Skip to main content

Auschwitz Bulletin, 1995, nr. 03 April

Page 1

39e j a a r g a n g , n r . 3 , A p r i l 1 9 9 5 . V e r s c h i j n t 6 x p e r jaar

Een uitgave van het Nederlands Auschwitz Comité; postbus 74131, 1070 BC Amsterdam

A u s c h w i t z Bulletin Om een leefbaar leven Koningin Beatrix heeft een officieel en kort bezoek gebracht aan Israël, het land dat na de Sjoa door de kersverse Verenigde Naties werd opgericht. Om iets goed te maken, lijkt het. Er is meer aandacht dan ooit voor die Sjoa. Literaire en filmprijzen dalen als dauw neer op werken over de gruweljaren. Zelfs een enkele anti-semitische uitval en commentaren daarop vullen pagina's. En het vermaarde beeld van het zwaarmoedige meisje tussen de luiken van de goederenwagon kon ons worden voorgesteld als het zigeunermeisje Settela.

Veel oefening voor Auschwitz Meer dan ooit staat het grensgebied tussen leven en dood onder de schijnwerpers. Wij allen weten hoe ons voorgeslacht, en wij dus ook, levensonwaardig werd verklaard en vermoord door de Nazi's, de meest consequenten aan de aloude stam van de anti-semieten. Nog pas is gewezen op de peetvaders van Hitier, de Stürmer, en wat dies meer zij. De Engelsman M. Burleigh constateerde in zijn studie over zogenaamde euthanasie in Duitsland (1900-1945) dat 200.000 geestelijk gehandicapten en invaliden, vooral kinderen, door Duitse medici waren gedood, soms lang vóór de Endlösung. Maar ook elders, vooral in Amerika, maakte de "eugenetica", het verkrijgen van "goede" nakomelingschap, opgang. Een theorie met succes. Een vingeroefening voor Auschwitz, zo noemde prof. Dunning de medewerking van artsen aan de Sjoa al vanaf de voorbereiding. Met een Amerikaanse aanklager ziet hij hoe door het zwijgen van de goeden het kwaad kon toeslaan. Er werd en wordt veel misdreven en nagelaten tegenover

*

'-

-";->*> :

gehandicapten.

/

De slag om heden winnen De wetenschap, de communicatie en ook het huishouden zijn in de afgelopen eeuwhelft op vaak verbluffende wijze gegroeid en vernieuwd. Dit geldt op veel manieren voor de samenleving. Een baby van nu kijkt rond in een andere wereld dan wij deden. Maar soms zeer oude kwalen bleken in dat omgeploegde zaailand springlevend of toch ontkiemend. Reden genoeg om twijfelend op 1945 terug te zien. Maar dat zou wel eenzijdig zijn. Want rechts en links ontspringt nieuw leven. Het gaat erom, zei Maurice Goldstein, de pas tot baron verheven voorzitter van het Internationaal Auschwitz Comité, het gaat erom de slag van heden te winnen. Generaties na ons zijn opgestaan en naast ons gekomen, heel verschillend van inzicht en stijl, maar wars van de wanen en dwang van het voorgeslacht en eenvoudig bezield van een eenvoudig doel: een leefbaar leven.

Eva Tas

.


Nederlands Auschwitz Comité Ere-voorzitter: Annetje Fels-Kupferschmidt Voorzitter: Anita Löwenhardt Secretariaat: H. Sarfatij Postbus 74131, 1070 BC Amsterdam tel/fax 020-6723388 Penningmeester: J. M, Waterman, Wulp 30, 1111 WJ Diemen tel/fax 020-6996562 Bankrek: ABN/AMRO, nr. 40.01.75.088. postbank 293087 en 4875500. Hoofdredactie: drs. Eva Tas Redactie: Max Arian, Anet Bleich, Clairy Polak Redactie-adres: Nieuwezijds Voorburgwal 286, 1012 RT Amsterdam tel. 020-6261353 Abonnementenadministratie: Jacques Grishaver, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen tel. 020-6990658 Met naam ondertekende artikelen zijn voor verantwoording van de schrijver en vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijze de mening van het Nederlands Auschwitz Comité.

