JAARGANG 31 | NR 2 | JUNI 2018
PANESSAY
FACULTEITSBLAD DER M.F.V. PANACEA
24
20
23
VGT- hulp
Kiezen of delen
Co-column
Kennis! Informatie!
De schaduwkant van gedeelde besluitvorming
Het begin van het einde
18
26 Perverse Parasieten
Hypertension in Kenya
Krijg je kriebels van
An emergent epidemic
5
Uit de hokken
Kiezen of delen
20
6
Commissiepagina
Co-column
23
8
Interview prodecaan
VGT-hulp
24
10
Liefde voor het vak
Hypertension in Kenya
26
11
Verslag symposium
Film op recept
28
12
Fact or fiction
Thuiszorgcolumn
29
14
Dr. House in de Praktijk VII
Dokterscolumn
30
16
Fotopagina
Activiteitenkalender
31
18
Perverse parasieten
Redactioneel Lees ‘m in de zon op de Grote Markt, tijdens een barbecue in het Noorderplantsoen of neem ‘m mee op reis: de nieuwste PanEssay is er! Heb je geen vakantie omdat je deze zomer druk bezig bent met KTC en/of coschappen, dan biedt dit nummer je misschien enige troost tijdens de lange dagen die je maakt. Dat is helaas ook de reden dat ik mijn vertrek aankondig: dit is mijn laatste editie als hoofdredacteur omdat ik met M1 begonnen ben. Gelukkig kon ik over al dit leed mijn ei kwijt in de co-column.
Nog een laatste opmerking voordat ik echt vaarwel zeg: de PanEssay is op zoek naar nieuwe redactieleden!
Naast onze gebruikelijke columns hebben we weer een divers aanbod bestaande uit een interview met de nieuwe prodecaan, een casuspagina en het langverwachte al dan niet gevreesde vervolg op de top 12 meest ranzige parasieten die Placebo kon verzinnen. Ook konden de filmrecensies natuurlijk niet ontbreken, evenals Liefde voor het vak - deze keer geschreven door niemand minder dan longarts Sander de Hosson, wiens werk mijns inziens voor geneeskundestudenten nóg essentiëler is om te lezen dan Kumar & Clark.
Dan is het nu echt tijd om afscheid te nemen. Met plezier heb ik anderhalf jaar de inhoud van het blad overzien en de commissie voorgezeten. Redactie, bedankt; nieuwe leden, succes!
Fotografen, schrijvers, lay-outers, taalnazi’s iedereen is welkom. De sollicitaties vinden plaats in september.
Van het bestuur Waar de wereld in rep en roer is door een van de grootste “datalekken” van de geschiedenis van Facebook en waar het Nederlandse politieke landschap versnipperd is geraakt na de gemeenteraadsverkiezingen, gaat het leven bij M.F.V. Panacea rustig verder. Er is een aantal workshops georganiseerd, de After Tentamenborrels waren een groot succes en er is hard gelopen tijdens de Batavierenrace. En niet te vergeten: de ContraDIES was een prachtig georganiseerde chaos. Dat “opposites attract” bleek maar weer tijdens het ICE & FIRE gala. Na deze drukke periode zijn we lekker een weekje uit wezen rusten in het prachtige Boedapest met de Buitenlandse Reis.
Verder zijn wij als bestuur druk bezig geweest met de vereniging stukje bij beetje naar een hoger niveau te tillen. Er is hard gewerkt aan een vernieuwd privacybeleid. Dit jaar hangt er een groene schaduw over de vereniging, want bij een medische faculteitsvereniging is duurzaamheid een onderwerp waar zeker aandacht aan besteed mag worden. Nu het einde van het semester nadert, wensen wij alle bachelorstudenten veel succes met het afronden van hun studiejaar. Natuurlijk moedigen we ook alle masterstudenten aan die ook dit jaar weer door blijven zwoegen in de zomer. Tot slot: veel leesplezier, geniet van jullie vakantie en we zien jullie bij de introductie!
5
Commissiepagina
BeCO In oktober is het eindelijk zover: de Benefietmaand. Dit jaar zal Panacea zoveel mogelijk geld ophalen om bij te dragen aan een groot, interactief scherm in de wachtkamer van het Beatrix Kinderziekenhuis! Vooral voor kinderen is het belangrijk dat de ervaring in het ziekenhuis geen negatieve is. Dit hypermoderne scherm combineert diverse spelopties met fysieke activiteit, wat extra afleiding geeft van het vervelende ziekenhuisbezoek. Hier is echter veel geld voor nodig...
In oktober staan verschillende activiteiten gepland om geld op te halen voor dit mooie goede doel. In samenwerking met het UMCG zal een groots Benefietdiner worden georganiseerd. Daarnaast zal op 8 oktober het mooiste en grootste feest van Panacea plaatsvinden: het ORGIE! Schrijf deze datum dan ook snel in je agenda, zodat jij samen met ons zoveel mogelijk biertjes kan drinken voor het goede doel. Het thema houden we nog even geheim, maar we kunnen jullie verzekeren dat het adembenemend zal zijn. Dit alles wordt georganiseerd door de prachtige commissie genaamd de BeCO! Met een team bestaande uit voorzitter Joep, zijn hulpje Isabel, money girl Nienke, acqui-team Bas en Lisa, en promoter Silke, zullen we zorgen voor een onvergetelijke maand en hopen we zoveel mogelijk geld op te halen voor het Beatrix Kinderziekenhuis!’
MusicalCie Wij zijn de nieuwe MusicalCie ‘18-‘19! We zijn met tien fantastische meiden die ervoor gaan zorgen dat er volgend jaar een briljante musical opgevoerd kan worden. Alice is onze stralende voorzitster dit jaar. Bregje stelt onze begroting op. Sanne regelt alle acquisitie. Fennie is onze super secretaris. Tessa en Nienke hebben de leiding over cast en orkest. Moeke roos is baas choreografie. Femke verzorgt de outfits en Chantal het decor. En als laatst hebben we Jasmijn voor promotie. De vergaderingen duren vaak erg lang en afdwalen naar andere dingen is helemaal ons ding, maar dat maakt onze commissie niet minder leuk! Tijdens deze
6
lange vergaderingen is nu het belangrijkste onderwerp het vinden van de nieuwe musical. De keuze is niet makkelijk, maar tijdens het AkCie eindfeest zullen we aan iedereen bekend maken wat het gaat worden. Voor onze musical hebben we ook weer een geweldige cast, crew en orkest nodig. Ben jij of ken jij nou iemand met een prachtige stem en toffe dansmoves? Een geweldig muzikant die in de spotlight moet staan? Of iemand die ontzettend handig is en alles kan? In september kan iedereen zich opgeven voor weer een topproductie die we neer gaan zetten. Wees niet bang en steel de show!
Co-out Ook benieuwd wie dit jaar, op 29 juni, de Co-outdag organiseren? Let me introduce you to the family. Aan het hoofd staat onze eigen Don Daniel. Zijn dagelijkse portie pindakaas geeft hem de energie om zijn commissie de goede kant op te sturen (behalve in de auto). Gelukkig hebben wij Sebastian (a.k.a. Bannibal Lector) voor dit soort situaties. Naast kaartlezen blijkt hij ook uitstekend in radijspong te zijn, dit in tegenstelling tot consigliere Ilse. Onze koningin der notulen bleek sowieso niet erg goed in spelletjes. Dan hebben we nog onze Granny, Nathalie. Op het eerste gezicht misschien een burgerlijke oma, maar geef haar een circuspiste en ze weet de hele tent te boeien met haar exotische
dansjes. Wie overigens ook niet vies is van iets exotisch, is onze goedlachse Barbara. Barbara is gelukkig beter in lachen dan het afwerken van haar to-do lijst. Het laatste lid van de familie is Pepijn, die zijn hoofd altijd koel houdt, zelfs in een verhitte discussie met enigszins gepikeerde sponsoren. Ondanks dat deze commissie uit masterstudenten bestaat, zijn zij alles behalve saai. Zo spelen zij graag een potje radijspong en zijn zij prima in staat om de alcohol al vroeg op de dag te laten vloeien. Helaas bleek bij twee commissieleden het oog groter dan de maag, maar gelukkig zijn er dan altijd de anti-katerontbijtjes van Nathalie om iedereen er weer bovenop te helpen.
PanEssay Ach ja, die commissiestukjes. Na het verwijderen van de zoveelste spelfout uit het zoveelste enthousiaste tekstje vragen wij ons af hoe deze dyslectici ooit heldere modelstatussen gaan schrijven, en wagen we het er zelf maar eens op. Want eigenlijk is het toch wel gek: alle Panaceacommissies zijn al meerdere keren langsgekomen, waarom wij niet? Misschien omdat we het al vrij druk hebben met de andere dertig pagina’s van dit blad. Met plezier schrijven we columns, interviews, recensies en reportages, spellingschecken we totdat we
net als de Co-outcommissie zelf ook niet meer weten hoe je ‘Co-outdag’ schrijft en lay-outen we vervolgens de hele unit in elkaar. Dit alles heeft als gevolg dat jij vier keer per jaar een prachtige PanEssay in je brievenbus kunt krijgen! We hopen dat ook deze weer bevalt, en dat ‘ie je misschien wel inspireert om bij onze commissie te komen. We zoeken namelijk nieuwe leden, dus kan jij fotograferen/schrijven/lay-outen/spellingschecken/nu nog helemaal niets? Meld je dan in september aan!
7
Klaas te Nijenhuis
Een nieuwe visie Interview met de prodecaan Dat G2020 verreweg het meest ambitieuze, leerzame en uitdagende geneeskundecurriculum van Nederland is, dat staat boven kijf. Professionaliteit staat in Groningen bijzonder hoog in het vaandel. Gelukkig heeft onze nieuwe prodecaan, Gerda Croiset, ambitie in overvloed. Als prodecaan is ze verantwoordelijk voor alles in het UMCG wat met onderwijs te maken heeft. Wat zijn haar ideeën over G2020?
Zoals velen van ons wist mevrouw Croiset niet al van jongs af aan wat ze wilde worden. Haar gehele carrière is dan ook (wijselijk) gebaseerd op het ernaar streven om te doen wat ze echt leuk vindt. ‘Ik heb altijd gedaan wat bij mij past, ik heb nooit mijn loopbaan gepland. Ik wil dat iedereen graag aanraden. Plan je loopbaan niet, want het verandert toch altijd: je kunt heel strategisch kiezen dat je over tien jaar een hele goede baan hebt, maar het is uiteindelijk niet zo simpel. Het klinkt allemaal heel mooi, maar je moet je wel realiseren. Waar ben ik tussen 9 en 5 of eigenlijk 8 en 6 zoals vaak realiteit is, vijf of vier dagen per week? Wat ben ik dan aan het doen en word ik daar gelukkig van? Als je kijkt naar studenten geneeskunde, willen de meesten eerst chirurg of kinderarts worden. Ze hebben vaak het gevoel dat ze gaan zorgen, maar in werkelijkheid ben je een dokter die over behandeling gaat. En dat is niet altijd even makkelijk als het om kinderen gaat die vaak erg ziek zijn.’ ‘Toen ik geneeskunde studeerde moesten er waar ik werkte farmacologiepractica voor geneeskunde georganiseerd worden. Er waren weinig artsen op de afdeling dus ik was de enige die dat kon doen. Ik vond dat zo ontzettend leuk dat ik steeds meer ging doen met onderwijs, en gevraagd werd om opleidingscoördinator te worden.
