TUSSEN ANGST EN DROMEN
EEN DIEPE DUIK IN DE TOEKOMST VAN WERK
INHOUD — EEN DIEPE DUIK IN DE TOEKOMST VAN WERK
2
GREG NOTTROT
4
JOERI HEEGSTRA EN SAMIR VEEN
10
TATIANA PRATLEY
17
MATIJS JANSEN EN MARLEEN SCHOLTEN
22
ȘABAN OL
28
MARC VAN WARMERDAM
34
REFLECTIE DOOR TESSA SCHOLTEN
42
TUSSEN ANGST EN DROMEN — EEN DIEPE DUIK IN DE TOEKOMST VAN WERK Wordt werken in de toekomst belangrijker of juist niet? Gaan we meer werken of zorgt technologie ervoor dat er geen banen meer overblijven? De manier waarop wij ons verhouden tot ons werk verandert continu. Het NUT (Nieuw Utrechts Toneel) onderzocht daarom in 2021 de toekomst van ons werk. Alle producties en projecten gingen, elk op een eigen manier, over werken. Dit jaar liep Tessa Scholten stage bij het NUT. Met haar diploma Master Arts and Society bijna op zak begon ze zich steeds meer af te vragen wat de toekomst eigenlijk voor haar in petto heeft. Soms dromend over verschillende rollen die zij zou kunnen aannemen en soms met meer angstige vragen, waar zou ze straks voor moeten waken? Zakelijk leider en dramaturg Jannet van Lange zag Tessa worstelen en opperde eens in gesprek te gaan met Greg Notrott, onze artistiek leider. Het zou Tessa’s toekomstbeeld kunnen verhelderen en tegelijkertijd de voorstelling Nooit meer werken een extra dimensie geven. Tijdens het gesprek krijgt Greg ineens een wild idee. Wat als Tessa eens diep de theaterwereld in duikt en artistiek leiders van andere gezelschappen hierover aan de tand voelt? Ze vraagt hoe ze hun werkveld zien.
Welke ervaringen en ideeën zij hebben als ze denken aan de toekomst van werk. Zou het uitmaken of je aan het begin van je carrière staat of je al aan het einde bent? Maakt het uit of je theater maakt in de randstad of op het platteland? Zo’n onderzoek zou niet alleen de toekomst van Tessa, maar ook de toekomst van het werkveld in beeld brengen, een verbreding waar het NUT ook nieuwsgierig naar is. Zo gezegd, zo gedaan. Tessa trekt op onderzoek uit en bevraagt na Greg Notrott (1983) ook artistiek leiders Tatiana Pratley (1985) van Tryater in Friesland, Matijs Jansen (1986) en Marleen Scholten (1978) van collectief Wunderbaum in Rotterdam, Joeri Heegstra (1993) en Samir Veen (1988) van het piepjonge collectief Opening Statement, Șaban Ol (1962) van theater RAST Amsterdam en algemeen directeur van Orkater Amsterdam Marc van Warmerdam (1954). Met Tessa delen ze hun ervaringen, zorgen en dromen als het gaat om werk en vertellen welke ontwikkelingen zij zien in hun sector. De serie heet ‘Tussen angst en dromen’, naar een motto dat Greg gebruikt als afsluiter van het nagesprek van Nooit meer werken. Teveel angst kan verlammend werken, maar teveel optimisme en dromen zorgt ervoor dat we achterover leunen en kansen missen om dingen beter te maken. De toekomst ligt daartussen, iets wordt nooit wat je ervan droomt, maar ook nooit wat je ervan vreest. Wees scherp genoeg om te durven veranderen, wees niet bang om te veranderen, om uitersten op te zoeken en ergens in het midden uit te komen. Geldt dit ook voor de toekomst van theater in Nederland?
3
TUSSEN ANGST EN DROMEN — GREG NOTTROT OVER DE TOEKOMST VAN WERK Greg Nottrot, geestelijk vader van het NUT en artistiek leider sinds de oprichting in 2007, wilde als kind quizmaster worden óf heilige. Hij is iemand met een groot showgevoel en bezit ook de ijdelheid om iets met een groot publiek te willen meemaken. Op de toneelschool kwam daar het willen onderzoeken van het leven bij en dat doet hij, inmiddels 14 jaar later, nog steeds. Elk jaar onderzoekt het NUT één thema en dit jaar is dat de toekomst van werk. VERANDERING EN DRUK Greg zag om zich heen steeds meer mensen met druk worstelen en burn-out raken, zijn leven veranderde ook behoorlijk toen hij vader werd van twee kinderen. Dat triggerde hem dit onderwerp te onderzoeken.
4
‘De stress die ik in mijn omgeving zie, komt niet alleen voort uit de druk van het werk, maar ook uit de druk van dingen buiten het werk, in alle mogelijkheden die er zijn. Theatermakers kunnen helpen bij het nadenken daarover, zonder per sé een oplossing te bieden.’ De combinatie van ouderschap met werk vindt hij vaak ingewikkeld, ook omdat de verdeling van zorg en werk met zijn vriendin acteur en schrijver Floor Leene minder traditioneel is dan hoe zijn ouders dat deden. ‘Floor heeft op eenzelfde manier ambities en vindt haar werk ook heel belangrijk. Tegelijkertijd willen we er allebei eigenlijk ook de hele tijd zijn voor onze kinderen. Hoe organiseren we dat in godsnaam? Dat maakt het thema ‘werk’ veel groter dan dat, omdat het zoveel zegt over de tijd en
5
de wereld waar we nu in staan; over hoe we dat werk voor onszelf inrichten.’ TOEKOMST VAN DE SECTOR Dat werk onlosmakelijk verbonden is aan de tijd waarin we leven klinkt logisch. Maar wat zijn nou specifieke uitdagingen voor de sector waar ik straks in kom te werken? De toename van media en vermaak borrelen als eerste in Greg op. ‘Je telefoon, Netflix en alles wat aandacht neemt, heeft invloed op de positie van theater. Je ziet dat het schouwburgbezoek voor theater afneemt. De behoefte om als gemeenschap bij elkaar te komen en dingen echt fysiek mee te maken blijft wel bestaan, wat je kunt zien aan de toename van festivals en theater op locatie.’ Greg is ook heel benieuwd wat de rol van VR daarin gaat zijn. Een ander fascinerend punt vindt hij de positie van waarheid en van fictie. ‘Met het gegeven dat politici en kranten zich steeds meer permitteren fictieve werelden op te trekken, lopen die steeds meer door elkaar. In zekere zin worden we daardoor allemaal makers en acteurs.’ TOEKOMST VAN JE DROMEN In de toekomst van zijn dromen, schetst hij een utopisch beeld waar er voor elke 100.000 mensen een eigen theatergezelschap, zoals er voor elke 100.000 mensen een ziekenhuis of huisartsenpraktijk is. Hij gelooft dat iets eerst moet functioneren binnen de wijk, dan in de stad en dan in het land. ‘De schouwburgen zijn eigenlijk het huis voor die stad, zij kunnen makers en kunstenaars uitnodigen die met hun voorstellingen de aanleiding zijn voor het gesprek. De schouwburg zorgt dat het gesprek gaande blijft op de plek waar alle
6