Elie Wiesel in Auschwitz, 26 en 27 januari 1995

'Het gaat om onze kinderen, opdat ons verleden niet hun toekomst zal zijn Tijdens de plechtigheden ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz, 50 jaar geleden, heeft de bekende schrijver en kamp-overlevende Elie Wiesel twee keer het woord gevoerd. Op 26 januari met enige geïmproviseerde opmerkingen bij de joodse plechtigheid in Birkenau. De dag daarna een korte redevoering op de officiële plechtigheid, eveneens te Birkenau. Hieronder drukken wij beide uit het Engels vertaald af. 26 januari 1995 'Broeders, Joden. We zijn hier samengekomen in opdracht van onze herinnering. Wie zal weten wat we op deze plaats hebben geleerd? Wie zal het begrijpen? Wie zal het willen weten? God van vergiffenis, schenk geen vergiffenis aan hen die deze plek hebben gecreëerd. God van genade, heb geen genade voor hen die hier Joodse kinderen hebben vermoord. Vergeef niet de moordenaars, noch hun medeplichtigen wier werk het was om te doden... Herinner de nachtelijke optochten van kinderen, zoveel kinderen, allemaal zo wijs, zo angstig, zo mooi.. Als we nu maar één van hen terug zouden kunnen zien, zou ons hart breken. Maar de harten van de moordenaars werden niet gebroken. God, God van mededogen, heb geen mededogen met hen die geen mededogen hadden met de Joodse kinderen. Natuurlijk, er bestaat geen collectieve schuld. Alleen de schuldigen zijn schuldig. Hun kinderen zijn kinderen. Daarom keren we ons tot alle kinderen van de wereld en vragen hun: herinner je de Joodse kinderen. En als jullie die herinnering oproepen, zoals we nu trachten te doen, bestaat er hoop dat, dankzij ons vermogen tot herinneren, er op een dag een betere wereld zal verschijnen, een wereld waarin kinderen gelukkig zouden zijn... Ze zouden daar kunnen glimlachen, kunnen zingen en elkaar bij de hand kunnen nemen en zeggen: kijk, naar een nieuwe zonsopgang, een nieuwe dag. En die draagt een nieuwe belofte voor de mensheid.' 27 januari 1995 Yitgadal, veyitkadash, shme rabba: Op deze plek van duisteren vervloeking kunnen we alleen maar staan in ontzetting en de leeftijdloze, gezichtloze en naamloze schachtoffers herdenken. Sluit uw ogen en kijk: eindeloze nachtelijke optochten komen hier 's nachts samen, hemel en hart staan hier in brand. Sluit uw ogen en luister: luister naar de stille kreten van doodsbange moeders, luister naar de gebeden van gepijnigde oude mannen en vrouwen, luister naar de tranen van kinderen, Joodse kinderen, een beeldschoon klein meisje tussen hen wier tere kwetsbaarheid me altijd is bijgebleven. Kijk en luister als zij rustig naar de donkere vlammen lopen, die zo gigantisch zijn dat de planeet zelf in gevaar leek te zijn. Ze waren overal vandaan gekomen, uit alle hoeken van de ballingschap, met hun ouders en grootouders, met hun vrienden en onderwijzers, onverbiddelijk waren ze toegezogen naar de plek waar ze dachten een tijdelijk tehuis te vinden; maar het bleek voor hen de laatste plek te zijn. Hun huis was de dood. Yitgadal - veyitkadash, shme rabba: Kijk en luister, en vraag uzelf zoals wij toen deden: heeft de Geschiedenis zijn


