Skip to main content

Auschwitz Bulletin, 2021, nr 01

Page 1


“In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht” — sinds 1956

JAARGANG 65 | NUMMER 1 | JANUARI 2021

auschwitzbulletin

KWARTAALBLAD VAN HET NEDERLANDS AUSCHWITZ COMITÉ

SPREKER TIJDENS DE HERDENKING

Overlevende Rudie Cortissos móet zijn verhaal vertellen

EEN SINTI-MEISJE DAT DE OORLOG OVERLEEFDE

Dochter van Mädie Franz over het eerbetoon aan haar moeder

HERONTDEKTE BRIEF JULES SCHELVIS

Het Verzetsmuseum vindt onbekende brief in archieven

ACHTER DE DINGEN SCHUILEN MENSEN

Archeoloog Ivar Schute over de sporen in de grond

INGEZONDEN

‘HET KIND HEEFT HET RECHT TE WILLEN, TE MANEN, TE EISEN… HET HEEFT HET RECHT TE GROEIEN, TE RIJPEN EN EENMAAL GERIJPT, VRUCHTEN AF TE WERPEN‘ — JANUSZ KORCZAK

Tijdens mijn huidige missie als ambassadeur van Polen in het Koninkrijk der Nederlanden heb ik de kans en de eer gehad om deel te nemen aan tal van evenementen ter herdenking van de tragische jaren van de Tweede Wereldoorlog. De gebeurtenis die mij als vader van jonge kinderen echter het meest raakte, was een bezoek aan Kamp Vught, waar een monument staat ter nagedachtenis aan de deportatie van Joodse kinderen uit Nederland naar het Duitse nazivernietigingskamp Sobibór, waar ze vrijwel direct na hun aankomst werden vermoord. Onder hen waren baby’s, peuters en kleuters die hun hele leven nog voor zich hadden.

Op 27 januari 2021 herdenken wij de bevrijding van het Duitse nazi-concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, die 76 jaar geleden plaatsvond.

Vanwege de coronaviruspandemie zal de ceremonie bij uitzondering niet plaatsvinden op de Memorial, maar op internet (de verslaggeving zal beschikbaar zijn op de websites www.auschwitz.org en 76.auschwitz.org evenals op het YouTube-kanaal: Miejsca Pamięci (vert. Memorials). Het hoofdthema van deze ceremonie zal het lot van de kinderen in Auschwitz zijn. Naar schatting werden minstens 232.000 kinderen naar dit kamp gedeporteerd, waarvan ongeveer 216 duizend van Joodse afkomst, 11 duizend Roma, en ongeveer 3.000 Polen. Toen het kamp in januari 1945 werd bevrijd, verbleven daar meer dan 700 kinderen.

Kinderen wier ervaring zorgeloos en leuk had moeten zijn, en niet de nachtmerrie van de ‘doodsmachine’ die hun hele volwassen leven heeft getekend. ‘Nooit heeft de wereld van volwassenen - zo vaak oneerlijk en wreed - haar meedogenloosheid en wreedheid zó onthuld,’ zei dr. Piotr Cywiński, directeur van het Auschwitz Museum. ‘Dit kan door geen enkele ideologie, afrekening of politieke overtuiging gerechtvaardigd worden.’

De houdingen van volwassenen tegenover de tragedie van de kinderen in de Tweede Wereldoorlog waren heel verschillend. Er waren er die wegkeken, omdat ze

Omslag: Rudie Cortissos [foto Dirk P.H. Spits]

Inzet: foto uit het boek Daar praat ik niet over

ondanks persoonlijke tragedies onverschillig waren geraakt voor het lot van de jongsten, en degenen die actief hebben bijgedragen aan de tragedie van menig kind. Degenen die, met gevaar voor eigen leven, koste wat het kost, de weerlozen probeerden te helpen, verdienen speciale gedachtenis en aandacht. Een van deze mensen was Irena Sendler, een Poolse verpleegster, verzetsactiviste, die samen met een groep vrienden erin slaagde om het getto van Warschau te verlaten en vervolgens ongeveer 2500 Joodse kinderen in Poolse gezinnen, kloosters en weeshuizen onder te brengen. De meesten van hen hebben de oorlog overleefd en in 1965 kende het Yad Vashem-instituut Irena Sendler de titel van Rechtvaardige onder de Volkeren toe. De Joodse kinderen werden ook door de hulp van Henryk Sławik gered. Samen met Hongaarse medewerkers - waaronder József Antall (senior) en kardinaal Jusztinián Serédi - richtten ze een weeshuis op in de buurt van Boedapest - ofcieel het ’Poolse ofciersweeshuis’, waar ook Joodse kinderen ondergedoken zaten. Interessant was dat er in het geheim Hebreeuwse en Thora-lessen voor hen werden georganiseerd. Gezocht door de Gestapo, weigerde Sławik naar Zwitserland te gaan, bewerend dat hij degenen voor wie hij zorgde niet kon verlaten.

Hij werd gearresteerd en is in 1944 in concentratiekamp Mauthausen vermoord.

We leerden de verhalen van Sendler en Sławik lang na het einde van de Tweede Wereldoorlog kennen. Evenzo werd pas enkele jaren geleden het werk ontdekt van de zogenaamde ‘Ładoś-groep’, ofwel Poolse diplomaten in Zwitserland. Met de steun van de Poolse regering in ballingschap in Londen en Joodse organisaties, produceerden ze bijna drie jaar lang valse paspoorten van Paraguay, Uruguay, Peru, El Salvador, Honduras en Haïti om Joodse families in getto's te laten vertrekken onder het mom van ‘terugkeer’ naar Latijns-Amerika.

Het hoogste percentage van degenen die dankzij deze valse paspoorten konden overleven, waren Joden uit Nederland, onder wie enkele honderden kinderen. Om

hun acties te herdenken, kondigde het Poolse parlement 2021 het jaar van de Ładoś-groep aan.

Een bijzonder voorbeeld van een onbezweken houding ten opzichte van de uitroeiing van Joodse kinderen is tenslotte het verhaal van de pedagoog en schrijver Janusz Korczak - de oprichter en eigenaar van het ’Weeshuis’ voor Joodse kinderen in Warschau. In 1942 besloot hij, ondanks de kans om te ontsnappen, zijn beschermelingen uit het weeshuis niet in de steek te laten. Samen met hen werd hij naar het kamp in Treblinka gedeporteerd en daar vermoord. Treblinka was het volgende kamp, na Sobibor en Bełżec, gebouwd en beheerd door de SS, bedoeld voor de uitroeiing van Poolse Joden onder de codenaam ‘Einsatz Reinhardt’ uit de gebieden die door het Derde Rijk werden bezet.

Het was in Treblinka dat de meeste mensen die door de Duitse bezettingsautoriteiten in het getto van Warschau gevangenzaten, werden vermoord. In deze context verzoek ik nogmaals om speciale aandacht voor de taal en om de misleidende term ‘Poolse concentratiekampen’ niet te gebruiken. Het verdraait de waarheid over een van de grootste tragedies van de 20e eeuw, verbergt de verantwoordelijkheid van de daders en schaadt de slachtofers.

‘Het kind heeft het recht te willen, te manen, te eisen… het heeft het recht te groeien, te rijpen en eenmaal gerijpt, vruchten af te werpen’ - de woorden van Janusz Korczak van meer dan 80 jaar geleden lijken vandaag vanzelfsprekend en onbetwistbaar. En toch vinden, vandaag de dag, in de 21e eeuw, nog steeds gewapende conficten, aanvallen en rampen plaats, waar kinderen vaak het slachtofer van worden. Laten we niet onverschillig staan tegenover het lot van het kind. Het is aan ons volwassenen of onze kinderen in staat zullen zijn ‘te groeien, te rijpen en eenmaal gerijpt, vruchten af te werpen’ laten we deze les in herinnering houden, ook ter gelegenheid van de viering van de bevrijding van het kamp Auschwitz.

MARCIN CZEPELAK Ambassadeur van de Republiek Polen

INHOUD

HET NEDERLANDS AUSCHWITZ COMITÉ

Het Nederlands Auschwitz Comité draait volledig op vrijwilligers. Uw fnanciële steun is enorm belangrijk. Met uw bijdrage kunnen we de herinnering aan de Holocaust levend houden, ook bij nieuwe generaties. Doneren kan tegenwoordig op eenvoudige wijze via onze website www.auschwitz.nl . U kunt kiezen uit verschillende mogelijkheden — eenmalig, per maand of per jaar. Ook kunt u aangeven of u daarbij het Auschwitz Bulletin thuis wenst te ontvangen. Het Bulletin verschijnt vier keer per jaar.

DETAIL UIT DE BRIEF GESCHREVEN DOOR JULES SCHELVIS

Cartoon

‘De lockdown’ / 4 Willem Vleeschouwers kijk op de zaken

Column

Antisemitisme Nederland uit? / 26 Awraham Meijers over de Nationaal Coördinator

Cultureel

Rondom het Namenmonument / 16 Gerben Post over andere monumenten in de buurt van het Namenmonument

Recent verschenen / 27 Sarah Bremer

Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk. Overname van artikelen is toegestaan, mits met toestemming van de auteur en de redactie.

Actueel

Plaquette onthuld in Ter Apel / 13 Walter van Rossum over de nagedachtenis van gedeporteerde en vermoorde Joodse schoolkinderen Een brief van Jules Schelvis / 22 Walter van Rossum in gesprek met Jos Sinnema over de ontdekking van de brief

Reportage

Leentjes erfenis / 16 Gerben Post over opgedoken onbekende erfstukken

Herdenken

Ik vertel de verhalen / 6 Sarah Bremer in gesprek met Aline Pennewaard Verwevenheid met het communisme / 8 Walter van Rossum in gesprek met Chris Beuker over Etty Hillesum Hoe achter de dingen mensen kunnen schuilen / 10 Jan Joost Assendorp over een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust Het gevecht met de NS / 14 Theo van Praag bespreekt Salo Mullers eenzame strijd Daar praat ik niet over / 18 Walter van Rossum over het levensverhaal van Mädie Franz Portret van een overlevende / 20 Sarah Bremer in gesprek met Rudie Cortissos

integrale live televisie - uitzending via nos

Nationale Holocaust Herdenking 2021

zondag 31 januari—wertheimpark, amsterdam

Op zondag 31 januari organiseert

het Nederlands Auschwitz Comité de jaarlijkse Nationale Holocaust Herdenking bij het Spiegelmonument “Nooit Meer Auschwitz” in het Wertheimpark in Amsterdam. Vanwege de corona-pandemie is het programma aangepast. De Stille Tocht komt te vervallen, en de herdenkingsplechtigheid zelf is dit keer besloten. De traditionele lunchbijeenkomst zal dit jaar ook niet doorgaan.

LIVE TELEVISIE-UITZENDING

De Nationale Holocaust Herdenking 2021 zal door de nos vanaf 11:00 uur integraal worden uitgezonden op tv.

PROGRAMMA SAMENGEVAT

11:30 Herdenking bij het Spiegelmonument ‘Nooit Meer Auschwitz’ sprekers Jacques Grishaver, voorzitter Nederlands Auschwitz Comité

Khadija Arib, voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal

DROOSJES

Beeld: Willem Vleeschouwer — Tekst: Awraham Meijers

Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam

Rudie Cortissos, overlevende

Noah Knijff, namens de jongere generatie

Rabbijn Menno ten Brink, Kaddisj- en Jizkorgebeden

muziek Carmel Trio olv Doron Peper, Zigeunerorkest Brandt

12:30 Einde herdenking

6-DAAGSE POLENREIS 2021

De reis die het Nederlands Auschwitz Comité jaarlijks organiseert naar de voormalige concentratiekampen Auschwitz, Birkenau, Majdanek en Sobibor zal dit jaar plaatsvinden van maandag 8 november t/m zaterdag 13 november 2021.

Onze Polenreis kon in 2020 geen doorgang vinden. Van degenen die zich voor deze reis hadden aangemeld, heeft het merendeel aangegeven met de reis in 2021 mee te gaan. Op dit moment is de reis echter nog niet volgeboekt. Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met Jacques Grishaver, 06 54 606 290.

Belangstellenden kunnen zich schriftelijk opgeven bij: Nederlands Auschwitz Comité Postbus 74131, 1070 BC Amsterdam e-mail: info@auschwitz.nl

VERHALEN VOOR DE TOEKOMST COLOFON

auschwitz bulletin

redactie Max Arian, Sarah Bremer, Bertje Leuw, Awraham Meijers, Gerben Post, Theo van Praag, Walter van Rossum, Herbert Sarfatij, Fedde Schouten, Dirk Spits [beeldredactie] Yoka Verduin [correctie] redactiesecretariaat

Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam

email redactie@auschwitz.nl

nederlands auschwitz comité secretariaat Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 672 33 88

em ail info@auschwitz .nl ww w.auschwitz.nl

fnanciële administratie

email fnancien@auschwitz.nl

bank iban: nl53 abna 0414646282 bic: abnanl2a

a bonnementenadministratie

Postbus 74131, 1070 bc Amsterdam tel: 020 600 34 55

email abonnement@auschwitz.nl

database beheer Akrav-automatisering & Consultancy

vormgeving Fedde Schouten

druk Drukkerij Peters Amsterdam bv

het auschwitz bulletin is een uitgave van het nederlands auschwitz comité

De activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité worden mede mogelijk gemaakt door het vfonds

Het januarinummer, waarmee we – hoopvol gestemd – het nieuwe jaar inluiden, is gevuld met een grote verscheidenheid aan onderwerpen. In dit voorwoord een kleine greep uit die rijke inhoud. Zo is een verrassende ontdekking van een onbekende brief van Jules Schelvis aanleiding voor een gesprek met Jos Sinnema, onderzoeker van het Verzetsmuseum Amsterdam.

