“In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht” — sinds 1956

JAARGANG 65 | NUMMER 2 | APRIL 2021
![]()
“In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht” — sinds 1956

JAARGANG 65 | NUMMER 2 | APRIL 2021
KWARTAALBLAD VAN HET NEDERLANDS AUSCHWITZ COMITÉ

STRIJDBAAR TOT OP HET LAATST
Het verhaal van overlevende Ro Wertheimer-Bokkie
LAATSTE STEEN NAMENMONUMENT
Onthulling komt nu snel dichterbij
DE DOVENSHOAH
Aandacht voor een vergeten groep
DRIE BELANGRIJKE FOTO’S
Ontdekking van bijzondere foto’s uit Vught


DROOSJES
Beeld: Willem Vleeschouwer — Tekst: Awraham Meijers

Op woensdagochtend 14 april werd de laatste naamsteen van het Nationaal Holocaust Namenmonument gelegd. Mieke Bloemendal, zelf overlevende, verrichtte deze bijzondere handeling in aanwezigheid van alle metselaars die aan het monument hebben gewerkt. Zij plaatste de steen van Isaac van Rooijen, een Amsterdamse kleermaker die op 28 mei 1943 vermoord werd in Sobibor, net als zijn vrouw Rebecca en hun 12-jarige zoon Max. Isaac werd 40 jaar. Isaacs steen is de laatste van de 102.000 gegraveerde stenen die samen het monument vullen. Hiermee is ook de laatste fase van de bouw van het monument aangebroken. Binnenkort zal de enorme kraan die midden op het bouwterrein staat worden ontmanteld. De resterende hijswerkzaamheden worden met een losse kraan gedaan. Het monument wordt naar verwachting in september onthuld.
Jacques Grishaver ontving van aannemer Koninklijke Woudenberg een donatie van 5.000 euro ten behoeve van het monument!
BUURTBEWONERS Door bewoners uit de wijk Rapenburg werd in december 2020 het initiatief genomen voor een inzameling voor het Namenmonument. Dat werd een groot succes! In totaal zijn er 260 namen geadopteerd. 64 bewoners van het Rapenburg, 14 mensen uit Amsterdam, 14 mensen buiten Amsterdam en 14 mensen buiten Nederland adopteerden namen, plus een algemene donatie. De totale opbrengst bedraagt 13.085 euro. Zeer veel dank voor dit prachtige gebaar.
Omslag: Het leggen van kransen en bloemstukken tijdens de herdenking [foto Dirk P.H. Spits]
Inzet: De metselaars die werken aan het Namenmonument
Het Nederlands Auschwitz Comité draait volledig op vrijwilligers.
Uw fnanciële steun is enorm belangrijk. Met uw bijdrage kunnen we de herinnering aan de Holocaust levend houden, ook bij nieuwe generaties. Doneren kan tegenwoordig op eenvoudige wijze via onze website www.auschwitz.nl . U kunt kiezen uit verschillende mogelijkheden — eenmalig, per maand of per jaar. Ook kunt u aangeven of u daarbij het Auschwitz Bulletin thuis wenst te ontvangen. Het Bulletin verschijnt vier keer per jaar.

Cartoon
‘Excuses aanbieden’ / 2 Willem Vleeschouwers kijk op de zaken
Column
Herinneringen van na de oorlog / 26
Awraham Meijers over een sleutel die niet paste
Cultureel
Recent verschenen / 27 Sarah Bremer Geen makke schapen / 13 Theo van Praag bespreekt Martijn Katans persoonlijke geschiedenis van Joods verzet Het grote kinderspel / 24 Bertje Leuw bespreekt het boek van Bert Jan Flim over de NV-groep
Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk. Overname van artikelen is toegestaan, mits met toestemming van de auteur en de redactie.
Holocaust Namenmonument / 2 Laatste steen gelegd Kamp Amersfoort / 22 Walter van Rossum over het nieuwe museum en nieuw onderzoek
Nationale Holocaust Herdenking 2021 / 14 Sober en indrukwekkend
Drie foto’s / 6 Walter van Rossum over recent ontdekte foto’s van Kamp Vught
Portret van een overlevende / 20 Sarah Bremer in gesprek met Rosa Wertheimer
In mijn buurt / 10 Minka Bos over leerlingen die ouderen interviewen
De DovenShoah / 16 Gerber Post & Bertje Leuw over het verhaal achter deze stichting




Dé biografie over de directrice van de joodse crèche. ‘Het leest werkelijk als een trein, het is een prachtig boek geworden.’ ― Els Kloek






















































‘Het wonderlijke verhaal van hoe een Joodse man Kamp Westerbork mocht verlaten en burgemeester werd.’ ― AD



‘…bloedstollende familieverhalen aan de hand van huizen waar joden woonden…’
―Elsbeth Etty, NRC Handelsblad






















‘Indrukwekkend dagboek van een Joodse boerenknecht… Dit boek is één van de weinige, gedetailleerde dagboeken van een Joodse onderduiker in het oosten van het land.’
―De Gelderlander




















‘…een bijzonder stukje Amsterdamse geschiedenis… het verhaal van de redding (uit de crèche)en de onderduik van 250 Joodse kinderen tijdens de oorlog’.
―De Telegraaf ‘Indringend, aangrijpend’.
―OVT



Hoe de Holocaust toesloeg in het leven van gewone mensen, in dit geval in het leven van de Pimentel familie. ‘Goed gedocumenteerd en goed geschreven.’ ― NIW
auschwitz bulletin
redactie Max Arian, Sarah Bremer, Bertje Leuw, Awraham Meijers, Gerben Post, Theo van Praag, Walter van Rossum, Herbert Sarfatij, Fedde Schouten, Dirk Spits [beeldredactie] Yoka Verduin [correctie] redactiesecretariaat
Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam email redactie@auschwitz.nl
nederlands auschwitz comité secretariaat Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 672 33 88
em ail info@auschwitz .nl ww w.auschwitz.nl
fnanciële administratie
email fnancien@auschwitz.nl
bank iban: nl53 abna 0414646282 bic: abnanl2a
a bonnementenadministratie
Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 600 34 55
email abonnement@auschwitz.nl
database beheer Akrav-automatisering & Consultancy
vormgeving Fedde Schouten
druk Drukkerij Peters Amsterdam bv
het auschwitz bulletin is een uitgave van het nederlands auschwitz comité
De activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité worden mede mogelijk gemaakt door het vfonds
Die drie recent opgedoken foto’s waarop het aanstaand transport van Joodse gevangenen vanaf station Vught te zien is... Ze blijven door mijn hoofd spelen.
Op de foto’s zie je mensen wachtend op het perron. Zieken, ouderen, jonge mensen, kleine kinderen. Moe. Angstig. Bezorgd. Verward. Ongewis van wat hen te wachten staat, maar waarschijnlijk wel met een vaag vermoeden van het ergste.
Natuurlijk kennen we de feiten. Maar die realiteit krijgt met deze foto’s een gezicht. En komt vervolgens nog harder binnen.
Wie zijn ze? Waar komen ze vandaan? Hoe heetten ze. Waar leefden ze? Het zijn vragen waarvan we weten dat ze moeilijk te beantwoorden zullen zijn.
Wat we wel weten, is dat deze mensen bijna allemaal vermoord zijn in Sobibor.
Geen graf. Verdwenen in het niets.

Maar hun námen komen op het Nationaal Holocaust Namenmonument staan. Zodat ze eeuwig bewaard blijven en tastbaar zijn. Nooit zullen ze vergeten worden, ook al weten we niet welke naam bij welk gezicht hoort.
Nog steeds worden er archieven geopend of opnieuw doorgespit, waardoor hiaten in de geschiedenis verdwijnen. Tot voor kort werd het aantal Joodse gevangenen in Kamp Amersfoort geschat op ongeveer 800. Uit recent onderzoek blijkt evenwel dat er in het kamp zeker 2.500 Joden gevangen hebben gezeten. Een verrassende ontdekking. En ook hier, evenals met de foto’s van Vught, een confrontatie met de naar boven gekomen realiteit.
Het is belangrijk de verhalen – klein, groot, maakt niet uit – te blijven vertellen. Lees bijvoorbeeld het gesprek met overlevende Rosa Wertheim-Bokkie. Of Minka Bos’ eerste bijdrage aan het Auschwitz Bulletin, over het initiatief In mijn buurt. Lees hoe belangrijk het is dat leerlingen ouderen interviewen over de oorlog in hun buurt en zo leren hoe ze de verhalen kunnen blijven doorvertellen, getuigenissen kunnen doorgeven.
We doen dat ook met ons Bulletin, en met al onze andere activiteiten. “Om te vechten tegen het antisemitisme, zoals ik heb beloofd aan de oprichters van het Auschwitz Comité.” Zo verwoordde voorzitter Jacques Grishaver het in zijn toespraak tijdens de Nationale Holocaust Herdenking. We zien het als een belangrijke opdracht.
— Walter van Rossum Fedde Schouten
DOOR WALTER VAN ROSSUM
Nationaal Monument Kamp Vught is onlangs in het bezit gekomen van drie bijzondere en indringende foto's waarop een transport van Joodse gevangenen vanaf station Vught te zien is. Gemaakt door een Duitse soldaat in mei 1943. Wat deze vondst extra bijzonder maakt is dat er tot nu toe geen foto's zijn van het kamp tijdens de oorlog en ook niet van gevangenen bij hun vertrek van het station. Op de foto's zijn mensen te zien wachtend bij de trein: zieken, ouderen en jonge mensen. Op een derde foto is een berg bagage te zien. Een gesprek met Jeroen van den Eijnde, directeur van Nationaal Monument Kamp Vught (NMKV) en Erik Somers, werkzaam bij het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies) en ervaren in foto-historisch onderzoek.
Gedurende de bezetting van Nederland richtten de Duitsers hier verschillende soorten concentratiekampen op. De drie belangrijkste kampen bevonden zich in Amersfoort, We sterbork en Vught. Het kamp in Vught nam een bijzondere positie in, want in feite was dit het enige offciële concentratiekamp in Nederland. De kampen in Westerbork en Amersfoort waren doorgangskampen, terwijl het kamp in Vught een concentratiekamp was. Veel mensen hebben voor kortere of langere tijd gevangen gezeten in het ss Konzentrationslager Herzogenbusch (i n de volksmond ‘Kamp Vught’). Naast duizenden Joden zaten er politieke gevangenen, verzetsstrijders, gijzelaars, Jehova’s Getuigen, homoseksuelen, zwarthandelaren, criminelen en zwervers. Voor de Joden was Kamp Vught een doorgangskamp. De meeste Joden werden gedeporteerd naar Kamp Westerbork en vandaar naar de D uitse vernietigingskampen in Polen.
Hoe is Nationaal Monument Kamp Vught op deze foto’s gestuit en wat is de bron? Jeroen van den Eijnde: “Ik werd gemaild door een verzamelaar uit Tilburg. Hij had de foto’s te koop zien s t aan op een internet veilingsite en meende dat het wel iets voor ons was. Opvallend: in de dagen daarna werd ik door nog wel zes of zeven anderen, bekenden en onbekenden, verzamelaars en beroepsmatig geïnteresseerden, ge attendeerd op de foto’s.”
Van den Eijnde vervolgt: “Het gaat hier om een handelaar. Praktijk is nogal eens dat fotoalbums worden opgekocht en dat de individuele foto’s uit dat album te koop worden a a ngeboden. Dat is ook hier het geval. Volgens de verkoper waren dit de enige foto’s met betrekking tot Kamp Vught/Jodentransport uit Vught. Wetend dat fotograferen onder Wehrmacht-soldaten veel voorkwam, is het denkbaar dat in meer albums foto’s zitten van Kamp Vught en gebeurtenissen die rond dit kamp plaatshadden. En natuurlijk ook van andere locaties in Nederland. Zo weten we uit ooggetuigenverslagen dat er ook ín het kamp wel degelijk werd gefotografeerd en geflmd. Klaartje de Zwarte-Walvisch verwijst daarnaar in haar gepubliceerde dagboek uit Kamp Vught. Offcieel zijn er eveneens gebeurtenissen vastgelegd. Zo bezocht ss-Reichsführer Heinrich Himmler in februari 1944 Kamp Vught, dat onder de jurisdictie viel van ‘zijn’ ss-kampenorganisatie. Uit ooggetuigenverslagen weten we dat er in zijn kielzog een a a ntal fotografen mee liep.”
Erik Somers: “Het is een trend geworden dat er door particulieren, met name in Duitsland, steeds vaker foto’s uit de oorlog worden aa ngeboden. Er moeten destijds veel opnames gemaakt zijn. Er is wel eens berekend dat één op de tien Duitse soldaten een camera mee had. Het Duitse gezag stond dit toe. Na
de oorlog wilde men hier veelal niet aan herinnerd worden. Naarmate de tijd verstrijkt, heeft men hier blijkbaar minder moeite mee. Uit nalatenschappen komen deze verloren gewaande fotoalbums dan toch boven water. Steeds vaker worden op eBay en soortgelijke veilingsites foto’s aangeboden. Albums worden uit elkaar gehaald en afzonderlijk te koop aangeboden. De historische context gaat daarmee jammerlijk verloren. Maar het is daarbij vooral verwerpelijk dat handel gedreven wordt met ‘dader-objecten’ en dat hieraan verdiend wordt. Dergelijk materiaal hoort bij archiefnstellingen of musea en dient beschikbaar te komen in het publieke domein. Deze transportfoto’s hebben nu de juiste bestemming gekregen en kunnen in het visualiseren van het verleden een belangrijke betekenis krijgen voor educatieve doeleinden.”
Wat is de context van deze foto’s? Van den Eijnde: “We weten inmiddels dat we hier kijken n a ar opnames die gemaakt zijn door een Duitse soldaat, die aanwezig was op station Vught toen daar op zondag 23 mei 1943 een transport van ongeveer 1.250 Joden vertrok naar Westerbork. Vijf dagen na vertrek uit Vught werden de meesten direct na aankomst vergast in vernietigingskamp Sobibor. In het Judendurchgangslager Kamp Vught zaten ruim 12.000 Joden korte of langere tijd gevangen, in afwachting van deportatie. In de meeste

