Jaargang 28 - nr. 4 - December 2019
METEOROLOGICA
TOENEMENDE SNEEUWVAL IN HET NOORDPOOLGEBIED Uitgave van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Meteorologie
Climate Physics Master’s Programme at Utrecht University, The Netherlands This Master’s programme offers a unique combination of theoretical courses and practical training in all aspects of the climate system. Physics, dynamics and chemistry of the atmosphere, the oceans, the glaciers and ice sheets and their interaction are the core of this programme.
Our research fields: • Ocean Circulation and Climate • Physical Oceanography of the Coastal Zone • Atmospheric Dynamics and the Hydrological Cycle • Atmospheric Physics and Chemistry • Ice and Climate
More information: Utrecht University, The Netherlands Institute for Marine and Atmospheric Research
www.uu.nl/masters/climate
2
Meteorologica 4 - 2019
12
Inhoudsopgave 4
Discontinuïteit in de temperatuurmetingen in De Bilt
Tinus Pulles
8 Arctische neerslagvariabiliteit in vijf verschillende klimaten
25
Linda Bogerd, Joyce Mulder, Eveline van der Linden, Folmer Krikken,
Richard Bintanja
12 Tropische cyclonen Idai en Kenneth in Mozambique
Yorick de Wijs
16 Column – Tweemaal Richard: klimaatdebat II
27
Huug van den Dool
18 Weermuziek – Hoor de wind waait door de bomen
Harry Geurts
22 Harry Otten Prijs voor de vierde keer uitgereikt
Leo Kroon
24 De Jannen waarnaar toekomstige ‘code geel’ stormen zullen worden vernoemd
Van de hoofdredacteur De opwarming van de aarde houdt ons allemaal bezig, en in dit nummer van Meteorologica komt deze zorg in diverse artikelen en op verschillende manieren tot uiting. Dichtbij huis, in Nederland, is al jaren een discussie gaande over de meetreeks van De Bilt, en de inhomogeniteit daarvan, die het lastig maakt om langjarige trends te bepalen. Theo Brandsma heeft eerder enkele artikelen in Meteorologica gepubliceerd over de homogenisatie van deze temperatuurreeks om zodoende één consistente reeks te construeren waaruit we trends kunnen afleiden, met name in hittegolven. In zijn artikel op pagina 4 gebruikt Tinus Pulles een andere, volledig statistische methode om de reeks van De Bilt te homogeniseren. De bevindingen van dit onafhankelijke (van het KNMI) onderzoek bevestigen de resultaten van Theo Brandsma, sterker nog, de eerdere homogenisatie was wellicht zelfs iets te conservatief. Als we wat verder kijken, buiten Nederland, dan komt het Arctische gebied al snel in zicht. Waarom? Omdat de veranderingen samenhangend met de mondiale opwarming daar zo ongelofelijk snel gaan, en dus grote gevolgen zullen hebben. Het artikel van Linda Bogerd en mede-auteurs op pagina 8
laat zien dat Arctische opwarming zal leiden tot meer neerslag (sneeuw, maar ook regen) maar ook dat de jaar tot jaar variaties in Arctische neerslag sterk zullen toenemen. Omdat extremen samenhangen met veranderingen in het gemiddelde én in de variabiliteit zal dit grote gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld voor lokale bewoners en infrastructuur. Hele natte jaren zullen aanvankelijk tot meer sneeuwval leiden (met alle gevolgen van dien) maar later vooral tot meer regen, wat bijvoorbeeld de afsmelting van permafrost danig kan versnellen. Om de belasting van milieu en klimaat te verminderen is Meteorologica sinds 2018 ook in digitale vorm beschikbaar. NVBM-leden die de Meteorologica momenteel in papieren vorm ontvangen, maar deze toch liever alleen digitaal willen lezen, kunnen dit aanpassen op www.nvbm.nl. Log in bij “Mijn NVBM”, ga naar “mijn profiel”, en dan naar “Meteorologica” en stel uw voorkeur in. Digitale leden ontvangen het magazine dan vier keer per jaar in de mailbox. Alle nummers van Meteorologica zijn overigens online terug te vinden, op www.nvbm.nl/meteorologica/ recente-uitgaven/.
Henk de Bruin
25 Woestijndagen
Jos de Laat
26 In Memoriam Jon Wieringa
Gert Jan Steeneveld en mede-auteurs
27 Bespreking van Jan Buismans “Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen”, deel 7
Harry Geurts
28 Aankondiging NVBM excursie 14 februari 2020
Bestuur NVBM
30 Column – 10 years after
Gerard van der Schrier
31 NVBM Sponsors en Colofon
Advertenties 2 IMAU – Universiteit Utrecht 17 KNMI 21 Wittich en Visser 23 Wageningen Universiteit 29 Zenit 32 CaTeC
Voorkant Sneeuw op Arctisch zee-ijs ten noorden van Spitsbergen (82 °N) op 21 augustus 2019 (foto: R. Bintanja).
Meteorologica 4 - 2019
3
Discontinuïteit in de temperatuurmetingen in De Bilt Tinus Pulles Nu er nog weinig twijfelaars over zijn die de opwarming van het klimaat ter discussie stellen, worden er, vooral op sociale media, nog steeds twijfels gezaaid over de vraag of dat warmere klimaat in Nederland tot meer hittegolven leidt. Kortom, of hogere gemiddelden ook tot hogere extremen leiden. Hoewel dit op voorhand een logische gevolgtrekking lijkt, wordt vanuit klimaat-sceptische kant steeds weer gepoogd aan te tonen dat de meetgegevens, zoals gepubliceerd door het KNMI, dit niet zouden laten zien. De langst gemeten tijdreeks van temperatuur is die van De Bilt. In deze meetreeks doet zich echter een complicatie voor: de meetmethode en -locatie zijn in 1951 veranderd. Dit artikel presenteert een onafhankelijke analyse van de invloed van die veranderingen op de ruwe temperatuurmetingen. Achtergrond In 1951 heeft het KNMI de meetapparatuur te De Bilt verplaatst en vervangen (Brandsma, 2019). In de oude situatie werd de temperatuur gemeten in een zogenaamde Pagode, die in een enigszins door bomen en gebouwen afgeschermde omgeving stond, terwijl in de nieuwe situatie een zogenaamde Stephensonhut wordt gebruikt in een opener veld. Details hieromtrent zijn eerder beschreven door Brandsma (2019). Hierdoor zijn de metingen voor en na de omzetting niet direct vergelijkbaar en is een zogenaamde homogenisatie nodig (Brandsma, 2016). Vooral op internet blijft de discussie over de vraag of deze homogenisatie terecht en correct is uitgevoerd rondgaan (Dijkstra et al., 2019). We gebruiken in onze analyse daarom alleen de niet-gehomogeniseerde temperatuurwaarden, maar kijken wel afzonderlijk naar de periode vóór 1951 en die ná 1951. Het jaar 1951 zelf laten we buiten beschouwing omdat een deel van dat jaar
nog op de oude en een deel op de nieuwe manier werd gemeten. Bovendien werden de verplaatsing en de vervanging niet op hetzelfde moment gerealiseerd. Op deze manier kunnen we iets over de mogelijke discontinuïteit zeggen, zonder gebruik te maken van de KNMI-homogenisatie. Voor de leesbaarheid zullen we de twee perioden benoemen met het type meethut (Pagode of Stephensonhut). De twee perioden verschillen dus ook qua locatie van de meethut. Brandsma (2019) schat in dat beide veranderingen een ruwweg vergelijkbare invloed op de meetwaarden zouden hebben gehad. Gebruikte data zijn op 3 september 2019 gedownload van de website van KNMI. Van deze dataset zijn de in De Bilt (station 260) per etmaal de hoogste (TX) en laagste (TN) gemeten temperaturen gebruikt. Hoge temperaturen Om inzicht te krijgen in de vraag of de warmste dagen warmer worden, kunnen we op verschillende manieren naar de waar-
Figuur 1. De hoogste (TX), de op 2 na en de op 9 na hoogste (boven) en de laagste (TN), de op 2 en de op 9 na laagste (onder) gemeten temperaturen per etmaal in De Bilt. De blauwe metingen zijn verricht in de “oude” Pagode hut (1901-1950), de rode in de “nieuwe” Stephensonhut (1952-2018; data van het KNMI, gedownload op 3 september 2019). 4
Meteorologica 4 - 2019
voorkeur aan. Op een vergelijkbare manier kunnen we dus de veranderingen in de warmste dagen per jaar uitdrukken als de waarde waarboven bijvoorbeeld 1, 3 of 10 dagen in een jaar de etmaal-gemiddelde of gemeten maximale temperatuur is uitgekomen. Een vergelijkbare analyse kan natuurlijk ook worden uitgevoerd voor de laagste temperaturen per jaar. Het grote voordeel van deze analyse is dat voor elk jaar een datapunt wordt gegenereerd. Daarmee zijn er veel meer datapunten beschikbaar dan in het geval van het tellen van hittegolven. Een systematische verandering die in een bepaald jaar wordt doorgevoerd en die leidt tot een significante andere meetwaarde zou dan zichtbaar moeten worden in een discontinuïteit in de trendlijn. In dit artikel kiezen we daarom voor deze methodiek. In Figuur 1 worden in de linker kolom de lineaire regresFiguur 2. Uit de vergelijking van de regressies op de Pagode respectievelijk Stephensonhutten voor 1951 berekende waarden afgeleide ijkgrafiek. sies op de hoogste (boven) en laagste (onder) gemeten temperaturen per dag in elk jaar weergegeven. De middelste en rechterkolom geven de regressies voor de waarde die in resgenomen temperaturen kijken: je kunt het aantal dagen (of pectievelijk 3 en 10 dagen per jaar wordt over- dan wel onderuren) tellen dat de temperatuur boven een gekozen waarde uitschreden. Voor de hoogste gemeten temperatuur op elke dag komt of je kunt een temperatuur bepalen waarboven het kwik in een jaar zien we dat de regressielijnen van de Stephensonéén of een klein aantal keren per jaar uitkomt. Een voorbeeld hut-metingen niet goed aansluiten op die van de Pagode-mevan de eerste keuze is het tellen van het aantal hittegolven tingen. Voor de koudste metingen per dag van het jaar zien we per jaar. Het KNMI definieert een hittegolf als volgt: “een die discontinuïteit niet. Wel zien we bij die lage metingen een serie van minstens 5 zomerse dagen (maximum temperatuur verandering in de helling van de regressielijnen. Gegeven de boven 25 °C) waarvan er zeker 3 tropisch (maximum tempebijbehorende lage waarden van de R2 kan deze verandering ratuur boven 30 °C) zijn.” Een dergelijke officiële definitie is noodzakelijk om precies te weten wat je moet tellen, maar toevallig zijn. Bij de hoogste gemeten temperaturen zijn deze is ook iets anders dan wat de gemiddelde burger daaronder hellingen in beide meetopstellingen vergelijkbaar. zal verstaan, namelijk “een periode met zeer warm weer.” In Tabel 1 wordt deze analyse samengevat en aangevuld Omdat hittegolven betrekkelijk zeldzaam zijn, zijn zeer lange met respectievelijk de laagste maximum- en de hoogste minitijdreeksen nodig om statistisch significante veranderingen mumtemperaturen. In deze tabel wordt ook voor het ontbrewaar te nemen. kende jaar 1951 een verwachtingswaarde berekend uit beide In sterk variërende grootheden wordt qua statistiek de regressielijnen. In een homogene meetreeks zouden deze voorkeur gegeven aan de tweede optie. Een voorbeeld hiervan waarden gelijk moeten zijn. We berekenen immers uit twee zijn de concentraties luchtverontreiniging. Deze worden veeltijdreeksen een waarde die we voor dat jaar zouden hebben al vergeleken met luchtkwaliteitsnormen die zijn uitgedrukt moeten vinden als de meetopstelling niet was aangepast: in als hoge percentielen: de concentratie die in bijvoorbeeld 98 het ene geval voor de oude meetopstelling, in het andere voor of 95 procent van de waarnemingen in een jaar niet wordt de nieuwe. We zien verschillen tot ruim 3 °C voor de hoogste overschreden. De analyses van Figuur 1 sluiten bij deze gemeten waarden en nauwelijks verschillen voor de koudste waarnemingen in een jaar. We zien ook dat de hellingen van de regresPagode (1901-1950) Stephensonhut (1952-2018) sielijnen bij de Stephensonhut-periOp 3 dagen Op 10 dagen Op 3 dagen Op 10 dagen hoogste TX Hoogste Hoogste ode een sterkere opwarming laten overschreden overschreden overschreden overschreden zien dan die tijdens de Pagode. Voor 0.0466 0.0425 0.0375 0.0589 0.0454 0.0455 Helling (°C/jaar) -57.7 -51.8 -44.9 -85.4 -60.4 -63.1 Asafsnede (°C) de Pagode is zelfs een lichte daling 0.138 0.116 0.145 0.283 0.202 0.236 R2 in de maximum temperatuur te zien. 33.2 31.2 28.2 29.5 28.2 25.6 Voorspelde waarde in 1951 (°C) Aangezien er geen reden is om aan Op 3 dagen Op 10 dagen Op 3 dagen Op 10 dagen laagste TX Laagste Laagste te nemen dat het verband tussen onderschreden onderschreden onderschreden onderschreden temperatuur en tijd lineair is, kan Helling (°C/jaar) -0.0077 -0.0205 -0.0254 0.0397 0.0352 0.0406 Asafsnede (°C) 10.3 37.0 48.7 -82.4 -71.9 -80.2 dit erop wijzen dat de opwarming in R2 0.001 0.014 0.035 0.074 0.078 0.135 de latere periode (1952-2018) sterVoorspelde waarde in 1951 (°C) -4.8 -3.1 -0.9 -5.0 -3.2 -1.0 ker is dan in de vroegere periode. Op 3 dagen Op 10 dagen Op 3 dagen Op 10 dagen laagste TN Laagste Laagste Met andere woorden, dit zou beteonderschreden onderschreden onderschreden onderschreden kenen dat de opwarming, gemeten Helling (°C/jaar) -0.0203 -0.0187 -0.0332 0.0501 0.0465 0.0426 Asafsnede (°C) 27.2 26.2 57.2 -110.4 -101.3 -90.4 op de warmste en de koudste uren R2 0.005 0.006 0.029 0.067 0.074 0.101 van het jaar, steeds sneller gaat. Voorspelde waarde in 1951 (°C) -12.3 -10.3 -7.5 -12.6 -10.6 -7.4 De discontinuïteit op voornameOp 3 dagen Op 10 dagen Op 3 dagen Op 10 dagen hoogste TN Hoogste Hoogste lijk de warmste dagen laat zien dat overschreden overschreden overschreden overschreden Helling (°C/jaar) 0.0346 0.0283 0.0260 0.0326 0.0253 0.0215 de meetserie voor de periode 1901 Asafsnede (°C) -49.1 -38.1 -35.4 -46.5 -33.3 -27.3 tot 2019 niet homogeen is. Tegen 2 R 0.114 0.132 0.193 0.243 0.223 0.246 deze achtergrond heeft het KNMI Voorspelde waarde in 1951 (°C) 18.4 17.0 15.4 17.0 16.0 14.7 de zogenaamde homogenisatie uitTabel 1. Regressieanalyses op de hoogst en de laagste (TN) gemeten maximum (TX) en minimum (TN) temperaturen per 1. etmaal in De Bilt en de daaruit waarde voor 1951. Tabel Regressieanalyses op de geschatte hoogst en de laagste (TN) gemeten maximum (TX) en minimum gevoerd, om voor deze verschillen (TN) temperaturen per etmaal in De Bilt en de daaruit geschatte waarde voor 1951.
