Skip to main content

VAM3 Juli 2026

Page 1


KENNIS MOET JE OOK ONDERHOUDEN

In een dynamische branche groeit de vraag naar goed opgeleide vakmensen die innovatief durven te zijn. Hogeschool Utrecht biedt werkende professionals uitgebreide mogelijkheden om hun kennis en vaardigheden te verbreden met verschillende opleidingen in onder andere Materiaalkunde, Inspectie, Onderhoud en Projectmanagement.

Onze opleidingen, variërend van mbo-plus, hbo, post-hbo tot masterniveau, bieden actuele kennis die direct toepasbaar is in jouw werk. Bovendien kunnen al onze opleidingen op maat in-company verzorgd worden.

Colofon

VAM is het vakblad voor Asset Management in Nederland.

Verbonden tot op het Bot

Ik ben gestruikeld over de kapstok. Het klinkt als het begin van een slechte mop, maar de afloop was allesbehalve grappig. Gebroken schouderkom, verbrijzelde schouderkop, gescheurd sleutelbeen en twee breuken in mijn bovenarm. Pijnlijk, zeker. Maar nog vervelender was iets anders: ineens kon ik niet meer wat daarvoor zo vanzelfsprekend was.

Aankleden werd een project. Koffie inschenken een risicoanalyse. En slapen? Laten we zeggen dat ik nieuwe, creatieve houdingen heb ontdekt die geen enkele yogaleraar ooit heeft aanbevolen. Het bracht me tot een ongemakkelijke conclusie: we zijn pas echt bewust van wat werkt, als het niet meer werkt.

Concept en realisatie

Elma Media B.V.

Keizelbos 1, 1721 PJ Broek op Langedijk 0226 33 16 00 www.elma.nl

Art Direction

Elma Media B.V.

Hoofdredacteur

Ellen den Broeder-Ooijevaar, Verenigings Manager NVDO

Redactie

Ian van den Brink, Project Coördinator NVDO

VAM is een uitgave van de NVDO Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud

Lange Schaft 7G 3991 AP Houten 030 634 60 40 www.nvdo.nl info@nvdo.nl

Auteurs

Pieter Pulleman (Energieconcept Royal FloraHolland)

Ian van den Brink, NVDO (Ontmoet en Slimme warmtebronnen Harderwijk )

Ideo (Technisch verbonden)

Laura van der Linde, Mainnovation ( rubriek Asset Management )

Kimmely da Silva-Ligtvoet, i-Care (rubriek Techniek)

Evi Husson ( Innovatiepunt KAAP )

Lisa Kamphuis, MaxGrip ( rubriek Beschouwing)

Loes Weber, RVB (Van de RVB Tafel )

Ellen den Broeder-Ooijevaar (alle overige artikelen)

Druk

Elma Media B.V.

Advertentie-exploitatie

Elma Media B.V.

Silvèr Snoek - Sales Manager 0226 33 16 67 - s.snoek@elma.nl

Nu zit ik in de laatste weken van de oefeningen die ik van de fysiotherapeut ‘moet’ doen. Als alles goed gaat, haal ik zo’n tachtig procent herstel. Tachtig procent. Dat is het moment waarop de professional vriendelijk glimlacht en zegt: “Hou er maar rekening mee dat het nooit meer honderd procent wordt”. Daar sta je dan. Of nou ja, daar zit je dan, met je goede gedrag.

En ergens begon het te dagen dat dit verdacht veel lijkt op hoe we omgaan met onze assets. Zolang alles functioneert, besteden we er nauwelijks aandacht aan. Onderhoud schuiven we vooruit, kleine signalen negeren we, want het draait toch nog? Totdat het ineens niet meer draait. Of in mijn geval: niet meer beweegt.

Mijn schouder was jarenlang een betrouwbare asset. Geen storingen, nauwelijks onderhoud, altijd beschikbaar. Tot één onverwachte gebeurtenis het hele systeem platlegde. En toen werd pijnlijk duidelijk hoe alles met elkaar verbonden is. Een schouder die uitvalt, beïnvloedt je hele keten. Van simpele handelingen tot je dagelijkse ritme. Net als bij organisaties: één zwakke schakel kan de hele operatie raken.

Connected zijn betekent dus meer dan alleen gekoppeld zijn. Het betekent begrijpen dat alles invloed heeft op elkaar. Dat preventief onderhoud geen luxe is, maar noodzaak. Dat je beter investeert in behoud dan in herstel. Want herstel, zo heb ik geleerd, komt zelden terug op honderd procent.

Toch zit er ook iets hoopvols in. Want juist door die kwetsbaarheid ben ik me bewust van verbindingen die ik misschien eerder onvoldoende zag. Met je lichaam, met de mensen om je heen die ineens geweldige mantelzorgers worden, en met het besef dat functioneren nooit vanzelfsprekend is.

Dus ja, ik ben gestruikeld over een kapstok. Maar de echte les? Dat goed onderhoud en echte verbinding het verschil maken tussen blijven draaien en stilvallen. En geloof me, stilvallen is een stuk minder comfortabel dan het klinkt.

Connected in de keten:

waarom LCC en LCE samen het verschil maken

Misschien werk je in een chemische productieomgeving. Dan weet je dat investeringsbeslissingen niet alleen over de aanschaf gaan. In de infra is dat niet anders. Daarom stuur ik consequent op LCC (Life Cycle Costing) en LCE (Life Cycle Engineering), met expliciete aandacht voor emissies. Alleen door die twee samen te bekijken ontstaat een compleet beeld: financieel, technisch en duurzaam.

Voor mij gaat LCC niet primair over kosten, maar over waarde. Het dwingt je om verder te kijken dan de investering en te begrijpen wat een asset écht betekent over de hele levensduur. Je neemt energieverbruik, onderhoud, storingen, prestaties en restwaarde mee, maar ook de impact op de operatie. Daarmee verschuift de vraag fundamenteel van “wat kost het vandaag?” naar “welke oplossing levert ons over twintig jaar de meeste waarde?”. Dat is het verschil tussen kostenreductie en value thinking.

LCE vormt daar de technische tegenhanger van. Het gaat over hoe je een asset ontwerpt, bouwt en onderhoudt om over de levenscyclus de beste prestaties te leveren. Emissies zijn daarin geen aparte dimensie, maar een direct gevolg van ontwerp- en gebruikskeuzes. Denk aan energie-efficiëntie, elektrificatie, warmteterugwinning en materiaalgebruik. LCE bepaalt dus niet alleen hoe een installatie functioneert, maar ook wat de impact is op CO2-uitstoot en grondstoffenverbruik.

Bij een vervangingsinvestering wordt dat verschil direct zichtbaar. Een conventionele installatie lijkt vaak aantrekkelijk vanwege de lagere investering. Maar, zodra je LCC en LCE samen toepast, verandert het beeld. De efficiëntere oplossing vraagt meer kapitaal, maar levert lagere energiekosten, minder verstoringen, betere prestaties en een lagere emissie-intensiteit. Daarmee ontstaat een uitkomst waarbij de hogere investering zich terugverdient en tegelijkertijd de footprint wordt verlaagd. Financiële waarde en duurzaamheid vallen dan samen.

Het wordt interessanter wanneer die twee uit elkaar gaan lopen. Bijvoorbeeld bij biobased grondstoffen of innovatieve technologieën. Dan zie je dat emissies dalen, terwijl kosten stijgen of risico’s toenemen. In die situaties kun je niet meer optimaliseren op één variabele. Je moet expliciet kiezen waar je op stuurt en welke waarde leidend is. Dat vraagt om volwassen Asset Management, waarin niet alleen techniek of budget, maar de totale levenscyclus centraal staat. Daar zit ook de kern van de link met professioneel Asset Management. Door installaties slim te onderhouden, prestaties te optimaliseren en levensduur te verlengen, beïnvloed je direct zowel de kostenkant als de emissiekant. Minder energieverlies, minder materiaalgebruik en minder ongeplande stilstand versterken elkaar. Het resultaat is niet alleen lagere kosten of lagere emissies, maar een hogere totale assetwaarde.

Mijn advies is daarom eenvoudig. Neem nooit een investeringsbeslissing op alleen kosten of alleen duurzaamheid. Stuur op de combinatie van LCC als waarde-denken en LCE als engineering met emissie-inzicht. Alleen dan maak je keuzes die op lange termijn kloppen.

Ronald Wever, Voorzitter

‘
‘LCC en LCE zijn geen losse instrumenten, maar onlosmakelijk verbonden. Wie ze gescheiden toepast, mist het echte stuurmechanisme’
’

12 Connected in Harderwijk: slimme warmtebronnen in een innovatief warmtenet

Royal FloraHolland: van ketelhuis naar

Multi-site verbeteren

28 Innovatiepunt KAAP is het kloppend hart van innovatie in Zeeland

32 De kracht van verbonden inzichten

Waarom Asfaltkwaliteit en Onderhoud

zijn voor Duurzame Wegen 40 Ingrijpende renovatie van een gebouw met unieke waarde

‘Ik put mijn kracht uit het verbinden van mensen, installaties en ervaring’

> Voor Derek van Roon, Maintenance Manager bij Cargill, draait onderhoud allang niet meer alleen om techniek.

Hanze test als eerste in Europa houten gebouw digitaal op aardbevingsbestendigheid 10

De data-paradox op weg naar High Performance Asset Management 15

Studenten werken aan robots die waarschuwen voor gevaarlijk wegdek 18

Connected assets vragen om meer dan alleen technologie 23

Van losse data naar scherpere keuzes: AI als versneller in Asset Management 26

Kort 31

Veiligheid moet net zo verbonden zijn als de industrie zelf 34

Kort 39

Onzichtbaar risico: nanodeeltjes op de werkvloer 42

Brandpreventie begint vóór rook en vlammen 46

Casus 50

Derek van Roon Foto: privé collectie

Wie

Derek van Roon

Wat

Maintenance Manager

bij Cargill

ONTMOET Derek van Roon <

Voor Derek van Roon, Maintenance Manager bij Cargill, draait onderhoud allang niet meer alleen om techniek. In een fabriek waar cacao wordt verwerkt tot grondstof voor chocolade, is het verbinden van mensen, data en processen minstens zo belangrijk geworden.

Van Roon studeerde Industrial Engineering aan de Avans Hogeschool en kwam daarna direct terecht in maintenance engineering. Via functies als reliability engineer en teamleider groeide hij op jonge leeftijd door naar een positie van TD-manager. “Ik heb vrij snel veel verantwoordelijkheid gekregen. Dat was soms pittig, maar ook enorm leerzaam. Na mijn ervaringen bij onder meer Bunge en OFI vond ik mijn plek bij Cargill, waar ik nu verantwoordelijk ben voor twee fabrieken”.

> Van inhoud naar overzicht. De stap van reliability engineer naar maintenance manager betekende een verschuiving van inhoud naar overzicht. “Ik maak zelf geen FMECA’s meer, maar ik weet wel hoe belangrijk ze zijn. Juist doordat je die basis begrijpt, kun je beter sturen op de juiste prioriteiten. Mijn kracht zit in het herkennen van technische problemen en het verbinden van de juiste mensen om tot een oplossing te komen. Waar ik vroeger zelf de analyse deed, zorg ik nu dat mijn team de juiste kennis en contacten heeft om het op te lossen”.

> Connected. Het thema Connected komt volgens Van Roon duidelijk terug in de ontwikkeling van onderhoud. “De waarde van data en automatisering groeit enorm. Er komen steeds meer sensoren en metingen bij. Maar de kernvraag is: wat doe je ermee? Je kunt installaties vol hangen met sensoren, maar als niemand weet welke inzichten je nodig hebt, ben je niet connected: dan ben je alleen aan het meten”.

‘

Bij Cargill wordt data daarom gericht ingezet: onderhoudsplanning gebeurt op basis van procesinformatie zoals productflow en energieverbruik. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan vervolgstappen richting online monitoring en predictive maintenance. “Maar alleen als de basis op orde is,” benadrukt Van Roon. “Anders bouw je iets op losse schroeven”.

> De kracht van de basis. “Als je niet weet welke assets je hebt, hoe kritisch ze zijn en hoe je systeem is ingericht, dan heeft het geen zin om met geavanceerde tools aan de slag te gaan”; aldus Van Roon. “Heb je dat echter wel op orde? Dan kan je aan de slag met het verbeteren van prestaties, voor mij is dat één van de mooiste uitdagingen binnen het vakgebied. Als je ergens binnenkomt en na enkele tijd de downtime structureel omlaag ziet gaat, dan weet je waar je het voor doet”.

De basis van techniek vormt ook buiten het werk van Van Roon een rode draad. In zijn vrije tijd sleutelt hij graag aan motoren en auto’s. En als het even kan duikt hij ook in de fabriek nog eens ‘onder de motorkap’ als er een terugkomend probleem is. “Zo hou ik de feeling met de monteurs en eerlijk is eerlijk, dat probleemoplossend denken zit er gewoon in. Of het nu in de fabriek is of in de garage”. <

’ ‘Ik put mijn kracht uit het verbinden van mensen, installaties en ervaring’

Technisch verbonden is niet hetzelfde als afgestemd

Binnen Asset Management lijkt ‘connected’ zijn vaak een kwestie van infrastructuur:

hoe beter alles gekoppeld is, hoe beter we denken Asset Management te kunnen uitvoeren. Assets zijn uitgerust met sensoren, systemen wisselen realtime data uit en dashboards tonen prestaties tot achter de komma nauwkeurig.

Volgens Niels Baak, Enterprise Asset Management Consultant bij Ideo, ontstaat echte verbondenheid juist door verder te kijken dan alleen de techniek; “Organisaties investeren in systemen en het verzamelen van data, maar verbondenheid ontstaat pas als mensen vervolgens ook dezelfde betekenis toekennen aan informatie en processen”.

> Vergelijking met de luchtverkeersleiding. Neem de luchtverkeersleiding. Daar bestaat nauwelijks ruimte voor interpretatieverschillen. Als een verkeersleider een instructie geeft, moet die door iedere piloot exact hetzelfde begrepen worden. Juist het feit dat iedereen informatie en instructies op dezelfde manier interpreteert, maakt het mogelijk om onder hoge complexiteit veilig en voorspelbaar samen te werken. Als interpretaties uiteenlopen, ontstaan er meteen risico’s en neemt de voorspelbaarheid af. Binnen Asset Management lijkt dat principe vanzelfsprekend, maar Baak ziet in onderhoudsorganisaties regelmatig terug dat het in de praktijk anders werkt.

> Technisch verbonden is niet hetzelfde als afgestemd. Baak licht toe; “Veel organisaties zijn technisch sterk verbonden, maar merken dat dezelfde informatie toch verschillend wordt geïnterpreteerd. Daardoor ontstaan vertragingen, discussies en werken

afdelingen langs elkaar heen. Als systemen technisch verbonden zijn, maar mensen verschillende betekenissen hanteren, kun je je afvragen of er echt sprake is van connected Asset Management”. Volgens hem zit het probleem niet in de technologie, maar in het ontbreken van gedeelde betekenis van informatie en processen.

> Dezelfde data, verschillende interpretaties. Deze kwestie wordt bijvoorbeeld goed zichtbaar als het gaat over data. Dezelfde dataset kan door verschillende personen en/of rollen binnen dezelfde organisatie totaal anders worden geïnterpreteerd. Wat voor de ene afdeling een acceptabele afwijking is, wordt door een andere afdeling gezien als een serieus risico. “Een storing kan beschouwd worden als incident, symptoom of structureel probleem, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Data is objectief vastgelegd, maar de betekenis ervan is dat vaak niet. En zolang die betekenis niet expliciet is afgestemd, ontstaan onduidelijkheden. Die worden niet opgelost met nóg meer data verzamelen”, aldus Baak..

> Praktijkvoorbeeld vervoersbedrijf. Hij haalt vervolgens een praktijkvoorbeeld aan uit het onderhoudsproces van een van de oudste vervoersbedrijven van Nederland in een grote Nederlandse

Foto: Ideo

stad. Werkvoorbereiders merkten daar dat er opvallend vaak onderhoud uitgevoerd werd aan de middelste klapdeur van bussen. In veel gevallen was vervolgwerk nodig, maar dat beeld was bij asset managers niet altijd bekend. Toen de organisatie dieper in de onderhoudsdata dook, bleek dat terugmeldingen van werkzaamheden sterk van elkaar verschilden. Monteur A gebruikte onderhoudscodes om aan te geven welke werkzaamheden waren uitgevoerd, voegde vervolgwerk toe als extra taak en hield de onderhoudsorder open totdat de bus weer reed. Monteur B beschreef werkzaamheden juist uitgebreid in tekst, gaf eventueel vervolgwerk aan, maar zette de onderhoudsorder vervolgens op ‘voltooid’, waarna vervolgwerk in een nieuwe order terechtkwam.

> Interpretatieverschillen. Technisch gezien voerden beide monteurs dezelfde werkzaamheden uit, maar de data leidde verderop in het proces tot een heel ander beeld. Voor monteur A betekende onderhoud dat hij verantwoordelijk bleef totdat de bus weer reed, inclusief vervolgwerk binnen dezelfde onderhoudsorder. Voor monteur B betekende onderhoud juist dat de oorspronkelijke order na uitvoering was afgerond en eventueel vervolgwerk via een nieuwe order werd opgepakt. Baak; “Data was overal beschikbaar en juist, maar de interpretatie ervan verschilde per rol en afdeling. Analyses kostten veel tijd en riepen vaak nieuwe vragen op. Niet iedereen verstond hetzelfde onder begrippen als storing, oorzaak, oplossing of gereedmelding. De organisatie was technisch verbonden, maar werkte in de praktijk dus nog vanuit verschillende interpretaties”.

> Samenbrengen van betrokkenen. Volgens Baak werd de oplossing gezocht in het expliciet maken van die betekenis. Daarom werden planners, werkvoorbereiders, teamleiders, monteurs en andere betrokkenen samengebracht om gezamenlijk het onderhoudsproces te doorlopen. Met als doel te begrijpen waar de verschillen in interpretatie vandaan kwamen en welke afspraken nodig waren om daar grip op te krijgen. In deze sessies werd niet alleen gekeken naar wat er in het systeem stond, maar ook naar waarom informatie werd vastgelegd.

