JAARGANG 32 | NR 4 | DECEMBER 2019
PANESSAY
FACULTEITSBLAD DER M.F.V. PANACEA
Op weg naar je toekomst Wil je meer weten over werken in het UMCG? Kijk dan op onze website voor de actuele vacatures.
www.werken.umcg.nl
‘Van mens tot mens, in alles wat we doen’. Tijdens je studie ontkom je niet aan dit speerpunt van het UMCG. Deze visie zien studenten dagelijks terug, voor de bachelor studenten in de wekelijkse patiëntcolleges in de blauwe zaal en voor de master studenten tijdens hun coschappen. Het UMCG zet zich in voor het verbeteren van de gezondheidszorg door de verschillende onderzoeksprojecten, onder andere gericht op Healthy Ageing, waar studenten hun steentje aan kunnen bijdragen. Kortom, het UMCG biedt jou de mogelijkheden om je eigen loopbaan te vormen. Universitair Medisch Centrum Groningen Bouwen aan de toekomst van gezondheid
10
20
9
VGT-hulp
Medicine and art
Liefde voor het vak
Kennis! Informatie!
The black death in Europe
Met Karina de Leeuw
12
32 De snelle fysioloog
Life in Groningen
Interview met dr. Rob Bakels
The life of a Greek student
5
Uit de hokken
Onderwijscolumn
22
6
Commissiepagina
Even voorstellen: f.t. bestuur
23
8
Actualiteitencolumn
Serie op recept
24
9
Liefde voor het vak
Cocolumn
25
Immune therapy
26
Puzzle
28
Thuiszorgcolumn
29
Globalised health care
30
Life in Groningen
32
Memes
34
10
VGT-hulp
12
Interview met dr. Rob Bakels
14
Changing eductation
16
Toponiemen
18
Fotopagina
20
Medicine and art
“Corparis heeft oog voor de juiste match, mijn ambities en mijn persoonlijke ontwikkeling” - een Corparis basisarts Wij zijn de specialistische werkgever die graag met jou in gesprek gaat om je te helpen aan je eerste baan als basisarts. Corparis heeft onder andere mogelijkheden in de ouderenzorg, verslavingszorg, psychiatrie en jeugdgezondheidszorg.
WAT KUNNEN WIJ JE BIEDEN? ✓ Zekerheid met een contract voor langere of onbepaalde tijd ✓ Persoonlijke ontwikkeling via onze Corparis Academie met trainingen zoals medisch leiderschap, time management, intervisie en communicatie ✓ Verbreding kennis & kunde door te werken via verschillende organisaties en/of afdelingen ✓ Loopbaanbegeleiding om erachter te komen welke specialisatie bij jou past ✓ Opbouw van een netwerk door netwerkbijeenkomsten, kenniscafé’s en andere evenementen
Ontdek Corparis 088 116 9730
i.degries@corparis.nl www.corparis.nl
Uit de hokken
Redactioneel December: de maand van speculaas, mogelijk racistische feesten en een verhoogde incidentie van veel ziekten. Dan kan je natuurlijk denken aan de aloude influenza en het rhinovirus, maar ook veel cardiovasculaire ziekten komen vaker voor in de winter. Zo zijn er meer gevallen van longembolieën, aortadissecties en ventrikelaritmieën, om maar eens wat te noemen. Het is makkelijk om dit fenomeen aan de lagere temperatuur te wijten. Het is waarschijnlijk dat dit inderdaad een rol speelt, door activatie van het orthosympathische zenuwstelsel dat zo de bloeddruk beïnvloedt. Maar ook vitamine D, cholesterol en diverse hormonen vertonen variatie met de seizoenen. Als je nu een beetje nerveus wordt omdat je de cardiovasculaire fysiologie bent vergeten: geen nood. Verderop in deze editie staat namelijk een VGT-hulp waarin dit onder de loep genomen wordt. Over fysiologie gesproken: coryfee Rob Bakels heeft ons verblijd met zijn fotogenie en wij hebben hem het hemd van het lijf gevraagd.
De winter komt gelukkig ook met andere berichten dan een verhoogde incidentie van aortadissecties. De redactie is verrijkt met drie enthousiaste nieuwe auteurs, met zeer verschillende achtergronden. Het resultaat van hun vuurdoop vindt u uiteraard in deze editie. Ik wens u daarna uiteraard fijne feestdagen, een gelukkig nieuwjaar en nog een paar van dat soort formaliteiten.
Van het bestuur In de afgelopen periode is er weer veel gebeurd, de herfstborrel waar ons KB bekend is gemaakt is geweest. Niet veel later zijn zij tijdens de ALV ingestemd als f.t. bestuur. Inmiddels zijn ze hard bezig om alle kneepjes van het vak te leren om in februari het stokje van ons over te nemen. Verder hebben we ook een onvergetelijk AkCie almanakfeest gehad. Er is weer een prachtige almanak gemaakt. Ook is Sinterklaas ons dit jaar niet voorbij gegaan. Hij heeft zowel de faculteit als het UMCG bezocht en ervoor gezorgd dat ook dit jaar alle zieke mensen in het UMCG een beetje Sinterklaas hebben kunnen vieren. Daar zijn wij natuurlijk erg dankbaar voor.
Veel leuke dingen om op terug te kijken dus, maar gelukkig hebben we ook iets leuks in het vooruitzicht. In de vorige editie had ik het al kort even aangestipt: het verlangen naar de kerstvakantie. Het verlangen naar even niet in de studiebanken zitten in Groningen, maar naar een gezellig kerstdiner en een fantastische jaarwisseling. Gelukkig is de kerstvakantie bijna daar en duurt het wachten niet meer lang. Voor jaar 1 en 2 nog een tentamen te gaan, daarna kunnen zij gaan genieten van twee welverdiende vakantieweken. Wij willen jullie dan ook allemaal een hele fijne kerstvakantie wensen.
5
Commissiepagina
CSO De commissie semi-arts en onderzoeksstage is de leukste en gezelligste commissie van M3, het is dan ook de enige. Wij organiseren lezingen voor de bijna-afgestudeerden onder ons en hebben gezellige activiteiten zoals de M3 co-out dag, jeu de boulen en een maandelijkse vrijmibo in Chaplins pub! Daarnaast fungeren we als vraagbaak voor de M3 studenten, mochten wij er zelf niet uit komen, dan weten we altijd de juiste persoon te vinden voor je.
Dit alles kan natuurlijk niet zonder onze parels van commissieleden die zich in het zweet werken, naast de semi-arts of stage wetenschap. Chris is onze voorzitter, al vergeet hij dat zelf nog wel eens tijdens een vergadering. Danny, onze secretaris én penningmeester, deelt adtjes uit als een kenau wanneer iemand zijn taak niet (goed) uitvoert. Janne is verantwoordelijk voor het regelen van nuttige lezingen en andere onderwijszaken. Gelukkig heeft ze de hulp van Merijn, waar wel bij gezegd moet worden dat hij tijdens zijn stage wetenschap aardig wat kennis inlevert. Martijn regelt de activiteiten, samen met Nasjara. Nasjara is de kletskous van de commissie, altijd in voor een potje qwixx. De promotie wordt gedaan door Tess, vanaf nu vanuit het Deventer Ziekenhuis, die naast kinderboekenschrijfster de ambitie heeft om ooit internetgekkie te worden. Aangezien een aantal van ons nu echt bijna dokter zijn, zijn wij hard op zoek naar nieuwe leden. Interesse? Mail naar cso.panacea@gmail.com.
PMGcie Waarschijnlijk is het ieder jaar wel eens opgevallen; die random groep mensen die altijd samen zit, maar wel elk jaar anders is. Voor hen die er nog niet achter waren wie deze mysterieuze groep is; dat zijn wij, de premasterstudenten geneeskunde. Dit is een groep die van alle markten thuis is en waarin iedereen al voor het begin aan de premaster een bachelor heeft afgerond in bijvoorbeeld Biologie, Bewegingswetenschappen of Farmacie. Alle stof van de bachelor geneeskunde wordt in dit jaar getoetst. Om niet te verdrinken in alle stof die geneeskunde rijk is, moeten de hersenen soms ook even op standje stand-by gezet worden. Dit is waar wij, de Pre-Master Geneeskunde commissie (PMGcie) in beeld komen. Met zijn drieën (Alice Schultinga, Douwe van der Steen en Manon Louwe) organiseren we na elk tentamen een borrel om de stof die getoetst is (semi) aan de kant te schuiven, om het natuurlijk maandag wel weer op te pakken want drie jaar volgen in één jaar is niet niks. Naast borrels houden we ons ook bezig met feestdagen zoals samen Sinterklaas vieren, een kerstdiner in december en bijvoorbeeld een nieuwjaarsborrel in januari, om na een kerstvakantie zonder boeken weer met volle moed te beginnen aan
6
het laatste half jaar van de Pre-master. Zoals je ziet gaat dit snel, heel snel. Daarom doet de PMGcie haar uiterste best om deze groep door het jaar heen te loodsen met leuke, niet-studiegerelateerde activiteiten. Zo proberen we naast al het stampwerk en de nodige kopjes koffie in de CMB een hechte band te creëren. Al met al kijken wij uit naar een mooi jaar met veel activiteiten en waarin tijdens borrels de tentamenstof besproken zal worden (of niet) onder het genot van één (of meer) biertje(s)!
UrgenCie Eigenlijk best gek. Je studeert geneeskunde, maar als iemand eerste hulp nodig heeft sta je met je mond vol tanden. Eén ding is zeker: alles wat je tot nu toe geleerd hebt tijdens het eindeloos bestuderen van fysiologie, histologie en celbiologie gaat je in zo’n situatie niet ver brengen. Geen zorgen, wees niet getreurd, de UrgenCie is er voor je!
Maar dat is nog niet alles. Wij bieden namelijk ook supertoffe workshops aan waar je dingen leert als hechten, gipsen en intuberen. Hoe chill is het als jij straks tussen al je medecoschappers staat en ze even kunt laten zien hoe het wél moet? Kortom, houd de website in de gaten en schrijf je in voor onze cursussen en workshops!
Met onze EHBO-cursus heb jij in no time een EHBOdiploma van het Oranje Kruis en een hele hoop kennis en vaardigheden op zak. Daarnaast, omdat je als arme student natuurlijk niet vies bent van een extra zakcentje, kun je via ons als EHBO’er werken op ontzettend leuke en gevarieerde evenementen in en om Groningen, en daar nog geld mee verdienen ook!
Pan-F De Pan-F is de fotocommissie van Panacea, wij maken op alle Panaceaevenementen foto`s. We fotograferen verschillende feestjes, leuke trips en formele gelegenheden, zodat jij later nog kan nagenieten van deze mooie momenten. Naast het fotograferen hebben wij elke dinsdag een erg gezellige commissieavond waar we gezamenlijk eten en bespreken welke activiteiten eraan komen. Ook geven wij een paar keer in het jaar de fotoshopworkshops zodat de andere commissies weten hoe ze een mooie poster kunnen maken om hun evenementen goed te promoten. De nieuwe commissieleden vormen twee groepen die of de activiteiten regelen of de promotie. De tweedejaarsleden regelen het contact met het bestuur, maken de planning en regelen de geldzaken. Maar het leukste aan Pan-F is dat oude lichtingen nog lang na de twee jaar waarin ze actief zijn in de commissie, nog steeds langskomen op commissieavonden en meegaan naar feestjes.
