JAARGANG 30 | NR 4 | DECEMBER 2017
PANESSAY
FACULTEITSBLAD DER M.F.V. PANACEA
AIOS worden in het UMCG is een bijzondere band aangaan met je opleider. Wij vroegen Robinia Schiphuis (AIOS Ziekenhuisarts) en Ewout Houwerzijl (haar opleider) te vertellen over hun werkrelatie.
Ewout Houwerzijl
Robinia Schiphuis
AIOS Ziekenhuisarts
Opleider Ziekenhuisgeneeskunde
Ik ben geboren in het westen van het land en heb gestudeerd in Rotterdam. Via werk in Stadskanaal en Emmen ben ik in Groningen terecht gekomen.
Mijn wortels liggen in het noorden en Groningen is een leuke stad en de regio is aantrekkeljk om te wonen. In 2004 kon ik internist worden hier en die kans heb ik met beide handen aangegrepen. Ik ben geïnteresseerd in patiëntenzorg en opleiding. Daar kan ik in het UMCG beide mee aan de slag.
AIOS zijn is uitdagend en afwisselend. Het vak ziekenhuisgeneeskunde is jong en dus volg ik de opleiding en de bouw daarvan. Ik leer heel veel medisch en organisatorisch door stages bij onder andere interne geneeskunde, neurologie en anesthesiologie.
Jonge onervaren artsen te zien groeien in hun vak geeft veel voldoening. Het contact houdt je scherp en dwingt je om jezelf te blijven ontwikkelen.
Bij onze ontmoeting kwam Ewout over als een goed georganiseerde en betrokken opleider. We werken veel samen en hij is altijd laagdrempelig benaderbaar. Hij zoekt bij moeilijkheden graag samen naar een oplossing.
Robinia bleek meteen enthousiast en initiatiefrijk te zijn. Zij begon als een van de eersten met een helemaal nieuwe opleiding. Daar heb je moed en doorzettingsvermogen voor nodig. We spreken elkaar regelmatig formeel en informeel. Het opleidingsteam moet benaderbaar zijn en zich toetsbaar opstellen.
Het belangrijkste dat ik geleerd heb is in complexe zorg overzicht en regie houden. Voor kwetsbare patiënten kun je als ziekenhuisarts echt van meerwaarde zijn.
In de opleiding willen we medisch inhoudelijke kennis meegeven. Leren denken vanuit de patiënt en de zorgketen is ook belangrijk. Voor dit jonge vakgebied is het ook essentieel dat leiderschap en kennis van kwaliteit en patiëntveiligheid ontwikkeld worden.
Tip: Als je AIOS wordt; kies een vakgebied waar je jezelf de komende 30 jaar in ziet werken.
Tip: Ziekenhuisarts is het vak van de toekomst binnen de ziekenhuiszorg. Bedenk daarom hoe je wilt investeren in je toekomstige vak.
Wil je weten hoe jij AIOS wordt bij het UMCG of wil je het volledige interview lezen? Kijk dan op www.aios.umcg.nl Universitair Medisch Centrum Groningen Bouwen aan de toekomst van gezondheid www.aios.umcg.nl
www.werken.umcg.nl
@umcgbanen
@umcg
20
26
28
VGT-hulp
CMB fenomenen
Film op recept
Sophie over neurologie
Clickbait op papier
Gaat dat zien
22
24 Naamsbekendheid
Medisch scrabble
Zeg, ken ik jou niet ergens van?
Leken over medisch lingo
5
Uit de hokken
VGT-hulp
20
6
Commissiepagina
Winterperikelen
22
8
f.t. Bestuur
Thuiszorgcolumn
23
9
Liefde voor het vak - dr. Georgiadis
Medisch scrabble
24
10
Naamsbekendheid
CMB-fenomenen
26
12
Medical taboo
The Experience
27
14
Dr. House in de praktijk
Film op recept
28
16
Fotopagina
Co-column
29
18
Psychochirurgie
Dokterscolumn
30
Gert-Erik de Boer RB Bas Beernink RB Mr. Richard A. Veening RB
Gezondheid is het allerbelangrijkst. Ook op financieel gebied.
Wil jij:
√
een kijkje nemen in de toekomst?
√
een keuze co-schap met betekenis waar je echt iets leert?
√
het verschil maken in de sociale geneeskunde?
√
voldoende tijd voor jezelf, je cliënten en de werkgevers?
Ben jij de toekomstige bedrijfsarts die het verschil wil maken? Wil jij graag op een informele wijze kennismaken met De Arbodienst, onze diensten en onze collega’s? Je bent welkom om een dagje mee te lopen. Neem contact op met Judith Pagie (recruiter) door te bellen of appen naar 06 -29 499 555 of te mailen naar jpagie@de-arbodienst.nl.
Uit de hokken
Uit het redactiehok Met trots presenteer ik ons decembernummer! De tijd van winterdepressies en -tenen en misselijkheid door kerstdiners (zie het artikel van onze altijd optimistische Karlijn) breekt aan, gelukkig kun je op die kalkoen nog wel even je chirurgische vaardigheden oefenen (zie omslag). Echt eetbaar was ons covermodel overigens niet, dat krijg je als je je kip maar van één kant bakt totdat ‘ie mooi genoeg is voor op de PanEssaycover. Los daarvan wel een stuk makkelijker op de foto te zetten dan Hart Geruis. Na op Ameland uitgewaaid te zijn tijdens ons commissieweekend, hebben de nieuwe en oude redactieleden hard gewerkt om deze editie te vullen met mooie stukken. Tot mijn grote tevredenheid is taal een terugkerend thema dat vanuit verschillende perspectieven (medici, leken, ons nieuwe Engelstalige lid) bekeken wordt. Ook hebben we weer een interessante casuspagina en een artistieke VGT-hulp voor je. En, terug van weggeweest: de thuiszorgcolumn.
Graag wil ik Marko bedanken, die de hoofdredactie op zich nam, terwijl ik in Australië de bovengenoemde winterdepressie ontvluchtte. Ook dank ik Esmee voor haar begeleiding van de PanEssay het afgelopen jaar en haar onvermoeide enthousiasme (“épisch!”), met name tijdens onze vele Onderwijscolumndiscussies. Ik wens jullie een fijne vakantie, of deze nou gevuld is met wintertenen, feestelijkheden of met de filmtips op pagina 28.
Uit het bestuurshok Wat gaat de tijd toch hard. De temperatuur daalt, de blaadjes zijn van de bomen, het kalenderjaar komt tot een einde. Met het eindigen van het jaar eindigt zo ook ons bestuursjaar. Dit is het laatste voorwoord dat door ons bestuur geschreven zal worden, aangezien sinds 2 november onze opvolgers bekend zijn. Afgelopen jaar was mede dankzij jullie een geweldig jaar. We zullen het enorm gaan missen. Echter beginnen we met een nieuwe, frisse start en een nieuw bestuur.
Deze actie wordt elk jaar weer gewaardeerd door zowel de patiënten als de artsen. Daarnaast staan natuurlijk de kerstdagen voor de deur, en dat betekent voor velen een welverdiende vakantie. Vanuit het bestuurshok schallen de kersthitjes al sinds begin november door de gang, tot grote blijdschap en grote ergernis van sommige leden. Het is nog maar de vraag of het dit jaar een witte kerst gaat worden, maar desalniettemin hebben we veel zin in de vakantie.
Vanaf 1 februari gaan deze toppers onze mooie vereniging draaiende houden en wij hebben er alle vertrouwen in dat ze dit geweldig gaan doen. Het nieuwe bestuur heeft al hard gewerkt de afgelopen tijd met onder andere de sinterklaasactie. Ze hebben, verkleed als sinterklazen en zwarte pieten, geld opgehaald voor het UMCG. Hier zijn later cadeautjes van gekocht en deze zijn uitgedeeld aan de patiënten van het ziekenhuis.
Jullie zijn altijd welkom om tijdens deze koude dagen een kop chocomel, cup-a-soup, koffie of thee te komen drinken, afscheid te nemen van ons, alvast te chillen met jullie toekomstige bestuur en natuurlijk onze mooie kerstboom te aanschouwen. We willen graag alle leden prettige feestdagen wensen en alvast een gelukkig nieuwjaar!
5
Commissiepagina
MASH Voor iedereen die ons (nog) niet zo goed kent, wij zijn de MASH (Medical Aid by Student Help). We zijn met negen studenten en zorgen ervoor dat overgebleven medisch materiaal, dat normaal gesproken wordt weggegooid, goed terecht komt. Dit materiaal is nog goed te gebruiken, maar is volgens de Nederlandse wetgeving bijvoorbeeld niet meer steriel genoeg. We zamelen de materialen in bij verschillende zorginstellingen, waaronder het UMCG en het Martini Ziekenhuis. Deze materialen sorteren we en sturen we vervolgens op naar het Turiani Ziekenhuis in Tanzania, waar deze spullen heel goed gebruikt kunnen worden!
Een arts, tropenverpleegkundige en een student met stage-ervaring in het buitenland zullen alles vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Zij kunnen jou heel veel vertellen en staan na afloop natuurlijk ook open voor vragen! Wil jij weleens verder kijken dan Nederland of zelfs Europa? Kom dan op 24 januari naar de MASH lezing in het UMCG! Voor meer informatie: bezoek onze Facebookpagina MASH – Medical Aid by Student Help.
Naast het inzamelen van materialen en het zoeken van goede sponsors om al ons materiaal te kunnen verzenden, organiseren we ook jaarlijks een lezing. Ben jij nou benieuwd hoe het is om in een niet-westers ziekenhuis te werken? Zit je na te denken om coschappen in het buitenland te lopen? Of wil je misschien liever een tussenjaar nemen na je bachelor? Dit is dan jouw kans! Op 24 januari 2018 organiseren wij een lezing en dit heeft alles te maken met geneeskunde in het buitenland!
Onderwijsupdate Het eerste cohort G2020-studenten heeft zijn bachelor bul ontvangen. Nogmaals van harte gefeliciteerd met het behalen van deze mijlpaal! Zoals jullie misschien hebben gehoord, is er vorig jaar een tentamen afgelast vanwege technische problemen. Doordat het toetssysteem naar aanleiding van het probleem is aangepast en door de invoering van een nieuwe noodprocedure zullen dergelijke problemen in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid niet meer voorkomen.
6
Sinds oktober zijn de JV en YR voor jaar 1 gevormd. Voor al jullie problemen op studiegebied kunnen jullie bij hen terecht. Mail ze vooral op jv1@panacea.nl of yr1@panacea.nl. Vanaf 1 februari 2018 zal Sonja van Ogtrop de Commissaris Onderwijs functie van Koen Brummel overnemen en jullie voorzien van de nodige onderwijs updates. In de afgelopen tijd zijn er veel mensen van functie gewisseld op onderwijs gebied: - Prof. dr. G. Croiset – Prodecaan Onderwijs en Opleiding UMCG (in dienst per 1 februari 2018). Zij zal prof. dr. J.C.C. Borleffs opvolgen. - Julia van der Veen – Student-lid Examencommissie Geneeskunde. - Joppe Vodegel – Student-lid Selectiecommissie Geneeskunde en Tandheelkunde. - Prof. dr. S.C.D. van IJzendoorn – Dean LC Molecular Medicine. Hij volgt prof. dr. G. de Haan op. Mevr. C.G. Veldman – LC-coördinator Intramurale Zorg. Zij volgt mevr. B.F. Mulder op.