einde gevonden in Birkenau? Werd er het dagen van een nieuw tijdperk aangekondigd, een nieuw tijdperk van angst en kwelling, kwelling en dood? Wat ging er mis tijdens de schepping, en met de schepping? Bedekte God Zijn gezicht om niet te zien wat er gedaan was met Zijn heiligdom geschapen door het menselijke hart? Wat was Birkenau: een einde of een begin? Voorafspiegeling of eindpunt? Was het een brute laatste stuiptrekking van de demonische krachten in de Geschiedenis? Of was het misschien een waarschuwing voor wat nog staat te gebeuren? Yitgadal, veyitkadash, shme rabba: Nu, net als toen, vragen wij de vraag van alle vragen: was was de betekenis van dat wat zich zo routinematig - ja, vrienden: routinematig - afspeelde in dit koninkrijk van de eeuwige nacht. Er werd hier een nieuwe maatschappij gecreëerd met zijn eigen wetten en taal, zijn eigen sociale structuren en psychologische valkuilen en begrenzingen. Wat voor soort zieke geest zou dit systeem hebben kunnen uitvinden? Tot welk doel? En het werkte. De moordenaars moordden, de slachtoffers kwamen om, en de wereld bleef de wereld. Of het nu een keerpunt was of een waterscheiding, Birkenau produceerde een mutatie van kosmische afmetingen, die dromen en daden van de mensen heeft aangetast. Na Auschwitz is de wijze waarop mensen leven niet meer hetzelfde. Na Auschwitz zal niets ooit meer hetzelfde zijn. Yitgadal, veyitkadash, shme rabba: Als we ons de eenzaamheid en het lijden van de slachtoffers herinneren, laten we dan plechtig verklaren dat deze dag onze verplichting markeert om hun dood te herdenken, maar niet om onze eigen onwaarschijnlijke overwinning van de dood te vieren. Natuurlijk herinneren we ons de bevrijding van Auschwitz door het glorieuze Rode Leger, maar we kunnen niet vergeten dat haar soldaten zo laat kwamen, te laat voor tevelen. Als we nadenken over het verleden, moeten we ons richten op het heden en de toekomst. In de naam van al wat heilig is in de herinnering, laten we een einde maken aan het bloedvergieten in Bosnië, Rwanda en Tsjetsjenië, aan de gemene en meedogenloze terreur-aanvallen tegen Joden in het Heilige Land; laten we religieus fanatisme en raciale haat nog duidelijker verwerpen en bestrijden. Vooral vanwege onze kinderen moeten we Birkenau in herinnering houden, zodat ons verleden niet hun toekomst wordt. Yitgadal - God van de herinnering. Veyitkadash - God van de heiligheid. Shme rabba: ween voor Uw kinderen om wier dood toen niet is gerouwd; ween voor hen, onze Vader in de hemel. Zij werden zelfs beroofd van hun recht om te worden begraven, de hemel zelf is hun begraafplaats geworden.

In memoriam Ro en Loek Corper Binnen een week verloren wij Loek en Ro Corper. Zij, als 14-jarige naar Auschwitz gesleept, hoorde tot de jongste overlevenden; hij, 6 jaar ouder, heeft bijna 3 jaar Auschwitz weten te overleven. Ro heeft jarenlang lotgenoten met adviezen bijgestaan. Loek heeft veel reumalijders naar behandeling gereden en als altijd opgewekt bijgestaan. Hij is onverwacht gestorven. Ro, al enige tijd hulpbehoevend, is hem na enkele dagen gevolgd. Wij hebben het slot van hun activiteit onlangs in Bergen gevierd en voelen mee met hun zoon Don, hun schoondochter en kleindochters. Zij hadden een zwaar lot te dragen en hebben dat zonder ophef gedaan. Wij blijven aan ze denken.

Nederlands Auschwitz Comité


Auschwitz dient bewaard te blijven als constante waarschuwing:

Herdenkingen

'Auschwitz behoort de ganse mensheid'

23 april: Internationale herdenking in Ravensbrück, Inlichtingen: Comité Vrouwen van Ravensbrück, tel. 02248-1906 of 02207-40728 26-28 april: Herdenking 50 jaar RIOD met een historiografische conferentie, gewijd aan de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in internationaal comperatief perspectief, inlichtingen: Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie, tel. 0205233800

Samenvatting van de redevoering van prof. baron Maurice Goldstein, voorzitter van het Internationaal Auschwitz Comité, ter gelegenheid van de 50ste Auschwitz-herdenking in Amsterdam op 29 januari 1995

*

28 april tot 6 mei: Ontvangst 250 piloten die voedsel dropten, kerkdienst, dodenherdenking te Rotterdam, bevrijdingsdefilé in Wageningen. Inlichtingen: Stichting Voedsel en Vrijheid, tel. 01806-18341

De wereld die we thans beleven, beantwoordt niet aan onze verwachtingen die we ons stelden op het einde van onze gevangenschap, toen Europa bevrijd werd van de nazi-nachtmerrie. Wij hadden vijftig jaar geleden een rechtvaardiger wereld voor ogen. Het zou een billijker wereld worden zonder discriminatie, zonder neo-nazi's en skin-heads, zonder racisme, xenofobie en anti-semitisme. Zoals ik, houdt u er een vrij kritisch oordeel op na over onze maatschappij, die geconfronteerd wordt met een diepe veelzijdige crisis, gekenmerkt door nationalistische aberraties met hun onvermijdelijke gevolgen van intolerantie, uitstoting en afkeer. (....)