7
Bart Hofste
Actualiteitencolumn Goed gezond en gezond goed Op 17 oktober berichtte de Washington Post dat het aantal zelfmoorden onder jongeren in de VS de afgelopen tien jaar alarmerend is toegenomen. De cijfers van het Center for Disease Control and Prevention lieten een forse toename zien van 56 procent in de periode van 2007 tot 2017. Gespeculeerd wordt over pestgedrag, sociale media, eenzaamheid of zelfs 13 Reasons Why als mogelijke oorzaken. Cijfers van het CBS laten zien dat in Nederland het aantal zelfdodingen bij jongeren onder de twintig gelukkig afneemt, hoewel er een lichte stijging te zien is in de leeftijdscategorie van jongvolwassenen (twintig tot dertig). Ook in Nederland is er echter genoeg reden tot zorgen over de geestelijke gezondheid bij jongeren. Met name jongeren met een migratieachtergrond, de leeftijdscategorie 18- tot 25-jarigen en meisjes kampen met psychische problemen, zo blijkt uit een enquête van het CBS. Zo kon elf procent van zowel de meisjes als de 18- tot 25-jarigen, en bijna twaalf procent van de jongeren met een migratieachtergrond, worden aangemerkt als psychisch ongezond. Depressie is daarbij de meest voorkomende aandoening. Uit cijfers van het Trimbos-instituut blijkt dat één op de vijftien jongeren in de leeftijdscategorie van 18- tot 25-jarigen lijdt aan een depressieve stoornis.
Hoe begrijpelijk deze fixaties ook mogen zijn - elk nadeel heb zijn voordeel. Ontegenzeggelijk brengt het hard werken aan een goede toekomst veel goeds met zich mee, zowel voor de jongere zelf als de maatschappij. Met het stellen van hoge doelen is op zich niks mis, je leeft tenslotte maar één keer en wilt ook wat bereiken en beleven in dit leven. En wat is er nou mis met een gezond sociaal leven? De nadelen zijn tweeërlei. Ten eerste is er het risico te veel te willen. Ieder positief resultaat in het leven kost nu eenmaal tijd, geld en energie. Niets is gratis, er bestaat geen ‘gratis lunch’. Dit betekent dat de gemiddelde bucketlist van de jongere anno 2019 wel eens geen doelenlijst, maar een onbereikbare wensenlijst zou kunnen zijn. Bij het niet voldoen aan het ideaal op alle vlakken in het leven volgt dan dikwijls teleurstelling, terwijl men het - relatief bezien - eigenlijk zo slecht niet heeft in deze wereld.
Maar wat zeggen deze jongeren eigenlijk zelf over hun psychische problemen? Uit een rapport van het RIVM van afgelopen mei komt in ieder geval één duidelijk beeld naar voren: stress als gevolg van een onophoudelijke prestatiedrang. Jongeren hebben zelf het idee dat zij vooral veel moeten. Men moet mooi, gezond, en succesvol zijn: verre reizen maken, hoge doelen stellen, hoge cijfers halen, een perfect uiterlijk hebben, carrière maken, veel vrienden hebben en voldoen aan het perfecte plaatje.
Grote doelen zouden bovendien de kleinere geneugten in het leven wel eens kunnen overschaduwen. Ten tweede is er hoogstwaarschijnlijk een subgroep jongeren voor wie deze fixaties en prestatiedrang eenvoudigweg niet werken. Zij zijn gebaat bij een leven wat meer in het hier en nu, een leven buiten zichzelf, een eenvoudiger leven en voor wie Thoreau’s adagium: “The cost of a thing is the amount of what I will call life which is required to be exchanged for it, immediately or in the long run,” geheel vanzelf spreekt.
Dat perfecte plaatje wordt veel jongeren immers ook voorgespiegeld via allerlei sociale media. Het maakt jongeren onzeker en geeft ze het gevoel niet alles uit het leven te halen. Wat opvalt is dat men vooral gefixeerd is op een ideaal toekomstbeeld en geneigd is tot catastroferen: als ik nu niet ineens alles perfect plan en doe dan gaat het mis, dan valt die ideale toekomst in duigen. Een fixatie op perfectie, op het eigen ik, op de toekomst en op het plaatje naar buiten voeren dus de boventoon.
Hetgeen leidt tot de volgende conclusie: ken jezelf en weeg af. Ken je doelen, maar ken ook je eigen grenzen. Weet wat voor jou werkt, en wat niet. Versta de voordelen, maar ook de nadelen, zowel de kosten als de geneugten. Weeg dan af en maak op grond daarvan een gebalanceerde keuze die misschien niet perfect in de oren van een ander klinkt, maar wel perfect is voor jezelf.
8
Translation available on our website
Karina de Leeuw
Liefde voor het vak Klinische immunologie – hoe, wat en waarom? Klinisch immunoloog, op menig feestje of familie gelegenheid moet ik uitleggen wat dat is. “Een dokter van de afweer” zeg ik op zo’n moment. Echter dan hebben ze vaak nog geen idee wat dat is of wat mijn dagelijkse bezigheden zijn. Soms volgt nog de tweede vraag: Waarom? Waarom ben je in hemelsnaam (ik moet bekennen dat dit woord niet altijd gebruikt wordt) dat geworden? Uiteraard (zoals vele beslissingen in het leven) is deze keuze deels bewust en deels onbewust gemaakt, en hangt het van toevalligheden aan elkaar. Als kind wilde ik eerst schooljuf worden, iets later veranderde dat al snel in zuster, gevolgd door dokter. Waarom ik dat zo bedacht had, kan ik me niet zo goed herinneren, maar met deze wetenschap keek ik op ongeveer achtjarige leeftijd het programma: “Il était une fois la vie.” En ik was verkocht aan wat later immunologie bleek te heten. Voor degenen die dit programma niet kennen (vast een hele hoop): dit is een geweldige, informatieve tekenfilmserie over het menselijk lichaam met focus op het immuunsysteem. Van alle cellen, maar zelfs ook intracellulaire processen zijn metaforen bedacht. Zo hebben de rode bloedcellen rugzakjes, waarin de zuurstof wordt vervoerd. Als het rugzakje leeg is, moeten zij terug naar de longen om zuurstof te halen. Verder zijn er allerlei soorten soldaten die de lymfocyten voorstellen; met luitenants die door het hele lichaam surveilleren (de T cellen) tot aan dikke grondsoldaten die alles gewoon maar opeten (macrofagen). Het hele systeem wordt vanuit de hersenen aangestuurd door een oude man met lange grijze baard. Helaas dus wel wat seksistisch, desalniettemin heeft deze serie mijn interesse voor de immunologie gewekt en die is gebleven.
Maar dat dat ook betekent dat er iets fout kan gaan in dit ingewikkelde systeem waardoor er auto-immuniteit ontstaat, waar ik mij vandaag de dag veel mee bezighoud. Dit mede dankzij Cees Kallenberg, de toenmalige professor Klinische Immunologie. In mijn tweede jaar van de studie geneeskunde hield hij namelijk een voordracht, waarbij hij eindigde met de woorden: “Als je interesse hebt in de immunologie, mag je contact opnemen.” Tja, dat hoefde je tegen mij geen twee keer te zeggen… Van het één kwam het ander en voor ik het wist deed ik promotieonderzoek bij patiënten met karakteristieke auto-immuunziekten, namelijk systemische lupus erythematosus (SLE) en kleine vaten vasculitis (zeker voor Groningse begrippen is dit een klassieke auto-immuunziekte). En nu dik tien jaar later, ben ik dus klinisch immunoloog op de afdeling Reumatologie en Klinische Immunologie van het UMCG. En dat bevalt me goed. Het is een dooddoener maar de combinatie van patiëntenzorg, onderzoek en onderwijs, zorgt voor de nodige afwisseling. Mijn aandachtsgebied is de SLE gebleven, zowel qua patiëntenzorg als in het onderzoek. In de praktijk betekent dit begeleiding van met name jonge vrouwen met een chronische auto-immuunziekte, waarbij dankzij ons huidige arsenaal van immunosuppressiva de ziekte meestal in remissie komt. Echter hierbij is het heel belangrijk dat continu de balans wordt opgemaakt tussen positieve effecten versus bijwerkingen van de medicatie, zowel op korte als op lange termijn. Maar naast de SLE valt er uiteraard nog veel meer te beleven als klinisch immunoloog, van immuundeficiëntie en auto-inflammatoire aandoeningen tot aan bijwerkingen van de nieuwste middelen van de oncoloog, namelijk de checkpoint inhibitors. Kortom; de immunologie is overal en een dynamisch veld, en zeker de moeite waard om je in te verdiepen!
Ik vind het fascinerend hoe wij mensen zijn opgewassen tegen alle verschillende dreigementen van buiten en van binnen. Dat het allemaal zo goed gereguleerd is.
9
Chris Lenselink
VGT-hulp Hart voor de zaak Het leek zo eenvoudig bij biologie, er komt bloed in en er gaat bloed uit. Als je je eerste jaar hebt overleefd, weet je waarschijnlijk al dat de bloedsomloop iets ingewikkelder ligt dan dat. Een ingenieus systeem dat zijn output afstelt op de behoeftes van het lichaam en reageert op centrale invloeden. Klachten bij hartziekten kan je vaak verklaren als je begrijpt wat er misgaat. Genoeg voer om de basale cardiovasculaire fysiologie weer eens op te rakelen.
Elektrofysiologie De hartspier, het myocard, bestaat uit twee soorten weefsel: het arbeidsmyocard en de gespecialiseerde weefsels. Die laatste groep bestaat uit de SA-knoop, de AV-knoop, de bundel van His en diens takken en het netwerk van Purkinje. Deze onderverdeling is belangrijk, want het ontstaan en propageren van actiepotentialen verloopt bij elk deel verschillend. In beide delen is een aantal fasen te onderscheiden.
Arbeidsmyocard Fase 0: depolarisatie. Snelle Na+-kanalen openen en zorgen voor een stijging van de membraanpotentiaal van de myocyten door instroom van natrium. De rustpotentiaal is -80 mV, vanaf -65 mV start de natriuminstroom. Fase 1: initiële repolarisatie. Door de hogere membraanpotentiaal worden de Na+-kanalen gedeactiveerd en K+-kanalen geactiveerd, die zorgen voor een korte uitstroom van kalium. Fase 2: plateau. Bij -40 mV wordt een tweede depolariserend kanaal geopend, namelijk de L-type Ca2+-kanalen. Calcium komt hierdoor de cel in. Deze kanalen zijn traag, hetgeen een plateau veroorzaakt in de membraanpotentiaal. Fase 3: vertraagde repolarisatie. Hier opent zich een ander type K+-kanalen die ook zorgen voor een kaliumefflux. Dit in combinatie met een langzamere calciuminflux zorgt voor repolarisatie. Er opent zich zelfs nog een derde soort K+-kanalen, die vooral actief is bij lage membraanpotentialen – tijdens de diastole dus. Fase 4: diastolische membraanpotentiaal. Het derde type K+-kanalen gaat door met de repolarisatie terwijl de Na+/K+-pomp de balans herstelt tot -80mV. SA- en AV knoop Er is een aantal belangrijke verschillen met de cyclus in het arbeidsmyocard, wat leidt tot het vermogen van automatie (pacemaking).
10
Fase 0 verloopt veel trager doordat er amper natrium bij betrokken is. Calcium moet hier zorgen voor de depolarisatie. Nodale cellen hebben een tweede type calciumkanalen, namelijk het T-type. Deze is iets sneller. De fases 1, 2 en 3 gaan vloeiend in elkaar over door het ontbreken van twee soorten kaliumkanalen. Alleen het derde type is aanwezig, wat er dan ook voor zorgt dat de rustpotentiaal minder negatief is. Er is wel een ander soort kanaal: de ‘funny’ kanalen. Die zijn heel grappig omdat ze bij een lage membraanpotentiaal zowel natrium als calcium invoeren. De Purkinjecellen verschillen hierin dat natriumkanalen wel meedoen door de lagere membraanpotentiaal. In de normale situatie zorgt de SA-knoop voor het ritme van alle andere cellen: dit heet pacemakerhiërarchie. De SA-knoop kan het snelst depolariseren. Als de SA-knoop niet goed zijn impulsen kan doorgeven dan nemen pacemakercellen met een lagere frequentie deze functie over. Dit zou je kunnen zien als een negatieve P-top in afleidingen waar je dat niet verwacht.