We hebben al eerder aangegeven dat het belangrijk is verhalen te blijven vertellen, getuigenissen door te geven. Zeker uit de eerste hand. Daarom gaan we in dit nummer van start met een nieuwe rubriek, Portret van een overlevende. Sarah Bremer heeft de primeur met een gesprek met Rudie Cortissos, die ook zal spreken tijdens de herdenking in het Wertheimpark.

Sarah sprak ook met Aline Pennewaard over het boek Bernies oorlog, dat ze samenstelde met Willy Lindwer. ‘Ik vertel de verhalen van hen die het zelf niet meer kunnen’, aldus Pennewaard.

In het artikel Daar praat ik niet over aandacht voor het gelijknamige boek over Sintezza Mädie Franz. Van belang, omdat er nog erg weinig is geschreven over de verschrikkingen die Roma en Sinti hebben moeten doorstaan.

Ons nieuwe redactielid Gerben Post draagt met twee stukken bij aan dit nummer. Gerben neemt ons mee op een wandeling langs monumenten in de buurt van het Holocaust Namenmonument, en doet daarnaast verslag van opgedoken onbekende erfstukken. Er is ook een gastbijdrage van Jan Joost Assendorp over het boek van Ivar Schute, archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust.

Theo van Praag beschrijft de eenzame strijd van Salo Muller tijdens zijn gevecht met de Nederlandse Spoorwegen. Awraham Meijers beziet in zijn column de komst van een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Awraham denkt daar het zijne van.

Antisemitisme is een gevaarlijk kwaad dat, wie het ook uitdraagt, bestreden moet worden. De harde cijfers onderstrepen dat de strijd tegen racisme, discriminatie en antisemitisme door moet gaan. Ook in dit nieuwe jaar zullen wij ons daarvoor blijven inspannen.

— Walter van Rossum Fedde Schouten

INTERVIEW

‘IK VERTEL DE VERHALEN VAN HEN DIE HET ZELF

NIET MEER KUNNEN’

Begin december verscheen bij Amphora Books Bernies oorlog, 1942–1945, samengesteld door Willy Lindwer en Aline Pennewaard. Dit is het vijfde boek dat Aline Pennewaard (mede) heeft geschreven over de Holocaust. Daarnaast is ze bezig met een promotieonderzoek naar de deportaties vanuit Nederland naar de concentratiekampen. Geboren in 1978 in Woerden, niet Joods. Vanwaar deze bevlogenheid?

“Van kinds af aan ben ik ermee bezig. Als achtjarige moest ik een spreekbeurt houden op school en ik wist echt niet waarover ik het zou doen. Mijn moeder zei: ‘waarom doe je het niet over de oorlog en dan ga je met opa praten.’ Opa, geboren in 1916, was slager en had ook bij een Joodse slager gewerkt. Hij was in april 1943 zijn vroegere baas op straat in Woerden tegengekomen. Deze vertelde dat hij zich met zijn gezin, vrouw en vier kinderen, moest melden voor deportatie. Opa kende veel mensen, hij bezocht alle dorpen, gehuchten en boerderijen in de omgeving, ook omdat hij illegaal slachtte.

Hij wist waar er opeens ‘andere mensen’ bij waren komen wonen en kon goed inschatten wie er te vertrouwen waren. ‘Ga met mij mee, ik vind wel een plek voor jullie.’ De man ging er niet op in, hij wilde anderen niet tot last zijn. ‘We zijn ook met z’n zessen, en ach, we moeten wellicht hard werken, maar dat overleven we wel.’

Opa heeft hem nooit meer terug gezien. Als kind was ik verbijsterd door dit verhaal. ‘Hoe kan dit dan’. Ik begreep niet hoe een hele familie weg kon zijn, hoe mensen zoiets konden doen.” (Vele jaren later ontdekte Aline dat het gezin rechtstreeks naar Sobibor is gegaan.)

“Ik ben alles wat ik te pakken kon krijgen gaan lezen. In de bibliotheek ben ik begonnen met de kinderboeken, het dagboek van Anne Frank natuurlijk en ook andere dagboeken. Daarna op de volwassenenafdeling, echt alles lezen.

Rond mijn 20ste ben ik foto’s van Joodse en Sinti- en Roma-kinderen gaan verzamelen, kinderfoto’s die ik veilig wil stellen voor de geschiedenis. Ik wil zorgen dat ze niet vergeten worden en dat hun verhaal wordt

verteld. Ik ben een verteller en ik wil de verhalen doorgeven van de mensen die het zelf niet meer kunnen vertellen. De kinderfoto’s hebben Guus Luyters en ik gebracht tot het uitgeven van In Memoriam (Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2012). Hierin staan de namen en zoveel mogelijk foto’s en verhalen van alle gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma- en Sintikinderen uit Nederland. Naar aanleiding van het boek en de tentoonstelling kwamen er nog zoveel nieuwe verhalen en foto’s boven water dat er in november 2012 een Addendum verscheen.”

Pennewaard is historica, heeft in Leiden wereldgodsdiensten gestudeerd met als specialisatie Joodse geschiedenis. Haar promotie doet ze bij prof. dr. Dan Michman, hoofd van het internationaal instituut voor Holocaust Research aan Yad Vashem. Ze onderzoekt de deportaties vanuit Nederland naar de concentratiekampen en dan vooral de treinen die vertrokken tussen 15 juli 1942 en 16 november 1943. Dit is de periode waarin Joods Nederland systematisch werd leeggehaald.

“Ik wil een beeld schetsen hoe de deportatie van het Nederlandse Jodendom zich heeft voltrokken. Ook hier wil ik het verhaal van elk transport vertellen. Mijn informatie verzamel ik uit de bestaande archieven en alles wat ik daarnaast kan vinden: dagboeken, brieven, briefjes achtergelaten in de trein en later weer gevonden in Westerbork, getuigenverklaringen. De feiten: wie, hoeveel, welke groepen. Én de verhalen, wat ervan bekend is. Er is zo ontzettend veel en ik probeer dat samen te brengen op één plek.”

Tijdens haar onderzoek komt ze verhalen tegen die zo bijzonder zijn dat ze zelfstandig verteld mogen worden. Zo ontdekte zij dat in 1943 met vijf transporten 89 Hongaars-Joodse gezinnen vanuit bezet Nederland naar het toen nog vrije Boedapest werden gebracht. In 1944, na de inval van de nazi’s in Hongarije, wisten de meesten van hen mede dankzij de hulp van de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg opnieuw de dans te ontspringen. Het merendeel van de overlevenden keerde na de oorlog veilig terug naar Nederland. Aan de hand van getuigenverklaringen en archief onderzoek schrijft ze samen met Willy Lindwer De treinreis. De miraculeuze ontsnapping van Hongaars – Nederlandse Joden tijdens de bezetting.

Een ander bijzonder verhaal is dat van kleermaker Heinz Bontscheck die in Auschwitz kapo werd. “In Van Kleermaker tot Kapo: de oorlog van een Duits–Joodse vluchteling laat ik zien dat het niet allemaal zo duidelijk wit óf zwart is. Het goede en kwade kan allebei in één mens zitten, de keuze die je maakt hangt ook af van omstandigheden. Bontscheck was gevlucht uit Duitsland en kreeg geen verblijfsvergunning, ondanks rechtszaken en brieven naar de koningin. Hij werd verraden door zijn zwager en kwam via Westerbork in Auschwitz. Daar werd hij ‘Kapo’, een gevangene die toezicht moest

houden op andere gevangenen. Bontscheck heeft verkeerde keuzes gemaakt én hij heeft zoveel pech gehad. Er zijn in zijn leven veel momenten geweest, als er toen anders was besloten, dat ’t wellicht heel anders gelopen had. Ik wil de feiten geven, iedereen moet het verhaal zelf lezen en dan zelf oordelen.”

Het net verschenen Bernies oorlog is een dagboek. Willy Lindwer heeft het vorig jaar bij de weduwe van Bernie opgehaald en beloofde het uit te geven. Hij schrijft in een inleiding hoe het dagboek in zijn bezit is gekomen. Aline schrijft een inleiding over oorlogsdagboeken, welke er zijn gevonden, waar en vooral wat hun belang is.

“Dagboeken zijn bijzonder waardevolle bronnen omdat het een verhaal is van een getuige, wat zich op dat moment ook afspeelt. Een dagboek wordt in het ‘nu’ geschreven en geeft een ongekleurde versie van wat hen is overkomen. Je krijgt het zoals het is. Het bijzondere van het dagboek van Bernie Mestriz is dat het een dagboek is uit de mediene, het beschrijft meer dan drie jaar en is geschreven door een orthodoxe jongen van 17-20 jaar die onderduikt in de Achterhoek.

Voor de oorlog was de veehandel in Oost- en Noord-Nederland in handen van Joden die net zo ‘boers’ waren en plat praatten als de anderen. Het lag voor de hand dat Bernie als boerenknecht ging onderduiken. Zijn dagboek geeft een lange inkijk hoe de oorlog en onderduik voor hem is geweest. Gewone dagen in grote eenvoud, vol woorden die inmiddels vergeten zijn, zoals mothoop, plakkak, koeienhopen slaan en aren lezen. Bernie beschrijft uitgebreid het nieuws. Om zijn isolatie vol te houden schrijft hij niet over emoties. Op één keer na: als de Duitsers een inval doen op zijn onderduikadres en hij hoort hoe de boer wordt mishandeld om zijn schuilplaats te verraden. Bernie schrijft ‘hoe woedend hij werd toen hij dat hoorde’.”

Aline Pennewaard wil de rest van haar leven doorgaan met het vertellen van de verhalen: “Er zijn er zoveel en elk verhaal is uniek. Ik voel het als een plicht om die verhalen voor het voetlicht te brengen, het is het enige wat ik nog voor hen kan doen zodat zij niet vergeten worden. Want als zij vergeten worden zou de misdaad pas écht compleet zijn en dat wil ik voorkómen. Zie het ook als

een waarschuwing: de mensheid is niet zo veranderd dat dit nooit meer zou kunnen gebeuren. Op een of andere manier zit het in de mens om zichzelf boven een andere groep te willen stellen. Dat zie je op het schoolplein al: jij hoort erbij en jij niet. Het geeft een gevoel van macht en is een groot gevaar. Genocide gebeurt nog steeds en we mogen niet wegkijken!”

Aline Pennewaard

INTERVIEW

‘Etty Hillesum Verwevenheid met het communisme’

Etty Hillesum (1914-1943) werd wereldberoemd door haar in 1981 uitgegeven dagboek Het verstoorde leven. Daarin beschrijft de jonge Joodse vrouw haar leven als studente rechten en Slavische talen in Amsterdam en haar stormachtige innerlijke ontwikkeling. Hillesum kwam uit een niet-religieus Joods gezin. Ze groeide op in het rode Deventer (‘Moskou aan de IJssel’) waar de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Communistische Partij Holland (CPH) sterk verankerd waren. Haar vader was lid van de Vereniging Vrienden van de Sovjet-Unie. Haar moeder was Russisch en had moeten vluchten voor de pogroms. Hillesum zelf gaf Russische les. Ze werd op 30 november 1943 op 29-jarige leeftijd in Auschwitz vermoord. Walter van Rossum in gesprek met auteur Chris Beuker.

Je eerste kennismaking met Etty Hillesum was in 1965. Je kwam haar naam tegen in het boek ‘Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945’, geschreven door de Nederlandse historicus Jacques Presser over de Nederlandse Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Chris Beuker: “Ik herkende de existentiële vragen die zij zichzelf stelde. Het viel samen met mijn eigen zoektocht naar een invulling van mijn leven. Ik herken veel bij Hillesum, zoals de verbinding en de solidariteit met anderen. Haar levensmoed en haar grote betrokkenheid bij de medemens. De bewondering voor Hillesum is er nog altijd.”

Aan veel facetten en aspecten van Hillesums leven en werk is aandacht besteed. Maar haar verwevenheid met het communisme is een onderbelicht aspect. Beuker : “De lezer maakt kennis met een tot nu toe onderbelicht en niet onbelangrijk thema uit het leven van Hillesum, namelijk haar verwevenheid met het communisme. Het vormt één van de vele,

vele gezichten naast haar humane en religieuze zoektocht. Ik vertel wat haar bedding was, wat dat voor haar betekend heeft. In feite ga je met mij op reis door een, onbekend, innerlijk landschap. Haar dagboek begint in 1941, 9 maart. De reis over haar verwevenheid met het communisme vangt al in de jaren dertig aan. Jongeren, studenten, waaronder Hillesum, die begaan waren met hun tijd, uitten hun verzet tegen het opkomend fascisme in Italië, Spanje, Duitsland en ook in eigen land. Met mijn boek heb ik geprobeerd een nieuw, completer beeld mee te geven van Hillesum.”

Je hebt drie jaar lang onderzoek gedaan. Je correspondeerde en sprak diverse mensen en spitte literatuur en archieven door om uit te zoeken met wie Hillesum was omgegaan. Beuker : “Het boek heeft geen wetenschappelijke pretentie. Ik ben geen historicus. Ik ben oud-docent drama (74) en houd me intensief bezig met het innerlijk gelaagde en complexe landschap van de menselijke persoonlijkheid en

de rijkdom van de menselijke verbeelding. Uiteraard hecht ik in het boek aan de feiten, hanteer secondaire bronnen, maar werk ook intuïtief. Ik correspondeerde en sprak diverse mensen en spitte literatuur en archieven door om uit te zoeken met wie Hillesum was omgegaan. Het is een relaas van een persoonlijke zoektocht. Ik wilde een ‘menselijk document’ neerzetten.”