8
Hoe ziet u het verschil tussen de opleiding hier en die in Utrecht? ‘We hebben in Groningen natuurlijk learning communities en dat kleurt de studie. We denken veel na over de dokter van nu maar ook over de opleiding van de dokters van morgen. In Groningen hebben we daaraan als geen andere universiteit invulling gegeven met de learning communities. Het ontwerp van onze geneeskundeopleiding is heel mooi, mooier dan dat van andere steden.’ Over learning communities gesproken: in welke zou u zelf zitten? ‘Ik weet nog niet zoveel van duurzame zorg en global health, dus ik zou voor een van die twee gaan. Ik ben al onderzoeker, dus molecular medicine weet ik al. Ik ben altijd op zoek naar iets nieuws om te leren.’ Een van de voornaamste terugkerende klachten die studenten hebben over G2020 is het gebrek aan colleges. Wat is uw houding tegenover het aantal colleges dat we nu krijgen? ‘Nou, ik vind colleges interessant als daar een rolmodel voor de zaal staat, die de student verder helpt met het vak. Ik vind bijvoorbeeld patiëntcolleges erg boeiend, omdat je met elkaar klinisch aan het redeneren bent en je afvraagt: “hoe denkt een dokter hierover en
wat kan ik hiervan leren?” Zodra je als docent dingen vertelt die ook in het boek staan, zijn studenten na vijftien minuten de draad alweer kwijt en heeft het niet zoveel zin. Naar mijn mening zijn meet the expert bijeenkomsten veel nuttiger, vooral als je er niet zelf uit komt. Ik ben dus niet tegen colleges, zeker niet, maar we moeten er wel naar streven om ze zo interactief mogelijk te maken.’ ‘Wat heel erg belangrijk is, is de organisatie. Hebben we alles goed georganiseerd? Wie doet wat en wie is waarvoor verantwoordelijk? Jullie volgen het onderwijs, en meestal is dat het eindproduct, alles wat jullie zien. Jullie zijn echter met 3300 studenten en er zit een heel bureau achter om dat allemaal te organiseren.’ Het opzetten van de masters Neuroscience and cognition was uiteindelijk veel minder ingewikkeld dan het opstellen van een geneeskundecurriculum. We hebben een aantal thema’s per semester, en dat betekent dat we voor een bepaald thema de fysioloog, de histoloog, de neuroloog, de anatoom, de biochemicus, de pathofysioloog en bijvoorbeeld de maag-darm-leverarts nodig hebben om een medisch vraagstuk uit te werken. En die moeten allemaal met elkaar samenwerken, terwijl ze elkaar in de praktijk bijna nooit tegenkomen. ‘De kunst is om van het curriculum een samenhangend geheel te maken. Ervoor zorgen dat er een opbouw in zit, dat iemand die aan het eind van het derde jaar van de bachelor zit weet wat er aan het begin van bachelor jaar 1 besproken is. Om dat te verwezenlijken moeten wij heel goed georganiseerd zijn. Er moet een logische opbouw zitten in de oorzaken van ziekten, alle learning communities moeten van elkaar weten wat ze doen, en om dat voor elkaar te krijgen, daar heb je bijna het hele huis bij nodig.’ Klinkt alsof u af en toe ook aan ontspanning toe bent! Wat doet u het liefst met uw vrije tijd? ‘Ik wandel graag in de natuur en speel graag golf met mijn man en gezin. Dat doen we niet goed maar we vinden het geweldig om samen in de natuur te zijn. We hebben twee zonen, een van 22 en een van 24. We vinden het ook heerlijk om naar de schouwburg of het theater te gaan. Groningen heeft een heel mooi programma wat betreft theater en muziek. Er gaat niets boven Groningen, dat vind ik inmiddels ook.’ Of je G2020 nou een mismaakt monster van een curriculum vindt of een geweldig idee dat nog geweldiger vorm is gegeven, één ding is zeker: elk jaar knarsen de hersenen van tientallen healthcare professionals om het te verbeteren, en mevrouw Croiset is bijzonder gekwalificeerd om daarin bij te dragen. Als het ingekorte cv hiernaast je daar niet van weet te overtuigen, zoek dan eens het 25 pagina origineel op LinkedIn op.
Naam: Gerharda Croiset (Gerda) Geboortedatum: 13 augustus 1956 Geboorteplaats: Enschede Opleiding 2018 BIG herregistratie 1993-‘95 Artsexamen, UU 1989-‘92 Doctoraal Geneeskunde, RUU 1985-‘89 Promotie RUU, proefschrift: ‘The impact of emotional stimuli on the immune system’ 1978-‘85 Doctoraal Biologie (cum laude), RUU: hoofdvakken Scheikundige Dierfysiologie, Immunologie, nevenrichting Microbiologie, bijvak Didactiek van de Biologie (eerstegraads onderwijsbevoegdheid) 1975-‘78 Zoölogisch analist HBO-A (fysiologisch/farmacologische richting) Instituut, Utrecht Carrière 2018 Prodecaan Onderwijs en opleiding, UMCG, Groningen 2011- Hoogleraar medisch onderwijs, VU Amsterdam 2009- Opleidingsdirecteur BSc en MSc opleiding geneeskunde VUmc 1989-’92 Toegevoegd onderzoeker, Rudolf Magnus Instituut, Medische Farmacologie, RUU
9
dr. S.M. de Hosson
Liefde voor het vak Consoler toujours ‘Hoe houd je dit vol?’ De onderdrukte trilling in de stem van de coassistente is nog net hoorbaar. Als ik me naar haar toe draai, zie ik de rode blossen op haar wangen en de tranen in haar ooghoeken. Het is haar tweede week in het ziekenhuis, eindelijk, na drie jaren in de collegebanken. Ze is kordaat en consciëntieus. We komen net uit een heftig gesprek met een man van tegen de tachtig. Sinds kort is bekend dat hij longkanker heeft, met uitzaaiingen door zijn hele lichaam. We hebben hem twee dagen opgenomen om het vocht weg te halen dat zich achter zijn long verzameld had. Meer dan vier liter hebben we verwijderd. De procedure was een succes; de opluchting van de man spreekt boekdelen. Zijn benauwdheid is afgenomen. Dat neemt niet weg dat zijn conditie de laatste maanden in vrije val is geraakt. En hoewel hij nog van alles wil, heb ik hem net verteld dat gezien zijn conditie chemotherapie niet zinvol is. Ik heb hem net verteld dat hij gaat sterven. Hoe houd je het vol?’ is een vraag die me veel vaker gesteld wordt. Het antwoord is minder complex dan je misschien verwacht. Het begeleiden van mensen met leed van dit kaliber is van een ongekende schoonheid. Dagelijks werken vele zorgverleners zoals ik aan kwaliteit van leven en sterven voor patiënten die niet meer beter zullen worden. We werken aan het verlichten van pijn, benauwdheid en angst, en we praten over hoe het verder gaat. Over sterven, over de dood. Wat daarbij wel en niet meer kan, hoeft en moet. We vertellen over krachtige medicijnen die we hebben om te voorkomen dat mensen stikken. Alleen al dat laatste bericht geeft zoveel opluchting. Werken aan kwaliteit van leven tot in de allerlaatste minuut is een ongekende drijfveer die dit werk dragelijk maakt, hoe verstikkend het nieuws dat je moet brengen ook is, en hoe verstikkend de situaties ook zijn waarin je terechtkomt. Troost – men noemt het ook wel compassie – is wat patiënten het hardst nodig hebben. De eerste weken na de collegebanken kunnen een rauwe gewaarwording zijn. Ineens zijn al die interessante casuïstieken echte mensen. Ineens blijkt verlies van functies en vooral waardigheid patiënten het meest te tarten. Ineens blijkt dat een ongeneeslijke ziekte, het stervensproces, de dood en vooral zijn gruwelijke
10
onomkeerbaarheid schrijnender zijn dan de opleiding je ooit heeft verteld. Als het voor een coassistent moeilijk wordt en de tranen nabij zijn, pak ik de volgende prachtige spreuk erbij.
La médecine c’est guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours. Geneeskunde is soms genezen, vaak verlichten, maar altijd troost bieden. (toegeschreven aan Ambroise Paré, 1510-1590)
Deze woorden prijken aan de muur van mijn spreekkamer, en ik gebruik ze steevast in mijn presentaties. Vooral zijn ze echter aanwezig in mijn gedachten; ze definiëren voor mij de taken die elke zorgverlener behoort te hebben. Als ik dit lees, besef ik waar het in de zorg echt om gaat en vind ik de passie om vol te houden. Het is het bieden van troost en compassie dat uiteindelijk ook mijzelf troost. De laatste taak die in de spreuk genoemd wordt, heeft in medische en verpleegkundige opleidingen een ondergeschikte plek, terwijl troost bieden veruit het belangrijkste streven van zorgverleners hoort te zijn. Het zou op elke deur van elk opleidingsinstituut gehamerd moeten worden. Ik nodig iedere student uit deze eeuwenoude wijsheid in gedachten te houden bij al het belangrijke werk dat hem of haar te doen staat. Consoler toujours. Het helpt je patiënt, het helpt jou. De bovenstaande tekst maakt deel uit van De Hossons nieuwe boek Slotcouplet en is gepubliceerd met toestemming van de auteur.
