“In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht” — sinds 1956

JAARGANG 65 | NUMMER 4 | DECEMBER 2021
![]()
“In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht” — sinds 1956

JAARGANG 65 | NUMMER 4 | DECEMBER 2021
KWARTAALBLAD VAN HET NEDERLANDS AUSCHWITZ COMITÉ

WAT EEN PRACHTIGE DAG
De onthulling van het Nationaal Holocaust Namenmonument
NOOIT MEER AUSCHWITZ LEZING
Interview met professor Debórah Dwork
OUDGEDIENDEN ZWAAIEN AF
Afscheid van Bertje Leuw en Herbert Sarfatij
JOODSE WERKKAMPEN IN EN ROND AMSTERDAM
Onderbelichte geschiedenis in beeld gebracht
herdenking van het joods verzet
Op vrijdag 25 februari 2022 vindt om 15:00 uur wederom de herdenking van het Joods verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog plaats, dichtbij het Waterlooplein waar in februari 1941 Joodse knokploegen hebben gevochten om de Joodse buurtbewoners en handelaren te beschermen tegen de brutale overvallen van de gewapende wa-ers van de nsb
Locatie Monument voor het Joods verzet, hoek Amstel/ Zwanenburgwal in Amsterdam-Centrum.
Programma Welkomstwoord door de voorzitter van de gastgevende organisatie. Sprekers de heer B. Roodenburg, mevrouw L. Vastenhout, gedicht van Ida Vos. Liederen ten gehore gebracht door enkele leden van het Jiddisj koor Hejmisch Zain. Jizkor en Kaddish door rabbijn Abraham Rosenberg, gevolgd door een minuut stilte. Hierna is er gelegenheid tot het leggen van bloemen.
Organisatie Stichting Vriendenkring ’Mauthausen’. Uiteraard is eenieder van harte welkom bij de herdenking. Maar in verband met het heersende virus is het beter – voor uw en onze veiligheid – dat er niet meer dan 50 mensen aanwezig zijn. Ik wil u daarom vriendelijk vragen om u van tevoren aan te melden bij de voorzitter, e-mail klij0055@planet.nl of telefonisch 06-48057860.
De Nooit Meer Auschwitz Lezing 2022 wordt gehouden door de Amerikaanse Holocaust-wetenschapper Debórah Dwork . Aan haar wordt tevens de Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding uitgereikt. De lezing zal in het Engels worden gehouden.
plaats Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam datum Woensdag 26 januari 2022 tijd 15:00 uur, zaal open vanaf 14:30 Aansluitend is er tot 18.00 uur gelegenheid om na te praten.

Mijn naam is Dagmar van Gils, geboren in 1984 en getogen in Amsterdam zonder Joodse achtergrond, maar wel met een band met de Joodse gemeenschap.
Mijn Bachelor-scriptie had betrekking op misbruik tijdens de onderduik, waardoor mijn interesse werd gewekt om meer te weten te komen over de Joodse gemeenschap in Nederland. Het liet meteen een heel pijnlijk en onderbelicht deel van de oorlogsgeschiedenis zien. Deze interesse heeft zich tijdens mijn Masteropleiding in Leiden geuit door onderzoek te doen naar het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, tussen de jaren 1996-2001. Na mijn studie ben ik terechtgekomen bij de Stichting Musea en Herinneringscentra 40-45, waar ik nog steeds met veel plezier werk. Zeker de afgelopen jaren wordt het steeds pijnlijker duidelijk dat we nog lang niet klaar zijn met de “nooit meer Auschwitz”-boodschap en ik wil me inzetten deze boodschap uit te dragen. Het is me een eer dat ik voor het Auschwitz Bulletin mág schrijven en ik hoop van harte dat ik van toegevoegde waarde kan zijn.
kaarten reserveren
Aanmelden vóór 15 januari 2022 via de website www.aanmelder.nl/nmalezing2022 . Er is slechts een beperkt aantal kaarten beschikbaar; kaarten op volgorde van aanmelding. U ontvangt uw toegangsbewijs met QR-code per omgaande per e-mail.
De organiserende instellingen willen de boodschap ‘Nooit Meer Auschwitz’ ook bij jongeren levend houden. U kunt dus ook uw kinderen en/of kleinkinderen inschrijven voor de lezing. Voor de achtergronden van de Nooit Meer Auschwitz Lezing en van de spreker zie het interview met Debórah Dwork in dit nummer, blz. 6 t/m 9.
HET NEDERLANDS AUSCHWITZ COMITÉ
Het Nederlands Auschwitz Comité draait volledig op vrijwilligers. Uw fnanciële steun is enorm belangrijk. Met uw bijdrage kunnen wij de herinnering aan de Holocaust levend houden, ook bij nieuwe generaties. Doneren kan tegenwoordig op eenvoudige wijze via onze website www.auschwitz.nl . U kunt kiezen uit verschillende mogelijkheden — eenmalig, per maand of per jaar. Ook kunt u aangeven of u daarbij het Auschwitz Bulletin thuis wenst te ontvangen. Het Bulletin verschijnt vier keer per jaar.
Medewerkers aannemersbedrijf Koninklijke Woudenberg bezoeken Auschwitz

Cartoon ‘Ongehoord’ / 13
Willem Vleeschouwer geeft zijn visie
Column Denderende stilte in desolate verlatenheid / 26 Awraham Meijers over de onvermoeibare en meedogenloze jodenjager Johan Bronsema
Cultureel Recent verschenen / 27 Nieuwe boeken gekozen door Sarah Bremer
Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk. Overname van artikelen is toegestaan, mits met toestemming van de auteur en de redactie.
Waardering voor al dat werk / 12 Sarah Bremer over de bevordering van Jacques Grishaver tot Offcier in de Orde van Oranje-Nassau Onthulling Namenmonument / 14 Schets van een bijzondere dag aan de hand van een verzameling tweets
Tewerkgesteld in het Amsterdamse Bos / 22 Lion Tokkie over Joodse werkkampen in en om Amsterdam 1941–1944 ‘Er zijn 544 mensen die jou iets willen vertellen’ / 25 Dagmar van Gils in gesprek met Auke Zeldenrust over de totstandkoming van het namenmonument in Leeuwarden
‘Er hadden zoveel meer Duits-Joodse vluchtelingen gered kunnen worden’ / 6 Ellen Lock in gesprek met Debórah Dwork
In mijn buurt / 10 Minka Bos ‘We woonden naast Puls’ Het is tijd / 16 Gerben Post in gesprek met de afscheid nemende Bertje Leuw en Herbert Sarfatij
integrale live televisie - uitzending via nos
zondag 30 januari—wertheimpark, amsterdam
Op 27 januari 2022 zal het 77 jaar geleden zijn dat het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz werd bevrijd. De VN hebben deze dag uitgeroepen tot Holocaust Memorial Day. Deze dag staat symbool voor het Herdenken en ter nagedachtenis van alle slachtoffers van de Holocaust.
In Nederland wordt de bevrijding ieder jaar herdacht op de laatste zondag van de maand
januari. Het Nederlands Auschwitz Comité organiseert op zondag 30 januari 2022 de Nationale Holocaust Herdenking bij het Spiegelmonument ‘Nooit Meer Auschwitz’ in het Wertheimpark te Amsterdam.
De coronamaatregelen maken het ook noodzakelijk om het programma voor de Nationale Holocaust Herdenking sterk aan te passen. Er komt helaas geen stille tocht en de bijeenkomst in het Wertheimpark zal


slechts voor een beperkt aantal genodigden toegankelijk zijn. Ook de jaarlijkse lunchbijeenkomst gaat niet door. De herdenking zal wel integraal door de nos worden uitgezonden. Het defnitieve programma zal op later tijdstip worden bekendgemaakt, onder andere in het januari-nummer van het Auschwitz Bulletin
auschwitz bulletin
redactie Max Arian, Sarah Bremer, Dagmar van Gils, Awraham Meijers, Gerben Post, Theo van Praag, Walter van Rossum, Fedde Schouten, Dirk Spits [beeldredactie] Yoka Verduin [correctie] redactiesecretariaat
Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam
email redactie@auschwitz.nl
nederlands auschwitz comité secretariaat Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 672 33 88
em ail info@auschwitz .nl ww w.auschwitz.nl
fnanciële administratie
email fnancien@auschwitz.nl
bank iban: nl53 abna 0414646282
bic: abnanl2a
a bonnementenadministratie
Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 600 34 55
email abonnement@auschwitz.nl
database beheer Akrav-automatisering & Consultancy
vormgeving Fedde Schouten
druk Drukkerij Peters Amsterdam bv
het auschwitz bulletin is een uitgave van het nederlands auschwitz comité
De activiteiten van het Nederlands
Auschwitz Comité worden mede mogelijk gemaakt door het vfonds
Op zondag 19 september 2021 is het Nationaal Holocaust Namenmonument onthuld door koning Willem-Alexander en Jacques Grishaver. Voorafgaand aan de onthulling was er een programma met muziek en gebed in de naastgelegen Hoftuin. Er waren toespraken van onder andere de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema, de voorzitter van het Auschwitz Comité Jacques Grishaver, de architect van het monument Daniel Libeskind en demissionair minister-president Rutte.
Na de onthulling konden de genodigden het monument bezoeken. Voor overlevenden en nabestaanden een emotioneel moment. Ze zochten de namen van hun vermoorde dierbaren en legden een steentje ter nagedachtenis. Ook liepen bezoekers stilletjes rond, vaak geschokt bij het zien van al die namen bij elkaar. De Shoah is niet te bevatten in aantallen, maar alleen in namen.
Dit monument is een erkenning van de moord op 102.000 Nederlandse Joodse slachtoffers en 220 Nederlandse Roma en Sinti slachtoffers. Ieder van hen heeft een naam in steen. Hier kunnen we hen bezoeken. Hier laten we onze vingers langs de stenen glijden, noemen wij hun namen en gedenken wij hun levens. ‘Moge hun gedachtenis ons tot zegen zijn!’

Het monument wordt door veel mensen, scholen druk bezocht. Langs veel wegen krijgen we mooie en ontroerende reacties van bezoekers. Een van de bezoekers, Kees Blokland, verwoordde zijn bezoek, diep onder de indruk, in een ter plaatse, zittend op een bankje, geschreven ge-
dicht, dat zijn gevoel op dat moment op die plaats weergeeft:
al deze namen omvatten we zwijgend gespiegeld in voortgaande tijd
al deze mensen ademden onze lucht aten dronken hadden lief
al deze stenen gekerfd en gestapeld getuigen van grenzen ver overschreden
al deze namen blijven ons nabij steeds herinnerd in hier en nu
Een bijzonder moment was de benoeming van Jacques Grishaver tot Offcier in de Orde van Oranje-Nassau. Tot slot is er een redactiewisseling geweest. De realisering van het monument is voor Bertje Leuw en Herbert Sarfatij, oudgedienden van het eerste uur zowel binnen het comité als binnen de redactie, aanleiding om zich, na al die jaren, terug te trekken. We kunnen echter Dagmar van Gils hartelijk welkom heten binnen de redactie. Samen met de al eerder tot de redactie toegetreden Gerben Post is de redactie weer op volle sterkte.
Walter van Rossum
—
‘Er hadden zoveel meer
worden’