Je zoektocht omvatte drie kernvragen: had Hillesum communistische sympathieën? Verkeerde ze in communistische kringen? Was ze lid van de CPN? Beuker ; “Ja, Hillesum had communistische sympathieën. Ja, ze verkeerde in communistische kringen. Het antwoord op de vraag of ze lid was van de cpn heb ik niet gevonden. Ze was gelieerd aan de beweging en had contacten met veel communisten. Een politieke keuze, een lidmaatschap hing je vaak niet aan de grote klok. Haar vader had een bijzondere positie. Uitsluiten kun je het niet, maar de vraag blijft tot nu toe onbeantwoord.”

Het boek ‘Etty Hillesum, verwevenheid met het communisme’ is gepubliceerd bij Uitgeverij Aspekt. isbn 9789463388993

€18,95

In je boek kom ik veel geschiedenis en namen tegen uit linkse en communistische kringen. Ook in kringen van antifascisten had Etty Hillesum contacten. Haar studentenvrienden waren actief in antifascismecomités. Ze was lid van de door communisten opgerichte Internationale Rode Hulp, die politieke vluchtelingen en Joden opving, die nazi-Duitsland waren ontvlucht. Ze nam zelfs een politieke vluchteling in huis. Als studente in Amsterdam sloot ze zich aan bij de Studentengroep van den Strijdbond tegen Oorlog en fascisme die in 1933 werd opgericht en collectes organiseerde. Beuker : “De rode draad is

tweeledig (en/en). Het geeft de historische context weer van de kringen waarin Hillesum verkeerde en waarmee ze zich verwant voelde, bijvoorbeeld de linkse anti-fascistische solidariteitsbewegingen, die nauw gelieerd waren aan de communistische partij. Aan de andere kant haar beoordeling van situaties en omstandigheden. Het gevaar voor haar en veel anderen is op dat moment het fascisme en het nationaalsocialisme.”

Nu de generaties die de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt langzamer-

hand verdwijnen, is het des te belangrijker dat nieuwe generaties zich verdiepen in de morele vragen, die zich destijds opdrongen. Ook vandaag zijn we van racisme en antisemitisme nog niet af. Beuker : “In die zin is de reis in het boek ook een boodschap, een bijdrage voor de huidige generatie en daarna. Een waarschuwing. Kijk uit. Want helemaal veranderd is de wereld ook weer niet, we hebben nog steeds te maken met racisme en antisemitisme. Welke keuze zou ik maken als je vertrouwde wereld met angst en onderdrukking wordt geconfronteerd.” —

BESPREKING

Hoe achter de dingen mensen kunnen schuilen

De laatste jaren groeit de belangstelling sterk voor de sporen die kampen uit de Tweede Wereldoorlog in de grond hebben achtergelaten. Onderzoek daarvan: archeologie, laat steeds meer zien ‘hoe achter de dingen mensen kunnen schuilen’. Ivar Schute geeft, na veel onderzoek dat hij zelf gedaan heeft in Nederland, Duitsland en Polen, vanuit dit specifeke thema een boeiend overzicht in zijn boek ‘In de schaduw van een nachtvlinder’.

GROTE EN KLEINERE KAMPEN

Dit is het verhaal hoe de Nederlandse archeoloog Ivar Schute betrokken is bij het onderzoek naar het Duitse kampensysteem uit de Tweede Wereldoorlog. Hij vertelt

terrein van het vernietigingskamp Sobibor zegt: “er is in het bos niets dat de grens van het kamp aangeeft. Ik heb er fetsers zien uitrusten en in de herfst lopen er paddenstoelenzoekers rond, met hun manden in de hand.”

het als een reisverhaal, een tocht naar de verschrikkelijkste oorden in Europa met een geschiedenis, die niet altijd zo bekend is als van Auschwitz of Bergen-Belsen, maar die met enige moeite naar boven gehaald kan worden. Vaak letterlijk uit de grond naar boven gehaald, met de omtrekken van gebouwen en structuren die aan de oppervlakte verdwenen lijken. Zoals de auteur over het

De reis begint in Westerbork, het bekendste Nederlandse kamp, en eindigt ver in het oosten, in de zuidoostelijkste uithoek van Polen vlak bij de grens met Oekraïne. Zijn deelname aan onderzoek in Westerbork leidde ertoe, dat de auteur ging meewerken aan het in kaart brengen van het gehele Nederlandse kampenlandschap. Het bleek, dat dit veel meer omvatte, dan over het algemeen bekend was. In het collectieve geheugen is het Durchgangslager Westerbork wel gebleven, maar feitelijk was dat kamp slechts het topje van de ijsberg. In de Tweede Wereldoorlog werden bestaande werkkampen uit de crisistijd van vóór 1940 door de Duitsers verder gebruikt, maar nu

geperverteerd onder geheel andere voorwaarden.

Het Nederlandse beeld met grote en kleinere kampen was in het Derde Rijk niets bijzonders. Schute beschrijft in zijn boek bijvoorbeeld het kleine kamp Luta in de buurt van het vernietigingskamp Sobibor, weliswaar niet groot, maar met een overweldigend aantal doden en met massagraven, die nu ergens in het bos liggen – nauwelijks te vinden als je er niet bewust naar zoekt.

SOBIBOR

De kern van het boek draait om de opgraving van de gaskamers in Sobibor. Het kamp Sobibor toont duidelijk aan, dat ondanks de grondige afbraak van alle elementen van het vernietigingskamp, zelfs nadat op de plek een bos was aangeplant en er nauwelijks foto’s overgeleverd zijn, dat er met archeologische methoden toch wezenlijke informatie uit de ondergrond kan worden geborgen. De nazi’s is het daarmee, ondanks al hun moeite, niet gelukt de Tatorte van de Endlösung, de plaatsen van het misdrijf, uit de menselijke herinnering te laten verdwijnen. De ss’ers hebben het vertwijfeld geprobeerd, nadat een vluchtweg door een in Sobibor gegraven tunnel duidelijk maakte dat het bestaan van Vernichtungslager als Belzec, Treblinka en So-

bibor op den duur niet geheim zou blijven.

EEN VERANDERDE HOUDING

De rol van de archeologie bij deze moderne vorm van behoud van de herinnering aan wat de Joodse bevolking van Europa is aangedaan is, nu er nog maar weinig overlevenden zijn, met het onderzoek naar de materiële overblijfselen van steeds groter belang geworden. Waren er vroeger vaak reacties op archeologie in concentratiekampen in de trant van ‘Wat een fauwekul’, de presentatie van opgravingsresultaten en van vondsten heeft de houding van het publiek intussen signifcant veranderd. Want, zo vat de schrijver samen, ‘hoe achter de dingen mensen kunnen schuilen, was zonder uitleg direct zichtbaar’.

Indrukwekkend is de beschrijving van de vondsten uit Sobibor, waarvan vele uit een grote afvalkuil geborgen werden. Enkele vondsten laten door naamplaatjes of opschriften zien, welke mensen, merendeels Joden uit Nederland en Polen, in Sobibor omgebracht zijn. Maar misschien nog schrijnender is de aard van de bezittingen, die de slachtoffers afgenomen werden, een variatie aan dingen voor het dagelijks gebruik. Het illustreert, dat tot de aankomst in het kamp tenminste bij veel Joden uit Nederland nog de illusie bestond, dat men in het Poolse achterland misschien wel een

nieuw bestaan zou kunnen opbouwen. Het bijna vriendelijke ontvangstbeeld van het kamp bij aankomst was echter alleen maar een verder bedrog – men ging direct daarna naar de gaskamers. Die gaskamers – na de opheffng van het kamp volledig verwoest – konden trouwens pas gevonden worden, nadat een herdenkingsmonument uit de weg geruimd mocht worden.

HERDENKEN NAAST OPGRAVEN

Een dergelijk confict tussen het vormgeven van de herdenking en het opgraven en/of bewaren van de laatste resten van de werkelijke kampen, vinden we vaker terug in het boek. Een voorbeeld, dat maar ten dele uitgewerkt wordt, betreft het bekende Lager Bergen-Belsen bij Celle in Nedersaksen. Ongeveer in het midden van de jaren tachtig werd bekend, dat naast de offciële Gedenkstätte met de obelisk, de herinneringsmuur en de massagraven, in een verwilderd bosgebied nog een groot aantal fundamenten direct onder de oppervlakte lag. In internationale workcamps, georganiseerd vanuit ons Institut für Denkmalpfege [Monumentenzorg], groeven amateurarcheologen en jeugdigen de grondvesten op van het gebouw waar gevangenen ontluisd werden en markeerden zij de ligging van grote barakken en waterreservoirs. Door de grote belangstel-

ling bij de bezoekers voerden deze acties langzaam maar zeker tot een omslag in het denken over de beste manier van herdenken. Intussen is een landschappelijke herinrichting van het kampgebied gerealiseerd, met als doel om naast de Gedenkstätte ook een deel van de oorspronkelijke structuur in beeld te brengen. De blootgelegde archeologische resten werden nu in deze aanpak geïntegreerd.

De presentatie van het origineel bleef echter moeilijk en omstreden, want hoe behoud en bescherm je resten van fundamenten en cementen vloeren, die een verblijf in de open lucht eigenlijk niet verdragen. In de grond gaan deze elementen op den duur ook achteruit, al houden ze het wel langer vol. Over het ontluizingsgebouw van Bergen-Belsen kon wel een duur tentdak gezet worden, maar de fundamenten van de barakken waren daarvoor te groot. Om ze te behouden is er dus iets voor te zeggen ze dan maar liever niet op te graven. De huidige archeologie werkt daarom ook veel met niet-destructieve methoden, zoals georadar of met weerstandsmetingen. In de kampen graaft men bovendien voorzichtig en behoudend, omdat Joodse graven niet verstoord mogen worden.

De discussie over deze punten gaat natuurlijk nog steeds door, omdat educatief gezien zichtbaar gemaakte opgravingsresultaten

VERVOLG VAN PAG.11

veel aansprekender zijn dan een kartering aan de hand van geofysisch onderzoek. Verspreid in het boek wordt dit thema vaker aangesneden, zodat de lezer voor zichzelf een beeld kan vormen.

VINDPLAATSEN VERBONDEN

MET MENSEN

Wat Ivar Schutes verslag zo de moeite van het lezen waard maakt is misschien wel,

Joodse gemeenschap in Europa. Het is de overal vandaag de dag nog ervaarbare leegte, die al deze mensen hebben achtergelaten, en die zo ervaarbaar is ‘als de schaduw van een nachtvlinder’ (blz. 97). Om voor die leegte het bewustzijn te versterken, wordt met deze boektitel de motivatie achter het verhaal expliciet.

Binnen de archeologie is deze interactie tussen het vak, de geschiedenis en het

dat je hier de grenzen van de archeologie lijkt te naderen. Het is de verbinding met de mensen die als een rode draad door het hele boek loopt, met de mensen die nu leven en sterk betrokken zijn bij het onderzoek zoals de Poolse archeoloog Wojciech Mazurek en de Israëlische Yoram Haimi, met de mensen die getuigenis afeggen of hebben afgelegd over de gruwelijke werkelijkheid van het Lager-stelsel (bijvoorbeeld door overlevende Philip Bialowitz over Sobibor), met de mensen die zijn omgekomen maar wier geschiedenis bewaard gebleven is (zoals Messaoud Aknine, Jood uit Marokko, en tenslotte vooral met de uitgemoorde, grote

emotionele beleven helemaal niet vanzelfsprekend. In de tweede helft van de vorige eeuw pas werden de grenzen van het meestal zuiver academische vak opgeschoven door de opkomst van de stadsarcheologie, die bodemsporen steeds beter met de opgaande, historische monumenten wist te verbinden. Archeologie die zich bezighield met zo moderne overblijfselen als die van de Duitse kampen uit de Tweede Wereldoorlog, lag aanvankelijk nog niet zo voor de hand. Ook vandaag vindt men nog behoorlijk wat tegenstand, al wordt het minder, zoals recente publicaties* bewijzen. En natuurlijk bestond er ook een zekere schroom om in emotioneel

*Een goed voorbeeld is de in 2014 in Duitsland verschenen speciale uitgave van het populaire tijdschrift Archäologie in Deutschland onder de titel ‘Archäologie an Tatorten des 20. Jahrhunderts’, verzorgd door Claudia Theune (Sonderheft 6/2014).

Jan Joost Assendorp (1949) studeerde prehistorie in Leiden en werkte tot 2016 ruim 35 jaar als archeoloog van het Bezirk Lüneburg bij het Niedersächsische Institut für Denkmalpfege. In zijn werkgebied lagen het bekende Durchgangslager Bergen-Belsen en het krijgsgevangenenkamp Stalag X B in Sandbostel.

zo ‘gevoelige’ terreinen met de schop aan het werk te gaan. Geen wonder, dat amateurs en schatgravers in het begin de toon aangaven.

Het verhaal van Ivar Schute laat zien, waarom de archeoloog daar professioneel mee aan de gang moet gaan. En hoe archeologisch denken binnen een verruimd kader heel verhelderend kan zijn. In die zin is het boek niet alleen voor alle – hopelijk talrijke – lezers een gelukstreffer, maar ook voor de ontwikkeling van de archeologie zelf. Er zijn niet zo heel veel boeken, die wetenschappelijk denken voor iedereen zo goed begrijpelijk weten over te brengen. En daarbij past ook, bij dit onderwerp van onderzoek, dat het je als lezer emotioneel niet in de koude kleren gaat zitten en je er, zoals Ivar gebeurt, op onverwachte momenten even niet goed meer tegen kunt. Men leze daarvoor, tot besluit, de pagina’s 208 tot 210 van hoofdstuk 28.

ivar schute, In de schaduw van een Nachtvlinder. Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust, Prometheus, Amsterdam, 2020, isbn 978 90 446 4243 8, 223 blz. met 14 blz. afbeeldingen, € 24,99, e-boek € 14,99

afb. 1. Eerste blik op Stalag xb in Sandbostel, Nedersaksen (nov. 2011). afb. 2. Kwetsbare resten van een vrijgelegde cementen vloer. Barak 10, Bergen-Belsen (2002). afb. 3. Archeologisch kunnen zorgvuldig verborgen misdaden naar boven gehaald worden. Veldtekening van de opgegraven fundamenten der gaskamers in Sobibor (2014). afb. 4. Bezoek van de overlevende Philip Bialowitz in Sobibor (sept. 2014).