Lisa Havinga
Het 31e symposium Recensie: Gelukkige Zelfhulp? De ontvangst van het 31e symposium van M.F.V. Panacea - ‘Happiness on Prescription, from Health to Addiction’ - deed niet onder voor het gemiddelde hoge-piefencongres. Als je denkt dat er enige schattigheid gebonden is aan studenten die een symposium organiseren, then think again, op 17 maart vierde de professionaliteit hoogtij. Toen tijdens de pauze de rijk gevulde wraps en panini’s me om de oren vlogen, verbaasde ik me over het schamele entreebedrag van twee euro. Volgende station na de ontvangst: de goodiebags. In de tas zat meer plastic dan door het gemiddelde studentenhuis in een maand weggegooid wordt, in de vorm van meeneemtandenborstels, pennen, flesjes water, stickers, bakjes met pepermuntjes en vooral oeverloze hoeveelheden kortingsbonnen. Van al die aanbiedingen kreeg ik meer stress dan het me geld opleveren zou. Kunnen we hier niet eens mee stoppen? Het thema van het symposium was geluk. De commissie had een indrukwekkende hoeveelheid workshops en lezingen verzameld. Voorafgaand aan de workshops was er een aantal introductielezingen, waaronder een lezing van dagvoorzitter Anton Scheurink over verslaving. Dit was precies wat je van een gastcollege verwacht: de kern van zijn verhaal was helder, het was begrijpelijk en hield de aandacht vast. Vooral de aan alcohol verslaafde ratten deden het goed. Dit verhaal werd gevolgd door een lezing van dé geluksprofessor van Nederland, Ruut Veenhoven. Na meerdere lovende inleidingen en introducties van de commissie en dagvoorzitter, waren de verwachtingen torenhoog. Wat er volgde, viel ongelukkigerwijs flink tegen. De professor onderzocht al jaren het fenomeen geluk, maar kwam hier niet veel verder dan het opsommen van allerlei termen die iets te maken hadden met geluk. Mijn buurvrouw keek me aan, we vroegen elkaar zonder woorden: en nu dan, wat moeten we daarmee? Aan het eind van de dag sloot seksuologe Ellen Laan af met een sterk verhaal over de vrouwelijke seksualiteit. Het grootste deel van haar college had weinig meer te maken met het thema geluk (hoewel, we kunnen het thema ook zo breed opvatten dat seks geluk is). Ik was onder de indruk van haar laatste slide met daarop, zoals we gewend zijn bij G2020, Take Home Messages aan het vrouwelijke publiek: zorg dat je klaarkomt tijdens seks, zeg wat je wil, ken jezelf dus, oefen en zorg vooral dat je het leuk hebt.
Tussen de lezingen door kregen we workshops. Dit symposium bleek voor een groot deel geen informatieoverdracht of kennisuitwisseling te bevatten, maar begon één grote zelfhulp- en zelfontwikkelingscursus te lijken. Tijdens meerdere workshops moesten we vooral heel veel nadenken over onze grenzen, onze doelen, onze wensen, kortom: over onszelf. Ik miste een kritische toon; is dit wat we geluk noemen, het zoveel bezig zijn met jezelf? Zou het niet eens een goede les voor ons zijn het te zoeken in wat meer kijken naar buiten, naar de anderen, in plaats van dat heilige geloof in zelfontplooiing? De trends in tv-taal waren ook in dit symposium hoorbaar: we moesten terug naar onze basis, voelen waar je kern zit, leren jezelf te respecteren en er vooral durven te zijn. Op het einde van de dag waanden we ons in Klein Amerika, lieten we ballonnen los terwijl we schreeuwden hoe goed we zelf waren, hoe mooi, hoe knap. Een welkome afleiding van al deze focus op het eigene was een workshop over klank- en muziektherapie. We neurieden verlegen, werden gemasseerd met de trillingen van klankschalen en aan het eind van de sessie lukte het ons, een schuchtere groep bezoekers, samen een mantra te zingen. Zonder dat het constant benoemd werd, voelde ik me daar nu echt tot m’n kern komen. En laat ik hier nu ook tot de kern komen: de organisatie van het symposium liet niets te wensen over, de hoeveelheid keuze in de workshops was indrukwekkend, de inhoud ervan had wellicht op een andere gelegenheid beter gepast. Ik denk dat het goed is een symposium te gebruiken waarvoor het bedacht is en de zelfhulp voor een volgende keer iets meer op afstand te houden.
11
Emma Kok
Fact or fiction? The truth behind old wives’ tales We’ve all been told by parents or teachers to ‘wrap up warm’, ‘eat your greens’, ‘eat chicken soup when you’re ill’, ‘eat fish to improve your memory’, and even ‘don’t pull your face like that because if the wind changes it will stay that way’. Unsolicited advice from well-meaning elders that is generally ignored. But is there any truth in these words of wisdom? PanEssay went in search of the science behind these old wives’ tales. Chicken soup ‘flu’ away Chicken soup is a well-known remedy for the flu, often forced on children by mothers or grandmothers. But, does consuming a hot bowl of soup have any effect? Studies have shown that chicken soup can actually help reduce the inflammation associated with flu, and indeed any kind of soup can help relieve symptoms. Hot liquid reduces congestion by both increasing the movement of nasal mucous and dilating blood vessels to increase blood flow, helping the mucous to expel everything. Another benefit of soup is that it is hydrating, with water and salt both improving hydration; essential in fending off an infection. So, it’s not just chicken soup that helps you when you’re ill. Try vegetable soup as an alternative, as vegetables also have anti-inflammatory capabilities. Maybe mum was right making you eat that soup after all? Brainpower booster or a fishy tale? It has long been believed that omega-3 fatty acids in oily fish are an important brain food. Omega-3 fatty acids are known to be important for brain function and research has shown that these may slow the biological effects of ageing. However, more recent research suggests that this isn’t exactly the case, or rather that it’s not only the omega-3 fatty acids in fish that improve memory and cognition. Eating baked or grilled fish once a week was found to be linked to larger amounts of grey matter in specific areas of the brain; areas responsible for memory and cognition. The measured levels of omega-3 fatty acids varied considerably and seemed not to influence the increase in grey matter. This suggests that another causal factor is responsible for the larger volumes of grey matter associated with consuming fish. Other research found that the speed of processing information among middle-aged men
12
increased with higher levels of vitamin D, which is also found in oily fish. This association was of greater significance in men over 60 years. Although more research still needs to be conducted to figure out exactly what substances in oily fish are responsible for its status as a brain power booster, deciding to consume more fish seems like a no-brainer! Bee kind to yourself – spread a little honey Honey in your tea is an age-old remedy to alleviate coughs and sore throats. Studies have demonstrated that this remedy actually works. Children with upper respiratory tract infections were given honey, which appeared to reduce their coughing and helped them sleep during their infection. Honey has also been used in the past to help fight off infection. Bees produce a protein called defensin-1 that they add to honey. Defensin peptides are essentially natural antibiotics that act against a range of microorganisms: bacteria, fungi and some viruses. Defensin-1 in honey has also been shown to contribute to cutaneous wound closure. So next time you’re feeling under the weather with a sore throat, ‘bee’ kind to yourself and try a dose of honey. Can your hair turn ‘white with fright’? An often-heard old wives’ tale is that stress or fear will turn your hair white. And there are many stories of people’s hair suddenly turning white as a result of a stressful incident, such as an extremely difficult birth, loss of a loved one or, as with Marie Antoinette, impending decapitation. Does science back up this possibility? There is evidence that stress hormones produce inflammation that increases the production of free radicals that could affect melanin production. If the signal to deliver melanin is disrupted, no melanin is delivered to the keratinocytes that construct hair.
Other studies have shown that hair greys when melanin-making cells produce hydrogen peroxide, which is usually broken down by an enzyme called catalase. As this enzyme production drops with age, hydrogen peroxide builds up and blocks melanin production. That explains a more gradual greying process in response to stress, but what about that sudden ‘white with fright’ phenomenon? A condition known as alopecia ariata, thought to be caused by a stress-induced autoimmune response, may result in the sudden shedding of pigmented hair. So, a severe shock could trigger hair loss, with only the pigmented hairs falling out, leaving someone who already has some grey with a head of grey/white hair. But all your hair turning white with fright? Dismiss that to the realms of fiction. Carrots: a sight for sore eyes Parents often used to tell their children to eat their carrots as it will help them see in the dark. Is there any truth to this? Carrots do contain vitamin A, specifically beta carotene, which is useful in protecting the cornea. So, carrots are generally good for your eyes and indeed, in some people with a vitamin A deficiency, poor sight can be reversed using supplements. However, the idea that carrots can enhance your night-time vision is false. Interestingly, this myth’s popularity is mainly attributed to WWII propaganda in Britain. The Royal Air Force in Britain started using radar technology called Airborne Interception Radar (AI) in 1939. This meant they were able to determine the location of enemy bombers before they arrived over Britain, even at night, and could shoot them down. To keep this secret, the government released propaganda suggesting that carrots were the reason for British pilots’ night-time success. Don’t crack your knuckles or you’ll suffer from arthritis when you’re my age Teachers and parents are fond of this one, but is there any evidence to support the claim? Various knuckle-cracking studies have so far been unable to find a link with arthritis. Researchers in all the studies conducted have concluded that the likelihood of suffering from arthritis is the same whether you crack your knuckles or not. However, if knuckle-cracking floats your boat you should be wary as there is evidence to suggest that the habit may not be completely harmless and may result in higher rates of inflammation and a weaker grip. Not to mention the fact that’s it’s annoying for your flatmates. If you’re a knuckle-cracker and want to break the habit, various therapies
are available. Although the well-known rubber band method (snapping a rubber band around your wrist whenever the knuckle-crack urge emerges) may be just as irritating for those around you as your original habit! Wrap up warm or you’ll catch a cold Over 200 viruses can cause the unpleasant symptoms associated with the common cold; coughing, sore throat, a bunged-up or runny nose, headaches and sneezing. So, if colds are caused by viruses why have mums throughout the ages told us to wrap up warm? Well there is evidence to suggest that becoming chilled might give you a cold. Rhinoviruses, the most common causes of colds, have been shown to reproduce more easily at just below body temperature. When a virus invades warmer cells, the host cells produce many more interferons that inhibit the spread of a virus by instigating an immune response. However, this warning system is less efficient in the cooler nasal cavity, allowing the virus to spread more easily. Moreover, more recent studies show that latent infection can be activated when parts of the body are chilled. Many people are mildly infected with viruses and show no symptoms. However, if they become chilled the blood vessels in the nose constrict, shutting off the warm blood supply to leukocytes, allowing the dormant infection to take hold. So, mothers seem to be right on this one. Not only should you wrap up warm, you should wear a scarf to keep your nose warm. You can even buy nose-warmers these days, but they look so weird that a cold may be preferable. A difficult pregnancy or labour? It must be a boy! It’s long been believed that that if you have a difficult pregnancy, labour and birth you’re likely to be having a boy. There’s now evidence that this old wives’ tale may be true. A 2015 study examined the emotion of aversion and how it differs according to the sex of the baby. Researchers suggested that aversion was a protective mechanism that helps the mother avoid risk during pregnancy. The study showed that, in boy pregnancies, aversion remained high in the second trimester. The researchers suggest that male foetuses are more vulnerable to their environment, with mothers presenting protective behaviours for longer to compensate for this. Another study analysing over 8,000 births showed that, on average, labour for boy births lasts longer and that delivery complications were more likely. Overall, 29 percent of boy deliveries required additional intervention opposed to 24 percent for girls. A possible reason is that boys tend to weigh more at birth than girls and have larger heads. Boys also appear to suffer more distress in the womb and are more vulnerable shortly after birth, with the more difficult delivery possibly playing a role in this. So, boys make life difficult for themselves and those around them; who’d a thunk it?
