JAARGANG 32 | NR 4 | OKTOBER 2019
PANESSAY
FACULTEITSBLAD DER M.F.V. PANACEA
Op weg naar je toekomst Wil je meer weten over werken in het UMCG? Kijk dan op onze website voor de actuele vacatures.
www.werken.umcg.nl
‘Van mens tot mens, in alles wat we doen’. Tijdens je studie ontkom je niet aan dit speerpunt van het UMCG. Deze visie zien studenten dagelijks terug, voor de bachelor studenten in de wekelijkse patiëntcolleges in de blauwe zaal en voor de master studenten tijdens hun coschappen. Het UMCG zet zich in voor het verbeteren van de gezondheidszorg door de verschillende onderzoeksprojecten, onder andere gericht op Healthy Ageing, waar studenten hun steentje aan kunnen bijdragen. Kortom, het UMCG biedt jou de mogelijkheden om je eigen loopbaan te vormen. Universitair Medisch Centrum Groningen Bouwen aan de toekomst van gezondheid
10
27
8
Prof. Progress Test
Thuiszorgcolumn
Liefde voor het vak
Study designs
Van stage tot bijbaan
Met Christiaan Serbanescu-Kele
14
25 Psychedelics
Horrordokters
A brief history of the psychedelic Renaissance
Die wil je niet in het donker tegenkomen!
5
Uit de hokken
Psychedelics
22
6
Commissiepagina
Horrordokters
24
8
Liefde voor het vak
Cocolumn
25
10
Prof. Progress Test
Zorgverzekeringscolumn
26
12
G2020
Thuiszorgcolumn
27
14
Dr. House in de praktijk
Medical freaks
28
16
Fotopagina
Memes
30
18
Medicine in history
Activiteitenkalender
31
20
Onderwijscolumn
Gezondheid is het allerbelangrijkst. Ook op financieel gebied. Paterswoldseweg 813 9728 BM Groningen Postbus 8001 9702 KA Groningen (050) 520 53 00 info@noordnegentig.nl www.noordnegentig.nl
26-09-18 10:18
ONDERTUSSEN AL HARD OP WEG MET JE MEDISCHE STUDIE? Je bankzaken regel je liever in één keer goed, zodat je er tijdens je studie geen omkijken naar hebt. Voor jou is er daarom het ABN AMRO Medisch Studenten Pakket: je eigen rekening mét pinpas en internetbankieren. Je krijgt ook nog eens een Littmann Classic 3 stethoscoop of Bol.com bon ter waarde van €50 euro cadeau! Vraag één van onze medewerkers voor meer informatie of kijk op abnamro.nl/medici.
Uit de hokken
Redactioneel Hoe toekomstbestendig is het beroep ‘arts’? Waarschijnlijk denk je direct: dat zit wel snor. Maar is dat echt zo? Misschien is het echter een kwestie van tijd totdat we onszelf overbodig hebben gemaakt. Kijk maar naar de afdeling Radiologie, die er schijnbaar alles aan doet om er met kunstmatige intelligentie voor te zorgen dat geen mens meer een scan hoeft te beoordelen, maar dat de software binnen enkele tellen een diagnose geeft. Er lopen ook al onderzoeken om smartwatches hartritmestoornissen te laten herkennen; daar gaat het drukke spreekuur op de poli Cardiologie. En hoeveel chirurgen zullen er over honderd jaar nog zijn? Moeten we ons nu acuut om laten scholen tot datamanager? Dat niet per se. Hoewel ik zeker geloof dat bepaalde taken niet meer door mensen zullen worden uitgevoerd, blijft menselijk contact de spil in de zorg. Wie wil nou zijn klachten aan een ‘zorgrobo’ vertellen, die als een lantaarnpaal zonder enige emotie reageert? Als je mensen vraagt wat ze waarderen aan
hun huisarts, dan hoor je vaak niet dat hij zo rap diagnoses stelt, maar dat hij goed kan luisteren of begripvol is. Daarom geloof ik ook dat ons beroep wel toekomstbestendig is, maar dat het wel drastisch gaat veranderen. Als je nu bang bent geworden, dan zit je eigenlijk wel goed bij deze editie van de PanEssay. Verdiep je verderop in dit blad in heuse horrordokters en merkwaardige medische freaks. En natuurlijk de angstaanjagende omslagfoto, maar dat hoef ik jou natuurlijk niet te vertellen.
Van het bestuur Het voelt alsof het jaar nog maar net begonnen is, maar we zijn alweer twee maanden verder. Nu, een paar maanden na de opening van het academisch jaar, lopen er bijna geen ‘verdwaalde’ eerstejaars meer rond. We kunnen terugkijken op een zeer geslaagde introductie; het was prikkelend! Naast de introductie was september ook de maand van de commissiesollicitaties. Na veel sollicitatierondes en een hoop vergader, hebben we de Vrouwe blij kunnen maken met een grote groep nieuwe gemotiveerde actieve leden. Wij zijn als bestuur erg benieuwd naar alle leuke ideeën waar zij mee gaan komen. De hittegolf van deze zomer zit misschien nog vers in ons geheugen, de herfst is toch echt begonnen. Dit betekent dat de benefietmaand alweer achter ons ligt en de bachelorbuluitreiking plaats heeft gevonden.
Verder zitten de eerste twee tentamens van de bachelor er alweer (bijna) op. Ik kan me dus voorstellen dat menig student alweer uit zit te kijken naar de kerstvakantie. Met het beginnen van de herfst, komt ook onze herfstborrel in zicht; schrijf donderdag 31 oktober in je agenda. En als je dan toch je agenda erbij hebt gepakt, schrijf dan ook maar meteen de Medische Carrière Dag op! Die zal dit jaar plaats vinden op zaterdag 9 november en het belooft een super leerzame en leuke dag te worden. Ook kijken wij alweer langzaam uit naar de overdrachtsperiode. We zijn opzoek naar onze opvolgers en zullen die ook hopelijk aan jullie voor gaan stellen op de november ALV. Wil je dus kennismaken met hen, zorg dan zeker dat je aanwezig bent op 12 november.
n. 5
Commissiepagina
RvTeA De Raad van Toezicht en Advies, ook wel RvTeA genoemd, is het adviesorgaan van en voor het bestuur der M.F.V. Panacea. De RvTeA bestaat traditiegetrouw uit vijf studentleden en vijf niet-studentleden. Elk jaar wordt door het huidige bestuur een aantal oud-bestuursleden gevraagd om als studentlid in dit orgaan plaats te nemen, de niet-studentleden wisselen minder vaak. Op deze manier kan de RvTeA het bestuur van gevraagd en ongevraagd advies voorzien over allerlei vraagstukken. Dit advies geldt echter niet alleen
voor de bestuursleden; juist alle leden kunnen bij ons aankloppen wanneer ze iets kwijt willen over de M.F.V. Panacea. De huidige studentleden van de RvTeA zijn Koen Brummel (Commissaris Onderwijs 2017), Marije Hodes (Secretaris 2018), Joris Meijer (Voorzitter 2017), Thomas van Vliet (Voorzitter 2018) en Danny Voortman (Commissaris Interne 2016). Samen zorgt dit vijftal ervoor dat er kritisch wordt gekeken naar het reilen en zeilen van de M.F.V. Panacea en kunnen zij het huidige bestuur bijstaan in advies over lopende zaken. Daarnaast is het ook nog eens een gezellige commissie. Echt waar. De niet-studentleden van de RvTeA zijn dhr. Maat (hoofd Gebouwenbeheer), dhr. Bezema (hoofd Onderwijsinstituut), mevr. Van der Meulen (hoofd financiën UMCG), dhr. Smid (notaris) en dhr. Idzenga (rechter). Mocht je vragen hebben over het een en ander of wil je juist jouw idee met ons delen, laat het ons weten!
PanEssay De PanEssay is hét faculteitsblad van Panacea. Maar liefst vier keer per jaar ploetert de redactie om de Groninger geneeskundepopulatie te voorzien in haar journalistieke behoeftes. Vol toewijding en plezier creëren wij complexe casuspagina’s, intrigerende interviews, eminente essays en soms zelfs magnifieke memes. En wat dacht je van onze voortreffelijke VGT-hulpen, waarin we jou bijstaan in je barre reis naar het volgende niveau. We doen ook nog wel eens een olijke actie, zoals een prijsvraag, of we voegen een anatomieposter toe die jij weer kunt laten zien als bewijs dat je geneeskunde studeert. Dit alles gaat natuurlijk niet vanzelf. De auteurs vervaardigen hun artikelen tot ze Pulitzerwaardig zijn, de eindredacteuren spellingschecken tot ze dt-fouten zelf ook niet meer herkennen en de lay-outers zorgen dat er een gepolijst tijdschrift op je deurmat valt.
6
Als je nu schrikt omdat je de PanEssay niet ontvangt: geen nood. Je kan je eenvoudig en gratis abonneren via Mijn Panacea. Daarnaast zoeken we altijd nieuwe leden. Dus ben jij een geboren schrijver, meesterlijk fotograaf of een grafisch wonder? Stuur dan vrijblijvend een mail naar panessay@panacea.nl.
YR2 De Year Representation is een internationale commissie, dus dan moet je wat typisch Nederlands gaan doen voor je commissieweekend: een weekendje Kaatsheuvel. Voor de ‘roadtrip’ staan de auto en het iconische rode busje al klaar. De trip is gepland door drie van de tien die meegaan, de rest weet niet wat ze te wachten staat. We stappen in, voorin het busje zit een bestuurder die ervan houdt om een beetje tempo te maken. De bijrijder geeft richtingaanwijzingen en zorgt de hele trip voor snacks. Achterin zitten ze met zijn vieren een beetje sfeer te maken, te lachen, dansen en voornamelijk lekker vals mee te zingen met de muziek. In de auto ongeveer hetzelfde: sfeertje achterin, voorin worden de snacks geregeld en wordt ervoor gezorgd dat we de goede kant opgaan. Onderweg stoppen we als een heerlijke Nederlandse familie bij de Mac voor ons
avondeten. Met zijn tienen voor het bestelscherm één voor één uitzoeken wat we willen eten. De meesten hebben ondertussen wel door waar we heen gaan, van tevoren waren er al wat hints gedropt. Een paklijst met een paar elfjes erop en we zouden in Nederland blijven. Twee identieke blokhutjes op de hei, het is al donker als we aankomen dus de omgeving valt bijna niet te zien, maar het voelt goed. De kamers worden verdeeld en we zijn klaar voor een gezellige avond. Er zijn spelletjes, er is wat te drinken en goede gesprekken volgen. De volgende morgen is het vrij vroeg, maar het ontbijtje staat alweer klaar, volledig verzorgd door mensen die wel ’s ochtends uit hun bed kunnen komen. Eitje, vers gebakken broodjes en heerlijke warme koffie en thee. Een half uurtje rijden en dan zijn we er: de Efteling! Nu is het tijd voor het echt inburgeren van onze non-Dutchies.