1 & 2. Foto's Jan Joost Assendorp, Nieders. Landesamt für Denkmalpfege. 3 & 4. Foto’s uit Ivar Schute, In de schaduw van een Nachtvlinder

Ter Apel

Plaquette onthuld ter nagedachtenis aan gedeporteerde en vermoorde Joodse kinderen

Op 27 november 2020 onthulden burgemeester Jaap Velema en Jaap Spanninga (foto rechts) in het Groningse Ter Apel een plaquette bij de Openbare Basisschool De Vlinder.

Op de plaquette staan de namen van vijf Joodse kinderen die op de school aan de Schotslaan zaten en in 1942 in Auschwitz zijn omgebracht: de zusjes Greta 7 jaar en Johanna Vrenkel 10 jaar (23-11-42, Auschwitz). De broertjes Samuel Levie 7 jaar en Julius Jakob Levie 12 jaar (23-111942, Auschwitz) en hun zusje Floratiene Levie 10 jaar (3-12-1942, Auschwitz). De oudere zus Debora Levie, 14 jaar, had in 1939 de school reeds verlaten (23-111942, Auschwitz).

Voor de onthulling nam de 93-jarige Jaap Spanninga de leerlingen van de bovenbouw van De Vlinder mee in zijn herinnering aan de oorlogsjaren. Hij vertelde dat in 1941 de Duitse bezetter besloot dat Joodse kinderen geen onderwijs meer mochten genieten. Dit gold dus ook voor de Joodse kinderen van bovengenoemde lagere school. Zij werden verwezen naar een Joodse school. Maar omdat zich in de gemeente geen Joodse school bevond moesten ze thuisblijven. Ze mochten wel buiten spelen, maar moesten dan zichtbaar de gele Jodenster op hun kleding dragen. Ze mochten niet meer naar de bibliotheek, of naar het park of zwemmen in Moekesgat. Ook moesten ze hun fets inleveren. In de nacht van 15 juli 1942 werden in Ter Apel ongeveer 30 Joden uit hun huizen gehaald en op

transport gesteld naar kamp Westerbork. Op 17 november 1942 volgde een tweede transport.

Spanninga: ‘In 1942 was ik leerling op de MULO aan de Heemker Akkerstraat in Ter Apel. Toen ik in de morgen van 17 november 1942 in het lokaal kwam waar Duits werd gegeven, zag ik dat in het gangpad en tussen de banken stro lag. Het bleek dat ’s nachts een aantal Joodse gezinnen was opgepakt en naar het betrefende lokaal was gebracht. Onder hen waren ook de kinderen van de families Vrenkel en Levie.

’s Ochtends om zes uur waren ze op de tram naar Winschoten gezet, om vervolgens per trein via Groningen naar Westerbork vervoerd te worden. Van daaruit zijn ze gedeporteerd naar Auschwitz in Polen. Niet veel later werden ze vergast.’

Spanninga: ’Over hetgeen mijn klasgenoten en ik hoorden en zagen werd met geen woord gesproken. Wij bogen ons die ochtend over de Duitse naamvallen die we moesten opdreunen. Het was alsof er niets was gebeurd. Er werd geen aandacht geschonken aan de Joodse plaatsgenoten die zo uit onze levens waren gerukt.’

Met de plaquette worden deze kinderen blijvend herinnerd.

Spanninga vertelde nog dat de directie van de middelbare Regionale Scholengemeenschap Ter Apel heeft besloten dat in april 2021 een plaquette zal worden geplaatst ter nagedachtenis aan hun

oud-leerlingen Sara Jacobson, 20 jaar (vermoedelijk 10-8-1942, Auschwitz) en Heiman Leezer, 18 jaar (28-2-1943 Auschwitz).

Jaap Spanninga is een van de pleitbezorgers voor het behoud van het voormalige werkkamp De Beetse. In de Tweede Wereldoorlog zaten er onder andere honderden Joodse jongens en mannen (zie Auschwitz Bulletins december 2017 en januari 2018). Hij heeft ervoor gezorgd dat er in Ter Apel een monument kwam met de namen van 49 Joodse plaatsgenoten die in de oorlog zijn vermoord. Spanninga geeft op scholen en op andere plekken lezingen over de Tweede Wereldoorlog.

Foto's: Johan de Boer

DOOR WALTER VAN ROSSUM

DE EENZAME STRIJD VAN EEN HOLOCAUSTOVERLEVENDE

HET

GEVECHT MET DE NEDERLANDSE SPOORWEGEN

Je zit als lezer van dit aangrijpend ooggetuigenverslag bij Salo Muller in z’n woonkamer en hij vertelt je wat hij denkt. Hij leest de brieven voor die hij naar de Nederlandse Spoorwegen stuurt en weer van hen krijgt. En je bent soms zijn therapeut aan wie hij zijn diepste gedachten en angsten en woede verwoordt.

Salo Muller is bekend als fysiotherapeut van Ajax, en ook als schrijver van boeken met een fysio-achtergrond en autobiografsche boeken zoals Tot vanavond en lief zijn hoor Ook is hij gastspreker op heel veel scholen over de Tweede Wereldoorlog. Daar vertelt hij leerlingen dat hij als klein jongetje van vijf jaar moest onderduiken en hoe hij zijn hele leven zijn ouders Lena Blitz en Louis Muller ontzettend heeft gemist. Zij zijn opgepakt en door de ns weggevoerd en in Auschwitz vermoord.

over de buitengewoon slechte rol van de Franse spoorwegen in de Tweede Wereldoorlog en hoe zij het boetekleed hebben aangetrokken en de nabestaanden en het geringe aantal overlevenden een bedrag hadden gegeven. Dat raakt hem zeer omdat hij zich al heel lang ongeloofijk kwaad kan maken over hoe de ns in Nederland met de Joodse slachtoffers is omgesprongen. De ns heeft 107.000 onschuldige Joden – Joodse Nederlanders! – weggevoerd vanaf januari 1942 tot september 1944.

Dit boek is het heftige verhaal van de afgelopen drie jaar van een man op leeftijd die zich, ondanks allerlei kwalen, in het gevecht met de ns als een pitbull vastbijt en niet loslaat. Halverwege 2015 leest Muller in een krant

Wie waren verantwoordelijk? Velen. De nazi’s voorop natuurlijk maar ook de Burgerlijke Stand waar ze keurig alle Joden op kaarten hadden vermeld met hun adres, met wie ze woonden. De Nederlandse ambtenaren die overal een grote J op de kaarten hadden gezet. Natuurlijk de politieagenten die mensen vaak ’s nachts oppakten en naar de Hollandsche Schouwburg brachten in Amsterdam, én de verraders, en altijd weer de medewerking van ns-personeel, in de

vorm van sein- en wisselwachters, bevoorraders van de locomotieven en natuurlijk de machinisten. De ns zette in de oorlog gedurende 2,5 jaar in totaal 112 lange treinen in met veewagens waarin al die mannen en vrouwen en kinderen opgepropt werden vervoerd onder onmenselijke omstandigheden, zonder eten, zonder water, zonder wc’s, dagen en nachten tot het eindstation waar de meesten werden vermoord. De ns had zelfs met de nazi’s over een tarief onderhandeld. En de Joden moesten zelf hun kaartje betalen. Geen retour.

Nadat hij deze krant leest, overlegt Salo Muller met enkele anderen onder wie een jurist wat te doen en hij stuurt samen met zijn vrouw de eerste brief naar de ns in maart 2016. Snel krijgt hij een antwoord waarin wordt uitgelegd dat de ns zoveel heeft gedaan om de zwarte bladzijde uit hun geschiedenis op een nette manier te compenseren door ondersteuning van projecten, het plaatsen van monumenten, meewerken aan gedenkstenen en dergelijke. Muller antwoordt dat hij van al die activiteiten niet onder de indruk raakt omdat het leven van hem en zijn vrouw onbeschrijfelijk is aangetast door wat er mede dankzij het handelen van de ns met hun ouders is gebeurd. Muller wordt steeds bozer en de toon van de ns-brieven irriteert hem in hoge mate. Hij stuurt brieven, die met enige vertraging worden beantwoord zonder enig begrip voor zijn vragen. Zelfs met president-directeur

BESPREKING

Roger van Boxtel is er enige correspondentie totdat hij op een brief aan hem antwoord krijgt van de afdeling Klantenservice. Alsof hij een telefoon of laptop in de trein heeft laten liggen.

Dan breekt het moment aan dat Muller een keiharde brief naar de ns schrijft met hulp van advocaat Liesbeth Zegveld. Ook ontvangt hij fnanciële steun van velen onder wie uitgever Gerton van Boom. Steun van allerlei mensen met goede bedoelingen die bijdragen zonder dat men zijn zaak wil overnemen of anderszins beïnvloeden. De ns heeft actief meegewerkt aan de deportaties van meer dan honderdduizend Joden en honderden Roma en Sinti. De ns wist of kon weten sinds medio 1942 dat al deze mensen werden vergast of op een andere gruwelijke manier vermoord. Na aanvankelijke antwoorden met de bekende uitleg over de ondersteuning van de ns van gedenktekens en collectieve activiteiten volgt een laatste brief van Salo Muller met advocaat Zegveld waarin duidelijk wordt gemaakt dat men snel om de tafel wil zitten voor een goede uitslag of anders naar de rechtbank zal gaan. Snelheid is geboden want de weinige teruggekeerden of kinderen van vermoorde slachtoffers zijn zelf al zeer oud.

Als de ‘onderhandelingen’ uiteindelijk positief afopen, zegt Salo Muller dat hij akkoord gaat omdat geld niet de belangrijkste drijfveer was. ‘Excuus en een kleine pleister op de wond, daar ging het mij om.’

Toen dit bekend werd, ontving Muller ongeloofijk veel felicitaties, honderden mails, brieven en apps. Er werden in zijn naam bomen geplant in Israël. Hij ontving bloemen en planten. Naast de Nederlandse pers kwamen er veel journalisten, ook uit het buitenland hem interviewen.

Het duurde daarna nog eens zes maanden(!) voordat eindelijk het rapport uitkwam van

de commissie ‘individuele tegemoetkoming slachtoffers wo ii- transporten ns’. Deze commissie onder leiding van Job Cohen kwam met een duidelijk advies, ook betreffende de uitvoering van de betalingen. Alle nog levende Joden, Roma en Sinti die tijdens de Tweede Wereldoorlog op bevel van de bezetter per spoor zijn vervoerd naar Westerbork etc. en daarna buiten de landsgrenzen

Het is bewonderenswaardig hoe Muller erin geslaagd is deze schijnbaar ongelijke strijd te voeren en te proberen toch snel tot een resultaat te komen. Uiteraard zegt hij: ‘Het verdriet blijft.‘

Wie zijn opdracht op de eerste pagina leest, krijgt tranen in zijn ogen: ‘Lieve mama en papa. We hebben het voor jullie gedaan!’

met het doel hen als bevolkingsgroep uit te roeien, krijgen een tegemoetkoming. Dat geldt in mindere mate voor hun partner als zij zijn overleden of in nog beperktere mate voor hun kinderen.

Het is voor Salo Muller een schrale troost als hij denkt aan al die 20.000 onschuldige kinderen en de 84.000 eveneens onschuldige mannen en vrouwen onder wie zijn vader en moeder die zomaar als vee zijn weggevoerd en nooit zijn teruggekomen.

Salo Muller kijkt naar voormalig presidentdirecteur van de Nederlandse Spoorwegen Roger van Boxtel (detail omslag uitgave Verbum). Foto links – Transport van Joden vanuit Amsterdam naar kamp Westerbork. Beeldbank wo2-niod

salo muller Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen - De eenzame strijd van een Holocaust-overlevende, uitg. Verbum 2020, 150 bladzijden, € 19,50. e-book € 7,95, isbn 9789493028319

—DOOR GERBEN POST REPORTAGE

RONDOM HET NAMENMONUMENT

Het Nationaal Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat begint steeds meer gestalte te krijgen. De eerste serie van ongeveer 104.000 stenen met daarop naam en leeftijd van de slachtofers is inmiddels gelegd. Het monument wordt gebouwd in het hart van de voormalige oude Jodenbuurt van de stad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de directe omgeving, in een straal van ongeveer honderd meter van het Namenmonument, een aantal andere monumenten te vinden is die herinneren aan de vervolging van de Amsterdamse Joden. Het ene bekend, het andere wellicht wat minder, maar allemaal de moeite van het bezoeken waard en allemaal tegen de achtergrond van bijzondere, verdrietige verhalen.

Aan het Hortusplantsoen bijvoorbeeld, bevinden zich al drie monumenten die verschillende aspecten van de vervolging laten zien. Vandaag de dag zijn de twee panden aan het plantsoen in gebruik door de Reinwardt Academie maar tijdens de oorlog zijn hier twee andere scholen gevestigd. Rechts, op nummer 1, de E.J. van Detschool, nijverheidsschool voor meisjes. Vanaf 1 oktober 1941 werd deze school in het kader van de scheiding binnen het onderwijs door de bezetter aangewezen als één van de vierentwintig Joodse scholen in de stad. De plaquette naast de deur herdenkt alle bestuursleden, leerkrachten en leerlingen van deze school die werden weggevoerd en vermoord. Hiernaast, op nummer 2 is voor, tijdens en na de oorlog een school voor dove kinderen gevestigd. Na de scheiding binnen het onderwijs zitten de Joodse leerlingen van deze school gedwongen thuis. In de wijde omgeving is er geen enkel ander instituut dat de lessen van de dove Joodse kinderen over kan nemen en daarom schrijft de directeur van de school een brief naar het Departement van Onderwijs met de smeekbede om zijn Joodse leerlingen weer terug te krijgen. Dat werkt, waardoor deze school de enige is waar Joodse en niet-Joodse leerlingen nog samen onderwijs kunnen genieten. Uiteindelijk zijn ook van deze school de meeste Joodse leerkrachten en leerlingen gedeporteerd en omgebracht.