Tropical Medicine Committee The Tropical Medicine Committee is starting another round of tropical medicine this March! We, members of the Tropical Medicine Committee: Liesanne, Judith, Lili and Karine have worked hard to bring you the most exotic and exciting course of the year, which will also include a surprise fun excursion related to tropical medicine! In the weeks to follow, many doctors and specialists will give lectures and teach you about a variety of diseases (as well as current social issues) that most commonly affect the tropical areas of our world. Some of these are: Zika Malaria Ebola Tuberculosis HIV Refugee crisis And many more! We hope to see you soon! If any questions remain, don’t hesitate to contact us at: tropen@panacea.nl
JV1 Wij evalueren ons onderwijs. Daarbij zorgt de TenCie voor een eerlijke tentamenscore. De evaluaties van colleges worden in een prachtverslag verwerkt door de SemCie. De CommuniCie, evalueert alle community taken. En de PR-Cie regelt de PR. Onze prachtige commissie bestaat uit: Mehdi, ons gekkie die met iedereen praat over niks. Marloes, de beste ic’er van onze commissie, hier kan menig student van leren. Bente, de benjamin. Bente is net 18 en dat laat ze weten ook. Carlien, wat moeten we zonder Carlien, de JV staat en draait om de allerbeste secretaris. Kobus, onze mascotte, wij weten ook nog niet wie dit is, we hebben hem nog nooit gezien op commissieavond. Eline, onze altijd enthousiaste thuiswoner, was liever langer op commissieavond, maar moet de trein nog halen.
Maaike, oftewel Maik, oftewel eilander, onze topper. Een echt vrolijk persoon die iedereen laat lachen. Bedankt! Dylan, onze penningmeester en clown van de groep, alleen weten we niet of die dat zelf altijd doorheeft. Maaike, onze enige echte kroegtijger. Blijft het liefste zo lang mogelijk op commissieavond. Gerben, de voorzitter, houdt wel van een lange agenda. Maar stiekem houdt hij ook wel van een biertje.
7
f.t. bestuur
f.t. Bestuur Op 2 oktober was hij er: de prachtfoto die ons voorstelde als Kandidaatsbestuur aan het begin van ons avontuur. Het is mij een eer en een waar genoegen u aan te mogen kondi gen: mijn lieve, knappe en kleine f.t. Bestuur der M.F.V. Panacea 2018.
Aan het hoofd van deze mooie groep staat Thomas. Een 186 cm lange Houtenaar die niet houdt van geitenkaas. Hij is een (hyper)sociale dyslect en een geboren leider. De dyslectenfout “lijder” zou hier echter ook gepast zijn, aangezien hij voortdurend grappen en grollen over zichzelf moet incasseren. Hij is een echte sfeermaker, enthousiast en optimist. De rol van Secretaris zal vervuld worden door Marije. Marije is 162 cm, komt uit Wergea en is een echte taalnazi. Hoe kan dit ook anders? Het dorp waar ze is opgegroeid dankt volgens Wikipedia zijn beroemdheid aan de schrijfster Nynke van Hichtum (wie kent haar niet) waar Marije duidelijk veel van heeft geleerd. Marije is onze bestuursbaby, maar tegelijk ook de bestuursmama. Ze is altijd netjes en betrouwbaar. Kortom: ze vult de Voorzitter perfect aan. Dan gaan we door naar Vijay: onze Penningmeester, 169 cm, oorspronkelijk van Sint-Maarten (wie overigens ook de beschermheilige is van Utrecht). Tropische warmte is niet het enige wat Vijay heeft meegenomen naar
Groningen; zijn kleurrijke persoonlijkheid en eeuwige glimlach zijn ook altijd aanwezig. Als bestuursopa zal hij met zijn beschermende gave waken over het geld en de financiën der M.F.V. Panacea. Het geld wordt grotendeels binnen geharkt door de andere helft van team GELD! Kevin zal als Commissaris Externe hier al zijn praatjes en charmes voor in de strijd gooien. Hij is 186 cm en 6 keer zo oud als menig bestuurslid en heeft dan ook veel ervaring. Daarnaast komt Kevin uit Deventer wat tijdens de middeleeuwen deel uitmaakte van een belangrijk Noord-Duits handelsverbond. Het handelen zit deze hendige, altijd lachende en bijna fitte boy dan ook in zijn bloed. Onze Commissaris Interne is Kjell; de 178 cm lange fitgirl van de groep. Met zijn prachtige gespierde lichaam zullen de bestuurskilo’s bij hem het meest zichtbaar zijn. Borne, waar hij is opgegroeid, is volgens hem een plaats met alleen maar nuchtere mensen, waar niets te doen is. Met zijn enorm (awkward) sociale en actieve karakter kan ik me dat echter niet voorstellen en is zijn functie hem op het lijf geschreven. Sonja zal dit jaar de Commissaris Onderwijs zijn. Ze is met haar 172 centimeter de langste dame van ons bestuur en weet altijd precies waar haar grenzen liggen. Ze is een keiharde werkster en zal met haar sterke eigen wil het onderwijs te verbeteren. Sonja komt uit Vaassen, een plaats die sinds zijn ontstaan in de ijzertijd louter verbetering en versterking heeft doorgemaakt; van grafheuvel toen, tot een op zichzelf staande gemeente nu. Verbeteren is er dus bij Sonja met de paplepel in gegoten. Onze Commissaris Master en Carrière is Julia. Met haar 161,9 cm is Julia de hekkensluiter van deze voor stelronde. Julia is een ‘enorme’ kletskous, geboren in Emmen, de vlinderstad. Deze kleine social butterfly met ornithofobie zal met haar open houding en enthousiaste karakter zich volledig inzetten voor de masterstudenten.
8
Janniko Georgiadis
Liefde voor het vak Het gelijk van Tyresias Mijn onderzoekspassie is seks. Nieuwsgierigheid naar seks is echter van alle tijden. Neem deze Griekse mythe: Zeus en Hera hadden bovenop de Olympus onenigheid over wie er meer genieten van seks, mannen of vrouwen. Volgens Zeus genoten vrouwen er meer van, volgens Hera mannen. Om een beslissing te forceren ontboden ze een sterveling (een ze kere Tyresias), en gaven hem de opdracht om zeven jaar als een vrouw te leven. Toen Tyresias terugkeerde was zijn oordeel helder: “Van tien delen seksueel genot, geniet de man er slechts één”. Hera zou zo woedend zijn geweest dat Tyresias het geheim van het vrouwelijk seksueel genot had onthuld dat ze hem voor straf blind maakte. Hera’s goddelijke straf was tevergeefs. Vrouwen zijn vanwege hun seksualiteit met grote regelmaat het mikpunt van beperking, ontmoediging en zelfs vervolging. De aanleiding daarvoor is klok-en-klepelkennis over hoe seks zou moeten werken, meestal vanwege één of andere levensovertuiging. Want of men nu heilig gelooft in de zonde van Adam en Eva, of in het doorgeven van de eigen genen, de logica ten aanzien van de vrouwelijke seksualiteit komt doorgaans op het volgende neer: Seks is om voort te planten, dus geslachtsgemeenschap (man+vrouw) is de enige juiste seks, dus genot anders dan tijdens de gemeenschap is onnatuurlijk en/ of zondig. Deze vlieger gaat in de praktijk natuurlijk lang niet altijd op. Neem het vrouwelijk orgasme: minder dan 1/3 van de vrouwen krijgt dat tijdens een geslachtsgemeenschap (zonder extra handelingen) voor elkaar. Andersom beleeft meer dan 90% van de vrouwen soepel een orgasme via de clitoris, maar dat orgaan is voor voortplanting niet nodig.
die van geslachtsgemeenschap niet regelmatig een orgasme krijgen, die orale of anale seks hebben, die de eigen clitoris stimuleren, of die mannen dringend verzoeken een condoom te gebruiken (!), worden door de evolutie afgestraft met (o.a.) relationele problemen, onaantrekkelijkheid, depressiviteit, een lager IQ, neuroticisme en obesitas. Het vaginale orgasme als keihard evolutionair selec tiemechanisme? Het clitoraal orgasme als ziekte kiem? Zeer onwaarschijnlijk: deze academici lijden aan vooringenomenheid en doen alsof correlatie hetzelfde is als causaliteit. Slecht onderzoek dus. Daarbij klopt de logica niet. De relatie tussen genot en voortplanting is helemaal niet duidelijk of direct, en gebeurt vooral via invloed van seksueel genot op de seksuele voorkeur en partnerkeuze. Het is daarvoor juist bevorderlijk om meerdere gradaties van genot te kunnen beleven (zoals vrouwen dat wellicht beter kunnen dan mannen), en dan maakt het echt niet uit hoe dat genot precies tot stand komt. Tyresias’ gelijk wordt dankzij betrouwbare wetenschappelijke gegevens gelukkig steeds duidelijker. Deze kennis leidt er hopelijk toe dat de vrouwelijke seksualiteit wordt geaccepteerd zoals ze is.
Dat er jaarlijks bij miljoenen meisjes seksueel responsief genitaal weefsel wordt weggesneden is een triest gevolg van deze paradox. Minder bekend is dat sommige academici het medisch wetenschappelijke argument misbruiken voor een ‘virtuele vrouwenbesnijdenis’. Freud meende bijvoorbeeld dat een gezonde seksuele ontwikkeling gepaard gaat met een overgang van clitorisorgasmes tijdens de puberteit naar vaginale orgasmes (samenvallend met de zaadlozing) tijdens de volwassenheid. Het niet voor elkaar krijgen van deze transitie was in de Freudiaanse visie een voedingsbodem voor psychiatrische aandoeningen. Sommige evolutionisten denken iets dergelijks: het enige seksuele gedrag dat tot voortplanting kan leiden zou gezondheidsvoordelen (‘fitheid’) met zich mee moeten brengen. Dus, vrouwen
9
Suzanne Schuurman
Naamsbekendheid Eponiemen in de geneeskunde Waren we met z’n allen maar astronomie gaan studeren. Na een grote ontdekking is het toch een stuk prettiger om te weten dat een ster jouw naam draagt dan een ziekte. Onderstaande figuren lieten zich daar niet door weerhouden en ontdekten erop los, met als resultaat dat je hun namen zo nu en dan voorbij ziet komen. Een beetje sneu is het wel: niemand vraagt zich nog af wie Gilles de la Tourette nou echt was en of Crohn zelf wel eens last van zijn stoelgang had. Daarom bij deze een serie portretten van de artsen achter de namen.
