken van den dwerg”, „De vriend van den postopzichter”, „Gezellige uurtjes”, „Op den Lichtenhorst”,
Titelblad en eerste illustratie in Uit het Tooverland. Sprookjes, door Titia van der Tuuk (1890, Brugge, collectie Marc Jacobs), met zes gekleurde plaatjes, namelijk de afbeeldingen en de inhoud van het boekje De kleine fee, aangevuld met de verhaaltjes en bijpassende tekeningen Kleinood (drie afbeeldingen) en Jan Soezeldom (zonder afbeelding). De pagina’s zijn niet genummerd wat apart verkopen en combineren mogelijk maakte.
Illustratie bij het Kleinood-sprookje. De gravin valt in slaap en droomt van een elf die een kind (de helft van een “tweeling”) brengt dat in een levensboom gegroeid is. Als ze wakker wordt, heeft ze een plots kant-en-klare baby die al snel in een (voor-het-gevaldat… klaarstaand) wiegje ligt. In de rest van het verhaal volgt de ontmoeting met het andere kindje dat bij een schoenlapper gebracht is. Het door Titia van der Tuuk geschreven verhaal is te vinden in Uit het Tooverland. (1890, collectie Marc Jacobs). Het contrast met de expliciete beschrijvingen en afbeeldingen van geboortes in haar medische adviesboeken voor volwassen vrouwen kan moeilijk groter zijn. Titia van der Tuuk nam expliciet deel aan de debatten over wanneer en hoe jonge kinderen moesten ingelicht worden: “wanneer de tijd er rijp voor is”.
„Rozefee en Palo” enz. Verder vele bijschriften in de Tijdschriften: Jong Nederland, Ons Genoegen en St. Nicolaas. Tal van vertalingen van historische en andere boeken voor de jeugd van Henty, Brandstätter, Münckgesang, Spyri enz. Dan nog het oorspronkelijke verhaal : „Op kalme levenszee”“.143 De oogst van haar gestage productie van sprookjes en andere verhalen voor kinderen is enorm.144 Het is hier niet de plek om de tientallen bundels en verhalen en hun receptie te bespreken.145 In de ontsluiting van Volkskunde en andere afleveringen van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie komen ze niet voor. Toch horen ze tot de velden van sprookjesonderzoek en andere vormen van narratologie, volkskunde en volkscultuuronderzoek. Titia werd in Vlaanderen niet 100% genegeerd als auteur en tekstbezorger, toch niet in de pedagogische tijdschriften. Uitgerekend August Gittée pleegde in het tijdschrift De Toekomst een kritische recensie over een van die boeken van Van der Tuuk: Uit het Tooverland. Sprookjes, uitgegeven te Amsterdam in 1890.146 “Sprookjes? Van waar? Nederlandsche? Deze vraag stelt zich de lezer bij het zien van den titel van dit boek. En na het doorbladerd te hebben, zal de een het ontevreden ter zijde leggen, de ander er toe besluiten het in den familiekring voor te lezen. Beide indrukken laten zich verklaren. Hij die er echte sprookjes, uit eenig land om het even welk in zoekt, zal zeer teleurgesteld zijn. Immers de “Sprookjes” welke de titel belooft, zijn niets dan vertellingen aan het gewone leven ontleend, waarin de schrijfster een beetje wonder geweven heeft. Zij leveren intusschen het bewijs, dat de folklore reeds haren invloed doet gelden op 235
236
de letterkunde, zelfs op de beoefenaars van het proza, terwijl de volksstoffen reeds lang aangezien werden als een bron van inspiraties voor de poëzie. Ontegenzeggelijk mag men zích over dit feit verheugen, daar de volkslitteratuur van aard is om in de alledaagsche onderwerpen
aan hare vertellingen” zullen vinden. Hij voegde er nog aan toe dat de laatste indruk van het boek van Titia gunstig was: “wel wegens het innig natuurgevoel, dat uit de geschilderde tooneeltjes spreekt, en de ongewone frisch- en beeldrijkheid, waardoor
eenige afwisseling te brengen, verder om het proza tot natuurlijkheid en ongekunsteldheid terug te brengen. Juist deze eigenschappen zijn het, welke den lezer in het boek van Mej. Titia van der Tuuk boeien en gewis bij hem een aangenamen indruk zullen te weeg brengen brengen.147 Toch miste Gittée iets waardoor hij dit geen echte sprookjes vond, ook al drukte hij herhaaldelijk zijn appreciatie voor Titia als auteur uit: “Het wonderbaar element door de talentvolle schrijfster in haar verhalen ingelascht, maakt deze, trots den titel, daarom toch niet tot sprookjes: daartoe is het wonder met de handeling en met de personages zelve niet genoeg verweven”. In “het echte sprookje” speelt “het wonder” een veel grotere rol, ook in de ontknoping. Er wordt door Van der Tuuk te zeer aangestuurd op het overbrengen van een moraal van het verhaal, op een “zedelijke strekking”, op een les of een boodschap. Een tussenkomende fee staat dan als snel (al te expliciet) voor het Geweten, de Herinnering of de Plicht, die de heldin (het kind, …) op een recht pad moet houden, zo stipte Gittée aan. Al te belerend of didactisch willen zijn lijkt de magie door te prikken in een verhaal, zo suggereerde Gittée aan de hand van diverse voorbeelden van scenes, toverspreuken die letterlijk de les uitspellen of wezens uit de bundel van Van der Tuuk die letterlijk een deugd voorstellen: “Het geheel is een alledaagsche geschiedenis, welke, zoo zij als “kunstsprookje” gewis mislukt mag heeten, te veel verdiensten heeft onder het opzicht van taal en stijl, om uit een absoluut standpunt iets anders dan lof te verdienen”.148 Gittée bleef in de tekst hameren op het uit elkaar halen van een morele vertelling met een duidelijke zedenles enerzijds en een wondersprookje anderzijds. Desondanks meent hij dat Van der Tuuk voldoende schrijverstalent heeft, zodat het toch werkt voor kinderen die “groot genoegen
de vorm zich onderscheidt”.149 Enkele jaren later, in 1896, toen Gittée al uit de redactie van Volkskunde was gestapt, besprak hij in de links-liberale periodiek Vragen des tijds, nog eens recent sprookjesonderzoek in de wereld in het algemeen en in Nederland in het bijzonder. Hij ontwikkelde daar de stelling dat een “volks” wondersprookje door de werking van de (lange) tijd speciaal werd en zoiets eigenlijk nauwelijks te schrijven is als “kunstsprookje”: “De eigenaardige psychologie van het sprookje ligt zoo ver af van onze ontwikkeling, dat de geest van den negentiende-eeuwschen mensch er zich niet kan inleven; en terwijl in het echte volkssprookje het wonderbaar element volkomen op
Portret van Titia van der Tuuk, 1923, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, IISG BG B4/246.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) zijn plaats is en er het buitengewone zelfs niet van gevoeld wordt, juist omdat de geheele vertelling als een spel der fantasie behoorlijk wordt aangekondigd, vormt het in het kunstsprookje meest altijd een struikelblok; nu eens wordt de juiste grens overschreden, dan weer is dit element niet
frisheid en morele lessen hand in hand gaan; motieven om voor het lezen, schrijven en verspreiden van het genre te gaan.
genoeg uitgewerkt, en zoo verraadt de schrijver doorgaans, dat hij er niet mede op zijn gemak is. Kort is derhalve de lijst der letterkundigen die in dit vak verdienstelijks geleverd hebben. In Nederland hebben slechts Goeverneur en mej. Titia van der Tuuk, in Vlaanderen Prudens van Duyse er zich aan gewaagd, niet zonder succes doch ook zonder roem”.150
Den Haag: gele postkaarten die Titia van der Tuuk begin 1923 stuurde naar Pol de Mont.153 Het was Pol de Mont die haar (in een nog niet teruggevonden brief) had aangeschreven met een verzoek om uit te kijken naar publicatiemogelijkheden van sprookjes van een andere dame, die problemen had. Dat blijkt niemand minder dan Alida Wynanda Sanders van Loo (1860-1939) te zijn, de dame waarover Sylvia van Peteghem, de vroegere hoofdbibliothecaresse van de Universiteit Gent, haar doctoraat maakte.154 Na een faillissement van haar ouders in Nederland moest Sanders van Loo als opvoedster, schrijfster en vertaalster zelf voor haar inkomen zorgen. Dit laatste continueerde ze ook na haar verhuis naar België. Zo kruisten vanaf de jaren 1890 de paden van Sanders van Loo en Pol de Mont elkaar regelmatig, onder meer via haar werk als vertaalster en schrijfster van novellen, verhalen en kunstkronieken. Die werden onder andere gepubliceerd in het blad Onze Kunst, waar Paul Buschmann jr. (18771924), haar jongere geliefde en oud-leerling van Pol de Mont, tot zijn huwelijk in 1912 (met iemand anders) ook actief was. Na (en door de problematische Duitsgezinde houding tijdens) de Eerste Wereldoorlog kwam ze in moeilijkheden en moest ze uitwijken naar Nederland en Duitsland (Wiesbaden). Sukkelend met haar gezondheid, probeerde ze in 1923 ouder schrijfwerk te slijten. Het spreekt boekdelen dat Pol de Mont vanuit Antwerpen toen terugdacht aan een oud Nederlands contact, makelend rond sprookjes, om haar te helpen. Dat Pol Mont appelleerde aan een contactperiode in de late jaren 1880, maar ook dat ze sindsdien wellicht geen contact meer hadden, kan men afleiden uit de startzinnen van het antwoord van Titia van der Tuuk, waaruit ook blijkt dat ze elkaar toen effectief ontmoet hebben:
Er was volgens Gittée slechts een auteur buiten categorie die er wel in geslaagd was om goede wondersprookjes te schrijven, deels door slim de orale wondersprookjesschat aan te boren en te actualiseren, namelijk Hans Christian Andersen. En dan rijst nog de vraag: wie vertaalde, bundelde en presenteerde dan wel die sprookjes van Andersen in het Nederlands? 151 Inderdaad … ook (onder andere) Titia van der Tuuk. In haar in maart 1895 te Arnhem ondertekende voorwoord bij de bundel van alle sprookjes van Andersen, legde ze haar visie op deze vorm van letterkunde uit, met name hoe en waarom sprookjes om diverse redenen heel verschillende groepen mensen konden aanspreken. Daarbij bepleitte ze om kinderen toch bloot te stellen aan deze meerlagige en meerduidige verhalen: “Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles uithalen, wat er in zit? Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven werelden zijn”... 152 Vandaar dat het belangrijk was, zo stelde Van der Tuuk, om het volledige oeuvre van een grootmeester in dit genre, H.C. Andersen, in vertaling aan te bieden, laagdrempelig, maar met behoud van alle lagen, in een geïllustreerd leesboek dat vele functies kan vervullen. Daarbij konden volgens haar levendigheid,
Laten we eindigen met een laatste vondst in het archief van het Letterkundig Museum in
237
“Beste, zeer vereerde Pol de Mont, Of ik me U herinner! Mijn kennismaking met U, hoe kort ook, is in mijn geest blijven leven als een heel prettige gebeurtenis. En eenige van Uw gedichten, zoals “In Aprilmaand als de twijgen bloeien” leven ook in mij. Omstreeks 37 jaar is het geleden, dat ik U bezocht van uit Arnhem. Nu woon ik in het Zeister bosch en geniet dagelijks van de heerlijkheden, die de natuur geeft”.
Gele briefkaart van Titia van der Tuuk aan Pol De Mont, Zeist, 6/4/1923, Letterkundig Museum, Den Haag, T444.1. 238
Vervolgens kwam ze ter zake. Ze gaf aan dat ze niet zeker was dat ze erin zou slagen om de sprookjes van Sanders van Loo in een tijdschrift geplaatst te krijgen, maar dat ze haar best zou doen. Titia zou de toegestuurde teksten lezen en de inhoud en omvang inschatten en nagaan of ze bijvoorbeeld in de reeks Jacob van Campens Bibliotheek zouden kunnen worden geplaatst. Ze kende Sanders van Loo nog niet persoonlijk, maar vroeg haar adres, ook om haar een signaal te geven en duidelijk te maken dat ze dit relevant vond.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) werk te maken van het lezen van de kopij van de sprookjes en daarna op zijn brief te antwoorden.
Tot het inzicht gekomen …
Titelpagina van een nummer van de Vegetarische bode in juni 1935. Deze foto van Titia van der Tuuk werd na haar overlijden ook opnieuw afgebeeld in Vegetarische bode; orgaan van den Nederlandschen Vegetariërs-bond, 42, 1939, nr. 6, p. 191-192, p. 192, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB13:002828007:00001. In de laatste jaren van haar leven publiceerde Titia van der Tuuk nog af en toe artikels over vegetarisch eten. Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog raakte deze overleden pacifistische publiciste snel “vergeten”. Tot in de 21e eeuw.
“Persoonlijk ken ik haar niet, maar haar streven was mij altijd sympathiek. En nu: ziek, vrij oud en in het bezette gebied! Daar is hulp nodig. En al kan ik niet veel doen, met de lage valuta helpt een bescheiden Nederl[andse] gave ook al. Van uw eeredag heb ik in gedachten meegenoten. Met hartelijke handdruk, hoogachtend, Uwe U toegenegene Titia Vandertuuk. Zeist, Mooie Laantje 30, 22 Februari 1923. Op 6 april 1923 stuurde Titia een opvolgpostkaart naar Pol De Mont om zich te verontschuldigen omdat ze “door allerlei omstandigheden en een opeenstapeling van spoedeischend werk” niet een ontvangstbevestiging van zijn antwoordbrief had gestuurd; ze beloofde eerstdaags
De brutale claim in de titel van deze bijdrage, namelijk dat de geschiedenis van volkskunde en/of “folklore” in de Lage Landen moet worden herschreven, prikkelt hopelijk fors genoeg zodat mijn pleidooi – om Titia van der Tuuk vanuit het werkveld van de etnologie niet langer zo straal te negeren – binnenkomt. Hopelijk kan ze voortaan niet zomaar verzwegen of over het hoofd gezien blijven. Albert van der Zeijden had gelijk met zijn pleidooi om toch wat beter te kijken/lezen en vooral ook om op onterechte stiltes te letten. Maar dit is ook een pleidooi om bijvoorbeeld sprookjes in de jaren 1880 niet als een liefelijk kinderdingetje of wonderlijk reliek vanuit vervlogen tijden te beschouwen, maar als een contact- en experimenteerzone voor vrouwen, meisjes en jongemannen die in de schemerzone tussen fictie en non-fictie een weg probeerden te maken en in te breken. Voor vormen van kennisdeling was het onderzoek rond gezondheid, hygiëne, kleding, voeding veel meer dan “folklore”, maar ging het om de positie van geneeskunde en wetenschap in het leven van alledag en allenacht. Maar ook om hoe mannen en vrouwen met elkaar omgingen en om konden gaan en welke rollen kritische attitudes en vaardigheden daar dan bij speelden. De grenzen tussen de studie van het leven van alledag en de directe beïnvloeding en “verbetering” ervan door kennisdeling blijken doorlaatbaar. Overgangszones voor toegepaste volkskunde/folklore of andere wetenschappen, met een commercieel potentieel, werden door Titia van der Tuuk opengebroken en ingekleurd. Een comparatieve benadering kan ook diverse issues in de vroege jaren van Volkskunde in nieuwe perspectieven plaatsen, zoals het “drama” binnen de “Vlaamse” volkskun239
240
digendriehoeksverhouding tussen 1888 en 1894. Zo werd August Gittée verweten dat hij als auteur telkens opnieuw aandrong op de ontvangst van ruilbare overdrukken en een billijke betaling voor zijn teksten/werken. Een van de breekpunten bleken de geschil-
derzoek als een empirische en comparatieve “mensen”wetenschap die een hefboom had kunnen zijn voor de vele gevoelige thema’s waarvoor ze opkwam. Ze bleef lang actief werken en publiceren rond zowel (“volks”) geneeskunde en het zien en gebruiken van de
len met de uitgever-drukker van Volkskunde, rond betaling van auteursrechten. In juni 1893 betwistte Hoste het honorarium van 1 frank per pagina en bracht hij dit met terugwerkende kracht tot 18 januari 1891 op 0,5 frank per pagina: zo weigerde hij de door Gittée ingediende facturen voor de vorige jaren.155 Dit krijgt een ander perspectief als men de activiteiten van Gittée en De Mont in Nederland in die periode mee in beeld brengt, met de betere regelingen in Nederland (wat overigens ook speelde in de discussies rond het Taalverbond in de tijd van de start van Volkskunde). Dit speelde wellicht ook in een parcours zoals dat van Titia van der Tuuk die wel van haar pen en schrijfmachine moest leven en dus haar eventuele engagement in volkskundig onderzoek ook economisch en pragmatisch moest afwegen.156 Andere interessante patronen die onderzoek verdienen zijn de netwerken tussen diverse drukkerijen en uitgevers, zoals Annoot-Braeckman, Hendrik Hoste (1805-1888) en daarna Adolf Hoste (1846-1915) met zijn liberale onderwijzersblad De Toekomst, en de connecties en samenwerkingsverbanden met Drukkerij Thieme in Arnhem en Martinus Nijhoff in Den Haag. Ze waren allemaal met volkskundig werk bezig.157 Men kan alleen maar speculeren over de gedachte welk verschil er zou gemaakt zijn als na die ene publieke connectie in 1888 in het tijdschrift zelf, of na die in een gele briefkaart decennia later aangehaalde persoonlijke ontmoeting tussen Pol de Mont en Titia van der Tuuk of bij de interactie tussen Gittée en Van der Tuuk, besloten zou geweest zijn om, gesteld dat uitgever Hoste had willen betalen, Van der Tuuk haar redactie(secretaris)talenten had mogen uitspelen. Titia van der Tuuk zag kort voor en na 1888 een emanciperend potentieel in “folklore”on-
krachten van “natuur/cultuur/lichamelijkheid” en van “sprookjes”. Sprookjes schrijven bleek één van de meer toegankelijke vehikels die wel meer vrouwen met ambities als schrijfster in die periode cultiveerden158, maar wat in het geval van Van der Tuuk heel grote proporties aannam. Als spreekster, als auteur, als lerares en als vriendin, probeerde ze in allerlei kanalen de resultaten van haar denkwerk, verontwaardiging en bezorgdheid te delen. Noties zoals “vrouwelijkheid”, “vrouw zijn” of vrouwenrechten, “burger zijn”, “mens zijn” bleken gelaagd en ambitieus. Ook al bleven de deuren van de academische wereld gesloten, toch slaagde ze erin om door te dringen tot allerlei genootschappen, verenigingen en loges om daar in debat te gaan of op het debat te wegen. Illustratief is hoe in debatavonden in vrijmetselaarsloges op het eind van de negentiende eeuw Titia van der Tuuk werd aangehaald als autoriteit in de emancipatiebewegingen, bijvoorbeeld bij de bespreking van de vraag of vrouwenkiesrecht daarbij zou helpen. In zijn voorzet voor een discussie in de loge St. Lodewijk te Nijmegen in 1898, haalde logebroeder B. Van de Heggezijnen haar aspiraties aan als stof voor debat. Die waren volgens hem iets te scherp, te hoog en te onhaalbaar, maar daarom wel interessant om het debat onder broeders te voeden: “Wat is nu het ideaal der vrouwenbeweging ? Geen mannen- en vrouwen-rechten meer; geen mannen- en vrouwen-moraal meer; geen betrekkingen voor mannen en betrekkingen voor vrouwen; maar menschenrechten, hooge eerlijke moraal, betrekkingen voor de geschikten, dan, het kan niet anders, volgt er geluk voor allen! Dit ideaal stelt Titia van der Tuuk zich voor en ik voeg hierbij, gelukkig is het slechts een ideaal, dus iets onbereikbaar hoogs, want
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) vooral dat laatste „geluk voor allen” vind ik een eenigszins stoute bewering, die ik niet gaarne zou te verdedigen hebben”.159 Het is merkwaardig en hoopvol, maar wellicht niet toevallig dat in de 21e eeuw een krachtige en hardwerkende persoonlijkheid zoals Titia van der Tuuk in allerlei domeinen van geschiedkundig onderzoek opduikt, wordt erkend en opgemerkt. Ze lijkt een dea ex machina – “ticking almost all the boxes” – net voor en nu in donkere tijden van “DEI-bashing” en woke-allergie. Diversiteit. Emancipatie en gelijkwaardigheid. Inclusie. Ethisch handelen: het lijkt minder verworven dan gedacht. Titia van der Tuuk maakt sinds kort deel uit van de pedagogische historische hitparade in Nederland, alias de Canon, weliswaar niet op vensterniveau (zoals Aletta Jacobs), maar wel in het luikje emancipatiebewegingen vanaf 1870 in de subsite Arnhemse canon.160 Titia van der Tuuk kreeg, net als Desiderius Erasmus en René Descartes, op 15 april 2025 een van de vijftien herdenkingstegels in het centrum van Deventer in de Camino van Vrijheid.161 Ze maakt nu op diverse manieren deel uit van deverhalenvangroningen.nl (bezocht op 30-7-2025); zoals de fraaie afbeelding van Nienke op de voorpagina illustreert. Er is meer onderzoek mogelijk, zeker als de door Myriam Everard ontdekte en door haar af en toe gebruikte nalatenschap van het persoonlijk archief van Titia van der Tuuk voor iedereen toegankelijk wordt en wordt ontsloten.162 Misschien zitten daar nog allerlei nieuwe lijnen en sporen, ook voor de geschiedenis van volkskunde/folklore, verborgen. Er kunnen aanvullende, maar ook alternatieve verhalen worden verteld, bijvoorbeeld over het belang van onderzoekskracht in diverse lagen van het onderwijs, iets wat bijvoorbeeld in een heel recent doctoraat van Joris van Doorsselaer krachtig op de radar werd gezet, voor vandaag en morgen.163 Laat ons Titia van der Tuuk, naast voortaan de nodige vermeldingen, (h)erkenning en voetnoten, nog het laatste woord gunnen
om uit te drukken wat ze heeft willen zijn of betekenen of hoe ze wou herinnerd worden: “al nadenkende over allerlei maatschappelijke vraagstukken tot het inzicht gekoomen. (…) Zoo heeft deze energieke vrouw heel haar leven door haar uiterste best gedaan voor het verkrijgen van een betere, schoonere, rechtvaardiger en daardoor gelukkiger toekomst”.164
Marc Jacobs (1963) is momenteel gewoon hoogleraar erfgoedstudies en vice-decaan onderwijs in de Faculteit Ontwerpwetenschappen van de Universiteit Antwerpen, waar hij verbonden is met onderzoeksgroep ARCHES. Hij is ook deeltijds hoofddocent erfgoedstudies aan de Vrije Universiteit Brussel. ORCID: 0000-0002-5967-3053. marc.jacobs@uantwerpen.be en marc.ml.jacobs@vub.be 241
Bijlage: Volkskundige literatuur in de restanten van de bibliotheek van Titia van der Tuuk Een archief en boeken uit de bibliotheek van Titia van der Tuuk (1854-1939) kwamen na haar overlijden terecht bij de familie Frima, waarmee in 1881 via het huwelijk van Titia’s zus Jacqueline Agathe van der Tuuk (1856-1915) met Hendrik Frima (1851-1904) een band was ontstaan. Bij het overlijden van Titia Frima (1935-2016) werd het archief toevertrouwd aan een onderzoekster, dr. Myriam Everard, die eerder al gebruik had mogen maken van onderdelen om enkele artikels te publiceren. Het is op termijn bestemd voor, maar (nog) niet gedeponeerd noch ontsloten in het publiek toegankelijke archief van Atria. Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis. Door de vroegere Atria-archivaris Annette Mevis werd in 2016 in een excelbestand een standlijst gemaakt van de bij Frima aangetroffen restanten van de bibliotheek van Titia van der Tuuk en haar partner Rose Elisabeth Roosegaarde Bisschop (1856-1940).165 Het is natuurlijk moeilijk na te gaan welk selectie- en afstotingsprocessen zo’n collectie van boeken, archiefstukken en andere objecten in acht decennia hebben ondergaan. Bij vergelijking van de besproken boeken uit die bibliotheek in een artikel van Everard uit 1991 en de standlijst uit 2016, blijken verschillende werken te ontbreken in de recente lijst.166 Toch bleven er ruim 956 andere items over in de excellijst, nog een rijke oogst. Daarin zitten tientallen publicaties waar Titia als auteur, vertaalster of tekstredactrice zelf toe had bijgedragen (maar ook dat is een verre van volledige lijst). Als pars pro toto vermelden we de tweede druk van de door Titia van der Tuuk verzorgde vertaling van G. A. Henty, In dienst van den Prins, een verhaal uit den 80-jarigen oorlog, Almelo, W. Hilarius Wzn., s.d., met daarin de significante handgeschreven dedicatie: “A cara mia Rosa”. Het verklikt dat we hier te maken hebben met de 242
restanten van een bibliotheek van een koppel. Het exemplaar van Titia van der Tuuks In ‘t hoekje van den haard. Sprookjes en vertellingen (Amsterdam, L. J. Veen, s.d.) bevat de nota: “P. H. C. van der Tuuk-Lenting. Gekregen van Titia den 16 Nov. 1887” waaruit blijkt dat er ook boeken van haar in 1900 overleden moeder in zaten. Vele boeken kunnen gelinkt worden met haar vertaalwerk, naast boeken van en over Albert Einstein, Sigmund Freud, Charles Darwin, … of bijvoorbeeld reis- en streekgidsen over Nederland. Talrijke aantekeningen door Titia van der Tuuk in potlood, dedicaties, bladwijzers, … (vermeld in de excellijst) verklikken dat het ooit een uitgebreide werkbibliotheek was. Een deel van de boeken in de excellijst zijn duidelijk te linken aan een canon van volkskundig (met name sprookjes)onderzoek. Uit het hieronder weergegeven overzicht blijkt hoe ze met name in de tweede helft van de jaren 1880 investeerde in dat soort onderzoek. Deze deelverzameling markeerde ze met een naamstempel als paratekst op of nabij de voorpagina. Verder zijn er via de collectie ook interessante sporen van een later contact te traceren met een self-made volkskundige en postbode uit Vlaanderen: Frans (Petrus Franciscus) Coeckelbergs (Heist-op-den-Berg, 1859 Middelburg, 1918)167, die als zanter ook publiceerde onder het pseudoniem Frans Zand, en de geschonken bundel op zijn actief had168 en Titia ook vond in het streven naar reiner leven, anti-militarisme, dierenbescherming en … volkskundig werk.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
Selectie van de vaak met potloodstreepjes en aantekeningen bezaaide volkskundige publicaties uit de bibliotheek van Titia van der Tuuk (momentopname 1939/2016, met dank aan Bettemiek Grijns)
Hutton, Isabel Emslie, M.D., The hygiene of marriage, London, William Heinemann Ltd., 1929, Second edition, met los in het boek: Holda, Waarom paarlen tranen beduiden. Een Sprookje, december 1887, met opdracht: “Van de schrijfster”
Andriessen, S. J., Andersens Sproken en Vertellingen, Nijmegen - Arnhem, Gebr. E. & M. Cohen, vierde druk
Knappert, L., Verloving en huwelijk in vroeger dagen, Amsterdam, Meulenhoff & Co., 1914
Baumbach, Rudolf, Es war einmal. Märchen, Leipzig, Verlag von A.G. Liebeskind, 1890 (vijfde druk, op de omslag geschreven “Titia Van der Tuuk 20 November 1889”)
Laan, K. ter, Groningen voor honderd jaar. Volksverhalen uit de geschriften van die dagen, Groningen, Erven A. de Jager, 1937
Baumbach, Rudolf, Neue Märchen, Leipzig, Verlag von A. G. Liebeskind, 1894 Bechstein, Ludwig, Thüringer Sagenbuch, Leipzig, C. A. Koch’s Verlagsbuchhandlung, 1885 (tweede druk) (stempel: Titia Van der Tuuk, Arnhem) Becquer, Gustave, Légendes espagnoles, Paris, Librairie de Firmin-Didot et Cie, 1885 (stempel op kaft boek: Titia Van der Tuuk, Arnhem) Bergh, L. Ph. C. van den, Nederlandsche Volksoverleveringen en Godenleer verzameld en opgehelderd, Utrecht, Johannes Altheer, 1836 Brentano, Clemens, Gockel, Hinkel und Gackeleia. Märchen, Berlin, G. Grote’sche, 1872
Huizenga-Onnekes, E. J., Het boek van Trijntje Soldaats. Groninger Volksvertellingen, eerste deel, Groningen, P. Noordhoff, 1928 (voor de titelpagina: “voor Titia en Rose van Ida en Sophie. Zeist 22-4-29”) Klooster, Angenita C., De lampeklazen. Een Zeeuwsch dorpsverhaaltje, Bussum, Faber & Co., s.d., (Vooraan in boek geschreven: “v.d. S.”)
Leander, Sprookjes, Rotterdam, “Elsevier”, s.d., derde druk (Richard von Volkmann, 1830-1889) Lescure, Mathurin de, Le monde enchanté. Choix de douze contes de fées, Paris, Librairie de Firmin-Didot et Cie Gaillard, A., 1883 Macé, Jean, Contes du Petit-Chateau, Paris, J. Hetzel et Cie, s.d. achtste druk Maspero, Gaston., Les contes populaires de L’Égypte ancienne, Paris, J. Maisonneuve, 1889, tweede druk Metzsch, Alma von, Was ich Olga erzählte. Erzählungen und Märchen, Leipzig, Hermann Schultze, s.d. (op de omslag stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Capuana, Luigi, Es war einmal. Märchen, Berlin, A. Hofmann & Comp., s.d.
Meyer, Gustav, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde, Berlin, Verlag von Robert Oppenheim, 1885 (buiten op het boek geschreven: “Titia Van der Tuuk 12 Mrt 85”)
Cassel, D. Paulus, Aus dem Lande des Sonnenaufgangs. Japanische Sagen aus originaler Mittheilung, Berlin, Wilhelm Issleib, 1885 (stempel en handtekening op kaft: “Titia Van der Tuuk Arnhem October ‘85”)
Mont, Pol de & Alfons de Cock, Zoo vertellen de Vlamingen. Ten believe en gerieve van de Waalsche Schooljeugd, die gaarne Nederlandsch wil leeren, Gent, I. Vanderpoorten, 1903
Cock, Alfons, de, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, Gent, J. Vuylsteke, 1891
Mont, Pol de & Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche vertelsels uit den volksmond, Gent, I. Vanderpoorten en Kluwer Deventer, 1898
Coeckelbergs, Frans, Sprookjes Legenden Sagen Liederen, Antwerpen, Lodewijk Opdebeek Pellens, Edward, 1903 (“Aan Mej. Titia van der Tuuk, uit vriendschap en hoogachting. De schrijver Coeckelbergs Heist-op-den-Berg, 14 Augustus 09”).
Mont, Pol de & Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche wondersprookjes het volk naverteld, Gent, A. Siffer, Deventer, Kluwer & Co. 1896 (op omslag met pen: Ter recensie)
The Fairy Mythology Vol. 1 en 2, London, William Harrison Ainsworth, 1828
Nellie, Sprookjes en Vertellingen, Leiden, E. J. Brill, 1886 (stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Goldschmidt, Wilhelm, Russische Märchen, Leipzig, Wilhelm Friedrich, 1883 (stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Perrault, Charles, vertaling J. Goeverneur, De vertellingen van Moeder de Gans, Arnhem, J. van Egmond Jr., s.d. (stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Grimm, Brüder (ed.), Kinder- und Hausmärchen gesammelt durch die Brüder Grimm, Berlin, Wilhelm Hertz, 1873, 12e druk (stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Pichler, Luise, Märchen, Stuttgart, Druck und Verlag von Gebrüder Kröner, (stempel: Titia Van der Tuuk Arnhem)
Holda, Uit de papieren eener grootmoeder, Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1886 (stempel op de buitenkaft: Titia Van der Tuuk Arnhem; Op eerste pagina: “Uit hartelijke sympathie October /86 De Schrijfster”). Holda is het pseudoniem van Adriana Jacoba Clant van der Mijll-Piepers (1842-1923).
Putlitz, Gustav zu, Was sich der Wald erzählt. Ein Märchenstrausz, Berlin, Verlag von Gebrüder Partel, 1876, 37e dr
243
Reinsberg-Düringsfeld, Le Baron de, Calendrier Belge. Fêtes religieuses et civiles. Tome premier, Bruxelles, Ferdinand Claassen, 1860.
Swarth, Hélène, Kindersprookjes, Groningen, J. B. Wolters, 1887, (vooraan in boek geschreven: Titia van der Tuuk) en diverse andere dichtbundels.
Reinsberg-Düringsfeld, Le Baron de, Calendrier Belge. Fêtes religieuses et civiles. Tome second, Bruxelles, Ferdinand Claassen. Zutphen, 1862
Sylva, Carmen, Pelesch-Märchen, Bonn, Verlag von Emil Strausz, 1886, derde druk.
Reinsberg-Düringsfeld, O. Frhr. Von, Das festliche Jahr in Sitten, Gebräuchen und Festen der Germanischen Völker, Leipzig, Verlag von Otto Spamer, 1863 Rogge, Hendrik, Sproken en vertellingen uit de Middeleeuwen, Amsterdam, Y. Rogge, 1885 (stempel op omslag: Titia Van der Tuuk Arnhem) Schmidt, Ferdinand (ed.), Buch deutscher Märchen für Schule und Haus, Berlin, A. Haack, s.d. (vierde druk, stempel: Titia Van der Tuuk) Schmidt, Gustav, Sagen aus dem Teutoburger Walde un seiner Umgebung, Lemgo, Druck von J. L. Wagener, 1891.
Tegnér. Esaias, Frithjof-Sage, München, Friedr. Bruckmann’s Verlag, s.d. Wlislocki, Heinrich von, Märchen und Sagen der Bukowinaer und Siebenbürger Armenier, Hamburg, Verlagsanstalt und Druckerei Actien-Gesellschaft, 1891 Wolf, Johann Wilhelm, Niederländische Sagen, Leipzig, F. A. Brockhaus, 1843 (toegevoegd vooraan in het boek: ”From the Books of William J. Thoms at the service of his Friends”) Wuttke, Adolf, Der deutsche Volksaberglaube der Gegenwart, Berlin, Verlag von Wiegand & Grieben, 1869, tweede druk
Stokes, Maive (ed.)(vertaling H. Scheltema), Indische sprookjes, ‘s-Gravenhage, De gebroeders Van Cleef, [1881]
Marc Jacobs
ABSTRACT Gender corrections: Titia van der Tuuk (1854–1939) Should the history of folklore studies in the Netherlands and Belgium (in the last quarter of the nineteenth century) be revised? This article puts the importance of a number of forgotten key texts on “folklore” (studies), published by Titia van der Tuuk in the 1880s and 1890s, back on the radar and the agenda. These texts are part of a much broader oeuvre, addressing a wide range of societal challenges and intellectual problems. How is it possible that these contributions and critical reflections – and their female author – have been forgotten and ignored? Why is a prolific and productive author, translator, and editor such as Titia van der Tuuk not mentioned in the historiography of Volkskunde/ folklore studies/ethnology, including in this journal Volkskunde, with the notable exception of one text by Van der Tuuk herself, published in its first year, in 1888? How did several relevant texts from the 1880s – not only those of Titia van der Tuuk, but also by protagonists like Pol de Mont and August 244
Gittée – escape the attention of bibliographic instruments and their users? This article focuses on the life and oeuvre of Titia van der Tuuk, and on her activities in the three decades before and after 1900. She was pioneering and made a difference in many domains, not only in feminism. Her work as a translator and cultural broker is impressive, and yet she seems to have been forgotten – until now. She deserves a place in many historical narratives, including that of Volkskunde/folklore studies. That is precisely what this contribution aspires to do. Key words: Folklore studies, Volkskunde, gender, Low Countries, genealogy of heritage studies, translation, narratology, fairy tales, feminism, activism, atheism, LGBTQ+, medical knowledge, hygiene, Titia van der Tuuk, Pol de Mont, August Gittée, Anna Fischer-Dückelmann.
Marc Jacobs | Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939) 1 1.
2 2.
3 3.
‘Voorwoord’ ‘Voorwoord’door doorMichelle MichellePerrot, Perrot,in: in:T.T.Lecocq, Lecocq,
p.Voor 89. Voor een recente een recente herontdekking herontdekking van Augusta van
Geschrapt, Geschrapt,uitgegomd, uitgegomd,gewist. gewist.Hoe Hoevrouwen vrouwenuit uit
Augusta De Clercq Dedoor Clercq onderzoekers door onderzoekers van de Univervan de
de degeschiedenis geschiedeniszijn zijngeschreven, geschreven,Berchem, Berchem,Epo, Epo,
Universiteit siteit van Oxford, van Oxford, zie https://laceincontext. zie https://laceincon-
2025, 2025,p.p.9.9.Het HetFranse Franseorigineel origineelLes Lesgrandes grandes
text.com/tag/augusta-de-clercq/ com/tag/augusta-de-clercq/ (bezocht (bezocht op
oubliées: oubliées:Pourquoi Pourquoil’histoire l’histoireaaeffacé effacéles lesfemmes femmes
op 28/7/2025) 28/7/2025) enen https://laceincontext.com/ https://laceincontext.com/
verscheen verscheeninin2001 2001bij bijL’iconoclaste L’iconoclastete teParijs.. Parijs.
the-hunters-of-pleasure-the-lacemakers-feastthe-hunters-of-pleasure-the-lacemakers-feast-
T. T. Dekker, Dekker, ‘Ideologie ‘Ideologie en en volkscultuur: volkscultuur: een een
day-in-geraardsbergen-east-flanders/ day-in-geraardsbergen-east-flanders/(bezocht (bezocht
geschiedenis geschiedenisvan vande deNederlandse Nederlandsevolkskunvolkskun-
op op28/7/2025), 28/7/2025),naast naastD. D.Surdiacourt, Surdiacourt,‘“Hoe ‘“Hoe
de’, de’,in: in:T.T.Dekker, Dekker,H. H.Roodenburg Roodenburg&&G. G.RooijRooij-
wonder wonderisistoch tocheen eenmenschenhart”. menschenhart”.Fragmenten Fragmenten
akkers akkers(red.), (red.),Volkscultuur. Volkscultuur.Een Eeninleiding inleidingin in
uit uithet hetleven levenvan vanAugusta AugustaDe DeClercq’, Clercq’,GerardiGerardi-
de deNederlandse Nederlandseetnologie, etnologie,Nijmegen, Nijmegen,SUN/ SUN/
montium, montium,2014. 2014.https://www.gerardimontium. https://www.gerardimontium.
Meertens MeertensInstituut, Instituut,2020, 2020,p.p.13-65, 13-65,p.p.15. 15.
be/artikel/hoe-wonder-is-toch-een-menschenbe/artikel/hoe-wonder-is-toch-een-menschen-
A. A.van vander derZeijden, Zeijden,‘Vrouwen ‘Vrouwenininde devolkskunde volkskunde
hart-fragmenten-uit-het-leven-van-augustahart-fragmenten-uit-het-leven-van-augusta-
ten tentijde tijdevan vanhet hetinterbellum: interbellum:de defactor factorgender gender ininde dewetenschapsbeoefening’, wetenschapsbeoefening’,Volkskunde, Volkskunde,
4 4.
de-clercq-deel-1/ de-clercq-deel-1/(bezocht (bezochtop op28/7/2025). 28/7/2025). 6 6.
imposante imposantefoto fotovan vanAlice AliceGomme Gommeininhet hetboek boek
‘Historicus ‘Historicus––Oude-stijler Oude-stijlerén éncultureel cultureelmakelaar makelaar: :
van vanR. R.Dorson, Dorson,The TheBritish BritishFolklorists: Folklorists:AAHistory, History,
de denalatenschap nalatenschapvan vandr. dr.Albert Albertvan vander derZeijden Zeijden
London: London:Routledge Routledgeand andKegan KeganPaul, Paul,1968 1968te te
(1957-2021)’, (1957-2021)’,Volkskunde, Volkskunde,122:3, 122:3,2021, 2021,p. p.371-380. 371-380.
blijven blijvenhangen hangenmaar maarecht echtdoor doorte teduwen duwenen en
Zie ZieTh.A.M. Th.A.M.van vander derMeer, Meer,‘Meertens, ‘Meertens,Pieter Pieter
verder verderte tekijken. kijken.“But “Butwhen whenGomme’s Gomme’sscholarscholar-
Jacobus Jacobus(1899-1985)’, (1899-1985)’,ininBiografisch BiografischWoorWoor-
ship shipisisassessed assessedwithout withoutthe thedistorting distortingglass glass
denboek denboekvan vanNederland. Nederland.URL:http://resources. URL:http://resources.
of ofstereotype, stereotype,the thescope scopeand anddepth depthof ofher her
huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/ huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/
achievements achievementsare arestriking striking(…) (…)In Incommon commonwith with
bwn6/meertens bwn6/meertens[12-11-2013]; [12-11-2013];de debiografie biografievan van
the themany manywomen womenwho whoshaped shapedthe theearly early study study
K. K.Sluys, Sluys,Herman HermanBianchi Bianchien enzijn zijnlevenslange levenslange
of offolklore folkloreininEngland, England,however, however,Gomme’s Gomme’srole role
strijd strijdvoor voorgerechtigheid, gerechtigheid,Amsterdam, Amsterdam,UitgeUitge-
and andabilities abilitieshave havebeen beendiminished, diminished,misremisrepre-
verij verijBas BasLubberhuizen, Lubberhuizen,2015; 2015;https://www. https://www.
presented sented or or even even omitted omitted from from thethe record”. record”. is
geheugenvandevu.nl/blog/vervuld-van-zichgeheugenvandevu.nl/blog/vervuld-van-zich-
isde destelling stellingininG.G.Boyes Boyes‘A‘AProper ProperLimitation’ Limitati- -
zelf-strevend-naar-een-betere-wereld-crizelf-strevend-naar-een-betere-wereld-cri-
on’ Musical - Musical Traditions Traditions MT074 MT074 https://www.mustrad. https://www.
minoloog-herman-bianchi minoloog-herman-bianchi(net (netvoor voorhet het
mustrad.org.uk/articles/gomme.htm org.uk/articles/gomme.htm (bezocht (bezocht op op
definitief definitiefafsluiten afsluitenvan vande detekst, tekst,nog nogeens eens
28/7/2025) 28/7/2025)en enG. G.Boyes, Boyes,‘Alice ‘AliceBertha BerthaGomme Gomme
bezocht bezochtop op28/7/2025) 28/7/2025)en enR. R.van vanSwaaninSwaanin-
(1852-1938): (1852-1938):AAReassessment Reassessmentof ofthe theWork Workof ofa
gen, gen,‘Herman ‘HermanBianchi’, Bianchi’,Tijdschrift Tijdschriftover overCultuur Cultuur
5 5.
Zie Ziede deoproep oproepom omniet nietbij bijde depassage passageen ende de
103:2, 103:2,2002, 2002,p.p.97-123; 97-123;M. M.Jacobs Jacobs&&S.S.Elpers, Elpers,
Folklorist’, a Folklorist’,!Folklore, Folklore, 101:2, 101:2, 1990, 1990, p. 198-208. p. 198-208.
&&Criminaliteit, Criminaliteit,1,1,2016 2016https://www.bjutijdhttps://www.bjutijd-
7 7.
schriften.nl/tijdschrift/tcc/2016/1/TCC_2211schriften.nl/tijdschrift/tcc/2016/1/TCC_2211-
8 8.
Van Vander derZeijden, Zeijden,Vrouwen, Vrouwen,p.p.97. 97. K. K.Harloe, Harloe,A. A.Thornton, Thornton,J.J.Baker, Baker,A. A.K. K.Mahal Mahal
9507_2016_006_001_009/fullscreen 9507_2016_006_001_009/fullscreen; ;https:// https://
&&S.Howard, S.Howard,‘Beyond ‘Beyond‘Notability’: ‘Notability’:Re-evaluaRe-evalua-
biografieportaal.nl/recensie/herman-bianchi-cribiografieportaal.nl/recensie/herman-bianchi-cri-
ting tingWomen’s Women’sWork WorkininArchaeology, Archaeology,History History
minoloog-kees-sluys/ minoloog-kees-sluys/(bezocht (bezochtop op28/7/2025). 28/7/2025).
and andHeritage HeritageininBritain, Britain,1870 1870––1950’ 1950’(https:// (https://
Van Vander derZeijden, Zeijden,Vrouwen, Vrouwen,p.p.97. 97.Als Alsaangesproaangespro-
beyond-notability.wikibase.cloud beyond-notability.wikibase.cloud(bezocht (bezocht
ken kenauteur auteurvind vindikikdat datonvoldoende onvoldoendeaandacht aandacht
op op28/7/2025), 28/7/2025),2021-2024). 2021-2024).Voor VoorAlice Alice
werd werdbesteed besteedaan aande dekeuze keuzeom omAugusta AugustaDe De
Bertha BerthaGomme Gommezie ziehttps://beyond-notabilihttps://beyond-notabili-
Clercq Clercq(1887-1944) (1887-1944)uit uitGeraardsbergen Geraardsbergeninin beeld
ty.wikibase.cloud/wiki/Item:Q894 ty.wikibase.cloud/wiki/Item:Q894(bezocht (bezocht
beeld te brengen te brengen in M. Jacobs, in M. Jacobs, Volkskunde Volkskunde in hetin
op op28/7/2025) 28/7/2025)en envoor voorCharlotte CharlotteBurne, Burne,
het interbellum. interbellum. De De Zuidnederlandse Zuidnederlandse Centrale Centrale voor
https://beyond-notability.wikibase.cloud/ https://beyond-notability.wikibase.cloud/
voor Folklore-Onderzoek, Folklore-Onderzoek, een ontbrekende een ontbrekende schakel?, schakel?, Gent, Bond Gent, vanBond Oostvlaamse van Oostvlaamse Volkskundigen, Volkskundigen, 1989, p. 57, 1989, p. 68, p. en 57, p. p. 86 68,tot en en p. 86 mettot p. en 89.met
wiki/Item:Q662 wiki/Item:Q662(bezocht (bezochtop op28/7/2025). 28/7/2025). 9 9.
Zie Ziede decombinatie combinatievan vanM. M.Jacobs, Jacobs,‘‘Daar ‘‘Daarspreken spreken we wenog nogover over…’: …’:over overdisciplinaire disciplinairevertogen vertogenen en 245
praktijken, praktijken,voor vooren enmet metelektronische elektronischedataverdataver-
treert, volstaat het volgende “het de bronnengebruik van Titiavoorbeeld: van der Tuuk
werking’, werking’,Volkskunde, Volkskunde,124:3, 124:3,2023, 2023,p. p.333-337; 333-337;
woord stoer, dat, oorspronkelijk in de illustreert, volstaat het volgendealleen voorbeeld:
M. M.Jacobs, Jacobs,‘Steekkaarten, ‘Steekkaarten,-bakken -bakkenen enpublicapublicaties
noordelijke gebruik, reeds in Hey’s “het woordprovinciën stoer, dat, in oorspronkelijk alleen in
ties de ingewanden de ‘volkskunde’ in 20e de : de: ingewanden vanvan de ‘volkskunde’ in de
gedichten voorkomt en ook den tenreeds vorigen de noordelijke provinciën inin gebruik, in
20e eeuw’, Volkskunde, 124:3, 2023, p. 339-374; eeuw’, Volkskunde, 124:3, 2023, p. 339-374;
jare verschenen Regina van in Cornelie Hey’s gedichtenroman voorkomt en ook den ten
M. M.Jacobs, Jacobs,‘Parateksten, ‘Parateksten,folklore, folklore,volkskunvolkskunde
Huygens wordt aangetroffen. Opmerkelijk vorigen jare verschenen roman Regina vanis
de bibliografische instrumenten 20e enen bibliografische instrumenten in in dede 20e
hierbij, datHuygens het woord in het noorden onzes Cornelie wordt aangetroffen. Opmer-
eeuw’, eeuw’,Volkskunde, Volkskunde,124:3, 124:3,2023, 2023,p. p.375-399. 375-399.
lands gebezigd zaken in kelijksteeds is hierbij, dat hetwordt woordvoor in het noorden
10 10. G. G.Deneckere, Deneckere,‘Geletterde ‘Geletterdevrouwen vrouwen
overige deelen van Nederland, voor zoo ik in de beteekenis van moeilijk, terwijl hetver in de
Depuydt Depuydt&&L.L.Langouche Langouche(eds.), (eds.),Vrouwen Vrouwen
weet, uitsluitend op Nederland, personen slaat. overige deelen van voorHet zookomt ver ik
van vanPapier, Papier,Brugge, Brugge,2024, 2024,p.p.8-16, 8-16,p.p.16 16
echter in de Woordenlijst der Nederlandsche weet, uitsluitend op personen slaat. Het komt
11 11. 12/07/[1885], 12/07/[1885],Brugge, Brugge,Jan JanCraeynest Craeynestaan aan[Guido
taal vanin De en Te Winkel in het geheel echter deVries Woordenlijst der Nederlandsche
Gezelle], Guido Gezellearchief, Stadsbibliotheek; [Guido Gezelle], Guido Gezellearchief,
niet ook nieten in het uitvoerig Nederlandtaalvoor, van De Vries Te Winkel in het geheel
ID Gezellearchief 7865 + 3586, Zoutenay Stadsbibliotheek; ID Gezellearchief 7865++3322,
sch-Hoogduitsch Woordenboek van Sicherer niet voor, ook niet in het uitvoerig Nederland-
M3586, ficheZoutenay 11 + 3348,+fiche (de brief verknipt 3322,164 M fiche 11 + was 3348,
en Akveld”. Van der Tuuk, Folklore, p. Sicherer 160. sch-Hoogduitsch Woordenboek van
tot infofiches dewas nietverknipt beschreven achterkant, fiche 164 (de op brief tot info-
22 Van der Tuuk, Folklore, p. 160 stelt dat er en Akveld”. Van der Tuuk, Folklore, p. 160.
maar kon worden gereconstrueerd) fiches opdeels de niet beschreven achterkant,
synoniem is en gebruikt 22. geen Van Nederlands der Tuuk, Folklore, p. 160 stelt dat erhet
12 https://encyclopedievlaamsebeweging.be/ maar kon deels worden gereconstrueerd)
Franse “touche à tout” als uitleg. geen Nederlands synoniem is enMisschien gebruikt het
(bezocht op 28/7/2025). 12. nl/fredericq-paul https://encyclopedievlaamsebeweging.be/
betekent het ietsàzoals Franse “touche tout”“manusje-van-alles”? als uitleg. Misschien
13 J. Winkler, ‘West-Vlaamsch en Nederlandnl/fredericq-paul (bezocht op 28/7/2025).
23 Idem, p. 161. betekent het iets zoals “manusje-van-alles”?
- Nog eens!’, De Nederlandsche Spectator, 13. sch J. Winkler, ‘West-Vlaamsch en Nederland-
24 Idem, 23. Idem,p.p.161. 161.Vergelijk met A. Schmiesing, The
4/7/1885 eneens!’, J. Winkler, ‘West-Vlaam- Spectator, sch - Nog De Nederlandsche
A Biography, New Haven & 24. Brothers Idem, p.Grimm. 161. Vergelijk met A. Schmiesing, The
sch en Nederlandsch’, den Heerd, 4/7/1885 en J. Winkler,Rond ‘West-Vlaam-
London, University Press, 2024, p. 97-99. BrothersYale Grimm. A Biography, New Haven &
20: p. 253; p. 254-255 sch33, en 12/07/1885, Nederlandsch’, Rond den Heerd,
25 Idem, p. 161. London, Yale University Press, 2024, p. 97-99.
14 Dossier Paul Fredericq, in: Rond den 20: 33, 12/07/1885, p. 253; p. 254-255
26 Idem, 25. Idem,pp.161. 161.
15/11/1885, p. 397-400. 14. Heerd, Dossier Paul Fredericq, in: Rond den
27 Zie bijvoorbeeld D. De Vries, E. Van Ekert 26. Idem, p 161.
15 Al deze15/11/1885, argumenten waren ook al Heerd, p. 397-400.
T. bijvoorbeeld Meder, Trilbil D. enDe duivelsdrek. 17 oude 27. en Zie Vries, E. Van Ekert
in De Nederlandsche 15. aangehaald Al deze argumenten waren ook al
Groninger sprookjes Trijntje Soldaats en T. Meder, Trilbil envan duivelsdrek. 17 oudeen
Spectator, 27/6/1884, p. 207-208. aangehaald in De Nederlandsche
haar toehoorders, Gorredijk, Uitgeverij Sterck Groninger sprookjes van Trijntje Soldaats en
16 https://demo.kantl.be/gezelle/ed/ Spectator, 27/6/1884, p. 207-208.
&haar De Vreese, 2022. Gorredijk, De verhalen werden Sterck tussen toehoorders, Uitgeverij
16. DALF.db.gg.14198?view=pdf&styhttps://demo.kantl.be/gezelle/ed/
1800 1804 door Gerrit Arend tussen & Deen Vreese, 2022.het De kind verhalen werden
le=reading (bezocht op 28/7/2025). DALF.db.gg.14198?view=pdf&sty-
Arends Ezinge genoteerd het Arend horen van 1800 ente1804 door het kind na Gerrit
17 T. van der Tuuk, ‘Folklore’, De Nederlandle=reading (bezocht op 28/7/2025).
de vertellingen vangenoteerd de naaister Alberts Arends te Ezinge naTrijntje het horen van
Spectator, 160-162, p. 161. 17. sche T. van der Tuuk,16/5/1885, ‘Folklore’,p.De Nederland-
(hertrouwd als Wijbrands en bijgenaamd naar de vertellingen van de naaister Trijntje Alberts
Zie ook de echo in De portefeuille, kunstsche Spectator, 16/5/1885, p. 160-162, p. 161.
haar eerste man die soldaatenwas) gepubliceerd (hertrouwd als Wijbrands bijgenaamd naar
en 7: 8, p. 129.kunstZieletterbode, ook de echo in23/5/1885, De portefeuille,
inhaar 1928, 1958,man 2003 ensoldaat 2022. De eerste tekstbeeerste die was) gepubli-
18 Idem, p. 160. 7: 8, 23/5/1885, p. 129. en letterbode,
zorgster de1958, eerder vermelde Eilina Huiceerd in was 1928, 2003 en 2022. De eerste
19 18. Idem, Idem,p.p.160. 160.
zenga-Onnekes dievermelde naar verluidt tekstbezorgster(1883-1956), was de eerder Eilina
20 van 19. Titia Idem, p. der 160.Tuuk plaatste vraagtekens bij enTuuk dingen die niet benoemd bij 20. eufemismen Titia van der plaatste vraagtekens
246
de beteekenis van moeilijk, terwijl hetvoor in de onzes lands steeds gebezigd wordt zaken
en engender genderininhet hetGezellearchief’, Gezellearchief’,in: in:E. E.
het manuscript in haar familiearchief vond.verluidt Huizenga-Onnekes (1883-1956), die naar 28 Van der Tuuk, Folklore, p. 161. het manuscript in haar familiearchief vond.
mogen worden: blazende die haar eufemismen en “Een dingen die nietkat benoemd
29 “Behalve in sommige provinciale almanakken en 28. Van der Tuuk, Folklore, p. 161.
klauwen in het vleesch slaat lief kat poesje mogen worden: “Een blazende die haar
er belangrijke bouwsteenenen. 29. jaarboekjes “Behalve inworden sommige provinciale almanakken
te noemen devleesch lievigheid wat alpoesje te ver klauwen inishet slaat lief
gevonden in:worden Onze Volkstaal, onderbouwsteenen redactie van . jaarboekjes er belangrijke
drijven”. Vanisder Folklore, p.te 160. te noemen de Tuuk, lievigheid wat al ver
Taco H. de Beer, De Oude Tijd,onder de werken vanvan Ter gevonden in: Onze Volkstaal, redactie
21 Als pars pro dat ook het gevarieerde drijven”. Vantoto, der Tuuk, Folklore, p. 160.
Gouw, van enOude Verwijs Taco H. deLennep Beer, De Tijd,, de de Navorscher werken van ,Ter
vandat Titia van der Tuuk illus21. bronnengebruik Als pars pro toto, ook het gevarieer-
de tweevan reeds genoemde bundels en KinGouw, Lennep en Verwijs , de BakerNavorscher ,
derrijmen de twee reeds van van genoemde Vloten , een bundels paarBakerwerkjes envan Kin-
belangstelling, verwetenschappelijking Amsterdam, vanAksant, een emotionele 2002, p. 9-11.
J.derrijmen van der Veen van van Az.,Vloten Algemeen , eenNederduitsch paar werkjes van en
41 ‘Verwelkoming belangstelling, Amsterdam, door H. Vandermeulen, Aksant, 2002, Gouverp. 9-11.
Friesch J. van der dialecticon Veen Az.,van Algemeen Winkler, Nederduitsch Van de Schelde en
41. neur ‘Verwelkoming van Limburg’, door Volkskunde, H. Vandermeulen, 89:4, 1988, Gouverp.
tot Friesch de Weichsel dialecticon van van Joh Winkler, . A. en L.Van Leopold, de Schelde J. W.
253-254. neur vanHet Limburg’, zou ook Volkskunde, kunnen dat89:4, de gouverneur 1988, p.