13
Arno Bourgonje & Liesbeth Visser
Dr. House in de praktijk VII Een mysterieuze macula Tijdens je klinische stages komen al die dozijnen hypertensieve horecaondernemers,
koortsige
kassamedewerkers
en
lang
conchae
uit,
bijzondere
de
waardoor
een
palpiterende casus
politieagenten een
welkome
je
al-
uitda-
ging kan zijn. Een casus met een ronduit onverwachte diagnose. In deze editie presenteren wij zo’n casus, met een diagnose die zich klinisch moeilijk laat ontdekken… Een negentigjarige man komt op de polikliniek dermatologie vanwege een al sinds jaren bestaand plekje op zijn rechterwang. Hoofdklacht? Plekje op de rechterwang. Anamnese Op het spreekuur van de dermatoloog verschijnt een negentigjarige man, vergezeld door zijn vrouw en oudste dochter. Sinds jaren heeft hij een lichtbruin plekje op zijn rechterwang van ongeveer 2-3 centimeter groot. Hij heeft het idee dat het geleidelijk wat groter is geworden. Hij geeft aan bang te zijn voor huidkanker, omdat hij dit vorig jaar ook heeft gehad. Soms bloedt het bij het wassen van zijn gezicht, dat vindt hij erg lastig. Het doet geen pijn en jeukt niet. Enkele weken geleden is hij ermee naar de huisarts geweest. Deze heeft eenmalig lokaal behandeld met stikstof, zonder enig effect. Meneer vertelt dat hij er afgelopen week dagelijks vaseline op heeft gesmeerd, omdat het ook wat droog aanvoelde. Dit had geen enkel effect. Bij navraag blijkt meneer vroeger als boer veel in de zon te hebben gewerkt. Hij heeft nooit zonnebrandcrème gebruikt. De laatste jaren komt hij niet zo vaak meer buiten. In de voorgeschiedenis staat een basaalcelcarcinoom (2017), atriumfibrilleren en een TIA. Hij gebruikt de volgende medicatie: acenocoumarol (anticoagulans), simvastatine (cholesterolsyntheseremmer), nebivolol (bètablokker) en perindopril (ACE-remmer). Hij heeft nooit gerookt en drinkt twee glazen alcohol in het weekend. Bij uitvragen van de familieanamnese blijkt zijn zus ook een basaalcelcarcinoom te hebben gehad (op het hoofd). Er komen geen melanomen voor in de familie.
14
Lichamelijk onderzoek Bij algemene inspectie wordt een niet-zieke, vitale man gezien met helder en adequaat bewustzijn. Bij dermatologisch onderzoek blijkt macroscopisch sprake te zijn van een solitaire, 3 centimeter grote, grillig gevormde en onscherp begrensde lichtbruin gepigmenteerde macula (zie afbeelding A). Bij dermatoscopisch onderzoek (met 10x vergroting) wordt een gedetailleerder beeld van de afwijking verkregen. Hierbij wordt een annulair-granulair patroon waargenomen (een fijnkorrelig pigment met ringvormige rangschikking) met hoekige tot ruitvormige hyperpigmentaties rondom de haarfollikels (zie afbeelding B). Op basis van deze dermatoscopische kenmerken heeft de dermatoloog sterke aanwijzingen voor de diagnose. Aanvullend onderzoek Differentiaaldiagnostisch kan in deze casus worden gedacht aan een dysplastische naevus (‘moedervlek’), basaalcelcarcinoom (zoals ook in de voorgeschiedenis), actinische keratose (premaligne voorstadium van plaveiselcelcarcinoom), keratoacanthoom, verruca seborrhoica (‘ouderdomswrat’), lentigo maligna, plaveiselcelcarcinoom of een melanoom. Om de juiste diagnose te stellen en een eventueel melanoom uit te sluiten, worden er enkele diagnostische biopten uit de laesie genomen en ingestuurd voor pathologisch onderzoek. Wat is uw (werk)diagnose? De diagnose luidt lentigo maligna (synoniemen: ziekte van Dubreuilh, melanosis precancerosa). Lentigo maligna wordt gekenmerkt door een grillig gevormde, langzaam groeiende, onscherp begrensde, bruin tot zwart gepigmenteerde macula. De vlek komt meestal voor op het gelaat (met name de wangen), maar ook
wel op andere aan de zon blootgestelde huidoppervlakken. Zonexpositie (dat wil zeggen blootstelling aan ultraviolette straling) is namelijk de belangrijkste veronderstelde risicofactor voor het ontwikkelen van lentigo maligna. Dit verklaart de vaak late presentatie (meestal boven de leeftijd van zeventig jaar) en het vaker voorkomen van de afwijking bij mensen met buitenberoepen (ook in deze casus). De naam van de diagnose suggereert al dat het een premaligne huidafwijking betreft: het wordt ook wel beschreven als een ‘intra-epidermaal melanoom’. Bij verticale, invasieve groei (het doorbreken van de basaalmembraan) in de huid kan lentigo maligna zich ontwikkelen tot een lentigo maligna melanoma (LMM), een van de typen melanomen. Dit gebeurt in circa 5% van de gevallen. De klinische presentatie van de huidafwijking is doorgaans minimaal: behalve het zichtbare uiterlijk is er soms sprake van lichte jeuk. Meestal bezoekt een patiënt de huisarts of dermatoloog vanwege zorgen over mogelijke huidkanker of vanwege cosmetische redenen. De diagnose kan meestal op zicht worden gesteld met behulp van een dermatoscoop (vergrotende loep met ingebouwde verlichting). Het dermatoscopisch uiterlijk van lentigo maligna houdt vaak het midden tussen een dysplastische naevus en een melanoom. De klassieke kenmerken bij dermatoscopie betreffen onder andere een annulair-granulair patroon (ringvormige rangschikking van ‘dots’, korrelige pigmentatie), hoekige tot ruitvormige hyperpigmentaties rondom de haarfollikels (‘rhomboïde hyperpigmentatie’), folliculaire openingen met hyperpigmentatie en verstopte haarfollikels (zie afbeelding C). De diagnose kan pas echt worden bevestigd na histologisch onderzoek van de laesie. Hiervoor worden enkele kleine diagnostische biopten genomen uit de laesie met behulp van een appelboortje. Bij sterke verdenking op een melanoom wordt er niet gebiopteerd, maar vindt een diagnostische excisie plaats van de gehele laesie. Histologisch wordt lentigo maligna gekenmerkt door een toename van atypische, staafvormige melanocyten in de huid nabij de grens tussen epidermis en dermis, soms solitair, maar vaker gegroepeerd, die zich uitbreiden in de trechtervormige uiteinden van de haarfollikels.
A
B
Hoe ziet de behandeling eruit? Hoe is de prognose? De behandeling van een lentigo maligna is meestal chirurgisch, met een therapeutische excisie met ongeveer 5-10 mm marge. De laesie kan in één keer in zijn geheel worden geëxcideerd, maar dit kan ook gefaseerd plaatsvinden waarbij zo weefselsparend mogelijk wordt gewerkt (Mohs’ micrografische chirurgie). Naast chirurgische excisie bestaan er ook andere behandelmogelijkheden, zoals radiotherapie, cryotherapie (bevriezing) en topicale applicatie van imiquimodcrème (Aldara®). Bij topicale applicatie van imiquimod wordt de ongecontroleerde celgroei in de huid afgeremd door activatie van een cytotoxische T-cel gemedieerde immuunrespons. Imiquimodcrème wordt doorgaans gebruikt bij de behandeling van actinische keratose, superficiële basaalcelcarcinomen en condylomata acuminata (genitale wratten), maar kan ook bij lentigo maligna of seborroïsche keratosen dienst doen. De prognose van lentigo maligna is over het algemeen goed. Meestal zijn er binnen vijf jaar na therapie weinig recidieven. Daarna wordt deze kans wel steeds groter. De reden hiervoor is dat er zich vaak nog steeds atypische melanocyten in de huid nabij de laesie bevinden, soms op zodanige afstand dat deze niet zijn meebehandeld. Deze subklinische uitbreiding wordt verantwoordelijk geacht voor het optreden van een eventuele herhaling. De levensverwachting van de patiënt wordt door lentigo maligna in elk geval niet beïnvloed. In de follow-up is het vooral belangrijk de patiënt goed te instrueren de gehele lichaamshuid regelmatig te blijven controleren op verdachte plekjes. Dit is met name belangrijk voor patiënten met een toegenomen risico op het ontwikkelen van een melanoom (denk hierbij aan een ernstig zonbeschadigde huid). Uiteraard geldt dit advies voor alle patiënten. Afloop van de casus Bij de negentigjarige man uit de casus werd de lentigo maligna behandeld door middel van therapeutische excisie met een marge van 5 mm. Daarnaast werden hem de genoemde adviezen meegegeven om de kans op maligne ontaarding van verdachte plekjes zo klein mogelijk te maken door vroegtijdig in te grijpen.
C 15
Placebo
Perverse Parasieten II Van aarsmade tot zweepworm Wie walgt er niet van parasieten? Dan hebben we het niet over je huisgenoot die jouw zak chips als zijn zak chips beschouwt, of de tutorgroepgenoot die meelift op je harde werk, maar al het lelijks dat de natuur te bieden heeft. Afzichtelijke wezens die in al je lichaamsholtes groeien en bloeien, met maar één taak: jou af laten sterven. Vorige editie presenteerden we onze nummers twaalf tot en met zeven in deze stoet van walgelijke schepsels. Deze editie de zes walgelijkste winnaars. Gevoelige types kunnen nu beter de Libelle gaan lezen.
6 Ascariasis
5 Strongyloides
Ascaris lumbricoides, de menselijke spoelworm. Rond een op de tien derdewereldlanders heeft het genot dit wezentje in de darmen te hebben. Als Wanneer je je buikje lekker rond hebt gegeten met menselijke uitwerpselen, gaan ze direct je dunne darm in en hangen daar een Xenosbordje met HOME aan de muur. Vervolgens komt er elke avond een All You Can Eat-buffet van halfverteerd voedsel langs, waar kleine wormpjes grote dikke pieren van worden. Daarna doen ze neuksekse en gaan hun kindertjes je bloed in, waarna de larfjes rijpen in de longen. Kijk de volgende keer dat je een witte klodder op de stoep rochelt dus maar even goed of er geen wormpjes tussen kruipen.