Joseph Babinski Leefde van 1857 - 1932 Geboren: Parijs, Frankrijk Gespecialiseerd in neurologie Een Poolse ingenieur en zijn vrouw ontvluchtten in 1848 Warschau vanwege enge Russen en kregen later twee zonen. Een was Henri Babinski, een beroemde kok, de ander was Joseph Babinski, die aan de Universiteit van Parijs zijn artsenbul haalde. Joseph schreef zijn thesis over multiple sclerose en ging daarna in de leer bij Jean-Martin Charcot, die zelf ook aardig wat medische termen op zijn naam heeft staan. Hij werd omschreven als een blonde reus en “obstinately mute”. Want hoewel het hem niet ontbrak aan een epische snor en aanleg voor de klinische neurologie, had de verlegen Joseph het niet zo op praten met zijn patiënten en deed dit dan ook zo weinig mogelijk. Wat dat betreft kwam zijn ontdekking van de voetzoolreflex goed uit, dan kon hij de vraag “Is uw centrale zenuwstelsel misschien aangedaan?” mooi overslaan. De aandoening waar hij aan het einde van zijn leven onder leed had hij zelf trouwens ook wel kunnen diagnosticeren: dat was namelijk de ziekte van Parkinson. Vrij ironisch omdat hij eerder in zijn leven weigerde Parkinsonpatiënten te onderzoeken, waarschijnlijk omdat zijn vader eraan gestorven was en hij een terechte angst had om deze aandoening zelf ook te ontwikkelen.
10
Georges Gilles de la Tourette Leefde 1857 - 1904 Geboren: Saint-Gervais-les-Trois-Clochers, Frankrijk Gespecialiseerd in neurologie, psychiatrie Rond 1900 krabde men zich achter de oren van- wege het feit dat a) sommige vrouwen onophoude- lijk obsceniteiten riepen (van mannen waren ze dat wel gewend) en b) het huwelijk en melkbaden hier niet tegen hielpen. Maar niet alleen het tourettesyndroom zelf, ook haar ontdekker was een vreemde eend in de bijt. Welgeteld één doodlopende straat is naar deze wereldberoemde arts vernoemd, te vinden in zijn geboorteplaats (klinkt als een gat, dat is het ook). Nee, populair was hij niet. Gestoord, hoogmoedig en vervelend wel. Maar dat zou jij ook worden als je eenzelfde rampjaar mee zou maken als hij: in 1893 werd hij in zijn hoofd geschoten door een psychotische ex-patiënte en verloor hij zijn mentor Charcot (die kennen we) én zijn vijfjarige zoontje. Wel is het een misverstand dat Georges zelf aan Tourette leed. Zijn gekke gedrag vond zijn oorsprong in neurosyfilis, waardoor hij onder andere op een dag het lumineuze idee had om vijftienhonderd wandelstokken in te kopen. Hierna werd hij verzoek van zijn vrouw op een slinkse manier gedwongen opgenomen: Charcot lokte hem naar de inrichting door te zeggen dat een patiënt daar zijn hulp nodig had. De psychotische Georges overleed uiteindelijk door een epileptisch insult op 46-jarige leeftijd.
Hakaru Hashimoto Leefde van 1881 - 1934 Geboren: Iga, Japan Gespecialiseerd in chirurgie Hashimoto kwam uit een familie van artsen en besloot zelf ook om de ninjaschool (geen grapje!) in zijn geboorteplaats achterwege te laten en geneeskunde te gaan studeren aan de Keizerlijke Universiteit te Kyoto. Na zijn studie besteedde hij enkele jaren in Berlijn, Londen en Göttingen. In deze laatste stad behandelde hij veel gevallen van urogenitale tuberculose – heel wat anders dan het onderwerp waar hij op promoveerde: struma lymphomatosa. Maar zijn eigen naam klinkt natuurlijk veel beter dan zo’n saaie Latijnse benaming, vandaar dat wij deze auto-immuun schildklierontsteking tegenwoordig als de ziekte van Hashimoto kennen. Om deze arts te eren stel ik toch voor dat we deze vorm van thyroiditis voortaan met haar Japanse naam aanspreken: Kojosen rinpa-setu sho-teki henka ni kansuru kenkyu hokoku. Succes!
Burrill Bernard Crohn Leefde van 1884-1983 Geboren: New York, Verenigde Staten Gespecialiseerd in gastro-enterologie Een aandoenlijke man, die Crohn, zowel door de uitstraling op zijn foto als de reden waarom hij geneeskunde ging studeren: hij wilde zijn vader helpen, die aan serieuze dyspepsie leed. Toen hij geconfronteerd werd met een verzameling van veertien patiënten met een vreemde klachtenverzameling, publiceerde hij over dit vooralsnog verkeerd begrepen ziektebeeld (men dacht dat tuberculose de oorzaak was). Daarna probeerde hij er uit alle macht voor te zorgen dat de aandoening regionale ileitis en niet de ziekte van Crohn genoemd zou worden, maar het mocht niet baten. Andere interessante creaties van meneer Crohn: zijn regelmatig tentoongestelde schilderijen van taferelen uit de Amerikaanse burgeroorlog, en zijn ietwat ongebruikelijk getitelde boek “Understand Your Ulcer”.
11
Chris Lenselink
Medical taboo A silent force in health care As a doctor, it is inevitable that you will face difficult situations where you have to explain medical terms to someone who does not know anything about medicine. Of course, it is important to explain everything correctly, but the manner in which the terms are explained is at least as important. A dilemma that arises with this is deciding which words or phrases should be avoided.
The emotion that a term can evoke – the connotations – can determine the relationship between doctor and patient. So, which terms should remain a taboo and be left unsaid? There are several types of taboos, each one with their own strategic value. The first type of taboo is jargon. Jargon is language that is unique to a specific field of work. Medical jargon includes a wide range of taboos, but the best-known, and probably most eloquent, is ‘patient’. Although we use this word every day and this one may seem self-evident, think about the different terms a doctor could use. ‘Victim’, ‘case’, ‘sufferer’ or even ‘sick person’ are all terms that a doctor could use, but probably will not. ‘Patient’ has the positive connotation of a safe environment, whereas words such as victim imply harm or pain. Another example of jargon has to do with medical microbiology. Apart from the fact that ‘germs’ is a rather generic term, it also has an adverse association. Many people link it to dirt or, for example, an unclean environment. Terms such as ‘bacteria’ or ‘fungi’ are better options to prevent those kinds of associations. In addition, they are more accurate.
taboo ta·boo noun 1 a social or religious custom prohibi ting or restricting a particular practice or forbidding association with a par ticular person, place, or thing. 12
The second vital type of taboo are euphemisms. There is a world of medical euphemisms out there, and you will probably use them frequently. A prime example is ‘he has passed away’. This is a much more favourable expression than ‘he is gone’ or ‘he died,’ even though there are other expressions such as ‘he has departed.’ The point is that the original message is avoided in order to avert more emotional damage in the patient’s family. Another taboo that is preferably unheard in the medical sector: drug addicts. In rehab, this could have a serious impact on recovering patients, who may get depressed after being characterized in such a way. The solution is, again, a euphemism. A kinder term in this case would be ‘dependents’. This term goes around the word drug and hence embraces a thoughtful attitude. Following this line of thought, one could argue that ‘disabled’ is another harming term, implying inequality and exclusion from society. As this is what is preferably unheard, euphemisms do an excellent job at increasing the positive connotation. Consider substitutes like ‘bodily challenged’ or ‘differently abled’. Again, these terms are a world away from the original, harmful term, reducing the chance of invoking self-hatred in the patient. The next item is what I like to call false abbreviations. For this topic, one takes a provoking word and abbreviates it to something more positive or less provoking in an uncommon way. Let us look at an example concerning a drug: cocaine. When dependents are recovering from their cocaine addiction, talking about the substance might be inevitable. Luckily, the doctor or other health care professional can make a false abbreviation, ‘substance C’ for example. Be careful
though because the patient should not start thinking that cocaine is just any other substance. It is, however, a good temporary substitute if applied properly. The last type of taboo that will be discussed are regular abbreviations and acronyms. Closely related to jargon, they are commonly used by medical professionals. Acronyms are abbreviations that are pronounced like words. They have the ability to keep the taboo intact. There are several examples to illustrate this. An unpleasant disease that everyone knows is HIV. The V in this acronym stands for virus, although this word is rarely spoken. This is keeping the taboo of virus alive. Despite HIV’s negative connotation, human immune deficiency virus (HIV in full) will have an even more negative effect on both carriers and their friends and family. The same principle goes for the related disease AIDS, or acquired immune deficiency syndrome in full.
To sum up, there are numerous types of taboos in the medical sector. In spite of each one having a different origin, they have a common cause. Indeed, there are large differences; euphemisms can be applied in numerous cases and false abbreviations will mostly be used in very specific situations. There is just something in all these kinds of medical taboos that is representative for the medical sector. They make sure that the patient gets the best care, the best chance to recover, without facing negative connotations or being overwhelmed with incomprehensible jargon. And by recovering I do not only exclusively mean physically, but also mentally or emotionally. No matter which way you turn it, we would all rather avoid the hospital. It is partly due to the mentioned taboos that make the visit a more pleasant stay, even though some taboos give rise to ethical problems.
Both ‘deficiency’ and ‘syndrome’ have negative connotations. The acronym ensures negative connotations are diminished. Another wellknown disease is cystic fibrosis, where the patient’s lungs fill up with mucus, causing them to cough it up. This disease is often referred to as the abbreviation CF, leaving out the medical expressions. However, not all taboos are necessarily a good thing, and some taboos could arguably be broken. In the past, change of gender, transplantation and artificial insemination were not spoken about. Yet today, the mentioned examples can be part of a doctor’s daily practice. This shows that taboos are not fixed, and it depends on society what remains taboo. Other taboos today include late termination of pregnancy, euthanasia and palliative sedation. These concepts give rise to ethical problems that future doctors will most likely come into contact with, and there is no fixed way to tackle this. Moreover, it should be stated that taboos in the medical sector do not necessarily reflect taboos in society as a whole. For example, AIDS and death are more easily talked about by medical professionals, whilst in non-medical situation these subjects carry more emotional charge and discomfort.
13
Arno Bourgonje
Dr. House in de praktijk Een snel kloppend hart Tijdens je klinische stages komen al die dozijnen hypoglycemische horecaonderne mers, voyeuristische verslaggevers en katatone kappers je de conchae uit, waar door een bijzondere en zeldzame casus een welkome uitdaging kan zijn. Een casus met een diagnose waar je U tegen zegt. In deze editie presenteren wij zo’n casus, met een diagnose die in de meeste tekstboeken nauwelijks is terug te vinden… Een 16-jarige jongen meldt zich op de polikliniek kindergeneeskunde vanwege al bijna een jaar bestaande periodes van hartkloppingen.
Hoofdklacht?
het sporten de hartkloppingen soms komen opdagen. Zijn voorgeschiedenis is blanco en hij gebruikt geen medicatie. In de familie komen geen aangeboren hart afwijkingen, hartspierziekten of plotseling onverklaard overlijden onder de 45 jaar voor.
Hartkloppingen.