Wolf, tot de Niederländische Weichsel van Joh Sagen, . A. en een L. werk Leopold, van 708 J. W.
van 253-254. Limburg Hetbij zou deook neveninterpretaties kunnen dat de gouverneur verwees
bladzijden, Wolf, Niederländische in ’ t Nederlandsch Sagen, een vertaald werkonder van 708
naar van Limburg taalparticularisme bij de neveninterpretaties en niet naar gender. verwees
den bladzijden, titel : J. W. in ’ Wolf, t Nederlandsch Nederlandsche vertaald overleveonder
42 G. naar Schmook, taalparticularisme De driehoeksverhouding en niet naar gender. Pol
ringen, den titel opnieuw : J. W. Wolf, bewerkt Nederlandsche en met bijvoegselen overleve-
42. De G.Mont Schmook, – August De driehoeksverhouding Gittée – Alfons De Cock, Pol
vermeerderd ringen, opnieuw ; L. Ph. bewerkt C. vanen den met Bergh bijvoegselen , Neder-
Gent, De Mont Drukkerij – August N.V. Gittée Erasmus, – Alfons 1950. De Cock,
landsche vermeerderd volksoverleveringen ; L. Ph. C. van den en Bergh godenleer, , Neder-
43 Pol Gent, deDrukkerij Mont en Alfons N.V. Erasmus, de Cock, 1950. Wonderver-
vooral landsche zijnvolksoverleveringen Kritisch Woordenboek en godenleer, der Nederl.
43. telsels Pol deuit Mont Vlaanderen, en Alfons2ede uitgave Cock, Wonderver1924, p. VII,
mythologie”.(Van vooral zijn Kritisch der Woordenboek Tuuk, Folklore, derp.Nederl. 161)
geciteerd telsels uitin Vlaanderen, J. Theuwissen, 2e uitgave ‘Volkskunde 1924, p. 100 VII,
30 Van mythologie”.(Van der Tuuk, Folklore, der Tuuk, p. 162. Folklore, p. 161)
jaar’, geciteerd Volkskunde, in J. Theuwissen, 89:4, 1988,‘Volkskunde p. 258-263, 100 p. 260.
31 Idem, 30. Van der p. 162-163. Tuuk, Folklore, p. 162.
44 M. jaar’, vanVolkskunde, den Berg, ‘“Onze 89:4, 1988, Broerkens”. p. 258-263, p. 260.
32 Gustav 31. Idem, p. Meyer, 162-163. Essays und Studien zur Sprach-
44. Andere M. van volkskundige den Berg, ‘“Onze tijdschriften Broerkens”. en ver-
32. geschichte Gustav Meyer, und Volkskunde, Essays und Studien Berlin, Verlag zur Sprachvon
enigingen Andere volkskundige in Vlaanderen tijdschriften omstreeksen 1888’, ver-
Robert geschichte Oppenheim, und Volkskunde, 1885, voorbeeld Berlin, Verlag van het von
in: enigingen Volkskunde, in Vlaanderen 89:4, 1988,omstreeks p. 266-275. 1888’,
been Robert op Oppenheim, p. 148. Bij vergelijking 1885, voorbeeld blijkt dat vanTitia het van
45 S. in:Top, Volkskunde, ‘De internationale 89:4, 1988,context p. 266-275. van volkskunde
der been Tuuk op veel p. 148. inspiratie Bij vergelijking en de basisversie blijkt dat Titia van
45. anno S. Top, 1888’, ‘DeVolkskunde, internationale 89:4, context 1988, p. 276-284.
de van internationale der Tuuk veelstand inspiratie van zaken en dein basisverliteratuur
46 S. van Top, volkskunde https://encyclopedievlaamsebeweging. anno 1888’, Volks-
haalde sie vanuit dehet internationale deel Zur vergleichenden stand van zaken Märin chenkunde literatuur haalde (p. 143-160, uit hetliteratuur deel Zur p. vergleichenden 154-160) 33 Idem, Märchenkunde p. 163. (p. 143-160, literatuur p. 154-160) 34 J.Idem, 33. Zipes, p.‘The 163. Indomitable Giuseppe
be/nl/volkscultuur kunde, 89:4, 1988, (bezocht p. 276-284. op 28/7/2025). 47 I.S.Peeters-Verbruggen, 46. Top, https://encyclopedievlaamsebeweging. Nederlandse Volkskundige be/nl/volkscultuur Bibliografie.(bezocht Systematische op 28/7/2025). Registers 47. op I. Peeters-Verbruggen, Tijdschriften, Reekswerken Nederlandse en GeleVolks-
34. Pitrè’, J. Zipes, Folklore, ‘The Indomitable 120:1, 2009, Giuseppe p. 1-18.
genheidsuitgaven. kundige Bibliografie. Deel Systematische 1 Volkskunde Registers 1888-
35 Van Pitrè’, der Folklore, Tuuk, Folklore, 120:1, 2009, p. 163. p. 1-18.
1938, op Tijdschriften, Antwerpen, Reekswerken Centrum vooren Studie Gelegenen
36 Paul 35. Van Fredericq, der Tuuk, Folklore, Ingezonden p. 163. brief, De Ne-
Documentatie, heidsuitgaven. 1964, Deel 1p.Volkskunde 18, strook 11. 1888-
36. derlandsche Paul Fredericq, Spectator, Ingezonden 6 juni brief, 1885, De p. 181 Ne-
48 J. 1938, Tollebeek, Antwerpen, Fredericq Centrum & Zonen. voor Een Studie
37 https://archief.literatuurmuseum.nl/detail. derlandsche Spectator, 6 juni 1885, p. 181 37. php?nav_id=4-1&id=7122794&index=0 https://archief.literatuurmuseum.nl/detail. (bezocht
antropologie en Documentatie, van de 1964, moderne p. 18, gestrook 11. 48. schiedwetenschap, J. Tollebeek, Fredericq Amsterdam, & Zonen.UitgeEen
op php?nav_id=4-1&id=7122794&index=0 28/7/2025). Met welgemeende dank(bezocht aan
verij antropologie Bert Bakker, van2008, de moderne p. 25-27. ge-
het op Literatuurmuseum 28/7/2025). Met welgemeende in Den Haag dank dat bereid aan
49 Schmook, schiedwetenschap, Driehoeksverhouding, Amsterdam, Uitgep. 47.
was het te Literatuurmuseum reageren op mijninop Den “1885” Haag gebaseerdat bereid
50 Zie verijde Bert uitgebreide Bakker, 2008, studiep.L.25-27. Stynen, Pol de
de was vraag te reageren “waarover opgaat mijn dit, op “1885” schetsen gebaseer1885”?”
49. Mont. Schmook, Een tragisch Driehoeksverhouding, schrijversleven,p. Antwerpen, 47.
door de vraag me een “waarover digitale gaat kopiedit, te schetsen bezorgen.1885”?”
50. Polis, Zie de 2017, uitgebreide p. 137-2016, studie hoofdstuk L. Stynen, 4 “leraar Pol dein
38 Zie door voor me duiding een digitale ook R. kopie van te debezorgen. Schoor, ‘Weg
Antwerpen, Mont. Een tragisch alomtegenwoordig schrijversleven, in Vlaanderen Antwerpen,
38. met Ziede voor leugen! duiding Drie ook utopische R. van de romans, Schoor,in‘Weg het
1882-1992” Polis, 2017,en p. R. 137-2016, Minnaert, hoofdstuk Pol de Mont 4 “leraar als volksin
Nederlands met de leugen! vertaald Drie (Laboulaye, utopische romans, Mauthner in het en
kundige Antwerpen, met alomtegenwoordig een bloemlezing uitinhet Vlaanderen volkskun-
Butler)’, Nederlands Jaarboek vertaald van(Laboulaye, de Maatschappij Mauthner der en
dig 1882-1992” werk vanen Pol R. de Minnaert, Mont, Brussel, Pol de Mont De Burcht, als volks-
Nederlandse Butler)’, Jaarboek Letterkunde, van de Maatschappij 1998, p. 54-71.der
1944, kundige Zie met ook een https://www.poldemontgenootbloemlezing uit het volkskun-
39 https://encyclopedievlaamsebeweging.be/ Nederlandse Letterkunde, 1998, p. 54-71.
schap.be/index.php dig werk van Pol de(bezocht Mont, Brussel, op 28/7/2025). De Burcht,
39. nl/koninklijke-academie-voor-nederlandhttps://encyclopedievlaamsebeweging.be/
51 Schmook, 1944, Zie ook Driehoeksverhouding, https://www.poldemontgenootpassim en
se-taal-en-letterkunde nl/koninklijke-academie-voor-nederland(bezocht op 28/7/2025) en se-taal-en-letterkunde https://encyclopedievlaamsebeweging.be/ (bezocht op 28/7/2025)
p.schap.be/index.php 55. Zie ook P. Catteeuw, (bezocht Gittée op August: 28/7/2025). 51. https://encyclopedievlaamsebeweging.be/ Schmook, Driehoeksverhouding, passim en
nl/taalverbond en https://encyclopedievlaamsebeweging. (bezocht op 28/7/2025).
nl/gittee-august p. 55. Zie ook P. (bezocht Catteeuw,op Gittée 29/7/2025). August:
40 T. be/nl/taalverbond Dekker, De Nederlandse (bezocht volkskunde. op 28/7/2025). De
52 Schmook, https://encyclopedievlaamsebeweging.be/ Driehoeksverhouding, p. 30.
40.verwetenschappelijking T. Dekker, De Nederlandse van volkskunde. een emotionele De
53 A. nl/gittee-august Gittée, ‘‘t Daghet (bezocht in den op Oosten. 29/7/2025). Lim247
52. burgsch Schmook, tijdschrift Driehoeksverhouding, voor alle liefhebbers p. 30.
Het denTaalverbond, tot den!19den!Februari!1888,!voorgelegd 1889, p. XVI-XVII, p. XVII.
53. van A. Gittée, taal- en‘‘tandere Daghet wetensweerdigheden, in den Oosten. Lim-
Het in de door bestuurvergadering Pol de Mont en Emmanuel van dien datum’, de Bom
Hasselt, burgschMichiel tijdschrift Ceysens, voor alle 1885’, liefhebbers Neder-
aangekondigde Het Taalverbond, boek 1889, zou p. er XVI-XVII, niet komen. p. XVII. Zie
landsch van taalMuseum, en andere 2:3,wetensweerdigheden, 1886, p. 160-169.
ook HetC. door Ceustermans, Pol de Mont Deenman Emmanuel die van de mensen Bom
54 “De Hasselt, redactie” Michiel in Ceysens, “Gittée”, ’t 1885’, Daghet, Nederp. 169. De landsch uitgever Museum, van het 2:3, Nederlandsch 1886, p. 160-169. Museum 54. was “DeHoste, redactie” die ook in “Gittée”, De Toekomst ’t Daghet, en later p. 169. Volkskunde De uitgeverinvan zijnhet portefeuille Nederlandsch zou hebben. Museum 55 Schmook, was Hoste,Driehoeksverhouding, die ook De Toekomst p. en35. later 56 T. Volkskunde van der Tuuk, in zijn ‘Deportefeuille eerste stap’, zou Dehebben. 55. Dageraad. Schmook,Orgaan Driehoeksverhouding, der Vereenigingp.van 35. 56. dien T. van naam, der 9:2, Tuuk, 1887-1888, ‘De eerste p.stap’, 152-153. De 57 Dit Dageraad. werd wel Orgaan gerealiseerd. der Vereeniging Het drukken van en verzenden dien naam,van 9:2,de 1887-1888, Vragenlijst p. kostte 152-153.in 1887-1888 57. 202,78 Dit werd frank. welDe gerealiseerd. kosten van Het dit sleutelwerk drukken en in
Vrijdag, ook C. Ceustermans, 2022, hoofdstuk De 2: man vandie sprookjesvervan mensen zamelaar hield. Emmanuel tot rebels Deprozaschrijver, Bom, biografie, p. Antwerpen, 12-36. 59 F. Vrijdag, van Cuyck 2022,enhoofdstuk D. Sleeckx, 2: ‘Toestand van sprookjesverder maatschappij zamelaar tot op rebels denprozaschrijver, 2den April 1888, p. 12-36. dag 59. van F. van de Algemeene Cuyck en D.Vergadering Sleeckx, ‘Toestand te Gent’, der Het maatschappij Taalverbond, op 1889, den 2den p. XIX-XXX, April 1888, p. XXI. dag 60 “De van heer de Algemeene PAUL FREDERICQ. Vergadering Dagelijks te Gent’, - ik heb Hethet Taalverbond, persoonlijk1889, ondervonden p. XIX-XXX, – groeit p. XXI.bij 60. de “De Noord-Nederlanders heer PAUL FREDERICQ. de belangstelling Dagelijks - ikaan voor heb de hetuitingen persoonlijk vanondervonden den nationalen – groeit volks-bij
de verzenden geschiedenis van de van Vragenlijst volkskunde kostte werden in 1887-1888 bijna
geest. de Noord-Nederlanders Er werd onlangs bijde hen belangstelling eene maat- aan
helemaal 202,78 frank. gedekt Dedoor kosten een van legaat dit sleutelwerk van 200 in
schappij voor de voor uitingen folklore van den gesticht: nationalen het bestuur volks-
frank de geschiedenis door een netvan overleden volkskunde vrouwelijk werdenlid, bijna de
diende geest. Er zich werd daarmede onlangsinbij betrekking hen eene te maatstellen;
weduwe helemaalDrieghe. gedekt Zie door Jaarboek een legaat vanvan het200 Willems-
het schappij zou op voor deze folklore wijze ernstig gesticht: bijdragen het bestuur om
fonds. frank door Verslagen een net over overleden het bestuursjaar vrouwelijk 1888, lid, de
aan diende onzezich bemoeiingen daarmede een in betrekking meer algemeen te stellen;
Gent, weduwe Boekhandel Drieghe. J. Zie Vuylsteke, Jaarboek1888, van het p. 183. WillemsZie
Nederlandsch het zou op deze karakter wijze ernstig te geven. bijdragen Het ware om
ook fonds. p. 172: Verslagen “Vraagboek over het tot bestuursjaar het zamelen 1888, van
zeer aan wenschelijk, onze bemoeiingen dat in de eenNoord-Nedermeer algemeen
Vlaamsche Gent, Boekhandel FolkloreJ.ofVuylsteke, Volkskunde, 1888, door p. 183. August
landsche Nederlandsch tijdschriften karakter entebladen geven.een Hetoproep ware
Gittée, Zie ook leeraar p. 172:bij “Vraagboek het athenaeum tot het tezamelen Charleroi, van
werd zeer gedaan wenschelijk, om aldaar dat in meer de Noord-Nederbelangstel-
gedrukt Vlaamsche op 825 Folklore ex. Handelsprijs of Volkskunde, fr. 0,75. doorDit August
ling landsche voor de tijdschriften wetenschap enop bladen te wekken.’ een oproep Het
werk Gittée, werd leeraar slechts bij het gezonden athenaeum aan onderwijzers te Charleroi,
Taalverbond, werd gedaan1889, om aldaar p. LVIII-LXII, meer belangstelp. LXI.
en gedrukt andereop personen, 825 ex. Handelsprijs die aanzien werden fr. 0,75. Dit als
61 Het ling Volksbelang, voor de wetenschap 14/4/1888, op p. te 2-3, wekken.’ p. 2. Het
belang werk werd stellende slechts in gezonden het zamelen aan van onderwijzers folklore
62 Het Taalverbond, Volksbelang, 1889, 14/4/1888, p. LVIII-LXII, p. 3.p. LXI.
en endoor andere hunne personen, betrekking die aanzien in staatwerden om daar als toe
63 Wumkes, 61. Het Volksbelang, Tuuk, Nieuw 14/4/1888, Nederlandsch p. 2-3, p.Bio2.
mede belang testellende werken; verder in het zamelen aan allen,van diefolklore er de
62. grafisch Het Volksbelang, Woordenboek, 14/4/1888, deel 10, p. kolom 3.
aanvraag en door hunne toe deden betrekking en zichinbereid staat om verklaardaar toe
63. 1064. Wumkes, http://www.biografischportaal.nl/ Tuuk, Nieuw Nederlandsch Bio-
den mede totte dewerken; opsporing verder onzer aanoude allen,volkssagen, die er de gewoonten aanvraag toe enz. deden medeentezich helpen. bereid HetverklaarAlgemeen Bestuur den tot meende de opsporing overeenkomstig onzer oudede volkssagen, inzichten
persoon/06586987 grafisch Woordenboek, (bezocht deel 10, op kolom 28/7/2025). 64 https://resources.huygens.knaw. 1064. http://www.biografischportaal.nl/ nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/ persoon/06586987 (bezocht op 28/7/2025).
der gewoonten edelmoedige enz. mede schenkster te helpen. te handelen, Het Algemeen met
64. Lenting https://resources.huygens.knaw. (bezocht op 28/7/2025).
de Bestuur som van meende 200 fr.overeenkomstig ons door wijlende Mev. inzichten W.e
65 Zie nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/ A. Krings-Uniken van der Tuuk, Bijdrage
Drieghe der edelmoedige vermaakt,schenkster te besteden tetot handelen, dekkingmet
tot Lenting de kennis (bezocht van het op geslacht 28/7/2025). Van der Tuuk,
der de som kosten van van 200 diefr.afzonderlijke ons door wijlen uitgave, Mev. welke W.e
65. Groningen, Zie A. Krings-Uniken Erven A. Devan Jager, der 1926, Tuuk, p. Bijdrage 56.
ondanks Drieghe haar vermaakt, groot te belang, besteden niet tot vandekking aard
66 G. totBijl, de kennis Loopbaan van en hetlevensloop geslacht Van vander onderTuuk,
was der om kosten aanvan al onze die afzonderlijke inschrijvers gestuurd uitgave, welke te
248
hield. aangekondigde Emmanuel boek De Bom, zou biografie, er niet komen. Antwerpen, Zie
wijzers Groningen, en onderwijzeressen: Erven A. De Jager, sociale 1926, mobip. 56.
worden”. ondanks De haar rolgroot van mevrouw belang, niet Drieghe van aard in de
66. liteit, G. Bijl, huwelijk, Loopbaan inkomen, en levensloop benoemingen van onderen
realisatie was om aan van al ditonze sleuteldocument inschrijvers gestuurd is bij deze te
ontslag wijzers in enhet onderwijzeressen: openbaar lager sociale onderwijs mobiin
gemarkeerd worden”. Deen rolbijgeschreven van mevrouwinDrieghe de historioin de
Groningen, liteit, huwelijk, ca. 1850-1920, inkomen, benoemingen Groningen, Rijksen
grafie realisatie van van vroege dit sleuteldocument volkskunde in Vlaanderen. is bij deze
universiteit ontslag in het Groningen, openbaar 2014, lager p.onderwijs 84-87. in
58 F. gemarkeerd van Cuyck,en ‘Verslag bijgeschreven over de werkzaamhein de historio-
67 Titia Groningen, van derca. Tuuk 1850-1920, figureertGroningen, effectief inRijks-
den grafie totvan denvroege 19den Februari volkskunde 1888, in Vlaanderen. voorgelegd
F.universiteit de Haan, Sekse Groningen, op kantoor. 2014, p. Over 84-87. vrou-
58. inF.de van bestuurvergadering Cuyck, ‘Verslag over vande dien werkzaamhedatum’,
67. welijkheid, Titia van der mannelijkheid Tuuk figureert en macht, effectief in
Nederland F. de Haan,1860-1940, Sekse op kantoor. Hilversum, Over Verloren, vrou1992, welijkheid, p. 41-43, mannelijkheid p. 78 en passim; en macht, F. de Haan,
77. W. T. Hilarius, van der 1902, Tuuk, digitale De gezondheid versie https:// in huis: collections.nlm.nih.gov/catalog/nlm:nlmuidnatuurgeneeskundige raadgever voor het
Gender Nederland and1860-1940, the PoliticsHilversum, of O#ce Work Verloren, in
63570540R-bk gezin in gezonde (bezocht en zieke opdagen, 28/7/2025). Almelo;
the 1992, Netherlands, p. 41-43, p.1860-1940, 78 en passim; Amsterdam, F. de Haan,
78 Krings-Uniken W. Hilarius, 1902, vandigitale der Tuuk, versie Bijdrage, https:// p. 58.
Amsterdam Gender andUniversity the Politics Press, of O!ce 1998,Work passim. in
79 L. collections.nlm.nih.gov/catalog/nlm:nlmuidvan der Splinter, Dertig jaar streven
68 https://resources.huygens.knaw.nl/ the Netherlands, 1860-1940, Amsterdam, vrouwenlexicon/lemmata/data/AlberAmsterdam University Press, 1998, passim.
naar 63570540R-bk Rein Leven. (bezocht De Rein Leven op 28/7/2025). Beweging 78. inKrings-Uniken Nederland (1901-1931), van der Tuuk, Leiden, Bijdrage, On- p. 58.
68. dingkThijm https://resources.huygens.knaw.nl/ (bezocht op 28/7/2025).
79. uitgegeven L. van der doctoraalscriptie, Splinter, Dertig jaar 1986. streven
69 T. vrouwenlexicon/lemmata/data/Albervan der Tuuk, ‘Lucratieve betrekkingen
80 Krings-Uniken naar Rein Leven. van De der Rein Tuuk, Leven Bijdrage, Beweging p. 58.
voor dingkThijm vrouwen (bezocht uit den beschaafden op 28/7/2025). stand door 69. Catharina T. van derAlberdingk Tuuk, ‘Lucratieve Thijm’, De betrekkingen Nederlandsche
81 U. in Nederland Jansz, Vrouwenkiesrecht (1901-1931), Leiden, als Onomstreden uitgegevenkwestie doctoraalscriptie, onder Nederland1986.
Spectator, voor vrouwen 1884,uit p. den 181-183 beschaafden (Arnhem, stand 23 Mei 1884).
80. seKrings-Uniken feministen, 1870-1900, van der Tuuk, De Moderne Bijdrage, p. 58.
Dat door ditCatharina tot vandaag Alberdingk niet onopgemerkt Thijm’, De Nebleef,
81. Tijd, U. Jansz, 1:3-4, 2017, Vrouwenkiesrecht p. 277-299, p.als 284.
blijkt derlandsche uit de vermelding Spectator,van 1884, dep. aanklacht 181-183 van
82 Fragment omstredenuit kwestie een lezing onder voor Nederlandvereniging
Titia (Arnhem, van der 23Tuuk Mei 1884). in Luc Dat Quadackers, dit tot vandaag ‘Vreemde eend. niet onopgemerkt De eerste vrouwen bleef, blijkt in de uit accountande vercy’, melding De Accountant, van de aanklacht 2, 2017,van p. 40-45, Titia van p. 40. der 70 Zie Tuuk DeinHaan, Luc Quadackers, Sekse, p. 78,‘Vreemde waaruit ook eend.
Werkmanslust se feministen, te 1870-1900, Assen opDe 22 Moderne februari 1892, geciteerd Tijd, 1:3-4,in2017, C. Smit, p. 277-299, De volksverheffers: p. 284. sociaal 82. hervormers Fragment uit in Nederland een lezing en voor devereniging wereld, 18701914, Werkmanslust Hilversum,te Verloren, Assen op 2015, 22 februari p. 339. 1892,
de Decitaten eerste werd vrouwen overgenomen. in de accountancy’, De
83 A. geciteerd Krings-Uniken in C. Smit, vanDe dervolksverheffers: Tuuk, Bijdrage, p. 59.
71 ‘O#ciëele Accountant, Berichten 2, 2017, p. en40-45, Mededeelingen’, p. 40. De
In sociaal een boek hervormers zoals F. W. in Nederland Foerster, Opvoeding en de wereld, en
70. Dageraad. Zie De Haan, Orgaan Sekse, derp.vereeniging 78, waaruitvan ookdien naam, de citaten 6:2, 1884-1885, werd overgenomen. p. 466-479, subrubriek “Uit
zelfopvoeding, 1870-1914, Hilversum, Zeist, J.Verloren, Ploegsma, 2015, 1917p.wordt 339. 83. haar A. Krings-Uniken inbreng in eenvan paratekst der Tuuk, tegenover Bijdrage,dep. 59.
71. de ‘O#ciëele vrouwenwereld” Berichten p. en 471-472, Mededeelingen’, citaat p. 472. De
interne In een boek titelpagina zoals F. alsW. volgt Foerster, vermeld Opvoeding “Voor- en
72 Krings-Uniken Dageraad. Orgaan van der Tuuk, vereeniging Bijdrage, vanp.dien 57.
naamste zelfopvoeding, gezichtspunten Zeist, J. Ploegsma, voor ouders 1917 enwordt
73 T. naam, van der 6:2,Tuuk, 1884-1885, ‘Folklore’, p. 466-479, Nederlandsubrubriek
onderwijzers, haar inbreng opvoeders in een paratekst en verzorgers tegenover der de
sche “Uit de Spectator, vrouwenwereld” 16/5/1885, p.p. 471-472, 160-162.citaat p. 472.
jeugd interne bewerkt titelpagina doorals Titia volgt vanvermeld der Tuuk”. “Voor-
74 M. 72. Krings-Uniken Everard, ‘De van Arnhemse der Tuuk, jaren Bijdrage, van Titia p. 57.
84 Levie, naamste Vergeten. gezichtspunten voor ouders en
73. van T. van der der Tuuk Tuuk, (1884-1902), ‘Folklore’,vrijdenkster, Nederland-
85 L. onderwijzers, Tolstoj, Oorlog opvoeders en vrede. enHistorische verzorgers roman der
schrijfster, sche Spectator, feministe’, 16/5/1885, Arnhem p. de 160-162. Ge-
van jeugd Leobewerkt Graaf Tolstoï. door Titia Naarvan deder Fransche Tuuk”. en
74. noeglijkste, M. Everard,4,‘De 2007, Arnhemse p. 214-243, jarenp.van 217.Titia
84. Hoogduitsche Levie, Vergeten. vertalingen door Titia van der
75 S. van Levie, der Tuuk ‘Een vergeten (1884-1902), vertaalster: vrijdenkster, Titia van
85. Tuuk. L. Tolstoj, Met een Oorlog inleidend en vrede. woord Historische van Gerard roman
der schrijfster, Tuuk’, Filter: feministe’, tijdschrift Arnhem voorde vertalen Geen
Keller. van Leo 3 delen. Graaf Arnhem, Tolstoï. Naar P. Gouda de Fransche Quint, 1887. en
vertaalwetenschap, noeglijkste, 4, 2007,14:3, p. 214-243, 2007, p.p. 13-21 217. en M.
86 Zie Hoogduitsche de paratekst vertalingen net na de door titelpaTitia van der
75. Rietveld-van S. Levie, ‘Een Wingerden, vergeten vertaalster: Jeugdtijdschriften Titia van
gina: Tuuk.“Deze Met een vertaling inleidend is vrij woord volledig. van Gerard
inder Nederland Tuuk’, Filter: en Vlaanderen tijdschrift voor 1757–1942. vertalen Bi-en bliografie. vertaalwetenschap, Leiden: Primavera 14:3, 2007, Pers, p. 13-21 1995.en 76 Zie M. Rietveld-van bijvoorbeeld:Wingerden, “IntusschenJeugdtijdschrifwas zij al
Alleen Keller. was 3 delen. het noodig, Arnhem,eenige P. Gouda Quint, 1887. 86. uitdrukkingen Zie de paratekst en enkele net nazinsneden de titelpagina: weg “Deze te vertaling laten, die is voor vrij volledig. ons onkiesch Alleenzijn, wasmaar het noodig,
nadenkende ten in Nederland over allerlei en Vlaanderen maatschappelij1757–1942.
waartegen eenige de tijdgenooten van den schrijver
ke Bibliografie. vraagstukken Leiden: tot het Primavera inzicht gekomen Pers, 1995.
geen uitdrukkingen bezwaar hadden”. en enkeleWas zinsneden Titia hier weg aan het
76. van Ziehet bijvoorbeeld: kwaad van “Intusschen den alcohol was en dientenzij al
woord te laten, of die de verantwoordelijke voor ons onkieschuitgever? zijn, maar
gevolge nadenkende „geheelonthoudster” over allerlei maatschappelijgeworden”.
87 https://modemuze.nl/blog/van-verborwaartegen de tijdgenooten van den schrijver
Krings-Uniken ke vraagstukken vantot der het Tuuk, inzicht Bijdrage, gekomen p. 58.
gen-traditie-tot-trend-de-geschiedegeen bezwaar hadden”. Was Titia hier aan het
Daarna van hethield kwaad ze van tientallen den alcohol jaren spreekbeuren dienten-
nis-van-menstruatieondergoed-deel-1#_ woord of de verantwoordelijke uitgever?
ten gevolge over het „geheelonthoudster” belang van geheelonthouding. geworden”.
87. ftnref6 https://modemuze.nl/blog/van-verbor(bezocht op 28/7/2025).
77 T. Krings-Uniken van der Tuuk,van De der gezondheid Tuuk, Bijdrage, in huis:p. 58.
88 C. gen-traditie-tot-trend-de-geschiedeTreitel, ‘The Wife as Family Physician:
natuurgeneeskundige Daarna hield ze tientallen raadgever jaren spreekbeurvoor het
Making nis-van-menstruatieondergoed-deel-1#_ and Moving a Modern Health Epis-
gezin ten over in gezonde het belang en zieke van geheelonthouding. dagen, Almelo;
temology ftnref6 (bezocht for Women’, op 28/7/2025). Social History of 249
88. Medicine, C. Treitel,33:4, ‘The2019, Wife p. as 1188–1210. Family Physician:
van zelfs Milo p. 160 (zonder waargeraamte) allerlei ideeën gebruikt door werd een reclaom
89 Treitel, MakingWife, and Moving p. 1194. a Modern Health Epis-
schoonheid memaker inals hetidee midden mee van te geven, de jaren naast 1950 hetdoor
90 https://www.tubantia.nl/almelo/hettemology for Women’, Social History of
beeld elkaarvan waren een gehaald vrouw met en het eenbeeld Excelsior van korset de Venus
ontwaken-der-vrouw-willem-hilariusMedicine, 33:4, 2019, p. 1188–1210. 89. juicht-het-toe~afe367e3/121702216/ Treitel, Wife, p. 1194. 91 Treitel, 90. https://www.tubantia.nl/almelo/hetWife, p. 1203. 92 Ph. ontwaken-der-vrouw-willem-hilariusEverts, Een rusteloze geest : Leven en werk van juicht-het-toe~afe367e3/121702216/ de arts Goswijn Willem Sanne Lingbeek 91. (1860-1939). Treitel, Wife,Rotterdam, p. 1203. Erasmus Publis-
‘Over beeldde van gebreken een vrouw in de met opvoeding een Excelsior der vrouw, korset en de aan, gevolgen met de daarvan’, slogan “Contemporary Olympia. Letterkundig-PeVenus”. 97. dagogisch Van der Tuuk, Tijdschrift, Gezondheid, 1, 1882-1883, p. 194.p.Zie 114-121. 98 B. Vitalis, Billiet, ‘Over Minerva, de gebreken Asselch in Blad de en opvoeding tran-
92. hing, Ph. Everts, 2015. Hij Een is vandaag rustelozezowel geestnog : Leven bekend en werk
snationaal der vrouw,maatschappelijk en de gevolgen engagedaarvan’,
als vanpropagator de arts Goswijn van zowel Willem ambulances Sanne Lingbeek als
ment Olympia. in belgische Letterkundig-Pedagogisch opvoedkundige
padvinderij (1860-1939). (een Rotterdam, woord dat Erasmus hij in de PublisNeder-
tijdschriften Tijdschrift, 1,van 1882-1883, circa 1900 p. 114-121. tot 1914.
landse hing, 2015. taal zou Hij is hebben vandaag geïntroduceerd) zowel nog bekend
98. Casus B. Billiet, seksuele Minerva, moraal: Asselch seksuele Blad en transnatio-
93 Inleiding, als propagator in: De van gezondheid zowel ambulances in huis. Natuurals
opvoeding naal maatschappelijk als oplossing engagement in belgische
geneeskundige padvinderij (een raadgever woord dat voor hij in hetdegezin Nederin
voor opvoedkundige de problemen van de moderniteit, Gent,
gezonde landse taal en zou zieke hebben dagen geïntroduceerd) bewerkt naar de
onuitgegeven tijdschriften van masterscriptie circa 1900 tot UGent, 1914. 2019, Casusmet
93. geschriften Inleiding, in: van DeDr. gezondheid Anna Fischer-Dückelin huis. Natuur-
vermelding seksuele moraal: van Van seksuele der Tuuk: opvoeding C. Verbruggen, als
mann, geneeskundige Dr. Lahmann, raadgever Dr. Adams-Lehmann, voor het gezin in
‘Het oplossing egonetwerk van Reiner Leven en George
Dr. gezonde Schönenberger, en zieke dagen Dr. Bixbaum bewerkt ennaar anderen, de
Sarton voor de alsproblemen toegang tot vantransnationaal de moderniteit, intellecGent,
onder geschriften toezicht vanenDr. met Anna medewerking Fischer-Dückelvan twee
tueel onuitgegeven engagement’, masterscriptie Belgisch Tijdschrift UGent, 2019, voormet
Nederlandse mann, Dr. Lahmann, geneesheren, Dr. Adams-Lehmann, Almelo, W. Hilarius
Nieuwste vermelding Geschiedenis, van Van der38, Tuuk: 2008, C. Verbruggen, p. 98–104.
Wzn, Dr. Schönenberger, 1902-1903. Zie Dr. ookBixbaum hoe het en werk anderen, van Anna
99 T. ‘Het vanegonetwerk der Tuuk, Voorbericht, van Reiner Leven in T. van en der George
Fischer-Dückelmann onder toezicht en met enmedewerking Titia van der Tuuk van twee als
Tuuk, Sarton Deals vrouw toegang in haar tot seksueele transnationaal leven:intellec-
“sleutel” Nederlandse gebruikt geneesheren, wordt in V.Almelo, Henau,W. MoeHilarius
Een tueel physiologisch-maatschappelijke engagement’, Belgisch Tijdschrift voor
derlijke Wzn, 1902-1903. Impressies. Zie Deook representatie hoe het werk vanvan het moederschap Anna Fischer-Dückelmann in de oeuvresen van Titia de Belgische van der impressionistes Tuuk als “sleutel” in internationaal gebruikt wordtperspectief, in V. Henau, Gent, Moederlijke onuitgegeven Impressies. masterscriptie, De representatie 2013. van het 94 S. moederschap von Soemmering, in de oeuvres Über dievan Schädlichkeit de Belgische der impressionistes Schnürbrüste, inLeipzig, internationaal 1788; S.perspectief, von Soem-
studie Nieuwste metGeschiedenis, geneeskundige 38,en 2008, hygiënische p. 98–104. 99. wenken, T. van der Almelo, Tuuk,W. Voorbericht, Hilarius wzn, in T. 1915, van[p. 1-2, dercitaat Tuuk, p. De1],vrouw Utrecht, in haar september seksueele 1915. 100 leven: Een Vanphysiologisch-maatschappelijke der Tuuk, Vrouw, [Inleiding, p. 40-41] 101 Zie studie de discussie, met geneeskundige in een vijfhonderdjarig en hygiënische perspectief, wenken, Almelo, over het W. Hilarius minder wzn, accentueren 1915, [p.van
mering, Gent, onuitgegeven Über die Wirkungen masterscriptie, der Schnürbrüste, 2013.
(het 1-2, citaat bestaan p. of 1], de Utrecht, vorm september van) de clitoris 1915.in
94. Berlin, S. vonInSoemmering, der Vossischen Über Buchhandlung, die Schädlichkeit 1793,der
100.de Van 20ste der Tuuk, eeuw Vrouw, in K. Hollewand, [Inleiding,‘De p. 40-41] complete
over Schnürbrüste, de Venus- Leipzig, en andere 1788; constructies, S. von Soemmering, zie p.
101.clitoris: Zie de ontdekt, discussie, vergeten in een vijfhonderdjarig en genegeerd?’,
7-11; Über https://wellcomecollection.org/works/ die Wirkungen der Schnürbrüste, Berlin,
Jaarboek perspectief, Nederlandse over het minder Boekgeschiedenis, accentueren 29, van
mjgyf6bj In der Vossischen (bezocht Buchhandlung, op 29/7/2025); 1793, zie ook over Londa
2022, (het bestaan p. 179-216 of (met de vorm positieve van) de vermelding clitoris in van
Schiebinger, de Venus- en ‘The andere Anatomy constructies, of Difference: zie p. 7-11; Race
De degezondheid 20ste eeuw in in huis K. Hollewand, uit 1903 en ‘De Het complete Gulden
and https://wellcomecollection.org/works/mjgyf6bj Sex in Eighteenth-Century Science’, Eigh-
Vrouwenboek clitoris: ontdekt, vanvergeten Anna Fischer-Dückelmann, en genegeerd?’,
teenth-Century (bezocht op 29/7/2025); Studies, 23:4, zie ook 1990, Londa p. 387-405 Schie-
dat Jaarboek ze er nog Nederlandse wel aandacht Boekgeschiedenis, aan besteden.) 29,
95 W. binger, H. Flower, ‘The Anatomy Fashion in ofdeformity, Difference:asRace illus-and
102 2022, p. N.179-216 Lehner,(met ‘„so muss positieve und vermelding kann auch van
trated Sex inin Eighteenth-Century the customs of barbarous Science’, & Eighteencivilised
das De sexuelle gezondheid Gefühlsleben in huis uit des 1903Weibes en Hetkein Gulden so
races, th-Century London, Studies, Macmillan 23:4, & 1990, Co, 1881, p. 387-405 p. 80-86.
wesentlich Vrouwenboek anderes van Anna sein, als Fischer-Dückelmann, das des Mannes“
96 Zie 95. W. voor H. Flower, het bredere Fashionverhaal, in deformity, V. Steele, as illusThe corset trated: in a cultural the customs history, of barbarous New Haven& &civilised London, Yale races, University London,Press, Macmillan 2001,&p.Co, 54,1881, passim, p. 80-86. en zelfs 96. p.Zie 160voor waar het allerlei bredere ideeën verhaal, doorV.een Steele, reclameThe
250
aan, van met Milo de (zonder slogangeraamte) “Contemporary gebruikt Venus”. werd om 97 Van schoonheid der Tuuk, alsGezondheid, idee mee tep. geven, 194. Zie naast Vitalis, het
–dat Zurze Diskursivierung er nog wel aandacht der weiblichen aan besteden.) Sexua102.lität N. Lehner, in ‚Das Geschlechtslebens ‘„so muss und kanndes auch Weibes‘ das (1901) sexuelle vonGefühlsleben Anna Fischer-Dückelmann’, des Weibes keinVirus, so 18, wesentlich 2020, p. 149-168 anderesen sein, M. als Schoonheim, das des Mannes“ ‘Een
maker corsetin: ahet cultural midden history, van de New jaren Haven 1950&door London,
boek – Zurdat Diskursivierung de leemte vulde. der weiblichen Anna Fischer-DuecSexua-
elkaar Yale University waren gehaald Press,en 2001, het p. beeld 54, passim, van de Venus en
kelmann lität in ‚Das overGeschlechtslebens de seksualiteit’, Jaarboek des Weibes‘ voor
vrouwengeschiedenis, (1901) von Anna Fischer-Dückelmann’, 20, 2000, p. 153-166. Virus,
115 “In Nikolaas plaatsof van Kerstmis?’, de heidensche De Dageraad, goden ruimde
103 18, 2020, M.p.Everard 149-168en enM. M.Aerts, Schoonheim, ‘De dingen ‘Een
men 4, 1882-1883, de plaatsp. in381-396. voor heiligen en marte-
van boek Titia datvan de der leemte Tuuk. vulde. Dr. Phelan’s Anna Fischer-DuHealth
113. laren, Domela de eigenNieuwenhuis, aardigheden Sint, p. van 382. de oude
Exerciser eckelmann enover de materiële de seksualiteit’, politiekJaarboek van voor
114.feesten Domela bleven Nieuwenhuis, behouden Sint, en p. -de 383. zaak was
een vrouwengeschiedenis, feministe’, Jaarboek20, voor 2000, vrouwenp. 153-166.
115. klaar”. “In plaats Domela van Nieuwenhuis, de heidenscheSint, goden p. 383. ruimde
103.geschiedenis, M. Everard en31,M.2011, Aerts, p. 31-53, ‘De dingen p. 42.van
116 T. men vande der plaats Tuuk,in‘De voor moraal heiligen vanen een martealgemeen
104 Titia vanEverard der Tuuk. en Aerts, Dr. Phelan’s Dingen, Health p. 46;
menschelijk laren, de eigenstandpunt’, aardigheden p. 115-121 van(10 de mei oude 1885)
M. Exerciser Everard,en ‘Mensch-boven-de-seksen. de materiële politiek van Het
en feesten ‘Vrije Uiting blevenvan behouden Meningen’, en -de p. 191-194; zaak was ‘Het
radicale een feministe’, denkenJaarboek over sekse voor in de vrouweneerste fe-
vierde klaar”.internationale Domela Nieuwenhuis, congres van Sint,vrijdenkers’, p. 383.
ministische geschiedenis, golf’, 31,in: 2011, M. p. Everard 31-53, &p.U. 42. Jansz,
116.p.T.373-378; van der allemaal Tuuk, ‘Deinmoraal De Dageraad, van een 1885 algemeen
104.Sekse. Everard Eenenbegripgeschiedenis, Aerts, Dingen, p. 46; Amsterdam/ M. Everard,
117 Ten menschelijk Bokkel, Gidsen, standpunt’, p. 199. p. 115-121 (10 mei 1885)
Hilversum, ‘Mensch-boven-de-seksen. Verloren, 2008, p.Het 175-199. radicale
118 P. ende ‘Vrije Mont, Uiting ‘Uit van Perchta-liederen’, Meningen’, p. 191-194; De ‘Het
105 denken M. over Everard, sekse in ‘‘De dewaarheid eerste feministite bevor-
Dageraad, vierde internationale 8, 1886, p. 81-94 congres (april van1886) vrijdenkers’,
deren, sche golf’, altijdin: enM. overal’. Everard Titia & U. van Jansz, der Tuuk Sekse. en
119 Zie p. 373-378; ‘160 Vanallemaal heer Danielken”, in De Dageraad, in: D. van 1885 der Poel,
het Eenvrije begripgeschiedenis, denken als feministisch Amsterdam/ program’,
117. e.a. Ten(eds.), Bokkel, HetGidsen, Antwerps p. 199. liedboek. Deel 1. Tekste-
in: Hilversum, M. Everard Verloren, en U. Jansz 2008, (red.), p. 175-199. De Minotau-
118.ditie, P. deTielt, Mont, Lannoo, ‘Uit Perchta-liederen’, 2004, p. 360-361; De‘160 Wildy
105.rus M.onzer Everard, zeden. ‘‘De Multatuli waarheidals te heraut bevorderen, van het feminisme, altijd en overal’. Aksant, Titia 2010, vanp. der 85-106, Tuuk en p. 106. het
hooren Dageraad, een 8, goet 1886, nieu p. liet?’, 81-94 in: (april D. van 1886) der Poel,e.a. 119.(eds.), Zie ‘160 HetVan Antwerps heer Danielken”, liedboek. in: Deel D. 2. van Commender
106 vrije denken Everard, als feministisch Waarheid, p.program’, 91. in:
taar, Poel,Tielt, e.a. (eds.), Lannoo, Het 2004, Antwerps p. 162-165, liedboek. nota Deel bene
107 M. Everard M. Everard, en U. Jansz ‘Drie(red.), geschiedenissen De Minotau-van
zonder 1. Teksteditie, verwijzing Tielt,naar Lannoo, de hier 2004, gesignaleerde p. 360-361;
liefde. rus onzer Enige zeden. grepen Multatuli uit hetals leven heraut van van Titiahet van
bijdrage ‘160 Wildy vanhooren Paul deeen Mont. goet De nieu Dageraad liet?’, in:zit
der feminisme, Tuuk’, in:Aksant, M. Aerts, 2010, e.a.,p.(red.), 85-106, Naar p. 106. het
(ik D. hoop van der voortaan; Poel,e.a.zat) (eds.), in een HetdodehoekspieAntwerps
106.leven. Everard, Feminisme Waarheid, en biografisch p. 91. onderzoek, 107.Amsterdam, M. Everard, 1988, ‘Drie geschiedenissen p. 103-116, 107 en van 110. liefde. 108 Enige grepen Everard, uitDrie, het leven p. 110.van M. Bosch, Titia van Een onwrikbaar der Tuuk’, in: geloof M. Aerts, in rechtvaardigheid. e.a., (red.), Naar het Aletta leven. Jacobs Feminisme 1854-1929, en biografisch Uitgeverij onderzoek, Balans, 2005, Amsterdam, p. 158-159. 1988, Zie p.ook 103-116, https://www. 107 en 110. 108.groene.nl/artikel/ineens-van-top-tot-teenEverard, Drie, p. 110. M. Bosch, Een onwrikbaar
gel liedboek. van volkskundig/etnologisch Deel 2. Commentaar, Tielt, onderzoek. Lannoo, 120 2004, p. P. 162-165, de Mont,nota ‘Eduard beneGrisebach’, zonder verwijDe Dageraad, zing naar de 9:1,hier 1887-1888, gesignaleerde p. 1-17, passim. bijdrage 121 A. van Gittée, Paul de ‘Julius Mont. Wolff’, De Dageraad De Dageraad zit (ik hoop 9:1, voortaan; 1887-1888, zat)p.in322. een dodehoekspiegel van 122 J.J. volkskundig/etnologisch Van der Laar, Het Systeem onderzoek. der Weten120.schappen: P. de Mont, gevolgd ‘Eduard door Grisebach’, een Uitvoerige De
verwerpelijk/ geloof in rechtvaardigheid. (bezocht op 29/7/2025) Aletta Jacobs 1854-
Boekenopgave, Dageraad, 9:1, 1887-1888, benevens p. Algemeene 1-17, passim. Be-
109 1929, Uitgeverij Zie C. Sturgess, Balans, 2005, Different p. 158-159. from theZie ook
121. schouwingen A. Gittée, ‘Julius overWolff’, Middelbaar De Dageraad en Universitair
Others: https://www.groene.nl/artikel/ineens-van-topGerman and Dutch Discourses of
Onderwijs, 9:1, 1887-1888, Amsterdam, p. 322. Versluys, 1887. Op p.
Queer tot-teen-verwerpelijk/ Femininity and Female (bezocht Desire op 29/7/2025) 1918-1940,
122.17J.J. wordt Van ook der volkenkunde Laar, Het Systeem vermeld: der “AfzonWeten-
109.New Zie York, C. Sturgess, Berghahn, Different 2023.from p. 68the en Others: passim.
derlijk schappen: van de gevolgd Zoologie door wordt een Uitvoerige behandeld de
110 Everard, German and Waarheid, Dutch p. Discourses 105. of Queer Fe-
Mensch, Boekenopgave, en vormt benevens deze hetAlgemeene onderwerp Beeener
111 J. mininity Gerhard and Arnold Female tenDesire Bokkel, 1918-1940, Gidsen en New
nieuwe schouwingen wetenschap, over Middelbaar de Anthropologie en Universitair (…) We
genieën. York, Berghahn, De Dageraad 2023.en p. 68 heten vrije passim. denken in
hebben Onderwijs, achtereenvolgens Amsterdam, Versluys, te beschouwen 1887. Opde p.
110.Nederland. Everard, Waarheid, 1855-1898,p.Dieren, 105. FAMA Maçonnie-
volledige 17 wordt beschrijving ook volkenkunde (anatomisch vermeld:, morpho“Afzon-
111. keJ.Uitgeverij, Gerhard Arnold 2003, ten passim. Bokkel, Zie Gidsen bijvoorbeeld en
logisch derlijk van , ethnographisch, de Zoologie wordt enz.) behandeld , en verder de de
p.genieën. 18, nootDe 23Dageraad waar de bijdrage en het vrije van denken Titia vanin
verspreiding Mensch, en vormt en historische deze hetontwikkeling onderwerp eener van
der Nederland. Tuuk over 1855-1898, de overeenkomsten Dieren, FAMA en Maçonnieverschil-
den nieuwe op aarde wetenschap, levenden deen Anthropologie geleefd hebbenden (…) We
len ke van Uitgeverij, de moraalfilosofie 2003, passim. vanZie respectievelijk bijvoorbeeld
Mensch. hebben De achtereenvolgens Ethnographie (te Volkenkunde) beschouwenisde dus
Spinoza p. 18, noot en 23 Schopenhauer waar de bijdrage wordtvan vermeld. Titia van
een volledige onderdeel beschrijving der algemeene (anatomisch Anthropologie. , morpho-
112 F. der Domela Tuuk over Nieuwenhuis, de overeenkomsten ‘Sint Nikolaas en verschilof
Ook logisch de wetenschap , ethnographisch, der Menschelijke enz.) , en verder Spraak de,
Kerstmis?’, len van de De moraalfilosofie Dageraad, 4,van 1882-1883, respectievelijk p. 381-396.
de verspreiding Algemeeneen Taalwetenschap, historische ontwikkeling benevensvan de
113 Domela Spinoza Nieuwenhuis, en Schopenhauer Sint, wordt p. 382.vermeld.
geschiedkundige den op aarde levenden ontwikkeling en geleefd en verspreiding hebbenden
114 Domela 112. F. Domela Nieuwenhuis, Nieuwenhuis, Sint, ‘Sint p. 383.
der Mensch. verschillende De Ethnographie talen moet ( Volkenkunde) als een onderdeel is dus 251
der eenAnthropologie onderdeel derbeschouwd algemeene Anthropologie. worden”.
131 De 128. ZieNederlandsche Jacobs, Parateksten, Spectator, p. 379-383. 13/10/1888, p. 344.
123 T. Ook Van deder wetenschap Tuuk, ‘Eender aanbevelenswaardig Menschelijke Spraak boek’, ,
132 Zie 129. S. Muller, de regelmatig ‘Luxemburgsche terugkerende Folklore’, Advertentie De Nedermet
De deDageraad. Algemeene 9:1, Taalwetenschap, 1887-1888, p. 463-466, benevens p. de 465.
een landsche lijst van Spectator, recente publicaties 21/5/1887, p. over 176-177. “Folklore” Dit is te
124 Bijvoorbeeld geschiedkundige A. Gittée, ontwikkeling ‘Mimetisme en verspreiding en hekserij’,
koop een bespreking aangeboden van door N. Gredt, Martinus Sagenschatz Nijhoff, bijvoordes
De derDageraad, verschillende 9:2, 1887-1888, talen moetp. als81.een Zieonderdeel de merkwaardige der Anthropologie mededeling beschouwd van A. worden”. Gittée dat 123.de T. medewerking Van der Tuuk, aan ‘EenDe aanbevelenswaardig Dageraad hem zouboek’,
deelhouders 27/10/1888, p. van 349. De Nederlandsche Spectator.
kwaad De Dageraad. gedaan 9:1, hebben, 1887-1888, in G. Vanwaeyenbergh, p. 463-466, p. 465.
133 J.De 131. Winkler, Nederlandsche ‘Folklore Spectator, in Zuid Nederland’, De Ne-
124.Studie Bijvoorbeeld en analyse A. Gittée, van de‘Mimetisme correspondentie en hekserij’, van
derlandsche 13/10/1888, p. Spectator, 344. 6/4/1889, p. 110-111, p. 110.
A. DeDe Dageraad, Cock en A. 9:2,Gittée 1887-1888, zoals p. bewaard 81. Zie de in het
134 Zie deWinkler, 132. regelmatig Folklore, terugkerende p. 111. Adver-
A.M.V.C.. merkwaardige Deel II:mededeling verzameld materiaal, van A. Gittée Leuven, dat
135 Everard, tentie met Mensch. een lijst van recente publicaties
onuitgegeven de medewerking verhandeling, aan De Dageraad 1980, p.hem 191, brief zou
136 ‘Aan over onze “Folklore” lezers’, te Ons koopVolksleven, aangeboden 1: 1-2, door 1888,
31 kwaad van 26 gedaan mei 1888 hebben, van August in G. Vanwaeyenbergh, Gittée aan
p.Martinus 1-2. TitiaNijhoff, van derbijvoorbeeld Tuuk stond in ook DeinNederdit
Alfons StudieDe en Cock. analyse Maar vanindeIbidem, correspondentie brief 49, van van 27 A. augustus De Cock en 1888, A. Gittée Augustzoals Gittée bewaard aan Alfons in het De Cock, A.M.V.C.. raadde DeelGittée II: verzameld zijn correspondent materiaal, Leuven, aan
netwerk landscheniet Spectator, als vakgenote 17/3/1888, op de p. radar. 94. Martinus 137 T. Nijhoff van der was Tuuk, een ‘Volksgeneeskunvan de hoofdaandeelhoude ders in Vlaanderen’, van De Nederlandsche De Nederlandsche Spectator.
een onuitgegeven studie beter verhandeling, naar De Dageraad 1980, p. te191, sturen. brief
133.Spectator, J. Winkler,11‘Folklore juli 1891, in p. Zuid 223-224, Nederland’, p. 223. De Ne-
Hij 31 gaf van ook 26 mei aan1888 dat zijn vanstudie August over Gittée hekserij aan en
138 Van derlandsche der Tuuk,Spectator, Volksgeneeskunde, 6/4/1889, p. 110-111, 223. p. 110.
mimetisme Alfons De Cock. die in Maar De Dageraad in Ibidem, verschenen brief 49, van was,
139 Van 134. Winkler, der Tuuk, Folklore, Volksgeneeskunde, p. 111. p.
bij 27Hoste augustus in De 1888, Toekomst Augustopnieuw Gittée aan zouAlfons gepubliDe
135.223; Everard, A. Gittée, Mensch. ‘De Zwarte Hen’, Volks-
ceerd Cock,worden raadde (bij Gittée de zijn uitgever correspondent die Volkskunde aan
136.kunde, ‘Aan onze 2, 1889, lezers’, p. 229-233. Ons Volksleven, 1: 1-2, 1888,
als een “bijblad” studie beter van De naar Toekomst De Dageraad zag starten). te sturen.
140 p. 1-2. Titia Vanvan der der Tuuk, Tuuk Volksgeneeskunde, stond ook in dit p. 224.
125 D. HijVonderlynck, gaf ook aan dat August zijn studie Gittée over als volkskundige, hekserij en
141 Van netwerk der Tuuk, niet als Volksgeneeskunde, vakgenote op de p. radar. 224.
Gent, mimetisme onuitgegeven die in De licentiaatsverhandeling, Dageraad verschenen was, 1969.
137.Deze T. van recensie der Tuuk, werd ‘Volksgeneeskungevolgd door de bespre-
passim. bij Hoste Zieinbijvoorbeeld, De Toekomstook opnieuw weer afzonderlijk zou gepubli-
king de invan Vlaanderen’, een door Pol De De Nederlandsche Mont uitgegeven
én ceerd samen worden : A. Gittée, (bij de‘Le uitgever folklore die enVolkskunde Flandre’,
bloemlezing Spectator, 11van juli gedichten 1891, p. 223-224, over vogels. p. 223.
Revue als “bijblad” des Traditions van De Toekomst Populaires, zag 1887, starten). p. 116-125
142 Van derTitia 138. Tuuk, van Volksgeneeskunde, der Tuuk wordt niet p. vermeld 223.
125.; P. D.De Vonderlynck, Mont, ‘Contes August populaires Gittée als flamands’, volksRevue kundige, desGent, Traditions onuitgegeven Populaires, licentiaatsver1887, passim.
139.inVan het der interessante Tuuk, Volksgeneeskunoverzichtsartikel: V. Joosen, ‘Tussen de, p. 223; traditie A. Gittée, en vernieuwing. ‘De ZwarteSprookjes, Hen’,
126 Zie handeling, Jacobs,1969. Parateksten. passim. Zie bijvoorbeeld,
mythen Volkskunde, en andere 2, 1889, volksverhalen’, p. 229-233. in: R. Ghesqui-
127 . ook Zie ook weerhet afzonderlijk gefaalde project én samen!: om in A.1887 Gittée, een
140.ère, VanEen derland Tuuk, van Volksgeneeskunde, waan en wijs. Geschiedenis p. 224. van
register ‘Le folklore op 25 enjaargangen Flandre’, Revue van tedes maken Tra- op
141.de Van Nederlandse der Tuuk, Volksgeneeskunde, Jeugdliteratuur, Amsterdam/Antp. 224.
vraag ditions van Populaires, Uitgeverij1887, Martinus p. 116-125 Nijhoff: ; P.N. DeMaas,
werpen,Uitgeverij Deze recensie werd Atlas gevolgd Contact, door 2014, de besprep. 89-120.
‘Documenten Mont, ‘Contesover populaires De Nederlandsche flamands’, Revue Spectator’,
143 king vanKrings-Uniken, een door Pol De Genealogie, Mont uitgegeven p. 59.