gevallen, zoals ook hier, verliep die via Kamp Westerbork. In twee gevallen is een Joods transport rechtstreeks vanuit Vught naar Polen vertrokken.”
Somers: “De foto’s zijn ter beoordeling aan het niod voorgelegd. Door in te zoemen op aanduidingen op de bagage waarop farden van n a men en woonplaatsen te lezen zijn, konden personen worden herleid. Via transportlijsten en determinatie van data kon met zekerheid de datum van het transport worden vastgesteld.”
Wat voegen de foto's toe voor nader onderzoek?
Van den Eijnde: “Voor het verhaal van Kamp Vught zijn deze foto’s vrijwel uniek en zeer bijzonder. Ze plaatsen je bijna 80 jaar later alsnog midden op het perron, tussen de slachtoffers die beginnen aan hun laatste reis. Dit heeft een grote, juist ook emotionele, impact. Het beeld slaat hiermee een brug naar dit verleden, dat weliswaar via getuigenissen en cijfers en weetjes al bekend was, maar nu in één klap heel dichtbij komt. Deze kracht is een belangrijk hulpmiddel om ook anno 2021 mensen te verbinden met de gebeurtenissen uit de oorlogsperiode. In het bijzonder n atuurlijk de enormiteit en verschrikking van de uitsluiting, vervolging en moord op
Joden in Nederland. Daarnaast kunnen de foto’s ons educatief helpen. Oók omdat op de foto’s jonge mensen, kinderen zelfs, te zien zijn. Leeftijdsgenoten van de kinderen en jongeren die nu nog jaarlijks in grote aantallen he t nmkv bezoeken. Relevant is tenslotte het feit, dat de foto’s een multiperspectief bieden: op de foto’s zien we de slachtoffers, maar ook omstanders die staan te kijken. Daarnaast zien we politieagenten, die mede de openbare orde moesten bewaken, en we zien een ve rtegenwoordiger van de Joodse Raad. Gek genoeg ontbreken directe verwijzingen naar de nazi-Duitse betrokkenheid, of het moet het perspectief van de fotograaf zijn, die als Duitser in uniform zich blijkbaar zonder probleem tu ssen de mensen op het perron kon begeven. In aanvulling op de beschrijvingen van de transporten die wij hebben, zijn deze foto’s tenslotte een waardevolle aanvulling om de gang van zaken te illustreren.”
Somers: “Van Kamp Vught zijn geen foto’s bekend van uitgaande transporten. We kennen de verhalen en de feiten. Nu worden de gebeurtenissen ook visueel ‘tastbaar’ gemaakt. De beelden helpen mee om het verhaal van de vervolging te vertellen. We herkennen in deze beelden de situaties die zich voordeden bij het vertrek van Joden uit Amsterdam naar Kamp
Westerbork en vanuit Westerbork naar de kampen in het Oosten. Ook op deze beelden chaos, jongeren, ouderen, bepakt en bezakt op weg naar een onheilspellende bestemming. Zo schrijnend met de kennis van nu.”
Wat maakt deze foto’s zo bijzonder, zo indringend? Van den Eijnde: “Je ziet de weerloosheid v a n kinderen. Overigens ook van ouderen, eveneens ruim vertegenwoordigd op de foto’s. Dat maakt veel los bij mensen.”
Somers: “Op de foto’s zie je mensen die te ziek of te moe zijn en op brancards liggen, en eveneens op transport gaan. De jongen op de voorgrond die zich zorgzaam over een brancard buigt. Dat is heel indringend. Daarbij geeft het perspectief van de opname – gefotografeerd vanuit heuphoogte – nog eens een e x tra dimensie.”
Van den Eijnde: “Het feit dat de foto op 23 mei 1943 is gemaakt en dat bijna alle mensen op 28 mei 1943 in Sobibor vermoord zijn. Dat weten we nu. Die wetenschap, terwijl je de mensen als het ware haarscherp in de ogen kijkt, iets wat keihard binnenkomt.”
Somers: “En dat met deze wetenschap de fabrieksmatige, georganiseerde massavernietiging nog eens wordt onderstreept.”
Ande re redenen? Van den Eijnde: “De waarde van deze foto’s zit hem in het feit dat er geen of nauwelijks beeldmateriaal is uit Vught. Dat maakt ook dat deze realiteit ineens stevig binnenkomt. Hiermee krijgen ook de 12.000 Joden een gezicht voor wie Kamp Vught een keiharde en verschrikkelijke confrontatie is geweest met het nazi-Duitse vervolgingssysteem. Het verhaal van kamp Vught als Judendurchgangslager, evenals Westerbork, is nog vrij weinig algemeen bekend. Lees de dagboeken van Helga Deen en David Koker. Maar vooral dat van Klaartje de Zwarte-Walvisch
en je weet al wat zich hier afspeelde, maar nu kun je je in één oogopslag ook deelgenoot weten en voelen van wat er gebeurde op die plek. Een plek die overigens nog altijd bestaat en herkenbaar te rug te zien is op de foto’s.”
Somers: “Het is zondermeer uniek dat nu ook foto’s van de transporten uit Kamp Vught boven water zijn gekomen. Vorig jaar presenteerde het niod de door zeer velen bezochte toonstelling ‘De Jodenvervolging in Nederland in foto’s’. Deze foto’s hadden als getuigenis van het feit dat ook elders in het l a nd Joden zijn opgebracht zonder twijfel een meer dan prominente plaats ingenomen.”

Er is nu al nadere informatie bekend. Hoe zijn jullie daarachter gekomen? Van den Eijnde: “De foto met de stapel bagage leverde belangrijke aanwijzingen op over de datum waarop de ze genomen moest zijn. Op twee stuks bagage waren letterreeksen en cijfers te lezen. Beginnend bij de letters ‘onsohn’ en ‘nberg’. Veronderstellend dat de eerste hoorden bij een achternaam en de tweede bij een plaatsnaam, kon op die combinatie in de beschikbare transportlijsten worden gezocht. Dit heeft een medewerker van het niod gedaan, waar deze documenten worden bewaard als onderdeel van het archief van Kamp Vught. Toen de vermoedelijke identiteit van deze persoon was bepaald, bleek dat deze stond op een lijst van het transport van 23 mei 1943. Vervolgens kon met een lettercombinatie en een cijfer op een ander stuk bagage weer een match worden gevonden, waarmee we zeker wisten dat het hier om het transport van zondag 23 mei 1943 moest gaan.”
Somers: “Het is belangrijk dat op basis van foto-historisch onderzoek zoveel mogelijk informatie boven water komt. Zoals meer gegevens over de maker van de foto, de toedracht, achtergrond en over de lotgevallen van perso-
nen die op de foto’s staan. De foto’s komen uit ee n album. Welke andere foto’s zaten daarin? Hier kan ook nog het nodige uit af te leiden zijn. De aanwinst roept de gedachte op dat er wellicht nog meer foto’s zijn, bijvoorbeeld van in het kamp zelf.”
Hoe iconisch zijn de foto’s? Van den Eijnde: “Al eerder is gezegd dat er vrijwel geen foto’s bestaan van de transporten van Joden vanuit Kamp Vught. Dat maakt dit materiaal alleen daarom al bijzonder. Daarnaast maken deze foto’s indruk door de relatief goede kwaliteit: ze zijn behoorlijk scherp, waardoor meer details maar bijvoorbeeld ook gezichtsuitdrukkingen te onderscheiden zijn en het beeld nog veel sterker binnenkomt. Eén foto springt er in het bijzonder uit en zou ik meteen ‘iconisch’ willen noemen: dat is de foto genomen op het perron, waarbij vrij veel mensen toevallig de richting van de fotograaf uit kijken. Er gebeurt heel veel op deze foto, waarop ook allerlei mensen te zien zijn. Deze foto is scherper d a n de meeste andere foto’s die we kennen van transporten, óók nationaal en heeft – vind ik – een sterke emotionele impact die past bij iconische foto’s.”
Somers: “Een foto wordt iconisch omdat deze een gebeurtenis zo treffend en aansprekend
in beeld brengt, waardoor deze direct in het geheugen gegrift staat. De foto is illustratief voor wat heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt een foto ook iconisch als deze veelvuldig gepubliceerd en getoond wordt. De twee t r ansportfoto’s op het perron hebben dat in zich. Vooral ook omdat dit de enige foto’s met betrekking tot Kamp Vught zijn. De foto’s zijn voorts uniek omdat ze meerdere verhalen vanuit verschillende standpunten in beeld brengen: van daders, slachtoffers en omstanders.”
De foto’s roepen nog veel vragen op. Van den Eijnde: “We willen graag weten wie de maker van de foto’s is. Om zo óók de positie van de bezetter, door wiens ogen wij het tafereel op de foto’s bezien, een gezicht te geven. En wellicht ook iets meer te weten kunnen komen onder welke omstandigheden deze foto’s we rden gemaakt.”
Somers: “Aan de afdruk te zien is het een amateuropname, gemaakt met een eenvoudig handzaam fotoapparaat. Op basis van de ee rste informatie is de fotograaf een ‘Wehrmacht-soldaat’, wiens eenheid in het Brabantse Oisterwijk was ondergebracht. Waarom h ij bij het transport aanwezig was, is niet duidelijk. Het vraagt om nader onderzoek.”