Anamnese en lichamelijk onderzoek Jaap, 16 jaar, komt samen met zijn ouders op het spreekuur cardiologie wegens al langere tijd bestaan de episoden van hartkloppingen (palpitaties). Al snel vertelt Jaap dat hij altijd heeft gedacht dat het voelen van zijn bonzende hart ‘erbij hoorde’, totdat hij het ‘irritant’ begon te vinden en zijn ouders zich zorgen gingen maken. De episodes van hartkloppingen treden meestal acuut op, zonder enig uitlokkend moment, houden een tot twee uur aan en verdwijnen dan weer abrupt. De hartkloppingen zijn afgelopen jaar steeds vaker voorgekomen, maar soms gebeurt het ook we ken niet; ook nooit vaker dan één keer per dag. Moeder vult aan dat hij er al sinds de start van de puberteit last van ondervindt; Jaap ging dan op de bank liggen en wachtte totdat het voorbij was. Jaap zelf ontkent dit echter: hij vindt dat het allemaal wel meevalt. Bij navraag blijkt Jaap nooit flauw te zijn gevallen, pijn op de borst te hebben gehad of acuut benauwd te zijn geworden. Voor, tijdens of na de hartkloppingen is hij ook niet misselijk, duizelig, zweterig, gejaagd, paniekerig of angstig. Jaap drinkt geen koffie, rookt niet en gebruikt geen alcohol of drugs. Hij is verder erg sportief; hij voetbalt veel (driemaal per week trainen, eenmaal wedstrijd, zijn positie in het veld is rechtsbuiten) en doet aan hardlopen (minstens één keer per week). Tijdens lichamelijke inspanning heeft hij nooit klachten gehad. Wel geeft hij aan dat enkele uren na
14
Bij lichamelijk onderzoek wordt een niet-zieke, niet-bleke, heldere en alerte jongen gezien met atletische gestalte. Lengte is 171 cm, gewicht 67 kg (+1 SD gewicht naar lengte). De vitale functies zijn adequaat: pols 76/min regulair equaal, RR 123/79 mmHg, SaO2 100%, T 37.1ºC. Bij auscultatie van het hart wordt een normale 1e en 2e harttoon gehoord, geen souffles of extra tonen. Bij palpatie van de thorax wordt een normale, positieve ictus gevoeld en verder geen thrills. Auscultatie van de longen levert geen bijzonderheden op. Bij palpatie van het abdomen zijn lever en milt niet palpabel. Perifere arteriële pulsaties (a. femoralis; a. brachialis, a. tibialis posterior) zijn aanwezig.
Aanvullend onderzoek Ter uitsluiting van eventueel aanwezige hartritme- of geleidingsstoornissen wordt een ECG-registratie verricht zowel in rust als tijdens klachten (zie afbeelding). Het ECG tijdens klachten toont een regulaire breedQRS-complex tachycardie (192/min) met retrograde (negatieve) P-toppen. Hierop wordt gepoogd de tachycardie te onderbreken door eenmalige toediening van 6 mg adenosine i.v.. Dit leidt tot herstel van het hartritme. Daarnaast wordt een echocardiografie verricht om eventueel aanwezige structurele anatomische of functionele hartafwijkingen op te kunnen sporen. Hierop wordt een normale systolische linkeren rechterventrikelfunctie gezien en vinden we geen aanwijzingen voor eventuele cardiale pathologie.
Voorbeeld van een ECG van een antidrome AVRT: opvallende kenmerken zijn verbrede QRS-complexen door antegrade geleiding over de accessoire bundel en negatieve P-toppen (blauwe pijl) door retrograde geleiding via de AV-knoop. Tevens zijn hier delta golven zichtbaar als uiting van pre-excitatie (rode pijl), passend bij een antidrome AVRT in het kader van het syndroom van Wolff-Parkinson- White (WPW). Wat is uw (werk)diagnose? Op basis van het ECG dat gemaakt werd tijdens klachten (episode van hartkloppingen) en de goede respons op eenmalig i.v. toegediend adenosine werd de diagnose antidrome atrioventriculaire re-entry tachycardie (AVRT) gesteld. Dit is een hartritmestoornis die wordt geschaard onder de supraventriculaire tachycardieën (SVT). Hieronder vallen ritmestoornissen die hun oorsprong hebben boven het niveau van de ventrikels: in de hartboezems (atria) of de atrioventriculaire knoop (AV-knoop), de elektrische schakel in het hart tussen de atria en de ventrikels. Bekende voorbeelden van SVT zijn o.a. atriumfibrilleren en atriumflutter. Ze worden veelal van elkaar onderscheiden op basis van de hartfrequentie, de (on)regelmatigheid daarvan, de oorsprong (sinusknoop, de atria zelf, AVknoop) en de morfologie van de P-top op het ECG. Bij de antidrome atrioventriculaire re-entry tachycardie (AVRT) bestaat er naast de AV-knoop een extra (elektrisch geleidende) verbinding tussen de atria en de ventrikels. De meest voorkomende hiervan is de zogenaamde bundel van Kent, kenmerkend voor het syndroom van Wolff-Parkinson-White. Het gevolg van een extra geleidende verbinding tussen atria en ventrikels is dat er gemakkelijk tachycardieën kunnen ontstaan, die uitgelokt worden door voortijdige (premature) contracties van atria of ventrikels. Hierbij kan een elektrische impuls via de AV-knoop de ventrikels bereiken (normaal) en via de extra geleidingsbundel terugkeren naar de atria, die dan vervolgens opnieuw contraheren (re-entry). Deze ‘re-entry’ of ‘circus movement’ is van het ‘orthodrome’ type, dat het meest voorkomend is. Bij een antidrome AVRT is precies het tegenover gestelde aan de hand: de elektrische prikkel wordt via de extra geleidingsroute van de atria naar de ventrikels geleid (anterograad), om vervolgens weer via het normale geleidingsysteem (AV-knoop) terug te keren (retrograad). Dit geeft op het ECG de kenmerkende
bevindingen van verbrede QRS-complexen en negatieve P-toppen. Differentiaaldiagnostisch moet in dit geval altijd gedacht worden aan vormen van ventriculaire tachycardie, omdat de ECG bevindingen hierbij sterk overeenkomen. Hoe ziet de behandeling eruit? Hoe is de prognose? Er bestaan verschillende behandelopties waarbij het doel van de behandeling sterk kan verschillen. Bij weinig frequent optredende AVRT episoden wordt meestal gekozen voor een expectatief beleid (geen behandeling) of een ‘pill in the pocket’’, een pil in de broekzak, waarbij een anti-aritmicum wordt ingenomen op het moment van optreden van de tachy cardie. Bij vaker voorkomende episoden kan ook gekozen worden voor een onderhoudsbehandeling met anti-aritmica. De enige curatieve behandeloptie bestaat uit het door middel van een ingreep uitschakelen van de accessoire bundel die verantwoordelijk is voor het optreden van de tachycardieën, de zogenaamde radiofrequente katheterablatie. Dit is een veilige en effectieve behandeling en is succesvol bij ongeveer 95% van de patiënten.
Afloop van de casus Met Jaap en zijn ouders werden de verschillende behandelmogelijkheden besproken, waarbij uiteindelijk werd gekozen voor een pill in the pocket, namelijk propranolol 40 mg (bètablokker) zo nodig. Er was in het geval van Jaap geen sprake van pre-excitatie of alarmsymptomen en de episoden van palpitaties werden over het algemeen goed verdragen, waardoor onderhoudsbehandeling of ablatie niet direct noodzakelijk werd geacht. Wel is dit uiteraard voor hem mogelijk en daarom is met Jaap en zijn ouders afgesproken om hier in de toekomst over na te gaan denken. Voor komende edities zijn we op zoek naar klinische lessen. Zou jij je klinische les gepubliceerd willen zien in de Panessay? Mail naar panessay@panacea.nl
15
Marko Pol
Psychochirurgie Geschiedenis van de psychiatrische chirurgie, deel III Dit is het laatste deel van het drieluik over de geschiedenis van de psychochirurgie. Na omzwervingen vanuit de oudheid zijn we aan het einde van de vorige eeuw beland. Er is maatschappelijk verzet tegen de psychiatrische chirurgie en er zijn twijfels over de werkzaamheid. Wat is de huidige stand van zaken van de chirurgie voor psychiatrische aandoeningen?
Zoals we gezien hebben is er maatschappelijk steeds meer verzet gekomen tegen chirurgisch ingrijpen bij psychiatrische patiënten. Ook onder psychiaters gaan in de jaren ’70 stemmen op om de chirurgie geheel te verlaten. De noodzaak hiertoe lijkt ook grotendeels verdwenen door de introductie van medicatie. Lithium, SSRI’s en TCA’s worden ontwikkeld, op grote schaal geproduceerd en voorgeschreven. Er blijft echter een groep patiënten over die onvoldoende reageren op behandeling. In 1978 wordt in de Verenigde Staten door de National Commission for the Protection of Human Subjects of Biomedical and Behavioral Research gesteld dat sommige chirurgische procedures voor deze groep patiënten kansen biedt. Ze stelt richtlijnen op voor het gebruik van chirurgie in de psychiatrie en roept op tot meer onderzoek. Tegenwoordig wordt in de geneeskunde de focus steeds meer gelegd op evidence based werken. De studies die door Moniz en Freeman werden gepubliceerd voldoen niet aan de huidige maatstaven, omdat er nauwelijks follow-up is en de resultaten niet systematisch worden beschreven. Het opzetten van nieuwe studies valt echter niet mee. De weinige patiënten die nog in aanmerking komen voor chirurgie zijn geen ideale onderzoeksubjecten. Het betreft vaak ernstig zieke patiënten aan de onderkant van de samenleving, met een hoog suïciderisico. Het is lastig om voor een goede follow-up te zorgen. Daarnaast is de groep psychiatrische patiënten nogal verschillend vanwege de definities van diagnoses. Doordat je voor een diagnose depressie bijvoorbeeld aan vijf van negen criteria moet voldoen krijg je
18
patiënten in hetzelfde cohort met zeer uiteenlopende symptomen, en daarbij misschien ook een verschillend onderliggende oorzaak. Dat men in de psychiatrie niet gewend is volgens protocollen te werken speelt hierbij ook mee. Ook het opzetten van een dubbelblinde studie lijkt niet mogelijk: hoe zorg je ervoor dat patiënten niet weten of ze in de placebo- of de interventiegroep zitten? De placebogroep ook opereren, maar zonder een intracerebrale laesie achter te laten, is gezien de kans op serieuze complicaties geen optie.