Statistische homogenisatie Uiteraard is vaker een homogenisatie noodzakelijk in lange tijdseries waar ergens in de loop van de tijd iets aan de meetopstelling of meetlocatie is veranderd. Er zijn daarvoor meerdere methoden beschikbaar, die evenwel meestal gebaseerd zijn op meerdere meetlocaties, waarbij de te verwachten samenhang tussen de metingen op die
Meteorologica 4 - 2019
5
nieuwe Stephensonhut. De verschillen zouden groter moeten zijn bij sterkere instraling op de bodem onder de meethut. Daarom ligt het voor de hand om bovenstaande statistische analyse uit te voeren voor de maximumtemperatuur, die (vrijwel) altijd overdag optreedt, én de minimumtemperatuur die (vrijwel) altijd ’s nachts optreedt. Daarmee wordt de directe invloed van het zonlicht merendeels geïsoleerd. Aldus zou de analyse van de minimumtemperatuur vooral de invloed van de verplaatsing kunnen weergeven, terwijl het effect op de maximumtemperatuur zowel de verplaatsing als de verandering in de meetopstelling zou reflecteren. De analyses, gepresenteerd in Tabel 1, kunnen als volgt worden uitgevoerd voor alle dagen in elk jaar. Wanneer we alle dagen in elk jaar sorteren van de hoogste maximumtemperatuur naar de laagste (of de minimumtemperatuur van laagste naar hoogste), krijgen we 365 reeksen waarop we een regressie kunnen uitvoeren voor de Pagode (1901-1950) en de Stephensonhut (1952-2018). Uit beide reeksen van 365 waarden kunnen we met de regressie de geschatte waarde van 1951 berekenen. Door aan te nemen dat die waarden gelijk aan elkaar behoren te zijn, kunnen we een ijkgrafiek construeren. Figuur 2 geeft het resultaat van deze procedure. In de figuur zijn Figuur 3. Vergelijking van de uit Figuur 2 afgeleide homogenisatie (onderste rij) met tevens de lineaire regressies op beide gepresenteerd. de ruwe data en de homogenisatie volgens KNMI. In beide homogenisaties zijn twee Bij de analyse van de etmaalmaxima zien we regressies getoond: een op de twee delen van de tijdreeks afzonderlijk en een op de dat naarmate dat dagmaximum (TX) hoger is de gehele gehomogeniseerde tijdreeks. schatting op basis van de Pagode metingen op de oude locatie tot wel 3 °C hogere waarden geeft dan de schatting op basis van de Stephensonhut op de nieuwe locatie. Het verschil stijgt significant met hogere te compenseren (KNMI, 2019). Onze resultaten, weergegeven temperaturen (R2 = 0.95). Bij de etmaalminima (TN) zien we in Tabel 1, laten zien dat homogenisatie alleen al op zuiver statistische gronden noodzakelijk is en dat de correcties groter ook een toename van het verschil naarmate die minimumtemzullen moeten zijn naarmate de temperatuur hoger is. peratuur hoger is. De afhankelijkheid van de temperatuur is echter ongeveer twee derde van de waarde bij de maximumStatistische homogenisatie temperatuur. Als bovenstaande interpretatie juist is, betekent Uiteraard is vaker een homogenisatie noodzakelijk in lange dit dat de verplaatsing ongeveer twee keer zo belangrijk is als tijdseries waar ergens in de loop van de tijd iets aan de de veranderde meethut. Ter vergelijking, Brandsma (2019) meetopstelling of meetlocatie is veranderd. Er zijn daarvoor schatte beide effecten ongeveer even groot. meerdere methoden beschikbaar, die evenwel meestal geba De grafieken laten ook fluctuaties tot ongeveer een halve seerd zijn op meerdere meetlocaties, waarbij de te verwachten graad Celsius zien rondom de regressielijnen. Deze schommesamenhang tussen de metingen op die verschillende locaties lingen kunnen worden gezien als een indicatie van de onzewordt gebruikt om de correctie te schatten (Domonkos, 2011; kerheden in deze statistische analyse. De afwijkingen lijken Klein Tank et al., 2002; Lindau en Venema, 2018, 2019; tevens een structuur te vertonen. Dit kan wellicht verklaard Vincent et al., 2002; Zhen en Zhong-Wei, 2009). Ook de toeworden doordat de maximum- en minimumtemperatuur op gepaste methode van het KNMI op de reeks in De Bilt maakt een bepaalde dag deels afhankelijk kan zijn van temperaturen voor de homogenisatie gebruik van een ander station (Eelde) op voorgaande dagen, enerzijds door de invloed van seizoe(Brandsma, 2016). In onze studie kijken we naar slechts één nen, maar ook door de persistentie van weersystemen. locatie, louter gebruik makend van statistiek. De bovenstaan Omdat we met deze analyse een vergelijking maken de analyse suggereert dat we een ijkgrafiek kunnen construvan wat de metingen van de per etmaal hoogste en de eren, gebruik makend van de twee op elkaar aansluitende laagste gemeten temperatuur in het hele jaar 1951 met de meetreeksen, die de oude metingen met de nieuwe in verband oude meethut op de oude locatie en wat die met de nieuwe kan brengen. Dit zou dan een homogenisatie-procedure zijn meethut op de nieuwe locatie zou zijn geweest, kunnen we dit die uitsluitend is gebaseerd is op een interpretatie van de beschouwen als een virtuele parallelmeting. Omdat de hoogste ruwe gegevens van beide meetopstellingen op slechts één gemeten waarde vrijwel altijd overdag zal vallen en de laagste locatie. Het is een soort gesimuleerde parallelmeting; fysieke waarde ’s nachts, is Figuur 2 in feite een ijkgrafiek voor zowel parallelmetingen zijn voor de locatie De Bilt niet of zeer overdag als ’s nachts. beperkt beschikbaar (Brandsma, 2019). Volgens deze interpretatie kunnen we dus concluderen Brandsma (2016) stelt dat de discontinuïteit in de meedat de Pagode op de oude locatie en de Stephensonhut op treeks veroorzaakt is door zowel de verplaatsing als de de nieuwe locatie ’s nachts ongeveer dezelfde temperatuur afscherming van warmtestraling vanaf de onderkant in de zullen meten, waarbij de Pagode in warmste nachten van het 6
Meteorologica 4 - 2019
jaar tot ongeveer 1 ± 0.5 °C hoger aangeeft. De Pagode meet overdag bij een temperatuur van 30 °C, zoals gemeten met de Stephensonhut, een 3.0 ± 0.5 °C hogere temperatuur; dit verschil wordt kleiner bij lagere temperaturen. De regressielijn in Figuur 2 kan worden gebruikt om de inhomogene tijdserie te homogeniseren, door de waarnemingen met de Pagode te verminderen met de overeenkomende waarde in de regressielijn. In Figuur 3 is dit uitgevoerd en wordt ter vergelijking ook de door het KNMI uitgevoerde homogenisatie weergegeven. Deze exercitie laat zien dat, zoals te verwachten uit Figuur 2, de KNMI-homogenisatie de statistisch waargenomen discontinuïteit niet helemaal corrigeert. Onze analyse doet dat wel, en de tijdserie na homogenisatie ziet er op het oog sterk verbeterd uit, met een vrij hoge R2 (0.41, rechtsonder in Figuur 3). Merk op dat deze covariantie aanmerkelijk hoger is dan voor de afzonderlijke delen van de tijdreeks (0.13 en 0.28, linksboven in Figuur 1). Discussie De analyses in dit artikel zijn gebaseerd op de oorspronkelijke ruwe temperatuurwaarnemingen, zoals gemeten in de periode 1901 tot en met eind augustus 2019 in De Bilt (KNMI). Gedurende deze periode is in de loop van 1951 de precieze locatie én de technische opstelling van de temperatuurmeting aangepast. Door deze aanpassingen is de meetreeks niet meer homogeen (Brandsma, 2016, 2019). Om voor deze inhomogeniteit te corrigeren, worden in dit artikel de metingen van vóór 1951 en die van ná 1951 apart geanalyseerd. Het jaar 1951 wordt om dezelfde reden buiten de analyses gehouden. Uit de verschillen tussen beide meetreeksen leiden we een homogenisatiemethode af die uitsluitend gebruik maakt van de ruwe metingen. Daarmee is deze analyse onafhankelijk van keuzes die het KNMI (Brandsma, 2016) heeft gemaakt om voor de inhomogeniteit te corrigeren. De temperaturen op de warmste dagen in De Bilt nemen zowel in de periode 1901-1950 (Pagode op de oude enigszins beschutte locatie) als in de periode 1952-2019 (Stephensonhut op de nieuwe locatie op meer open veld) geleidelijk toe. Ondanks de vrij grote fluctuaties van jaar tot jaar is deze stijging ook met het blote oog in de ruwe data zichtbaar. Op de warmste dagen in een jaar is met het blote oog duidelijk zichtbaar dat de metingen met de Stephensonhut niet aansluiten op die met de Pagode. Met de Stephensonhut worden bij temperaturen rond de 30 °C ongeveer 3 ± 0.5 °C lagere waarden gemeten. Dat verschil kan worden geïnterpreteerd als de homogenisatie die nodig is om de twee reeksen aan elkaar te koppelen. De analyse laat daarmee ook zien dat een temperatuur-afhankelijke compensatie voor de veranderingen aan de meetlocatie en methode noodzakelijk is om de gehele meetreeks te homogeniseren. Hoewel een directe vergelijking met de resultaten van Brandsma (2016) lastig is, lijkt de homogenisatie zoals door Brandsma voor De Bilt is afgeleid “voorzichtiger” dan met de in Figuur 2 verkregen resultaten. Onze methode gebruikt echter geen enkele meteorologische of andere voorkennis. De homogenisatie, zoals beschreven in Brandsma (2016) doet dat uiteraard wel. Een mogelijke reden waarom het KNMI tot een kleiner effect van de homogenisatie komt dan onze zuiver statistische analyse kan liggen in een mogelijke vertraging van de opwarming door de aerosol-luchtverontreiniging in West-Europa rond de jaren 1950 (Haustein et al., 2019). Ook Van Oldenborgh et al. (2009) concluderen dat luchtverontreiniging de zomertemperaturen
in Europa tussen 1950 en 1985 door de aanwezige aërosolen heeft getemperd. Wild et al. (2005) komen tot diezelfde conclusie en voegen daar op wereldschaal nog de effecten van de Tweede Wereldoorlog en de periodieke veranderingen in oceaanstromingen (El Niño) aan toe. In Figuur 3 is ter illustratie een 3e-orde polynoom door de KNMI-homogenisatie gelegd. Als er dus inderdaad een vertraging in de opwarming in het derde kwart van de 20e eeuw plaatsvond, kan dat met de KNMI-homogenisatie consistent zijn. Conclusies De hoogste waarden in de gemeten temperatuur te De Bilt nemen met de tijd significant toe. Dit is zichtbaar in de ruwe metingen zoals die door KNMI beschikbaar zijn gesteld. De hogere percentielen in de jaarlijkse reeksen lijken een goede parameter om dit zichtbaar te maken. De verplaatsing en de vervanging van de meetapparatuur in De Bilt in 1951 leidt tot een discontinuïteit in de temperatuurwaarnemingen. Deze discontinuïteit lijkt, op zuiver statistische gronden, zelfs groter dan die van de KNMI-homogenisatieprocedure. Onze analyse suggereert derhalve in eerste instantie dat het KNMI wellicht zelfs té voorzichtig heeft gehomogeniseerd. Er kunnen echter meteorologische of andere redenen zijn (luchtverontreiniging) die onze schatting voor de homogenisatie kunnen nuanceren. Vooralsnog lijkt er dus geen reden om de homogenisatie van Brandsma (2016) te wantrouwen. Literatuur
Brandsma, T. (2016). Homogenization of daily temperature data of the five principal stations in The Netherlands (version 1.0). De Bilt. Retrieved from http://bibliotheek.knmi.nl/ knmipubTR/TR356.pdf Brandsma, T. (2019). Pagodemetingen in De Bilt. Meterologica, 2019(1), 4–8. Dijkstra, F., Ruis, J., Vos, R. de, & Crok, M. (2019). Het Raadsel van de Verdwenen Hittegolven. Retrieved from https://clintel.nl/hittegolven-geschrapt/ Domonkos, P. (2011). Homogenising time series: beliefs, dogmas and facts. Advances in Science and Research, 6, 167–172. https://doi.org/10.5194/asr-6-167-2011 Haustein, K., Otto, F. E. L., Venema, V., Jacobs, P., Cowtan, K., Hausfather, Z., … Schurer, A. P. (2019). A Limited Role for Unforced Internal Variability in Twentieth-Century Warming. Journal of Climate, 32(16), 4893–4917. https://doi.org/10.1175/jcli-d-18-0555.1 Klein Tank, A. M. G., Wijngaard, J. B., Können, G. P., Böhm, R., Demarée, G., Gocheva, A., Petrovic, P. (2002). Daily dataset of 20th-century surface air temperature and precipitation series for the European Climate Assessment. International Journal of Climatology, 22(12), 1441–1453. https://doi.org/10.1002/joc.773 KNMI. (n.d.-a). Daggegevens van het weer in Nederland. Retrieved September 3, 2019, from http://projects.knmi.nl/klimatologie/daggegevens/selectie.cgi KNMI. (n.d.-b). Niet gehomogeniseerde temperatuurmetingen De Bilt. Retrieved September 3, 2019, from https://cdn.knmi.nl/knmi/map/page/klimatologie/gegevens/ daggegevens/temp_260.txt KNMI. (n.d.-c). Uitleg over Hittegolf. Retrieved October 21, 2019, from https://www. knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/hittegolf KNMI. (2019). Homogenisatie zorgt voor betrouwbare temperatuurreeksen. Retrieved August 22, 2019, from https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/homogenisatie-zorgt-voor-betrouwbare-temperatuurreeksen Lindau, R., Venema, V. (2018). On the reduction of trend errors by the ANOVA joint correction scheme used in homogenization of climate station records. International Journal of Climatology, 38(14), 5255–5271. https://doi.org/10.1002/joc.5728 Lindau, R., Venema, V. (2019). A new method to study inhomogeneities in climate records: Brownian motion or random deviations? International Journal of Climatology, (April), 1–15. https://doi.org/10.1002/joc.6105 Van Oldenborgh, G. J., Drijfhout, S., Van Ulden, A., Haarsma, R., Sterl, A., Severijns, C., … Dijkstra, H. (2009). Western Europe is warming much faster than expected. Climate of the Past, 5(1), 1–12. https://doi.org/10.5194/cp-5-1-2009 Vincent, L. A., Zhang, X., Bonsal, B. R., & Hogg, W. D. (2002). Homogenization of daily temperatures over Canada. Journal of Climate, 15(11), 1322–1334. https://doi.org/10.1 175/1520-0442(2002)015<1322:HODTOC>2.0.CO;2 Wild, M., Gilgen, H., Roesch, A., Ohmura, A., Long, C. N., Dutton, E. C., … Tsvetkov, A. (2005). From dimming to brightening: Decadal changes in solar radiation at earth’s surface. Science, 308(5723), 847–850. https://doi.org/10.1126/science.1103215 Zhen, L., Zhong-Wei, Y. (2009). Homogenized Daily Mean/Maximum/Minimum Temperature Series for China from 1960-2008. Atmospheric and Oceanic Science Letters, 2(4), 237–243. https://doi.org/10.1080/16742834.2009.11446802
Meteorologica 4 - 2019
7
Arctische neerslagvariabiliteit in vijf verschillende klimaten Linda Bogerd, Joyce Mulder, Eveline van der Linden, Folmer Krikken, Richard Bintanja (KNMI)
Klimaatverandering heeft niet alleen gevolgen voor de temperatuur op aarde, maar ook voor de neerslag omdat een warmere atmosfeer meer vocht kan ‘vasthouden’. Globaal wordt verwacht dat per graad temperatuurstijging de hoeveelheid neerslag met ~2% toeneemt (Held en Soden, 2006). Het Arctische gebied lijkt echter boven het gemiddelde te liggen met een stijging van maar liefst 4.5% per graad! Dit komt onder meer door het smelten van zee-ijs wat leidt tot een toename in verdamping en meer atmosferisch vocht (Bintanja en Selten, 2014). Daarbovenop is de gemiddelde temperatuurstijging in het Noordpoolgebied ook nog eens sterker dan de mondiale stijging, een fenomeen wat bekend staat als ‘Arctic Amplification’. Naast deze geleidelijke trends zijn er snelle schommelingen in Arctische neerslag. Deze natuurlijke schommelingen leiden tot een drogere of juist nattere periode dan normaal. Zulke schommelingen worden klimaatvariabiliteit genoemd, die zowel op korte tijdschalen (dag tot dag, jaar tot jaar) als op lange tijdschalen (decennia) kunnen plaatsvinden. Het is belangrijk om te onderzoeken of (en zo ja, hoe) de klimaatvariabiliteit verandert in een warmer klimaat, omdat variabiliteit kan worden geassocieerd met extremen zoals droogte. Omdat het Arctische gebied erg gevoelig is voor klimaatverandering en het nog onbekend is hoe in dit gebied de klimaatvariabiliteit zal veranderen, wordt in dit artikel gekeken naar neerslagvariabiliteit in het Arctische gebied in zowel warmere als koudere klimaten vergeleken met het huidige. Klimaatsimulaties Variabiliteit laat zich het beste bestuderen met behulp van observaties over een langere periode (van enkele honderden jaren). Omdat langjarige waarnemingen helaas nog niet beschikbaar zijn maken we hier gebruik van klimaatsimulaties van het EC-Earth model. Dit artikel is gebaseerd op vijf simulaties over 550 jaar met verschillende CO2-concentraties (hierbij is de CO2-concentratie vanaf het begin van de simulaties in één keer gewijzigd naar 0.25x, 0.5x, 1x, 2x en 4x de CO2-concentratie ten opzichte van het jaar 2000). Dit geeft ons de mogelijkheid om naast het huidige klimaat (1x CO2) ook te kijken naar twee koudere en twee warmere klimaten. Van deze 550-jaar simulaties bestuderen we alleen de laatste 400 jaar, omdat we dan kunnen aannemen dat de klimaten in “quasi-evenwicht” zijn. Om de klimaatvariabiliteit te bepalen maken we gebruik van de standaarddeviatie. Variaties in het huidige klimaat We kijken eerst naar de gemiddelde neerslag en de variabiliteit in het huidige klimaat. Neerslagvariabiliteit kun je namelijk niet los zien van het gemiddelde: je verwacht dat in een gebied waar gemiddeld veel neerslag valt de variabiliteit hoger is dan in een gebied waar gemiddeld weinig neerslag valt. Figuur 1 laat de gemiddelde neerslag (bovenste rij) zien voor winter en zomer. Het eerste wat opvalt is het verschil tussen de seizoenen. Terwijl in de winter de neerslag vooral geconcentreerd is over de Atlantische Oceaan, is in de zomer de neerslag meer verspreid over het gehele gebied. Dat de neerslag in de winter vooral geconcentreerd is ten zuiden van de zee-ijsrand (weergegeven met de zwarte lijn) is geen toeval. Het open water is relatief warm ten opzichte van de koude atmosfeer (bovendien is er geen zonlicht in de winter), wat zorgt voor een onstabiele atmosfeer. De warme en vochtige lucht stijgt op waardoor deze afkoelt, wat leidt tot condensatie en wolkenvorming waardoor neerslag kan ontstaan. Daarnaast is er in de winter een “storm track” gepositioneerd boven het Atlantische gebied die ook neerslag geeft. In de zomer zijn deze effecten minder sterk (hogere temperaturen in de atmosfeer en een minder actieve storm track). Dit zorgt voor een meer geleidelijke verdeling van neerslag over het Arctische gebied. 8
Meteorologica 4 - 2019
Figuur 1. Het huidige klimaat in het Arctische gebied in de winter en zomer wat betreft de gemiddelde neerslag (bovenste rij) en de variabiliteit (onderste rij). De zwarte lijn geeft de zee-ijsrand (gekozen is voor de gebruikelijke concentratie van 15%) weer die in het Pacifische deel van de Arctic buiten het onderzochte gebied ligt.