Van den Eijnde: “We willen proberen meer te weten te komen over de mensen op de foto’s. Hoe meer persoonlijke details wij te weten kunnen komen over de mensen die op de foto’s te zien zijn, hoe meer wij hen óók als mensen kunnen beschrijven die een leven hadden vóór de oorlog, vóór Kamp Vught en voordat zij werden gestigmatiseerd, buitengesloten, vervolgd en tenslotte vermoord.
Me nsen die een leven leefden als onderdeel van een grotere gemeenschap, van overal in Nederland, religieus en niet-religieus, die droomden, lachten, huilden, zoals jij en ik.”
Somers: “Het zal moeilijk zijn om nog mensen op de foto’s te kunnen identifceren. Zo is het bijvoorbeeld opmerkelijk dat van foto’s van het vertrek van Joden uit Amsterdam en van de transporten uit Westerbork en die vrij kort na de oorlog al gepubliceerd werden, nauwelijks bekend is wie erop staan.”
Va n de Eijnde: “Je ziet geen ss-ers. Op de achtergrond zie je twee Nederlandse politieagenten óf marechaussees. Deze werden i n gezet tijdens de transporten voor het bewaken van ‘de openbare orde’. Klaartje de Zwarte-Walvisch schrijft hierover dat zij op de dag van haar transport vanuit Vught – tot aan Westerbork – contact heeft met een marechaussee. Een ambivalent contact. Ze praten vriendschappelijk met elkaar, de man
lijkt oprecht geïnteresseerd. Maar als Klaartje probeert bij het station Vught van het perron af te komen, is hij degene die haar dat belet, en daarmee zoals wij in ieder geval weten haar lot bezegelt.”
Somers: “De politie is voor de orde op het perron en speelt geen rol bij het transport zelf. Dat er nauwelijks Duitsers op staan herkennen we ook op de beelden in Amsterdam. Ook h ie r zie je op de achtergrond Nederlandse politieagenten. Af en toe Duitsers die slechts hoeven toe te zien of alles ‘naar wens’ verloopt.”
Wa arom een personentrein? Van den Eijnde: “Het was niet ongebruikelijk dat personentreinen werden ingezet bij vervoer van ge vangenen naar en van kamp Vught. Ik weet geen precieze details en ben hier zeker geen deskundige, maar ik kan me voorstellen dat dit wel hoorde bij de ‘verhullingstactiek’. Er zijn overigens ook beschrijvingen van kleinere transporten van politieke gevangenen, die gewoon plaatsnamen tussen de a ndere passagiers in de coupé. Schrijver Anton Coolen verhaalt van die keer dat hij op het perron van Vught op zijn trein stond te wachten, toen daar net een heel transport met politieke gevangenen arriveerde. Maar ik kan me óók voorstellen dat het gewoon praktisch was, omdat personentreinen beschikbaar
waren en goederentreinen voor de bezetter op dat moment belangrijker waren voor aan- en afvoer van goederen. Overigens, óók Duitse troepentransporten maakten gebruik van goederentreinen.”
Somers: “Ook vanuit Amsterdam ging het transport met personentreinen, evenals de eerste treinen vanuit Westerbork. Een van de allereerste transporten uit Amsterdam ging met goederenwagons. Voorzitter van de Joodse Raad David Cohen heeft hierop direct geprotesteerd bij de Duitse autoriteiten. Het transport vond vervolgens alleen nog maar met personentreinen plaats. De bezetter was er absoluut niet bij gebaat dat om deze reden, onrust zou ontstaan. Ook de buitenwereld moest de indruk krijgen dat het een ordentelijk transport betrof.”
Wat gaan NMKV en NIOD met de foto’s doen? Van den Eijnde: “Vanuit NMKV zullen wij deze foto’s inzetten om ons verhaal nog krachtiger bij de bezoekers te kunnen vertellen. We gaan bedenken hoe wij deze foto’s kunnen toevoegen aan onze nog maar zeer recent geheel ve rnieuwde vaste tentoonstelling. Daarnaast zullen de foto’s zeker ingezet worden bij het educatieve materiaal dat wij momenteel ontwikkelen. Ongetwijfeld zullen er in de komende jaren nog andere relevante toepassingen gevonden worden.”
Somers: “Voor het niod completeren de foto’s het historisch beeld van de Jodenvervolging. De opnames zullen ongetwijfeld veelvuldig gebruikt gaan worden om het historisch verhaal te vertellen. Er wordt relatief weinig aandacht besteed aan het feit dat ook in Kamp Vught Joden bijeengebracht zijn en dat zij van hieruit op transport zijn gezet. Nu er aangrijpende beelden van zijn, zal ook deze geschiedenis zeker meer aandacht gaan krijgen. Dat i s de kracht en de potentie van het beeld als getuigenis.”

DOOR MINKA BOS
Stichting In mijn Buurt – Leren door Ontmoeting verzamelt verhalen over de Tweede Wereldoorlog: in heel Nederland interviewen leerlingen ouderen over de oorlog in hun buurt. In het Bulletin willen we in iedere afevering het oorlogsverhaal van een Joodse oudere delen, zodat hun verhalen levend blijven en wij ze kunnen blijven doorvertellen. Minka Bos, oprichter en directeur van In mijn Buurt, geeft bij iedere afevering een persoonlijke toelichting bij het verhaal en de ontmoeting.
Heel spannend vond ik het, toen ik het verhaal vertelde van Nico Groen. Hij zat in de zaal en keek naar me. Het was 2011. Ik was zijn interviewer en nu zijn verhaal doorverteller. Was het goed? Voelde hij zich gehoord? Nico interviewde ik als journalist voor een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog in De Pijp. Hij vertelde over mijn buurt, in oorlogstijd. De onderduik. Hoe liepen jullie weg? “Op een ochtend in 1942 kwam de buurman naar vader toe: ‘Ze hebben je gezocht vannacht in het kofehuis.’ Diezelfde dag doken we onder. Ik zie ons nog lopen met z’n drieën. Overdag. Zonder iets mee te nemen.”
Inmiddels is Nico overleden en draag ik zijn verhaal nog bij me. Het interview vormde het begin van wat ik vanaf 2012 samen met leerlingen ging doen. Eerst in de Diamantbuurt, nu, met 25 teams in het hele land: ontmoetingen in huiskamers tussen jong en oud die met elkaar in gesprek gaan met elkaar over de Tweede Wereldoorlog in de buurt.
OORLOGSVERHALEN UIT HET DAGE -
LIJKS LEVEN Waarom? De ontmoeting in de huiskamer en de verhalen uit de buurt konden jong en oud met elkaar verbinden en de kinderen met de wijk: dit is hun buurt, dit is hun buurtgeschiedenis. Op het voetbalveldje, in de plaatselijke supermarkt, in je eigen huis vond dit plaats. Voor het bulletin wil ik, samen met jullie, de lezers, telkens een verhaal kiezen uit onze collectie met 1000+ verhalen op www.inmijnbuurt.org en deze op deze pagina’s bespreken. Een Tweede Wereldoorlog verhaal van een Joodse oudere, uit één van de provincies in Nederland. Samen vertellen alle verhalen een stukje van de namen die straks op het monument te lezen zijn.

MIRJAM Eén van de Joodse ouderen waar ik mij graag Erfgoeddrager van zou willen noemen en wier erfgoed ik graag en actief doorgeef is dat van Joods verzetsstrijdster Mirjam Ohringer. Mirjam ontmoette ik voor het eerst toen ik haar vroeg als spreker op 4 mei 2010, in de Van Woustraat. Ze vertelde toen al decennia aan duizenden mensen door de jaren heen: voor groepen studenten, in musea, klassen. Haar energie en intelligentie, haar humor was bijzonder om mee te mogen maken. Ohringer was bekend als voorzitter van Stichting Vriendenkring Mauthausen, zat in de adviesraden van ondermeer het Amsterdams 4 en 5 mei comité, het Verzetsmuseum en diverse andere landelijke koepels. Voor ons was ze geliefd als docent: Mirjam, die lesgaf op alle scholen waar wij werkten en die ook door 3 leerlingen bij haar thuis werd geïnterviewd. In 2012 waren dat Zoé, Miriam en Angie. Zij waren 11, Mirjam 88.
Ik herinner me de ronde tafel van Mirjam, cake en koekjes erop, thee en heel veel spulletjes. De 3 meisjes zaten als inter-
viewers tegenover hun erfgoedgever. Aan de leerlingen vertelde Mirjam die middag ondermeer het verhaal over de onderduik van haar vader aan de Amstel, waarvoor Mirjam in het begin de tussenpersoon was:
“Vanaf het begin was ik betrokken bij het verzet. Illegale kranten verspreiden, tussenpersoon zijn voor ondergedoken mensen, voor vrienden en voor mijn vader. Al heel vroeg leerde ik om onopvallend en voorzichtig door de straten te lopen. Overal loerde de vijand. Je beefde van binnen, maar van buiten moest ik zo normaal mogelijk overkomen. Die houding leer je nooit meer af...”
“Mijn vaders eerste onderduikadres was Amsteldijk 18. Dat huis heeft een torentje. Een geweldige schuilpaats. Daar waren vijf onderduikers. Ze zaten ondergedoken bij een ouder echtpaar: mijnheer en mevrouw Viervijzer. Viervijzer was een betrouwbare familie, die hadden contact met het verzet.
Maar in 1943 ging het mis. Het was zaterdag. Mijnheer Viervijzer ging er op uit
VERVOLG VAN PAG.11
om boodschappen te doen. En mevrouw maakte het huis schoon. Ze dacht: ‘Ik maak ook onze stoep even schoon.’ Maar vergat dat te melden aan de onderduikers, wat wel de afspraak was. Zij was buiten aan het schoonmaken en opeens kwamen er twee ‘jodenjagers’ aan. Grote kerels. Ze sloeg haar hand voor haar mond van schrik. Toen die mannen haar zo zagen, wisten ze genoeg. Ze liepen zo het huis in. En vonden daar de vijf onderduikers in de woonkamer. Een geweldige vangst! Ze waren eigenlijk voor maar één onderduiker gekomen, op een andere verdieping. Per Jood kregen de jagers f. 7,50. En ze konden ook nog mevrouw
Viervijzer meenemen, als strafgeval. Uiteindelijk heeft mijn vader later kunnen ontkomen aan het transport. Twee onderduikers vluchten. De twee andere onderduikers overleefden het concentratiekamp. Mevrouw Viervijzer kwam om, op een dodenmars in 1945, van Auschwitz naar Dachau.”
BLIJF ZELF NADENKEN! Dat gaf Mirjam haar leerlingen altijd mee. Ze bleef die boodschap met haar verhaal tot vlak voor het einde van haar leven vertellen. In mijn correspondentie met Mirjam schreef ze me ooit waarom en wat het doorvertellen haar gaf: “Ik bedank jullie voor het
Begon in 2012 in de Diamantbuurt met een lesprogramma van Amsterdamse freelancers (journalisten, fotografen), in samenwerking met het Combiwel/jongerenwerk als programma voor jongeren uit de buurt, om ze bij de lokale 4 mei herdenking te betrekken. Inmiddels leiden deze jongeren het lokale comité. Zie ook de documentaire ‘Herdenking in mijn Buurt’ daarover, hier: https://www. youtube.com/watch?v=mD-0eVBzCQE
Oorlog in mijn Buurt wordt als programma inmiddels gegeven in alle provincies in Nederland. In mijn Buurt werkt met 25 buurtteams nationaal. De basis van het zes weken durende onderwijsprogramma bestaat uit drie delen: voorbereidende lessen, ontmoetingen in huiskamers, eindontmoeting met jong en oud. In het buitenschoolse programma van In mijn Buurt worden leerlingen getraind als nieuwe vertellers van de verhalen.
De Erfgoeddragers. Deze kinderen worden ofcieel gehuldigd en leggen een belofte af. Zij nemen het verhaal mee hun leven in en blijven het doorvertellen. In deze TED Talk vertelt Minka Bos in drie minuten over In mijn Buurt: https://www.youtube.com/watch?v=re7f_qe6_BI&t=6s
geweldige werk dat jullie met die scholen en die kinderen doen en waarbij ik zo’n geweldige kans krijg om mijn aandeel te leveren. Hebben jullie onderwijsmensen er wel een idee van hoeveel voldoening het geeft om op je oude dag nog zo’n belangrijk aandeel bij onderwijs te krijgen en daarbij tegelijkertijd dan zoveel van de lading die je een heel leven lang meesjouwt kwijt te kunnen? Dat maakt dan over een tijdje, ik weet nog niet wanneer, de kist waarin ze me ooit moeten wegdragen een stukje lichter.”
Mirjam overleed op 29 mei 2016. Zoé (nu 20 jaar) werd haar ofciële Erfgoeddrager.