Deep brain stimulation Dit laatste probleem wordt opgelost met de invoering van deep brain stimulation (DBS). Hierbij kan, zonder dat patiënt op de hoogte is, de stimulator aan of uit worden gezet. Vanaf de jaren ’70 wordt er geëxperi menteerd met DBS bij bewegingsstoornissen en psychiatrie, op verschillende plaatsen in het brein. In 1987 wordt een grote studie gepubliceerd, waarbij er gestimuleerd is in de subthalamische nucleus bij Parkinsonpatiënten. Dit is zeer succesvol en hiermee wordt de waarde van DBS bij de ziekte van Parkinson bewezen. Hierdoor komt er toestemming van de Food and Drug Administration (FDA) om het apparaat in patiënten te gebruiken. Bij het onderzoek met DBS bij Parkinson worden opvallende bijwerkingen opgeschreven. Zo beschrij ven patiënten genotsgevoelens bij stimulatie, of juist depressieve gedachten. Parkinsonpatiënten die ook obsessieve gedachten en compulsies hebben rapporteren een vermindering van hun klachten. Sommige
patiënten vallen tientallen kilo’s af. Deze toevalsbevindingen bieden inzicht in het verloop van de circuits die verantwoordelijk zijn voor psychiatrische stoornissen en gedrag. Hier wordt op voortgeborduurd en in 1999 verschijnt in de Lancet de eerste studie naar elektrische stimulatie bij psychiatrische stoornissen, in dit geval de obsessief-compulsieve stoornis en het syndroom van Tourette. Deep brain stimulation heeft als groot voordeel dat na de operatie de behandeling geoptimaliseerd kan worden, door meer of minder te stimuleren. Daarnaast is de behandeling reversibel; het apparaat kan weer uitgezet, de elektrodes weer verwijderd. Je houdt een kleine laesie over van het inbrengen, maar dit is slechts een deel van de schade die bij de laesiechirurgie werd aangebracht.
Indicaties De enige psychiatrische aandoening waarvoor in Nederland chirurgische behandeling vergoed wordt is de obsessief-compulsieve stoornis (OCS). Uiteraard moet je hiervoor verder uitbehandeld zijn. Tien procent van de patiënten reageert onvoldoende op de standaardbehandeling met SSRI’s en cognitieve gedragstherapie. Voor een deel van hen kan DBS uitkomst bieden. In Nederland gaat het hierbij om enkele patiënten per jaar. Er kan op verschillende plekken in het brein worden gestimuleerd (subthalamische nucleus, nucleus accumbens of de voorste poot van de capsula interna). Dat deze verschillende plekken werkzaam zijn draagt ook bij aan de hypothese dat er sprake is van een dysfunctionerend circuit. Studies rapporteren gemiddeld in de helft van de gevallen een verbetering van 35% van scores op een OCS-schaal.
Er wordt ook veel onderzoek gedaan naar DBS bij therapieresistente depressie. Dit wordt in Nederland niet vergoed, maar het wordt in studieverband wel uitgevoerd. In het AMC vindt veel onderzoek plaats naar deze behandeling, onder leiding van de bekende psychiater Damiaan Denys. Ook bij depressie worden meerdere targets onderzocht (nucleus accumbens, de voorste poot van de capsula interna en de subcallosale gyrus cinguli), met responspercentages boven de 50%. De groep van Denys heeft vorig jaar de eerste randomized controlled trial gepubliceerd, welke veelbelovende resultaten liet zien. Er zal echter meer onderzoek nodig zijn voordat chirurgie standaardzorg gaat worden. Er zijn meer neveneffecten van deep brain stimulation waargenomen waar ook onderzoek naar gaande is, zoals obesitas, anorexia nervosa en de bipolaire stoornis. Ook wordt er gekeken naar het gebruik van deep brain stimulation bij verslaving en complexe pijnsyndromen. Hier is echter nog een lange weg te gaan voordat dit gemeengoed zal worden.
Conclusie Al met al zijn we van ver gekomen, van getrepaneerde schedels tot aan geïmplanteerde apparaten, waarmee ingegrepen wordt in het brein en de geest. Het verhaal van de psychiatrische chirurgie gaat niet over chirurgische technieken, maar juist over hoe we als maatschappij omgaan met psychiatrische patiënten en geneeskundige ontwikkelingen. De nalatenschap van Freeman en Delgado heeft gezorgd voor kennis en ontwikkeling van chirurgie bij psychiatrische stoornissen, maar er ook toe geleid dat tot vandaag de dag er een nare smaak plakt aan de term psychochirurgie.
19
Sophie Reese
VGT-hulp Neurologische crisis Als er iets is waar ik mijn hoofd altijd over gebroken heb tijdens de neurologiecolleges in de bachelor, dan was het wel die verrekte indeling van dat zenuwstelsel. Al die termen, die dan ook nog eens afgekort werden tot drieletterige aanduidingen, waarvan je dan ook nog moest begrijpen welk neuron bij welke drieletteraanduiding hoorde en waar ‘ie dan uitein delijk lag in je lichaam. Je leest het al, het was grote chaos in mijn hoofd. Ik dacht: dit kan beter, er moet een overzicht komen. En met behulp van Kuks, zowel het boek als de professor zelf, ben ik een heel eind gekomen. Over het algemeen heb je dus je hersenen en ruggenmerg, en een heleboel zenuwen in je lichaam. Je hersens en je ruggenmerg zijn samen het centrale zenuwstelsel (CZS) en alle zenuwen daarbuiten zijn het perifere zenuwstelsel (PZS). Het perifere zenuwstelsel kan onderverdeeld worden in het somatische zenuwstelsel (SZS) en het autonome zenuwstelsel (AZS). Het somatische zenuwstelsel bestaat uit de exteroceptieve prikkels die je actief waarneemt en waar je dan bewust op reageert. Oftewel je hoort een vlieg en je slaat ‘m dood. Het autonome zenuwstelsel bestaat uit de interoceptieve prikkels vanuit je organen waarop je lichaam reageert zonder dat je je daar bewust van bent. Regulatie van je ademhaling bijvoorbeeld. Tot zo ver koek en ei, nu begint het echte werk.
Het somatische zenuwstelsel Het somatische zenuwstelsel bestaat uit craniale zenuwen en spinale zenuwen. De grijze stof van het ruggenmerg heeft twee voorhoorns en twee achterhoorns. In de voorhoorns liggen motorneuronen en in de achterhoorns sensorische neuronen. Senso rische informatie komt binnen via dorsale ganglia. Vanuit deze zenuwknopen gaat de informatie naar de hersenen via de achterwortel en de achterhoorn van het ruggenmerg. Vervolgens gaat er vanuit het eerste motorneuron in de hersenschors een signaal naar het tweede motorneuron in de voorhoorn van het ruggenmerg. Vanuit deze neuronen worden de skeletspieren aangestuurd.
20
Het autonome zenuwstelsel Je raadt het al: het autonome zenuwstelsel kan ook weer onderverdeeld worden in aparte delen; feest! Je hebt het sympathische zenuwstelsel, het parasympathische zenuwstelsel, en het enterische zenuwstelsel. Het sympathische zenuwstelsel stuurt de processen aan die te maken hebben met fight, fright en flight. Het parasympathische zenuwstelsel is de tegenhanger van het sympathische deel en gaat over rest, relaxation en digest. Het enterische zenuwstelsel is wat specialer, het is een soort eigen zenuwstelsel van de spijsvertering. Normaal gesproken is het verbonden met het CZS via de nervus vagus, maar het is door bepaalde eigenschappen ook in staat om compleet zelfstandig te functioneren.
Het sympathisch zenuwstelsel Het eerste neuron van het sympathische zenuw stelsel ligt in de hersenen. Het tweede neuron, of het preganglionische neuron, ligt in de zijhoorn van het ruggenmerg op niveau T12-L2. De axonen van deze neuronen gaan vervolgens via de voorwortel van het ruggenmerg, via de witte ramus communicans naar het derde neuron. Dit neuron ligt in het paravertebrale ganglion, dat naast het ruggenmerg ligt. Samen vormen deze paravertebrale ganglia zogeheten
grensstrengen. De axon van het derde neuron gaat vervolgens naar het effectororgaan in de thorax of naar de huid. Dit gebeurt via de grijze ramus communicans en dan via de achterste of voorste gemixte spinale ramus. In een aantal grote abdominale arteriën ligt nog een soort sympathisch ganglion, namelijk de prevertebrale ganglion. Vanuit deze ganglia worden abdominale organen geïnnerveerd. De axonen van de tweede neuronen voor deze organen lopen door de paravertebrale ganglia heen door naar nervi splanchnici, hun derde neuron ligt in de prevertebrale ganglia.
Het parasympathische zenuwstelsel Het parasympathische zenuwstelsel begint uiteraard ook in de hersenen. De preganglionische of tweede neuronen liggen in de hersenstam of in de zijhoorn van het ruggenmerg op sacraal niveau. De axonen van deze neurons zijn erg lang en gaan naar parasympathische ganglia die in of op het effectororgaan liggen. Vanuit deze ganglia worden de organen geïnnerveerd door het derde neuron. De craniale ‘outflow’ van het parasympathische zenuwstelsel loopt via CN III, VII en IX en CN X oftewel de nervus vagus. De sacrale ‘outflow’ loopt via de voorwortel van het ruggenmerg, via de voorste gemixte spinale ramus naar de nervi splanchnici pelvici op niveau S2-4.
21
Karlijn Saris
Winterperikelen De winter is eigenlijk net zoiets als je tanden poetsen. In tandenpoetsreclames is alles wit en schoon en de mensen lachen en zijn prachtig. Tandenpoetsen lijkt een fantastische activiteit die je zelfs gezellig samen kunt ondernemen. Maar in de echte wereld is tanden poetsen naar (toch?). Zo is het dus ook met de winter. Want laten we eerlijk wezen: de stralende gezinnetjes uit de Lidl kerstreclame wonen nooit bij jou in de straat en van alle sneeuw die er in een gemiddelde winter valt kunnen we net één natte, modderige sneeuwbal maken. Oma vertelt en zon uit het stopcontact
Kerst: nep-gezelligheid en het recept voor chaos
Mijn oma kan er echt naar uitkijken: “het wordt weer zo lekker vroeg donker”. Nou oma, het mag dan allemaal ontzettend knus klinken, maar als we al niet depressief waren, dan worden we het op deze manier wel. De echte burger/arbeider heeft een brave kantoorbaan van negen tot vijf en een beetje student komt met een brak hoofd ook echt voor vier uur zijn bed niet uit. Maar gelukkig is tegenwoordig alles maakbaar, dus die zon hebben we allang niet meer nodig. De depressie-voorkomende warmtelamp is het nieuwe knapperende haardvuurtje. Ach, met het hele gezin een paar uur per dag naar een lichtgevend bord staren schept ook een band.
Kerstmis is gebaseerd op twee fundamentele situaties die in de praktijk lastig naast elkaar blijken te kunnen bestaan, namelijk:
Stamppot-met-vette-worst-buik en snottebellen De winter maakt van ons allemaal waanzinnig lelijke mormels. Het gezonde bruine huidje maakt plaats voor een doorschijnend, grijs gelaat en je lippen en handen voelen aan als schuurpapier. Dat is natuurlijk ontzettend vervelend allemaal, maar het grootste deel van de schade richten we gewoon zelf aan, beste mensen. De sportschool is door deze siberische ijswinden echt te ver fietsen en om je depressie in toom te houden moet er nu eenmaal veel gegeten worden. Gelukkig kun je dat viezige kerst-oud-en-nieuw-sinterklaas-stamppot-metvette-worst-chocolademelk-buikje in de winter goed
Glutenvrije nichten, zoutarme oma’s, menopauzale moeders en overspan nen vaders verbergen. Gehuld in zo’n allesbehalve lustopwekkende pluche huispak-kerstsloffen combinatie van de Primark slof je deze maanden rochelend en snotterend door. En als je dan toch aan decorumverlies lijdt, hoef je je benen en oksels natuurlijk ook zes maanden lang niet te scheren, duh.