MCD Wij zijn de Medische Carrière Dag Commissie 2019! Met zes vrouwen en één man sterk doen wij ons best om jou een stapje in de juiste richting naar jouw droombaan te helpen. Met al onze creativiteit, enthousiasme en liefde organiseren wij op zaterdag 9 november de MCD. Deze dag, gevuld met allerlei interessante lezingen en leuke workshops, staat in het teken van jou en je toekomstige carrière als arts. Aan ons de taak om de dag zo gevarieerd en verrassend mogelijk te maken! We zullen ons even aan je voorstellen: Het voorzitterschap is dit jaar toevertrouwd aan Dagmar. Ze lijkt de orde in de commissie aardig goed te onderhouden. Iemand die nog beter is in het bewaren van de orde is onze capabele secretaris Jeske a.k.a. Buijs. Het geld wordt dit jaar bewaakt door onze penningmeester Daphne. Florine is dit jaar verantwoordelijk voor de invulling van de dag. Gelukkig staat ze er niet alleen voor en is Atousa er om samen een topprogramma in elkaar te zetten. Het schaapje in ons midden is Jeske a.k.a. Friet. Zij is dit jaar verantwoordelijk voor het binnenhalen van sponsoren. De testosteronbom in
ons midden is Menno. Als jongste (en tegelijkertijd ook oudste) van de commissie is aan hem de taak om jullie allemaal naar de MCD te lokken. Wij hopen jullie allemaal te zien op zaterdag 9 november, het belooft een topdag te worden!
7
Christiaan Serbanescu-Kele
Liefde voor het vak De anatomie van een docent Een aantal van u zal het misschien al hebben gemerkt. Sommigen met blijde opluchting, anderen wellicht met een traantje van verdriet - en ongetwijfeld zullen er ook velen onder u zijn die het geen snars kan schelen: mijn dagen bij de anatomie zijn voorbij. Ik ben verhuisd naar een afdeling intensive care en mag daarom voor eens en voor altijd mijn onverbloemde mening over het docentschap, over u en over uw opleiding ten gehore brengen. Wat zal het worden? Een langdradig relaas over de ins en outs van het faculteitsleven? Een sentimenteel betoog over hoe ik nu al het contact met al mijn pupillen mis? Of komt nu alle cholecystokinine vrij die ik de afgelopen jaren heb opgehoopt, waardoor mijn gladde spierweefsel zich nu spastisch zal samenknijpen om liters gal te spuwen op de pagina’s van deze column? U zult het verderop lezen. Universitair docent worden in dezelfde wandelgangen en collegezalen waar ik luttele jaren eerder zelf als student rondwaggelde, was een unieke gewaarwording. De grap is dat het niet per se de nieuwe rol an sich was, die van leraar, waar ik als beginnend docent aan moest wennen - al was het de eerste keren wel onwennig om opeens schouder aan schouder te staan met dezelfde docenten die mij jarenlang les hadden gegeven. Nee, het gekke was - en is - vooral de betrekking van mij als docent met u, de studenten. Die is een klassieke haat-liefdeverhouding, omdat ik zoveel trekjes van mezelf in u kan herkennen.
De liefde Ik kan mij nog de colleges en practica anatomie uit het eerste jaar herinneren. Ik weet precies nog welke onderwerpen me grepen, welke ik moeilijk vond om te begrijpen, en welke me - meestal onterecht - aan mijn anorectale kanaal konden roesten. Ik snap daarom uw enthousiasme, wanneer u steeds meer leert over de opbouw van het menselijk lichaam, maar ook uw glazige blikken, als ik het weer eens over dubbellagen en (in uw ogen obscure) embryonale structuren heb. Juist omdat ik u begrijp, is het machtig mooi om kwartjes te zien vallen, al helemaal wanneer dat gebeurt bij onderwerpen die ik zelf een paar jaar geleden moeilijk vond, pas veel te laat ben gaan begrijpen en daarom nu bewust anders aan u uitleg. Studenten, ik houd van u.
De haat Maar ik herken ook wat anders aan u allen. Vooral de keuzes die worden gemaakt: een avondje met vrienden stappen, of voorbereiden voor het anatomiepracticum? Ach, dan morgen maar als een volstrekte tabula rasa komen opdagen, het wordt toch wel uitgelegd. Tien minuutjes eerder weg van huis, of eerst
8
dit kopje koffie opdrinken? Ach, dan kom ik maar luid kloppend, met piepende deuren binnengestruikeld terwijl het practicum al is begonnen en er speciaal voor mij gepauzeerd moet worden in het introductiepraatje. Het magische virtuele apparaat genaamd Google gebruiken om een Latijnse term te vinden? Ach, ik doe gewoon het Engelse, want die docent geeft toch een vertaling op het tentamen en de kliniek is nog ver. Ooit was ik, wat velen onder u nu zijn: on-ver-zette-lijk lui. Tenminste wat de anatomie betreft - bij het studeren op mijn prachtvak geeft een groot deel van de (vooral jongerejaars) studenten blijk van een uithoudingsvermogen dat nog het meest te vergelijken valt met de aerobe sportprestaties van een COPD-patiënt (Gold-klasse IV) met claudicatio intermittens, angina pectoris en ernstig linkerhartfalen. Om als de docent voor de achtendertigste keer op een dag hetzelfde basale concept zit uit te leggen omdat weer iemand het heeft vertikt om voor het practicum een boek open te slaan, moet hij wel een zenmeester zijn om een glimlach op het gezicht te houden. Studenten, juist omdat ik jullie begrijp, is van jullie houden soms toch verdraaid moeilijk.
Het curriculum De meerderheid van diegenen onder u met wie ik over ons curriculum heb gesproken, vindt dat er wel erg weinig aandacht overblijft voor de oude, trouwe anatomie en fysiologie. Of dat terecht is, weet ik niet - ik ben slechts een eenvoudige ziel die het onderwijs uitvoert en heb nooit meegedraaid aan de knoppen. Feit is dat vooral één ding u niet meezit: het gebrek aan basisvakcolleges. Het lijkt mij praktisch onmogelijk om een goed begrip te krijgen van het interieurdesign van ons lichaam, zonder dat we iemand hebben die ons de samenhang der dingen kan vertellen. Wat we dan
krijgen, is in het beste geval regurgitatie van feitelijkheden (welke spieren hechten er aan de pes anserinus? Welke coronairarterie verzorgt in de meeste gevallen de AV-knoop?), maar voor zover je daar al iets aan hebt, zijn dat nou juist de dingen die u drie weken na het tentamen alweer bent vergeten. Nee, de anatomie leert men niet door feitjes te stampen, maar door begrip: en daarvoor heeft men - mijns inziens - tenminste veel meer ouderwetse colleges nodig. Deze zouden u daarnaast ook een heel eind helpen met het eigen maken - en begrijpelijk uitspreken - van de Latijnse benamingen. Bent u dit met mij eens, en heeft u het gevoel dat uw incidentele anatomiecollege u veel helpt: schrijf dit vooral op bij de evaluaties van uw blok!
Anatomie is broodnodig Vroeg of laat, maar zeker tijdens de coschappen, schrikt bijna iedereen van zijn of haar hoeveelheid parate anatomische kennis, bijvoorbeeld na in de kliniek te hebben gemerkt dat hij of zij nog geen onderbeen van een schildklier kan onderscheiden. Opa vertelt: dat was in mijn tijd precies zo! Al kregen we meer anatomische practica, waren er colleges en kregen we zelfs een beetje herhaling in de stof. Net als u werden wij uitgelachen door de chirurgen, omdat we zelfs vuistdikke structuren maar zelden konden benoemen; net als u vonden wij dat er veel, maar dan ook veel te weinig anatomie werd onderwezen! Het gevoel dat de algemene anatomische basiskennis langzaam op een steeds lager plan komt te staan, is dus iets dat al bestond ver voordat de huidige probleemgestuurde onderwijsmodules (waar op zich weinig mis mee is) aan iemands hersenpan zijn ontsproten. Veel meer dan een probleem van het huidige curriculum lijkt de aftocht van de anatomie in het medisch onderwijs een probleem van de huidige tijdsgeest te zijn. Sterker nog: uit een kort literatuuronderzoek blijkt dat het probleem wereldwijd is: omdat er steeds (vaak heel belangrijke!) meer nieuwe zaken in curricula worden gestopt, blijft er (onder andere) voor de anatomie steeds minder tijd over.
kunnen garanderen. Ook ik heb in mijn korte medische carrière tot nu toe al mogen zien hoe collega’s fouten hebben gemaakt, zoals het missen van handletsels of het doorsnijden van zenuwen, doordat ze hun anatomie domweg niet goed genoeg kenden. En als dit probleem in omvang werkelijk toeneemt, is dat wel een beetje zorgelijk. Natuurlijk zijn er zaken naast de anatomie, die aandacht nodig hebben in het geneeskundecurriculum. Natuurlijk leven we in de 21e eeuw, verandert ons vak in rap tempo en kunnen we steeds meer feitjes snel even opzoeken. Natuurlijk zijn soft skills als communicatie in de geneeskunst ongelooflijk belangrijk en is het goed dat we er meer aandacht aan zijn gaan besteden. Maar zelfs de meest empathische dokter staat bij zijn patiënt met zijn mond vol tanden als hij niet op een brede, vaste basiskennis kan leunen. En daar hoort een goed begrip van de anatomie als basisvak, ook in 2021, gewoon bij.