bubbels bij elkaar komen. Met heel belangwekkende, succesvolle voorstellingen zou je misschien wel een groter publiek aantrekken, maar de grootste functie begint in de directe omgeving, daar probeer je zoveel mogelijk perspectieven bij elkaar te brengen. De afgelopen jaren hebben we ons veel laten leiden door doelgroep-denken, waarbij er voor alle verschillende doelgroepen aanbod moest zijn. Het gevaar daarvan is dat iedereen ook vooral de eigen doelgroep weer tegenkomt. De uitdaging zit erin om daaraan voorbij te gaan, onderzoeken hoe je de ontmoeting tussen bubbels echt plaats kan laten vinden.’ Zijn eigen rol in de toekomst, die van artistiek leider, ziet Greg als heel divers maar in ieder geval een gulle gastheer/-vrouw/-mens. ‘Om iets te kunnen delen, moet je er eigenaar van zijn. Iets moet van mij zijn, zodat ik kan zeggen: ‘kom binnen en neem, voel je thuis en vrij en ook: dit zijn de regels’. Ik denk dat een goede artistiek leider aan de ene kant zijn huis heeft wat heel erg staat voor wie hij of zij is, en anderzijds dat diegene ook de ruimte heeft om te zeggen: ‘kom binnen, doe mee, maak ook iets, reageer, geef antwoord’. De vorm houdt ook niet op bij theater; het kan ook een spel, briefwisseling of gesprek via een telefoonlijn zijn.’ TERUGKIJKEN EN VOORUITBLIKKEN Als ik Greg vraag om terug te blikken op de afgelopen 14 jaar, lijkt hij zich een beetje opgelaten te voelen. ‘Het voelt ook alsof ik dit pas een paar jaar doe en het voelt niet alsof ik het onder de knie heb of het kan, omdat je steeds op eenzelfde manier je plek moet bevechten. Het heeft altijd als iets kinderlijks gevoeld; het werken. Alsof ik gewoon
7
maar iets aan het proberen ben. Wel met een alsmaar groeiend gezelschap en voor een steeds groter publiek. Dat is ook vreemd. Het voelt heel erg van mij, ik zie bijna geen onderscheid tussen mijn werk en hoe ik bezig ben of denk, maar je voelt dat het NUT langzaam echt een soort bedrijf wordt. De verantwoordelijkheid van mijn grillen en wie ik ben, houden niet meer op bij mij.’ Ondanks de duidelijke signatuur die hij in 14 jaar tijd met het NUT heeft ontwikkeld, blijft het ingewikkeld aan theater dat het je altijd gegund moet worden: veel gezelschappen, waaronder het NUT, zijn voor een groot deel afhankelijk van inkomsten uit subsidie. ‘Het verkrijgen van die subsidie is elke vier jaar weer een strijd, het is telkens opnieuw energie stoppen die ruimte te bevechten. Naarmate je ouder wordt, lijkt dat gunnen minder vanzelfsprekend te zijn en tegelijkertijd betekent ouder worden niet meer alleen verantwoordelijk zijn voor jezelf omdat je ook kinderen onderhoudt en opvoedt.’ Persoonlijk maakt hij zich daar niet druk om, hij vindt zijn weg wel, is het niet als theatermaker, dan desnoods achter een bar, en hij zou ook graag onderwijzer willen worden - het wegvallen van die gunfactor is een veelvoorkomende angst van theatermakers. ‘Wanneer het je niet meer gegund wordt, terecht of niet, is het de vraag: kan ik dan weer de modus vinden waarin ik het opnieuw wil bevechten? Vind ik dan de energie om opnieuw die plek te verwerven?’ Greg’s beeld van de toekomst is positief en vol dromen voor de komende jaren die hij nog moet werken. ‘Ik denk dat ik zeker tot mijn 73e door moet, dan mag ik met pensioen. Het voordeel is dat ik altijd heel enthousiast word van dingen, ik zou nog zo veel kunnen doen
8
en worden, zowel buiten als binnen het theater. Ik heb voor nu vooral heel veel zin om de volgende stap met het NUT te zetten. In het creëren van een eigen plek binnen het nieuwe cultuurcluster op het Berlijnplein, een theaterruimte die ongekend is! Iets wat echt een laboratoriumplek kan worden, waar we met meer makers onderzoek kunnen doen naar belangrijke thema’s. Er zullen altijd genoeg nieuwe thema’s blijven komen die relevant zijn, dus qua thematiek kan ik makkelijk 35 jaar vooruit. Toen wij het NUT lang geleden begonnen zeiden we: Wij zijn het stadsgezelschap van de toekomst. Daarom noemen we onszelf alvast het Nieuw Utrechts Toneel. En die ambitie is er nog steeds. Leidsche Rijn is de nieuwe stad en wij zijn het stadsgezelschap hier. Daarmee zijn we op een gegeven moment wel hét stadsgezelschap van Utrecht.’
9
TUSSEN ANGST EN DROMEN — JOERI HEEGSTRA EN SAMIR VEEN OVER DE TOEKOMST VAN WERK Het spiksplinternieuwe collectief Opening Statement is opgezet met een activistische missie om impact te maken en verandering teweeg te brengen. Makers en oprichters Joeri Heegstra, Samir Veen (en Claire Bender, die er niet bij is) maken voorstellingen over klassenstrijd, klimaatverandering, woningnood en platformeconomie. Of, zoals Joeri het poëtischer verwoordt: ‘We worden gedreven door het idee van: deze shit is fucked up in de wereld. En wat kunnen wij daarmee doen op een manier die constructief is?’ Joeri (1993) en Samir (1988) zien ook in de cultuursector veel concrete zaken die beter kunnen. Er volgt een vurig pleidooi vol suggesties en idealen voor de toekomst afgewisseld met frustraties en kritiek op het huidige systeem. Het leidt tot zes oproepen tot verandering – in willekeurige volgorde – die rondspoken in de hoofden van deze maatschappelijk betrokken jonge makers.
10
ZORG VOOR VEILIGHEID Samir: ‘Er moet meer veiligheid komen voor kunstenaars. Zoals in België, waar de overheid middels het kunstenaarsstatuut garandeert dat als je gangbare kunst maakt, je tussen twee projecten niet verhongert. Als we een subsidie willen aanvragen waarmee we iedereen normaal kunnen betalen, moeten we dingen doen die gewoon niet kunnen zoals garanderen dat we de voorstelling 40 keer uitverkopen. Omdat we deze garantie niet kunnen geven, hebben we in plaats daarvan twee kleinere subsidieaanvragen van 5.000 euro gedaan, die makkelijker zijn om te krijgen. Hiermee moesten we onszelf schandalig onderbetalen, maar met de Tozo [tijdelijke overbruggingsregeling voor ondernemers tijdens corona, red.] kwamen we toch uit op een sociaal minimum.’ Joeri: ‘Opening Statement kon ontstaan omdat we onze eerste voorstelling Warfare konden bekostigen door middel van de Tozo. Het is misschien wel eens voorgekomen dat iemand zijn subsidie kwijtraakte, iets anders is gaan doen en op het goede pad terecht is gekomen.