Als er een beest gebouwd is om het eind der tijden te halen, dan is het wel Strongyloides stercoralis. Deze worm heeft geen gastheer nodig om te overleven, maar kan ook chillen en zich voortplanten onder de grond. Toch gaat hij het lekkerst wanneer hij een mens kan infesteren. Hiervoor heeft deze worm de keuze uit een aantal aanvalstactieken: als een soort Pokémon des verderfs kan hij zich transformeren tot een worm die je huid penetreert. Eenmaal binnen kruipt hij door je bloedvaten tot je longvaten zijn bereikt. Daar wurmt (pun intended) hij zich je longen in, om vervolgens via je luchtpijp omhoog te kruipen. Voel je het ook opeens kriebelen in je keel? Vanaf je slokdarm is het maar
18
een klein stukje naar de dunne darm, alwaar de worm doorevolueert tot een worm die je kan besmetten via je eigen faeces. Deze worm is dan ook nauwelijks uit te roeien; er zijn gevallen bekend van tientallen jaren huisvesting voor dit beestje, ondanks behandeling.
beschikbaarheid van operatiekamers in West-Afrika, wordt dit meestal gedaan door boer Kwabena met een roestig mes. En ja, daarbij moet hij je oog opensnijden.
4 Candiru
Wikipedia: “Naegleria fowleri (ook bekend als “hersenetende amoebe”)” Do we need to say more?
Wie denkt dat Oost-Groningers primitieve wezens zijn, heeft nog nooit lampreien gezien. Een soort zwemmende bloedzuiger met een bek met duizend tandjes, die zich aan je vastzuigt als een eindbaas in de Negende. Meestal hangen ze een beetje rond in de kieuwen van vissen, maar een van de lampreien in het Amazonegebied is de nachtmerrie van elke plassende jongeheer. De Vandellia cirrhosa, of Candiru, is een doorzichtige vis van zo’n 15 centimeter, die een zekere naam heeft gemaakt door ooit in de plasbuis van een wildplassende Braziliaan te springen. Uiteraard is deze vis uitgerust met de nodige weerhaken voor dat beetje extra sadisme. Een pijnlijke operatieve ingreep moest volgen om de vis uit de plasbuis te verlossen. De volgende keer dat je een bekeuring krijgt omdat je op donderdagnacht tegen een gevel in de Poele aan staat te stralen moet je maar denken: je kunt beter een BOA dan een Candiru treffen tijdens het pissen.
2 Naegleria Fowleri
1 Foetus
3 Loa Loa
Onze nummer 1 is welbeschouwd de oorzaak van alle ellende in deze wereld. De oorzaak van al die overbevolking waardoor Moeder Aarde naar zijn grootje gaat. Elke kinderverkrachter was ooit een foetus. Ook Placebo heeft ooit in een baarmoeder rondgedobberd. Waren er geen foeten, dan waren er geen problemen. Symptomen van besmetting met een foetus: negen maanden misselijkheid, dikke poten en een humeur alsof alles bij de Primark uitverkocht is. Wanneer je van deze parasiet bent verlost door baring begint de ellende pas echt: de eerste jaren wordt er ongecontroleerd geürineerd over je favoriete broek, de jaren daarna wordt er alleen maar gekrijst tijdens het boodschappen doen, en tussen tien en achttien jaar krijg je vooral een grote muil terug als je vraagt of ze hun Lil’ Kleine en Boef misschien wat minder hard willen draaien.
De oogworm. Een van de vele redenen om je leven vervroegd te beëindigen als inwoner van het grootste continent op aarde. Mocht je het geluk hebben dat je dagelijkse muggensteek niet afkomstig is van een malariadragend mormel, dan heb je nog altijd de kans dat er nu een lading larven onder je huid is gespoten. Daar aangekomen verspreiden ze zich naar allerlei idyllische plekjes, waaronder je ogen. De loa loa moet operatief worden verwijderd. Maar gezien de gebrekkige
Wanneer je ze geloosd hebt richting een universiteitsstad heb je het probleem alleen nog in het weekend: een volle tas met was, en een lege opgehouden hand. Preventie van deze amoebe is relatief eenvoudig; hopelijk hebben je ouders je dit ooit verteld. Ons advies: begin er niet aan. Het is verschrikkelijk veel ongemak, om uiteindelijk een schepsel te baren dat met zijn moeder wil trouwen en zijn vader wil vermoorden (vrij naar Freud).
19
Suzanne Schuurman
Kiezen of delen De schaduwkant van gedeelde besluitvorming Kleinschalig competentiegericht onderwijs, patient-centered care, shared decision making... Word je er al warm van? De sceptische PanEssaylezer wellicht niet, maar ik kan je ervan verzekeren dat deze woorden bij menig arts, patiënt en OWI-medewerker de serotoninespiegel doen stijgen. En niet geheel onterecht, aangezien zulke termen ons doen denken aan een betere wereld waarin studenten lachend de ene na de andere fast on track halen en artsen met hun patiënten in harmonie samenwerken. Was het maar zo’n feest. Want neem nou gedeelde besluitvorming: waar is die hype eigenlijk op gebaseerd? Natuurlijk, als blijkt dat deze strategie de hoge verwachtingen kan waarmaken, hoor je mij niet klagen. Maar om dit consultmodel grootschalig in te voeren in geneeskundeopleiding en -praktijk is er meer rechtvaardiging nodig dan alleen bevlogen praatjes en lovende hashtags.
Maar hoe leidt het delen van een besluitproces door arts en patiënt tot een toename in patiëntautonomie? Voorstanders van gedeelde besluitvorming berusten hun standpunt grotendeels op één toverwoord: patiëntautonomie. De gedachte dat gedeelde besluitvorming hier een positief effect op heeft, gecombineerd met de aanname dat autonomie gewenst is, leidt tot de conclusie: gedeelde besluitvorming is de shit. Maar hoe leidt het delen van een besluitproces door arts en patiënt tot een toename in patiëntautonomie? En is dat altijd en onvoorwaardelijk het geval? Deze vragen waren het onderwerp van mijn bachelorscriptie filosofie, waarvan dit stuk de ingekorte (en aangepaste, want laten we eerlijk zijn: met termen als ‘de shit’ hoef je niet aan te komen bij een hoogleraar ethiek) versie is. Om te beginnen onderzocht ik de theoretische onderbouwing die voorstanders van gedeelde besluitvorming zoal geven. Dat klinkt allemaal heel diepgaand, maar dat viel wel mee - of eigenlijk juist tegen. De
20
eerder genoemde relatie tussen gedeelde besluitvorming en autonomie wordt als vanzelfsprekend beschouwd, dus veel toelichting wordt er niet gegeven. Door twee onderzoekers wordt keuzevrijheid (zoals veroorzaakt door gedeelde besluitvorming) zelfs als synoniem voor autonomie gebruikt. Maar deze zelfde auteurs zijn ook van mening dat, wanneer de patiënt aangeeft de beslissing liever aan de arts over te laten, het gedeelde besluitvormingsproces alsnog in gang moet worden gezet. En dan is het de bedoeling dat de arts vooral “niet aan het begin in de valkuil trapt om te vragen of de patiënt wil ‘mee beslissen’” (Pel-Littel & Van Veenendaal, 2015, p. 615). Ze bedoelen het vast goed, maar met hun krampachtige poging niet paternalistisch te zijn, bereiken ze het tegendeel. ‘Jij ZULT meebeslissen want dat is beter voor je’ is helaas vrij paternalistisch, alleen dan op metaniveau. Oké, de meeste voorstanders begrijpen wel dat er meerdere dingen zijn die een rol spelen op het gebied van patiëntautonomie. Een autonomiecriterium dat door vrijwel alle voorstanders wordt benadrukt, is negatieve vrijheid: de arts mag de keuzevrijheid van de patiënt niet belemmeren door haar bijvoorbeeld te manipuleren. Daarnaast spreken auteurs soms uit dat actieve bijdragen van de arts ook belangrijk zijn, zoals dat adequate informatievoorziening de patiënt kan helpen om een goede keuze te maken. Dat dit tevens wat van de patiënt vraagt, wordt ook genoemd. Voorbeelden van vereiste patiëntcapaciteiten zijn informatie opnemen en verwerken, redeneren en authentiek zijn. Toch nemen veel auteurs aan dat het verband
tussen gedeelde besluitvorming en autonomie in de praktijk vrij rechttoe-rechtaan is: geef iemand meer keuzes en zij zal autonomer worden. Filosofen denken hier anders over, zo bleek toen ik autonomieconcepten uit de morele filosofie onderzocht. Zelfrespect wordt bijvoorbeeld genoemd als voorwaarde: iemand die veel keuzevrijheid heeft maar zelf niet gelooft dat ze capabel genoeg is om een goede keuze te maken, is niet autonoom. Iets als schaamte kan het gevoel van eigenwaarde en daarmee autonomie verlagen – geen onwaarschijnlijke emotie als je als onzekere patiënt tegenover een neurochirurg zit. Joseph Raz, een Israëlisch filosoof en voorheen professor in Oxford, stelt in zijn autonomieconcept zelfbeschikking centraal. Autonomie als auteurschap: de autonome persoon moet in staat zijn om zelf haar leven in te richten zoals zij dat wil. Natuurlijk zouden belemmeringen van buitenaf zoals een sturende arts dit tegenwerken, maar met meer keuzevrijheid alleen kom je er niet. Dit vraagt veel van de patiënt, ze moet onafhankelijk denken, zelfbewust zijn, actief opties overwegen en vrij zijn van zelfbedrog. Rationaliteit lijkt ook een vereiste: opties kunnen overzien, informatie verwerken en zo tot een weloverwogen besluit komen. Hoe reëel zijn deze verwachtingen in de medische wereld? Keuzehulpen kunnen hieraan bijdragen, maar geven geen garantie dat de patiënt een geïnformeerde, rationele keuze maakt.
Iemand die veel keuzevrijheid heeft maar zelf niet gelooft dat ze capabel genoeg is om een goede keuze te maken, is niet autonoom
degelijk grenzen en verplichtingen, maar het is van belang dat deze voortkomen uit haar eigen morele afwegingen. In staat zijn om morele wetten (lees: Kants categorische imperatief) op je eigen leven toe te passen en deze je gedrag te laten beïnvloeden, is een kernvoorwaarde voor autonomie. Opnieuw geeft dit aanleiding tot het problematische vraagstuk wie zou bepalen of het goed zit met het morele kompas van de patiënt.
“the ideal of autonomy requires only the availability of morally acceptable options” Het toevoegen van morele voorwaarden aan autonomie zou dus mijns inziens niet werken in de praktijk. Maar de andere autonomievoorwaarden (cognitieve capaciteiten, zelfbeschikking, zelfrespect) die door filosofen genoemd worden, kunnen wel degelijk patiëntautonomie in de weg staan. In zo’n geval maakt gedeelde besluitvorming dan niet autonomer: er is een andere strategie nodig. Ook bestaat er natuurlijk het geval waarin de patiënt zelf aangeeft liever niet te willen kiezen, uit een onderzoek blijkt dat dertig procent van de patiënten hier zo over denkt. Dit kan een volkomen autonoom besluit zijn dat dan ook gerespecteerd moet worden door de arts. Elke patiënt is anders, het is dan ook logisch dat het per situatie verschilt wat de meest efficiënte manier is om patiëntautonomie te vergroten. Dit is wat de kern van consultvoering zou moeten zijn: onderzoeken wat er nodig is voor individuele autonomie en de zorg daarop aanpassen. Zoals een tekort in de bloedwaarden met diagnostische tests wordt vastgesteld en vervolgens wordt aangevuld, zo dient consultvoering ook te werken. Diagnosticeer wat het is dat autonomie belemmert en probeer het te herstellen.