De pompfunctie
Harttonen
Tijdens de diastole vult het hart zich passief met bloed. De mate van vulling is vooral afhankelijk van de stijfheid van de niet-contraherende ventrikels, de venous return en de duur van de diastole. De vulling hangt ook af van de intrathoracale (intrapleurale) druk: hoe lager deze druk, hoe meer vulling plaatsvindt. Bij inademen is de intrathoracale druk lager. De atria zorgen voor ongeveer 10% extra van het einddiastolisch volume (EDV).
S1: valt samen met de isovolumetrische contractie. Deze toon wordt voornamelijk veroorzaakt door het sluiten van de AV-kleppen, maar ook de trilling van het myocard en de werveling van het bloed dragen bij. S2: valt samen met het sluiten van de SL-kleppen. De kleppen in de aorta slaan eerder dicht dan in de a. pulmonalis waardoor deze toon vaak gespleten is. S3: valt samen met de opening van de AV-kleppen en de snelle instroom van bloed vanuit de atria naar de ventrikels. Deze toon is niet sterk maar wordt soms hoorbaar bij afwijkingen. S4: valt samen met atriumcontractie. Deze toon is vrijwel altijd abnormaal indien hoorbaar.
De ventrikels gaan nu contraheren zodat de systole begint. Zodra de druk in de ventrikels die in de atria overschrijdt, sluiten de AV-kleppen. De papillaire spieren houden deze kleppen op hun plaats. De hoeveelheid die nu in de ventrikels zit, is het EDV. Contractie wordt nu isovolumetrisch, totdat de druk in de ventrikels de druk in de a. pulmonalis dan wel aorta overschrijdt en de ejectiefase begint met het openen van de SL-kleppen. Het slagvolume (SV) is zo’n 80 ml en verlaat het hart in 0,2 seconden. Het hart pompt zichzelf niet helemaal leeg: het volume dat overblijft heet het eindsystolisch volume (ESV). De ejectiefractie is als volgt te berekenen: (EDV-ESV)/ESV en is in een gezond persoon ongeveer 0.6-0.7. Als de druk in de ventrikels lager is dan in de uitstroomvaten, sluiten de SL-kleppen weer (Bernoulli-effect). De isovolumetrische relaxatiefase treedt dan in werking. Het hartminuutvolume (HMV, cardiac output) is een veelgebruikte maat voor de hartprestatie en wordt als volgt berekent: SV x hartfrequentie.
Regulatie De SA-knoop heeft geen invloeden nodig om zich te ontladen. De intrinsieke frequentie is op jonge leeftijd zo’n 100 slagen per minuut. Het ortho- en parasympathische zenuwstelsel verhogen en vertragen respectievelijk de daadwerkelijke frequentie. De contractiekracht wordt wel intrinsiek bepaald en kan worden weergegeven met de relatie van Frank-Starling die stelt dat het SV toeneemt als het EDV (en dus de druk) stijgt. Vanaf een bepaalde druk verandert het SV nauwelijks meer. Er zijn daarnaast veel extrinsieke factoren. Parasympathische invloed komt via het einde van de takken van de nn. vagi. De rechtertak beïnvloedt vooral de SA-knoop waar het ritme vertraagd wordt terwijl de linkertak de geleiding in de AV-knoop vertraagt. De neurotransmissie verloopt door middel van acetylcholine. Het orthosympatische zenuwstelsel zorgt via de nn. accelerantes voor een toegenomen contractiekracht. Noradrenaline verzorgt hier de neurotransmissie. Er zijn drie variabelen die de hartprestatie bepalen. Het EDV noemen we ook wel voorbelasting of preload. Deze hangt af van het verschil tussen de druk in het rechteratrium en de perifere veneuze druk, en de duur van de diastole. Verder is ook de druk waartegen het hart moet pompen aan het eind van de diastole belangrijk. Dit is de nabelasting of afterload. Hoe hoger de afterload, hoe meer kracht nodig is om de SL-kleppen te openen. Het hart is veel gevoeliger voor preload dan voor afterload. Daarnaast is de contractiliteit belangrijk. De relatie tussen preload, afterload en SV kan worden weergegeven in een druk-volumediagram.
Translation available on our website
11
Chris Lenselink Angelique Wortelboer
De snelle fysioloog Interview De fysioloog met de microfoon: Rob Bakels. Je hoeft geen drie seconden na te denken over wie deze persoon is. Vaak is hij verkozen tot docent van het jaar door studenten en komt hij in tal van memes voorbij. Telkens als er weer een thema is dat over het hart of de longen gaat, kun je verwachten dat hij daar weer staat, zodat jij met zweterige handjes en een rood hoofd een vraag mag beantwoorden om er vervolgens wel weer wat van te leren. Voor deze editie hebben we onze kans gepakt om deze welbekende docent een paar vragen te stellen. Waarom bent u gestart met onderwijs geven? In de tijd dat ik bezig was met mijn promotieonderzoek in Amsterdam, gaf ik al practica aan geneeskundestudenten. Dat waren bijvoorbeeld evenwichtsproeven en krachtproeven, maar toen gaf ik nog niet heel veel onderwijs. Toen ik in Groningen ging werken, had een hoogleraar mij gevraagd om een college te geven. Ik vond het erg leuk om onderwijs te geven aan studenten dus daarna ben ik dat steeds meer gaan doen, eerst vooral neurofysiologie en toen ook andere onderwerpen in de fysiologie. Tevens heb ik ook onderzoek gedaan, maar dat was eigenlijk niet iets voor mij. Ook al vond ik het doen van experimenten erg uitdagend. Dus langzamerhand ging ik van onderzoek toch meer richting het onderwijs en op dit moment doe ik eigenlijk alleen nog maar dingen die te maken met onderwijs.
Wat vindt u het leukste onderwerp om uit te leggen? Longen. Ik merk dat studenten dat lastig vinden. Het is ook een fascinerend veld. Nieren vind ik ook erg leuk om over uit te leggen. Het is namelijk een ontzettend moeilijk onderwerp, dus je leert er steeds weer wat bij. Ook als je Guyton bestudeert. Je kunt het lezen, maar je kan het boek ook als een soort van bijbelstudie behandelen. Het mooie is dan dat je verschillende fysiologie boeken naast elkaar kan leggen en dan kijken waar de meest nuttige informatie in staat om dat dan aan de studenten te geven.
De vaatfunctiecurves komen steeds terug in het curriculum. Vind u het niet erg dat u telkens weer die curves moet uitleggen aan de studenten? Ik vind het helemaal niet erg. Die curves zijn namelijk ongelooflijk handig en kun je voorspellen wat er gebeurt in bepaalde situaties. En jullie zijn elke keer
12
weer anders. Jullie hebben weer meer kennis en inzicht. Dus nee, ik vind het niet erg om steeds weer opnieuw te vertellen.
Bent u nog wel eens zenuwachtig als u college geeft? Ja, nog wel een beetje. Het is ook een gevoel dat nooit weg zal gaan denk ik. Maar ik ben niet bang om onderuit te gaan. Soms heb je wel van onderwerpen die gewoon lastig zijn voor studenten, dus dan wil je dat als docent natuurlijk goed overbrengen, zonder dat het te simplistisch wordt uitgelegd. En je weet ook niet wat voor vragen er worden gesteld door studenten. Soms weet je een antwoord echt niet, maar dan moet je gewoon eerlijk toegeven dat je het niet weet en even moet onderzoeken, want je kunt ook niet alles weten natuurlijk.
‘‘Het werk als arts lijkt me vrij saai op een gegeven moment’’
U bent populair onder de studenten. Waardoor komt dat denkt u? Het gaat volgens mij zo: hoe meer les je geeft hoe meer er op je gestemd wordt. Ik was daarom erg verrast dat ik vorig jaar nog had gewonnen bij de verkiezingen voor beste leraar. Ik denk dat ik mijn populariteit vooral uit de internationale communities haal, waarschijnlijk omdat mijn Engels redelijk goed is en ik voorzitter ben van de UMCG Committee for Language and Culture (UCLC). Ik zet me ook in voor kwalitatief goed onderwijs voor internationale studenten, omdat ze misschien minder goed les krijgen dan Nederlandse studenten. Toetsvragen worden soms niet goed vertaald, of informatie op Nestor is alleen in het Nederlands. Dus daar zet ik me erg voor in, dat dat ook gewoon goed wordt vertaald voor internationals.
“Ik ben de snelste fysioloog in Groningen op de fiets” Ziet u verschil tussen de Nederlandse en de internationale communities? Over het algemeen wel. Volgens mij zijn de internationale studenten meer gedreven dan de Nederlandse. Ze pakken immers hun koffertje en komen helemaal hierheen, waar ze meestal eerst niemand kennen en ook niet bekend zijn met de taal. Zij doen er meer voor. Bij de Nederlandse communities zijn de eerste twee rijen heel actief en bij de internationale communities zijn dat de eerste vijf. Ik heb dus het gevoel dat er een grotere groep is in de internationale communities die heel actief meedoet en er echt voor wilt gaan.
Wat vind u van uw manier van lesgeven? Ik vind het heel erg leuk om te doen. Er zijn twee belangrijke dingen met onze interactieve manier van lesgeven. Je moet als leraar niet bang zijn om naar de student toe te gaan en een vraag te stellen. En als die student het dan niet weet, dat je als docent dan even doorzeurt. Maar er moet natuurlijk wel vaart in zitten anders verlies je de andere studenten. Je moet als leraar ook niet bang zijn om zelf onderuit te gaan en wat zelfspot hebben. Het grote nadeel is wel dat het allemaal veel meer tijd kost. De belangrijke punten komen wel aan bod, maar een deel moet je gewoon zelf studeren. Daarnaast krijg je ook meer mee van de stof. Je komt daar als student heen en je weet dat er zo’n gek met een kubus naar je toe kan komen en ik geloof ook echt dat je meer leert als je gedwongen wordt er over na te denken. Ook als ik dan soms achterin zit bij een college, zie ik gewoon dat er gewoon online besteld wordt of gewhatsappt wordt. Volgens mij is dat met de methode waarop studenten echt worden betrokken veel minder.
Translation available on our website
Heeft u zelf er wel eens gedacht dat u liever geneeskundestudent had willen zijn? Godzijdank niet. De opleiding is erg leuk, maar het werk als arts lijkt me vrij saai op een gegeven moment. Bijvoorbeeld als je kijkt naar de endocrinologie: heel veel mensen hebben diabetes, een ander groot deel heeft schildklierproblemen en maar een klein deel heeft andere problemen. Of je wordt dermatoloog en een grote groep mensen krijgt een nare diagnose. Overigens vind ik de endocrinologie, interne in het algemeen en intensive care wel heel erg interessant, omdat het pure fysiologie is. Alleen interne geneeskunde lijkt me misschien nog leuk. Ik snap wel dat mensen arts willen zijn, maar ik heb nooit gedacht om geneeskunde te doen.
Wat doet u naast lesgeven? Het is vandaag Wereldvulpendag (de eerste vrijdag in november, red.)! Ik verzamel vulpennen en restaureer ze. Oude vulpennen hebben namelijk echt heel verschillende en intensieve vulsystemen. Ook hou ik heel erg van ligfietsen en fietsen in het algemeen. Als het goed is heb je waarschijnlijk wel mijn blauwe ligfiets beneden in de faculteit zien staan. Daarnaast schaats ik ook en ik ga vanavond dan ook naar Bill Bailey, dus ik hou ook wel van uitgaan.