De variabiliteit van de neerslag is weergeven in de onderste rij van Figuur 1. Zoals verwacht lijken in beide seizoenen de patronen in neerslagvariabiliteit op die van de gemiddelde neerslag. De variabiliteit in de winter boven de Atlantische Oceaan wordt waarschijnlijk veroorzaakt door fluctuaties in de zee-ijsrand en de storm track. In de zomer is de variabiliteit in neerslag hoger doordat er gemiddeld meer neerslag valt. De relatief hoge variabiliteit aan de rand van Groenland in
Figuur 2. Arctische gemiddelden (bovenste rij) en variabiliteit (onderste rij) van neerslag, oppervlakte-verdamping en noordwaarts vochttransport door 70 °N voor de winter (blauw) en de zomer (rood) voor de vijf verschillende klimaten. De onzekerheid is berekend met behulp van bootstrapping.
beide seizoenen wordt veroorzaakt door ‘orographic uplift’: lucht wordt omhooggeduwd over de hoge Groenlandse IJskap, waardoor de lucht afkoelt. Omdat koudere lucht minder vocht kan vasthouden, veroorzaakt dit condensatie en neerslag. De variabiliteit langs de randen komt vervolgens door grootschalige luchtcirculaties, waardoor vochttransport ofwel vanuit het oosten of vanuit het westen naar Groenland wordt getransporteerd. De door EC-Earth gesimuleerde ruimtelijke patronen in gemiddelde Arctische neerslag en variabiliteit, en ook de absolute waarden, komen behoorlijk goed overeen met heranalyse waarden. We nemen dus aan dat EC-Earth de processen die van belang zijn voor Arctische neerslag (inclusief de variabiliteit) goed weergeeft. Neerslagvariabiliteit in koudere en warmere klimaten Nu we meer inzicht hebben in de neerslagprocessen in het Arctische gebied kunnen we gaan kijken naar neerslag in andere klimaten. Figuur 2 laat de Arctische gemiddelden (70 – 90 °N) van de gemiddelde neerslag en de variabiliteit zien. Wat opvalt is dat naar warmere klimaten toe vooral in de winters de gemiddelde neerslag sterk toeneemt. In het warmste klimaat valt er zelfs meer neerslag in de winter dan in de zomer. Daarentegen stijgt de variabiliteit juist het sterkst in de zomer. We kunnen hieruit concluderen dat veranderingen in variabiliteit niet simpelweg schalen met veranderingen in het gemiddelde. De toename in de gemiddelde neerslag en de variabiliteit naar warmere klimaten lijken dus (deels) een verschillende oorzaak te hebben. Om de veranderingen in neerslag en de verschillen tussen de variabiliteit en het gemiddelde te begrijpen, toont Figuur 2 naast de neerslag ook de gemiddelde oppervlakte-verdamping en het noordwaartse vochttransport door 70 °N. Het is duidelijk dat in de winter de gemiddelde neerslag vooral toeneemt door verdamping, iets wat ook al werd vastgesteld aan de hand van metingen over de afgelopen dertig jaar (Dufour et al., 2016). In de koudste klimaten verhindert zee-ijs (de gehele Arctic Oceaan is met zee-ijs bedekt) de energie- en vochtuit-
wisseling tussen de oceaan en de atmosfeer (Figuur 2 laat zien dat in het koudste klimaat bijna geen verdamping plaatsvindt). In warmere klimaten trekt zee-ijs verder terug waardoor de oceaan steeds meer warmte en vocht aan de atmosfeer kan afgeven. Verder blijft in de winter het vochttransport richting het Noordpoolgebied in alle klimaten ongeveer gelijk omdat de meridionale vochtgradiënt nauwelijks verandert. Door de Clausius-Clapeyronvergelijking weten we dat de relatie tussen temperatuur en vocht in de atmosfeer exponentieel is: om de noord-zuid vochtgradiënt gelijk te houden moet de temperatuur in het Arctische gebied meer stijgen dan in de zuidelijke breedtegraden. En dit is inderdaad het geval: Arctic Amplification is veruit het sterkst in de winter. In de zomer neemt de vochtgradiënt wél toe wat is terug te zien in de stijging van gemiddelde noordwaartse vochttransport. Kortom, naar warmere klimaten toe wordt de toenemende neerslag in winter vooral veroorzaakt door de toenemende verdamping en in de zomer door het toenemende vochttransport naar de Noordpool. De variabiliteit in verdamping neemt, net als het gemiddelde, vooral in de winter toe naarmate het warmer wordt. De variabiliteit in het noordwaartse vochttransport stijgt echter in beide seizoenen. De interactie tussen vochttransport en verdamping Voor de totale neerslag richten we ons in dit artikel vooral op het winterseizoen, omdat dan de processen het duidelijkst zijn. Zowel de variabiliteit in de bronnen van neerslag (verdamping en noordwaartse vochttransport) als in de gemiddelde neerslag nemen toe als het warmer wordt. Waarom lijkt de winterse neerslagvariabiliteit minder beïnvloed te worden door het klimaat? Om dit te begrijpen verdiepen we ons in de relatie tussen het noordwaartse vochttransport en de verdamping. Zowel het vochttransport naar de Arctic als de verdamping hebben invloed op de vochtgradiënt: meer verdamping leidt tot een afname in de meridionale vochtgradiënt tussen het Noordpoolgebied en zuidelijkere breedtegraden, waardoor Meteorologica 4 - 2019
9
Figuur 3. Regressie van de verdamping op het gestandaardiseerde noordwaarts vochttransport door 70 °N [in mm/seizoen]. Het gaat hier om de variabiliteit op korte tijdschaal (interjaarlijks).
minder vocht naar het noorden getransporteerd zal worden. In jaren dat er juist veel vocht naar het noorden wordt getransporteerd en de Arctische lucht dus vochtiger is, raakt de atmosfeer eerder verzadigd met waterdamp. Dit remt de oppervlakte-verdamping. Omdat beide vochtbronnen elkaar tegenwerken in plaats van versterken, leidt dit niet tot een toename van de variabiliteit in neerslag. De bovenstaande redenering zou betekenen dat een regressie van Arctische verdamping op het noordwaarts vochttransport negatieve waarden geeft. Figuur 3 en 4 laten daarom de regressiewaarden van de verdamping op het gestandaardiseerde noordwaartse vochttransport door 70 °N zien voor het koudste, het warmste en het controle (huidige) klimaat. De waarden geven aan hoeveel meer of minder verdamping er plaatsvindt als het vochttransport naar het noorden met één standaarddeviatie toeneemt. Negatieve regressiewaarden laten zien hoeveel de verdamping afneemt (vanwege de lagere verticale vochtgradiënt tussen atmosfeer en oceaan) wanneer het horizontale vochttransport naar het noorden een positieve afwijking heeft van één standaarddeviatie. In Figuur 3 is de interjaarlijkse variabiliteit weergeven, terwijl Figuur 4 de decadale variabiliteit laat zien. Deze splitsing is gemaakt met behulp van een Butterworth filter, die de hoge (of juist de lage) frequenties uit het signaal filtert. Als grens tussen interjaarlijkse en decadale variaties hebben we tien jaar
genomen. We maken deze splitsing omdat we verwachten dat de mechanismen die te maken hebben met het atmosferische vochttransport op interjaarlijkse tijdschalen dominant zijn. Omdat het (veel) langer duurt voordat de oceaan opwarmt en afkoelt, zal de variabiliteit in verdamping vooral van belang zijn op decadale tijdschalen. Figuur 3 laat zien dat in het koudste klimaat de regressiewaarden erg klein zijn. Omdat de oceaan in het Arctische gebied dan volledig bevroren is, vindt in dit klimaat vrijwel geen verdamping plaats. In het controle en warmste klimaat zijn de regressiewaarden van verdamping op het noordwaarts vochttransport het grootst over gebieden waar het zee-ijs permanent is teruggetrokken. Hier is de variabiliteit in de oppervlaktetemperatuur van de oceaan vrijwel nihil. De kleine positieve waarden in het huidige klimaat bevinden zich boven zee-ijs, waar (bijna) geen verdamping plaatsvindt. De positieve waarden verdwijnen in warmere klimaten wanneer het zee-ijs smelt, terwijl negatieve waarden zich meer uitspreiden over de open oceaan. In tegenstelling tot de interjaarlijkse variabiliteit, is de decadale variabiliteit in Figuur 4 vooral van belang in gebieden waar de oppervlaktetemperatuur van de oceaan nog wel (decadale) fluctuaties vertoont. Dit gebied verplaatst zich verder noord- en oostwaarts als het klimaat warmer wordt. Instroom van warm oceaanwater vergroot de instabiliteit over de oceaan, waardoor de verdamping toe-
Figuur 4. Regressie van de verdamping op het gestandaardiseerde noordwaarts vochttransport door 70 °N zoals in Figuur 4, maar nu voor variabiliteit op langere tijdschaal (decadaal). 10
Meteorologica 4 - 2019
voor temperaturen rond het vriespunt langs de randen van Groenland, met als gevolg grote wisselingen tussen regen- en sneeuwval. Samen met de hoge neerslagwaarden aan de randen van Groenland in het warmste klimaat resulteert dit in een sterke variabiliteit. Om te begrijpen waarom sneeuwval juist in het huidige klimaat maximaal is en afneemt naar zowel warmere als koudere klimaten, bestuderen we de correlatie (samenhang) tussen sneeuwval en temperatuur. Zoals eerder besproken leidt een stijging in temperatuur tot een hoger vochtgehalte in de atmosfeer, wat resulteert in meer neerslag (zowel regen- als sneeuwval). Hogere temperaturen zorgen er Figuur 5. Tijdreeks van sneeuwval gemiddeld over het Arctische gebied (70 – 90 °N) voor de vijf echter ook voor dat een grotere fractie van de neerslag (die als sneeuw begint) zal smelten en verschillende klimaten. als regen de grond bereikt. Om uit te vinden hoe deze effecten met elkaar verband houden, is in Figuur 6 neemt. Dit zorgt voor meer vocht in de atmosfeer waardoor de de correlatie tussen Arctisch gemiddelden in sneeuwval en meridionale vochtgradiënt afneemt. Dit leidt tot de negatieve temperatuur weergegeven. De correlatie tussen sneeuwval regressiewaarden in Figuur 4. en temperatuur is positief voor de drie koudste klimaten en negatief voor de twee warmste klimaten, met een omslagpunt Splitsing tussen sneeuw en regen tussen het huidige klimaat en het 2x CO2 klimaat. Tot nu toe is steeds de totale neerslag besproken. Maar een ander klimaat dan het huidige beïnvloedt niet alleen de hoe Deze vinding geeft een prima inzicht in de klimaatproveelheid neerslag, maar ook in welke vorm de neerslag valt. cessen die tot sneeuwval leiden. De positieve correlatie in de Hoewel de meeste Arctische neerslag momenteel als sneeuw koudste klimaten geeft aan dat een stijging in de temperatuur valt, gaat dit in een warmer klimaat hoogstwaarschijnlijk leidt tot meer sneeuwval (door meer atmosferisch vocht). De veranderen. Dit heeft grote gevolgen voor bijvoorbeeld het negatieve correlatie in de twee warmste klimaten betekent albedo: regen verlaagt het albedo van het oppervlak (verdat een stijging in de temperatuur leidt tot minder sneeuwval oorzaakt dus een lager reflecterend vermogen) en sneeuwval (doordat sneeuwval in regen overgaat). Hieruit kunnen we verhoogt het albedo. Om inzicht te krijgen in de veranderinconcluderen dat sneeuwval in de koudere klimaten wordt gen in sneeuwval in het Arctische gebied toont Figuur 5 de beperkt door het vochtgehalte in de atmosfeer (een lagere temtijdreeksen van gemiddelde sneeuwval in het Arctische gebied peratuur leidt tot een lager vochtgehalte), terwijl in de warmeover de periode van 400 jaar (voor sneeuwval gebruiken we re klimaten sneeuwval wordt beperkt door de temperatuur van jaarlijks gemiddelden), waarin twee dingen opvallen. Ten eerde onderste lagen van de atmosfeer (sneeuw gaat over in regen ste is te zien dat de meeste sneeuw valt in het huidige klimaat! voordat deze de grond bereikt). Ten tweede lijkt de meeste variabiliteit plaats te vinden in het warmste klimaat, het klimaat met de minste sneeuwval. Gevolgen Allereerst gaan we kort in op het tweede punt: hoe komt Dit onderzoek maakt wederom duidelijk dat de gevolgen van het dat in het klimaat met de minste sneeuwval de variabiliteit klimaatverandering in het Arctische gebied groot kunnen zijn. het hoogst is? Dit wordt veroorzaakt door Groenland, waar We hebben laten zien dat zowel de gemiddelde neerslag als de zelfs in het warmste klimaat de temperaturen nog ver onder variabiliteit toeneemt. Natte jaren worden steeds natter als het het vriespunt liggen. Daarom valt er ook dan nog sneeuw klimaat opwarmt. Dat heeft gevolgen voor bijvoorbeeld steden op Groenland, in tegenstelling tot de rest van het Arctische en dorpen in het Arctische gebied (in Spitsbergen bijvoorbeeld gebied waar alleen nog maar regen valt. Dit contrast zorgt moesten inwoners al verhuizen wegens aardverschuivingen). Naast verandering in de hoeveelheid zal in warmere klimaten ook de neerslagvorm veranderen, namelijk van sneeuw naar regen. Het is van groot belang om deze fluctuaties te onderzoeken zodat we de effecten van sneeuwval-extremen in kaart te kunnen brengen. Deze kunnen gevolgen hebben op het verlies van zee-ijs, hydrologie (afvloeiend water) en ecologie (zoals het broedseizoen van vogels). Referenties
Isaac Held, Brian Soden. Robust Responses of the Hydrological Cycle to Global Warming. Journal of Climate, 19(21), 5686–5699, 2006. Richard Bintanja, Frank Selten. Future increases in Arctic precipitation linked to local evaporation and sea-ice retreat. Nature, 509(7501), 479–482, 2014.