Daarnaast voegt Raz een moreel component toe aan autonomie: meer beschikbare opties maakt dan wel autonomer, maar alleen als deze opties moreel acceptabel zijn. Op het moment dat ik voor iemand anders de mogelijkheid tot het verrichten van een slechte daad wegneem (ik weerhoud haar er bijvoorbeeld van een onschuldige te doden), verminder ik haar autonomie niet, want “the ideal of autonomy requires only the availability of morally acceptable options” (Raz, 1986, p. 381). Dit maakt de geneeskundepraktijk wel meteen veel ingewikkelder, want wie bepaalt wat moreel acceptabel is? Kant legt het accent nog sterker op moraliteit, autonomie is “the property the will has of being a law to itself” (Kant, 2002/1785, 4:440). Autonoom zijn in deze zin betekent iets anders dan je volledig vrij voelen in je doen en laten. De autonome persoon ervaart wel
21
Suzanne Schuurman
Co-column Slecht nieuws: Over het begin van het einde De eerste week zit erop. Mijn leven trouwens ook, sinds ik afgelopen maandag met M1 ben begonnen. Van negen tot vijf op de faculteit is even wennen als je de maanden ervoor alleen maar een paar ontspannen middagcolleges filosofie per week had. Mij is verteld dat ik tijdens de eerste maand in het klinisch trainingscentrum (KTC) twee à drie huilbuien per week kon verwachten; deze schatting bleek redelijk accuraat. Alleen al pratend of etend de trappen naar de Skillslabs op komen zonder als een COPD-veteraan boven te komen – het is hard werken, dat KTC. Gelukkig klopt het ook wat men er nog meer over zegt; met name de praktische vaardigheden-sessies zijn een feest. Op deze werkcolleges wachtte ik al sinds ik ondervond hoe gênant het is dat een geneeskundestudent geen stethoscoop kan hanteren. Luisterend naar een hart voel je je een echte dokter, al helemaal als je dan ook daadwerkelijk iets hoort. Delen van het onderzoek die raadselachtig en complex leken (‘de onderste levergrens percuteren’), blijken zo simpel als wat (gewoon kloppen tot je een demping hoort). Dan nog de climax van de eerste week: het studiepad. Pas nadat je veertig euro hebt betaald als verplichte compensatie voor het gebruik van studiematerialen (heel slim bedacht), krijg je te zien waar je de rest van het jaar bent ingedeeld. En dan volgt chaos: een kakofonie van zelfmedelijden, ingehouden euforie en geveinsde empathie vangt aan. Bij mij was er vooral sprake van dat eerste, met twee coschappen in de periferie en voor mij vrij oninteressante specialismen voel ik mij ernstig benadeeld. Hoewel ik als Utrechter het NoordNederlandse landschap haar charme vind hebben, sta ik niet te springen om elke ochtend vijftig minuten in de bus naar Heerenveen door te brengen. Om nog maar te zwijgen over het feit dat ik de helft van mijn patiënten waarschijnlijk niet zal kunnen verstaan.
Als ik dan tegen de regels in toch een beetje positiviteit toelaat, kan ik in ieder geval vertellen dat het schrijven van deze column heeft geholpen om alle ellende te verwerken. Daarnaast heb ik hopelijk mijn andere doel bereikt: de dit artikel lezende bachelorstudent voorbereiden op wat hem of haar te wachten staat. Ook trek ik hieruit een les voor mijn toekomstige carrière. Wanneer er in een slechtnieuwsgeprek een terneergeslagen patiënt voor je zit, is het makkelijk om de zaak te relativeren en het goede te benadrukken. Op zo’n moment moeten we, zoals Perkamentus al zei (we blijven wel Harry Potternerds hier in de PanEssayredactie), kiezen tussen het goede en het makkelijke om te doen. Als je patiënt lijdt, bestaat het goede doen volgens mij niet (alleen) uit de positieve kant van de situatie benadrukken, maar het lijden juist erkennen en er tot op zekere hoogte in mee gaan. Probeer de ander niet uit de put te trekken, maar daal af naar beneden en probeer daar steun te bieden. Niemand wil ten slotte die arts zijn die na het diagnosticeren van een miskraam tegen zijn patiënte verkondigt: ‘Je weet nu in ieder geval dat je vruchtbaar bent!’
Daarom heb ik met mezelf afgesproken één dag te mogen rouwen en me te wentelen in eerder genoemd zelfmedelijden, waarna ik met veel positiviteit en anti-misselijkheidstabletjes naar de dagelijkse busritten zal uitkijken. Helaas voor de lezer valt het schrijven van deze column op de rouwdag, voor nu is het dus nog gewoon huilen. Ja, ik weet dat er in de periferie meer te leren valt, Daniël, en dat de artsen veelal aardiger zijn, Mark, maar daar wil ik vandaag even niets over horen.
23
Chris Lenselink
VGT-hulp Embryologie In den beginne… Embryologie is een ontzettend complex vakgebied met zoveel ingewikkelde veranderingen en transformaties dat je weer verlangt naar die biologielessen in de eerste klas waar je leerde dat een eicel en een zaadcel samensmelten en dat er negen maanden later een baby uitrolt, je niet afvragend hoe je van één gelijke cel naar zoveel verschillende weefsels gaat. Zo eenvoudig is het echter niet; hieronder een samenvatting van de eerste drie weken van de ontwikkeling.
Week 1 Zo’n dertig uur na de bevruchting gaat de zygote zich heel rap delen op weg naar de baarmoeder – op mitotische wijze natuurlijk. De nieuwgevormde cellen groeien tussentijds niet; de cellen worden dus progressief kleiner. Dit zijn de klievingsdelingen die leiden tot het ontstaan van blastomeren. Na ongeveer drie delingen kleven de cellen onder invloed van adhesiemoleculen samen en vormen een compact netwerk. Wanneer er tussen de 12 en 32 blastomeren zijn, spreken we van een morula. Als tijdens dit stadium nondisjunctie plaatsvindt, kan mosaïcisme optreden. Eenmaal aangekomen in de baarmoeder komt er vocht in de morula wat leidt tot het ontstaan van een holte, genaamd blastocoele. Hierdoor worden de blastomeren gescheiden in twee lagen. De buitenste laag, de trofoblast, vormt het embryonale deel van de placenta terwijl de binnenste laag, de embryoblast, het daadwerkelijke embryo gaat vormen. De trofoblasten scheiden early pregnancy factor (EPF) uit, dat de basis vormt voor vroege zwangerschapstesten. Vervolgens nestelt de blastocyste zich in de baarmoederwand door de productie van bepaalde enzymen.
Week 2 De trofoblasten zorgen voor verdere innesteling in het endometrium (de buitenste epitheellaag) onder invloed van diverse factoren, waaronder HCG. Terwijl dit gebeurt, vormt zich een ruimte in de embryoblast. Deze ruimte zal zich later ontwikkelen tot de amnionholte met vruchtwater. Kort hierna vormt zich het amnion zelf, een membraan dat de holte omringt. Er
24
gebeurt echter meer in de embryoblast want er vormt zich een soort schijf bestaande uit twee lagen: de epiblast richting het amnion, en de hypoblast. Zie de figuur.Samen met de hypoblast omringt het exocelomisch membraan een holte die de primaire dooierzak (yolk sac) wordt genoemd. De dooierzak is later belangrijk wanneer de bloedsomloop in werking treedt. De embryonale schijf ligt nu tussen de amnionholte en de dooierzak. Endodermcellen van de dooierzak vormen een specifiek soort bindweefsel, extraembryonaal mesoderm, dat de amnionholte en dooierzaak omhult. Enkele dagen later veranderen het endometrium en de trofoblast dusdanig dat het extraembryonaal mesoderm groter wordt en er een soort holtes ontstaan, coelomische ruimtes. Kort hierna vormen deze één coeloom, gevuld met vocht. Tegen het einde van de tweede week vormen zich primaire chorionvilli, belangrijk voor de placenta, en groeien door de trofoblast heen. Het extraembryonaal coeloom splitst het extraembryonaal mesoderm in somatisch mesoderm, tegen de trofoblast en het amnion, en inwendig mesoderm tegen de dooierzak. Daarnaast zijn de hypoblasten van de embryonale schijf wat dikker geworden en vormen ze een rond gebied, de prechordaplaat, later belangrijk voor de mond.
Week 3 Tijdens deze week heet het embryo een gastrula en vindt gastrulatie plaats; dat wil zeggen het ontstaan van de drie kiembladen. Dit zijn de weefsels waar later de specifieke weefsels uit ontstaan. Uit het ectoderm
ontstaan onder andere de epidermis, het zenuwstelsel en de ogen. Het endoderm is belangrijk voor epitheellagen van het ademhalings- en verteringsstelsel en diverse kliercellen. De laatste laag, het mesoderm, is de voorloper van onder meer spiercellen, bloedcellen, een groot deel van het cardiovasculaire systeem en de geslachtsorganen. De eerste stap is de vorming van de primitiefstreep aan het oppervlak van de epiblast van de embryonale schijf. Deze cellen verschijnen caudaal in het middenvlak aan de dorsale kant. Zo kan je dus de assen van het embryo bepalen. Aan het craniale eind vormt zich de primitiefknoop. Deze cellen, samen met die van de primitiefstreep en de epiblast, duwen de hypoblast weg en vormen zo endoderm tegen de dooierzak en ectoderm dat achterblijft in de epiblast en dus tegen het amnion aanzit. Andere cellen van de primitiefstreep vormen mesenchym en later mesoderm. Sommige mesenchymale cellen die mesoderm worden, vormen een soort cilinder die blijft groeien tot het de prechordaplaat bereikt, waar ectoderm en endoderm fuseren. Tijdens dit proces worden de voorlopers van onder andere de mond en het hart gecreĂŤerd. Signalen van de primitiefstreep zorgen voor het ontstaan van de chorda dorsalis die later zelf signalen af gaat geven die cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het zenuwstelsel (neurulatie). Dit begint met het ontstaan van de neurale plaat uit ectoderm. Het neuroectoderm van deze plaat is de voorloper van het centrale zenuwstelsel, maar bijvoorbeeld ook van het netvlies. Rond de achttiende dag begint de
plaat te plooien, vooral craniaal. Deze plooien fuseren en vormen zo de neurale buis. Inname van foliumzuur verkleint de kans op defecten van de neurale buis, zoals spina bifida. Sommige cellen van het neuroectoderm vormen neuralelijstcellen die later ganglia zullen vormen. Behalve de chorda dorsalis vormen cellen van de primitiefknoop ook paraxiaal mesoderm, intermediair mesoderm en lateraal mesoderm. Deze lagen gaan min of meer in elkaar over. Rond het einde van de derde week differentieert paraxiaal mesoderm in somieten. Somieten vormen later de wervelkolom, ribben, rugspieren en een deel van de huid. Overige ontwikkelingen tijdens de derde week zijn het ontstaan van bloedvaten en chorionvilli.