4 mei: 20.00 uur Nationale herdenking en kranslegging bij het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam en plaatselijke herdenkingen in bijna alle gemeenten in Nederland. Inlichtingen: Nationaal Comité 4 en 5 mei. Rapenburgerstraat 109, tel. 020-6209688 4 mei: 20.00 uur Herdenking Waalsdorper vlakte. Inlichtingen Stichting Nationale Herdenking, tel. 0703635037 of Gemeentelijk Informatiecentrum Den Haag, tel. 070-3533777 4 mei: 20.00 uur Herdenking Kamp Westerbork. Inlichtthgen: Herinneringscentrum Kamp Westerbork, tel. 05939-2600 5 mei: Nationale viering van de bevrijding en plaatselijke vieringen in bijna alle geJ ihientéfi in Nederland

Vijftig jaar geleden - 27 januari was het mijn 23ste verjaardag - genoot ik van mijn eerste dag in vrijheid in Auschwitz. Zoals vele overlevenden van de naziconcentratiekampen droomde ik van een wereld bevrijd van de bruine pest. Ik dacht toen niet dat ik 50 jaar later nog zou moeten getuigen, tezamen met de hier aanwezige ex-gevangen kameraden en diegenen die de bevrijding van Auschwitz herdenken, om aldus de talloze slachtoffers van Auschwitz-Birkenau te herdenken en te eren. Wij vergeten hierbij nooit onze uitgeroeide kameraden van de duizenden andere nazi-gevangenissen en -kampen.

Moet men vandaag nog spreken over de bevrijding van Auschwitz 50 jaar geleden? Auschwitz staat door de omvang van de geplande uitroeiing en de georganiseerde volkerenmoorden op joden, Sinti en Roma, in het bijzonder door middel van gaskamers, symbool voor alle bedreven misdaden onder de dekmantel van de ideologie en de nationaal-socialistische politiek. (...) *

S

Vlak na de oorlog namen de extreem-rechtse groepen en oud-nazi's afstand van de fascistische politiek die verantwoordelijk was voor de dood van 50 miljoen mensen. Geleidelijk echter hebben de extreem-rechtse groepen aangetoond dat hun samenlevingsmodel nog steeds hetzelfde is als toen. De extreem-rechtse feniks is uit zijn as herrezen, de bruine pest bevindt zich opnieuw onder ons, vóór onze deur. Sommigen hebben de mildheid van de Europese rechtbanken aan de kaak gesteld, die de nazi-misdadigers, onze vroegere beulen, moesten oordelen. Anderen hebben de moeilijkheid van oud-gevangenen om over hun kampleed te spreken gelaakt. Het is slechts nadat leugenachtige campagnes over de trieste realiteit van Auschwitz op gang kwamen, dat veel overlevenden uit hun schulp zijn gekropen om te getuigen. Voor hen was het onmogelijk nog langer niet te reageren op de neo-nazi-manifestaties en -publikaties met pure geschiedsontkenning van feiten die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog voordeden. Uitingen die de nazi-misdaden loochenen of minimaliseren, waaraan de herinnering ons nog steeds achtervolgt. Zoals ik u toespreek zie ik nog steeds voor ogen het onverdraaglijke beeld van die ouderen, die vrouwen en die kinderen die zonder medelijden, na de selectie bij aankomst in Auschwitz, naar de vrachtwagens werden gedreven die hen naar de gaskamers transporteerden. Wij wisten toen nog niet dat wij ze nooit meer zouden terugzien. Wij zullen nooit de beklemmende scènes vergeten die zich praktisch dagelijks in Auschwitz voordeden. (...) De ruïnes van het nazi-kamp Auschwitz-Birkenau vormen hedentendage het


grootste kerkhof zonder grafstenen, waar de as van ontelbare slachtoffers werd verstrooid. Auschwitz, een schending van de mensenrechten zonder precedent, moet in onze ogen voor eeuwig bewaard blijven als een constante waarschuwing voor de mensheid. Als litteken in het hart van Europa moet Auschwitz, dat aan de ganse mensheid toebehoort, niet alleen beschermd, maar ook behouden blijven. Auschwitz dient derhalve beschut te worden tegen elke politieke, nationalistische, filosofische of godsdienstige poging tot eenzijdige toeëigening. (...) Sedert een tiental jaren zijn Duitse historici bezig met een zogenaamde herziening van de geschiedenis van de nazi-periode. Hun publikaties hebben de befaamde "Historikerstreit" uitgelokt. Dit debat over het unieke karakter van de volkerenmoord op de joden mag niet worden verward met de groteske hersenspinsels van de geschiedsontkenning der neo-nazi's, die internationaal georganiseerd de wereld in opschudding pogen te brengen. Het is algemeen bekend dat deze geschiedschrijvers, gelijk valse wijzen, het Duitse volk proberen te verzoenen met het verleden. Ze veroorloven zich vrijheden ten opzichte van de realiteiten van de geschiedenis, door de vergelijking van andere misdaden met die, welke plaatsvonden in Auschwitz. Zodoende banaliseren ze de wreedheden van de nazi-criminaliteit, in het bijzonder de uitroeiing van de joden, Sinti en Roma. Het juiste aantal slachtoffers van Auschwitz-Birkenau zal wel nooit bekend worden; 60 tot 100 % van de joodse nieuwkomers werd nog dezelfde dag van aankomst vergast, zonder geregistreerd te zijn, zonder enig administratief spoor na te laten. Volgens recente bronnen mag men hun aantal schatten op bijna twee miljoen. De slachtoffers waren afkomstig uit meer dan twintig verschillende landen, het merendeel van hen waren joden. Indien de stemmen van de miljoenen uitgeroeide menselijke wezens in Auschwitz konden worden gehoord, zou het een geweldige schreeuw zijn. Het zou de meest verschrikkelijke waarschuwing zijn ooit de mensheid voor de voeten geworpen. Maar die stemmen zijn uitgestorven. Het is de herinnering aan deze slachtoffers die de overlevenden belet te vergeten of te vergeven.