— DOOR ELLEN LOCK
DEBÓRAH DWORK OVER DE ROL VAN HET ONVOORSPELBARE EN IRRATIONELE TIJDENS DE
Op 26 januari 2022 zal de Amerikaanse Holocaustprofessor Debórah Dwork de ‘Nooit Meer Auschwitz’ Lezing houden in het Tropenmuseum in Amsterdam. Jaarlijks wordt een prominente spreker uitgenodigd die zich bijzonder inzet voor de strijd tegen antisemitisme, racisme en discriminatie. De ‘Nooit Meer Auschwitz’ Lezing wordt georganiseerd door het Nederlands Auschwitz Comité, het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocausten Genocidestudies en de Sociale Verzekeringsbank.
Ter introductie van deze lezing vindt u hier alvast een interview met Debórah Dwork. Zij is sociaalhistoricus en gespecialiseerd in de geschiedenis van de Holocaust. Zij was een van de eerste Amerikaanse wetenschappers die de mondelinge getuigenissen van overlevenden van de Holocaust optekende en deze als wetenschappelijke bronnen gebruikte. Debórah Dwork onderzoekt het dagelijks leven tijdens de Holocaust. Dit doet zij op basis van interviews met overlevenden en egodocumenten van zowel slachtofers, als hulpverleners, reddingswerkers en daders. Ook betrekt zij hierbij overheidsarchieven van verschillende landen.
Wie inspireerde u om zo langdurig en intensief onderzoek te doen naar de sociale geschiedenis van de Holocaust? ‘Mijn moeder en haar geadopteerde zus, Sara Weil, zijn mijn inspiratiebronnen. Mijn moeder komt uit een Joods-Russische immigrantenfamilie die na de Eerste Wereldoorlog naar Amerika is gekomen. Zij woonde in de Bronx in New York, volgde een universitaire opleiding en werkte bij een groot warenhuis. Haar familie hield via briefwisselingen contact met de familie in Rusland en Europa. Vlak na de Tweede Wereldoorlog gaf mijn grootmoeder, die lid was van een Joodse liefdadigheidsorganisatie, mijn moeder een namenlijst van het ‘Women Displaced Persons’-kamp te Fulda in Duitsland. Mijn moeder koos willekeurig een naam van een Pools-Joodse vrouw als penvriendin, die leefde in dit opvangkamp voor ontheemde Holocaust-overlevenden. Haar naam was Sara Weil. Zij stuurde van haar spaargeld kleding naar haar penvriendin Sara in het opvangkamp. Later bespotte tante Sara vaak het malle geschenk van mijn moeder: “Wat moest ik in hemelsnaam doen met zo’n jurk met spaghettibandjes in het DP-kamp, waar een ernstig tekort was aan voedsel en warme kleding?” Mijn moeder bleef volhouden: “Maar het was wél een mooie jurk!”
En mijn tante antwoordde instemmend: “Ja, Shirley, het was een mooie jurk.” Na het vertrek uit het kamp bezochten Sara en haar man mijn familie in New York. En de twee jonge vrouwen, mijn moeder en mijn tante, adopteerden elkaar als zussen. Zo kwam mijn tante Sara bij ons in de familie.
Thuis gingen de verhalen en brieven tussen mijn moeder en haar adoptie-zus Sara altijd over de Holocaust. Vandaar dat ik me graag verdiep in persoonlijke documenten uit die tijd en van huis uit weet hoe waardevol een briefcontact kan zijn.’
Hoe kwam u op het idee om het Strassler Holocaust en Genocide Studiecentrum aan de Clark Universiteit in New England op te richten? ‘Als professor bij het Yale Child Studycenter onderzocht ik de geschiedenis van Joodse kinderen tijdens de Holocaust. Vijfentwintig jaar geleden zag ik dat er in Amerika in veel steden en dorpen wel steeds aandacht was voor dit onderwerp en dat er steeds meer Holocaustmusea en -herdenkingscentra werden opgericht, maar er werden geen wetenschappers opgeleid om deze te voorzien van de juiste kennis. Er bestonden toen nog geen wetenschappelijke studieprogramma’s geheel gewijd aan de Holocaustgeschiedenis. Op dat moment waren er nog voldoende overlevenden, die eventuele fouten zouden kunnen opmerken en corrigeren in de tentoonstellingen en musea over de Holocaust. Daarom pleitte ik bij mijn vakgenoten voor een studiecentrum dat Holocaustwetenschappers zou opleiden die de juiste kennis zouden hebben als er geen overlevenden meer zouden zijn.
Als wetenschapper wilde ik dat de kennis over de Holocaust geborgd zou worden voor de toekomst. Clark University in Worcester, Massachusetts, New England, wilde graag zo’n studiecentrum in Holocaustgeschiedenis starten. Twee broers, Sidney en Ralph Rose, deelden mijn zorgen en fnancierden de Rose-leerstoel in de Holocaustgeschiedenis en daar solliciteerde ik naar. En zo werd ik in 1996 Rose-professor en directeur-oprichter van het Strassler Holocaust en Genocide Studiecentrum van de Clark University in New England. Na vijfentwintig jaar heb ik mijn werk goed overgedragen. Sinds 2021 ben ik directeur-oprichter van het nieuwe Studiecentrum van de Holocaust, Genocide en Misdaden tegen de Menselijkheid in The Graduate Center-City University of New York. Hier werk ik verder aan het borgen van de kennis.’
VERVOLG VAN PAG. 7
Hoe hebt u de Nederlandse Holocaust-professor Robert Jan van Pelt ontmoet met wie u drie boeken hebt gepubliceerd? ‘Robert Jan van Pelt en ik deden allebei ons doctoraal-onderzoek in Londen. Hij had in Leiden geschiedenis gestudeerd en ik aan de Princeton Universiteit. We ontmoetten elkaar in de mensa van de universiteit in Londen. We hadden ons beiden nog niet eerder verdiept in

de Holocaust. Onze interesse voor dit onderwerp werd pas later gewekt. Ik raakte erdoor geboeid terwijl ik voor een ander boek waar ik aan werkte bronnen onderzocht en vervolgens had Robert Jan diezelfde ervaring. Terwijl ik gebruik maakte van dagboeken, brieven en vergadernotities van de beslissende politici, maar ook van de gewone burgers, de Joodse gevangenen en verzetsdeelnemers, presenteerde het dagelijks leven tijdens Holocaust zich zeer levendig aan mij. We besloten samen te werken, want onze ideeën en bronnen vulden elkaar goed aan en versterkten elkaar. Samen schreven we drie boeken ‘Auschwitz’, ‘Exodus, Joden op de vlucht uit het Derde Rijk, 1933-1946’ en ‘Holocaust: Een Geschiedenis’. Bovendien kwamen er uit onze goede samenwerking steeds nieuwe deelonderzoeken voort.’
Wat waren uw nieuwe inzichten over ‘Joden op de vlucht’? ‘Tijdens ons bronnenonderzoek naar ‘Joden op de vlucht’ werd duidelijk dat de geschiedenis van vluchtelingen anders werd bekeken dan die van Holocaust-overlevenden. In alle Holocaust-onderzoeken tot dan toe zagen we
dat zodra Joden vluchtten, ze verder buiten beschouwing werden gelaten. Lange tijd dacht ik ook dat Joodse vluchtelingen een andere oorlogslast droegen dan degenen die in nazigevangenschap verkeerden. In hun dagboeken en brieven ontdekten wij dat de vluchtelingen zichzelf na de oorlog ook los zagen van de Holocaust, omdat ze eraan waren ontsnapt. Ik merkte op dat historici bij het onderzoek naar de Rwandese Genocide juist wél de geschiedenis van vluchtelingen duidden als onderdeel van genocide. Vanuit dit perspectief werd ons duidelijk dat de ontsnapping aan de genocide de vluchtelingen niet uit het Holocaust-verhaal schreef, maar dat hun vlucht diezelfde geschiedenis ook elders bracht. Voortaan wilden wij in onze Holocaust-geschiedschrijving vluchtelingen wél laten meetellen.’
In uw publicatie ‘Joden op de vlucht’ blijkt dat vanaf 1933 Joden niet meer gewenst waren in nazi-Duitsland, maar ze waren destijds ook in de meeste andere landen niet welkom. Wat zijn uw gedachten als u op deze periode terugkijkt? ‘Achteraf bekeken hadden er zoveel meer Duits-Joodse vluchtelingen gered kunnen worden. Voor de oorlog stuitten deze vluchtelingen al op steeds veranderende wet- en regelgeving voor de benodigde identiteitspapieren om de grens over te steken. Alleen met de goede connecties en de juiste stempels en papieren kon je aan het naziregime ontsnappen. Daarnaast waren er in vele landen immigratiequota en ondervonden zij ook antisemitisme in de landen waar zij een nieuwe start wilden maken.
Tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 werden vele Joden het land uitgejaagd door de nazi-aanvallen op hen en hun bezittingen. Zo kwam een enorm grote vluchtelingenstroom op gang. Op 25 november 1941 verklaarde de nazi-regering met een nieuwe wet de Duitse Joden in het buitenland van de ene op de andere dag tot staatloze en bezitloze burgers. De wereld zou zich moeten schamen voor het wegkijken van zoveel staatloze Duitse Joden die voor hun leven probeerden te vluchten.
Daarbij wil ik vooral benadrukken dat die Europese regeringen en beleidsmakers zeer goed begrepen dat de Joodse vluchtelingen, die zij bij de grens met nazi-Duitsland tegenhielden, ten dode waren opgeschreven. Als mens had iedere beleidsmaker de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen om meer te doen voor die Joodse vluchtelingen, als een universeel recht op bescherming en vrijheid. Daarom steun ik het huidige streven dat landen vluchtelingen moeten beschermen als een universeel mensenrecht.’
Uw nieuwe publicatie heet ‘Heiligen en leugenaars: Amerikaanse hulpverleners en reddingswerkers tijdens het nazitijdperk.’ Komt dit ook voort uit uw voorgaande onderzoek? ‘Ja, voor ons gezamenlijke onderzoek naar ‘Joden op de vlucht’ zag ik veel bijzonder indrukwekkende persoonlijke bronnen, briefwisselingen en dagboeken. Dit nieuwe werk komt daaruit voort. Mijn nieuwe publicatie ‘Heiligen en leugenaars’ gaat over Amerikaanse Quakers, Unitariërs, seculiere mensen en Joden, die naar Europa reisden om Joden te helpen. Stap voor stap raakten ze betrokken bij het redden van mensen uit nazi-Duitsland en het bezette Europa. Tot de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 was Amerika nog niet bij de Tweede Wereldoorlog betrokken en konden deze hulpverleners en reddingswerkers nog vrij reizen, ook in het bezette Europa. Ik wilde weten wie die dappere mensen waren die nog kansen zagen om de Joden te helpen vluchten, terwijl anderen niets deden. Wat motiveerde hen om in actie te komen? Was het een religieuze ingeving, een zucht naar avontuur, een onderbreking van de dagelijkse sleur? Ook bekeek ik in hun brieven en dagboeken of ze via hun sociale netwerk tot het reddingswerk overgingen. Welke beslissingen namen zij? Sociaal-maatschappelijk werk was al een vrouwenbezigheid, maar de overzeese actie bracht deze vrouwen meer vrijheid en voldoening. Ze werden onafhankelijker door het helpen van Joden overzee, ver weg van huis, en dat werd bij hun terugkeer in het gezin niet altijd op prijs gesteld.’
Hadden deze Amerikaanse hulpverleners en reddingswerkers nog meer kunnen doen voor de vluchtelingen? ‘Absoluut, iedereen had meer kunnen doen. De Amerikaanse hulpverleners en reddingswerkers deden wat ze konden doen, maar de kans op ontsnapping aan het naziregime was klein. Je ziet in hun brieven en dagboeken tot in detail tegen welke bureaucratische grenzen zij aanliepen. Het papierwerk om aan de juiste passen en stempels voor de vluchtelingen te komen was zo ingewikkeld en de regels bleven maar veranderen. Je moet jezelf altijd de vraag stellen: ‘Wíe had meer kunnen doen?’ Ik leg die verantwoordelijkheid niet bij de Amerikaanse hulpverleners en reddingswerkers die kwamen helpen. Maar ik houd die ministeries en regeringen wel verantwoordelijk voor het belemmeren van de vluchtpogingen, doordat zij met nieuwe regels alles nog gecompliceerder maakten.’
Sociaal-historisch onderzoek keek tot nu toe weg van het onvoorspelbare en irrationele in de geschiedschrijving van de Holocaust. Waarom wilt u dat wetenschappers daar voortaan wél aandacht aan besteden? ‘Voor mijn onderzoek naar ‘Heiligen en leugenaars’ ontdekte ik dat Amerikaanse reddingswerkers en hulpverleners zich vaak lieten leiden door hun gevoel of passie of door een impuls om Joden te redden in het bezette Europa. Traditioneel onderzoeken sociale wetenschappers de rol van sociale klasse, werk, religie, ras, leeftijd en gender. In sociaal-historisch onderzoek zijn de geschiedwetenschappers tot nu toe weggebleven van de onvoorspelbare emoties van mensen, maar in het dagelijks leven bepalen emoties ook vaak onze keuzes. Bij het lezen van de brieven en dagboeken ontdekte ik dat mensen ook toen vaak keuzes maakten op grond van gevoel. Waarom zouden we ook niet zo naar het verleden kijken? Dat wil ik graag veranderen in de huidige wetenschap en het onderwijs over de Holocaust: bij alle historische gebeurtenissen en al het huidige onderzoek wil ik ook de irrationele factoren toevoegen. Aan de hand van specifeke voorbeel -
den vraag ik mijn lezers om anders na te denken over geschiedenis en zich steeds af te vragen waarop een beslissing werd genomen.
Egodocumenten zijn bij dit onderzoek essentiële bronnen, maar ook vergadernotulen, zelfs de kleinste notities van een secretaresse in de kantlijn van de vergadernotulen werpen licht op de stemming tijdens een vergadering. Dankzij welk geluk hebben de Joden het bij die grensovergang gered, was het toeval dat de grenswachter zich had verslapen? Hoe schreven ze in hun dagboek over hun voornemen te vluchten, hoe tijdens de dagen ervoor en hoe lang na de oorlog? Daarbij gaat het om de timing van een gebeurtenis en het later terugkijken erop. We moeten hiernaast ook rekening houden met de onvoorspelbare factoren voor het slagen van de vlucht. Regende het die nacht terwijl de vluchtelingen Zwitserland binnenkwamen? Zij waren bijvoorbeeld heel blij dat het regende, want de bewakingshonden konden hen vanwege de regen niet ruiken.
De traditionele rationele factoren zijn nog steeds belangrijk in het sociaal-historisch onderzoek. Wat ik probeer te doen is ons begrip van het verleden te vergroten door me te richten op het dagelijks leven tijdens de Holocaust en daaraan de onvoorspelbare en irrationele factoren toe te voegen.’
Waarom speelt ook de timing van het onderzoek een belangrijke rol? ‘In dagboeken en brieven van daders en slachtofers uit de naziperiode vond ik verschillende getuigenissen van één persoon van in de oorlog, kort na de oorlog of lang na de oorlog. Soms kost het tijd voordat een slachtofer het kan opbrengen om te refecteren of te praten over die gebeurtenis. De timing is ook een belangrijke factor bij de ontdekking van deze oorlogsbronnen, want de generatie van overlevenden is nu langzaam aan het verdwijnen. Hun kinderen vinden nu die brieven bij hun ouders op zolder als ze het huis opruimen en weten soms niet wat ze ermee moeten doen. Voor ons onderzoek naar vluchtelingen en hulpverleners zijn zulke
oorlogscorrespondenties en oorlogsdagboeken juist heel belangrijk.’
Had de Holocaust voorkomen kunnen worden? En denkt u dat genocides in de toekomst voorkomen kunnen worden? ‘Ja, daar ben ik van overtuigd, want ik denk dat geen enkele gebeurtenis in de sterren staat geschreven, noch dat de geschiedenis vastligt, zowel niet positief als negatief. Als samenleving maken we stap voor stap bepaalde ontwikkelingen en processen mee. Juist omdat dit een geleidelijk proces is of een ontwikkeling die stap voor stap gaat, kan dit op elk moment onderbroken worden. Dat betekent dat Duitsland niet was gedoemd om dit proces mee te maken. De Duitsers waren niet gedoemd om massamoordenaars te zijn, maar stap voor stap werd de genocide in gang gezet en liet de meerderheid van het Duitse volk de Holocaust gebeuren. Ik geloof dat je het tij altijd nog kunt keren en dat een interventie altijd mogelijk is zelfs als een land afglijdt naar volkerenmoord.’
Ziet u overeenkomsten tussen de ervaringen van de Joodse vluchtelingen tijdens het naziregime en de problemen van hedendaagse vluchtelingen? ‘Ja, ik zie duidelijk overeenkomsten. Sommige mensen zien de hedendaagse vluchtelingen misschien als een last voor het sociale systeem van de gemeenschap die hen moet opnemen. Net zoals dat gebeurde met de Joodse vluchtelingen tijdens het naziregime. Wat we echter niet mogen vergeten is dat de Joodse vluchtelingen van destijds ook ongelofelijk veel positieve energie meenamen, nieuwe kennis, vaardigheden en mogelijkheden, oude wijsheid en moderne ideeën voor economische bloei. Ook al komen er duizenden of honderdduizenden nieuwkomers – en die komen er zeker nu en in de toekomst – ze zullen een samenleving op den duur ook verrijken. Dat zie ik juist als een groot geschenk.’ —