25
Alex Koper
Hypertension in Kenya The silent, emergent epidemic? In recent decades, the fight against HIV and communicable diseases in East Africa has acted as a veil to cover the subtle, but now seemingly alarming emergence of high blood pressure. Signs are showing that Kenya could be in the early phases of a hypertensive epidemic and could prove to be severely underprepared in terms of awareness, screening and prevention. At the moment, The African Population and Health Research Center (APHRC) have determined that one out of eight residents of the urban slums in Kenya have diagnosable hypertension according to current guidelines. This group has proven to be especially vulnerable to develop hypertension and is the fastest growing sector of Kenyan society. In terms of the continental context - more than 40 percent of adults in some areas have some stage of hypertension. The question is now how to address the main driving forces behind this emergence, and if the current western treatment guidelines can be efficiently applied to the East African mileu.
There is a key misunderstanding that hypertension is a disease that afflicts the high income demographic The main reason behind the “silent� emergency of hypertension among the low to middle income members of Kenya society can be explained through two factors. The first is the long term diversion of attention and resources to communicable (mostly sexually transmitted) diseases, the second is the low degree of awareness in the African continent about hypertension and the risks it poses. During this diversion of attention in recent decades, a largely unnoticed shift in society was occurring - one of urbanization. This has proven to be one of the main driving forces. The urban population in Kenya is 22.3% and is growth with a rate of 4.2% every year. Adding to this growth is the fact that 60% of residents in the capital city reside in low income area slums. Within this milieu, there is a key misunderstanding that hypertension is a disease that afflicts the high income demographic and is less pertinent to address than the more immediate dangers
26
of sexually transmitted ailments. In previous decades the greatest causes of morbidity and mortality in the region were of a sexually transmitted, maternal & nutritional nature. Now, blood pressures on average are higher in the African continent in comparison to continental Europe and the United States. In these slums, the more fat saturated, greasy foods become the easiest option and the market for these cholesterol packed meals is expanding. These unhealthier options replace the staple diets and are paired with a largely sedentary lifestyle which compounds the problem. The lifestyles of low income earners have become altered through the effects of urbanization and globalization - the indirect result being the increased incidence and prevalence of hypertension in these communities. The struggles in the slums of Kenya that are publicised are those mostly concerning the safety of its residents and the supplying of clean drinking water. This distracts from the key health issues that are arising with this demographic and are bound to form a great challenge to the healthcare services in the near future. The challenge lies in providing quality health care on a long term basis, supplying residents with adequate information and spreading awareness on possible prevention methods. In accomplishing this high population density compounded with a low education level form a significant barrier. The main obstacle will be to bridge the communication gap between the healthcare suppliers and the slum residents in terms of spreading awareness and providing effective screening services. Even if the screening services prove adequate for the high population density - treatment is still too costly for most slum residents. The solution to this is to provide cheaper and more accessible treatment options of a
non-pharmaceutical nature. This can be defined as spreading awareness about healthy lifestyle choices and adjusting dietary standards. In terms of the medicamentous approach, an initiative called the “Health Heart Africa” programme was started in 2014 in the largest slum in the capital city - Kibera. Backed by the pharmaceutical provider AstraZeneca © - this initiative aims to bridge the economic hurdles that prevent the effective treatment of this emerging epidemic. The programme provides screening cost-free and provides affordable medication to low-income earners who have been diagnosed with hypertension. They do this in cooperation with the local forces and authorities. There are currently two operational clinics in Kibera providing the aforementioned services. This enables residents to get monthly dosages for a fraction of the market prices, and allows them to be educated on their condition - a key aspect of this initiative’s approach. The main problem seen with western guidelines that are applied to african regions is that these guidelines focus mostly on clinical aspects, and largely disregard the the societal and economic climate in which the treatment is being provided. The clinics maintain the stated Western guidelines for the treatment of hypertensive patients with an African background, and provide a combinative therapy of a calcium antagonist, thiazide diuretic, and beta blocker. The important change here in the African context is that these clinics are centrally located and work in close communication with local forces such as Amref Health Africa to be actively involved in these communities and provide effective healthcare. In Africa, the difficulty level of treatment is higher due to these socio-economic barriers than need to be addressed.
population is a specifically important demographic to target and educate. As hypertension progresses, the cheaper treatment alternatives become replaced by the less-affordable pharmaceutical options that become largely financially unobtainable in these low income regions.
Early intervention is of crucial importance here and the situation needs to be addressed sooner rather than later Early intervention is of crucial importance here and the situation needs to be addressed sooner rather than later - demanding a pooling of resourcing and efforts on a local as well as national basis. This starts with raising awareness of the impending epidemic and informing the public on the seriousness of hypertension as a public health problem. The economic consequences are farther reaching than in the immediate sense and over time untreated hypertension could result in large portions of the working class and productive population becoming chronically ill and exacerbate the poverty cycle in the already disadvantaged slum areas. To halt the emerging epidemic, current guidelines need to be readjusted and modified in a meaningful way to make them accessible and relevant to this urban African context.
Changing societal views on non-communicable diseases and the danger they pose is still a major hurdle This begs the question if these clinics should adjust current guidelines to suit their local patient population on a more context-specific basis. These alterations and critical adjustments are essential to halting this fast emerging epidemic in its tracks and avoid the burden it will prove to form for the Kenyan society and healthcare infrastructure. As Kenya is more economically developed than most sub-saharan African nations, it forms a key case study at the current moment to developing effective techniques to battle this emerging hypertension epidemic. Changing societal views on non-communicable diseases and the danger they pose is still a major hurdle in implementing effective treatment strategies and require local initiatives backed by foreign funding. With shifting lifestyle and dietary choices in low-income areas, the young
27
Chris Lenselink
Film op recept Een heel collegejaar snak je naar dat ene moment wanneer je je laatste tentamenvraag hebt ingevuld en op ‘verzenden’ drukt: vakantie. Maar terwijl iedereen naar Lloret en Albu gaat, zit jij troosteloos voor het raam terwijl je de regendruppels naar beneden ziet glijden. Misschien dat je de tijd wat kan doden met onderstaande suggesties.
Dallas Buyers Club Vakgebied: Immunologie Als Texaanse, republikeinse redneck (inderdaad, een pleonasme) krijg je heus geen “fag” ziekte als aids. Toch overkomt het cowboy pur sang Ron Woodroof (Matthew McConaughey) in deze vrij nieuwe semi-biografische film. In de jaren tachtig wordt de diagnose gesteld. De sociale gevolgen zijn negatief: Ron wordt ontslagen en zijn omgeving verstoot hem. Er was destijds maar één medicijn dat door de FDA was goedgekeurd: zidovudine. De effecten zijn echter averechts, al dan niet vanwege cocaïnegebruik. In een Mexicaans ziekenhuis krijgt hij medicijnen die wél werken: een mix met onder andere peptide T. Ron verkoopt ze met de hiv-positieve transgender Rayon, fantastisch gespeeld door Jared Leto. Ze zetten een lucratief bedrijf op en verkopen ze via Rayons netwerk de medicijnen aan anderen. Later rolt de FDA de onderneming op en (spoiler) sterft Rayon. Ron komt nog voor de rechter. Of de film het kijken waard is? De vele prijzen spreken voor zich.
Komt een vrouw bij de dokter Vakgebied: Oncologie Het archetype van een tranentrekker. Het schoolvoorbeeld van een Nederlands ‘succes’: je neemt de acteurs die iedereen, die enigszins op de hoogte is van ’s lands cultuur wel kent (Barry Atsma en Carice van Houten), een semi-bekende schrijver (Kluun) met zijn zielige verhaal en klaar is je Gouden Kalf winnende film. Stijn (Atsma) heeft alles wat hij wil: een succesvolle carrière, een mooie vrouw en een gezonde dochter. Het is toch niet genoeg hij zoekt soelaas (je weet wel) bij Roos. Stijns vrouw Carmen, gespeeld door Van Houten, weet dit wel: zo is nou eenmaal de aard van het beestje. Alles verandert als Carmen de diagnose borstkanker krijgt. Stijn zou het liefst zichzelf splitsen om tegelijk Carmen te steunen en bij Roos grote-mensen-dingen te doen. Enfin, Carmen geneest, confronteert Stijn en wil scheiden, Stijn vraagt haar weer ten huwelijk maar gaat weer de mist in. Ook een good read van Kluun: Help! Ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt.
Hours Vakgebied: Neonatologie De setting van deze thriller is 2005, New Orleans, vlak voordat orkaan Katrina aan land komt. Nolan (Paul Walker (!)) spoedt zich naar het ziekenhuis met zijn hoogzwangere vrouw met weeën. Ze bevalt daar vijf weken te vroeg en overleeft de bevalling niet. Ondertussen komt Katrina dichterbij en zorgt voor overstromingen waardoor iedereen het ziekenhuis verlaat. Voor Nolan en baby Abigail is dit echter niet mogelijk: Abigail moet aan de mechanische beademing blijven en kan niet verplaatst worden. Met wat kunst- en vliegwerk lukt het toch om de beademing werkende te houden en om wat voedsel voor beiden te vinden. Samen met hond Sherlock proberen ze te overleven en moeten ze aanvallen van plunderaars afslaan. Nolan tracht ook steeds contact te maken met hulpdiensten; dit is echter niet succesvol omdat hij iedere drie minuten de beademing op moet laden. Met hakken over de sloot worden ze allebei gered. Pfoe! Alles bijeengenomen geen onaardige film.
28
Boukje van der Slik
Doc-column De emoties van een arts Als arts krijg je veel te maken met emoties. Ten eerste krijg je dagelijks te pas en te onpas een berg emoties van je patiënten over je heen. Daarbovenop komen je eigen emoties. En die van je collega’s krijg je er nog gratis bij. Emoties vormen een rode draad door het artsenbestaan, en daarom wil ik graag de emotionele achtbaan van een arts nader toelichten. Vreugde Laat ik met iets positiefs beginnen (ja, de sandwichmethode blijft nog actueel na de studie): vreugde. Het komt gelukkig voor, zowel bij patiënten als bij artsen. Hoe mooi is het dat je tegen iemand kan vertellen dat de ziekte genezen is! Of dat de PA toch een reactieve lymfeklier laat zien. Maar ook kleine dingen, als bijv. de patiënt na een maand IC weer voor het eerste loopt. Mijn persoonlijke vreugdemoment is als ik rustige nachtdienst heb: schoenen uit, zak chips open (must-have tijdens nachtdienst). Maar ook maak ik een vreugdedansje als ik de laatste kroket uit het restaurant scoor, toch weer een mooie meevaller.