Succes! Nu u door bovenstaand verhaal heen bent gekomen, rest mij niets anders dan u succes te wensen in uw carrière! Of u nou net begint, of al bijna klaar bent: u heeft gekozen voor het mooiste vak ter wereld. U zult elke dag nieuwe dingen leren, bijzondere verhalen tegenkomen. Voor mij bent u een bron van deze bijzondere verhalen geweest, en heeft u mij dingen geleerd - onder anderen over mijzelf. Het was een eer om onderdeel uit te mogen maken van de bewegwijzering langs uw pad naar uw glansrijke toekomst. Ik wens u alle succes van de wereld!
Disclaimer: auteur is momenteel niet verbonden aan de vakgroep Anatomie en schrijft bovenstaand stuk op persoonlijke titel.
“Slechts 30% van de AIOS beschikt over voldoende anatomische basiskennis” Het lijkt erop, dat we het resultaat al beginnen te merken. Ik heb voor Nederland geen cijfers, maar het is frappant dat in Engeland sinds 1995 het aantal anatomiegerelateerde medische fouten die tot een veroordeling hebben geleid bij de tuchtrechter zeven keer over de kop is gegaan. In Amerika worden anatomische kennishiaten als significante oorzaak van voorkombare sterfgevallen in het ziekenhuis genoemd, en geven opleiders van chirurgische specialismen aan dat slechts 30% van hun AIOS over voldoende anatomische basiskennis beschikt om veiligheid te
9
Thomas van der Korst
Prof. Progress Test The world of study designs You know those types of questions during the Progress Test where you start reading them and you think: “Hmm… Case-control… Randomised control… I kind of think I recognise some of these words,” but then when you finish reading the full question you are like: “Wait, what?”. Then there is a good chance that you have been confronted with a question about study design. Those of you who have not spent an ungodly amount of time in the Junior Scientific Masterclass programme (for that good resume juice) will probably not really have a good idea of what that entails.
Therefore, as a veteran of the JSM extracurricular programme, I will enlighten you with the science, nay, the art of study design (and help get a few extra points on your next Progress Test). Afterwards, I will attempt to navigate some of the most common biases in research which are sometimes asked about on these tests. This article is best read in conjunction with the Professor Progress Test about statistical tests in a previous edition of the PanEssay.
Descriptive studies The name ‘descriptive study’ is pretty descriptive. Namely, they describe something and do not prove anything. An example of a descriptive study is the case report/series in which a single interesting or a series of interesting patients are reported. For example, a drug which is traditionally not givenb is given experimentally and it is surprisingly effective. If we ignore the obvious ethical issues with thisb it could be the basis of a larger study, but in itself proves nothing scientifically. Therefore as you can surmise, there is very little here on which questions could be based on for the Progress Test.
Analytical studies Again we have a pretty descriptive title. Analytical studies, quite fittingly, analyse. In other words, you can draw a conclusion based on this type of study. You usually start with an idea, for example: if you smoke then you have a higher chance of developing a lung tumour. Or, for example: if you eat apples then you have a lower chance of crashing a chopper into a cliff wall. The former example is a bit easier to work with, so for the examples of analytical study designs I will keep referring to this concept. This is the type of study which produces the famous ‘risk factors.’
10
Cross-sectional studies This is the most simple analytical study (and I personally think it could also be classified as descriptive). In this type of study you record a group of people and ask if they smoke and figure out if they have lung cancer. Then you put that in a table. Now you know that this many smokers have lung cancer and that many do not have lung cancer. However, you do not know if the lung cancer is caused by smoking, maybe it is actually because more people who work in the radioactive waste industry smoke. Therefore, you are not allowed to say that smoking causes lung cancer, but you ARE allowed to say that more smokers have lung cancer (in the studied population).
Case-control studies
Lead time bias
The case-control study design is the bread and butter of articles about how peanut butter decreases the risk of heart disease and how drinking a glass of wine each day is somehow healthy or unhealthy depending on the weather. In this design, you take a group of people with lung cancer and a group of people without lung cancer. Then, you start figuring out if they have been exposed to, for example, smoking or working radioactive waste management. This is usually done by looking at a database, going through past records of patients. You are allowed to say that smoking and/ or a profession in radioactive waste management could increase the risk of lung cancer.
Lead time bias is actually not really a bias of study design, it is actually a bias caused by screening programmes. These programmes usually also serve as epidemiologic studies themselves so I feel justified including this type of bias. Imagine you want to screen people for lung cancer and you use an MRI to do this (actually a terrible idea but do not worry about it). You find A LOT more people than you expected based on previous epidemiological studies. After a while, no more people are actually dying of lung cancer than before. What happened? Well, you just found a lot of cancer before it became symptomatic, which is when most people go to the doctor. So these people were found ahead of time but still have the same cancer as before. Therefore it seems there are a lot more people with lung cancer, but it is actually the exact same number as before. So it gives them bad stats.
Cohort studies The cohort study is the best way of figuring out if smoking causes lung cancer, but it is also massively expensive and time-consuming. You take a big group of people and ask them if they smoke. Then you wait and keep asking them if they develop lung cancer. Then at the end, you can tell who developed lung cancer and who did not. This way you can say pretty accurately that smoking makes you that many times more likely to develop lung cancer. But again, this takes many years and many euros to find out. Usually, only governments can really afford to conduct this type of study on a big scale.
Length time bias In the same sphere of bias as the lead time bias, the length time bias is mostly a problem in screening. Your screening programme only measures the existence of cancer at one timepoint. If every type of cancer was the same this would be great, however, some are very slow, some are very aggressive. This means that many aggressive forms of cancer are missed in this programme because they either have already died or the cancer has not developed yet.
Controlled studies Have you ever wondered if eating an apple a day keeps the herpes away? Well, prove it! If you are able to do it, you will make a lot of money but proving it also takes a lot of money. The most logical way to prove this is by giving one group of people an apple a day and give none to another group. Then you compare the number of people who still have herpes after this apple a day therapy with the number of people with herpes who did not have this ground-breaking new treatment. Generally, results are quite disappointing, which is especially frustrating for the researchers. The best way to ensure that the results are most reliable is by randomising the group that gets the apples and the group that does not get the apples. This makes sure that people with worse herpes are not getting more apples than those with less severe herpes. This makes sure the researchers cannot influence the results by selecting healthier patients for the treatment which makes the treatment look better.
Biases There are many types of biases and many of them are pretty common sense. But a few of the less intuitive ones keep showing up on Progress Tests, so I will quickly go over some of them.
11
Chris Lenselink
G2020 The good, the bad and the ugly? In 2015 keek de PanEssay vooruit naar het destijds nieuwe bachelorcurriculum G2020. De conclusie was toen dat de intenties goed waren, maar dat studenten feedback moeten geven, docenten correcte informatie moeten meedelen en dat ontwikkelaars zullen moeten blijven reflecteren. Nu, vier jaar later, is het tijd om terug te kijken en te evalueren of de zorgen van toen zijn weggenomen. G2010 Het is goed om eerst maar eens te bekijken wat G2020 nou eigenlijk verving. Het bachelorcurriculum voor G2020 heette, niet geheel verrassend, G2010. Elk jaar in dit programma bestond uit vier blokken, waarin de stof besproken werd door middel van hoorcolleges, patiëntcolleges, werkcolleges en tutoronderwijs. Dit alles werd getoetst in meestal twee tentamens. Hiernaast liep de lijn professionele ontwikkeling waarin ruimte was voor bijvoorbeeld wetenschappelijke vaardigheden. Ook was er keuzeonderwijs.
de toetsing. Echter, halen veel studenten het eerste jaar. Daarbij moet je wel rekening houden dat geneeskundestudenten vaak gemotiveerd zijn en er al streng geselecteerd is. Opvallend is zeker dat tijdens G2010, de RUG hoger op de lijst stond. De Nationale Studentenenquête bevestigt dat de studenttevredenheid lager is dan gemiddeld, 3,8 op een schaal van 5, tegenover 4,2 landelijk. Daar staat tegenover dat de Groninger studenten liefst 10%-punt vaker dan gemiddeld hun WO-diploma behalen. Ook zijn er meer contacturen. Gemengde berichten dus.
G2020 Dan nu waar het allemaal om draait: G2020. Vergelijkbaar met G2010 zijn er patiëntcolleges, werkcolleges en tutoronderwijs. De toetsing verloopt echter anders. Elk semester is ingedeeld in thema’s, bestaande uit onderwerpen die tot in zekere mate samenhangen. Elk thema duurt drie of vier weken. Dat betekent dat er dus elke maand een tentamen wordt afgenomen. Voorts wordt er cumulatief getoetst. Dat wil zeggen dat je voor elk tentamen ook weer de stof van het vorige thema moet kennen. Oeps. Het equivalent van de lijn professionele ontwikkeling zijn de vakken competentieontwikkeling, gedoceerd in de zogenaamde Learning Communities, LC’s. Elk van de vier LC’s richt zich op een breed, al dan niet specialistisch deel van de geneeskunde. De ontwikkeling wordt getoetst via het CanMeds model. Elk thema wordt er aan een taak gewerkt, waarin twee competenties op een driepuntsschaal worden beoordeeld. Tevens is er nog profileringsonderwijs.
De cijfers Objectief gezien gaat het nait zo best. In de Keuzegids van 2018 behaalt Groningen een gedeelde laatste plaats met een score van 52 op een schaal van 100, waarbij de hoogste score van 70 wordt gehaald door Utrecht. Groningse studenten zijn vooral kritisch op
12
Het aantal aanmeldingen is niet erg veranderd en schommelt rond de 1400. Met plaats voor zo’n 410 studenten blijft het dus een populaire studie.
Wat gaat er goed? De rest van dit artikel gaan we doen via de alom geprezen methode van Pendleton, dus eerst kijken we naar de positieve punten. Een belangrijke verbetering is het geven en ontvangen van feedback geweest. De jaarvertegenwoordigingen spelen hier een belangrijke rol in. In de semesterverslagen worden alle colleges en practica geëvalueerd, en worden er verbeteringen voorgesteld aan het semesterteam. Bij het bekijken van deze verslagen zal het men opvallen dat er al aardig wat verbeteringen zijn geïmplementeerd. Een veel gehoord pijnpunt is dat er te weinig colleges zijn. De introductiecolleges worden vaak geduid als te veel of te kort, en de kwaliteit van de klinisch redeneren colleges varieert sterk met de docent. Er is echter al een hoop veranderd in de afgelopen jaren. Zo zijn er de colleges van Capita Selecta voor extra uitleg. In jaar drie wordt gewerkt met Meet-the-expertsessies waarin meer hands-on informatie wordt gegeven, en klinisch redeneren wordt hier zo ingericht, dat de studenten (onder begeleiding) een casus presenteren.