Wat doet u met kerst? Ik heb mijn familie en ik heb schoonfamilie. Dus we gaan de ene dag bij de ene familie en de andere dag bij de andere familie. Ik ga misschien nog naar België om daar te wandelen. Dus ik vermaak me wel.
13
Thomas van der Korst
Changing education Through earlier differentiation for better specialisation Imagine! The hopeful surgical resident who cannot handle a scalpel. Imagine! The hopeful intensivist-in-training who does not understand basic physiology. Imagine! The hopeful GPin-training not knowing the most common cause of a red skin lesion. These are not imaginary situations, they are quite realistic possibilities. After six years of studying medicine it is possible to be a novice in some of the basic skills required for your future specialisation. I propose a new system where this will be less of a problem. In this hypothetical system only the first year of the bachelor is a shared trunk teaching the basics of medicine. In the second year you will take elective courses related to the future specialisms you are interested in, with nothing being set in stone yet. This will include internships to get acquainted with the reality of the specialisms in the field. In the third year of the bachelor you select a differentiation. You will be able to choose first line, surgical or internal medicine. Everybody gets the same Bachelor of Medicine. Then for the master you have longer internships which are related to the differentiation you chose. At the end of these you receive a Master of First Line Medicine, a Master of Surgery or a Master of Internal Medicine.
situation now and see if small changes could be made to help both medical students in addition to the quality of the healthcare system.
I hope that through reading this article you are challenged to look at the current structure of medical education globally. I am not hoping to change the system overnight, since the current system is producing a lot of extremely skilled doctors. I put forward this hypothetical alternative as a device to critically look at the
Let us take the aspiring surgeon as an example. They will not hold a scalpel in the entire bachelor and in the master only under very specific circumstances. Other similar skill sets are nowhere in the world a regular part of the curriculum from the earliest phase. They are expected to develop these skills only after they have already taken the oath or in their own time. I point to our sister vocation of dentistry as an example of how I would see surgical education. From the first year our fellow medical professionals start developing practical skills on dummies and continue doing so to the end of their education. This makes them more than capable to perform the art of dentistry as soon as they graduate.
Jack of all trades, master of none The goal of studying medicine is to become a specialist, be it a thoracic surgeon or a GP, and not to be a specialist in every single specialty that exists in the world of medicine. This would be unrealistic and chasing this folly would not lead to becoming a better doctor. Every specialty requires its own skill set. A surgeon needs to develop finesse, spatial thinking and anatomical knowledge. A rheumatologist needs to be good at pattern recognition and understanding complicated biological processes.
Teaching the correct skill set to the correct person before an (aspiring) doctor enters the clinic is not only good for developing the skill level of the doctor it is also better for the patient. Imagine being a patient and outside the door you hear two doctors whispering: “This is the first time I’ve done this, are you sure it will be fine?� How much confidence would that inspire in you? Similar things happen in every teaching centre and I think with proper preparation you can more confidently start practicing skills on real patients.
14
One too many, one too few Is there a shortage of aspiring medical students? No. Is there a shortage of GPs? Yes, a big one. Is there a shortage of neurosurgeons? A big no. A significant amount of medical students have a dream of becoming an oncologist who works on the cure for cancer or of becoming a world-renowned surgeon. While most medical students are extremely capable and ambitious, not everybody has the skill set befitting their dream specialty. However, in the current theory-centred curriculum (which is logical in university-level education) you will only find this out very late in your education. On a national level, the surplus of hopefuls of certain specialisms can be avoided by making selections earlier in the curriculum. If you are horribly incompetent with a scalpel and suturing needle then you should probably not become a surgeon. Testing the relevant competencies before aspiring doctors start their career will prevent a great deal of hardship for the hopeless hopefuls. Therefore by setting quotas on the amount of students differentiated to specialised internal medicine or surgical medicine you will prevent a lot of disappointment later on (when it is too late). An additional benefit is that the average quality of each group per specialism will probably go up because of the more relevant skill sets.
Can I have one of those career orientations? While discussing my proposal with colleagues the first thing most people say is that it is a bad idea. The argument they give for this is that most people have no idea what specialism they want that early in their education. They have a good point there, but I think this is a problem which would be quite
easy to solve. By organising earlier internships the day-to-day work becomes clear and students get acquainted with the skill set required per specialism. In the current curriculum of Groningen a great step in the right direction has already been taken in the form of profile education. I do think this programme can be improved by making it a monthly or bimonthly required undertaking so many more specialisms can be experienced. This puts these students more in touch with the real day-to-day work of a specialism, but it also shows them which skills are actually required for that specialism. Nothing is more frustrating than to build your CV to become a neurologist only to find out in your fifth year that you do not like what a day’s work looks like for a neurologist. Then you are left with a CV great for a neurologist but not for what you really enjoy.
Conclusion Being able to develop the correct skills earlier in your education will make it easier to perform well and more confidently at the onset of your career. Selecting those with correct skills will also make it easier to get the right people in the right places which will increase the quality of the healthcare system as a whole. However changes are needed so that people can decide earlier which specialism they want to enter into, something which the UMCG is already working on through profile education. While I do not expect an overnight change since some of the changes I have proposed are a little radical, I do hope that you will keep thinking critically about your education and collaborate in creating a better learning environment for all.
15
Chris Lenselink
Toponiemen Plaatsbekendheid in de geneeskunde Bent u in de war na het lezen van de titel? Ik begrijp deze eventuele verwarring volledig – in het verleden schreven wij over eponiemen in de geneeskunde, dit keer over toponiemen, oftewel woorden die vernoemd zijn naar plaatsen. We gaan echter niet zomaar wat leuke woorden bekijken, maar enkele ziektes die de oorsprong van hun etymologie hebben bij een bepaalde stad of streek. Dat is toch iets minder egoïstisch dan de ziekte naar jezelf vernoemen, en vast leuker voor mensen die ook die naam dragen. Als u in groep 7 een beetje heeft opgelet bij topografie, herkent u er heel misschien nog één of twee. Ziekte van Lyme Neen, dit is geen eponiem! De ziekte van Lyme behoeft eigenlijk geen introductie. Deze infectieziekte wordt veroorzaakt door de Borrelia bacterie en wordt verspreid door teken. De eerste manifestatie is erythema migrans. Indien onbehandeld kunnen er diverse problemen ontstaan, waaronder een AV-blok en faciale hemiparese. Het is op zich goed te behandelen, maar veel mensen houden klachten. Dit alles wist u natuurlijk al, en anders is uw huis-tuin-en-keukengeneeskunde weer bijgespijkerd. Old Lyme is een plaatsje in Connecticut en hier is de aandoening voor het eerst gediagnosticeerd in 1975. Een groep kinderen en volwassen werd hier geplaagd door artritis, die gedoopt werd tot Lyme artritis. Het gebied rond Lyme was herbebost en er gingen steeds meer mensen wonen: de perfecte plek voor teken. Het is natuurlijk niet zo dat Lyme hiervoor niet voorkwam, er zijn al goed gedocumenteerde rapporten uit de achttiende eeuw en Ötzi had ook Lyme. De bacterie Borrelia Burdorferi was echter ontdekt door Willy Burgdorfer, toch nog een eponiem.
16
Rocky Mountain spotted fever Nu we het toch over die takkenteken hebben: Rocky Mountain spotted fever (RMSF) wordt ook overgedragen door deze woelige makker. De ziekte wordt, zoals de naam wel doet vermoeden, gekenmerkt door vlekken, of petechiën. Dit begint meestal op de pols of enkel en spreidt daarna verder. Langetermijncomplicaties zijn gehoorverlies en zelfs het verlies van een ledemaat. Diagnose in de vroege stadia is helaas lastig, maar de prognose is goed. Verder is de incidentie laag en komt het eigenlijk niet voor aan deze kant van de oceaan. RMSF werd voor het eerst herkend in de vroege negentiende eeuw in, u raadt het al, de Rocky Mountains in de VS. De ziekte werd toen de zwarte mazelen genoemd en kwam veel voor in bepaalde gebieden, zoals in Montana. Het duurde hierna nog jaren voordat de teek als boosdoener werd geïdentificeerd, maar er waren al wel wetenschappers in 1866 die beschreven dat een patiënt een teek had. Howard Ricketts ontdekte in 1906 Rickettsia rickettsii, het verantwoordelijk organisme.
Philadelphiachromosoom Patholoog Peter Nowell keek in 1959 door zijn microscoop op de University of Pennsylvania naar leukemiecellen en hij zag iets bijzonders. De chromosomen waren tijdens de celdeling heel goed zichtbaar: iets wat niet normaal was voor die fase van de celcyclus. Nowell zocht een expert op het gebied van chromosomen en kwam uit bij David Hungerford, die erachter kwam dat sommige cellen een heel kort chromosoom 22 hadden. Dit werd bekend als het Philadelphiachromosoom. Later werd ontdekt dat het om een reciproque translocatie gingen, t(9;22), waardoor het fusiegen BCR-ABL1 ontstaat. Het zorgt ervoor dat cellen ongecontroleerd delen en dat de genoomstabiliteit zo wegvalt. Alle gevallen van chronische myeloïde leukemie hebben dit gen, hoewel het Philadelphiachromosoom ook wel voorkomt bij acute lymfatische leukemie.
dit een mooi syndroom om liedjes over te schrijven: Muse, Blink-182 en zelfs de kunstenaars van One Direction hebben er een liedje over gemaakt.
Limasyndroom Dit syndroom is het tegenovergestelde van het Stockholmsyndroom. Hier zijn het juist de gijzelnemers die sympathie ontwikkelen voor de gijzelaars, of hij begint te twijfelen aan zijn acties. Het Limasyndroom is vernoemd naar een gijzeling op de Japanse ambassade in de Peruaanse hoofdstad. Militanten namen honderden mensen in gijzeling, maar ze lieten er een aantal willekeurig weer gaan.
Ebola
Stockholmsyndroom Deze term werd voor het eerst gebruikt in 1973 toen er iets geks gebeurde bij een bankoverval in Stockholm. Jan-Erik Olsson gijzelde hierbij vier bankmedewerkers die hij gevangenhield in een van de kluizen. Toen de gegijzelden bevrijd waren, wilden ze niet tegen Olsson getuigen voor de rechter. Ze begonnen zelfs met het inzamelen van geld voor Olsson’s verdediging. Hij zei later dat ze niks anders te doen hadden dan elkaar leren kennen. Een Zweedse criminoloog noemde dit later het Stockholmsyndroom, nadat hij gevraagd was om te politie te assisteren. Het is aannemelijk dat dit veroorzaakt wordt doordat de gijzelnemer absolute controle over de gijzelaars kan uitoefenen en hierdoor ook voorziet in de basisbehoeften. Schijnbaar is
Deze lijst is natuurlijk niet compleet zonder ebola. Dit zeer dodelijke virus is vernoemd naar de Ebolarivier in Congo, wat tijdens de ontdekking in 1976 nog Zaïre heette. Mensen werden hier ziek nadat meerdere mensen met dezelfde naald werden gevaccineerd tegen malaria. Verschijnselen waren hemorrhagische koorts, hoofdpijn, buikpijn, misselijkheid, braken en bloeden. Dit was al de tweede gedocumenteerde uitbraak van ebola, met 318 besmettingen waarvan 280 overleden. Vleermuizen zijn waarschijnlijk de besmettingsbron, maar dat is nooit bevestigd. Gelukkig is de ziekte vrij zeldzaam en komt het eigenlijk alleen voor in Midden-Afrika.