Herdenking bij het Spiegelmonument 'Nooit meer Auschwitz' op 29 januari 1995 (foto Han Singels)

5 mei: Herdenking capitulaties 1945 in Wapeningen, défilé met geallieerde en Nederlandse; oud(verzets)strijders en eenliéden van de krijgsmacht. Inlichtin gen: Nationaal Comité Herdenking Capitulatie Wageningen, tel. 03430-13718. Een overzicht van de herdenkingen die worden georganiseerd naar aanleiding van de 50ste viering van de bevrijding staat in de Activiteitenkrant '45-'95. Deze krant ligt ter inzage bij de openbare bibliotheken, VVV-kantoren en gemeenten.


Monowitz

Voorstellingen Het toneelstuk naar het Dagboek van Anne Frank wordt tot eind mei op verschillende plaatsen in het land opgevoerd met o.a. Josée Ruiter, Boudewijn de Groot en Cléo Dankert. Inlichtingen over de tourneeplanning en kaartverkoop: De Nationale Theaterkassa, tel 06-9203 28 en 29 april, 3 en 4 mei 21,00 uur 'Binnen de Poorten', 50 mannen, vrouwen en kinderen uit Geldermalsen vertellen het verhaal van Jules Schelvis, het ver, haal'vart een joodse4»an, di» aërrde nwordi^ttn-So^ Htferew Austihvvitst wist *4" / onfkomèh- eh nu rij,, rnaar" ' vooraltijd bep|èl|»:d©erdie ' :

^eh'èiiStt^errierha-'';

:

'tenjie-lieihneringen,tussen; oni;fcffli; l # a t f e Veaing--" vereniging Geldermalsen, Deilseweg 7, Geldermalsen. Reserveringen: Cultureel Centrum 'Opus 5', tel. 03455-71621 4 mei 20.30 uur 'Stilte'. Acteur/schrijver Ab van der Linden en medespeler Ebbo de Jong geven het probleem van een oorlogssyndroom weer en brengen een hommage aan de verzetsstrijder. Zij belichten daarbij ook hedendaagse verschijnselen. Locatie: de Alkeburcht in Roelofarendsveen. Toegang gratis, een bijdrage in de huur van de zaal wordt op prijs gesteld. De voorstelling is tevens te zien op 30 april om 15.00 uur in buurthuis Dé Vierhoek, Nicolaas Beetsstraat, Amsterdam.