22
1. De hele familie onder één dak, inclusief merkwaardige karaktertrekken en gecompliceerde schoonzus-achternichtruzies. 2. Verplichte gezelligheid (in de reclames illustreren ze dus hoe dat er ongeveer uit hoort te zien). Alleen al het organiseren van een kerstdiner kan behoorlijk gecompliceerd worden wanneer zo ongeveer de complete DSM-V aan tafel aanschuift. Combineer dit met glutenvrije nichten, zoutarme oma’s, menopauzale moeders, overspannen vaders en een zooitje recalcitrante pubers die alleen kip, patat en appelmoes lusten en het recept voor chaos is compleet. Met een zuur hoofd zit iedereen de zoutloze, glutenvrije appelmoes weg te spoelen met goedkope wijn terwijl over en weer passief-agressieve negeersessies aan de gang zijn tussen schoonzus en achternicht. Dan komt het onvermijdelijke moment dat moeders met een knalrood hoofd van haar halve glas wijn voorstelt om spelletjes te gaan doen. Ik hoef natuurlijk niet uit te leggen dat dat er niet zo aan toe gaat als bij het Lidlgezin, waar paps en mams innig verstrengeld met zes kids en de hond op schoot rummikuppen. Ze zeggen dan dat de mens de superieure soort is, maar op dit gebied hebben dieren het toch beter begrepen. Die vreten zich gewoon voor de ellende begint zo vol dat ze pas weer uit hun suikercoma ontwaken wanneer alles achter de rug is. Ik train zelf al jaren en op een dag zal het me lukken. Tot die tijd kruip ik zo diep mogelijk weg onder mijn dekens en doe in ieder geval alsof ik er niet ben.
Lisa Havinga
Thuiszorgcolumn Woordzoeker Sinds vorig jaar deze tijd werk ik als zogenaamde wijkverpleeghulp in de thuiszorg. Naast veelal al zeer schone appartementen schoonmaken, eindeloze oppervlakken afstoffen, wc-schoonmaakrituelen perfectioneren en de wereld aan complexe kamerplanten wateren, doe ik daar eens in de zoveel tijd iets anders dan huishoudelijk werk. Naast deze huishoudelijke diensten is er ook persoon lijke verzorging en begeleiding. Onder die laatste categorie valt zo’n beetje alles wat niet in die andere diensten te passen valt en daardoor is de invulling van zo’n dienst vaak een volledige verrassing. Nog geen maand geleden ben ik begonnen te werken bij een mevrouw van boven de 95 jaar. Hoe ver zij daarboven zit, weet ze niet en voor behoud van het mysterie heb ik dit ook niet in haar dossier opgezocht. Mevrouw woont met een leger aan planten, schilderijen en geweven kanten kleedjes in een hoge flat in een uithoek van de stad. Haar vaste plek is die aan het raam, waar ze vanuit haar rollende bureaustoel scherp toezicht houdt op de fietsers en verdwaalde wandelaars die voorbijkomen. Ze wast veel af, eet liever niet en als per se het moet taart, kijkt naar natuurprogramma’s en vergeet alles wat er na veertig jaar geleden gebeurd is. Bij mijn eerste binnenkomst in haar sterk verwarmde gang geeft ze meteen aan hoe de vork in de steel zit. ‘Ze hebben weer wat buiten mij om geregeld, dat er weer zo’n trien komt, nou, van mij hoeft het allemaal niet hoor!’ Ik trek voorzichtig mijn jas uit, probeer mijn verzachtendste glimlach en loop achter mevrouw aan haar woonkamer in. Haar zoon organiseerde vier extra begeleidingsdiensten per week, naast de schoonmaak die wij voor haar doen. Zodat ze beziggehouden zou worden en weer eens buiten kwam. Over dat laatste vraag ik haar, nadat ze uitgepuft is en mij voor het eerst aankijkt: ‘Heeft u zin zo even buiten te gaan wandelen?’ ‘Geen denken aan! Mij niet gezien.’ Tot zover die poging. Ik zet mijn volgende charmeoffensief in en complimenteer haar prachtige kunst. Ze vertelt me vervolgens dat dat alles van haar eigen hand is; dat zij zonder lessen maar met buitenproportioneel talent elk mogelijk landschap schilderde. Na mijn derde lofrede is ze opeens op haar hoede, ze bekijkt me nog eens goed, zegt dan: ‘Ze blijven hier hoor! Je krijgt ze niet mee! Die met die druiven daar heb ik al aan mijn buurman beloofd, en die ander vind ik zelf veels te mooi.’
Ik leer snel bij; mevrouw speelt graag spelletjes. Met ongekende concentratie buigt ze zich over een woordzoeker. Haar zicht is niet meer wat het ooit geweest is, en om de paar minuten valt er een inspanningstraan op het puzzelboekje onder haar. Om haar zoekgenot niet te bederven, houd ik mijn gevonden woorden in, geef haar de tijd deze eerst zelf te vinden. Na tien tweelettergrepige oer-Hollandse woorden legt ze haar pen neer en kijkt me strak aan. ‘Ik weet heus wel dat ik een soort spek met bonen ben,’ giechelt ze. Voor ik deze vriendelijke beschuldiging kan verdedigen, zoekt ze alweer door. Om de zoveel woorden zet ik zelf een streep. Voor ik het weet hebben we onze eerste gezamenlijke woordzoeker gemaakt. Na de eerste maken we een tweede, derde, vierde, tot het initiële enthousiasme door moeheid weggevaagd is. Na deze opwaartse spiraal maak ik toch weer een kleine blunder. Op een gele post-it die op haar vensterbank geplakt is, staat: Voor vrijdag en zaterdag bij de thee: Zie onderin de koelkast. De vermoeide ogen van mevrouw lezen de tekst nog eens en ze vraagt me eens te gaan kijken. Er staat een niet onbescheiden mokkaschnitt op de onderste koelkastplank, ik snijd er een flink stuk voor mevrouw en een reepje voor mijzelf vanaf. Een duidelijke denkfout: mevrouw zegt op agressief-vriendelijke toon dat ik met zo’n stuk niet wegkom! ‘Je eet gewoon de helft, kom nou!’ Aan het eind van deze eerste dienst blijk ik toch iets goed gedaan te hebben. Ik haal twee boterhammen uit haar vriesvak en leg deze klaar op het aanrecht. Dan zie ik op zes verschillende borden driekwart van de avondmaaltijden liggen. ‘Wil jij die voor me opeten?’ vraagt ze me met een samenzweerderige blik. Ik bedank haar en leg de boterhammen op een strategische plek. Als ik mijn jas aantrek buigt ze zich naar me toe en fluistert: ‘Je mag nog weleens komen hoor, van jou hoef ik tenminste niet te wandelen.’
23
Suzanne van Woudenberg
Medisch Scrabble Nasofarynxcarcinoom, hypothyreoïdie, gedilateerde cardiomyopathie: een willekeurige selectie uit het medische jargon. Jij babbelt - net als alle andere artsen in spe - al aardig in deze onbegrijpelijke geheimtaal. Voor de gemiddelde patiënt is het echter Chinees. Welke woorden zijn wel te begrijpen voor een medische leek? We ondervroegen de Groningers in het UMCG wat enkele medische begrippen volgens hen zouden moeten betekenen.
Coassistent
Urologie
In een academisch ziekenhuis als het UMCG lopen deze artsen in spe in groten getale rond, maar is het voor de patiënten wel duidelijk wie ze zijn? Misschien ben jij het zelf nu, ga je het worden of ben je het inmiddels al geweest. We hebben het hier over de coassistent, een veel gehoord begrip in de genees kundestudie. Het is een vast en verplicht onderdeel van de opleiding en kent zijn oorsprong al vele jaren terug. In je master ben je dit tweeënhalf jaar, je loopt dan mee bij diverse specialismen in verschillende (academische en perifere) ziekenhuizen.
We dachten dat het wat lastig zou zijn voor de gemid delde patiënt om uit te leggen waar dit specialisme zich precies mee bezighoudt. De nieren zijn immers niet de bekendste organen; ze worden regelmatig over het hoofd gezien. Bovendien is de werking van deze twee kleine maar onmisbare organen niet bepaald eenvoudig te begrijpen. Toch bleek dit specialisme bekend. Vrijwel iedereen antwoordde met woorden als “urinewegen”, “blaas”, “nieren” en “plassen”. Het viel overigens op dat patiënten zich een beetje leken te schamen om “plassen” te zeggen. Dit is wel weer een opmerkelijk verschil tussen artsen en patiënten. Medici gebruiken weliswaar de chiquere term (mictie), maar gebruiken deze ongegeneerd en onder welke omstandigheden dan ook. Ook als je als coassistent je plas al uren op aan het houden bent, omdat je niet durft te vragen of je even naar de toilet mag.
Gelukkig bleek dit begrip bij de UMCG-patiënten wel bekend te zijn. Het antwoord dat alle keren gegeven werd was zeer eenvoudig maar correct: “arts in opleiding”. Nu rest wel de vraag of dit begrip ook buiten de academische centra zo bekend is…
24
Suikerziekte Suikerziekte komt helaas in de huidige maatschappij steeds meer voor. Mogelijk is het daarom een van de weinige ziekten waarvan de officiële medische term bij de leek bekend is. De eerste reactie die we geregeld hoorden was namelijk “diabetes”. Soms werden zelfs de verschillende typen, één en twee, genoemd. Bovendien wist iedereen wel te vertellen dat het glucose-, dan wel suikergehalte in het bloed bij patiënten met deze ziekte te hoog is. Enkele keren werd de alvleesklier genoemd, maar de Latijnse term (pancreas) is niet gevallen. Het werd vaak geassocieerd met overgewicht en voeding. Op zich een positieve bevinding dat kennelijk niet alleen de artsen maar ook leken zich bewust zijn van de onderliggende risicofactoren in de leefstijl. Bovendien was de behandeling bij velen bekend. Niet alleen “insuline” en “spuiten”, maar ook “pillen” werd meerdere malen genoemd. Enkelen spraken nog over de “nare” gevolgen zoals “amputatie”, “kunstaderen”, “te hoge bloeddruk”, “afstervingen” en “ogen” dan wel “blindheid”. Helaas bleken sommige patiënten deze rijkelijke kennis over diabetes niet alleen te weten van horen zeggen, maar kampten zij zelf met deze welvaartsziekte. Fun fact: volgens de
Van Dale is suikerziekte ook een “zekere tulpenziekte”. Ook voor medici (in spe) valt er kennelijk dus nog wat te leren over medische termen…
Conclusie Kortom, zolang men zelf in aanraking is gekomen met bepaalde termen, zijn deze vaak wel aardig bekend. Het gaat hier met name om de algemene termen in de geneeskunde. Daarentegen blijken fysiologische termen veel minder bekend. De associaties zijn soms lachwekkend maar begrijpelijk. Associaties worden gelegd door te denken aan andere woorden waarvan een deel overeenkomt met de lastige medische term. Denk aan “sympathiek” bij “sympathicus” of “neurologie” en “neonatologie”. Ook speelt het beroep een belangrijke rol. Hierbij is het meest opvallende voorbeeld toch wel de relatie tussen de “sinusknoop” en “wiskunde”, die door een leraar gelegd werd. Al met al was dit mini-onderzoekje best verhelderend over de kennis van het medische jargon bij de leek. Zolang we non-medici maar niet gaan lastig vallen met ingewikkelde Latijnse terminologie en het herkenbaar blijft, hoeven de medische woorden dus ook voor de leek echt geen geheimtaal te zijn.