17
Anne van Casteren
Medicine and art The black death in Europe Ideas and actions of the past can help us to appreciate modern healthcare and understand where our system of healthcare came from. The most interesting of sources to learn these things from is, of course, art. Whether you enjoy it or not, visual art can tell us valuable things about culture, technology, and knowledge of the past. Before we start, let’s set the mood: It’s the 1340’s... The black death (bubonic plague) has reached Europe, starting in central Asia, and is becoming the worst of many pandemics that took place between the 14th and 19th century. Death and disease are all around, and the plague will end up taking an estimated one third of the European population at this time. No viable treatment was available, relevant medical knowledge was a rarity. With the intention of better understanding the past, and learn about plague treatment now, some illustrations will be discussed. For citizens of the 14th century, the cause of the plague was a mystery. The black death seemed to strike at random, regardless of class or age. As with many things that could not yet be explained, the reason of illness was attributed to divine powers. Some thought the plague to be the return of the 6th biblical plague (boils). Groups of desperate individuals arose who travelled around performing rituals of (self)harm by use of whips and other instruments. By punishing themselves before God, these flagellants hoped to be spared of the plague.
But by far the cruelest suspected cause is shown in the illustration above. In the minitature, townsfolk can be seen burning Jews outside the city walls. Antisemitism has always been present all over the world, and the medieval period was no exception. The Jewish population was seemingly less affected by the plague,
20
which led to tragic conclusions. Stories are known of towns accusing the Jewish citizens of poisoning wells, thereby spreading a plague sent by the devil. The reason Jews seemed to have a lower chance of getting the plague is theorized to be their religious rules on hygiene. We now know the plague to be a bacterial infection, caused by the Yersinia pestis bacteria. Y.pestis is spread most commonly by flea bites, rodents, or bodily fluids. By bathing and cleaning more often than the average citizen, Jews lowered their chance of coming in contact with disease carrying fleas or rodents. After infection Y.pestis multiplies in the lymph nodes, swelling them to form painful bubo (a form of lymphadenitis). It then spreads to the organs as the inflamed bubo break down or rupture. If the infection starts in the lungs, bubo may not appear (pneumonic plague). This knowledge was only discovered after the end of the 19th century. Symptoms of the bubonic plague include: formation of bubo in the groin, armpits or neck, fever, headache, fatigue,muscle aches, gangrene of the toes and fingers (complication). After the start of these symptoms, the disease is fatal within a few days. Recognition of these symptoms by 14th century caretakers was not a given. Any disease involving bumps or dark spots on the body were often grouped under the plague.
The image depicting patients on page 20, shows what could have been mistaken for the plague. In reality we are looking at leprosy victims, distinguishable by discoloration all over the body, instead of in the classic locations of bubo. Note also the patient holding a lepers rattle (to announce their approach in the streets) in the bottom of the illustration. Members of the clergy, who would usually provide medical care, and citizens were both not legally allowed to perform any treatment involving blood. These procedures were carried out by university educated doctors or by a barber surgeon. In the last illustration a monk can be seen handing out food, which would be one of the most important parts of care provided by the clergy. This shows a form of medical specialization.
learned to bury their dead outside of the city walls. People did not know of bacteria and viruses, but most understood that disease could be contagious. Lepers and plague victims were wisely avoided on the streets. Italian sea harbours were a medieval example in Europe of disease prevention by isolation of the infected. Boats were shunned from the harbours if they carried disease, and here plague victims were first reported to be gathered in plague houses outside the city. Without working medicine, isolation of the infection was the only effective action to be taken to control the disease. Lowering the heightened chance of contamination in crowded cities would have had a noticeable effect. Still the plague hit Italy, with its many seaports, hard. This gave the 1340’s pandemic the name ‘Florentine plague’, after the Italian city. An Italian writer, after surviving the pandemic wrote the following on the disposing of diseased in Florence: ‘’Although the cemeteries were full they were forced to dig huge trenches, where they buried the bodies by hundreds. Here they stowed them away like bales in
In the miniature above, we can see a barber surgeon performing a bloodletting treatment. It was believed in the 14th century that disease is a state of ‘imbalance between fluids’. The 4 body fluids recognised were black bile, yellow bile, phlegm and blood. To have too much of one or the other meant having bad fluids which held disease. To ease symptoms of the plague, a so-called excess of blood was released from the veins by a cut or by the use of leeches. A similar treatment was common where bubo, or plague biles, were cut open to let out the fluid inside. Bloodletting as a treatment has since been proven to have no positive effect. Excessive bloodletting leads to anemia and eventually death. In the case of the plague, releasing bubo fluid or blood may facilitate spreading of the disease.Many other cures and prevention methods existed, all equally ineffective. The only known effective treatment for the plague is antibiotics, as it is a bacterial infection. Patients today are admitted to a hospital for observation, as treatment may have to be changed depending on the disease progression. By medieval times, most cities had
the hold of a ship and covered them with a little earth, until the whole trench was full.’’The miniature shown above depicts quite a different scene. Despite the large multitude of corpses, the citizens of Tournai, Belgium still attempt to bury all the deceased in separate graves. Most are to be buried in wooden coffins. Today, isolation of the patient is still part of the treatment for pneumonic plague. Because of it’s infectious nature, the pneumonic plague is contagious via airborne respiratory droplets. We have seen hygiene habits and isolation measurements as effective methods of disease prevention and control in the absence of medicine. These methods are still being used today. The plague is now virtually extinct in Europe (but not in some asian countries). Modern healthcare has provided the population with vaccines, preventive care, information, and treatments which have left many diseases in the past.
21
O&O-Raad
Onderwijscolumn Medezeggenschap is het uitoefenen van invloed op de omstandigheden en organisatie door werknemers of andere direct betrokkenen. In het geval van de studie geneeskunde zijn dat de studenten. Binnen het UMCG is er een hele groep studenten actief betrokken bij het verbeteren van het onderwijs naar de meningen van studenten. Wie zijn deze studenten en werkt het wat ze doen? Bij medezeggenschap denken de meeste studenten; “dat zal wel niet voor mij gelden”, “ik hoor het wel”, en “is het verplicht? Nee? Dan hoeft het voor mij niet.” Panacea, ProMed, O&O-raad, OCG, ECTG, allemaal personen die een belangrijke rol spelen binnen het onderwijs. Dan hebben we het nog niet eens gehad over alle docenten, studentassistenten, tutoren en medewerkers van het UMCG en Onderwijsinstituut. Logisch dat je door het bomen het bos niet meer ziet. Maar, wel heel jammer. Het onderwijs kan namelijk niet gebouwd worden zonder jouw mening! Hoe ging dat vroeger dan? Hoe zag ons curriculum er toen uit? We gaan even terug in de tijd, namelijk naar de tijd waarin de rede die de artsen af moesten leggen gebaseerd was op de kennis van Galenus. Centraal in het denken van Galenus stond het gedachtegoed van Hippocrates’ theorie dat het menselijk lichaam gevuld is met vier lichaamssappen of humores, te weten slijm, bloed, gele gal en zwarte gal, en dat elk sap een bepaald temperament vertegenwoordigt. De patiënt werd volledig buiten beschouwing gelaten. Dit kunnen wij ons nu totaal niet meer voorstellen. Want nu is ons curriculum gebaseerd op patiëntgecentreerde zorg en probleemgericht denken in plaats van louter pathogenese uit je hoofd leren. In deze tijd lieten ze de patiënt compleet buiten beschouwing; dit in contrast met het lichamelijk onderzoek en de anamnese nu. Daarbij zag het werkveld er heel anders uit. Eerder begon elke rede met: Geachte heren. En niemand keek daar raar van op. Tot in het jaar 1878: het jaar waarin Aletta Jacobs haar rede af moest leggen. Toen begon de rede voor het eerst met ´Geachte Heren, Geachte Dame´. Het was toen ondenkbaar en uit den boze dat een vrouw arts werd, maar toch mogelijk. De aanpak van geneeskunde door de tijd heen lijkt voor ons als vanzelf gegaan. Tuurlijk kwam de mens er vanzelf achter dat er meer in het lichaam gebeurde dan de theorie van Galenus zou kunnen omvatten. Maar om
22
ook de opleiding aan te passen op de ontwikkeling is meer nodig dan alleen erachter komen dat een theorie niet klopt. De twee pijlers waarin een curriculum gaat veranderen zijn namelijk de ontwikkelingen van de tijd waardoor je niet meer om een nieuwe theorie heen kunt en de roep uit een nieuwe generatie zelf voor verandering. Hier slaan we dan ook ons bruggetje naar de medezeggenschap en naar hoe belangrijk het is dat studenten hun mening laten horen. Nee, we gaan niet elk gremium uitleggen in dit stuk. En nee, we gaan niemand dwingen zijn of haar mening te laten horen. Maar ja, we willen jullie er wel bewust van maken dat je een hele grote rol hebt in je eigen opleiding. Ons curriculum is het voorbeeld van studenten die vroegen om andere scholing. AIOS/ANIOS vanuit de kliniek gaven aan dat verandering nodig is. Nu staan de CanMeds als centraal in ons curriculum. Het is natuurlijk veel gemakkelijker om te zeggen wat er slecht is dan ook daadwerkelijk iets doen aan datgene dat niet goed gaat. Maar zonder jullie inbreng als student zal hetgeen dat niet goed gaat nooit goed gaan!
f.t. bestuur
Even voorstellen Als kleine KBaby’s begonnen wij aan het avontuur van ons leven. Wij zijn samen in de boot gestapt en starten aan deze mooie reis. Wij hopen zoveel mogelijk van jullie gedurende het komende jaar mee te nemen op onze reis en ook jullie op prachtige bestemmingen af te leveren. Onze Voorzitter Matthijs staat als kapitein aan het roer van ons schip. Hij kijkt elke dag vier Youtube filmpjes om het varen onder de knie te krijgen. Aan zijn zijde heeft hij Lisa, die de rol van Secretaris mag vervullen komend jaar. Zij legt alle acht knopen die nodig zijn om de zeilen te spannen. Srishti mag komend jaar als Penningmeester onze schatkist bewaken. Gezien ze één kilo kaas per dag eet, zal zij in ieder geval niet verhongeren op het schip. Jesper gaat als Commissaris Externe onze schatkist proberen aan te vullen. Hiernaast maakt hij elke dag twee memes als memelord van onze groep. De Commissaris Interne, Aurora, zal ervoor zorgen dat alle passagiers in het gareel blijven. Over elk dier wat we tegenkomen gedurende onze reis weet zij wel drie feitjes.
Onze Commissaris Onderwijs Nicole voegt zich bij onze reis vanaf onderwijseiland. Met haar zes kopjes koffie per dag zorgt ze ervoor dat wij vol energie doorgaan. Ook Aron, de Commissaris Master en Carrière, voegt zich bij ons vanaf onderwijseiland. Omdat hij negen foto’s per dag maakt, zorgt hij ervoor dat er genoeg beeldmateriaal van onze reis is. Wanneer je de kwaliteiten van iedereen bij elkaar optelt, zie je dat ervoor gemaakt zijn het 33e bestuur der M.F.V. Panacea te worden.
Maak kennis met de specialisaae Arbeid en Gezondheid bij Sociaal Medische Zaken Sociaal Medische Zaken, onderdeel van UWV, is de afdeling waar arbeids- (on)geschiktheidsbeoordelingen voor o.a. de Ziektewet, Parrcipaaewet en de WIA worden gedaan. Wij geloven erin dat mensen op hun best zijn als ze met werk kunnen deelnemen aan de maatschappij. Voor ons doet iedereen mee naar vermogen. Als experrsecentrum op het terrein van arbeid en gezondheid zijn wij voorloper als het gaat om creëren, verzamelen en delen van kennis en ervaring op ons werkterrein. Iedere cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat wij tot een goede beoordeling komen. Onze artsen vormen de kern van deze beoordeling.