Jaarboek des Traditions van de Populaires, Maatschappij 1887,der passim. Nederland-
144 bloemlezing J. vanvan dergedichten Veer, ‘Titiaover van vogels. der Tuuk’,
126.seZie Letterkunde Jacobs, Parateksten. te Leiden, 1997, p. 52-81, meer 127.bepaald . Zie ookp.het 62-65. gefaalde Zie ook project N. Maas, om in De1887 Nederlandsche een register spectator. op 25 jaargangen Schetsen uitvan hetteletterkundig maken
142.in:Titia J. van vanCoillie, der Tuuk e.a.(red.), wordt niet Lexicon vermeld van in het de interessante jeugdliteratuur, overzichtsartikel: Groningen, Martinus V. Joosen, ‘Tussen Nijhoff, traditie2009, en vernieuwing. aflevering 81, Sprookjes, p. 1-6. mythen en
leven op vraag van de vantweede Uitgeverij helft Martinus van de negentienNijhoff:
145 andere Zie volksverhalen’, onder meerin: deR.volgende Ghesquière, publicaties, Een
de N. eeuw. Maas, Utrecht/Antwerpen, ‘Documenten over De Veen, Nederland1986.
vaak land met van meerdere waan en wijs. drukken Geschiedenis en combinaties: van de
128 Zie sche Jacobs, Spectator’, Parateksten, Jaarboek p. van 379-383. de Maat129 S. schappij Muller, der ‘Luxemburgsche Nederlandse Letterkunde Folklore’, Dete Neder-
252
beeld Luxemburger in De Nederlandsche Landes, Luxemburg, Spectator, Bück, 17/3/1888, 1883. 130.p.De 94.Nederlandsche Martinus Nijhoff Spectator, was een van de hoofdaan-
In Nederlandse ‘t schemeruurtje; Jeugdliteratuur, sprookjes, Amsterdam/AntDeventer, Van der werpen,Uitgeverij Meer, [1882] enAtlas Arnhem, Contact, P. Gouda 2014,Quint, p. 89-120.
landsche Leiden, 1997, Spectator, p. 52-81, 21/5/1887, meer bepaald p. 176-177. p. Dit is
143.1888; Krings-Uniken, In ‘t hoekjeGenealogie, van den haard; p. 59. sprookjes en
een 62-65. bespreking Zie ook N. vanMaas,!De N. Gredt,Nederlandsche Sagenschatz des
144.vertellingen. J. van der Veer, Met illustraties ‘Titia van der vanTuuk’, Wm. in: Steelink,
Luxemburger spectator. Schetsen Landes,uit Luxemburg, het letterkundig Bück, 1883.
Amsterdam, J. van Coillie,L.J. e.a.(red.), Veen, [1887]; Lexicon Gezellige van de uurtjes
130 leven van Dede Nederlandsche tweede helft van de negentien-
: jeugdliteratuur, sprookjes uit den Groningen, ouden tijd, Martinus Schoonhoven,
Spectator, de eeuw. Utrecht/Antwerpen, 27/10/1888, p. 349. Veen, 1986.
W.H.J. Nijhoff, van 2009, Nooten, aflevering [1887].81, (De p. 1-6. Nieuwe Biblio-
145.theek Zie onder voor de meer Jeugd, de volgende serie 1, nr.publicaties, IV.); De ster van
146 verlof inT.‘tVan vaderland. der Tuuk, Met Uitillustraties het Tooverland. van Leo
den vaak vrede, met meerdere Amsterdam, drukken L.J. Veen, en combinaties: [1888]; Uit het
Sprookjes, Gestel, Amsterdam, Amsterdam, Vennootschap L.J. Veen, [1890] ‘Letteren
tooverland; In ‘t schemeruurtje; sprookjes,sprookjes, Amsterdam, Deventer, Veen, [1889]; Van
147 A. enGittée, Kunst’,‘Titia [1904] VanBron: der Tuuk, https://resources. Uit het Tooverland.
Kleinood; der Meer,sprookjes. [1882] en Amsterdam, Arnhem, P. Gouda L.J. Veen, Quint, [1889];
Sprookjes’, huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/ De Toekomst, 1891, p. 115-117, p. 115.
Eind 1888;goed, In ‘t hoekje al goed.van Almelo, den haard; W. Hilarius sprookjes Wzn.,en
148 data/Tuuk Ibidem, (bezocht p. 116.op 29/7/2025). Deze lijst
[ca. vertellingen. 1890]; Titia Met van illustraties der Tuuk,van Uit het Wm.tooverland. Steelink,
149 van boekjes Ibidem, moet p. 117. aangevuld worden met een
Sprookjes. Amsterdam, Amsterdam, L.J. Veen, Veen, [1887]; 1889; Gezellige De kleine uurtjes fee.
150 hele reeks A. Gittée, bijdragen ‘Over in de tijdschriften. studie vanVerder
Sprookjes, : sprookjesAmsterdam, uit den ouden Veen, tijd,1889; Schoonhoven, Harm die alles
het publiceerde sprookje’,ze in: soms H. Biederlack ook onder e.a.een (ed.), schuilnaam
deed W.H.J. envan Klaas Nooten, die niets [1887]. deed; (De DeNieuwe gelukserwt; Biblio-
Vragen zoals Vitalis. des tijds, https://nl.wikipedia.org/wiki/ deel 1, Haarlem, H. D. Tj-
Vogeltje theek voor Vlug. deAlmelo, Jeugd, W. serie Hilarius 1, nr. IV.); Wzn., De[1890]; ster van Rijk denen vrede, arm; Amsterdam, twee verhalen L.J. voor Veen, meisjes, [1888]; Deventer, Uit
eenk-Willink, Titia_van_der_Tuuk 1896, p. 211-234, (bezochtp.op 214-215. 29/7/2025) 151 Zie biedt ook een S. Coward, snel groeiende Queer as reeks Folklore. linkenThe naar
A.J. het van tooverland; den Sigtenhorst, sprookjes, [ca. Amsterdam, 1890]; Jonge Veen,
Hidden gedigitaliseerde Queer History versie ofvan Myths haar and oeuvre. Monsters,
vriendjes; [1889]; Kleinood; een verhaal sprookjes. voor jongens Amsterdam, en meisjes, L.J.
146.London, T. Van der Unbound, Tuuk, Uit 2024, het p. Tooverland. 18-20 en passim over
Almelo, Veen, [1889]; W. Hilarius EindWzn, goed,[ca. al goed. 1890];Almelo, De wonderbaW.
de Sprookjes, relatie tussen Amsterdam, “fairy tales”, L.J. Veen, in het[1890] bijzonder
re Hilarius sluier; Wzn., sprookjes [ca. en 1890]; vertellingen. Titia vanMet der illustraties Tuuk, Uit
147.die A. van Gittée, Hans ‘Titia Christian Van der Andersen, Tuuk, Uiten LGBTQ+.
van hetWm. tooverland. Steelink,Sprookjes. Amsterdam, Amsterdam, L.J. Veen, Veen, [1890];
152 Zie het de Tooverland. inleiding, gedateerd Sprookjes’,door De Titia van der
In1889; vrij uren; De kleine tweefee. verhalen Sprookjes, voor de Amsterdam, jeugd, Almelo,
Tuuk Toekomst, te Arnhem 1891, in p. maart 115-117,1895, p. 115. Andersen ‘s
W. Veen, Hilarius 1889; Wzn, Harm [1890]; die alles Hetdeed neefjeenuitKlaas de Oost; die
148.Sproken Ibidem,en p. Vertellingen 116. naverteld door S. J.
een niets verhaal deed; voor De gelukserwt; meisjes, Deventer, Vogeltje A.J. Vlug. van den
149.Andriessen Ibidem, p. bewerkt 117. door Titia van der Tuuk.
Sigtenhorst, Almelo, W. Hilarius [ca. 1890]; Wzn., De [1890]; leelijkste Rijk vanendearm; vijf;
150.Eerste A. Gittée, deel ‘Over : Lenteleven; de studie Nijmegen van het–sprookje’, Arnhem,
een twee verhaal verhalen voorvoor meisjes, meisjes, Amsterdam, Deventer,J.A.J. Vlieger, van
Gebr. in: H.E. Biederlack & M. Cohen e.a.z.j.(ed.), ( 1895 Vragen ) een des vierde geheel
[ca. den1890]; Sigtenhorst, Aza de [ca. schildknaap, 1890]; Jonge Amsterdam, vriendjes; Met
herziene tijds, deel en1,veel Haarlem, vermeerderde H. D. Tjeenk-Wildruk van 351 p.
illustraties een verhaal van voor E.S.jongens Witkamp enJr. meisjes, Amsterdam, Almelo, W.
153 Gele link, 1896, briefkaart p. 211-234, van Titia p. 214-215. van der Tuuk aan Pol De
H.J.W. Hilarius Becht, Wzn,[ca. [ca.1893]. 1890]; Andere De wonderbare verhalen die sluier;
151. Mont, Zie ook Zeist, S. Coward, 22/2/1923 Queer en gele as briefkaart Folklore. The van Titia
verschenen sprookjes en waren vertellingen. De vriend Met vanillustraties den postopvan
van Hidden der Tuuk Queer aan History Pol DeofMont, Myths Zeist, and 30/4/1923, Monsters,
zichter, Wm. Steelink, Amsterdam, Amsterdam, H.J.W. Becht, L.J. Veen, [1893]; [1890]; Op de In Lichtenhorst, vrij uren; twee Haarlem, verhalen W.H.J. voor van de jeugd, Nooten, Almelo, [1893].
Letterkundig London, Unbound, Museum, 2024, Denp.Haag, 18-20T444.1. en passim over 154 de S. Van relatie Peteghem, tussen “fairy Alidatales”, Wynanda in het Sanders bijzonder van
(De W. Hilarius Nieuwe Wzn, Bibliotheek [1890];voor Het de neefje Jeugd, uit serie de Oost; 7, nr.
Loo die (1860-1939) van Hans Christian : de biografie Andersen, van een en LGBTQ+. vergeten
III.); eenDe verhaal geschenken voor meisjes, van den Deventer, dwerg; een A.J.sprookje, van
152.schrijfster, Zie de inleiding, journaliste gedateerd en vertaalster, door Titia Metvan eender
Deventer, den Sigtenhorst, AE.E. Kluwer, [ca. 1890]; 1897. (Dertig De leelijkste cents-bibliovan
geannoteerde Tuuk te Arnhem editie in maart van haar 1895, reisdagboek Andersen ‘s en
theek de vijf; nr.een 6.); verhaal Rozefeevoor en Pollo meisjes, en zijn Amsterdam, vrienden,
met Sproken haar oorlogsdagboek en Vertellingen naverteld in bijlage,door Universiteit S. J. An-
Leiden, J. Vlieger, A.W.[ca. Sijthoff, 1890];[1900]. Aza de(De schildknaap, Kindervriend nr.
Gent, driessen onuitgegeven bewerkt door doctoraatsverhandeling, Titia van der Tuuk. Eerste 1994
5.); Amsterdam, Ter uitspanning; Met illustraties twee verhalen van E.S. voor Witkamp de jeugd,
155 Vonderlynck, deel : Lenteleven; August, Nijmegen p. 80-81. – Arnhem, Gebr.
Almelo, Jr. Amsterdam, W. Hilarius H.J.W. WZN, Becht, [ca. 1900]; [ca. 1893]. Een prettige Andere
156 Zie E. &ook M. Cohen C. Verbruggen, z.j. ( 1895Schrijverschap ) een vierde geheel
vacantie; verhaleneen die verhaal verschenen voorwaren jongens Deen vriend meisjes, van Almelo, den postopzichter, W. Hilarius Wzn, Amsterdam, [ca. 1900]; H.J.W. Met Becht, verlof
inherziene de Belgische en veel belle vermeerderde époque. Eendruk so- van 351 p. 153.ciaal-culturele Gele briefkaart geschiedenis, van Titia van Uitgeveder Tuuk
in[1893]; ‘t vaderland. Op de Lichtenhorst, Met illustratiesHaarlem, van Leo W.H.J. Gestel,
rij aan Vantilt-Academia Pol De Mont, Zeist, Press, 22/2/1923 2009. en
Amsterdam, van Nooten,Vennootschap [1893]. (De Nieuwe ‘Letteren Bibliotheek en Kunst’,
157 Zie geleL.briefkaart Simons, Geschiedenis van Titia vanvan derde Tuuk uit-
[1904] voor de Bron: Jeugd, https://resources.huygens.knaw.nl/ serie 7, nr. III.); De geschenken
geverij aan Pol inDe Vlaanderen. Mont, Zeist, I de30/4/1923, negentien-Let-
vrouwenlexicon/lemmata/data/Tuuk van den dwerg; een sprookje, Deventer, (bezocht AE.E.
de terkundig eeuw, Tielt-Weesp, Museum, Den Lannoo, Haag,1984. T444.1.
op Kluwer, 29/7/2025). 1897. (Dertig Deze lijst cents-bibliotheek van boekjes moet nr. 6.);
154. 158 Zie S. Van bijvoorbeeld Peteghem, M. Alida Braun,Wynanda ‘Drie sprookjes Sanders
aangevuld Rozefee en worden Pollo en met zijn een vrienden, hele reeks Leiden, bijdragen
van vanWilhelmina Loo (1860-1939) Drucker: : deeen biografie bijdrage van aan
inA.W. tijdschriften. Sijthoff, [1900]. Verder (De publiceerde Kindervriend ze soms nr. 5.); ook
de een cultuurgeschiedenis vergeten schrijfster, van journaliste het fin deen siècle’, ver-
onder Ter uitspanning; een schuilnaam tweezoals verhalen Vitalis. voor https://nl.wide jeugd,
Feminisme taalster, Met eneen verbeelding, geannoteerde 1994, editie p. 11-29; van M.
kipedia.org/wiki/Titia_van_der_Tuuk Almelo, W. Hilarius WZN, [ca. 1900];(bezocht Een op
Braun, haar reisdagboek ‘De bij wil koningin en met worden: haar oorlogsdaghet femi-
29/7/2025) prettige vacantie; biedt een eensnel verhaal groeiende voor jongens reeks linken en
nistisch boek insprookje bijlage, Universiteit van Wilhelmina Gent, Drucker’, onuit-
naar meisjes, gedigitaliseerde Almelo, W. Hilarius versie van Wzn, haar [ca. oeuvre. 1900]; Met
Biografie gegeven bulletin,10:3, doctoraatsverhandeling, 2000, p. 209-216. 1994 253
159 ‘Kan 155. Vonderlynck, vrouwenkiesrecht August, p. de80-81. toestanden in
ook Levenskracht; ondertussen maandblad vriendschappelijk voor reiner in: A. leven De
156.de Zie maatschappij ook C. Verbruggen, verbeteren?’, Schrijverschap L’union fra-
Cock, waar ‘De Coeckelbergs Vrijmetselarij in de in het jaren volksgeloof’, 1910 zeer actief
ternelle; in de Belgische weekblad belle voor époque. vrijmetselaars, Een so-
Volkskunde, was, net als24:3, Titia 1913, van der p. 217-224, Tuuk. Zie p. ook 220.de
8:30, ciaal-culturele 23-7-1898, geschiedenis, p. 251-255, p. 254. Uitgeve-
volgende items in de excel-ijst: Fierens, Alfons,
160 rij Vantilt-Academia https://www.canonvannederland.nl/ Press, 2009.
Franciscus van Assisi. Verhandelingen van de
157.nl/gelderland/arnhem/emancipatiebeweginZie L. Simons, Geschiedenis van de uit-
Algemeene Katholieke Vlaamsche Hooge-
gen-vanaf-1870 geverij in Vlaanderen. (bezocht I de opnegentien29/7/2025).
schooluitbreiding nr. 138 en 139, Antwerpen,
161 https://www.humanistischverbond.nl/caminode eeuw, Tielt-Weesp, Lannoo, 1984.
“Kiliaan”, 1911 (“Met innige vriendschap en
158.vanvrijheid/deventer/ Zie bijvoorbeeld M. Braun, (bezocht ‘Drie opsprookjes 29/7/2025).
hoogachting. Coeckelbergs, Heist-op-den-
162 M. vanEverard, Wilhelmina ‘De bibliotheek Drucker: een vanbijdrage Titia vanaan
Berg, 18-7-11”) en eventueel Gezelle, Guido,
der de Tuuk cultuurgeschiedenis als venster op de van wereldvrouwenhet fin de siècle’,
Bloemlezing uit Guido Gezelle’s gedichten,
boekerij’, Feminisme Lust enen verbeelding, Gratie, 32, 1991, 1994,p.p.50–62; 11-29; M.
Amsterdam, L. J. Veen, [1915], 6e druk (voorin
Everard Braun, ‘De en Aerts, bij wilDingen; koningin collectie.atria.nl worden: het femi-
geschreven: “Kerstmisgeschenk 25-12-16 hand-
163 J. nistisch Van Doorsselaere, sprookje vanGeërfd Wilhelmina uit hetDrucker’, verleden,
tekening onleesbaar. Coeckelberghs?”)
gevormd Biografiedoor bulletin,10:3, het heden. 2000, Onderzoek p. 209-216. naar
168. Zie de kritische recensie door Alfons de
159.het ‘Kan didactisch vrouwenkiesrecht potentieel de vantoestanden erfgoed in in het
Cock in Volkskunde, 15:3, 1903, p. 208; maar
geschiedenisonderwijs de maatschappij verbeteren?’, in Vlaanderen, L’union Gent, fra-
ook ondertussen vriendschappelijk in: A. De
Onuitgegeven ternelle; weekblad doctoraatsverhandeling, voor vrijmetselaars,2025.
Cock, ‘De Vrijmetselarij in het volksgeloof’,
164 8:30, 23-7-1898, Krings-Uniken p. 251-255, van der p. 254. 160.Tuuk, https://www.canonvannederland.nl/nl/ Bijdrage, p. 59. 165 Bettemiek gelderland/arnhem/emancipatiebeweginGrijns, archivaris van Atria, was gen-vanaf-1870 zo vriendelijk(bezocht een excelwerkbeop 29/7/2025). 161.stand https://www.humanistischverbond.nl/camino(van onder andere Annette Mevis en vanvrijheid/deventer/ haarzelf) ter beschikking (bezocht te stellen, op 29/7/2025). als 162.bijlage M. Everard, van een ‘De mail bibliotheek op 7 augustus van Titia 2025. van 166 der Tuuk M.als Everard, venster ‘Deop bibliotheek de wereldvrouwenvan Titia van der Tuuk boekerij’,!Lust als vensteren opGratie, de wereldvrouwenboe32, 1991, p. 50–62; kerij’, Everard Lusten enAerts, Gratie, Dingen; 32, 1991, collectie.atria.nl p. 50–62. 167 Zie 163. J. Van A. Hans, Doorsselaere, ‘Overlijden Geërfd van Frans uit het Coeckelbergs’, verleden, Vrij gevormd België,door 4, 1918, hetno. heden. 160, 13-09-1918, Onderzoekp.naar 3 en E.het Peeters, didactisch ‘Frans potentieel Coeckelbergs’, van erfgoed Den Gulden in het Winckel, geschiedenisonderwijs 17, 1918, pp. 149-150, in Vlaanderen, met de linkGent, naar de Levenskracht; Onuitgegevenmaandblad doctoraatsverhandeling, voor reiner leven 2025. waar 164.Coeckelbergs Krings-Uniken in van de jaren der Tuuk, 1910 zeer Bijdrage, actiefp.was, 59. 165.net Bettemiek als Titia van Grijns, derarchivaris Tuuk. Zie ook van Atria, de volgende items was zo in de vriendelijk excel-ijst: een Fierens, excelwerkbeAlfons, Franciscus van stand Assisi. (vanVerhandelingen onder andere Annette van de Algemeene Mevis Katholieke en haarzelf) Vlaamsche ter beschikking Hoogeschooluitbreiding te stellen, als nr. bijlage 138 en van 139, een Antwerpen, mail op 7 “Kiliaan”, augustus1911 2025. (“Met 166.innige M. Everard, vriendschap ‘De bibliotheek en hoogachting. van Titia Coeckelvan der bergs, Tuuk als Heist-op-den-Berg, venster op de wereldvrouwenboe18-7-11”) en eventueel Gezelle, kerij’,!Lust Guido, en Gratie, Bloemlezing 32, 1991, uitp. Guido 50–62. Gezelle’s 167.gedichten, Zie A. Hans, Amsterdam, ‘Overlijden L.van J. Veen, Frans [1915], Coeckel6e druk (voorin bergs’, geschreven: Vrij België, 4, “Kerstmisgeschenk 1918, no. 160, 13-09-1918, 25-12-16 handtekening p. 3 en E. Peeters, onleesbaar. ‘Frans Coeckelberghs?”) Coeckelbergs’, Den 168 Gulden Zie de kritische Winckel,recensie 17, 1918, door pp. 149-150, Alfons de met de link Cock naar in deVolkskunde, 15:3, 1903, p. 208; maar 254
Volkskunde, 24:3, 1913, p. 217-224, p. 220.
Silke Jacobs & Lamia Kocaman
Wij als intentie: over positionaliteit In een ideale wereld zouden we knus op elkaars schoot zitten en deze tekst samen schrijven, letter voor letter. Jij met je rechterhand, ik met mijn linker. Jij de medeklinkers, ik de klinkers en dan samen met de dikke duimen op de spatiebalk. De leestekens zou ik op mij nemen, omdat ik meer aanleg heb voor drama en altijd de toon wil zetten. Jij zou erbij zuchten, je schouders ophalen en je enkel nog lichtelijk opwinden over waar ik weer een komma ben vergeten. Misschien zou het ergens tijdens dit vlijtig proces lukken om de lezer ervan te overtuigen dat er wel degelijk een wij is, een niet-fictief, homogeen geheel dat de praatstok oppakt. De realiteit is natuurlijk anders.
In 2022 besloten we samen een eindwerk te schrijven. Dat leek ons vanzelfsprekend. We waren afhankelijk van elkaar: sinds het begin van onze studies waren we elkaars klankbord. We lieten voortdurend sporen na in elkaars denken en werk. Toen vrienden ons waarschuwden, keken we verbaasd op. “Is het niet fijner om alle vrijheid te hebben, om je eigen ding te kunnen doen?” – “Pas als je alleen werkt, dan is het werk écht van jou.” – “Zal het niet vermoeiend zijn om jezelf continu te moeten verklaren?” Volgens ons waren deze verwittigingen te wijten aan mannelijke ego’s die auteurschap belangrijker vonden dan vriendschap. Bij ons lag dat anders: wij beseften dat de naam van de ander even goed op ons eigen diploma had kunnen staan. Vol vertrouwen begonnen we, tot de wij van
Illustratie Naberduk 255
waaruit we schreven niet meer zo evident was. Auteurschap speelde wel degelijk een rol en dit werd versterkt door het onderwerp van ons onderzoek. We onderzochten de woningen van vrouwen met Turkse migratieachtergrond. Van bij de start wisten we dat ik een nauwere band zou hebben met het onderwerp, aangezien ik, Lamia, een Turkse migratieachtergrond heb. Deze afstand werd nog kleiner wanneer mijn moeder een casus werd. Opeens werd ik een subject van het onderzoek, een insider. Dit versterkte jouw rol als outsider als iemand die op bezoek komt. We werden overweldigd door een zwaar gevoel. Er hing iets in de lucht. Wij werkten samen aan ons werk, en toch … er wrong iets. Het was alsof het verschil tussen ons, dat we eerder omarmd hadden als een sterkte, plotseling een scherpe lijn tussen ons had getekend. De veelheid aan eigenschappen die we onszelf toeschreven, en die altijd zo complementair was geweest, werd plots gereduceerd tot een fel contrast: de een was insider, de ander outsider. De insider voelde zich comfortabeler om snel conclusies te trekken en experimenteerde liever met methodologie. De outsider was voorzichtiger, wikte en woog, maar ging toch over in veralgemeningen. Positionaliteit was geen abstract begrip meer, maar iets wat uit onze lippen rolde bij elk gesprek dat we hadden. Op het moment dat we elkaar begonnen te verwijten dat we niet hetzelfde waren, besloten we elkaar brieven te schrijven. Op die manier vervlogen de gewichtige woorden niet, maar konden ze hun plek in het werk opeisen. We namen de ruimte om na te denken over waarom het verschil in positionaliteit ons zo dwarszat. Als een soort theater kon de lezer ook mee zijn in het stuk. We schreven over ons conflict en wat we elkaar kwalijk namen, wat een grote kwetsbaarheid en openheid vereiste. Het bleek onvermijdelijk: om verder te kunnen werken, moesten we elkaar tonen dat er daadwerkelijk een wij was. Een daad die welwillend256
heid toonde en verzoenend was, maar waar we nog altijd over mijmeren en twijfelen. Op dat moment moesten we bewijzen — aan elkaar en misschien ook aan onszelf — dat wij niet slechts een identiteit was, maar ook een intentie. Dat wij betekende: we staan aan dezelfde kant, ook (en vooral) als we verschillend zijn. Dat verschillen niet verdwijnen of vallen te ondermijnen, maar gedragen worden binnen dat gedeelde kader. De brieven naar elkaar werden onze positionaliteitsverklaring. Een paar maanden geleden nam ik deel aan een workshop getiteld How positionality impacts your research from the start until the end. We kregen de opdracht van de begeleider om per twee te debatteren over positionaliteit. De één moest pro zijn, de ander contra. Een vreemde opdracht eigenlijk, want de aanwezigheid van iedereen daar impliceerde al dat we het belang van positionaliteit in onderzoek erkenden. Het voelde dan ook makkelijk om pro-argumenten te formuleren. De brave academicus in mij somde op: Claiming your position allows for transparency and acknowledges that all knowledge is situated. Vervolgens legde ik mijn handen op mijn borst: It encourages empathy with your subject group. En ik eindigde knikkend: Knowledge is relational; objectivity is a collective, not individual, pursuit. Mijn sparringpartner viel stil. Het overviel hem, want hij had er werkelijk nog nooit bij stilgestaan dat je ook tegen positionaliteit zou kunnen argumenteren. Na een moment vol gedachten, vond ik aarzelend mijn woorden: “Positionality can’t ever be ‘done correctly’ or ‘perfectly’. Referencing others’ data (‘they told me this and I report it’) makes one’s own positionality irrelevant. Focusing on it too much carries the risk of becoming self-indulgent — think of autoethnography as academic navel-gazing. And doesn’t it sometimes shift the focus from science to identity? Right?” Hij knikte en gaf me de indruk het eens te zijn met wat ik zei. Zo zaten we daar, mooi zonder zelfs maar een conflict te kunnen veinzen. Leuk – we zijn het eens! Maar ook ... plotseling saai.
Silke Jacobs & Lamia Kocaman | Wij als intentie: over positionaliteit Tegenwoordig betrap ik mezelf erop dat ik, wanneer ik een academisch werk in handen heb, niet het dankwoord, maar de positionaliteitsverklaring als eerste lees. Het is een soort guilty pleasure. Sommigen doen me fronsen, zonder dat ik meteen kan zeggen waarom. En dan zoek
nadruk gelegd wordt op persoonlijke details die voor het onderzoek zelf weinig relevant zijn. Er wordt uitgebreid verteld waar iemand is opgegroeid, welk geslacht, welke geaardheid of welke economische achtergrond die persoon heeft, terwijl het belangrijkste eigenlijk is of de
ik jou op, want het is een plezier om samen te vinden waar de puntjes op de i ontbreken en het “ja, maar” heen en weer te pingpongen. Ik stuur je de teksten die we tijdens de workshop lazen en met een zacht gebod zeg ik: “Lees dit eens.” Het ambigu gevoel bij het lezen van positionaliteitsverklaringen herkende jij ook. Dit was het begin van verschillende gesprekken, waaruit dit essay uit voortvloeide.
onderzoeker al dan niet behoort tot de leefwereld die wordt onderzocht.
Door het schrijven van positionaliteitsverklaringen lijkt het alsof onderzoekers er zich makkelijk van af willen maken. Het is als een punt op hun decolonize-to-do-list. Door het schrijven ervan verlossen ze zichzelf van verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld door te erkennen dat ze niet tot de onderzochte groep behoren en vaak geprivilegieerd zijn, geven ze al het weerwoord aan de eventuele kritische reflectie over hun externe blik. Het wordt ingezet als een middel ter legitimatie van hun werk. De klassieker “ik ben geprivilegieerd, maar …” geeft hun de joker om eender welke uitspraak te doen, omdat het op een zelfbewustzijn is gestoeld. De erkenning van positionaliteit fungeert als een manier om spreekrecht te behouden ten opzichte van de onderzochte minderheden. Daarnaast kan de onderzoeker de inhoud rond zichzelf laten centraliseren. Zelden laat je onderzoek je ongeroerd, maar als de focus vooral komt te liggen op de gevoelens van de onderzoeker zoals schuldgevoelens, persoonlijke groei of een poging tot verbinding – dan dreigt het enkel nog daarover te gaan. Onbedoeld komt de onderzoeker centraal te staan, waardoor de gemarginaliseerde ander opnieuw naar de achtergrond verdwijnt. De ander wordt het decor in het verhaal van het ik. Het lezen van positionaliteitsverklaringen roept bij ons de vraag op of er niet te veel
Vaak beperken positionaliteitsverklaringen zich tot deze kenmerken. Het is begrijpelijk dat dergelijke eigenschappen invloed kunnen hebben op je onderzoek, maar het lijkt ons dat zaken zoals hobby’s, leeftijd of gezinssamenstelling in bepaalde contexten eveneens een grote invloed kunnen hebben op de richting die je onderzoek uitgaat. Factoren zoals je persoonlijkheid, of je sympathiek of verlegen overkomt, je kledingkeuze – of je je nu bescheiden kleedt of juist felle kleuren draagt – en zelfs het weer, zoals zonneschijn of regen, beïnvloeden de manier waarop je correspondenten op jou reageren. Daarbovenop is positionaliteit helemaal geen statisch begrip dat valt te reduceren tot dergelijke kenmerken. Naarmate de tijd verstrijkt, verander jij als onderzoeker – je ervaringen, je relaties, je context – en daarmee kan ook je positie veranderen ten opzichte van het veld en je onderzoeksobject. Wat begon als een outsiderpositie kan geleidelijk evolueren naar een meer betrokken rol – of omgekeerd. Je kan bijvoorbeeld een breuk met een contactpersoon beleven of meer voeling krijgen met de onderzochte groep omdat je vergelijkbare ervaringen doorloopt. Positionaliteit, hoe jij je situeert ten opzichte van je onderzoek, is een complex en gelaagd gegeven en valt niet te reduceren tot een aantal vaste kenmerken. Deze vereenvoudiging draagt nog een bijkomend gevaar in zich: het leidt onbedoeld tot essentialisering van identiteit. Voor de onderzoekers die zelf behoren tot gemarginaliseerde groepen waar ze onderzoek naar doen, kan het leiden tot een soort gedwongen “coming-out”. Dit vraagt een nog grotere kwetsbaarheid en reduceert wederom 257
hun identiteit tot enkel die eigenschap die hun insider maakt. Voor de onderzochte groep wordt enkel de gemeenschappelijke eigenschap hun essentie van identiteit. Positionaliteit kent zijn oorsprong in het concept situated knowledges van Donna Haraway. Zij stelt dat alle kennis altijd gecontextualiseerd, belichaamd en gepositioneerd is. Haraway schreef dit in het kader van feministische wetenschapstheorie, waarin ze pleitte tegen het idee van een ‘objectieve, wetenschappelijke’ blik en benadrukte juist dat we onze eigen plek in het kennissysteem moeten erkennen. Die erkenning van je positie heeft ook te maken met epistemic justice: het idee dat er recht moet worden gedaan aan wie kennis mag produceren en welke kennis als legitiem wordt gezien. Positionaliteit komt uiteindelijk neer op fundamentele vragen: “Wie heeft het recht om te spreken over dit onderwerp? Wie wordt gezien als een expert? Waarom wordt die gezien als expert?” Deze vragen zijn niet alleen van belang binnen de academicae, maar weerspiegelen bredere maatschappelijke debatten. Tegenwoordig gaat het liedje zo: wie gehoord wordt, wie geloofd wordt, en wiens kennis als legitiem geldt – dat hangt sterk samen met positie, macht en representatie. In de 19e en de vroege 20e eeuw voerden westerse (veelal witte, mannelijke) onderzoekers veldwerk uit in koloniën, waarbij zij de levens van “de ander” (meestal niet-witte, gekoloniseerde bevolkingen) beschreven vanuit een zogenaamd objectief, universeel perspectief. Deze vorm van onderzoek was diepgeworteld in koloniale macht: de onderzoeker keek neer op het onderzochte subject en legitimeerde zo vaak koloniale overheersing. Dankzij de kritische stemmen van onder andere Gayatri Spivak, Frantz Fanon en andere denkers uit de dekoloniale traditie, werd opgeroepen tot een bewustzijn van deze koloniale logica. Positionaliteitsverklaringen zijn daaruit voortgekomen: ze vormen een poging om je positie expliciet te maken en zo ook de asymmetrie van macht 258
in onderzoek te erkennen. Maar zoals eerder besproken, niet elke positionaliteitsverklaring is automatisch dekoloniserend. Zonder voortdurende reflexiviteit bestaat het risico dat het slechts een gebaar is. Een goede positionaliteitsverklaring is dan ook niet eenvoudig te schrijven; het vraagt een attitude van voortdurende twijfel en kritische betrokkenheid bij de verhouding van jezelf en je onderzoeksveld. Ik at met een groep vrienden broodjes in het park, de zon op onze schouders. Eén van hen begon een verhaal te vertellen over zijn Turkse buren. Ze hadden hem die week van de straat geplukt, in hun auto gezet en meegenomen naar een pand dat ze net hadden gekocht. Ze wilden zijn advies als “meneer de architect”. Hij vertelde dat hij een redevoering over duurzaam bouwen had gehouden, hoe hij begon over rotswolisolatie, recuptegels en warmtepompen. Maar zij hadden hem uitgelachen. Ze wisten allang wat ze gingen doen: bouwen zoals altijd. Beton. Snel. Goedkoop. Hij haalde zijn schouders op en zei iets over de ‘typische stoere houding’ van die mannen, en over ‘de obsessie met alles wat nieuw en blingbling is’. Zijn toon zat me meteen dwars. Er hing iets in zijn woorden dat bleef hangen – iets van superioriteit, van “ik weet het beter” – een racistische geur. Ik zweeg. Want als ik iets zei, zou ik gezien worden als degene die overdrijft, die alles “politiek” maakt. De sfeerverderver. De killjoy feminist. Mijn vrienden spraken hem niet tegen. Mijn broodje kaas was onmiddellijk op. Later, onderweg naar huis, dacht ik: precies hetzelfde verhaal had ik ook kunnen vertellen. Waarschijnlijk had ik het verhaal nog aangedikt en overdreven accenten nagedaan. Misschien had iedereen dan wel gelachen. De betekenis van wat we zeggen krijgt vorm met wie we zijn. Wat we mogen zeggen, hoe het overkomt, hangt niet alleen af van de woorden – maar ook van wie ze uitspreekt. Onze positionaliteit geeft ons vaak legitimiteit. Soms maakt enkel dat het genuanceerd verschil tussen racisme en inside knowledge.
Silke Jacobs & Lamia Kocaman | Wij als intentie: over positionaliteit De erkenning van gemarginaliseerde groepen en hun specifieke ervaringen en waarden is een van ambities van identiteitspolitiek. Dit ging gepaard met een politieke mobilisatie van groepen die historisch onderdrukt of uitgesloten zijn. De erkenning van
ruimte maken voor andere stemmen en kritisch nadenken over hoe je spreekt, waarom en voor wie.
die ervaringen en uitsluiting zijn essentieel geweest om sociale rechtvaardigheid te bevorderen. Maar filosoof Nancy Fraser levert hierop kritiek. Zij waarschuwt dat een focus op alleen erkenning (recognition) kan leiden tot de negatie van belangrijke kwesties rond herverdeling (redistribution). Volgens Fraser is sociale rechtvaardigheid een driedimensionaal concept dat zowel erkenning, herverdeling als vertegenwoordiging (representation) omvat. Wanneer de strijd zich enkel richt op erkenning van culturele verschillen en identiteit, blijven structurele economische ongelijkheden en machtsverhoudingen buiten beeld. Dit kan ertoe leiden dat identiteitspolitiek verkruimelt tot een politiek van symbolische erkenning, zonder dat er echte veranderingen in de machtsstructuren plaatsvinden. De grote focus op een stem geven aan onderdrukte minderheden kan ook een lege daad zijn wanneer er geen fundamentele veranderingen worden nagestreefd. Dit resoneert met de eerder besproken gevaren bij positionaliteitsverklaringen.
den naar discussiëren tot er een wij op tafel lag. Een gedeeld spreken. Daarom ben jij, zelfs wanneer ik vanuit een ik-perspectief schrijf, hier mee te lezen én volwaardig auteur. Dit essay is gegroeid uit een wij dat niet vanzelfsprekend is, maar dat we samen al tastend en twijfelend vormgaven. We probeerden ons niet op te sluiten in één standpunt, maar eerder de ander te begrijpen en recht te doen aan hun vorm van weten. Misschien groeit hieruit juist een diep verlangen om te spreken namens een wij – een collectief dat het ik overstijgt en de jij oplost. Waarbij het niet langer draait om identiteit als zwaarste element, maar eerder de intentie om te spreken vanuit een wij. Alsof die drie letters samen een ruimte zouden maken, een vrijplaats, waar we kunnen praten met elkaar vanuit solidariteit en wederzijds begrip. Een wij die continu in dialoog staat en wederkerige brieven schrijft.
De kunst ligt in het verschil zien tussen: een stem geven of stemmen versterken, spreken over of met, ruimtes inpalmen of ruimtes maken. Positionaliteit is niet alleen een instrument van reflexiviteit of eerlijkheid, maar ook een uitnodiging tot dialoog, rechtvaardigheid en het verbreden van wat we als waardevolle kennis beschouwen. In onderzoek zou positionaliteit niet enkel in een segment moeten vervat worden maar weerspiegeld zijn in de reflexiviteit die de onderzoeker toont in het werk. Positionaliteit gaat er niet om nooit te mogen spreken over dat waarmee je zelf geen directe ervaring hebt, maar dat je je bewust bent van je positie en de machtsrelaties die ermee gepaard gaan. Het betekent luisteren,
Terugkijkend vinden wij dit het mooie aan onze positionaliteitsverklaring. We verlang-
Silke Jacobs (1999) combineert praktijkwerk bij PT Architecten met sociaalruimtelijk onderzoek voor Els Vervloesem. Haar werk is gericht op de architectuur van de zorg. silke.a.jacobs@gmail.com Lamia Kocaman (1999) is momenteel doctoranda aan KU Leuven, waar ze onderzoekt hoe migratie landschappen tekent, van de straten van Europese steden tot de dorpen van Turkije. Haar werk verbindt architectuur, antropologie, feminisme en transnationale bewegingen – met een focus op hoe vrouwen thuis maken, waar dat thuis ook mag zijn. kocaman.lamia@hotmail.com 259
Literatuurlijst Beeckmans, L. (2021, 16 december). Epistemic justice in the design process. Archined. https://www.archined.nl/2021/12/ epistemic-justice-in-the-design-process/ De Wit, R. (2019). Afhankelijkheidsverklaring. Atlas Contact. Fraser, Nancy (1997). Justice Interruptus: Critical Reflections on the “Postsocialist” Condition. New York: Routledge. Fraser, Nancy (2000). “Rethinking Recognition.” In New Left Review 3 (2000): 107-120. Jacobs, S., & Kocaman, L. (2023). Het maken van een transnationale (t)huis: vrouwen met Turkse migratieachtergrond (ver)bouwen in Wondelgem. Masterproef onder begeleiding van Luce Beeckmans en Johan Lagae.
Workshopteksten Berger, R. (2013). Now I see it, now I don’t: Researcher’s position and reflexivity in qualitative research. Qualitative Research, 15(2), 219–234. Gani, J. K., & Khan, R. M. (2024). Positionality statements as a function of coloniality: Interrogating reflexive methodologies. Haraway, Donna J. (1988). Situated Knowledges: The Science Question in Feminism and the Privilege of Partial Perspective. Feminist Studies, 14(3), 575–599. Mwambari, D. (2019). Local positionality in the production of knowledge in Northern Uganda. International Journal of Qualitative Methods, 18, 1–12.
260
Silke Jacobs & Lamia Kocaman
ABSTRACT “We” as Intention: About Positionality This reflective essay explores the complexities of positionality. At the heart of this reflection lies a joint thesis project on the homes of women with a Turkish migration background in Ghent. Written in a personal tone, it follows the evolving relationship between two researchers—one an insider to the research context, the other an outsider—and explores how their different backgrounds led to moments of tension and vulnerability, but also to deeper mutual understanding. The essay examines the frictions caused by insider–outsider dynamics, ultimately framing “we” not as a fixed identity but as an intention—a commitment to ongoing dialogue and thinking together, both because of and despite difference. The essay also offers a critical perspective on positionality statements in academia, questioning their tendency to become performative, reductive, or self-centred. The authors argue that positionality should not be a checklist item for decolonisation, but rather a continuous, relational, and ethically engaged practice. They warn against essentialising identity or reducing researchers and subjects to fixed categories, emphasizing that positionality is fluid and shaped by evolving contexts, emotions, and relations.
Katerina Nanou
Gender-Inclusive Children’s Games Integrating toys and children’s games in museums has many challenges. Toys are considered tangible as well as intangible cultural heritage and reflect material culture, manufacturing techniques, and cultural and social values.1 On the other hand, Sportimonium, an organisation that safeguards the heritage of games and sports in Flanders, labels a wide variety of games, sports, physical exercises, dances and acrobatics as ‘ludodiversity’.2 Moreover, toys and games prompt a nuanced history of untold stories of power and exclusion. When it comes to interpreting material culture, children are often feminised and categorised as weak and disempowered.3 Specifically, gender in games and sports calls our attention today, but does it too in museums for toys and games from a distant past? Gender-inclusive playing is too often presented as merely a very recent phenomenon, and the past of gender-inclusive children’s games is ignored. While museum curators are acutely aware of this and do take action, there still is little expertise. This article addresses this lacuna and suggests several methodologies to improve museum presentations of toys and games. Pieter Bruegel’s well-known painting Children’s Games (1560) is a major starting point to explore gendered artefact biographies of toys. A first step is to detect how museums that preserve toys deal with the panorama of children’s games that Bruegel visualises emphatically and boisterously. Therefore, a first section analyses literature on education in museums, taking in categories of age and gender and with a focus on toys. These are material objects that have their biographies and a life cycle from production and actual use to museum display. A second section suggests how to infuse gender in the
object biographies of toys and the games for which they are used. Specific examples of toys that Bruegel visualises in action in his painting suggest possibilities of connecting materiality to gender. The materiality of specific toys, such as stilts and spinning tops, is further explored in a third section that addresses the open-ended questions about gender and the implications of material research for museum presentation practices. In the last section, a case study of toys in the Bokrijk Open-Air Museum ties together the different strands of the argument. The findings aim to inspire educators in museums to adopt narratives of gender inclusion, when displaying historical toys and providing toys for play to visitors.4
Gendering Toy Museums Anne Jodon Cole and Eva Petersson Brooks have suggested that museum environments are inflexible to children and the culture of childhood. Museums disproportionately exhibit the culture of children growing up in well-todo families, whereas children of rural areas or of impoverished status are usually neglected. Although toys are very valuable to reflect a material culture of children, toys displayed in museums are usually highly finished, better preserved, and visually appealing. Moreover, museums may repeat gender stereotyping and the gender status quo in playthings. Jordon Cole and Petersson Brooks therefore plea for narratives to address these shortcomings and the introduction of multiple perspectives to give context to toys and not merely presume that these speak for themselves.5 In particular, gendering of children’s games is still a little-explored educational tool in 261
262
museums. As such, gender encapsulates a wide spectrum of meanings linked to the management of collections, museum professions, interpretation techniques and educational perspectives. Practices of mapping artefacts into categories linked to social concepts,
Belgium, there are at least three toy museums: a Toys Discovery Museum in Brussels, the Mechelen Toy Museum in Flanders, and the Ferrières Toy Museum in Wallonia. Artefacts related to play can also be found in numerous other places, such as archaeological museums
such as gender and class, are a good example of gendered nuances in museum policies. Moreover, using museum resources to teach a broad range of audiences is primarily a female specialisation.6 Games, game concepts and toys are well-fitted to study gender issues and gendered identities in past societies. For instance, gladiatorial games are a good example of a gendered analytical prism in which these are presented to audiences.7 A gender-inclusive approach to education and visitor experience can change this. Furthermore, age and gender are intertwined, and this expands our understanding of what childhood meant in different times and places.8 Objects such as tools and weapons offer insight into “how individuals do (or do not) learn and reproduce gendered differentiation, and therefore, the division of social roles”.9 As miniatures of objects for adults, toys add a crucial age dimension to this perspective of socialisation. Gendered narratives of museum objects lead to a deeper and more diverse representation of gender in curation and interpretation.10 An international collaborative research team studied artefacts at the Victoria & Albert (V&A) Museum in London and the Vasa Museum in Stockholm and raised awareness on gender as an important interpretative category in museology. The teams used two hats found at the Vasa and V&A Museums respectively, and, by applying the same methodological questions, contextualised these objects and revealed gendering aspects of their materiality, production, use and design. Object biographies resemble biographies of people in detecting issues of provenance, production and the ‘career’ of the object.11 The appreciation of toys as cultural heritage artefacts with their biographies is reflected in the countless toy museums around the world. In
and sites, and museums related to urban life. The Open-Air Museum Bokrijk in Flanders is not a toy museum, yet, since several years, it integrates toys and activities for children in its overall museum display that explicitly includes children as visitors. Distinct from children’s museums, toy museums use toys as a historical, social, and cultural product, research the history of children and childhood, and use the objects for educational and research purposes. Toys feature prominently in scholarship on medieval games, especially in the Low Countries, France, and Germany.12 Studies on the visualisation of toys and archaeological findings of toys remain a valuable source, as they have elucidated the active role of children in past societies, as well as the attitude of adults towards them. However, little attention is paid to gender aspects. In a museum context, Brookshaw highlights the strong association of toys with childrenrelated museum collections because they are the adults’ favorite form of childhood material culture and are, therefore, collected more often.13 Toys appeal to adults for several reasons: the human delight in miniature objects, the factor of being ‘cute’, the decorative art value of more expensive items, and the fact that toys (as lost possessions) remind the collector and audience of their childhood. Nevertheless, toys displayed in toy museums seem to lose this magic by becoming static objects, no longer capable of providing play.14 For some, the focus on toys as objects for their own sake equals antiquarianism.15 The display strategies, as well as the museum’s educational approach, can provide implicit narratives that overcome that drawback. A major area of improvement in museums remains the descriptions of toys, and specifically, their gendering. Research in toy museums suggests that toy descriptions and object labels keep track of
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games the materials, era, and gender of the object user (boys, girls, both boys and girls or gender unknown), as well as gender of the manufacturer.16 A visitors’ survey in the Toy Museum of Mechelen concluded that the most popular reason why visitors read the text panels is their
Gender inclusion in Bruegel’s Children’s Games
need to know more about the background and history of the toys. Respondents who found the content interesting, but would like to get additional information, look for answers to questions about “who, what, where, when and why”. In principle, those that opted for disregarding the interpretive panels did so because they evaluated the design as off-putting or unattractive. To what extent gendered interpretations mattered, was not specifically asked in the survey. Challenging implicit gender bias is increasingly getting attention in the world of toys and children’s games. Comparing human interactions in games in physical and digital platforms is one method to gain tacit knowledge on gender stereotyping and how to address this in games.17 Another method is to link the materiality of toys to gender. The Bokrijk Open-Air Museum presents toys as material objects, as well as interactive exhibits. Moreover, the museum has set gender among its policy priorities. For this contribution, two types of objects, stilts and spinning tops, have been selected among a lengthy list of toys safeguarded in the Bokrijk Museum. Stilts and spinning tops are presumably close to practices of play among ordinary people, as these toys are made of conventional materials, such as wood and clay. Both toys also appear on Bruegel’s Children’s Games. Before the Bokrijk setting is further explored, Bruegel’s painting is analysed as a unique historical source that enriches the object biography of the toys when adding a historical perspective. This has consequences for permanent and temporary exhibitions of toys and games.
atmosphere, children are playing, running, hiding, dancing, and making music. Besides with man-made toys, children also play with natural resources such as sand, pinecones, walnuts, trees, animals and, above all, with each other.18 An analysis of the painting’s iconographic elements related to gender suggests that boys and girls are often di#cult to differentiate. Gender polarity between children is generally avoided and, therefore, the painting does not reflect a binary gender dichotomy. Children are joyfully visualised as experimental, active, and bold, whatever their gender. In the painting’s iconography, gendered elements, such as clothing, posture or ornaments, are scarce. By playing games, children blend in with and, at the same time, oppose a society’s gender culture and complete the socialisation of their gender roles. In Bruegel’s painting, this gets specific meaning. In the painting, a gendered differentiation in clothing is especially lacking for toddlers and younger children (Fig. 2). Indeed, in the early modern period, gender differentiated dress codes did not exist for children below six years of age. Paintings provide solid documentation to prove this. Compared to princes and princesses, children of common descent were dressed in brightly coloured tunics, secured with a belt. On top of the tunic, young children wore a white apron to prevent clothes from getting dirty and covering a large part of their clothes.19 In portraits, the apron indicated mainly age difference between children.
Bruegel’s painting presents well over two hundred children playing over eighty different games (Fig. 1). As part of the painting’s ludic
In the case of adolescents or teenagers, the iconography of Children’s Games highlights gender as a clear marker that captures gender identity information. For instance, a boy wearing breeches, the predecessor 263
Figure 1 Pieter Bruegel the Elder. Children’s Games, 1560. Kunsthistorisches Museum, Wien
Figure 2 Pieter Bruegel the Elder. Children’s Games, 1560. Detail. A lack of gendered differentiation in the clothing of girls and boys, who also wear aprons. Kunsthistorisches Museum, Wien 264
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games of modern-day trousers, is seated on a workbench. He is assembling a spinning top, while a young girl on her knees in front of the bench is playing knucklebones (Fig. 3). The teetotum or spinning top that the little girl (?) in between holds is a flat-sided top, serving as
wear bonnets and boys wear hats, suggesting a similar hygienic lifestyle of both sexes.20
a dice and was used to play games of chance. Male and female clothing was distinct when children advanced to young age. In the sixteenth century, older boys wore trousers that matched with a short jacket or coat. Bifurcated garments and breeches were reserved for men and older boys, while every female and only the youngest boys continued to wear skirted garments. Moreover, boys and girls rarely have unkempt hair. Both genders share common characteristics in headwear: girls
century patriarchal gender patterns, men prevailed, yet women’s experiences varied greatly according to time, marital status, social status, family background, and available training.21 In Bruegel’s Children’s Games, girls seem no less willing to engage in economic, social and other activities by participating in games that mimic real life. On the upper-left side of the painting, two girls play a coil tournament, similar to a fight between knights. In the painting’s centre, one girl is playing a flute and a drum, practicing her skills. In the painting’s right corner, a girl has set up a small shop, with a scale to measure her merchandise. In front of our eyes, she scraps a brick to make pigment for paint, a trade specific for Antwerp. Her playful activity reflects the way trade influenced women’s lives in the 16th century spheres of public space and business, as well as the wide range of activities available to them. The painting is therefore rightly an indispensable source to reconstruct the
Figure 3 Pieter Bruegel the Elder. Children’s games, 1560. Detail. Kunsthistorisches Museum, Wien
In the painting, games mimicking real life offer an interesting insight into the gender culture of the period. According to 16th
Figure 4 Pieter Bruegel the Elder. Children's Games, 1560. Detail: a girl scraping a brick. Kunsthistorisches Museum, Wien 265
specifics of early modern play and provides an invaluable canvas of toys, some of which are preserved in museum collections. Spinning tops are frequently found toys at archaeological sites. Made of wood or clay, spinning tops were produced on a large scale, as also indicated by the large number of depictions of toys in medieval manuscripts.22 Spinning tops are often discovered in castle-moats, as they got easily lost during play. In the painting, at least four children are playing with spinning tops (Fig. 5). At first sight, the tops seem the same. Each is made of wood and has a metal tip on which it spins. But if we look closer, Bruegel depicts three different variants of the toy. The child at the back of the scene wearing a dark tunic is whipping a narrow, elongated top. This type of spinning top is called a whipping
Figure 5 Pieter Bruegel the Elder. Children’s Games. Detail: children playing with spinning tops. 1560. Kunsthistorisches Museum, Wien
top. On the left, a child in a brown gown is holding a stick with a double whip. The peg top is bigger and more robust. Both designs are set in motion with the help of a whip. In front of them, two children in blue/green and red gowns play with two pear-shaped tops. They are called throwing tops and are set in motion by wrapping a cord tightly around the circular grooves at the bottom, pulling hard and releasing it. The boy wearing the blue/green gown has just set the top in motion, with the cord hanging on his arm. The boy in red is about 266
to set his top spinning, with his hand raised. Stilts are artificial leg extensions, on which a stilter stands and walks. In Europe, stilts were made for crossing marshy or flooded areas, fruit picking and painting. Both military and civilians used these. The inhabitants of marshy or flooded areas used stilts for practical purposes, such as working in swamps or fording swollen rivers, while residents of towns often used them to traverse the waterlogged ground in their everyday activities. Footrests were many meters off the ground and the stilts fastened below the knees. Stilts were available in different and various sizes, from high (Fig. 6) to relatively short stilts, only some centimetres from the ground (Fig. 7). In the painting, an adolescent on long wooden poles and a younger child, using shorter stilts, are testing their accuracy, agility, and balance. Next to the boy walking on long stilts, a little girl appears to be waving to him or admiring his skills. Based on the painting, gender inclusion is skewed. On the one hand, the little girl and the teenager standing high up on the stilts may suggest a gender hierarchy, yet the child on the short stilts, seen from the back, is impossible to label in gender. What does all this imply for the material biographies of these toys?
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games
Figure 6 Pieter Bruegel the Elder. Children’s Games. Detail: Child walking on stilts. 1560. Kunsthistorisches Museum, Wien
Materiality of toys and gender Yassana Croizat distinguishes the relationship between individuals and objects in precapitalist societies from the one that has emerged in modern Western economies. In the latter, a commodity is instantly exchangeable and easily substituted, according to the impulses of the market in which it circulates. However, in pre-capitalist exchanges, objects were not “indifferent things”. They carried “a name, a personality, a past”.23 A bond between individuals and their possessions is, for instance, often assumed in archaeological contexts. In Greek antiquity, a spinning top was an everyday item selected to accompany a child in its tomb and on its journey to the afterlife. The spinning top reflects a bond between toy and child, as well as a meaning that the child’s environment attributes to it. According to Sharon Brookshaw, a material culture of children is different from a material culture of childhood.24 The former refers to items that children make themselves or adapt into their culture from the adult world, and
Figure 7 Pieter Bruegel the Elder. Children’s Games. 1560. Child walking on stilts. Kunsthistorisches Museum, Wien
have a different use to that intended by the adult manufacturer. Wooden toy-boats and small wooden weapons, like swords and bows, may be examples of toys made quite spontaneously, maybe even by a child, and were not necessarily part of any organised production of toys.25 A material culture of childhood, on the other hand, refers to those items that adults specifically made for children. These objects reflect adult attitudes towards children, and not per se the world and worldview of the child. However, what this meant in practice for stilts and spinning tops is di#cult to ascertain. Adults produced both, but children could also build their own variants, as perhaps Bruegel suggests with the two types of stilts. The larger stilts needed a thorough fabrication and adult intervention, perhaps suggesting a male perspective. Perhaps that is why these long stilts are male gendered. The short stilts are within anyone’s reach because they nearly resemble tree branches and seem easier to make, hence perhaps a gender-inclusive visual representation. 267
268
The example of spinning tops as grave goods offers insights into past practices. The physicality of objects makes it easy to comprehend these as things once created and later handled by people.26 Playthings bring us close to the leisure times of the past, rural and urban
museum objects.29 The object-person engagements, in which visitors can participate, shift, and become limited. Different approaches to this can be identified in toy museums in Belgium. The Toy Museum in Mechelen showcases European toys from the
settings, and the materiality of playthings. A spinning top engages us in a child’s experience of everyday life, a sphere not formally documented. Spinning tops are played at home or outdoors. Visual elements that decorate the toy made it appealing to children. Such evidence of its materiality links the toy’s production to the environment in which it was used and the active roles of the children.27 All these elements are present in Bruegel’s painting: children climb trees and spin their spinning tops in smooth surfaces, re-enact a mock wedding reflecting past customs, craft dolls, and show their entrepreneurship when arranging a shop of pounded bricks for dye production. Uncovering these spheres by studying the suggested toys is a demanding task, particularly because these artefacts do not represent the wealthy or prosperous and are, overall, not su#ciently documented. Ulrich Schädler, director of the Swiss Museum of Games, has discussed the materiality of the museum’s artefacts. He highlights that if we compare a spinning top of 500 BC to one from 1500 AD, we observe that these toys are usually of the same type, regardless of location. Giving up certain games, for example, often marks the transition from childhood to adulthood. In the ancient Greek world, the separation of play between the ages was clearly marked, with extensive archaeological evidence and research supporting this. In Greece, children offered their toys to the goddess Artemis to signify that they were now adults and would no longer play with dolls, nuts or spinning tops.28 In Nordic countries and recently in Flanders, children offer one’s soother to a so-called ‘soother tree’, when deemed old enough to transition. In museums, Sandra Dudley sees a seriously missed opportunity when toys become
early modern period until today. Among these are spinning tops. The museum provides only minimal information about these artefacts, such as the likely date of manufacture and the place where the object was found (Fig. 10). The Bokrijk Museum suggests a more hands-on approach. Visitors can get acquainted with historical toys and various folk games and sports in the museum, and formulate their interpretation of games and toys, by answering open questions related to the artefacts. Children as of six years old are invited to play with the artefacts and experience the toys within their ludic context. Children playing with stilts are a common occurrence during educational workshops in the Bokrijk Open-Air Museum. An important aspect of materiality that can be explored in museum narratives remains the craft and skills required to attain the artefact’s production. Objects were probably crafted by individuals with specialist knowledge and experience, perhaps people who worked with these materials on a regular basis. The ornamentation of toys often reflects the skilfulness of their creator. However, spinning tops often have minimal decoration. Because of this lack of unique identifiers, these objects are often not exhibited in museum collections. Instead, they remain in the museums’ storage rooms. Since ancient Greece and all through the nineteenth-century beginning of a scientific presentation of museum objects, theories about the value of play in raising children have been prominent. However, toys and particularly spinning tops were not only linked to play and leisure. In the case of spinning tops found as funerary objects, the artefacts have mainly been understood as symbolising the transition from life to death, and from childhood to the adult sphere. For instance, a funerary lekythos or urn from 500 BC portrays
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games two young women whipping a top with a stick (Fig. 8). In that context, spinning tops were connected to female initiation and to the symbolism of love, marriage and married life, through the parallelism with the spindle. The iconography of the lekythos supports such an idea. Spinning top dancing was an important element of Dionysiac rituals: these dances mimicked spinning tops and implied movements of an about-the-axis rotation and a chaotic trajectory, promoting an ecstatic mental state. These spinning tops represented a particularly effective kind of ritual choreography and a powerful symbol of life and not just play.30
Figure 9 Spinning top made from wooden bobbin reel, by Giorgos Kazantzas and by Spyros Tsoukalas. Glyfada, Attica [Open Care Centre for the Elderly (KAPI)], 1991. Benaki Museum, Athens
Figure 10 Spinning tops 1500-1700 AD. Speelgoedmuseum, Mechelen, Belgium
Figure 8 Women whipping a top with a stick. 500 BCE. National Archaeological Museum, Athens. Copyright ©Hellenic Ministry of Culture and Sports/ Hellenic Organisation of Cultural Resources Development (H.O.C.RE.D.)