11
Mensen worden creatiever als de bodem onder ze wordt weggeslagen omdat ze moeten overleven. Maar het beeld dat die overlevingsdrang goed is voor de kunstenaar, is echt heel erg schadelijk.’ CREËER EEN LANGE ADEM Joeri: ‘Ik hoop dat er voor meer voorstellingen de mogelijkheid komt om die een langere periode te kunnen spelen, om zo hun plek te vinden in de loop der jaren. Vaak wordt een voorstelling nu één seizoen gespeeld, misschien met een reprise. Het ontmoedigen van de lange adem is een zwaktebod van het huidige systeem.’ Samir vult aan: ‘En iedereen is daar de dupe van. Theaterprogrammeurs moeten hierdoor het theater voor 90% volprogrammeren met voorstellingen die ze niet hebben gezien, omdat de voorstellingen die ze programmeren überhaupt nog niet gemaakt zijn. Een programmeur kan hierdoor alleen maar afgaan op zijn netwerk, waardoor
12
ruwe parels ontdekken lastig wordt.’ DEMOCRATISEER HET BESTEL Joeri: ‘Ik zou graag zien dat er een veel democratischer bestel komt. Een cultuurbestel dat zich niet alleen op de top concentreert en een gelijkwaardigere positie kent voor de makers ten opzichte van de andere instanties.’ Samir: ‘De mensen die de kunsten uitvoeren zijn altijd de dupe: zij worden het slechtst betaald, maken de meeste overuren, zijn het vaakst overspannen en meestal niet verzekerd. Het gevoel dat we geen zorg hoeven te dragen voor de kunstenaars ‘omdat zij het uit passie doen’ is heel cru. Er is een Fair Practice Code, maar die wordt vaak naar beneden doorgegeven. Een festival zegt bijvoorbeeld tegen makers: ‘als je hier tekent en belooft in twee weken een voorstelling te maken, krijgt iedereen ‘fair practice’ betaald.’ Terwijl iedereen weet dat het praktisch onmogelijk is om in zo’n korte tijd een voorstelling te maken.’ Joeri: ‘Je hebt een groep makers die bij een open call zegt: wij doen hier niet aan mee. Maar zo’n festival ontvangt alsnog honderden aanmeldingen. Je hebt als maker dan een zwakke positie. Want letterlijk: voor jou, tien anderen. In plaats van de bal terug te kaatsen zou zo’n festival, of eigenlijk alle maakplekken, eensgezind naar boven moeten kijken, naar de politiek of de fondsen. En die stap wordt te weinig gemaakt. Bijna iedereen zit in een precaire situatie, want zo’n festival is natuurlijk ook bang om subsidie te verliezen.
13
VOER EEN DOORLOPEND GESPREK MET DE POLITIEK Joeri: ‘Ik maak me zorgen over de onzekerheid en versplintering bij makers, die je op dit moment in zo veel sectoren ziet. Als iedereen maar ZZP’er is en nauwelijks rondkomt, kun je ten eerste gewoon moeilijk kunst maken omdat je gestrest bent over je huur. Ten tweede wordt het ook gewoon moeilijk om jezelf als sector te organiseren. Er bestaan wel lobbygroepen, en dat is hartstikke goed, maar ik vrees wel dat een grotere sociale onzekerheid ertoe leidt dat we samen geen vuist meer kunnen maken als we het ergens niet mee eens zijn. Het is momenteel makkelijker om elkaar zien als concurrent dan als collega.’ Samir: ‘Overheidsfondsen werken nu met checklijsten, onafhankelijke commissies en puntensystemen, om die subsidie maar niet te verliezen. In plaats van een systeem waar elke vier jaar een harde reset is, waar iedereen moet vechten om zijn geld, zou ik willen dat er een doorlopend gesprek plaatsvindt.’ Joeri: ‘Als culturele sector heb je een vertegenwoordiger op het hoogste niveau nodig. Iemand die het belang van kunst en cultuur erkent en deze op zijn of haar eigen voorwaarde durft te verdedigen. Die het debat durft te sturen naar een gesprek over de waarde van kunst, los van de economische waarde. Dat is een gesprek dat nu helemaal uit het discours is verdwenen.’
14
Samir: ‘Kunst is enorm belangrijk om een maatschappelijk debat levend, scherp en constructief te houden. Een grote kaalslag leidt ertoe dat mensen vergeten, of niet meer snappen wat de noodzaak van kunst en cultuur is, omdat het maatschappelijk debat erover erodeert.’ FOCUS OP DE INHOUD Samir: ‘Ik zou graag willen dat, net als in de filmwereld, auteurs in eerste instantie iets mogen maken wat gebaseerd is op de inhoud. En niet op de verkoopcijfers. Als mensen zich op de inhoud kunnen richten wordt er betere kunst gemaakt en dan volgt de verkoop volgens mij vanzelf wel. In het huidige systeem kan je de inhoud afraffelen, want het gaat er alleen maar om of de zakelijke kant in orde is.’ PRAAT OVER MACHTSSTRUCTUREN Joeri: ‘We moeten het hebben over macht binnen de economische structuren in de cultuursector. Dat kan pas als je erkent dat die macht er daadwerkelijk is.’ Samir: ‘Mensen op hoge en invloedrijke posities lijken soms te vergeten dat ze macht hebben. Ik hoorde ooit een artistiek leider van een BIS gezelschap zeggen over talentontwikkeling: ‘Ja, weet je, ik ben ook eigenlijk mijn talent nog aan het ontwikkelen.’ Joeri: ‘Ik denk dat je daar iets zegt wat de kern van het probleem echt raakt. Dingen lopen mis omdat er een gebrek aan besef van macht en machtposities is. Dit moet bespreekbaar worden. Als lid van platform Aanvang! maak ik me daar hard voor. Je kan niet tien jaar lang artistiek leider zijn van
15
een organisatie waar tientallen miljoenen in omgaan en tegelijkertijd denken dat je op gelijke voet staat met mensen die net zijn afgestudeerd. Je hebt dezelfde interesses als die mensen, niet dezelfde machtspositie. Het is een te romantisch beeld dat iedereen in deze sector gelijk is. In het werkveld zijn er zo veel verschillende belangen en machtsverhoudingen; dat is niet iets waar je zomaar overheen kan kijken.’
16
TUSSEN ANGST EN DROMEN — TATIANA PRATLEY OVER DE TOEKOMST VAN WERK Tatiana Pratley (1985) is sinds augustus 2020 de artistiek leider van Tryater in Leeuwarden. Als kind wilde ze rechter worden, zodat ze midden in de maatschappij kon staan en tegelijkertijd iets zou kunnen betekenen voor die maatschappij. Hoewel ze in een andere sector is beland, wordt ze nog steeds gedreven door diezelfde zoektocht naar verbinding met de wereld om zich heen. VERBINTENIS ZORGT VOOR BESTAANSRECHT ‘Eerst moeten we afwachten wat corona doet voor het toekomstig cultuurbeleid zoals in hoeverre het publiek weer terugkomt en hoe alle ZZP’ers die het heel zwaar hebben gehad zich gaan herstellen. Maar verder is hét grote vraagstuk hoe we ervoor gaan zorgen dat kunst breed in de samenleving betekenis heeft. Ik weet niet of het maken van iets in een schouwburg waar dan een select clubje mensen naartoe gaat, een toekomst heeft. Je ziet dat schouwburgen leeglopen, terwijl ik merk dat onze manier van produceren juist maakt dat we heel dicht bij mensen komen.