> Een gedeeld begrip. Baak vervolgt; “Pas wanneer mensen begrijpen waarom informatie belangrijk is, ontstaat er draagvlak om op een consistente manier te werken. Welke informatie is nodig om onder-

Foto: Ideo

houd goed te plannen? Wat moet een monteur terugmelden zodat een volgende analyse zinvol is en wanneer is een werkorder eigenlijk ‘goed’ afgerond? Door deze vragen gezamenlijk te beantwoorden, ontstond een gedeeld begrip van wat goede onderhoudsinformatie is”. Daarin speelde de PDCA-cyclus een belangrijke rol als praktische manier voor het gezamenlijk verbeteren van processen en het expliciet maken van interpretaties. Werkzaamheden werden volgens dezelfde uitgangspunten gepland, uitgevoerd, geëvalueerd en bijgesteld en daardoor sloten de voorbereiding, uitvoering en analyse beter op elkaar aan.

> Van registratie naar betekenis. Op basis daarvan werd het onderhoudsproces stap voor stap eenduidiger ingericht. Van intake tot uitvoering en terugmelding werd er toegewerkt naar een consistente werkwijze die door iedereen gedragen werd. Voor iedereen werd daardoor duidelijk waarom informatie op een bepaalde manier vastgelegd en gebruikt werd. Vastleggen werd daardoor minder als administratieve last ervaren en meer als onderdeel van het uit te voeren werk.

> Effect merkbaar op meerdere niveaus. Het effect van deze aanpak was vervolgens merkbaar op meerdere niveaus. “Onderhoud werd voorspelbaarder omdat signalen beter werden herkend en geinterpreteerd. De administratieve druk op monteurs nam af doordat duidelijk was welke informatie nodig was en welke niet. Discussies over data verschoven van de vraag of cijfers klopten naar wat ze betekenden voor de volgende stap. Op assetniveau leidde dit tot minder verstoringen en meer rust in de operatie”, aldus Baak. <

‘Echte verbondenheid ontstaat pas als organisaties investeren in gedeelde betekenis als manier van werken.

Hanze test als eerste in Europa houten gebouw digitaal op aardbevingsbestendigheid

Recent voerde hogeschool Hanze een Europese primeur uit: een houten gebouw van vijf verdiepingen werd digitaal getest op aardbevingsbestendigheid. Onderdelen van het gebouw, zoals vloeren en wanden, werden gelijktijdig getest op verschillende locaties in het Verenigd Koninkrijk en Griekenland.

Via een digitale koppeling staan de testlocaties continu met elkaar in verbinding, waardoor het gebouw als één geheel kan worden gemeten. Trillingen die op één onderdeel ontstaan, beïnvloeden direct alle andere onderdelen in het digitale model. Tot nu toe werden losse onderdelen afzonderlijk getest, terwijl juist de onderlinge invloed bepalend is voor de veiligheid van een gebouw. Dat probleem lost het project Hysteresis op.

> Wat er nieuw is. Voor het eerst worden meetdata van een complex gebouw vanuit meerdere locaties tegelijk samengebracht alsof het één constructie is. Binnen Europa bestaat geen testlocatie waar een volledig gebouw in één keer op aardbevingen kan worden getest. Daarom zijn gespecialiseerde laboratoria digitaal gekoppeld met software waaraan twee jaar is gewerkt. Zo ontstaat één virtueel testlab waarin alle metingen realtime samenkomen. Tegelijk versterkt het project de samenwerking tussen Europese kennisinstellingen.

Lector Ihsan Bal met onderzoekers Eleni Smyrou en Kamer Ozdemir Foto: hogeschool Hanze

> Het experiment. Vanuit het BuildinG-gebouw in Groningen stuurt lector Ihsan Bal (Constructieve Veiligheid en Aardbevingen) live een aardbevingssimulatie aan. In Patras (Griekenland) worden dempingselementen getest en in Bristol (VK) houten wanden op gesimuleerde zandondergrond. De meetgegevens worden binnen milliseconden teruggestuurd naar Groningen, waar het algoritme de berekeningen voortdurend bijstelt.

> Hout ipv beton. De keuze voor hout is bewust. Beton veroorzaakt wereldwijd 5 tot 8 procent van de CO2-uitstoot, terwijl hout juist koolstof opslaat en lichter is in productie en transport. Voor veilig gebruik van hout in hoogbouw ontbreken echter nog goede technische richtlijnen. Daardoor kiezen bouwers vaak voor zware betonnen funderingen die niet altijd nodig zijn. Dit experiment levert nieuwe data om duurzamer bouwen mogelijk te maken.

‘
’ ‘Fysieke testen worden tegelijkertijd uitgevoerd in Patras en Bristol waarbij alle gegevens samenkomen op de computer in Groningen’

> Juist relevant voor Groningen. De resultaten zijn direct relevant voor Groningen. Het project geeft beter inzicht in hoe aardbevingen afzonderlijke onderdelen van houten gebouwen beïnvloeden én hoe die onderdelen op elkaar reageren. Die kennis helpt bij het beoordelen en versterken van bestaande gebouwen en bij het ontwerpen van nieuwe houten gebouwen. Daarmee ontwikkelt Groningen zich niet alleen als regio met aardbevingsproblematiek, maar ook als internationaal kenniscentrum voor digitale simulatie en constructieve veiligheid. <

De testlocaties in Groningen, Bristol en Patras zijn digitaal verbonden, waardoor onderzoekers realtime samenwerken alsof zij zich in één laboratorium bevinden. Dankzij deze koppeling ontstaat voor het eerst een compleet beeld van hoe een gebouw reageert op aardbevingen. Het project laat zien hoe internationale samenwerking en technologie samen leiden tot innovatie op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en circulair bouwen.

Deel van bronwarmte installatie Foto: Netwerk in Harderwijk

Connected in Harderwijk: slimme warmtebronnen in een innovatief warmtenet

De energietransitie vraagt om meer dan techniek alleen. Juist het verbinden van partijen, systemen en belangen bepaalt of een project slaagt. In Harderwijk komt dat op bijzondere wijze samen in het warmtenetwerk. Onder leiding van Operationeel

Manager Patrick van Duren namens Warmtenetwerk Harderwijk, wordt daar gebouwd aan een toekomstbestendig energiesysteem. De samenwerking met verschillende partners, warmtebronnen en eindgebruikers maakt het project succesvol.

In Harderwijk is Van Duren nauw betrokken bij de realisatie en het beheer van het warmtenet in de nieuwbouwwijk Waterfront, waar uiteindelijk zo’n 1.100 woningen worden aangesloten.

> Van rioolwater tot wijkverwarming. Het warmtenet in Harderwijk is een zogenoemd ZLT (Zeer Lage Temperatuur) netwerk. Dat betekent dat woningen worden voorzien van water met een temperatuur van circa 13 graden (±3 graden). Die temperatuur wordt geleverd via een slim samenspel van bronnen: een WKO (Warmte-Koude Opslag) en Thermische Energie uit Afvalwater (TEA), afkomstig van een nabijgelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie.

“Die installatie is eigenlijk een continue bron van warmte”, legt Van Duren uit. “Het gezuiverde water wordt geloosd in het Veluwemeer, maar wij halen daar nu eerst de restwarmte uit om de WKO-installaties mee te ‘voeden’. Vervolgens wordt de WKO ingezet

Patrick van Duren
‘Door warmtebronnen, systemen en organisaties te verbinden, maak je een warmtenet toekomstbestendig’

‘ ’

om de warmte via het netwerk naar de woningen te transporteren. Met een individuele warmtepomp kunnen bewoners de temperatuur verder verhogen in de winter voor ruimteverwarming en warm tapwater, of juist benutten voor koeling in de zomer. Zo ontstaat er een duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden in dit project: Warmtenetwerk Harderwijk levert tot aan de deur, de eindgebruiker is verantwoordelijk voor de laatste stap in het proces”.

> Samenwerking als fundament. Wat het project in Harderwijk bijzonder maakt, is niet alleen de techniek, maar vooral de manier waarop partijen met elkaar zijn verbonden. Het warmtenet wordt georganiseerd vanuit een gezamenlijke entiteit: Warmtenetwerk Harderwijk. De gemeente is voor 50 procent eigenaar, de andere helft ligt bij DENG (Duurzame Energie Netwerken Gelderland), waarin het Gelders Klimaatfonds en Alliander samenwerken. “De gemeente heeft echt lef getoond door hier zelf in te stappen”, zegt Van Duren. “Ze zitten aan het roer en nemen verantwoordelijkheid voor de energietransitie in hun eigen gebied. Die betrokkenheid gaat overigens verder dan alleen aandeelhouderschap.

> Maatwerk in plaats van blauwdruk. Hoewel steeds meer nieuwbouwprojecten kiezen voor ZLT-netwerken, is volgens Van Duren geen enkel project hetzelfde. “Je hebt nooit één blauwdruk om het energieprobleem op te lossen. Elk project is, ondanks dat we zoveel mogelijk proberen te standaardiseren om de kosten laag te houden, deels maatwerk. In Harderwijk speelde bijvoorbeeld de historie van het gebied een belangrijke rol. De wijk Waterfront wordt gebouwd op voormalige industriële grond. Door vervuiling van de ondergrond was het niet mogelijk om individuele bodemlussen toe te passen. Tegelijkertijd wilde de gemeente af van aardgas en geen wildgroei aan buitenunits van warmtepompen”. De aanwezigheid van de rioolwaterzuiveringsinstallatie bood de oplossing. Zo ontstond een systeem waarin lokale omstandigheden, technische mogelijkheden en beleidskeuzes samenkomen. Een uniek voorbeeld van een connected aanpak.

> Onderhoud aan het systeem. Het warmtenet is opgesplitst in twee hoofdonderdelen: het distributienetwerk en de bronwarmteinstallaties. Het leidingnetwerk, bestaande uit aanvoer- en retourleidingen van kunststof (PE), vraagt relatief weinig onderhoud. >

> lager is. Zo ontstaat een volgende laag van connectiviteit: het koppelen van wijken en energiesystemen tot één integraal netwerk.

Preventieve inspecties, registratie en snelle interventie bij storingen vormen de kern. De broninstallaties, waaronder de WKO en de koppeling met de rioolwaterzuivering, zijn ondergebracht in een langjarig DBMO-contract (Design, Build, Maintain, Operate) van 30 jaar. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor prestaties en betrouwbaarheid grotendeels bij de marktpartij.

“Door vanuit Total Cost of Ownership te denken, maak je aan de voorkant betere keuzes”, aldus Van Duren. “Maar het vraagt ook vertrouwen en een goede samenwerking met de markt. Tegelijkertijd blijft de rol van de netbeheerder cruciaal. Door het systeem met data op afstand te monitoren en integraal inzicht te houden, wordt de verbinding tussen productie en distributie bewaakt. Zeker bij grotere systemen is die system operations rol onmisbaar”.

> Verbinden van systemen en schaalbaarheid. Het warmtenet in Harderwijk laat zien hoe verschillende energiesystemen met elkaar verbonden kunnen worden. De combinatie van WKO en TEA zorgt voor flexibiliteit en balans. Wanneer er in een jaar meer warmte wordt gevraagd dan in de bodem beschikbaar is, wordt de WKO aangevuld met warmte uit het afvalwater. Die hybride opzet maakt het systeem niet alleen robuust, maar ook schaalbaar. Nieuwe wijken, zoals de nabijgelegen Zeebuurt, kunnen mogelijk worden aangesloten. Daar wordt gekeken naar een combinatie van centrale warmtepompen op hetzelfde ZLT-netwerk. Ook vanuit netcongestie optiek is dit zeer interessant, aangezien de impact op het elektriciteitsnet t.o.v. individuele lucht/water warmtepompen aanzienlijk

> De menselijke factor. “De grootste uitdaging zit niet in de techniek, maar in de mens”, zegt Van Duren. Het creëren van maatschappelijk draagvlak is essentieel. “Als mensen de urgentie niet voelen, doen ze niet mee. Factoren zoals betaalbaarheid, netcongestie en geopolitieke ontwikkelingen spelen daarin een steeds grotere rol. Mede daardoor groeit het besef dat energie-onafhankelijkheid belangrijk is. Dat kan het draagvlak voor collectieve oplossingen versterken”.

> Vooruitkijken. Met inmiddels circa 500 aangesloten woningen is het project halverwege. De komende jaren wordt de wijk verder ontwikkeld en groeit het netwerk door. Tegelijkertijd kijkt men vooruit naar uitbreiding van bestaande bouw en andere gebieden binnen de gemeente. “Ik verwacht dat aquathermie in de breedste vorm een belangrijke rol blijft spelen in de Nederlandse energietransitie. Water is een betrouwbare en nagenoeg altijd aanwezige energiebron” zegt Van Duren. “In combinatie met systemen zoals een WKO zie ik daar veel potentie”.

> Connected als sleutel tot succes. Het warmtenet in Harderwijk laat zien dat de energietransitie draait om verbinding: tussen bronnen, systemen, organisaties en mensen. Juist door die elementen met elkaar te verbinden, ontstaat een robuust en toekomstbestendig energiesysteem.

De data-paradox op weg naar High Performance Asset Management

Hoe kan het dat organisaties meer assetdata hebben dan ooit, maar toch minder grip ervaren op hun prestaties?

Het ontsluiten van data vindt op grote schaal plaats, soms zonder duidelijke strategie of inzicht in wat deze data daadwerkelijk oplevert, zoals minder storingen, lagere onderhoudskosten of een hogere beschikbaarheid van installaties. Kenmerkend voor trends en hypes: het is nieuw, veelbelovend en je wilt niet achterblijven.

Om beter te sturen, investeren organisaties volop in dashboards, EAMsystemen, IoT-oplossingen en AI-toepassingen. Tegelijkertijd blijft de impact in de praktijk vaak achter. De verwachting is dat dit automatisch leidt tot betere resultaten. In de praktijk zie ik juist het tegenovergestelde: hoe meer data beschikbaar komt, hoe groter het risico dat organisaties verdrinken in dashboards zonder betere besluitvorming.

Dat is de data-paradox: meer data, maar niet automatisch meer grip. De kracht zit in gerichte keuzes over welke data je verzamelt en hoe je deze gebruikt. Zonder samenhang blijft informatie versnipperd en verbetert de kwaliteit van besluitvorming nauwelijks. Precies daar schuilt het risico in de transitie naar data-gedreven Asset Management.

Een concreet praktijkvoorbeeld is dat IoT-sensoren afwijkingen signaleren, terwijl onderhoudsteams deze informatie niet tijdig ontvangen. Systemen zijn onvoldoende gekoppeld en processen en

‘ ’ ‘De mogelijkheden zijn groot. De juiste keuzes maken het verschil’

werkwijzen zijn niet ingericht om deze data effectief te benutten in de dagelijkse aansturing. Het gevolg is dat afwijkingen niet tijdig worden opgepakt, storingen ontstaan en organisaties uiteindelijk worden geconfronteerd met onnodige kosten en productieverliezen.

Het thema CONNECTED raakt precies de kern. High Performance Asset Management ontstaat door het verbinden van vier essentiële elementen: mens, proces, techniek en data & systemen. Wanneer deze elementen in samenhang worden ingericht, ontstaat er grip en wordt data daadwerkelijk gebruikt om storingen te voorkomen, onderhoud beter te plannen en onderhoudskosten te verlagen, terwijl de beschikbaarheid van installaties toeneemt.

Wat ik in de praktijk zie, is dat de basis vaak nog niet op orde is. Systemen zoals EAM, productieplanning, MES, OEE en IoT functioneren als losse silo’s en zijn beperkt gekoppeld aan de dagelijkse aansturing. Hierdoor wordt beschikbare data onvoldoende benut en sluit de PDCA-cyclus niet goed op elkaar aan. Techniek en operatie werken naast elkaar, terwijl juist de verbinding nodig is om gericht te sturen op de juiste prioriteiten.

Mijn ervaring is dat succesvolle trajecten pragmatisch en kleinschalig starten, met gerichte pilots die direct gekoppeld zijn aan concreet rendement en meetbare impact. Van daaruit wordt stap voor stap inzicht opgebouwd en leren teams werken met data in de praktijk. Zo ontstaat een lerende omgeving waarin verbeteren, sturen en samenwerken centraal staan. High Performance Asset Management zorgt voor een fundamentele verandering: verstoringen worden inzichten, data wordt sturing en de juiste gesprekken en acties volgen logisch uit de praktijk.

Klaas Smit Maintenance Award 2027 geopend

Welk Asset Management-team maakt het verschil?

Achter elke betrouwbare installatie, elke succesvolle verduurzamingsslag en iedere slimme innovatie staat een team. Een team van professionals dat dagelijks werkt aan beschikbaarheid, betrouwbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en continu verbeteren. Juist die teams verdienen een podium!

Daarom opent de NVDO met trots de inschrijving voor de Klaas Smit Maintenance Award 2027. Een verkiezing die in het leven is geroepen om Onderhouds- en Asset Management-teams zichtbaar te maken die door vakmanschap, innovatie, samenwerking en aantoonbare resultaten het verschil maken.

> Tijd om trots te laten zien. In organisaties worden indrukwekkende resultaten geboekt. Slimme onderhoudsconcepten zorgen voor lagere kosten. Innovatieve technieken verlengen de levensduur van assets. Teams realiseren forse duurzaamheidswinst, verhogen de betrouwbaarheid van installaties en brengen afdelingen en ketenpartners dichter bij elkaar.

> Maar hoe vaak wordt dat verhaal ook echt verteld? De Klaas Smit Maintenance Award biedt teams de kans om hun prestaties te delen met de sector. Niet alleen om erkenning te krijgen voor het geleverde werk, maar ook om collega-organisaties te inspireren. Want, de uitdagingen binnen Asset Management worden steeds groter. Juist daarom zijn praktijkvoorbeelden van succesvolle teams van onschatbare waarde.

Inschrijven kan tot 1 maart 2027. SCAN DE QR-CODE voor aanvullende dossier-informatie.

> Meer dan een prijs. De award draait niet om individuele prestaties. Het gaat om de kracht van het team. De NVDO zoekt projectteams die laten zien hoe Asset Management daadwerkelijk waarde creëert voor de organisatie. Teams die niet alleen plannen maken, maar ook resultaten realiseren. Teams die laten zien dat onderhoud geen kostenpost is, maar een strategische factor voor continuïteit, duurzaamheid en concurrentiekracht.