Figuur 6. Correlaties tussen de temperatuur en sneeuwval in het Arctische gebied. Er is een duidelijk omslagpunt tussen de koudere en warmere klimaten.
Ambroise Dufour, Olga Zolina, Sergey Gulev. Atmospheric moisture transport to the arctic: Assessment of reanalyses and analysis of transport components. Journal of Climate, 29(14), 5061–5081, 2016.
Meteorologica 4 - 2019
11
Tropische cyclonen Idai en Kenneth in Mozambique Yorick de Wijs (KNMI) Het jaar 2019 heeft wereldwijd veel uitzonderlijke tropische cyclonen voortgebracht. Zo werden de Bahama’s begin september getroffen door de zwaarste orkaan en tevens ergste natuurramp uit de geschiedenis van de eilandengroep: categorie 5 orkaan Dorian. Boven de Arabische Zee ontstond super cyclonic storm Kyarr, de krachtigste tropische cycloon ooit in dit gebied en de op één na krachtigste in de Noord-Indische Oceaan. In dit artikel ga ik echter in op het recordbrekende tropische cyclonen seizoen in de Zuid-Indische Oceaan en met name de tropische cyclonen Idai en Kenneth in maart en april van dit jaar. Tropische cyclonen in de Zuid-Indische Oceaan Tropische cyclonen hebben hun naam te danken aan het geografische gebied waarin ze ontstaan; de maritieme tropen. Geografisch gezien vormen de tropen het gebied tussen de beide keerkringen, maar wegens de verwaarloosbare Corioliskracht nabij de evenaar komen ze niet of nauwelijks voor tussen 5° noorderbreedte en 5° zuiderbreedte. Samen met de positionering van de continenten resulteert dit in zeven zeegebieden of bassins waar tropische cyclonen kunnen ontstaan, waaronder de Noord-Atlantische Oceaan (orkanen) en de Noordwestelijke Stille Oceaan (tyfoons). Een waarschijnlijk minder bekend gebied is het bassin in de Zuid-Indische Oceaan, dat zich uitstrekt van de oostkust van Afrika tot 90° oosterlengte. Berichtgeving en waarschuwingen omtrent tropische cyclonen in dit gebied, die hier overigens worden aangeduid als (intense) tropical cyclones, worden gedaan door Meteo France vanuit Réunion. Aan de oostzijde wordt dit gebied begrensd door het Australische bassin, dat wordt gemonitord door Australië. Op het zuidelijk halfrond vinden we nog een derde bassin: de Zuidelijke Stille Oceaan, ten oosten van het Australische bassin. Opvallend genoeg ontbreekt de Zuid-Atlantische Oceaan in dit rijtje. Tropische cyclonen zijn daar zeer zeldzaam als gevolg van de afwezigheid van tropische golven (verstoringen in het stromingspatroon) en de relatief sterkere windschering. Toevalligerwijs vormde zich juist dit seizoen wél een tropische storm in dit gebied, die door de Braziliaanse Marine op 24 maart werd omgedoopt tot Ida. Het was de eerste tropische storm sinds Anita in maart 2010. De enige orkaan die zich ooit in dit gebied heeft gevormd is Catarina in maart 2004.
Figuur 1. Geografische weergave van de afgelegde banen van Idai, Kenneth en nog enkele andere tropische cyclonen uit het tropische cyclonen seizoen van 2018-2019 in het Zuid-Indische bassin. Bron: NASA/JTWC, via Wikipedia/Meow, aangepast door de auteur.
12
Meteorologica 4 - 2019
Het ‘orkaanseizoen’ in de Zuid-Indische Oceaan valt net als op het noordelijk halfrond min of meer samen met de zomer en het eerste deel van de herfst op het zuidelijk halfrond en loopt ruwweg van november tot en met april. Gebaseerd op de 30-jarige periode van 1980/1981 tot 2010/2011 komen er in dit gebied per seizoen volgens de klimatologie gemiddeld zo’n 9 à 10 tropische stormen tot ontwikkeling. Voor een tropical cyclone, met een 10-minuten gemiddelde wind van 12 Bft of meer, ligt dit aantal rond de 5. De intensiteitklassen hebben in dit gebied overigens een iets andere indeling. Zo ligt de ondergrens van een orkaan of tyfoon bij een 1-minuutgemiddelde windsnelheid van 12 Bft en spreekt men van een moderate tropical storm bij 9-10 Bft en een severe tropical storm bij 10-11 Bft. Een major hurricane kent men niet in de Zuid-Indische Oceaan, in plaats daarvan bestaat er een intense tropical cyclone bij 10-minuut gemiddelde windsnelheden van meer dan 159 km/uur en een very intense tropical cyclone bij windsnelheden van meer dan 211 km/uur. Tropische cyclonen in Mozambique Van de tropische cyclonen die boven de Zuid-Indische Oceaan ontstaan blijft grofweg de helft boven zee. Vaak buigen ze, na enige tijd westwaarts te zijn getrokken, naar het zuiden af voordat ze het vaste land van Afrika kunnen bereiken. Van het deel dat niet alleen boven zee blijft komt een aanzienlijk deel aan land bij Madagaskar. Een deel hiervan overleeft een oversteek naar de Straat van Mozambique (of passeert Madagaskar) en kan daar vervolgens weer intensiveren boven het warme zeewater. Toch zijn tropische cyclonen die aan land komen in Mozambique relatief zeldzaam; volgens de historische database voor tropische cyclonen van de NOAA, zijn in Mozambique sinds 1934 zo’n 20 tropische stormen aan land gekomen, waarvan ongeveer de helft de intensiteit had van een (intense) tropical cyclone. Dit betekent dat niet elk jaar een tropische cycloon aan land komt. Een groot deel van het land heeft een tropisch klimaat met een duidelijk nat seizoen dat van oktober tot maart loopt, ongeveer overeenkomend met de periode waarin tropische cyclonen het weer kunnen beïnvloeden. Malawi en Zimbabwe liggen verder landinwaarts dan Mozambique en hebben daardoor alleen te maken met de restanten, en Tanzania ligt een stuk noordelijker waardoor tropische cyclonen daar echt zeldzaam zijn. Tropische cyclonen tijdens het seizoen 2018/1019 Idai en Kenneth waren beide onderdeel van het tropische cyclonen seizoen 2018/2019 in de Zuid-Indische Oceaan (Figuur 1), een seizoen dat mede door deze tropische cyclonen in vele opzichten uitzonderlijk te noemen is. Het seizoen begon op 15 november 2018 met intense tropical cyclone Alcide en duurde tot en met het oplossen van tropische cycloon Lorna op 30 april van dit jaar. In totaal zijn er in deze
Figuur 2. Satellietfoto van Idai vlak voor de kust van Mozambique op 14 maart 2019. Bron: NASA Worldview/Aqua, uitsnede gemaakt door de auteur.
periode 15 tropische stormen tot ontwikkeling gekomen en dat is het grootste aantal sinds het begin van de betrouwbare metingen in 1967. Van deze tropische stormen bereikten 11 ook de status van tropische cycloon en maar liefst 10 daarvan intensiveerden verder tot een intense tropical cyclone, eveneens beide een record. Het vorige record stond op naam van het 2006/2007 seizoen met 6 intense tropische cyclonen. Ook opvallend was het grote aantal tropische cyclonen dat in meer of mindere mate impact heeft gehad op het Afrikaanse continent, waaronder dus Idai en Kenneth, waardoor 2018/2019 zowel het duurste (qua schade) als het dodelijkste seizoen ooit is geworden. Intense tropical cyclone Idai Het druksysteem waaruit Idai uiteindelijk voort zou komen werd al vanaf de eerste dag van maart gemonitord vanuit Réunion en bevond zich op dat moment boven de Straat van Mozambique, net ten zuidoosten van de Mozambikaanse kust. Nadat het tropische buiencomplex steeds verder intensiveerde en de windsnelheden in het laag waren toegenomen tot 8 Bft, werd de tropische verstoring op 4 maart opgewaardeerd tot tropische depressie 11, vlak voordat deze aan land ging in Mozambique. In de dagen daarna bleef de tropische depressie enige tijd nabij de grens tussen Mozambique en Malawi rondtollen alvorens op 9 maart weer oostwaarts boven de Straat van Mozambique terecht te komen (Figuur 1). Deze passage over land veroorzaakte al een hoop overlast in met name de noordelijke provincies van Mozambique en het grensgebied van Malawi. Plaatselijk viel zelfs een voor de regentijd uitzonderlijke hoeveelheid neerslag, met in Cuamba in Mozambique bijna 300 mm in 12 uur. Er ontstonden op grote schaal overstromingen die wegen en dammen beschadigden, honderdduizenden hectares landbouwgebieden vernielden en duizenden huizen verwoestten. In Mozambique zijn daarbij zeker 66 mensen om het leven gekomen en in Malawi waren er nog eens 45 slachtoffers te betreuren. Ook zijn er honderden mensen gewond geraakt en moesten bijna 100.000 mensen hun thuis ontvluchten. Boven de Straat van Mozambique met zeewatertemperaturen van bijna 30 °C kon de tropische depressie zich opnieuw reorganiseren en intensiveren en op 10 maart was moderate tropical storm Idai geboren. Vanaf dat moment kon Idai onder een regime met weinig windschering vrij gemakkelijk aan
kracht winnen en later die dag werd Idai een tropische cycloon met windsnelheden vergelijkbaar met die van een categorie 1 orkaan. Onder invloed van een opbouwend hogedrukgebied kwam de oostelijke koers ten einde vlak voordat de cycloon Madagaskar zou hebben bereikt en zette Idai een zuidwestelijke en later westelijke koers in. In de loop van 11 maart werd vervolgens de voorlopig hoogste intensiteit bereikt met 10-minuut gemiddelde windsnelheden van 175 km/uur, goed voor een classificatie als intense tropical cyclone met windsnelheden vergelijkbaar met die van een categorie 3 orkaan. Na weer iets in kracht te zijn afgenomen op de 12e en 13e als gevolg van ontwikkelingen in het oog en de inmenging van droge lucht, bereikte Idai in de nacht naar 14 maart weer hogere windsnelheden met een 10-minuut gemiddelde van 195 km/uur, net geen categorie 4. Op dat moment werd in de kern de laagst gemeten luchtdruk van 940 hPa bereikt. In de loop van 14 maart begon Idai langzaam in kracht af te nemen bij nadering van de oostkust van Mozambique (Figuur 2) en rond middernacht bereikte de cycloon als een naar schatting zwakke categorie 3 equivalent de Mozambikaanse kust in de buurt van de stad Beira. Met 10-minuut gemiddelde windsnelheden van 165 km/ uur was Idai de op drie na zwaarste tropische cycloon die aan land is gekomen in Mozambique. De oogmuur trok vrijwel precies over de stad Beira heen. Het windveld zorgde voor een wateropzet van zo’n 2-3 m, bovenop het op dat moment vrij hoge getij, waardoor de opzet in met name de riviermonding van de Pungwe en andere ondiepe baaien nog enkele meters hoger moet zijn geweest. Naast de wind en stormvloed viel er mede door de relatief trage treksnelheid van de cycloon ook heel veel neerslag; in het gebied tussen Beira en de hogere delen op de grens met Zimbabwe viel op veel plaatsen 300500 mm in een paar dagen tijd. De gevolgen van de combinatie van de hoge stormvloed en de grote neerslaghoeveelheden zijn gigantisch geweest, zoals we helaas in het nieuws hebben kunnen zien. Impact De stad Beira, met ruim 530.000 inwoners de vierde stad en tweede havenstad van Mozambique, bevindt zich tussen twee rivierdelta’s aan de kust en ligt daarmee voor een groot deel rond of net boven zeeniveau. Door de combinatie van het
Figuur 3. Vergelijking tussen twee satellietfoto’s van hetzelfde deel van Mozambique voor en na de impact van tropische cycloon Idai. De bruine kleuren in de foto rechts duiden op modderstromen en overstroomd land, en laten zien hoe omvangrijk en verwoestend de overstromingen zijn geweest. Bron: NASA Worldview/Aqua, uitsneden en samenstelling door de auteur.
Meteorologica 4 - 2019
13
Figuur 4. Geografische weergave van de afgelegde paden van enkele opvallende tropische cyclonen Domoina, Eline, Favio, Jokwe, Hudah en Nadia, inclusief het jaar van voorkomen. Bron: historische tropical cyclone database (NOAA), aangepast door de auteur.
hoge getij, de hoge wateropzet en het opstuwen van het water in de ondiepe delta’s/bassins, werd een groot deel van de stad op 15 maart overspoeld door een vloedgolf van soms wel 4 meter hoog. Zeker 400.000 mensen moesten hun woonplaats ontvluchten, de elektriciteit viel uit en de haven en luchthaven werden afgesloten. Door de enorme neerslaghoeveelheden in het gebied en later ook in de heuvels verder landinwaarts, steeg het waterpeil in de rivieren zodanig dat ze op uitgebreide schaal buiten hun oevers traden. Dit waren dezelfde gebieden die slechts een week ervoor al waren getroffen door extreme neerslag en overstromingen en dus was er sprake van sterk verminderde opslagcapaciteit. De rivierdelta’s langs de oostkust en de gebieden rond de rivieren in de provincies Manica, Zambezia en Sofala kwamen bijna volledig onder water te staan, waarvan de gevolgen goed zichtbaar zijn in Figuur 3. Een dam net buiten Beira kon de extreme hoeveelheden niet meer aan en begaf het op 17 maart, waardoor een nog groter deel rond de stad onder water kwam te staan. Alleen al in Beira en ook elders in Sofala zouden 150.000 woningen volledig zijn verwoest en het totale aantal slachtoffers in Mozambique staat inmiddels op 598. Meer dan een miljoen mensen zouden uiteindelijk zijn getroffen door de overstromingen veroorzaakt door de tropische cycloon. Daarnaast is meer dan 700.000 hectare aan gewassen verloren gegaan en is de totale schade voor dit land naar schatting inmiddels de 3 miljard gepasseerd, de duurste natuurramp in de geschiedenis van Mozambique. In de nasleep van deze ramp werd het land ook nog eens getroffen door een cholera-epidemie. Doordat het water op veel plaatsen vervuild was geraakt kon de ziekte zich gemakkelijk verspreiden, en al in maart werden de eerste honderden gevallen geregistreerd. In de maand april breidde dit aantal zich uit naar meer dan 6500 en zijn er 7 mensen aan deze ziek14
Meteorologica 4 - 2019
te overleden. Door het snel op gang komen van de vaccinaties is het aantal besmettingen daarna gelukkig sterk afgenomen. Ook het oosten van Zimbabwe werd getroffen door de enorme neerslaghoeveelheden die de restanten van Idai met zich mee brachten en kreeg daardoor te maken met grootschalige overstromingen. Tenminste 270.000 mensen zouden zijn getroffen en 634 mensen zouden het niet hebben overleefd, waarmee dit voor Zimbabwe de dodelijkste overstromingen ooit waren. In Malawi hebben de eerdere overstromingen als gevolg van tropische depressie Idai uiteindelijk meer dan 850.000 mensen getroffen en 60 mensen het leven gekost. Voor Mozambique was tropische cycloon Idai zowel de dodelijkste tropische cycloon ooit (het vorige record stond op naam van tropische cycloon Nadia (Figuur 4) van maart 1994, met 240 slachtoffers) alsook de duurste tropische cycloon (voorheen tropische cycloon Domoina (Figuur 4) uit januari 1984 met 185 miljoen dollar schade). Alles bij elkaar is Idai dus de duurste en dodelijkste tropische cycloon geweest in het Zuid-Indische bassin en de op één na dodelijkste van het hele zuidelijke halfrond, na tropische cycloon Flores in 1973. Intense tropical cyclone Kenneth Ruim een maand later en na nog eens twee intense tropische cyclonen (Savannah en Joaninha), ontstond in de middag van 23 april ten noorden van Madagaskar de 14e (moderate) tropische storm van het seizoen, door Meteo France omgedoopt tot Kenneth. Aan de noordflank van een langgerekte rug trok Kenneth in westelijke richting (Figuur 1) door een gebied met gunstige condities (10-15 knopen windschering en een zeewatertemperatuur van 30 °C) en ging de ontwikkeling in de hoogste versnelling. Om 12 UTC werd Kenneth de 10e tropische cycloon van het seizoen en slechts 6 uur later bereikte de cycloon het equivalent van een categorie 1 orkaan. Rond mid-
de evenaar en niet ver van Tanzania. Volgens de historische database van de NOAA is nooit eerder een tropische cycloon met tenminste orkaankracht zo noordelijk aan land gekomen in Mozambique (en daarmee in het hele zuidelijke Afrikaanse continent) en in Tanzania heeft hiervoor slechts één tropische depressie de kust gehaald, in 2002 (Atang). Doordat Kenneth relatief compact was heeft de tropische cycloon ondanks de aanzienlijk hogere windsnelheden op minder uitgebreide schaal schade aangericht dan Idai. Toch hebben de hoge windsnelheden en overstromingen bijna 400.000 mensen getroffen in Mozambique en de buiten de kust gelegen eilandengroep Comoros, zijn duizenden huizen totaal verwoest en zijn in totaal 52 mensen om het leven gekomen, waarvan 45 in Mozambique. Figuur 5. Satellietfoto van Kenneth vlak voor de kust van Mozambique op 25 april 2019. Bron: NASA Worldview/Terra, uitsnede gemaakt door de auteur.