The Benaki Toy Museum of Athens opened its doors to the public in 2017. Its holdings are among the most important in Europe, and include items associated with childhood from Europe, Africa, Asia and the Americas. A special museum display showcases toys made by members of Greek social clubs for the elderly, based on memories from their childhood. The project ‘Re-creating the toys of my childhood’ was set to reproduce toys of the beginning of the 20th century. Care centres across Greece participated in the competition, 269
270
and numerous toys reproduced form part of the Benaki museum’s permanent collection ‘The toys of my grandparents’. An example is a spinning top made by the upper part of a cylinder, on which a yard or thread is wound (Fig. 9). The nail, a metal spike with a broadened flat head,
Challenging societal binaries around gender and power dynamics proves to be highly demanding for museums and their practices. Even though there is a common objective in minimising the under-representation of minority or discriminated gender identities,
serves as the top’s spinning mechanism. The toy is marked by its simplicity and offers an insight into tangible ephemera of the era, such as yard industry products that circulated in the market. Such a snapshot of the object’s material properties can be compared to wooden spinning tops from the early modern period, reflecting the resources - natural or other - available at the time, and showing minimal decoration (Fig. 10). How does gender tie in with materiality? The degree to which museum narratives on toys are gender-blind vary and depend on the specific museum, its curators and the context in which the narratives are presented. Anne Monjaret notes that “the gendered borders separating activities, technologies and objects (…) are constantly being crossed or moved, depending on all sorts of changes in circumstances”.31 Changes in technology and technical innovation have a similar effect. This porosity suggests the existence of practices and objects that are transgender or that are associated with humans in general, as Martine Segalen suggests in the framework of her reflections about spoons. In principle, the toys in Bruegel’s painting reflect the same transgender nature, used to entertain and build their holders’ skills in balance, precision, strategy. The gendered character of the spinning top is not evident. Its materiality offers insights into natural landscape elements: compact and smooth surfaces to spin and often found in medieval and early modern moats. Through a gender lens, one can grasp societal meanings that are attributed to it, reflecting expectations and the way gender is experienced. For example, excavation findings of the Kavirion temple of Thebes (used between prehistory and 4th century AD), include spinning tops that were identified as offerings to the goddess Artemis, signifying a passage from childhood to the adult world.
there is a difference between quantitative and qualitative strategies that include gender perspectives in museums. In quantitative strategies, statistics, quotas and figures are valued and made more visible, while qualitative strategies on gender perspectives question museum discourses and methodology.32 Regarding the interpretation of collections, Ewa Klekot discusses hierarchies between human activities as a gender-related theme.33 One example is gender stereotyping and the idea that the mind and thinking are connected to men, while the body and routine work are associated with women. This is also reflected in the classification of material culture. Other dichotomies are that women are considered being closer to biology and men as closer to technology, or that hard physical work is best done by men, while modest dexterous body movements fit women better. Based on my observations in Belgian and Greek toy museums, these dichotomies are profoundly reflected in the way toys are presented: action toys address primarily the material culture of boys, and toys, such as dolls and dollhouses, are framed within girls’ interests. With the 2017 exhibition ‘Once upon a Castle’, the Chicago Children’s Museum aimed to avert gender bias in children’s play by recreating a gender-neutral castle exhibit. The curators put the children in charge of the story and let them play in ways that were not strictly scripted: pre-schoolers to eight-yearolds had the opportunity to imagine their scenarios, create their own adventures and let their narratives bring the environment to life. According to the curator, “gender roles can be fluid, so can history itself”. To support this, Eva Änggård highlights that natural environments are not gender-coded and invite certain play activities where girls and boys play together.34
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games Thus, natural spaces seem to offer good opportunities to promote gender equity. Museums have increasingly recognised the importance of addressing gender inclusion and challenging gender stereotypes in their exhibitions and narratives. The Bokrijk
Spinning tops and stilts: narratives in the Bokrijk OpenAir Museum
Open-Air Museum serves as an example of a Belgian institution linking toys with active playing and setting inclusive-oriented policy objectives. It also meets another important criterion: what Änggård describes as natural, non-gender-coded environments.
and among the first of a new generation of Open-Air museums built after the Second World War.35 Bokrijk is a park and museum complex, and has been an initiative of the Province of Limburg, in the northern, Flemish region of the country. I use the museum as my case study not only because of the wealth of its collections and links with Pieter Bruegel that the museum established since the beginning, but also because it focuses on play in a hands-on setting, through artefact replicas and educational activities.
The Bokrijk Open-Air Museum is one of the largest European Open-Air museums,
Figure 11 The Bokrijk Open-Air Museum. The Zuienkerke Barn. April 2023. Photo Katerina Nanou. 271
The setting resembles the vibrant and rural environment of Bruegel’s paintings. As 2019 marked the 450th anniversary of Bruegel’s death, the Bokrijk Open-Air Museum organised an international exhibition entitled ‘The World of Bruegel’ in collaboration with Tourism
1960s, the painting has already inspired the museum to create a documentary on children’s games in Flanders. Part of the 1969 documentary by Frans Verstreken and Jozef Weyns is included in the museum’s exhibition venue. Even though the 2019 exhibition was
Flanders to mark the occasion. ‘The World of Bruegel’ presented a contemporary experience of the customs, standards and habits that prevailed towards the middle of the sixteenth century. Bokrijk’s plethora of buildings and objects appear to emerge straight out of his works, fulfilling the museum’s path to narrate the story of everyday life, by looking back and forward to the future (Fig. 11). Regarding the permanent exhibitions, a replica of Bruegel’s Children’s Games is found in two museum locations. Besides a Play Barn, the museum also exhibits Bruegel replicas in a so-called Bruegel Farm (Fig. 12). Much earlier, in the
initially designed to last just one year, due to its success and the high quality of its installations, the museum decided to preserve it as long as its quality remains. More specifically, the Bokrijk Open-Air Museum strives to include gender in its educational programming. The ‘Costume box’ programme is a good example of an initiative linked to gender and materiality. During the workshop, children can dress up in outfits from the beginning of the 20th century. The museum is conscious of the gendered character of clothing, by offering different options to
Figure 12 The Bokrijk Open-Air Museum. The Stable House from Vorselaar aka the Bruegel Farm. March 2023. Photo Katerina Nanou. 272
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games children that attend the workshops. Children are encouraged to select clothes and accessories they want to wear, despite their gendered character. Girls can pick boys’ clothes and vice versa, while mixing the options offered to them. Interaction with artefacts relies partially on
UNESCO, villagers developed a technique for traditional manufacturing of children’s wooden toys, preserved now for generations.36 Manufacturing displays a gender dynamic: men in a family take soft wood from the region and dry, cut and carve it using traditional tools.
the materiality of exhibits. Role-playing activities, such as the ‘Costume box’, offer valuable insights into hidden aspects of gendered history. The museum also acknowledges the importance of training the educational workers and volunteers, who are in a constant exchange with the visitors. The museum recognises as a factor of the success of the ‘Costume Box’ its investment in the training of educational staff and volunteers. This ties in with the museum’s gender-inclusive policy and focus on craftership, hospitality and public brokerage. But what about the gender inclusion of toys in the Bokrijk Open-Air Museum? Two main features link the Bokrijk spinning tops and stilts in terms of their presentation. Firstly, both are objects of wood that provide insight in the material culture of everyday life and of common people. This gives flexibility to present ‘a’ rather than ‘the’ history of each object. Moreover, coloured toys with decorative elements are rare. In their vast majority, surviving spinning tops and stilts are rather plain, reinforcing the idea of the game being less gendered. Secondly, wood and its use as a common material of everyday objects are closely linked to the production and trade of the toys. In particular for trade, communities and their power dynamics, often linked to social status, play an important role. Wooden toys highlight the variety of style and economic range of woodwork, from those made by well-known manufacturers to toys created in home workshops. Oak was favoured in England, Flanders, and the Netherlands from the eighth until the fifteenth century, before other types of wood became more widespread and favoured broader practices of production. Traditional manufacturing of children’s wooden toys in Hrvatsko Zagorje in Croatia was inscribed in 2009 on the Representative List of the Intangible Cultural Heritage. According to
Then, women apply ecologically friendly paint in improvisational floral or geometric patterns and paint the toys using their imagination. This suggests that, in contrast to status-minded trade in luxury toys, production of wooden toys on a broader scale was gender-inclusive. Stilts are important ludic objects for the Bokrijk Museum. Through the educational programmes on children’s play, the audience gets acquainted with historical information on the use of stilts. At the museum’s Play Barn, visitors of all ages can learn to walk and use stilts. To enhance their ludic character, stilt walkers from all over Flanders are invited on special events, as part of the region’s intangible cultural heritage programming. Understanding stilts as part of a ludodiversity perspective on Belgium’s intangible heritage is valuable. Stilts enhance dexterity, coordination and balance among children and adults. The environmental perspective offers insights into the use of resources (such as wood) for their creation and trade. Making a link to the depiction of stilts in modern artworks uncovers important other aspects: stilts are used to navigate fluid environments and unexpected circumstances, offering support to their user. Photographs of men picking fruits or delivering mail in the 1950s are much more common than women portrayed walking on stilts. These elements are important for the biography of the stilts as museum objects. Gender-inclusive gaming and sporting helps museums to address contemporary issues. The object biographies of toys, such as spinning tops and stilts, have potential to assist education programmes in museums to set new steps in this direction. This is also relevant because, even in toy museums, toys are often poorly explained and presented to the public as static and aesthetic objects. Spinning 273
tops were non-binary toys and their cultural biography in Antiquity also suggests transition rituals from childhood to adolescence and adult life that enhances that potential. If a spinning top is primarily linked to age and much less to gender, this creates chances for museums to
that emphasises age above gender. But the painter also does not shy away from highlighting potential gendered readings of toys, as in the case of the long stilts. On spinning tops made of wood, the cultural biography of these items suggests a variety in fabrication, trade
offer multiple narratives. The Athens Benaki Museum spinning tops are a good example of a practice of play that is celebrated for its historical significance, carrying such diverse interpretations. As with spinning tops, Bruegel visualised stilts as non-binary, although he also had an eye for the patriarchal significance of stilts linked to age groups. The history of stilt walking in Belgium, as documented in the Bokrijk Open-Air Museum, suggests a similar pattern for stilts, as objects that generate diverse practices. This connects visitors to history, but also to actual play in the context of the museum. Specifically, toys are much more than museum objects that tell a material story. The fabrication of wooden toys as a more or less democratic practice and their non-binary use provide clues on how museums can activate their collections to meet the public. Introducing gender-inclusive playing practices with modern toys that resemble toyssometimes fabricated for thousands of yearsopens visions on a life cycle of material objects. The cultural biography of toys, such as those painted by Pieter Bruegel, has for a very long time been inspirational and, as Bokrijk currently shows, their inspirational and diverse agencies only lead to new presentation techniques, if tailored to contemporary concerns that vitalise museums.
and use depending on wealth and status, while at the same time, as Bruegel shows, different types of spinning tops do not necessarily vary much when used for playing. This is different when ornamented spinning tops are presented in museums as objects of visual appreciation. Bringing together documentation from different periods and from different museums on toys and games, which are universal and eternal, helps to enhance gender-inclusive visions of the toy museum of tomorrow.
Conclusion As a conclusion, some recommendations may help museum staff to come to grips with the fleeting significance of toys from a sometimes very far old past. Bruegel’s Children’s Games is not just a documentation on a long series of playing practices. Inherent in his presentation of children’s games is gender-neutral reading 274
Katerina Nanou (1990) holds a Bachelor in Education from the University of Athens, an M.Sc. in Museum Studies, with specialisation on Artefacts and Material Culture from the University of Glasgow, and an MA in History from KU Leuven. Her research interests focus on material culture and public archaeology. She is particularly interested in the biographies of artefacts – tracing how objects were made, used, and recontextualised over time.
Katerina Nanou
Katerina Nanou | Gender-Inclusive Children’s Games
ABSTRACT Gender-Inclusive Children’s Games The question of how to capture information related to gender remains a
Implicit gender bias is receiving increasing attention in toy museums. Drawing on
challenge for the collection, interpretation, and education policies of museums. This is especially true in the case of the material culture of childhood and children, where toys can hardly ever be satisfactorily displayed, as little is known about how they were actually used in play and by whom. This article stems from research conducted for my master’s thesis. The analysis centres on two types of toys identified in the Bokrijk Open-Air Museum that have been linked to Pieter Bruegel the Elder’s painting Children’s Games (1560). Due to the lack of relevant research on the gendering of toys displayed in museums, I focused on incorporating a gender perspective into the presentation of 16th-century toys, in combination with a material culture analysis.
the unique historical source that Bruegel’s Children’s Games represents, this article aims to assess the materiality and gender inclusiveness of toys, preserved in selected European and American collections. Bruegel’s painting served as the starting point for this research project, as I examined its iconography from a gender perspective and explored how two of the toys, depicted in the sixteenth century painting, relate to historical sources. As a result, I connected the painting to toys found in European and American museums, artworks, and artefacts, using gender and materiality as powerful tools of interpretation. Keywords: gender-inclusive games, toy museums, material toy biographies
Genderinclusieve kinderspelen De vraag hoe informatie over gender kan worden vastgelegd, blijft een uitdaging voor het verzamel-, interpretatie- en educatiebeleid van musea. Vooral binnen de materiële cultuur van de kindertijd en het kind-zijn is speelgoed zelden op bevredigende wijze tentoon te stellen, aangezien er weinig bekend is over hoe dit speelgoed precies werd gebruikt en door wie. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek dat ik heb uitgevoerd in het kader van mijn masterscriptie. De analyse richt zich op twee soorten speelgoed die werden geïdentificeerd in het Openluchtmuseum Bokrijk en die in verband worden gebracht met het schilderij Kinderspelen (1560) van Pieter Bruegel de Oude. Bij gebrek aan relevant onderzoek naar de genderaspecten van speelgoed in museumcontext, heb ik mij toegelegd op het integreren van een genderperspectief in de presentatie van 16e-eeuws speelgoed, in
combinatie met een analyse van materiële cultuur. Impliciete genderbias krijgt steeds meer aandacht in speelgoedmusea. Aan de hand van de unieke historische bron die Kinderspelen vormt, beoogt dit artikel de materialiteit en genderinclusiviteit van speelgoed in enkele Europese en Amerikaanse collecties in kaart te brengen. Het schilderij van Pieter Bruegel vormde het uitgangspunt van dit onderzoeksproject. Ik onderzocht de iconografie van het werk vanuit een genderperspectief en ging na hoe twee van de afgebeelde speelgoedvormen zich verhouden tot historische bronnen. Op basis daarvan legde ik verbanden tussen het schilderij en speelgoed uit Europese en Amerikaanse museumcollecties, kunstwerken en artefacten, waarbij gender en materialiteit werden ingezet als krachtige interpretatiekaders. 275
1 1.
Esther Alsina Galofré and Oriol Vaz-Ro-
Culture of Children and Childhood: Un-
mero Trueba, “Anti-juguetes o la «memoria
derstanding Childhood Objects in the
lúdica» tras un cristal: Una aproximación
Museum Context”, Journal of Material
al Museu del Joguet de Cataluña a la luz
2 2.
14 14. Jodon Cole Petersson Brooks, “Toy Story”.
del pasado, 16:3, 2025, p.387-452.
15 15. Anne-Marie Condé, “A ‘vigorous cultural
https://ich.unesco.org/en/BSP/pro-
movement’: The Pigott Inquiry and Country
gramme-of-cultivating-ludodiversity-sagramme-of-cultivating-ludodiversity-sa-
Museums in Australia, 1975”, reCollections: A
feguarding-traditional-games-in-flanders-00513 (access 1/8/2025). 3 3.
5 5.
6 6.
Jane Eva Baxter, “The Archaeology
tural Analysis of Object Use and Enskillment in Hunter–Gatherer Societies”, Journal of Archaeo-
This article is based on Katerina Nanou,
logical Method and Theory, 30:1, 2023, p. 32-63. 17 Alakesh Dhibar et al., “Play and Gender 17.
Translating 16th century toys toys and and games games into into
Expression: A Critical Design Exhibition to
gendered artefact narratives in the Bokrijk
Generate and Measure Awareness About
Open-Air Museum, Master Thesis in History,
Gender Differences Within the Context of
Faculty of Arts, KU Leuven, 2023. I thank
Children and Toys”, Human-Computer Inter-
reviewers for useful critical comments.
action. Thematic Area, HCI 2024, Held as Part
Anne Jodon Cole and Eva Petersson
of the 26th HCI International Conference, HCII
Brooks, “Toy Story: Childhood versus
2024, Washington, DC, USA, June 29 – July
Children in Toy Museums.” Museum &
4, 2024, Proceedings, Part II, Series Lecture
Society, 14:2, 2017, p. 294 – 312.
Notes in Computer Science, vol. 14685, Hei-
George E. Hein, “Museum Education”, in:
delberg – Berlin: Springer, 2024, p.275-294.
A Companion to Museum Studies, Sharon
18 Annemarieke Willemsen, “Children’s Toys in 18.
Macdonald (ed.), Oxford, 2006, p. 344.
the Netherlands: Production, Sale and Trade.”,
Apostolos Spanos, “Games of Society”, in:
Material Culture in Medieval Europe - Papers of
Idem, Games of History: Games and Gaming as
the ‘Medieval Europe Brugge 1997’, Conferen-
Historical Sources, Abingdon, 2021, p. 74-76.
ce Bruges, 1997, p.405-412; Idem, Kinder delijt
8 8.
Baxter, “The Archaeology of Childhood”.
: middeleeuws speelgoed in de Nederlanden,
9 9.
Anne Monjaret, “Objects of gender
doctoral dissertation KU Nijmegen, 1998.
and the gender of objects in French
19 Till-Holger Borchert, Hilde de Ridder-Sy19.
7 7.
ethnology and sociology”, Clio: Women,
moens, and Annemarieke Willemsen, Re-
Gender, History, 40, 2014, p.139-156.
naissance Children: Art and Education Education at at the the
10 James Daybell, Kit Heyam, Svante Norrhem, 10. and Emma Severinsson, “Gendering Objects
Habsburg Court (1480-1530), Tielt, 2021. 20 Amy Orrock, “Homo Ludens: Pieter 20.
at the V&A and Vasa Museums.” Museum
Bruegel’s Children’s Games and the
International, 72:1-2, 2020, p.106-117.
Humanist Educators”, Journal of Historians
11 Igor Kopytoff, “The cultural biography of things: 11.
of Netherlandish Art, 4:2, 2012, p. 1-20.
commoditization as process”, in: Idem, The Social
21 Reyerson, Kathryn. 2016. “Urban Economies”, 21.
Social Life of Life Things, of Things, Cambridge, Cambridge, 1986, p.1986, 64-92. p. 64-92.
The Oxford Handbook of Women and and Gender Gender
12 Annemarieke Willemsen. “Children’s Toys 12.
in Medieval Europe, Judith M. Bennett and Ruth
in Italy, 1350–1550”, in: Games and Visual
Mazo Karras (eds.), Oxford, 2016, p. 295-310;
Culture in the Middle Ages and the Re-
Jelle Haemers, Élodie Lecuppre-Desjardin.
naissance, Vanina Kopp and Elizabeth Lapina
“Conquérir et reconquérir l’espace urbain.
(eds.), Turnhout, 2020, p. 263 – 288.
Le triomphe de la collectivité sur l’indivi-
13 Sharon Brookshaw, “The Material 13. 276
Journal of Museums and Collections, 6: 2, 2011. 16 Felix Riede et al., “Toys as Teachers: A Cross-Cul16.
of Childhood”, Annual Review of AnAnthropology, 37:1, 2008, p. 159–175. 4 4.
Culture, 14:3, 2009, p. 365-383.
de sus precursores europeos”, El futuro
du dans le cadre de la révolte brugeoise de
1488”, Voisinages, coexistences, appropriations: Groupes sociaux et territoires urbains (Moyen Age-16e siècle), Claire Billen and Chloé Deligne (eds.), Turnhout, 2007, p. 119-142. 22. 22 Willemsen, “Medieval Children’s Toys in the
Folklore, 133, 2020, p. 205-227. 34. 34 Eva Änggård, “Children’s Gendered and Non-Gendered Play in Natural Spaces”, Children, Youth and Environments, 21:2, 2011, p. 5-33. 35. 35 Fredie Floré, “The Open-Air Museum of
Netherlands: Production, Sale and Trade”.
Bokrijk: Staging Pre-Modern Architectu-
23. 23 Yassana C. Croizat, “’Living Dolls’: François
re in the Margins of the 1958 World Fair”,
Ier Dresses His Women”, Renaissan-
Architectural History (SAHGB Publicati-
ce Quartely, 60:1, 2018, p. 94 - 130.
ons Limited) 53, 2010, p. 295-315; Laurens
24. 24 Sharon Brookshaw, “The Material
De Keyzer and Michiel Hendryckx, The
Culture of Children and Childhood: Un-
Open-Air Museum Bokrijk, Ghent, 2001.
derstanding Childhood Objects in the
36. UNESCO. 2023. Traditional manufactu36
Museum Context”, Journal of Material
ring of children’s wooden toys in Hrvatsko Hrvatsko
Culture, 14:3, 2009, p. 365-383.
Zagorje. Accessed April 2025. https://ich.
25. 25 Willemsen, “Medieval Children’s Toys”.
unesco.org/en/RL/traditional-manufactu-
26. 26 Andrew Reinhard, “Material Culture of the
ring-of-children-s-wooden-toys-in-hrvats-
Immaterial”, in: Idem, Archaeogaming: An
ko-zagorje-00233 (Access: 1/8/2025).
Introduction to Archaeology Archaeology in in and and of of Video Video Games, New York – Oxford, 2018, p. 162-196. 27. 27 Ellen Swift, Jo Stoner, and April Pudsey, “Children’s material culture”, in: Idem, A Social Archaeology of Roman Roman and and Late Late Antique Egypt: Artefacts Artefacts of of Everyday Everyday Life, Oxford, 2022, p. 263-288. 28. 28 Ulrich Schädler, “Faire parler la matière: l’archéologie des jeux antiques”, interview by Natalia La Valle, Barbara Turquier and Bruno Vétel, Tracés. Revue des Sciences humaines, 28, 2015, p. 185-198!; 185-198 ; in the same issue of this journal!: journal : Gilles Brougère, «!Choisir « Choisir ses jouets : les aspects matériels dans la décision des enfants!», enfants », p. 81-97. 29. 29 Sandra Dudley, “Materiality Matters: ExExpeperiencing Displayed Object”, Working riencing thethe Displayed Object”, Working Papers in Museum Studies, 8, 2012. 30. 30 Marianna Scapini, “The winged figure in the “Villa dei Misteri” fresco and the spinning top in ancient rituals”, Mythos, 10, 2016, p. 193-213. 31. 31 Anne Monjaret, “Objects of gender and the gender of objects in French ethnology and sociology”, Clio: Women, Gender, History, 40:2, 2014, p. 153-170. 32. 32 Liliane Inés Cuesta Davignon, “Gender Perspective and Museums: Gender as a Tool in the Interpretation of Collections”, Museum International 72, 2020, p. 80-91. 33. 33 Ewa Klekot, “The Craft of Factory Labor”, The Journal of American American 277
278
Jeroen Reyniers, Arnaud Schenkel, Henry-Louis Guillaume, Valentine Henderiks, Olivier Debeir, Lowie Vercruysse & Koen Janssens
Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België1 1. Inleiding Net als mensen in de middeleeuwen zoeken wij een houvast in tijden van onzekerheid en crisis. Tegenwoordig vertrouwen we op wetenschap, geneeskunde en technologische vooruitgang om deze problemen het hoofd te bieden, terwijl in het verleden bedreigingen zoals mislukte oogsten, politieke instabiliteit, ziekten en epidemieën werden bestreden of afgewend door middel van geloof en bijgeloof. Centraal in deze praktijk stond de verering van relikwieën, aangezien men ervan overtuigd was dat het aanroepen van heilige overblijfselen een goddelijke tussenkomst zou teweegbrengen en bescherming bieden. Reliekschrijnen werden ontworpen om de stoffelijke resten van heiligen te bewaren. Ze komen in diverse materialen en technieken voor, waarbij de metalen schrijnen uit het Maasland wellicht de bekendste voorbeelden uit België zijn. Houten, beschilderde reliekschrijnen zijn daarentegen minder bekend. Deze objecten waren niet louter bewaarkisten,
processies. Ze waren al dan niet gedecoreerd met voorstellingen die het leven van de heilige uitbeeldden. Door eeuwenlang devotioneel gebruik werden ze herhaaldelijk geopend en aangevuld met voorwerpen, zoals textiel, documenten en diverse artefacten. In de loop der tijd werden deze schrijnen ook aangeraakt, gerepareerd, overschilderd en aangepast aan toenmalige gangbare smaken van de tijd. Historisch gezien bestonden er honderden van dergelijke objecten in de regio die bekend staat als de Lage Landen, waarvan België nu deel uitmaakt. Vele schrijnen hebben de eeuwen echter niet overleefd: sommige werden vervangen of gingen verloren, terwijl een aanzienlijk aantal tijdens de beeldenstorm van 1566 werd vernietigd.2 In deze periode werden talloze religieuze en devotionele objecten, waaronder relieken en reliekschrijnen, opzettelijk vernield. Het is dan ook opmerkelijk dat er in België nog veertien beschilderde houten schrijnen uit de periode vóór 1566 bewaard zijn gebleven, waarvan elf nog steeds in kerken worden bewaard.
maar speelden ook een actieve rol in religieuze praktijken en werden vaak meegedragen in
Terwijl de houten beschilderde reliekschrijnen in musea uitgebreid zijn bestudeerd 279
Afb. 1: Aanduiding locaties van de beschilderde reliekschrijnen in België
Stad of Gemeente
Instelling
Titel object
Datum
Balat.kikirpa.be objectnr.
Borgloon
Sint-Odulphuskerk
Reliekschrijn van Sint-Odilia
1292
87548
Geel
Sint-Dimpnakerk
Reliekschrijn Sint-Dimpna nr. 1
1300-1400
123266
Geel
Sint-Dimpnakerk
Reliekschrijn Sint-Dimpna nr. 2
1500-1525
70253
Hoeselt
Sint-Stefanuskerk
Reliekschrijn van onbekende heiligen 1500-1575
11079386
Rekem
Museumkerk Sint-Petrus
Reliekschrijn van Sint-Petronella
1490-1500
58983
‘s Herenelderen Sint-Stefanuskerk
Reliekschrijn van Johannes de Doper 1475-1500
59331
Sint-LievensHoutem
Sint-Michielskerk
Reliekschrijn van Sint-Livinus
1475-1525
16833
Sint-Truiden
Onze-Lieve-VrouwReliekschrijn Tenhemelopnemingkerk van Sint-Trudo
1500-1525
11076125
Sint-Truiden
Onze-Lieve-VrouwReliekschrijn Tenhemelopnemingkerk Sint-Eucherius
1500-1525
11076126
Tongeren
Begijnhof
Reliekschrijn van Sint-Catharina
1525-1550
8498
Tongeren
Onze-LieveVrouwe-basiliek
Reliekschrijn Sint-Remaclus
Ca. 1515
38757
Afb. 2: Overzicht van de casestudies die gedocumenteerd en bestudeerd worden tijdens het PaReS project 280
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België en onder optimale klimaatomstandigheden worden bewaard en getoond, zijn de exemplaren in kerken relatief onbekend, zowel in de wetenschappelijke literatuur als bij het brede publiek. Bovendien zijn ze kwetsbaar voor schommelingen in vochtigheid en tem-
sporen over en gebruiken van deze objecten in kaart te brengen. Door de eeuwen heen zijn reliekschrijnen vaak bij bijzondere gelegenheden getoond, rondgedragen en aangepast: onderdelen werden vervangen, verwijderd of herwerkt. Dergelijke veranderingen zijn niet
peratuur, evenals voor fysiek contact. Veel van deze schrijnen bevatten nog steeds relieken en spelen een actieve rol in de religieuze verering. Het project PaReS – Painted Relic Shrines in Situ heeft als doel alle houten schrijnen van vóór 1566, die nog in Belgische kerken worden bewaard, te onderzoeken. Dit onderzoeksinitiatief is een samenwerking tussen het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), de Université libre de Bruxelles (ULB) en de Universiteit Antwerpen.3 Dit artikel bespreekt de methodologische aanpak die wordt gehanteerd om deze objecten te bestuderen, met als doel kennis en waardering voor religieus erfgoed in situ te bevorderen.
altijd met het blote oog waarneembaar, maar worden vaak wel beschreven, of omgekeerd. Het onderzoek richtte zich bovendien op de oorspronkelijke bestemming van de schrijnen, waarbij volgende vraag werd gesteld: zijn ze vervaardigd voor de kerken waarin ze zich nu bevinden? Tevens werd gekeken hoe hun plaatsing binnen deze ruimten de visuele beleving beïnvloedde - bijvoorbeeld of ze in het koor, op een altaar, op grote hoogte of op ooghoogte werden tentoongesteld. De reliekschrijnen die in het PaReS project worden bestudeerd, zijn vaak moeilijk toegankelijk, aangezien vele van deze objecten zich in (dorps)kerken bevinden die het grootste deel van de tijd gesloten zijn voor het publiek. Hoogwaardige visuele documentatie isdaarom essentieel voor onderzoek op afstand, aangezien deze een gedetailleerde analyse mogelijk maakt zonder de fysieke integriteit van de objecten in gevaar te brengen. In tegenstelling tot schilderijen, die eenvoudigweg met voor- en achteraanzichten kunnen worden vastgelegd, zijn reliekschrijnen driedimensionale objecten die vanuit meerdere hoeken moeten worden onderzocht. In sommige gevallen bleek bestaand fotografisch materiaal onvoldoende om alle relevante details vast te leggen. Om de toegankelijkheid vanuit alle invalshoeken te verbeteren, werd fotogrammetrie toegepast om gedetailleerde 3D-modellen van de objecten te creëren (zie hoofdstuk 3).
2. Methodologie Een uitgebreide interdisciplinaire benadering vormt de basis van dit onderzoek, waarbij kunsthistorische analyse wordt gecombineerd met wetenschappelijke en analytische methoden.
2.1. Documentatie en kunstgeschiedenis Aan het begin van het project werd voor elk schrijn een eerste achtergrondstudie uitgevoerd. Er werd een inventaris opgesteld waarin de afmetingen, een uitgebreide bibliografie van publicaties en een overzicht van eerdere ingrepen en restauraties werden samengebracht. Dit bood een stand van zaken voor elk object. Opvallende visuele kenmerken van de reliekkisten werden geïdentificeerd en eventuele beschreven aanpassingen die in bronnen voorkomen, werden gedocumenteerd. Deze informatie speelde een cruciale rol bij het formuleren van specifieke onderzoeksvragen, die vervolgens werden onderzocht via materiaaltechnische analyses. Daarnaast werd archiefonderzoek verricht om
Het KIK bezit een collectie van ongeveer één miljoen foto’s die het Belgische culturele erfgoed in beeld brengen.4 Hiertoe behoren historische foto’s van reliekschrijnen, daterend van ca. 1900 tot 1980. Het gaat hierbij zowel om zwart-wit glasnegatieven en acetaatfilm als kleurnegatieven en ektachromes. Als onderdeel 281
Afb. 3: De gebruikte methodologie voor het onderzoek van beschilderde reliekschrijnen in Belgische kerken
van het project kregen deze beelden een conserveringsbehandeling, werden ze herverpakt in zuurvrij papier en vervolgens in hoge resolutie gedigitaliseerd.5 Door deze historische foto’s te vergelijken met de huidige staat van bewaring, is het mogelijk om veranderingen door de jaren heen vast te stellen. Daarnaast werd aanvullende documentatie over het moment van foto-opname en de 282
naam van de fotograaf in de archieven van het KIK opgespoord. Ook werden de restauratiedossiers van de reliekschrijnen, die eerder bij KIK waren behandeld, gedigitaliseerd. Bij aanvang van het project waren er van de schrijnen nauwelijks tot geen digitale kleurenfoto’s in hoge resolutie beschikbaar. In de afgelopen jaren hebben meerdere restauraties plaatsgevonden, en in sommige gevallen is de toestand van de objecten veranderd of verslechterd sinds de laatste documentatie.
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België
Afb. 4: Een goed gekozen voorbeeld dat de relevantie van digitalisering in hoge resolutie illustreert: detail van een hoofdtooi in het Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, inv. ET1365. CC BY KIK-IRPA, Brussel, fotonummer A000133. Links: lage resolutie foto beschikbaar in de KIK databank tot 2023. Deze digitale foto van beeldnummer A000133 werd in 2000 gemaakt van een fotoafdruk die bewaard wordt in de archieven van het KIK. Rechts: Het originele fotonegatief van beeldnummer A000133 werd in 2023 uit het depot gehaald en in hoge resolutie gedigitaliseerd. Dit maakt veel details zichtbaar en was bijzonder nuttig voor de studie en restauratie van het object.
Om deze reden werd elk schrijn nauwgezet gedocumenteerd door een fotograaf van het KIK, met behulp van een Canon EOS 5DSR hoge-resolutiecamera (50 miljoen pixels). Waar mogelijk, en mits goedkeuring van de kerkelijke instanties, werd ook de binnenzijde en de aanwezige inhoud vastgelegd.
2.2. Conservatie-restauratie Een essentiële pijler van het project is de beoordeling van de conserveringstoestand van de schrijnen. Dit werd uitgevoerd door een combinatie van methoden. Allereerst werd ter plaatse een visuele inspectie uitgevoerd om tekenen van schade en lopende degradatieprocessen te identificeren. Daarnaast boden vergelijkingen met historische foto’s en restauratierapporten waardevolle inzichten in de evolutie van elk schrijn door de jaren heen. Tijdens deze inspecties werden ook omgevingsfactoren, zoals temperatuurschommelingen en luchtvochtigheid, gedocumenteerd. Waar nodig werden directe preventieve conserveringsmaatregelen genomen om verdere achteruitgang te beperken en de schrijnen op duurzame wijze te beschermen.
Afb. 5: Controle van de huidige toestand door een conservator-restaurator van het KIK, bij het reliekschrijn van Sint-Catharina in het begijnhof museum van Tongeren. Foto Jeroen Reyniers (KIK)
283
2.3. Materiaal-technisch onderzoek Dit onderdeel van het onderzoek richtte zich op de digitale documentatie van de schrijnen. Gedetailleerde analyses van diverse materialen, zoals hout, pigmenten, bindmiddelen en verflagen, moesten verschillen in de gebruikte
Een louter stilistische studie is onvoldoende om een kunstwerk nauwkeurig te dateren. Daarom werden verschillende wetenschappelijke dateringsmethoden toegepast om de ouderdom van de houten dragers te bepalen. De eerste fase bestond uit een gedetailleerd
artistieke materialen en technieken door de eeuwen heen aan het licht brengen. Om de constructie van de houten reliekschrijnen beter te begrijpen, zijn de planken zorgvuldig onderzocht en opgemeten. Gereedschapssporen werden geïdentificeerd en eventuele transformaties of gebruikssporen vastgelegd. Daarnaast bracht een analyse van de toegepaste houtverbindingstechnieken latere aanpassingen, verkleiningen en toevoegingen in kaart.
onderzoek van het gebruikte hout, waarbij factoren zoals houtsoort, oriëntatie, aantal jaarringen, toegang tot het dwarsvlak, conserveringstoestand en eventuele oppervlaktebehandelingen in overweging werden genomen. De tweede fase bestond uit dendrochronologisch onderzoek, uitgevoerd op hout dat aan de vereiste criteria voldeed.6 Deze methode, gebaseerd op de studie van jaarringbreedtes, werd vanwege haar hoge nauwkeurigheid waar mogelijk als prioriteit gesteld. De
Afb. 6: Infraroodreflectografie (IRR) van het Sint-Trudo reliekschrijn in de Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopnemingkerk in Sint-Truiden. Foto Jeroen Reyniers (KIK) De verkregen informatie hielp daarom te bepalen hoe de kunstenaar in de eerste schetsende fase te werk ging en hoe hij de compositie van zijn werk verder uitwerkte. 284
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België jaarringen van de planken werden onderzocht en gefotografeerd met een reflexcamera voorzien van een macrolens. In gevallen waarin dendrochronologie niet mogelijk was, werd radiokoolstofdatering (()C) overwogen. Deze techniek, die de resterende radio-
Daarnaast werd röntgenonderzoek uitgevoerd met de Baltograph XMD-röntgengenerator (160kV) van het KIK om verborgen composities en latere aanpassingen te detecteren.
koolstofisotopen in het hout meet, leverde resultaten op binnen een specifiek chronologisch bereik op basis van een kalibratiecurve. De verkregen gegevens maakten het mogelijk om wetenschappelijk te bepalen wanneer de planken voor het eerst beschilderd konden worden, wat een terminus post quem voor het ontstaansjaar opleverde. Infraroodreflectografie (IRR) bood aanvullende inzichten in de werkwijze van de kunstenaar. Het KIK gebruikt hiervoor een Apollo Infrared Camera van Opus Instruments (0,9-1,7 μ; 128 x 128 px InGaAs-area sensor; hoge resolutie, tot 26 MP) met een 100 mm macrolens. Deze niet-destructieve techniek maakte koolstofhoudende ondertekeningen zichtbaar en bracht wijzigingen in de compositie aan het licht.7 De verkregen informatie hielp daarom te bepalen hoe de kunstenaar in de eerste schetsende fase te werk ging en hoe hij de compositie van zijn werk verder uitwerkte.
die zich richt op ondertekeningen, biedt röntgenradiografie inzicht in wijzigingen die tijdens de schilderfase zijn aangebracht. Aangezien het openen van reliekschrijnen afhankelijk is van de toestemming van de eigenaar of kerkelijke autoriteiten, werd röntgenonderzoek ook ingezet om de aanwezigheid en aard van de inhoud te evalueren. Deze niet-invasieve methode leverde cruciale gegevens voor houtdeskundigen bij het bestuderen van de structurele opbouw van de objecten. Daarnaast bood het tevens waardevolle inzichten in hun conserveringstoestand.
Afb. 7: Röntgenanalyse van het reliekschrijn in de Sint-Stefanuskerk van Hoeselt. CC-BY KIK-IRPA, Brussel, fotonummer X172591
In tegenstelling tot infraroodreflectografie,
Röntgenfluorescentie (XRF) wordt al decennialang toegepast in de erfgoedstudies. Als een van de meest gebruikte analysetechnieken in dit veld wordt XRF bijzonder gewaardeerd vanwege de mogelijkheid om een breed scala aan chemische elementen op een niet-destructieve en e#ciënte manier te detecteren. Een recente ontwikkeling binnen dit domein is macro-röntgenfluorescentie (MA-XRF), een niet-destructieve techniek ontwikkeld binnen de AXIS-onderzoeksgroep van de Universiteit Antwerpen.8 De MA-XRF-apparatuur bestaat uit een XOS X-Beam Powerflux röntgenbuis met een rhodium-anode en een Vortex EX-90 detector gemonteerd op een XY-gemotoriseerd platform, dat zich in een regelmatig raster parallel aan het oppervlak van het schilderij beweegt. De röntgenbuis is uitgerust met een polykapillaire lens met een brandpuntsdiameter van 50 μm. De detector is geplaatst onder een hoek van ongeveer 45 graden ten opzichte van het gescande oppervlak. De verzamelde data werd verwerkt met XRF-deconvolutiesoftware: bAXIL, Datamuncher en PYMCA. De gegevensverwerking resulteerde in een reeks element-specifieke distributiebeelden, waarbij elke pixel de relatieve intensi285
teit van het gedetecteerde chemische element weergeeft. MA-XRF maakt het mogelijk om de verdeling van chemische elementen op relatief vlakke oppervlakken te visualiseren. Door het oppervlak te scannen met een gefocusseerde röntgen-
zelfs onmogelijk. Een andere beperking was de tijdsintensiviteit van het MA-XRF-proces. Afhankelijk van de grootte van het onderzochte gebied en de gewenste hoge resolutie, kon een enkele scan tot meer dan twintig uur duren. Dit vormde een logistieke uitdaging en
bundel en de uitgezonden fluorescentiestraling te analyseren, onthult MA-XRF zowel de oppervlakte- als de onderliggende lagen van een object. Dit maakt de techniek een essentieel instrument voor de studie van kunstwerken.9 Een van de grote voordelen van MA-XRF is het vermogen om verborgen composities of wijzigingen onder het oppervlak te detecteren, zoals overschilderingen, latere toevoegingen en retouches. Hierdoor biedt de techniek waardevolle inzichten in de opbouw van een kunstwerk, de materiële geschiedenis en het creatieve proces van de kunstenaar. Op verzoek van de eigenaars van de reliekschrijnen, die wilden vermijden dat hun objecten naar Brussel of Antwerpen werden overgebracht voor wetenschappelijk onderzoek, werden alle technische analyses in situ uitgevoerd. De techniek kent echter enkele beperkin-
vroeg om enige flexibiliteit, vooral bij winterse omstandigheden of onder strikte tijdsbeperkingen. Ook onverwachte gebeurtenissen, zoals een uitvaart, konden leiden tot de annulering van een geplande studie. Ondanks deze beperkingen blijft MA-XRF een onmisbaar instrument binnen de kunstconservatie en -analyse. De techniek biedt ongeëvenaarde inzichten in de materiële samenstelling en geschiedenis van kunstwerken, wat haar waarde voor de studie en conservering van reliekschrijnen onverminderd groot maakt.
Afb. 8: Macro X-ray Fluorescence (MA-XRF) analyse van het reliekschrijn van Johannes de Doper in de Sint-Stefanuskerk van ‘s Herenelderen. Foto Jeroen Reyniers (KIK)
gen. Een van de grootste uitdagingen was de vereiste van een vlak oppervlak, terwijl deze religieuze artefacten vaak gekenmerkt worden door complexe driedimensionale structuren. Dit resulteerde soms in gedeeltelijke of onvolledige scans van beschilderde zijden en maakte het scannen in sommige gevallen 286
3. Het belang van 3D fotogrammetrie De volledige reeks reliekschrijnen werd gedocumenteerd met behulp van kruisgepolariseerde fotogrammetrie.10 Vanwege de diversiteit aan locaties en logistieke beperkingen vonden de opnames plaats onder de best mogelijke gecontroleerde omstandigheden. Waar mogelijk werd de gegevensverzameling uitgevoerd in volledig verduisterde omgevingen, zoals donkere ruimtes of in een afgesloten tent. Wanneer dit niet haalbaar was, werd zorgvuldig toegezien op het vermijden van gerichte lichtinval op het object. Aangezien de reliekschrijnen een museale waarde hebben en hun manipulatie beperkt moest blijven, dienden alle opnames binnen één werksessie of -dag te worden voltooid. Om een systematische en consistente documentatie te garanderen, werd een gestructureerde acquisitiestrategie ontwikkeld. Dit hield in dat de schrijnen virtueel werden opgedeeld in vlakken, die elk met 80% overlap en vanuit drie hoeken (-45°, 0°, +45°) werden gefotografeerd. Extra aandacht ging uit naar overgangen en complexe details, zoals hoeken, openingen, uitstekende delen,
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België
Afb. 9: Meerdelige mesh reconstructie van het reliekschrijn van Sint-Petronilla in Rekem, waarin de camerastandpunten en de kenmerkende punten worden geïllustreerd, die gebruikt zijn voor de uitlijning en integratie van de afzonderlijke componenten. Foto Arnaud Schenkel (ULB)
decoratieve elementen en ondersteunende structuren. Indien nodig werd deze methode herhaald bij een nieuwe positionering van het object, bijvoorbeeld om de onderzijde, het interieur of verborgen gebieden na demontage vast te leggen. Een opmerkelijke casestudy binnen het project was het reliekschrijn van de heilige Petronella in Rekem. Door de relatief regelmatige afmetingen en vorm van het schrijn kon een aanzienlijk deel van de opnames worden geautomatiseerd, wat het documentatieproces e#ciënter maakte. Toch werden complexe details en verfijnde elementen handmatig geconstrueerd om een optimale nauwkeurigheid te waarborgen. De opname begon met een initiële registratie van de exacte ruimtelijke relatie tussen de schedel en het schrijn. Vervolgens werden beide componenten afzonderlijk gedocumenteerd om hun individuele kenmerken zo gedetailleerd mogelijk vast te leggen. In de laatste fase werden alle beelden gealigneerd en geïntegreerd, wat resulteerde in een naadloze reconstructie van het geassembleerde object. Het eindresultaat toont drie afzonderlijke weergaven: het schrijn, de geïsoleerde schedel en de volledige compositie.
De toepassing van kruisgepolariseerde acquisitie resulteerde in een nauwkeurigere weergave van de oppervlaktekenmerken, met een verbeterde textuurdefinitie en een helder reliëfbeeld. Dit leverde een mat ogend object op, met mogelijk meer verzadigde kleuren, maar tegelijkertijd een getrouwere representatie van het oppervlak, zonder visuele vervormingen door lichtreflecties. Echter, door de eliminatie van reflecties kan het eindresultaat als ‘kunstmatig’ overkomen, aangezien het een technische in plaats van een esthetische interpretatie van het object biedt. Dit vormt een uitdaging voor kunsthistorici, die sensorische perceptie en de interactie van een kunstwerk met zijn lichtomgeving als cruciaal beschouwen. Voor hen is de reflectie van licht een wezenlijk onderdeel van de materiële ervaring van een object en biedt het inzicht in de manier waarop de kunstenaar volumes modelleerde door middel van de wisselwerking tussen licht en oppervlak. Om deze discrepantie te verminderen werd een kleurkalibratie uitgevoerd op de apparatuur die gebruikt werd voor de kruisgepolariseerde opnames. Dit proces volgde museumstandaarden om kleurgetrouwheid te waarborgen, los van de specifieke belichtingsomstandigheden, en maakte een natuurgetrouwe digitale reconstructie mogelijk. De verkregen gegevens werden vervolgens gebruikt om specifieke 287
Afb. 10: Het uiteindelijke gereconstrueerde digitale model van het reliekschrijn van Sint-Petronilla, gepresenteerd in drie verschillende weergaven: het schrijn alleen, de geïsoleerde schedel en de volledig geassembleerde compositie. Foto Arnaud Schenkel (ULB)
textuurmaps te extraheren, waaronder: Diffuse Map (de basiskleuren zonder belichtingseffecten), Normal Map (de geometrische oriëntatie en fijne oppervlaktedetails) en Ambient Occlusion Map (lokale schaduwvorming). Deze elementen werden geïntegreerd in een Physically Based Rendering (PBR) shader, waarmee de fysieke eigenschappen van het oppervlak virtueel werden gereconstrueerd. Dit stelde de onderzoekers in staat om lichtinteracties, inclusief reflectie, refractie en diffusie, natuurgetrouw te simuleren en een visuele ervaring te creëren die zowel technisch accuraat als kunsthistorisch relevant is.11
4. Eerste resultaten en conclusie Het lopende PaReS project levert een belangrijke bijdrage aan de conservatie, bescherming, en toegankelijkheid van in situ cultureel erfgoed in België, door middel van een uitgebreide studie. De houten beschilderde reliekschrijnen werden de voorbije decennia vaak over het hoofd gezien. Dankzij dit initiatief krijgen deze ondergewaardeerde erfgoedobjecten eindelijk de aandacht die ze verdienen. Door innovatieve beeldvormingstechnieken en geavanceerde wetenschappelijke analyses toe te passen, verschaft het project waardevolle inzichten in hun vervaardiging, transformaties en huidige toestand. 288
Beschilderde reliekschrijnen zijn complexe artefacten met een rijke geschiedenis. Een consistente methodologie maakt het mogelijk om stilistische, materiële en structurele verschillen en overeenkomsten door de eeuwen heen te analyseren. Data-analyse, kennisbeheer en visualisatie spelen een cruciale rol bij de interpretatie en presentatie van de verzamelde informatie. Dankzij verbeterde digitale gegevensverwerking en -verwerving wordt een precieze en uitgebreide documentatie gewaarborgd. De eerste bevindingen van het project tonen aan dat deze erfgoedobjecten waardevolle inzichten bieden in hun historische waardering en gebruik. Hoewel schriftelijke bronnen uit de periode van hun vervaardiging beperkt bewaard zijn gebleven, heeft de technische en chemische beeldvorming de originele uitvoering en werkproces in kaart gebracht. Stilistisch onderzoek wijst erop dat de objecten consequent door lokale kunstenaars werden vervaardigd. Daarnaast hebben de analyses aangetoond dat het levende objecten zijn die voortdurend in gebruik bleven: verschillende elementen zijn verdwenen, nieuwe componenten werden toegevoegd en overschilderingen vonden plaats, soms tot in recente tijden. Zo werd het reliekschrijn van Hoeselt voor het laatst overschilderd in 1998. De toepassing
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België van 3D-fotogrammetrie heeft de zichtbaarheid van details aanzienlijk vergroot. Met deze methode konden subtiele kleurverschillen worden waargenomen tussen het beschilderde dakpaneel en de basispanelen van het schrijn van Sint-Eucherius in de Onze-Lieve-Vrouw-
inzichten duurzaam benut en gepresenteerd aan toeristen, waardoor het erfgoedtoerisme in Vlaanderen wordt ondersteund. Om de toegankelijkheid voor zowel onderzoekers als het brede publiek te vergroten, zijn de nieuwe digitale foto’s en de 3D-documentatie online
Tenhemelopnemingkerk van Sint-Truiden. Dit duidt op verschillende vervaardigingsperiodes en suggereert dat het dakpaneel op een later moment werd vervangen door een gelijkaardig exemplaar. Het project heeft verder meerdere doelstellingen. Een belangrijk aspect is de duurzame opslag en het beheer van de verzamelde gegevens. Aan het einde van het project worden alle nieuw verworven beelden, technische rapporten en notities toegankelijk gemaakt via de nationale erfgoeddatabank van België: BALaT – Belgian Art Links and Tools.12 Volgens het principe van ‘sharing is caring’ zullen toekomstige generaties van (kerk-) beheerders, restauratoren, erfgoedexperts, lokale onderzoekers en gidsen deze kennis online kunnen raadplegen. Hierdoor kunnen deze waardevolle en kwetsbare objecten beter worden beschermd en kunnen de verhalen errond worden gedeeld. Daarnaast zullen er aanbevelingen worden ontwikkeld voor de eigenaars van de reliekschrijnen, en wordt kennis verspreid onder belanghebbenden in de erfgoedsector, zoals Erfgoed Haspengouw, Agentschap Onroerend Erfgoed, Monumentenwacht Vlaanderen en PARCUM. De reliekschrijnen blijven in situ en bevinden zich grotendeels in dezelfde regio, met name in Haspengouw (provincie Limburg). Toerisme Vlaanderen werkt momenteel het project Vlaamse Meesters in Situ uit, dat focust op de toegankelijkheid van unieke of minder bekende locaties waar bijzondere werken te bewonderen zijn, die oorspronkelijk voor deze locaties zijn gemaakt of daar al eeuwenlang aanwezig zijn. Dit initiatief draagt bij aan zowel erfgoedbehoud als toerisme door de veiligheid, zichtbaarheid en het begrip van dit unieke erfgoed te vergroten. Door samen te werken met het PaReS project worden de
beschikbaar gesteld. Daarnaast zijn korte video’s en een publicatie ontwikkeld om het breed publiek kennis te laten maken met deze minder bekende materie.13 Naast wetenschappelijke publicaties en (inter-)nationale lezingen organiseert het team het PaReS project presentaties in de kerken waar de reliekschrijnen zich bevinden. Zo worden lokale gemeenschappen betrokken bij hun eigen erfgoed. In samenwerking met kerkfabrieken, stedelijke instellingen, erfgoedcellen, Davidsfonds en Avansa worden korte presentaties en cursussen aangeboden om de bewustwording rond relieken en minder bekende reliekschrijnen te vergroten. In België ligt de focus bij kunsthistorisch onderwijs vaak op internationaal gerenommeerde meesters, waarvan de werken voornamelijk in musea worden bewaard. Om toekomstige generaties bewust te maken van het waardevolle religieuze erfgoed dat zich in kerken bevindt, werkt het PaReS project samen met studenten van de opleiding Kunstgeschiedenis en Archeologie aan de Université libre de Bruxelles. In het kader van een seminarie maken studenten kennis met reliekschrijnen en voeren zij onderzoek uit naar een beschilderd schrijn in een kerkelijke context, wat hun kennis en interesse voor dit erfgoed vergroot. Daarnaast zullen studenten van de opleiding Conservatie-Restauratie aan ENSAV La Cambre interdisciplinair samenwerken om een of meerdere schrijnen uit het project te bestuderen. Aan het einde van het semester dienen zij een onderzoeksverslag in en mogelijk wordt een reliekschrijn gerestaureerd als onderdeel van een masterproef. Met dit initiatief draagt het PaReS project niet alleen bij aan wetenschappelijk onderzoek naar religieus erfgoed, maar maakt het deze 289
kennis ook toegankelijk voor een breder publiek. Dit is een belangrijke stap in het vergroten van de waardering en het behoud van beschilderde reliekschrijnen voor toekomstige generaties. Bovendien dienen de gehanteerde methodologie en digitale toegankelijkheid als inspiratie voor andere instellingen, zowel nationaal als internationaal, om vergelijkbare erfgoedobjecten te bestuderen en te documenteren.
drs. Jeroen Reyniers (1989) is de coördinator van het PaReS-Painted Relic Shrines in Situ project (BRAIN-be 2.0). Zijn expertise richt zich op kunst in Belgisch Limburg, relieken en reliekschrijnen. Aan de Universiteit van Gent werkt hij aan een doctoraatsverhandeling over middeleeuwse reliekschrijnen. jeroen.reyniers@kikirpa.be dr. ir. Arnaud Schenkel (1986) is ingenieur en 3D-gegevensspecialist. Hij is doctor in de ingenieurswetenschappen en technologie en onderzoeksassistent binnen de afdeling Panorama van de Université libre de Bruxelles (ULB). arnaud.schenkel@ulb.be drs. Henry-Louis Guillaume (1980) is archeoloog, expert in de fotogrammetrie en 3D ArchViz-infograficus. Hij is onderzoeksassistent binnen de afdeling Panorama van de Université libre de Bruxelles (ULB) en doctoraatstudent aan CReAPatrimoine van diezelfde universiteit. henry-louis.guillaume@ulb.be 290
dr. Valentine Henderiks (1975) is doctor in de Kunstgeschiedenis en Archeologie aan de Université Libre de Bruxelles (ULB), waar ze sinds 2009 de colleges Vroege Nederlandse Schilderkunst, ConserveringRestauratie, Schildertechnieken en Technologie doceert. Tussen 2009 en 2017 was ze wetenschappelijk medewerker bij het Studiecentrum Vlaamse Primitieven bij het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK). valentine.henderiks@ulb.be dr. Olivier Debeir (1971) is full professor aan de Université libre de Bruxelles (ULB). Hij staat aan het hoofd van de onderzoekseenheid LISA (Laboratory of Image Synthesis and Analysis) en is een van de oprichters van het departement Panorama. Zijn onderwijs- en onderzoeksthema’s focussen op beeldverwerking en patroonherkenning. olivier.debeir@ulb.be drs. Lowie Vercruysse (1996) is doctoraatstudent aan de Universiteit Antwerpen (onderzoeksgroepen ARCHES en AXIS) en werkte de studie met Macro-XRF van de reliekschrijnen uit. lowie.vercruysse@uantwerpen.be dr. Koen Janssens (1963) is gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. Zijn expertise ligt in het gebruik van microtot nanobeams van röntgenstraling voor niet-destructieve analyse en chemische beeldvorming van materialen en erfgoedobjecten, zoals beschilderde panelen, schilderdoeken en andere voorwerpen. koen.janssens@uantwerpen.be
J. Reyniers, A. Schenkel, H. Guillaume, V. Henderiks, O. Debeir, L. Vercruysse & K. Janssens | Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België Jeroen Reyniers, Arnaud Schenkel, Henry-Louis Guillaume, Valentine Henderiks, Olivier Debeir, Lowie Vercruysse & Koen Janssens
ABSTRACT Interdisciplinary Study of Polychromed Reliquary Shrines in Belgium The PaReS project (Painted Relic Shrines in Situ) is an interdisciplinary research initiative dedicated to the study of polychromed wooden reliquary shrines preserved in Belgian churches and dating from before 1566. These artefacts, often overlooked in both academic literature and heritage conservation, played a central role in late medieval devotional practices — not only as containers for sacred relics but also as liturgical objects used in religious processions. While many such shrines were destroyed during iconoclastic episodes such as the Beeldenstorm of 1566, fourteen examples have survived in Belgium, eleven of which remain in an ecclesiastical context. This collaborative project brings together researchers from the Royal Institute for Cultural Heritage (KIK-IRPA), the Université libre de Bruxelles (ULB), and the University of Antwerp. The project integrates art-historical research, conservation science, and advanced imaging technologies. Its methodology is structured around three core components: historical and visual documentation, conservation assessment, and material-technical analysis. The art-historical component includes archival research, bibliographic surveys, and three-dimensional visualisation through photogrammetry. High-resolution photography and the digitisation of KIK-IRPA’s historical photographic archive enable comparative studies of the shrines’ condition over time. Conservation experts carry out in-situ assessments to evaluate environmental risks, structural integrity, and ongoing degradation processes. Material-technical investigations involve dendrochronology and a range of non-invasive imaging techniques,
such as infrared reflectography, radiography, and macro X-ray fluorescence (MA-XRF), all adapted to the shrines’ complex structures and layered construction. Preliminary findings indicate that these objects have undergone significant transformations over the centuries, including repainting, restoration, and the replacement of components —testifying to their continued liturgical use and cultural relevance. For example, the shrine in Hoeselt was last repainted in 1998, while variations in the composition of the Saint Eucherius shrine in Sint-Truiden suggest successive historical interventions. Beyond its scholarly contributions, PaReS aims to foster community engagement and educational outreach. Public presentations, academic and popular publications, student seminars, and local collaborations with cultural and heritage institutions serve to raise awareness of these lesser-known devotional artefacts. All data generated by the project will be made accessible via Belgium’s national heritage database, BALaT (Belgian Art Links and Tools), in line with the principle that ‘sharing is caring’, ensuring sustainable access for future researchers, conservators, and stakeholders. Ultimately, PaReS not only enriches our understanding of medieval religious material culture but also sets a benchmark for best practices in in-situ heritage research, conservation, and dissemination. By making these fragile yet historically significant objects both visible and intelligible to scholars, heritage professionals, and the public, the project contributes to their long-term preservation and cultural valorisation. 291
1. 1
2. 2
Dit artikel werd mogelijk gemaakt met de
logical Analysis of Pre-Eyckian Paintings’, in:
steun van het Federaal Wetenschapsbe-
C. Stroo (red.) Pre-Eyckian Panel Painting
leid (contract nr. B2/233/P2/PaReS).
in the Low Countries. Countries. II Catalogue Catalogue (Contri(Contri-
Het bestaan van deze objecten worden geregeld
butions to Fifteenth-Century Painting in the
in de archieven vermeld. Zo bezat de Sint-Trudo
Southern Netherlands and the Principali-
abdij in Sint-Truiden een beschilderd reliekschrijn in de dertiende eeuw, maar bestaat
3. 3
ty of Liège, 9), Brussel, 2009, p. 47-70. 7 7.
beschreven niet meer in gebruik is bij het KIK,
un import-export de reliques des Onze Mille
blijven de principes van infraroodreflectografie
Vierges au XIIIe siècle’, Bulletin de la Société
ongewijzigd: C. Currie, ‘Examination of Paintings
royale Le Vieux-Liège, Vieux-Liège, 12:252-253, 12:252-253, 1991, 1991, p. p. 225. 225.
in Infrared at the Royal Institute for Cultural
Een onderzoeksproject dat loopt van 2023 tot
Heritage’, in: C. Stroo (red.) Pre-Eyckian Panel
2026. Het wordt financieel mogelijk gemaakt
Painting in the Low Countries. Countries. II Catalogue Catalogue
dankzij het onderzoeksprogramma BRAIN-be
(Contributions to Fifteenth-Century Painting
2.0 (Belgian Research Action through Inter-
in the Southern Netherlands and the Princi-
disciplinary Networks) door BELSPO (FOD Wetenschapsbeleid). Voor meer informa-
pality of Liège, 9), Brussel, 2009, p. 41-46. 8 8.