‘WE
Minka Bos startte in 2012 haar eerste project ‘Oorlog in mijn Buurt’ waarin ouderen vertellen aan leerlingen over de oorlog in hun buurt. Inmiddels vinden de projecten landelijk plaats en interviewen scholieren in heel Nederland ouderen over hoe het leven was in hun wijk tijdens de oorlog. Voor het Bulletin grijpt Bos in deze serie terug op haar allereerste interviews van bijna 10 jaar geleden met Joodse ouderen in Amsterdam. Vandaag met Guustaaf Willem Oosterhuis, die 12 was toen de oorlog begon net als de twee jonge interviewers tegenover hem, Ayah en Hajar.
Tot mijn ontmoeting met mijnheer Oosterhuis had ik niet veel nagedacht over tweede en derde generaties slachtoffers en daders die na de oorlog in onze woningen in steden en dorpen nog naast elkaar wonen. Zoals
meneer Oosterhuis in zijn leven overkwam. Hij had zich erbij neergelegd. Zo was het nou eenmaal. Hoe kon dat? Zonder daar grootse aandacht voor te vragen? Ik vond het moeilijk me daarin in te leven. En realiseerde me dat ook nu nog de nieuwe generaties kleinkinderen van slachtoffers, daders, maar ook van omstanders en verzetstrijders naast elkaar leven. En wat doet dat met ons, nu? Moet de jonge, huidige generatie het daar niet (alsnog) een keer met elkaar over hebben? Vraag ik me dan af. Maar goed, dat is niet het gesprek van deze serie. Wel een gedachte die Meneer Oosterhuis mij deed overdenken.
Tijdens de oorlog woonde hij met zijn Joodse moeder, niet-Joodse vader en zijn broer op de Stadhouderskade in Amsterdam, vlak
—DOOR MINKA BOS
Fotografe:
Katrien Mulder
naast de beruchte verrader en verhuizer van Joodse inboedels, Puls. ‘Pulsen’ werd een triest werkwoord hiervoor in het Amsterdam van de Tweede Wereldoorlog; Jacques Presser noemt in zijn boek Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 het aantal van 29.000 woningen die door het bedrijf van Puls werden leeggeroofd.
Met Hajar en Ayah zat ik in 2012 om de tafel met meneer Guustaaf Willem Oosterhuis. We mochten helaas niet bij hem thuis komen, zijn ouderlijk huis aan de Stadhouderskade waar hij (toen 84 jaar) nog steeds woonde. Dus we ontmoetten hem in het buurthuis waar hij regelmatig kwam. Oosterhuis is een bijzondere en kleurrijke buurtgenoot die ik wel vaker had zien lopen bij mij in de buurt of bij de supermarkt, de Lidl, om de hoek. Maar ik had toen nog geen idee van wat hij had meegemaakt in de oorlog, die hij doorleefde van zijn 12e tot 17e jaar. In het gesprek liet hij Amsterdam in oorlogstijd herleven, adressen, namen en details kon hij ophalen. Soms verstond mijnheer Oosterhuis zijn twee jonge interviewsters niet goed, lachte hij schaterlachend om de vraag of hij al getrouwd was in de oorlog, of sprong hij van de hak op de tak, zijn herinneringen beeldend vertellend alsof hij weer daar was, het Amsterdam van 1940-45.
“In 1938/39 zei mijn vader al dat we oorlog zouden krijgen. Dat we niet vrij zouden blijven. Ik was toen 10 jaar. ‘Wij blijven dit keer niet vrij,’ voorspelde hij. Ik zat op de Frederiksschool (nu asvo school) op het Frederiksplein, er
zaten ook veel Joodse kinderen op die waren gevlucht uit Duitsland. De Kristallnacht was toen al geweest.
We hadden het moeilijk. Mijn moeder was Joods en moest met een ster lopen. En we woonden naast Puls. Twee keer heeft hij haar verraden. Mijn vader wist haar weg te krijgen uit de Euterpestraat (nu Gerrit van der Veenstraat), waar de sd en Gestapo zat. Haar zuster, mijn tante, is weggehaald en op mijn verjaardag vergast in het concentratiekamp in Auschwitz. Ze werkte bij Gerson in de Kalverstraat. Mijn moeder heeft nog wat meubels van haar zus kunnen redden, buiten Puls om. De Cohennen zijn opgehaald, die woonden op 108-2 hoog. Die zijn verraden door Puls. Ze waren ondergedoken bij dominee Kaptein. In de Van Eeghenstraat. Bob Cohen heeft het


alleen toen gered, hun zoon. Hij is de tuin in gerend. De familie is vermoord. Er moet nog eens een plaatje in het voetpad komen bij hun huis.
Wij hielden ons kalm. We wisten dat we voorzichtig moesten zijn. Wij zagen zijn verhuiswagens. Hij was op geld uit. We waren zeer afstandelijk naar hem toe. Als je hem buiten
zag dan zag je hem met Meijer, die verkeerde agent, in de motorfets.
De kinderen van Puls waren Annie, Jan en Ben. Eén van de twee was zeer kwaadaardig. Die zat in de zesde klas. Die moest je echt in de gaten houden en op je woorden letten, die had het karakter van zijn vader. Ze zaten alle drie bij mij op school. Maar Annie was een goede meid.
Dolle dinsdag in 1944 herinner ik me nog: ’s avonds reden de Duitse tanks over de Stadhouderskade, in het donker. Dat zag ik. Tijgertanks waren het. In mijn pyama stond ik stiekem door het raam te kijken. Zagen we de tanks rijden met afstand onderling. Er scheen een klein lichtje, vanaf die tanks. Heel langzaam, reden ze. Een zoemend geluid.
Na de oorlog is Puls berecht. Daar was mijn moeder bij. Zij is naar de rechtbank gegaan en zat op de tribune. 20 jaar kreeg hij. De vrouw van Puls bleef al die jaren wonen op de kade. Uiteindelijk kwam hij eerder vrij en is toen weer op de kade gaan wonen. Wij woonden er ook nog steeds. Op nummer 107.
Mijn moeder had geen wraakgevoelens. Ze was een goed mens. Bob Cohen van 108-2 hoog die had wel wraakgevoelens. Die is nog eens naar mij toegekomen die wilde wel wat doen tegen Puls. Maar wat heb je eraan? Daar heb je jezelf mee. Puls had vader en moeder Cohen gevolgd naar hun onderduikadres en heeft hen toen verraden.
We hebben ons erbij neer gelegd. Hij had levenslang moeten hebben. Wat er gebeurd is, is gebeurd. Je moet het je verdere leven dragen. Het gebeurde gewoon.
Het is een groot gemis dat alle Joodse mensen weg zijn. Het was leuker in Amsterdam. Het hoort bij het leven dat niet altijd zo mooi is. De grootste droefenis en de grootse vreugde.”
Naschrift directeur en oprichter Minka Bos: ‘Ik heb voor het schrijven van dit artikel niet kunnen uitvinden of meneer Oosterhuis nog leeft. Ik hoop het wel. (Misschien kan een lezer hier meer over vertellen?) Inmiddels ben ik zelf verhuisd en wandel niet meer door mijn oude buurt waar ik hem anders vast nog tegen was gekomen. Nu woon ik dichtbij een winkelcentrum dat in de oorlog diende als loods en opslagplaats voor Puls, zo las ik onlangs‘.
Bij In mijn Buurt – Leren door Ontmoeting interviewen leerlingen ouderen over de Tweede Wereldoorlog in hun buurt, in de woonkamer. Inmiddels verzamelde de stichting met jong en oud meer dan 1500 verhalen, die alle na te lezen zijn online (www.inmijnbuurt.org).


boven Abraham Puls met politiebewaking in het gebouw van het Bijzonder Gerechtshof, Amsterdam, 2 juni 1947. Foto Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam. onder Het pulsen van een huis in Amsterdam.