dernacht op de 25e kreeg Kenneth van Meteo France de status van intense tropical cyclone. Nog 6 uur later bereikte Kenneth de hoogste intensiteit met 10-minuut gemiddelde windsnelheden van 215 km/uur en een kerndruk van 934 hPa. Volgens het JTWC (Joint Typhoon Warning Center) werden de 1-minuut gemiddelde windsnelheden geschat op 230 km/uur, hetgeen overeenkomt met een categorie 4 orkaan. Kenneth was een compacte cycloon en had tijdens de snelle intensivering een zogenaamd pinhole eye, een klein oog dat vaak duidt op een periode van snelle veranderingen in de intensiteit. Kenneth heeft daardoor in slechts 24 uur kunnen uitgroeien van een categorie 1 naar een categorie 4 equivalent. Na verloop van tijd volgt dan meestal een cyclus waarin de oogmuur wordt vervangen door een nieuwe oogmuur eromheen, waardoor het oog zich opnieuw vormt (de zogenaamde eyewall replacement cycle) maar dan met een grotere diameter, waardoor de intensiteit (tijdelijk) afneemt. Dit gebeurde ook met Kenneth (Figuur 5) alvorens de cycloon rond 13:00 UTC op 25 april iets ten noorden van de havenstad Pemba in Mozambique aan land kwam als een iets minder sterke categorie 4 equivalent, met 1-minuut gemiddelde windsnelheden van naar schatting 220 km/uur. Kenneth is de eerste tropische cycloon in de recente geschiedenis (sinds 1985) die met dergelijke hoge windsnelheden in Mozambique aan land is gekomen; het vorige record stond op naam van de net iets minder krachtige tropische cycloon Eline uit februari 2000 (Figuur 4). Zware tropische cyclonen (major hurricanes) zijn sowieso zeldzaam in Mozambique; naast deze twee van de vierde categorie is het land nog door twee categorie 5 equivalenten getroffen: Favio in 2007 en Jokwe in 2008 (Figuur 4). Samen met Eline was Kenneth tevens de sterkste tropische cycloon ooit op het Afrikaanse vasteland. Madagaskar valt daar overigens niet onder en heeft meerdere keren te maken gehad met cyclonen met een intensiteit vergelijkbaar met die van een categorie 5 orkaan. Ook de timing was uitzonderlijk; nog nooit kwamen twee tropische cyclonen met tenminste categorie 2 aan land binnen hetzelfde tropische seizoen en dat slechts 6 weken na elkaar. De enige andere keer dat er überhaupt twee tropische cyclonen binnen hetzelfde seizoen aan land kwamen was in 2000 met Eline in februari en categorie 1 equivalent Hudah in april (Figuur 4). Nog opvallender is misschien wel de locatie waar Kenneth aan land is gekomen; slechts 12° ten zuiden van
Klimaatverandering Vooral de combinatie van de twee tropische cyclonen Idai en Kenneth en de enorme impact die Idai op Mozambique heeft gehad is uniek en doet wellicht vermoeden dat klimaatverandering hierbij een rol zou hebben gespeeld. Toch is het nog te vroeg om te beweren wat het gevolg zal zijn van het opwarmende klimaat op het voorkomen en de intensiteit van tropische cyclonen wereldwijd. Enerzijds kunnen we pas sinds 1980 accurate metingen verrichten met satellieten, hetgeen nog te kort is om goede statistiek te kunnen verrichten, en anderzijds zijn er grote verschillen tussen klimaatmodellen wat betreft de trends in cyclonen. Dat het tropische seizoen van 2018-2019 in de Zuid-Indische Oceaan zo uitzonderlijk actief was, is waarschijnlijk grotendeels te wijten aan de jaarlijkse variabiliteit. Het opwarmende zeewater maakt het aannemelijk dat het ontstaansgebied groter wordt en dat de tropische cyclonen die ontstaan gemakkelijker krachtiger kunnen worden. Hogere zeewatertemperaturen hebben tot nu toe echter niet aantoonbaar geleid tot een toename in de activiteit van tropische cyclonen in het Zuid-Indische bassin, en bovendien waren de zeewatertemperaturen in maart en april 2019 nauwelijks warmer dan normaal. Wel zien we dat het aantal tropische cyclonen in met name het oostelijke deel van het bassin gemiddeld significant lager ligt tijdens El Niño episodes. Wanneer er sprake is van een El Niño wordt de activiteit van de ITCZ onderdrukt en komt de subtropische straalstroom noordelijker te liggen, waardoor met name de sterkere windschering een onderdrukkend effect kan hebben op het ontstaan van tropische cyclonen. Dit seizoen was er sprake van een duidelijk ontwikkelde El Niño en werd dus geen bovengemiddeld actief seizoen verwacht. Er zijn echter nog meer processen die een rol spelen, zoals bijvoorbeeld de Madden-Julian Oscillatie (MJO). De MJO bevond zich afgelopen maart en april in fase 2, 3 en 4 en dat zijn de fases waarin de tropische activiteit in het Zuid-Indische bassin gemiddeld het grootst is (Mavume et al., 2009). Voor de oostkust van Mozambique en de kustgebieden in veel andere landen beïnvloeden overigens ook andere belangrijke effecten de kwetsbaarheid, zoals de stijging van de zeespiegel en de daling van stedelijke gebieden. Overstromingen worden daarmee steeds waarschijnlijker, zeker wanneer er tropische cyclonen in het spel zijn. Literatuur
Climatology and Landfall of Tropical Cyclones in the South West Indian Ocean, Alberto F. Mavume, Lars Rydberg, Mathieu Rouault and Johann R.E. Lutjeharms, Western Indian Ocean J. Mar. Sci. Climatology, Vol. 8, No. 1, pp. 15–36, 2009 NOAA, Earth Observatory & Worldview (NASA), Wikipedia, Category 6 (WU), Reliefweb & EM-DAT (The International Disaster Database).
Meteorologica 4 - 2019
15
Tweemaal Richard: klimaatdebat II Huug van den Dool
Niet lang geleden kopte CNN op haar website: “Let’s stop debating climate change and start combating it.” In de situatie waar de VS zich nu bevindt kan ik me zo’n kreet goed voorstellen. Ik heb trouwens collega’s in de VS die mij, eeuwig vragen stellend, 20 jaar geleden al zeiden: “het klimaatdebat is gevoerd en het is voorbij, er is nu consensus.” Een ervan is Richard Somerville (RS). Ik kijk dan even beteuterd maar zeg dan “Oh ja, en je vriend Dick Lindzen dan?” RS keek betrapt. Om dit te begrijpen gaan we eerst wat verder terug in de tijd. In 1983 werkte ik, destijds een verse KNMI-uitzendkracht, een jaartje bij het Scripps Institution for Oceanography in San Diego waar RS aanvoerder was van een klein maar fijn klimaatgroepje. Deze baan bij Scripps beviel RS blijkbaar beter dan het hoogleraarschap bij het IMOU in Utrecht, een positie waarvoor hij in 1980 serieus kandidaat was. Op een avond werd ik voor een diner uitgenodigd bij RS thuis. Tevens aan de dis uitgenodigd: Richard Lindzen, een man met een toen al legendarische intelligentie, en arrogantie. Twee Richards dus, waarvan de een Dick genoemd wordt (Lindzen) en de ander Richard (Somerville). De studenten waar Dick Lindzen (DL) mee te maken heeft gehad in zijn carrière zijn soms nog altijd bang van hem, want hij kon vernietigend uit de hoek komen. Terwijl RS overwegend zwijgt, en zijn woorden voorzichtig kiest, en verder wat bedoeld-mysterieus overkomt, was DL de hele avond aan het woord, met zichtbaar genoegen vernietigende opinies etalerend over alles wat los en vast zat, collega’s, modeverschijnselen in het onderzoek. Mijn oren tuitten. De lezer moet weten dat het klimaat toen, in 1983, absoluut geen heet hangijzer was. Wel een onderwerp van onderzoek, maar geen polarisatie en verkettering. DL verdedigde met verve het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime; hij had vele investeringen in dat land uitstaan. Dit ging mij te ver en ik vluchtte naar de keuken om met Sylvia te praten, de super-Nederlandse vrouw van RS. Twee Richards dus, die ik al die jaren af en toe ben blijven ontmoeten – zij hebben zich daarna in het klimaatdebat diametraal tegenover elkaar gemanifesteerd. Ik heb eens met DL in een panel gezeten, ‘s avonds bij een AMS meeting. Na een korte inleiding over DERF (Dynamic Extended Range Forecasting) door vier panellisten mocht het publiek vragen stellen. Ik had me als panellid goed voorbereid. DL, ook wel “linear Lindzen” genaamd vanwege z’n liefde voor lineaire theorie, had zich niet voorbereid (daar staat hij om bekend) maar dat hoeft ook niet want hij improviseert moeiteloos. “Kan ik dat plaatje even van je lenen?” Ik haastte mij deze heer te plezieren met mijn transparanten. DL was duidelijk ingehuurd als ‘contrarian,’ want anders heb je geen debat, en met dezelfde plaatjes die ik zo-even had gebruikt formuleerde DL het tegenovergestelde standpunt. Zo’n man. Eenmaal zat DL in de zaal toen ik overmoedig een theorie verkondigde over golfgetal één in atmosferische getijden. Ik was opgelucht dat hij, toch een groot expert op het gebied van getijden, niet iets vernietigends vanuit de zaal begon te roepen (“garbage in, garbage out” is zijn favoriete uitspraak als de spreker hem niet bevalt). Nee, hij kwam me na afloop vertellen dat ik misschien wel gelijk had dat golfgetal één van beneden wordt geforceerd door het verschil tussen neerslag en verdamping dat met de zon rondloopt en dus niet uitsluitend door verticale voortplanting van golven vanuit de stratosfeer 16
Meteorologica 4 - 2019
waar men een factor twee tekort komt. Maar nu dan over het klimaat, ruim na 1990 dus. Terwijl RS met de overgave van een betrouwbare hopman ‘lead author’ werd van diverse IPCC rapporten, werd DL tijdens zijn aanvankelijke deelname aan het IPCC-proces een klimaatscepticus, dat wil zeggen, zo word je benoemd, en in zekere zin weggezet en daarmee hopelijk geneutraliseerd. (DL is vermoedelijk zelf wel begonnen met schelden door ‘alarmist’ tegen iemand te roepen; hij zag vast en zeker te veel minkukels in het andere kamp.) Daarover was ik eerst enorm verbaasd want DL begrijpt klimaatsverandering zonder twijfel beter dan de meesten van ons, maar DL is natuurlijk een schoolvoorbeeld van iemand die uitermate kritisch is over onderzoek in het algemeen en absoluut niet in termen denkt van een meerderheidsopinie, want hij is van nature een uitgesproken contrarian. Heb ik een hekel aan contrarians? Nee, helemaal niet. Als iemand A beweert dan hoor je als wetenschapper te denken: kan het wellicht ook B zijn? Hoelang je hierin volhardt, dat is een zaak voor psychologen, net als het zoeken naar argumenten voor een eenmaal ingenomen standpunt. Bij een AMS meeting zo’n tien jaar geleden zat ik bij een sessie over klimaat. Er werden nogal wat opmerkingen gemaakt door de sprekers die als schimpscheuten aan het adres van de sceptici konden worden uitgelegd – sprekers keken dan schichtig naar de niet ongevaarlijke DL die, zoals gebruikelijk gekleed in een soort militaire fatigue, twee stoelen naar rechts zat, een rij voor me. We hadden elkaar nog niet gesproken. Plotseling boog hij zich naar mij, en fluisterde half hoorbaar: “ja, als je in zo’n rol zit ben je er nog niet 1-2-3 van af.” Zo zit dat dus. De schaduwzijde van het unieke IPCC proces. RS is de afgelopen jaren diverse malen geëerd met een onderscheiding als ambassadeur voor de klimaatwetenschap. Hij heeft die onderscheidingen als een gentleman geaccepteerd, minzaam Einstein citerend. Daarentegen vermoed ik dat men het boefje DL als voorbeeld in gedachten had toen de zogenaamde RICO20-groep werd gevormd. Dat is een groepje van 19 goede bekenden van J. Shukla die in 2015 het Witte Huis een petitie zond om de “anti-racketeering” wet toe te passen op zogenaamde klimaat-ontkenners. De essentie van die wet is dat iemand strafbaar is als hij of zij “tegen beter weten in” in de rol van deskundige een bepaald standpunt inneemt. Het beroemde voorbeeld zijn medische deskundigen die in de jaren 1960-1990 verklaarden dat roken niet schadelijk is, en nicotine niet verslavend. Deze deskundigen zijn uiteindelijk met succes vervolgd en roken alhier is toen in zeer korte tijd gedecimeerd. Ik geloof niet dat Obama op de RICO20-suggestie heeft gereageerd. In plaats daarvan belandde Shukla zelf in stormachtig weer, niet alleen door haatdragende kritiek van collega’s die oude koeien uit de sloot haalden (Shukla heeft vroeger vele rotstreken uitgehaald), maar hij werd ook gretig voorgedragen om onderzocht te worden door Republikeinse onderzoekscommissies. Zo gebeurde. Shukla moest alle correspondentie en e-mails van na 2009 overhandigen, dat soort intimiderende verzoeken. Inmiddels hebben zowel Shukla als Lindzen niet veel meer te vrezen; het parlementair toezicht en de rechtspraak zijn hier overwerkt en dolgedraaid en hebben tijd noch prioriteit voor zulke kwesties.
Werken bij het KNMI: the best place to be voor onderzoekers! Het weer is grillig, de bodem beweegt en het klimaat verandert. Voor onze veiligheid en welvaart moeten we weten welke risico’s en kansen dit oplevert. En: hoe we ons het beste kunnen voorbereiden. Die kennis heeft het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) in huis als het nationale kennis- en datacentrum voor weer, klimaat, oceanografie en seismologie. Betrouwbaar, onafhankelijk en gericht op wat Nederland nodig heeft. Voor een veilig Nederland dat voorbereid is op de invloed van weer, klimaat en aardbevingen.
Voorbereiden, waarschuwen en adviseren
In ons dichtbevolkte land van water, wind en dijken leven we al eeuwenlang met de elementen. Nu de aarde opwarmt, de zeespiegel stijgt en extreem weer vaker voorkomt, groeit de kans dat het weer ons onaangenaam verrast. De weerkamer van het KNMI staat 24/7 paraat om Nederlanders te waarschuwen als er gevaarlijk of extreem weer dreigt. Tijdig, gericht en met oog voor de impact van het verwachte weer.
Uniek onderzoek bij het KNMI
In de R&D vakgroepen van het KNMI wordt gewerkt aan verbetering van het waarneemsysteem en van de modellen. Unieke expertise ligt op het gebied van satellietmetingen van de atmosferische samenstelling. Het KNMI heeft de wetenschappelijke leiding over het TROPOMI satellietinstrument dat in 2017 succesvol is gelanceerd. TROPOMI is de opvolger van OMI, en brengt de mondiale luchtkwaliteit in kaart. Ook wordt gewerkt aan innovatieve metingen met kleine sensoren op de grond. Op het gebied van modellering wordt gewerkt aan het HARMONIE hogeresolutie model.
Werken bij het KNMI?