In het grasveld voor de voormalige dovenschool staat het monument ‘De wereld bleef doof’, vervaardigd door voormalig verzetsvrouw Truus Menger-Oversteegen. In oktober 2010 werd het monument onthuld. Het herdenkt de dove Joodse slachtofers van de Shoah. Het beeld op de sokkel laat een groep voortsjokkende mensen zien. Bijzonder detail is het kleine kind dat zich tussen

de volwassenen begeeft. Het is een doof kind dat omhoog kijkt, naar het gezicht van zijn vader of moeder om er zo achter te komen wat er allemaal aan de hand is…

Schuin aan de overkant van de gracht langs het plantsoen, ligt het Jonas Daniël Meijerplein, een plein met een beladen geschiedenis. De eerste grote razzia van Nederland vindt plaats in dit deel van de stad op zaterdag 22 en zondag 23 februari 1941. In totaal worden in dit weekend 427 jonge Joodse mannen van straat gesleurd, bij hun families weggerukt en verzameld op dit plein. Iconisch zijn de vele foto’s die van deze gebeurtenis gemaakt zijn, waarvan de foto van de mannen, op hun hurken, de armen hoog in de lucht, een doodsbange en tegelijkertijd woedende blik in hun ogen, wellicht de bekendste is. Op de achtergrond van de foto is vaag de witte erker aan het pand op de hoek van het plein en de Nieuwe Herengracht te zien. Het pand, Nieuwe Herengracht 59, staat er nog steeds, aan de erker is niets veranderd.

De mannen op de foto kijken strak voor zich uit, naar de plek waar nu de Dokwerker staat, het standbeeld van de potige havenarbeider, klaar om in de tegenaanval te gaan tijdens de Februaristaking die een paar dagen na de razzia uitbreekt.

De staking gaat de geschiedenisboeken in als de enige openlijke en massale uiting van verzet tegen de Jodenvervolging, in heel Europa. De staking haalt echter weinig uit, de Joden worden toch weggehaald. Het gebaar van solidariteit vanuit de niet-Joden voor hun Amsterdamse medeburgers is voor hen evenwel in emotionele zin van enorm belang. De staking duurt slechts twee dagen. Van de 427 slachtofers van de februari-razzia worden 389 mannen eerst naar Buchenwald en later van daar

naar Mauthausen gestuurd. Slechts één van hen weet de ontberingen van de kampen te overleven.

Aan de zijkant van het plein liggen tien Stolpersteine of struikelstenen, een project van de Duitse kunstenaar Günther Demnig. Ze liggen over heel Europa verspreid en herdenken slachtofers van het nationaalsocialisme. Het zijn misschien wel de kleinste monumenten van de stad die, wanneer we alle stenen verspreid over heel Europa zouden samenvoegen, waarschijnlijk het grootste Holocaustmonument ter wereld vormen. Voor Jonas Daniël Meijerplein 13 liggen drie stenen voor het jonge gezin Rosenbaum. Ephraim Rosenbaum is apotheker en heeft een zaak op de hoek van de Nieuwe Herengracht en de Amstel. Zijn vrouw Johanna en zoontje Izak duiken onder in Neede maar worden verraden. Op 2 april 1943 worden ze vermoord in de gaskamer van Sobibor. Izak is slechts twee maanden oud. Ephraim zelf krijgt ook een schuilplaats aangeboden maar onderduiken wordt hem door de Joodse Raad sterk afgeraden. Drie weken na zijn vrouw en kind ondergaat hij hetzelfde lot, op dezelfde plaats. Alleen hun dochtertje Betty weet de oorlog in de onderduik te overleven. Op nummer 15 woonde de familie Monnickendam. Vader André, moeder Amalia samen met hun drie kinderen Guus, Sonja en Robert en Amalia’s moeder Sara. Vijf van de zes gezinsleden worden door de nazi’s vermoord, als eerste de negentienjarige Guus. Hij wordt tijdens de tweede grote razzia op 11 juni 1941 opgepakt en naar Mauthausen gedeporteerd waar hij volgens de ofciële gegevens op 5 september 1941 werd vermoord. Nadat grootmoeder Sara van huis is gehaald, besluit de rest van het gezin onder te duiken. Eerst samen maar korte tijd later op verschillende adres-

sen. Sonja wordt op 23 augustus 1943 verraden en een paar weken later, op 3 september op 20-jarige leeftijd in Auschwitz vermoord. De rest van het gezin blijft de gruwelen van de kampen ook niet bespaard. Robert wordt in juni 1944 ook verraden en hij treft zijn beide ouders in Westerbork. Samen worden ze op 31 juli naar Bergen-Belsen gedeporteerd waar André op oudejaarsdag 1944 aan de ontberingen van dat kamp bezwijkt. Amalia en Robert worden op 23 april 1945 bij Tröbitz bevrijd maar twee weken later overlijdt Amalia alsnog.

Robert is uiteindelijk de enige van het gezin die de Shoah overleeft.

Voor nummer 19 liggen twee stenen voor het echtpaar Alexander en Klara Elzas die een winkel hebben in de Jodenbreestraat. Alexander wordt tijdens een razzia in 1942 opgehaald en komt via de Scheveningse strafgevangenis in Mauthausen terecht. Daar wordt hij nog datzelfde jaar, op 18 december, vermoord. Zijn vrouw Klara komt een paar maanden later, op 21 mei samen met haar schoonouders, zuster Marie en haar vierjarige zoontje Hijman aan in Sobibor.

Om de hoek van het Namenmonument ligt de Nieuwe Keizersgracht. Wanneer de bewoners van het pand op nummer 24 erachter komen dat de voormalige bewoners van hun woning tijdens de oorlog zijn weggevoerd en vermoord, besluiten zij hen te herdenken met twee plaquettes aan de voorgevel van hun woning. Vader Max Marcus en moeder Julie Kok worden in december 1942 in Auschwitz vermoord, zoons Samuel en Jacques allebei in Mauthausen, zij het niet op hetzelfde moment. De plaquettes worden in 2009 onthuld door Betty van Essen-Kok, de dochter van het gezin die de oorlog als enige van het gezin overleeft.

De gezinsleden van de familie Kok zijn niet de enige Holocaustslachtofers van de Nieuwe Keizersgracht. Buurtbewoners komen erachter dat er ongeveer tweehonderd voormalige bewoners van hun gracht zijn weggevoerd en vermoord. Zij moeten ook herdacht worden en uiteindelijk wordt besloten de overkant van de gracht hiervoor te gebruiken. In de rand van de kade prijken sinds 2013 al hun namen, recht tegenover de huizen waarin zij ooit woonden. De Schaduwkade is een

indrukwekkend monument dat in het klein laat zien hoe bizar veel Amsterdamse Joden tijdens de oorlog zijn vermoord. Tweehonderd personen alleen al van de even zijde van dit deel van de Nieuwe Keizersgracht, en zo lang is dit stuk gracht tussen de Amstel en de Weesperstraat nu ook weer niet. Wat zal het zijn, 150 meter?

Bijna aan het einde van dit deel van de gracht, op nummer 70 driehoog woont tijdens het tweede oorlogsjaar Gesina Groen met haar ouders Nathan en Sara Celina, haar grootouders van moederskant en haar 21-jarige oom Joseph. Gesina is geboren op 26 juli 1941 en wordt precies een jaar later op haar eerste verjaardag, samen met haar moeder Sara Celina direct na hun aankomst in Auschwitz vermoord. Toen het kleine meisje nog thuis in Amsterdam was en ongetwijfeld zo nu en dan op haar moeders arm door het raam naar buiten keek, kon ze de plek waar nu druk gebouwd wordt goed zien. Het is de plek waar ze binnenkort óók herdacht zal worden: het Holocaust Namenmonument.

Monument ‘De wereld bleef doof‘, foto eerste razzia februari 1941, monument De Dokwerker, struikelstenen echtpaar Elzas, foto van de Schaduwkade.

BESPREKING

‘DAAR PRAAT IK

NIET OVER’

‘Daar praat ik niet over’, een net verschenen boek van Anjes Wolfs-Driessen. Zij is kind uit een Sinti-familie van moeders kant en heeft uit de verhalen van en de gesprekken met haar moeder Mädie Franz, een Sinti-meisje dat de oorlog overleefde, een boek samengesteld dat het leven weergeeft van haar moeder in een Sinti-familie voor de oorlog, in en na de oorlog.

Mädie Franz was een Sintezza, de jongste dochter van het gezin Franz, een Sinti-familie (vader, moeder, vijf zoons en drie dochters) en goed bekend in Beek. Het gezin verdiende de kost met muziek maken op feesten, kermissen, bruiloften, met het geven van voorstellingen met een marionettentheater en met handel in paarden en fournituren.

Als 15-jarige tiener wordt ze op 16 mei 1944, tijdens de grote, landelijke, razzia van zigeuners (een ‘verzamelnaam’ voor Roma en Sinti), samen met haar familie vanuit Beek gedeporteerd naar Westerbork. Van daaruit moet ze de verschrikkingen van drie concentratiekampen doorstaan: Auschwitz-Birkenau, Ravensbrück en Flossenburg/Wolkenburg. Tijdens de dodenmars, op weg naar Dachau, vlucht ze samen met haar zus Soela en keert ze uiteindelijk terug naar het bevrijde Nederland. Hier waren ze niet welkom...

In 2014 overleed Mädie Franz. Pas toen haar kinderen tiener waren, heeft ze hen verteld over haar achtergrond. Ze deed dit pas toen uit bescherming, uit angst, uit ver weggestopt verdriet. Een verdriet en pijn te groot om onder woorden te brengen. Uiteindelijk heeft ze haar hele levensverhaal verteld aan haar jongste dochter Anjes Wolfs-Driesen, die het optekende.

EEN FRAGMENT UIT HET BOEK

Het is nu de morgen van de derde dag in Westerbork, 19 mei 1944, ik ben net een beetje weggedommeld want geslapen heb ik niet. Nog steeds lawaai om me heen.

Opeens worden de deuren opengegooid en moeten we met z'n allen naar buiten rennen. ‘SCHNELL, SCHNELL.‘ Ik grijp me vast aan Punta om niet te vallen in het tumult. Buiten kijk ik om me heen en zie alleen maar mensen en soldaten met honden. Op een grote wachttoren staat een soldaat achter een machinegeweer. Weer moeten we in een rij gaan staan en nu moeten we weer in een trein. Deze keer geen gewone trein maar een veevervoer. We moeten in een veewagon klimmen en daar blijven staan of op de grond gaan zitten als je daar de kans voor krijgt.

Twee emmers worden binnengezet, een met water om te drinken en een lege om onze behoeften in te doen.

Er wordt gezegd dat we naar Auschwitz gaan. Daar heb je weer dat woord. We zitten met vrouwen, mannen en kinderen op de grond of staan tegen de wanden bijna bovenop elkaar. Waarom? Settela, een meisje dat ik wel ken, staat door een kier van de deur naar buiten te kijken. Dan roept haar moeder Toetela: ‘Settela trek je hoofd naar binnen dadelijk maken ze de deur dicht en zit je ertussen’. Inderdaad de deur gaat dicht en op slot.

Daar zitten we dan met als enig licht een klein raampje bovenin met tralies ervoor waardoor een beetje lucht te zien is. Eifa probeert naar buiten te kijken maar dat lukt niet hij is te klein.

De reis is vreselijk en lang. Het is heet en de wateremmer is al leeg. Ik heb dorst en het stinkt hier en alweer vraag ik me af wat we toch verkeerd gedaan hebben.

Ik zit met Soela tegen een wand tegenover het raampje en zie de lucht donker en licht worden drie keer. Ik probeer me te herinneren hoeveel dagen we al van huis weg zijn. Hoe zou het met onze paarden, Vlok en Fritz en het veulentje Tsjoeka zijn? En met Santi onze hond? Wie verzorgt hen?

Dan opeens vermindert de trein vaart en gaan we stoppen. Ik hoor alweer schreeuwen nu nog erger dan in Westerbork, de deur wordt met een vaart opengeschoven en een soldaat schreeuwt: ‘RAUS RAUS, SCHNELL!!’

We proberen zo snel als mogelijk naar buiten te komen maar na drie dagen en nachten niet kunnen bewegen gaat dat bijna niet. De soldaten sleuren ons naar buiten en oh mijn God wat is dit? Overal lopen, rennen en schreeuwen duizenden mensen. Ertussen lopen soldaten met geweren. Ze slaan mensen gewoon met de achterkant van dat geweer op het hoofd en in de rug.

Anjes: ‘Het boek is een eerbetoon aan mijn moeder. Het is haar verhaal, in feite een directe getuigenis van een overlevende. Ik heb het opgeschreven zoals zij het mij vertelde. Ik wilde het verhaal niet verloren laten gaan. En toegankelijk geschreven zodat het eveneens goed te gebruiken is in de lessen in de bovenbouw van de middelbare school.’