"De dag dat we in Auschwitz aankwamen, was het prachtig weer. Nadat we kaalgeschoren en ontsmet waren en een nummer in de arm getatoeëerd hadden gekregen, gingen we dezelfde dag naar het werkkamp Monowitz, vlakbij Auschwitz. Ze vroegen daar wat je kon, onder meer of iemand iets van tuinen wist. Als je iets gevraagd werd, moest je dat altijd meteen kunnen. Dus ging ik eten kweken voor de SS. Twee weken heb ik het heel goed gehad, tot er onder de Nederlanders difterie uitbrak en we dat werk niet meer mochten doen vanwege het besmettingsgevaar. Vervolgens moest ik werken in een buitencommando, bij de rioolzuivering die werd gebouwd voor het industriecomplex Buna. Dat was heel zwaar en ik hield m'n mond niet en kreeg dus straffen, zoals in je eentje een biels of twee zakken cement dragen. Ik werd toen zo slecht dat ik dacht: als ik hier blijf, ben ik binnen de kortste keren dood. Nou wist ik dat als je een arbeidsongeval kreeg, je 'vrijgesteld' werd. Krankzinnig: als je ziek werd, ging je de gaskamer in, maar na een arbeidsongeval werd je verzorgd. Dus ik heb m'n duim tussen een kiepende zandwagen gestopt. Die duim hing er een beetje bij, het zag er dus heel echt uit. Een SS-er zag dat. Hij was Roemeen of Hongaar en gedwongen om bij de SS te werken. Hij was een jaar of achttien en sprak geen Duits. Hij pakte dat kleine, magere scharminkel dat ik toen was meteen op en rende naar een barakje waar Poolse burgers aan het werk waren. Die wilden ons niet binnenlaten: 'Laat die jood verrekken', riepen ze. Die SSer rende terug, haalde z'n geweer op en dwong de Polen onder bedreiging me te verbinden. Daarna heb ik in de ziekenbarak, samen met een Tsjechische verpleger, mijn duim weer bij elkaar genaaid. Dat gebeurde niet steriel, maar die vingertoestand is wel m'n redding geweest". Leon Stasiak In het kamp zat een groep linkse. Poolse joden, die met elkaar hadden afgesproken dat ze zouden proberen zoveel mogelijk jonge joden te redden. Eén van hen, Leon Stasiak, kwam me in de ziekenbarak opzoeken. Hij vond me zo flink en heeft me later geholpen. Aan hem heb ik mijn leven te danken. Ik heb altijd gedacht dat het een droom was dat ik, toen ik in het voorjaar van 1944 met tyfus in het ziekenhuis lag, sinaasappels kreeg. Toen ik Leon echter in 1992 in Polen opzocht, tijdens de reis van het Nederlands Auchwitz Comité die ik samen met mijn vrouw, zoon en dochter maakte, bleek het waar te zijn. Leon en de zijnen wisten op de een of andere manier aan sinaasappels te komen en zelfs aan medicijnen. In 1992 heb ik ook pas gehoord dat hij, toen ik tyfus had, mijn leven heeft gered door mijn bloed, urine en ontlasting te verwisselen met dat van een ander. Ik lag dus nog steeds in de ziekenbarak, terwijl ik officieel al 'dood' was". Buitencommando "Toen mijn duim beter was, kwam ik van de volwassenenbarak in de jeugdbarak, waar het eten wel wat beter was. In het vroege voorjaar van 1944 werd iemand gevraagd voor een buitencommando. Sindsdien werkte ik in een technisch magazijn. Omdat ik vloeiend Duits en andere talen sprak, mocht ik ook het benzine-tankstation beheren. Ik kon al redelijk 'organiseren' - jatten in ruil voor wederdiensten - maar daar leerde ik het echt goed. Ik kon vaak eten, benzine of gereedschap 'weggeven' en in ruil daarvoor werden m'n kleren hersteld of kreeg ik dingen. Uit dat buitencommando zijn ook wel eens mensen gevlucht, zeker twee. Dat heeft de SS nooit ontdekt, omdat wij zo aan het scharrelen waren als zij de rijen telden. Ik heb het die zomer in dat buitencommando niet anders dan goed gehad. Ik heb er gewerkt tot we weg moesten, in januari 1945. De Russen waren in aantocht en omdat wij wisten dat joden in Rusland vervolgd werden, wilden wij niet in Monowitz blijven". Buchenwald

-.Wil

"Na een barre voettocht in de sneeuw - ik had gelukkig goede kleding aan met kranten eronder - kwamen we uiteindelijk in Gleiwitz aan, waar het een rotzooi was. Het was er overvol. Vandaar vertrok een trein naar Buchenwald, dat bekend stond als 'het sanatorium' onder de concentratiekampen. Ik ben


op die trein gesprongen. SS-ers schreeuwden dat dat niet mocht, maar dat vond ik niet interessant. Als je precies deed wat ze zeiden, overleefde je niet. Ik schreeuwde terug dat ik daar opdracht voor had. In Buchenwald heb ik alleen in het houthakkerscommando gewerkt, vlakbij het kamp. Daar kreeg je tenminste eten. Ik heb daar zeker heel hard gewerkt, als ze naar me keken.... Begin april '45 werden alle joden samengedreven op het industrieterrein en zijn ze allemaal uit Buchenwald weggevoerd. Al die mooie verhalen over hoe de niet-joodse gevangenen de joden zouden helpen. Niet dus".