Meer verhalen lezen? Ga naar www.inmijnbuurt.org
Martijn Katan is bij veel (NRC-)lezers bekend door zijn rubriek over voedingsleer en publicaties over soortgelijke onderwerpen.
Bijna dertig jaar geleden ging hij voor het eerst niet als wetenschapper maar als jongeman Martijn op zoek naar waar hij vandaan kwam. Die speurtocht leverde vele jaren later een aangrijpend en zeer leesbaar boek op. Hij beschrijft daarin uitvoerig de oorlogsgeschiedenis van zijn vader Richard, die in het verzet ging, en het overleefde. Daarnaast zien we soms summier de verzetsdaden van negen andere soms zeer verre familieleden. Zij vervalsten Ausweisen en distributiestamkaarten voor de voedselvoorziening voor onderduikers. Zij brachten illegale kranten rond en soms waren zij betrokken bij aanslagen op collaborateurs of Duitse hoge militairen. Sommigen verrichtten koeriersdiensten voor verzetsorganisaties en smokkelden papieren en geld en wapens. Allemaal riskante transporten, op wapenbezit stond de doodstraf. Sommigen van hen overleefden de oorlog en wilden daar vaak niet over praten. Een aantal van hen heeft het niet overleefd. Zij zijn gedood of vermoord. Zij kregen postuum grafstenen op erebegraafplaatsen, Stolpersteine of er werd een straat naar hen vernoemd.
“De grote meerderheid van de Nederlandse bevolking, inclusief de meerderheid van de autoriteiten, heeft zich vanaf het begin neergelegd bij de wens van de bezetter om joden te elimineren.” De meeste Joden voor de oorlog waren zeer arm, hadden geen geld voor valse papieren, reizen of kostgeld en kenden buiten hun Joodse buren, vrienden en familie vrijwel geen niet-Joodse Nederlanders die hen hadden kunnen helpen. En “er waren [...] maar weinig mensen die het aandurfden een jood te verbergen.”
De familie Katan bestond veelal uit middenstanders die een bedrijfje hadden. Vaak had men goede middelbare scholen doorlopen en een beroepsopleiding gevolgd. Er waren winkeliers en onderwijzers onder hen en mensen met een kunstzinnige achtergrond en belangstelling. Wat hun deelname aan het georganiseerde verzet gemakkelijker maakte, naast het milieu waartoe zij behoorden, middenklasse, goed geschoold en niet behorend tot het Joodse proletariaat, was het feit dat velen jong waren en de meesten er niet Joods uitzagen. Die achtergrond, dat milieu, was in deze tijd essentieel om het er levend af te brengen. “Tegenover de geïsoleerde, verpauperde joden stond de Nederlandse staat met zijn burgemeesters, politie, gemeenteambtenaren, ns, marechaussee en regering die grotendeels de Duitse bevelen uitvoerden.” Weliswaar hadden de arme, niet-ontwikkelde Joden zich fors geweerd en knokploegen hadden de nsb van zich afgeslagen, maar toen de deportaties begonnen waren ze machteloos.
De sluwheid waarmee de Duitsers voortdurend in het geheim werkten aan de uitsluiting, registratie, arrestatie en deportatie van, letterlijk de moord op de Joden, gesteund door alle Nederlandse autoriteiten van hoog tot laag, hebben met name de arme Joden het zwaarst getroffen. Zij vormden de overgrote meerderheid voor wie het dus bijna onmogelijk was eraan te ontkomen. Katan signaleert het steeds kernachtig “de destijds almachtige overheid werkte grotendeels van begin tot eind mee aan de Jodenvervolging.”
De Nederlandse overheid werkte dus mee aan de moord op 104.000 landgenoten. De duivelse plannen werden door de Duitsers verstopt onder namen als de Endlösung (=eindoplossing!) en bij de gaskamers sprak men van desinfectie.
Des te opvallender is het dat veel jonge Joodse mannen en vrouwen actief streden in de illegaliteit onder valse namen en met valse persoonsbewijzen. Als zíj werden opgepakt, bijvoorbeeld door verraad, en hun echte (Joodse) identiteit werd bekend, dan wachtte hen de onmiddellijke doodstraf of de onafwendbare snelle transportatie via Westerbork naar de dood. Het totale aantal Joden dat in het verzet heeft gezeten, bedroeg ongeveer 2.300. Dat betekent dat van de 140.000 Joodse Nederlanders 1,6 procent in het verzet zat. Dat is vijf keer zoveel als het percentage verzetsmensen onder de (niet-Joodse) Nederlanders. Dat bedroeg ongeveer 0,3 procent. Maar het blijven onzekere getallen, aldus Katan. Soms was het pas tientallen jaren later dat ‘kinderen’ signalen kregen dat hun ouders of andere familieleden verzetsdaden hadden gepleegd. Vaak zweeg men daar liever over. Dat was het verleden: we moeten vooral kijken naar de toekomst. Het is goed ons te realiseren dat Joden geen makke schapen waren maar slachtoffers van moordenaars en hun helpers en weinig of niet gesteund werden door niet-Joodse Nederlanders die liever wegkeken of ‘gewoon’ meehielpen met deze moordmachine.

martijn katan. Geen makke schapen. Een persoonlijke geschiedenis van joods verzet. Prometheus Amsterdam, 2021, 205 pagina’s isbn 9789044646429, € 20,00

“Hoe langer het is geleden, hoe meer de grootste misdaad die de wereld gekend heeft op de achtergrond raakt. Je ziet dat bijvoorbeeld aan het gemak waarmee gebeurtenissen van vandaag de dag gelijk worden gesteld aan de misdaad van toen. Wij zijn rijk en gezegend dat we leven in een democratisch land. Het doet mij werkelijk pijn dat bij protesten tegen de coronamaatregelen mensen rondlopen met een gele ster op hun borst, dat vrije boeren zich vergelijken met het lot van de Joden tijdens de Holocaust. Wat voor zin heeft al onze educatie, ons herdenken, als je tijdens de recente rellen op straat gewoon weer ‘kankerjoden’ hoort schreeuwen? En als de nu rondwarende complottheorieën blijken te stoelen op aloude Jodenhaat en antisemitische verzinsels. Daar word ik soms wel somber van, maar het maakt me ook strijdbaarder. Om te vechten tegen het antisemitisme, zoals ik heb beloofd aan de oprichters van het Auschwitz Comité.”
— Jacques Grishaver

Op zondag 31 januari 2021 organiseerde het Nederlands Auschwitz Comité de jaarlijkse Nationale Holocaust Herdenking bij het Spiegelmonument ‘Nooit Meer Auschwitz’ in het Wertheimpark in Amsterdam.
In verband met de coronamaatregelen vond de plechtigheid plaats met slechts een klein aantal genodigden. Het werd een sobere, indrukwekkende herdenking.
Op onze website zijn alle toespraken na te lezen. Ook is daar de tv-uitzending terug te kijken. www.auschwitz.nl