5 5.
in situ scanning macro-XRF investigation
www.belspo.be/belspo/brain2-be/projects/
of historical paintings’, Journal Analytical
Over deze collectie, zie: A. Gouders, ‘De la
G. Van der Snickt, et al., ‘In situ macro X-ray fluorescence (MA-XRF) scanning as a non-inva-
artistique’, Bulletin van het Koninklijk Instituut
sive tool to probe for subsurface modifications
voor het Kunstpatrimonium, 27, 1996-1998, p.
in paintings by P. P. Rubens’, Microchemical
201-206; p. 201-206; C. C. Ceulemans, Ceulemans, ‘De‘De fototheek fototheek van van het
Journal, 138, 2018, p. 238-245; S. Saverwyns,
KIK, het KIK, een een prachtig prachtig instrument instrument voorvoor alle alle Belgen’,
C. Currie & E. Lamas-Delgado, ‘Macro X-ray
in: Belgen’, Dynastie in: Dynastie & fotografie, & fotografie, Brussel, 2005, Brussel, p.
fluorescence scanning (MA-XRF) as tool in
64-69. 2005, p. C.64-69. Piron, C. ‘LePiron, rôle des ‘Le services rôle des photograservices
the authentication of paintings’; paintings’, Microchemi-
phiques photographiques et du laboratoire et du laboratoire des Musées desroyaux Musées
cal Journal, 137, 2018, p. 139-147; M. Alfeld, et
d’Art royaux etd’Art d’Histoire et d’Histoire dans la dans sauvegarde la sauvegardu
al., ‘Visualizing the 17th century underpainting
patrimoine de du patrimoine artistique artistique belge durant belge durant la Seconde la
in Portrait of an Old Man by Rembrandt van
Guerre Seconde mondiale. Guerre mondiale. Les raisons Les d’un raisons succès, d’un
Rijn using synchrotron-based scanning macro-
la succès, genèse la d’un genèse institut’, d’un institut’, Bulletin Bulletin van het van Ko- het
XRF’, Applied Physics A, A, 111, 111, 2013, 2013, p. p. 157-164; 157-164; K. K.
ninklijk Koninklijk Instituut Instituut voor voor hethet Kunstpatrimonium, Kunstpatrimoni-
Janssens, et al., ‘Non-Invasive and Non-Destruc-
33, um,2012, 33, 2012, p. 257-287. p. 257-287. De KIK De fotocollectie KIK fotocollectie is
tive Examination of Artistic Pigments, Paints, and
grotendeels is grotendeels online online toegankelijk: toegankelijk: https://balat. https://
Paintings by Means of X-Ray Methods’, Topics
kikirpa.be balat.kikirpa.be (bezocht (bezocht op 10 op maart 10 maart 2025).2025).
in Current Chemistry, 374, 81, 2016: https://link.
Over de methodologische toepassing van het
springer.com/article/10.1007/s41061-016-0079-
het digitaliseren digitaliseren van van oude oude glasplaten glasplaten bij het bij KIK,
2 (bezocht op 10 maart 2025); S. Legrand, P.
het zie: KIK, S. Dezie: Groof, S. De T. Groof, De Vocht, T. DeE.Vocht, De Zutter, E. S.
Ricciardi, L. Nodari & K. Janssens, ‘Non-invasive
De Raes, Zutter, J. Reyniers, S. Raes,‘La J. Reyniers, numérisation ‘La numéride la
analysis of a 15th century illuminated manuscript
sation collection de la photographique collection photographique de l’IRPA : de
fragment: point-based vs imaging spectroscopy’,
het Koninklijk van het Koninklijk Instituut Instituut voorvoor het Kunstpahet Kunst-
292
Atomic Spectrometry, 28, 2013, p. 760-767. 9 9.
documentation photographique du patrimoine
l’IRPA le cas des : le cas Clichés des Clichés allemands’, allemands’, BulletinBulletin van
6 6.
M. Alfeld, et al., ‘A mobile instrument for
tie, zie: https://pares.kikirpa.be en https:// PaReS_e.pdf (bezocht op 10 maart 2025). 4. 4
Hoewel de camera die in dit artikel wordt
deze niet meer. Philippe George, ‘À Saint-Trond
Microchemical Journal, 138, 2018, p. 162-172. 10 10. A. Frost, et al., ‘Digital Documentation of
trimonium, 35,35, patrimonium, 2016-2018, 2016-2018, p. 157-175. p. 157-175.
Reflective Objects: A Cross-Polarised Photo-
Over deze techniek, toegepast in het KIK,
grammetry Workflow for Complex Materials’,
zie onder meer: P. Fraiture, ‘Dendrochrono-
in: M. Ioannides & P. Patias (red.), 3D Research
Challenges in Cultural Heritage III. Complexity Complexity and Quality in Digitisation (Lecture Notes in Computer Science, 13125), 2023, p. 131-155. 11. 11 Over deze methode, zie: H.-L. Guillaume, A. Schenkel, ‘Good practices necessity on 3D on-line museum models publications’, in: Proceedings of the 24th International Conference on Cultural Heritage and New Technologies, Wenen, november 2019. 12. 12 https://balat.kikirpa.be (bezocht op 10 maart 2025). 13. 13 www.vlaamsemeestersophunplek.be (bezocht (bezocht 15 mei 2025); J. Reyniers, op 15 mei op 2025); J. Reyniers, Troost en devotie. Troost enontrafeld, devotie. Relieken ontrafeld, (theRelieken (themanummer van het manummer van het Openbaar Kunstbez Openbaar Kunstbezit Vlaanderen), Gent, 2025.
293
294
Aholi So & Mark Schep
Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid: Nederlandse jongeren van Chinese komaf en de continuïteit van erfgoed
Introductie “Je hebt vanuit huis een referentiekader, als ik thuis ben en zeg ‘ik ben ziek’ dan kan ik een bepaalde rant verwachten. Maar als ik uit huis ben en ik zeg het, dan is er een andere reactie. Ik heb hoofdpijn omdat ik mijn haar niet heb geföhnd. En dat mensen dan zeggen, ‘waar heb je het over?’. Dan ga je meer vergelijken en nadenken over de positie die je hebt tussen die culturen in. En wat je zelf wilt overnemen.” 1 Het verhaal van Pieck2, één van onze participanten, laat enkele van de dynamieken zien bij het doorgeven van immaterieel erfgoed binnen de Chinese migrantengemeenschappen in Nederland. Keuzes over wat je wel of niet over wil nemen van jouw ouders hangen af van de verschillende culturele en sociale contexten, zoals de thuisomgeving en de bredere samenleving.3 Het is een constante vorming en positionering van het eigen en de culturen eromheen. De interactie met anderen moet niet onderschat worden – in welke mate wil ik betrokken zijn of geassocieerd worden met de gemeenschappen binnen- en buitenshuis? Ook speelt de kennis over en mate van beheersing van het eigen erfgoed een rol – hoe zeker ben ik van mijn zaak? Tegelijkertijd kan die zekerheid onder druk komen te staan
wanneer erfgoed niet alleen iets van jezelf is, maar ook iets wat door de omgeving wordt verwacht. In zulke gevallen kan het erfgoed als minder eigen aanvoelen. Onderliggend aan deze vragen speelt ook de persoonlijke betekenis die erfgoed krijgt en de afweging of en hoe men het door wil geven aan volgende generaties – wat is erfgoed voor mij, wil ik het behouden als deel van/in verbinding met de gemeenschap en dit stuk van mij doorgeven aan mijn kinderen? Deze dynamieken worden zelden belicht in het bredere maatschappelijke discours. Hoewel de Chinese gemeenschappen al meer dan 100 jaar in Nederland aanwezig zijn, Chinatowns in diverse grote steden niet meer weg te denken zijn van het straatbeeld en ‘naar de Chinees gaan’ als een ingeburgerd begrip geldt, is er relatief weinig aandacht voor en zicht op het erfgoed van migrantengroepen, zoals van mensen van Chinese komaf.4 Als we bijvoorbeeld kijken naar de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland dan is alleen de Chinees-Indische restaurantcultuur erin opgenomen en staat het vieren van Chinees Nieuwjaar (in Amsterdam) in het Netwerk.5 Interessant is dat er op lokaal niveau, in de collectie van Echt Rotterdams Erfgoed, veel 295
296
meer vormen van erfgoed te zien zijn vanuit de Chinese gemeenschappen. Deze collectie met rond de honderd onderwerpen draait om de mensen, activiteiten en initiatieven; onder andere Rotterdam Chinese New Year, kunstenaar Fenmei Hu, kok Jinai Looi en voormalig
waarin de zin “Ni hao! Chinese toeristen blokkeren het fietspad. Om ze te ontwijken, ga je terug naar vakje 39” niet alleen nog in een spelvorm worden standgehouden, maar ook door de redactie is gekomen.10 Juist door het ontbreken van reflectie of uitgesproken kritiek
viswinkeleigenaar Mijnheer Pang maken onderdeel uit van de Rotterdamse collectie.6 Helaas gaat de beeldvorming rond mensen van Chinese of Oost-Aziatisch komaf vaak niet veel verder dan stereotyperingen en clichébeelden. Er zijn talloze voorbeelden. Soms zijn ze goed bedoeld of lijken ze onschuldig. Denk bijvoorbeeld aan het ‘Chinese’ verjaardagsliedje Hanky Panky Shanghai – waarin kinderen herhaaldelijk nietszeggende, zogenaamd Chinees klinkende klanken zingen, vaak met een bijpassend “oosters” toontje of accent. Op veel scholen was en is het zelfs nog gebruikelijk om bij verjaardagen dit te zingen en hierbij spleetogen te maken, waarbij de uiteinden van de ogen met de vingers naar buiten worden getrokken om zogenaamd Oost-Aziatische uiterlijke kenmerken te imiteren. Ook in kinderseries zoals Koekeloere (1992-2015), een Schooltv-programma voor kleuters, imiteert Moffel de Mol ‘Chinese’ geluiden.7 In andere populaire televisieprogramma’s als Ik hou van Holland en Gooische vrouwen worden eendimensionale en stereotype Chinese/Aziatische personages ingezet, die soms expliciet racistisch worden bejegend; zo wordt de nanny Tippi Wan uitgemaakt voor “wandelende bamihap”.8 Hoewel deze gedragingen soms als grapje, vanzelfsprekende of speelse kindercultuur worden afgedaan, dragen ze bij aan een normaliserend beeld waarin het bespotten of trivialiseren van Aziatische kenmerken als acceptabel wordt gezien. Heden ten dage worden Chinezen en Aziaten in bredere zin vaak geassocieerd met Aziatische eetcultuur en recepten, de ‘model minority’ en de afgelopen jaren met COVID-19 ook als virusverspreiders.9 Zelfs tot op de dag van vandaag ontbreekt het bewustzijn nog in de maatschappij, zo ook weer tijdens de viering van het 750-jarig bestaan van Amsterdam,
op dit soort gedragingen, ontstaat de indruk dat dergelijke etnische stereotyperingen onschuldig zijn – of zelfs grappig. Deze normaliserende beeldvormingen zijn echter niet onschuldig, maar werken actief mee aan het in stand houden van schadelijke stereotypen en de marginalisatie van Oost-Aziatische gemeenschappen. Er is wel voorzichtig een verandering op gang aan het komen. Racistische opmerkingen van zanger en jurylid Gordon in het programma Holland’s Got Talent, gericht aan deelnemer Xiao Wang, vormden in 2013 een belangrijk moment. Hierbij vroeg Gordon of Xiao “nummer 39 met rijst” ging zingen voor Xiao’s optreden. Gordon bood in het televisieprogramma De Wereld Draait Door zeven jaar na het incident zijn excuses aan, en gaf onwetendheid als reden..11 Een van de meesprekende stemmen is auteur Pete Wu. Hij beschrijft in zijn boek De bananengeneratie hoe het is om op te groeien in Nederland in een Chinees migrantengezin.12 Het boek kreeg een theateradaptatie met daarin de verhalen van vijf Nederlanders met Oost-Aziatisch roots.13 Ook in de musea is de zichtbaarheid vergroot. Zo is in Wereldmuseum Rotterdam, in samenwerking met hedendaagse ontwerpers en kunstenaars van Chinese komaf, de tentoonstelling Made in China over Chinese maakcultuur.14 Eind 2024 was het werk van kunstenaar Benjamin Li over restaurantcultuur 2024 te zien in Fotomuseum Amsterdam. De racistische opmerkingen van Gordon waren voor Li in 2013 de aanleiding voor een fotoproject rond nummer 39 op de menukaarten van Chinees-Indische restaurants.15 Ook Pan Asian Collective (PAC) en Stichting Asian Raisins passen in deze ontwikkeling.16 PAC vertelt en verzamelt onder andere verhalen vanuit Aziatische perspectieven en brengt deze onder de aandacht.
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid Asian Raisins bestrijdt racisme tegen Oost- en Zuidoost-Aziatische mensen in Nederland en heeft bijvoorbeeld een actie gestart tegen het gebruik van Hanky Panky Shanghai in de klas. Wat begon met een beperkt aantal stemmen, groeit uit tot een bredere beweging die de
zowel binnen als buiten de randstad. In ons focusgroepsgesprek zijn voornamelijk alledaagse culturele praktijken ter sprake gekomen, zoals eetgewoonten, geneeskunde en familie- of gemeenschapsvieringen. Op het eerste gezicht lijken deze elementen aan te
narratieven rond Aziatische identiteiten in Nederland opnieuw probeert vorm te geven. Maar wat blijft ongezien? Of beter gezegd, waarmee en wat houdt Nederlanders van Chinese afkomst bezig als het om erfgoed gaat? Hoewel er veel literatuur is geschreven over eerste generatie migranten,17 is er minder bekend hoe volgende generaties hun erfgoed positioneren, behouden en transformeren. Duidelijk is dat er in een migratiecontext andere dynamieken rondom de borging van erfgoed spelen.18 Het is minder vanzelfsprekend dat het erfgoed wordt doorgegeven in een samenleving waar een andere cultuur dominant is. Migratie vraagt vaak aanpassing aan een nieuwe omgeving. Zo beschrijft Pete Wu in zijn boek, en in het voorwoord van Modelverhalen, dat zijn ouders vooral bezig waren met hard werken in hun restaurant en later snackbar, geld verdienen en zo kansen creëren voor hun studerende kinderen. Het is overleven. Ze wilden het toonbeeld van integratie zijn, maar werden vaak toch gereduceerd tot een stereotype.19 Een gevolg van migratie is dat de eigen culturele identiteit zowel van buitenaf als van binnenuit wordt bevraagd. De culturele gebruiken, tradities, creaties en de betekenissen die migrantengroepen hieraan in het heden toeschrijven, moeten zich aanpassen aan de nieuwe lokale context. Dit vereist mogelijke herinterpretatie en aanpassing van iemands erfgoed.20 In dit artikel bespreken wij aan de hand van vijf Nederlanders van Chinese komaf hun ervaringen met erfgoedoverdracht, van eerste generatie Chinese Nederlanders op tweedeen derde generatie Chinese Nederlanders. Deze groep jongvolwassenen hebben wij geïnterviewd in een focusgroepsgesprek van circa twee uur. Zij zijn tussen de 20-35 jaar, universitair geschoold en geboren en opgegroeid
sluiten bij bekende maatschappelijke beeldvorming over Chinees erfgoed, maar niets is minder waar. Het eigen erfgoed is hier ook echt eigen. Het is geïnformeerd door de migratiegeschiedenis, generatieverschillen en persoonlijke context. Juist in deze ogenschijnlijk vanzelfsprekende praktijken worden bepaalde processen zichtbaar die we later in dit artikel zullen bespreken, zoals de manier waarop mensen erfgoed leren kennen, zich ermee verbonden voelen en bepaalde kennis en vaardigheden in stand houden. Vaak blijven dergelijke praktijken impliciet of onbenoemd, totdat er frictie ontstaat – bijvoorbeeld in de omgang met familieleden van oudere generaties, of wanneer jongeren hun erfgoed moeten verhouden tot bredere maatschappelijke normen. Vele van deze erfgoedkwesties doken niet op als expliciete thema’s, maar zijn ontstaan gaandeweg in het gesprek. Een term die verbonden is aan ons vraagstuk, is safeguarding, ook wel borgen. In de UNESCO 2003 Convention for the Safeguarding of the Intangible Cultural Heritage heeft safeguarding een centrale rol gekregen.21 Op de website van KIEN, Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, wordt het begrip uitgelegd als “het nemen van bewuste acties om het immaterieel erfgoed levend te houden, om zorg te dragen voor continuïteit in de beoefening en het doorgeven ervan en het behouden van de waarden en functies die het heeft voor de betrokken gemeenschap.”22 Naast het begrip safeguarden staan de concepten gemeenschappen en participatie centraal in het 2003 Verdrag. Ondanks dat UNESCO in de verdragstekst naast gemeenschappen spreekt over groepen, en waar passend individuen, stellen critici dat het verdrag het denken in afgebakende en homogene gemeenschappen stimuleert.23 Iets wat de werkelijkheid, zeker ook 297
die van migratiegemeenschappen, geen recht doet. Benedict Anderson stelt bijvoorbeeld dat gemeenschappen bestaan in de individuele verbeelding. Ieder individu beeldt zich in over wat de groep of collectief zou willen of doen, en die inbeelding voedt de gezamenlijke erfgoedverbeelding.24 In de afgelopen 20 jaar wordt het concept superdiversiteit, gemunt door Steven Vertovec, ook vaak gebruikt in discussies over immaterieel erfgoed en gemeenschappen.25 Superdiversiteit houdt in dat er binnen groepen die als gemeenschap worden gezien, zoals de Chinese, ook weer veel diversiteit is. Een concept dat hierop lijkt en in het huidige debat vaker wordt gebruikt is intersectionaliteit, gericht op het individu en diens ervaring en positie in de samenleving.26 Beide concepten gaan uit van het idee van meerdere factoren die een rol spelen bij diversiteit, denk aan verschil in gender, leeftijd, opleidingsniveau, seksuele oriëntatie en sociaal-economische positie. Jasmijn Rana betoogt dan ook dat “een essentialistische kijk op groepen niet meer van deze tijd is, omdat mensen eerder in
Figuur 1. De drie B’s 298
netwerken leven dan in traditioneel gedefinieerde gemeenschappen.”27 Dit is alles ook de reden waarom wij schrijven over ”Chinese gemeenschappen”, meervoud, in plaats van één gemeenschap. In dit artikel proberen we ook zoveel als mogelijk te spreken over individuen.28
De drie B’s Om grip te krijgen op de processen die spelen rond erfgoedoverdracht in een migratiecontext gebruiken we een door ons ontworpen analysekader voor de erfgoedoverdracht met de drie B’s: Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid. Een vierde B, die van borging hangt hierboven. We beginnen met een toelichting op de drie B’s, waarbij we de relevante literatuur bespreken over erfgoedoverdracht tussen generaties in een migratiecontext. Het focusgroepsgesprek gebruiken we daarbij als illustratie van deze processen. De drie B’s geven inzicht in de dynamieken die spelen bij het borgen van immaterieel erfgoed
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid in een context waar een andere cultuur dominant is. Wij beargumenteren dat erfgoedoverdracht een voortdurend proces is van behoud, herinterpretatie en aanpassing van bewustzijn, bekwaamheid en betrokkenheid binnen de veranderende culturele en sociale
chologische verandering.32 De uitkomst van dit proces varieert per individu vanwege de verscheidenheid aan houdingen, gedragingen en culturele identiteiten. Onze participanten bevinden zich dus in een unieke positie waarin zij continu onderhandelen over hun
omgevingen van het individu. Hiervoor bieden de drie B’s een holistische benadering. Deze studie biedt inzicht in hoe individuen met een migratieachtergrond kunnen navigeren door de complexiteit van erfgoedoverdracht en -transformatie in een migratiecontext. De drie B’s dienen als analysehulpmiddel om de positie van het individu in het proces van erfgoedoverdracht en -borging te begrijpen. In de eerste figuur wordt het analysekader weergegeven om de relaties tussen de pijlers te illustreren. Hierbij is het van belang om de B’s en hun overlappende gebieden niet als absolute classificaties te beschouwen, maar als een continuüm waarin individuen zich bewegen. Deze verschuivingen kunnen plaatsvinden over tijd, afhankelijk van veranderingen in context en ervaring. De drie B’s zijn dus onderdelen van een bewegend en persoonlijk proces. Terwijl individuen zich verder kunnen ontwikkelen op de verschillende pijlers, kan er ook een afname optreden, waarbij veranderingen in hun situatie kunnen leiden tot een vermindering van bewustzijn, betrokkenheid of bekwaamheid. Deze hebben uiteindelijk invloed op de continuïteit van het erfgoed.
etnisch-culturele identiteit binnen de spanningen van twee (of meer) culturen – hun erfgoedculturen thuis en de cultuur of culturen van het ontvangende land. Grace De Laguna stelt dat de mens niet rationeel, maar een “rationaliserend” wezen is.33 Binnen de sociale omgeving waarin men opgroeit, ook wel deel te nemen aan de gemeenschap en maatschappij, ontwikkelt het individu het rationaliseren – cultuur – van kinds af aan. Ondanks de gedeelde normen en waarden van de gemeenschap kunnen individuen op basis van hun culturele rationaliteit de gemeenschap ook veranderen. Dat komt doordat ieders ervaring, interesses en lidmaatschappen van elkaar verschillen. De bewuste keuze om zich aan te passen aan een nieuwe cultuur staat bekend als acculturatie, zoals voorgesteld door John Berry.34 Inderdaad, de manier waarop erfgoed wordt behouden, getransformeerd of losgelaten, is afhankelijk van de keuzes en vaardigheden van migranten en hun betrokkenheid bij zowel hun eigen cultuur als de nieuwe cultuur waarin zij zich bevinden. Peter Weinreich voegt hieraan toe dat migranten ook ongemerkt culturele aspecten van zowel hun eigen cultuur als die van het ontvangende land overnemen of afwijzen.35 In relatie tot geneeskunde, taal en de westerse denkwijze is deze frictie ook te zien in ons focusgroepsgesprek. Zo benoemt Pieck expliciet hoe er tussen verschillende culturen wordt bewogen: “Ik denk wel dat onze ouders ervan bewust zijn dat de overdracht lastig is, omdat we in een andere context zijn opgegroeid, en dat het niet logischer overkomt. Dan komt er ook nog een taalbarrière bij en dat we vanuit de westerse denkwijze meer op een wetenschappelijke manier kijken.” Hoewel acculturatie vaak gezien wordt
Bewustzijn De mate waarin migranten hun erfgoed behouden of transformeren, hangt af van verschillende factoren, zoals intrapersoonlijke factoren29 en ecologische en sociaal-culturele factoren.30 Individuen gaan door een proces van culturele socialisatie, waarbij culturele normen en waarden en identiteiten worden gevormd.31 Wanneer individuen migreren en in aanraking komen met leden van een andere cultuur in hun nieuwe land van bestemming, ondergaan zij een proces van culturele en psy-
299
300
als een neutraal woord, heeft onderzoek in het verleden vaak vanuit het oogpunt van assimilatie in de cultuur van het ontvangende land gekeken.36 Enculturatie daarentegen impliceert een integratieproces, met ruimte voor navigatie tussen de verschillende
als erkenning dat er verschillende vormen bestaan]. Annie: Meestal eet je dat met suiker, maar wij hartig, met spekjes. Reiner: Maar even, waar komen we allemaal vandaan qua de Chinese roots. Is dat allemaal
culturen.37 In dit verlengde houdt enculturatie ook verband met hoe mensen bewust en onbewust omgaan met hun erfgoed en culturele identiteit. Dit betekent dat de wijze waarop erfgoed wordt behouden en getransformeerd niet uniform is binnen verschillende erfgoedgemeenschappen of gezinnen, maar afhankelijk is van hun specifieke strategieën, voorkeuren en ervaringen. Voortbouwend op het bovenstaande en ons interview stellen wij dat bewustzijn twee lagen kent. In de eerste laag en het bredere beeld omvat bewustzijn niet alleen kennis van de culturele waarde van erfgoed, maar ook inzicht in de rol die erfgoed speelt in de vorming en beleving van de etnisch-culturele identiteit binnen de erfgoedgemeenschap. Het verwijst naar het algemene begrip, de persoonlijke waardering van het erfgoed en het herkennen van de waarde ervan binnen de culturele en historische context binnen de gemeenschap. Het gaat om het besef dat deze tradities en gewoonten een essentieel deel uitmaken van een etnisch-culturele identiteit en continuïteit. Naast het kennen en herkennen van deze tradities en gewoonten, kan dit besef ook bijdragen aan het waarderen van de diversiteit binnen een cultuur, zoals bij regionale verschillen, en het begrijpen van hoe deze bijdragen aan de rijkdom van het breder gedeelde erfgoed. Dergelijk bewustzijn ontstaat niet alleen door kennis, maar juist ook via sociale interactie waarin ruimte is voor nieuwsgierigheid en uitwisseling, zoals zichtbaar werd in het groepsinterview toen één deelnemer de rest verraste met regionale variaties in tradities als het eten van tangyuan. Annie: Ja hetzelfde geldt met zung 粽 38 toch? Sommigen eten het met suiker en wij eten dat met spek. [Geknik van de overige participanten
Kantonees of Hongkongees? Dat kan ook nog verschillen. Pieck: Fuzhou. Gabi: Wenzhou. Annie: Gwongdong, uit zo’n klein gebied. Reiner: Dat kan ook nog veel verschillen. [Iedereen knikt instemmend] Pieck: Wij eten dus hartige tangyuan 湯圓.39 [Iedereen reageert verbaasd op het feit dat het niet zoet is maar hartig] Bertolt: Hartige tangyuan?! Gabi: Hoe bedoel je?! Pieck: Met vlees erin. Gabi: Met vlees erin? [gelach] Bertolt: Oh echt? In die mochi ballen? Pieck: Jah! Gabi: In de soep. Pieck: Ja, haha. Waarom voel ik me zo anders? Hahaha Bertolt: Is de soep ook hartig? Pieck: Ja. We hebben ook de zoete variant, omdat dat volgens mij meer voorkomender is, want ik merk ook wel dat mijn tante of ouders ook worden beïnvloed omdat we veel omgaan met Kantonezen. [Instemming] Aholi: Willen we dat allemaal eens proberen? [Iedereen zegt overtuigend ja] Pieck: Ik vind dat wel lekker. Momenten als deze kunnen het bewustzijn over de diversiteit en nieuwsgierigheid aanwakkeren. Opvallend is dat hoewel Piecks familie juist meer zoete varianten was gaan eten onder invloed van de Kantonese gemeenschap, de ‘zoete’ deelnemers openstonden voor de hartige variant. Zo ontstaat niet alleen erkenning van diversiteit, maar ook ruimte voor erfgoedtransformatie: praktijken die eerder minder zichtbaar of gewaardeerd waren, krijgen opnieuw betekenis en kunnen zich zelfs uitbreiden binnen de gemeenschap.
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid Zulke interacties laten zien hoe gedeelde erfgoedpraktijken regionaal kunnen verschillen en veranderen onder invloed van contact met andere Chinese gemeenschappen. Erfgoed ontwikkelt zich daarbij dynamisch binnen een veld van sociale nieuwsgierigheid, wederzijdse
actie moeten ondernemen. Zoals het leren van een taal. Zo een besefmoment is bijvoorbeeld terug te zien bij een jonge hindoestaanse Nederlander die, in een eerder onderzoek, stelt: “Mijn ouders hebben mij niet in de richting van de hindoestaanse cultuur geduwd. Ik vind
beïnvloeding en gedeelde ervaringen. Dit bewustzijn is nodig om de waarde van dergelijke kennis te herkennen en te behouden. Het betekent dat mensen zich realiseren hoe belangrijk het erfgoed is, waarom het wordt beoefend en welke rol het speelt in de bredere cultuur. Hierbij spelen sociale netwerken zoals familie en vrienden een sleutelrol, iets waar we dieper op in gaan bij de B van Betrokkenheid. En soms wordt dit versterkt door de confrontatie met anderen, zoals hierboven. Pieck benoemt dit zelf ook nog expliciet: “Pas toen ik uit huis ging, uit mijn primaire omgeving, ging ik bewust nadenken over wat ik over wil nemen. (...) Je moest er actiever bij stil staan, wat zou ik wel doen en wat niet. Als je bij een feestdag bijvoorbeeld niet meer naar huis gaat. Toen ging ik nadenken over wat mijn ouders me hebben meegegeven en wat ik zelf door wil geven aan de volgende generatie. Zonder de essentie te verliezen”. Dit fragment raakt ook aan de tweede laag die we hierin identificeren: bewustheid. Bewustheid als een specifiek aspect van dit bredere bewustzijn, houdt in dat men de rol herkent die ze vervullen in het waarborgen van continuïteit. Anders dan bij bewustzijn kan bewustheid worden uitgedragen door leden van binnen en buiten de erfgoedgemeenschap. Om precies te zijn, refereert bewustheid aan het moment waarop een persoon of een groep zich realiseert dat die een rol speelt in het behoud en transformatie van het erfgoed. Dit besef kan leiden tot actie, zoals het ondernemen van stappen om dat erfgoed te bewaren, borgen, revitaliseren of transformeren. Het verwijst naar het besef of de erkenning van iets op een persoonlijk of direct niveau. Bijvoorbeeld als iemand zich plotseling realiseert dat ze iets belangrijk vinden, of dat ze op een bepaald moment een specifieke
het wel jammer dat ik nu geen Hindi spreek. Met name op feestjes waar veel ouderen zijn, is dat een gemis.”40 Ook bij jongeren van Chinese komaf speelt dit. In een reel op Instagram van Yiqi.global stellen een aantal individuen dat ze spijt hebben dat ze geen Chinees hebben geleerd op de Chinese zaterdagschool waar ze van hun ouders naartoe moesten.41 Het besef van de invloed van sociale kringen op erfgoed is een proces dat mensen bewust maakt van hun rol, wat hen kan motiveren tot actie. In de context van immaterieel erfgoed, kan bewustheid betrekking hebben op het moment waarop een persoon of een groep zich realiseert dat een bepaald gebruik, traditie, of culturele praktijk wordt verwaarloosd, dreigt te veranderen of verdwijnen.42 Dit besef kan leiden tot actie, zoals het ondernemen van stappen om dat erfgoed te bewaren of te revitaliseren. Bewustheid kan dus een katalysator zijn voor het ondernemen van stappen om immaterieel erfgoed te borgen, zoals participeren, documenteren of het creëren van bewustwording binnen de bredere gemeenschap. Een initiatief zoals Yigi.global, maar ook het fotoproject van Benjamin Li en de Stichting Meer dan Babi Pangang passen hierbij. De stichting heeft als doel de Aziatische gemeenschap in Nederland te promoten.43 Een van de acties was het documenteren van de ChineesIndische restaurantcultuur en deze aanmelden bij KIEN, omdat dit type restaurants in groten getale verdwijnt. Dit illustreert hoe bewustzijn en bewustheid rondom immaterieel erfgoed niet alleen mensen aanzet tot reflectie, maar ook tot concrete initiatieven om erfgoedpraktijken te behouden en te bespreken binnen de hedendaagse samenleving. In het interview komt dit ook terug, het ontstaan van bewustheid en het soms 301
302
ontbreken ervan. Zo wordt er gesproken over de mogelijke waarde van meer aanmeldingen voor de lijsten van KIEN. Gabi stelt vragend “veel normale mensen zijn hier ook niet echt mee bezig?” Reiner ziet daarentegen potentiele waarde in het meer zichtbaar maken van
In sommige gevallen leidt bewustzijn niet tot behoud, maar tot verzet, verwerping, of zelfs vernietiging ervan. Een voorbeeld hiervan is de discussie rondom het fenomeen Zwarte Piet binnen de viering van het sinterklaasfeest, waar het besef van de negatieve con-
erfgoed vanuit de Chinese gemeenschappen. In het gesprek blijkt echter dat het veelal niet bekend is, hoe dit precies werkt. Zo zegt Reiner over kungfu en een mogelijke aanmelding: “Ik durf niet te spreken voor Nederland, maar voor mijzelf als individu absoluut. Ik leef daarin, maar of dat voor mijn buurman geldt. Dat denk ik niet, eerlijk gezegd.” Op de vraag of hij het belangrijk vindt dat het wordt doorgegeven, antwoordt Reiner resoluut met “absoluut”. Bertolt vult hierbij aan dat kungfu, of vechtsporten over het algemeen, ook een dynamisch karakter kent en het ook de moeite waard is om opgenomen te worden als immaterieel erfgoed in Nederland: “Ik denk dat kungfu een goed voorbeeld is van cultureel erfgoed. Ik vind het mooi om te zien hoe verschillende culturen hun vechttradities, vechtsporten hebben die ze dan door blijven geven en hun eigen karakteristieken hebben. Ik vind het belangrijk om dat te behouden. Aan de andere kant is het ook interessant hoe Bruce Lee naar vechtsporten kijkt. Hij neemt meer het beste van elke sport, geeft minder om traditie. En kijkt meer naar effectiviteit, zoals Mixed Martial Arts waar ze technieken toepassen uit verschillende disciplines. (...) Het is wel een afweging. Als je veel mensen kan bereiken dan heeft het wel waarde om het immaterieel erfgoed uit de Chinese cultuur op te nemen, zodat er meer begrip en awareness over komt in de Chinese maatschappij [in Nederland].” Toch roepen bewustzijn en bewustheid ook de vraag op wat er gebeurt wanneer mensen zich bewust worden van een cultureel erfgoedpraktijk, maar besluiten om niets te doen of zelfs actief te verwerpen. Wat als het besef ontstaat dat een bepaalde praktijk als achterhaald of problematisch wordt gezien?
notaties van de traditie heeft geleid tot een breed nationaal en internationaal debat over de wenselijkheid van behoud of verandering.44 Het is belangrijk te erkennen dat bewustzijn en bewustheid, hoewel vaak gezien als een positieve stap naar behoud, ook kan leiden tot kritiek, verzet of zelfs het bewust kiezen om bepaalde gebruiken en praktijken los te laten. Het proces van bewustwording leidt dus niet alleen tot actie ter bescherming van het eigen erfgoed, maar ook tot een reflectie over welke praktijken het individu al dan niet willen blijven doorgeven aan de eigen toekomstige generaties of in welke vorm dat moet kennen en kunnen – transformatie. We moeten ten slotte rekening houden dat binnen gemeenschappen verschillen zijn op individueel niveau. Zodoende ook hoe zij omgaan met dit bewustzijn. In het gesprek met de jongvolwassenen komt dit onder andere terug in keuzes die worden gemaakt rond gezondheidsvraagstukken. Erfgoed en culturele overtuigingen kunnen invloed hebben op alledaagse keuzes en kunnen ook botsen met andere perspectieven, zoals Gabi vertelt: “Ja, ik neem ook nooit paracetamol, mijn vriend neemt het wel en dan denk ik ‘hou gewoon vol het gaat gewoon weg’. Thuis zeggen ze dat er bijwerkingen zijn en het niet goed is voor je lichaam.”45 Hier zien wij bijvoorbeeld een wisselwerking tussen het individu (ik) en de groep (thuis). Gabi’s individuele verbeelding, haar persoonlijke overtuiging dat paracetamol niet nodig is, in dialoog staat met haar verbeelding van de gemeenschap, het idee van “thuis” en wat daar als juist en gezond wordt gezien. Deze verbeelde gemeenschapsbeelden beïnvloeden welke praktijken Gabi wel of niet overneemt en vormen zo de brug tussen individuele keuzes
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid en gedeelde erfgoedverbeelding. Zo stelt ook Bertolt dat er bij de Chinese traditionele geneeskunde “veel ideeën en geloof over is. Krijg ik mee van mijn ouders. Ik ben dan wel vrij rationeel en wetenschappelijk ingesteld. Ik geloof dat we niet van alles weten
Of in Reiner’s woorden: “Je bent eigenlijk een spons, je neemt het op. Alles wat je denkt dat waardevol is in het leven en dat geef je dan weer door.” Het bewustzijn speelt dus een essentiële rol in hoe jongvolwassenen navigeren tussen
hoe het zit, met geneesmiddelen en kruiden. Dus helemaal ontkennen doe ik het niet. Ik kies gewoon wat ik wel en niet geloof.” Pieck sloot hierbij aan en stelt: “Als je tussen twee culturen in staat, dat je een eigen EHBO-kit samenstelt en dit van je ouders meeneemt en dan wat je vanuit rationeel oogpunt en mijn leeftijdsgenoten meeneemt.”
erfgoedpraktijken en wat wordt beschouwd als moderne en/of westerse wetenschappelijke inzichten, waarbij ze actief kiezen welke elementen van cultureel erfgoed ze behouden, aanpassen of loslaten. Deze cyclus van reflectie op de erfgoedpraktijk kan als volgt worden geïllustreerd:
Figuur 2. Cyclus van reflectie op de erfgoedpraktijk
303
Kortom, bewustzijn omvat een voortdurend begrip en waardering van het belang van immaterieel erfgoed, terwijl bewustheid het besef en de actie rondom borging benadrukt. Dit kan worden samengevat in de volgende afbeelding:
Figuur 3. Bewustheid en Cultureel Bewustzijn
Bekwaamheid De tweede B betreft bekwaamheid. Dit verwijst naar de praktische vaardigheden en technische kennis, de expertise die nodig zijn om een bepaalde taak of activiteit tot uiting te laten komen. In de context van immaterieel erfgoed omvat dit de specifieke technieken, methoden en traditionele kennis die worden doorgegeven van generatie op generatie. Het kennen van de tradities, gebruiken en de verschillende handelwijzen die daarmee gepaard gaan, zijn essentieel om het erfgoed op een betekenisvolle manier te kunnen voortzetten. Met andere woorden, bekwaamheid gaat niet alleen om correcte uitvoering van erfgoedpraktijken, maar ook om te begrijpen en betekenisvol over te brengen binnen een specifieke 304
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid culturele context. Dit omvat culinaire vaardigheden, ambachtelijke technieken, rituelen zoals voorouderverering en (artistieke) uitdrukkingsvormen en vieringen. De ontwikkeling en overdracht van bekwaamheid zijn afhankelijk van kennisover-
voor haar ‘ik moet nu de tradities doorgeven’ maar ben helemaal geen goede kok. Hoe moet ik dat doen?! Ik doe dus niet aan hotpot bij de feestdagen, alleen uit gemak soms.” Reiner beaamt dit spanningsveld tussen betrokkenheid en bekwaamheid ook: “Mijn
dracht. Jonge leden verwerven deze vaardigheden veelal onder begeleiding van de meer ervaren leden binnen de gemeenschap, mits er duiding wordt gegeven en kennis op een heldere manier wordt overgedragen. Verder moet er ook sprake zijn van repetitie. Door regelmatig deze vaardigheden te trainen, kan men zijn eigen bekwaamheid duurzaam ontwikkelen en verfijnen. De kennisoverdracht kan zowel verbaal, schriftelijk als door voorbeeldgedrag en de demonstratie van vaardigheden plaatsvinden. In een migratiecontext is de overdracht vaak kwetsbaarder omdat de gemeenschap meestal kleiner is en familiekennis vaak een bron van deze bekwaamheid is – oudere generaties geven hun ervaring en expertise door aan de jongere generatie. Juist in een migratiecontext is de kans groter dat er minder leden van de oudere generaties zijn.46 Pieck vertelt bijvoorbeeld: “Als mijn tante niet zo’n actieve rol zou aannemen dan zou het bij mijn ouders ook niet meer leven. Als ik het actief zou willen leren dan zou ik het over moeten nemen van mijn tante.” Hier zien we een interactie tussen bekwaamheid en betrokkenheid. De actieve betrokkenheid van de Piecks tante zorgt ervoor dat Pieck en haar ouders ook blootgesteld worden aan de culturele praktijken en de praktijk continueren. Wij zien de interactie tussen bekwaamheid en betrokkenheid ook terug in het verhaal van Annie. “Ik zou het [koken van verschillende gerechten die passen bij de gelegenheden] wel willen leren, net als heel veel andere dingen. Mijn moeder heeft ook geprobeerd dingen over te nemen van oma. Mijn moeder werkte alleen gelijk [na de migratie] en mijn oma was meer voor de opvoeding van ons. En toen mijn oma weg was, was het ook echt uitvogelen
moeder is ook niet van ingewikkeld doen met koken. Dus we krijgen meestal mooncake. We gaan het niet zelf koken. Met Nieuwjaar ook, ik kan me wel herinneren dat het vroeger wel was met speciale gerechten en nu meer hotpotten, gewoon simpel, je zet het op tafel.” Uit deze drie fragmenten komen verschillende uitdagingen naar voren. Zoals genoemd, rust de overdracht van kennis sterk op familieleden, wat in een migratiecontext bijzonder kwetsbaar is. Dit kan een domino-effect veroorzaken: sommigen voelen zich aangespoord om erfgoedpraktijken voort te zetten, terwijl anderen afhaken door een gebrek aan begeleiding of praktische belemmeringen. De moeilijkheidsgraad en het tijdsbeslag van bepaalde praktijken, zoals de organisatie van feestdagen en de bereiding van de bijbehorende gerechten, spelen hierbij een grote rol. De participanten geven aan dat deze taken alleen uitvoeren zwaar is en moeilijk vol te houden. Wanneer de overdracht van kennis op één familielid rust, kan dit ertoe leiden dat anderen sterk op die persoon steunen en diens rol als vanzelfsprekend beschouwen. Pas wanneer dit familielid wegvalt – zoals bij Annies grootmoeder – ontstaat het besef van de afhankelijkheid. Annies moeder had nog onvoldoende ervaring om deze taak zelf op te nemen. Hierdoor zag Annie dat haar moeder veel moeite had met de uitvoering van deze taken. Soms werd er hierdoor naar alternatieve vormen gezocht, zoals hotpot in plaats van een tafel vol met traditionele gerechten, net als bij Reiner. Hierdoor ontstaat een verschuiving in de verhouding tot het erfgoed: niet alleen de handeling zelf verandert, maar ook de eisen die eraan worden gesteld. Door het erfgoed minder tijdsintensief en technisch veeleisend te maken, blijft de essentie behouden, terwijl de drempel om het voort te zetten lager wordt. Inderdaad, 305
situaties waarbij onvoldoende bekwaamheid heerst kan leiden tot aanpassing of in andere gevallen het staken van een praktijk. Daarbij komt dat men ook gevoelsmatige en cognitieve zekerheid kan ontlenen aan de eigen bekwaamheid van het uitoefenen van
actief uitdraagt in zijn lessen, antwoordt hij: ”Ja, zeker. En dat heb ik ook doorgekregen door gebeurtenissen in het leven. Alles wat waardevol is, geef je dan door.” Zodoende positioneert hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn studenten daarmee tegen dominante maat-
het erfgoed. Hoewel die zekerheid door het individu wordt beleefd, is het ook afhankelijk van sociale interacties, culturele vergelijking en ervaringen. Zo vertelt Reiner, kungfudocent met zijn eigen sportschool, dat zijn beheersing van wat hij ‘authentiek kungfu’ noemt, niet alleen de fysieke vaardigheid telt, maar ook het inzicht in de onderliggende levensvisie. Om precies te zijn, heeft kungfu hem de zachte,
schappelijke normen. Kortom, bekwaamheid vormt de basis voor het voortbestaan van immaterieel erfgoed, waarbij de mate van uiting afhankelijk is van kennisoverdracht, herhaling en de beschikbare begeleiding binnen de gemeenschap. Dit kan worden samengevat in de afbeelding hieronder.
Figuur 4. Bekwaamheid
feminiene kant leren cultiveren in een wereld die volgens hem vooral het harde, masculiene beloont: ”Kungfu leert je ook meer over de zachte kant van het leven. Vaak wordt de alfa gepromoot, dominantie gepromoot, hard zijn, wordt gepromoot. En dan mis je de feministische energie, wat ook onderdeel is. Iedereen kent yin en yang. Je hebt allebei nodig.” Reiners beheersing van kungfu stelt hem in staat zich niet te laten meeslepen door deze disbalans, en juist het feminiene principe bewust te benadrukken in zijn lessen. Wanneer hem wordt gevraagd of hij dit feminiene aspect 306
Betrokkenheid Waar bewustzijn betrekking heeft op het waarderen en plaatsen van het belang van erfgoed binnen de gemeenschap en individu, en bekwaamheid op zowel de technische kennis en praktische vaardigheden als het cultureel begrijpen en betekenisvol overdragen van tradities, richt betrokkenheid zich op de actieve handeling, de deelname en de emotionele investering van individuen en groepen in het behoud en de bevordering van het immaterieel erfgoed. Dit kan variëren van
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid deelname aan rituelen en feestelijkheden tot de organisatie van gemeenschapsactiviteiten en de promotie van erfgoed binnen en buiten de erfgoedgemeenschap. Waar passieve betrokkenheid leidt tot blootstelling aan het erfgoed en vergroting van het bewustzijn
niet in Nederland woont, is ook de groepssamenstelling anders en vaak kleiner. Een gevolg hiervan is dat de kans dat het erfgoed wordt doorgegeven en beleefd, kleiner is. Zo vertelde Annie dat haar moeder door haar werk weinig tijd heeft om specifieke gerechten
binnen de gemeenschap, biedt actieve betrokkenheid ook de mogelijkheid om zowel persoonlijke bekwaamheid te ontwikkelen als kansen van erfgoedoverdracht. Dit betekent in principe dat andere individuen of groepen bij het erfgoed kunnen worden betrokken. Met andere woorden, betrokkenheid is een dynamisch proces dat erfgoed levendig en relevant houdt in de context van veranderende omgevingen en tijden van het individu. In een migratiecontext is betrokkenheid een nog complexer proces. Uit ons interview komt naar voren dat familie-inspanning daarbij een belangrijke rol vervult, zoals eerder genoemd bij Bekwaamheid. Een andere belangrijke rol in hoe eerste generatie migranten en opvolgende generaties hun erfgoed positioneren, behouden en transformeren is weggelegd voor de dichtheid van het sociale netwerk en de familie.47 Hoe groter de groep mensen met dezelfde etnische en culturele achtergrond in de omgeving, hoe groter de kans op behoud van erfgoedcultuur.48 Inzicht in deze dynamieken is essentieel om te begrijpen hoe opvolgende generaties met een migratieachtergrond hun etnisch-culturele identiteit vormgeven en doorgeven. In het interview kwamen die dynamieken ook duidelijk naar voren. Bijvoorbeeld bij de viering van Chinees Nieuwjaar. De viering valt altijd eind januari, begin februari en duurt 15 dagen. Meerdere participanten vertelden dat ze op 31 december een combinatie vieren van beide nieuwjaarsvieringen – een mengeling van Nederlandse en Chinese rituelen en sociale praktijken. In Groot-China zijn velen ook vrij rondom Chinees Nieuwjaar, zodat iedereen terug kan gaan naar familie. Iets wat in de Nederlandse context voor uitdagingen zorgt. Chinees Nieuwjaar is namelijk echt een familiefeest, maar doordat de familie meestal
te maken en voorbereidingen te treffen voor de viering. Hierdoor is zij er zichzelf meer voor gaan inzetten en vieren ze Chinees Nieuwjaar voor het gemak op 31 december. Interessant genoeg vertelde Reiner iets soortgelijks, maar met tegengestelde uitkomsten: “Ik bevestig die ervaring, mijn ouders geven weinig om de Chinese feestdagen, ik heb meestal wel door dat de feestdag eraan zit te komen. Meestal doordat vrienden uit de gemeenschap etenswaren geven zoals mooncake [bij Midherfstfestival]. Zo krijg ik het wel mee. Ik zelf vier het ook niet actief. (...) Als mensen mij uitnodigen doe ik graag mee. Ik ga niet die gerechten zelf maken. Mijn moeder doet dat ook niet. Ik doe dan ook geen onderzoek van hoe maak je dit”. In de reacties van Annie en Reiner zien wij ook een domino-effect tussen bewustzijn, betrokkenheid en bekwaamheid. Opmerkelijk hier is hoe handelen, of juist het uitblijven daarvan, samenhangt met de rol van anderen. Hierboven maken we op dat de ouders van Reiner en Annie een gebrek aan tijd hebben om de erfgoedpraktijk uit te voeren. Hierdoor wordt Reiner een passieve betrokkene bij de viering van het Midherfstfestival, Reiners vrienden daarentegen zijn actieve betrokkenen daarbij. In het geval van Annie wordt zij juist meer gemotiveerd om zelfstandig actiever betrokken te raken bij het vieren van Chinees als wel Nederlands Nieuwjaar. Inderdaad, wanneer bepaalde leden zich terugtrekken, lijkt dit directe gevolgen te hebben voor de bereidheid van anderen om zich in te zetten. Terwijl de betrokkenheid en bekwaamheid worden versterkt bij Annie vanwege haar emotionele investering, zien wij in Reiners geval de afwezigheid van zijn handelingen vanwege zijn passieve participatie en attitude. Met andere woorden, de betrokkenheid bij erfgoed blijkt 307
308
niet vanzelfsprekend te zijn, maar afhankelijk van bestaande sociale structuren, praktische beperkingen, individuele inzet en motivatie. Wanneer actieve deelname afneemt en betrokkenheid uitblijft, kan dit niet alleen het behoud van erfgoed in gevaar brengen, maar
en de culturele verschillen tussen hen die in China zijn geboren en zij die in Nederland zijn geboren. Gabi vertelt: “Bij Chinese vrienden, die echt in China geboren zijn, merk ik ook dat ze altijd iets meegeven, soms een zakje chips of zo dat
ook de continuïteit van erfgoed onder druk zetten. Zoals eerder vermeld moeten mensen met een migratieachtergrond balanceren tussen twee of meerdere rationaliteiten – die van hun erfgoedcultuur en de cultuur of culturen waarin ze zich bevinden op dat moment. Voor mensen met een migratieachtergrond betekent dat de selectie van erfgoedaspecten niet alleen is gebaseerd op een vaststaand idee van wat rationeel of waardevol is volgens hun oorspronkelijke cultuur, maar ook op hoe deze aspecten worden geïnterpreteerd binnen de nieuwe culturele context, zie ook Figuur 2 de cyclus. Ook dit is terug te zien in ons gesprek, waarin Pieck vertelt over de aanpassing aan de nieuwe omgeving door de eerste generatie. “Mijn moeder was twintig [toen ze naar Nederland kwam] en daarvoor was ze niet heel bewust aan het nadenken: ’Oh ja, ik moet opletten hoe dit feest werkt’. En dat bepaalt ook hoe je het aan je kinderen kan doorgeven. Ze waren wel vroeger bezig met de gerechten, maar nu is het vooral alleen nog een bepaald visgerecht omdat dat een betekenis heeft. Maar ondertussen zie je dat veel ook vervangen is een [sic] door hotpot, omdat dat makkelijk is. Veel mensen kunnen ervan eten. Ik dacht nog wel, is het niet jammer dat veel symboliek verloren gaat, zoals het gelukwensen. En toen zei een vriend, ‘maar je kan dat met een hotpot ook doen, gelukwensen’. Eigenlijk kan er dus heel veel verandering plaatsvinden. En je kan het doen met wat je hebt, je moet ook een beetje creatief zijn. Dan kan je er toch nog, de essentie zit er nog in, als je er een gelukwens aan kan koppelen, terwijl je het wel makkelijker maakt, dan heb je nog wel de essentie van de gelukwens.” Het is ook terug te zien bij de generatie van jongvolwassenen die wij hebben geïnterviewd
ze meegeven terwijl ik denk, dat heb ik niet nodig. Dat is wel aardig, echt een cultuurding.” Bertolt reageert hierop: “Ik kijk er kritisch naar en als ik vind dat het onnodig is dan neem ik het niet mee. En als het iets kleins is, niet zoveel moeite is, meer een beleefdheidsvorm, bijvoorbeeld iets meenemen als je op bezoek gaat, dan doe ik het wel. Dat is gewoon cultuur, daar hecht ik wel waarde aan”. Vanuit de westerse rationaliteit hebben Gabi en Bertolt het gevoel dat dingen meegeven niet nodig is, maar aan de andere kant kunnen zij deze praktijken waarderen. Voor jongeren die zijn opgegroeid in China is dit heel normaal, een manier om waarop vrienden en familie hun hartelijkheid tonen, terwijl Gabi en Bertolt hier kritischer naar kijken en deze praktijk herinterpreteren. De drie B’s – betrokkenheid, bekwaamheid en bewustzijn – bieden ons nogmaals een analysekader. In deze fragmenten zien we ook een transformatie van het erfgoed, de ontstane bewustheid zorgt voor een nieuwe interpretatie van het erfgoed. Waar voorheen meerdere gerechten nodig waren om een feest compleet te maken, werd dat teruggebracht tot één gerecht – vis – omdat het een symbolische betekenis had, maar ook omdat het minder tijd en moeite vergde. Nu heeft deze traditie zich verder ontwikkeld: hotpot wordt steeds vaker gebruikt als vervanging, omdat het toegankelijker is en minder culinaire vaardigheid vereist. Deze aanpassing toont hoe erfgoedpraktijken niet alleen afhangen van traditie, maar ook van de haalbaarheid ervan in het dagelijks leven. Dit verlaagt de drempel om deze traditie voort te zetten. Pieck zelf navigeert in dit spanningsveld – wat blijft behouden en wat wordt losgelaten? De opmerking van een vriend – dat gelukwensen ook bij hotpot gedaan kunnen
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid worden – laat zien hoe erfgoed niet verloren hoeft te gaan, maar zich kan aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Dit inzicht laat zien hoe erfgoed zich niet alleen door een individuele handeling, maar ook door sociale interactie blijft ontwikkelen. Door deze wisselwer-
Verlies of transformatie?