Bevrijding "Twee Polen zeiden tegen een SS-er dat ze geen joden waren, maar ze moesten hun broek laten zakken, bleken wel besneden te zijn en werden teruggedreven naar de groep. Ik zag dat en ging ook naar die SS-er, maar die joeg me terug en liep weg. Even later draaide hij zich om en in plaats van dat ik gehoorzaam bij de groep was gaan staan, was ik in gelijke pas achter hem blijven lopen. Hij wilde me weer wegjagen, maar ik ging niet. Hij en andere SS-ers vroegen me van alles, maar ik sprak geen Duits meer. Duitsers hadden namelijk het waanidee dat niet-joden geen Duits spraken. Uiteindelijk trokken ze m'n broek naar beneden en zagen dat ik niet besneden was. Ze vroegen nog hoe ik hier terecht was gekomen, maar dat begreep ik natuurlijk ook niet. Toen ik weg liep, zag ik een SS-er die me kende uit Vught. Nu gaat het mis, dacht ik, maar hij liep langs me en zei alleen: 'Ernst, du kein Jude?'. Ze hadden er op dat moment gewoon geen belang meer bij. Ik ging bij het appèl staan van de mensen van de Hollandse barak en ging daarna met ze mee. De barakleider, Leen Seegers, de latere communistische wethouder in Amsterdam, haalde mijn nummer van m'n kleren en gaf me een nieuw nummer en een nieuwe naam, waarschijnlijk van iemand die die ochtend was doodgegaan. Ja, er gingen zomaar mensen dood in het kamp", zegt hij cynisch. " 'Jullie kennen hem nog wel', zei Leen, 'hij is opeens genezen', ledereen in de barak begreep dat, op één na, maar ach, antisemitisme heb ik na de bevrijding ook nog meegemaakt. Twee of drie dagen daarna zijn we bevrijd".

Anita Löwenhardt

BON Wilt u zich (gratis) abonneren op dit blad of heeft u familie, vrienden of kennissen die op de hoogte willen blijven van de activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité? Indien u onderstaande bon invult en opstuurt naar dhr. Jacques Grishaver, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen, ontvangen zij vijf maal per jaar het blad van het Nederlands Auschwitz Comité. Aan het abonnement zijn geen kosten verbonden. Wel ontvangen alle abonnees één maal per jaar een acceptgirokaart voor een vrijwillige donatie ten behoeve van de voortgang van het werk van het Nederlands Auschwitz Comité. naam: adres: postcode en woonplaats: land: Opsturen naar dhr. Jacques Grishaver, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen

(Als u het blad niet wilt beschadigen kunt u de bon ook fotocopieren of overschrijven)


'Treurend paar" van Felix Nussbaum 1943, t/m 7 mei in het Joods Historisch Museum

rede van prof. dr. A. van Dantzig, gehouden tijdens de jaarlijkse Auschwitzherdenking 1995

Auschwitz duurt langer dan iemand had kunnen denken Het Auschwitz-comité heeft mij uitgenodigd om bij deze vijftigjarige herdenking enkele woorden tot u te zeggen. Ik vond dat een uitnodiging die ik niet kon weigeren, maar ook een zware opgave. Wat kan je in tien minuten zeggen over een woord, Auschwitz, dat onze eeuw samenvat, het onvoorstelbare dieptepunt is van dertig eeuwen joodse geschiedenis en van onze beschaving, en het keerpunt voor het nieuwe begin van Israël? Nu ben ik psychiater van mijn vak, dus kan ik proberen iets te zeggen over dood, rouw en wat het betekent om door te gaan met leven. Daarbij wil ik dit vooropstellen: al praten we ook over miljoenen mensen die het lot van Auschwitz hadden te ondergaan, en miljoenen die met de last daarvan door moeten leven: het gaat niet om miljoenen mensen, maar om miljoenen maal één mens. Zo ook is het altijd één mens die rouwt; ieder van u heeft met Auschwitz te maken op uw manier. Als je over miljoenen spreekt, spreek je over de gemeenschappelijkheid; als je spreekt over rouw, over verdriet, over gevoelens, dan spreek je over één mens. Want de getallen, hoe verschrikkelijk ze ook zijn, mogen de gevoelens van één mens apart niet onzichtbaar maken. Rouwen, want dat is toch wat zo'n herdenking is, hoe gaat dat? Dat is uitgebreid