foto Dirk Spits

DOOR GERBEN POST & BERTJE LEUW
FOTO'S DIRK SPITS
In het vorige Auschwitz Bulletin noemden we in het artikel ‘Rondom het namenmonument’ al kort het monument ‘de wereld bleef doof’ dat sinds 2010 te bezoeken is in het Amsterdamse Hortusplantsoen, tegenover het pand waar tussen 1928 en 1976 de dovenschool gehuisvest was. Het monument herdenkt de dove Joodse slachtoffers van de Shoah, een vaak vergeten groep binnen de ongeveer 104.000 Nederlands-Joodse slachtoffers van het naziregime. Om hoeveel personen het hier gaat, is niet precies bekend. Joods zijn werd geregistreerd, doof zijn werd dat niet.
De overlevingskansen in de kampen waren voor dove Joden aanzienlijk geringer dan die van niet-dove Joden. Vanwege hun gehoorbeperking werden de meesten van hen direct na aankomst in Auschwitz vermoord al wist een enkeling dit lot te ontlopen. Om te kunnen overleven was een goed gehoor echter essentieel. Orders van bewakers en kapo’s moesten kunnen worden gehoord en in de strijd om voedsel was het gehoor onmisbaar. Dove Joden die niet direct naar de gaskamer gestuurd werden, maakten daardoor doorgaans geen schijn van kans en gingen al snel een wisse dood tegemoet.
Vóór het uitbreken van de oorlog was er een rijk dovenverenigingsleven geweest. Dit was voortgekomen uit het feit dat doven – zowel Joods als niet-Joods – van jongs af aan al naar speciale scholen gegaan waren, een eigen taal ontwikkeld hadden en een achtergestelde maatschappelijke positie deelden. Deze verbondenheid had er dan ook toe geleid dat het verenigingsleven welig tierde waarin vooral veel Joodse doven een belangrijke en vooral actieve plaats innamen. Toen de Duitsers het de Joden tijdens de oorlog verboden nog langer lid van verenigingen te zijn, kwam het verenigingsleven van de
dove Nederlanders dan ook goeddeels stil te liggen. Desondanks bleef de dovengemeenschap hecht. Niet-Joodse doven hielpen Joodse doven door hen voedselbonnen te geven of hun huizen open te stellen voor clandestiene bijeenkomsten, ondanks de gevaren die dit met zich meebracht. Immers, Joden en niet-Joden mochten niet meer samenkomen. Wanneer er een razzia gaande was, of bekend geworden was dat dove Joden van huis zouden worden gehaald, brachten dove niet-Joden vaak nog een laatste groet en meestal ging dit gepaard met hevige emoties. De oorlog heeft diepe sporen achtergelaten in het dovenverenigingsleven.
De deportatie en moord op de Nederlandse Joodse doven betekende een enorme slag voor de dovengemeenschap en het zou nog lange tijd duren voor het dovenverenigingsleven weer een klein beetje op gang begon te komen.
In 2005 werd besloten tot het oprichten van de Stichting DovenShoah. Drie van de bestuursleden van het eerste uur, Eduard Leuw, Flip Delmonte en Elly Muller-Engelsman waren zelf ooit ondergedoken kinderen. Het doel van de stichting is het doen van onderzoek om de dovengemeenschap en -cultuur van vóór 1940 in kaart te brengen met daarin vooral aandacht voor de rol van Joodse doven binnen de gemeenschap. Daarnaast wordt er gekeken naar de invloed die de Shoah heeft gehad op de ontwikkeling van de dovencultuur in het Nederland van na 1945. De stichting verzorgt publicaties, documentaires, exposities, educatief materiaal, oud-leerlingen van verschillende doveninstituten zijn geïnterviewd en in 2010 heeft de stichting ervoor gezorgd dat het monument in het Hortusplantsoen –vervaardigd door voormalig verzetsvrouw Truus Menger-Oversteegen – gerealiseerd werd. En juist deze laatste gebeurtenis heeft ervoor gezorgd dat er veel meer bekend

werd over de dove Joodse slachtoffers van de Shoah.
De namen van vooraanstaande dove Joden zijn uiteraard al langer bekend maar er waren er zoveel meer. Bij de onthulling van ‘de wereld bleef doof’ werden voor alle Joodse dove slachtoffers rouwadvertenties gemaakt waarna de stichting door nabestaanden van deze slachtoffers benaderd werd. Hierdoor werden al 198 namen van vermoorde dove Joden bekend. Dit aantal is in de loop van de jaren alleen maar gegroeid, mede door gedegen archiefonderzoek van onder andere leerlingenboeken van doveninstituten waarin ook de religieuze achtergrond werd vermeld. Toch blijft de speurtocht naar dove slachtoffers van de Shoah lastig. Voor kinderen met een handicap gold de algemene leerplicht pas vanaf 1947. Er is dus een goede kans dat er dove slachtoffers zijn die nooit naar school zijn gegaan, of privéonderwijs hebben genoten.
Om ieder doof Joods slachtoffer te kunnen herdenken, worden hun namen op de in 2014 opgerichte website van de Stichting
DovenShoah vermeld en waar mogelijk wordt er een korte beschrijving van hun levens bijgevoegd. Het uiteindelijke doel van de stichting is om de naam van ieder individueel doof slachtoffer te kunnen noemen: ‘een mens is pas vergeten…’
— Gerben Post
Van de drie oprichters van de Stichting DovenShoah die zelf als Joodse kinderen een onderduikgeschiedenis hadden, is alleen Flip Delmonte nog in leven. Bertje Leuw ging met hem in gesprek.
TWEE PAAR OUDERS Behalve een van de oprichters van de Stichting DovenShoah is Flip Delmonte toevallig ook een van die kinderen die door de nv-groep uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg is gered – zie over de nv-groep de boekbespreking elders in dit nummer (pag. 24-25). Ik spreek hem in zijn huis in Amsterdam. Vrijwel meteen valt mijn oog op een kastje met, goed in het zicht, twee ingelijste foto’s, op iedere foto een echtpaar. ‘Dat zijn mijn ouders,’ wijst Flip naar het echtpaar rechts, en naar de linker foto wijzend: ‘en dat zijn mijn eigen ouders.’
Flip was amper een week oud toen hij in de crèche kwam. Zijn ‘eigen’ ouders, vijfentwintig en zesendertig jaar oud, beiden ook doof, zaten aan de overkant, in de Hollandse Schouwburg, gevangen. Hij zou ze nooit leren kennen. Dit is zijn verhaal: Vóór hun deportatie, met eindbestemming Auschwitz, geven vader en moeder Delmonte-Nunes Cardozo toestemming hun baby zo mogelijk te laten onderduiken. Het is de niet-Joodse verloofde van zijn moeders broer, Jo Gorter, die Flip, verstopt onder haar jas, de crèche uit smokkelt. In de enkele minuten dat zij door de langsrijdende
tram onzichtbaar is voor bewakers aan de overkant, stapt ze het gebouw binnen, zoekt en vindt Flip in een kinderwagen waar zijn naam op is aangegeven. Ze vist hem eruit en vlucht over de schutting en via de tuin van de aangrenzende kweekschool naar buiten. Om de hoek staat iemand van de nv-groep klaar om de baby over te nemen en hem naar het afgesproken onderduikadres in Amsterdam te brengen. Flip huilt daar veel, het gaat overduidelijk niet goed met hem. Na drie dagen wordt hij door het angstig geworden opvanggezin terugbezorgd bij de verzetsgroep. Als hij ongeveer tien weken oud is, ondervoed en doodziek door geïnfecteerde plekken op zijn huid, komt hij terecht in Brunssum, Limburg, bij het Nederlands Hervormde gezin Versteeg waar hij zal blijven; een gezin
met een herenkapperszaak aan huis. Vader en moeder Versteeg hadden hun enige kind, een zoontje van drie weken oud, verloren en waren bereid om op het verzoek van de plaatselijke dominee in te gaan en een Joods kind bij zich te laten onderduiken. Het liefst willen ze een jongetje, en zo geschiedt. Hij gaat door voor een baby uit Rotterdam van wie de moeder zodanig door het bombardement van 1940 in de war was geraakt dat ze niet voor haar baby kon zorgen.
De kapper en zijn vrouw zijn blij met kleine Flip, maar blijven de hele oorlogstijd angstig. Angstig omdat hij zo ziek bij ze kwam en angstig voor ontdekking, vooral omdat er regelmatig Duitse soldaten over de vloer zijn voor een knipbeurt. En als er op een bepaald moment een razzia dreigt, wordt Flip een

maand naar de ouders van zijn moeder gestuurd (het woord pleegmoeder krijgt hij niet over zijn lippen). Ook na de oorlog, als zijn moeder door alle doorstane spanningen een jaar in een rusthuis wordt opgenomen, wordt Flip bij de grootouders ondergebracht. Flip vertelt over de schrik van zijn ouders toen ze begrepen dat hij helemaal doof was. Dat ze daar enorm verdrietig over waren. Dat ze niettemin de beste ouders werden die hij zich kon wensen. De enige ouders. Hij wist niet beter. En hij bleef hun enige kind. Achteraf, vertelt hij, is het wonderlijk dat hij er nooit over had nagedacht hoe vreemd het was dat zijn ouders een andere achternaam hadden dan hij. Zo was het nu eenmaal… Pas als hij elf jaar is, wordt hem duidelijk hoe het echt zit. Dat is een verhaal op zich.
HOE ZIT HET ECHT Kinderen uit een hogere klas op het doveninternaat Effatha in Voorburg – Flip woont daar sinds zijn vierde jaar – zeggen hem in het speelkwartier dat zijn ouders dood zijn. Ze weten het zeker. Flip is verbijsterd en ontkent natuurlijk. Hij hééft immers ouders. In Brunssum! De kinderen nemen hem mee naar hun leerkracht ter bevestiging van het verhaal. Flip ziet de man schrikken. Nee, had hij gezegd, dat ging over een ándere Flip. Maar zelf wist hij heel goed dat hij de enige op school was met die naam. De eerstvolgende vakantie dat hij thuis is, vertelt hij zijn ouders wat de kinderen hebben gezegd. Zijn moeder kijkt hem aan en reageert niet echt. Ook zijn vader, als hij ’s middags na het werk Flip’s verhaal aanhoort, geeft geen duidelijk antwoord. Flip zet de hele gebeurtenis uit zijn hoofd. Het is twee maanden later. Flips klas krijgt les over de Holocaust. Alle kinderen zijn enorm onder de indruk van de schokkende verhalen die ze horen als de meester ineens zegt: ‘Van een van jullie zijn de ouders ook vermoord.’ Iedereen, vertelt Flip, kijkt stomverbaasd om zich heen, zoekend wie
dat zou kunnen zijn. Hij ook. En dan wijst de meester hem aan. Achteraf blijkt dat zijn ouders de leerkracht hadden gevraagd hem de waarheid over zijn afkomst te vertellen. Ze durfden het niet goed zelf te vertellen, wisten niet hoe ze dat moesten aanpakken. Van Jacques Nunes Cardozo, de enige overlevende van zijn oorspronkelijke familie, broer van zijn eigen moeder van wie hij dacht dat het de broer van een van zijn oorlogsouders was, hoort Flip nu ook veel meer. En hij krijgt foto’s te zien van zijn eigen ouders. Zo leert hij dat zijn biologische moeder oudste was van een gezin met vijf kinderen. Dat ze allemaal, ook de ouders, op de overlevende oom na, doof waren, en dat ze in Auschwitz zijn omgebracht. Dat zijn vader de enige dove was uit een gezin met twee kinderen. Dat diens broer in ’40 zelfmoord pleegde en dat hij en zijn moeder ook in Auschwitz zijn vermoord – opa was al eerder een natuurlijke dood gestorven. Elfjarige Flip is vanaf het moment dat hij over zijn geschiedenis hoort, doodsbang dat zijn eigen ouders toch nog terug zullen komen en hem bij het gezin Versteeg zullen weghalen. Die angst verdwijnt pas als hij ouder wordt. Wat blijft is het gevoel dat hij een goede zoon voor zijn ouders moet zijn. Dat hij als het ware hun verdriet moet goedmaken om hun verloren kind, om de spanningen die zij in de oorlog om hem hebben moeten doorstaan én om het feit dat hij doof is. Het is een enorm verantwoordelijkheidsgevoel dat hem extra zwaar valt als ook nog blijkt dat hij hun niet het kleinkind kan geven waar ze zo naar verlangen. Mijn ouders, zegt Flip, waren wel ruimdenkend maar hadden grote moeite met mijn homosexualiteit. Gelukkig blijft de verhouding tussen hen goed. Flip zal zijn ouders tot hun dood al zijn zorg en aandacht geven.
HET JOODSE GEVOEL Op zijn 28ste komt Flip naar Amsterdam en ontmoet daar ou-
dere doven die hem meer vertellen over zijn eigen ouders die ze goed gekend hebben en over andere familieleden. De voor-oorlogse dovenwereld was groot en hecht, weet ik uit andere bron. Iedereen kende elkaar. Het is ook in Amsterdam dat Flip voor het eerst dove Joden ontmoet en dat hij niet meer alleen is met zijn Joodse achtergrond, niet meer de enige met een onderduikgeschiedenis en met vermoorde familieleden. Het doet hem goed. Zo goed dat hij meteen ingaat op de vraag of hij zitting wil nemen in een commissie die zich gaat bezighouden met de geschiedenis van de dove Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Flip, inmiddels bijna 78 jaar oud: ‘Ik ben door de DovenShoah meer bewust geworden van mijn Joods-zijn, ik heb een Joods gevoel gekregen, voel me betrokken.’ Hij zal zich daarom, zegt hij, en ook omdat er nog maar zo heel weinig dove Joden zijn die het hebben meegemaakt, zijn hele leven voor de DovenShoah blijven inzetten.
— Bertje Leuw