Voor het bestuderen van diverse onderwerpen zijn er zogenaamde Versatests, digitaal leermateriaal. Dit is vooral handig bij histologie en sommige ziektebeelden. Sinds het begin van G2020 zijn er veel Versatests bijgekomen, waar veel studenten blij mee zijn. Ook wordt het tutoronderwijs veel geprezen. Het is een zeer geschikt moment om actief met de leerstof om te gaan, waarbij je ook leert om goede presentaties te geven en te discussiëren. Het is een echt moment om te laten zien hoeveel kennis je in huis hebt, wat studenten dus vaak ook motiveert om de stof op tijd gelezen en verwerkt te hebben.
“De meeste colleges worden als nuttig en interessant ervaren” Wat kan er beter? Zoals ook in de Keuzegids vermeld, zijn studenten tamelijk kritisch op de toetsing. Sommige thema’s bevatten niet bepaald samenhangende onderwerpen, waardoor je op een toets zomaar vragen kan hebben over orthopedie, gynaecologie, hematologie en als je geluk hebt, ook nog wat geschiedenis en statistiek. Dat maakt het studeren nogal lastig. Cumulatief toetsen betekent ook dat je voor sommige toetsen feitelijk 1000 pagina’s moet kennen. Yikes. Hoewel tutoronderwijs veel geprezen wordt, is er ook kritiek. Voor het gros vinden deze lessen plaats van 18:00-20:00, en daar heeft natuurlijk niemand zin in.
De kwaliteit van de gegeven presentaties verschilt ook nogal: de een leest een halfuur UpToDate voor en de ander heeft vijf steekwoorden van Wikipedia overgenomen. De casussenen die ontworpen zijn voor deze lessen zijn vaak oppervlakkig en bevatten open deuren.
“Er is nog winst te behalen bij bijvoorbeeld het anatomieonderwijs” Hoewel de meeste colleges als nuttig en interessant worden ervaren, is dat zeker niet altijd het geval. De Engelse patiëntcolleges schieten er nog wel eens bij in als er een patiënt is die slecht Engels spreekt en niet alles goed vertaald wordt. Unfortunately peanut butter als je net een maand in Nederland bent. En dan waar Groningen berucht om is: het anatomieonderwijs. Met een beetje geluk is er eens per maand een practicum van twee uur waarbij je helemaal los kan gaan zodat je het verder maar kan uitzoeken. Dit wordt opvallend genoeg bevestigd door de anatomiedocenten, die aangeven dat ze meer tijd voor anatomieonderwijs willen.
Wat is het leerpunt? G2020 is zeker niet perfect, maar wel verbeterd sinds de invoering. Er zijn meer mogelijkheden voor feedback en daar wordt ook wel naar geluisterd. Zo is het aantal contacturen wel degelijk verbeterd. Er is echter nog wel winst te behalen bij bepaalde onderwerpen zoals anatomie.
13
Arno Bourgonje
Dr. House in de praktijk XII Een curieuze kater Tijdens je klinische stages komen al die dozijnen anemische automonteurs, hoestende huisschilders en wegrakende wetenschappers je allang de conchae uit, waardoor een bijzondere casus een welkome uitdaging kan zijn. Een casus met een ronduit interessante diagnose. In deze editie presenteren we weer zo’n casus, met een diagnose die zich doorgaans niet vaak laat stellen…
Een 19-jarige vrouw komt op het spreekuur van de internist vanwege een sinds twee weken bestaande zwelling in de rechterlies.
Zwelling in rechterlies.
een erythemateuze bedekking. De overige lymfeklierstations leveren geen afwijkende bevindingen op. Op het rechteronderbeen wordt daarnaast een pijnlijke, rood-roze papel gezien van enkele millimeters groot en met enige korstvorming centraal. Bij navraag bleek de laesie te zijn ontstaan door een krab van haar kat.
Anamnese
Aanvullend onderzoek
Mw. Bakker, 19 jaar, komt op het spreekuur van de internist vanwege een zwelling die zij enkele dagen geleden had bemerkt in haar rechterlies. De zwelling doet haar pijn, voelt stevig aan en is zeer gevoelig bij het aan- en uittrekken van broek en ondergoed. In de afgelopen dagen is ze zich ook wat grieperig gaan voelen, met daarbij een verhoogde lichaamstemperatuur (geen koorts volgens patiënte) en een gebrek aan energie en eetlust. De vrouw lijkt ook tijdens anamnese een vermoeide indruk te maken. De huisarts wist geen raad met de casus en had haar daarom doorgestuurd voor verdere analyse.
Allereerst werd oriënterend laboratoriumonderzoek ingezet met een focus op infectie- en ontstekingsparameters. Dit leverde de volgende waarden op: Hb 7.4 mmol/l (N: 7.5 – 10.0 mmol/l), CRP 23 mg/l (N: < 5 mg/l), BSE 19 mm/h (N: < 20 mm/h), leukocyten 9.8x109/l (N: 4.0 – 10.0x109/l), trombocyten 420x109/l (N: 150 – 400x109/l), reticulocyten fractie 16.5% (N: 2 – 20 %), LDH 202 IU/l (N: < 248 IU/l), creatinine 97 μmol/l (N: 60 – 110 μmol/l), eGFR 119 ml/min/1.73m2 (N: > 90 ml/min/1.73m2).
Hoofdklacht(en)?
Patiënte heeft een blanco voorgeschiedenis en gebruikt geen medicatie. Ze rookt sinds haar zestiende levensjaar, ongeveer vijf sigaretten per dag. Ze drinkt af en toe alcohol, gemiddeld 5-10 EH/week. Ze gebruikt geen drugs. De familieanamnese levert geen bijzonderheden op.
Lichamelijk onderzoek Bij lichamelijk onderzoek wordt een matig zieke, vermoeid ogende jonge vrouw gezien met intact bewustzijn. De vitale functies zijn als volgt: pols 87/min regulair aequaal, RR 124/83 mmHg, saturatie 99%, T37.7°C. Oriënterend onderzoek van hart, longen en abdomen levert geen afwijkende bevindingen op. Bij onderzoek van de rechterlies wordt een vast aanvoelende, pijnlijke zwelling van 1,5 x 2 cm gepalpeerd met
14
Tevens werd serologisch onderzoek ingezet naar veelvoorkomende infectieuze oorzaken van lymfadenopathieën, zoals het Epstein-Barr virus (EBV), cytomegalovirus (CMV), toxoplasmose en Bartonella henselae. Voor de zekerheid werd een punctie verricht van de lymfeklier in de lies.
Wat is uw DD? Differentiaaldiagnostisch werd in deze casus met name gedacht aan infectieuze (bacterieel, viraal, parasitair), reactieve (bijv. als gevolg van een huidafwijking) of systemische (reumatoïde artritis, sarcoïdose, SLE) oorzaken van lymfadenopathie. Desalniettemin kan een maligne oorzaak (zoals een (non-)Hodgkin lymfoom) in dit stadium niet zomaar worden uitgesloten. Uiteindelijk kwam men echter door de combinatie van anamnese, klinische verschijnselen en de serologische uitslag tot een wel zeer waarschijnlijke diagnose.
Wat is uw (werk)diagnose? In deze casus bleek uiteindelijk sprake van een Bartonella henselae infectie, oftewel de kattenkrabziekte. De kattenkrabziekte is een zoönose en wordt veroorzaakt door de Bartonella henselae bacterie die wordt overgebracht op de mens via een beet, krab of het speeksel van een kat. Bartonella henselae is een kleine gramnegatieve staafvormige bacterie die intracellulair leeft. Ongeveer 1 op de 5 katten in Nederland is besmet met de Bartonella bacterie, en dan met name de jongere katten. Katten kunnen elkaar besmetten met de bacterie via vlooien, maar een directe besmetting van mens op mens is nooit beschreven. Het voorkomen van de ziekte in Nederland is niet exact bekend, maar schattingen lopen uiteen van 300 tot 1000 gevallen per jaar. De grootste groep patiënten wordt gevormd door kinderen en jongvolwassenen. De meeste mensen die geïnfecteerd raken met Bartonella henselae zijn asymptomatisch, mits sprake is van een goed functionerend immuunsysteem. Er bestaat aldus een grote variatie in het optreden van klachten, evenals in het klachtenspectrum dat zich kan presenteren. Meestal is in de beginfase (3-7 dagen) sprake van een of meer kleine erythemateuze papels (diameter 2-4 mm) ter plaatse van de krab of beet, die zich later omvormen tot vesikels en crustae en uiteindelijk na 2-3 weken weer verdwijnen. Later (gemiddeld 2 weken) kan er een of meerdere (pijnlijke) lymfadenopathieën ontstaan in de buurt van de krab of beet. Hierbij treedt in sommige gevallen ook abcesvorming op. De lymfeklierzwelling en -ontsteking houdt vaak enkele weken aan, om daarna weer te vervagen. Verder gaat de infectie in symptomatische vorm vaak gepaard met systemische symptomen zoals vermoeidheid, koorts, verminderde eetlust en een gevoel van algehele malaise, die enkele weken na de infectie optreden en ook enkele weken kunnen aanhouden. Overige (aspecifieke) symptomen die wel eens worden gezien betreffen hoofdpijn, spier- en gewrichtspijn, vage buikpijn en pijn in de rug.