Voor onze R&D vakgroepen zoeken we regelmatig onderzoekers, zowel OIO’s als post-doc’s, die een bijdrage willen leveren aan ons internationaal hoog gewaardeerde onderzoek. Kijk voor onze actuele vacatures op www.werkenvoornederland.nl/knmi.
Evalueren, onderzoek en wetenschap
Na elke gebeurtenis maken we de balans op. We plaatsen incidenten in een bredere context. We willen ervan leren en nieuwe kennis opdoen. Zodat we risico’s preciezer kunnen bepalen en onze kwaliteit als kennisinstituut kunnen waarborgen. Uniek aan het KNMI is de koppeling tussen operationeel en wetenschap. Praktijkervaringen kunnen meteen wetenschappelijk onderzocht worden. Kennis kan direct ingezet worden ten behoeve van de operationele diensten van het KNMI.
Meteorologica 4 - 2019
17
WEERMUZIEK Hoor de wind waait door de bomen Harry Geurts (KNMI, voormalig persvoorlichter) “De wind loeit als hij langs boomstammen, takken en twijgen blaast,” schrijf Marcel Minnaert in Natuurkunde van ’t vrije Veld. Hoe sterker de wind, hoe hoger de toon, en windstoten doen de toonhoogte dus flink stijgen. Hoge tonen horen we door de wind in een dennenbos. Het geruis van dennennaalden is bovendien zacht, terwijl een beukenbos veel meer lawaai maakt doordat de bladeren zo breed zijn. Het mooist klinken de populieren waardoor de wind ruist, zoals ook regen in een bos als een rustgevend geruis klinkt. Anders dan wind in droge rietstengels dat een hard ratelend geluid voortbrengt. O, ’t ruischen van het ranke riet O wist ik toch uw droevig lied! wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert. Guido Gazelle, Dichtoefeningen Als je er ‘oor’ voor hebt – en dat had Minnaert – kun je zelfs uit het geluid van de wind de boomsoort afleiden waarlangs je wandelt. Windharp Wind kan letterlijk als muziek in de oren klinken. Het verhaal gaat dat een Zwitser op het idee kwam muziekinstrumenten te maken die door de wind worden bespeeld. Hij schoot uit verveling vanuit het raam op een schietschijf, maar had geen zin om telkens naar de schijf te lopen om de pijltjes op te halen. Met een lang stuk ijzerdraad die hij aan de pijltjes bevestigde kon hij ze makkelijk naar zich toe trekken. Vooral ’s nachts als het stil was merkte hij op dat de draad geluid maakte. Hij haalde de buren erbij die onder de indruk waren van dit “raadselachtige muziekinstrument.” Misschien is het een broodje aap verhaal, maar vaststaat dat de Napolitaan Giovanni Battista Porta in het midden van de 16e eeuw meldt dat snaren door de wind kunnen worden bespeeld. Muziektheoreticus Athanasius Kirchner (1602-1680) schetste als eerste een
Figuur 1. Standbeeld van de Windgod bij het Tepperpaleis te Warschau. 18
Meteorologica 4 - 2019
windharp in zijn Misurgia Universalis over muziektheorie. De windharp wordt ook wel aeolische harp genoemd. Dit verwijst naar Eolus, de windgod (Figuur 1). Als het instrument in de wind staat gaan de snaren trillen en dat levert harmonische klanken op. De dikte van de snaren en de wisselende windsterkte zorgen voor variaties in de klank. Een legende verhaalt dat koning David, koning van Verenigd Koninkrijk Israël, de harp ’s nachts boven zijn bed bij het raam hing om de wind te laten musiceren en hem rustig in slaap te sussen (Figuur 2). Adriaan Roland Holst schreef: “een harp die zonder tussenpersoon, zonder een zichtbare speler die zelf bespeeld wordt, muziek voortbrengt, dat is pas echt de harp van het Verborgene.” In de literatuur wordt er vaak naar verwezen, maar ook in de klassieke muziek komen we de windharp tegen. Heel mooi zelfs in Lelio ou le retour à la vie voor koor en orkest, met gesproken tekst van Hector Berlioz. In het vijfde deel La harpe éolienne horen we hoe de harp een zacht briesje nabootst. Het werk eindigt met een fantasie van het toneelstuk de Storm (The Tempest) van Shakespeare. Johannes Brahms schreef de muziek bij An eine Äolsharfe, een lied naar een romantisch gedicht van Eduard Mörike: De wind strijkt door de snaren van de harp en plotseling is de wereld van dit gedicht vol klanken, geuren en weemoed. Ook de componist Hugo Wolf zette deze tekst op muziek, dertig jaar later, in zijn Mörike
Figuur 2. De harp van Koning David te Madrid.
Liederbuch, een cyclus van 53 liederen voor zang en piano. Stormdepressie bij Schotland Voor de romantici van de 19e eeuw was storm een belangrijke metafoor, en een beeldspraak die vaak opduikt in literatuur en muziek. De componist Felix Mendelssohn raakte tijdens een reis door Schotland onder de indruk van een volksliedje over storm van de dichter Robert Burns uit 1842. Hij wijdde er een duet aan waarin de ene geliefde voor de andere zingt: Als ik je in noodweer op de hei zien zou, Beschermde ik je daartegen met mijn jas En nadert ooit het ongeluk je met zijn storm dan is dit hart je toevluchtsoord, dat ik graag deel! Naar aanleiding van zijn reis door de Schotse hooglanden in de zomer van 1829 schreef Mendelssohn nog meer werken waarin wind, zee en het landschap een rol spelen. Zoals de ouverture Meeresstille und glückliche Fahrt gebaseerd op een gedicht van Goethe. Het eerste deel gaat over de kalme zee waarbij harmonische vioolklanken de zwakke wind verbeelden. De zeeman vertrouwt het weer niet, maar uiteindelijk, als de mist is opgetrokken en de lucht opklaart, kan hij zijn reis afmaken en vaart hij opgelucht verder. Die opluchting horen we in een melodie gespeeld door fluit en strijkers. De wind op zee wordt ook prachtig verklankt in de Hebriden ouverture van Mendelssohn (Figuur 3). De ruwere zee die de componist hier in de late zomer aanschouwde, maakte diepe indruk en inspireerde Mendelssohn tot het componeren van een aanzwellende melodie gespeeld door hobo en strijkers. De muziek eindigt abrupt alsof de zee ineens is drooggevallen. Weerman Goethe Natuuronderzoeker en dichter Johann Wolfgang von Goethe
(1749-1832), die het weer en de wolken in zijn woonplaats Weimar op de voet volgde, schreef Erlkönig, een van de beroemdste ballades uit de geschiedenis, van muziek voorzien door Franz Schubert. Een vader rijdt in de nacht op zijn paard met een ziek kind. Het weer is slecht en het stormt ook in het hart van de vader, die er alles aan doet om zijn zoontje, die angstdromen heeft van de elfenkoning, te kalmeren. De Elfenkoning is het symbool van de dood en dus belooft deze droom weinig goeds. Eenmaal op de bestemming aangekomen blijkt de jongen te zijn gestorven, bezweken voor de elfenkoning. Beroemd zijn de eerste regels: Wie rijdt er zo laat door nacht en wind? Het is de vader met zijn kind Hij heeft het knaapje goed in zijn arm Hij houdt hem warm. De storm, het kind en de dood komen ook terug in de Kindertotenlieder die Gustav Mahler ruim een eeuw na Erkönig componeerde. De tekst van het laatste lied van die cyclus herinnert eraan: In diesem Wetter, in diesem Braus. Een van de beroemdste muzikale stormen is afkomstig uit The Tempest van Shakespeare, waar behalve Berlioz ook Tsjaikovski en Sibelius muziek bij maakten. Tsjaikovski componeerde de orkestfantasie De Storm en Sibelius de Stormouverture waarin levendige strijkers het onrustige weer verklanken. Ook de Franse componist Jules Massenet liet zich in een van zijn orkestsuites inspireren door The Tempest met de verklanking van een enorme storm met onweer en regen. In mijn speurtocht naar muziek over wind en storm kwam ik ook Elisabeth Claude Jacquet de la Guerre (1665-1729) uit Parijs tegen. Zij schreef de cantate Le Sommeil d’Ulisse, storm op zee. In het zesde deel van de cantate wordt de muziek plotseling onrustiger, wat verwijst naar de storm die opsteekt. Ook in de zesde symfonie van Ludwig van Beethoven, de Pastorale, steekt een storm op tijdens het onweer dat in het vierde deel van het werk losbarst. Het geluid van de windstoten laat Beethoven oproepen door de fluitisten. De stilte en
Figuur 3. De Hebriden bij Schotland. Meteorologica 4 - 2019
19
de rustige klanken die hij aan de onweersbui vooraf laat gaan voeren de spanning op. Dat toont hoe begaafd Beethoven was in het verklanken wat hij had waargenomen. Toch schreef hij Mehr Ausdruck als Mahlerei in zijn partituur, waarmee hij wil zeggen dat het hem meer ging om de uitdrukking van het gevoel dat de natuur oproept. Ook schreef Beethoven een stormsonate voor piano. Hoewel sommige beschrijvingen anders doen vermoeden, heeft Beethoven die naam er niet zelf aan gegeven. De sonate is vermoedelijk pas later zo genoemd naar aanleiding van een gesprek dat Beethoven had met zijn biograaf Anton Schindler, waarin Beethoven voor de interpretatie van die sonate verwees naar The Tempest van Shakespeare. Maar de meningen hierover zijn verdeeld – anderen denken dat Beethoven met dit stuk verwijst naar de Duitse predikant Christian Christoph Sturm, bekend om beschouwingen over God en de natuur. Waarschijnlijk heeft zijn stormsonate niets met een meteorologische storm te maken en heeft de benaming een literaire oorsprong. Er hangt dus nogal wat mist rondom een aantal werken van Beethoven. Volgend jaar staat in het teken van de 250e geboortedag van Beethoven. Ongetwijfeld komen we in dit herdenkingsjaar meer te weten over zijn werken en de betekenis van de diverse benamingen. Hard waait het in elk geval wel in de opera Die Walküre van Richard Wagner, vooral in de aria Winterstürme wichen dem Wonnemond. Wagner gebruikt het thema om de spanning op te bouwen. Ook in zijn Vliegende Hollander spelen stormen en hoge golven een rol: Mit Gewitter und Sturm aus fernem Meer zingt de stuurman van een schip in nood. How Slow the Wind Heel anders en aanzienlijk rustiger klinkt How Slow the Wind, een orkestwerk uit 1991 van de Japanse componist Toru Takemitsu (1930-1996). How Slow the Wind How slow the sea How late their feathers be
In deze natuurmuziek horen we een motief van zeven tonen volgens een herhaald patroon van bijvoorbeeld golven of wind. Claude Debussy en Olivier Messiaen vormden voor Takemitsu een belangrijke bron van inspiratie. In verschillende van zijn werken vinden we verwijzingen naar de natuur, het weer, de wind en de zee, die ook bij de Franse componisten een belangrijke rol speelden. Takemitsu: “Mijn muziek is als een tuin en ik ben de tuinman. Luisteren naar muziek kan vergeleken worden met wandelen door een tuin en het ervaren van de veranderingen in licht en patronen.” Curieuze muzikale kalender Ook de jaarwisseling en het verloop van het jaar met maanden en seizoenen is een inspiratiebron van menig componist. Fanny Mendelssohn en Peter Tsjaikovski schreven muziek over de maanden van het jaar met verwijzingen naar het weer en de jaargetijden, maar de meest weerkundige muziekkalender is in de 18e eeuw gecomponeerd door Gregor Joseph Werner (1693-1766). Een heel curieus werk genaamd: Die Neuer und sehr curioser musicalischer Instrumental-Calender. Hij was aangesteld als kapelmeester en hofcomponist van prins Esterhazy in Eisenstadt bij Wenen (Figuur 4). Joseph Haydn zou hem later opvolgen en Eisenstadt nog nadrukkelijker op de muzikale kaart zetten. Maar Werner was de man van de weer- en hemelkalender, met verwijzingen naar de stand van de zon, de sterrenbeelden en de daglengte, het grillige voorjaarsweer (Aprilwetter), de zonnige juni, onweer in juli (Donnerwetter), de aangename herfst met wijnmaand oktober, novemberstorm op zee, het decemberwintertje, het leven op het land en het jachtseizoen. Een heel bijzonder stuk waarin we in juni opgeschrikt worden door een heuse aardbeving, te horen door een hoger tempo in de muziek. Je moet er wel voor gaan zitten want het stuk duurt alles bij elkaar een kleine twee uur. Misschien een tip voor een alternatief nieuwjaarsconcert uit de naaste omgeving van Wenen.
Naar een gedicht van Emily Dickinson, 1993
Figuur 4. Het slot Esterhazy nabij Wenen waar Joseph Gregor Werner zijn muzikale weerkalender componeerde. 20
Meteorologica 4 - 2019
Meteorologica 4 - 2019
21
Harry Otten Prijs voor de vierde keer uitgereikt Leo Kroon De Britse meteorologen Malcolm Kitchen en Chris Brunt hebben een methode ontwikkeld waarmee buien en onweer in de toekomst beter kunnen worden voorspeld. Daarvoor hebben beiden de Harry Otten Prijs (€25.000) voor innovatie in de meteorologie ontvangen. Kichen en Brunt hebben een nieuwe meetmethode ontwikkeld door gebruik te maken van radiosignalen die door commerciële vliegtuigen wordt uitgezonden. Door de buiging van de radiosignalen met een interferometer te meten is het mogelijk om de brekingsindex van de atmosfeer vast te stellen. Met die informatie kan vervolgens de luchtvochtigheid in de onderste kilometers van de atmosfeer worden bepaald. Dit is essentieel voor het maken van een goede weersverwachting. Leo Kroon, voorzitter van het bestuur van de Harry Otten Stichting, zei hierover: “Het idee van Malcolm Kitchen en Chris Brunt is hoogst innovatief. Het levert waarnemingen in de onderste lagen van de atmosfeer waardoor zeer waarschijnlijk weersverwachtingen op kleine schaal aanmerkelijk verbeterd kunnen worden.” Met een proefopstelling in Zuidwest Engeland zijn de eerste bemoedigende meetresultaten verkregen. Harry Otten was verheugd met de bekendmaking van de prijswinnaars. “Na een aantal jaren geleden met pensioen te zijn gegaan heb ik Wettermanufaktur, een nieuw weerbedrijf in Berlijn, opgericht. Onze klanten zijn vaak geïnteresseerd in toepassingen op kleine ruimtelijke schalen. Het winnende idee kan enorm bijdragen aan de kwaliteit van de producten die wij onze klanten leveren.” De Harry Otten Prijs voor innovatie in de meteorologie is voor de vierde keer uitgereikt. De jury ontving inzendingen uit verschillende Europese landen, Rusland en de Verenigde Staten. De Harry Otten Prijs wordt elke twee jaar toegekend. Meer informatie is te vinden op www.harry-otten-prize.org. Tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de European Meteorological Society die in september in Kopenhagen, Denemar-
ken plaatsvond, werden de winnaars van de prijs geselecteerd uit drie finalisten (zie foto). De andere twee finalisten ontvingen elk 2500 Euro voor hun idee. Yann Dufournet, Igor Stepanov, en Geanny Amos dos Santos van SkyEcho, een klein, jong bedrijf in Nederland presenteerden hun innovatieve idee: enLIGHT – Een nieuwe manier om hoge-resolutie weergegevens over naderend extreem weer te communiceren naar gebruikers. Zij stellen voor om met behulp van hoge-resolutie regenradars en korte- termijnverwachtingen mensen in de stad te waarschuwen voor naderend extreem weer. Zij demonstreerden hun idee aan de hand van een proefopstelling in Rotterdam. Paul Petersik uit Duitsland besprak zijn idee getiteld VineForecast – een methode om individuele verwachtingen te maken voor het uitbreken van schimmelziekte in wijngaarden. Het doel hiervan is om verwachtingen te maken van het risico op het uitbreken van meeldauw in wijngaarden met behulp van hoge-resolutie modellen, lokale waarnemingen en een zelflerende computer. Hiermee zouden wijnboeren tijdig gewaarschuwd kunnen worden waardoor er aanmerkelijk minder pesticiden en andere middelen hoeven worden gebruikt.