25
Karlijn Saris
CMB-fenomenen 6 dingen die je zeker herkent als je (te) vaak in de CMB zit De Centrale Medische Bibliotheek (CMB) is een haast onvermijdelijke plek tijdens je studie geneeskunde. En omdat alle studentenkranten van Groningen ieder jaar opnieuw stukken wijden aan aan de gang van zaken in de UB, wordt het tijd onze eigen CMB in het zonnetje te zetten: 6 dingen die je zeker herkent als je (te) vaak in de Medische Bibliotheek zit. 1. Gebrek aan #swek: We kunnen het stug blijven ontkennen, maar weten allemaal dat het waar is: in de UB is alleen plek voor mooie mensen met #swek. Je weet wel, hertjes in fluwelen broeken met wijde pijpen, die flirten met gretige mannen terwijl ze zwoel nippen van hun Starbucks filterkoffie. Dus op dagen dat jij het liefst in je pyjama de deur uitgaat en weigert jezelf enigszins te fatsoeneren, beland je samen met alle andere lelijke mensen in de seksloze CMB (tip als je torenhoge studentenlibido je van het studeren afhoudt).
2. De CMB-allochtoon: Vooral tijdens tentamenperiodes een veelvoorkomende bron van irritatie: de CMBallochtoon. De sociale pedagogiek- en planologiestudenten hebben ontdekt dat je niet midden in de nacht voor de UB hoeft te wachten voor een plek, omdat er in de CMB altijd nog wel wat vrij is. Jij pikt dit natuurlijk niet. Met veel geweld en lawaai smijt je Guyton op tafel, sla je zo passief-agressief mogelijk alle duizendmiljoen bladzijden om en zucht je daarbij heel vaak en hard. Even laten zien wie hier écht een bibliotheek nodig hebben: de slimme mensen. En nou opgehoepeld naar je eigen bieb, alfamiep.
werkt zo snel mogelijk alle boekjes door, terwijl je probeert alles in één keer te onthouden en hoopt dat wat je leest daadwerkelijk klopt. Net als je denkt week 1 af te hebben en lekker op schema te lopen, ploft de échte geneeskundestudent naast je neer. Uit haar tas (geef toe, het is meestal een zij) komen vijf volle kladblokken met handgeschreven samenvattingen en uitgewerkte tutoropgaven tot en met week 8. De paniek slaat toe. Met een schuin oog over het schotje tussen jullie tafels probeer je nog wat van haar over te schrijven. Maar als jullie blikken elkaar kruisen en ze afkeurend naar je roze boekjes kijkt, weet je precies hoe laat het is: je bent officieel gedegradeerd tot slechte student, het schuldgevoel gaat door merg en been.
5. Rookpauze: Jij weet als geen ander dat sigaretten nou niet bepaald vitaminebommetjes zijn, maar hé, als je na al die liters alcohol nog leeft, kan die ene sigaret er ook nog wel bij. Bovendien ben je bijna arts, die worden zelf echt niet ziek. Reden genoeg dus om er maar weer eentje op te steken. Eenmaal buiten blijk jij niet de enige die er zo over denkt. Je sluit achteraan in de rij met witte jassen en exacerberende COPD’ers met zuurstoftank in hun rollator, om gezellig onder het te kleine afdakje je kostbare levensjaren weg te paffen.
3. Lunchpauze: Rond een uurtje of 11 besluit je dat het tijd is voor de eerste lunchpauze. Je eigen brood smeren is iets wat alleen burgers doen, dus jij koopt voor honderd euro twee kleffe ham-kaas croissant in de AH To Go. In de lift richting de vierde verdieping kruimel je de naast je geparkeerde oma in rolstoel helemaal onder. Luidkeels klagend over hoe zwaar studeren wel niet is, wandel je terug naar de CMB, langs Sam (7) met een hersentumor en Anna (6) met leukemie. Je hebt het ook niet makkelijk.
4. De échte geneeskundestudent: In je eerste jaar schreef je nog braaf al je samenvattingen zelf en ging je naar colleges en zo. Maar de laatste tijd vragen alle sociale verplichten toch wel erg veel van je. SlimStuderen en Capita zijn dus jouw heilige graal geworden. Je
26
6. De witte-jassen-co: Terwijl jij rustig achter je computer je tutoropgaven aan het voorbereiden bent, stormt er met veel kabaal zo’n wit gevaarte binnen. Hij ploft naast je neer en begint in het wilde weg diagnoses te googlen terwijl hij om zich heen kijkt met de typische “ik-ben-hier-de-co-assistent-en-jullie-allemaal-nogstudenten-hahaha”-blik. Je bewondert zijn nét-niet chirurgenschoenen en ziet meteen dat het zijn eerste coschap-week is. Als ook nog eens zijn telefoon gaat, is je grens bereikt. Met nog meer bombarie dan waarmee hij gekomen was, loopt hij weg en neemt halverwege de ruimte zijn telefoon vast op. Je twijfelt of je hem iets aan zal doen, maar ziet dan iets aan zijn jas hangen dat jou waarschijnlijk nog van pas gaat komen: de UMCG-pas. Nog even te vriend houden dus.
Christa Drew
The Experience An Englishman in the Netherlands You would think that England and Holland are fairly similar: after all, they are only sepa rated by a slither of water. Not true. They are very different; from the culture, people, and food, to the music you hear in the “kroeg”.
A friend of mine was shocked when I told her my plans to study in the Netherlands. She was sure that the language barrier would be a nightmare for me, even though I have come to speak modest Dutch. Again, she was wrong. It seems that the Dutch are not only very competent English speakers but are also very quick to switch to English when they catch a foreign accent. In fact, some speak better English than certain friends of mine back home. Besides language, there are several other things that are strikingly different about the Dutch, or the Netherlands itself compared to England:
Going out There is no dress code and it is free to get into basically all clubs and bars! In London, to make it past the bouncer of any decent club, the girls need to wear 6-inch heels with a dress and the boys cannot wear trainers, not to mention having to pay £30 at some places just to enter.
Hand-shake Every time I have been introduced to someone new, I am immediately met with a handshake and an exchange of names; very refreshing compared to the awkward “hi” that the newlyacquainted British give each other.
Beer In Holland, an evening out goes hand-in-hand with the consumption of at least one crate of beer. It seems to be every party-goers’ drink of choice.
Studentenverenigingen These are basically giant friendship groups that have been around for a while and have some compulsory “gezelligheid”, drinking and a few odd rules? Bizarre.
Strange snacking habits I have come to terms with chocolate sprinkles on bread (hagelslag) and mashing up potato with whatever you want and calling it a “stamppot”, but the food in the walls still puzzles me.
27
Chris Lenselink
Film op recept Na die honderd pagina’s vakliteratuur per week is het niet onbegrijpelijk dat je weleens toe bent aan een ontspanningsmomentje, thuis op de bank. Om je medische kennis toch nog een beetje op peil te houden, heeft de PanEssay deze keer films in plaats van boeken geselecteerd waar je wellicht nog een wijze les uit kunt trekken.
Theory of Everything
Vakgebied: neurologie Deze biografische film volgt natuurkundige Stephen Hawking (Eddie Redmayne), na een onhandige val wordt hij gediagnosticeerd met amyotrofische laterale sclerose (ALS). Terwijl hij werkt aan een these over zwarte gaten, sterven zijn spieren af. De film wijkt niet af van de standaardbiografie door een relatie centraal te zetten, in dit geval die van Stephen en Spaanse literatuurstudente Jane (Felicity Jones), hoewel beiden nieuwe vlammen vinden. Het zwaartepunt van de film zit hem dan ook vooral in het verloop van de gesteldheid van Hawking, wat voor ons medische studenten wellicht interessant is. Er wordt echter weinig aandacht besteed aan de natuurkundige bevindingen van Hawking, terwijl toch zijn karakter het concept van de film bijzonder maakt. Mocht je daar niet van wakker liggen, dan kan je vast de soundtracks en het goede acteerwerk van de hoofdrolspelers waarderen.
50/50
Vakgebied: oncologie Het thema van deze film uit 2011 is redelijk paradoxaal: een komedie over kanker. Radiojournalist Adam (Joseph Gordon-Levitt) wordt geconfronteerd met de diagnose schwannoma neurofibrosarcoma. Deze vorm van kanker beïnvloedt de cellen van Schwann, die normaal myeline produceren. Online leest Adam dat er een 50% overlevingskans is voor de chemotherapie die hij ondergaat. Adam wordt bijgestaan door zijn beste vriend Kyle (Seth Rogers), die zorgt voor een komische noot in de film. Zo helpt Kyle Adam zijn hoofd kaal te scheren en gebruikt hij Adams ziekte om vrouwen te versieren. Deze afwisseling is ook wel nodig met zo’n beladen onderwerp. Het contrast tussen de twee vrienden kan bijna niet groter zijn: Adam is introvert en Kyle veel losbandiger. Als kijker blijf je dan ook met de vraag zitten waarom de twee zo hecht zijn. De vertolking van Anna Kedrick als therapeute is een andere troef van deze film.
The African Doctor
Vakgebied: huisartsgeneeskunde Voor de afwisseling nu een Franse film. Een in Frankrijk afgestudeerde arts uit Congo besluit een baan te accepteren als huisarts in het plattelandse Marly-Gomont. De arts in kwestie, Seyolo Zantoko (Marc Zinga), en zijn gezin zorgen voor een ware cultuurshock in het tamelijk conservatieve dorp. Aanvankelijk komt er niemand bij Zantoko’s praktijk en kampt het gezin met xenofobie en racisme. Dit verandert echter nadat hij een kind van een boer ter wereld brengt. Hierna komen er meer dorpsbewoners bij de huisarts en lijkt alles te zijn vergeten. Deze deus ex machina is ook gelijk het zwakke punt van de film: de korte overgang van vreemdelingenhaat naar ‘one big happy family’ is onrealistisch. De rest van de film gaat plotseling over de politiek van Marly-Gomont, een onlogisch contrast. Tevens zal niet voor iedereen de Franse spreektaal van de film een pluspunt zijn.