Verdriet Ons beroep kent ook veel verdriet. De hoeveelheid hangt van specialisme af, maar je komt het tegen. Bij de interne is het dagelijkse kost. Dagelijks overlijden patiënten op zaal en wordt bij tientallen slecht nieuws verteld. En niet alleen treden deze emoties op bij een patiënt/naasten, maar ook bij jou als arts. Het is niet aan te bevelen om direct “the waterworks” aan te zetten, maar toch mag én ga ook jij bedroefdheid voelen. Daarom heb ik een vak gekozen waarbij dit minder op de voorgrond staat (reumatologie, JAY). Probeer tijdens je coschappen te ontdekken hoe jij met die emoties omgaat en neem dat mee in je beroepskeuze.
Boosheid Met verdriet komt vaak boosheid. Het zijn niet voor niets twee fasen van de rouw. Meestal komt boosheid nog vóór verdriet. Waarom is die ziekte nu weer terug, terwijl het allemaal goed leek? Of waarom is die hechting (waar ik zo mijn best op deed) na 1 uur weer los?! (oké, iets minder heftig, maar alsnog vervelend) Boosheid kan soms voor enorme botsingen zorgen, vaak afhankelijk van de reden: in het kader van rouw, of gewoon zomaar: er bestaat veel “onterechte boosheid”. Bijvoorbeeld bij een uitgelopen spreekuur. Als arts moet je met boosheid om leren gaan. Probeer vooral de reden van de
boosheid te achterhalen, en laat niet over je heen lopen. En ik kan ook behoorlijk boos worden hoor, als voor mij de laatste kroket wordt weggebietst.
Angst Veel patiënten hebben angst. Vaak is dit de onderliggende oorzaak van boosheid. Patiënten maken zich snel zorgen, al gaat het “maar” om een TSH’tje. Wat voor jou zo vanzelfsprekend is, kan voor een patiënt een big deal zijn. Jij ziet iedere dag wel een hyperthyreoidie, maar iedere losse patiënt gaat ermee naar huis en zit ermee. Het is erg belangrijk om te achterhalen waar de angst vandaan komt, en dat je deze probeert weg te nemen. Als arts ervaar je ook angst: als je de eerste nachtdienst draait (en je niet door de donkere gang naar de piketkamers durft te lopen, puur hypothetisch). Of als je voor de grote bazen het lange paasweekend moet overdragen. Allemaal onzekerheden, die op den duur minder worden, maar nooit helemaal zullen verdwijnen. Het wordt dan meer gezonde spanning. Hoop ik.
Trots Ik zal ook maar eindigen met een positieve emotie, om de sandwich te eren. Trots zijn is een belangrijk gevoel op de werkvloer. Het verhoogt zekerheid. Hoe lekker is het dat je die norse radioloog zo ver hebt gekregen om een CT in de dienst te maken (check) of dat jij in je eentje ‘s nachts toch bijna alle patiënten in leven hebt gehouden (soort van check). Ook mag je trots zijn op patiënten, die uren nuchter zijn in afwachting van een echo of bij wie steeds weer een infuus wordt mis geprikt. Trots zijn op je collega’s is ook part of the deal: jullie fixen het toch samen maar weer, maar jullie kunnen vooral voor een monsterbedrag samen borrelen. Het is volgens mij wel duidelijk. Als arts verdrinken we in emoties. Dat is maar goed ook, anders was het werk ook zo saai. Ik word er bijna sentimenteel van, dus voordat ik verzuip in mijn eigen tranen brei ik er snel een einde aan.
29
Lisa Havinga
Thuiszorgcolumn Dankbaarheid – of een verloren portemonnee Wanneer ik vertel dat ik werk in de thuiszorg krijg ik vaak de volgende reactie: ‘Oh, dat is vast zulk dankbaar werk!’. Hoewel ik dit dus vaker hoor, blijf ik verbaasd over deze ingeburgerde associatie met de thuiszorg. Natuurlijk worden mijn collega’s en ik geregeld bedankt voor weergaloze maaltijden of een puik staaltje dweilwerk (noot: net zo vaak als een bedankje krijg ik hierover ongevraagd advies). Net zo vanzelfsprekend is het dat niet iedere cliënt voornamelijk dankbaar is voor de thuishulp; vaker zijn wij een noodzakelijk kwaad dat uiteindelijk nog best meevalt. Of, zoals een licht dementerende cliënt van mij het verwoordde: ‘Het is goed dat je er bent hoor, en de boel schoonmaakt, maar het is ook verschrikkelijk dat je er bent.’ Maar wat gaat er mis in de aanname dat de thuiszorg dankbaar werk is? Enerzijds het idee dat zorg krijgen vooral fijn is, anderzijds dat die eventuele dank altijd bij de juiste persoon terecht komt. Dit is vooral een probleem bij mijn oudere cliënten (tegenwoordig allemaal 90+). Zij verwarren nogal eens de uitvoerder van de handeling (ik) met iemand anders (cliënt zelf). Mijn jongste cliënt van boven de negentig geniet van de grote dingen in het leven, zoals haar kinderen, klein- en achterkleinkinderen, klassieke muziek, de politiek, maar hekelt het kleine: de kabels van de radio en televisie zitten haar al maanden dwars, de vruchtensappen smaken haar niet meer en het toppunt van de hekels: haar overvolle meterkast. Hoewel ze zichzelf niet meer vertoont in deze kast, stoort ze zich mateloos aan de twintig vazen en zestien flessen schoonmaakmiddel die huizen in die kast. Op een donderdagochtend stel ik voor deze kast voor haar op te ruimen en de overbodige inhoud naar haar berging drie meter verderop te verplaatsen. Ze stemt hiermee in en ik voltooi de Grote Verplaatsactie in zo’n acht minuten. Als ik de week erna voor de vierenzeventigste keer haar badkamer schoonmaak, loopt ze achter me aan en vertelt trots dat ze vorige week ál haar vazen eigenhandig naar haar berging gebracht heeft. ‘Ik ben altijd wel van het aanpakken,’ voegt ze eraan toe. ‘Altijd al geweest.’ Nog geen week later zit ik middenin een crisissituatie bij
30
de oudste van mijn cliëntenpoule. Tijdens het aantrekken van haar tot magisch kledingstuk benoemde jas (een fleecevest dat volgens mevrouw binnenshuis groen is, en buitenshuis blauw wordt) komt ze erachter dat haar glimmende tasje met portemonnee daar niet in zit. Mevrouw laat prompt haar rollator los, wankelt hevig. Ik kan haar nog net haar aan haar fleecevest vasthouden. ‘Dat kan toch niet,’ zegt ze. ‘Waar is dat spul?’ Met een kinderlijke energie strompelt ze door haar huis op zoek naar haar beurs. Ik begin mijn zoektocht in tegengestelde richting, sla geen centimeter over – dementie is creatief – maar mijn zoeken blijkt na een kwartier tevergeefs. Ik hoor mevrouw vanuit de keuken en later de badkamer allerhande kreten uitslaan. Ze is beter gebekt dan ze in tijden geweest is. ‘Ha!’ hoor ik. Ik snel naar mijn cliënt. Ze haalt het glimmende zakje tussen de lakens in het bovenste gedeelte van haar gigantische kledingkast vandaan. Ik breng mijn armen richting plafond voor een korte vreugdedans, maar mevrouw pakt mijn armen halverwege stevig vast: ‘Ik begrijp niet zo goed waarom je dat nu dáár verstopt hebt..’ Even later zitten we aan tafel, door alle heisa weigert mevrouw de wandeling – die het uiteindelijke doel had sinaasappeljam pot nr. 15 in te slaan - nog voort te zetten. Ik zeg dat ik opgelucht ben dat de portemonnee terug is, zij knikt zelfvoldaan terwijl ze van haar thee nipt. ‘Ik snap toch niet hoe ze jullie daar opleiden.’ Ook ik moet toegeven: ik denk dat er weinig meer tevreden maakt dan waardering van je cliënten; ik straal wanneer me wordt verteld dat de kamers fris ruiken nadat ik geweest ben en ik fiets verrukt weg als ik hoor dat er tegen mij wel goed aan te praten valt. Maar, vergis je niet: voor je het weet is het gedaan met die dankbaarheid. En leg dan maar es uit hoe de portemonnee daar kwam.
Colofon De PanEssay is het faculteitsblad van de M.F.V. Panacea. Zij verschijnt vier keer per jaar. Ook zijn wij online te vinden op panacea.nl/panessay. De redactie opereert onafhankelijk van het bestuur der M.F.V. Panacea, volgens artikel 20 lid 6 van het Huishoudelijk Reglement der M.F.V. Panacea. Kopij kan via e-mail worden aangeleverd. De redactie behoudt zich het recht voor taalkundige wijzigingen aan te brengen of stukken niet te plaatsen. Plaatsing van een stuk houdt niet in dat de redactie de daarin weergegeven zienswijze onderschrijft. Voorzitter Klaas te Nijenhuis Redactie Redactie | Lay-out Alexander Koper Redactie | Lay-Out Klaas te Nijenhuis Redactie Chris Lenselink Redactie | Lay-out Sophie Reese Redactie | Online Marit Schulte Hoofdredacteur Suzanne Schuurman Christiaan Serbanescu-Kele Appendix vermiformis Scribent Boukje van der Slik Redactie | Lay-out Gwen Miedema Redactie | Lay-out Emma Kok Marko Pol Eindbaas Redactieadres M.F.V. Panacea, t.a.v. PanEssay Antonius Deusinglaan 1 9713AV Groningen E-mail Online Oplage Drukker Lithografie Coverfoto
panessay@panacea.nl www.panacea.nl/panessay 1600 stuks OCC Crossmedia, te Breda Marko Pol Davith de Vries Chris Lenselink
Sluitingsdatum eerstvolgende editie 7 september 2018
PanEssay
Activiteitenkalender Juni 20 21 21 28 29
Tentamen 1.2.4 Tentamen 2.2.5 AkCie Eindfeest CSO DoMiBo Co-out dag
Juli 9-13 Tentamens master 13 Co-borrel Masterraad 26 CSO DoMiBo Augustus 30 30 31
CSO DoMiBo PMG introductieborrel 1e facultaire introductiedag
September 1-3 3-7 4 10 12 13 19 26 26 27
Introductiekamp Tentamens master 2e facultaire introductiedag Bestuursinformatie-avond CSO Lezing Talent&Care PanIC Zomerfeest Carrièreavond Voortgangstoets Thema-inloopuur ACC speeddaten
Oktober Hele maand Benefietmaand 4 Benefietdiner 8 Orgie