17
Door op andere plekken te spelen, zorg je voor verbintenis en dus ook meer bestaansrecht. Ik denk dat dat voor de toekomst een beetje de uitdaging wordt en hoop dat die lokale verbintenis belangrijker wordt.’ THEATER IN JE EIGEN TAAL ‘Ons gezelschap hier is heel erg verbonden met de maatschappij omdat het midden in het gewone leven staat. We werken nauw samen met de mensen en de verhalen van Friesland. Die enorme verknooptheid met het leven hier, vind ik heel mooi en maakte dat ik hier graag artistiek leider wilde zijn. Zelf voel ik ook heel veel verbinding met deze plek. Tryater speelt voor iedereen in Friesland en ook op elke plek. Ieder kind in Friesland ziet minimaal 1x in zijn jeugd een voorstelling van Tryater en zo zorgen we ervoor dat je als kind al een verbinding met het gezelschap hebt. Daarnaast spelen we meestal niet in theaters maar op locatie; in snackbars, in fabrieken,
18
op festivals. We vertellen dingen die in deze omgeving aan de hand zijn, gekoppeld aan mondiale ontwikkelingen. Dat gebeurt deels ook in hun taal en daardoor kunnen we heel dichtbij ons publiek komen. De Friese taal vinden ze heel belangrijk, net als het voortbestaan ervan. Het theater dat in het Fries is gemaakt, voelt als onderdeel van de eigen identiteit. Dat maakt dat het theater een ander soort status krijgt in vergelijking met de rest van Nederland, omdat het de taal is van hun hart. Als je een voorstelling kunt meemaken waarbij je emotioneel en intellectueel in je eigen taal wordt aangesproken, ben je heel blij.’ WERKEN EN LEVEN ‘Ik vind de combinatie van deze fulltimebaan en de rest van je leven organiseren soms best ingewikkeld. Vroeger toen ik nog geen kind had, werkte ik vaak `s avonds en in het weekend nog door, maar zodra je een kind hebt is dat natuurlijk helemaal anders. Ik zit echt wel eens na te denken… hoe doe je dat nou goed? Hoe zorg ik er nou voor dat ik ook een keer iets kan schoonmaken in mijn huis of dat wat geverfd moet worden ook geverfd wordt? Het is voor mij belangrijk dat je je privéleven ook op orde houdt en daar een balans in vindt. Het relativeert je werk namelijk ook heel erg. Het klinkt misschien stom, maar ik geloof dat je een betere kunstenaar wordt als je de rest van je leven op orde hebt. Zelf werd ik volwassen op de regieopleiding, wat best wel een mannenwereld was. Er werd daar een beeld geschetst dat je geen leven kon hebben naast het kunstenaarschap; dus dat je geen kunstenaar kon zijn én moeder en geliefde of gewoon normaal mens. Alsof
19
je vanuit een ‘black box’ iets over de wereld moest vertellen, terwijl je je niet echt in die wereld bevond. Volgens mij vindt er nu een verschuiving plaatst dat we steeds meer gaan denken; je moet je juist midden in het leven bevinden om iets over dat leven te kunnen zeggen. En daar komt ook een bepaalde vorm van leiderschap bij kijken; je moet ervoor zorgen dat mensen in een goede, veilige omgeving zitten waarin ze ook nog eens geïnspireerd worden. Ik werk veel met vrouwen en jonge gezinnen. Als artistiek leider moet je de voorwaarde scheppen voor mensen om een prettig leven te hebben, een goede ouder te zijn, en de tijd te hebben om een keer een blokje om te fietsen en na te denken over hoe ze zich verhouden tot de dingen. Ik bedoel, ik heb me altijd over de kop gewerkt de eerste jaren, maar dat is ook door een beeld van kunstenaarschap waar je altijd maar door moet gaan, terwijl je kunst er echt niet per sé beter van wordt. Ruimte scheppen vind ik dus heel belangrijk. Maar het is ook best wel een gevecht. Ik kan het hier doen omdat mensen in Friesland familiegericht zijn. Maar toen ik in Amsterdam werkte, was dat echt wel beuken. Daar heerste een ander soort cultuur, waar het niet de bedoeling was dat je op tijd wegging. Ik denk dat we momenteel in een overgangsfase zitten, waar het bewustzijn groeit en we het anders willen. Je kunt dingen ook gewoon anders organiseren. Ik heb nu bijvoorbeeld een project gedaan waar we vier dagen in de week repeteerden in plaats van vijf, maar dan met twee regisseurs. Dan kun je heel veel doen en heb je ook nog tijd voor bijvoorbeeld het artistiek leiderschap en dingen thuis. Ik
20
denk dat het nu en in de toekomst belangrijk is de vrijheid te nemen om dingen te organiseren op een manier waarop ze prettig zijn en niet ervanuit gaan dat iets op een bepaalde manier moet.’ ARTISTIEK LEIDEN IN DE TOEKOMST ‘Ik denk dat het als artistiek leider goed is om een breed beeld te hebben van de nationale en internationale kunstwereld, zodat je de context begrijpt waarin je werkt en je beter begrijpt hoe je er zelf in past. Daarnaast moet je werken aan je eigen authentieke kunstenaarschap, zodat je ook voor jezelf snapt wat je aan het maken bent. En, wat ik al eerder zei, je jezelf dus niet opsluit maar op de wereld richt. Dat vind ik heel belangrijk. Als je jezelf opsluit en dingen gaat maken, weet je niet hoe ze gaan resoneren met de omgeving en het publiek waar je het voor maakt. Ik vind openheid in makerschap heel belangrijk, want anders gaat de kunstsector het, denk ik, niet overleven.’