28
Tom Van Putten
Co-column Het einde in zicht Over een paar weken studeer ik af. Dat betekent dat ik in iets meer dan zes jaar mijn studie geneeskunde heb afgerond. Best netjes, al zeg ik het zelf. Maar erg surrealistisch om bijna klaar te zijn. Mensen vragen me de laatste weken steeds dezelfde dingen: ‘Weet je al wat je wil gaan doen?’ en ‘Ben je er klaar voor om aan het werk te gaan?’. Op de eerste vraag had ik de afgelopen jaren steeds een antwoord: op de middelbare was steevast ‘eerst maar eens ingeloot worden’, wat op termijn veranderde in ‘eerst maar eens mijn propedeuse halen’. Daarna werd het de bachelor, M1, M2, M3… Maar nu het einde in zicht is, weet ik voor het eerst in zoveel jaar niet wat ik moet antwoorden. En dat voelt klote. Al die jaren had ik een plan en nu opeens is er geen plan meer. De innerlijke OCD’er in mij trekt dat heel slecht. Die had al lang een specialisme gekozen, zich bij die vakgroep in de kijker gespeeld door onderzoek te doen, twee publicaties te schrijven om vervolgens te promoveren op een onderwerp wat hem razend interessant lijkt. Helaas, zo perfect uitgestippeld is het voor sommigen, maar niet voor mij. Ik heb (vooralsnog) geen specialisme waar ik compleet verliefd op ben en er ligt geen promo tietraject in het verschiet. De vraag is nu of dat erg is. Omdat ik me niet heb vastgelegd vanwege bovenstaande redenen heb ik alle vrijheid. Tot in het extreme: er is niets dat me bindt. Ik kan in het Noorden blijven, ik kan naar de Randstad, ik kan naar het buitenland. Ik kan een nieuwe studie gaan doen of zelfs op wereldreis gaan. Gewoon omdat het kan. Wat een luxe! Wat een keuzestress. Interessant hoe ontwapenend het is om alle mogelijkheden te hebben en niet te weten waar je het zoeken moet. Bij het reizen heb ik dit probleem gek genoeg nooit. Met het credo ‘no plan is a good plan’ in mijn backpack zie ik wel waar ik terecht kom, met als enige voorwaarde dat ik mijn vliegtuig naar huis maar haal. Waarom doe ik dat dan niet voor mijn
carrière? Dat gezegd hebbende, geen plan wordt mijn plan: een jaar of twee-drie aniossen, zelfstandig leren werken en gewoon een leuke tijd hebben. Eindelijk geld verdienen, geld uitgeven, een beetje sparen, reizen en hopelijk vind ik gedurende die tijd een specialisme waar ik mee verder wil. Dat geeft voor nu wel wat rust. Terugkomend op de andere vraag die mensen mij stellen, of ik er klaar voor ben? Nee. Absoluut niet. Maar het moet maar een keer. Hard werken is goed voor je karakter, voor je ontwikkeling en voor je burn-out, want je bent geen echte millennial als je geen burn-out hebt gehad. Mezelf kennende zal ik ook wel in de prijzen vallen wat burn-outs betreft, maar daar kom ik ook wel weer overheen. Zolang het geen ‘karoshi’ (Japanse uitvinding, Google maar!) wordt, vind ik alles prima, want daar is het leven te leuk voor. De volgende stap voor mij is dan natuurlijk het zoeken van een baan. Ik heb onlangs mijn CV met een lay-outprogramma opgekalefaterd om mezelf nog een beetje te onderscheiden en te compenseren voor mijn gebrek aan publicaties. Daarnaast moet ik mijn sollicitatiebrieven gaan schrijven, maar dat ben ik aan het uitstellen omdat ik een co-column moet schrijven over het einde van mijn opleiding. Vervolgens moet ik mezelf in die sollicitatiebrieven verkopen en mij dusdanig interessant maken dat mijn toekomstige werkgevers meer over mij willen weten en mij uitnodigen voor een gesprek. Hoe zal dit aflopen? Wordt vervolgd….
29
Boukje van der Slik
Dokterscolumn Technologie Arts-assistenten... Ze komen in bosjes naar het ziekenhuis, horen bij de overdracht aan wat ze te wachten staat, lopen naar de afdeling en zetten de computer aan. Ondertussen halen ze een bakkie pleur (bij mazzel ook voor de co) en lopen ze terug om achter de inmiddels opgestarte computer plaats te nemen. Zo ziet het begin van mijn dag er bijna altijd uit, be halve vorige week maandag dan. Ik noem het een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het ziekenhuis en mijn arts-assistentenbestaan, want: de computers deden het niet! Vandaag de dag zijn we natuurlijk erg afhankelijk van technologie. Iedereen praat over hoe afhankelijk we er wel niet van zijn: oudere patiënten kletsen dagelijks over “die technologie van tegenwoordig” als wij met onze COW* de kamer binnen komen rollen en alle artsen praten altijd over “vroeger”, toen ze nog alles op papier deden. Vooral op zo’n dag dat de technologie ons dan even in de steek laat, wordt dat nog even extra bena drukt. Tja, wij kunnen er ook niets aan doen dat wij geboren zijn in een digitaal tijdperk, waarin de technologie een enorme groeispurt heeft gemaakt en nog steeds met de dag groeit. En het is meestal zeker ook heel handig, als je eenmaal begrijpt hoe iets werkt uiteraard (behalve het nieuwe EPD van het UMCG, dat zullen we nooit begrijpen). De verbeterende technologie heeft ten eerste als gevolg dat er medisch steeds meer mogelijk is en dat geavanceerde apparatuur ons meer en beter onder steunt in ons vak. Ook het werken met een computer in het ziekenhuis heeft in de meeste situaties een groot voordeel: je hebt heel snel veel gegevens tot je beschikking. Je hebt binnen een seconde het lab, de controles, de voorgeschiedenis en de medicatielijst voor ogen. Hierdoor maak je snel een inschatting van de situatie. Bij visite heb ik bijvoorbeeld mijn standaard rijtje aan “klikjes” dat ik afga om te zien hoe de vlag erbij hangt en schat ik meteen in wat er eventueel snel moet gebeuren. Ook op de spoedeisende hulp is de compu ter je beste vriend (naast de koekjestrommel natuurlijk). Je ziet de belangrijke gegevens en de vitale parameters van een patiënt al op je scherm, terwijl de patiënt met de ambulance nog onderweg naar het ziekenhuis is. Love it! Dit mis je meteen als het systeem eruit ligt. Je normale routine wordt heel anders, waardoor het ineens weer als “vroeger” moet gebeuren. Uiteraard is visite lopen zonder beschikbare computer gewoon mogelijk. Het gaat natuurlijk vooral om alle kennis en kunde die in ons hoofd zit, maar het is alsnog erg vervelend om visite te lopen zonder het onderliggende lijden van een patiënt
30
te weten, vooral op een afdeling als oncologie. Dus hoe dan ook, we kunnen er niet omheen dat we steeds meer afhankelijk worden van de technologie. Ook de opleiding wordt steeds meer digitaal. Waar ik vroeger nog met een verkreukeld en met koffievlekken besmeurd beoordelingenboekje zenuwachtig naar de artsen schuifelde, is dat tegenwoordig met één druk op de knop gefixt (inclusief een herinnering om het in te vullen, ben ik inmiddels achter gekomen). Uiteraard zijn er ook nadelen aan de opkomende technologie, bijvoorbeeld aan de toegankelijkheid van zo’n computersysteem. Er wordt van je verwacht dat je alles noteert en dat iedere scheet van de patiënt geregistreerd wordt (inclusief kleur, geur en consistentie). Hierdoor zijn wij eigenlijk bijna veredelde typmiepen geworden en brengen we steeds minder tijd door bij de patiënt. Wie kent het beeld niet, van artsen die tot ’s avonds laat zitten te typen en de administratie aan het bijwerken zijn. Uiteraard was de administratie vóór het digitale tijdperk er ook wel, maar nu het veel makkelijker gaat, komt er ook steeds meer administratie bij. Sommige specialismen prefereren zelfs tegenwoordig álle communicatie via het computersysteem, en niet meer via de telefoon. Een beetje te onpersoonlijk als je het mij vraagt, maar wie weet uiteindelijk de toekomst? Zo, ik krijg nu vierkante ogen van al dat getypmiep, misschien komt de volgende column wel op een handgeschreven geparfumeerde brief. Wie weet. * Computer On Wheels
Colofon De PanEssay is het faculteitsblad van de M.F.V. Panacea. Zij verschijnt vier keer per jaar. Ook zijn wij online te vinden op panacea.nl/panessay. De redactie opereert onafhankelijk van het bestuur der M.F.V. Panacea, volgens artikel 20 lid 6 van het Huishoudelijk Reglement der M.F.V. Panacea. Kopij kan via e-mail worden aangeleverd. De redactie behoudt zich het recht voor taalkundi ge wijzigingen aan te brengen of stukken niet te plaatsen. Plaatsing van een stuk houdt niet in dat de redactie de daarin weergegeven zienswijze onderschrijft. Redactie Christa Drew Lisa Havinga Emma Kok Chris Lenselink Klaas te Nijenhuis Neepan Paramajothy Marko Pol Tom van Putten Sophie Reese Karlijn Saris Marit Schulte Susanne Schuurman Suzanne van Woudenberg
Redactie Redactie Lay-out Redactie Lay-out Appendix vermiformis Redactie | Lay-out Redactie Redactie | Lay-out Redactie | Online Lay-out Redactie | Voorzitter Redactie | Lay-out
Redactieadres M.F.V. Panacea, t.n.v. PanEssay Antonius Deusinglaan 1 9713AV Groningen E-mail panessay@panacea.nl Online www.panacea.nl/panessay Oplage 3500 stuks Drukker Orangebook, te Breda Lithografie Marko Pol Davith de Vries Coverfoto Sophie Reese Susanne Schuurman Sluitingsdatum eerstvolgende editie 16 februari 2018
PanEssay
Activiteitenkalender December 20 20 21 21
CSO Brandwonden lezing Tentamen 1.1.4 CSO kerstborrel Tentamen 2.1.4
Januari 09 Nieuwjaarsborrel 09 Tentamen 3.1.4 10 JV3 activiteit 12 Masterfeest 15 YR3 Internationaliseringsavond 17 Carrière avond 18 CuCo Running Diner 19 BOCCie Ouderdag 22 Start UrgenCie EHBO cursus 22-26 Tentamens master 24 MASH lezing 24 Tentamen 1.1.5 25 CSO DoMiBo 29 Tentamen 3.1.5 Februari 01 Tentamen 2.1.5 07 Voortgangstoets 12 AkCie Valentijnsfeest 15 FaMe-avond 22 CSO DoMiBo 28 Tentamen 1.2.1 Maart 01 Algemene Leden Vergadering 09 Tentamen 2.1.1 09-15 SpoCo Wintersport 17 Symposium 21 CSO lezing 23 MEgala