Als basisarts bieden we jou de mogelijkheid je verder te specialiseren tot arts Arbeid & Gezondheid. Na een basisopleiding van een half jaar volgt de specialisaae tot arts Arbeid & Gezondheid. Uiteraard betalen wij deze 4-jarige opleiding en bieden de juiste begeleiding jdens deze periode. Naast het behalen van jouw specialisaae zijn er volop mogelijkheden om door te groeien naar andere funcces. Als arts Arbeid & Gezondheid zijn de competennes medische deskundigheid, empathisch vermogen en sociale vaardigheden belangrijk. Verder beschik je over uitstekende luister- en beslissingsvaardigheid en kun je g oed funcconeren in teamverband. Je bent in bezit van een master Geneeskunde en BIG-registraae.
INTERESSE OF MEER WETEN? Heb je interesse in de funcce van arts Arbeid & Gezondheid bij SMZ of wil je eens met één van ons van gedachten wisselen over de mogelijkheden? Wij gaan graag met je in gesprek. Een dag meekijken is ook mogelijk. Je kunt Marlous Goris, manager SMZ, bereiken via telefoonnummer 06-11754402 of op mailadres marlous.goris@uwv.nl
23
Chris Lenselink
Serie op recept Voorheen recenseerden wij boeken en films, maar laten we realistisch blijven: het meeste studieontwijkende gedrag bestaat tegenwoordig uit het bingewatchen van series. Wij gaan natuurlijk graag met onze tijd mee, daarom hier drie medische series voor in de trein, op de bank of in 3219.0061.
New Amsterdam - twee seizoenen De kersverse directeur van het eerste overheidsziekenhuis in de Verenigde Staten, Max Goodwin (Ryan Eggold), pakt het anders aan. Het tempo ligt er goed in: tijdens de eerste veertig minuten wordt bijna de hele staf van de cardiothoracale chirurgie ontslagen, is er een patiënt met een ebolaverdenking en heeft Max’ vrouw een complete placenta previa. Geen nood natuurlijk, want in aflevering twee zijn er alweer drie nieuwe thoraxchirurgen aan de slag en alle artsen zijn kundig op elk denkbaar vakgebied. De plannen van Max om iedere zorgvrager te helpen, ook zonder verzekering (we hebben het over het Trumpiaanse Amerika) zijn ronduit ergerlijk te noemen. De filantropie van Max wordt de hele serie door je strot geduwd en ik kan me niet voorstellen dat iemand behalve het SP-electoraat daar op zit te wachten. Erg origineel is het verder ook niet, met gebeurtenissen die duidelijk van Grey’s Anatomy zijn gestolen. Ryan had het beter bij The Blacklist kunnen houden en wij bij Meredith Grey.
Code Black - drie seizoenen Code zwart wordt op de drukste SEH van de Verenigde Staten gebruikt wanneer de middelen om patiënten te helpen groter zijn de zorgvraag. En in het financieel krappe Angels Memorial Hospital gebeurt dat natuurlijk iedere aflevering. De serie volgt een aantal kersverse AIOS die begeleid worden door “papa en mama”, respectievelijk de vrouwelijke opleider en de mannelijke hoofdverpleegkundige. Ik moet eerlijk bekennen dat ik tijdens de eerste aflevering twijfelde of ik nog wel arts wilde worden: de gigantisch hectiek, enorme hoeveelheden bloed op de vloer en het gebrek aan begeleiding van de AIOS waren indrukwekkend. Natuurlijk viel het allemaal wel mee uiteindelijk en wordt iedereen bij het handje genomen. Met genoeg spannende gebeurtenissen en prima karakterontwikkelingen is het goed genieten. De acteurs zelf denken daar waarschijnlijk anders over, gezien elk seizoen de halve cast vervangen wordt. Dat is echter geen probleem meer, want het derde seizoen was ook het laatste.
Doctor Foster - twee seizoenen Van de Nederlandse publieke omroep ben ik meestal geen fan, maar de BBC kan daarentegen hoogkwalitatief vermaak leveren. Gemma Foster (Suranne Jones) is een succesvolle huisarts in een landelijk Engels dorpje en komt erachter dat haar man vreemdgaat. Er knapt iets in Gemma en ze maakt het haar levensmissie om alles wat haar man heeft kapot te maken. Maar ja, dat is wel lastig als je allebei in de veertig bent, een jonge zoon hebt, en wat zullen de buren wel niet denken? Misschien krijg je nu wat GTST-vibes, maar dat is niet terecht. De juiste vraag is of het wel realistisch is: Gemma komt amper meer in haar praktijk omdat ze te druk is met snode plannen smeden, bij elke geringe tegenslag grijpt ze naar de wijn en het Leerboek medische ethiek staat vast niet in de kast. Hm, misschien toch wel realistisch? Met leuke plottwists, psychologische spelletjes en misschien zelfs een vlaag van herkenning biedt Doctor Foster tien uur prima entertainment.
24
Suzanne Schuurman
Cocolumn Wat te doen met een onvervulde kinderwens? Als het mogelijk is, doen we het. Dit geldt onder andere voor het volproppen van intercity’s met studenten, het omgooien van een prima geneeskundecurriculum en het consumeren van belachelijke hoeveelheden alcohol in een zeker gebouw aan de Grote Markt. Maar bovenal is deze gedachtegang terug te vinden in de geneeskunde – iets wat benadrukt werd tijdens mijn coschap op de fertiliteitsafdeling. Wat als je een kind wil, maar het niet lukt om zwanger te worden? Blijven proberen, zegt de huisarts dan. Dit ‘proberen’ is de eerste maanden een feestje maar wordt op den duur vergelijkbaar met het gebruiken van de toiletborstel: het is niet vreselijk, maar ook niet echt leuk, hij moet er even in en dan is het weer klaar. Na een jaar van ovulatie-apps, obligate seks en onwelkome menstruaties word je doorverwezen naar de fertiliteitsarts.
“Kaarslicht maakt plaats voor de gynaecologische lamp” Daar aangekomen neem je voorgoed afscheid van het idee dat het creëren van nieuw leven een activiteit is waar romantiek en passie bij komt kijken. Kaarslicht maakt plaats voor de gynaecologische lamp, strelende aanrakingen gebeuren vanaf nu door echokop en eendenbek. Afhankelijk van de resultaten van het oriënterend fertiliteitsonderzoek (hormoonspiegels, semenanalyse, et cetera) kiest men voor intra-uterine injectie (zaad wordt in de baarmoeder gespoten) of wordt het zware geschut ingezet: in-vitrofertilisatie of intracytoplasmatische spermacelinjectie. ICSI is de minst natuurlijke vorm van bevruchting, waarbij het eitje niet gewoon in wat zaadsmurrie wordt geplaatst (= IVF), maar er een spermacel wordt geselecteerd en vervolgens geïnjecteerd in de eicel.
“Laten we vaker een pas op de plaats maken” Dat een eicel als gevolg van deze injectie soms lek raakt en op dramatische wijze leegloopt door de ICSI, nemen we voor lief. We proberen immers met hormoonbehandelingen zoveel follikels in de ovaria te kweken dat er meerdere eicellen, en uiteindelijk ook embryo’s zijn om direct terug te plaatsen dan wel in te vriezen.
Translation available on our website
Dat sommige patiënten psychisch lek raken door onze behandelingen, vinden we “begrijpelijk”, immers “het is ook niet niks allemaal” en “misschien heeft u behoefte aan een gesprek met onze maatschappelijk werker?” Tijdens dat gesprek blijkt vervolgens dat het loslaten van de verwachting om kinderen op de natuurlijke manier te verwekken meer rouw met zich mee brengt dan gedacht. Het fertiliteitstraject gaat voor sommige patiënten te snel, waardoor verdriet, machteloosheid, jaloezie of schuldgevoelens geen ruimte krijgen. Artsen hebben vaak geen tijd om zich met zulke emoties bezig te houden, en focussen zich, begrijpelijkerwijs, op de medische onderzoeken en behandelingen.
“Niet alles wat kan in de geneeskunde, hoeven we te doen” Hoewel de fertiliteitsartsen en -verpleegkundigen openstonden voor discussies over de morele en emotionele gevolgen van hun handelen, zag ik dit niet altijd terug in hun patiëntcontact. Laten we vaker een pas op de plaats maken en onszelf én onze patiënten vragen of ze wel klaar zijn voor de volgende stap die we te bieden hebben. Zeker gezien de grote tekorten elders in de zorg (denk aan verpleeghuizen), moeten we misschien de drempel verhogen om wéér een nieuwe IVFbehandeling te starten, als de vorige al mislukt is en de kinderloze ouders eigenlijk wat herstel- en bedenktijd nodig hebben om bij te komen. Niet alles wat kan in de geneeskunde, hoeven we te doen. Ik hoop dat deze verandering in denkwijze doorzet de komende jaren, zodat ik een volgende column kan beginnen met: als het mogelijk is, overwegen we het.
25
Bart Hofsté
Cancer immunotherapy Its state-of-the-art and future promise From BiTEs to CRISPR-CAS and from miRNAs to ZEB1. From AI to next-generation sequencing and from PD-1 inhibitors to T-vec oncolytic viruses. The future of cancer immunotherapy is here, and it is promising. While significant progress has been made since Richard Nixon declared the War on Cancer in 1971, the aim of reducing overall mortality proved more difficult than anticipated. For decades, much if any hope for something approximating a specific cure seemed futile. Today, however, steadfast progress is being made on many novel fronts. Perhaps the most promising of these is immunotherapy. Here I will discuss the state-of-the-art and future promise of various forms of cancer immunotherapy. I will argue that a definitive victory is - to a significant extent - a matter of time. The battle, however, is undoubtedly going to be a long haul that involves not years but many decades, at the very least.
Immune checkpoint inhibitors Probably you’ve come across these acronyms somewhere before, even if at the time your eyes glanced over them: PD-1, PD-L1 and CTLA4. Never mind what they stand for since what they do is much more important. PD-1 et al. are cell-surface proteins, involved in a process called checkpoint inhibition. One of the most important principles of an effective but viable immune system is the discrimination between self and non-self. In principle, our immune systems ought to attack only that which is foreign. One way of achieving this is via immune checkpoints. They provide a mechanism via which immune cells are inhibited from attacking our own cells, thus preventing autoimmunity. Tumor cells are known to elicit both local and systemic immunosuppression via a variety of mechanisms. One of these is the upregulation of PD-L1 expression on the surface of tumor cells, which then engages with PD-1 on cytotoxic T-cells, inducing their apoptosis. By blocking the interaction between PD-L1 and PD-1, this inhibitory immune checkpoint is consequently abolished. The cytotoxic T-cell response is then allowed to recommence, killing the aberrant cells in the process. Besides PD-1, other immune checkpoints such as CTLA-4 are being exploited. IDO is a particularly interesting target that is currently being researched. Indications include melanoma, lung cancer and Hodgkin’s lymphoma.
26
T-cell engineering In 2015 Siddhartha Mukherjee (author of The Emperor of All Maladies) gave a TED talk called ‘Soon We’ll Cure Diseases with a Cell, Not a Pill’. In it, he talks about how the amazing success of antibiotics created a distortion in our thinking about medicine. According to Mukherjee, what is needed today is a paradigm shift away from the medication-centred conception of medicine, towards one that stresses alternative strategies to cure diseases. Examples of such strategies focus on exploiting living cells or altering the environment in novel ways. One example of such a strategy is to enhance the cancer-fighting abilities of T-cells. By combining adoptive T-cell transfer and genetic engineering modified T-cells can be produced, known as chimeric antigen receptor T-cells (CAR T-cells). CAR T-cells are strongly superior in detecting aberrant tumor cells compared to wild type T-cells.