21
TUSSEN ANGST EN DROMEN — MATIJS JANSEN EN MARLEEN SCHOLTEN OVER DE TOEKOMST VAN WERK Matijs Jansen (1986) en Marleen Scholten (1978) richten in 2001 gezelschap Collectief Wunderbaum op. Ze maken tegenwoordig niet meer alleen ‘hardcore locatietheater’, maar de zoektocht naar het betrekken van niet-gangbare theaterbezoekers is evengoed nog precies hetzelfde als 20 jaar geleden. Een interesse in een thema of actualiteit vormt het uitgangspunt. Dat maken ze vervolgens persoonlijk. Zodat al het publiek na afloop met dezelfde vragen achterblijft. Zonder moralistisch te worden, natuurlijk. IK WERK DUS IK BESTA Toevallig genoeg zijn Matijs en Marleen allebei afgelopen jaar bezig geweest met het thema werk, met hun voorstellingen: Work Harder en La Codista. De voorstelling Work Harder van Matijs was geïnspireerd op de prestatiedruk die hij niet alleen zelf ervaart, maar die hij ook terugziet in de toetscultuur op de school zijn kinderen. Als ik vraag of werk voor hem persoonlijk een bepalend
22
onderdeel van zijn leven is, beaamt Matijs dit direct. ‘Als mijn werk een beetje stilstaat, ervaar ik dat ook in mijn staat van zijn. Ik word daar ook wat ongelukkiger van. Andersom kan ik ook meer stress en ongemakkelijkheden aan als ik veel werk, dan ben ik eigenlijk ook een leuker mens. Tegelijkertijd vind ik het ook lastig dat het bij mij zo werkt.’ Ook voor Marleen is werk een belangrijk onderdeel van haar identiteit. Tijdens haar sabbatical in Italië afgelopen jaar maakte ze de voorstelling La Codista, waarvoor ze de Italiaanse toneelschrijfprijs Antoni Conti won. ‘Het gaat over iemand die zijn werk verliest en besluit om tegen betaling voor anderen in de rij te gaan staan. Dus eigenlijk het zelf uitvinden van werk. Ik schreef die tekst omdat ik merkte dat die angst om niets te doen naar mijzelf linkt: Ik werk dus ik besta. Als het goed gaat is dat niet erg, want het is een fantastisch vak en ik doe het graag. Maar net als Matijs moet ik wel de hele tijd mee in die stroom anders komen er al gauw twijfels en angst; een gevoel van nutteloosheid waar ik niet zo goed mee om kan gaan.’ PERSOONLIJKE ANGSTEN EN DROMEN Als ik vraag of ze veel bezig zijn met de toekomst, antwoordt Marleen met een duidelijke nee en Matijs met een volmondig ja. Matijs legt uit: ‘Volgens mij heb je als mens sowieso dat je jezelf eens in de zoveel tijd vraagt: is dat wat ik doe wel het leukste voor mij? Past het nog steeds bij mij? De afhankelijkheid van subsidies, iets wat je niet helemaal in de hand hebt, vind ik soms lastig omdat ik graag de controle heb. Wij moeten waarschijnlijk tot ons 70e gaan werken en het lijkt me behoorlijk uitzonderlijk als wij op ons 64e nog een
23
subsidie aanvraag doen en krijgen.’ De toekomst zou voor Matijs daarom ook ander werk kunnen betekenen. ‘Ik houd heel erg van die collectieve vorm, van hoe wij samenwerken met anderen mensen, wat onze thema’s zijn. Op het moment dat we niet meer zo collectief zouden kunnen werken, weet ik niet of ik mij als individu in die theaterwereld wil begeven.’ Als het gaat over de nabije toekomst, kijken ze er allebei naar uit om verder te gaan met wat ze aan het doen zijn. Projecten waarbij ze nieuwe mensen de theaterwereld in kunnen trekken en die in Nederland en in het buitenland kunnen laten zien. Matijs: ‘Het is een beetje gek, maar de dromen die ik heb komen precies overeen met wat we aan het verwezenlijken zijn en wat we hebben verwezenlijkt.’ Marleen denkt vooral heel erg in het nu en is bezig om bewuster om te gaan met hun eigen werk in de omgeving, ze wil zich daar ook de komende jaren voor inzetten. ‘Ik doe veel van de verkoop en internationalisering voor Wunderbaum. Ik zou daarvoor graag een betere context creëren, bijvoorbeeld voor het milieu. Ergens voel je dat de tijd waarin groepen voor één avond naar Tokio vlogen en daarna weer terug kwamen voorbij is. Ik wil ook graag dat dat verandert en ik voel me daar verantwoordelijk voor. De vragen hoe je iets kunt met de gemeenschap waarvoor je speelt, bijvoorbeeld in de vorm van workshops, of hoe je meerdere stukken kunt coproduceren en bundelen, houden me bezig.’ UITDAGINGEN VOOR DE SECTOR Naast duurzaamheid zijn er een boel andere uitdagingen waar de culturele sector de komende tijd mee moet dealen, zoals dalende publiekscijfers, een sector die geen af-
24
spiegeling is van de samenleving en het idee dat kunst voor de elite zou zijn. Dat laatste zit volgens Matijs vooral in de beeldvorming: ‘Soms heerst het misverstand dat cultuur een linkse, elitaire hobby is. Dat moet aangepakt worden. Enerzijds door projecten te doen die heel expliciet de connectie met de samenleving benadrukken en anderzijds door te benadrukken dat de high art producten wél degelijk toegankelijk zijn voor een breed publiek. Wij speelden bijvoorbeeld een keer een vrij abstracte voorstelling in een volkswijk in Rotterdam-Zuid, waarbij een aantal buurtbewoners uit het publiek er misschien nog wel het meeste uithaalden. Misschien omdat ze keken met een meer open blik dan het standaard theaterpubliek, die het op waarde schatte aan de hand van hoe het gespeeld werd en of het beter was dan de vorige voorstelling waar ze bij waren geweest.’ THEATER IS VAN IEDEREEN Buiten hun hoofdkantoor in Rotterdam, geeft Wunderbaum sinds een aantal jaar ook artistiek leiding aan Theaterhaus Jena in Oost-Duitsland. Matijs vertelt over een aantal zaken die we van Duitsland kunnen leren: ‘In Jena, en in meer steden in Duitsland, betaalt de gemeente aan de theaters jaarlijks een vast bedrag van de universiteitsbijdrage van studenten [€2,50 per persoon, red.]. In ruil daarvoor kunnen alle studenten uit die stad gratis naar alle voorstellingen. Dat werkt als een trein! In Duitsland zijn de budgetten voor kunst en cultuur veel hoger. Die staan ook niet, of zeer zelden, ter discussie. Dat is in Nederland nog steeds tanende.
25
Het zou goed zijn als er in de politiek meer bewustzijn komt over hoe belangrijk het voor een samenleving is om te reflecteren op zichzelf en dat kunst daar een goed middel voor is.’ Als ik vraag hoe we dit aan zouden kunnen pakken, oppert Matijs dat we een goeie lobbyist zouden moeten vinden, zoals Shell dat ook heeft. Iemand met charisma en connecties die als fulltimebaan heeft om te roeptoeteren dat kunst zo belangrijk is en daar mensen van gaan doordringen. ‘Ik moet dan denken aan een Joop van de Ende, of Erica Terpstra-achtig type.’ Marleens droom voor de sector sluit hierop aan. Ze antwoordt en lacht tegelijkertijd om de grootsheid van mijn vraag: ‘Mijn hoop is dat kunst een veel vanzelfsprekender onderdeel uit gaat maken van de samenleving. Dat we als makers die drempel lager maken zonder in te leveren op artistieke kwaliteit. Je moet juíst een heel hoge artistieke kwaliteit geven aan mensen die niet gelijk
26
enthousiast zijn, zodat ze erachter kunnen komen dat het heel tof is. Mijn ideaal is dat we daar veel harder in slagen. Dat theater, net zoals voetbal, heel normaal is. Dat heb ik toch altijd in mijn hoofd. Het idee dat je voetbal niet meer zou hebben dat is ondenkbaar.’ Om in de toekomst theater dezelfde positie in de maatschappij te geven als voetbal, vind ik een utopie. Maar het zou mooi zijn om in ieder geval in die richting te denken. Voetbal gaat ook over alle lagen van de maatschappij. Niet over of je gestudeerd hebt of niet, dat is gewoon van ons, van iedereen.’
27
TUSSEN ANGST EN DROMEN — ȘABAN OL OVER DE TOEKOMST VAN WERK Șaban Ol (1962) is samen met Celil Toksöz artistiek leider bij Theater Rast en wilde als kind literatuurdocent worden. Hij keek op naar zijn leraar die heel mooi kon vertellen. Șaban begon te lezen; poëzie, verhalen en romans. Zo wakkerde zijn liefde voor literatuur aan, al had zijn familie liever dat hij dokter of advocaat zou worden. Toen hij drie jaar in Nederland woonde, las hij een krantenbericht over een vooropleiding die jongeren klaarstoomde voor theaterscholen. De inmiddels negentienjarige Șaban greep die kans, startte de cursus en begon daar van het theater en het regisseren te houden.