king ontstaat een nieuwe verhouding tot het erfgoed: erfgoedpraktijken worden gecontinueerd . Ze worden aangepast aan de behoeften en mogelijkheden van het moment. In plaats van een vaststaande praktijk is erfgoed hier iets dynamisch, waarbij creativiteit en persoonlijke interpretatie en netwerken een rol spelen in hoe het voortleeft. Betrokkenheid kan worden weergegeven in de volgende afbeelding:
mensen met een migratieachtergrond worden vaak geconfronteerd met vooroordelen en verschillende vormen van discriminatie op basis van huidskleur, etniciteit, stereotyperingen, religie, microagressies, enzovoorts.49 Sir Geoffrey Lloyd wijst er bijvoorbeeld op dat er een binair begrip over rationaliteit in het westen heerst– dat wat niet rijmt met de rationaliteit in het westen, wordt weggezet als irrationaliteit en verworpen. Echter, Geoffrey Lloyd
Een uitdaging binnen het erfgoedbehoud is het conflict dat kan ontstaan tussen botsende culturele rationaliteiten vanuit het ontvangende land. Zoals aan het begin aangehaald,
Figuur 5. Betrokkenheid
Kortom, betrokkenheid speelt een cruciale rol in de levendigheid en overdracht van immaterieel erfgoed, waarbij de mate van deelname en investering wordt beïnvloed door sociale structuren, praktische haalbaarheid en individuele motivatie.
brengt nuance in deze vorm van westers intellectueel imperialisme. Dat wat niet rationeel lijkt, hoeft dus niet per definitie irrationeel te zijn of als zodanig te worden verworpen.50 Bijvoorbeeld, tijdens de COVID-19-pandemie zochten mensen naar alternatieven toen de westerse geneeskunde geen oplossing bood. Veel mensen in Hongkong wenden zich tot een vertrouwde bron, de traditionele Chinese geneeskunde. Dit resulteerde in de toenemende acceptatie ervan en de oprichting van het eerste ziekenhuis voor deze geneeswijzen in 309
310
Hongkong.51 In dit voorbeeld wordt gezondheidskennis geherinterpreteerd en gerecontextualiseerd in antwoord op de behoeften van de lokale gemeenschap. Westerse rationaliteit en de daaraan gekoppelde notie van wetenschappelijke superioriteit worden daarmee uitge-
hoe het individu bewust kiest, welke aspecten van hun erfgoed zij willen behouden en welke zij willen transformeren of opgeven om beter te passen binnen hun nieuwe culturele context. Hierbij wordt rekening gehouden met de interactie van leden buiten de erfgoedgemeenschap.
daagd door andere vormen van kennis. Echter, in een migratiecontext waar deze uitingen van kennis worden gemarginaliseerd, bemoeilijkt dit ook de erkenning en uitoefening van erfgoedpraktijken. Wij zien dit spanningsveld ook terug bij onze participanten, specifiek bij erfgoed dat een relatie heeft met gezondheidsvraagstukken, zoals in de opening van dit artikel ook zichtbaar is met de anekdote over nat haar. De andere jongvolwassenen lachten uit herkenning en Annie deelde een gelijksoortige ervaring: “Ik hoorde opeens mijn ouders zo. Ik was meestal mijn haar in de avond, vlak voor slapen. Ik mag dan niet nat slapen, want anders gaat het vocht en de wind, nou ja, en dan krijg je hoofdpijn de volgende dag of heeft het op latere leeftijd effect op je. Sommigen zien het als bijgeloof, sommigen als, het is geen traditie, het is gewoon wat er wordt gezegd. Ik geloof er wel in en neem het wel mee. Een soort vorm van Chinese geneeskunde. Het raakt veel dingen die ik meemaak. Ik word ziek, want er is wind op mijn keel geweest. Misschien zijn we anders gebouwd, denk ik dan”. Eerder lieten Bertolt en Pieck al woorden “wetenschappelijk” en “rationeel” vallen om te duiden naar dit afwegingsproces. Er vindt een actieve herinterpretatie plaats, waarbij deze begrippen opnieuw worden ingevuld op een manier die aansluit bij de persoonlijke leefwereld van de sprekers, zodat erfgoedpraktijken rond bijvoorbeeld gezondheid betekenisvol blijven en niet simpelweg als bijgeloof worden weggezet. Deze herinterpretatie vormt vaak het startpunt voor een bredere afweging: welke elementen van het erfgoed blijven behouden, en welke worden aangepast of losgelaten? Het concept van self-construal fit van Erdem Yilmaz, Karen Phalet en Jozefien de Leersnyder biedt meer inzicht in dit proces.52 Het werpt licht op
Deze afweging komt naar voren in het verhaal van Annie, waarin zij aangeeft: “Sommigen zien het als bijgeloof.” Dit wijst op een overtuiging die niet wordt ondersteund door (westerse) wetenschappelijke inzichten. Haar eigen positie wordt duidelijk wanneer ze zegt dat zij wellicht “anders gebouwd” is, wat aangeeft dat zij zichzelf als onderdeel van een andere groep ziet met andere waarden, overtuigingen of lichamelijke constituties. Dit dilemma laat zien in hoe migranten hun zelfbeeld en gedrag vormen te midden van uiteenlopende verwachtingen over wat als passend en succesvol wordt beschouwd. Hierdoor wordt het erfgoedselectie en -uitoefeningsproces nog complexer, zoals ook Frosso Motti-Stefanidi en collega’s opmerken.53 Het selectieproces vereist dus zowel bewustzijn als bekwaamheid, naast betrokkenheid; bewustzijn om te begrijpen waarom bepaalde vormen van erfgoed belangrijk zijn in de eigen sociaal-culturele contexten en bekwaamheid om deze handelingen effectief in stand te houden. Dit laat zien dat zij zich ervan bewust zijn en betrokken worden bij de selectie van hun erfgoed, zelfs wanneer dit betekent dat zij hun erfgoed moeten transformeren dan wel opgeven door de nieuwe sociaal-culturele omstandigheden van het ontvangende land. Dit selectieproces kan verschillende kanten opgaan. In de interviews zagen we dat gerechten in eenvoudigere vorm worden gemaakt of zelfs worden vervangen. Maar om te laten zien dat het ook anders kan, gaan we terug naar de in de introductie aangehaalde Chinees-Indische restaurants. Deze restaurantcultuur staat onder druk. Een van de redenen is dat de tweede generatie de restaurants niet over willen nemen, of niet op de manier zoals hun ouders hebben gedaan. Zo vertellen zowel een jonge kok in de podcast Mijn vader is een afhaalchinees als een geïnterviewde in De bananengeneratie over hun restaurants, waarin ze de
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid gerechten uit Chinese regio’s willen serveren en niet de aan de Nederlandse smaak aangepast gerechten van het Chinees-Indische restaurant.54 Hierdoor eigent de nieuwe generatie restauranthouders niet alleen de culinaire traditie opnieuw toe, maar herdefiniëren zij ook de term ”naar de
trokkenheid en bewustzijn en bewustheid. Deze zijn gebaseerd op een vorm van culturele rationaliteit, die mogelijk bedoeld is om conflicten te vermijden met de dominante culturele rationaliteit(en) van het ontvangende land. Inderdaad, het proces van erfgoedselectie weerspiegelt niet
Chinees gaan” om het aan te sluiten op hun eigen visie en voorkeuren. Dit illustreert hoe erfgoed niet slechts wordt behouden of opgegeven, maar ook kan worden heruitgevonden in een proces waarbij traditie en vernieuwing met elkaar in dialoog blijven. Het is een dynamisch proces van aanpassing en betekenisgeving. Een harmonieuze balans tussen het behoud van erfgoed, de aanpassing en transformatie ervan aan de nieuwe sociaal-culturele context vereist bewustzijn, actieve bekwaamheid en betrokkenheid. Hierbij moeten mensen met een migratieachtergrond een keuze maken of zij betrokken willen blijven bij de erfgoedpraktijk. Vervolgens maken zij mogelijk een selectie over welke elementen van hun erfgoedcultuur kunnen worden behouden, aangepast of verworpen afhankelijk van hoe ze passen binnen de verschillende contexten. Deze (on)bewuste keuze om bepaalde aspecten te behouden en door te geven, weerspiegelen de mate van be-
alleen de culturele rationaliteit van het individu, maar ook hoe zij deze rationaliteit gebruiken om zich in bepaalde mate aan te passen aan en te navigeren binnen hun sociaal-culturele omgevingen. Met andere woorden, erfgoed ervaren begint met betrokkenheid: het waarnemen en deelnemen via onze zintuigen. Vervolgens speelt beleving een rol, waarin we betekenis geven aan de handelingen rondom de erfgoedpraktijk door persoonlijke en collectieve interpretaties. Dit proces kan leiden tot erfgoedoverdracht, waarbij we erfgoedpraktijken uitvoeren in zijn originele of getransformeerde vorm, hun waarde bepalen en deze mogelijk doorgeven, of toch niet. Erfgoed is dus geen statisch gegeven, maar een dynamisch proces van behoud, herinterpretatie en aanpassing, onder invloed van de drie B’s en de voortdurend veranderende culturele en sociale leefwereld van het individu. Deze holistische benadering wordt samengevat in de afbeelding hieronder:
Figuur 6. Holistische benadering van erfgoedoverdracht 311
Conclusies
312
Immaterieel erfgoed is geen statisch gegeven dat zorgvuldig moet worden bewaard en beschermd, om die reden is de term safeguarding ook belangrijker dan
individuen actief betekenis geven aan hun erfgoed en tradities, zoals De Laguna al in de jaren 40 van de vorige eeuw observeerde.57 Dit proces van herdefiniëring helpt niet alleen bij het doorgeven van erfgoed, maar ook bij de ontwikkeling van een evenwichtige multi-
protection in het UNESCO 2003 Verdrag. Erfgoed leeft zijn eigen leven in de handen en gedachten van de erfgoedgebruikers die het actief beleven en doorgeven. Zolang deze gebruikers erfgoed blijven doen – op een manier die bij hen past en aansluit op hun hedendaagse realiteit – blijft het voortbestaan. Dit proces noemen wij erfgoedcontinuïteit: de erkenning van erfgoed als een dynamisch en flexibel fenomeen dat zich voortdurend aanpast aan veranderende contexten, zonder noodzakelijkerwijs zijn kernwaarden te verliezen. De drie B’s – Bekwaamheid, Bewustzijn en Betrokkenheid – helpen bij het begrijpen van hoe erfgoedcontinuïteit werkt in het dagelijks leven. Erfgoed wordt niet alleen gevierd tijdens formele vieringen, maar ook informeel beleefd – bijvoorbeeld in de manier of vorm waarop mensen gerechten blijven nuttigen, zelfs als de recepten, ingrediënten, gerechten of activiteit veranderen. Om van continuïteit te kunnen spreken, willen wij afstand nemen van de binaire scheiding tussen behoud en verandering, zoals in dit hele artikel aan de orde kwam. Zodoende kan erfgoed eerder gezien worden als een vloeiend proces waarin het steeds opnieuw betekenis krijgt en op vernieuwende manieren blijft voortbestaan. Verandering hoeft dan ook niet te worden gezien als een bedreiging voor authenticiteit. Hybridisering, oftewel het samensmelten van verschillende culturele invloeden, verrijkt erfgoed en leidt tot nieuwe vormen van expressie, zoals Albert van der Zeijden stelt.55 Daarnaast is de sociale context van belang. Een positieve sociale omgeving kan bijdragen aan een sterke etnisch-culturele identiteit, terwijl uitsluiting of een gebrek aan erkenning het tegenovergestelde effect kan hebben.56 In een steeds complexere samenleving moeten
culturele identiteit. Natuurlijk zijn er uitdagingen: tijdsgebrek, beperkte begeleiding, een tekort aan kennis of middelen en de moeilijkheidsgraad van erfgoedpraktijken kunnen drempels vormen. Maar juist deze beperkingen stimuleren ook autonomie en creativiteit. Individuen nemen erfgoed in eigen hand, ontwikkelen zelfstandig vaardigheden of zoeken steun binnen (online) gemeenschappen. Hierdoor blijft erfgoed niet alleen behouden, maar wordt het ook vernieuwd en getransformeerd, ofwel gecontinueerd. In dat licht is het interessant om verder te onderzoeken wat voor invloed de sociale media hebben op de manier van borging en continuïteit van immaterieel erfgoed. Socialemediaplatforms bieden mogelijkheden om op een laagdrempelige manier uit te wisselen over je eigen culturele achtergrond, je erfgoed te laten zien en te bespreken. De digitale wereld is jouw oester.58 Conclusie: erfgoedcontinuïteit is geen kwestie van bewuste borging, maar van actieve beleving. Bewustzijn speelt een cruciale rol in hoe erfgoedgebruikers erfgoed betekenis geven binnen hun veranderende leefwereld, terwijl betrokkenheid hen in staat stelt om erfgoed niet alleen te behouden, maar ook te herinterpreteren en door te geven. Bekwaamheid wordt continu ontwikkeld, zowel individueel als binnen (en buiten) gemeenschappen. Zolang erfgoedgebruikers betrokken raken bij de erfgoedpraktijk, bewust blijven beoefenen en zich het op eigen wijze toe-eigenen, blijft het voortbestaan. Erfgoed is een levend proces waarin verleden en toekomst voortdurend met elkaar in gesprek blijven. Zoals aan het begin de vraag werd gesteld: ‘Waar heb je het over?’, kunnen wij erfgoed beter begrijpen als erfgoedcontinuïteit – een voortdurende dialoog waarin
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid individuen tussen verschillende culturele referentiekaders navigeren en hun erfgoed op een manier blijven vormgeven die aansluit bij hun eigen tijd en realiteit.
Aholi So (1995), docent aan de Universiteit Leiden. Als tweede generatie Nederlander van Kantonese afkomst heeft hij een onderzoeksaffiniteit met de diverse Chinese gemeenschappen in Nederland. Zijn onderzoeksinteresse is erfgoed in migratiecontexten. So’s promotieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam gaat over de rol van erfgoedtalen en taalbehoud binnen Chinese gemeenschappen in Nederland. a_so28@hotmail.com Mark Schep (1985), dr., is sociaal psycholoog en cultuurhistoricus. Hij werkt als wetenschappelijk medewerker bij KIEN en als docent cultureel erfgoed bij de Reinwardt Academie. Zijn onderzoek richt zich onder meer op musea, immaterieel erfgoed van migratiegemeenschappen en de werking en implementatie van het UNESCO 2003 Verdrag. m.schep@immaterieelerfgoed.nl 313
Aholi So & Mark Schep
ABSTRACT Consciousness, Competence and Commitment Dutch Youth of Chinese Descent and the Continuity of Heritage Heritage transmission within migrant communities encompasses various elements. While extensive research has focused on safeguarding practices among first-generation minority groups with a migration background, less is known about the dynamics at play in subsequent generations. This study explores the maintenance of intangible heritage among five Dutch individuals of Chinese descent. We identify three key pillars in the process of cultural adaptation and heritage preservation: consciousness, competence and commitment. Consciousness refers to individuals’ understanding of the meaning and value of their heritage within their heritage communities, as well as the personal connection they establish with it. Competence encompasses the knowledge and skills required to sustain heritage practices and pass them on in ways that are culturally meaningful. Commitment involves the actual practice of heritage, including
314
participation and emotional investment. We argue that these three pillars – the “three C’s” – provide insight into a sustainable approach to heritage safeguarding. In this context, we introduce the concept of heritage continuity. Factors such as family, identity development, health, perceived di#culty, integration, and cultural rationality play a crucial role in this process. Heritage transmission becomes increasingly challenging when shifting identities and evolving social environments erode consciousness, competence, and commitment. We propose that heritage transmission is an experience and ongoing process of preservation, reinterpretation, and adaptation – shaped by the interplay of these three C’s within individuals’ changing cultural and social contexts. This study offers insight into how individuals of Chinese migrant backgrounds in the Netherlands navigate the complexities of heritage continuity and transformation.
Aholi So & Mark Schep | Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid 1 1.
2 2.
Groepsinterview met 5 Nederland-
serie serieGooische GooischeVrouwen Vrouwenniet niet aan’, aan’, geraadgeraad-
se sejongvolwassenen jongvolwassenenvan vanChinese Chinese
pleegd pleegdop op28 28februari februari2025, 2025, 2020. 2020. https:// https://
komaf komafin inseptember september2023. 2023.
nos.nl/artikel/2341322-rtl-past-stereotynos.nl/artikel/2341322-rtl-past-stereoty-
De namen van de geïnterviewden zijn geanonimiseerd geanonimiseerden envervangen vervangen door door pseudopseu-
3 3.
pen-in-serie-gooische-vrouwen-niet-aan pen-in-serie-gooische-vrouwen-niet-aan 9 9.
Kartosen-Wong, ‘Aziatische Nederlan-
niemen, doniemen, gekozen gekozen op basis op basis vanvan eeneen persoonper-
ders, ders,het hetzijn zijnnet netmensen’, mensen’, in in L. L. de de Beer Beer
lijke soonlijke en culturele en culturele voorkeur voorkeur van Aholi van Aholi So. So.
(red.), (red.),Modelverhalen. Modelverhalen. Reflecties Reflecties op op AziatiAziati-
So, ‘Analyzing Maintenance of Heritage Languages Languagesin inMigration MigrationContext: Context: Insights Insights from from
sche scheroots. roots.Mazirel MazirelPers, Pers, 2024, 2024, p. p. 23-26. 23-26. 10 RTL Nieuws, ‘Kritiek op spel jubileumboek 10. jubileumboek
Cantonese CantoneseHeritage HeritageLanguage Language Users Users in in the the
Amsterdam: Amsterdam:‘Chinese ‘Chinesetoeristen toeristen bokkeren bokkeren
Netherlands’, Netherlands’,Buckeye Buckeye East East Asian Asian LinguisLinguis-
het hetfietspad’, fietspad’,geraadpleegd geraadpleegd op op 23 23 juli juli 2025, 2025,
tics, tics,9, 9,2024; 2024;Lal Lal&&Jayakumar, Jayakumar, ‘Enculturation ‘Enculturation
2025. 2025.https://www.rtl.nl/nieuws/binnenland/ https://www.rtl.nl/nieuws/binnenland/
and andethnic ethnicidentity: identity:the the second-generatisecond-generati-
artikel/5512342/amsterdam-750-jaar-juartikel/5512342/amsterdam-750-jaar-ju-
on onMalayalee Malayaleediaspora diasporain in Ontario, Ontario, Canada’, Canada’, South SouthAsian AsianDiaspora, Diaspora,2024, 2024, p. p. 1–15. 1–15.
bileum-boek-chinese-toeristen. bileum-boek-chinese-toeristen. 11 Den Blanken, ‘Gordon door het stof in DWDD 11. DWDD
4 De 4. DeWit, Wit,Erfgoed Erfgoedvan van mensen mensen met met een een
om omfoute foutegrap: grap:‘Ik ‘Ikwil wil mijn mijn diepe, diepe, diepe diepe excuses excuses
arbeidsmigratieachtergrond. arbeidsmigratieachtergrond. Een Een verver-
aanbieden’’, aanbieden’’,geraadpleegd geraadpleegd op op 55 augustus augustus 2025. 2025.
kenning, kenning,Rijksdienst Rijksdienst voor voor Cultureel Cultureel
https://www.ad.nl/show/gordon-door-het-stofhttps://www.ad.nl/show/gordon-door-het-stof-
Erfgoed, Erfgoed,Amersfoort, Amersfoort,2022. 2022.
in-dwdd-om-foute-grap-ik-wil-mijn-diepe-diein-dwdd-om-foute-grap-ik-wil-mijn-diepe-die-
Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed
pe-excuses-aanbieden~a53d54e3/. pe-excuses-aanbieden~a53d54e3/. Nummer Nummer 39 39
Nederland, Nederland,‘Immaterieel ‘Immaterieelerfgoed erfgoed in in Nederland’, Nederland’,
wordt wordtdus duszowel zoweldoor doorGordon Gordon in in 2013 2013 als als door door
5 5.
www.immaterieelerfgoed.nl/immaterieelerfwww.immaterieelerfgoed.nl/immaterieelerf-
de degemeente gemeenteAmsterdam Amsterdamin in2025 2025 gebruikt. gebruikt.
goed. goed.In Inde deperiode periodedat datdit dit artikel artikel is is geschregeschre-
12 Wu, De bananengeneratie. Das Mag, 12. Mag, 2019. 2019.
ven, ven,werkte werkteKIEN KIENaan aanhet het omvormen omvormen van van
13 Voor meer informatie over de thea13.
eigen eigenwerkwijze werkwijzemet metbetrekking betrekking tot tot zichtbaar zichtbaar maken makenvan vanimmaterieel immaterieelerfgoed. erfgoed. De De laatste laatste jaren jarenbestonden bestondener erdrie drie ‘lijsten’: ‘lijsten’: De De InvenInventataris, ris, het hetNetwerk Netwerken enhet hetRegister. Register.Tot Tot2025 2025 was wasvoor vooreen eenbijschrijving bijschrijving in in de de Inventaris Inventaris
6 6.
7 7.
voorstellingen/de-bananengeneratie/. voorstellingen/de-bananengeneratie/. 14 Wereldmuseum Rotterdam, https:// 14. rotterdam.wereldmuseum.nl/nl/zien-enrotterdam.wereldmuseum.nl/nl/zien-endoen/tentoonstellingen/made-china. doen/tentoonstellingen/made-china.
een eenborgingsplan borgingsplannodig nodigmet met elke elke drie drie jaar jaar
15 De 15. De website website van vanBenjamin BenjaminLi Liisisvormgegeven vormge-
een eenprocedure procedureom omdit ditplan plan te te evalueren. evalueren.
geven als een als menukaart een menukaart van een van Chinees een Chinees res-
Zie Ziehttps://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/ https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/
restaurant. taurant. https://benjaminli.nl/. https://benjaminli.nl/. Groesbeek, Groesbeek,
nieuws/2024-reflectiejaar-inventaris. nieuws/2024-reflectiejaar-inventaris. Sinds Sinds juni juni
‘Benjamin ‘BenjaminLi Libezocht bezocht1300 1300 Chinees-Indische Chinees-Indische
2025 2025werkt werktKIEN KIENnog nogmet met11 lijst, lijst, de de InventaInventa-
restaurants: restaurants:‘Ga ‘Gadoor doortot tot ik ik ze ze allemaal allemaal heb heb
ris. ris.Zie Ziehttps://www.immaterieelerfgoed.nl/ https://www.immaterieelerfgoed.nl/
gehad’, gehad’,Het HetAlgemeen Algemeen Dagblad, Dagblad, 11 september september
nl/nieuws/de-vernieuwde-inventaris-dit-benl/nieuws/de-vernieuwde-inventaris-dit-be-
2024, 2024,https://www.ad.nl/binnenland/ https://www.ad.nl/binnenland/
tekent-het-voor-jou. tekent-het-voor-jou.Alle Alle elementen elementen die die
benjamin-li-bezocht-1300-chinees-indibenjamin-li-bezocht-1300-chinees-indi-
voorheen voorheenin inhet hetNetwerk Netwerkwaren waren opgenomen, opgenomen,
sche-restaurants-ga-door-tot-ik-ze-allesche-restaurants-ga-door-tot-ik-ze-alle-
zijn zijnnu nuonderdeel onderdeelvan vande de Inventaris. Inventaris.
maal-heb-gehad~ad8c9f83/?referrer=htmaal-heb-gehad~ad8c9f83/?referrer=ht-
Echt Rotterdams Erfgoed. Stichting
tps%3A%2F%2Fwww.google.com%2F. tps%3A%2F%2Fwww.google.com%2F.
Wijkcollectie Wijkcollectie&&Museum MuseumRotterdam. Rotterdam.
16 Pan Asian Collective, ‘Over Pan Asian 16.
www.echtrotterdamserfgoed. www.echtrotterdamserfgoed.
Collective, Collective,https://pac.tv/over-ons/ https://pac.tv/over-ons/
Op Instagram (@Teleukgewoon) is dit
Stichting StichtingAsian AsianRaisins, Raisins, ‘Over ‘Over ons’, ons’,
fragment fragmentuit uitKoekeloere Koekeloere terug terug te te vinden. vinden. https://www.instagram.com/reel/DC3zfKhttps://www.instagram.com/reel/DC3zfK8 8.
teradaptatie, teradaptatie,zie ziehttps://www.oostpool.nl/ https://www.oostpool.nl/
https://asianraisins.nl/nl/over-ons/. https://asianraisins.nl/nl/over-ons/. 17 Peltokorpi & Froese,‘The impact of expatriate 17. expatriate
boHjl/?igsh=MTBjc253M296OWFvcw%3D%3D boHjl/?igsh=MTBjc253M296OWFvcw%3D%3D
personality personalitytraits traitson oncross-cultural cross-cultural adjustadjust-
NOS redactie, ‘RTL past stereotypen in
ment: ment:AAstudy studywith withexpatriates expatriates in in Japan’, Japan’, 315
InternationalBusiness Business Review, Review, 21(4), 21(4), 2012, 2012, International
desmäki,Thomas, Thomas,&&Zhu, Zhu,(red.). (red.). The The Policics Policics desmäki,
p.734-746;Valenzuela Valenzuela&&Rogers, Rogers, ‘Strate‘Stratep.734-746;
ofScale. Scale.New Newdirections directions in in Critical Critical Heritage Heritage of
gizingpersonality personalitytraits: traits: an an acculturation acculturation gizing
24. 24 Anderson, Imagined communities : re-
expatriateadjustment’, adjustment’, The The International International expatriate
reflections origin and spread flections on on thethe origin and spread
Journalof ofHuman HumanResource Resource Management, Management, Journal 32(7),2018, 2018,p. p.1591–1619; 1591–1619; Van Van Oudenhoven Oudenhoven & & 32(7),
ofnationalism, nationalism,Verso, Verso, 2006. 2006. of 25. 25 Vertovec, ‘Superdiversity and its ImplicatiImplicati-
Benet-Martínez,‘In ‘Insearch search of of aa cultural cultural home: home: Benet-Martínez,
ons’,Ethnic Ethnicand and Racial Racial Studies, Studies, 30:6, 30:6, 2007, 2007, p. ons’,
Fromacculturation acculturationto toframe-switching frame-switching and and From
1024-1054. Van Onvoltooid Verleden p. 1024-1054.Neyrinck, Neyrinck, Van Onvoltooid
interculturalcompetencies’, competencies’, International International intercultural
naar Onvoltooide Toekomstige Tijden. Omgaan Verleden naar Onvoltooide Toekomstige Tijden.
Journalof ofIntercultural Intercultural Relations, Relations, 46, 46, 2015, 2015, Journal
met immaterieel cultureelcultureel erfgoed en diverOmgaan met immaterieel erfgoed
p.47–54; 47–54;Güngör, Güngör,Bornstein, Bornstein, De De Leersnyder, Leersnyder, p.
siteit in een wereld verandering’, Volksen diversiteit in een van wereld van verandering’,
Cote,Ceulemans, Ceulemans,&&Mesquita, Mesquita, ‘Accultura‘AcculturaCote,
kunde, 3, 2015, p. 283-310. Van der Volkskunde, 3, 2015, p. 283-310. VanZeijden, der
tionof ofpersonality: personality:A A three-culture three-culture study study tion
‘Diversiteit, hybriditeit en de Nationale Zeijden, ‘Diversiteit, hybriditeit en de Nationale
ofJapanese, Japanese,Japanese JapaneseAmericans, Americans, and and of
InventarisImmaterieel ImmaterieelCultureel Cultureel Erfgoed Erfgoed in in Inventaris
EuropeanAmericans’, Americans’,Journal Journal of of Cross-CulCross-CulEuropean turalPsychology, Psychology,44(5), 44(5),2013, 2013, p. p. 701–718. 701–718. tural 18. 18 De Wit, Een verkenning.
Nederland’,Volkskunde, Volkskunde, 3, 3, 2015, 2015, p. p. 331-342. 331-342. Nederland’, 26. Intersectionality: Essential 26 Crenshaw, On Intersectionality: Essential Writings,FacultyBooks, Books, 2017, 2017, p. p. 255. 255. Writings,Faculty
19. 19 Wu, De bananengeneratie. Wu,
27. 27 Rana, ‘Taalcultuur in de superdiverse stad: stad:
‘Voorwoord’,Modelverhalen. Modelverhalen. ‘Voorwoord’,
overstraattaal straattaalals alsimmaterieel immaterieel erfgoed’, erfgoed’, over
20. 20 So, ‘Insights from Cantonese Heritage LanguageUsers Usersin inthe theNetherlands’. Netherlands’. Language Naguib, ‘Museums, Diasporas SusNaguib, ‘Museums, Diasporas andand the the Sustaina-
Volkskunde,3, 3,2015, 2015,p. p. 345, 345, p. p. 343-356. 343-356. Volkskunde, 28. 28 Antropoloog Sinan Çankaya geeft in zijn boek boek Mijnontelbare ontelbareidentiteiten identiteiten een een mooie mooie persoonpersoonMijn
tainability of Intangible Cultural Heritage’, bility of Intangible Cultural Heritage’, Sus-
lijkebeschouwing beschouwingop ophet het opgroeien opgroeien als als kind kind lijke
Sustainability 2013, p. 2178-2190. https:// tainability 5(5),5(5), 2013, p. 2178-2190. https://
vanmigranten migrantenin inNederland Nederland en en de de verschillenverschilvan
doi.org/10.3390/su5052178” \h. \h. Doucerain, Doucerain, doi.org/10.3390/su5052178”
lende identiteiten hiermee gepaard gaan. de identiteiten die die hiermee gepaard gaan.
‘HeritageAcculturation Acculturation Is Is Associated Associated With With ‘Heritage
29. 29 Kosic, ‘Personality and Individual Individual Factors Factors in Ac-
ContextualFactors Factorsat atFour Four Different Different Levels Levels Contextual
culturation’, in: D.in: L. D. Sam, & J. W. in Acculturation’, L. Sam, & J.Berry W. (red.),
ofProximity’, Proximity’,Journal Journal of of Cross-Cultural Cross-Cultural of
Cambridge Acculturation PsychoBerry (red.), Handbook CambridgeofHandbook of Ac-
Psychology,2018, 2018,p. p.1539-1555. 1539-1555. Davies Davies && Psychology,
logy, 2016, Psychology, Cambridge: Cambridge University culturation 2016, Cambridge:
Harré,‘Positioning:The The discursive discursive producproducHarré,‘Positioning:
Press. p. 113-128. S. J. Heine R. Lehman, Cambridge University Press.&p.D.113-128. S.
tionof ofselves’, selves’,Journal Journal for for the the Theory Theory of tion
body, change ‘Move the self: Acculturative J.‘Move Heinethe & D. R. Lehman, the body,
SocialBehaviour, Behaviour,20(1), 20(1),1990, 1990, p.43–63. p.43–63. Social
effects the on the change self:self-concept’, AcculturativePsychological effects on
https://doi.org/10.1111/j.1468-5914.1990. https://doi.org/10.1111/j.1468-5914.1990.
Foundations of Culture, 2004, p.Foun305–331. the self-concept’, Psychological
tb00174.x;Van VanLangenhove Langenhove&& Harré, Harré, ‘In‘Intb00174.x;
30.dations Schachner, Van de 2004, Vijver p. & Noack, ‘Contexof Culture, 305–331.
troducingPositioning PositioningTheory’, Theory’, in in R. R. T. T. troducing
tual conditions and adjust30 Schachner, Van for de acculturation Vijver & Noack, ‘Contex-
Harré,&&L. L.van vanLangenhove Langenhove (red.), (red.), PositioPositiHarré,
ment of adolescent immigrants—Integrating tual conditions for acculturation and adjust-
oning theory. Moral contexts intentional ning theory. Moral contexts ofof intentional
theory findings’, Online Readings in ment of and adolescent immigrants—Integrating
action,Oxford: Oxford:Blackwell, Blackwell, 1999, 1999, p. p. 14-31. 14-31. action,
Psychology and Culture, 8(1), 2017, p. 3-36. theory and findings’, Online Readings in
21. 21 UNESCO, ‘Text of the Convention for the SafeSa-
https://doi.org/10.9707/2307-0919.1142. Psychology and Culture, 8(1), 2017, p. 3-36.
guarding ofofthe feguarding theIntangible IntangibleCultural CulturalHeritage’, Heritage’,
31. https://doi.org/10.9707/2307-0919.1142. Umaña-Taylor & Fine, ‘Examining ethnic
https://ich.unesco.org/en/convention. https://ich.unesco.org/en/convention.
identity among adoles31 Umaña-Taylor & Mexican-origin Fine, ‘Examining ethnic
22. 22 KIEN, https://www.immaterieelerfgoed. nl/nl/borgenimmaterieelerfgoed nl/nl/borgenimmaterieelerfgoed 23. 23 Kuutma, ‘Afterword. The Politics of Scale Scale for for
316
Studies.Berghahn BerghahnBooks, Books, 2022, 2022, p.156-170. p.156-170. Studies.
approachto toperson–environment person–environment fit fit and and approach
cents living in the United States’, Hispanic identity among Mexican-origin adolesJournal of Behavioral Sciences, 2004, cents living in the United States’,26, Hispanic p. 36–59. 10.1177/0739986303262143 Journal of doi: Behavioral Sciences, 26, 2004,
IntangibleCultural CulturalHeritage: Heritage: Identification, Identification, Intangible
32. p. Redfield, Linton & Herskovits. ‘Memo36–59. doi: 10.1177/0739986303262143
Ownershipand andRepresentation’, Representation’, In In LähLähOwnership
randum for the study of acculturation’, 32 Redfield, Linton & Herskovits. ‘Memo-
American 1936, p.149–52.! randum forAnthropologist, the study of acculturation’,
43. 43 Meer dan Babi Pangang, ‘Wie zijn wij’, wij’, https:// https://
33. American De Laguna, ‘Culture and Rationality’, American Anthropologist, 1936, p.149–52.
www.meerdanbabipangang.nl/wie-zijn-wij/. www.meerdanbabipangang.nl/wie-zijn-wij/.
Anthropologist, 51(3), 1949, p. 380, p,American 379-391. 33 De Laguna, ‘Culture and Rationality’,
44. 44 van der Laarse, ‘Europe’s Peat Fire: IntangiIntangi-
34. Anthropologist, Berry, ‘Acculturation varieties of p, adap51(3),as 1949, p. 380, 379-391.
bleHeritage Heritageand andthe theCrusades Crusades for for Identity’, Identity’, ble
tation’,‘Acculturation in A. M. Padillas (red.), Acculturation: 34 Berry, varieties of adap-
In:Lähdesmäki, Lähdesmäki,Passerini, Passerini, Kaasik-KrogeKaasik-KrogeIn:
Theory,inModels, And Some Findings, tation’, A. M. Padill (red.),New Acculturation:
rus,van vanHuis Huis(eds), (eds),Dissonant Dissonant Heritages Heritages rus,
Boulder: Westview 9-25. Theory, Models, AndPress, Some1980, New p. Findings,
andMemories Memoriesin inContemporary Contemporary Europe. Europe. and
35. Boulder: Weinreich, ‘‘Enculturation’, not ‘accultuWestview Press, 1980, p. 9-25. ration’: Conceptualising andnot assessing 35 Weinreich, ‘‘Enculturation’, ‘acculidentity processes in migrant turation’: Conceptualising and communiassessing ties’, International Journal of Intercultuidentity processes in migrant communiral Relations, 33(2), 2009, of p. Intercultu124-139. ties’, International Journal 36. ral Berry, ‘Family33(2), and Youth Relations, 2009,Development: p. 124-139. Some Concepts and Findings Linked 36 Berry, ‘Family and Youth Development: to TheConcepts Ecocultural Acculturation Some andand Findings Linked
PalgraveStudies Studiesin inCultural Cultural Heritage Heritage and and Palgrave Conflict.Palgrave PalgraveMacmillan, Macmillan, Cham, Cham, 2019. 2019. Conflict. 45. 45 De auteur, Aholi So, herkent dit ookuit uiteigen eigenervaring. ervaring. ook 46. 46 Lal, & Jayakumar, ‘Enculturationand andethnic ethnicidentity’. identity’. on 47. ‘Enculturation 47 Lal & Jayakumar, ‘Enculturatiand ethnic identity’. on and ethnic identity’.
Model’, Societies, 12(6), 2022, p. 181. to The Ecocultural and Acculturation
48. 48 Doucerain, ‘Heritage Acculturisation’. Acculturisation’.
37. Model’, Weinreich, ‘Enculturation’. Societies, 12(6), 2022, p. 181.
49. 49 Serin & Gupta, ‘Muslim, American, and
38. Een Chinees gerecht dat wordt gegeten tijdens 37 Weinreich, ‘Enculturation’.
Immigrant:Integration IntegrationDespite Despite Challenges’, Challenges’, in in Immigrant:
het Chinese Het is een 38 Een Chinees Drakenbootfestival. gerecht dat wordt gegeten
A.S. S.Masten, Masten,K. K.Liebkind, Liebkind, && D. D. J. J. Hernandez Hernandez A.
gevouwen dumpling gemaakt van kleefrijst tijdens het Chinese Drakenbootfestival. Het is
(red.),Realizing Realizingthe the Potential Potential of of Immigrant Immigrant (red.),
en gevuld met dumpling verschillende vullingen en een gevouwen gemaakt van kleefrijst
Youth,Cambridge: Cambridge:Cambridge Cambridge University University Press, Press, Youth,
kent ook verschillende vormen en groottes. en gevuld met verschillende vullingen en
2012,p. p.253-278; 253-278;Colak, Colak, Van Van Praag Praag && Nicaise, Nicaise, 2012,
39. kent Een ook Chinees gerecht dat wordten gegeten verschillende vormen groottes.
‘YouHave Haveto toIntegrate Integrateto to Belong Belong Here!’: Here!’: ‘You
op verschillende feestdagen. Het is een 39 Een Chinees gerecht dat wordt gegeten
Acculturationand andExclusion Exclusion among among Turkish Turkish Acculturation
ronde kleefrijstbal, gevuld met verop verschillende feestdagen. Het is een
andBelgian BelgianDescent DescentStudents Students on on aa UniversiUniversiand
schillende soorten gevuld vullingen enverschilkomt in ronde kleefrijstbal, met
tyCampus. Campus.Journal Journalof of Intercultural Intercultural Studies, Studies, ty
verschillende enen groottes. lende soorten kleuren vullingen komt in ver-
43(3),2022, 2022, p. p.415-431; 415-431; Coll, Coll, Lamberty, Lamberty, 43(3),
40.schillende Schep, ‘Immaterieel in een superdikleuren enerfgoed groottes.
Jenkins,Harriet, Harriet,Crnic, Crnic, Wasik Wasik && García, García, ‘An ‘An Jenkins,
verse omgeving. Ondernemers, vrijwilligers 40 Schep, ‘Immaterieel erfgoed in een superdi-
integrativemodel modelfor forthe the study study of of developdevelopintegrative
en culturele organisaties als ‘custodians’’, verse omgeving. Ondernemers, vrijwilligers
mentalcompetencies competenciesin inminority minority children’, children’, mental
Volkskunde, 2, 2020, 123-134, p. 130. en culturele organisaties als ‘custodians’’, 41. Volkskunde, Yiqi.global is2,een Chinees collectief, 2020, 123-134, p. 130.
ChildDevelopment, Development, 67(5), 67(5), 1996, 1996, p. p. 891–914. 891–914. Child 50. Ambivalences of 50 Lloyd, The Ambivalences of RationaliRationa-
gevestigd in hun biografie 41 Yiqi.global is Amsterdam. een Chinees In collectief,
ty: Ancient lity: Ancient and andModern ModernCross-Cultural Cross-Cultu-
schrijven ze: (re)connecting the biografie global gevestigd in Amsterdam. In hun
Explorations, Cambridge: Cambridge ral Explorations, Cambridge: Cambridge
diaspora ze: through our culture, artglobal & voices. schrijven (re)connecting the https://www.instagram.com/reel/DGLgdiaspora through our culture, art & voices. 7d7oRzl/?igsh=Zzg5ZWYzN2s0eDNt https://www.instagram.com/reel/DGLg42. 7d7oRzl/?igsh=Zzg5ZWYzN2s0eDNt Wij zijn ervan bewust dat deze erfgoeddiscourse momdat van dreiging valt. 42 Wij zijn onder ervan het bewust deze erfgoeddisVoor een andere invalshoek verwijzen wijVoor course onder het mom van dreiging valt.
UniversityPress, Press,2017, 2017, p. p. 96. 96. University 51. 51 South China Morning Post, ‘Hong Kong to openfirst firstTCM TCMhospital hospitalin in 2025, 2025, but but why why only only open now?’,YouTube, YouTube,te teraadplegen raadplegen via: via: https:// https:// now?’, www.youtube.com/watch?v=yTobt-cwfsE www.youtube.com/watch?v=yTobt-cwfsE 52. 52 Yilmaz, Phalet & De Leersnyder, ‘Accul‘Accul-
u graag door naar het verwijzen artikel vanwij Natalie een andere invalshoek u graag
turationof ofself self-construal: First evidence evidence turation construal: First
Braber enhet Victoria Howard. Braber & Howard, door naar artikel van Natalie Braber en
fromimmigrant immigrantminorities minorities in in Belgium Belgium and and from
‘Language Heritage and&the UK Public: Victoria Howard. Braber Howard, ‘Language
theUK’, UK’,European EuropeanJournal Journal of of Social Social PsyPsythe
Successes and Challenges the UK Heritage Heritage and the UK Public:ofSuccesses and Sector’,!Heritage Society, 2024, 1–20. https:// Challenges of the & UK Heritage Sector’,
chology,54(2), 54(2),2004, 2004,p. p.529–544. 529–544. chology, 53. 53 Motti-Stefanidi, Berry, Chryssochoou, Sam, &
doi.org/10.1080/2159032X.2024.2382625. Heritage & Society, 2024, 1–20. https://doi.
Phinney, ‘Positive Immigrant Youth AdaptaSam, & Phinney, ‘Positive Immigrant Youth
org/10.1080/2159032X.2024.2382625.
Adaptation in Context’, in A. S. Masten, K. 317
tion in Context’, in A. S. Masten, K. Realizing Liebkind, Liebkind, & D. J. Hernandez (red.), & D.Potential J. Hernandez (red.), Realizing the the of Immigrant Youth Cambridge: Potential ofUniversity ImmigrantPress, Youth2012, Cambridge: Cambridge p. 117-158. Cambridge Press, 2012, p. 117-158. 54 VPRO, ’Mijn University vader is een afhaalchinees’, 54. https://www.vpro.nl/dorst/producties/ VPRO, ’Mijn vader is een afhaalchinees’, https://www.vpro.nl/dorst/producties/ Mijn-vader-is-een-afhaal-Chinees.html. Mijn-vader-is-een-afhaal-Chinees.html. Wu, De bananengeneratie, p. 244. Wu, der De bananengeneratie, p.hybriditeit’. 244. 55 Van Zeijden, ‘Diversiteit, 55. Van der Zeijden, ‘Diversiteit, hybriditeit’. 56 Berry, ‘Family and Youth Development’. 56. Berry, ‘Family and Youth Development’. 57 De Laguna, Culture and Rationality. 57. De Laguna, Culture and Rationality. 58 Naar het citaat van William Shakespeare. 58. The Naar het citaat William Shakespeare. Merry Wivesvan of Windsor (Folio 1, 1623). The Merry Wives of Windsor 1, 1623). Internet Shakespeare Editions.(Folio University Internet Shakespeare Editions. of Victoria, Geraadpleegd op 28University februari of Victoria, Geraadpleegd op 28 februari 2025, via https://internetshakespeare.uvic. 2025, via https://internetshakespeare.uvic. ca/doc/Wiv_F1/scene/2.2/index.html. ca/doc/Wiv_F1/scene/2.2/index.html.
318
Recensies camerone, The Canterbury Tales), maar zijn wat in onbruik geraakt. De auteurs bliezen
Lut Baten, Leila Besharat & Maryam Rahmani, Vertellingen uit de karavanserai, 2021, Leuven, De kleine Johannes, 104 blz., ISBN 978946448443, € 22,95 Het is niet de gewoonte van dit tijdschrift om aandacht te besteden aan kinderboeken. Maar niet alles is wat het lijkt. En dat is het geval bij deze verhalenbundel. Bij een eerste oogopslag lijkt dit hoogstens een bundel met elf verhalen voor kinderen uit het lager onderwijs, zonder meer. Maar in dit geval is er meer aan de hand. Het boek kwam tot stand tijdens de moeilijke COVID-19-periode. De Iraanse Leila Besharat (BA Engelse literatuur) bezorgde Engelse versies van sprookjes en sagen uit haar geboorteland, geschreven in het Farsi, aan taaldocente prof. dr. Lut Baten (KU Leuven), die ze hertaalde in het Nederlands. Dat deed ze op een gevestigde manier: als deeltjes van een raamvertelling. Dergelijke vertellingen hebben een eeuwenoude traditie (de Odyssee, de De-
in dit boek deze vorm van vertellen nieuw leven in om de meer dan duizend jaar oude Pan+atantraverhalen aan en met elkaar te verbinden. Er zijn haast vanzelfsprekend ook links met de verhalen van 1001 nacht, die langs de Zijderoute over heel de Aziatische wereld werden verspreid, maar via bijvoorbeeld de fabels van Jean de La Fontaine in Europa bekend raakten. De raamvertelling is de zoektocht naar een eigen plek, een huis. In dit geval is dat een karavanserai, een soort middeleeuws hotel voor reizigers langs de Zijderoute, waar een reiziger (met de veelbetekenende naam Nescio) door de vele verhalen vol levenswijsheden uiteindelijk rust vindt bij de wijze gastvrouw Sima van een dergelijke pleisterplaats. De verhalen refereren duidelijk ook aan onze West-Europese verhaalschat. Het is bijvoorbeeld niet moeilijk om in het verhaal De koning van de jungle delen van het Reinaertverhaal te herkennen, of een soort omgekeerde De raaf en de vos in Een kraai op de catwalk. De sprookjes, fabels en sagen (neen, geen legendes, zoals sommige verhalen verkeerdelijk worden genoemd!) hebben allemaal min of meer gelijklopende varianten, waarin je telkens een boodschap of moraal leest. Op zich is dat alles niets nieuws. Ook niet de doelgroep: vanaf negen jaar. Hoewel mijn nog jongere kleinkinderen er eveneens van hebben genoten, mede dankzij de mooie tekeningen van de Iraanse Maryam Rahmani (MA schilderen visuele communicatiekunst). De doelgroep wordt door het bewuste taalgebruik op B1-niveau uitgebreid tot volwassenenvorming (NT2-taalverwerving bij migranten) en OKAN-scholen, maar heeft ook oog voor ouderenbegeleiding en vertelmogelijkheden bij kleuterleerkrachten. Binnen dit kader is dialoogbegeleiding een extra mogelijkheid om met de vertelstof om te gaan. 319
Het uitgebreide educatieve luik is een openbaring en biedt een waaier aan mogelijkheden. Het boek is gelinkt aan de website www.storiesthatmakeus.eu. Je vindt er van de verhalen naast vertalingen in het Engels, Frans, Spaans en Duits ook versies in het Farsi, Hindi, Tamil en Amhaars, wat meteen een stimulans voor meertaligheid inhoudt. Je kunt de verhalen op video bekijken of in een podcast beluisteren. Met andere woorden: dit is een multimodale aanpak van verhalen die geboren werden toen er enkel de orale overlevering was. Een sprong van eeuwen die de schat aan verhalen in deze digitale wereld weer springlevend maakt. Daarenboven biedt een zeer uitgebreide toolkit handvatten voor verdieping en dus meteen een opstap naar dynamische interculturele communicatieve competentie, bouwend op het referentiekader van Darla D. Deardorff. Daarin staan onder andere respect voor andere culturen en leerbereidheid centraal, die kunnen leiden tot nieuwe inzichten die de onzekerheid tegenover andere culturen kunnen verminderen of zelfs wegnemen. Meteen een uitstekende leidraad voor leerkrachten en begeleiders. Dit alles is meteen reden genoeg om dit werk op te nemen in deze recensierubriek en de waarde ervan, die uitstijgt boven het gewone verhaalniveau, te (h)erkennen. Pareltjes als Het oude konijn en de olifanten en Een muis die ijzer vreet?! worden door de auteurs naar een hoger niveau getild, omdat ze dienen als middel om culturen met elkaar te verbinden. Sprookjes voor kinderen worden daardoor meer dan een verhaaltje om die verschrikkelijke coronaperiode te overwinnen., maar een middel om voor verbinding te zorgen. Binnenkort zal de publicatie gratis als pdf beschikbaar zijn en je kunt via spotify https:// o p e n . s p o t i f y.co m /s h ow/5 W 7 t ve 9 9 0 w E Q6A5e3mh6LO de verhalen ook gewoon beluisteren. Paul Catteeuw
320
Bernd-M. Beyer & Dietrich Schulze-Marmeling, Politik im Spiel. Die andere Geschichte der deutschen Fußball-Nationalmannschaft, 2025, edition einwurf, 320 blz., ISBN 978-3-89684725-6, € 26. Wie nog durft vol te houden dat sport en politiek twee gescheiden werelden zijn, moet eens het Duitstalige boek Politik im Spiel lezen. Hierin wordt geschetst hoe nauw verweven het nationale voetbalelftal van Duitsland al meer dan honderd jaar is met maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en hoe het appelleert aan de Duitse volksaard. Ferdinand Hueppe, de eerste voorzitter van de Duitse voetbalbond (DFB), wordt zelfs beschouwd als de ‘ideologische pionier’ van het gedachtegoed dat de nationaalsocialistische rassenleer zou propageren. Al in 1898 sprak hij in een essay zijn vrees uit dat ‘edelvolkeren’ zoals het Duitse door ‘minderwaardige’ bevolkingsgroepen met ‘semitische types’ dreigden te worden gekaapt.