‘JE
DOOR
Mevrouw Ro Wertheimer–Bokkie heeft ons zelf gebeld: “Ik ben 98 en op die leeftijd zie je het einde vlugger naderen. Dus als ik iets wil vertellen, moet ik het nu doen.”
Rosa Bokkie wordt op 23 juli 1922 geboren in de Oosterparkbuurt in Amsterdam, als oudste dochter van Samuel Bokkie (geboren 1896) en Matthea Bolle. In 1924 wordt haar zusje Duifje geboren, vernoemd naar een grootmoeder. Duifje wordt Doortje genoemd. Vader heeft een atelier voor loonconfectie, hij maakt herenkleding en heeft personeel.
Moeder overlijdt in 1928. Rosa, zes jaar, is in één klap geen onbekommerd meisje meer. Ze moet boodschappen doen, wordt met geld en een briefje naar de bakker en de slager gestuurd. In het weekend worden de meisjes gedropt bij de familie Agsteribbe (zussen van haar grootmoeder), waar ze in bad gaan en schone kleren krijgen. Na een aantal jaren hertrouwt vader, wat echter geen gelukkige match blijkt. De stiefmoeder is achterdochtig en jaloers, zij stelt vader voor de keus: ‘de meisjes naar het weeshuis of ik ga’. Vader kiest voor zijn dochters: ‘dan ga jij maar’. Het betekent het einde van dit huwelijk.
Vader is vroom opgevoed, maar geeft dat niet automatisch door. Hij is een doordouwer, nuchter en socialist. Wanneer er iemand langs komt van de
orthodoxe gemeente om te praten over Joodse les, antwoordt hij ‘als ze het zelf willen, dan gaan ze’. Ongeveer vier jaar later hertrouwt vader opnieuw, nu met Trees Ourhaan, een vriendin van moeder. Een goede verbinding voor iedereen.
Rosa gaat werken bij Van Kleef, leder – en fourniturenhandel voor de schoenmakerij. Ze herinnert zich hoe op 25 februari 1941 mannen van de stadsreiniging, die in dezelfde straat zit, van Kleef binnen komen: STAAKT!
Ze gaat staken.
Op haar 20e verjaardag komt de oproep om zich te melden. De Verwalter van Van Kleef gaat samen met haar naar de Euterpestraat om een vrijstelling te krijgen. Dit wordt geweigerd en de verwalter is bijna de trap af gegooid. Onderaan de trap wordt Ro op staande voet ontslagen.
Inmiddels is vader werkloos gemaakt, zijn bedrijf kan niet meer bestaan door alle anti-Joodse maatregelen. Hij wordt opgeroepen voor arbeid in kamp De Beetse in Oost-Groningen. Op 3 oktober 1942 worden de Joodse mannen naar Westerbork getransporteerd. Vader wordt van daaruit naar Auschwitz gedeporteerd. Daar moet hij werken in één van de buitenkampen. Uiteindelijk is hij, volgens het Rode Kruis, op 31 maart 1944 in Midden-Europa gestorven.
In 1942 wordt Trees Ourhaan gearresteerd en meteen naar Westerbork gebracht. Zij wordt in Auschwitz vermoord. Op 3 oktober 1942 wordt Ro van huis opgehaald door de ‘zwarte politie’. Haar zus heeft een sperre en is op haar werk. Uiteindelijk met bagage in een tram. Eén van de begeleidende politieagenten zegt bij aankomst “dieren uitstappen”. Zij reageert direct: “We zijn geen dieren, we zijn mensen!” De mensen om haar heen manen haar stil te zijn. Haar reactie: “Ik kan maar één keer doodgaan.”
Alle opgehaalde mensen uit de tram gaan naar een school op het Adama van Scheltemaplein. Zij blijft in de gang staan. Als een man van de Joodse Raad vraagt met hoeveel ze is, antwoordt ze: ‘Ik ben alleen’. Hij zegt haar te blijven staan waar ze staat. Voor haar gevoel staat ze er uren tot hij eindelijk terug komt. Met zijn hand op haar schouder leidt hij haar naar buiten waar het al donker begint te worden. Hij zegt haar dat er in de straat één deur open staat, dáár moet ze binnen gaan. De straat in, de deur staat open. De hele nacht zit ze op een stoel in de huiskamer en de volgende morgen rent ze naar huis.
Die dag komt een ‘rechercheur’ langs die waardevolle spullen zoekt. “Waar ze zijn verstopt?”, wil hij weten. Hij vraagt haar naar Perzische tapijten, die ze nooit gehad hebben. “Zal ik m’n jas aantrekken en meegaan?” zegt ze. Nee, dat is niet
nodig, hij gaat wel naar haar zus. Zodra hij weg is rent ze naar haar zus om die te waarschuwen. De rechercheur is nooit bij haar zus langs geweest. De volgende morgen wordt hun huis gepulst* en staan zij op straat.
Samen met haar zus trekt ze langs een aantal adressen, als eerste bij een collega van haar zus. Ze moeten zich in de keuken wassen terwijl meneer staat te gluren, het voelt unheimisch. Op een avond wanneer de zusjes terug komen, staat er een vrouw in het trapportaal. Zij waarschuwt hen dat ‘het hele huis leeg is, omdat ze weten dat ze opgehaald worden’. Boven is alleen nog een lichtpitje en een matras, het huis is totaal leeg. Die nacht is Ro echt doodsbang. De volgende dag vertrekken de zussen naar het verlaten huis van de ouders van een collega, zwaar vervuild en vol ongedierte. Overal worden mensen weggehaald, nergens is het meer veilig.
Uiteindelijk komt een niet-Joodse vriendin haar halen: ‘je kan bij ons wonen’. Een plek in Amsterdam, warm, vertrouwd. “Ik voelde me er veilig, het waren hele lieve mensen, ik was als een kind voor hen”. Ze probeert haar zus over te halen ook onder te duiken. Helaas wil Doortje niet. Zij wordt vermoord in Sobibor.
Na de oorlog blijft Ro nog een aantal jaren wonen bij haar onderduikgezin. Ze haalt onder andere haar textielbrevet en haar middenstandsdiploma. Kennis vergaren, dingen leren waarmee ze wat kan. Ze werkt bij Max Haar, verzorgt de (loon)administratie voor 100 werknemers. Ze richt zich op de toekomst. Van de familie van haar vader blijkt zij de enige overlevende te zijn. Ze heeft de lijst met namen in haar hand: “Als ik dit echt tot me zou laten doordringen, zou ik gek worden”.
Haar man, een Hongaarse Jood die na de oorlog in Nederland is gekomen, ontmoet ze via een collega. Ze trouwen en krijgen een dochter, Marian. “Ik heb het gevoel gehad dat ik wat gemist heb. De Joodse geschiedenis heb ik nooit gekend. Mijn man wel,

die wist heel veel. Hij heeft voor de oorlog voor rabbijn geleerd in Hongarije. Een studie die hij niet heeft afgemaakt, hij stelde – zoals hij zelf zei –te veel vragen en wilde minder aannemen. Marian heeft Joodse les gevolgd bij Jacob Soetendorp.” Ro en haar man zijn meer dan 40 jaar getrouwd, hij overlijdt in 1991.
Marian woont al 37 jaar in Amerika. “Marian is heel anders dan ik. Zij heeft met iedereen direct contact. Ik ben niet zo’n ‘kletser’. Ik bedoel, ik praat met mensen over een bepaald onderwerp,
*Pulsen was leegroven van leegstaande huizen van Joden, genoemd naar verhuizer Abraham Puls, Nederlands collaborateur in de Tweede Wereldoorlog.
maar ik geef mijn ziel niet bloot. Je zult mij ook niet met een Makeem David (Davidster) zien lopen. Ik ben Joods en ik voel me Joods en niemand hoeft me iets te zeggen, geen antisemiet of wie dan ook, of ik sta op m’n achterste benen. Mijn verhaal vertel ik hier en nu heel bewust. Mijn boodschap? Je moet de moed hebben om, wie er ook tegenover je staat, onverschrokken te blijven.”
Hierboven: Ro met een oude foto van zichzelf, met zus Duifje (Doortje) en stiefmoeder Trees Ourhaan.
EEN NIEUW MUSEUM Tijdens de virtuele herdenking van 19 april 2021, op die dag in 1945 werd Kamp Amersfoort overgedragen aan het Rode Kruis, is het nieuwe ondergrondse museum van 1.100 m2 in gebruik genomen. De ingebruikneming van het nieuwe museum werd onder andere door oud-gevangene Arie van Houwelingen, nu 97 jaar, verricht. Hij kwam op 18 juli 1944 aan in Kamp Amersfoort. Hij heeft ook in andere kampen gevangen gezeten, in totaal negen maanden.
Willemien Meershoek, directeur van Nationaal Monument Kamp Amersfoort: “Twee jaar geleden is begonnen met de nieuwbouw van het museum. De uitbreiding is nodig, omdat er steeds meer bezoekers komen. Het nieuwe museum bestaat uit vier ruimtes. Via het kantoor van de kampcommandant en de stookkelder kom je in het ondergrondse museum. In de eerste ruimte bevindt zich de vaste tentoonstelling met tien biografeën, een fotowand van gevangenen, een wand met de transporten naar de Duitse oorlogsindustrie, een tijdlijn en interviews met honderd oud-gevangenen. Daarnaast worden er meerdere topstukken getoond, bijvoorbeeld het Delftsblauw bord om Loes van Overeem van het Rode Kruis te danken voor haar voedseluitdelingen in het kamp; de valse
identiteitsbewijzen van verzetsstrijders Edmond Wellenstein en Gerrit Kleinveld; het tabaksdoosje van de Sovjet-krijgsgevangene A.Z. Tjagiev; de laarzen van kampcommandant Karl Berg en het aantekenschriftje van de beruchte kampbeul Josef Kotalla.”
Meershoek vervolgt: “De tweede ruimte is bedoeld voor wisseltentoonstellingen. Op dit moment de tentoonstelling getiteld ‘Voor het vuurpeloton’. Hierin wordt het verhaal van de 383 geëxecuteerden uit de doeken gedaan, onder andere met objecten die bij de naoorlogse opgraving van massagraven werden gevonden.
Daarnaast het schilderij dat Johan Dons vlak voor zijn executie nog in zijn cel maakte en een opstelling die de executie van zeven communisten simuleert. De derde ruimte is bedoeld voor groepen die een programma willen doorlopen waarin maatschappelijke dilemma’s worden voorgelegd. Het dwingt de deelnemers na te denken over te maken keuzes. Tot slot wordt in de bezinningsruimte de mogelijkheid geboden om te refecteren op hetgeen de bezoeker zojuist heeft ervaren.”
Op het buitenterrein bevinden zich verschillende monumenten en grondsporen. De grotendeels originele poort van het kamp, een maquette, de originele appèlklok en een reconstructie van de
Rozentuin, het stuk grond omheind door prikkeldraad waar gevangenen gestraft werden.
IN KAMP AMERSFOORT HEBBEN 2.500 JOODSE GEVANGENEN GEZETEN In dit doorgangs- tevens strafkamp, ofcieel bekend als ‘Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort’, dat onder direct bevel stond van de SS, hebben in de periode van augustus 1941 tot april 1945 ongeveer 47.000 mensen voor korte of langere tijd vastgezeten. Het was een zeer diverse populatie: verzetsstrijders, communisten, (vermeende) criminelen, Jehova’s Getuigen, Amerikaanse staatsburgers, Sovjet-krijgsgevangenen, dwangarbeiders voor de Duitse oorlogsindustrie, opgepakt als onderduiker of via razzia’s en Joodse gevangenen. In het kamp heerste een streng regime van honger, dwangarbeid en mishandeling. In totaal zijn 650 mannen omgekomen, waarvan er 383 rond het kamp zijn geëxecuteerd. Daarmee is Kamp Amersfoort de grootste executieplek van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.
Tot voor kort werd het aantal Joodse gevangenen geschat op ongeveer 800, maar recent onderzoek wees anders uit. Meershoek: “De gevangenenadministratie is kort voor de bevrijding vernietigd door de nazi’s. Maar onze onderzoekers
hebben toch door nauwkeurig onderzoek in binnen- en buitenlandse archieven, politierapporten, transportlijsten en processen-verbaal ontzettend veel
Amersfoort heerste structureel een streng regime van mishandeling, honger en dwangarbeid. Maar de Joodse gevangenen werden extra slecht behandeld.
grafeën gewijd aan Monne de Miranda. Hij is binnen enkele dagen in het kamp vermoord. Wij tonen drie bijzondere objecten van hem: zijn pen, zijn schaar om