De prijsuitreiking tijdens de EMS in Kopenhagen. Van links naar rechts: Yann Dufournet, Harry Otten, Chris Brunt, Malcolm Kitchen, Leo Kroon en Paul Petersik. 22
Meteorologica 4 - 2019
Bachelor of Science
Soil, Water and Atmosphere
Master of Science in
Meteorology and Air Quality
Wageningen University Meteorology and Air Quality www.maq.wur.nl
Contact: Arnold Moene arnold.moene@wur.nl
Information: BSc: www.wur.nl/bbw MSc: www.wur.nl/mee
Meteorologica 4 - 2019
23
De Jannen waarnaar toekomstige ‘code-geel’ stormen zullen worden vernoemd Henk de Bruin
Op 6 september 2019 werd het volgende bericht op de KNMI-website geplaatst: “Stormen waarvoor het KNMI een code oranje of rood voor windstoten uitgeeft, krijgen vanaf nu een naam. Het KNMI heeft samen met de weerdiensten Met Office (Groot-Brittannië) en Met Éireann (Ierland) een lijst met stormnamen voor het seizoen 2019-2020 opgesteld. Hiermee willen we het bewustzijn van gevaarlijk weer vergroten voordat het toeslaat. De Britse Met Office en de Ierse Met Éireann werken sinds 2015 samen in de naamgeving van stormen die gevolgen hebben voor de samenleving. Vanaf komend seizoen neemt het KNMI deel aan dit samenwerkingsverband.” Op genoemde lijst pronkt de naam ‘Jan’. Op dezelfde site staat te lezen dat deze naam refereert naar Jan Pelleboer, en naar Jan Buisman. Deze Jannen zijn geboren in respectievelijk 1924 en 1925 en voor de wat jongere lezers van Meteorologica is het daarom interessant iets over deze Jannen te memoreren. Jan Pelleboer (1924-1992) Jan Pelleboer (Figuur 1) groeide op te ’s-Heerenbroek, een dorp aan de IJssel. Als jongeman richtte hij eigenhandig een weerstation in op het erf van de boerderij van zijn ouders, dat medio 1943 werd erkend als formeel KNMI-termijnstation. Na de bevrijding fietste hij naar de Bilt om te solliciteren bij het KNMI en hij werd aangesteld als waarnemer op het vliegveld Eelde. In het pension van de familie Huizinga te Paterswolde, waar hij onderdak vond, ontmoette hij zijn latere vrouw Jannie. Het paar is er de rest van hun leven blijven wonen. In 1947 begon hij weerstukjes te schrijven voor regionale kranten. Tevens kocht hij een toverlantaarn en gaf hij met behulp van lantaarnplaatjes lezingen in de directe omgeving
Figuur 1. Jan Pelleboer.
van zijn woonplaats. Gewapend met zijn toverlantaarn, een wit laken en een auto toerde hij met collega Harm Reinders en Jannie door Groningen en Drenthe. In 1954 nam hij ontslag bij het KNMI om freelancer te worden. Hij schreef weerberichten voor dagbladen in Noord-Holland (onder meer de Telegraaf), Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en ook voor tijdschriften zoals de Tijd, Elsevier, Het Vaderland en later de Story. Ook verzorgde hij weerberichten op de radio. Vanwege zijn talent om te communiceren met ‘het gewone volk’ kreeg hij landelijke bekendheid, mede door zijn rubriek ‘Weer in Europa’ van de Wereldomroep, geprogrammeerd pal na de noodoproepen van de ANWB. De TROS benaderde hem voor de TV om het weekendweerbericht te presenteren. Door te eisen dat hij hiervoor niet helemaal naar Hilversum wilde komen, probeerde hij dit te ontlopen. Maar tot zijn stomme verbazing kwam de TROS-cameraploeg naar Paterswolde. De kijkers vonden het prachtig en hij werd zelfs een soort popster. Jan vond dit echter ontzettend vervelend, en in augustus 1984 stopte hij abrupt met zijn TV-optredens. Hij zette toen een telefonische weerlijn op. Een commercieel bedrijf wilde de weerlijn kopen en bood 24
Meteorologica 4 - 2019
hem een contract aan voor vijf jaar, met een jaarsalaris van 300.000 gulden. Jan Pelleboer sloeg dit aanbod af. Ondanks dat hij zijn hele leven nooit ziek was geweest overleed Jan in 1992 aan een hartstilstand. Jan Buisman (gebaseerd op Wikipedia) Na zijn opleiding aan de Christelijke Kweekschool te Den Haag was Buisman verscheidene jaren onderwijzer. Op latere leeftijd ging hij in Amsterdam aardrijkskunde en geschiedenis studeren, en in 1968 haalde hij zijn doctoraalexamen historische geografie. Buisman stond 28 jaar voor de klas en schreef een twintigtal boeken. Na zijn pensionering zette hij zich aan zijn levenswerk: de omvangrijke serie ‘Duizend jaar wind en water in de Lage landen’, die uiteindelijk acht delen moet beslaan. Zeven delen zijn al verschenen (augustus 2019). In deze serie behandelt Buisman vanaf het jaar 763 voor elk jaar de weersomstandigheden in Nederland, België, en omstreken. Uit de meest diverse bronnen weet hij nuttige weergegevens op te diepen. Zo kan men via Buisman van vrijwel elk jaar sinds 763 nagaan wat de weersomstandigheden waren, soms zelfs tot op de dag nauwkeurig. De boekenreeks verschijnt in nauwe samenwerking met het KNMI in De Bilt en wordt uitgegeven door uitgeverij Van Wijnen. In maart 2011 verscheen een soort ‘tussendeel’ in de reeks, dat de honderd hoogtepunten uit de weergeschiedenis van Nederland beschrijft: extreem weer! Een canon van weergaloze winters en zinderende zomers, hagel en hozen, stormen en watersnoden. Het zevende deel in de boekenreeks ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’, wederom geschreven in samenwerking met het KNMI, verscheen op 24 augustus 2019 (zie de recensie hiervan op pagina 27). Jan Buisman is dan al 94 jaar oud. In de boekenrubriek van het VPRO-radioprogramma OVT van 29 september werd dit boek besproken. Jan ontving verschillende onderscheidingen: hij werd Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en ontving de Zilveren Anjer uit handen van prinses Beatrix (Figuur 2), voor zijn verdiensten als weerhistoricus, die inmiddels als cultureel erfgoed worden beschouwd.
Figuur 2. Jan Buisman ontvangt de Zilveren Anjer uit handen van prinses Beatrix.
Woestijndagen Jos de Laat (KNMI) Afgelopen zomer was het dan “eindelijk” zo ver: het record van de hoogst gemeten maximumtemperatuur in Nederland werd verbroken. Na drie weken koel zomerweer in juli was daar ineens een week met uitzonderlijk hoge temperaturen. Toch zat het er natuurlijk wel een beetje aan te komen: de temperatuurrecords in Nederland van afgelopen zomer. Niet alleen vanuit klimatologisch perspectief – de Nederlandse temperatuurrecords stonden namelijk al een behoorlijke tijd, terwijl de gemiddelde temperatuur in Nederland de afgelopen 50 jaar met meer dan een graad is gestegen, en de maximumtemperaturen zelfs nog meer. Ook de weersvoorspellingen hadden de warme luchtmassa’s – die op hoogte vanuit het zuiden en met Saharazand onze kant op kwamen – voordat het daadwerkelijk gebeurde al dagenlang in de smiezen. Met alle aandacht voor het bijzondere weer, waarbij “tropische temperaturen” en “tropische nachten” in de media gemeengoed waren, bekroop mij ook een wat ongemakkelijk gevoel. Want temperaturen boven de 35 graden, allemaal mooi en aardig, maar is het eigenlijk terecht om deze als “tropisch” te bestempelen? Immers, extreem hoge temperaturen in Nederland zijn eigenlijk altijd het gevolg van transport op hoogte van warme lucht uit zuidelijke regionen. Een beetje Nederlandse meteoroloog denkt dan al snel aan de “Spaanse pluim”, wat vooral iets zegt over de geografische oorsprong van zomerhitte in Nederland. In bredere zin hebben we het dan over lucht op hoogte afkomstig vanuit droge gebieden rondom de Middellandse Zee. Dat kan natuurlijk Spanje zijn, maar afgelopen zomer was dat overduidelijk de Sahara. Daar komt nog iets anders bij. In de “echte” Tropen stijgen de temperaturen maar zelden tot boven de 35 graden. De tropische atmosfeer is daarvoor veel te vochtig en te onstabiel. Lang voordat de 35 graden bereikt wordt zal er een tropische onweersbui losbarsten waarbij de warmte naar grotere hoogte wordt getransporteerd en lucht nabij het aardoppervlak wordt afgekoeld: de natuurlijke airconditioning van het tropische klimaat. Wat hierbij ook niet helpt is dat, naarmate het warmer
wordt, meer energie gebruikt wordt voor verdamping van vocht dan voor het verwarmen van de lucht (Bowen Ratio, Clausius-Clapeyron). Kortom, het klopt eigenlijk niet: temperaturen boven de 35 graden bestempelen als “tropisch”. Allleen bij afwezigheid van vocht is de atmosfeer in staat om warmer dan 35 graden te worden. Typisch denk je dan al snel aan een woestijn, waar temperaturen hoger dan 35 graden heel normaal zijn. Zolang het maar droog genoeg is om verdamping te voorkomen en/of buien te genereren. Wat ons terugbrengt naar hittegolven in Nederland: die zijn meestal zeer zonnig, want woestijnlucht is kurkdroog. Daarom is mijn bescheiden suggestie om dagen in Nederland met maximumtemperaturen boven de 35 graden voortaan te omschrijven met een term die meer recht doet aan de uiteindelijk oorsprong van dergelijke dagen in Nederland: de “woestijndag”. Niet alleen beschrijft deze term de meteorologische omstandigheden beter, het is ook een handig beeld qua communicatie: iedereen die wel eens in een woestijn is geweest kan er wat mee. Zoals ik ooit eens bij 52 graden en windkracht 4 in Death Valley uit de geairconditioneerde huurauto stapte: een föhn was er niets bij.
Death Valley (bron: pixabay.com). Meteorologica 4 - 2019
25
In Memoriam Jon Wieringa Op vrijdag 1 november jongstleden overleed onverwachts Jon Luchtkwaliteitgroep die, onder leiding van zijn opvolger, Bert Wieringa (Figuur 1), erelid van de NVBM en medeoprichter Holtslag, uitgroeide tot een onderzoeksgroep met wetenschapvan de European Meteorological Society (EMS). Jon trad in pelijke wereldfaam. 1965 in dienst bij het KNMI als wetenschappelijk ambtenaar. Jon Wieringa was ook nauw betrokken bij de oprichting Opgeleid als natuurkundige besefte Jon dat van de NVBM. Toen stond de ‘B’ nog voor voor het meten van verspreiding van lucht‘Beroeps’, mede omdat hij een groot voorverontreiniging in een turbulente atmosferivechter was van het certificeren van beroepssche grenslaag speciale apparatuur nodig was, meteorologen. Hij zag de NVBM als hoeder onder meer voor het snel meten van de drie van deze beroepsgroep. In de beginperiode componenten van de windsnelheid. Ook was van de NVBM kon men alleen lid worden na hij betrokken bij het ontwikkelen de trivaan goedkeuring van een ballotagecommissie. Wat (Figuur 2). Hij was bovendien betrokken bij hem dreef verwoordde hij zeer expliciet in zijn het Flevomeerproject, en met zijn trivaan inaugurele rede getiteld “Weeramateurs, meteverzamelde hij een unieke dataset die zeer orologen en beunhazen.” recentelijk nog is gebruikt (Jansen en Teuling, Een zeer belangrijke verdienste van Jon 2019). Wieringa was zijn inbreng bij de oprichting Jon groeide uit tot internationaal deskunvan de EMS. Uit het grote aantal deelnemers dige op het gebied van windklimatologie en aan de jaarlijkse EMS-bijeenkomsten blijkt het Figuur 1. Jon Wieringa met pijp. de classificatie van de ruwheid van landopperbelang van de EMS, dat als overkoepelende vlakken. Zijn werk op dit gebied is vaak geciteerd. Dit geldt organisatie Europese meteorologen en onderzoekers bijeen overigens ook voor het boek over het windklimaat in Nederbrengt. Recent schreef hij met René Morin nog twee artikelen land dat hij samen met Peter Rijkoort schreef. in Weather over de geschiedenis van de EMS (2018). Om windwaarnemingen voor invloeden van lokale obsta Gedurende zijn gehele carrière heeft Jon zich sterk kels te corrigeren ontwikkelde hij een methode voor het bepagemaakt voor gedegen literatuuronderzoek en verslaglegging len van de ‘potentiële wind.’ Hij voerde daarvoor de ‘blending van wetenschappelijk werk. De rol van een goed functionerenheight’ in van 60 m. Een niet te onderschatten bijdrage aan het de bibliotheek beschouwde hij als essentieel voor onderzoek. grenslaagonderzoek in Nederland vormen zijn inspanningen Tijdens de laatste bijeenkomst van de KNMI-gepensioneerinzake het tot stand komen van de 200 m hoge meetmast te denbond op 29 oktober 2019 in de Biltse Hoek – dus drie Cabauw, tot op de dag van vandaag het paradepaardje van het dagen voor zijn overlijden – sprak hij nog zijn bezorgdheid uit KNMI en van de Nederlandse grenslaagonderzoekers in het over de reorganisaties bij de KNMI-bibliotheek. Zijn zorgen algemeen. Kennisoverdracht via colleges geven aan studenten betroffen de verplaatsing van de bibliotheek en het inkrimpen vond hij zeer belangrijk, zeker toen hij in 1992 de overstap van het personeelsbestand. Hieruit blijkt dat Jon strijdbaar maakte naar Wageningen. Maar ook in zijn KNMI-tijd gaf hij bleef tot het eind. al college: als gastdocent bij het IHE en als deeltijdhoogle Zijn bedachtzame manier van spreken en zijn pijproken raar, beide in Delft. Ook heeft hij zich binnen de EMS sterk staan voor altijd gegrift in het geheugen van de mensen die gemaakt voor een onderwijscommissie. hem gekend hebben. In de rubriek Kroonjaar 2018 van de In 1992 verliet hij het KNMI, want Jon werd benoemd tot KNMI-gepensioneerdenbond beweerde hij bijna trots dat zijn fulltime hoogleraar in de Meteorologie aan de Landbouwunicardioloog had toegestaan dat hij ter ontstressing mocht blijversiteit Wageningen, als opvolger van Bert Wartena, toen nog ven pijproken. Jon was bovendien een begenadigd amateurbij de vakgroep Meteorologie. Naast het reguliere onderwijs pianist en hij begeleidde zichzelf op de gitaar als hij tijdens van deze groep (Kroon, 1997) richtte hij zich ook op het feestjes vertalingen van Franse chansons ten gehore bracht. verzorgen van internationaal onderwijs voor het opleiden Het bestuur van de NVBM wenst zijn vrouw, twee dochters van agrometeorologen (zie bijvoorbeeld het WMO-rapport en vier kleinkinderen alle sterkte toe bij het verwerken van dit van Wieringa en Lomas, 2001). Mede gezien zijn leeftijd verlies. besloot Jon om met vervroegd pensioen te gaan. Door terug te treden maakte hij de weg vrij voor een fusie met een andeGert-Jan Steeneveld (namens het NVBM-bestuur) re Wageningse groep met luchtkwaliteit als onderwerp. Zo stond hij indirect aan de basis van de huidige Meteorologie en Deze In Memoriam is tot stand gekomen dankzij bijdragen van Henk de Bruin, Gerard Cats, Bert Holtslag, Leo Kroon, Arne Spekat, en Heleen ter Pelkwijk, waarvoor onze grote dank. Literatuur
Figuur 2. Jon Wieringa met de door hemzelf ontwikkelde trivaan. 26
Meteorologica 4 - 2019
EMS, 2018: https://www.emetsoc.org/about-ems/history/. Jansen, Femke A. and A. J. Teuling, 2019: https://www.hydrol-earth-syst-sci-discuss.net/ hess-2019-393/. Kroon, L., 1997: Het onderwijs in de meteorologie in Wageningen - deel 2: de periode vanaf 1992. Meteorologica, 26, no 4, 8-11. Van Ulden, A. P., and J. Wieringa, 1996: Atmospheric boundary layer research at Cabauw. Bound.-Layer Meteor., 78, 39–69. Wieringa J. (1973): Applications of turbulence measurements over Lake Flevo. D.Sc. Thesis, Utrecht University, Netherlands. Wieringa J. en Lomas J. (2001): Lecture notes for training agricultural meteorological personnel. WMO-No.551, 2nd ed., 196 p., ISBN 92-63-12551-1.