28
IK WIL GETUIGE ZIJN VAN MIJN TIJD Toen hij aan de wieg van Rast stond, 20 jaar geleden, was zijn missie helder:
‘Ik wil getuige zijn van mijn tijd. Dat betekent dat ik geen repertoiretoneel wil maken. Ik wil nieuwe teksten, nieuwe thema’s en wat spelers betreft: diversiteit. We wijken langzaam een beetje af, maar de eerste zestien jaar hebben we ons daar echt aan vastgehouden.’ Ik hou van actualiteiten maar niet op goedkope wijze, benadrukt Șaban. ‘Dat doe je door te observeren, te kijken naar wat er om ons heen speelt. Wij zitten in Amsterdam-West, dus als we alleen maar voorstellingen maken zonder dat West ter sprake komt, waarom zitten we dan hier?’ De toekomst is voor Șaban onlosmakelijk verbonden met zijn verhouding tot jonge makers. ‘Hoe oud je ook bent, je móet bezig zijn met de toekomst, anders blijf je stil staan. Eén van de redenen dat we nog bestaan, is
29
doordat we ons voeden met de jonge garde theatermakers. Wij vonden het belangrijk een jeugdopleiding aan ons te verbinden en zo een doorstroomluik te creëren voor diverse jongeren, eigenlijk net zoals ik in die vooropleiding deed. Onze opleiding groeide van een eenvoudige cursus van drie uur in de week uit tot een instituut met zijn eigen naam: De Gasten.’ VRAAG NIET ‘WIE BEN JE’ MAAR ‘WAT KUN JE’ Jongeren uit West vonden in het begin de weg naar het theater in het centrum niet, vertelt Șaban. ‘Er zit een enorme aantrekkingskracht in het gevoel van ‘wij lijken op elkaar’. Niemand vraagt waarom ik ben zoals ik ben, niemand vraagt naar mijn nationaliteit, niemand vraag naar mijn identiteit. Dat is een beetje mijn andere motto: Vraag niet ‘wie je ben je’ maar ‘wat kun je’. Heel clichématig, maar dit is altijd mijn onderliggende gedachte. Je moet jongeren niet confronteren met hun identiteit, daar worden ze al genoeg mee geconfronteerd. Je moet vragen ‘wat kun je’ zodat er luiken opengaan.’ De theaterschool was toentertijd bezig met zo’n soort vooropleiding maar die kregen het, als vele organisaties nu, niet voor elkaar. RAST en de toneelschool hadden dus allebei iets wat de ander niet had en zijn toen een samenwerkingsverband aangegaan. ‘Wij zijn geen denkers, wij zijn doeners. Het is heel fijn dat de toneelschool zich over ons ontfermt want dan heb je gelijk een status. Het zorgt ook voor verbinding met het centrum, we willen niet geïsoleerd raken in West.’ Zelf merkt Șaban dat hij ook vaak wordt aangesproken op zijn identiteit in plaats van
30
wat hij doet. ‘Ik heb een Turkse naam en een Turkse achtergrond en dan wordt er gedacht aan Turkse invloeden. Maar ik heb weinig Turks in mij als regisseur; niets in hoe ik te werk ga is Turks, alleen de taal.’ Professioneel gezien is Șaban geworteld in Belgisch en Pools theater. Tijdens de vooropleiding had hij voor 90% les van Belgische docenten, die een andere aanpak hadden dan de Nederlandse docenten. ‘Veel meer vanuit stem en fysiek, dat sprak mij veel meer aan, bij Nederlandse docenten moest je eerst rationeel denken en dan uitvoeren.’ Erik de Volder, eerst docent en later collega en goede vriend, was daarbij een belangrijke leermeester. Hij nam hem mee naar het Pools theater en ontmoette zijn tweede grote inspiratiebron Tadeusz Kantor. Șaban heeft de afgelopen jaren een aantal stukken van Pourveur en Volder vertaald en geregisseerd in Istanbul, dan helpt zijn achtergrond en dat hij de taal spreekt. ‘Het vertalen geeft een ander soort energie, de taal wordt gewaardeerd en als fris ervaren. Eigenlijk net als mijn manier van regisseren, ik luister eerst goed naar mensen en hak dan de knoop door. Dat is volgens mij wel Nederlands. Het effect is dat iedereen zo zijn inbreng heeft en voelt ‘dit is van mij’.’ EEN SAMENLEVING MET VERFIJNDE, ONTWIKKELDE MENSEN Op het moment van ons gesprek, eind mei 2021, staat de hele samenleving stil door corona. Dus als ik vraag naar de uitdagingen van deze tijd komt dat onvermijdelijk ter sprake. ‘Ik kan theater niet onderscheiden van de rest van de samenleving, die op dit moment haar evenwicht moet hervinden. Er zijn talloze mensen failliet gegaan. Als er geen
31
normale samenleving is, heb je niet zoveel aan kunst en cultuur.’ Hieruit zou wel een tegenbeweging kunnen ontstaan, hoopt Șaban. ‘Dat er straks ineens drie keer zoveel is. Hoe meer je geld pompt in cultuur, hoe meer je terugkrijgt. Ook is het belangrijk dat je er deskundigen op loslaat. Eén van de dingen die ik waardeer in Nederland ten opzichte van Duitsland, is dat dat wij fondsen hebben waar deskundigen zitten die verstand van toneel hebben.’ En hoe die samenleving er dan uit zou zien? ‘Dan krijg je een geciviliseerde samenleving met verfijnde, ontwikkelde mensen met een fijne smaak’, lacht Șaban, ‘dat is dan mijn ideale wereld natuurlijk. Niet alleen de grijsaards, die een abonnement hebben op de schouwburg, maar mensen van alle lagen van de bevolking die meedenken en meediscussiëren. Daarom moet je op de lagere school al beginnen met kunst en cultuur, want dat zorgt ervoor dat je naar de schouwburg gaat als je 20 jaar bent.’ TOEKOMST VAN RAST ‘Ik kan niet namens anderen spreken, maar voor RAST zou ik graag een BIS gezelschap worden om het vervolgens over te dragen aan nieuwe makers en de volgende generaties. Om de vier jaar komt er een nieuw beleid en roepen ze: ‘Er moet meer diversiteit!’ Dat weet ik omdat we al sinds 2000 subsidie ontvangen. Het is heel paradoxaal. We hadden vroeger DNA, Cosmic, MC Theater; allemaal instellingen vol diversiteit die zijn verdwenen. Zelf overleefden we op het nippertje tussen 2017 en 2021, en dan hoor je mensen daarbuiten over meer diversiteit. Je kunt zeggen dat de diversen slecht gepresteerd hebben,
32
maar in het algemene canon wordt ook slecht gepresteerd en dat blijft wel overeind. Het onderwerp is wel zichtbaarder geworden en we zien een nieuwe garde aan diverse theatermakers, maar geen nieuwe diverse instellingen.’ Dat is wat anders dan vragen om advies. ‘Wij worden nu gevraagd als deskundigen over hoe je moet omgaan met diversiteit in de programmering en andere dingen. Ik wil helemaal geen deskundige zijn. Kijk gewoon naar je omgeving, kijk naar de maatschappij en doe wat. Er is geen vaste formule. Mijn ideaal zou eigenlijk zijn dat ik die discussie niet meer hoef aan te horen. Vraag me over de voorstelling, over de inhoud, over de vorm, waarom ik die keuze heb gemaakt, vraag niet elke keer naar dat etnische jasje.’ Als ik tot slot vraag of hoe hij denkt over zijn pensioen, kijkt Șaban me gek aan. Hij heeft werk nooit als werk gezien, het is gewoon zijn leven. Dan denk je dus ook niet in termen van pensioen. Ook heeft hij genoeg om nog naar uit te kijken. Als hij niet meer kan regisseren, gaat hij vertalen, zoals hij nu al met veel plezier doet. ‘De wijze waarop Nederlanders en Vlamingen toneelstukken schrijven blijkt toch wel anders en verfrissend voor de Turkse theaterliteratuur. En daarnaast schrijf ik poëzie. En mijn eerste roman komt uit eind dit jaar of begin volgend jaar. Maar… als ze vragen wat ik ben, dan is dat regisseur.’