Hoe ziet de behandeling eruit? Hoe is de prognose? De behandeling bestaat in de meeste gevallen uit nietsdoen. Dit geldt in ieder geval voor de (gezonde) mensen bij wie de infectie zich beperkt tot het gebied waar deze is ontstaan en bij wie het immuunsysteem zelf in staat is tot het klaren ervan. Bij een beperkt aantal geïnfecteerde mensen kan behandeling wel noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen waarbij de infectie zich systemisch verspreidt of bij wie complicaties optreden. Er wordt in deze gevallen behandeld met antibiotica, meestal azithromycine of doxycycline. De prognose is in het algemeen gunstig. Bij de meeste patiënten lost de infectie zich uiteindelijk vanzelf op, maar bij sommige (vaak immuungecompromitteerde) patiënten kan de infectie chronisch verlopen of aanleiding geven tot ernstige complicaties, zoals meningitis/ encefalitis, endocarditis, een granulomateuze conjunctivitis met een geassocieerde pre-auriculaire lymfadenitis (oculoglandulair syndroom van Parinaud) of neuritis optica. Sterk immuungecompromitteerde patiënten (zoals mensen met een HIV-infectie) kunnen een zogenaamde bacillaire angiomatose ontwikkelen, een vaatproliferatie die op of onder de huid kan ontstaan. Het RIVM adviseert een aantal algemene preventieve maatregelen voor de kattenkrabziekte. Deze bestaan uit het vlovrij houden van katten (voor adviezen hierover wordt aangeraden een dierenarts te raadplegen) en het goed uitspoelen en ontsmetten van het wondje dat is ontstaan als gevolg van een krab of beet van een kat.
Afloop van de casus Het beleid in deze casus was expectatief. Zonder behandeling met antibiotica verdwenen de zwelling in de lies evenals de waargenomen papel op het rechteronderbeen binnen enkele weken.
15
Angelique Wortelboer
Medicine in history May the qi be with you Traditional Chinese medicine is one of the oldest types of medicine in the world. There are written records which originate from the third century before Christ. In traditional Chinese medicine, it is important for healers that they restore the balance between yin and yang. From these principles treatments such as acupuncture, cupping, and tai chi originated. What is traditional Chinese medicine exactly and how did it develop? Keep reading to find out ‌.
So traditional Chinese medicine is pretty old. Nevertheless, you can still see that it is present in our society. There is even an acupuncture centre located in the area of the UMCG. Everything in Traditional Chinese Medicine is about restoring the balance of energy. So that is the aim of acupuncture. Simply put, it is injecting small needles into your skin to restore the energy balance in your body. How does that work? In my short intro, I already explained a bit about yin and yang. These forces are part of qi, the energy that flows through your body and through the universe. I will quickly give you some more information about qi. There are two branches of qi. The nourishing, or physical, branch consists of the food, air, and water that we use. The other branch consists of the qi that is insubstantial. It is a force that is already in us, according to traditional Chinese medicine. Yin and Yang are also a part of the qi. Yin is passive, cold and solid. Yang, on the other hand, is hot, active, expressive. They need to be in balance for a person to be healthy. It is important for a healer to find the cause of the imbalance. Also good to know, it was believed that the body is a self-repairing machine that only needs stimulation or encouragement to heal itself. So back to acupuncture, there are 350 points on the body where the flow of qi can be manipulated. The qi usually flows through pathways, meridians, and is only accessible through these 350 points. Putting a needle through these points will make sure that the flow of qi is in balance again. At least, that is the theory behind it. It was actually never scientifically proven that these 350 points exist. Besides acupuncture, the use of
18
herbs and plants, moxibustion, and cupping are also parts of traditional Chinese medicine. Moxibustion is using burnt mugwort (see image) on certain points on the body to restore the qi balance. The burnt pieces of plant are rolled into a cigar-shaped stick and used directly on the skin or with using acupuncture needles. How did traditional Chinese medicine develop? I will start with the very beginning of traditional Chinese medicine. In the ancient past, the Chinese found out that they could use herbs and plants as remedies for certain symptoms and pains and they became very proficient in their usage. Later on, people began actively looking for such herbs and plants that could
be used in treating certain conditions. Shennong, who would later be called the celestial farmer, would taste the herbs and find out which one had healing powers. In the Xia Dynasty (270-1600 BCE) and in the Shang Dynasty (1600-1046 BC) they found out that alcohol and a herbal decoction made medicines more effective. Decoction is a type of extraction, where the herb or plant is boiled so that the chemicals are dissolved in the material. Moreover, four categories of doctors developed: dietician, doctor of decoction, physician and veterinarian. During the period of around 770-221 BC, Bian Que, also listed the four-step procedure to diagnose: looking, inquiring about for example symptoms, listening to for example breathing patterns and voice, and taking for example a patient’s pulse. During the Eastern Han Dynasty, which ran from 25 until 220, a book on febrile diseases and miscellaneous illnesses was made. In the book, it was shown how to treat febrile afflictions that were for example caused by epidemic diseases. In the later periods of the Eastern Han Dynasty, a healer, called Hua Tuo was described as one of the first persons to use anesthesia during surgery. Although there is also evidence that in the fifth century before Christ there was another physician in the that was the first one.
“It is even thought that he did end-toend anastamoses” Before Hua Tuo (and also after Hua Tuo), surgery was considered as a last resort procedure. Furthermore, usually a lower grade of medical worker would carry out the surgery. Hua Tuo became one of the greatest surgeons in Chinese history. He did different surgical procedures such as removal of diseased tissues, and partial splenectomies. It is even thought that he did end-to-end anastomoses of intestines. Before his surgeries, he would give his patients a drink with a foamy narcotic powder in it. However, after his death, his writings were destroyed and because of the Confucian dogma that was against the mutilation of a body, the development of surgery did not follow after him unfortunately. The first written record that described treatments, was the Yellow Emperor’s Inner Canon. The work originates from 221 BC-AD 220 during the Qin and Han dynasties. This work is considered to be the basis of traditional Chinese Medicine. It consists of two parts. The first part is a dialogue about living matter and the other part is about anatomy, medical physiology, and acupuncture and other treatments. Also, the concept of qi was explained.
The Bencao Gang Mu is a very important book about the use of drugs and herbs. It was written in the Ming Dynasty era which lasted from 1368 until 1644. The writer of the book is Li Shizhen. He studied a lot of the collection of the dynasty of medical texts and found a lot of inaccuracies as well as that the texts contradicted each other. Because of that, he wanted to write a document in which he would put all the right treatments. He used around 800 sources for his book and there are around 11000 drug treatments and recipes described. A lot of treatments consisted of plants. In the period from 1644-1911, during the Qing Dynasty, western medicine began to spread. This was because a Portuguese bishop established a hospital in Canton, China. While the concept of western medicine began to spread, the inhabitants of China began to believe that western medicine was much better than their medicine, and traditional Chinese medicine became much less popular. However, in the twentieth century, traditional Chinese medicine gained interest again and also began to spread to other parts of the world. Traditional Chinese Medicine is still used, for example acupuncture. Research suggests that it can help relieve pain. It is also used for other complaints, such as blood pressure problems and even whooping cough. For other complaints than pain, it’s effectiveness has not been proven. Furthermore, it is quite controversial among medical doctors. Nonetheless, it is impressive that such an old alternative way of relieving pain is still used in modern society.
19
Joppe Vodegel
Onderwijscolumn Adviserend studentlid van de raad van bestuur van het UMCG Adviserend studentlid van de Raad van Bestuur van het UMCG? Ik hoor jullie denken: wat een lange titel, wat doe je dan en wie is dit überhaupt? Om het alvast makkelijker te maken: op andere faculteiten heet mijn functie ‘assessor’, dat gebruik ik ook want dat is alvast wat korter. Ik denk dat het merendeel van jullie nog nooit van deze functie heeft gehoord; dat vraagt om een column met uitleg! Iedere faculteit van de RUG heeft één student in het faculteitsbestuur: de assessor. Omdat onze faculteit nauwe banden heeft met het ziekenhuis, heeft de medische assessor een uitgebreidere functietitel gekregen (de titel van deze column). Als assessor denk ik met het bestuur mee over beleid voor medisch onderwijs en onderzoek. Ik ben daarin de schakel tussen de Raad van Bestuur en de studenten van de medische faculteit. •
Het vertegenwoordigen van alle studenten van onze faculteit (Bewegingswetenschappen, Geneeskunde en Tandheelkunde) doe ik door een groot deel van de week met studenten te praten en allerlei besprekingen bij te wonen: op studieniveau vooral met ProMove, ProDent en ProMed (bij de laatste komt de input terecht die jij als geneeskundestudent aan je JV geeft) en onze studieverenigingen. Op facultair niveau met de O&O-raad, besturen van de opleidingen en het faculteitsbestuur, op universitair niveau met de Universiteitsraad, assessoren van andere faculteiten en het bestuur van de RUG. Op landelijk niveau is er overleg met andere medische assessoren, tijdens het Interfacultair Medisch Studentenoverleg (IMS).
•
informatie, maar niet alles bereikt de studenten voor wie het bedoeld is en veel informatie bereikt juist veel te veel studenten. Ik wil kijken of we de manier van communiceren opnieuw kunnen organiseren. Er is een informatie- en communicatieproject opgestart om de huidige situatie te beoordelen en te verbeteren. Ik hoop dat jullie daar snel iets van merken! De organisatie achter ons onderwijs beter zichtbaar maken. Dat betekent dat je als student bijvoorbeeld kunt opzoeken wie je vraag het best kan beantwoorden. De medezeggenschap beter zichtbaar maken. Dat betekent dat je als student weet wie jouw belangen vertegenwoordigt, hoe je je mening kunt laten horen en misschien nog wel het belangrijkste: wat er met je mening gebeurt! De feedback van studenten is essentieel voor het verbeteren van ons onderwijs.
De informatie die ik krijg uit de vele overleggen moet vervolgens op de juiste manier bij de juiste mensen in de hogere organisatorische lagen terecht komen. Assessor zijn is dus een serieuze functie, waarbij je heel actief bent binnen de RUG en het UMCG. Naast al het serieuze zijn er (gelukkig) genoeg leuke commissies, borrels, diners en congressen waar je allemaal voor wordt uitgenodigd en waar ze gelukkig verwachten dat je gewoon nog even lekker student bent! Zoals jullie kunnen zien is mijn agenda gevuld met heel veel verschillende besprekingen. Daarnaast heb ik als assessor ook een paar speerpunten, waarvan de belangrijkste zijn: • De communicatie op de faculteit verbeteren. Geneeskundestudenten krijgen informatie over het onderwijs van veel verschillende kanten. Heel veel
20
Deze column was bedoeld om mijn functie uit te leggen, maar na al die uitleg rijst waarschijnlijk de vraag ‘Wie is die ik toch?’ Ik ben Joppe Vodegel en vanaf 1 september ben ik de assessor. Mocht je ideeën, feedback of vragen over de faculteit hebben dan kan je altijd een mail sturen naar studentlidrvb@umcg.nl. Of als je mij ziet lopen, spreek mij gerust aan!