Bespreking van Jan Buismans “Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen”, deel 7 Harry Geurts Het heeft even geduurd maar nu is het verschenen: deel 7 uit de reeks “Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen” van Jan Buisman. Opnieuw een dikke pil van bijna 1000 pagina’s en dat is opmerkelijk omdat de periode waarover dit deel gaat slechts 25 jaar beslaat. Eerdere delen gingen over tijdvakken van 50, 75 en 100 jaar of nog langer. Naarmate we dichterbij de huidige tijd komen is er in de archieven steeds meer over het weer te vinden. Dat geldt zeker voor de jaren 1801-1825 die in dit deel aan bod komen. Het begin van de 19e eeuw was een bijzonder interessante periode waarin geschiedenis met hoofdletters werd geschreven. Neem alleen al de uitbarsting van de Tambora vulkaan in april 1815 met de maandenlang aanhoudende asregens in Indonesië, gevolgd door de beruchte zomer van 1816 met mislukte oogsten in delen van Europa. De vrij algemeen gedeelde mening dat in bijna heel Europa de oogsten slecht waren spreekt Buisman tegen. Het is ook het tijdperk van Napoleon met oorlogen, en bovenal zijn nederlaag in de Slag bij Waterloo in 1815. In de beslissende dagen van deze slag regende het flink met soms zelfs onweer. Napoleon had last van de modderige wegen, maar hij heeft natuurlijk ook tactisch gefaald. Buisman beschrijft de situatie zoals we van hem gewend zijn, vol details en in een verteltrant die je niet loslaat. Je bent gewaarschuwd: als je eenmaal in dit boek begint te lezen dan is het moeilijk weg te leggen. Het wemelt van de meteorologische details, met talloze gegevens waarover niet eerder op deze manier in samenhang met grote wereldgebeurtenissen is geschreven. Daarbij heeft de schrijver steeds aandacht voor het gewone dagelijkse leven. Het boek begint gelijk met een storm zonder weerga: 9 november 1800. Net voor het begin van de 19e eeuw woedde in Nederland de zwaarste storm in eeuwen waarbij alleen al in Amsterdam tientallen mensen de gracht inwoeien en in het hele land enorme schade werd aangericht. In Brabant worden veel kerken vernield maar de wind was niet de enige oorzaak. Door de godsdienstoorlog hadden de gereformeerden de katholieke kerken bezet, maar die bleven leeg, vooral door het mislukken van de protestantisering van Brabant. Vanwege achterstallig onderhoud waren de kerken zodoende in slechte staat en waren ze een makkelijke prooi voor de wind. Ook andere vormen van extreem weer, stormvloeden, wateroverlast en rivieroverstromingen, komen verspreid door het boek uitgebreid aan bod. Uiteraard is er veel aandacht voor de gevolgen van bar winterweer, een onderwerp waarover in het verleden meer is geschreven dan over zomerweer. Warme zomers waren in de minderheid en koude winters duidelijk in de meerderheid. Opmerkelijk is de winter van 1822-1823 met een ongekend venijnige koudegolf. Eind december 1822 wordt voor het eerste in anderhalve eeuw de twaalfstedentocht gereden, een barre schaatstocht van 320 kilometer langs twaalf steden in Noord-Holland. Maar echt koud wordt het pas in januari 1823, met een gemiddelde temperatuur van -7 graden nog altijd, en hoogstwaarschijnlijk voor altijd, de koudste maand in de geschiedenis. Voor de liefhebbers zijn de oorspronkelijke tabellen met de waarnemingen van Simon Veen uit Haarlem in het boek opgenomen. En ook in de 27 bijlagen zijn tal van interessante tabellen en overzichten te vinden die het boek tot
Figuur 1. Jan Buisman houdt het weer vanaf het balkon goed in de gaten (foto: Harry Geurts).
een waardevol naslagwerk maken. Nieuw ten opzichte van de vorige delen is de uitgebreide inhoudsopgave waarmee het boek opent. Dat maakt het heel handig om snel wegwijs te worden in de enorme hoeveelheid gegevens die het boek bevat. Jan Buisman (Figuur 1) nadert de 95 en zit nog steeds vol energie om de reeks te vervolgen, ondanks zijn wat mindere gezondheid in de afgelopen maanden. Onvermoeibaar blijft hij interviews geven naar aanleiding van zijn nieuwste publicatie en over zijn werk. Hoe meer, hoe liever. Daarbij stelt hij zich bescheiden op en waagt zich niet aan boude uitspraken op het terrein van de meteoroloog of klimaatonderzoeker. In een radio-interview zegt Buisman dat hij zich baseert op feiten en niet op meningen, want “die zijn gevaarlijk.” Een uitspraak waarin de redacteur van het Radio 1 journaal een nieuw tegeltje zag. Een recensent van het VPRO programma OVT noemt Buisman de “Lou de Jong van het weer.” Voor zijn publicaties werkt hij samen met het KNMI, dat het werk van groot belang vindt voor de meteorologische wetenschap. “Dankzij zijn werk beschikken we over een ruim duizendjarige tijdreeks van de zomer- en wintertemperaturen in onze streken sinds de achtste eeuw,” meldt het KNMI op haar website. “Er bestaat nauwelijks onderzoek als dat van Jan Buisman dat gebruik maakt van historische bronnen.” Meer informatie 1. Het werk van Jan Buisman: www.duizendjaarweer.nl. 2. Een kort interview met Jan Buisman bij gelegenheid van het ontvangen van de Zilveren Anjer (2017): https://www.youtube.com/watch?v=nhAmARwQZ0c. 3. Boekgegevens: Jan Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 7, 1800-1825, Uitgeverij van Wijnen, Franeker, 2019. Hardback, 992 blz., ISBN: 9789051942156, €49,50.
Meteorologica 4 - 2019
27
MAXIMAAL 40 DEELNEMERS
28
Meteorologica 4 - 2019
HĂŠt magazine voor sterrenkunde, ruimteonderzoek weer en klimaat
Jaar nt eme n n o ab 5
9 , ₏ 49
Nu met GRATIS sterrenkundig jaarboek
Ga nu naar www.zenitonline.nl/meteo of bel 072 531 49 78 (ma t/m vr 13-17 uur) Deze actie geldt alleen voor nieuwe abonnees, voor abonnementen binnen Nederland en zolang de voorraad strekt.
Meteorologica 4 - 2019
29
10 years after
column
Gerard van der Schrier
30
Meteorologica 4 - 2019
‘Hide the decline.’ Deze woorden zijn zo ongeveer alles wat is blijven hangen van de gehackte emails van prof. Phil Jones. Op 19 november 2009 belandde een deel van de emailbox van de directeur van de Climatic Research Unit (CRU), bekend van onder meer de tijdreeksen van de wereldgemiddelde temperatuur, via een obscure Russische website op straat. Hiermee stak de door de wetenschapsontkenners ontketende storm op waarbij de klimatologie onder een vergrootglas kwam te liggen en waarbij Phil Jones volop in de gure wind van Climategate kwam te staan. “Mensen zouden mijn artikelen moeten lezen in plaats van mijn emails,” is het onderkoelde commentaar van Phil als ik hem via Skype spreek. Ondertussen trekt het klimaat zich niets aan van Climategate. Je druk maken om de ‘decline’, een afkoeling in een temperatuurreconstuctie, is allang tot een zieke grap verworden nu de afgelopen 5 jaar allemaal in de top 5 van warmste jaren staan. Na zijn pensionering is Phil meer in de luwte terechtgekomen en bemoeit zich vanuit de achtergrond met projecten die hij leuk vindt. De littekens van Climategate, zoals het hacken van de emails of zijn gemangelde privéleven, vermijdt hij tijdens ons gesprek liever. Maar deze vriendelijke, innemende man met een zachte stem en een scherp verstand heeft wel een mening over de veranderingen die deze storm in het landschap van de klimatologie heeft aanbracht. Heeft Climategate ook tot iets goeds geleid? De manier van onderzoek doen in de klimatologie is in de laatste 10 jaar flink veranderd, waarbij transparantie een prominente rol heeft gekregen. “Ik weet niet of Climategate de enige aanleiding was voor de veranderingen in onze manier van werken,” zegt Phil. “Veel veranderingen hingen sowieso al in de lucht, zoals het publiceren in open-access tijdschriften. Het is heel zinvol om de onderliggende data van studies beschikbaar te maken. Het publiceren van scripts is van veel minder groot belang, want deze zijn alleen leesbaar voor ingewijden,” aldus Phil. Het verlies aan vertrouwen in de goede bedoelingen van de wetenschapsontkenners komt bovendrijven als Phil zich afvraagt: “En wat doe je als je als je het commentaar krijgt dat het script de resultaten niet reproduceert? Vertrouw je er dan op dat er niet gesleuteld is aan je script?” Het gebrek aan toegang tot de meetreeksen waarop de wereldgemiddelde temperatuur is gebaseerd werd een belangrijk argument in Climategate. “Climategate heeft waarschijnlijk plaatsgevonden omdat de CRU een makkelijk doelwit was. We maakten de stationsreeksen niet beschikbaar omdat wetenschappers het gegridde product wilden,” schat Phil in. Een onderzoek
van het Britse parlement heeft dan ook geen aanwijzingen gevonden voor oneerlijkheid of fraude bij de CRU in de bepaling van de wereldgemiddelde temperatuur – een alternatieve reconstructie van onderzoekers van Berkeley gaf vrijwel hetzelfde resultaat – maar bekritiseerde wél het gebrek aan openheid. Toch is het vreemd, want dit punt raakt aan de eigenaarschap van gegevens. Je kunt gegevens waarvan je niet de eigenaar bent, of dat nu metingen zijn of emails, niet zomaar vrij beschikbaar maken. Dat kan alleen de eigenaar doen. En het zijn de meteodiensten die eigenaar zijn van de meetreeksen. Dit is een punt wat Phil nog steeds hoog zit. “Toegang tot gegevens is nog steeds een belangrijk punt voor een aantal mondiale datasets. Veel grote datasets geven niet of slechts ten dele toegang tot de originele waarnemingen die zijn gebruikt,” stelt Phil. “Dat de KNMI-gegevens vrij beschikbaar zijn en dat van een aantal andere landen, is een hele goede zaak, maar bijvoorbeeld de Belgische meteorologische data zijn niet vrij beschikbaar en ook niet alle gegevens van de UK Met Office zijn vrij,” legt Phil uit. Net voor mijn gesprek met Phil hebben de Verenigde Naties de Climate Action Summit afgesloten en heeft de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) een rapport naar buiten gebracht met de laatste stand van de klimaat. “De WMO moet veel actiever worden om vrije data af te dwingen als ze sterke uitspraken willen doen die ze de afgelopen dagen [tijdens de Summit] gedaan hebben,” zegt Phil, om te vervolgen met “De Amerikanen van NOAA’s National Centers for Environmental Information doen het anders: als zij toegang tot data krijgen, dan geven ze deze data ook vrij.” Het punt is natuurlijk dat de weerdiensten dat ook weten, dus die zijn vaak zeer terughoudend om volop toegang te verlenen aan de Amerikanen. Met een knipoog merkt Phil op dat “de Amerikanen alles vrijgeven waar niemand ooit over zal klagen!” Heeft Climategate onze manier van werken radicaal veranderd? Misschien. Open Data en Open Science hebben inmiddels hun intrede gemaakt en transparantie is de norm geworden. Maar het gebrek aan toegang tot de originele meetgegevens – een steekhoudend bezwaar van wetenschapsontkenners – is 10 jaar na dato nog altijd niet opgelost. Als er iets is veranderd aan de manier van werken in de klimatologie als direct gevolg van Climategate, dan is het wel dat de naïviteit verdwenen is; de storm heeft de wereldwijde klimaatonderzoeksgemeenschap volwassener gemaakt. Met dank aan Theo Brandsma.
Sponsors van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Meteorologie
Werken bij KNMI: the best place to be voor onderzoekers!
Colofon Redactie Hoofdredacteur: Richard Bintanja (e-mail: richard.bintanja@knmi.nl, tel: 030-2206499). Redactieleden: Wim van den Berg, Aarnout van Delden, Robert Mureau, Rob Sluijter, Fiona van der Burgt en Ben Lankamp. Artikelen en bijdragen Deze dienen uitsluitend digitaal (bv. per e-mail) te worden aangeleverd, als Word document met figuren apart. Uiterste inleverdata hiervoor zijn: 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november voor respectievelijk nummer 1, 2, 3 en 4. Voor meer informatie over de procedure, zie http://www.nvbm.nl/meteorologica/informatie_voor_auteurs/ Artikelen uit Meteorologica mogen uitsluitend worden overgenomen na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie. Meteorologica (ISSN 0929-1504) verschijnt vier maal per jaar en is een uitgave van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Meteorologie (NVBM). Penningmeester en administratie: Mike Budde (penningmeester@nvbm.nl) Vormgeving: Colorhouse, Almelo Vermenigvuldiging: Colorhouse, Almelo
Abonnementen Alle leden van de NVBM zijn automatisch geabonneerd op Meteorologica. Ook niet-leden kunnen zich abonneren door 31,- euro voor vier nummers over te maken naar IBAN: NL66INGB0000626907, BIC: INGBNL2A, ten name van:
Lid worden van de NVBM Het lidmaatschap van de NVBM kost 55,- euro per jaar. Meer informatie hierover is te vinden op de NVBM website: www.nvbm. nl. Opzeggingen per email naar het bestuur (bestuur@nvbm.nl); hierbij geldt een opzegtermijn van drie maanden.
NVBM-Meteorologica Postbus 464 6700 AL Wageningen
Advertenties Adverteren in Meteorologica is mogelijk. Advertenties worden geplaatst op 3 formaten: A5, A4 of A3. Uiterste inleverdata voor advertenties zijn: 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november voor respectievelijk nummer 1, 2, 3 en 4. Tarieven zijn op te vragen bij Richard Bintanja (e-mail: richard.bintanja@knmi.nl, tel: 0302206499).
onder vermelding van: “Abonnement Meteorologica” en uw adres. Abonnementen worden telkens aangegaan voor een heel kalenderjaar; bij tussentijdse betaling worden de reeds verschenen nummers van dat jaar toegestuurd. Voor abonnees in het buitenland zijn de kosten 38,- euro per jaar. Ook losse nummers kunnen op deze manier worden besteld (zolang de voorraad strekt) voor 10,- euro per stuk, onder vermelding van de gewenste jaargang en nummer(s). Instellingen betalen 65,- euro voor een abonnement. Een student-abonnement kost 16,- per jaar. Opzeggingen per email naar het bestuur (bestuur@nvbm.nl); hierbij geldt een opzegtermijn van drie maanden.
Sponsorschap NVBM Men kan sponsor worden van de NVBM. Een sponsorschap wordt afgesloten voor minimaal 1 jaar. Een sponsor heeft diverse rechten, o.a.: – Het plaatsen van advertenties in Meteorologica – Plaatsing van het firmalogo in het blad. – Het bijwonen van congressen e.d. georganiseerd door de NVBM. Voor meer informatie over het sponsorschap kunt u contact opnemen met Richard Bintanja of Mike Budde (zie boven).
Meteorologica 4 - 2019
31
M E E T I N S T R U M E N TAT I E
Specialist in klimaatmeet instrumentatie
Van Kluit tot Cloud : Bodemvochtigheid en EC HydraProbe
AVO
GroPoint Profile
CaTeC heeft een breed assortiment van sensoren, dataloggers en meetinstrumentatie waaronder sensoren die de volgende bodemparameters kunnen bepalen: Bodemvochtigheid, EC waarden, Bodemtemperatuur en Waterpotentiaal. Toepassingen: • Land- en Tuinbouw • Onderzoek • Monitoring (bijvoorbeeld dijk bewaking) Nieuwe bodemvochtsensoren bij CaTeC: HydraProbe, een bewezen betrouwbare bodemvochtsensor voor steekproeven en permanente metingen. Wereldwijd geroemd om zijn nauwkeurigheid voor elk type bodem dankzij een unieke meettechniek en zijn stevigheid onderstreept met 5 jaar fabrieksgarantie. GroPoint Profile, is één sensor die op verschillende dieptes kan meten zonder dat hier afgraving voor nodig is. Hiermee wordt de bodem minimaal verstoord. Daarnaast wordt er op elke diepte een groot meetvolume gemeten waardoor kleine onregelmatigheden minder invloed hebben op de meting. De AVO : een compleet on-line universele datalogger. Hiermee kunt u via de cloud uw data monitoren, analyseren en veilig opslaan.
Turfschipper 114 | 2292 JB Wateringen | Tel. 0174 272330 | info@catec.nl | www.catec.nl