Tot op vandaag vinden politici van de extremistische AfD dat niet-blanke spelers met een migratieachtergrond geen plaats mogen hebben in het nationale elftal van Duitsland. De (ex-)internationals Mesut Özil, Ilkay Gündogan en Antonio Rüdiger waren daarom mikpunt
schrijven de auteurs. Ze noemen als voorbeeld de uitsluiting van de populaire voetbalsterren Richard Hoffmann, die reclame had gemaakt voor een sigarettenmerk, en Oskar Rohr, die in Zwitserland en Frankrijk profvoetballer was geworden.
van hevige debatten. Internationals worden in Duitsland Nationalspieler genoemd. Die term werd ingevoerd in 1933, kort na de machtsovername van Adolf Hitler en de omvorming van Duitsland tot een nationaalsocialistische, totalitaire staat. Voordien werden de spelers van de Mannschaft aangeduid als Internationale. Die aanpassing door het naziregime is nooit teruggedraaid. Het is een van de vele opmerkelijke vaststellingen van de auteurs, Dietrich SchulzeMarmeling en Bernd-M. Beyer, beiden bekend om hun sporthistorisch onderzoek. In hun recente werk vormen de twee wereldoorlogen en de effecten daarvan een rode draad. Liefst 443 Duitse Nationalspieler waren lid van Hitlers NSDAP; 48 sneuvelden in de Tweede Wereldoorlog. Slechts twee spelers van joodse afkomst mochten de status van international bereiken – zo bepalend waren de ‘arische genen’ in het Duitse voetbal. Adolf Hitler was geen voetballiefhebber. De interland tegen Noorwegen tijdens de Olympische Spelen in Berlijn, op 7 augustus 1936, was pas de tweede voetbalwedstrijd die hij bijwoonde. Liever had hij die dag de roeiwedstrijden gevolgd, maar hij liet zich overhalen om toch naar het Olympisch Stadion te gaan, om te ervaren wat Duits succes aan massale vreugde zou losmaken. Toen de Noren kort voor het einde een beslissende voorsprong namen, verliet Hitler woedend het stadion. Hij werd nooit meer gezien bij een voetbalwedstrijd. “Voor de nazi’s was het duidelijk: het nationale elftal moest de Duitse volksgemeenschap uitbeelden in al haar arische reinheid en houding. Daarom moesten naast joden ook niet-joden worden uitgesloten die niet voldeden aan het beeld van ideale amateurs”,
De Tweede Wereldoorlog hield de Duitse clubs vier jaar lang weg van het internationale voetbalverkeer. Deutschlandhass (Duitslandhaat) verweet het tijdschrift Fußball in 1948 aan de latere Belgische FIFA-voorzitter Rodolphe Seeldraeyers, om zijn rol bij de blokkade. Wegens ziekte ontbrak Seeldraeyers in 1949, toen de wereldvoetbalunie toestond dat clubs weer tegen Duitse tegenstanders konden spelen. Een jaar later mocht de DFB opnieuw aansluiten bij de FIFA. Tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog nog namen voormalige trawanten en aanhangers van Hitler vooraanstaande posities in binnen de Duitse voetbalbond. Hermann Gösmann en Hermann Neuberger werden ondanks hun nadrukkelijke naziverleden bondsvoorzitter. Sepp Herberger, de bondscoach die West-Duitsland in 1954 naar de wereldtitel leidde, was lid van de NSDAP – vooral uit praktische overwegingen – en eindigde zijn brieven steevast met de groet Heil Hitler. In tal van leidende functies bleef de nazigeest aanwezig. Ronduit pijnlijk en schandalig was de houding van Duitsland en de voetbalbond in 1977, toen de 30-jarige Duitse sociologe Elisabeth Käsemann door de militaire dictatuur van Argentinië werd gemarteld en in een massagraf geworpen. Haar verdwijning en dood werden bewust twee weken geheimgehouden en pas bekendgemaakt daags na een ‘vriendschappelijke’ interland in Buenos Aires tussen beide landen. Bondsvoorzitter Hermann Neuberger was drie dagen eerder al geïnformeerd, maar eerst moest de interland doorgaan. De strijd tussen rechts en links is nooit verdwenen rond het nationale elftal van Duitsland, zo maakt dit boek nadrukkelijk duidelijk. Mensenrechtenschendingen, racisme, corruptie en andere verderfelijkheden 321
markeren de geschiedenis van de Mannschaft. De weerslag daarvan levert tal van maatschappelijke debatten op in Duitsland. Dat komt ook herhaaldelijk tot uitdrukking in de gevoelige rivaliteit – ook in het voetbal – tussen Duitsland en Nederland. Veelzeggend was hoe geliefd de Duitse tv-verslaggever Heribert Faßbender zich tijdens het WK voetbal in Italië in 1990 bij de Duitse bevolking maakte. “Stuur die man terug naar de pampa”, schimpte Faßbender over de Argentijnse scheidsrechter bij DuitslandNederland (2–1). De verwensing volgde op diens beslissing om behalve Frank Rijkaard (wegens spugen) ook zijn tegenstander Rudi Völler met rood weg te sturen. Rijkaard, van Surinaamse afkomst, staat sindsdien in brede Duitse kringen bekend als de ‘lama’. Als Duitsland voetbalt, laat heel Duitsland zich gelden, zo laat het boek zien. Het is een fenomeen dat lang verdrongen is geweest en weinig beschreven, maar dat niet alleen op Duitsland van toepassing is. Henk Mees
Anders Blok, Ignacio Farias, Celia Roberts (eds.), The Routledge Companion to ActorNetwork Theory, London & New York, Routledge, 2023, 458 p., ill., Hardcover in 2020, ISBN 9781138084728, 220 GBP; betaalbare paperback 978-1032475486, 51 euro. Tegenwoordig is Actor-NetwerkTheorie (ANT) een van de gereedschapskisten en inspiratiebronnen van kritische erfgoedstudies, etnologie en tal van andere disciplines. Dit heeft deels te maken met de enorme invloed van wijlen Bruno Latour (1947-2022). Vele van zijn boeken en artikels zijn naar het Nederlands vertaald en liggen nog steeds in de betere boekhandel (ze zijn natuurlijk ook gewoon online beschikbaar). Over zijn levenswerk en ideeën is er in 2022 een uitstekende inleiding door Arjen Kleinherenbrink in het Nederlands beschikbaar.1 In een recent nummer van Volkskunde werd nog onderstreept hoe belangrijk actor-netwerktheorie is (geweest) in de ontwikkeling van eigentijdse methodes om “black
1 Arjen Kleinherenbrink, De constructie van de wereld. De filosofie van Bruno Latour. Amsterdam, Boom, 2022. 322
boxes” en controverses te onderzoeken en zo mogelijk te overstijgen.2 Actor-netwerktheorie is al zeven jaar de naam van een vak dat aan de Universiteit Antwerpen wordt gegeven in het tweede bachelorjaar conservatie-restauratie, voortbouwend op introducties in sociolo-
onder redactie van Michelle Stefano en Peter Davis). Hoog tijd: nu ook voor actor-netwerktheorie. De stroom van publicaties die schatplichtig zijn aan het pionierswerk in de jaren 1970, 1980 en 1990 van de eerste ANT-generatie (Michel Callon, John Law en Bruno Latour
gie en antropologie/etnologie in het eerste bachelorjaar en ter voorbereiding van cursussen kritische erfgoedstudies in het masterjaar. Actor-netwerktheorie bevat belangrijke componenten van (n)etnografie, narratologie en andere stromingen die overlappen met “volkskunde”, “etnologie” of “erfgoedstudies”. Maar het is ook compatibel met andere manieren van denken en kijken, zoals die in sommige “indigenous cultures” of ja “volkscultuur” gedijen of flore(e)r(d)en (vergelijk dit ook met reflecties in de recente bijdrage van Chris van der Heijden, ‘Deel zijn van het hier en nu’, in De Groene Amsterdammer, 149:33, 14/8/2025). Het maakt deel uit van het opbouwen van een grote gereedschapskist van attenderende concepten en modellen. Het is onder andere de bedoeling dat de zogenaamde scheiding tussen natuur en cultuur anders gedacht en belicht wordt, om machtsprocessen te analyseren, om de “agency” van allerlei actanten (niet alleen mensen maar ook voorwerpen, planten, wind, water, …) te zien, om praktijk en theorie te inspireren, … In dit tijdschrift wordt, dat hebt u misschien al gemerkt, getracht via recensies en overzichtsartikelen instrumenten in beeld te brengen en een eigentijdse toolkit te maken die een eclectische aanpak faciliteert in 21e-eeuwse etnologie en erfgoedstudies. Uitgeverij Routledge, een van de marktleiders in het uitgeven van “critical heritage studies”, heeft de voorbije jaren een strategie ontwikkeld om de dynamiek in specifieke velden of (trans)disciplines te capteren en dat in de formule van een zogenaamde Routledge Companion te verkopen. Companions zijn er al voor allerlei subdisciplines in erfgoedstudies, conservatie of het borgen van immaterieel erfgoed bijvoorbeeld (in 2017 verzorgd
bijvoorbeeld) is in de voorbije jaren enorm gegroeid, in tal van disciplines. Dat blijkt ook uit deze Companion die de dynamiek in de tweede en derde generatie probeert te vatten. Dit levert een dikke bundel van 38 artikelen op over allerlei onderwerpen, “all over the place”. Het is de vraag hoe lang na het wegvallen van de inspirerende intellectuele spin in het web (Bruno Latour) actor-netwerktheorie nog als label of prikkelende parapluterm zal werken (of hoe lang het hogergenoemde vak in een Vlaamse universiteit die naam zal dragen): ik gok toch nog op de rest van de jaren 2020. In het veld met een langere versheidsdatum zoals (kritische) erfgoedstudies zal het de volgende jaren nog belangrijke functies vervullen, onder andere in de school van Rodney Harrison. De titel van de inleiding van de hier besproken bundel is goed gekozen “Actor-Network Theory as a Companion: an Inquiry into Intellectual Practices”. Het gaat zowel over invloed in andere academische disciplines, maar ook voor activistische projecten en toepassingen in de praktijk. Het boek bestaat uit zes secties met daaronder telkens hoofdstukken die een vraag als titel meekregen. Het is duidelijk dat de redactie een interessant format gevonden en opgelegd heeft, waarbij de auteurs een of meer originele voorbeelden mogen presenteren, vergezeld van literatuurtips en gekoppeld aan specifieke vragen die allerlei uitlopers en frontzones van actor-netwerktheorie verkennen. Dit levert een bundel op die in stukjes kan worden geconsumeerd, er de vragen of kersen uitpikkend die je het meest boeiend vindt of die insteken kunnen opleveren die nuttig zijn voor datgene waarmee je bezig bent. Maar zoals het past bij actor-netwerktheorie
2 M. Jacobs, ‘Kritische nabijheid. De veldgids voor Controversy Mapping (2022) van Tommaso Venturini & Anders Kristian Munk en de erfenis van Bruno Latour’, Volkskunde 122:3, 2022, p. 391-410. 323
hadden de redacteurs wellicht hun handen vol bij het onder controle houden van het zootje ongeregeld (ik bedoel dit sympathiek) van auteurs die haast per definitie willen ontsnappen of knutselen aan formats die hen worden voorgelegd. Zo zal je “in realiteit” (stel dat je,
in het onderwerpsregister opmerkt (of de hele bundel als een boek van begin tot eind leest). De titel van het relevante hoofdstuk in kwestie (p. 64-72) levert niet direct een ingang op mobiliteit op: “How to use ANT in inventive ways so that its critique will not run out of steam”?
zoals ik, aangenaam verrast door een bijdrage hun andere publicaties of henzelf wil vinden) tevergeefs zoeken naar enkele auteurs(namen) die worden opgenomen in de parateksten van de “List of contributors” (p. x-xviii), de inhoudstafel of bij de titels van twee artikels: Jérôme D. Pontille (artikel 10, p. 101-112) of David J. Denis (artikel 27, p. 283-294). Omdat David Pontille en Jérôme Denis, die graag samenwerken, van de uitgevers naar verluidt niet twee keer samen als auteur in eenzelfde bundel mochten vermeld worden (wegens elegantie in het paratekstensysteem van een Routledge Companion), haalden ze dan maar dat grapje uit, tegelijk ook om de ‘black box” categorie “auteur” te problematiseren. Het was misschien extra geslaagd als ze gewoon hun echte naam bij de “Contributors” hadden gezet, want nu moet je als lezer wel heel aandachtig zijn om het op te merken (door alle noten te lezen of tot het einde van de teksten te lezen). Aangezien catalografen voor zo’n Spielereien wellicht geen tijd hebben en automatische dataverwerking wellicht niet de grap of het nut inziet, worden de bibliografische systemen en citation indexes zo ook gesaboteerd, door professoren die zich dat professioneel konden permitteren en die zelf over de functies en excessen van meervoudig auteursschap in de hedendaagse wetenschappelijke productie gepubliceerd hebben.3 Ook het register of zelfs de goed bedoelde titels in vraagvorm van de Companion maken het gehaaste gebruikers niet gemakkelijk. Als je bijvoorbeeld met erfgoedtoerisme bezig bent, merk je wegens het ontbreken van sleutelwoorden zoals “heritage” of “tourism” misschien niet direct een relevante insteek op, tenzij je “travel”
Mensen die goed vertrouwd zijn met het oeuvre van Bruno Latour herkennen wellicht de uitdaging in de vorm van een woordenspel met de titel van een stomend artikel over “matters of fact” en “matters of concern” van de grootmeester dat verschenen is in Critical Inquiry, 30: 2, 2004, maar de auteur Michael Guggenheim (ik denk dat het echt zijn naam is) gaf er met een ander citaat van Latour (“Critique behaves like blasé tourists who would like to reach the most virgin territories without di!culties, but only if they don’t come across any other tourists”, p. 64) direct een andere wending aan. Verder volgt dan de bijtende suggestie om wat minder het vermanende vingertje omhoog te houden: “In short, very often, ANT is like a blasé tourist itself” (p. 64). Maar kiest hij door een truuk van de foor van het bij de eerste zin/ citaat veranderen van de uitdaging in de titel niet een beetje voor hetzelfde? Ja, net zoals in het oeuvre van Bruno Latour, moet je openstaan voor een bepaalde vorm van intellectuele humor (of het gewoon negeren en doorlezen), want als je ondertussen niet hoofdschuddend hebt afgehaakt, zijn er allerlei (scherpsnijdende en/of mooie) diamanten te ontdekken. Maar het illustreert wel dat het format en de manier waarop de auteurs en uitgevers ermee zijn omgegaan, geen systematische en onderling uitgebalanceerde inleiding en synthese van actor-netwerktheorie oplevert. Dat is trouwens iets wat volgens mij bijna onmogelijk is (ook al heeft Mike Michael in 2017 een verdienstelijke poging gewaagd4). De eerste vraag in het boek “What if ANT wouldn’t pursue agnosticism but care?” (p. 4-13) wordt behandeld door Daniel López-Gómez. Hij besprak daarbij het fenomeen van telecare
3 Zie bijvoorbeeld D. Pontille, Signer ensemble: Contribution et évaluation en science, Parijs, Economica, 2016. 4 M. Michael, Actor-Network Theory: Trials, Trails and Translations, Sage, 2017 324
voor bejaarden in Spanje bij een hittegolf in Madrid en pleitte voor meer aandacht voor het gebruik van techniek in de zorg. Dat is een interessante casestudie waarbij Annemarie Mol en Jeannette Pols van de Universiteit van Amsterdam wel vermeld worden, maar de
mij inderdaad bouwstenen die voor kritische erfgoedstudies of conservatie-restauratie meer dan relevant en belangrijk zijn. Ook hun eigen werk rond “onderhoud”, “herstellen”, preventieve acties, … is daarbij direct relevant, ook al wordt het tot nog toe nauwelijks in kritische
lezer niet direct geleid wordt naar de belangrijke publicaties van Mol over “zorg” die inspirerend kunnen zijn voor erfgoedzorg.5 De vraag “Is ANT’s radical empiricism ethnographic” (p. 24-33) wordt eerder positief beantwoord door Brit Ross Winthereik door te wijzen op de kracht van het recept “volg de dingen, mensen, projecten, …waarheen ze je leiden”, doorgaans buiten de lijntjes. “Etnografisch” staat dan niet direct voor een specifieke discipline (Empirische Kulturwissenschaft bijvoorbeeld), maar voor een open houding en manieren van kijken, van volgen, verzamelen... Dit geldt ook voor de eveneens positief beantwoorde vraag waarmee Atsuro Morita aan de slag ging: “Can ANT compare with anthropology? (p. 34-45) Voor erfgoedstudies en -werk zijn diverse bijdragen relevant, zoals bijvoorbeeld de reflecties over participatieve methodes of formules zoals “hybride fora” of “het parlement der dingen” (zie onder andere de bijdragen 28 en 36). Ook de bijdrage 29 “How does an ANT approach help us rethink the notion of site?” (p. 306-317) van Albena Yaneva of Brett Mommersteeg over de notie “sites” of “site-ing” bij het omgaan met bouwsites en architectuur is het noteren waard. Voor erfgoedwerkers is bijdrage 27 Why do maintenance and repair matter? (p. 283-293) een waardevol juweeltje. De “auteur(s)”, “David J. Denis”, introduceert hier “maintenance and repair studies” als een van de post-ANT-wegen die kunnen worden bewandeld. De voorbeelden en literatuurverwijzingen (ook naar het oeuvre van María Puig della Bellacasa bijvoorbeeld) die ze samenbrengen zijn volgens
erfgoedstudies meegenomen (maar dat is bij deze gebeurd).6 Jérôme Denis en David Pontille, die zich in deze bijdrage moedwillig moeilijk plaatsbaar, citeerbaar en vindbaar maken, zijn namen die we in Volkskunde ook op een andere manier moeten meenemen, als wegwijzers naar een breder oeuvre rond “inscripties” en opschriften, wat samen met enkele companen zoals Philippe Arthières, onder meer www.scriptopolis.fr heeft opgeleverd. Zij vestigen de aandacht op en becommentariëren allerlei opschriften (borden, gra#ti, …) in de straten van Parijs en andere plekken, net zo goed als spandoeken, verkeerstekens en (te onderhouden) borden in de metro. Het elfde artikel, van Noortje Marres, verdient volgens mij een plaats achteraan in de bundel: niet zozeer als besluit, maar als “ga en vermenigvuldig u”-statement (maar dan zonder de onbescheiden ‘onderwerp de aarde en al wat daarop zwemt, vliegt en kruipt’-bijgedachte in Genesis 1:28). Het komt dan in plaats van artikel 38 met de titel “How to run a hospital with ANT?” (p. 400-410, letterlijk een reflectie van een (ex-)directeur van het Puerto Montt Hospitaal in Chili die er zijn kennis van ANT reflexief had proberen in te zetten). De titel van het stuk van Marres luidt “As ANT is getting undone, can Pragmatism help us re-do it”? (p. 112-120). Het werk van de Amsterdamse onderzoekster, die onder begeleiding van Bruno Latour promoveerde en aan de Controversy Mapping- experimenten meewerkte en nu floreert als hoogleraar digitale cultuur in Warwick, is de moeite om te volgen, vooral
5 A. Mol e.a., (red.), Care in Practice/ On Tinkering in Clinics, Homes and Farms, Transcript Verlag, 2012; zie ookl A. Mol & A. Hardon, ‘Caring’, in:J. R. Bowen, e.a. (red.), Pragmatic Inquiry: Critical Concepts for Social Sciences, London, Routledge, 2019, p. 185-204. 6 J. Denis, D. Pontille e.a. (red.), The Care of Things: Ethics and Politics of Maintenance, Polity Press, 2025 of de gratis te downloaden https://doi.org/10.7551/mitpress/14227.001.0001 F. Domínguez Rubio, J. Denis & D. Pontille (red.) Fragilities: Essays on the Politics, Ethics, and Aesthetics of Maintenance and Repair, MITPress, 2025. 325
in de post-normale tijden die we momenteel beleven (https://noortjemarres.net). Door het overlijden van Bruno Latour in 2022, na zijn moedige eindstrijd voor bewustwording rond klimaatveranderingen en zijn pogingen om instrumenten van actor-netwerktheorie nog in te zetten om voor (be)zorg(heid) voor de Aarde te pleiten, krijgen de twee straffe slotzinnen van haar bijdrage in 2020 een grote draagwijdte en urgentie vandaag: “As Bruno Latour brought out his hammer and nails to set to work on ANT’s co!n 20 years ago, it may be tempting for the rest of us to leave the burial ritual to him and his close collaborators. However, as time passes, I’m more and more convinced that if we are to get somewhere in the redoing of ANT, then the job of its undoing must be taken up not just by its inventors, but by many more of us”(p. 119). Deco-reco dus, maar wel na interactie met de literatuur in kwestie. Marc Jacobs
Anke Brouwers, Een meikeverjaar. Een verzetsgeschiedenis, Pelckmans, 2025, 294 p., ISBN 97894 6383 993 8, € 24,50; e-boek 978 94 6234 784 7, € 14,99. Het is professor-emeritus Herman Balthazar die enkele maanden geleden wees op een nieuwe fase in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog, “gedragen door een emancipatorische zoektocht naar bronnen, alle bronnen toegespitst op de eigen familiegeschiedenis”.7 Bijna zonder uitzondering zijn het vandaag kleinkinderen van collaborateurs die op zoek gaan naar wat er nu echt is gebeurd, die zich niet langer neerleggen bij de sociale constructies opgetrokken binnen de eigen familie om vooral het grote zwijgen decennialang (on)bewust af te dwingen. Bovendien gaat het om een internationale evolutie met recent ook in bijvoorbeeld Nederland verschillende indringende publicaties.8 7 H. Balthazar, ‘Op zoek naar waarheid van een familiegeschiedenis’, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 2024/4, pp. 479-482. 8 S. Sitalsing, Waar ik me voor schaam. Over zwijgen en het doorgeven van schuld, 2025, Amsterdam, 208p; C. Van der Heijden, Over de rand laait vuur. Mijn ouders en de oorlog, 2025, Amsterdam, 400p. 326
Anke Brouwers is een zeer welgekomen uitzondering en schrijft met Een meikeverjaar een uitstekend boek over de verzetsactiviteiten in haar eigen familie. Het onderzoek van Brouwers toont aan hoe belangrijk particuliere erfgoedcollecties zijn om inzicht te krijgen in
ervan om met mensen uit andere culturen in een gemeenschappelijke taal te communiceren. Ze volgt lessen Esperanto en wordt daar aangesproken door iemand die haar man wil werven voor het verzet. Uiteindelijk stappen beiden in het verzet. Wat de doorslag gaf, is
verzetsactiviteiten uitgevoerd door zogenaamde ‘gewone’ mensen. Het familiearchief werd grotendeels geordend door haar grootvader en bestond uit “aantekeningen, telegrammen, gesmokkelde brieven, oorkondes, foto’s, nota’s, dagboekfragmenten, textiel, medailles, souvenirlepeltjes, postkaarten, kopieën van documenten en kopieën van kopieën van kopieën.” Het vormt de basis van een verzetsverhaal ‘van onderuit’. Om nog een andere reden is dit een belangwekkend boek. De spil van de verzetsactiviteiten is Martha Criel-De Cock (1902-1997), overgrootmoeder van de schrijfster. Een vrouw, wat meteen het cliché doorbreekt dat oorlog een mannenzaak is. Martha komt uit een welgesteld landbouwersgezin uit het Oost-Vlaamse Wachtebeke en studeert af als onderwijzeres. Ze trouwt in 1922 met Stan De Cock (1902-1945), zoon uit een veel bescheidener Kontichs’ boerengezin. Hij wordt als 15-jarige ingeschakeld in het bedrijf en doet elke dag een melkronde. Martha raakt ongehuwd zwanger, wordt het ouderlijk huis uitgezet en verliest haar job in de parochiale school in Kemmel. Ze wordt opgenomen in het gezin van haar aanstaande man en bevalt er van haar eerste kind. Stan breidt zijn activiteiten uit en gaat ook aardappelen verkopen, later ook varkens. Al snel woont het jonge koppel in een eigen huis, houdt Martha de administratie op orde en onderhandelt met leveranciers. Ze legt als vrouw een voor die tijd atypisch parcours af. De groeiende oorlogsdreiging strooit zand in de machine, begin mei 1940 vlucht ze met de kinderen naar Frankrijk. Na de capitulatie druppelt iedereen van het gezin Criel-De Cock het bezette Kontich terug binnen en start Stan zijn melk- en aardappelbedrijf terug op. De vette jaren zijn evenwel voorbij. Martha is een vrouw van de wereld, droomt
vandaag moeilijk te reconstrueren. Brouwers schetst de mogelijke motivatiegronden en is terecht kritisch voor een naoorlogs interview met haar overgrootmoeder waar deze het heeft over “menslievendheid”. Wat start met het bezorgen van briefjes en mondelinge boodschappen tijdens de aardappel- en melkrondes, groeit uit tot het bezorgen van rantsoenzegels voor werkweigeraars en onderduikers en het verspreiden van sluikpers. Het loopt evenwel fout voor Martha en Stan. Als de tijdelijke opvang van een neergestorte Amerikaanse militair langer duurt dan verwacht, worden er na enige tijd onnodige risico’s genomen. Met een vals paspoort integreert de Amerikaan Douglas als ‘verre neef’ Arthur in het gezin Criel-De Cock. Er worden familiekiekjes gemaakt en Arthur wordt zelfs gedoopt. Stan wil verder gaan dan Martha en verbergt tegen haar zin een partij wapens op de boerderij. Nadat Douglas toch terug naar huis is geraakt, worden Martha en Stan in juni 1944 door de Gestapo opgepakt. En dan wacht de gruwel. Na ondervragingen in de gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen worden Martha en Stan overgebracht naar verschillende Duitse concentratiekampen. De keuze van Brouwers om het familieverhaal in een literaire non-fictietaal te schrijven geeft het boek de nodige vaart. De zoektocht naar de mogelijke verrader leest als een thriller, alhoewel Brouwers voorzichtigheid inbouwt. De frustratie over het gebrek aan duidelijkheid hieromtrent, voel je tussen de regels. De geladenheid in het verhaal over het traject in de verschillende concentratiekampen – Ravensbrück, Belzig, Altengrabau voor Martha, Buchenwald, Blankenburg en Sarau voor Stan – snijdt regelmatig de adem af. Minutenlang tuur je naar de foto van het gestreepte jasje van Martha met de rode omgekeerde driehoek 327
(politiek gevangene) op de mouw, een beladen stuk textiel dat vandaag met de nodige zorg door haar achterkleindochter wordt bewaard. Brouwers beschrijft vooral de minder gekende werkkampen en geeft de lezer een indringend beeld van het leven en werk van Martha en Stan in die harde, onmenselijke 9 maanden gevangenschap. Dat de schrijfster die plekken fysiek bezoekt en haar emoties een plaats geeft in het verhaal, maakt het boek alleen maar sterker. Je voelt de wanhoop op het moment dat Martha in een dodenmars 40 kilometer moet wandelen. Ze raakt helemaal uitgeput en zweeft dagenlang tussen dood en leven. Als ze toch terug wakker wordt is het eerste wat ze hoort en ziet een meikever die met zijn vleugels voortdurend tegen de lamp boven haar ziekbed vliegt. Het leven spaart Martha en haar kinderen niet, maar dat had de opmerkzame lezer al gezien bij de overlijdensdatum van Stan. Gelukkig zijn er ook nog mooie momenten, zo wandelt de Amerikaan Douglas halfweg de jaren 1970 nogal bruusk het leven van Martha terug binnen, deze keer om te blijven. Met Een meikeverjaar schreef Anke Brouwers een – soms filmisch – eerbetoon aan de verzetsgeschiedenis van haar overgrootmoeder- en vader. Een engagement dat met een zware prijs kwam. En toch bekijkt Brouwers haar overgrootouders niet als helden: “Ze handelden in de eerste plaats als mensen. Omdat ‘heldendom’ het buitengewone boven het menselijke plaatst, speelt het geen rol in dit verhaal.” Meteen zet ze een kritische noot bij actuele initiatieven die verzet en helden in één adem noemt, voor Brouwers een paradigma dat meer “mythologiseert en romantiseert dan verklaart.” En dat staat haar uiteindelijke doel in de weg als het gaat over de verzetsgeschiedenis binnen haar familie: “Alles wat ik wil weten, nooit genoeg.” Björn Rzoska
328
Ildikó Csepregi, Incubation in Early Byzantium. The Formation of Christian Incubation Cults and Miracle Collections, Cultural encounters in Late Antiquity and the Middle Ages, 41, Turnhout, Brepols, 328 p., ISBN 9782-503-60660-6. € 105,00. De praktijk van incubatie (tempelslaap of droomheling) is een beproefde medische formule uit de oudheid. Grieken en Romeinen waren vertrouwd met zieken die gingen overnachten in één of andere tempel (vaak van Asclepius) in de hoop daardoor genezen te worden. Het ritueel beperkte zich niet tot Grieken en Romeinen, maar was gekend in de culturen van Mesopotamië tot heidens Gallië. Vanuit die heidense wortels vond het zijn weg naar jodendom, christendom en zelfs islam. In sommige mediterrane culturen komt het fenomeen tot op vandaag voor bij katholieken, orthodoxen en moslims. In het christendom speelde incubatie zich af rond de tombe van een christelijke heilige
en ging het ritueel gepaard met talrijke deelrituelen: de bedevaart naar de heilige plaats, de rituele zuivering, het geven van aalmoezen, het schenken van een ex voto ten bewijze van een genezing, soms speciale kleren aantrekken … Centraal stond de pelgrimstocht naar
heidense schrijvers dan met die van christelijke hagiografen. De auteur kan niet anders dan uitgebreid stilstaan bij een beschrijving van de heidense incubatiepraktijk. De originaliteit van het werk ligt echter niet daar, maar bij zijn conclusies
een sacrale plaats (een grot, een tombe, een plek met relieken) om daar te overnachten en te wachten op de formule om te genezen. Die formule werd soms aangereikt in een droom door de heilige. Soms droomde de zieke iets anders dan aanwijzingen van die heilige en dan moest de droom geanalyseerd en geïnterpreteerd worden door de aanwezige priesters. Csepregi gaat uitvoerig in op de theologische kwesties die deze helingspraxis bij het christendom provoceerde. Christus genas immers door het woord en in die incubatiecentra ontwikkelde zich een complexe rituele praxis. Was dat nodig? Of: de helende werking van Christus (en van alle andere dan incubatieheiligen) bleef niet beperkt tot de sacrale plaats. Christus en de heiligen konden overal aangeroepen worden. De plek zou geen rol mogen spelen. De centraliteit van de plek was iets heidens: de helden en goden van Grieken en Romeinen genazen enkel ter plekke. De heiligenlevens en mirakelboeken van de andere dan de incubatieheiligen fixeerden zich op Jezus’ genezingspraktijk en niet op het heidendom. De theologen waren zich toen sterk bewust van het feit dat het om een heidense praxis ging. Aan de andere kant was die zo diep cultureel geworteld dat ze hem niet konden bannen en dus moeten ze antwoorden zoeken op hoger gestelde vragen. Die antwoorden komen uit het bronnenmateriaal van Csepregi die zich niet focust op archeologische bronnen, maar zich beperkt tot het visuele materiaal en vooral de heiligenlevens en mirakelboeken van de incubatieheiligen. Dat zijn er voor het Byzantijnse rijk een viertal in totaal: Thecla, Cosmas en Damiaan, Cyrus en Johannes en ten slotte Artemius. Verrassend genoeg blijkt uit zijn studie dat hun heiligenlevens meer gelijkenissen vertonen met de incubatieverhalen van
met betrekking tot de praktijk in Byzantium. Zo ontdekte hij een grote rivaliteit tussen schrijnen voor dezelfde heilige: een incubatieschrijn van een bepaalde heilige zou veel effectiever zijn dan een gewone bedevaartplaats voor die heilige. Typisch voor die incubatieschrijnen zijn dan de bedevaart naar de sacrale plaats, de droom en het feit dat de heilige niet op afstand geneest. Dat heeft dan weer tot gevolg dat in de mirakelverhalen de sacrale plek een centralere plaats inneemt dan de heilige. De manier van genezen in de mirakelverhalen sluit bovendien ook beter aan bij wat er in een Asclepiusheiligdom gebeurt dan wat gebruikelijk is in de gangbare christelijke cultuur van geneesheiligen. Kortom een heleboel een verrassende resultaten in een uiterst grondig onderzoek. De uitdaging blijft nu om deze studie die is gebaseerd op haast uitsluitend narratieve bronnen, te koppelen aan de gegevens uit de archeologie. Hans Geybels
329
of onderbelicht blijven, zoals de betekenis van gender en sociale verbanden gebaat. Ook de geschiedenis van de theologie is bij deze vernieuwende onderzoekspraxis. Nadat onderzoekers tot het besef kwamen dat hagiografische bronnen niet de beste
Koen De Temmerman, Julie Van Pelt, and Klazina Staat, Constructing Saints in Greek and Latin Hagiography. Heroes and Heroines in Late Antique and Medieval Narrative, Fabulae: Narrative in Late Antiquity and the Middle Ages, 2. Turnhout, Brepols, 2023, 182 p., ISBN 978-2-503-60282-0, € 70,00. Het hagiografisch onderzoek spitst zich de laatste decennia toe op narrativiteit. Daarvoor ging de aandacht voornamelijk uit naar traditionele bronnenstudie: auteurschap, echtheid, afhankelijkheid, … De bedoeling was uiteindelijk om historisch feitenmateriaal aan de bron te ontlokken: informatie over heersers en machtsverhoudingen, culten en riten, … Dat bleek tegen te vallen (vooral vanwege het soort feiten waarnaar men op zoek ging) en dus vielen hagiografische bronnen lange tijd in diskrediet bij historici. De narratieve analyse heeft de hagiografie herontdekt als een primaire bron voor de late oudheid en de middeleeuwen omdat dergelijke analyses aspecten blootleggen die anders onzichtbaar 330
bronnen zijn voor traditionele historische reconstructies (met een nadruk op politieke ontwikkelingen), hebben ze het over een andere boeg gegooid. In plaats van historiografen te beschuldigen van slechte geschiedschrijving, werden deze bronnen meer en meer vanuit hun genre gerespecteerd en bestudeerd. Door de ware bedoelingen van de hagiografen te ontdekken, geven de bronnen plotseling veel informatie prijs. Waarom gaan hagiografen zus of zo te werk? Welke theologie of ideologie willen ze propageren en waarom? Propagandaliteratuur is al langer herontdekt als een belangrijke historische bron en die methodologie heeft zijn weg gevonden naar de wetenschappelijke studie van heiligenlevens. De auteurs zijn er zich van bewust dat ze niet de eersten zijn met deze strategie. Wat dit volume van andere onderscheidt, is de specifieke nadruk op de narratieve analyse van personages. De auteurs gaan niet zozeer in op de constructies van verhaallijnen, maar van de (hoofdrol)spelers. Omdat heiligen worden gepresenteerd als helden en heldinnen van de christelijke waarden, dringt een vergelijking zich op met de helden en de heldinnen bij de Grieken en de Romeinen. Bij die vergelijking duikt meteen al een verschil op. Stephanos Efthymiades focust op de constructie van Byzantijnse heiligen door een beroep te doen op eerder modellen van heldendom. Het valt hem op dat in Byzantijnse heiligenlevens vaak niet één centrale held primeert, maar dat er tal van secundaire helden rond de protagonist worden gecreëerd. Het tweede deel van het boek bestaat uit enkele capita selecta die aantonen hoe hagiografen steunen op retorische en literaire tradities, voornamelijk die van de bijbelse literatuur en het vroege christendom (de apocriefe literatuur). Het is opvallend dat
hagiografen hun heiligenlevens niet zomaar uit hun duim zuigen. Ze baseren zich op legendarisch of historisch materiaal. Sabine Fialon toont dat aan met haar studie van Afrikaanse levens- en passieverhalen van heiligen van de tweede tot de vierde eeuw. Anne Alwis bewijst hoe de levens van Ia en Tatiana in Byzantium worden herschreven door enkele traditionele hagiografische topoi in te ruilen voor aspecten die beter aansloten bij de latere Byzantijnse tijd. Deze en andere bijdragen tonen aan dat hagiografen toch bekwamere en originelere auteurs zijn dan aanvankelijk gedacht en dat de kwaliteit van hun geschriften uitstijgt boven die van de gemiddelde devotionele literatuur. De laatste twee hoofdstukken zijn buitenbeentjes. Het blijkt dat hagiografen in sommige gevallen zich niet beperkten tot het bezingen van de heroïsche christelijke deugden van hun heiligen, maar dat ze ook commentaar durfden leveren bij hun helden. Christian Høgel ontmoet heel wat ethisch complexe vragen (over het spenderen van geld) in zijn studie van de Byzantijnse geneesheiligen. Dat zou wel eens kunnen wijzen op eigentijdse debatten rond armoede en macht. Virginia Burrus bestudeert het leven van de vierde-eeuwse heilige Constantina, die niet meteen het best imiteerbare leven leidt en waarover de bronnen een verdeeld portret leveren. Met deze studie zet de Universiteit van Gent het stevige hagiografische werk van geestelijke vader Marc Van Uytfanghe op hoog kwalitatief niveau voort. Hans Geybels
Koenraad Jonckheere, Instagrammable – Kunst, beeld en sociale media, Hannibal Books, 2024; 312 pagina’s; ill. € 49,50 ISBN 978 94 8494 146 3 (ook een Engelse versie). “Kunstgeschiedenis wordt pas interessant als kunstenaars aan de clichés gaan morrelen en de grenzen van de norm gaan opzoeken.” (p. 197), zo beweert de auteur. Maar zeker ook, zoals hier gebeurt, als kunsthistorici dit doen: dat kan de kans op relevantie en prikkeling voor andere “disciplines” verhogen. Aandacht voor beeldtaal en de productie, verspreiding en effecten van beelden is een subveld van etnologie of volkskunde (en dus erfgoedstudies). Ruim veertig jaar geleden werd bijvoorbeeld een onderzoeksprogramma voorgesteld waarvoor het neologisme “bildlore” (in het Nederlands “beeldlore”), werd ontwikkeld, met name door de Zweedse onderzoeker Nils-Arvid Bringéus (1926-2023). Dit bouwde voort op wat kunsthistorici ontwikkeld hadden, maar dan met meer aandacht voor massaal geconsumeerde beeldtaal en meer bescheiden ambachtsmensen, bijvoorbeeld in zogenoemde “volkskunst” of populaire cultuur. Bringéus demonstreerde hoe het mogelijk is 331
motieven doorheen tijd en ruimte te volgen en daarbij veranderingen op te merken.9 Maar toen was van Instagram, YouTube en Dale-E nog geen sprake. In de voorbije veertig jaar waren er de doorbraak van de PC en het wereldwijde web, daarna de smartphone en
Vaticaanse musea afgebeeld: de School van Athene (1509-1510) en de Disputa (1509-1510). Ze worden gebruikt om commentaar te geven over het verband tussen woorden, beelden en materie in de filosofie van de Grieks-Romeinse oudheid en daarna over transsubstantiatie
tablets, de bredere toegankelijkheid van en via allerlei apps, en nog meer recent breed beschikbare artificiële intelligentie-programma’s die vlotte creatie van beelden faciliteren. Dat dit grote veranderingen met zich meebrengt in het leven van alledag, in brede lagen en clusters (in genders, klassen, generaties, …) van de bevolking, is duidelijk. We hebben dus, enkele decennia na de voorzet van Bringéus, nood aan een aangevulde, op empirische cultuurwetenschap afgestemde gereedschapskist, om daarmee om te gaan. Er is nood aan begrippen, concepten, modellen en andere inzichten die kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld etnologie en visuele studies als specialisatie in hedendaagse erfgoedstudies (tot en met cybercultuur) te verrijken. Instagrammable, het meest recente boek van kunsthistoricus Koenraad Jonckheere, is daarvoor een fraaie bijdrage, die met name opvalt door niet alleen de theoretische smaakmakers van vandaag maar ook literatuur en woorden uit het al dan niet verre verleden als relevant en inspirerend te markeren. Het werk is op zich al fijn om te lezen en kijkend te smaken. Het is prettig prikkelend, omdat er schijnbaar schaamte- en moeiteloos gespeeld wordt met het “decorum” (het begrip wordt uitgelegd op p. 273-294) dat het profiel en vakgebied van de auteur doet verwachten, zodat kijkende lezers regelmatig verrast worden. Ver in het boek, op p. 250-251, worden zoals mag verwacht worden van een professor kunstgeschiedenis twee werken van Rafaël uit de Stanza della Segnature in de
(pp. 252-255). Maar evengoed wordt een fragment uit Rafaëls School van Athene met daarop de woorden “Invisible Basketballs” gebruikt om het effect van de inbraak via een paratekst (“titulus”) in een meme te illustreren.(p. 135) De gespierde Torso Belvedere (Hercules zonder hoofd, armen en onderbenen, ook in de collectie van de Vaticaanse musea) wordt vergezeld van een oude foto van een nog afgetrainde David Beckham in een (te verkopen) onderbroek van Armani, maar zo belicht dat alleen zijn bovenarmen en bovenbenen, naast zijn sixpack en het voor de herkenning wel noodzakelijke hoofd van de ex-voetballer en metroman, in beeld komen (p. 180). Maar daar horen dan, “bend it like an art historian”, vervolgens briljante linkjes bij naar Titiaan, Rubens, Caravaggio, Jezus Christus en Adam. (p. 180-183). Virtuele influencers prijken niet toevallig bij oude heiligen. De Michelangelo-poes-meme hengelt naar een glimlach bij het citaat uit Michelangelo’s schepping van de schepping van Adam in de Sixtijnse kapel. (p. 168 en 170, ook al in het Vaticaan) En ja, de variaties op L’Origine du Monde van Gustave Courbet (niet in het Vaticaan of op Facebook, wel in Musée d’Orsay, p. 291 en 293) baren zorgen over censuur. In een heel snel evoluerend veld is het moeilijk om te anticiperen op wat in beeld komt via het nieuwe speelgoed (zoals smartphones met bijbehorende apps), maar met de vele Donald Trump-illustraties blijven de voorbeelden in het boek nog wel even actueel. Hoe werkt “Truthiness” in de grote MAGA-doos? De Kleine Prins van
9 Nils-Arvid Bringéus, Bildlore. Studiet av folkliga bildbudskap, Stockholm, Gidlunds Förlag, 1981; N-A Bringéus, Volkstümliche Bilderkunde, Formale Kennzeichen von Bildinhalten, Münster, Callway, 1982; H. Snell, ‘Beeldlore - de studie van beeldende volkskunst’, Volkskundig Bulletin,10:1, 1984, p. 64-70; G. Rooijakkers, ‘Beeldlore tussen oraliteit en verschriftelijking. Een culturele drieëenheid in de vroegmoderne Nederlanden’, in: Theo Bijvoet, Paul Koopman, Lisa Kuitert & Garrelt Verhoeven (red.), Bladeren in andermans hoofd. Over lezers en leescultuur , Nijmegen, SUN, 1996, p. 126-163. Het wordt tijd voor een nieuwe, theoretisch gefundeerde doorstart 332
Antoine de Saint-Exupéry laat toe een doordenker te formuleren waarin een van de hoofdboodschappen van Instagrammable vervat zit: “Beelden zijn niet meer dan een doos waarin je kan denken. Beelddenken doe je niet outside of the box. Het zit inside the box. Het wordt
pas komen, net als het “prototypum”-concept. Het originele aan de aanpak van Jonckheere is dat hij niet alleen heel recente concepten uit de visuele studies, maar liever nog ook heel klassieke woorden naar voor schuift voor opname in de gereedschapskist, zoals
niet bepaald door de contouren van wat je ziet, maar wat je binnen die contouren denkt te zien, of zelfs wil zien”. (p. 89) De auteur van Instagrammable strooit allerlei vondsten rond die als “oneliners” een eigen leven kunnen gaan leiden en inzichten opleveren op de impact van sociale media op verbeelding en beeldcultuur. Zoals bijvoorbeeld op p. 23: “Op Tinder krijgen zelfs blind dates een gezicht”. Of op p. 64 “Fotografie heeft ons immers in een perceptieslaap gesust”. (p. 64) Gewaagd is de suggestie dat een in het Christendom gecultiveerd idee over Gods feilloze creaties, iets te maken zou hebben met de worsteling van sommige mensen met de manipulatie van beelden bij het fotoshoppen. Concepten van de Kerkvaders of uit de Grieks-Romeinse oudheid (bijvoorbeeld van Plato) worden uitgelegd en dan gewoon gebruikt om nieuwe media te begrijpen. Dat levert dan zinnen op zoals “Hoe meer invloed van een enhancement-app of Instagramfilter, hoe groter het simulacrum-gehalte, zou de millennial (kunnen) zeggen. Een selfie zonder make-up en manipulatie hoort thuis in de categorie similitudo”. (p. 74). Het kan nuttiger zijn middeleeuwse of vroegmoderne reflecties hierover te bekijken en te mobiliseren bij onderzoek naar 21e-eeuwse fenomenen, dan heil en oplossingen te zoeken in reflecties van laat 20e-eeuwse auteurs als Baudrillard en Deleuze, zo suggereert Jonckheere. Naast alle visuele spektakel en eyeopeners, schuilt de relevantie voor ons vakgebied (erfgoedstudies/volkskunde of etnologie/ geschiedenis) vooral in de begrippen en modellen die worden voorgesteld en die deel kunnen uitmaken van de gereedschapskist van onze transdiscipline(s). Het attenderende model van de beeldtrias, uitgelegd aan de hand van de Heilige Drievuldigheid, kan van
“eidolon/simulacrum” of “eikon/similitudo” van Plato of “prototypum” van Basilius (5e eeuw) en hoe die verder worden ontwikkeld in de 16e en 17e eeuw. Hij mobiliseert concepten zoals “yegelijcx conversatie” van Johannes à Porta (een soort overtuigend gemiddelde, gedistilleerd uit een uitgebreide observatie via mentale tekst- en visuele gegevensverzamelingen) om het functioneren van AI-algoritmes zoals Dall-E of “face averaging” uit te leggen. En vice versa. (zie p. 115-118). Het boek van A Porta uit 1591 komt ook aan bod in de bespreking van de relatie tussen beeld en object en bij het behandelen van de vraag waarom katholieken eer betuigen aan heiligenbeelden als fysiek object en protestanten niet. (p. 255-257). Hierbij wordt zelfs gesuggereerd dat niet zozeer iemand als de tegenwoordig obligate Walter Benjamin (met zijn theorie over “aura” en reproduceerbaarheid) maar de 16e-eeuwse schrijver, naast auteurs als Bruno Latour, interessanter zouden zijn. (p. 258 en p. 309). Het bijbehorende artikel van Jonckheere zit helaas naar slecht kunsthistorisch gebruik achter een hoge betaalmuur of in een peperduur volume bij Brill. De versie van het boek van Johannes à Porta uit 1591 kan tegenwoordig echter gewoon gratis gedownload worden via Google: “D’Net der beeltstormers, verclarende dat wettelijck ghebruyck der kerckelijcker beelden ende d’onrecht bestormen der seluer: in dry tractaten oft stucken ghedeylt”. De bespreking van de Hodegetria, de naar verluidt door Sint Lucas gemaakte voorstelling van Maria met Jezus (p. 259-260), is een eyeopener; maar ook evengoed de discussies over “digitale botox” of het “frozen face”-effect in en na de COVID-19-ervaring. Jonckheere meent dat er in de 21e eeuw iets bijzonders aan het gebeuren is; daar waar je 333
334
vroeger toegang moest krijgen tot topbeelden (in situ, in musea, in dure boeken van kunsthistorici, …), is de mobiliseerbaarheid van ontelbare beelden via de smartphone een “gamechanger”. In een korte uitsmijter rond details in onder andere de allegorie van
“volkscultuur”’ (zie Peter Burke en anderen) of met waar “beeldlore” in Europa over ging? Met populaire cultuur? Instagrammable biedt een reeks begrippen en tools, waarbij naast de voorbeelden maar vooral ook bronnen uit de Oudheid, de middeleeuwen en vroegmoderne
het zicht van Jan Bruegel de Oudere en P.P. Rubens (p. 264-267) vraagt hij aandacht voor de impact van de reductie tot het formaat van smartphone of tablet (daarbij voorbijgaand aan het fenomeen van ”casten” naar grotere beeldschermen in huis of op kantoor). Veelbelovend zijn de verder nauwelijks ontwikkelde verwijzingen naar recente resultaten in neuropsychologie en andere -wetenschappen, met name het fenomeen van “predictive coding”. (p. 286-288) Hier zitten kansen voor transdisciplinaire brugjes. Het citaat aan het begin van de eerste alinea van deze recensie komt uit een hoofdstukje met de “titulus” #naarmijnbeeld, waar de confrontatie van “Europese beeldcultuur” en beeldculturen buiten Europa in de vroegmoderne periode en de 19e eeuw wordt besproken. (p. 201-214) Interessant is de suggestie dat Picasso (met onder meer Les Demoiselles d’Avignon, p. 209) en zijn tijdgenoten door de confrontatie met andere, niet-Europese beeldculturen, “de kunstgeschiedenis” bevrijd zouden hebben van de idee dat de mens naar Gods beeld is geschapen en ook “van haar genormeerde schoonheid. De brede maatschappelijke beeldcultuur daarentegen miste die trein volkomen. De reclamewereld, die in hetzelfde tijdvak tot wasdom kwam, bleef het ideaal cultiveren, zoals een advertentie voor korsetten laat zien”. (p. 214). Hier opent zich een interessante contactzone en uitdaging vanuit diverse disciplines, inclusief volkenkunde, antropologie, etnologie, volkskunde, geschiedenis, en andere voorlopers en genealogieën van erfgoedstudies, in het bijzonder in het verfijnen van die stelling, zeker in de confrontatie met 21e-eeuwse studie van nieuwe media en cybercultuur. Wat zijn daar dan precies de rollen en de grenzen van “Kunstgeschiedenis” die alvast wel op de trein zou zitten? Wat met
tijd boeiend zijn; ook bij het benaderen van “brede maatschappelijke beeldcultuur” sinds de achttiende eeuw, een repertoire waarvan die Kunsthistorische Beeldcultuur tegenwoordig gewoon onderdeel van zou moeten uitmaken, zeker als ze niet alleen conceptueel (zoals hier speels gebeurt) maar ook buiten de nog steeds gecultiveerde hoge muren van symbolisch en financieel kapitaal (Brill, Brepols, ook Hannibal) zou willen treden. De inzichten en fijne lees- en kijkervaringen van Instagrammable zouden voor iedereen toegankelijk mogen zijn; zelfs al is het intellectueel pittige en uitdagende verwennerij. Maar momenteel is er dan wel een probleem, net geen vijftig euro voor dit werk van klein formaat en harde kaft is overdreven en weinig democratisch. Een zachte kaft is ook okay, en een veel zachtere prijs nog meer. Marc Jacobs
stoelen op historische gebeurtenissen of achtergronden, maar wel tal van losstaande verwijzingen bevatten naar de geschiedenis of naar historische of literaire personages. Ook vele albums in de reeks Nero van Marc Sleen zijn daar het beste voorbeeld van.
NOTERIS Liza (red.), België door de ogen van Suske en Wiske, Antwerpen/Amsterdam, Houtekiet, 2024, ISBN 978 90 5240893 4. Normaliter beïnvloeden stripverhalen de geschiedenis of de literatuur niet, maar omgekeerd zijn literatuur, geschiedenis en actualiteit moeilijk weg te denken in hedendaagse stripverhalen. En dan hebben we het hier uiteraard niet alleen over historische strips, zoals Berten Rodenbach (Jef Nys), De Leeuw van Vlaanderen (Bob De Moor) of het recente D-Day. De strijd om de vrijheid (diverse auteurs). Een variante: zonder een stripversie te zijn van historische feiten of van een literair werk spelen heel wat strips zich af op een duidelijke historische achtergrond of in een historische context: denk maar aan de reeksen Buck Danny (Jean-Michel Charlier, Victor Hubinon e.a.), of Baekelandt (Hec Leemans). Bij Willy Vandersteen is dit schering en inslag: de reeksen Robert en Bertrand en De Geuzen zijn daar een duidelijk voorbeeld van. Maar er zijn natuurlijk ook stripverhalen die niet echt
In de reeks Suske en Wiske, de wellicht langst draaiende naoorlogse stripreeks, vindt men alle mogelijk combinaties. Zij bevat albums die totaal geen of nauwelijks een rechtstreekse band hebben met enig historisch feit of met de toenmalige actualiteit (De circusbaron, Het sprekende testament e.a.): het is pure fictie, zonder enige band met duidelijk gekende feiten of personages uit de geschiedenis of literatuur. Andere gaan min of meer uit van historische feiten, personen of kunstwerken of zijn er sterk door geïnspireerd: De bokkenrijders, De ringelingschat (Wagner), De dolle musketiers (Alexandre Dumas), De dulle Griet, De raap van Rubens, De straatridder (Cervantes), het recente Het ware Witje (Sneeuwwitje) e.a. Het decor of de achtergrond zijn historisch goed te situeren, maar het verhaal zelf is geen pure navertelling van de geschiedenis of van een literair werk. Hoe dan ook, bij nader toezien hebben dus zo goed als alle albums te maken met een bepaald actualiteitsgegeven, verwijzen ze er soms rechtstreeks naar of tekenen er zich duidelijke standpunten of ideeën af over o.a. ecologie, politiek, oorlog, religie, techniek, enz. Daarenboven zie je de strips duidelijk van bepaalde grote maatschappelijke en sociale evoluties volgen, op de tijdlijn te beginnen met de eerste nummers die net na de oorlog verschenen zijn en de meer recente titels. Het boek dat hier voorligt, vertoont heel wat van de aangehaalde aspecten over de relatie tussen strip en geschiedenis, maatschappij, actualiteit en/of literatuur. Het is een verzameling van 13 essays waarin de auteurs – uiteraard fans of kenners van de reeks – soms ietwat nostalgisch mijmeren over de lectuur van hun allereerste Suskes en Wiskes, of waar ze evenzeer zonder meer filosoferen over duidelijke of gecamoufleerde standpunten 335
336
of ideeën in bepaalde albums. De flaptekst formuleert het netjes: de verhalen handelen over een tijdperk “dat de reeks zelf in beeld heeft gebracht. De toenemende welvaart van België? De veranderende manier waarop we naar Afrika kijken? Onze visie op wetenschap,
orde en tradities bedreigt.” Verder herkent iedereen “het underdoggehalte en de schalksheid van Uilenspiegel en geuzen” dat het verzet kenmerkt (p. 38). Gert Dooreman ontleedt op een bijna psychoanalytische wijze de complexe figuur van
het milieu, het katholicisme? Wie bladert door de ‘Suske en Wiske’-albums krijgt meteen de plaatjes door een ingekookte geschiedenis van het naoorlogse België te zien”. Zo mijmert Diane Broeckhoven over de eerste Suskes en Wiskes van de vijftiger en zestiger jaren, met afwisselend bruine en blauwe bladzijden, waarin een vrij traditionele christelijke moraal de hoofdtoon was en vrij traditionele Vlaamse huiselijke taferelen tot de eigenheid van de toenmalige albums behoorden. De aanpassing van de hoofdfiguren aan de evoluerende en dus nieuwe gewoonten en ideeën – andere kledij, politiek, maatschappelijke problemen – hebben haar als lezer doen afhaken. Overigens, hoe dikwijls hebben ook wij al niet gehoord dat de latere albums van Suske en Wiske bij lange niet zo goed zijn als de eerste. Wij moeten waarschijnlijk tot onze scha en schande vaststellen dat een dergelijke opmerking meer zegt over de lezer die ze ventileert dan over de albums zelf. Walter Zinzen wijst op de altijd aanwezige zachte kritiek op de belastingen en op de clichés wanneer het over personages gaat uit Afrika – die natuurlijk constant en enkel communiceren met de tamtam. Die kritiek werd overigens ook al geformuleerd ten aanzien van Hergé. Zinzen wijst ook op De stalen bloempot, een verhaal waar Vandersteen stiekem de koningskwestie in verwerkte. Elke liefhebber van Sus en Wis weet dat de 16e eeuw van de Spaanse/Habsburgse Nederlanden voor Vandersteen een ideaal decor bood voor verschillende verhalen en personages, denk maar aan o.a. de prachtige reeks De geuzen en aan Het Spaanse spook. Vincent Scheltiens ziet er de scherpe symboliek in van de vreemde bezetter(s) van Vlaanderen. Enerzijds zien we de strijd tegen “een kwaad dat de klassieke, grond- en volksgebonden
Lambik, achter wie in feite heel wat karaktertrekken schuilen van Vandersteen zelf. Toch is in deze enige voorzichtigheid geboden: “de gevoelswereld van Vandersteen is aanwezig in al zijn personages”. Hij was “overtuigd conservatief en dat conventioneel gedachtegoed keert terug in alle figuren.” (p. 56). Niemand van de auteurs in deze bundel heeft onderzocht of de opvolgers van Vandersteen dat conventioneel gedachtegoed enigszins hebben verlaten – hetgeen we wel vermoeden. Sarah Van Bouchaute doet nagenoeg hetzelfde met een ander personage, met name tante Sidonie, later herdoopt tot Sidonia. Zij doet haar intrede in de reeks als “brave huismoeder, steeds balancerend op de rand van een zenuwinzinking” (p. 63). Er zit in Sidonie meer van Vandersteen dan we denken, en zeker heel wat van zijn conservatieve clichés: “een knipoog naar zijn eigen moeder, een opvallend maar zedig uiterlijk (geen modieuze minirok of statement spijkerbroek), een beschermende en gezaghebbende ouderfiguur (...) amoureuze verlangens (...) vrouwelijke rol aan het hoofd van het huishouden (...) de ironie rond vrouwelijk ‘hysterisch’ gedrag” (p. 73). In De kadulle Cupido vindt Noami Izabela een feministische Sidonia, maar vooral tal van aspecten die rechtstreeks aansluiten bij de evoluerende jongerencultuur. Het is volgens Izabela overigens ook een titel die jongeren aanzet om hun eigen plaats te vinden in de maatschappij, midden de complexiteit die hen omgeeft. Dokter Erika Vlieghe kon het uiteraard niet laten om het te hebben over de karikaturale medicijnenslikker: Krimson. Op haar bureau hangt een gepersonaliseerde tekening van Paul Geerts, wat uiteraard wijst op het feit dat we hier te doen hebben met een echte fan. Als ze snel haar geheugen scant, herinnert ze zich
o.m. de zieke Nanette in De klankentapper en de griep van Lambik in De Texasrakkers. Als wetenschapper heeft ze veel bewondering voor de teletijdmachine – wie niet? – en de privéhelikopter van de helden: de gyronef. Barabas, tot slot, gedraagt zich altijd als een echte prof:
Schalulleke wordt Schanulleke en het verhakkeld Vlaams van Jerommeke wordt steeds correcter. Toch blijft Maas de stelling hanteren dat de albums van Suske en Wiske Vlaams cultureel erfgoed zijn en blijven, en geen Nederlands – dat zullen ze volgens de auteur van
hij neemt deel aan congressen, blijft alert om problemen te helpen oplossen, enz. Noël Slangen heeft het over de aanvankelijke concurrentie tussen twee reuzen van de Vlaamse strip: Willy Vandersteen en Marc Sleen. Hun beider parcours verschilt al bij al niet zo heel veel. Beiden zagen hun hersenspinsels eerst verschijnen in de krant, aanvankelijk in verschillende kranten, later in dezelfde! Vandersteens eerste albums waren vaak doorspekt met directe en indirecte politieke verwijzingen, maar vanaf de zeventiger jaren zien we dat veel minder en zijn het meer algemene thema’s die verwerkt worden: ecologie, armoede, oorlog, enz. Sleen is evenwel altijd alert gebleven voor meestal fijne karikaturale maar concrete zijsprongetjes naar de Belgische politiek. Naar onze bescheiden mening heeft Slangen het bij het rechte eind als hij stelt dat het zonde is “dat de virtuositeit en de maatschappelijke relevantie van Willy Vandersteens eerste zeventig Suske en Wiskes intussen zijn ondergesneeuwd door de commerciële keuzes die later gemaakt werden (p. 118). In talrijke albums van Suske en Wiske wordt er veel gereisd, eigenaardig genoeg niet met de vroegere Belgische luchtvaartmaatschappij Sabena (toen ze nog bestond), maar wel met KLM. Als er met de auto wordt gereden, dan gebruiken de personages vaak een Ford of een Suzuki. Geert De Weyer meent te weten dat Vandersteen en/of leden van zijn ploeg aankoopkorting konden krijgen bij deze merken. Camera’s zijn meestal van Sony. Dit is, met andere woorden, product placement avant la lettre! Koen Maas kijkt naar Sus en Wis in Nederland en naar het permanente dilemma van de taal van de albums: Nederlands of Vlaams, eventueel Antwerps! De aanpassingen naar een beschaafder taal zijn bekend: Sidonie wordt Sidonia,
deze recensie overigens nooit worden. De taal van Sus en Wis wordt ook even onder handen genomen door Gert Meesters. Van aanvankelijke volkstaal evolueert ze naar een gemakkelijk AN. Deze evolutie gaat overigens gepaard met andere wijzigingen, namelijk het feit dat Suske en Wiske ook sociale promotie maken. Van volkskinderen die zich met eenvoudige dingen bezighouden, evolueren ze naar hippe jongeren die een draadloze tv meenemen naar de camping, die dure vliegreizen maken of die aan paardrijden doen. Merkwaardig is ook dat er een tijdje twee versies waren van de albums: een Vlaamse en een Nederlandse. In deze laatste versie werden aangepaste namen zoals Lambiek en Jeroen gebruikt. Meesters wijst ook op het bestaan van een zeer vroege Franstalige versie (vanaf 1948): Bob et Bobette – naast kort- of langlopende versies in een twintigtal andere talen. De Franstalige versie was overigens de enige buitenlandse versie die wat succes had. Hoe kan het anders of Dirk Draulans fileert de albums op vlak van natuurbehoud, ecologie, dierenwelzijn, enz. De manier waarop Vandersteen wolven in kaart brengt in De lachende wolf correspondeert geenszins met de werkelijkheid en bevat tal van verkeerde clichés – maar het verhaal werkt. Hetzelfde geldt voor Walli de walvis. Hij ziet uiteraard ook nog verschillende andere natuurthema’s, o.a. de ondergang van de bossen in De boze boomzalver, het gebruik van pesticiden in De botte bottaknol en de luchtvervuiling in De ruige regen. Tot slot waagt Walter Pauli zich aan een korte analyse van de soms impliciete maar vaak expliciete sociale thema’s in de stripverhalen van Vandersteen. Natuurlijk zijn de verhalen van de man die uit de Seefhoek komt een soort “volksvertellement” – zoals Willem 337
338
Vermandere zou zeggen – met figuren “van bij ons”. Nochtans evolueren ze, dat hebben ook andere auteurs gezien: hun woning wordt mooier, hun kledij wordt hip, zij gaan op vakantie en maken verre reizen, ze hebben een pc en een gsm. Toch komt er ook in een recent
en voor sommige volwassenen misschien een geruststelling – dat lieden zoals Erika Vlieghe, Dirk Draulans, Walter Zinzen, Noël Slangen en anderen zich in deze bundel manifesteren als notoire lezers van Suske en Wiske, of als fan van de reeks.