W
“Corparis heeft oog voor de juiste match, mijn ambities en mijn persoonlijke ontwikkeling” - een Corparis basisarts Wij zijn de specialistische werkgever die graag met jou in gesprek gaat om je te helpen aan je eerste baan als basisarts. Corparis heeft onder andere mogelijkheden in de ouderenzorg, verslavingszorg, psychiatrie en jeugdgezondheidszorg.
WAT KUNNEN WIJ JE BIEDEN? ✓ Zekerheid met een contract voor langere of onbepaalde tijd ✓ Persoonlijke ontwikkeling via onze Corparis Academie met trainingen zoals medisch leiderschap, time management, intervisie en communicatie ✓ Verbreding kennis & kunde door te werken via verschillende organisaties en/of afdelingen ✓ Loopbaanbegeleiding om erachter te komen welke specialisatie bij jou past ✓ Opbouw van een netwerk door netwerkbijeenkomsten, kenniscafé’s en andere evenementen
Ontdek Corparis 088 116 9730
i.degries@corparis.nl www.corparis.nl
Bart Hofsté
Psychedelics A brief history of the psychedelic Renaissance During the early nineties, Rick Strassman, a New Mexico psychiatrist and psychopharmacologist, led a pivotal clinical study into the effects of a psychedelic named dimethyltryptamine (DMT) on a select group of about five dozen human volunteers. In doing so, Strassman was about to kick off what has come to be known as the psychedelic renaissance. Since the late sixties, psychedelic research had laid dormant due to the classification of many psychedelics as Schedule 1 illicit substances.
For decades, psychedelics faced widespread demonization as dangerous chemicals, devoid of clinical utility and corrosive to the conservative values of middle-class American life.
Although the psychedelic effects of DMT were well known to Strassman and his team, the power with which this structural analog of serotonin was able to induce its mind-altering and reality-shattering effects proved to be profound. Due to its ability to induce intense religious and mystical experiences, Strassman dubbed DMT ‘the spirit molecule’, belonging as it does to the class of psychedelics known as ‘entheogens’ (being full of god, inspired and possessed). Many of Strassman’s participants experienced extraordinary, strange and disturbing interactions with non-human beings, other kinds of minds, alien consciousnesses, beings which the psychonaut and ethnobotanist Terrence McKenna called ‘machine elves’. Some participants experienced these events as life-changing encounters with the divine.
22
Strassman’s work elucidated many important clinicopharmacological parameters, including DMT’s mechanism of action via the family of serotonin receptors (5-HT1A and 5-HT2A), through which so many psychedelics exert their mind-altering effects. But there was not yet any mention of possible therapeutic indications for DMT or any other psychedelic. Strassman began writing about such possible therapeutic uses in 1995, drawing on a couple of rare and obscure human studies performed in the fifties and sixties. Currently, there are a large number of studies trying to establish the therapeutic benefits (as well as the risks and side effects) of psychedelics on a variety of medical conditions: depression, PTSD, obsessive-compulsive disorder, substance abuse, anxiety disorders, etc. Four recent clinical trials have convincingly demonstrated the anti-anxiety and anti-depression effects of psilocybin (the active ingredient of magic mushrooms), even after a single dose. In addition, improvement of obsessive-compulsive disorder and alcohol abuse symptomatology have been demonstrated with psilocybin. LSD and ayahuasca too, have shown remarkable clinical utility, for alcoholism and depression, respectively (ayahuasca being the entheogenic brew made out of the vine Banisteriopsis caapi, a traditional recipe of indigenous Amazonian tribes). Writing in Nature Neuropsychopharmacology, Carhart-Harris expresses the hope that without being interfered by the kind of politics prevalent in the post-fifties era, society and science will progress to a point where psilocybin (used in conjunction with
psychological support) may even become an early treatment option for depression. Psychedelics, he says, have several important advantages over the traditional treatment options for depression (SSRIs, CBT). First, they have a lasting action even upon minimal exposure (indeed, several clinical trials utilized only one dose of psilocybin). Overall, their side effect profile is relatively benign (especially if given under controlled conditions). In addition, psychedelic therapy aims to address rather than suppress negative memories and emotions, which, according to Carhart-Harris, sets it apart from the other treatment options. So how exactly do psychedelics address such states of negativity? fMRI studies done by Carhart-Harris et al. have demonstrated that psilocybin therapy leads to a decreased connectivity in what is called the default mode network (DMN). The DMN is a large scale brain network that functions as the neurological basis of the self, thinking about others, as well as thinking about the past and future, and is notably (but not exclusively) active during mind-wandering and passive rest. Specifically, decreased activity has been demonstrated in the medial prefrontal cortex upon psilocybin treatment, a part of the DMN that in depressive patients shows increased activity and connectivity. One of the most interesting neuroimaging findings perhaps, was the disintegration of the DMN upon administration of LSD, where researchers noted the degree of DMN disintegration strongly correlated with the patient’s subjective sense of ego dissolution. Overall, psychedelics appear to disrupt the integrity
and stability of large scale brain networks, such as the DMN, whereas psychedelics appear to increase the connectivity between these networks. Thus, upon administration of psychedelics, new long-range functional connections are established, which are not normally present, increasing both global connectivity and what is called ‘cortical entropy’. Such increased crosstalk can be nicely demonstrated in a connectogram. Writing in Clinical Pharmacology and Therapeutics, David Nichols et al. hypothesize that such disintegration and increased global connectivity may lie at the heart of the therapeutic potential of psychedelics. In neuropsychiatric disease, the normal organization of certain local brain networks is disrupted, reflecting a suboptimal connectivity pattern. These ‘hub failures’, as Nichols calls them, are themselves disrupted upon the administration of psychedelics and become broken by the establishment of long-range global connections. Following such a neurological ‘reset’, the local brain networks are then allowed to reconnect in healthier, more optimal patterns normally found in pre-disease states. In short, psychedelics show remarkable promise to raze out the written troubles of the brain, as that sweet oblivious antidote able to cleanse our sometimes perilous minds. With their risks duly noted, let us keep our minds open to their extraordinary abilities as well.
23
Angelique Wortelboer
Horrordokters Die wil je niet in het donker tegenkomen! Zat ik lekker op de bank voor de tv, vroeg een vriend me of ik de Human Centipede niet zou willen zien. Al bij het horen van de titel borrelden er nare gedachten naar boven van een manische dokter. Helaas vroeg ik hem toch waar het over ging. Na zijn korte samenvatting heb ik de chips maar weer opgeborgen en hebben we romcoms gekeken. Jammer genoeg zijn er in de echte wereld ook dokters die je absoluut niet als patiënt zou willen hebben. De engel van de dood In de Tweede Wereldoorlog zijn er vele personen geweest die vreselijke dingen en soms onmenselijke dingen hebben gedaan, vooral tegenover de joden. Dokters waren geen uitzondering. Sommigen hebben in concentratiekampen experimenten gedaan op joden die daar zaten. Waarschijnlijk de ergste onder deze dokters is Jozef Mengele. Hij is hierboven afgebeeld. Jozef Mengele is geboren in 1911 in Duitsland. Hij studeerde geneeskunde en medische antropologie. Mengele was zeer geïnteresseerd in raszuiverheid en werkte in de Tweede Wereldoorlog voor Duitsers in Polen. Nadat hij gewond was geraakt en ongeschikt geworden was om aan het front te werken, ging hij naar Auschwitz om te werken als kamparts. Hij zorgde ervoor dat de arbeidsgeschikten van de arbeidsongeschikten gescheiden werden die dan vervolgens naar de gaskamers gebracht zouden worden om daar te sterven. Andere artsen vonden dit werk vreselijk, maar Mengele deed het enthousiast. Er wordt door ex-gevangenen verteld dat hij meestal een melodietje aan het fluiten was tijdens het selecteren. Naast dit werk deed hij vele experimenten ‘voor de wetenschap’ op gevangenen. Hij was in het bijzonder geïnteresseerd in tweelingen. Hij heeft bijvoorbeeld een soort van verf in ogen van kinderen gespoten om te kijken of deze van kleur veranderden. Ook sneed hij wel eens ledematen van mensen af en bracht hij opzettelijk ziekteverwekkers in. Velen stierven tijdens zijn experimenten. Als hij klaar was met iemand dan zond hij deze persoon naar de gaskamers. En dan te beseffen dat dit misschien niet eens het ergste is: zo heeft hij ooit een tweeling aan elkaar genaaid zoals een siamese tweeling. De tweeling hebben een paar dagen in ernstige pijn geleden en zijn toen gestorven aan gangrene (afstervend weefsel). Van de 3000 tweelingen die hij had gebruikt voor zijn experimenten, hebben slechts 180 het overleefd.
24
Na de oorlog is hij gevlucht naar Argentinië. Hij is uiteindelijk overleden en is nooit gestraft voor zijn daden. Wat ook opvallend is, is dat mensen die met hem werkten in Argentinië hem beschreven als een aardige man die niet snel boos werd en erg begripvol was.
Dat is pech, penis weg Misschien niet zo erg als Mengele, maar in 2004 verloor een Roemeense chirurg-uroloog zijn geduld en sneed de penis van een 36-jarige patiënt af. De al gestreste chirurg was namelijk bezig met de operatie van een malformatie van de testikels van deze patiënt en nadat hij een foutje maakte heeft Naum Ciomo, zoals de dokter heet, vervolgens de penis eraf gesneden en in kleine stukjes gesneden. Ciomo heeft uiteindelijk honderdduizend pond betaald en is tijdelijk geschorst voor zijn actie. De patiënt heeft nog verschillende operaties gehad door een andere arts, maar helaas kan hij nog steeds geen erectie krijgen en is aan zijn seksleven ook een einde gekomen.
Dokter dood Harold Shipman, een Britse arts en seriemoordenaar, is geboren in Nottingham in 1946. Hij raakte geïnteresseerd in geneeskunde toen hij zag dat zijn moeder zichzelf met morfine injecteerde. Ze leed namelijk pijn doordat ze longkanker had. In 1977 vestigde hij zich als huisarts in Hyde. Hij werd erg gerespecteerd onder zijn patiënten en patiënten bevolen hem zelfs aan. In 1988 werd een 81-jarige vrouw dood gevonden in een huis, een paar uur nadat Shipman als huisarts bij haar was langsgekomen. Dit was opvallend voor de familieleden, want zij was nog in goede gezondheid. Uiteindelijk is hij in 2002 schuldig bevonden van vijftien moorden. Helaas was dit nog maar het topje van de ijsberg. Later is men erachter gekomen dat hij in ieder geval 215 hoogbejaarde, maar nog gezonde, mensen vermoord heeft met een dodelijke injectie. Dit was meestal gedaan met morfine. Uiteindelijk heeft hij in zijn cel zelfmoord gepleegd.