‘
‘De feestelijke finale vindt plaats tijdens de Onderhoudsarena op 17 juni 2027’
’

De verkiezing heeft daarnaast een belangrijke missie: kennisdeling stimuleren binnen de Onderhouds- en Asset Management-sector. Door succesvolle projecten zichtbaar te maken, kunnen organisaties van elkaar leren en nieuwe ideeën opdoen.

> Waar let de jury op? De inzendingen worden beoordeeld op vijf thema’s:

• Duurzaamheidsimpact: Hoe draagt het project bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de organisatie? Denk aan energiebesparing, materiaalreductie, levensduurverlenging of vermindering van CO2-uitstoot.

• Kostenbesparing door onderhoud: Welke aantoonbare financiële voordelen zijn gerealiseerd dankzij onderhoudsinitiatieven, optimalisaties of voorspellende onderhoudsstrategieën?

• Innovatiekracht: Welke vernieuwende technieken, werkwijzen of oplossingen zijn toegepast en hoe succesvol zijn deze in de praktijk.

• Beschikbaarheid en Betrouwbaarheid: Hoe draagt het project bij aan een hogere asset performance, minder storingen en een voorspelbare bedrijfsvoering?

• Samenwerking en teamdynamiek: Hoe heeft het team samengewerkt binnen de organisatie én met externe partners om tot het resultaat te komen?

Mark Haarman

“Toen ik gevraagd werd om juryvoorzitter te worden van de NVDO Klaas Smit Maintenance Award, heb ik geen seconde getwijfeld. Niet alleen omdat het na jaren van stilte eindelijk weer tijd wordt voor een nationale onderhoudsprijs. Maar ook vooral om de man te eren die ons vak heeft groot gemaakt. Klaas Smit heeft mij en vele anderen geïnspireerd om onderhoud te innoveren en te professionaliseren. Deze thema’s staan ook centraal in deze verkiezing. Ik ben erg benieuwd welke onderhoudsteams ons weten te verrassen en het vak op een nog hoger niveau weten te brengen”

> Van inzending tot finale. Deelname is kosteloos en staat open voor projectteams met een project dat is afgerond of aantoonbaar operationeel is geweest in de periode 2024-2027. Na beoordeling van alle dossiers selecteert de vakjury drie finalisten. Deze teams krijgen vervolgens een bezoek van de jury. Tijdens deze ‘audit’ worden de projecten verder uitgediept en wordt tevens een bedrijfsfilm gemaakt die tijdens de finale wordt vertoond. De uiteindelijke winnaar wordt bepaald door een combinatie van jurybeoordeling en publieksstemmen. Beide tellen voor vijftig procent mee in het eindresultaat.

> Wat levert deelname op? De winnaar ontvangt niet alleen de prestigieuze Klaas Smit Maintenance Award 2027, maar vooral brede erkenning voor het gehele team. Daarnaast ontvangt het winnende team:

1. Een gepersonaliseerde trofee.

2. Een geldprijs van € 1.250.

3. Een uitgebreid artikel in VAM.

4. Eeuwige roem binnen de Nederlandse Onderhouds- en Asset Management-sector. Ook de finalisten krijgen een uniek podium. Zij mogen hun praktijkcase presenteren tijdens het congres (Onderhoudsarena) en krijgen daarmee de kans hun aanpak te delen met vakgenoten uit het hele land.

> Schrijf je team in. Heeft jouw team de afgelopen jaren – of nog lopend - een project gerealiseerd waar jullie trots op zijn? Heb je laten zien hoe Asset Management bijdraagt aan duurzaamheid, betrouwbaarheid, innovatie of kostenbesparing? Dan is dit hét moment om die resultaten zichtbaar te maken. <

Klaas Smit

“De NVDO loopt als een rode draad door mijn loopbaan. Van luchtmachtofficier en internationaal onderhoudsmanager bij Unilever tot hoogleraar onderhoudskunde aan de KMA en TU Delft: steeds stond kennisdeling centraal. Sinds mijn toetreding tot de NVDO in 1965 heb ik de vereniging vanuit verschillende rollen mogen dienen, van werkgroepen en kringvoorzitter tot verenigingsvoorzitter. Nationaal en internationaal (o.a. via de EFNMS) heb ik professionals samengebracht om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren. Dat de NVDO nu een maintenance award naar mij vernoemt, ervaar ik als een grote eer en een prachtige erkenning van ons vakgebied”

Klaas Smit, naar wie de award is vernoemd
Mark Haarman, Juryvoorzitter

Studenten werken aan robots die waarschuwen voor gevaarlijk wegdek

In Delft draait het dit jaar volledig om robots. Bij de TU Delft zijn ze al jaren niet meer weg te denken uit het onderwijs en onderzoek, maar onlangs stond de campus er nóg meer bol van. In het robotica lab van de TU Delft faculteit Mechanical Engineering presenteerden namelijk ruim 550 studenten hun eigen MIRTE robot. De uitdaging: een robot bouwen die gevaarlijk wegdek herkent en precies op de juiste plek een gevarenbord neerzet.

In duo’s gingen de tweedejaars studenten Werktuigbouwkunde aan de slag met het ontwerpen van hun eigen slimme software en innovatieve sensoren. Ook het uiterlijk van de robot werd verbeterd en vaak verfraaid. “De creativiteit van de studenten blijft me verbazen”, zegt universitair hoofddocent Gillian Saunders-Smits. Bekende inspiraties kwamen langs, zoals R2D2 en Wall-E voorzien van slimme aflevermechanismes van de eigen ontworpen waarschuwingsborden en hekken.

> Slimme robots waarschuwen. De studenten werkten met een basisrobot die bestaat uit een klein robotkarretje met daarop een arm, ook wel mobile manipulator genoemd. Hun taak: op kleine schaal gevaarlijke plekken op de vloer herkennen en ter plekke een waarschuwingsbord plaatsen. De zwarte vloer stond daarbij voor veilig, witte stippen voor glad of gevaarlijk. Saunders-Smits zag hoe studenten oplossingen bedachten waar het docententeam zelf nog niet op was gekomen. “Sommige robots rijden voorwaarts en hupsen zijwaarts om de gevaarlijke plekken te ontwijken. Het is ontzettend uitdagend om software, elektronica en mechanica zo samen te laten werken dat het geheel functioneert. Iedereen heeft keihard gewerkt, dit zijn de top ingenieurs van de toekomst!”

> MIRTE: Delftse onderwijsrobots voor jong en oud. Het project van Saunders-Smits is het grootste vak binnen de TU Delft dat met de MIRTE robot werkt, maar zeker niet het enige. Het MIRTE

robotica onderwijsprogramma, opgezet door collega-docent Martin Klomp, vormt een doorlopende leerlijn van basisschool tot en met PhD projecten. Klomp ziet elke dag hoe krachtig het open ontwerp

Foto: TU Delft
Foto: TU Delft
‘

van MIRTE is. “De robot is het middel, niet het doel,” zegt hij. “We willen dat leerlingen en studenten spelenderwijs kunnen doorgroeien, van basisschool tot universiteit, zonder telkens opnieuw te moeten leren werken met een ander systeem. Dat is precies waarom MIRTE volledig open is. Het nodigt uit om onder de motorkap te kijken en echt te begrijpen hoe dingen werken en juist dat inspireert op alle leeftijden”.

> Slim spelen met techniek. Aan de TU Delft gebruiken onderzoekers, PhD-studenten en masterstudenten het open source Robot Operating System (ROS), waarmee robots volledig zelfstandig complexe taken kunnen uitvoeren. Voor jongere gebruikers is er een vereenvoudigde laag in Python, waardoor ook middelbare scholieren meteen aan de slag kunnen. En voor het basisonderwijs is een nog toegankelijkere blokjesvariant ontwikkeld, waarmee kinderen de robot programmeren door digitale puzzelstukjes in elkaar te klikken. Ook de hardware groeit mee met de gebruikers: van eenvoudige en betaalbare robots voor scholen tot de Mirte Master met dieptebeeldcamera en laserscanner. “Zo hopen we kinderen en volwassenen te blijven inspireren om aan robotica te werken”, zegt Klomp.

> Klaar voor de toekomst. Klomp; “Dit soort initiatieven is cruciaal voor de instroom op de technische arbeidsmarkt, omdat ze kinderen en jongeren al op jonge leeftijd vertrouwd maken met programmeren, robotica en technologie. Door een speelse en laagdrempelige start, zoals blokjespuzzels of Python-programmeren, ontdekken leerlingen hun interesse en talenten voordat studiekeuzes worden gemaakt”. Tegelijkertijd leren ze praktische vaardigheden die later direct toepasbaar zijn in technische opleidingen en beroepen. Door een doorlopende leerlijn van basisschool tot universiteit te bieden, wordt een bredere groep bereikt en wordt het imago van techniek als complex of ontoegankelijk doorbroken. “Zo creëren projecten zoals MIRTE niet alleen enthousiaste en vaardige toekomstige ingenieurs, maar versterken ze ook de aanwas van talent voor een arbeidsmarkt die steeds meer vraag heeft naar technologische expertise”, aldus Klomp.

‘Iedereen heeft keihard gewerkt, dit zijn de top ingenieurs van de toekomst!’
’

MIRTE maakt robotica toegankelijk Het project MIRTE van de TU Delft is een innovatief en toegankelijk robotplatform voor het onderwijs. Het bestaat uit modulaire, betaalbare robots die leerlingen en studenten zelf kunnen bouwen, programmeren en uitbreiden. Dankzij het open-source karakter zijn zowel de hardware als de lesmaterialen vrij beschikbaar, waardoor docenten het systeem eenvoudig kunnen aanpassen aan hun onderwijs. MIRTE brengt mechanica, elektronica en software samen in praktische opdrachten en stimuleert zo actief en projectgericht leren. Door de lage kosten en flexibiliteit maakt het project robotica-onderwijs bereikbaar voor een brede doelgroep, van basisschool tot universiteit, en helpt het de ingenieurs van de toekomst hun vaardigheden in de praktijk te ontwikkelen.

Foto: TU Delft
Foto: TU Delft

Royal FloraHolland: van ketelhuis naar energieconcept

Sinds enige tijd werkt Royal FloraHolland aan de Flora Energy Plant, een nieuwe warmtecentrale waarmee ongeveer een derde van de locatie Aalsmeer straks aardgasloos moet worden verwarmd. De installatie huisvest volgens Royal FloraHolland de grootste lucht/water-warmtepomp van Nederland.

Royal FloraHolland is een coöperatie van kwekers en een van de grootste handels- en distributieplatforms voor bloemen en planten ter wereld, waar dagelijks miljoenen producten via een fijnmazig logistiek netwerk hun weg vinden naar klanten in binnen- en buitenland.

> Eerste grote stap. Royal FloraHolland wil op termijn volledig van het aardgas af en kiest voor een gefaseerde aanpak. De locatie in Aalsmeer telt nu nog drie ketelhuizen die elk ongeveer een derde van het gebouw verwarmen (totaal circa 900.000 m2). De Flora Energy Plant vervangt als eerste één van die systemen. “Dit is onze eerste grote stap”, zegt Friso Sijbertsma, head of Asset Management bij Royal FloraHolland. “We nemen voor ongeveer een derde van ons gebouw afscheid van een ketelhuis en stappen over op een lucht/waterwarmtepomp”. De Flora Energy Plant is niet simpelweg een grote warmtepomp. Het is de eerste grote stap in een nieuw energieconcept, waarin bestaande assets, nieuwe techniek, data, onderhoud en toekomstige warmtebronnen met elkaar verbonden raken.

> Warmte uit de buitenlucht. Achter het ogenschijnlijk eenvoudige begrip warmtepomp gaat hier een systeem schuil van industriële schaal. Waar het ketelhuis nu nog circa 14.000 kW aan warmte levert via cv-ketels, komt daarvoor een warmtepompsysteem van ongeveer 7.000 kW terug. Dat lijkt minder, maar het uitgangspunt verandert fundamenteel: niet langer op hoge temperatuur en met directe verbranding warmte maken, maar warmte uit de buitenlucht onttrekken, die met behulp van elektriciteit opwaarderen en vervolgens slim inzetten in een watergedragen systeem. Industriële warmtepompen werken volgens hetzelfde fysische principe als koelinstallaties: een koudemiddel neemt warmte op, wordt gecomprimeerd en staat die op een hoger temperatuurniveau weer af. Zulke systemen zijn het efficiëntst wanneer bron- en afgiftetemperatuur goed op elkaar aansluiten.

> Niet één op één vervangen. Voordat Royal FloraHolland koos voor de warmtepomp, werd samen met adviseurs gekeken welke

Flora Energy Plant Foto: Royal FloraHolland

warmteconcepten überhaupt kansrijk waren. Pas daarna kwam de keuze voor een lucht/water-warmtepomp naar voren als beste optie voor deze locatie. Vervolgens begon de echte puzzel pas. Want een grote lucht/water-warmtepomp kun je niet zomaar ‘even’ inpassen. Het systeem heeft vrije luchtstromen nodig om goed te functioneren en de bebouwde omgeving in Aalsmeer speelt derhalve een grote rol. Windrichtingen, luwte, omliggende gebouwen en dakhoogtes hebben direct invloed op het rendement van de installatie.

> De juiste opstelling. Als afgekoelde lucht namelijk niet goed wordt afgevoerd en opnieuw in het systeem wordt gezogen, neemt de efficiëntie af en groeit de kans op bevriezing van de buitenkoelers. Daarmee wordt de luchtzijde van de installatie meteen een kritische factor. De engineering ging dus niet alleen over vermogen en capaciteit, maar ook over de precieze opstelling, hoogte, vrije ruimte en bouwkundige inpassing. Royal FloraHolland trok daarvoor samen op met adviseurs Sparkling en DVP en leverancier GEA. Ook werden referentieprojecten in Denemarken bezocht. Daar draaien vergelijkbare installaties al jaren, vaak gekoppeld aan woonwijken of grotere energiesystemen. “Maar daar staan ze dus in het open veld, en dat is wezenlijk anders dan de situatie hier”.

> Drie buffervaten. Het ontwerp werd onderweg nog aangepast. Zo groeide het aantal compressor skids van vier naar vijf, om de risico’s te verlagen en het systeem robuuster en energiezuiniger te maken. Een compressor skid is een rack met daarop de two stage ammoniak warmtepomp compressoren en alle randapparatuur modulair opgebouwd. Sijbertsma; “Door het vermogen over meerdere, kleinere compressorunits te verdelen, kan de installatie in alle seizoenen efficiënter draaien”. Tegelijk blijft de ammoniakinhoud per unit onder de 1.500 kilo, wat bijdraagt aan de veiligheid. Voor

het geheel wordt een nieuw gebouw gerealiseerd van ongeveer 1.000 vierkante meter, met op het dak meer dan tweehonderd ventilatoren. Daarnaast komen er drie buffervaten voor warmteopslag. Die spelen een cruciale rol: ze maken het mogelijk om warmte te produceren op momenten dat er voldoende elektriciteit beschikbaar is en die later in te zetten wanneer de vraag piekt of het elektriciteitsnet onder druk staat. Bovendien kan in de verschillende buffervaten met meerdere temperatuurniveaus worden gewerkt, zodat per gebouwdeel – zoals de hallen of de fustenwasserij – steeds de juiste temperatuur efficiënt kan worden geleverd.

> Balanceren. Een cv-ketel kun je immers relatief eenvoudig harder laten draaien op piekmomenten. Een warmtepomp werkt anders. Die presteert het best bij een gelijkmatiger bedrijfsvoering. Dat vraagt om thermische opslag: warmte produceren op gunstige momenten en die later inzetten wanneer de vraag piekt, bijvoorbeeld bij de opstart in de ochtend. Daarmee wordt de Flora Energy Plant niet alleen een warmtebron, maar ook een systeem voor het balanceren van vraag, productie en beschikbaarheid.

> Integraal energiesysteem aansturen. Parallel aan de bouw van de Flora Energy Plant werkt Royal FloraHolland aan de aanpassing van het leidingnet en de hydrauliek. Het bestaande systeem is immers ontworpen op cv-ketels. Kleppen, warmteafgifte en inregeling moeten dus geschikt worden gemaakt voor een ander warmteprincipe. Daarnaast werkt de organisatie aan een Energy Management System, intern aangeduid als de control tower. Dat systeem moet straks op basis van buitentemperatuur, warmtevraag en beschikbare warmtebronnen bepalen wat de meest efficiënte inzet is. Daarmee verschuift het perspectief van één installatie beheren naar een integraal energiesysteem sturen. >

> Breder denken. Dat energiesysteem krijgt bovendien meerdere bronnen. De Flora Energy Plant vervangt één ketelhuis, maar is niet het enige verduurzamingsproject dat nu loopt. Royal FloraHolland realiseert tegelijk een nieuwe koelcel voor een nieuw orderpickgebied ten behoeve van de logistieke operatie van Royal FloraHolland. De warmte die vrijkomt bij dat koelproces wordt niet direct aan de Flora Energy Plant gekoppeld, maar via een aparte warmtepomp opgewaardeerd en ingevoed op een ander deel van het warmtenet. Daardoor kan naar verwachting ook elders op de locatie een CV ketel vervroegd uit bedrijf worden genomen om CO2 uitstoot te verminderen. Daarnaast verkent Royal FloraHolland of in de toekomst ook restwarmte van externe partijen kan worden benut. Dat bredere denken is volgens Sijbertsma essentieel. “Je kan het niet op één warmtebron doen”, zegt hij. “Het is een totaal energieconcept waarvan je ook naar de risico’s moet kijken. Als er een onderdeel in het energieconcept wegvalt, moet het concept wel kunnen blijven draaien”.

> Onderhoud: nog volop in ontwikkeling. In bedrijfstelling, inregeling en onderhoud zijn cruciaal voor een efficiënte bedrijfsvoering. Vanaf het allereerste moment is dit meegenomen in de uitvraag en is mede bepalend geweest voor de leverancierskeuze. Een warmtepomp vraagt, anders dan een CV ketel, continue aandacht voor condities, belasting, bevriezing, ontdooicycli en prestaties. Voor de eerste twee jaar zijn er bindende afspraken gemaakt over de commisioning, het onderhoud en een efficiënte werking. Daarnaast is het belangrijk dat er vanuit Royal FloraHolland ook warmtepomp sturing kan plaatsvinden op basis van beschikbaarheid van duurzame energie en de prijs hiervan. Dit maakt het onderhoudsconcept complex en wordt met veel zorg de komende periode nog verder uitgewerkt.