Op vrijdag 15 oktober kwam Jacques Grishaver een interview geven in de sjoel van Amsterdam. Maar als hij en zijn vrouw Loes naar binnen gaan, staan daar tot hun verrassing 80 gasten te applaudiseren. Familie, vrienden, mensen waarmee hij de afgelopen jaren intens heeft samengewerkt, de (voormalige) voorzitters van de 1e en 2e Kamer, en de burgemeesters van Diemen en Heemstede. Wat volgt is een indrukwekkend programma, beginnend met ‘Violins of hope’ bespeeld door de Sunshine Cleaners. ‘Violins of hope’ zijn gerestaureerde violen die toebehoorden aan Joodse musici voor en tijdens de Holocaust. Een deel van het lied: ‘The violins of hope
Were quiet for so long
Hear the stories they tell
With their voices still strong
They whisper; they cry
They scream, they accuse
Just close your eyes
Hear the voice of the Jews’



Evaline Weijel spreekt daarna
Jacques toe: “Verdriet maakt je sterk, verdriet gaf je kracht. Liefde gaf je kracht, Loes gaf je kracht. Door jou is onze misjpoge weer bij ons, onze familie eindelijk weer thuis.”
Femke Halsema komt hierna binnen en neemt het woord. Zij noemt Jacques “een charmeur, een vechter, een diplomaat, een volhouder. Door sommigen op het Ministerie of het stadhuis gezien als collega, door hoe vaak hij daar was. Gedreven, bevlogen, bezeten. Vasthoudend en in gesprek met iedereen. En... het moet altijd zoals hij wil.”
Daarna wordt ze wat ofciëler, spreekt hem aan met meneer Grishaver en roemt zijn activiteiten rond het betrekken van Roma en Sinti, het aanwezig zijn bij alle herdenkingen (ook van andere kampen), de ontwikkeling van de jaarlijkse Nationale Holocaust herdenking, de jaarlijkse reis naar Polen. Om te eindigen met: “Het heeft de Koning behaagd je te
—DOOR SARAH BREMER
bevorderen tot Ofcier in de Orde van Oranje-Nassau.”
Waarna ze de niet te missen versierselen op zijn vest speldt en hem coronaproof omhelst.
Dan volgt nog een videoboodschap van Paul Blokhuis (staatssecretaris van VWS): “dankzij jouw inspanningen wordt hun naam weer genoemd en worden zij niet vergeten.” Ook premier Rutte groet even: “Nederland is jou veel dank verschuldigd.” Menno ten Brink zingt Sjier haSjalom (lied van de vrede): “Er zal vrede komen als mensen leren elkaar te waarderen en te respecteren. Kijk omhoog daar is hoop. Geen oorlog meer maar liefde.”
Daarvoor spreekt Jacques zelf. “Ik heb het met plezier gedaan al die jaren, hoewel dat misschien een rare uitdrukking is. Het is nog niet bij me ingedaald. Wel als ik er ben, dat is fantastisch. Elke dag is het druk bij het monument. De schoolklassen
die er komen, de mensen die hun familie zoeken. Het monument is heel belangrijk voor ons, we kunnen de namen lezen, ze aanraken. Maar het is ook juist zo belangrijk voor de buitenwereld. Het kan het gevoel overbrengen van wat wij al 75 jaar missen. Dat men weet wat het is. Het begint op school met ‘jij hebt een ander kleurtje’ en eindigt met zo’n muur vol namen. Dat mag nooit meer.”
Hij kijkt nog een keer rond: allemaal bekenden en níemand die hem wat heeft gezegd. Hij is overdonderd, en vol ongeloof zegt hij: “Dat ik er zó ingeluisd ben!”

AANNEMER NAMENMONUMENT BEZOEKT AUSCHWITZ
BIJZONDERE REIS NAAR HET VOORMALIG VERNIETIGINGSKAMP
Voordat er met de bouw van het Namenmonument gestart kon worden moest er – aan de hand van een uitgebreide procedure – een aannemer worden gekozen. Uit een eerste longlist werden uiteindelijk vier bedrijven gevraagd een plan te presenteren. Op basis van die voorstellen werd Koninklijke Woudenberg gekozen als bouwer van het monument.
Het was geen voor de hand liggende keuze. Woudenberg is vooral gespecialiseerd in restauratiewerken aan monumentale gebouwen zoals Paleis het Loo, de Lakenhal en delen van het Scheepvaartmuseum. Bij het monument ging het echter om nieuwbouw. Maar het bleek een gouden greep: de zorg-
vuldigheid die bij restaureren komt kijken paste uitstekend bij de gevoeligheid en het onderwerp van het Namenmonument.
Aan het begin van de bouw werd er al gedacht aan een bezoek van een groep medewerkers aan Auschwitz, zodat zij tijdens de bouw nog beter zouden begrijpen én voelen waar het eigenlijk om ging. Corona stond dat echter in de weg.
De reis vond daarom onlangs plaats, een maand na de onthulling. Op verzoek van Aafke van der Werf, directeur van Woudenberg, begeleidde Jacques Grishaver de groep. Het werd een emotionele reis, die diepe
indruk maakte. Ál die stenen met namen die stuk voor stuk door de handen van de metselaars waren gegaan, kregen hier echt de ware lading. ‘Het is achteraf goed dat we hier niet vóór de bouw naartoe zijn gegaan, want ik weet niet of ik het dan nog had aangekund.’

DROOSJES
Beeld: Willem Vleeschouwer —Tekst: Awraham Meijers

Foto's: Johan den Hartog




Op 19 september 2021 werd dan eindelijk het Nationaal Holocaust Namenmonument onthuld. Het was een ontroerende en emotionele bijeenkomst, mooi en respectvol in beeld gebracht door de NOS. Die uitzending is via deze link nog in zijn geheel te bekijken: https://bit.ly/3CYbXwD
Het monument is buitengewoon enthousiast ontvangen en wordt in de gehele wereldpers geroemd. Dagelijks komt er een groot aantal bezoekers, waaronder veel schoolklassen.
Op deze pagina’s hebben we een paar van de vele berichten verzameld die eerder op Twitter zijn geplaatst door bekendere en minder bekende Nederlandsers. Ze tonen de bijna unanieme waardering voor dit belangrijke monument.






































‘Lieve vrienden van Het Bulletin, de onthulling van het schitterende Namenmonument is een feit. Een mijlpaal in de geschiedenis van het Auschwitz Comité en daarmee ook in die van ónze geschiedenis met het Comité.’
‘Het is tijd…’ staat er boven dit bericht dat Bertje Leuw (77) op 1 oktober 2021 aan de redactieleden van het Auschwitz Bulletin stuurt. Zij en haar echtgenoot Herbert Sarfatij (84) besloten na ruim drie decennia hun werkzaamheden voor de redactie neer te leggen en het stokje over te dragen aan een nieuwe generatie. Ik ging bij hen langs en ging met hen in gesprek over hun leven, hun betrokkenheid bij het Comité en het Namenmonument.
‘Ik ben opgevoed met de Tweede Wereldoorlog,’ vertelt Bertje. ‘Toen ik klein was, was dat iets dat we binnenshuis bespraken. Dat we Joods waren, moest ook binnenblijven, het had iets geheims. Dat je bij een familie hoorde waarin zoveel mensen vermoord waren, daar sprak je niet over, alsof het iets schaamtevols was. Het grote zwijgen.’
‘Ik ben daar ook mee opgegroeid natuurlijk,’ vult Herbert haar aan. ‘Naar buiten toe hadden we het er niet zozeer over. In eigen kring eigenlijk altijd. Maar naar buiten toe? De ervaring was dat het toch vaak verkeerd begrepen werd of kon worden
en dan houd je je mond. Later is dat pas geleidelijk veranderd. Nu ben ik bezig met het onderzoeken hoe de oorlogsgeschiedenis in ons gezin precies verlopen is. Ikzelf heb tweeëneenhalf jaar ondergedoken gezeten. Mijn vader, moeder en oudere broer hebben hele andere geschiedenissen doorgemaakt, alles bij elkaar buitengewoon wonderlijk. Nu heb ik het gevoel dat ik er iets mee moet doen. Waar het precies op uitdraait, weet ik nog niet. Wel dat er iets ‘naar buiten moet komen’. Ik heb het gevoel dat mijn deelname aan het Comité ook heeft geholpen die houding van ‘me stilhouden’ te veranderen. Actief er tegenin gaan en laten zien waar je staat is ervoor in de plaats gekomen.
‘Onze geschiedenis was voor ons, toen we nog kind waren heel gewoon,’ gaat Bertje verder. ‘Maar wanneer je ouder wordt, realiseer je je dat het helemaal geen gewone geschiedenis is. Ik ben in de onderduik geboren. Mijn oudere broer en zus zaten op andere plekken ondergedoken en na de oorlog, toen we werden herenigd – wij hadden het geluk dat ons hele gezin had overleefd – moesten we elkaar leren kennen en aan elkaar wennen. Ook dat was al snel heel gewoon, net als het verdriet en de spanningen die er natuurlijk ook vaak waren. Pas achteraf weet je hoe ongewoon die hele situatie was en dat dat voor veel Joodse gezinnen in dit land geldt.’
Als psychotherapeut werkte Bertje veel met
en voor jongeren en hun ouders. Daarnaast begeleidde zij op de Hogeschool van Amsterdam studenten maatschappelijk werk tijdens hun stagejaar: ‘Die combinatie van banen vond ik altijd ontzettend leuk, ze bei nvloedden elkaar namelijk heel mooi. Wat ik in therapie kwijt kon en leerde, kon ik gebruiken bij de supervisie op de hogeschool en omgekeerd. Wat ik in mijn werk geleerd heb, heb ik ook kunnen gebruiken voor de boekbesprekingen die ik vanaf 1991 ben gaan doen voor het Bulletin. Ik besprak veel boeken over persoonlijke oorlogsgeschiedenissen, over kinderen in de oorlog, kinderen van vervolgde ouders, over de tweede generatie en over de derde. Ik voelde een enorme behoefte om die boeken zo te bespreken dat ze aantrekkelijk zouden zijn om te lezen. Dat kwam voort uit een soort verantwoordelijkheidsgevoel.’
Bertje bespreekt veel non-fctieboeken.
Bijvoorbeeld van Debórah Dwork, Kinderen met een gele ster uit 1998: ‘Zij noemt hierin de vervolging van kinderen de “kwintessens van het kwaad”. Het was een belangrijke aanvulling op de geschiedschrijving. Er was al veel literatuur over de moord op de Joden maar de kinderen die niet in staat waren er zelf over te vertellen kwamen voorheen nooit aan de orde. Dat is nu beter maar
Dwork gaf toen al heel goed aan dat de kinderen een heel verwaarloosde groep waren. Er was niemand meer over, die over hen kon vertellen.’
Bertje bespreekt ook literatuur binnen dit thema. De boeken van de Hongaarse schrijver Imre Kertész bijvoorbeeld, of een hele serie boeken van Chaja Polak: ‘Het zijn de tussenkopjes in mijn besprekingen waardoor duidelijk wordt waarom ik daarover wil getuigen,’ legt Bertje uit. ‘Met literaire boeken kom je soms dichterbij de werkelijkheid dan met de werkelijkheid zelf. Een zin die Polak een van haar personages laat zeggen is: “De onzichtbare oorlog was het middelpunt, de spil waar alles om draaide”. Die zin is ook de kern van wat wij zo goed kenden, van het grote zwijgen over de vaak niet te repareren emotionele schade die de Shoah in Joodse families had aangericht.’
nemen. We stapten toen net over op een vernieuwde vormgeving. Ik heb dat tien jaar gedaan, tot ik ‘gewoon’ redactielid werd.’