33
TUSSEN ANGST EN DROMEN — MARC VAN WARMERDAM OVER DE TOEKOMST VAN WERK Op zijn zeventiende begint Marc van Warmerdam (1954) in een collectief waarmee hij als eerste in Nederland muziektheater met popmuziek maakt. Het is de kickstart van een vol leven waarin hij onder andere acteert, films voor zijn broer Alex produceert, een Gouden Kalf wint en meer. Ik spreek hem op zijn kantoor van Orkater, even nadat hij heeft aangekondigd te gaan stoppen als algemeen directeur. NIET IEDEREEN HEEFT HETZELFDE TALENT ‘Wat mij snel duidelijk werd, was dat niet alle mensen hetzelfde talent hebben. Sommige kunnen heel goed acteren of musiceren en anderen wel aardig. Het mooie van een goed functionerend collectief is dat je uit iedereen het beste haalt. Dat betekent ook dat je van jezelf moet erkennen waar je wel en niet goed in bent, anders ga je een ongelukkig leven tegemoet. Eén van mijn talenten is organiseren.’
34
Met de verre toekomst houdt Marc zich liever niet bezig, omdat hij gelooft dat het eerstvolgende wat je doet bepalend is voor wat daarna komt. Maar in een functie met meer verantwoordelijkheden, zoals directeur, word je gedwongen verder vooruit te kijken. Als algemeen directeur en actief pleitbezorger voor de culturele sector, heeft hij duidelijke ideeën over wat er misgaat en hoe dat anders zou kunnen. Een groot maatschappelijk probleem vindt hij het gebrek aan vertrouwen vanuit de politiek. ‘Dit is net zo voelbaar in de culturele sector als in onderwijs en zorg. Alles moet van bovenaf gecontroleerd worden, vanuit het gevoel dat we vooral moeten voorkomen dat er geld verloren gaat of misbruikt wordt. In algemene zin zou ik zeggen dat we daarvan af moeten zien te komen. Het is namelijk erg on-inspirerend, ineffectief, energievretend en nutteloos. We hebben er alleen maar last van. Het systeem moet opgebouwd worden vanuit vertrouwen en zekerheid: dat er geld, een locatie en deskundigheid is. Vervolgens is het de kunst om die deskundigheid te blijven voeden en doorstroom plaats te laten vinden.
35
We moeten een systeem bedenken wat zo soepel is, dat het mee kan gaan met veranderingen in de maatschappij zonder dat het zichzelf onderuithaalt. Veel mensen noemen dat dan een utopie, maar dat is het niet. Het is juist heel praktisch, slim en sociaal.’ ZORG VOOR CONTINUÏTEIT ‘Het nieuwe systeem moet langdurige subsidies verschaffen, dus minstens vijf maar misschien wel voor zes of zeven jaar. Niet alleen aan de grote clubs, maar aan alle clubs die hun nut en waarde bewezen hebben. Hieronder kun je zestig tot tachtig procent van het hele culturele veld onderbrengen. Voor korte termijn projecten en nieuwe mensen kan een fonds opgericht worden dat snel en
36
efficiënt kan reageren om te voorkomen dat nieuwe, talentvolle groepen pas hun subsidie ontvangen als ze over hun hoogtepunt heen zijn. Die continuïteit moet er niet alleen zijn voor de instellingen, maar voor iedereen die er werkt. Dat betekent ook een dikke streep door de ZZP cultus die is ontstaan.’ PAS OPLEIDINGEN OP HET WERKVELD AAN Deze continuïteit waarborgen heeft ook te maken met opleidingen. ‘Er zijn mensen die zeggen dat er te veel opleidingen zijn, omdat ze geloven dat er maar plek is voor twintig topacteurs. Maar naast topacteurs, heb je ook gewone acteurs, trainingsacteurs of acteurs die werken in pretparken. Het zou goed zijn als de kwaliteit overal gewaarborgd wordt. Dus niet opleidingen te snel afschaffen, maar wel zorgen dat de mensen die van de opleidingen afkomen werk kunnen vinden. Je moet dus inzicht ontwikkelen in wie waarheen gaat. Dan zou iedereen aan werk moeten kunnen komen.’ BRENG JONGE MAKERS ONDER BIJ BESTAANDE INSTELLINGEN Om jonge makers aan het werk te krijgen, heb je naast praktijkgerichte opleidingen instellingen nodig die anders zijn ingericht. ‘Als alle jonge makers voor zichzelf beginnen, moet iedereen zelf een gebouw en een boekhouder zoeken. Terwijl makers vooral geïnteresseerd zijn in wat ze artistiek willen maken. Als ze ondergebracht worden in bestaande instellingen en op weg worden geholpen door professionals op een plek waar voorzieningen zijn, kan dat ervoor zorgen dat het beschikbare geld veel efficiënter besteed kan worden doordat niet iedereen voor zichzelf het wiel
37
hoeft uit te vinden.’ VERMIJD ONAFHANKELIJKE COMMISSIES Jonge makers onderbrengen bij bestaande instellingen biedt gelijk een oplossing voor een ander bezwaar van Marc tegen het huidige systeem: een gebrek aan belang bij commissies. ‘Iedere vier jaar zijn er allemaal commissies die beslissingen moeten nemen waar ze verder geen verantwoordelijkheid voor dragen. Er moet meer afhankelijkheid komen, zodat er een belang ontstaat bij de ontwikkeling van de makers. Anders kun je iedereen zonder consequenties tot talent uitroepen. Als nieuw talent echter bij bestaande instellingen ondergebracht wordt, hangt het bestaansrecht van de instelling automatisch af van hoe goed het talent zich ontwikkelt. Zij zijn er dan bij gebaat om daarin te investeren.’ Dit belang is er ook van nature bij programmeurs. ‘Ik roep ook al heel lang: als iemand erin slaagt om iets te maken op het toneel en dat weet te verkopen aan twintig theaters, is er geen commissie meer nodig om te besluiten of dat wel of niet gedaan moet worden. Ik ken geen twee programmeurs die hetzelfde zijn, dus zij vormen al een commissie op zichzelf. De programmeurs hebben een verantwoordelijkheid naar het theater en de gemeente, ze krijgen onmiddellijk de deksel op hun neus als ze iets programmeren wat niet goed is. Ambtenaren of commissies niet.’ OP INSTROOM VOLGT DOORSTROOM Na instroom is doorstroom belangrijk. ‘Als je net begint kun je makkelijk zeggen: ik wil het gewoon laten zien, maakt niet uit hoe. Daar moet je niet aan komen, dat is belangrijk.