Suzanne Schuurman
Cocolumn Meelopen met de verslavingsarts “Ik heb zeg maar wel iets tegen pillen dus ik neem liever geen paracetamol.” We horen het wel vaker, maar afkomstig van de patiëntengroep uit mijn meest recente coschap klinkt het toch wat misplaatst. Een plek waar heroïne wordt voorgeschreven, tassencontroles plaatsvinden en patiënten dronken bij de dokter komen: de verslavingszorg. Tijdens M2 loop je een coschap sociale geneeskunde: in een verpleeghuis, bij de GGD, de bedrijfsgeneeskunde, et cetera. Klinkt… wisselend, of niet? In mijn zeldzame geval bleek er geen plek meer te zijn in Zwolle en werd ik verbannen naar de verslavingszorg in Oost-Nederland. Aldaar betrad ik een nieuwe wereld die voor mij (en voor jou, lezer, of moet je me iets vertellen?) geheel onbekend was. Een wereld uit series en films - wat dan natuurlijk tot een hele hoop hardnekkige vooroordelen leidt. Ik kwam al snel terug op mijn ideeën over verslaving toen een groot deel van de poliklinische afspraken mensen betrof met doorsnee banen en prima functionerende gezinnen. Alcoholverslaving komt schrikbarend veel voor onder hoogopgeleiden, en wat dacht je van oxycodonafhankelijkheid? Dat een verslaafde altijd dakloos is, stinkt en een uitzichtloos bestaan leidt is niet alleen onwaar maar helaas ook de oorzaak van de afkeer die de maatschappij heeft voor deze groep mensen. Ze moeten allemaal maar clean worden, wegblijven van criminaliteit, zich gedragen. Bij de verslavingszorg leer je dat het allemaal net wat genuanceerder ligt; een heroïneverslaafde overzetten op methadon, al is het levenslang, is ook al winst. Afkicken is vaak niet haalbaar en wanneer het toch lukt is dat vaak maar van korte duur. Toen de verpleegkundige bij de tassencontrole op de detoxafdeling over een halfleeg flesje drank/GHB/gewoon lenzenvloeistof zei “Volgende keer niet meer meenemen, hè?” gaf ze zonder het door te hebben de trieste realiteit weer: over een paar weken staat deze man waarschijnlijk weer onder invloed op de stoep.
als autonomie, vrijheid van afhankelijkheid? Een patiënt die op dag twee van de detoxbehandeling zich bedenkt en vertrekt, wordt zowat uitgezwaaid: “We konden hem toch niet dwingen om te blijven. Koffie?” Als coassistent neem je snel de mindset van een afdeling over. Na slechts enkele weken in een vakgebied denken dat je het beter weet, zou niet heel gepast zijn. Bij de interne maken we een differentiaaldiagnose waar we voor de zekerheid ook maar 84 tropische ziektes op zetten. Onze longpatiënten vertellen we niet dat ze moeten stoppen met roken - doen ze toch niet. Een verslaafde weghouden van besmette naalden en misdrijven door heroïne op recept te geven, is een fantastisch resultaat. Toch wil ik je op het hart drukken om de gang van zaken zo nu en dan in twijfel te trekken. Een kritische frisse blik van een co kan nieuwe inzichten geven. Helaas staan artsen er niet altijd voor open, maar wanneer er ruimte voor is kun je in de vorm van neutrale vragen aangeven waar je van opkijkt. Alleen al voor jezelf formuleren wat er beter kan in de praktijk die je elke dag observeert, draagt bij aan je ontwikkeling tot een goede dokter. Rebelleer! Je hoeft het niet uit te spreken, je hoeft er geen cocolumn over te schrijven, doe het stilletjes. And don’t do drugs, kids.
De zorgverleners in de verslavingskliniek zijn gehard door de ellende die zij dagelijks zien, de doelen die zij stellen gericht op het voorkomen van grote schade voor gezondheid en maatschappij. Ik - idealistisch en misschien wat naïef - keek op van de utilitaristische houdingen die ik om mij heen zag: waar is plek voor waarden
Heroïne op recept
25
Marit Schulte
Zorgverzekeringsperikelen Ervaringen aan de telefoon Dat mensen in Nederland, jong en oud, bizar weinig weten van het zorgstelsel hier in Nederland, is één van de dingen die ik geleerd heb over mijn tijd (ongeveer een jaar) als telefonisch verzekeringsadviseur bij een zorgverzekeraar. Dit klinkt een stuk belangrijker dan wat het daadwerkelijk inhoudt, namelijk klantenservicemedewerker. En dat mensen er absoluut van houden om te klagen en boos te worden. Och, wat heerlijk is het wanneer mensen boos worden als iets achteraf niet vergoed blijkt te zijn en ze er veel te veel geld voor hebben uitgegeven. Dat mensen vervolgens een hele scheldkanonnade over je uitstorten en aan het eind zeggen: ‘Ja, dit moet je niet persoonlijk opvatten hoor.’ Nee, bedankt dat je dat even aan het einde van het gesprek zegt. Verspilde moeite, want ik bepaal de regels niet en kan ook helemaal niks voor je doen. Dump je problemen maar bij de klachtenafdeling, die vinden dit soort zaken leuk. Althans dat hoop ik... Oh, en lees voortaan even de polisvoorwaarden, kun je prima online vinden en als je het lief vraagt dan stuur ik ze ook nog per post op Een opmerkelijk verschil is enorm merkbaar tussen (kinderen van) immigranten en geboren Nederlanders. Wanneer je in een land terecht komt, waarbij je ouders de taal niet goed spreken en jij wel, dan word jij al gauw degene die alle zaken moet gaan regelen. Kinderen bellen dan zelf met vragen over wat er gebeurt wanneer ze achttien worden en hebben zich vaak goed voorbereid. Een enorm contrast met wanneer je gewend bent dat pappie en mammie alles regelen voor je en ze tot je dertigste zo goed als alles betalen.
“Ik geloof dat ik ook maar dokter word” Het verbaast me echt hoe veel mensen niet weten wat het eigen risico is en wanneer je dat moet betalen. Dan leg je uit dat een ziekenhuisbezoek inderdaad vergoed wordt, maar dat wel eerst het eigen risico (verplicht €385, te verhogen tot maximaal €885) in rekening wordt gebracht. Als je ervoor heb gekozen om je eigen risico te verhogen en daarna onverwachts toch naar het ziekenhuis moet, dan ben je de sjaak, dan mag je dus €885 ophoesten. En dan komen ze vervolgens weer bij je om te klagen dat het een heel hoog bedrag is en dat de dokter had verteld dat het vergoed zou worden. Ja dat wordt het ook, NA aftrek van het eigen risico. En ja, een bezoek aan de specialist is duur. Er wordt geen losse tijd doorberekend, maar er wordt een behandeltraject
26
ingediend. Een gemiddelde prijs van het traject waarbij het niks uitmaakt of je nu vijf minuten aan de telefoon hebt gehangen met de specialist of twee uur poliklinisch daar bent geweest.
“Maar de dokter zei dat het vergoed zou worden” Je hebt dan ook nog mensen die bellen met de vraag wat er vergoed wordt en dan bedoel ik niet de vraag: hoeveel behandelingen fysiotherapie worden er vergoed? Nee, een gesprek verloopt ongeveer zo: ‘Ik wil weten wat ik vergoed krijg.’ ‘Welke vergoeding wilt u weten?’ ‘Alles waarvoor ik verzekerd ben.’ *Zucht*, daar gaan we dan voor het komende uur, als je geduld hebt ervoor. Op een dag dat je er niet veel zin in hebt, is een vergoedingsoverzicht toesturen of verwijzen naar de website een hele goede optie. Deze mensen zijn in ieder geval goed voorbereid. Je hebt ook altijd nog de categorie mensen die, terwijl ze al in de wachtkamer van het ziekenhuis zitten voor bijvoorbeeld een MRI, nog eens besluit navraag te doen of iets wel vergoed wordt. Dan komen ze erachter dat ze een budgetpolis hebben en dat er geen contract is met het ziekenhuis en ze dus maar maximaal 75% vergoed krijgen en dat het ziekenhuis vijf km verderop wel gewoon gecontracteerd is. Nog een manier om je geld weg te gooien. Maar gelukkig is nog niet alles zo slecht. Vooral de oudere mensen zijn vaak heel dankbaar dat je de tijd voor ze neemt en alles zo duidelijk uitlegt. Je kan vaak de opluchting horen, wanneer blijkt dat een bezoek aan de cardioloog ‘gewoon’ vergoed wordt en ook bij het ziekenhuis waar ze normaal lopen. Tenslotte, hulde aan de mensen die zich daadwerkelijk hebben ingelezen en duidelijke vragen stellen. Scheelt een hele hoop verwarring en tijd aan beide kanten.
Hendrik-Willem Pasterkamp
Thuiszorgcolumn Van stage tot bijbaan We krijgen er allemaal mee te maken: stages. Welke opleiding men ook doet, meestal is er een stage bij betrokken. Zo ook in onze studie, maar aangezien onze medische kennis en vaardigheden in het eerste jaar nogal gebrekkig zijn, beginnen we - eerstejaars, bereid jullie maar voor - onderaan de ladder: de verzorging. Maar schrik niet, want juist die zorg biedt aanleiding tot onvoorspelbaarheid, ervaring en bovendien: goed columnmateriaal. Om, voor de verandering, bij het einde te beginnen, vervul ik momenteel de functie van Helpende+ in de thuiszorg. Wat houdt dit in? Heel simpel: ik kom bij hulpbehoevenden thuis en help met aankleden, persoonlijke hygiëne en ‘psychosociale gezondheid’ (een praatje maken). Het plusje staat voor het feit dat ik ook medicatie mag aanreiken, let wel, alleen aanreiken en niet toedienen, daar zijn weer extra papieren voor nodig. Maar afijn, mijn zorgstage dus. Waar al mijn vrienden ingedeeld werden in ogenschijnlijk veel interessantere plekken, werd ik ingedeeld in de thuiszorg. Om eerlijk te zijn verheugde ik me hierniet echt op: ik had destijds niet zoveel met ouderen en zag er het nut niet echt van in. Ik bedoel, als arts heb je toch weinig met dit soort zorg te doen? Maar je moet er dan maar het beste van maken. En zo begon ik kan aan een veertiendaagse stageperiode.