Het bevel tot deportatie van de zigeunerbevolking kwam pas laat in de oorlog. De Jodenvervolging was grotendeels afgerond. Reichsführer-SS Heinrich Himmler vaardigde daarom het Auschwitz-Erlass uit, waarin hij opdracht gaf alle zigeuners over te brengen naar een speciale afdeling van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, het Zigeunerlager. Zigeuners stonden, in tegenstelling tot de Joden, niet als zodanig geregistreerd. Om hen te kunnen oppakken hadden de Duitse autoriteiten de hulp nodig van de Nederlandse gemeentebestuurders. Er waren burgemeesters die – in strijd met de waarheid – meldden dat binnen hun gemeentegrenzen geen zigeuners verbleven. Op 16 mei 1944 was er een landelijke razzia tegen zigeuners. NSB-burgemeester Regout van de gemeente Beek daarentegen werkte volop met de bezetter mee. Hij liet zijn politieambtenaren negen leden van het gezin Franz arresteren en naar Westerbork brengen. Een getrouwde zoon, Mannele, die met zijn gezin elders woonde, wist te ontsnappen en vond een veilig onderduikadres bij de gedeserteerde Duitse soldaat Frits Linke en zou de oorlog overleven. De negen andere leden van het gezin Franz werden, samen met 236 andere zigeuners op 19 mei 1944 vanuit Westerbork naar Auschwitz vervoerd. Onder hen was ook het meisje Settela Steinbach. In de nacht van 2 op 3 augustus 1944 werden alle drieduizend oudere, zieke en zwakke Roma en Sinti vergast.

Anjes: ‘Oma en Punta zijn gestorven in Ravensbrück, Opa in Dora (Buchenwald), Leutze in Sangerhausen en Schani in Bergen-Belsen. Peppie is gevlucht uit kamp Dora en niet teruggekomen, dus we weten niet wat er toen met hem gebeurd is. Eifa, Soela en Mädie overleefden de concentratiekampen. Maar een echte bevrijding was het voor hen niet. Zij moesten verder leven met het besef dat hun familie was uitgemoord. En ook de vooroorlogse discriminatie van mensen uit een woonwagen was niet ineens verleden tijd.‘

Anjes: ‘De nazi’s hebben haar niet klein gekregen. Zij vatte de draad van het leven weer op. Het was een sterke vrouw, niet rancuneus over wat haar is

overkomen. Ondanks de verschrikkingen van haar gestolen jeugd bleef ze een milde vrouw, een lieve moeder en oma. Op het einde van haar leven werd haar bijzondere geschiedenis bekend en erkend. Ze werkte mee om het verhaal van de Roma en Sinti in de Tweede Wereldoorlog onder de aandacht te brengen. Ze vertelde haar verhaal op scholen.’

Veel te weinig is er nog geschreven over de Roma en Sinti en de verschrikkingen die zij hebben moeten doorstaan voor, tijdens en ook nog na de Tweede Wereldoorlog. Een zeer zwarte bladzijde uit de geschiedenis van niet alleen de Duitse bezetter, maar ook van de Nederlandse gezaghebbers die actief meehielpen om de Roma en de Sinti weg te voeren naar de concentratie- en vernietigingskampen.

Anjes: ‘Met het boekje over mijn moeder heb ik een bijdrage willen leveren om de verhalen vast te leggen en te bewaren zodat ook de volgende generaties er nog eens op mogen terugkijken. Zodat de geschiedenis je de weg wijst in de toekomst.’

‘Mijn moeder kwam terug in Weert en is bij een oom gaan wonen. Ze kreeg geen opvang en ondersteuning. Ze was immers statenloos. Niet weggevoerd om racistische motieven, maar vanwege a-sociaal en crimineel gedrag, zoals een overheidsinstantie in die tijd schreef na een verzoek om geldelijke ondersteuning.’

In Beek staat het Monument voor de Gedeporteerde Zigeuners, ter nagedachtenis aan de familie Franz. Anjes: ‘Het gedenkteken staat tegenover openbare basisschool 'De Kring' aan de Stegen, bijna op de plaats waar hun woonwagen stond.‘

Wolfs-Driessen vertelt dat ze in 2019 haar moeders documenten aan de Stichting Herinneringscentrum Kamp Westerbork heeft geschonken, onder andere het persoonsbewijs en bonkaarten. Daarnaast heeft ze meegewerkt aan de tentoonstelling over Sinti en Roma door een portret over haar moeder te schrijven.*

*zie: https://westerborkportretten.nl/sinti-en-romaportretten/mädie-franz

Foto: Mädie, waar het boekje over gaat (12 jaar op deze foto), Soela, Agnes en Punta.

Wolfs-Driessen: ‘Kijkend naar de toekomst wil ik in 2021 proberen in samenwerking met Westerbork en de uitgever een lesbrief te maken voor scholen. Vanaf 12 jaar als ze het blok de Tweede Wereldoorlog krijgen. Eerst in Limburg, daarna in de rest van Nederland en Duitsland.’

NB—De in het fragment genoemde Settela is het Sinti-meisje Settela Steinbach. Zij werd door Rudolf Breslauer geflmd in de Westerborkflm tijdens het vertrek naar Auschwitz-Birkenau: een meisje met een hoofddoek, dat tussen de deuren van een goederenwagon naar een hond kijkt.

anjes wolfs-driessen, Daar praat ik niet over, In Boekvorm Uitgevers, isbn 9789493164055, 80 pagina's € 18,50

PORTRET VAN EEN OVERLEVENDE

RUDIE CORTISSOS

DOOR

“IK VERTEL GEEN LEUK VERHAAL EN IK MÓET HET VERTELLEN.”

Rudie Cortissos spreekt tijdens de Nationale Holocaust Herdenking bij het Spiegelmonument ‘Nooit Meer Auschwitz’ in het Wertheimpark in Amsterdam, op zondag 31 januari 2021. Hij werd geboren in 1939 als Salomon (Salo) Cortissos, zoon van Louis Cortissos en Emmy Cortissos–Dreesde. Zij woonden in Amsterdam en zijn vader werkte bij een Joodse zaak die in zuidvruchten handelde. Eind 1941 wordt Salo naar zijn oom David gebracht, een broer van zijn vader die gemengd gehuwd is. Daarna volgen meerdere onderduikadressen. Het laatste adres is op de Parnassusweg in Amsterdam. Op dit adres zit ook zijn vader ondergedoken, maar dat weet hij in eerste instantie niet. Zijn moeder is in 1943 op straat opgepakt en via de Hollandsche Schouwburg en Westerbork op 18 mei 1943 gedeporteerd naar Sobibor, waar zij op 21 mei 1943 wordt vermoord. Tijdens het proces tegen Demjanjuk was Rudie Cortissos een van de Nederlandse medeaanklagers. Sinds 2011 geeft Rudie Cortissos gastlessen op scholen.

“Als ik denk, schrijf of vertel over Auschwitz en Sobibor lopen de rillingen over mijn rug. Ik wil er alles aan bijdragen dat dit soort genocide nooit meer gebeurt. Een belangrijke manier voor mij is het geven van gastlessen op scholen. Dit doe ik sinds 2011 met een grote regelmaat. Op allerlei scholen ben ik al geweest. In de hoogste klas van het basisonderwijs en op het voortgezet onderwijs. Van vwo tot mbo, in alle wijken van de stad en daarbuiten. Ik begin altijd met te vragen of ze weten waarom ik er ben. Ik waarschuw ze dat mijn verhaal geen leuk verhaal is. Dan vraag ik of ze weten wat genocide is. Of ze

weleens gehoord hebben over Rwanda of Srebrenica. Ik zie ze stil worden, schrikken. En ook al vind ik het zelf ook verschrikkelijk en voel ik de emoties, ik móet het ze vertellen. Het is mijn manier, mijn plicht om te voorkómen dat het weer gebeurt. Deze kinderen, die jongens en meisjes in al die klassen, zijn de latere bestuurders. De ambtenaren, de agenten, de juristen, degenen die het voor het zeggen hebben. Zij moeten uiteindelijk zorgen dat het niet weer gebeurt.

Ik was een peuter toen ik werd weggebracht naar mijn oom. Het begin van een reis langs een aantal onderduikadressen. Mijn naam werd veranderd: ik heette Rudie. Mijn achternaam werd aangepast aan het gezin waar ik woonde: Poort, Sakes. Mijn vader en ik hebben de oorlog overleefd. Samen met mijn laatste onderduikmoeder Greta Knuyt zijn we na de oorlog op de Minervalaan gaan wonen.

In 1949 ontmoette mijn vader op een zakenreis een Tsjechoslowaakse vrouw, waarmee hij trouwde. Mijn onderduikmoeder verdween plotsklaps uit mijn leven. Mijn ‘stiefmoeder’; daar kon ik moeilijk mee praten, ik was 10 en zij sprak naast haar moedertaal wat Engels en Duits. Ik had geen ‘klik’ met haar, ons contact is nooit warm geweest. Over de oorlog werd niet gesproken, mijn vader vertelde niets. Het waren de jaren veertig, men wist weinig en men wist niet hoe de onvoorstelbare werkelijkheid te hanteren. En als kind heb je een ingebouwd gevoel om je ouder niet iets te vragen wat hem verdriet zou doen. Dus ik heb weinig

gevraagd. Voor de oorlog was mijn vader lid van de Portugees Joodse gemeente, mijn moeder was Asjkenazisch. Na de oorlog had mijn vader het Jodendom verlaten. Hij heeft niets doorgegeven, me niets geleerd over het Jodendom en niets laten leren erover. Vertellen over het leven van voor de oorlog kon hij niet. Ik herinner me dat ik hem ooit gevraagd heb wat er eigenlijk gebeurd was. Hij zei toen twee dingen: “Er zijn 63 familieleden vermoord.” en: “Je moeder zou toch te jong zijn gestorven, want ze had astma.” Mijn vader is in 1959 gestorven, ik was toen het huis al uit.

Op mijn 18e ben ik naar Nijenrode gegaan en in het tweede jaar mocht ik op stage naar het buitenland. Ik koos voor Israël. Eenmaal terug schreef ik mijn scriptie en die moest beoordeeld worden. Een van de beoordelaars was de toenmalige voorzitter van de Nederlandse zionistenbond. Deze nodigde mij uit voor de seideravond bij hem thuis. Ik vroeg: “hoe bedoelt u?”, ik had nog nooit van seider gehoord. Hij legde me het uit en ik ben gegaan. Aan dezelfde tafel zat Elly, een vriendin van de stiefdochter van de gastheer. Het klikte direct en wij werden een stel. We trouwden in 1961 en zijn nu nog samen, inmiddels bijna 60 jaar.

Samen maakten we een heel bewuste keuze richting het Jodendom, niet religieus wel zionistisch. We zijn naar Israël gegaan op alia, maar dat was het niet voor ons. Terug naar Nederland waar we ons leven opbouwden. We werden actieve leden van de Portugees Joodse gemeente. Het Jodendom wilden we doorgeven, wij zijn Nederlanders

met een Joodse achtergrond. Zo hebben we het ook onze kinderen meegegeven. Het gezinsleven en het opbouwen van een carrière vulden de jaren. We woonden ook nog in het buitenland vanwege mijn werk. Als de kinderen iets wilden weten over de oorlog en ernaar vroegen, vertelden we erover. Maar het was vooral opbouwen, bezig zijn met leven, gezin, werk en gemeente. Tot de oproep kwam voor het proces tegen Demjanjuk, die beschuldigd werd van oorlogsmisdaden in Sobibor. Ik heb me direct, als in een refex aangemeld. Het was het enige wat ik nog voor mijn moeder kon doen, zorgen dat deze misdadiger werd veroordeeld. Om te getuigen was enorm emotioneel én ik had het niet willen missen. Soms had ik het gevoel dat ik het niet kón, niet wilde, zoveel emoties waren er. Én ik heb me vermand, ik ben vier keer naar München gereisd en elke keer ging Elly gelukkig mee. Het proces begon in 2009 en in mei 2011 is Demjanjuk schuldig bevonden en veroordeeld voor medeplichtigheid aan de

moord op circa 28.000 Joden, waaronder veel Nederlanders. Voor mij bracht de getuigenis ook iets anders. Ik begon te praten, te vertellen, met alle emoties die daarbij naar boven kwamen. Ik ervoer zelf hoe die emoties over wat er gebeurd was nog steeds voelbaar waren in mijn leven. En ik zag dat ook bij de andere Nederlandse aanklagers. Als emoties zó voelbaar doorwerken hele levens lang, dan moet je ervoor zorgen dat het nooit meer gebeurt. Dat werd één van mijn drijfveren. Zo kwam ik bij de gastlessen terecht. Ik wilde meewerken aan het voorkómen. Voorlichting geven over de waanzin en afschuwelijkheid van genocide. En ik wil zorgen dat mensen niet meer hun leven lang hoeven te lijden onder de gevolgen van die genocide. Tijd om te vertellen is er nu genoeg. De kinderen zijn volwassen, hebben allebei hun eigen gezin. Er zijn vier kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Aanleidingen om te vertellen zijn er ook genoeg. Bijvoorbeeld vorig jaar, 75 jaar na de bevrijding. Met de gastlessen bereiken we ongeveer 1/3

van de schoolgaande kinderen. Dat vind ik te weinig. Het onderwerp is zo belangrijk dat het meer aandacht verdient. Een vast lesprogramma op scholen bijvoorbeeld over Holocaust en genocides. Er zou onderwijs over gegeven moeten worden op pabo’s, over hoe dit bespreekbaar te maken in de klas. Mijn generatie sterft uit, over een aantal jaren zijn er geen ooggetuigen meer. Daarom vind ik het zo belangrijk om mijn getuigenis door te geven, juist nu.’

ACTUEEL

Een brief van Jules Schelvis

Het Verzetsmuseum Amsterdam heeft een nooit eerder gelezen, handgeschreven, brief van Jules Schelvis (1921 - 2016) ontdekt in een recente schenking. Schelvis was één van de achttien Nederlanders die vernietigingskamp Sobibor overleefde. Meer dan 34.000 Nederlanders zijn hier vermoord. Walter van Rossum in gesprek met Jos Sinnema, onderzoeker van het Verzetsmuseum.