identiteiten kunnen achterhalen. Naar nu blijkt hebben in Kamp Amersfoort 2.500 Joodse gevangenen gezeten, waarbij van 1.900 de identiteitsgegevens zijn opgespoord. De Joden in Kamp Amersfoort werden meestal opgepakt voor het overtreden van regels, zoals het niet dragen van de Jodenster. Zij zijn vervolgens naar Kamp Westerbork gestuurd en in veel gevallen uiteindelijk in Mauthausen, Auschwitz en Sobibór vermoord. In Kamp
Ze werden voor het minste geringste afgeranseld. Ook medegevangenen reageerden hun agressie op hen af. Berucht was het uitgraven van de Schietbaan en de vuilstortplaats. Meershoek vervolgt: “Bekende Joodse gevangenen waren bijvoorbeeld de Amsterdamse wethouder Monne de Miranda, de artsen Elie Cohen, Herman de la Parra en Isidoor Zeehandelaar. In het nieuwe museum is één van de tien bio -
linten door te knippen en een trofel als aandenken aan zijn eerstesteenlegging van het ziekenhuis ‘De Joodsche Invalide’ in 1924.”
NB: Museumbezoek is vanwege de coronamaatregelen op dit moment niet mogelijk.
— DOOR BERTJE LEUW
‘Het grote kinderspel’, zo heet het boek dat Bert Jan Flim schreef over de geschiedenis van de NV-groep, de Naamloze Vennootschap, die in de Tweede Wereldoorlog honderden Joodse kinderen voor deportatie en moord behoedde.
Het is, schrijft Flim – zelf zoon van een van de verzetshelden van de groep–, een verhaal van moed, angst, hoop en wanhoop, blijdschap en verdriet. Hij boekstaafde de geschiedenis van wat ‘het kinderwerk’ is gaan heten in diverse historische studies en schreef er nu dit boek over, voor een groter publiek.
Het begon allemaal met de noodkreet van dominee Sikkel, Gereformeerd predikant te Amsterdam. In de zomer van 1942 riep hij in een kerkdienst zijn gemeenteleden op de in het nauw gedreven Joden te hulp te komen. Twee broers, Jaap en Gerard Musch, negenentwintig en eenentwintig jaar oud, werden geraakt door de oproep van hun dominee en besloten samen met hun goede vriend Dick Groenewegen van Wijk, ook net twintiger, om te helpen. De jongens gingen voortvarend aan de slag. Vier kernvragen bedachten ze, waarmee ze inhoudelijk de basis legden onder het werk:
1. Hoe komen we aan Joden,
2. Wa ar gaan we ze onderbrengen, 3. Hoe brengen we ze daar naartoe en 4. Hoe verschaffen we hen valse papieren, kleding, kostgeld en dergelijke.
Mij trof al om te beginnen deze voortvarende en hecht in elkaar stekende formule. De drie sloegen de spijker op de kop, jong als ze waren, niet gehinderd door angst of sentimentaliteit.
Dat laatste wordt ook duidelijk als ze al snel besluiten om alleen de kinderen te redden
en geen ouders, geen volwassenen. Ervaring met een ouderpaar dat inspraak wilde hebben in hun onderduik had de jongens, vonden ze, veel te veel tijd gekost. ‘We helpen alleen Joden die doen wat er gezegd wordt,’ tekent Flim op uit een van zijn vele bronnen, en dus zijn het de kinderen waar ze zich op gaan richten, kinderen waarbij zij, zelf amper de kindertijd ontgroeid, hun gezag kunnen doen gelden.
EEN NETWERK VAN DOMINEES Het wordt de jongens al snel duidelijk dat de Joodse kinderen in ieder geval uit Amsterdam moeten verdwijnen omdat daar de bezetter alom aanwezig is.
Dominee Sikkel stelt voor zijn goede contacten met collega-dominees in Limburg aan te boren. En zo begint het werven van adressen onder de verschillende gereformeerde gemeentes aldaar.
De mensen zijn er aanvankelijk weinig toeschietelijk, lees ik. Zelfs in ’42 blijkt de ramp die zich voor de Joden aan het voltrekken is in Limburg nog nauwelijks doorgedrongen. Het helpt dat de jongens een aanbeveling van de plaatselijke dominees bij zich hebben om twijfelende gezinnen over de drempel te helpen.
Jonge meisjes, studenten of nog jonger, sluiten zich bij de verzetsgroep aan. Zij zijn het die de kinderen – meest baby’s en jonge kinderen die voor een eigen kind konden doorgaan – per trein vanuit Amsterdam naar Heerlen in Limburg brengen, vaak twee keer in de week. De grotere kinderen
worden vaak als ‘neefje’ of ‘nichtje’ door een van de jongens weggebracht. De tocht is iets minder gespannen als het kind blond is en heel veel ongemakkelijker als het donker haar heeft en het wantrouwen wekt van medereizigers of controleurs. De toenemende grimmigheid van de controles, de angst die dat teweeg brengt, het improvisatievermogen van de jonge mensenredders, het wordt zo goed beschreven dat ik het als lezer voor me zie en meer dan ooit diepe bewondering voel voor hun lef en doorzettingsvermogen.
DE CRÈCHE Aanvankelijk proberen betrouwbare nv-contacten die zelf in de Amsterdamse Jodenbuurt wonen, Joodse buren en kennissen te overtuigen hun kinderen te laten onderduiken. Er is het verhaal van de Joodse huisarts David de Miranda, door de bezetter aangewezen als ‘huisarts voor de Joden’ waardoor hij zich vrij op straat kan begeven, die met een van de nv-ers naar wijken trekt waar razzia’s worden gehouden om daar, op het allerlaatste moment ouders te overtuigen hun kind af te staan. Soms lukt het.
De aanvoer van kinderen neemt een vlucht als er contact wordt gelegd met de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg waar Joden verzameld worden voor ze op transport gaan. Kinderen tot twaalf jaar worden van hun ouders gescheiden. Zij moeten naar het gebouw aan de overkant, een voormalig Joods kinderdagverblijf, tot het moment van deportatie waarop ze weer bij hun ouders worden gevoegd. Piepjonge kinderverzorg-