> Organisatorische consequenties. Die verschuiving heeft ook organisatorische consequenties. Royal FloraHolland heeft geen eigen technische dienst: het onderhoud aan de hard services is uitbesteed. Voor de Flora Energy Plant moet daarom nog worden bepaald hoe de rollen precies komen te liggen tussen Royal FloraHolland zelf, onderhoudspartner Heijmans en leverancier GEA. Wie monitort wat? Wie grijpt in? Welke onderdelen moeten op voorraad liggen? Welke assets zijn echt kritisch? Sijbertsma presenteert de Flora Energy Plant nadrukkelijk niet als een kant-en-klaar eindbeeld, maar als een leerproces. “In Denemarken zagen we dat dit soort systemen soms één tot twee jaar nodig hebben om volledig in balans te komen. De oplevering is voorzien rond het einde van 2027, daarna begint de echte praktijkfase”.

‘
‘Als er een onderdeel in het energieconcept wegvalt, moet het concept wel kunnen blijven draaien’
’

> Natuurlijke vervangingsmomenten. Royal FloraHolland vervangt niet lukraak alle ketels ineens. Er wordt gekeken naar natuurlijke vervangingsmomenten in de asset life cycle. Ketels die nog niet zijn afgeschreven, worden niet zomaar preventief weggesaneerd. Ook dat ziet Sijbertsma als onderdeel van duurzaamheid. Tegelijk is de businesscase vanzelfsprekend belangrijk. De investering in de Flora Energy Plant ligt rond de twintig miljoen euro. In combinatie met andere lopende projecten gaat het dus om een aanzienlijk bedrag. De opbrengst zit in lager gasverbruik, CO2-reductie en subsidies op gebruik. Hoe beter het systeem uiteindelijk draait, hoe sterker dus ook de economische onderbouwing.

> Geloofwaardigheid. Het project heeft voor Royal FloraHolland nog een andere waarde. Als centrale schakel tussen kwekers en kopers wil de organisatie ook in haar eigen operatie laten zien dat verduurzaming serieus wordt genomen. In een sector waar de CO2-footprint van productie, transport en logistiek toch al onder een vergrootglas ligt, is dat meer dan symboliek. Het gaat om geloofwaardigheid richting klanten, telers en de bredere sector. <

De Flora Energy Plant laat zien dat elektrificatie van warmte op grote schaal mogelijk is, maar alleen als je het hele systeem meeneemt: bron, distributie, buffering, monitoring, onderhoud en organisatie. De belangrijkste les voor asset owners is dat dit soort projecten in de ontwerpfase beginnen, niet bij het dashboard of het onderhoudscontract. Hoe alle onderdelen op elkaar inwerken, bepaalt uiteindelijk het resultaat. Of de installatie straks presteert zoals beoogd, moet nog blijken, maar duidelijk is wel dat Royal FloraHolland hiermee niet alleen een warmtebron vervangt, maar het totale energieconcept fundamenteel anders inricht vanuit een ambitie om te verduurzamen.

Friso Sijbertsma Foto: Royal FloraHolland

Connected assets vragen om meer dan alleen technologie

Nederland beschikt over voldoende kennis, technologie en talent op het gebied van kunstmatige intelligentie. Toch blijft de daadwerkelijke impact in veel organisaties achter. De technologie is aanwezig, maar de stap naar structurele toepassing en waardecreatie blijkt lastig.

Volgens Joost den Cremer, plantmanager, is dat herkenbaar vanuit de praktijk. “In veel organisaties zie je dat AI vooral in pilots wordt toegepast. Dat is interessant, maar zolang het niet in de dagelijkse operatie wordt geïntegreerd, blijft het een experiment”. Organisaties experimenteren wel met AI, maar hebben moeite om die toepassingen daadwerkelijk onderdeel te maken van hun processen. Daarmee blijft een belangrijk deel van het potentieel onbenut. In een wereld waarin assets, data en digitale systemen steeds sterker met elkaar verbonden zijn, vraagt dat om een andere manier van kijken naar technologie.

> Van verbonden assets naar betere beslissingen. Hier raakt het onderwerp direct aan Asset Management. In moderne organisaties zijn assets niet langer alleen fysieke installaties of infrastructuur. Ze maken deel uit van een groter digitaal ecosysteem waarin data, sensoren, systemen en mensen continu met elkaar

‘ ’ ‘Verbonden assets creëren

den Cremer

verbonden zijn. De echte waarde ontstaat wanneer die verbindingen ook leiden tot betere inzichten en betere beslissingen. Den Cremer ziet dat dagelijks in zijn productieomgeving. “In onze fabriek zijn installaties, data en systemen steeds meer met elkaar verbonden. Maar verbinding alleen is niet genoeg. De informatie die daaruit komt moet ook daadwerkelijk gebruikt worden om betere keuzes te maken”.

> Connectie met alles. AI kan daarbij een belangrijke rol spelen. Denk aan toepassingen die afwijkingen in installaties vroegtijdig signaleren, onderhoud slimmer plannen of prestaties van productielijnen analyseren. Zulke toepassingen maken gebruik van de enorme hoeveelheid data die tegenwoordig beschikbaar is dankzij verbonden assets. Maar, volgens Den Cremer ligt de uitdaging vooral in het verbinden van technologie met de praktijk. “Je kunt nog zulke slimme algoritmen hebben, maar als de data niet betrouwbaar is of als mensen er niet op vertrouwen, dan gebeurt er niets. Dan blijft het bij een interessant dashboard”. Hij benadrukt dat de kern van verbinding niet alleen gaat over technologie of data. “Het gaat ook over het verbinden van disciplines, systemen en mensen binnen organisaties. Pas wanneer techniek, data en besluitvorming met elkaar verbonden zijn, ontstaat echte impact”!

> Ten slotte. Daarmee raakt de discussie over AI aan een bredere managementvraag. Technologie alleen is namelijk niet voldoende. Organisaties moeten AI integreren in hun processen, governance en infrastructuur om daadwerkelijk waarde te creëren. “Dat sluit direct aan bij Asset Management, waar het draait om het optimaal benutten van assets om duurzame prestaties en waarde te realiseren”, eindigt Den Cremer; “Daar ligt wat mij betreft dan ook de grootste uitdaging voor de komende jaren. We zijn steeds beter in staat om assets digitaal met elkaar te verbinden. De volgende stap is dat we die verbinding ook echt gebruiken om betere beslissingen te nemen”. <

Multi-site verbeteren is werk van lange adem

Het is een ambitieus plan, dat zeker niet van het ene op het andere moment is gerealiseerd.

Peter Roelse is als technical proces owner systematic maintenance bij Yara, samen met zijn team, verantwoordelijk voor verbetering van het onderhoudsproces van 24 sites wereldwijd. “Ja, dat kost tijd. Maar als ik dan zie dat sites na assessments daadwerkelijk verbeteringen doorvoeren en betere KPI’s behalen, dan weet ik dat we op de goede weg zitten”.

Yara is een Noorse chemische multinational die wereldwijd stikstofhoudende meststoffen en industriële producten produceert, distribueert en verkoopt, met productielocaties op zes continenten. Het bedrijf werkt aan wereldwijde procesverbetering via een SAP S/4HANA-transformatie, ondersteund door een Operational Excellence-organisatie.

> Groei en verbetering. Roelse werkt voornamelijk vanuit huis. Yara Sluiskil bevindt zich op steenworp afstand, maar het is niet de enige locatie waar hij procesverbeteringen doorvoert. “We hebben productielocaties onder andere in Australië, Frankrijk, India, Canada en Brazilië. Dat betekent verschillen in talen, culturen, maar ook in werkprocessen en volwassenheidsniveaus”. Dat maakt dat het zeer lastig is om één uniforme werkwijze te implementeren. “Maar per locatie, afgestemd op je eigen ambitieniveau, streven we naar groei en verbetering is natuurlijk wel mogelijk”.

> Multi-site verbeteren. Met behulp van Mainnovation formuleerde Yara in 2020 een multi-site verbeteraanpak. “Elke productielocatie gebruikt dezelfde KPI’s om te sturen op verbetering. Zo kunnen we sites onderling vergelijken en kunnen ze van elkaar leren”, legt Roelse uit. Hij en zijn collega’s voeren periodiek maturity assessments uit op verschillende sites om te beoordelen hoe het onderhoudsproces wordt uitgevoerd, waar eventuele gaps zitten en of good practices kunnen worden gedeeld tussen locaties. Roelse; “Good practices worden geïdentificeerd en waar mogelijk gedeeld

met andere sites. Denk aan registraties in SAP, het maken van goede risk based maintenance strategieën, het maken van goede planningen en het omgaan met contractors. Als we van elkaar kunnen leren, dan is dat enorm waardevol; we blijven connected”.

‘‘Digitalisering verbindt de verschillende sites en versterkt onderhoudsprestaties’
’
Foto: Yara

> Driejaarlijkse assessments. Elke locatie ondergaat gemiddeld eens per drie jaar een assessment. “Door open te zijn over de resultaten via een centraal dashboard, hebben we absoluut mensen in beweging gebracht”. Het gaat weliswaar niet zo snel als Roelse zou willen, maar hij begrijpt ook waarom dergelijke trajecten nu eenmaal tijd kosten. “Het is niet zo dat elke locatie continu volledige focus heeft op het verbeteren van de onderhoudsprocessen. We hebben ook te maken met overnames, ontbrekende rollen, prijsstijgingen en kostenreducties”. Om die redenen wordt het aan de individuele site managers overgelaten op welke wijze en in welk tempo verbeteringen worden doorgevoerd.

> Digitalisering. Sinds de start van dit multi-site verbetertraject en de periodieke maturity assessments, is er al veel veranderd. Er zijn sites bijgekomen door overnames, gelijktijdig wordt SAP S/4HANA als centraal systeem uitgerold en wordt steeds meer ingezet op digitalisering. “We gebruiken dashboards, Power BI en condition monitoring. Op verschillende sites worden steeds meer sensoren en condition monitoring tools ingezet, zowel offline als online, om de staat van machines te bewaken”. Ook loopt er een pilot waarbij AI wordt ingezet om de classificatie van spare parts te verbeteren.

> Een marathon. Roelse is blij met de zichtbare verbeteringen na de assessments. “Het is geen sprint, het is een marathon. Een werk van lange adem. Maar, het motiveert ons omdat we zien dat er echt stappen worden gezet, dat KPI’s verbeteren en operationele rapportages een stijgende lijn laten zien”.

Door dit centraal aan te sturen en door open te zijn over resultaten, zijn de verschillende onderhoudsteams wereldwijd ook steeds beter in verbinding met elkaar. En uiteindelijk is het natuurlijk de bedoeling dat alle productielocaties van Yara hun Operational Excellence aanpak verbeteren en de onderhoudsprocessen overal implementeren. Roelse; ‘Ja, dat gaat stap voor stap. Maar zo loop je nou eenmaal een marathon”. <

Foto: Yara
Foto: Yara

Van losse data naar scherpere keuzes: AI als versneller in Asset Management

Onderhouds- en productieteams hebben vaak een schat aan data tot hun beschikking: van productieplanning en onderhoudshistorie tot procesdata, werkorders, inspectierapporten, technische documentatie en praktijkervaring op de werkvloer. Toch blijft de stap naar het nemen van aantoonbaar betere beslissingen te nemen vaak lastig. Niet omdat er te weinig informatie is, maar omdat die informatie versnipperd is, anders wordt vastgelegd per locatie of discipline, of simpelweg niet betrouwbaar genoeg is om er dagelijks op te sturen.

Kunstmatige Intelligentie (AI) kan hierbij helpen, mits je het inzet als hulpmiddel en versneller en niet als wondermiddel beschouwt. AI maakt het eenvoudiger om patronen te herkennen, inconsistenties te vinden en gerichte suggesties voor dataoptimalisatie te doen. Waar veel bedrijven twijfelen over het gebruik van AI omdat ze hun eigen data niet voldoende vertrouwen, kan AI juist helpen om de kwaliteit te versterken. Verbetering begint daarom vrijwel altijd bij dezelfde basis: eenduidige definities, een consistente assetstructuur, én een werkwijze waarin uitkomsten worden gevalideerd.

NVDO’s lidbedrijf MaxGrip deelt twee praktijkvoorbeelden. Eerst een offshorebedrijf op de Noordzee waar ze met behulp van AI de onderhouds- en assetgegevens versneld op orde brengen en onderhoudskeuzes aanscherpen. Daarna een voorbeeld waarin een AI platform, in dit geval SymphonyAI, live data benut om onderhoud en productie samen te laten sturen op voorspellend presteren.

> Voorbeeld 1 – AI-gedreven onderhoudsoptimalisatie bij internationale energieoperator. Voor een internationale operator in de energiesector voert MaxGrip een grootschalige, AI-gedreven analyse uit van onderhoudsstrategieën, Planned Maintenance Routines en onderliggende asset- en CMMS-data. Hiermee worden risico’s, inefficiënties en inconsistenties inzichtelijk gemaakt, zodat gerichte verbeteringen kunnen worden gerealiseerd. Door gebruik te maken van geavanceerde data analyse en AI ondersteunde verwerking van grote datasets worden afwijkingen, patronen en optimalisatiekansen sneller en nauwkeuriger geïdentificeerd dan met traditionele methoden. Deze inzichten worden vervolgens vergeleken met bewezen best practices en een omvangrijke kennisbasis waardoor een objectief en evidence based beeld ontstaat van de huidige situatie en de grootste verbeterkansen. De resultaten worden risicogedreven geprioriteerd op basis van veiligheid, compliance en operationele impact. Met behulp van AI wordt ook een betrouwbaarheidsscore

gegenereerd en de resultaten worden gevalideerd - dit heet ook wel human in the loop. Dit leidt tot een concreet, uitvoerbaar verbeterplan, kosteninschatting en implementatie-aanpak, waarmee gericht assetprestaties kunnen worden geoptimaliseerd.

> Datakwaliteit versnellen met AI: van blokkade naar vooruitgang. “Onze gegevens zijn niet goed genoeg, dus AI heeft geen zin”….. In de praktijk blijkt vaak het omgekeerde: AI kan juist helpen om data sneller te verbeteren, waarna het gebruik van AI om inzichten te generen en te adviseren, wél haalbaar wordt.

Datakwaliteitsproblemen zitten meestal in duizenden kleine dingen: ontbrekende velden in onderdelenlijsten, verschillende benamingen voor hetzelfde onderdeel in verschillende systemen, onvolledige documentatie, of onduidelijke relaties tussen installatiedelen en werkorders. Traditioneel is opschonen arbeidsintensief: record voor record nalopen, handleidingen doorspitten en tekeningen vergelijken.

> AI versnelt dit door bijvoorbeeld:

• Gaten en afwijkingen te signaleren en te spiegelen aan vergelijkbare assets of onderdelen.

• Voorstellen te doen voor ontbrekende of onduidelijke velden (zoals type lager, maatvoering, materiaal of classificatie).

• Een betrouwbaarheidsscore mee te geven: hoe zeker is het voorstel en welke bronnen of patronen ondersteunen dat?

• Documenten beter bruikbaar te maken, door relevante informatie te herkennen en te koppelen aan de assetstructuur. Cruciaal blijft de werkwijze: de mens blijft aan zet. AI doet het voorwerk en brengt snelheid en consistentie: vakmensen beoordelen en accorderen, zeker bij veiligheidskritische onderdelen. Zo wordt datakwaliteit geen maandenlang traject met hoge drempels, maar een verbeterpad waarin je stap voor stap vertrouwen opbouwt en waarin data niet alleen ‘gekoppeld’ zijn, maar ook inhoudelijk kloppen.

> Voorbeeld 2 – Van inzichten naar dagelijks handelen: SymphonyAI in de operatie. Als de basisdata op orde is, komt de volgende stap: hoe benut je dit in een draaiende operatie waarin belasting, productmix en omstandigheden continu veranderen? Dan is een aanpak nodig die live gegevensbronnen samenbrengt: procesdata, onderhoud, inspecties, voorraden, planning en productiecontext.

Het SymphonyAI-platform legt relaties vast tussen uiteenlopende databronnen in een logisch gedragsmodel – een soort behavioral digital twin. Hierdoor ontstaat context: welke assets, procescondities

en signalen horen bij elkaar, welke patronen zijn normaal, en welke afwijkingen vragen aandacht.

> Dit maakt het mogelijk om:

• Afwijkingen eerder en beter te herkennen door signalen, trends en onderlinge relaties gecombineerd te beoordelen, in plaats van losse alarmen op één grenswaarde.

• Oorzaken en risico’s beter te duiden op basis van historisch gedrag, operationele context en vergelijkbare situaties binnen het proces.

• Gerichte aanbevelingen te geven voor vervolgacties, inclusief inzicht in de onderliggende redenering en verwachte impact op performance en betrouwbaarheid.

• Productie, onderhoud en asset performance integraal te sturen doordat procescondities, belasting en slijtagepatronen gezamenlijk worden meegenomen in de beoordeling van beschikbaarheid en risico. Illustratief materiaal uit onder andere de voedingsmiddelenindustrie laat zien hoe dergelijke platforms meerdere databronnen samenbrengen in één operationeel stuurbeeld, met KPI’s zoals OEE, onderhoudsstatus, energieverbruik en prestatietrends. Daarnaast zijn er voorbeelden waarbij AI-agents en onderhoudstoepassingen operators en maintenance engineers actief ondersteunen met concrete verbetervoorstellen en prioritering van acties.

> Tot slot: minder ruis, meer regie. De grootste sprong ontstaat wanneer onderhoudskennis, productiecontext en betrouwbare gegevens samenkomen. AI helpt om sneller orde te scheppen in data en om verbanden zichtbaar te maken en gerichte, gecoördineerde verbetervoorstellen te leveren. Die verder gaan dan enkel optimalisatie van het onderhoud, maar ook optimalisatie van productie nastreven. Echter, waarde ontstaat pas als mensen daar ook op kunnen en durven te handelen. <

Screenshot van SymphonyAI

Innovatiepunt KAAP is het kloppend hart van innovatie in Zeeland

Hier komen vernieuwers, ondernemers, onderzoekers, studenten en overheden samen in een inspirerende omgeving waar ideeën worden omgezet in concrete oplossingen. Doel is om de transities Energy, Food en Water te versnellen met innovatie door kennis te delen, te testen en te demonstreren. Marc Menue, business development manager geeft tekst en uitleg.