38
Maar na een paar jaar moet je ook gewoon de huur betalen en zorgen dat je kinderen te eten hebben. Het hele systeem moet er dus op ingericht zijn dat je een stap verder komt, maar ook op het voorkomen dat je ineens geen werk meer hebt. Niet iedereen kan fulltime blijven regisseren, maar misschien is die persoon geschikt om les te geven of jongeren te coachen. Net als een technicus, die dag in dag uit op reis is en moet sjouwen, dat niet tot zijn pensioen volhoudt. De sector moet verantwoordelijk zijn dat op te vangen. Het klinkt saai, maar als je hier niet over nadenkt wordt het allemaal heel oncollegiaal.’ STEL KADERS AAN CREATIVITEIT Deze collegialiteit betekent ook dat je iemand betaalt voor wat die doet. ‘Heel lang is het probleem van te weinig geld aan de zakelijke kant neergelegd. Maar er zijn ook duidelijke (financiële) kaders waarbinnen je met je creativiteit aan het werk moet. Nieuwkomers mogen bij Orkater alles maken en krijgen daarvoor veel geld, maar de voorwaarde is dat het binnen het cao past. Dan maar geen decor als de muzikanten zo belangrijk zijn. Het is geen optie om de helft van de muzikanten niet te betalen, zelfs als ze dat zelf goedvinden.’ NIET ALLES MOET ‘We moeten uit de sfeer stappen dat iedereen van alles moet van elkaar. Het is onmogelijk om iedereen alles leuk te laten vinden. Ik vind het belangrijker om mensen die niet van theater houden ervan te overtuigen dat theater nodig is, dan ze over te halen ergens naar toe te gaan waar ze niet naartoe willen. Dit gaat ook over welke verhalen je wil vertellen. Niet
39
elk verhaal hoeft door iedereen gehoord te worden, en niet ieder mens hoeft alle verhalen te horen. Om diversiteit vanzelfsprekend te maken, moet we ervoor zorgen dat je als maker of publiek, ongeacht welke kleur, de vrijheid hebt om te kiezen. Dit is nu nog niet het geval. Het publiek krijgt te weinig aangeboden. Als je nagaat dat in de grote steden ongeveer 50% van niet-westerse afkomst is, dan is het eigenlijk onvoorstelbaar dat niet 50% van het cultuuraanbod van niet-westerse afkomst is. Zo simpel is het.’ We moeten volgens Marc niet iedereen dezelfde eisen opleggen, maar ruimte bieden voor specialisatie. ‘Volgens mij moet je niet willen dat er in Amsterdam opeens twintig diverse theaters zijn die allemaal even divers zijn. Je kan ook een gezelschap hebben dat alleen Turks theater brengt. De Turkse gemeenschap in Nederland kan namelijk veel beter zeggen waar de Turkse gemeenschap behoefte aan heeft, dan dat de witte gemeenschap dat kan. Daarom zou je kunnen denken aan soort van een verdeelsleutel van budgetten naar bevolkingsgroep.’ EEN POTJE ‘ONVOORZIEN’ Marc is er zich van bewust dat veel mensen tegen een nieuw systeem zijn met mogelijke nieuwe verdeelsleutels. ‘Dat komt omdat er nu schaarste heerst. Regelmatig duiken er politieke argumenten op om het geld anders te verdelen. Nu is het diversiteit, eerder was het internationalisering of verdeling tussen randstad en platteland… Naar mijn mening is er in de basis al te weinig, dan leidt het aanpassen van de verdeelsleutel altijd tot oorlog. Zorg er eerst voor dat de basis in orde is en geef de politiek
40
vervolgens een potje extra geld om mee te spelen: een potje ‘onvoorzien’.’
41
TUSSEN ANGST EN DROMEN — REFLECTIE DOOR TESSA SCHOLTEN De interviews waren verrassend verschillend van aard. Altijd vroeg ik naar dromen en uitdagingen op het gebied van werk. De ene keer leidde dat tot gesprekken over maatschappelijke vraagstukken, de andere keer zoomden we in op praktische frustraties of carrièrewensen. Opvallend vond ik de inhoudelijke raakvlakken tussen de interviews met Marc en die van Joeri en Samir. Alsof je het grotere systeem het best kan overzien aan het begin of einde van je carrière. Is dat omdat je juist dan de energie hebt om alles te willen veranderen, of de ervaring en rust hebt om te overzien hoe het anders zou kunnen? Mooi vind ik hoe veel van de persoonlijke uitdagingen van de verschillende generaties artistiek leiders getackeld zouden worden in het systeem dat Marc voorstelt: zekerheid voor jonge makers, stabiliteit voor ouders, perspectief op doorstroom voor de veertigers en het belang om als vijftiger jonge makers onder je hoede te nemen. Alle geïnterviewden hebben behoefte aan continuïteit, werken vanuit aan stabiele basis in plaats van met tekorten. Hoewel veel sectoren momenteel in de knel zitten, wordt
42
nergens anders de waarde zoveel bevraagd. Ik voel die waarde in elke vezel van mijn lijf en zou me graag inzetten om kunst dezelfde functie te geven in de maatschappij als voetbal, waarvan het ondenkbaar is dat het ooit zal verdwijnen, zoals Marleen stelde. Nu ik zowel mijn vrije tijd als mijn werk in de culturele sector vind, zou werk al snel mijn leven kunnen worden. Toch ben ik blij dat Tatiana vertelde hoe het juist belangrijk is om werkomstandigheden te creëren waarmee je midden in het leven kan blijven staan. Alleen dan kun je iets over dat leven zeggen. Ook neem ik mee hoe Marc verwoordde dat te weinig geld niet alleen een probleem van de zakelijk leider is; de Fair Practice Code vormt het kader voor creativiteit. Het is onzeker om te zeggen dat je je geld wil gaan verdienen in de culturele sector, maar het is ook gewoon werk.
Met deze gesprekken heb ik een inkijkje gekregen in een aantal mechanismen die dat in de weg kunnen staan en hoe je daarop een antwoord kunt formuleren. 43
Zelf zou ik zo veel mogelijk openheid willen creëren, van hoe we dingen aanpakken tot hoeveel we elkaar betalen. Openheid helpt, denk ik, om de solidariteit en het vertrouwen te vergroten. Toen ik de interviews afnam, voelde ik nog een afstand tot het onderwerp. Nu, een halfjaar later, heb ik veel meer werkervaring in het veld en een duidelijker beeld van wat ik wil en kan. Ik vond het daarom ook ontzettend leuk om buiten de wetenschappelijke context interviews af te nemen en zo de thematiek van de voorstelling Nooit meer werken een extra dimensie te geven. Daarnaast ben ik getriggerd om de ontwikkelingen van de culturele sector te blijven volgen, misschien wel als pleitbezorger. Ik hoop dat we in het gebied tussen angst en dromen zowel mijn carrière als de culturele sector kunnen blijven vormgeven.
44
45
COLOFON Uitgave van Het NUT (Nieuw Utrechts Toneel) INTERVIEWS Tessa Scholten STAGEBEGELEIDING Jannet van Lange REDACTIE Susanne Thomas EINDREDACTIE Neeltje van Balkom MET DANK AAN Greg Nottrot, Joeri Heegstra, Samir Veen, Tatiana Pratley, Matijs Jansen, Marleen Scholten, Șaban Ol, Marc van Warmerdam ONTWERP Soft Turbo
het-nut.nl
46