SCHELVIS SCHREEF DE BRIEF op 7 mei 1945 in een ziekenhuis in Zuid-Duitsland. Hij was een maand eerder door het Franse leger bevrijd uit kamp Vaihingen bij Stuttgart, waar hij vanuit Sobibor met veel omwegen naartoe was gebracht. De brief is gericht aan zijn familie in Amsterdam. Op de enveloppe schreef Schelvis drie adressen, in de hoop dat op één daarvan nog iemand in leven zou zijn. Vanuit het ziekenhuis gaf hij de met potlood geschreven brief mee aan de Amsterdamse verzetsman Nico Staal, die tot de Vrij-Nederlandgroep behoorde en als politiek gevangene Dachau had overleefd.

Jos Sinnema: “Ik ontdekte de brief stomtoevallig toen ik onderzoek deed naar de verzetsman Pim Boellaard, die in Dachau heeft gezeten. Ik kwam erachter dat niet Boellaard, maar Nico Staal, samen met Eric Krop, als eerste gevangene in Nederland was aangekomen om hulp te vragen voor de Nederlanders die nog in Dachau zaten. Bij Staals zoon mocht ik thuis de papieren van zijn vader bestuderen. Er zaten veel brieven en kaarten bij van mensen die Staal vroegen om informatie over familieleden die naar Dachau waren afgevoerd. Opeens stuitte ik echter op een brief waarin iemand beschreef hoe hij met zes familieleden was weggevoerd uit Westerbork. ‘4 dagen reizen’, las ik. ‘Aankomst SOBIBOR bij Lublin.’ Ik dacht: wat is dit nu? Ik draaide de brief om en zag de naam van Jules Schelvis staan. Ik viel bijna letterlijk van mijn stoel toen ik zag wat ik in mijn handen had.”

Sinnema: “De brief is de eerste Nederlandse getuigenverklaring over wat zich in het vernietigings -

kamp Sobibor in het door Nazi-Duitsland bezette Oost-Polen heeft afgespeeld. Van de ruim 34.000 Nederlanders die naar dit kamp zijn afgevoerd, hebben er maar achttien de oorlog overleefd. Dit is dus een zeer belangrijk tijdsdocument.”

In de brief richt Schelvis zich tot zijn oom en tante en zijn nu 90-jarige neef Karel Stroz. ‘Helaas heb ik, zoals je misschien wel op de hoogte zult zijn, zeer slechte mededelingen. Van onze zeven huisgenoten […] moet ik schrijven dat naar ik kan aannemen, alleen ik ben overgebleven. De anderen zijn, helaas moet ik je het mededelen, niet meer in leven. Er moet wel een wonder gebeurd zijn, als één van hen terugkomt. [Ze] zijn, naar ik aanneem voor 99%, direct bij aankomst in het SS SONDERLAGER – SOBIBOR, bij Lublin, vergast.’ Onder hen ook Jules vrouw Rachel. Zelf werd hij ‘als door een wonder doorgestuurd als drukker.’

‘Het zal je wel pijn doen, dit alles te lezen’, schrijft Schelvis, ‘maar ik moet het je toch schrijven.’ Even verderop verontschuldigt hij zich voor zijn toon: ‘Ik schrijf dit alles zo koud, daar het vele, wat ik heb gezien en zelf heb meegemaakt, mij hard heeft gemaakt.’ Hij heeft geen idee hoe hij heeft kunnen overleven, schrijft hij. ‘Ikzelf ben als door een bovenmenselijke macht in leven gebleven, vele malen stond ik voor de dood. Vele beslissingen heb ik moeten nemen, beslissingen die leven of dood betekenden. Doch steeds was het lot mij gunstig.’

Het trauma was nog rauw toen Jules Schelvis op 7 mei 1945 potlood op papier zette om een brief te schrijven aan familie in Nederland. Nazi-Duitsland zou pas een dag later capituleren en Schelvis be-

vond zich in een ziekenhuis, vlak bij het kamp waar hij was bevrijd. Hij moest herstellen van vlektyfus en op krachten komen van twee jaar van onbeschrijfijke ontberingen. Schelvis had vernietigingskamp Sobibor overleefd en wilde zijn familie laten weten hoe het met hem ging. Nico Staal aan wie hij de brief meegaf, zou het tweezijdig beschreven velletje echter nooit afeveren. Ruim 75 jaar later, kreeg Schelvis’ neef Karel Stroz, een van de geadresseerden, het historische document eindelijk bezorgd.

Sinnema: “Waarom de brief nooit bij de familie is terechtgekomen, is een raadsel. Annie, Isaac en Karel waren namelijk nog in leven. Zij woonden ook nog op het adres dat op de enveloppe staat. Dit is het eerstgenoemde adres op de enveloppe.

Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat Staal na zijn thuiskomst werd overspoeld met brieven en kaartjes van familieleden van andere gevangenen in Dachau, die bij Staal naar hun lot informeerden. Veel familieleden zaten al maanden zonder enig teken van leven. Aan het beantwoorden van die post had hij zijn handen vol. Mogelijk is hij de brief van Schelvis daardoor domweg vergeten. Of heeft hij gedacht dat Schelvis ondertussen zelf ook wel weer thuis zou zijn. Wat ook een verklaring zou kunnen zijn, is dat het van Staals huis aan de kop van de Admiraal de Ruyterweg naar de Nieuwe Prinsengracht een fink eind lopen was. Trams reden er niet. Mensen waren verzwakt door de Hongerwinter en het ontbrak hun aan goed schoeisel. Dat gold voor Staal, die terugkwam uit concentratiekamp Dachau, hoogstwaarschijnlijk ook.”

Sinnema: “Inhoudelijk staat er niets nieuws in deze getuigenis van kamp Sobibor, dat met de grond gelijk is gemaakt. We weten inmiddels veel meer. Het is een snipper, maar wel een heel bijzondere snipper. Temeer omdat de brief zo rauw is. Schelvis is herstellende van de ontberingen en de vlektyfus. Hij heeft nog geen afstand, hij zit er nog middenin. Wat hij schrijft is nog niet gekleurd door gebeurtenissen en kennis die er later bij zijn gekomen. Het is puur, authentiek. De historische waarde zit in het moment waarop de brief geschreven is.”

Jules Schelvis begon op latere leeftijd, na zijn pensioen, te schrijven over Sobibor. Hij wilde dat de wereld zou weten welke gruwelijkheden er hebben plaatsgevonden. Uit de nu gevonden brief blijkt dat hij dit al direct na zijn bevrijding wilde. In de brief doet hij met ingehouden pijn verslag, en spreekt hij de wens uit dat dit in de krant komt: ‘Alles wat hier geschreven staat is de naakte waarheid.' Anders dan over Auschwitz was er over Sobibor kort na de oorlog nog niets bekend. De eerste keer dat de naam ‘Sobibor’ in een Nederlandse krant genoemd wordt, is december 1945. Zodra hij is hersteld, begint Jules zijn getuigenis te schrijven. Over alles wat hem de afgelopen jaren is overkomen. Dit resulteerde later in de standaardwerken ‘Vernietigingskamp Sobibor’ en ‘Binnen de poorten’.

Sinnema: “Ik had direct het besef wat ik in handen had. De brief was geopend en bestaat uit twee delen, het verslag en de brief gericht aan de familie. Je gaat terug in de tijd, alsof je in 1945 bent, op het moment

dat de familie de brief had moeten lezen.

Je bent nieuwsgierig en wilt weten wat hij schrijft, maar het voelt tegelijkertijd ongemakkelijk. Je realiseert je: deze woorden zijn bedoeld voor zijn familie; het is een brief die nooit is aangekomen.”

Sinnema: “We zijn direct nagegaan of Schelvis' neef Karel Stroz, aan wie hij mede schreef, nog leeft. Dat bleek zo te zijn. Verzetsmuseum Amsterdam wilde de brief natuurlijk graag in collectie hebben, maar uiteindelijk is het zijn brief. Ook de zoon van Nico Staal, in wiens nalatenschap de brief zat, vond dat de brief aan Stroz toebehoorde. ‘Ik wil de brief graag lezen’, zei Karel Stroz toen ik hem belde, ‘maar ik weet wat erin staat. Jules heeft het ons na thuiskomst aan onze keukentafel allemaal verteld.’ We waren ontzettend blij dat Karel Stroz ons de brief meteen gunde en zei dat dit bijzondere document in ons museum helemaal op zijn plek is.”

Zodra het museum zijn deuren weer mag openen, is de Schelvis-brief voor iedereen te zien in de entreehal..

NB: Begin dit jaar publiceerden

Duitse historici niet eerder getoonde foto's van het vernietigingskamp Sobibor. Vóór de ontdekking van die beelden van plaatsvervangend kampcommandant Johan Niemann, waren er slechts twee foto's van het kamp bekend (zie het Auschwitz Bulletin van september 2020). Op twee foto's uit het album van Niemann lijkt kampbewaker bewaker John Demjanjuk afgebeeld te staan, die op 12 mei 2011 in München werd veroordeeld voor de medeplichtig-

heid op de moord van in ieder geval 27.900 Joden in Sobibor. Zie ook het interview met Rudie Cortissos op pagina's 20/21.

Boven—Brief 1, gevouwen, 7 mei 1945

Onder—Brief 1 enveloppe, achterzijde open, 7 mei 1945

Leentjes erfenis

Een aantal maanden voor de deportaties vanuit Nederland beginnen, realiseren Maurits en Leentje Godschalk zich dat het tijd is om uit het openbare leven te verdwijnen. Ze wonen in Castricum waar Maurits een textielzaak heeft maar krijgen begin 1942 de opdracht om naar Amsterdam te verhuizen: Joden mogen niet langer in de kuststreek wonen. In die tijd zijn er veel razzia’s geweest. Veel Joodse mannen worden naar werkkampen gestuurd en Maurits vertrouwt de bezetter niet. Hij neemt daarom samen met Leentje de moeilijke beslissing om weg te gaan uit Castricum en een onderduikadres te zoeken. Hun zoon Jaap en diens vrouw Judy zullen met hen meegaan.

Maurits komt oorspronkelijk uit Ommen. Daar zijn ook zijn en Leentjes kinderen geboren. Willemina in 1911 en Jaap drie jaar later, in 1914. Na hun vertrek uit Ommen in 1921, blijft Maurits ieder jaar terugkomen naar zijn geboorteplaats en de goede contacten die hij nog steeds heeft, helpen het gezin nu om een geschikt onderduikonderkomen te vinden. Op 6 maart 1942 verlaten de twee stellen stilletjes hun woningen in Castricum en Den Helder, maar niet voordat Leentje een aantal spullen bij een betrouwbare buurvrouw achterlaat. Mevrouw Kuijs woont boven Maurits’ textielzaak en zij belooft Leentje haar art deco metalen schaal en een tweedelig roomstel te bewaren tot ze weer veilig naar huis kan komen.

Maurits en Leentjes dochter Willemina, haar man Emiel Meijers en hun vier jonge kinderen willen iets meer dan een halfjaar later ook onderduiken maar dit mislukt jammerlijk. Vanuit hun woning in Arnhem proberen ze naar een veilig onderkomen te vertrekken maar ze worden ontdekt. In een politierapport staat te lezen dat de Hoofdcommissaris van Politie aldaar een verzoek

tot hun opsporing, aanhouding en voorgeleiding doet. Ze worden ervan verdacht illegaal van woonadres te willen veranderen, wat in de volksmond betekent dat ze zijn ondergedoken, of in ieder geval een poging daartoe hebben willen ondernemen. Op 2 november 1942 worden Willemina, haar achtjarige dochter Lena, Johanna van zeven, de vierjarige Robbie en Wilhelmina van twee jaar oud vermoord in een gaskamer in Auschwitz. Emiels sterfdatum is vastgesteld op 31 maart 1944, ergens in Midden-Europa.

Maurits, Leentje, Jaap en Judy zijn ondergedoken in een afgelegen boerderij bij Ommen. Wanneer er gevaar dreigt, moeten de vier onderduikers zich in een schuilplaats in het bos bij de boerderij verbergen tot de kust weer veilig is. Dit gaat goed tot zaterdag 13 november 1943. In de buurt van Ommen stort die dag een geallieerd vliegtuig neer. De bewakers van het nabijgelegen strafkamp Erika worden erop uitgestuurd om de situatie te inspecteren en komen bij toeval Maurits, Leentje, Jaap en Judy tegen die haastig op weg zijn naar hun veilige schuilplaats. Maurits probeert nog te vluchten maar dat

mag niet baten. Hij wordt neergeschoten en overlijdt ter plekke aan zijn verwondingen. Leentje, haar zoon en schoondochter worden gearresteerd en de volgende dag naar een politiecel in Zwolle overgebracht en van daaruit naar Westerbork gedeporteerd. Zes dagen na haar arrestatie wordt Leentje samen met haar schoondochter Judy direct na aankomst in Auschwitz vergast. Jaaps offciële sterfdatum is – net als die van zijn zwager Emiel – vastgesteld op 31 maart 1944. Waar hij precies wordt vermoord, is niet duidelijk. Enkel dat het ergens in Polen moet zijn geweest.

Onderzoeker Gerko Warner doet sinds 2012 historisch onderzoek naar de Ommense Joodse geschiedenis. Voor Joodse Huizen 4, schreef hij een indrukwekkende bijdrage over de familie Godschalk en daarnaast heeft hij onderzocht of de familie nog nabestaanden had. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Castricumse onderzoeker Annette Beentjes afgelopen september bij hem terecht kwam met de vraag of hij haar wellicht zou kunnen helpen. Haar plaatsgenoot Truus Zonneveld-Kuijs, de nu 85-jarige dochter van Maurits en Leentjes vroegere bovenbuurvrouw heeft iets in haar bezit waarvan ze hoopt dat hier een goede bestemming voor gevonden kan worden. ‘Ik ben zo blij dat mijn moeder en daarna ik het altijd bewaard hebben’, vertelt ze later in het Noordhollands Dagblad . ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat het waarde had. Niet in geld, maar iets belangrijks dat behouden moest blijven.’