“One of the most important principles of an effective but viable immune system is the discrimination between self and non-self’’ CAR T-cells are chimeric because their receptor combines an outside antigen recognition domain with an intracellular T-cell signalling domain. The antigen recognition module usually consists of a single chain encompassing antibody variable heavy and variable light chains.
This is a major upgrade compared to wild type T-cells, since the affinity of antigen recognition is enhanced by several orders of magnitude. Newer generations of CAR T-cells also incorporate various costimulatory domains. Normally, T-cells recognize tumor antigens by having fragments of antigens presented to them on a serving platter called the major histocompatibility complex (MHC). CAR T-cells are not MHC-restricted: they are able to detect tumor antigens without the need for MHC presentation. This allows the CAR T-cells to detect a larger variety of tumor antigens, not only peptides but carbohydrates and inorganic compounds as well. Thus, the repertoire of potential tumor cells against which the CAR T-cells are able to react is vastly expanded. In addition, tumor escape mechanisms related to loss of MHC are simply bypassed. Several strategies to improve the CAR T-cells even further are currently being devised. One example called TRUCK (T-cells redirected for universal cytokine-mediated killing) appears especially promising against solid tumors. TRUCK enables the T-cell response to attract innate immune cells via anti-tumoral cytokines directed against antigen-negative tumor cells, which normally would escape the CAR T-cell onslaught. Current indications for CAR T-cell therapy include acute lymphoblastic leukemia and diffuse large B-cell lymphoma.
The future of cancer therapy The future for cancer therapy seems quite bright, since the many avenues of potential treatment options opened up by immunotherapy, allow for many upgrades, combinations, and novel strategies to still be devised or improved upon. Novel ways of gene modulation or genetic engineering present opportunities to overcome primary or secondary resistance against immune checkpoint inhibitors, increase sensitivity to chemotherapies, or even inhibit the processes underlying metastasis. The silencing of crucial epithelial-to-mesenchymal transition genes such as ZEB1, using various miRNAs, offers but one exciting opportunity. Even wilder opportunities are presented via synthetic biology or nanotechnology. Indeed, it may be that CAR T-cells are just the beginning in our journey of creating a whole host of novel synthetic immune cells capable of attacking cancer in unprecedented ways.
against cancer involves rapidly mutating tumor cells being selected out of tumor populations via various therapeutic and immunological onslaughts. A crucial difference, however, is that infectious diseases have potentially unlimited time and opportunity to evolve outside of the confines of the human body, whereas cancer cells are constrained by it. It follows that given a sufficient amount of pressure put against tumor cell’s survival and reproduction (while simultaneously sparing the host), these cells will at a certain point no longer possess the time and opportunity necessary to evolve their way out of the onslaught. Fatalists who claim that a cure for cancer will never be found are missing the point, save insofar they’re alluding to the truism that the cure for cancer doesn’t exist. Many if not most cancers will yield eventually - such is only a matter of time. Of course, what exactly constitutes a ‘matter of time’ is impossible to say and will vary from cancer to cancer, from subtype to subtype and even from person to person. Suffice it to say that it is a long war undoubtedly involving not years but many decades, at the very least. Any hopeful prediction offering x number of years before we reach this or that cure are tendentious at best and immoral at worst. In the meantime most progress probably resides in neither cells nor pills, but from drastic changes to our carcinogenic environments. As put succinctly by Robert Weinberg: “If those two factors [smoking and obesity] can be changed in our society, we are going to see decreases in cancer mortality, at least over the next decade or two, that dwarf anything I and my colleagues can produce in terms of new miraculous cures.” It seems the most miraculous cure of all, therefore, has always already been right before our very eyes.
In principle, the ‘War on Cancer’ is one that can be won. To see this, it is crucial to understand that the battle against cancer is really a battle against evolution. Much like the fight against infectious disease involves a constant and continuous battle against novel evolutionary adaptations arising out of the processes of mutation and selection, so the fight
27
Nienke Jensma
Puzzle Match the shoe to the specialist!
What do you consider when choosing which shoes to wear for the work day? Comfort? Style? Or is it likelihood of bodily fluid spillage ruining your new Nikes or suede desert boots. If it’s the last one, you probably work in healthcare (though there are probably a few other professions where it could also be an applicable consideration). This concern is a real factor in the lives of many doctors and interns. The department you are based at likely plays a large role on what kind of shoes you should or could wear, which is a shame because the shoes you get to wear are one of the only individual fashion choices you can make, when everyone has to wear the same white coat every day. Every now and then, however, you see a doctor walk past in a pair of shoes that look so ridiculous they would make a real estate agent blush. It might be a matter of taste but it also might be impaired sight. De gustibus non disputandum and all that. There is always the option of simply wearing the good ole’ medische klompen in order to avoid having to worry about any shoe staining occurring. like making sure your friends’ toddler sits on the leather couch when they come to visit, wearing klompen means any unfortunate little accidents that happen can be easily wiped clean without any real difficulty. But that of course means zero chance of impressing any of the nurses with your fabulous and original shoes. Style of course varies from department to department. Here are some pictures of shoes collected throughout different departments of a RUG affiliated hospital, belonging to specialists. See if you can match the right shoe to the right department. (some departments have multiple shoes!)
1
2 A. Paediatrician
3 F. Gynaecologist
B. Orthopedic surgeon C. Cardiologist
4
E. Ophthalmologist
7
6 28
5 8 Answers: A:3&6, B:2, C:7, D:5, E:1&8, F:4
D. Radiologist
Hendrik-Willem Pasterkamp
Thuiszorgcolumn Roken als medicijn? Mocht het nou alcohol of roken zijn, of het nou persoonlijk is of in sociale kringen, we hebben allemaal wel eens met verslaving te maken gehad. Een broer die af en toe bezopen thuiskomt, een kettingroker met COPD die je je oom mag noemen en ga zo maar door. Ook in de thuiszorg is verslaving een leidmotief: of het nou een collega is of een immobiele cliënt met een rookverslaving. Nietsvermoedend en half slapend fietste ik mijn inmiddels welbekende route in de wat armoedigere buurten van het hoge Noorden. Ik kwam aan bij het eerstvolgende adres en zag dat de voordeur alweer openstond. Wij zijn al zo lang bij mevrouw in dienst dat ze inmiddels weet dat een van de dames van de thuiszorg rond 10:00-10:15 haar dagelijks bezoek brengt. Gezien dit de eerste keer was dat ik mevrouw zou bezoeken, had ik even wat onderzoek gedaan over wie ik straks voor me zou hebben. Vrouw, 49 jaar, na een ernstig auto-ongeluk vijf jaar geleden een totale heupprothese gekregen, moest er vanwege een infectie uitgehaald worden. Mevrouw is momenteel aan het wachten op verdere operaties en is rolstoel gebonden. Aan mij de taak om haar te helpen met wassen en aankleden van het onderlichaam. Ik kwam de kamer binnen en werd verwelkomd door de aangename geur van brandende wierookstokjes. “Tegen de slaaplucht” hoorde ik uit een hoek van de kamer. Nadat ik me voorgesteld had en ik het bekende ‘ik heb nog nooit een man in de zorg gezien’-verhaal aangehoord had, gingen we over tot het vervullen van de eerder genoemde taken. Aan het einde van mijn vijftien minuten in de agenda aangegeven cliëntentijd, stelde mevrouw de vraag die me heeft geïnspireerd tot het schrijven van deze thuiszorgcolumn. Mevrouw is namelijk al zo lang ze zich kan herinneren afhankelijk van een pakje of twee sigaretten per dag, maar gezien ze immobiel is en het woord ‘familie’ niet in haar woordenboek staat, heeft ze geen mogelijkheid deze zelf te kopen. “Zou jij voor mij een pakje sigaretten willen kopen?”
“Een sigaret aanbieden helpt in dit geval voor het zorgen van een contactmoment en het voorkomen van ergere situaties.” Ik sprak laatst een vriendin van me over ditzelfde onderwerp. We hadden een meningsverschil over hoe het geven van sigaretten soms verantwoord is, als een patiënt
op dat moment echt niet zonder kan bijvoorbeeld. Zij is verpleegkundige en vertelde me over haar ervaringen op de crisisafdeling van een psychiatrische inrichting. Het is namelijk zo dat zij een pakje zogeheten ‘noodshag’ hadden liggen. Een patiënt kreeg simpel gezegd een sigaret aangeboden als ze roker waren maar zelf onmogelijk aan sigaretten konden komen. Een sigaret aanbieden helpt in dit geval voor het zorgen van een contactmoment en het voorkomen van ergere situaties. Bovendien vindt zij het achterhouden van sigaretten voor iemand met een levenslange verslaving onnodig wreed. Ik, als nog onaangetast geneeskundegroentje, was van mening dat het onze taak als zorgprofessionals is om de gezondheid van de patiënten te bevorderen, wat we in G2020 dan ‘health advocacy’ mogen noemen, en dit zou betekenen dat een sigaret aanbieden aan een cliënt des duivels is. Maar mijn ervaringen in de thuiszorg hebben me doen nadenken.
“Zou jij voor mij een pakje sigaretten willen kopen?” Stel je voor dat je een levenslange rookverslaving hebt en je door een onverwacht voorval ineens geen beschikking meer hebt tot een sigaret. Is het niet slechter voor de gezondheid om in één keer te stoppen met roken? Een afkickprogramma zal je adviseren om rustig af te bouwen. Maar is het aan de andere kant wel de taak van de verpleging om een cliënt in hun sigaretten te voorzien? En bovendien, kun je als toekomstig arts aan de ene kant sigaretten verbannen bij al je patiënten vanwege alle gezondheidsrisico’s, maar aan de andere kant dezelfde risico’s negeren als het om een bedlegerige en afhankelijke patiënt gaat? En waar zouden we dan de grens trekken, laten we cliënten met een alcoholverslaving dan ook af en toe een glaasje drinken? Laat staan het scala aan andere verslavingen die we kennen. Het is een moreel dilemma, een met een ogenschijnlijk onmogelijke oplossing, maar de keuze moet toch gemaakt worden.
29
Ivanka van Wijk
Global health care A look at the international patient’s perspective In a world that is becoming increasingly globalised, it is no longer uncommon to meet people with a long list of countries they have called ‘home.’ Living abroad for work or study can bring lots of positive experiences and adventure, however, it also introduces unique challenges relating to cultural and organisational differences. In particular, medical care in the Netherlands can be especially challenging to navigate as a foreigner. This is due to an unfamiliar system, language barriers and the very personal nature of seeking medical help. There is much discussion about how doctors can adjust to a globalised patient population, but it is important to consider the issue from the patient’s point of view. Through understanding these cultural barriers, we can work towards overcoming them and ensuring quality care for every patient appearing in Dutch practices.
Language barriers It is well known that the Netherlands is one of the best countries in Europe at speaking English, and many doctors speak enough to hold a conversation with their non-Dutch patients. However, oftentimes an international patient is speaking English as a second language, just like their doctor is. When both parties are speaking in a non-native language about a complex health issue, like pain or symptoms, it can open the door for misunderstanding and frustration. Medications that the patient is familiar with are named differently, and often the story the patient is trying to tell his or her doctor is not received by the doctor the way it is intended. Even when receiving medicine from the pharmacy, foreigners are often given a printout in Dutch about essential information such as side effects and told to ask a friend to translate or search for the information themselves. Because of the inconvenience and lack of resources, many internationals end up taking their medication without being fully informed. This language problem often invites issues such as missed diagnoses, incorrect medication usage, and prevents the development of a trusting relationship between a doctor and their patient.
and resented by patients who are used to deciding for themselves when a specialist is needed. In healthcare systems like the United States, patients can choose their specialist doctor based on reviews, and make an appointment directly without permission from their GP. When confronted with a Dutch doctor who feels their issue does not necessitate a specialist visit, it can be interpreted as the doctor not taking them seriously. This leads to seeing the doctor as a ‘gatekeeper’ who has to be convinced that their suffering is bad enough to receive treatment. This conservative approach is also seen with prescribing medication, as Dutch doctors tend to prefer non-pharmaceutical options in comparison to other countries. When medication is prescribed, it is often given at the smallest possible dose in an effort to prevent unnecessary drug use.