Beiden zijn ze sinds 1987 bij het Auschwitz Comité betrokken. Herbert: ‘Wij zijn vanaf die tijd met een aantal personen het Auschwitz Comité gaan ondersteunen. Vanaf 1992 ben ik zelf comitélid geworden. Er was een nieuwe secretaris nodig en dat ben ik toen geworden. Ik heb dat gedaan tot 2007, na vijftien jaar was het mijns inziens tijd om iets anders te gaan doen. Ik heb toen wel meteen gezegd dat ik graag iets anders binnen het Comité wilde doen. Ik wilde de eindredactie van het Bulletin graag op me
Naast het eindredacteurschap heeft Herbert zich gericht op het bespreken van boeken binnen zijn eigen vakgebied. Hij is historicus en hield zich tijdens zijn werkzame leven als wetenschappelijk onderzoeker daarbinnen vooral bezig met de materiële kant van de geschiedenis, de archeologie: ‘Voor het Bulletin richtte ik mij vooral op de historische ontwikkeling bij de boeken die ik besprak. Ik noem twee voorbeelden. Het boek van Raul Hilberg, dat vind ik nog steeds het belangrijkste overzicht van de vervolging van de Europese Joden. Maar ook het proefschrift van Bert Jan Flim uit de jaren 90, over de organisatie van de kinder-onderduik in Nederland. En dan is er de laatste jaren als nieuw historisch onderwerp de kamparcheologie bijgekomen. In zoiets ben ik natuurlijk erg geïnteresseerd. Het project dat nog steeds in Sobibor gaande is bijvoorbeeld, dat vind ik erg interessant.’ ‘Oorspronkelijk was het Bulletin een mededelingenblad met nieuwtjes,’ gaat Herbert verder. ‘Maar later is het veel beschouwender en strijdbaarder geworden door het benadrukken van de historische kant van zaken en te wijzen op maatschappelijke ontwikkelingen. Er kwam ook een steeds steviger wordende journalistieke inbreng door de opeenvolgende redacties. Het belang van het
Bulletin is daardoor sterk verbreed, zodat het nu fungeert als een soort geweten. Het is van groot belang dat we de lezer voortdurend met de neus op de feiten drukken. Het groeiend antisemitisme bijvoorbeeld. Denken dat we dat kunnen tegenhouden is natuurlijk een illusie, maar je moet er tegenin gaan en we móeten het blijven benoemen.’ ‘De Atlas van een bezette stad van Bianca Stigter dat ik voor het Bulletin besprak, maakt ontzettend goed duidelijk hoe die processen gaan,’ haakt Bertje hierop aan. ‘Daarin wordt zo duidelijk hoe sluipenderwijs die oorlog de stad binnendrong. Zo sluipenderwijs dat men pas na afoop in de gaten kreeg dat hier iets raars was gebeurd. Die bordjes ‘Verboden voor Joden’ overal in de stad bijvoorbeeld. Men liep daarlangs en deed niks, vond het misschien zelfs gewoon. Het kwaad werd er als het ware zachtjes ingemasseerd en men wende er razendsnel aan. Dat laat de Atlas zo goed zien en dat vind ik echt buitengewoon goed.’
Na ruim dertig jaar betrokken te zijn geweest bij het Comité en het Bulletin stoppen ze ermee. Het is tijd... Naast het bespreken van tientallen of misschien zelfs honderden boeken, en ook symposia, tentoonstellingen, flms en documentaires hebben Herbert en Bertje de afgelopen vijftien jaar de ontwikkelingen rondom het nieuwe Namenmonument van heel dichtbij gevolgd. Het monument is er nu en de cirkel is voor hen in zekere zin rond: ‘Het heeft natuurlijk

jaren geduurd voor het er was en op een gegeven moment zeiden we tegen elkaar dat de onthulling van het monument een mooie afsluiting van onze carrière binnen het
‘INEENS WAS DIE
KOPPELING ER TUSSEN WAT IK AL DIE JAREN VOOR HET BULLETIN
GEDAAN HEB EN HET MONUMENT’
Comité zou kunnen zijn,’ vertelt Bertje. ‘Tot mijn verbazing was ik niet verdrietig maar juist enorm blij toen ik tijdens de onthulling het monument in zijn voltooide staat zag. Ineens was die koppeling er tussen wat ik al die jaren voor het Bulletin gedaan heb en het monument: het uit de anonimiteit halen
Pagina 18 links: Groepsfoto van het Nederlands Auschwitz Comité uit 1994, waar 19 van de toenmalige leden van het Comité op staan. Van die groep zijn Herbert (vooraan links), Bertje (achteraan 2e van links) en de huidige voorzitter Jacques Grishaver (achteraan 4e van links) over. Foto: Han Singels.
Pagina 18 rechts: Bertje, Herbert en dochter Aviva bij de herdenking van de Februaristaking in 2019. Foto: Dirk PH Spits.
Afbeelding hiernaast: deel uit het interview met Bertje en Herbert in de Volkskrant, bij de onthulling van het Namenmonument.
Hieronder: Een vrolijke Herbert na afoop van de Nooit Meer Auschwitz Lezing in 2019. Foto: Dirk PH Spits.
van de geschiedenis. Niet alleen krijg je in een oogopslag een beeld van de massaliteit van dit gruwelijke kwaad, maar is ook ieder individu met naam en leeftijd herkenbaar. Het stemde me tot diepe tevredenheid.’
Het staat er nu,’ gaat Herbert verder, ‘en er kan over gepraat worden en iedereen kan zien wat voor een afschuwelijke geschiedenis hier heeft plaatsgevonden, hoeveel mensen er zijn vermoord en dat is heel belangrijk. Het grote zwijgen waar we het eerder over hadden is hiermee defnitief doorbroken. Het monument is een schreeuw naar buiten en dat is prachtig.’ —

Zelf stel ik de vraag vaak aan iemand: wat hem of haar bezielt bij het schrijven van een boek, het schilderen, ontwerpen van huizen of componeren van muziek. Het zoeken naar het waarom der dingen komt voort uit mijn nieuwsgierigheid naar de beweegredenen van mensen. Voor mij is dit een drijvende kracht bij het schrijven, speuren en zwerven door tijd en ruimte. Daarom snap ik heel goed dat anderen die vraag ook aan mij stellen. Waarom heb ik me jarenlang beziggehouden met een boek als Vijfhonderd meter namen, dat uitvoerig een project beschrijft waar ik geen directe persoonlijke betrokkenheid bij heb?
Typisch dat deze vraag alleen gesteld wordt naar aanleiding van mijn boeken en artikelen wanneer die over Joodse onderwerpen gaan. Toch snap ik waaruit de vraag voortkomt. Maar hem beantwoorden is zo eenvoudig nog niet.
Toen ik voor de allereerste keer hoorde over het plan om een Namenmonument te bouwen in Amsterdam, vond ik dit een schitterend idee. Dat Daniel Libeskind het moest ontwerpen verhoogde mijn enthousiasme. Vervolgens liet de wens om daar een boek over te schrijven mij niet meer los. In het boek wilde ik alle aspecten aan bod laten komen, dat wil zeggen de architectuur van het monument, de hele voorgeschiedenis van het herdenken en herinneren vanaf 1945, de persoonlijke verhalen van betrokkenen en
anderen, enzovoort. Wanneer ik stel dat een groots monument als dit de daden van de nazi’s niet ongedaan kan maken, maar deze wel kan weerspreken, en dat alleen al deze eigenschap dit gedenkteken legitimeert, geef ik heel in het kort mijn opvatting over het bestaansrecht van het Namenmonument weer. Daarom ook heb ik een heel hoofdstuk, de kern van mijn boek, gewijd aan het achterhalen van de identiteit van een gezin, dat te zien is op een van de meest iconische Holocaustfoto’s: de familie Delden-Loos. Zo kon ik tenminste vijf mensen – een vader en moeder en hun drie jonge kinderen – aan de vergetelheid ontrukken.
Maar, de wens om dit te doen, waar kwam die vandaan?
De bekende Duitse flosoof Theodor Adorno (1903-1969), die het wezen van het fascisme en antisemitisme diepgaand onderzocht heeft, schreef in 1949 in Kulturkritik und Gesellschaft, dat het na Auschwitz ‘barbaars’ zou zijn om nog gedichten te schrijven. Buiten Adorno’s ontzagwekkende werk is deze uitspraak een eigen leven gaan leiden en niet altijd even goed begrepen. Maar de essentie ervan is duidelijk en ik ben het met Adorno niet eens.
Om de herinnering aan het meest gruwelijke wat mensen elkaar hebben aangedaan vast te kunnen houden en om te kunnen begrijpen wat dit betekent, hoe we het kunnen verwerken, individueel en als samenle-
ving, daarvoor is juist poëzie nodig. Er zijn boeken voor nodig, flms, theatervoorstellingen, schilderijen, monumenten. Zonder deze cultuuruitingen verdwijnen tenslotte de herinneringen, omdat de mensen die de herinneringen tegen wil en dank met zich meedragen, er straks niet meer zullen zijn.
Een van de meest aangrijpende gedichten over de Shoah is Todesfuge van de Roemeens-Joodse dichter Paul Celan (1920-1970). Hierin komen deze regels voor:
“Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
We drinken je ’s morgens en ’s middags we drinken je ’s avonds
We drinken en drinken
Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft
Hij schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete
Je asgrauwe haar Sulamith we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap”
Sinds ik dit gedicht voor het eerst las in mijn studententijd liet het mij niet meer los. Het leerde mij dat de herinnering aan het gruwelijke gepaard kan gaan met de evocatie van schoonheid. De muzikale ritmiek, de rijke taal en de verbeeldingskracht van Celan bewijzen het. Zoals ook Libeskinds ontwerp voor het Holocaust Namenmonument getuigt van schoonheid en verbeeldingskracht.