verhaal een lege boterhammendoos aan bod. Het is bijzonder moeilijk om een degelijke korte inhoud te geven van dertien tekstjes die allemaal wel over hetzelfde onderwerp gaan, maar die stuk voor stuk een andere insteek hebben. De lezer struikelt bijna over tal van pittige details en originele interpretaties, over nieuwe inzichten in oude verhalen, over interessante en soms verrassende lezersinzichten. Wat evenwel opvalt, is dat de tekst van elk van de bijdragen blijft boeien. Je zou het eigenlijk een page-turner kunnen noemen, hoewel hier geen spannende zoektocht wordt opgezet naar de dader van een misdaad. We gaan van deze bundel geen groot filosofisch of literair-kritisch werk maken, helemaal niet. Maar toch heeft de verzameling teksten die Noteris te boek stelde een grote verdienste. De reeks Suske en Wiske is misschien in de eerste plaats een verzameling verhalen voor kinderen of voor de jeugd, maar ook veel meer dan dat. De lezer – vooral de volwassene dan – die de albums op een intelligente manier leest, vindt er heel wat kritisch materiaal in dat verwijst naar de literatuur, de geschiedenis en/ of de actualiteit. Met andere woorden, de stripverhalen van Suske en Wiske bieden een veel representatiever beeld van een bepaalde werkelijkheid dan men op het eerste gezicht zou durven veronderstellen. Zonder daarom Suske en Wiske te willen verheffen tot wereldliteratuur, is het goed om dat even te benadrukken: een op het eerste gezicht zuiver commercieel stripproduct vertoont ook bepaalde kwaliteiten die men in de traditionele literatuur vindt. Het blijkt overigens dat alerte of “intelligente” lezers, zoals deze die Noteris heeft samengebracht in dit boek, wel degelijk door de plaatjes heen kijken en niet enkel blijven hangen bij de nostalgie van de eerste albums zoals Het eiland Amoras of Het zingende nijlpaard. Het is fijn -
Het genie van dat volksmannetje uit de Seefhoek, Willy Vandersteen, gaat dus duidelijk verder dan dat van een verteller en tekenaar. Vandersteen heeft de wereld rondom hem geobserveerd en erover nagedacht. Maar uiteindelijk kan dat ook gezegd worden van andere groten van de Belgische stripwereld, zoals daar o.a. zijn Marc Sleen, Hergé en Edgar P. Jacobs. Net zoals dat trouwens het geval is voor de avonturen van Blake en Mortimer, “overleven” de personages van Suske en Wiske hun oorspronkelijke “tekenvader”: er verschijnen nog altijd albums van Suske en Wiske en van Blake en Mortimer. En zonder Merho al te willen begraven, zal dat wellicht ook het geval zijn met de Kiekeboes, ook een reeks waarvan de albums vaak heel dicht aansluiten bij de actualiteit en de huidige maatschappelijke evoluties. Het enige wat ik misschien ietwat mis in de bundel van Liza Noteris, is een aantal goed gemikte illustraties uit de albums van Suske en Wiske. Maar misschien was dat auteursrechtelijk moeilijk. Alex Vanneste
oktober 2024 tot januari 2025 in het Kunsthistorisches Museum in Wenen liep, maar tot lang daarna kan ervan gesavoureerd worden dankzij de werkelijke superbe illustraties en vormgeving van dit boek van een armlengte in omtrek. Voor de lezer van Volkskunde zijn
Sabine Pénot (red.), Rembrandt. Hoogstraten. Colour and Illusion, Veurne: Hannibal Books, 2024. 274 p.; ills. ISBN 978-94-6494131-9. € 59,00. Zoals de kaft van dit boek al suggereert, is dit boek van Hannibal een technisch hoogstandje om de visuele erfenis van de 17e eeuw dicht bij de lezer te brengen die tegelijk kijker is. Conform de huisstijl van de uitgeverij is dit andermaal een streling voor het oog. Zo hadden zowel Rembrandt van Rijn als zijn leerling Samuel van Hoogstraten het ook bedoeld. In hun geval hadden hun olieverfschilderijen tot doel om de kijker met alle zintuigen bij het voorgestelde te betrekken. De leerling (Hoogstraten) leerde daarin van zijn meester, en vice versa, want Hoogstraten perfectioneerde perspectief en beweging van lichamen zoals voorgesteld op een plat vlak. Rembrandt gebruikte kleur (gouden tinten) en schaduw om emoties van de geportretteerde tot leven te wekken bij de kijker. Zoals de ondertitel van het boek terecht suggereert, waren zij zich beiden zeer goed bewust dat dat alles niet levensecht is, maar ook dat hun illusie van emoties en zintuiglijkheid wel dat echte zo dicht mogelijk wil benaderen. Het boek is gepubliceerd naar aanleiding van een uitzonderlijke tentoonstelling die van
17e-eeuwse schilderijen vertrouwde voorstellingen van het dagelijks leven omdat de schilders in de Republiek mensen, straten, huisinterieurs, landschappen en werkend leven met grote precisie weergaven. Dit boek suggereert dat daar nog een laag bovenop komt: hoe een kijker van het dagelijks leven te laten proeven met de zintuigen, in het bijzonder met de tastzin en het gehoor. Zie de kaft: door een hand op een mee geschilderde lijst te leggen en de vingers er omheen te krullen, slaagt Rembrandt erin om iets met olieverf gemaakt net echt te laten lijken. Zijn briljante leerling Hoogstraten profiteerde dan weer van de mathematische kennis van de 17e eeuw om realistische diepte te geven aan gebouwen, landschappen en mensen. In tegenstelling tot Rembrandt, die in Amsterdam zijn klanten en inspiratie vond, trok Hoogstraten daarvoor naar het Habsburgse hof in Praag en Wenen. Die kruisbestuiving stelde hem in staat om verder te bouwen op wat hij bij Rembrandt geleerd had. Ook hun onderlinge samenwerking versterkte hij erdoor. De essays in dit boek zijn van kunsthistorici die experten zijn op hun terrein: Habsburg patronage, zelfportretten, de illusie van het kijken, meester-leerling verhouding, historieschilderkunst, perspectiefwerking, de rol van accessoires op schilderijen, de kleur goud, zintuiglijkheid en sensualiteit, astronomie en optica, en de schilderijen van Hoogstraten voor Habsburgs keizer Frederik III. Omdat elk van hen bijdraagt tot het thematische geheel is het veel meer dan een zoveelste reeks studies over een van de beroemdste schilders van de Lage Landen en een van zijn leerlingen. Het boek suggereert namelijk dat de visies van Rembrandt en Hoogstraten om de zintuigen in hun alledaagse werking op een doek te schilderen verregaande gevolgen hebben. De open 339
340
blik van iemand kunnen vangen om als het ware in diens ziel te kijken, maar ook moedeloosheid, verbazing, ontzetting, boosheid, elkaar aandacht geven en ten opzichte van elkaar reageren (met als bekendste voorbeeld de Nachtwacht), het zijn emoties die de
meid’ (p. 171), maar dat is misleidend. Voor Rembrandt was sociale rang geen criterium om iemand af te beelden als hij daarmee zijn overtuigingskunst in de praktijk bracht. De Nachtwacht is niet zonder reden een van de beroemdste schilderijen ter wereld want het
schilders ons kunnen doen geloven. Ze zijn in wezen niet anders dan het andere aspect dat in dit boek ruime aandacht krijgt, geslaagde trompe l’oeil schilderijen die ons een object willen laten grijpen dat echter slechts bestaat als verf op een doek of houten plank. Het zou moedeloos kunnen maken. Als alles illusie is op die prachtige oude schilderijen van het dagelijks leven, wat betekenen ze dan voor ons? De schrijvers van deze essays verstoppen zich niet achter het vaak gebruikte argument dat dat vooral toont hoe goed deze schilders waren. Integendeel, de bundel wil laten zien hoe beide schilders nauwgezet er op uit waren wat zij tegenkwamen in hun tijd voor altijd vast te leggen. Zo is het laatste essay onder meer gewijd aan de schilderij van Hoogstraten uit 1652 met het plein van de Hofburg in Wenen en met als centraal element een gigantische klok boven op het dak van de toenmalige Amalienburg. Niet alleen was die klok in haar tijd spectaculair en een symbool van een tijd die verglijdt, vooral is het op het eerste gezicht eerder banale doek een zeer geslaagde poging om verschillende gezichtspunten met elkaar te verzoenen op een plein waar het wemelt van het volk, zoals in een camera obscura. Zo is Hoogstraten erin geslaagd om de tijd symbolisch te doen stilstaan om ons op dat plein te laten zijn. De schilder gebruikte daarvoor de nieuwste technieken voor lenzen die afstanden overbruggen, die net in de 17e eeuw enorm verfijnd werden. Dat vastleggen van momentopnames deed Rembrandt door zijn geportretteerden lichtjes voorover te laten leunen en hun handen te laten uitstrekken of tegen het lichaam te houden. Meer dan Hoogstraten had Rembrandt bovendien oog voor gewone mensen in die gewone houdingen. Later werden aan die schilderijen titels gegeven zoals ‘de keuken-
brengt de o#cieren en gewapende bewakers van het 2e district van Amsterdam in beeld onder leiding van hun kapitein en luitenant en tegelijk toont het tot de laagste rangen van het korps in hun bezigheid dankzij uitgekiende strategieën van de schilder om beweging en geluid op het doek te simuleren. De kijker zou zo kunnen meestappen in de Compagnie van de Doelen. Met andere woorden, wat Rembrandt en Hoogstraten gemeen hebben is dat zij de reacties van kijkers op hun schilderijen mee verrekend hebben. Ofwel tonen zij een veelheid aan perspectieven, zoals Rembrandt die op een Joannes de Doper die preekt uit 1634/35 (p. 96) letterlijk tientallen manieren weergeeft waarop mensen luisteren (of niet) naar wat de man vol overtuiging te vertellen heeft. Ofwel pogen zij een individu als een emotioneel gemotiveerd persoon neer te zetten, zoals in de zelfportretten van hun beiden, maar ook op vele andere van hun portretten van anderen. Die emotiegeschiedenis is recent heel belangrijk geworden om bezoekers aan musea en, dankzij de beeldcultuur al wie zijn kleine schermpje raadpleegt een toegangspoort te geven om met een heel dichtbij of heel veraf verleden in contact te treden. Of wat visueel te zien is slechts enkele seconden geleden gebeurd is of al enkele eeuwen maakt daarbij niet zoveel uit. Het leggen van een emotionele verbinding met het visuele vergt iets actief van de kijker en engageert die. Precies dat probeerden Rembrandt en Hoogstraten uit door van elkaar te leren hoe dat aan te pakken als schilders. Dit boek is er schitterend in geslaagd om te tonen hoe spannend de 17e-eeuwse schilderkunst blijft en meteen hoe geschikt om ook vandaag te blijven tonen als erfgoed om een directe band mee op te bouwen. Een boek als
dit helpt al wie anderen door dit oude erfgoed wil gidsen om louter door te kijken een nadruk te leggen op zintuiglijkheid en emoties als iets wat steeds weer te ontdekken valt in de omgang met anderen. In dat opzicht is het, hoewel begrijpelijk vanuit een standpunt van tentoonstellingsmakers, niettemin jammer dat er geen essay in het boek opgenomen is hoe het begrijpen van de technieken van deze schilders bijzonder inspirerend kan zijn in erfgoedstudies en voor museumpresentaties. Johan Verberckmoes
Rik Pinxten, Een eerlijke nieuwe wereld, Ertsberg (Standaard Uitgeverij), 2025, 302 p. , ISBN 9789464984330, € 24,95; e–boek € 12,50. In de wereld van de culturele antropologie klinkt de naam van professor emeritus Rik Pinxten (UGent) als een luide klok; hij was onder meer voorzitter van het Humanistisch Verbond Vlaanderen en laureaat van de Arkprijs van het Vrije Woord. Zijn grote specialiteit: vergelijkende religiestudie. Enkele korte beschouwingen in het boek over het verschil tussen godsdienst en religie en wat we moeten verstaan onder cultuur komen overduidelijk uit de pen van de gezaghebbende grootmeester. Vanaf de eerste pagina luidt Rik Pinxten de alarmklok. Het loopt fout met onze wereld. Onze planeet is zwaar ziek en ondergaat de ene ecologische ramp na de andere; steeds meer mensen worden misbruikt door machtigen en rijken; solidariteit lijkt zoek, we leven op onze eigen eilandjes en er zijn altijd minder bootjes tussen die eilanden. Ongelijkheid neemt zien341
342
derogen toe. Het ‘wij’ tegen ‘zij’-denken is populairder dan ooit. ‘Onze’ welvaart wordt bedreigd omdat ‘zij’ naar hier willen komen. Het individu zwaait de plak, niet de gemeenschap. Hoe anders verklaar je dat we collectief beslissen dat de individuele elektrische auto
die het bij de auteur pas ten volle verdient. Onder invloed van o.a. Bruno Latour stelt hij dat de aarde, onze fameuze planeet A (er is geen planeet B), zoals een gemeenschap is geworden. Alles op aarde hangt samen, onze relevante omgeving is een onderling
de individuele benzine- of dieselauto moet vervangen? Waarom kiezen we niet voor een fijnmazig openbaar vervoer? De krachtigste metafoor wordt van bij de start opgediend: denk aan de mensheid als mayonaise: “De mensheid is fundamenteel en diepgaand één … geen olie naast azijn, naast ei.” We bestaan uit verweven componenten – sociaal, economisch, ecologisch. “We moeten samen denken, luisteren en overleggen om te overleven als mensheid.” Alles hangt met alles samen, en leer dankzij leermeester Pinxten heel breed te zien. We moeten stoppen met bijvoorbeeld te denken in termen van ouderwets-primitief versus modern-gesofisticeerd. De auteur gebruikt de notie pluriversalisme: niet ‘het ene’, maar ‘het vele’ heeft waarheidsgehalte. Onze lokale godsdiensten stappen geruisloos mee in – of liggen zelfs aan de basis van – het “wij” versus “zij”-denken. Je hoort tot de onzen of … tot de verkeerde groep. Geen fijn uitgangspunt in een wereld die steeds meer verbonden raakt. Nochtans dragen wij als vertegenwoordigers van deze uitsluitingsgodsdiensten een grote schuld aan wat er met onze planeet aan de hand is. Pinxten hangt op heel persoonlijke wijze, met verhalen uit zijn eigen leven, het boek op aan het uitgangspunt van Pierre Bourdieu: je kan als onderzoeker niet doen alsof je zelf niet ingebed bent in een sociale en culturele achtergrond. De auteur is een kind van de democratisering van het onderwijs. Dat maakt je echter een migrant; je bent niet meer thuis in de sociale woonwijken of de trein naar de fabriek, maar je hoort ook niet tot de elite die vergadert in New York of Den Haag. Pinxten heeft een meer dan globale visie op de wereld en in zijn benadering krijgt de vaak misbruikte term ‘holistisch’ een invulling
geconnecteerd netwerk van krachten, grondstoffen, dieren, mensen, dingen. Dit is de haast spontane visie bij andere volkeren die wij volkomen ten onrechte afschrijven als ‘primitief’. Pinxten verkettert het “economisme, als ideologie van haast onbegrensde competitie en vermarkting”. In lijn met bijvoorbeeld Naomi Klein (No Logo) of Hans Achterhuis waarschuwt hij dat ALLE sectoren van de maatschappij, ook onderwijs en onderzoek, ten dienste worden gesteld van ‘de markt’. Dit leidt tot ecologische rampen, schrijnende ongelijkheid en onwaarschijnlijke verschraling. Niet alleen op menselijk vlak, maar ook bijvoorbeeld qua biodiversiteit. Het boek is een ideologische oproep om te breken met de vervloekingen van het neokapitalisme. We moeten het anders aanpakken. Alles krijgt een plaats in het grote, omvattende linkse schema. De ‘oplossing’ lijkt vooral vanuit een antikapitalistische houding te moeten komen. Dat rijmt bij mij echter niet met de oproep om met alles en iedereen in een open geest te communiceren. Je merkt bitter weinig sporen van een dialoog met wat ik dan maar gemakshalve de techno-optimisten noem. Er is nauwelijks ruimte voor de alternatieve visie, zoals bijvoorbeeld vertolkt door Maarten Boudry. Als ik mij een ironische opmerking mag veroorloven: kritisch zijn is heel belangrijk, zolang het maar in een voorafbepaald (links) kader past. Links is nu eenmaal slimmer, om de titel van het boek van Andreas De Block te parafraseren. Ideologieën bieden houvast, plaatsen de eindeloze stroom feiten, ervaringen, uitspraken in een perspectief en stellen ons gerust. Te geduldig luisteren naar die anderen is echt niet relevant. Niet dat Pinxten oppervlakkige of fantasievol holle stellingen lanceert. Integendeel, de hoeveelheid
feiten, auteurs, beschouwingen en inzichten die Pinxten verwerkt, is indrukwekkend. Maar het doet denken aan statistiek. Grote steekproeven maken indruk. Maar ik verkies een steekproef van honderd mannen en vrouwen boven eentje van 10.000 met alleen mannen
een meerlagige, pluralistische en rechtvaardige wereldordening uit te bouwen, waarin zingeving en spiritualiteit weer plaats krijgen, de natuur als actor wordt erkend en andere kennisvormen (zoals inheemse of niet-westerse denktradities) ernstig worden genomen. Dat
(of vrouwen). Ideologieën tonen veel, maar verbergen ook. Dat zien we bij onze houding tegenover ideologieën waar we niet van houden. Bijvoorbeeld die van Donald Trump of de islam. Van hen valt blijkbaar weinig te leren. De grootste blinde vlek in het boek is ongetwijfeld technologie. Je begrijpt de huidige wereld niet als je niet begrijpt hoe van auto tot iPhone, van Google tot A.I., van containervervoer tot super gera#neerd voedsel, alles vorm krijgt door technologie. Je hoeft die technologie niet te verheerlijken, je kan stellen dat de band met de natuur en je evenmens veel belangrijker is dan de band met je smartphone, maar je begrijpt deze wereld niet als je technologie niet de plaats geeft die ze heeft opgeëist. Sommige argumenten komen uit de wereldvisie van de Navajo-indianen. Boeiend, inspirerend. Maar het effect van de auto, de nieuwste kankerbehandelingen, de marketingcampagnes, het gebruik van big data bij verkiezingscampagnes en uiteraard sinds kort artificiële intelligentie zijn van een andere orde dan het effect van een authentieke kosmologische mythe. Over ‘markt’ krijgt Pinxten geen goed woord uit zijn pen. Minder markt is beter. Degrowth is de slogan van de dag. Het is alsof wij als willoze slachtoffers gedreven worden door manipulatieve kapitalisten om niet meer onze broodjes zelf te smeren en in een brooddoos te stoppen, maar massaal naar Panos of een lokale broodjeszaak te trekken. Alsof een samenzwering van koude ondernemers ons verplicht naar Ikea te trekken. Wat maakt het aanbod in de markt toch zo aantrekkelijk? Waarom kennen de kapitalisten de mens blijkbaar op vele vlakken zoveel beter dan filosofen? Met een boutade zeg ik dan: niet omdat ze eerst nog even Plato moeten herlezen. Die had geen iPad. Pinxten stelt idealistisch voor om via overleg
klinkt heel mooi, maar lees gewoon even Het uur van de wolven van Giuliano Da Empoli. Dan besef je hoe een kleine elite macht hanteert en hoe ontoereikend allerlei oproepen zijn tot meer solidariteit en bezinning. Wie echt verandering wil, zal uit een ander vaatje moeten tappen. Om Mauk Mulder te citeren: als overleg botst met macht, wint macht. Voor wie is dit boek het meest relevant? Als u graag een samenhangend ‘links’ betoog leest om het als mensheid nu eens ‘anders’ aan te pakken, bent u bij Pinxten aan het juiste adres. De openheid op een heel breed cultureel spectrum is een groot pluspunt. Als u een lichte hap verwacht, een pamflet, dan moet u beseffen dat de lectuur van dit boek wel wat inspanning vergt. Zoekt u een genuanceerd beeld, een dialoog met de rationalisten of eco-optimisten, bent u aan het verkeerde adres. Ik vrees met andere woorden dat Pinxten toch vooral preekt in eigen kerk. Maar dat is het droeve lot van zowat alle predikanten. Marc Buelens
343
Het werk geeft in negen hoofdstukken een helikopterblik op de belangrijkste kwesties in archiefonderzoek. De gids vangt aan met vijf hoofdstukken die onderzoekers laten kennismaken met de fundamenten van de archivistiek. Achtereenvolgens bespreekt Eddy Put de
Eddy Put, Archiefsporen volgen. Een inspiratiegids voor doortastende archiefonderzoekers. Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2025, 184 blz., ill.; ISBN 978-94-6270460-2; € 25,00. Aan het slot van zijn academische carrière aan het Rijksarchief, de KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel nam em. prof. dr. Eddy Put de pen op en puurde hij bijna veertig jaar professionele ervaring uit tot een bondige gids. Het resultaat is een boek vol professionele anekdotes en sprekende metaforen, gekoppeld aan heldere adviezen voor historisch (en ander) onderzoek in archieven. Elk van zijn oudstudenten, waaronder ondergetekende, herkent ongetwijfeld meteen enkele passages uit zijn colleges archivistiek. Met dit boek vat Eddy Put die colleges tot de kern samen. Het vormt een uitstekende introductie voor historici en archiefonderzoekers in spe, voor wie dit soort algemene introductie voor het Vlaams-Belgische archieflandschap tot nu toe ontbrak. 344
functies van archieven, de belangrijkste zoekstrategieën, de voornaamste bewaarplaatsen in Vlaanderen, de verschillende wijzen van archiefontsluiting en een typologie van archiefstukken met hun ontstaanscontexten. De volgende twee hoofdstukken vertrekken vanuit het perspectief van de twee populairste zoektochten: zoeken naar personen en zoeken naar plaatsen. De gids gaat daarbij verder dan de typische parochieregisters en kadasterplannen, en reikt ook minder platgetreden paden aan voor de beoefenaars van heemkunde, molinologie, huizen- of familiegeschiedenis. Het negende hoofdstuk focust vervolgens op burgers en onderzoeksjournalisten op zoek naar waarheden en antwoorden. Hier ligt de focus niet zozeer op handvatten aanreiken, maar op de waarde van archieven in, soms emotionele en persoonlijke, zoektochten naar bewijzen. Het hoofdstuk daarvoor ten slotte vormt structureel een vreemde eend in de bijt. Het bespreekt bondig de kansen en beperkingen van audiovisueel archief, zonder te vertrekken vanuit een specifieke doelgroep. Hoewel boeiend en relevant lijkt het inhoudelijk meer aan te sluiten bij de eerste vijf hoofdstukken dan de latere. Doorheen alle hoofdstukken weerklinken twee duidelijke pleidooien. Ten eerste problematiseert Eddy Put de alomtegenwoordige digitale transitie, en dan vooral in de manier waarop we als onderzoekers omgaan met de huidige, hybride archiefwereld. Zo bekritiseert hij de Google-achtige zoekbalk als hét ontsluitingsmechanisme van de toekomst. Zulke omgevingen geven namelijk “veelal – ten onrechte – de indruk dat het volstaat om in het magische zoekscherm een term in te tikken om in een oogwenk alle relevante items in de schoot geworpen te krijgen” (p. 59). Daarbij klinkt het belang van het quasi-heilige principe
om informatie in haar context te houden terecht doorheen het hele betoog, zowel hier als elders in de gids. Over de kansen van de digitalisering heeft de gids echter opvallend minder te zeggen. Artificiële intelligentieprojecten zoals Transkribus, optical character
opduikt in de bacheloropleidingen geschiedenis in Vlaanderen. De grootste hindernis om het boek als handboek of dagelijks werkinstrument te hanteren, is misschien wel het gebrek aan index of verklarende woordenlijst. Daarnaast zijn de vele illustraties bijzonder
recognition (OCR) en geautomatiseerde categorisering worden kort vermeld als “beloftevolle ontwikkeling” (p. 103), gevolgd door een kritische noot die een duidelijk scepticisme verraadt. Ook de problematiek rond digital born archives en de mogelijkheden van big data-analyses met de opkomst van de digital humanities laat deze gids links liggen. In die zin heeft de gids duidelijk meer de romantische, individuele archiefonderzoeker in het vizier en wil hij die behoeden voor de vele valkuilen die de digitalisatie met zich meebrengt. Bovendien levert Eddy Put ook stevige kritiek aan het adres van onderzoekers die zich beperken tot het – eenvoudig te vinden en te raadplegen – digitale materiaal, hetgeen naadloos aansluit bij zijn tweede pleidooi. Een tweede thema doorheen het werk is Puts betoog voor een betere en diepgaandere archival intelligence bij onderzoekers. Al te vaak lopen archiefgebruikers en archivarissen elkaar mis, stelt Put, en deze gids wil die zogenaamde archival divide helpen overbruggen. Onderzoekers moeten inzicht krijgen in de processen van archiefvorming, genresystemen en de contingentie van archiefbewaring. Ze moeten zich archiefbestanden eigen kunnen maken om het op een correcte manier te onderwerpen aan hun onderzoeksvragen. Met deze gids helpt Put hen daarbij alvast een eind op weg. Verspreid doorheen het boek komen diverse concrete tips aan bod voor e#ciënte, maar toch grondige archiefopzoekingen. In dat opzicht vormt deze gids een ideale opstap voor iedereen die met archiefonderzoek wil starten. Het geeft hun het basisvocabularium mee om te begrijpen waar ze terechtkunnen, welke toegangen ze kunnen gebruiken en, via een beknopte literatuurlijst, waar ze zich verder kunnen verdiepen. Het valt dus ook perfect te verwachten dat deze gids de komende jaren
aantrekkelijk, maar zijn ze soms iets te weinig didactisch relevant. Zo verschijnt er bij de bespreking van een inventaris een foto van een reeks zeventiende-eeuwse notulen, in plaats van bijvoorbeeld een fragment uit een inventaris (p. 56). Samengevat is dit werk een ode aan de tragere, doordachte aanpak van archiefonderzoek: “[archiefonderzoek] bestaat uit het geduldig en arbeidsintensief natrekken van alle mogelijke sporen” (p. 152). Eddy Put plaatst daarbij terecht vraagtekens bij het extreme vooruitgangsoptimisme en de beloften van digitalisering, artificiële intelligentie en big data als redmiddelen voor archiefdepots. Anderzijds komt dit pleidooi voor traag onderzoek misschien op een tijdstip waarin archiefwerking en (academische) geschiedschrijving steeds meer onder druk komen van een groeiend eisenpakket. Daarnaast is het werk overduidelijk geschreven met een passie voor onderzoek en archief, met hier en daar een komische toets. De ambitie om zijn colleges samen te brengen tot een aangename, behapbare onderzoeksgids of handboek lijkt me dan ook absoluut geslaagd. Brecht Liefsoens
345
werkelijkheid: de bevolking bleek ofwel niet bereid verhalen te vertellen, ofwel niet (meer) vertrouwd met de traditie, op enkele fragmenten na. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het gegeven dat mondelinge tradities vaak fragmentarisch worden doorgegeven en dat
Ezli Suitela & Vadim Dijkshoorn, De stinkende durian en de slang. Molukse vertellingen, Zutphen, Uitgeversmaatschappij Walburgpers, 2025, 222 blz. + ill., ISBN 978 94 6456 474 7, € 22,50; e-boek ISBN 978 94 6456 475 4, € 11,99. Deze bundel roept bij de lezer gemengde indrukken op. Enerzijds wordt hiermee een waardevolle verzameling Molukse volksverhalen gepresenteerd en in het Nederlands toegankelijk gemaakt. Anderzijds ontbreekt de wetenschappelijke inbedding in aanzienlijke mate. Op de flaptekst wordt gesuggereerd dat de auteurs tijdens hun maandenlange reis door de Molukken vele verhalen ter plaatse hebben opgetekend. Uit de (te lange) inleiding blijkt echter dat dit beeld niet strookt met de
de vertelschat, zowel in Indonesië als in de diaspora, voortdurend evolueert. Uiteindelijk hebben de auteurs hun materiaal voornamelijk ontleend aan eerder verschenen bundels, zoals die van Geurtjens (1924), Jensen (1939) en Lilipaly-de Vooght (1993).10 De flaptekst had in dit opzicht transparanter mogen zijn. De inleiding van veertig bladzijden leest eerder als een reisverslag dan als een academische introductie en draagt weinig bij tot de essentie van de bundel: een geannoteerde verzameling Molukse volksverhalen (waaronder varianten uit de Nederlandse diaspora). Gezien de vermelding dat de auteurs mikten op ministeriële subsidiëring, zou men een steviger wetenschappelijke onderbouwing verwachten. Die ontbreekt vrijwel volledig: er is geen bibliografie, geen kritisch apparaat, en de woordenlijst is uiterst summier. Het project wekt daardoor de indruk enigszins onvoorbereid en op de bonnefooi te zijn aangevat. Ook de terminologische keuze is problematisch. De auteurs spreken herhaaldelijk van “legendes” en “mythes”, terwijl het hier in feite enkel gaat om sagen, fabels en sprookjes. Een eenvoudige raadpleging van de typologische bijdrage van Stefaan Top had hier op een makkelijke manier uitkomst geboden.11 De opgenomen verhalen zijn bovendien hertaald en naar eigen inzicht bewerkt, zodat ze in hun gepresenteerde vorm eerder als literaire herschrijvingen dan als representatieve volksverhalen moeten worden beschouwd. Toch zijn er ook positieve aspecten. De verhalen zijn vlot leesbaar en bieden, ondanks de beperkingen, een inkijk in de Molukse vertelschat. Daarbij wordt duidelijk dat vele
10 P. Geurtjens, Keieesche legenden, 1924; A.E. Jensen, Hainuwele, 1939; N. Lilipaly-de Vooght, Boom vol schatten, Utrecht, 1993. 11 S. Top, Volksverhalen: een kwestie van genres met een eigen boodschap en een aparte vorm, Volkskunde 120/1 (2019), p. 37-51. 346
Koerperwunder Umschlag.qxp_Layout 1 16.02.24 08:16 Seite 1
MICHAEL IMHOF VERLAG
Hg. von Andreas Tacke
KÖRPERWUNDER KLEINWUCHS
Wahrnehmungen, Deutungen und Darstellungen kleinwüchsiger Menschen und die ›Zwergenmode‹ in der Frühen Neuzeit
KÖRPERWUNDER KLEINWUCHS
Die Geschichte von Menschen mit außergewöhnlichen Körpernvan ist in den de letzten Jahren zu eitalenten in “De domme zoon raja”. nem interdisziplinären Forschungsfeld geworden. Kleinwüchsige Menschen haben darin bisher wenig Beachtung gefunden. Dabei übten so genannte ›Zwerge‹ oft einen besonderen Reiz De nur uitgave zou wel baat hebben gehad auf ihre Zeitgenossen aus. Sie galten als seltene ›Wunder der Natur‹, die an mythische Wesen und antike Zwergenvölker erinnerten und ambivalente Reaktionen hervorriefen. Seit dem bij een zorgvuldiger eindredactie. Verspreid 16. Jahrhundert traten kleinwüchsige Menschen als typische Schausteller auf Jahrmärkten auf. Zur gleichen Zeit wurden ›Hofzwerge‹ in ganz Europa zu begehrten Symbolen von fürstlichem Rang und Status, was seinen Niederschlag treft in einer reichhaltigen visuellentaalkundige und kulturellen doorheen het boek men Überlieferung gefunden hat. Die Beiträge des Sammelbandes widmen sich diesem Thema in seinen unterschiedlichen Faslordigheden en merkwaardige formulerincetten und in einzelnen Fallstudien und stellen hierbei vor allem die Wechselwirkungen zwischen kleinwüchsigen Menschen und ihren vielfältigen Repräsentationen in den bildenden Künsten gen aan, zoals “dit aardmens” (31), “dat mens” ins Zentrum. (85), “ik wordt” (125), “Zeven telde het aantal zonen van de raja” (125). Ook de zin “hij stapte met zijn linkerbeen naar voren, draaide met zijn bovenbeen uit en schroefde hem daarna in één explosieve beweging terug” (86) roept bevreemding op. Dat substantieven als been onzijdig zijn, lijkt daarbij over het hoofd gezien, en het gebruik van de onzijdige vorm bij mens geeft een onbedoelde betekenisverschuiving. Conclusie. Deze bundel is voor lezers die op zoek zijn naar goed geconstrueerde verhalen uit de Molukse traditie zonder meer aantrekkelijk. Voor wie echter een wetenschappelijk gefundeerde uitgave verwacht, met kritische verantwoording en adequate terminologie, schiet het boek tekort. Een van de tussentitels luidt kurang tahu, een uitdrukking die, bewust of niet, ook de algemene indruk van deze uitgave treffend samenvat, want wie wat Indonesisch spreekt, weet dat die uitspraak duidelijk twee betekenissen heeft. Paul Catteeuw
IMHOF
IMHOF
motieven verwant zijn aan de internationale verhaalschat. Voor een nadere vergelijking Hainhoferiana Studien zur Kunst- und Kulturgeschichte Schwabens und Europas Band 5 kan verwezen worden naar de bespreking van Theo Meder op Neerlandistiek (10 juni 2025)12. Bovendien doen sommige teksten denken aan bijbelse parabels, zoals de gelijkenis van de
Andreas Tacke (Hg.), Körperwunder Kleinwuchs. Wahrnehmungen, Deutungen und Darstellungen kleinwüchsiger Menschen und die ›Zwergmode‹ in der Frühen Neuzeit. Hainhoferiana, Studien zur Kunst- und Kulturgeschichte Schwabens und Europas, Band 5. Petersberg: Michael Imhof Verlag, 2024. 218 p.; ills. ISBN 978-3-7319-1325-2. 39,95 €. Mensen die achondroplasie hebben, een erfelijke aandoening in de vorming van kraakbeen die tot dwerggroei leidt, weten wat vooroordelen over het lichaam zijn. Vandaag is in historisch onderzoek en in erfgoedstudies het herkennen en erkennen van vooroordelen een heel belangrijke en zinnige methode. Dit boek is er een overtuigend bewijs van en het is bovendien heel fraai uitgegeven met uitmuntende illustraties. Over dwergen in het verleden circuleren altijd dezelfde verhaaltjes. Van de 15e eeuw tot de 18e eeuw waren ze aan vorstenhoven in de mode, in de 19e eeuw waren ze op
12 T. Meder, “De stinkende durian en de slang”, Neerlandistiek, 10 juni 2025: https://neerlandistiek. nl/2025/06/de-stinkende-durian-en-de-slang/?utm_source=chatgpt.com (bezocht op 21/8/2025). 347
348
kermissen tentoongesteld als freaks of nature. In al die periodes zouden ze niet veel meer dan objecten geweest zijn en van hun menselijkheid ontdaan. Pas recent is in het onderzoek de focus verschoven naar de mensen met dwerggroei zelf en hoe zij van hun leven iets
houwwerk en dwergharnassen, gevolgd door twee bijdragen met archivalische gegevens over twee mensen met dwerggroei én fysieke beperkingen die beroemdheid verwierven. Alle bijdragen zijn van Duitse, Oostenrijkse en Amerikaanse specialisten, vooral kunsthistori-
maakten, of ze nu in dienst stonden van een vorst of in een kermisbarak getoond werden. Denk in dat opzicht aan de emanciperende vibe van een Vlaams cabaretier als Willem Boeva. Dit boek draagt mee aan die trendbreuk in het historisch onderzoek door de aandacht te richten op de luxueuze schilderijen die van mensen met dwerggroei gemaakt zijn van de 15e tot de 18e eeuw, hoofdzakelijk maar niet uitsluitend in de Duitse gebieden. Dat is ook voor de lezers van Volkskunde van belang omdat sommige van die schilderijen een rechtstreekse band hebben met de Nederlanden. Mensen met dwerggroei die opgemerkt waren, migreerden immers tussen vorstenhoven. Een beroemd schilderij in het Louvre van de dwerg van kardinaal Granvelle, vertrouweling van Filips II, op zelfde hoogte als een hond, dwergen op schilderijen met aartshertogin Isabella van Spanje of dwergen van de Engelse aristocratie geschilderd door Anthony van Dijck zijn er evenvele getuigen van dat ook in de Nederlanden de zogenaamde dwergenmode aan vorstenhoven en onder de adel in de 16e en 17e eeuw goed verspreid was. Vanuit een erfgoedstandpunt valt er nu net veel winst te halen door niet met afschuw naar die schilderijen te kijken, maar ze te lezen als een bewijs hoe die gewone mensen voor zichzelf een leven uitbouwden tussen de groten der aarde. Dat is waar de verschillende hoofstukken van het boek toe bijdragen. Een opname van een mens met achondroplasie in een van de canons in Nederland en België zou trouwens niet misstaan. Na een eerste hoofdstuk als Vorrede over de biologische gegevens, die suggereren dat naast achondroplasie ook andere criteria zoals leeftijd een rol spelen en dus de museumpresentatie van die schilderijen mee bepalen, volgen negen bijdragen over portretten, beeld-
ci en museologen, becommentariëren eerdere opvattingen en zijn bijzonder goed gedocumenteerd met alle oudere en recente literatuur. Nieuw onderzoek van de schilderijen in kwestie levert telkens verrassende inzichten op. Voor die negen bijdragen komen de volgende personen in beeld en als het relevant is komt de band met de Lage Landen ter sprake. Een portret van rond 1500 van Ritter Christoph, een hofnar van de prins-bisschop van de Pfalz, suggereert dat die kleine man in het portret symbolisch de hoge adellijke rang van zijn broodheer krijgt. Een subliem portret door Van Dyck uit de National Gallery in Washington van Engels koningin Henrietta Maria met haar hofdwerg Sir Jeffrey Hudson suggereert iets gelijkaardigs. Van Dyck was een schilder bij uitstek voor de adel en vorsten en dat hij in diverse schilderijen hun dwergen toevoegt verruimt de blik op de schilder als iemand die oog had voor menselijke diversiteit in relatie tot sociaal hogerop willen, al waren het wellicht de opdrachtgevers die de doorslag gaven om de dwergen op het doek op te nemen. Een bijdrage over de schilder Anthonis Mor (die van het portret van de dwerg van Granvelle), met verwijzingen naar mensen met dwerggroei in de Nederlanden die naar het hof in Spanje gestuurd waren, zoals Miguel Soplillo, wijst op de “fluide zu bezeichnenden Status eindes Hofzwerges” (p. 50). In vele gevallen weten we niet exact wie op de schilderijen voorgesteld wordt en dus is speculatie erover troef geweest, maar de verwarring tussen prinsenkinderen en mensen met achondroplasie leert ons vooral dat sommigen van die laatsten ook uit beeld verdwenen als ze na een eerste fase als kind en jongere van geringe lengte nadien toch bleken te groeien en geen dwergen meer waren. De fluïditeit was er op verschillende niveaus: leeftijd, sociale
status, migratieachtergrond. Een belangrijke collectie van schilderijen over het thema werd bewaard in het Oostenrijkse kasteel Ambras dat aan de Habsburgers toebehoorde. Een dubbelportret (nu in Wenen) van een zeer grote man (Anton Franck) en een zeer kleine
schiedenis te schrijven, en dan blijkt er heel veel visuele en tekstuele documentatie te zijn die nieuw kritisch onderzoek verdient, krijgen zij postuum de trots toebedeeld waarmee zij op de vele portretten verschijnen. Het boek is vooral een geslaagde kunsthis-
(Thomas of Thomele) wijst op een grote fascinatie voor biologische aspecten, van in de 16e eeuw. Het onderzoek van een dwergharnas uit een andere belangrijke verzameling, van het slot Coburg, combineert dat met de materiële cultuur van het harnas die een belangrijke troef is in een museumpresentatie. In de tweede helft van het boek komen mensen met dwerggroei naar voren die een naam voor zichzelf maakten: een Richard Gibson als miniaturist; een Baron Klein aan het Weense hof in de 18e eeuw, een Claus Narr rond 1500 bij keizer Maximiliaan van Oostenrijk, een Matthias Buchinger geboren ‘zonder handen en voeten’ die een uitmuntend tekenaar en kalligraaf was, de honderden dwergen aan Duitse, niet zelden door vrouwen geleide hoven die in dit boek uitzonderlijk goed gedocumenteerd worden met archivalische, materiële en visuele getuigenissen (waaronder ook vele sculpturen) en evenvele getuigen zijn van dwergencarrières waarvan we telkens een kleine glimp opvangen maar die omdat ze aan de vergetelheid ontrukt zijn nog iets laten voelen van de emotionele beroering die die mensen in hun tijd teweegbrachten. Ze waren zeker niet allen Willem Boevas, dat is immers de grote misvatting, dat dwergen enkel voor amusement dienden. Ze hadden vooral zelf een groot aandeel in hoe ze zich een plaats verwierven aan een hof, zoals de (niet geïdentificeerde) kleine vrouw die viool speelt en uit een poppenkastdoos komt zoals te zien op de kaft van het boek. Dat alles is volgens de meeste auteurs in dit boek echter niet zomaar als een inclusief verhaal te duiden, aan het hof bleef de sociale kloof gapen en waren zij “levend speelgoed”, zoals de Poolse dwerg Joseph Boruwlaski in 1788 in zijn in Londen uitgegeven memoires optekende. Maar door waar mogelijk hun ge-
torische, historische en museologische analyse van een grote hoeveelheid bronnen in Duitstalige gebieden. De Nederlanden hadden daar nauwe connecties mee en bovendien ook en natuurlijk met het Spaanse hof, dat hier en daar in deze bundel ter sprake komt, net zoals de Engelse en Franse context. Die Europese blik komt terzijde aan bod in dit boek, maar verdient een uitdrukkelijker perspectief. De migraties van deze mensen bepaalden hun bestaan, met alle gevolgen van dien. Als erfgoed openen de schilderijen, de gravures en de beeldhouwwerken van mensen met dwerggroei een pad naar emotionele verbinding met hedendaagse toeschouwers. De Salzburgse collectie van Günther G. Bauer wordt in op dat opzicht in de bundel toegelicht. Vanuit een inclusief perspectief zijn de mensen met dwerggroei immers vaak met veel respect voorgesteld, goed gekleed, in waardige poses en zo nu en dan met een theatraliteit die eerder frivole humor en ontspanning suggereert dan bitter uitlachen. Neem het minder bekende schilderij van Van Dyck uit privébezit (op p. 73 paginagroot) van Mary Villiers, Lady Herbert, en haar dienstbode Anne Sheppard die de lady onderdanig een handschoen op een plateautje aanbiedt. Sociaal contrast troef dus, ware het niet dat we wisten dat Anne Sheppard (ca. 1625-1707) de echtgenote was van miniaturist Richard Gibson en dat het koppel een eigen reputatie had. Over Anne weten we niet veel meer dan dat ze als dwerg in verschillende adellijke huishoudens diende en dat ze in 1640 of 1641 met Gibson huwde. Maar een respectueus, levensgroot dubbelportret van hen door Sir Peter Lely, een portretschilder die uit Haarlem naar Londen uitweek, bevestigt onmiskenbaar hun status, ze worden er op de manier van aristocraten geschilderd zonder een spoor van spot. Zo is er dus via 349
visuele getuigenissen uit heel verre verledens nog veel winst te halen op vlak van inclusief presenteren van mensen met achondroplasie en aanverwante aandoeningen. Dit uitstekende boek levert voor die insteek prachtige, noodzakelijke bouwstenen. Johan Verberckmoes
Jutta Toelle, Mission durch Musik. Stimmen zu Musik und Klängen in der europäischen Missionierung Hispanoamerikas. Münster: Waxmann, 2024, Musik und Migration, Band 4, 172 Seiten, br., 34,90 €, ISBN 978-3-83094728-8; E-Book: 30,99 €, ISBN 978-3-83099728-3. Een sleutelscène uit de film The Mission (1986) van regisseur Roland Joffé onthult waar het in dit boek over gaat. Een jezuïet in zwart kostuum zet zich een beetje moedeloos neer aan de oever van een beek, moe van het lange reizen in Paraguay, haalt een blokfluit boven en tovert er het mooiste deuntje uit (met dank aan magistraal filmcomponist Ennio Morricone). In de struiken rondom de zwartrok, maar onttrokken aan zijn zicht, zitten getatoeëerde Guaraní met opgeheven speer klaar om de indringer een lesje te leren. Dan voltrekt zich het wonder. De Guaraní worden boterzacht en komen bewonderend naast de pater zitten die even blij verwonderd is. Wat weinigen weten is dat deze scène rechtstreeks uit een boek uit 1743 komt waarin de Italiaanse Verlichte 350
filosoof Ludovico Muratori de lof bezingt van de Paraguaymissies van de jezuïeten. Hoewel zelf geen jezuïet bepleit Muratori net zoals andere toenmalige filosofen (Voltaire incluis) dat de reducties of missiedorpen van Paraguay een succes geweest zijn, onder meer dankzij
de catechismus en geloofsartikelen. Zingen en musiceren hebben minder vertaling nodig dan het gesproken en geschreven woord en dus werd het fors gepropageerd in de jonge kolonie. Pedro de Gante vestigde zijn reputatie door cantares te schrijven, eenvoudige,
de muziekcultuur. Muratori komt hierover op p. 68 in het boek even aan bod, maar de link met de film wordt er niet gelegd. In dit boek wordt het muziekthema in de missies van Paraguay exhaustief behandeld op basis van de gigantische documentatie die de jezuïeten zelf nalieten. De boektitel is trouwens misleidend want ook in Peru en Chili was er een enorme muziekcultuur in de missies, maar daar wordt zelfs niet naar verwezen. De focus op de jezuïetendocumentatie geeft meteen de grenzen van een dergelijke studie: het standpunt van de Guaraní is enkel onrechtstreeks bekend via de jezuïetenbrieven, zo goed als niet dus. Christelijke missionarissen uit de Nederlanden hebben in de soundscape van kolonisatie en missionering in Amerika een niet geringe rol gespeeld. Vaak ging het om lager geplaatste geestelijken van eenvoudige komaf, daarom dat deze studie in de kolommen van Volkskunde vermelding verdient. Bovendien is missiemuziek nagenoeg volledig afwezig in het collectieve geheugen in de Nederlanden omtrent muzikaal erfgoed, ook al omdat de missionarissen migranten waren die vrijwel nooit naar hun land van oorsprong weerkeerden. Al in het eerste hoofdstuk, over de franciscanen in Mexico in de 16e eeuw die nadien de jezuïeten tot voorbeeld waren, is er een hoofdrol weggelegd voor Pedro de Gante (zo is hij beroemd in Mexico), alias Peter van Gent, alias Pieter van der Moere uit Idegem die in opdracht van Karel V christelijke missies in het nieuw veroverde Mexico introduceerde, met groot succes overigens. In een brief uit 1529 laat Pedro de Gante weten dat hij de indianen leert zingen, meerstemmig zelfs en instrumenten bespelen. De religieuze muziek is een van de manieren waarop fray Pedro de jonge elites van Mexico bij het koloniale project betrekt. Ze leren er gebeden mee zowel als
gezongen verzen over kernpunten van de christelijke leer die geënt waren op de eigen gezongen genres van de Mexicanen. Daar is al veel over geschreven en het eerste hoofdstuk wijst wel op de hybride muziekvormen die dat opleverde en de achtergrond van de rijke Azteekse vocale en instrumentale erfenis, maar het boek gaat vooral in op de vraag hoe de muziek met groot succes ten dienste stond van de missies. Dat mede door Pedro de Gante de soundscape (het geluidslandschap) van de missie het resultaat was van muziek mixing (lang voor de 20e eeuw dus) blijft zo onderbelicht. De franciscanen introduceerden hun formule van een religieus geluidslandschap aan het einde van de 16e eeuw ook in Paraguay, maar daar werden zij snel overvleugeld door de jezuïeten die in het gebied tientallen missieposten uitbouwden en uitbaatten. Een opvallend verschil met Mexico, waar de missionarissen enthousiast rapporteerden over de grote muzikaliteit van de Mexicanen, was dat de Europeanen in Paraguay doof waren voor de geluidscultuur van de Guaraní, die zij als naïeve dansmuziek of als chaotisch en des duivels typeerden. In de hoofdstukken 2 en 3, die de kern zijn van het boek, wordt een evolutie geschetst van de resolute afwijzing van die autochtone muziek naar de vervanging ervan door een bijzonder levendige muziekcultuur die Europese jezuïeten onder de Guaraní verspreidden en hen oplegden. Al sinds de studies van de jezuïeten Delattre en Lamalle uit 1947 is bekend dat ordebroeders uit de Nederlanden een hoofdrol hebben gespeeld in het introduceren van koormuziek en instrumentenbouw in Paraguay vanaf de jaren 1620. Het jezuïetencollege in Doornik en het hof van de Aartshertogen in Brussel waren de katalysatoren van die trend. Aanvankelijk 351
352
stond Ignatius van Loyola zeer wantrouwig tegenover muziek omdat die de aandacht zou afleiden van de innerlijke rust als basis van zijn spiritualiteit, maar tegen het begin van de 17e eeuw was het omgekeerde waar in de jezuïetenorde: het was al muziek wat de klok
We moeten het vooral doen met de enthousiaste beschrijvingen van de jezuïeten hoe de muziek doordrong tot in de kleinste kieren van het dagelijks leven in de missieposten. De door de Unesco als patrimonium beschermde architecturale restanten van missies zoals Trinidad
sloeg om een barokke bekeringsdrang uit te dragen, zowel in Europa als op andere continenten. Broeder Louis Berger uit Abbeville en pater Jean Vaisseau waren gevormd aan het Doornikse jezuïetenoviciaat en Vaisseau was acht jaar verbonden aan de hofkapel van de Aartshertogen. In 1616 reisden ze samen met anderen naar Paraguay en brachten er zang en instrumenten onder de Guaraní. Dat deden ze met zo grote ijver dat de provinciaal van de orde Berger uitnodigde om in Tucumán in Argentinië en in Chili hetzelfde te doen, maar daar verliep het veel minder vlot. Het boek stipt deze twee figuren wel aan (p. 81), maar beperkt zich tot de latere lofzangen op hen door collega’s jezuïeten uit Centraal-Europa die in de 18e eeuw de dienst uitmaakten in de Paraguay missies. Dat raakt meteen aan zowel de grote waarde van dit boek als de beperking ervan. De auteur heeft zich door de talloze jezuïetenberichten geworsteld en alle mogelijke aspecten van de muziekcultuur in de missies van Paraguay bovengehaald. Het luiden van klokken, dagelijkse en liturgische gezangen, meerstemmige koren op feestdagen, een groot arsenaal aan snaaren tokkelinstrumenten, het passeert allemaal de revue zoals het uitvoerig opgetekend is door de jezuïeten zelf, hoofdzakelijk in de 18e eeuw. De auteur doorprikt terecht dat het gaat om een zelfbeeld dat de jezuïeten ophangen en niets zegt over hoe de Guaraní dat ervaren hebben. De clichés zijn dezelfde als in het 16eeeuwse Mexico: de kinderen krijgen gezangen aangeleerd en leren instrumenten bespelen en zo onderwijzen ze de oudere generaties als vanzelf in de christelijke leer. De paters reiken de muziekscores aan, hoewel er, ondanks de lyrische beschrijvingen in de jezuïetenliteratuur, nauwelijks documentatie is over geïmporteerde partituren en muziekinstrumenten.
tonen stenen friezen op de muren waarop engelen aan het musiceren zijn (merkwaardig genoeg iets dat onvermeld blijft in het boek of ik heb erover gelezen). Zoals de auteur haar studie concludeert (p. 148-149) is het geluidslandschap van de missies in Paraguay door de jezuïeten gedomineerd en versterkte het hun zelfvertrouwen in de conquista espiritual. Doorheen het boek wijst de auteur erop dat de geluidscultuur van de Guaraní hoofdzakelijk genegeerd is door de jezuïeten (bv. p. 97-98) of alleszins weinig sporen heeft nagelaten. Van een interculturele uitwisseling tussen Guaraní en jezuïeten wordt in de niet weinige studies over dit unieke geluidslandschap wel vaak gewag gemaakt, maar dat gebeurt steeds op basis van de door de jezuïeten zelf verstrekte uitleg. Mede omdat de jezuïetenorde in de jaren 1760 afgeschaft was en haar missieposten moest verlaten zijn een aantal van de getuigenissen die uit die jaren of van erna dateren echter met een grove korrel zout te lezen. Dat gebeurt in deze studie misschien net iets te weinig. De auteur wijst er telkens wel op dat het om een gevleid zelfbeeld van de jezuïeten gaat en bestempelt het herhaaldelijk als een machts- en bekeringsinstrument, maar twijfelt anderzijds niet aan de impact van die muziekcultuur. Nochtans was de muziek in de missieposten gebaseerd op veel meer dan religieuze muziek, was er veel profane Iberische muziek en hadden de Guaraní een eigen stemcultuur. Muziekopnames van de missen van de componist Domenico Zipoli, afkomstig uit Prato, organist van de Gesúkerk in Rome en afgereisd naar Zuid-Amerika, maar er, zoals zovelen, snel door ziekte geveld, suggereren een gemengd, gecreoliseerd muzieklandschap. In maart 2023 is Zipoli’s muziek in de Antwerpse Borromeuskerk te horen geweest, een zeldzaam moment dat dit muziekerf-
goed dat nochtans nauw met de Nederlanden verbonden was geweest even terug in de belangstelling stond. Het verwondert in dat opzicht niet dat het derde hoofdstuk van dit boek lang stilstaat bij het grootste probleem dat de jezuïeten detecteerden. In veel van wat de Guaraní deden zagen zij de duivel aan het werk als een voortdurende bedreiging van hun missiewerk. Dat laat vermoeden dat ook in het geluidslandschap van de missie er veel meer dissonanten waren dan de jezuïeten wilden horen. Ondanks het enorme enthousiasme van de jezuïeten voor de muziekcultuur in hun missie van Paraguay, die tot in de 21e eeuw commentatoren blijft bekoren, lijkt het alsof het ontdekken van het Guaraní aandeel in het geluidslandschap van het koloniale Paraguay nog nieuwe impulsen kan gebruiken, ondanks deze bijzonder stevige gedocumenteerde studie. Johan Verberckmoes
353
126e JAARGANG (2025)
Nr. 2 - 3
Johannes Altenberend, Willy Katzenstein. Belevenissen, ervaringen en houdingen van een Joodse bezettingssoldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog in België
137
Duifje Engbersen, In het web van de maquette
163
Gabriel Harmsen, Traditionele volksmuziek in een polariserend Europa. Een redmiddel voor culturele soevereiniteit?
175
*Marc Jacobs, Gendercorrecties: Titia van der Tuuk (1854-1939)
191
Silke Jacobs & Lamia Kocaman, Wij als intentie: over positionaliteit
255
Katerina Nanou, Gender-Inclusive Children’s Games
261
Jeroen Reyniers, Arnaud Schenkel, Henry-Louis Guillaume, Valentine Henderiks, Olivier Debeir, Lowie Vercruysse & Koen Janssens, Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België
279
*Aholi So & Mark Schep, Bewustzijn, Bekwaamheid en Betrokkenheid: Nederlandse jongeren van Chinese komaf en de continuïteit van erfgoed
295
Recensies
354
Lut Baten, Leila Besharat & Maryam Rahmani, Vertellingen uit de karavanserai (Paul Catteeuw)
319
Bernd-M. Beyer & Dietrich Schulze-Marmeling, Politik im Spiel. Die andere Geschichte der deutschen Fußball-Nationalmannschaft (Henk Mees)
320
Anders Blok, Ignacio Farias, Celia Roberts (eds.), The Routledge Companion to Actor-Network Theory (Marc Jacobs)
322
Anke Brouwers, Een meikeverjaar. Een verzetsgeschiedenis (Björn Rzoska)
326
Ildikó Csepregi, Incubation in Early Byzantium. The Formation of Christian Incubation Cults and Miracle Collections (Hans Geybels)
328
Koen De Temmerman, Julie Van Pelt, and Klazina Staat, Constructing Saints in Greek and Latin Hagiography. Heroes and Heroines in Late Antique and Medieval Narrative (Hans Geybels)
330
Koenraad Jonckheere, Instagrammable – Kunst, beeld en sociale media (Marc Jacobs)
331
Liza Noteris (red.), België door de ogen van Suske en Wiske (Alex Vanneste)
335
Sabine Pénot (red.), Rembrandt. Hoogstraten. Colour and Illusion (Johan Verberckmoes)
339
Rik Pinxten, Een eerlijke nieuwe wereld (Marc Buelens)
341
Eddy Put, Archiefsporen volgen. Een inspiratiegids voor doortastende archiefonderzoekers (Brecht Liefsoens)
344
Ezli Suitela & Vadim Dijkshoorn, De stinkende durian en de slang. Molukse vertellingen (Paul Catteeuw)
346
Andreas Tacke (Hg.), Körperwunder Kleinwuchs. Wahrnehmungen, Deutungen und Darstellungen kleinwüchsiger Menschen und die ›Zwergmode‹ in der Frühen Neuzeit (Johan Verberckmoes)
347
Jutta Toelle, Mission durch Musik. Stimmen zu Musik und Klängen in der europäischen Missionierung Hispanoamerikas (Johan Verberckmoes)
350
www.volkskunde.be
(* Deze artikels doorliepen de procedure van dubbelblinde collegiale toetsing)