“Ik besefte heel goed dat ik de tweede week anders aan moest pakken” De eerste week van mijn stage voelde ik me een typische stagiair. Op de achtergrond, stil met een notitieblokje in de hand stond ik toe te kijken hoe we van de ene naar de andere cliënt gingen om de vaste routines die in het geheugen van de cliënt gegrift stonden uit te voeren. Vervolgens keerden we naar kantoor terug waar ik aan mijn stageverslag kon werken. Je kan je misschien wel voorstellen dat dit niet bepaald intrigerend was, en ik besefte heel goed dat ik de tweede week anders aan moest pakken.
klonk het door de wat armoedig uitziende kamer, ik lachte ongemakkelijk en maakte een groetend handgebaar. Wat ik verwachtte was een reactie in de trant van: ‘Maar hij is een man!’ of ‘Hij is nog zo jong!’ Echter, tot mijn verbazing, kon het mevrouw niet veel schelen wie haar waste of wie haar hielp met aankleden, ze was allang blij dat iemand haar een helpende hand wou bieden. Achteraf gezien logisch: het is voor mevrouw net zo ongemakkelijk. Immers, het liefst kleedde ze zichzelf aan, het liefst zou ze zichzelf douchen wanneer ze maar wilde en het liefst wilde ze niet om half acht van bed geroepen worden om de dagelijkse dosis medicatie binnen te moeten slikken. In onze studie horen we vaak over hoe belangrijk het wel niet is om een goede relatie met de patiënt te hebben, maar in een ziekenhuis is er toch altijd de ‘patiënt’ en de ‘dokter’, met een immense kloof daartussen bestaande uit medische jargon, tijdsdruk en een beroerde locatie. In de thuiszorg echter, zie je mensen in hun eigen omgeving, je praat met elkaar in plat Gronings en als er te weinig tijd is kan er tijd bij gemaakt worden. Kortom: je leert een patiënt niet beter kennen dan in de zorg. Toen ik mijn stage had gehaald en we dit gevierd hadden met een stukje taart en een kop koffie, werd ik op kantoor geroepen. ‘We hebben nog een baan voor je, mocht je geïnteresseerd zijn…’
Zo gezegd zo gedaan: in de tweede week vroeg ik aarzelend om meer verantwoordelijkheid. Ik kan me mijn eerste cliënt waar ik zelfstandig aan het werk moest nog wel herinneren. Ietwat nerveus fietste ik achter de wijkverpleegkundige aan, op weg om de ochtendrust van onze eerste cliënt op een chaotische maar noodzakelijke manier te verstoren. ‘Dag mevrouw!’, ‘Ik heb iemand meegenomen, hij gaat u helpen met douchen vandaag!’
27
Bart Hofsté
Medical freaks Getting freaky: a cabinet of medical curiosities Humans have always had an eye for the peculiar, rare or macabre. Since time immemorial, those inhabiting the outskirts of whatever spectrum once considered ‘normal’, must have been at the focus of our attention, although not always heartily so. Here is presented to you the finest selection of those medical eccentrics that defy the center of our everyday common sense. Marvel at these exquisite oddities.
The Tallest Man on Earth At the peak of his height – that is, at the time of his death at the ripe old age of 22, Robert Wadlow measured an impressive 2 metres and 72 centimetres, weighing in at an impressive 199 kilogrammes. Even his feet were the largest ever measured, requiring tailor-made shoes, EU size 71. Wadlow suffered from a medical condition called gigantism, which in his case was due to pituitary gland hyperplasia. He was born at a normal height of 51 centimeters, but the excessive levels of human growth hormone caused abnormal growth throughout his adult life. At the age of one, his height measured
28
107 centimeters, such being normal for a five-year old. At the age of eight, Wadlow surpassed his father in height, measuring 1.83 metres. For those wishing to measure up, a life-sized statue can be found at the Alton Museum of History and Art, in Alton, Illinois.
The Iceman from Amsterdam Wim Hof is known for breaking numerous records related to the cold. Among other things, he has set the world record for the farthest under-ice swim, freezing his cornea in the process. He also holds the record for the longest time spent in direct full-body contact with ice, being submerged in ice water for almost two hours. Thus, Wim Hof represents the extreme of the human capacity for thermoregulation. The so-called Wim Hof Method (WHM), which includes special breathing techniques, meditation and a sustained practice of cold exposure, works by engaging modulatory control centres in the brain. These centres, located in the periaqueductal grey matter, probably induce an analgesic response via descending tracts that
modulate the sensation of cold and pain. In addition, the WHM activates higher cortical areas associated with self-reflection, enhancing attention and focus to better withstand the cold stimuli. Wim Hof’s breathing techniques, really a kind of hyperventilation, increase both sympathetic innervation and glucose consumption in the intercostal muscles, enhancing the dissipation of heat into the circulating blood of the pulmonary circulation. The Iceman’s claims are not without their share of controversy. A common critique of Hof is that he is overstating the health benefits of his method. Critics accuse him of interspersing pseudoscientific gobbledygook throughout his method into something more marketable. Fair as these critiques are, certain health benefits of cold exposure and the WHM are somewhat plausible, and may present a promising lifestyle strategy for those having the nerve to confront the cold. White fat loss may be enhanced, insulin sensitivity increased, and sick leave may be decreased by frequent cold exposure programmes. It may also assist in treating inflammatory conditions, but, as always, FRIN…
The Scandalous Case of Kasper Hauser On the 26th of May 1828, a peculiar teenage vagabond named Kasper Hauser appeared on the streets of Nuremberg. Kasper carried with him a letter which stated that he, Kasper Hauser, was brought up by the letter’s anonymous author, and that since his nativity he had been locked up in his house of birth, where his non-biological father had rather carelessly raised him. According to the police, who subsequently took him into custody, Kasper’s speech was limited to a few parrot words and phrases. He did not eat or drink, save for bread and water, and was reportedly fascinated by his own mirror-image, staring at it in astonishment and trying to touch it in vain. Kasper
Hauser’s case enthralled all of cultured Europe at the time, and peaked the curiosity of many of the learned elite. Philosophers, theologians, pedagogues, jurists – all tried to analyse and examine his peculiar character. Some thought of Kasper as being the exemplar of that misconceived child of nature concocted by Rousseau,
unburdened as he was by the shackles of civilization. Others saw him as merely a mentally deranged idiot, a feral child, or even a nefarious imposter. Kasper Hauser also proved a pivotal influence on a good deal of literature, theatre and cinema that was to follow in the decades and centuries after his death. Werner Herzog’s 1974 Jeder für sich und Gott gegen alle is a thought-provoking film that perfectly captures the feeling of detachment and alienation which had resulted from the staunch neglect and abandonment Kasper had experienced as a child, as well as the inhumane experience of being treated like some aberrant and peculiar specimen of nature (“Die Menschen sind mir wie die Wölfe”).
Fetus in Fetu: a remarkable example of male pregnancy In 1999, Sanju Bhagat, big-bellied male from India, had lived his whole life being pregnant. But this was not just any old case of male pregnancy. Bhagat was in fact pregnant carrying his own twin brother, a condition alliteratively known as fetus in fetu. At 36, he was rushed to the hospital for emergency surgery because of severe breathing problems. While the surgeons were expecting to find an enormous tumor growing inside Bhagat’s abdomen, they instead encountered bones, hair and limbs, among other things…
One hypothesis is that fetus in fetu is simply a highly developed teratoma known as a dermoid cyst. Another hypothesis is that the condition really is a parasitic twin fetus growing inside the host twin. Occurring in diamniotic, monochorionic pregnancies (that is, identical twins sharing the same placenta but not the same amniotic sac), one fetus is purported to envelop the other during fetal development. The enveloped twin then becomes a parasite, drawing from the host twin’s placental blood supply.
29
Stalin
Memes
30
Colofon De PanEssay is het faculteitsblad van de M.F.V. Panacea. Zij verschijnt vier keer per jaar. Ook zijn wij online te vinden op panacea.nl/panessay. De redactie opereert onafhankelijk van het bestuur der M.F.V. Panacea, volgens artikel 20 lid 6 van het Huishoudelijk Reglement der M.F.V. Panacea. Kopij kan via e-mail worden aangeleverd. De redactie behoudt zich het recht voor taalkundige wijzigingen aan te brengen of stukken niet te plaatsen. Plaatsing van een stuk houdt niet in dat de redactie de daarin weergegeven zienswijze onderschrijft. Hoofdredactie Chris Lenselink Redactie Bart HofstĂŠ Redactie Redactie Thomas van der Korst Redactie | Lay-out Chris Lenselink Hendrik-Willem Pasterkamp Redactie Redactie | Lay-out Marit Schulte Redactie | Lay-out Angelique Wortelboer Redactie Suzanne Schuurman Redactieadres M.F.V. Panacea, t.a.v. PanEssay Antonius Deusinglaan 1 9713AV Groningen E-mail panessay@panacea.nl Online www.panacea.nl/panessay Facebook PanEssay Instagram @panessay Oplage 2000 stuks Drukker OCC Crossmedia, te Breda Coverfoto Chris Lenselink Marit Schulte Sluitingsdatum eerstvolgende editie 7 november 2019
PanEssay
Activiteitenkalender Oktober 31 Tentamen 2.1.2 31 Herfstborrel November 2 Antonius Deusing dag 5 OWI Middag 6 EHBO cursus 6 Thema-inloopuur 7 How to Dutch Avond 8 Open Dag 9 Medische CarriĂŠre Dag 12 Algemene Leden Vergadering 21 Tentamen 2.1.3 26 Tentamen 1.1.3 26 Tentamen 3.1.3 December 4 Voortgangstoets 9 AkCie Almanakfeest 19 Tentamen 1.1.4 19 Tentamen 2.1.4 19 After Tentamen Borrel Jaar 2