Overigens is Celan een van Libeskinds lievelingsdichters. Tijdens de perspresentatie van het ontwerp voor het Namenmonument op 16 december 2016 in het Tropenmuseum citeerde Libeskind in het Engels de slotregels uit een ander werk van de Roemeen, die zijn ouders en andere familieleden verloor in een vernietigingskamp: ‘The world is gone, I must carry you.’
Later nuanceerde Adorno zijn uitspraak trouwens. ‘Eeuwigdurend lijden heeft evenveel recht op expressie als gemartelden het recht hebben om te schreeuwen’, schreef hij in 1966.
De vraag waarom ik Vijfhonderd meter namen geschreven heb, een boek dat op zijn eigen, bescheiden wijze bijdraagt aan het in stand houden van de herinnering, hoeft niet te worden gesteld aan Libeskind, noch aan Jacques Grishaver, als het gaat om hun inzet voor het Namenmonument en tal van andere herdenkingsprojecten en -initiatieven. Hun bezieling komt voort uit hun persoonlijke geschiedenis, zij hoeven niets uit te leggen. Wanneer hun gesprekspartner goed luistert, heeft die aan één woord genoeg.
Nu ik aan Paul Celan denk, besef ik dat Todesfuge een van de impulsen vormde voor wat ik later ben gaan doen. Maar het is lang niet de enige impuls, en ook zeker niet de eerste. Ik behoor tot de generatie die de verhalen over de Tweede Wereldoorlog uit de eerste hand heeft meegekregen, in de eerste plaats via mijn ouders, die nog kinderen waren tijdens de bezetting. Zij hadden de typerende ervaringen van de niet-Joodse meerderheid van de bevolking.
Mijn moeder kreeg er in mei 1940 een klasgenootje bij, dat in mijn moeders dorp onderdak had gekregen omdat haar huis in Rotterdam op 14 mei 1940 was weggebombardeerd door de Duitsers. Mijn vader ontsnapte in december 1944 aan een razzia (de beruchte Sinterklaasrazzia) door zich in het aanrechtkastje onder de gootsteen te verstoppen. Hij was toen net zestien; hadden de Duitsers hem opgepakt dan was hij naar Duitsland gestuurd voor de Arbeitseinsatz. Verder de verhalen over de Hongerwinter natuurlijk. De barre voedselstrooptocht langs boeren in Noord-Holland die mijn moeder als meisje met mijn oma ondernam.
Dergelijke verhalen maakten indruk op mij als kleine jongen, maar ze vallen in het niet bij de ervaringen van de Joodse Nederlanders. Ik realiseer me ook dat ze niet kunnen verklaren waarom ik me later ben gaan bezighouden met de Joodse geschiedenis en de Shoah. Daarvoor was veel meer nodig. Maar wat was dat ‘meer’? Als ik hierop een antwoord probeer te vinden weet ik bij voorbaat dat het onvolledig is en misschien ook niet helemaal waar, want wat is de individuele herinnering waard? Hoe eerlijk ik ook probeer te zijn, het blijft voor mij zoeken, tasten. Waren het de verhalen die mijn moeder aan mij vertelde over de Joodse familie waar ze kort na afoop van de oorlog in de huishouding werkte? De man en vrouw hadden een
concentratiekamp overleefd. Was het de onwrikbare sympathie voor Israël die mijn vader aan de dag legde? Waar kwam die sympathie eigenlijk vandaan? Ik kan het hem niet meer vragen. Waren het soms de geschiedenislessen op school, met de plaatjes over de Jodenvervolging in de boeken, die me troffen? Waren het de grauwe beelden van de kampen die ik, nog maar een jongetje, op 4 mei op de televisie voorbij zag komen?
Dit is nu precies de moeilijkheid met het beantwoorden van waarom-vragen. Het is wat ik, overdreven gesteld, andere mensen aandoe, als ik hen vraag naar hun persoonlijke motieven, drijfveren, keuzes. Waaruit die voortkomen, wat de verklaring is voor dit of voor dat…
Als ik de vraag probeer te beantwoorden waarom ik me zoveel moeite heb getroost om dit boek te schrijven, moet ik het antwoord helaas schuldig blijven. Hoewel ik een fauw besef heb van de redenen, aanleidingen en oorzaken krijg ik er geen vat op, hoe lang ik er ook over nadenk. Er is zoveel aan voorafgegaan in de afgelopen decennia. Zoveel gesprekken, ontmoetingen, leeservaringen, flmbeelden, gedachten, piekeren, bezoekjes, reizen. De boeken en artikelen die ik eerder schreef, lezingen die ik hield, bijeenkomsten waar ik aan deelnam, indrukken die ik opdeed.
Een ding staat hoe dan ook vast: zonder al het voorafgaande had ik Vijfhonderd meter namen nooit kunnen schrijven, zoals het ten slotte geworden is.
Wim de Wagt, Vijfhonderd meter namen. De holocaust en de pijn van de herinnering, Boom, Amsterdam, 2021, ISBN 9789024443383. Prijs: 29,95.
FOTO: CHRISTINE TINSSEN
JOODSE WERKKAMPEN IN EN ROND AMSTERDAM 1941 – 1944
In het Auschwitz Bulletin van september 2021 hebben we een artikel gewijd aan de tentoonstelling over de Joodse werkkampen in en rond het Amsterdam van 1941 tot 1944. Het Amsterdamse Bos is aangelegd als werklozenproject uit de jaren 30. Veel minder bekend is dat er in het Bos tijdens de Tweede Wereldoorlog speciale werkkampen waren voor Joodse mannen, die daar verplicht tewerk gesteld werden. Met het oog hierop hebben we nu een inhoudelijker artikel over de Joodse werkkampen in en rond Amsterdam opgenomen. Daarnaast zijn enige resultaten vermeld van het onderzoek van geïnterviewde kinderen en kleinkinderen van gemengd gehuwde Joden. Hun tragische geschiedenis wordt nu voor het eerst uitgebreid belicht. In dit artikel gaat Lion Tokkie, Holocaustonderzoeker gespecialiseerd in werkkampen in Nederland, daar nader op in.
De aanleg van het Amsterdamse Bos is onder te verdelen in drie perioden. Van 1934 tot begin 1942 werkten Joden en niet-Joden in de werkverschaffng omdat ze werkloos waren. Na de oorlog is er van 1946 tot 1954 door werklozen gewerkt, niet in de werkverruiming maar voor de Dienst Uitvoering Werken (duw). In de oorlog was het een gemeentelijk werkverruimingsobject onder directie van Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam onder dagelijks toezicht van de Heidemaatschappij.
1942 In 1942 beslist de Reichskommissar
Seyss-Inquart, dat de Amsterdamse Joodse mannen, die afgekeurd werden voor de Rijks Werkverruiming en tewerkgesteld werden in en om Amsterdam, Drenthe, Friesland en Overijsel, in de gemeentelijke werkverschaffng moesten worden geplaatst. Ruim 2.500 mannen zijn in 1942 in de 17 werkkampen/ objecten in de regio Amsterdam tewerkgesteld. Het object Nieuwe Meer nam het overgrote deel voor zijn rekening. In augustus 1942 wordt het een Rijks werkkamp net als de Westhaven, het Kamp Bethlem bij Diemen en de Joodse begraafplaats Muiderberg.
De werkloos gemaakte Joodse mannen met hun gele sterren op de kleding moesten zware lichamelijke arbeid verrichten in ruil voor een uitkering. Het resultaat van hun werk is nog steeds terug te vinden in het Amsterdamse Bos, zoals de sluis op de Koenenkade, de Jacht-
haven, de rechtgetrokken sloten in de Polder Meerzicht, de IJsloot, de sloten en de paden en de glooiende helling van de Koenenkade naar de Bosbaan. Eigenlijk een indrukwekkend monument van de betaalde inzet van Joden in een groene ghettoachtige werkomgeving, het Amsterdamse Bos.
In 1942 was het deel boven de Bosbaan en de oevers van het Nieuwe Meer alleen toegankelijk voor de Joodse arbeiders. Het deel onder de Bosbaan was door de bezetter tot verboden gebied voor bezoekers en arbeiders verklaard vanwege de vele geallieerde bombardementen op Schiphol-Oost.
De Joodse mannen moesten zich vroeg melden voor het werk. Bijvoorbeeld bij een boot aan het Zuider Amstelkanaal bij het Olympisch Stadion, die ze bracht naar de Noord- en Zuidkant van het Nieuwe Meer. Daar werkten ze aan de sloten, oevers en haar schoeien beschoeiingen.
Sommigen moesten zich melden bij de trein die van het Haarlemmermeerstation naar de Bosbaan reed waar verschillende ploegen door de Heidemij te werk werden gesteld. Ontluisterend is dat er een speciale “Joden-tram” reed om mannen vanuit de verder weg liggende wijken naar het Haarlemmermeerstation te vervoeren. Die tram reed ’s avonds niet. De mannen moesten teruglopen.
De mannen moesten in weer en wind zwaar lichamelijk werk verrichten. Het is aannemelijk dat mannen die voorheen werkzaam
waren bijvoorbeeld als advocaat, bankbediende en of kleermaker niet aan het zware werk gewend waren. Op de persoonskaarten van het Gewestelijk Arbeidsbureau is te zien dat velen, vooral in de leeftijd tussen 45 en 65 jaar werden afgekeurd voor het werk.
Het heen en weer reizen tussen werkplek en woning trok een zware wissel op de gezinnen. Het doel van de bezetter was bereikt. De Joodse bevolking accepteerde dit lot, velen hadden niet door wat het doel van de bezetter was: de separatie uit de samenleving. Het was in de ogen van de Joden werkloosheidsbestrijding en je kreeg een gekort salaris, -20% maar met de reistoeslagen, het was wel goed.
Medio juli 1942 worden de Joodse Amsterdammers uitgenodigd om zich te melden voor de Arbeitseinsatz in het oosten. Omdat te weinig mannen aan deze oproep gehoor geven put de Duitse bezetter uit de Rijks Werkverruimingskampen in Drenthe om de transporten naar het oosten aan te vullen. In deze werkkampen zijn dan zo’n 5.000 Joodse mannen tewerkgesteld. Hetzelfde is gebeurd in de regio Amsterdam. Begin september 1942 worden veel Joodse mannen uit de werkverruiming ’s avonds van huis gehaald. Op 2 en 3 oktober worden de Amsterdamse Rijks- en Gemeentelijke werkverruimingskampen geliquideerd. Deze actie is onderdeel van de grootste razzia van Nederland. Meer dan 5.000 mannen uit zo’n 60 werkkampen worden naar Westerbork afgevoerd. De 10000 vrouwen en kinderen
worden door de bezetter van huis gehaald en ondergaan hetzelfde lot.
Alleen al in Amsterdam worden onder bewaking meer dan 3.000 mannen, vrouwen en kinderen verzameld op het toen braakliggende terrein aan de Polderweg. Volgens een ooggetuige halen drie vrachtwagens het kamp in de Meerzicht polder leeg. Met een viertal nachtelijke treintransporten worden de mannen, vrouwen en kinderen naar Westerbork overgebracht.
1943-1944 Nadat Nederland in oktober 1943 door de bezetter Judenrein wordt verklaard, gaat de Nazi en ss’er, de Reichskommissar Seyss-Inquart nog een stap verder. Hij wil ook alle gemengd gehuwde Joodse mannen en vrouwen separeren uit de samenleving. Tenminste 8.500 mannen en 1.500 vrouwen. In zijn uitvoering komt hij meerdere malen in confict met zijn achterban in Berlijn omdat daar een ander inzicht heerst.
Om zijn doel te bereiken zet Seyss-Inquart wederom het bewezen succesvolle systeem van de werkverruiming in. Te beginnen in het Amsterdamse Bos en het aangelegen Schiphol-Oost. Hij vraagt de gemeente Amsterdam dit uit te voeren.
De gemengd gehuwde mannen worden door de afdeling werkverruiming van de Sociale Dienst van Amsterdam opgeroepen voor keuring in het gebouw Atlanta aan het Leidsebosje. Velen geven hieraan gehoor en met ingang van 5 januari 1944 gaan 550 mannen werken in het Amsterdamse Bos. Voor het vervoer is wederom de Jodentram geregeld, die ze ’s morgens vroeg vervoert uit de wijken naar het Haarlemmermeerstation vanwaar ze met de trein worden vervoerd naar het station Amstelveen. Ze worden onder andere tewerkgesteld aan de Burgemeester Colijnweg, waar ze grond moeten verplaatsen en geulen graven voor riolering. Uit getuigenissen en verhalen van nabestaanden weten we dat het voor deze mannen ondoenlijk is. Ze zijn 45 jaar en
ouder. Ze hebben de kleding noch het schoeisel om in deze barre omstandigheden te werken. Velen worden dan ook na een maand afgekeurd of duiken onder. Daarnaast kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling maken hoe het Amsterdamse Bos eruitzag in 1944. Het was een oorlogsgebied met Wehrmacht- en ss-soldaten en tientallen luchtdoelgeschutsbatterijen Flak ( Fliegerabwehrkanone) die tot taak hadden Schiphol-Oost te verdedigen tegen de geallieerde luchtaanvallen. Het Bos was voor het overgrote deel gekapt en overal hingen camoufagenetten. Er waren loopgraven, mitrailleurposten en opslagplaatsen van munitie. Wat nu een festivalterrein is, was een schaduwvliegveld met twee start- en landingsbanen. Voor het vervoer van materiaal werd gebruikgemaakt van een smalspoor dat door het gehele bos liep. De huidige ruiterpaden herinneren aan hun tracé. Aan de Ringvaart was een geïmproviseerde aanlegsteiger waar de Duitsers hun oorlogsmateriaal aanvoerden. Ook de toenmalige spoorlijn, die verbonden was via Uithoorn met de spoorverbinding tussen Utrecht en Amsterdam werd voor dit doel gebruikt.