De nu 83-jarige Rudy Meijers groeit na de oorlog op in het gezin van zijn oom Michel, een broer van zijn vader. Zijn eigen ouders, Jaap en Elisabeth Meijers zijn in Auschwitz vermoord maar voor Rudy hadden ze een fjn en veilig onderkomen weten te vinden bij de familie Verboom in De Meern, waarvan de

vader een zakenrelatie van Jaap was geweest. Biologisch zijn Michel en zijn vrouw Paula Rudy’s oom en tante, maar hij noemt hen zijn vader en moeder en zijn twee neven Jaap en Leo zijn broers. Het onderwerp oorlog is altijd prominent aanwezig in het gezin maar toch wordt het oorlogsverleden niet veel besproken. Paula heeft haar enige zusje met haar man verloren en Michel twee broers met hun gezinnen en zijn enige zus met haar man en vier kinderen. Toch kan Rudy één-op-één wel met Michel en Paula over de oorlog praten, vooral binnen de context van zijn vermoorde ouders.

De oude familieverhalen vertelt hij nu door aan zijn eigen kinderen en kleinkinderen, al heeft hij zelf helaas geen herinneringen aan zijn ooms en tantes. Tante Willy kent hij bijvoorbeeld alleen van naam en als de vrouw van zijn oom Emiel. Hij weet dat haar meisjesnaam Godschalk was geweest en hij kent de trieste geschiedenis van het gezin. Leentje Godschalks art deco schaal en roomstel, waren Rudy tot een paar maanden geleden nog totaal onbekend. Tijdens een bijeenkomst in het gemeentehuis van Castricum op maandag 14 december 2020, nemen hij en zijn broer Jaap Leentjes erfstukken van Truus Zonneveld in ontvangst. ‘Een wonder,’ noemt burgemeester Toon Mans het verhaal. ‘Dat de brokstukken min of meer aan elkaar gelijmd zijn na 78 jaar, is iets dat hoop geeft, en hoop doet leven.’

Jarenlang waren de lemma’s van de familie Godschalk en die van Emiel Meijers, zijn vrouw en hun vier jonge kinderen op het Digitaal Joods Monument leeg. Door het

uitgebreide onderzoek dat Gerko Warner naar de families deed, hebben zij – ook op joodsmonument.nl – hun verhaal teruggekregen. Het vervult Rudy en Jaap van blijdschap, al emotioneert het hen toch ook. Vooral nu de levensverhalen van hun (indirecte) familie door de voorwerpen in zekere zin tastbaar geworden zijn. Leentje, Maurits, hun kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen zijn niet langer naamloos en hun verhalen hebben nu een achtergrond gekregen. Rudy en zijn broers gaan kijken of de schaal en het roomstel misschien een plek in het Joods Historisch Museum kunnen krijgen. Vooralsnog staan ze echter bij hem op tafel en vindt hij het fantastisch dat ze al die tijd bewaard zijn gebleven. Ondanks het feit dat er geen rechtstreekse familieband bestaat tussen hem, Jaap en Leo en de familie Godschalk – anders dan het zijn van de schoonfamilie van hun oom Emiel – voelt het nu, bijna acht decennia later alsof de cirkel rond is.

COLUMN

AWRAHAM MEIJERS

GOED NIEUWS : De overheid schakelt een coördinator in om het antisemitisme in ons land aan te pakken. Eindelijk dus het eeuwenoude probleem met wortel en tak elimineren.

Het zaadje van die wrok is ruim 2000 jaar geleden geplant. Het schijnt dat toen, tijdens de kruisiging van Jesjoea, een handjevol toeschouwers geroepen heeft: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’. Gevolg van deze bespottelijke hartenkreet was dat ‘onze kinderen’ eeuwenlang zijn gediscrimineerd, vervolgd, en vermoord, met als dieptepunt de Shoa.

Een pijnlijke herinnering uit mijn jeugd, een jaar na WOII. Ik zat op de christelijke kleuterschool, de openbare was geen optie omdat de kleuterjuf van die school ‘het’ met de mofen had gedaan. Tja. Ik kreeg wel eens klappen van de kinderen omdat ik ‘De Heere Jezus had vermoord’. Mijn moeder raadde mij aan om die kleine klootzakjes – of woorden van die strekking – duidelijk te maken dat Jezus ook een Jood was. Kort daarna was het weer raak en legde ik mijn vrome belagers uit dat Onze Lieve Heer ook een Jood was. Gelukkig kwam de juf aangesneld. Ze joeg de meute weg en stelpte mijn bloedneus.

Ik herinner mij een ontmoeting met een oude kennis, die meende dat, hoewel ik journalist ben, dit voor mij toch ‘gewoon handel’ moet zijn. Tja, Joden en handel, een duivelse kongsi. Onlangs zijn in Lochem (we hebben daar een tweede huisje) verkeersborden met hakenkruizen beklad en teksten aangebracht als Sieg heil. Volgens een rapport van het CIDI is sinds vorig jaar de discriminatie sterk toegenomen. Er zijn dit jaar 182 antisemitische incidenten gemeld, een toename van 35 procent (!) ten opzichte van 2019. Dit is het grootste aantal

HET ANTISEMITISME NEDERLAND UIT?

ALS EEN ANTISEMIET DOOR EEN JOOD VAN DE VERDRINKINGSDOOD WORDT GERED,

ZAL DEZE LATER BEWEREN DAT DIE JOOD HEM IN HET WATER HAD GEDUWD

incidenten in de dertig jaar dat deze cijfers worden bijgehouden. Haatberichten op de sociale media zijn niet meegeteld in het overzicht. Sinds circa de veertiende eeuw wordt de mensheid getergd door epidemieën, en zijn Joden de zondebok. Zij werden vervolgd en vermoord. Dat was ten tijde van het christelijk antisemitisme. Inmiddels is die vorm van Jodenhaat nagenoeg verdampt. Een van de laatste stuiptrekkingen van die traditie was de ‘boodschap’ van het evangelistenechtpaar Lucas en Jenny Goeree dat stelde dat de Joden de Holocaust over zichzelf hadden afgeroepen door Jezus niet als de Messias te erkennen. In deze tijd zijn het vooral complotdenkers die ervan overtuigd zijn dat bijvoorbeeld John Kennedy en Pim Fortuin direct of op instigatie van Joden zijn vermoord. Dat de Islamitische terreurgroep IS een crypto-Zionistische organisatie is, moge duidelijk zijn. Na de uitbraak van corona zijn ook in ons land complotdenkers dag en nacht bezig te ‘bewijzen’, dat de Joden hier achter zitten. Oud-hoogleraar, politicoloog en virulent anti-Zionist, Kees van der Pijl, beweerde al in een vroeg stadium van de coronacrisis dat Israël waarschijnlijk achter het virus en verspreiding hiervan staat. Hierin werd hij bijgevallen door kampioen complotdenken, de journalist/schrijver en emeritus-hoogleraar Karel van Wolferen. Het waterdichte bewijs van de geleerde heren is: ‘Het feit dat Israëlische wetenschappers al vrij snel aan een anticorona-vaccin werkten’.

De Holocaust als Jodenleugen is een godgeklaagd voorbeeld van het nieuwe antisemitisme. Schrijver/acteur Haye van der Heyden is een van de oprichters van ‘Ongehoord Nederland’, de omroep in oprichting die propageert: ‘De stem te vertolkten van Nederlanders die

niet gehoord worden’. In het radioprogramma ‘De Perstribune’, waarin hij werd geïnterviewd, was een gestelde vraag welke ‘ongehoorde groepen’ een podium krijgen bij zijn omroep. Van der Heyden antwoordde dat er twee onderwerpen zijn waarover discussie bestaat binnen zijn redactie; pedoflie en Holocaustontkenners: “Dat zijn onderwerpen waarvan je zegt: Al s die mensen zich ongehoord voelen, moet je die dan een podium geven?’’ Hierop vroeg presentatrice Margreet Reijntjes of hij vindt dat je Holocaustontkenners een podium moet geven. Zijn antwoord was glashelder: “Ja, dat vind ik wel, ja. Ik vind in wezen dat alle ongehoorden iets mogen zeggen’’. Een ongehoorde gotspe van die Van der Heyden. De Joden dus niet, maar de niet-Joden zuchten onder de gesel van het coronavirus, er is angst, leed en onzekerheid, er zijn wereldwijd circa 1.8 miljoen sterfgevallen. En jawel, de complotgekkies weten dus dat het de Joden – ook wel Zionisten genoemd – zijn die dit hebben bekokstoofd.

Kortom, er is zoveel (toenemend) antisemitisme en racisme in ons land, dat ik mij af vraag wat een coördinator in vredesnaam kan uitrichten om dit probleem op te lossen. Ik neem aan dat hij/zij daarvoor wordt aangesteld. Of moet het vraagstuk slechts ‘in kaart’ worden gebracht? —

BOEKEN EN ZO

SARAH BREMER RECENT VERSCHENEN

De Nederlandse Kring van Joodse Genealogie heeft een indrukwekkend boek uitgegeven waarin veertig leden het verhaal vertellen van Joods Verzet. In tegenstellling tot het beeld dat Joden zich als makke schapen lieten wegvoeren, blijkt uit de verhalen dat Joden zich niet lieten terroriseren. Bijna 30.000 Joden doken onder, ondanks de overmacht van de bezetters en de collaboratie van de overheid, ondanks de onverschilligheid die bij de

Henriëtte Pimentel ontwikkelde de professionele kinderzorg in de 20e eeuw. Ze was vooruitstrevend, betrokken bij politiek en vrouwenbeweging.

“Wacht maar als ik eens een school opricht...hoe precies ’t zal worden weet ik niet, maar ’t moet helemaal anders....” aldus Henriëtte als jong meisje tegenover haar lerares. En het werd anders, haar crèche. Bijna

Theo van Leur was tijdens de oorlog een door de bezetter aangestelde ‘burgemeester’ van Amerongen. Maar in werkelijkheid was Theo van Leur de Joodse Ab Roos, die als onderduiker vertegenwoordiger Theodorus Marinus van Leur wérd. Via zijn zoon Jaap is het verhaal nu opgeschreven. Een verhaal over moed, vindingrijkheid en groot doorzettingsvermogen. “Een einde aan de komedie. (….)

niet-Joodse landgenoten overheerste. Ook Joden vochten terug. Ze schreven voor illegale bladen. Ze probeerden de deportaties te ontregelen met brandbommen en aanslagen. Ze sloten zich aan bij verzetsgroepen, of vormden ze. Het Joodse verzet kwam voort uit alle lagen van de Joodse bevolking verspreid over het hele land en kende vele vormen. Zoals de Porgel en Porulangroep van Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen, die voor een groot

met pensioen brak de Tweede Wereldoorlog uit; met haar betrokkenheid zette ze een plan op en redde zo’n 600 kinderen het leven. Het lot van haar familie veranderde dramatisch in 1943. Het boek 1943 gaat over de bijzondere geschiedenis van de familie Pimentel. Beide boeken samen geven een compleet en indrukwekkend beeld van betrokken mensen die

Eindelijk weer kunnen denken en zeggen wat je wil, geen rol hoeven spelen, jezelf niet groter hoeven voordoen dan je bent.” Zo beschrijft Abraham Roos zijn gevoel nadat Nederland eindelijk bevrijd is. Dit boek vertelt het onwerkelijke verhaal over hoe Ab noodgedwongen Theo van Leur werd. Hoe hij als vertegenwoordiger van de Ortskommandant van Amerongen de ‘burgemeester’

deel bestond uit mensen met een Joodse achtergrond. “Of we iets gingen doen, was niet aan de orde. Dat was vanzelfsprekend. Onze gesprekken draaiden om de vraag waarmee we zouden beginnen.”

NKvJG, Gezichten van Joods verzet. Amsterdam, 2020 (388 blz.), isbn 9789082275810 , €21,50. Bestellen via www. nljewgen.org/gezichten-van-joods-verzet/

gedreven hun leven inzetten voor hun sociaal en menselijke overtuiging. Aanraders!

shaya/hemminga , Wacht maar-Het veelbewogen leven van Henriëtte Pimentel, 2020 (266 blz.), isbn 9789064461224, €22,00 dijkman/weerstra , 1943-Het lot van de familie Pimentel, Amphora, 2020 (316 blz.), isbn 9789064461231, € 22,50

was van het Utrechtse dorp en in die hoedanigheid in het geheim voor de Nederlandse ondergrondse en de Amerikaanse inlichtingendienst werkte. Een boek over een markante man en over het schrijnende verhaal van zijn familie en zijn vrienden.

jaap roos, Joodse ‘burgemeester’ in oorlogstijd, Amphora, 2020 (170 blz.), isbn 9789064461194, €20,00

Het is altijd

druk bij Slagerij Zikking & Zn!

Marathonweg 52, 1976 TB Amsterdam

telefoon 020 – 66 28 652

Steun nu het holocaust namenmonument nederland

DUIZENDEN GINGEN U AL VOOR. GA NAAR ONZE WEBSITE EN DONEER. DE BOUW IS AL GESTART! WWW. NAMENMONUMENT.NL

Drukkerij Peters Amsterdam BV

Tel. 020 - 696 34 34 info@drukkerijpeters.nl www.drukkerijpeters.nl

Auschwitz Comité. L. Tertaas Gebro Sales bv hoge service, persoonlijke aanpak

Schepenbergweg 33 1105 AS Amsterdam-Zuidoost

Discriminatie en vervolging bestaan nog steeds. Er is dus reden genoeg om het verleden actueel te houden.

Daarom steun ik het werk van het Nederlands

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Auschwitz Bulletin, 2021, nr 01 by Nederlands Auschwitz Comité - Issuu