“De maatschappelijke uitdagingen van vandaag en morgen vragen om vernieuwende oplossingen. Klimaatverandering, schaarste aan grondstoffen, de druk op voedsel- en watersystemen en de energietransitie maken duidelijk dat anders denken én samenwerken noodzakelijk is.

Op en rond de Kenniswerf in Vlissingen is een heel groot ecosysteem gehuisvest met HBO- en MBO-onderwijs, universitair onderzoek, een regionale investeringsmaatschappij, een incubator van Zeeland. Daarom is er een visie neergelegd om samen met provincie en gemeente Vlissingen de Kenniswerf volledig door te ontwikkelen naar een innovatiecluster waar het hele ecosysteem samenkomt.

Daar hoort een fysieke en inhoudelijke ontmoetingsplek bij waar je kunt ontwikkelen, testen en demonstreren op de Deltathema’s Energy, Food en Water. Dit was het vertrekpunt van Innovatiepunt KAAP”, legt business development manager Marc Menue.

> Faciliteren en verbinden. Innovatiepunt KAAP is een plek van en voor het ecosysteem, stelt hij. “We merken dat veel innovaties op laboratoriumschaal beginnen, maar om ze op de markt te kunnen brengen is opschalen in een reële omgeving nodig. Daarom richten we ons op drie pijlers die vallen onder de begrippen faciliteren en verbinden. Ten eerste willen we fysiek faciliteren (1) met een ontwikkel- test- en demofaciliteit. Innovators kunnen dus

KAAP flexruimten Foto: Innovatiepunt KAAP
‘‘Als er een onderdeel in het energieconcept wegvalt, moet het concept wel kunnen blijven draaien’
’

fysiek hun innovatie ontwikkelen, testen en demonstreren op de drie transities (Energy, Food, Water). Daarnaast faciliteren we ook kennisoverdracht (2). We beschikken over een eventruimte met verschillende zalen en kleine workshopruimtes. Tot slot willen we verbinden (3). Samenwerken is evident maar vaak ook erg complex. Binnen het ecosysteem zijn er verschillende bloedgroepen (onderwijs, investeringsmaatschappijen, bedrijfsleven,…) waardoor verbinden een uitdaging kan zijn. Het is belangrijk deze partijen met elkaar en de markt in contact te brengen om de transities te kunnen versnellen. We ontwikkelen daarom een digitaal platform waarin partijen elkaar kunnen vinden en communities kunnen bouwen rond thema’s zoals artificiële intelligentie, dronetechnologie, duurzame energieopwekking enzovoort. Dankzij deze communities kunnen partijen elkaar sneller vinden”.

> Spreekuur. Daarnaast organiseert Menue ook een spreekuur waar innovators laagdrempelig van gedachten kunnen wisselen. Hij geeft een voorbeeld: “Een man met een gepatenteerde getijden-

energieoplossing had nooit een prototype van zijn vinding gemaakt en kwam op gesprek. Ik heb hem in contact gebracht met iemand van het MBO en HBO-onderwijs om te toetsen of er bij studenten interesse is in dit onderwerp. De investeringsmaatschappij is gecontacteerd om na te gaan of een haalbaarheidssubsidie kan worden aangevraagd en we hebben een vervolgmeeting ingepland om hem met potentiële samenwerkingspartijen te verbinden. Deze stappen kunnen ertoe leiden dat deze innovator samen met studenten hier in de Makerspace een prototype gaat bouwen”.

> Slim onbemand onderhoud. Dit is slechts één voorbeeld van een zaadje dat is geplant, maar er zijn veel meer projecten die al succesvol zijn gebleken. Fieldlab Zephyros van World Class Maintenance is zo’n voorbeeld. Het fieldlab richt zich op slim onderhoud van offshore windturbines met als doel om de menselijke onderhoudswerkzaamheden tot nul te reduceren (zero downtime & zero on-site maintenance). “In de KAAP is in een grote loods een nacelle – het hart van de turbine – en een aantal turbinebladen geplaatst >

Opening Proefkeuken Foto: Innovatiepunt KAAP

waar diverse maintenance technologieën zoals dronetechnologie uitvoerig kunnen worden getest. Vrij uniek is bijvoorbeeld dat een turbineblad is geplaatst op een hydraulische wagen waardoor deze naar wens onder de juiste hoek kan worden gepositioneerd. TU Eindhoven komt met droneprojecten naar onze locatie om testvluchten te maken waarbij ze gebruik maken van röntgentechnologie voor inspectiedoeleinden.

Het Fieldlab Zephyros living lab op de KAAP is uitgegroeid tot een offshore windinnovatiecentrum waar professionals, onderzoekers en studenten samenwerken, kennis delen en leren over smart maintenance binnen offshore renewable energy”. Ook naar recycling wordt gekeken. “Wanneer turbinebladen aan het einde van hun levensduur zijn, is het ideale scenario deze al tijdens het transport per schip richting land te demonteren. Kortom, Innovatiepunt KAAP is de geschikte uitvalsbasis om een en ander te testen”.

> Intelligent Energy Solutions (K.I.E.S). Nog een interessant project is K.I.E.S dat zich richt op de ontwikkeling van het Living Lab Energy. “De energietransitie brengt met zich mee dat er op diverse plekken netcongestie ontstaat. Daar zoeken we met het project K.I.E.S oplossingen voor waarbij we Innovatiepunt KAAP als uitgangspunt nemen. We hebben een maximaal gecontracteerd vermogen, maar tegelijkertijd vinden er veel activiteiten plaats die veel energie vergen. Daarom is hier Hyer Power neergestreken. Ze zijn begonnen als start-up op de Green Village in Delft met een compacte waterstofinstallatie. In KAAP zijn ze aan het opschalen waarbij ze de waterstofinstallatie combineren met warmteopwekking waardoor ze met een warmtepomp en een afgiftesysteem de gebouwen van KAAP kunnen verwarmen. Wat in de Green Village klein begon, kunnen ze nu in een reële omgeving testen”.

> En, er is meer! In het K.I.E.S-project gebeurt nog veel meer. “Een fabrikant van modulaire windoplossingen met een verticale as levert energie aan KAAP terwijl we ook pv-panelen op het dak hebben geplaatst. Om de energiestromen in goede banen te leiden, wordt een diagnosetool ontwikkeld voor inzicht in het energiegebruik en wordt in het project ZEBRA Cap ESS software ontworpen

om de energie slim te verdelen. Ook kunnen bedrijven hun eigen energieprofiel simuleren met een digital twin en scenario’s testen met maquettes en praktijkopstellingen”. De gemeente Vlissingen en onderwijsinstellingen Scalda en HZ University of Applied Sciences werken eveneens mee aan het project. “Samen willen we opgedane kennis direct omzetten in de praktijk waardoor we de energietransitie kunnen versnellen en het netcongestieprobleem kunnen aanpakken”.

> Iedereen is welkom. We willen als KAAP een instituut worden waar ook mensen van buitenaf toegang toe hebben, legt Menue uit. “De Kenniswerf in Vlissingen is een klein gebied waar heel veel partijen elkaar vinden, maar in Zeeland zijn er nog veel meer decentrale plekken waar we ontwikkelen, testen en demonstreren”. Hij geeft een paar voorbeelden. “Onderzoek naar toekomstbestendige natuurinclusieve landbouw gebeurt in het project Strokenteelt in Middelburg. Het NIOZ (Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek) in Yerseke richt zich onder meer op zeewier en algen voor de voedsel- en vezelindustrie. Dit doen ze op labschaal maar KAAP zou de ideale plek zijn om door te ontwikkelen. Hetzelfde geldt voor projecten rond fermentatie op laboratoriumschaal die in het Joint Research Center Zeeland (JRCZ) in Middelburg plaatsvinden. Ook voor hen kunnen we wellicht een interessante partner zijn”.

KAAP wil ideeën en vindingen laten groeien en de keten erbij betrekken. Niet alleen Zeeuwse bedrijven zijn welkom. “We zijn bijvoorbeeld met Green Village in gesprek om na te gaan of meer bedrijven zoals Hyer Power hun projecten bij ons willen opschalen, maar ook andere start-ups uit heel Nederland zijn welkom. We dagen ondernemers en uitvinders met uitdagingen uit om met eigen ogen te komen kijken en te sparren hoe we een bijdrage kunnen leveren. We hebben immers een gezamenlijk doel: de transities versnellen. Door samen te werken kunnen we dit waarmaken”. <

AIRTuB: automatische inspectie van turbinebladen

Een van de projecten die in innovatiepunt KAAP plaatsvindt is het AIRTuB project dat zich richt op het autonoom kunnen inspecteren van windturbinebladen. Studenten van de HZ en Scalda ontwerpen hiervoor een robot die het inspectiewerk aan de windmolens goedkoper en efficiënter maakt. Ze willen dit realiseren met behulp van een drone die een crawler op het turbineblad dropt.

Op dit moment vindt de inspectie van windturbinebladen vaak plaats door minimaal twee inspecteurs die meerdere dagen nodig hebben om de windturbine te controleren. Ze moeten immers naar boven worden gehesen. Een robot zou deze taak in een half uur kunnen uitvoeren als deze met een drone meteen op de juiste plek op een turbineblad kan worden geplaatst.

Autonome robots in een situatie kunnen testen die de echte situatie zo veel mogelijk nabootst is cruciaal. Daarom is er een turbineblad met een gewicht van 2.500 kilogram gemaakt dat men kan transporteren. Werktuigbouwkunde studenten gingen hiermee aan de slag. De studenten hebben een bok ontworpen waardoor het turbineblad verticaal de lucht in kan én daarnaast ook kan roteren om de lengteas.

Onderhoud en Toekomstbestendig Beheer in Limburg Centraal

Met de vaststelling van het verstedelijkingsconcept voor Limburg Centraal is een belangrijke stap gezet in de toekomstbestendige ontwikkeling van de zes Limburgse stationssteden, waaronder Venlo, Weert, Roermond, Sittard-Geleen, Heerlen en Maastricht. Dit concept vormt een integrale basis voor de regionale visie tot 2040 en bepaalt niet alleen waar nieuwe woningen, werkgelegenheid en voorzieningen komen, maar zorgt er ook voor dat bij de uitvoering continu aandacht is voor Beheer en Onderhoud van de infrastructuur, openbare ruimte en klimaatadaptieve maatregelen. Het concept biedt richting en afstemming voor grote ruimtelijke vraagstukken zodat betrokken overheden en maatschappelijke partners connecten en weten waarop ze kunnen rekenen en hun eigen besluiten hier effectief op kunnen onderhouden en afstemmen in hun beleid.

Richting en uitvoering van onderhoud in verstedelijking

Een essentieel onderdeel van het verstedelijkingsconcept is de vertaling van deze koers naar concrete acties: wie draagt zorg voor het onderhoud van welke voorzieningen, wanneer en met welke middelen. De komende fase draait daarom om het ontwikkelen van een verstedelijkingsstrategie, waarin de ambities van het concept worden vertaald naar een gedetailleerd tijdpad, rolverdeling tus-

sen partners en afspraken over Beheer en Onderhoud van de fysieke omgeving. Deze strategie krijgt vorm door in connectie samen te werken met het Rijk, gemeenten, waterschap en netbeheerder Enexis, waarbij financiële, juridische en organisatorische instrumenten worden ingezet om de uitvoering en het onderhoud van toekomstige stedelijke investeringen te borgen.

Eind 2025 hebben Provinciale Staten al een bedrag van 50 miljoen euro gereserveerd om deze verstedelijkingsopgave én het daarop volgende beheer van stedelijke structuren mogelijk te maken. Voor de zes stationsgebieden zijn daarnaast businesscases uitgewerkt die niet alleen de plannen concretiseren, maar ook inzicht geven in de middelen die nodig zijn voor duurzaam onderhoud van infrastructuur, klimaatadaptieve maatregelen en publieke voorzieningen.

De komende maanden wordt het verstedelijkingsconcept verder uitgewerkt tot een definitieve strategie die in juni 2026 tijdens het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving wordt besproken. Daarna volgt de uitrol van concrete projecten met integraal onderhoudsplan, zodat Limburg Centraal niet alleen plannen maakt, maar deze duurzaam kan beheren en onderhouden voor de lange termijn. <

Nieuwe impuls voor sport en samenwerking op Zernike Campus

De Rijksuniversiteit Groningen, de Hanzehogeschool Groningen, studentensportorganisatie ACLO en bouwpartners Hegeman en BAM hebben officieel hun samenwerking bekrachtigd voor de realisatie van een nieuw sportcentrum op de Zernike Campus. Met het ondertekenen van de overeenkomst is een belangrijke stap gezet richting een toekomstbestendige sportvoorziening voor studenten en medewerkers.

Het nieuwe sportcentrum vervangt de huidige verouderde faciliteiten en moet uitgroeien tot een moderne, duurzame en multifunctionele ontmoetingsplek waar sport, beweging en welzijn centraal staan. De betrokken partijen benadrukken dat het gebouw niet alleen ruimte biedt aan een breed scala aan sportactiviteiten, maar ook bijdraagt aan connectie en vitaliteit binnen de campusgemeenschap. Daarmee wordt het sportcentrum meer dan een plek om te trainen: het wordt een centrale hub waar onderwijs, sport en ontmoeting samenkomen.

De bouw start zodra de ontwerpfase is afgerond en de voorbereidingen op het terrein zijn voltooid. Als alles volgens planning

verloopt, kunnen gebruikers het nieuwe complex in 2028 betreden. In de komende periode wordt het ontwerp verder uitgewerkt, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor duurzaamheid, functionaliteit en toekomstgericht gebruik.

Tijdens de officiële startbijeenkomst spraken vertegenwoordigers van de onderwijsinstellingen en bouwpartners hun vertrouwen uit in de samenwerking. Zij onderstreepten het gezamenlijke belang van kwalitatief hoogwaardige sportvoorzieningen voor het welzijn en de prestaties van studenten en medewerkers. Ook vanuit de sportverenigingen klinkt enthousiasme over de verbeterde mogelijkheden die het nieuwe centrum zal bieden.

Met dit project investeren de betrokken partijen niet alleen in een gebouw, maar in een gezonde en levendige campusomgeving waarin sport een verbindende en versterkende rol speelt. <

De kracht van verbonden inzichten

Wie verantwoordelijk is voor een industriële installatie op een productielocatie heeft meestal directe toegang tot mensen, onderdelen en technische ondersteuning.

Op zee ligt dat anders. Daar moeten assets onder alle omstandigheden blijven presteren, vaak ver verwijderd van de dichtstbijzijnde haven of specialist. Juist daarom speelt betrouwbaarheid in de maritieme sector een bijzondere rol.

Voor Anthony Veder, specialist in het vervoer van LNG, LPG, ethyleen en andere petrochemische gassen, staat die betrouwbaarheid dagelijks centraal. De Rotterdamse rederij opereert wereldwijd met een vloot van gespecialiseerde gastankers en vervoert producten waarvoor veiligheid, beschikbaarheid en temperatuurbeheersing essentieel zijn. Het correct functioneren van kritieke installaties is daarbij geen doel op zich, maar een voorwaarde voor een veilige en betrouwbare operatie.

> Inzicht in prestaties. Een van de systemen die daarin een sleutelrol speelt, is het cargoplantsysteem. Dit systeem zorgt ervoor dat vloeibare gassen tijdens transport onder de juiste omstandigheden blijven. Compressoren, ladingpompen en andere roterende installaties vormen het hart van dit proces. Wanneer deze assets optimaal presteren, ondersteunt dat niet alleen de veiligheid aan boord, maar ook de continuïteit van de dienstverlening. Zoals veel assetintensieve organisaties, kijkt Anthony Veder voortdurend naar manieren om meer inzicht te verkrijgen in de prestaties van kritieke installaties. Niet vanuit een probleemstelling, maar vanuit de ambitie om betrouwbaarheid verder te versterken en onderhoudsbeslissingen steeds beter te onderbouwen.

> Grip op prestaties. Daaruit ontstond een samenwerking met I-care. Het uitgangspunt was eenvoudig: hoe kan aanvullende informatie over de conditie van installaties bijdragen aan een beter begrip van assetprestaties gedurende hun volledige levenscyclus?

Daarbij werd de operationele kennis van Anthony Veder gecombineerd met expertise op het gebied van betrouwbaarheid, trillingsanalyse en conditiebewaking. De uitdaging lag niet alleen in het verzamelen van gegevens. De vloot bestaat uit schepen met installaties van verschillende fabrikanten, elk met hun eigen kenmerken en onderhoudsbehoeften. Om prestaties op een consistente manier te kunnen beoordelen, was meer nodig dan afzonderlijke metingen of losse rapportages.

De samenwerking begon daarom met een pilot op één schip. Door prestaties van geselecteerde installaties te volgen en analyseren ontstond een beter beeld van hun gedrag in de praktijk. Niet alleen de actuele conditie werd zichtbaar, maar ook de ontwikkeling daarvan in de tijd. Daarmee ontstond de mogelijkheid om trends te herkennen en veranderingen in prestaties eerder te signaleren. Het succes van deze eerste stap leidde tot een bredere toepassing binnen de vloot. Naarmate meer gegevens beschikbaar kwamen,

Foto: Anthony Veder

‘ ’ ‘Op zee draait betrouwbaarheid niet alleen om onderhoud, maar vooral om inzicht’

ontstond een steeds completer beeld van de prestaties van kritieke assets. Hierdoor werd het mogelijk om niet alleen afzonderlijke installaties beter te begrijpen, maar ook verbanden te leggen tussen prestaties, onderhoud en beschikbaarheid.

Anthony Veder is een Rotterdamse rederij gespecialiseerd in het vervoer van LNG, LPG, ethyleen en andere petrochemische gassen. Het bedrijf beschikt over een vloot van 28 gespecialiseerde gastankers en verzorgt daarnaast technische en commerciële scheepsmanagementdiensten. Met meer dan 1.000 medewerkers wereldwijd richt Anthony Veder zich op veilige, betrouwbare en flexibele transportoplossingen voor de internationale energie- en petrochemische sector.