Midden 1944 is een ss-divisie begonnen met de aanleg van een V2 lanceerinstallatie op en rond de Grote Speelweide. Veel Joodse mannen zijn bij die locatie ingezet voor het graven van de Grote Speelvijver en de zogenaamde Jodensloot. Het Bos is na de oorlog onzichtbaar (in het geheim) door de Amerikanen ontmanteld. Daaruit zou je kunnen afeiden dat het Bos voor de Duitse bezetter een belangrijke locatie was.
Eind januari 1944 worden ruim 450 Joodse mannen ingezet op Schiphol-Oost. Zij zijn jonger dan 45 jaar. Een klein aantal van hen reisde
via het station Amstelveen naar Schiphol. Een groot deel voer met een boot van de Schinkelkade naar de brug over de Ringvaart (nu de Schipholdraaibrug) via het Nieuwe Meer. Op Schiphol-Oost was hun taak het repareren van de landingsbanen, die er als gevolg van de vele aanvallen van de Geallieerden slecht bijlagen. Het was zwaar werk, en de Duitsers behandelden de Joodse mannen slecht vergeleken met die in het Amsterdamse Bos. Het werk werd geleid door de Heidemij.
Bij aanvallen moesten de mannen schuilen in sloten en greppels, terwijl de Duitsers de veiligheid van de schuilkelders opzochten. Het verschil in behandeling wordt vooral duidelijk als een groepje mannen schuilt in een greppel. Een Luftwaffe-offcier ziet dat en beschuldigt ze van sabotage. De mannen worden opgepakt en overgedragen aan de ss die ze naar de Euterpestraat brengt waar de Zentralstelle für Jüdische Auswandering is gevestigd.
Richard Weinberg, 1944. Karikatuur. Privécollectie mevrouw De Groot-Weinberg

Ze worden verhoord, een enkeling wordt om onduidelijke reden vrijgelaten, de rest wordt gevangengezet in de toenmalige gevangenis op het Kleine-Gartmanplantsoen. Een paar dagen later worden ze via Westerbork naar Auschwitz afgevoerd. Geen van deze zogenaamde strafgevallen heeft het kamp Auschwitz-Monowitz en de dodenmars in januari 1945 overleefd.
Als gevolg van Dolle Dinsdag, 5 september 1944, implodeerde het Duitse systeem. De overgebleven Joodse mannen gingen de onderduik

in en hebben de oorlog overleefd. Degenen die doorwerkten hebben dit tot 10 oktober 1945 moeten doen, waarna de werkzaamheden wer-
Boven de Bosbaan. Rechts de sluis tussen de Bosbaan en het Nieuwe Meer en daarboven het barakkendorp. Bron: Archief Amsterdamse Bos
Als onderdeel van het onderzoek naar de Joodse werkkampen en in het bijzonder de werkkampen in en rond Amsterdam zijn kinderen en kleinkinderen van gemengd gehuwde Joden geïnterviewd. Hun ervaringen zijn in een achttal interviews te zien en te horen op de tentoonstelling. Zij ervaren vaak nog dagelijks de gevolgen van de anti-Joodse maatregelen in de periode 1940-1942. De interviews schetsen daarvan een beeld dat nuance aanbrengt in de gedachte dat gemengd gehuwde gezinnen minder zouden hebben geleden onder de oorlog omdat zij niet in een kamp zaten en niet werden gedeporteerd. De gezinnen werden ongelofelijk geterroriseerd door de bezetter. Ook zij zijn slachtofer van het nazistisch systeem. Gemengd gehuwde Joden moesten zich melden tijdens de Joodse registratie in het eerste kwartaal van 1941. Daaruit bleek dat er meer dan 18.000 gemengd gehuwde Joden waren. De bezetter vond dat veel te veel. Dus werd in 1942 een nieuw systeem registratie ingevoerd, waarbij iedere gemengd gehuwde moest bewijzen dat zijn niet-Joodse partner niet van Joodsen bloede was, overeenkomstig de Neurenberger Wetten. Het aantal kwam uit op zo’n 8.500 gemengd gehuwde mannen en 1500 gemengd gehuwde vrouwen met kinderen. Nadat het bewijs was goedgekeurd werd het stempel in het persoonsbewijs

den gestaakt en de mannen naar huis werden gestuurd.
Onder Richard Weinberg aan het werk De Jodenput, Burgemeester Colijnweg Amstelveen. Privécollectie mevrouw De Groot-Weinberg
geplaatst: U bent vrijgesteld van de Arbeitseinsatz in het Oosten. Daarna moest de man of vrouw, naast het persoonsbewijs, de originele documenten te allen tijde bij zich dragen als bewijs.
Wat de kinderen van gemengd gehuwden allen gemeen hebben is dat de gezinnen werden geterroriseerd door de bezetter of door collaborateurs. Zo werd er ‘s avonds aangebeld door een SS’er en kreeg de niet-Joodse partner het voorstel om te scheiden: “dan bent u van het probleem verlost”. Vond zo’n scheiding plaats dan werd de Joodse partner per omgaande afgevoerd naar Westerbork. De Joodse gemengd gehuwde mannen werden in Amsterdam meerdere malen naar de Hollandse Schouwburg gebracht en dan weer met veel gedoe vrijgelaten. Partners gingen naar de Zentralstelle für Jüdische Auswandering om bij SS Hauptsturmführer Aus der Fünten te smeken om hun man dat noodzakelijke stempel te geven in het persoonsbewijs. Wie gemengd gehuwd en kinderloos was (dit betrof 2.500 mensen) werd onherroepelijk afgevoerd. Wie in de ogen van de bezetter iets fout deed, werd beschouwd als een strafgeval en werd afgevoerd, vrijstellingsstempel of niet.
Een getuigenis vertelt over een Joodse man die net als vele anderen op 9 juli 1942 wordt teruggestuurd
vanuit Drenthe naar Amsterdam, omdat die gemengd gehuwd was. Hij wordt in de gemeentelijke werkverruiming geplaatst en op 2 oktober 1942 naar Westerbork afgevoerd. Zijn vrouw doet verwoede pogingen haar man vrij te krijgen. Uiteindelijk lukt dit omdat ze kan bewijzen dat zij geen Joodse wortels geeft. De man wordt wederom vrijgelaten.
De ervaring en het trauma is voor eenieder verschillend maar kinderen van gemengd gehuwde ouders zijn nimmer erkend als slachtofer van de Tweede Wereldoorlog. Deze tentoonstelling is voor de nazaten een erkenning van het leed dat ook zij hebben ervaren, vooral binnen het gezin.
De tentoonstelling is van 2 september 2021 t/m 3 april 2022 te bezoeken in De Boswinkel, bezoekerscentrum van het Amsterdamse Bos, Bosbaanweg 5, Amstelveen. Meer info via deboswinkel@amsterdam.nl of 020 251 7840. www.amsterdamsebos.nl/joodsewerkkampen
Heeft u informatie over het werken in het Amsterdamse Bos of bent u nazaat dan kunt u mailen met Lion Tokkie. Ltokkie@hotmail.com
IN LEEUWARDEN IS OP 14 OKTOBER EEN NAMENMONUMENT MET 544 NAMEN EROP ONTHULD Dagmar van Gils sprak
Auke Zeldenrust, een van de initiatiefnemers, over de totstandkoming hiervan