‘Huisarts’ translates to ‘gatekeeper’ A GP in the Netherlands is far more than just a general practitioner; they have the important task of deciding which issues can be solved in practice, and which need a specialist opinion. Before any help from doctors in the hospital, patients need to see their GP about their issue first, and if a referral is necessary it will be given.This system helps to reduce costs and unnecessary treatment but is often misunderstood
30
A common joke amongst non-dutch residents in the Netherlands is that doctors here only prescribe paracetamol, no matter the complaint. This is of course an exaggeration, however it represents the issue of disconnect between a foreign patient’s expectations
of a ‘quick fix’ treatment and a Dutch doctor’s conservatism. If foreigners are given a clear explanation of how the system here works with respect to reducing treatment costs and burden on the healthcare system, it would help to reduce feelings of being unheard.
across as rude and confrontational. Especially during a medical consultation, where a patient may feel vulnerable and embarrassed, it is important that Dutch doctors keep in mind that their ‘directness’ may not be appreciated. For important topics relating to a patient’s health and lifestyle, such as smoking, eating habits, and disease prognosis, many doctors need to be particularly tactful about how they lead this discussion. With a difference in communication style, patients can easily feel lectured and judged by their doctor. Even though a doctor’s usual patient might appreciate being told ‘straight’ about what they need to improve, awareness about how foreign patients might interpret this directness is essential to fostering a comfortable and safe environment for internationals.
The often forgotten role of family
Preventative Medicine To many internationals, going to the doctor involves yearly wellness check-ups, blood tests, and screening. Even without any health complaints, many people see their doctor a few times a year for assurance and preventative medicine. This is different in the Netherlands, as the doctor is typically only consulted when an issue arises. The perspective is ‘If it’s not broken, do not fix it!.’ Many foreigners have trouble adjusting to this lack of preventative medicine and might ask for check-ups from their doctors, who usually respond with confusion and concern. They sometimes suspect that the patient is hiding their true intentions for seeking help, and might interrogate their patient to find out what is really wrong. However, oftentimes, the patient is just looking for simple assurance about their health status because it is what they are used to! By educating healthcare workers about international patients expectations in regards to preventative care, these miscommunications can be prevented. It also allows for a clear discussion with the patient about how it is determined if it is necessary (or unnecessary) to order additional investigations in this country.
‘Dutch directness’ in the practice Around the world, the Dutch have a reputation for communicating directly, speaking their mind and avoiding unnecessary niceties. This may be an efficient style of communication, but it is not always received well by people used to small-talk and politeness, who prefer avoiding conflict instead of speaking about it openly. For people from these cultures, such as the British or Americans, the ‘Dutch directness’ can come
A person’s health issues usually do not impact them in isolation; most often, the family of a patient bears the burden of disease through supporting their loved one and caring for them when needed. However, many internationals in the Netherlands are living here without their usual support system, their families living thousands of kilometres away. This can make dealing with a health problem much more intimidating and frightening. When a serious, life-threatening diagnosis is made, decision making often involves a patient’s family and loved ones. The distance can make these choices much more complex. A doctor can’t speak directly with those closest to the patient and social care is limited in comparison to dutch natives with strong family ties in the country. It is imperative that doctors are aware of how this impacts an international patient and keeps this in mind throughout the treatment process.
Conclusion The relationship between a doctor and his or her patient can be complicated by cultural differences. This is an important issue in healthcare that is becoming even more apparent in a globalised world. Through looking at this issue from a foreign patient’s perspective, healthcare workers in the Netherlands can work to provide the best care possible. This opens a channel for communication about how a patient’s specific experience with different healthcare systems shapes their expectations of their doctors and the care they would like to receive. As the Netherlands is steadily becoming a melting pot of different cultures and backgrounds, implementing healthcare changes that support doctors in supporting their foreign patients will help to make internationals feel welcome and secure in their health status while living abroad.
31
Michail Kokkorakis
Life in Groningen The life of a Greek student Hello PanEssay readers, my name is Mike and although I have been living in Groningen for about four months, I found it interesting to share my experiences as an eighteen year old Greek student. Studying abroad can be daunting for most students but also quite fun! For the Greek students the feeling of homesickness is rather common and that is mainly because of the “Greek mother” stereotype. In general, mothers in Greece are overprotective and emotionally connected to their children. This means that your notification box will be full of missed calls and text messages sent from your family. Not to mention the fact that if you don’t call back or at least send an SMS you will receive twice as many notifications! So next time you complain to your friends about the regular messages you get from your family, think about the Greeks and you should feel better! Apart from the aforementioned facts, what caught me by surprise was the fact that Greek words are so frequently used in the logistics of our faculty. Nestor, Panacea, Scorion, Ephorus… I feel proud that my ancestors have contributed to the fields of science and are honoured in such a way! In addition, the board has done an admirable job in ensuring that each of the aforementioned words is connected to its definition. For example, Panacea was, according to Greek mythology, the goddess of universal health, a name that perfectly suits our study association! As for the typical Dutch trends, I found myself in difficult situations a couple of times. Cycling is not common at all in my country, thus most of my compatriots and I have already (almost) crashed into somebody while riding our bikes in a wobbly way. You just have to see it from the positive side though; we also learned useful Dutch expressions like “Nou!” and “Even kijken!”. After all that time, I have managed to learn how to ride without my hands so that I can put them in my pockets when it’s cold outside (but still I keep forgetting my gloves every time I wake up late and have to attend that practical!). What about the food? The fun part of the story is that thinking in a tourist’s way, we were desperately looking for traditional Dutch food and when we told this to our Dutch classmates they where like: “You DON’T want to try it!”. Therefore, our feelings got mixed about Dutch food and the truth is that I haven’t tried it yet.
32
Honestly, nothing compares to the Greek cuisine (not because I’m Greek of course) so you have to try it! Imagine how good it must be that I go to a Greek restaurant (pm for more information :P) every Saturday and eat as much food as I can. *For the Greek students, souvlaki is super expensive here so don’t indulge, unless you want to break the bank. (even worse if you get two obviously). What about exams? It is quite a boring topic but especially Greek students can totally relate with the below-mentioned facts. In Greece, exams are only two to three times per year and that’s it. Literally, it takes me hours of explaining to my friends from my home country what it means to have progress tests, theme exams, tutor and coach group assessments and presentations plus the learning community tasks. Personally, I did not expect to be so busy in my first year, as the only educational system I was acquainted with was the Greek one. And the worst part, we have no free time - vacation after all these examinations/ assessments. Hence, we are extremely jealous of our friends back home. Now, lets move a little bit more towards the Christmas spirit! What is customary in Greece this time of year? Something very innovative and rare: we decorate our houses and Christmas trees! However, this was not always the case. Santa Claus and the classic Christmas traditions were adopted from the West. Traditionally, we decorated boats; as a country surrounded by the Aegean sea, it is our national symbol. Nowadays, very few families and cities are still keeping this tradition alive, but if you ever come to Greece you should try to visit a village and see this old-fashioned Christmas theme. I am wishing you a Merry Christmas and a great time back home or wherever you choose to celebrate the most exciting time of the year!
Καλά Χριστούγεννα!
BIJ ARBONED NOORD-NEDERLAND ZOEKEN WE BIG-GEREGISTREERDE BASISARTSEN. Lidwien, eerder werkzaam als specialist ouderengeneeskunde, kan als geen ander vertellen over het werken als arts bij ArboNed.
Samen met de werkgever verlaag ik verzuim, stimuleer ik de gezondheid van werknemers en proberen we arbeidsrisico’s te verminderen. Bij ArboNed wordt er continu geïnvesteerd in mijn ontwikkeling. Vanuit ArboNed mag ik na een jaar beginnen aan de vierjarige opleiding tot bedrijfsarts. Hierna kan ik nog promoveren of mezelf verder specialiseren.
Ik richt me niet alleen op de begeleiding bij verzuim, maar juist ook op het voorkomen van verzuim en het bevorderen van onder andere de (sociale) veiligheid, gezondheid en leefstijl van werknemers.
Het is een fabel dat ik de hele dag tussen vier muren zit, want ik houd ook spreekuur op locatie bij werkgevers. Daarnaast heb ik ook geregeld een multidisciplinair overleg rondom preventie, vitaliteit en het lopende verzuim.
Bij ArboNed werk ik niet onregelmatig, waardoor ik meer tijd kan besteden aan familie en vrienden.
Meer weten? Bel ons op 050-5244370 of kijk bij de vacatures op de website van M.F.V. Panacea!
wij bieden nachtrust
Groningen Oosterwolde Leek www.vandermeeracc.nl
VAN DER MEER
accountants & adviseurs
33
Stalin
Memes
34
Colofon De PanEssay is het faculteitsblad van de M.F.V. Panacea. Zij verschijnt vier keer per jaar. Ook zijn wij online te vinden op panacea.nl/panessay. De redactie opereert onafhankelijk van het bestuur der M.F.V. Panacea, volgens artikel 20 lid 6 van het Huishoudelijk Reglement der M.F.V. Panacea. Kopij kan via e-mail worden aangeleverd. De redactie behoudt zich het recht voor taalkundige wijzigingen aan te brengen of stukken niet te plaatsen. Plaatsing van een stuk houdt niet in dat de redactie de daarin weergegeven zienswijze onderschrijft. Hoofdredactie Chris Lenselink Redactie Bart HofstĂŠ Redactie Thomas van der Korst Redactie Chris Lenselink Redactie | Lay-out Hendrik-Willem Pasterkamp Redactie Marit Schulte Redactie | Lay-out Angelique Wortelboer Redactie | Lay-out Suzanne Schuurman Redactie Michail Kokkorakis Redactie | Lay-out Ivanka van Wijk Redactie | Lay-out Anne van Casteren Redactie | Lay-out Nienke Jensma Redactie Redactieadres M.F.V. Panacea, t.a.v. PanEssay Antonius Deusinglaan 1 9713AV Groningen E-mail panessay@panacea.nl Online www.panacea.nl/panessay Oplage 1750 stuks Drukker OCC Crossmedia, te Breda Coverfoto Chris Lenselink Nienke Jensma Angelique Wortelboer Sluitingsdatum eerstvolgende editie 6 februari 2020
PanEss anEssa ay
Activiteitenkalender Januari 7 Tentamen 3.1.4 7 Inhaaltoets Jaar 1 7 Nieuwjaars/ Kennismakingsborrel 8 Promed Panacea Activiteit 13 YR3 Internationaliseringsavond 16 CuCo Running Dinner 24 Ouderdag 28 Tentamen 3.1.5 30 Tentamen 2.1.5 31 Thema-inloopuur Februari 5 Voortgangstoets 10 AkCie valentijnsfeest 10 Inhaaltoets jaar 2 12 MASH lezing 17 YR3 Internationaliseringsavond 26 Tentamen 1.2.1 Maart 5 5 7-13 25 25
Tentamen 2.2.1 Algemene Leden Vergadering SpoCo Wintersport Tentamen 1.2.2 After Tentamenborrel jaar 1