> Van reageren naar begrijpen. Die ontwikkeling past binnen een bredere beweging die zichtbaar is binnen Asset Management. Organisaties beschikken vandaag over meer data dan ooit tevoren. De uitdaging verschuift daardoor van het verzamelen van informatie naar het creëren van inzicht. Een afzonderlijke meting levert waardevolle informatie op, maar pas wanneer gegevens over langere tijd worden bekeken ontstaat een volledig beeld van prestaties en betrouwbaarheid. Voor onderhouds- en reliabilityteams biedt dat belangrijke voordelen. Veranderingen in assetgedrag worden beter zichtbaar en onderhoudsbeslissingen kunnen worden gebaseerd op een bredere context. Daarmee verschuift de aandacht van het reageren op gebeurtenissen naar het begrijpen van ontwikkelingen.

> Meer dan technologie. Minstens zo belangrijk is dat informatie toegankelijk wordt voor verschillende disciplines binnen de organisatie. Operators, technische diensten, onderhoudsplanners en reliability engineers kijken ieder vanuit hun eigen expertise naar dezelfde assets. Wanneer zij beschikken over gedeelde inzichten ontstaat een sterkere basis voor samenwerking en besluitvorming. Juist daar wordt zichtbaar dat modern Asset Management meer is dan technologie alleen. Sensoren, meetapparatuur en dashboards leveren waardevolle informatie, maar uiteindelijk zijn het mensen die deze gegevens interpreteren en vertalen naar concrete acties. De combinatie van technische expertise, praktijkervaring en data vormt de basis voor betere beslissingen.

> Verbinding creëert betrouwbaarheid. Voor Anthony Veder draagt deze benadering bij aan een steeds beter begrip van de prestaties van kritieke installaties binnen de vloot. De inzichten ondersteunen onderhoudsbeslissingen, betrouwbaarheidsmanagement en de beschikbaarheid van assets op lange termijn. Daarmee ontstaat niet alleen meer kennis over afzonderlijke installaties, maar ook een beter begrip van de factoren die bijdragen aan een betrouwbare operatie.

De ervaring laat zien dat toekomstbestendig Asset Management steeds vaker draait om verbinding. Verbinding tussen assets en data, tussen techniek en operatie, en vooral tussen mensen die vanuit verschillende disciplines samenwerken aan hetzelfde doel. In een sector waar veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid centraal staan, blijkt juist die samenhang van onschatbare waarde. Niet alleen op de wal, maar zeker ook op zee. <

Foto: Anthony Veder

Veiligheid moet net zo verbonden zijn als de industrie zelf

De industrie digitaliseert in hoog tempo. Machines communiceren met systemen, sensoren leveren continu data en operators werken steeds vaker samen met robots. Die ontwikkeling, vaak aangeduid als Industrie 5.0, maakt productie efficiënter en flexibeler. Maar het stelt ook nieuwe eisen aan veiligheid.

Volgens machineveiligheidsexpert Jan Jaap Hoogerkamp vraagt een verbonden industrie om een nieuwe manier van denken over veilig werken. “Machines staan niet meer op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een digitaal ecosysteem van assets, data en mensen. Veiligheid moet daarin meebewegen”.

> De fabriek als verbonden systeem. In moderne productieomgevingen zijn installaties steeds vaker uitgerust met sensoren die continu data verzamelen over temperatuur, trillingen of belasting. Die informatie wordt gebruikt voor condition monitoring en predictive maintenance. Volgens Hoogerkamp biedt dat grote voordelen voor Asset Management. “Door realtime inzicht in de conditie van assets kun je onderhoud beter plannen en storingen eerder voorkomen. Dat maakt installaties niet alleen efficiënter, maar ook veiliger”.

Tegelijkertijd verandert daardoor het karakter van industriële veiligheid. Waar machines vroeger relatief zelfstandig opereerden, zijn ze nu onderdeel van een netwerk van software, data en andere installaties. “Dat betekent dat veiligheid niet meer alleen over één machine gaat,” zegt Hoogerkamp. “Het gaat over het hele systeem waarin die machine functioneert”.

> Nieuwe technologie, nieuwe risico’s. Die verbondenheid brengt namelijk ook nieuwe risico’s met zich mee. Operators werken steeds vaker samen met robots en geautomatiseerde systemen. Tegelijkertijd worden productielijnen gekoppeld aan IT-netwerken en

soms zelfs aan cloudplatforms. Volgens Hoogerkamp vraagt dat om een bredere kijk op veiligheid. “Het gaat niet alleen om fysieke veiligheid, maar ook om digitale weerbaarheid”. Cybersecurity speelt daardoor steeds vaker een rol in industriële veiligheid. Wanneer machines verbonden zijn met netwerken, kunnen storingen of digitale aanvallen immers direct invloed hebben op productieprocessen. “Daar komt bij dat interactie tussen mens en machine intensiever wordt. Robots werken naast operators en onderhoudsteams werken met steeds complexere installaties”, aldus de machineveiligheidsexpert. “Veel incidenten ontstaan nog steeds tijdens onderhoud of tijdens interactie tussen mens en machine. Juist daar is het belangrijk dat veiligheid al in het ontwerp van installaties wordt meegenomen”.

> Van machineveiligheid naar systeemveiligheid. Traditioneel richtten veiligheidsmaatregelen zich vooral op afzonderlijke machines. Denk aan fysieke afscherming, noodstopknoppen of lockout-tag-outprocedures tijdens onderhoud. Die maatregelen blijven belangrijk, maar volgens Hoogerkamp is dat niet meer voldoende in een verbonden industrie. Hoogerkamp; “Machines bestaan tegenwoordig uit een combinatie van mechanica, software en data. Daardoor moet veiligheid ook op systeemniveau worden georganiseerd”. Nieuwe Europese regelgeving sluit daarbij aan. De komende Machineverordening stelt strengere eisen aan onder andere software, cybersecurity en toepassingen van kunstmatige intelligentie in machines. “Dat laat zien dat veiligheid niet langer alleen mechanisch is. Digitale systemen maken inmiddels net zo goed onderdeel uit van de veiligheidsketen”.

Controle pijpsysteem van hydraulische slang kleppen Foto: NVDO

Machineverordening (EU 2023/1230)

Vanaf 20 januari 2027 is de nieuwe volledig van toepassing. Deze bevat veiligheids- en gezondheidseisen waaraan producten moeten voldoen en vervangt na een overgangsperiode de huidige Machinerichtlijn. De verordening bevat nieuwe eisen voor onder andere machine learning, cybersecurity en software.

> Data als hulpmiddel voor veiligheid. Tegelijkertijd biedt digitalisering juist ook nieuwe mogelijkheden om veiligheid te verbeteren. Sensoren en dataplatforms maken het mogelijk om risico’s eerder te signaleren. Door afwijkingen in trillingen, temperatuur of belasting te monitoren, kunnen onderhoudsteams ingrijpen voordat een storing of incident ontstaat. “Voor asset managers betekent dat dat veiligheid steeds meer datagedreven wordt. Met condition monitoring en predictive maintenance kun je risico’s eerder herkennen”, zegt Hoogerkamp. “Je kunt problemen oplossen voordat ze leiden tot stilstand of ongevallen”. Volgens hem sluit die ontwikkeling goed aan bij modern Asset Management. “Asset Management gaat over het optimaliseren van prestaties, risico’s en kosten over de levenscyclus van assets. Veiligheid hoort daar vanzelfsprekend bij”.

‘‘Waar vroeger fysieke bescherming centraal stond, spelen nu ook data, sensoren en cybersecurity een grote rol’
’

> Samenwerken in een connected omgeving Een verbonden industrie vraagt ook om een andere manier van samenwerken. Veiligheid kan niet langer door één discipline worden bewaakt. Operators, asset managers, IT-specialisten en veiligheidskundigen werken allemaal met dezelfde installaties en data. “Asset Management, operations en IT groeien steeds meer naar elkaar toe,” zegt Hoogerkamp. “Iedereen werkt met dezelfde systemen en informatie.” Ook in de keten wordt samenwerking belangrijker. Leveranciers, systeemintegrators en onderhoudspartners spelen allemaal een rol in de veiligheid van installaties. “Als assets steeds sterker verbonden zijn, geldt dat ook voor de organisaties die ermee werken”.

> Connected safety. Volgens Hoogerkamp staat de industrie daarom aan de vooravond van een nieuwe fase in veiligheid. “Waar vroeger fysieke bescherming centraal stond, spelen nu ook data, sensoren en cybersecurity een grote rol. Veiligheid wordt daarmee steeds meer een integraal onderdeel van het ontwerp, beheer en de digitalisering van assets. In een verbonden industrie moet veiligheid net zo verbonden zijn als de systemen zelf,” zegt hij. “Dat betekent dat je technologie, data en samenwerking combineert”. Voor asset managers ligt daar volgens hem een belangrijke kans. “Connected technologie geeft ons de mogelijkheid om veiligheid beter te begrijpen en beter te beheersen. Als we die informatie goed gebruiken, kunnen we installaties niet alleen efficiënter, maar ook aantoonbaar veiliger maken”. <

Jan Jaap Hoogerkamp

Waarom Asfaltkwaliteit en Onderhoud Bepalend zijn

voor Duurzame Wegen

Goede asfaltwegen ontstaan niet bij de eerste wals, maar al veel eerder in het proces. De gemeente Tilburg laat zien hoe een bewuste en kritische aanpak van kwaliteitscontrole vóór aanvang van de werkzaamheden cruciaal is om een duurzaam wegennet te realiseren. Dit begint bij een opdrachtgever die exact weet wat er gevraagd wordt en durft te toetsen of dat ook geleverd wordt.

Door al vóór het leggen van asfalt technische specificaties en mengsels te controleren en te laten goedkeuren, kan voorkomen worden dat structurele afwijkingen (zoals een te dunne tussenlaag of een verkeerde samenstelling van steenslag) achteraf de levensduur van de weg ondermijnen. Wat van bovenaf nog fraai zwart lijkt, kan op detailniveau al een risico vormen voor voortijdige slijtage.

Een degelijke kwaliteitsstrategie vraagt bovendien dat juist díe details worden gecontroleerd die niet met het blote oog zichtbaar zijn, zoals materiaalsamenstelling en dichtheid van de verhardingslagen. Internationale kwaliteitsrichtlijnen benadrukken dat dit soort procesgerichte aanpak, vanaf materiaalkeuze tot aan verwerking, essentieel is om consistente prestaties en structurele integriteit van asfaltconstructies te waarborgen.

> Kritisch beoordelen. “Als opdrachtgever moet je weten wat je uitvraagt én durven controleren of je dat ook echt krijgt”, vertelt Ben van de Ven, adviseur verharding bij de gemeente Tilburg. “Het is dan ook belangrijk dat je het product van de aannemer kritisch beoordeelt. Aan het begin, voordat het asfalt gelegd wordt, maar ook na het leggen. Anders laat je kansen liggen”. Zonder gedegen controle kunnen verschillende problemen ontstaan die een weg voortijdig doen bezwijken. Denk aan een tussenlaag die te dun wordt gelegd of een asfaltmengsel met een verkeerde samenstelling van steenslag: het zijn voorbeelden van afwijkingen die de sterkte van de asfaltlagen negatief beïnvloeden. “Die afwijkingen zijn met het blote oog niet te zien. Van bovenaf ziet het eruit als mooi zwart asfalt, terwijl de structurele integriteit wordt ondermijnd”. Met grote

gevolgen. “Deze afwijkingen kunnen de levensduur van het asfalt flink verkorten, waardoor een weg eerder vervangen moet worden en de kosten hoger uitvallen”.

> Waarom Onderhoud de levensduur van wegen verlengt. Na aanleg begint het echte werk pas: onderhoud. Asfalt, net als andere verhardingsmaterialen, veroudert door verkeer, klimaat en milieu-invloeden. Zonder tijdige zorg ontstaan kleine defecten die kunnen uitgroeien tot grote problemen, zoals scheuren of zelfs potholes. Cracks en andere kleine gebreken laten water in de ver-

Ringbaan Zuid Foto: Gemeente Tilburg
Ben van de Ven

keersstructuur doordringen, waardoor de onderlaag verzwakt. Dit vertraagt niet alleen de levensduur van de weg, maar kan ook leiden tot hogere kosten voor herstellend onderhoud of vervanging.

Regulier onderhoud helpt deze vervalcyclus te doorbreken. Door periodieke inspecties en gerichte maatregelen, zoals het opvullen van scheuren en het vernieuwen van slijtagestructuren, blijft de asfaltverharding functioneel en veilig voor weggebruikers. Onderzoek wijst uit dat een goede onderhoudscyclus aanzienlijke kostenbesparingen kan opleveren doordat dure vervangings-projecten worden uitgesteld en de levensduur van wegen effectief wordt verlengd.

> Meer kwaliteitsbewustzijn. Hoe werk je binnen jouw gemeente toe naar een betere kwaliteitscontrole van het wegennet?

Van de Ven geeft verschillende tips. “Het begint bij kwaliteitsbewustzijn. Je moet als opdrachtgever weten wat je uitvraagt, zodat je ook weet waar de aannemer zich aan moet houden”. Hij benadrukt dat dit al begint bij de aanbesteding. “Toets technische documenten niet alleen achteraf, wanneer het product er al ligt. Begin vooraf al met toetsen, voordat er geasfalteerd wordt. Zo weet je zeker dat je krijgt wat er in het contract staat en voorkom je dat er een product wordt geleverd dat de levensduur van de weg juist verkort”.

Beschikken over voldoende kennis van het product is dan ook essentieel. Ben heeft veel kennis opgedaan door cursussen over asfalt te volgen, zich in de materie en de vele projecten in Tilburg te verdiepen, en door kritische vragen te stellen aan aannemers. “Wanneer een aannemer bijvoorbeeld antwoord gaf op een gevonden afwijking van het asfalt in het rapport, vroeg ik naar het specifieke artikel uit de Standaard RAW Bepalingen van kennisplatform CROW. Daar heb

‘‘Je moet als opdrachtgever weten wat je uitvraagt, zodat je ook weet waar de aannemer zich aan moet houden’
’

ik veel van geleerd”. Van de Ven adviseert om een externe partij, zoals een ingenieursbureau, in te schakelen als je nog niet over voldoende kennis beschikt om rapporten of technische bladen te beoordelen. “Of raadpleeg een buurgemeente die verder is in het proces, om te polsen hoe zij het daar doen en kennis uit te wisselen”.

> Niet achterover leunen. Tot slot vertelt Van de Ven waar je morgen al mee kunt beginnen; “Neem een actieve houding aan als het gaat om kwaliteitscontrole. Wij vragen bijvoorbeeld actief de kwaliteitsrapportage op bij aannemers wanneer een deklaag is afgerond. Een aannemer is verplicht om zo’n rapport binnen zes weken aan te bieden, maar doet dit vaak pas wanneer hier expliciet om wordt gevraagd. Volgens de RAW-regels heb je daar recht op. Door hier actief naar te vragen, vergroot je ook nog eens het kwaliteitsbewustzijn bij de aannemer”. <

Asfaltonderhoud als Schakel in Connected Infrastructuur

Het thema Connected van deze VAMeditie benadrukt de kracht van verbindingen: tussen systemen, processen, data en mensen. In de context van asfalt en wegbeheer betekent ‘connected’ dat kennis over kwaliteit, monitoring en onderhoud niet geïsoleerd plaatsvindt, maar deel uitmaakt van een integraal netwerk van besluitvorming en uitvoering.

Connected onderhoud betekent dat informatie over asfaltkwaliteit van ontwerp tot uitvoering en verder naar beheer en herstel continu wordt gedeeld en benut. Door datagedreven inspecties, realtime monitoring en samenwerking tussen opdrachtgevers, aannemers, kenniscentra en beheerders ontstaat een infrastructuur die niet alleen technisch robuust is, maar ook duurzaam, kostenefficiënt en toekomstbestendig. Dit verbindt de fysieke weg met digitale processen en organisatorische besluitvorming, waardoor de weg – letterlijk en figuurlijk – langer mee kan gaan.

Deze aanpak sluit naadloos aan bij de kern van Connected: het benutten van informatie, samenwerking en innovatie om duurzame resultaten te bereiken: in dit geval een wegennet dat zowel vandaag als morgen functioneel, veilig en klimaatbewust is.

Foto: Google Maps

BRANDED CONTENT <

“Grootste uitdaging in asset management is niet de technologie”

Voorspelbaar en datagedreven onderhoud begint met samenhang

Een dashboard, sensor of systeem levert pas iets op als je assetdoelen, processen, organisatie en tools op elkaar aansluiten. Dáár begint beter asset management, stelt Stefan Hoffmanns van Gemba. Eerst richting bepalen, dan met technologie aan de slag.

Er gaan steeds meer data om in asset management. Onderhoudshistorie en werkorderdata worden aangevuld met sensordata, doordat IT en OT samenkomen. Dat maakt onderhoud voorspelbaarder en beter onderbouwd. Systemen zoals IBM MAS ondersteunen dit, onder meer met reliability centered maintenance en asset lifecycle management. “Klanten vragen ons om hulp bij die volgende stap in asset management”, zegt Hoffmanns.

Een dashboard lost geen dataprobleem op Die stap begint niet bij wat een systeem kan, maar bij wat jouw asset management nodig heeft. Neem een dashboard voor onderhouds-KPI’s. Dat kan er overtuigend uitzien, maar met verkeerde werkorderdata of onvolledige assetinformatie stuur je alsnog verkeerd. “Als het datafundament niet goed is, heeft een dashboard met een metertje totaal geen zin”, zegt Hoffmanns.

Groeimodel geeft houvast

Daarom ontwikkelde Gemba het Asset Management Groeimodel. Het laat zien waar jouw organisatie staat en welke ambitie past. Niet vanuit technologie, maar vanuit assetdoelen: beschikbaarheid, veiligheid, compliance, kostenbeheersing of beter onderbouwde investeringen.

Het model kijkt naar bouwstenen zoals datafundament, inzicht en sturing, asset management-inrichting en scenario’s. Per bouwsteen bepaal je wat nodig is op het gebied van strategie, processen, rollen, data en tooling. Zo maak je keuzes concreet: waar zit de urgentie, welke basis ontbreekt en welke investering kan wachten

“Het groeimodel helpt bepalen wat de volgende logische stap is, zodat je geen stappen overslaat”, zegt Hoffmanns. Niet alles hoeft tegelijk, maar elke stap moet bijdragen aan het assetdoel dat je wilt bereiken.