Het begint allemaal in juni 2016, Auke Zeldenrust loopt door de Joodse wijk van Leeuwarden om een reportage te maken over de onthulling van een in ere herstelde sabbatspaal als hij tijdens het flmen in gesprek raakt met een echtpaar dat daar ook is voor de onthulling. De vrouw van het echtpaar, Yvette, vertelt dat ze bij de synagoge wil kijken, waar haar ouders Barend Boers en Mimi Dwinger in 1939 zijn getrouwd. Als Yvette verder vertelt dat daar toentertijd ook een trouwflm van was gemaakt, aarzelt Auke geen moment en belt ter plekke de directeur van het Verzetsmuseum Leeuwarden om de twee met elkaar in contact te brengen. Deze flm bleek ook nog eens heel bijzonder te zijn, want er waren nog geen bewegende beelden bekend van de Joodse wijk in Leeuwarden. De flm lag samen met allerlei documenten in een kofer die decennialang gesloten bleef, maar waar een schat aan informatie in zat, die Auke heeft gebruikt voor zijn boek De Joodse Bruiloft over de familiegeschiedenis van Barend en Mimi. Dit boek was de basis voor een theatervoorstelling met dezelfde naam, waarbij je als gast aanschuift aan tafeltjes op de bruiloft van Barend en Mimi. Op deze tafeltjes stonden mandjes met daarin stenen met namen erop geschreven, de namen van 544 Joodse mensen uit Leeuwarden die tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoord
waren. In het hart van de zaal stond een podium waar tijdens de voorstelling op gedanst werd, maar na afoop, als de gordijntjes weggehaald werden, transformeerde het podium tot een monument, waar bezoekers de stenen uit hun mandje konden neerleggen terwijl ze de naam erop hardop uitspraken. Bij de laatste vier voorstellingen zijn de stenen met namen meegegeven aan de bezoekers, die zij thuis of op bijzondere plekken hebben neergelegd, zodat het verhaal verder verteld kan worden. Het tijdelijke monument van de voorstelling was de inspiratiebron voor het namenmonument zoals dat er nu staat. Samen met Jorrit Volkers, onder andere voorzitter van Bevrijdingsfestival Fryslân, heeft Auke Zeldenrust het initiatief genomen voor het namenmonument. De gemeente Leeuwarden was van meet af aan enthousiast en heeft de aanvraag direct goedgekeurd, de Joodse gemeenschap werd erbij betrokken en er werd een kunstenares gevonden in Saskia van Montfort, die het monument van drie glazen zuilen heeft ontworpen. Dit in overleg en samenspraak met kunstenaar Ben van Renssen, de maker van het Holocaustmonument dat er al vanaf 1987 stond, zodat de twee mooi op elkaar aansluiten op het plein voor de Joodse school in de A.S. Levinsonstraat. In minder dan drie jaar is het idee een monument geworden. ‘De stad verdíende ook zo’n plek,’ zegt Auke, ‘waar men de namen voor zich ziet, kan herinneren en denken aan diegenen die geen graf hebben. De geschiedenis van de stad krijgt nu de aandacht die het verdient.’
Alle onderzoekers voor namenmonumenten hebben de ingewikkelde taak criteria vast te stellen, in Leeuwarden heeft Halbe Hageman de namen onderzocht en met veel precisie gegevens verzameld (De namen zijn ook online te vinden op de website van het Historisch Centrum Leeuwarden). Voor de keuze van de
namen is er gekeken naar wie er tussen het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940 en de bevrijding van 5 mei 1945 in Leeuwarden had gewoond. Maar, daarbij voeren twee begrippen de boventoon; respectvol en ruimhartig. Bijvoorbeeld in het geval van de 22-jarige Jacob de Vries, die na de bevrijding wel in Leeuwarden terugkwam uit Bergen-Belsen, maar op 1 september 1945 overleed aan de gevolgen van de ontberingen aldaar. Anderen vielen echter net buiten de gekozen criteria, ‘dat zijn kéiharde grenzen, maar je moet ergens mee werken’.
Op 14 oktober werd het monument onthuld, met toespraken van opperrabbijn Binyomin Jacobs en burgermeester van Leeuwarden Sybrand Buma.
Ook nabestaanden waren aanwezig, zoals Benno Troostwijk, die veel van de mensen op het monument gekend had. Hij legde twee stenen met de namen van zijn vader Cosman en zijn zus Hendrina neer bij het monument. Yvette, de dochter van Mimi en Barend, en degene bij wie het eigenlijk allemaal begon, was met haar broer en zus ook bij de onthulling.
De reacties van mensen zijn heel bijzonder, Er staan altijd wel mensen bij het monument, mensen zoeken bijvoorbeeld de namen op van de steen op die ze na afoop van de voorstelling hebben meegekregen, of leggen er bloemen neer. Mensen uit de buurt die bij de voorstelling zijn geweest kunnen ook niet meer door de wijk fetsen zonder er anders naar te kijken, het voelt ook anders, want ‘er zijn 544 mensen die jou iets willen vertellen.’ Auke Zeldenrust vindt het belangrijk dat mensen en nabestaanden een plek hebben om te herdenken en naar toe te gaan. Nu is het ook duidelijker dat er zoveel mensen zijn vermoord, niet veel Leeuwarders wisten dat. ‘De stad heeft een zwarte bladzijde, die draagt deze geschiedenis voor altijd bij zich. Je kunt niet meer om de stemmen van deze slachtofers heen.’
COLUMN
AWRAHAM MEIJERS
zATERDAG 18 SEPTEMBER , de ochtend voor de ofciële plechtigheden ter gelegenheid van de opening van het Nationaal Holocaust Namenmonument. Ik ben hier als enige bezoeker en dwaal langs wanden met de namen van onze vermoorden. Ik word bestormd door verwarde gedachten, emoties, verdriet en kwetsbaarheid. Ik ben hier als nabestaande. Als overlevende. Ik zal hun namen lezen. Ik zal hun namen uitspreken.
In de verlatenheid word ik omringd door 102-duizend dode namen van doodgewone mensen die er doodgewoon niet meer mochten zijn. Want weg met jullie. Jullie is Jodenvolk, was ooit een gezegde. Dit Semitisch uitvaagsel zal en moet uitgevaagd. Uitvagen is wegvegen, is uitvlakken, is uitraderen. Een Germanisme, bedenk ik nu. Ausradieren. Weg met jullie, jullie Jodenvolk. Weggevaagd zijn jullie, mijn geliefde doden. Jullie, mijn vermoorde familie die ik nooit heb mogen kennen. Mijn grootouders hebben mij even in hun armen kunnen houden, ze zullen mij hebben geknufeld. Ze zullen ook gezegd hebben dat ik een wolk van een baby ben en precies lijk op… ja, op wie? Enkele maanden daarna zijn ze ausradiert met ruim veertig andere familieleden. Ik zie de namen van 130 mensen die Meijers heetten. Nog steeds heten. Ergens op de namenwand, iets verderop, de naam van Greta Frank, een vermoord meisje van 1 jaar en schuin daarboven de naam David Frank, die 80 jaar was toen zijn moordenaars toesloegen.
DENDERENDE STILTE IN DESOLATE VERLATENHEID
HET IS VERBODEN OM TE DODEN. ELKE MOORDENAAR ZAL WORDEN GESTRAFT, TENZIJ HIJ HEEFT
GEDOOD IN EEN GROOT GEZELSCHAP ONDER HET GELUID VAN TROMPETTEN — VO LTAIRE
Ik loop terug naar de wand met namen van mijn familie en anderen met de naam Meijers. Maurits Meijers, in 1939 geboren en twee jaar later vermoord voor de goede zaak van het Arische volk. Meijer Meijers was 80 toen hij de gaskamer werd ingedreven.
De onnatuurlijke vredigheid van de wanden om mij heen schreeuwt het verleden in mijn oren, raakt mij fysiek aan. Huivering. Traan. Zakdoek.
De namen van mijn grootouders. Opa, er is zoveel gebeurd sinds jij niet meer mocht leven. Te veel om op te noemen. Ik vertel je wel dat enkele jaren na jouw dood – ik mag je toch tutoyeren, hè? Dat doen we tegenwoordig – de Joodse staat Israël is opgericht. Een eigen staat. Een eigen taal. Een eigen leger. Hoe vind je dat?
Leo Meijers, de broer van mijn moeder, was journalist en werkte bij dezelfde krant waar ik later ook zou werken. Toen zijn ouders, mijn opa en oma, waren ‘weggevoerd’ besloot hij samen met zijn verloofde Amalia Frankenhuis te vluchten, waarschijnlijk naar Spanje of Zwitserland. We zullen het nooit weten. Via het verzet kregen ze voor de eerste nacht een onderduikadres bij de familie Westdorp in Heerlen. Kennelijk ontstond ontevredenheid over het onderduikadres. Amalia dreigde met verraad. Extreem hysterisch van angst als ze was, werd het gevaar hiervoor als reëel geschat en schoten mensen van het lokale verzet beide jonge onderduikers dood. Hun lijken zijn in een droge put in de buurt van Voerendaal gevonden.
Leo, hoe vind je het (wij zeggen tegenwoordig geen oom of tante meer) dat jouw neef ook de journalistiek is ingegaan? Nannie, jouw zus, mijn moeder, mopperde wel eens dat ik net zo nieuwsgierig ben als jij. Ze noemde mij als ik weer eens het naadje van de kous wilde weten, een ‘weetgraag’. Hoe vind je dat, oom collega? Een compliment, nietwaar? Jouw naam staat hier niet vermeld, want ze hebben jouw en Amalia’s lichaam gevonden en begraven.
Het is bijna 9 uur, de zon breekt door. Zonlicht voor mij, de overlevende. Nee, niet voor jullie, lieve doden. Voor jullie is dat te laat.
Zoveel namen, zoveel herinneringen, zoveel leed, voor de eeuwigheid vastgelegd en zichtbaar gemaakt.
Ik loop naar boven, op de hoogte van de Weesperstraat. Ineens dringt het tot mij door dat, terwijl ik langs de namenwanden liep, het lawaai van het verkeer niet tot mij doordrong. De wereld raast hier letterlijk door, terwijl ik bij mijn familie en vele duizenden anderen op bezoek was. —


‘Schöfer & Co’ is het indrukwekkende verhaal van een familie die honderden Joden het leven redde. Mensen die het als vanzelfsprekend vonden anderen te helpen. Geen helden, geen stoere verhalen, maar gewone mensen met een groot rechtvaardigheidsgevoel. Eén van hen is de jonge Ivo Schöfer, die aan het begin van de oorlog zonder te aarzelen het verzetswerk oppakt. Met zijn jonge uitstraling en


Elk jaar op 4 mei zette van Iperen een tafel met een schrift en pen voor haar huis, met daarin één vraag: ‘wist u ervan?’
Jaren waren de enige reacties: ‘nee, ik niet’ en alle variaties daarop. Totdat ’t Hooge Nest gepubliceerd werd. Vanaf dat moment ontving zij een stroom aan reacties, herinneringen, getuigenissen en verlangens. Het publiceren van het verhaal
Een bijzonder dagboek van Mary Bendiks, die aan het begin van de oorlog met haar ouders woonde in Den Bosch en nog op het R.K. Maria Lyceum zat. Een jong meisje schrijft over alledaagse zaken als schoolwerk doen, naar een feestje gaan en zich verheugen op een dansles. Met die dansles komt de eerste schok: ze mag niet meedoen als Joodse. Huilend ligt ze op bed,
gekleed in korte broek lukt het hem weinig argwaan te wekken bij de bezetters. Zijn verantwoordelijkheden pakt hij zeer volwassen aan: hij staat op het oefenen van snel verbergen in schuilplekken in het onderduikhuis en hij geeft lezingen over de Tachtigjarige oorlog als verveling en zorgen dreigen toe te slaan. Gerben Post heeft gebruik gemaakt van een schat aan bronnen en heeft nog enkele betrokkenen
maakte dat mensen hun eigen verhaal gingen vertellen. Een verhaal als deur naar dieperliggende verhalen en bekentenissen.
Ze heeft de brieven gebundeld en samen met haar 4 mei lezing van 2021 ‘Stemmen uit het diepe’, een hartverscheurend verslag van de ontruiming van het Apeldoornsche Bosch én haar Cleveringalezing uit 2019
niet wetend dat dit nog maar het begin is. Wat volgt is een opeenvolging van anti-Joodse maatregelen: huis uit, spullen achterlaten. Naar een Joodse school. Inwonen bij vrienden en moeten helpen bij de Joodsche Raad om mensen te begeleiden naar kamp Vught. Eind juni 1942 hoort ze dat ‘de algemene deportatie van Nederlandse Joden is ingezet’. Ze schrijft in haar dagboek: “Ik
geïnterviewd. Hij vertelt dit verhaal van rechtvaardigheid, medemenselijkheid en moed op een heel directe en persoonlijke manier, waardoor het leest als een roman die je niet meer wilt wegleggen.
g.post, Schöffer & Co., Uitg. Prometheus, amsterdam 2021, 334 blz., isbn 978 90 446 48317, € 25,00
‘Jezelf (on)trouw zijn’ uitgegeven. Dit boek laat zien hoe na de oorlog eerst alleen vooruit werd gekeken en niet gesproken werd over. En het laat zien hoe verplicht wij zijn de verhalen te blijven vertellen!
roxanne van iperen, Brieven aan ’t Hooge Nest, Lebowski, Amsterdam 2021, 160 blz., isbn 978 90488 6298 6, € 19,99
ben niet meer ik, ik ben je, want ik leef niet, maar iemand naast me”. Vanaf dat moment schrijft ze over zichzelf in de ‘je’- vorm. Dit dagboek is een persoonlijk, bijna intiem te lezen verslag van een niet voor te stellen tijd.
mary bendiks, Was ik dat? Marichel, Eigen beheer, 2021, 76 blz., isbn 978 90 9034650 2, € 23,00, bestellen via Marichel2021@gmail.com
Het is altijd druk bij
Marathonweg 52, 1976 TB Amsterdam
telefoon 020 – 66 28 652


Drukkerij Peters Amsterdam BV
Tel. 020– 696 34 34 info@drukkerijpeters.nl www.drukkerijpeters.nl
Auschwitz Comité. L. Tertaas Gebro Sales bv hoge service, persoonlijke aanpak
Schepenbergweg 33 1105 AS Amsterdam-Zuidoost
Discriminatie en vervolging bestaan nog steeds. Er is dus reden genoeg om het verleden actueel te houden.
Daarom steun ik het werk van het Nederlands