sters van zeventien, achttien jaar oud, zelf net uit huis en geen fauw idee wat het betekent een kind te hebben, laat staan een kind uit handen te geven zonder te weten aan wie, zonder te weten of ze het zullen terugzien, moeten ouders overtuigen om juist dat te doen. Ze leerden zinnetjes uit hun hoofd als: is het niet beter uw kind die zware reis naar het oosten te besparen… Hoe dat gaat, de kindersmokkel vanuit de crèche, het verdonkeremanen van hun namen uit de administratie, baby’s in wasmanden of rugzakken, grotere kinderen razendsnel het pand en de straat uit, uit het zicht van de bewakers aan de overkant door de tram die een minuut op de halte tussen Schouwburg en crèche stopt, het is bekend. En toch, als ik het nu weer lees, en weer alle details tot me door laat dringen die voorzien moesten worden om de vlucht te
laten slagen, ben ik verbijsterd.
Stafvergaderingen van de nv – een zevental, compleet met datum en jaartal, wordt uitvoerig beschreven – vormen een rode draad in het boek.
Ze geven dat hele complexe verslag van het kinderwerk een prettige structuur en verlenen de lezer dieper inzicht in de persoonlijkheden van de jonge redders en van alle mensen die in de loop van de tijd zijn aangeschoven. Soms zijn dat hele gezinnen zoals het mijnwerkersgezin Vermeer in Brunssum, Limburg, waar behalve de ouders ook drie dochters en een zoon diep betrokken raken bij het werk. We lezen over problemen, afwegingen, besluiten, inzichten en zien hoe de groep geleidelijk aan professioneler wordt.
Een voorbeeld: een van de studentes had bij de vlucht uit Amsterdam behalve een Joods kind ook een stapeltje vervalste persoonsbewijzen bij zich. Toen ze zag dat er in de trein grondig gecontroleerd werd, vluchtte ze in paniek naar de toiletruimte en smeet de pb’s in de wc : ‘Het waren die persoonsbewijzen of het kind en ik.’ Voortaan, zo werd in de vergadering besloten, mocht elk nv-lid maar één soort verzetswerk tegelijk doen.
Een ander voorbeeld van een dilemma dat aangepakt moest worden, is toen er in het werkgebied van de nv-groep in Limburg kinkhoest uitbrak onder de kinderen. Ook
onder ‘hun’ kinderen. De groep, die iedere vergadering begint met een Bijbellezing, is huiverig om katholieken van buiten erbij te betrekken, maar zelf zijn ze met te weinig om de zorg voor de zieke kinderen op zich te nemen. De angst om met katholieken samen te werken wordt in de vergadering niet zonder pijn over boord gegooid. Alle kinderen kunnen terecht In een katholiek herstellingsoord in de buurt, en allemaal overleven ze ook deze uitstap.
Uiteindelijk brengt de nv-groep ongeveer 250 kinderen onder bij gezinnen in Limburg – later ook in Overijssel. Vaak is meer dan één adres nodig omdat het pleeggezin angstig is geworden en van het kind af wil of omdat er gevaar dreigt. Alle kinderen worden regelmatig bezocht, krijgen aandacht, worden voorzien van kleding en kostgeld. Allemaal hebben ze het overleefd.
Van de drie oprichters van de nv-groep die uiteindelijk allen gearresteerd worden, overleven Gerard Musch en Dick Groenewegen van Wijk Duitse gevangenschap. Jaap Musch wordt gedood in strafkamp Erica bij Ommen.
‘Anyone who listens to a witness becomes a witness…’ zei Elie Wiesel, Joods-Amerikaans schrijver over zijn ervaringen als Roemeense vervolgde twintiger tijdens de Holocaust. Met Het grote kinderspel zijn we getuige van een adembenemend verhaal over het voor de poorten van de hel wegslepen van honderden Joodse kinderen. Opdat we het doorgeven.
Bert Jan Flim m.m.v. Gert Jan De Vries, Het grote kinderspel. Hoe verzetsgroep NV honderden joodse kinderen liet onderduiken. Amphora Books, 2020, isbn 9789064461156, 258 blz., €22,50
Vorig jaar besteedde het vpro-radioprogramma Het Spoor Terug aandacht aan het boek. Zij interviewden voor deze uitzending enkele van de onderduikkinderen. Luisteren kan via deze link: https://bit.ly/3gjZlIH
nIJVERDAL IS OP 9 april 1945 bevrijd. Een dag eerder hebben Duitse troepen de brug over de Regge opgeblazen. Waarschijnlijk berustte deze vernieling op hun overtuiging hiermee de geallieerde legers dusdanig dwars te zitten dat het Derde Rijk gered zou worden. Of wilden ze misschien de Nijverdallers pesten vanwege hun ongastvrije opstelling van de laatste vijf jaar?
In zijn ondergrondse bunker lagen bij Adolf H. de cyaankalipillen op het nachtkastje, Magda Goebbels – de vrouw van - had een demi douzaine van dat spul klaargelegd in de kinderkamer. Twee weken voordat die pillen werden doorgeslikt at ik mijn eerste pannenkoek in bevrijd Nederland. Echte, van tarwebloem, koemelk en een eendenei. Mijn ouders en hun Nijverdalse gastheer, Freek ter Telgte, waren verbaasd dat ik niet jubelend toetastte, maar ik vond alles bij mijn pappa en mamma dominee lekkerder. Ik wist niet beter dan dat zij mijn ouders waren en ik vier zussen en drie broers had. Wij waren een half jaar eerder geëvacueerd naar buurtschap de Piksen omdat de pastorie in het schootsveld bij de Regge stond.
De Piksen is op mijn verjaardag bevrijd. Mooie verrassing – Toch? Diezelfde dag haalde moeder mij op en bracht me naar het huis van Freek, waar vader op zijn zoontje wachtte. Ik besefte het allemaal niet, wilde terug naar mijn gezin in de Piksen.
Omdat ze snel naar ons huis in Hengelo (Ov.) wilden, werd besloten de tien kilometer tot Wierden te lopen om van daar per trein naar Hengelo te reizen, terug naar hun huis in de
Spoelsterstraat. Freek had een kinderwagen geleend. Het armzalige ding had enkele generaties Nijverdallertjes vervoerd, getuige de kale plekken in de bekleding. Twee kofers werden ingeladen, evenals een gietijzeren heksenketel (voor in de tuin met bloemen) en mijn rieten reisvaliesje met een cadeautje van ‘oom’ Freek: “En denk er om; je mag het pas thuis in Hengelo openmaken. Afgesproken, braaf kereltje?”
Moeder was gespannen als een vioolsnaar en riep plotseling bozig dat we een stelletje geteisem leken: “Kijk toch, daar schleppen de gesjochte Jidden voorbij. Je weet wel: hij is bovenmeester op de school in Borne. Heus waar, bovenmeester is deze mijnheer. Dat wás hij tenminste. En nu… Heb je ooit zo’n nebbisj zootje gezien? Een stelletje ketellappers. Hier, moet je eens kijken: wat moet ik verdorie met die heksenketel. Ik fikker dat ding zo weg”. “Maar we zijn godzijdank wél weer met ons drieën”, suste de bovenmeester buitendienst: “En wij gaan naar ons eigen huis. Kijk, ik heb de sleutels bij me, dat je niet bang hoeft te zijn dat ik ze ben vergeten; voilá de sleutel van de voordeur, voilá de sleutel van de achterdeur et voilá, de sleutel van het tuinschuurtje”. Hij peurde een sleuteltje aan een koordje uit zijn broekzak: “En de pendule op de schoorsteenmantel, die kan ons weer vertellen hoe laat het is ”. Stralend liet hij de huissleutels bewonderen, als ware het door hem persoonlijk gedolven goudklompjes. Zijn sleutels. Van zijn huis. Van zijn klok. Van zijn tuinschuurtje. Sleutels van ons nieuwe leven. Een nieuw leven met hun zoontje: “Wie weet, misschien gaan we zo de haard aansteken, want de avonden zijn tamelijk kil. Vinden jullie niet? Frisjes, zogezegd”.
Hij vlijde het sleutelbosje omzichtig in de zijzak van het kostuum dat hij voor de oorlog in de modewinkel van zijn vriend Sjaak Zilverberg had aangeschaft: “Echt kamgaren. Engelse kwaliteit, er is zo’n merkje ingenaaid met de afbeelding van een schaap”.
Het kastanjebruine confectiepak, waarvan de broekspijpen iets te lang en het jasje te wijd voor het magere lichaam van vader was. De mouwen rond de polsen waren sleets omdat hij het jasje ’s winters in bed aan had: “Ook in bed, ja. Maar niet voor de chique. Tegen de kou, begrijp je? Er stond wel een potkacheltje in het varkenskot waar mamma en ik zaten, maar de turf bewaarden we voor overdag. Wat vind jij Nannie; zal ik zo thuis de haard aansteken?” De sleutel paste niet in het deurslot. Verbijstering! Door de vitrage zagen we een man en een vrouw in de woonkamer. Er werd niet opengedaan. Zij waren NSB’ers die ons huis hadden geconfsqueerd in de hoop dat ‘die Joden’ niet terug zouden komen. De gemeente Hengelo vond dat je ‘deze mensen niet zomaar uit huis kon zetten’. Hij legde de sleutelbos op de vensterbank.
We gingen naar de familie Rupert, waar mijn ouders destijds waren ondergedoken, en hebben daar een paar maanden gelogeerd. —

BOEKEN EN ZO
SARAH BREMER
RECENT VERSCHENEN



Dit prachtige boek is inmiddels aan zijn 24e druk toe. Begrijpelijk en terecht. Roxanne van Iperen vertelt verslavend boeiend het verhaal van Janny en Lien Brilleslijper. ’t Hooge Nest is de naam van een villa in de bossen van het Gooi, waar van Iperen met haar gezin in 2012 gaat wonen. Bij het herstel van het pand ontdekken ze in vrijwel iedere kamer luiken naar schuilplekken. Zo begint haar gedegen zoektocht naar
het verhaal van het huis. Tijdens de oorlog zijn de Joodse zussen Brilleslijper actief in het verzet. Als de vijand hen op de hielen zit besluiten ze onder te duiken. Ze huren ’t Hooge Nest. Al snel vormt zich onder hun leiding, in het huis een groot onderduik- en verzetscentrum. Met ruimte voor iedereen, met optimisme, met strijdlust, met kunst als inspiratie. Een onvoorstelbaar verhaal van mensen die het hart op de
Iedereen kent ‘de Februaristaking’, die vanaf 1946 jaarlijks wordt herdacht. Een verzetsactie tegen de Duitse bezetter en een reactie op twee razzia’s, waarbij 389 Nederlands – Joodse mannen werden opgepakt. Weinig was er tot nu toe bekend over die mannen, er was zelfs geen volledige namenlijst. Wally de Lang heeft deze mannen een gezicht willen geven door hun lot te achterhalen. Zij vertelt over hun geschiedenis, hun deportatie en hoe deze mannen zijn gestorven. Slechts 2 van hen hebben weten te ontsnappen aan de dood. In haar onderzoek ontdekt De Lange de schokkende waarheid over de manier waarop vermoedelijk 150 mannen aan hun einde zijn gekomen. Een boek van grote menselijke betekenis,
Nadav Vissel beschrijft hoe het is om op te groeien in een Joods gezin na de oorlog. Er wordt niet openlijk over de oorlog verteld, maar het verleden hangt in de lucht, zit in uitdrukkingen en sfeer. Het nieuwsgierige jongetje Naf, open en ontwapenend, ontdekt dat er een zware geschiedenis is en dat hij deel is van het volk van deze geschiedenis. Hij raakt er steeds
meer in verstrikt, verliest zijn naïviteit. In de hoop dat door het ‘juiste verhaal te vertellen’ zijn familie en zijn volk de oorlog voor altijd achter zich kunnen laten, gaat hij zijn eigen verhaal construeren. Het is een tragikomisch zeer goed leesbaar verhaal geworden, semi – autobiografsch, vanuit het perspectief van de tweede generatie. Vissel in een interview in Het Parool: “Met het
goede plek hebben. En van het verraad, het verlies en het overleven. Het boek raakt je, emotioneert en geeft moed. Zeker lezen dus!
roxanne van iperen, 't Hooge Nest, Lebowski, Amsterdam 2018 (383 blz.), isbn 9789048841783, €23,99
naast de historische, waarin slachtofers niet alleen hun naam krijgen, maar ook hun levensverhaal en daardoor hun gedachtenis wordt bewaard.
wally de lang, De razzia’s van 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam. Het lot van 389 Joodse mannen. AtlasContact, 2021 (363 blz.), isbn 9789045042749, €24,99
schrijven kwam ik meer los van de druk van de oorlog. Ik koos voor de humor. Het is een tragikomisch boek geworden. De tragiek wordt dragelijk door de humor. De jongen Naf doet pogingen om de Joden te redden. Een soort Messias.”
nadav vissel, Het grote niets, Uitgeverij Signatuur, Amsterdam, 2021 (234 blz.), isbn 9789056726539 , €20,00
Het is altijd
Marathonweg 52, 1976 TB Amsterdam
telefoon 020 – 66 28 652


DUIZENDEN GINGEN U AL VOOR. GA NAAR ONZE WEBSITE EN DONEER. DE BOUW IS AL GESTART! WWW. NAMENMONUMENT.NL
Drukkerij Peters Amsterdam BV
Tel. 020 - 696 34 34 info@drukkerijpeters.nl www.drukkerijpeters.nl
Auschwitz Comité. L. Tertaas Gebro Sales bv hoge service, persoonlijke aanpak
Schepenbergweg 33 1105 AS Amsterdam-Zuidoost
Discriminatie en vervolging bestaan nog steeds. Er is dus reden genoeg om het verleden actueel te houden.
Daarom steun ik het werk van het Nederlands