Wil je weten hoe Gemba jouw organisatie helpt bij datagedreven asset management?

Neem contact op met Johan Knook: j.knook@gemba.nl www.gemba.nl

Nieuwe gaswasser verbetert reiniging van afgassen

Ketjen heeft een nieuwe gaswasser in gebruik genomen bij de HPCfabriek. Met deze installatie worden de afgassen uit het productieproces extra gereinigd voordat ze naar de buitenlucht worden afgevoerd. De gaswasser is het afgelopen jaar gebouwd en is geplaatst aan de oostzijde van de fabriek. In de HPC-fabriek gebruikt Ketjen voor een beperkt aantal katalysatoren boorzuur. Tijdens het productieproces wordt dit vrijwel volledig omgezet in booroxide. Zowel boorzuur als booroxide zijn stoffen waarvan Ketjen de uitstoot zo laag mogelijk wil houden.

Normaal gesproken bestaat de uitstoot van deze stoffen uit vaste deeltjes. Deze vaste deeltjes werden al met filters uit de lucht verwijderd voordat de lucht wordt uitgestoten. Kleine resthoeveelheden gasvormig boor kunnen echter niet met een filter worden afgevangen.

Sinds vorig jaar geldt voor Ketjen een strengere norm voor de uitstoot van gasvormig boor. Om aan deze nieuwe norm te kunnen voldoen, is de productie van boorhoudende katalysatoren tijdelijk stilgelegd totdat de nieuwe gaswasser was geïnstalleerd. Met deze installatie kunnen nu ook de resterende sporen gasvormig boor uit de afgassen worden verwijderd.

Onderzoek naar effecten op de omgeving

Om te bepalen of de uitstoot van boor risico’s kan opleveren voor de omgeving, zijn berekeningen uitgevoerd. Daarbij is gekeken hoeveel boor in de omgeving terecht kan komen en hoe dit zich verhoudt tot de zogeheten MTR-waarde (Maximaal Toelaatbaar Risico). Deze waarde wordt vastgesteld door het RIVM en geeft aan welke concentratie van een stof in de lucht nog veilig is voor de gezondheid, zowel op korte als op lange termijn. Voor boor in de lucht ligt deze grens op ongeveer 49 microgram per kubieke meter.

De berekeningen zijn gemaakt op basis van de maximale uitstoot die volgens de vergunning is toegestaan en bij ongunstige omstandigheden. Daaruit blijkt dat de concentratie boor op de terreingrens van Ketjen ongeveer 240 keer lager ligt dan de MTR-waarde. In woongebieden verder van het terrein is de concentratie nog lager. Met deze berekeningen en open communicatie laat Ketjen zien dat het bedrijf zich verbonden voelt met de omgeving en verantwoordelijkheid neemt voor de impact van zijn activiteiten. Bovendien concludeert de omgevingsdienst dat de uitstoot van boorverbindingen door Ketjen geen gezondheidsrisico vormt voor de omgeving. Met de nieuwe gaswasser wordt de uitstoot bovendien verder verminderd. <

Van visualisatie naar besluitvorming: de groeiende rol van digital twins

Digital twins worden steeds vaker ingezet bij complexe ruimtelijke vraagstukken, maar de uitdaging ligt niet alleen in de technologie zelf. De echte meerwaarde ontstaat wanneer digitale modellen daadwerkelijk aansluiten op beleid en besluitvorming. In een onderzoek van Geonovum en de provincie Utrecht staat daarom de vraag centraal hoe data, technologie en beleidsprocessen beter met elkaar kunnen worden verbonden, zodat een digital twin uitgroeit van experimentele visualisatietool tot praktisch instrument voor overheden.

Een praktijkvoorbeeld uit de provincie Utrecht laat zien hoe zo’n digitale tweeling kan helpen bij gebiedsontwikkeling. In een 3D-omgeving worden verschillende factoren gecombineerd, zoals geluid, luchtkwaliteit, groen en hittestress. Daarmee kunnen beleidsmakers bijvoorbeeld zien wat de effecten van nieuwe bebouwing zijn op schaduw, temperatuur of mobiliteit. Door deze informatie samen te brengen ontstaat een integraler beeld van ruimtelijke keuzes, waardoor losse analyses minder nodig zijn en verschillende beleidsdoelen beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Een belangrijke uitdaging is de samenwerking tussen beleidsmakers en dataspecialisten. Zij werken vaak vanuit verschillende perspectieven en gebruiken andere begrippen. Om die werelden te verbin-

den, wordt gewerkt met zogenoemde beleidsbouwblokken en indicatoren die dienen als gezamenlijke taal. Zo wordt duidelijk welke informatie nodig is en welke functies een digital twin moet hebben om beleidsprocessen te ondersteunen.

Wet- en Regelgeving

Daarnaast is het belangrijk dat digital twins gebaseerd zijn op bestaande beleidsregels en wettelijke kaders. Transparantie over gebruikte data en uitgangspunten vergroot het vertrouwen in de resultaten. Ook helpt het om ruimtelijke vraagstukken integraal te benaderen, omdat thema’s zoals mobiliteit, energie en onderhoud vaak met elkaar samenhangen.

De ontwikkeling van digital twins staat nog niet stil. In plaats van één centraal model lijkt de toekomst te liggen in een netwerk van gekoppelde digitale tweelingen die informatie uit verschillende disciplines met elkaar verbinden. Tegelijk verschuift de aandacht steeds meer van experimenteren naar praktische toepassing. Door klein te beginnen met een concreet vraagstuk en samenwerking tussen beleidsmakers, data-experts en technici te stimuleren, kunnen digital twins stap voor stap uitgroeien tot een waardevol hulpmiddel in de dagelijkse praktijk van overheden. <

Foto: Nudus/Rijksvastgoedbedrijf

Ingrijpende

renovatie van een gebouw met unieke waarde

80.000 vierkante meter, een hoofdgebouw uit twee verschillende bouwperiodes, een keur aan gebruikers: dat is het Paleis van Justitie in Den Haag. Het is een in het oog springend gebouw binnen de portfolio van het Rijksvastgoedbedrijf voor het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).

Juist dat gebouw staat op de rol voor een ingrijpende ‘renovatieplus’. Het is een megaproject voor projectmanager Dagmar Spee, technisch manager Friso van der Steen en hun collega’s van het Rijksvastgoedbedrijf. En voor de partijen aan wie deze opdracht straks wordt verleend. “Het Paleis van Justitie is een van de gebouwen die we voor JenV aanpakken”, zegt Dagmar. “En een van

de meest complexe. Het hele project zal zo’n acht jaar in beslag nemen.” Friso; “Het gebouw zelf is complex en we hebben te maken met uiteenlopende gebruikers en hun eisen en wensen”.

In het ‘Paleis’ zijn rechtbank en gerechtshof gevestigd, daarom mag het ook Paleis van Justitie heten. Het gebouw in Den Haag huisvest ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Deze drie organisaties vallen onder de Rechtspraak. Daarnaast zitten het arrondissements-parket, het ressortparket, de rijksrecherche en het Parket-Generaal er, alle vier onderdeel van het Openbaar Ministerie. En in de toekomst worden er meerdere organisaties die horen bij het ministerie van JenV gehuisvest. Friso; “Het werk van al die gebruikers moet doorgaan tijdens de werkzaamheden. We kunnen ze niet tijdelijk ergens anders onderbrengen”.

> Jaren ‘70 en ‘90. Het Haagse Paleis van Justitie bestaat uit twee hoofdgebouwen: een uit de jaren ‘70 en een uit de jaren ‘90. Beide voldoen niet meer aan de standaarden van deze tijd. Friso; “Op het gebied van beveiliging en fysieke veiligheid bijvoorbeeld. Magistraten, verdachten, slachtoffers en nabestaanden, advocaten, publiek en pers kun je niet via eenzelfde ingang laten binnenkomen. In de genoemde jaren golden er andere veiligheidsstandaarden”.

Li: Friso van der Steen / Re: Dagmar Spee

> Niet het halve werk. De voorbereiding van de renovatie-plus is niet het halve werk, verre van. Maar wel cruciaal om een goed begin te kunnen maken. Het vergt veel inzet en inzicht van Dagmar, Friso en hun collega’s in het projectteam. Bij zo’n omvangrijk project kun je niet alles voorzien, flexibiliteit moet worden ingebouwd. Dagmar; “We denken vooraf zoveel mogelijk uit, inclusief de bouwfasering gedurende de uitvoering, om de overlast voor de gebruikers en omwonenden te minimaliseren. Dit verwerken we in een bestek, dat maken we samen met ons ontwerpconsortium: architectenbureaus NUDUS en HUB en ingenieurs- en adviesgroep Oosterhoff. Eind dit jaar ronden we het bestek af, daarna gaan de tekeningen en de documentatie naar de markt. Vanwege de omvang wordt het een Europese aanbesteding met voorselectie”.

> Paleispartners. Bij het uitwerken van het programma van eisen zijn vertegenwoordigers van alle gebruikers betrokken. Dagmar; “Onze ‘paleispartners’ zijn volledig aangehaakt, van voortraject tot en met realisatie. We komen jarenlang bij ze over de vloer, de invloed op hun primaire proces is groot. Met onze technische en bouwkundige expertise zorgen we dat we onze opdracht optimaal uitvoeren: de gebruikers voorzien van goede huisvesting, tijdens de bouwwerkzaamheden en na de oplevering”.

> Duurzaamheid en hergebruik. Friso; “Belangrijke speerpunten bij deze opdracht zijn maximale duurzaamheid en hergebruik van materialen. Het natuursteen dat op de hele gevel zit moet terugkomen, maar het is 30 en 50 jaar oud. Onze uitdaging is om dit bestaande materiaal te hergebruiken én te garanderen dat het aan de huidige eisen voldoet. Terwijl het materiaal verwijderd, bewerkt, opgeslagen en opnieuw aangebracht wordt. Hetzelfde geldt voor het glas. Met hergebruik daarvan is nog relatief weinig ervaring. Hoe doen we dat als we de veiligheid drastisch willen verbeteren?”

“Samen met een adviesteam testen we dit soort zaken overigens al. Dat geldt voor alles wat we bedenken op het gebied van duurzaamheid en hergebruik. We beginnen straks natuurlijk niet zomaar. Wat we kunnen beheersen, beheersen we. En als het niet beheersbaar blijkt, verzinnen we iets anders, in samenspraak met onze klant, eindgebruikers en uitvoeringspartners”.

> Integrale blik. De sleutel ligt in een integrale blik. Friso; “Je moet de technische haalbaarheid en de kosten afwegen tegen de

Foto: Nudus/Rijksvastgoedbedrijf

impact op de duurzaamheid”. Dagmar; “Dat betekent dat je de ambities op onderdelen soms bijstelt, als het geheel maar beantwoordt aan de doelstellingen. Bij zo’n omvangrijk project moet je flexibel zijn, dat vragen we straks ook van onze aannemer en uitvoerders”.

> Een enorme puzzel. De uitvoering van het traject start in januari 2028. De laatste fase moet beginnen in 2032. Friso en Dagmar kijken ernaar uit. Dagmar; “We leggen een enorme puzzel. Zo’n groot gebouw verbouwen zonder het helemaal buiten gebruik te stellen en zonder de gebruikers en omwonenden te veel te belasten is een heerlijke uitdaging. Bovendien: waar vind je zo’n pareltje van een gebouw?”

Friso; “Ik vind dit project extra mooi omdat ik interesse heb in rechtspraak. Het is leuk om voor die wereld te werken en hem beter te leren begrijpen. De unieke waarde van het gebouw telt voor mij ook. In mijn vorige baan heb ik aan bijzonder vastgoed over de hele wereld gewerkt, zoals een theater in Taiwan en het gebouw van De Nederlandsche Bank. Maar het vastgoed van het RVB is specialer. Bovendien hebben we bij het RVB geen commercieel belang, dat is echt anders werken”. Dagmar; “Hier besteden we belastinggeld aan maatschappelijk vastgoed en dat brengt extra verantwoordelijkheid met zich mee. Die rol invullen, samen met de fijne en kundige collega’s bij het RVB, is het allermooist”. <

‘Het gebouw zelf is een uitdaging,
als de uiteenlopende gebruikers en hun eisen en wensen’

Onzichtbaar risico: nanodeeltjes op de werkvloer

Wat zegt het RIVM over veiligheid en waarom dit ertoe doet voor Asset Management?

Nanotechnologie heeft in korte tijd zijn weg gevonden naar tal van toepassingen binnen Asset Management. Van beschermende coatings tot innovatieve materialen in installaties: nanodeeltjes zijn steeds vaker onderdeel van de fysieke infrastructuur.

Tegelijkertijd groeit de aandacht voor de vraag wat deze extreem kleine deeltjes betekenen voor de gezondheid van medewerkers. Het RIVM is daar duidelijk over; “Of nanomaterialen veilig zijn, kan nog niet volledig worden beantwoord”. Juist deze onzekerheid maakt het onderwerp relevant voor de praktijk.

> Klein maar potentieel gevaarlijk. De risico’s hangen nauw samen met de bijzondere eigenschappen van nanodeeltjes. Door hun geringe omvang kunnen ze zich anders gedragen dan grotere stoffen. Het RIVM wijst er bijvoorbeeld op dat deze deeltjes bij inademing diep in de longen terecht kunnen komen. Daarmee verschuift het risicoprofiel ten opzichte van traditionele materialen. Bovendien beschrijft het instituut dat nanodeeltjes zich mogelijk door het lichaam kunnen verplaatsen en “op andere plaatsen terechtkomen”, waarbij zelfs interacties met het afweersysteem niet worden uitgesloten.

> Nog niet alles is bekend. Wat het beeld verder complex maakt, is dat sommige nanomaterialen aantoonbaar schadelijk zijn, terwijl voor andere toepassingen nog weinig bekend is. Het RIVM stelt expliciet; “Van sommige nanomaterialen is bekend dat ze schadelijk kunnen zijn voor mens of milieu”. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat er een “gebrek aan data voor vrijwel alle aspecten van veiligheid” bestaat. Hierdoor ontstaat een spanningsveld tussen innovatie en voorzorg, waarin organisaties zelf verantwoordelijkheid moeten nemen.

Die verantwoordelijkheid wordt nog groter doordat nanodeeltjes zelden geïsoleerd voorkomen. In de praktijk gaat het vaak om combinaties van materialen binnen installaties of producten. Volgens het RIVM kunnen dergelijke mengsels zich anders gedragen dan verwacht en in sommige gevallen zelfs toxischer zijn. Het instituut signaleert dat effecten “sterker kunnen zijn dan verwacht, wat het lastig maakt om risico’s vooraf goed in te schatten”.

‘‘Veilig werken met nanodeeltjes vraagt om een Connected-aanpak waarin kennis, mensen en processen onlosmakelijk verbonden zijn’

’

> Kijk uit voor kleine gevaren. Voor medewerkers betekent dit dat blootstelling niet altijd zichtbaar of direct merkbaar is, terwijl de mogelijke effecten zich pas op langere termijn kunnen manifesteren. In werksituaties waar materialen worden bewerkt, onderhouden of verouderen, kunnen nanodeeltjes vrijkomen zonder dat dit direct wordt herkend. Het RIVM geeft aan dat het “niet met zekerheid te zeggen is of deze veilig zijn”, wat onderstreept dat voorzichtigheid geboden blijft.

> Nanodeeltjes opsporen tijdens Onderhoud. Voor de onderhoudssector ligt hier een duidelijke opgave. “Naast prestaties, kosten en betrouwbaarheid vraagt ook de gezondheidscomponent om aandacht, zeker wanneer onzekerheden een rol spelen. Het integreren van kennis over nanomaterialen in assetbeheer, het bewust omgaan met mogelijke blootstelling en het toepassen van het voorzorgsprincipe zijn daarbij essentieel”, aldus het RIVM.

Juist omdat de risico’s nog niet volledig te kwantificeren zijn, wordt professioneel risico-management des te belangrijker. Het RIVM adviseert daarbij om tijdens onderhouds-werkzaamheden eerst te beoordelen op mogelijke aanwezigheid van nanodeeltjes, bijvoorbeeld door materiaalbeschrijvingen en productinformatie te raadplegen en bij twijfel metingen te laten uitvoeren. Vervolgens moeten mogelijke blootstellingsroutes, zoals stofvorming bij slijpen of reinigen, worden geïnventariseerd, zodat passende maatregelen kunnen worden

genomen. Volgens het instituut kan het gebruik van afzuiging, ventilatie en persoonlijke beschermingsmiddelen helpen om de blootstelling te beperken, terwijl registratie van de aanwezige nanomaterialen en documentatie van onderhoudsactiviteiten bijdraagt aan structureel risicobeheer. Op deze manier wordt een systematische benadering mogelijk waarbij het RIVM benadrukt dat zowel preventieve maatregelen als continue monitoring cruciaal zijn om de gezondheid van medewerkers te beschermen, zelfs wanneer de exacte effecten van nanodeeltjes nog niet volledig bekend zijn. <

Wet- en Regelgeving Nanomaterialen vallen binnen Europa onder de REACHverordening. Deze regelgeving verplicht producenten en gebruikers om stoffen, inclusief nanovormen, te registreren en te beoordelen op risico’s voor mens en milieu. Voor werkgevers betekent dit dat zij verantwoordelijkheid dragen voor een veilige werkomgeving, zoals vastgelegd in de Arbowet. In de praktijk wordt deze verantwoordelijkheid ondersteund door kennisinstituten zoals het RIVM, dat richting geeft aan de beoordeling van nieuwe en nog onvoldoende begrepen risico’s.

Foto: NVDO

Nieuwe asbestwetgeving per januari 2027

Per 1 januari 2027 treedt in Nederland een aangescherpte asbestwetgeving in werking, voortvloeiend uit de Europese Richtlijn EU 2023/2668. Deze regelgeving is bedoeld om de blootstelling aan asbest voor werknemers aanzienlijk te verminderen en de risico’s in werk- en leefomgevingen beter te beheersen. Bedrijven krijgen hiermee zowel nieuwe verantwoordelijkheden als een duidelijke richtlijn om veilig te werken met asbesthoudende materialen.

De richtlijn 2023/2668 wijzigt richtlijn 2009/148 met betrekking tot de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk. Tom Berendsen, Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; “Helaas heeft Nederland deze richtlijn niet voor de implementatiedatum van eind vorig jaar kunnen omzetten. Dit komt doordat de omzetting naar nationale regelgeving een omvangrijk en complex traject is, waarbij het bestaande asbeststelsel ingrijpend wordt aangepast. Er zijn veel partijen die tijdens het werk met asbest in aanraking kunnen komen

waarvoor de situaties onderling enorm kunnen verschillen. Dit vergt een zorgvuldige afstemming met stakeholders. Daarnaast zijn er ook verschillende departementen betrokken bij de implementatie waardoor er interdepartementale afstemming vereist is. Bovendien kent de implementatie diverse uitvoeringsaspecten”.

> Bedrijven moeten aan de bak! Onder de nieuwe wetgeving worden de blootstellingsgrenzen voor asbest in de lucht verlaagd, wat betekent dat bedrijven zorgvuldig moeten controleren of de concentratie van asbestvezels in werkruimtes onder deze nieuwe grenswaarden blijft. Daarnaast wordt het meten van asbestvezels nauwkeuriger, waarbij methoden zoals elektronenmicroscopie verplicht kunnen worden. Dit zorgt ervoor dat zelfs kleine hoeveelheden asbest die eerder mogelijk over het hoofd werden gezien, tijdig worden opgespoord en aangepakt. De implementatie van deze meetmethoden vraagt van bedrijven een investering in kennis en apparatuur om te voldoen aan de nieuwe normen.

> Opleidings- en certificeringseisen. Een belangrijk onderdeel van de vernieuwde regelgeving zijn de aangescherpte opleidings- en certificeringseisen voor werknemers die direct met asbesthoudende materialen werken. Deze eisen zorgen ervoor dat iedereen die asbest verwijdert of behandelt, beschikt over de juiste

Foto: NVDO
Tom Berendsen Foto: Martijn Beekman

‘‘Nederland voldoet aan strenge asbestregelgeving die in lijn ligent met het beschermingsniveau dat de Richtlijn vereist: denk alleen al aan de verlaagde grenswaarde’

’

kennis en veiligheidsvaardigheden om blootstelling tot een minimum te beperken. Opleidingsprogramma’s worden strenger, en certificeringen moeten up-to-date zijn om in aanmerking te komen voor werkzaamheden aan asbesthoudende materialen.

> Vergunningenstelsel voor asbestsanering. Een van de meest ingrijpende veranderingen is de invoering van een vergunningenstelsel voor bedrijven die asbest verwijderen of verontreinigde grond saneren. Dit stelsel verplicht bedrijven om aan specifieke veiligheids- en kwaliteitscriteria te voldoen voordat zij werkzaamheden mogen uitvoeren. Berendsen; “Het vergunningenstelsel biedt toezicht en controle door de overheid, waardoor de uitvoering van saneringen professioneler en veiliger wordt. Bedrijven die geen vergunning hebben, mogen deze werkzaamheden vanaf 2027 niet meer uitvoeren, wat een aanzienlijke impact heeft op de sector. De omzetting van de richtlijn vindt plaats door middel van wijzigingen in de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit, de Arbeidsomstandigheden-regeling, het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving”.

> Wat dit betekent voor onderhoudswerken. Voor bedrijven die onderhoudswerken uitvoeren, zoals renovaties of renovatie van gebouwen die mogelijk asbesthoudende materialen bevatten, heeft de

nieuwe regelgeving directe gevolgen. Het betekent dat onderhoudswerkzaamheden vooraf grondig moeten worden geïnventariseerd om asbest aanwezig te identificeren. “Alleen goed opgeleide en gecertificeerde medewerkers mogen betrokken zijn bij de verwijdering en het gebruik van vergunninghoudende bedrijven wordt verplicht voor grotere saneringen. Dit heeft niet alleen invloed op planning en kosten, maar ook op de veiligheid van werknemers en omwonenden. Voor onderhoudswerken betekent dit een nauwe samenwerking tussen aannemers, specialisten en toezichthouders om te voldoen aan de wetgeving en tegelijkertijd veilige en efficiënte werkzaamheden te garanderen”.

> CONNECTED: slimme monitoring en datagedreven asbestbeheer. De nieuwe asbestwetgeving biedt niet alleen uitdagingen, maar ook kansen om onderhoudswerken te verbinden met het thema CONNECTED. Moderne Asset Managementsystemen kunnen namelijk een centrale rol spelen bij het monitoren van asbesthoudende materialen. Door gebouwen en installaties digitaal in kaart te brengen, kunnen bedrijven asbestinventarisaties, saneringsplanning en certificeringsstatussen realtime volgen.

Sensortechnologieën en IoT-oplossingen kunnen bijvoorbeeld worden ingezet om luchtconcentraties van asbestvezels continu te meten in werkruimtes, waardoor preventieve maatregelen direct kunnen worden genomen. Dit sluit naadloos aan bij het thema van deze VAM-editie: alle data van vergunningen, meetresultaten, opleidingsstatus en onderhoudsplanning wordt in één geïntegreerd systeem samengebracht, waardoor beslissingen sneller, veiliger en transparanter kunnen worden genomen. <

Digitale dashboards en Asset Managementplatforms helpen bij het koppelen van asbestveiligheid aan onderhoudsschema’s, zodat renovaties of vervangingswerkzaamheden automatisch rekening houden met de aanwezigheid van asbest. Zo wordt niet alleen de veiligheid verhoogd, maar ontstaat er een slim netwerk van verbonden informatie dat onderhoudswerken en asbestsanering naadloos integreert in het bredere Asset Managementproces.

Brandpreventie begint vóór rook en vlammen

In industriële omgevingen is brandveiligheid vaak ingericht op het moment dat er al rook, vlammen of hitteontwikkeling is. Rookmelders, vlamdetectoren, aspiratiesystemen en sprinklers vervullen daarin een cruciale rol. Toch ziet Gijs Roskam, directeureigenaar van Nieuwe Beveiliging, dat er in de industrie steeds meer behoefte ontstaat aan een stap daarvoor: detectie op basis van temperatuurontwikkeling. Niet pas reageren als het misgaat, maar eerder zien dat iets mis dreigt te gaan.

Nieuwe Beveiliging levert speciale thermische camera’s voor brandpreventie, onder meer aan de Van Ginkel Groep. Die samenwerking past in een bredere ontwikkeling binnen Onderhoud en Asset Management. Installaties worden complexer, bedrijfsprocessen afhankelijker van continuïteit en de risico’s rond batterijen, elektrisch materieel, biomassa en afvalstromen nemen toe. Juist in die context kan thermografie volgens Roskam het verschil maken. “Veel bestaande branddetectie is eigenlijk laat”, zegt hij. “Een rookmelder reageert als er rook is. Een vlamdetector reageert als er vlammen

zijn. Maar dan ben je vaak al een fase verder. Het zou veel mooier zijn als je een beginnende brandhaard in de kiem kunt smoren”.

> Eerste signaal. Thermische camera’s werken niet op zichtbaar licht, maar op infraroodstraling. Elk object straalt warmte uit. Een thermische camera vangt die straling op en vertaalt deze naar een beeld waarin temperatuurverschillen zichtbaar worden. Daardoor kan de techniek ook functioneren in het donker, bij rookontwikkeling of in situaties waarin visuele inspectie lastig is.

Het onderscheidende vermogen zit volgens Roskam vooral in de vroege signalering. “De camera’s die wij gebruiken, kunnen op zeventig tot tachtig meter afstand een temperatuurverschil van twee of drie graden zien op een vlakje van tien bij tien centimeter. Dat klinkt klein, maar zo’n temperatuurstijging kan wel de eerste aanwijzing zijn dat er iets misgaat”. Die informatie is vooral waardevol wanneer de camera niet alleen kijkt, maar ook meet, vergelijkt en alarmeert. Voor een klant wordt vooraf bepaald wat een normale bedrijfstemperatuur is voor een installatieonderdeel, opslaglocatie of processtap. Vervolgens kunnen grenswaarden worden ingesteld. Niet alleen absolute waarden, maar ook afwijkingen ten opzichte van de omgeving of een snelle temperatuurstijging in korte tijd.

> Maar, het is méér. Een thermische camera is volgens Roskam bovendien niet beperkt tot één meetpunt. “Als ik een camera ergens neerzet, kan ik binnen dat gebied meerdere objecten tegelijk in de gaten houden. Met één camera kunnen we bijvoorbeeld twintig objecten separaat monitoren”. Dat kunnen totaal verschillende objecten zijn, elk met een eigen temperatuurprofiel. Een pomp mag niet warmer worden dan tachtig graden. Een leiding daarnaast heeft een andere grenswaarde. Een stikstoftank moet juist koud blijven. De camera kan die zones afzonderlijk bewaken en per seconde meten. “Als je dat met conventionele sensoren wilt doen, moet je alles bedraden”, zegt Roskam. “En dan heb je nog steeds geen beeld. Met een thermische camera zie je zowel het temperatuurverloop als de locatie waar de afwijking ontstaat”.

> Continuïteit. Roskam benadrukt dat thermische camera’s geen wondermiddel zijn en ook geen vervanging voor alle bestaande brandbeveiliging. Wet- en regelgeving, verzekeraars en bedrijfsrisico’s vragen nog altijd om robuuste brandbestrijdingssystemen. Wel ziet hij een duidelijke verschuiving in de manier waarop bedrijven naar brandveiligheid kijken. “Er zal hopelijk meer nadruk komen te liggen op het voorkomen van incidenten dan op bestrijden”, zegt hij. “Maar je voorkomt niet alles. Daarom blijft brandbestrijding nodig. Alleen kun je met thermische camera’s wel heel veel eerder ingrijpen. Het gaat niet alleen om brand voorkomen, maar vooral om continuïteit”.

Voor onderhoudsorganisaties opent dat interessante mogelijkheden. Thermische camera’s kunnen worden ingezet als vast onderdeel van brandpreventie, maar ook als tijdelijke bewaking tijdens onderhoudsstops, storingen of werkzaamheden aan bestaande brandbeveiligingssystemen. Wanneer een installatie tijdelijk buiten bedrijf is, moet vaak op een andere manier toezicht worden georganiseerd. In de praktijk gebeurt dat regelmatig met brandwachten. “Een brandwacht kan kijken en ingrijpen, maar zo’n camera doet dat elke seconde, vierentwintig uur per dag”, zegt Roskam. “Dat is in veel gevallen efficiënter dan iemand die met een metertje rondloopt”.

MaintenanceNEXT

Op 20,21 en 22 april 2027 kan je zelf ervaren hoe zo’n camera werkt.

Bezoek Van Ginkel Groep in stand nummer 4.102

‘‘Thermische camera’s maken temperatuurstijging zichtbaar voordat een incident een brand wordt’
’

> Samenwerking met Van Ginkel Groep. De samenwerking met Van Ginkel Groep past volgens Roskam logisch in de ontwikkeling van brandveiligheid. Van Ginkel Groep is gespecialiseerd in brandbeveiliging en brandbestrijding. Nieuwe Beveiliging voegt daar een preventieve laag aan toe. Daarmee ontstaat een bredere propositie: niet alleen blussen of beheersen wanneer het misgaat, maar eerder signaleren dat een proces, installatie of opslaglocatie afwijkend gedrag vertoont. Roskam ziet thermische camera’s dan ook niet als nichetoepassing, maar als techniek die steeds normaler wordt in de industrie. “Ik verwacht dat thermische camera’s eigenlijk een standaard gaan worden”, zegt hij. “Juist omdat je zoveel eerder ziet wat er gebeurt”. <

CursusKalender

8/9 september:

Verkenning Asset Management!

Inclusief iAM-certificaat!

De training “Verkenning Asset Management” is ideaal voor professionals die grip willen krijgen op het volledige speelveld van Asset Management. Je leert niet alleen de basisbegrippen, maar ook hoe je strategische doelen, risico’s en besluit-vorming met elkaar verbindt. Door de combinatie van theorie, praktijkvoorbeelden / oefeningen en ontwikkel je direct toepasbare inzichten. Na afloop kun je kansen binnen je eigen organisatie herkennen en benutten. Deze training biedt daarmee een sterke fundering om asset management professioneel en toekomstgericht toe te passen.

Hoe kom je tot goed Asset Management?

• Groei en ontwikkeling van de organisatie

• Kennis en competenties

15,16,17 september:

De basiscursus Reliability Centered Maintenance 3 (RCM3) is ideaal voor professionals die Onderhoud slimmer en effectiever willen organiseren. Je leert hoe je risico’s van technische systemen systematisch analyseert en vertaalt naar de juiste onderhoudsstrategie. Daarbij krijg je inzicht in het kiezen van optimale onderhoudsvormen, het bepalen van intervallen en het onderbouwen van investeringen. NVDO biedt hiermee een praktische methode om betrouwbaarheid, veiligheid en kosten in balans te brengen. Na de training ben je beter in staat om gefundeerde beslissingen te nemen en asset management binnen je organisatie professioneel en toekomst-gericht in te richten.

Basiscursus RCM3

Kennis is onze kracht!

Inschrijven kan eenvoudig via de maintenance academy op www.nvdo.nl

17 september: Start de Leergang Vaardigheden voor Reliability & Maintenance Engineering (RME)

Ideaal voor professionals die een sleutelrol willen spelen in het verbeteren van Onderhoud en asset performance. Je ontwikkelt praktische vaardigheden in onder andere root cause analyse, predictive maintenance en lean maintenance, en leert deze direct toepassen in je eigen werkomgeving.

Daarnaast werk je aan persoonlijke effectiviteit en het begeleiden van verbetergroepen, waardoor je echt impact maakt binnen je organisatie. Door de combinatie van theorie, praktijkprojecten en coaching groei je uit tot een gestructureerde en slagvaardige verbeteraar die continu verbeteren weet te realiseren.

De leergang bestaat uit 8 modules die verspreid aan de orde komen verdeeld over 13 dagen. Je krijgt individuele begeleiding, inclusief online coaching.

1 oktober: the GAME

The Great Asset Management Experience is dé manier om als team in korte tijd grote stappen te maken in Asset Management. In een interactieve business simulatie ervaar je hoe keuzes rondom onderhoud, risico’s en investeringen direct invloed hebben op prestaties en waarde.

Door het ‘learning-by-doing’ principe ontwikkel je samen inzicht, samenwerking en besluitvaardigheid. Het competitieve element zorgt voor energie en betrokkenheid, terwijl je tegelijkertijd werkt aan concrete verbeterideeën voor je eigen organisatie.

Teams gaan naar huis met praktische handvatten én een gedeelde visie, waardoor ze effectiever samenwerken en betere resultaten behalen.

Van storingen naar strategie: Risk Based Maintenance in de praktijk

Bij een middelgrote producent van kant-en-klare maaltijden liep de productie tegen grenzen aan. Stilstanden van verpakkingslijnen zorgden voor leveringsproblemen en voedselveiligheidsrisico’s. “We waren vooral brandjes aan het blussen,” vertelt Maintenance Engineer Mark Jansen. “We hadden onderhoudsplannen, maar geen duidelijke koppeling met onze bedrijfsdoelstellingen”.

Het team startte met het expliciet maken van doelen: leverbetrouwbaarheid, voedselveiligheid en kostenefficiëntie. Vanuit daar werden risico’s gedefinieerd: wat gebeurt er als een kritische lijn stilvalt? Welke impact heeft dat op klant, product en kosten? Dit risicodenken vormt de kern van Risk Based Maintenance en helpt om prioriteiten te stellen.

Risicoanalyse met FMECA en risicomatrix Vervolgens werd een FMECA uitgevoerd op de belangrijkste installaties, waarbij storingen systematisch werden geanalyseerd op oorzaak, effect en detecteerbaarheid. De resultaten werden vertaald naar een risicomatrix met twee assen: kans van optreden en impact op veiligheid, voedselkwaliteit en productie.

In de praktijk betekende dit dat elke failure mode een score kreeg van 1 tot 5 op zowel kans als effect. Een uitval van de sealunit van de verpakkingslijn bleek bijvoorbeeld zeldzaam (score 2), maar met een zeer hoge impact op voedselveiligheid en stilstand (score 5). Dit leverde een risicoscore van 10 op, waardoor deze direct als kritisch werd aangemerkt. Minder kritische storingen, zoals sensordrift met beperkte impact, kwamen lager in de matrix terecht en kregen een eenvoudiger onderhoudsregime. “De matrix maakte ineens visueel waar onze echte risico’s zaten,” aldus Jansen. “Het hielp ons discussies objectief te voeren met productie en management”.

De training Risk Based Maintenance van de NVDO op 17/18 september a.s. helpt onderhoudsprofessionals om onderhoudsstrategieën te baseren op risico’s in plaats van aannames. Je leert bedrijfsdoelen vertalen naar risico’s en deze analyseren met methoden zoals FMECA en risicomatrixen. Daardoor kun je prioriteiten stellen op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid en kosten. De training is sterk praktijkgericht, met herkenbare industriële voorbeelden en direct toepasbare handvatten. Dit zorgt ervoor dat je onderhoudsconcepten kunt ontwikkelen die beter aansluiten op de organisatiebehoefte. Bovendien versterk je je positie richting management doordat je keuzes objectief kunt onderbouwen. Zo word je effectiever in het sturen op prestaties en waarde.

Onderhoudsconcept ontwikkelen en optimalisatie

Op basis van de analyse stelde het team een nieuw onderhoudsconcept op. Kritische onderdelen kregen condition based en preventief onderhoud, terwijl minder kritische assets juist minder aandacht kregen. Dit zorgde voor een betere balans tussen kosten en prestaties. Na implementatie werd het onderhoudsconcept continu bijgesteld. Veranderingen in productievolume, grondstoffen en regelgeving vroegen om regelmatige evaluatie. “We sturen nu op feiten in plaats van gevoel”, zegt Jansen.

Het resultaat

Binnen een jaar daalde het aantal storingen met 30% en verbeterde de leverbetrouwbaarheid aanzienlijk. Het team heeft nu grip op onderhoud én een sterk verhaal richting management. Risk Based Maintenance bleek niet alleen een methode, maar een manier van denken die direct waarde toevoegt aan de organisatie.

Fysiek

‘Power up your SAP chain’

Meer samenhang en rust in Service & Asset Management

Ontdek risico´s en verbeterkansen in jouw Service & Asset Management-keten.

Scan & meld je aan voor het Ideo event op 6 oktober.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
VAM3 Juli 2026 by NVDO - Issuu