bestudeerd, en er is veel over bekend. Maar het voornaamste blijft dat, naast alles wat voor iedereen geldt, rouw ook voor iedereen anders is dan de rouw van een ander, omdat het gaat over het verlies van de meest dierbare mensen, en die waren uniek, zoals ieder van ons. Bedenk dat wel, als ik algemene dingen ga zeggen. Rouw begint met ontkenning: het kan niet waar zijn. Dat gebeurt al, als een geliefde een zachte dood treft op een zacht bed. Ook dan is het eerste wat we doen, ons verzetten tegen wat we 贸贸k weten, met ons verstand zoals dat heet, wat de waarheid is. Dat geldt dus ook, en des te meer, voor de mensen die te rouwen hadden na Auschwitz. Het kan niet waar zijn, wat mijn vader, moeder, kind, familie, het joodse volk is overkomen, en zelfs: het kan niet waar zijn wat mij is overkomen. En daar komt nog bij de ongelooflijkheid van de manier waarop. Daarvan wordt nog steeds gezegd: je kunt je niet voorstellen dat dat mogelijk was. Massamoord op mensen, mannen, vrouwen, kinderen, baby's als dagelijkse routine, de Europa-omspannende organisatie, de medewerking van honderdduizenden, de treinen die op tijd reden, dat het gebeurde midden in de wereld waarin mensen gewoon doorleefden, waarin onze regeringen geen vinger uitstaken: ook wie met de lippen erkent dat het gebeurd is, kan "het" zich niet voorstellen. Ontkenning: het heeft bijna veertig jaar geduurd voordat onze Nederlandse samenleving ging toegeven dat het echt gebeurd was en daar consequenties van begon te trekken. En ook zij die het meegemaakt hadden, de getroffenen, zijn heel vaak begonnen met ontkenning, want er moest een nieuw bestaan worden opgebouwd, heette het. En dat nieuwe bestaan moest worden opgebouwd in een wereld, waaruit de joodse wereld verdwenen was, en de terugkerenden eerder gedoogd werden dan met open armen ontvangen - als zij al niet van hun plaats en huis beroofd waren. Maar, dat er late gevolgen zijn geweest, komt volgens mijn mening ook, omdat wat er gebeurd was zo verschrikkelijk was, en daardoor ook de ontkenning zo intens, dat het tientallen jaren geduurd heeft voordat er plaats kwam voor de andere vormen die rouw doorloopt.

Innerlijke opschudding De volgende fase die ik wil bespreken is het protest, de woede dat het gebeurd is, en de haat tegen iedereen, die er mee aan schuldig is geweest, door daad of daadloosheid. Dat heet dus de volgende fase, maar dat gaat niet netjes achter elkaar. Iemand kan een golf van woede voelen, haat tegen de daders, de profiteurs en de gedogers, en een uur of een dag later dat gevoel weer kwijt zijn, en "gewoon" doorgaan met het leven te hernemen. Gevoel laat zich niet dwingen, en bij gevoelens hoort, dat je er zo door kan worden overvallen, dat je het gevoel kan krijgen, geen baas in eigen huis meer te zijn. Maar dat hoort er ook bij, die innerlijke opschudding. Woede dus ook, en, evenzeer "dus ook" machteloosheid. Want de ramp is gebeurd, Auschwitz kan niet ongedaan gemaakt worden, de doden komen niet terug. Woede geeft even de illusie, dat als de daders gestraft zullen worden dat toch zal schelen. En ze moeten gestraft, en het scheelt. Maar het scheelt niet genoeg om aan de volgende fase van de rouw te ontkomen: de wanhoop en het verdriet. Van verdriet wordt gezegd dat het heilzaam kan zijn, dat het helpt om het onaanvaardbare te aanvaarden. En ik vind dat waar, maar slechts gedeeltelijk. Want ook voor verdriet en aanvaarding geldt, dat het niet mooi achter elkaar verloopt, maar in golven, onvoorspelbaar. Het verdriet kan zich opeens melden, soms als je "er" helemaal niet aan denkt; of bij een aanleiding, een verjaardag, een foto die je toevallig ziet, een herdenking. En het kan een leven lang duren, soms gaat verdriet nooit over.

Wonden en schuldgevoel Ik heb genoemd als fasen van rouw: ontkenning, protest en woede, machteloosheid, verdriet en aanvaarding. Je hoort nog wel eens, dat dat een natuurlijk verloop is van rouw. Maar zo mooi gaat het niet; niet alleen lopen al die gevoelens door elkaar, maar bovendien gaat het vaak veel moeilijker, nog moeilijker. Voor sommigen is wat er gebeurd is, gewoon te erg geweest, er zijn mensen die Auschwitz wel overleefd hebben, maar er aan stuk zijn gegaan. Het is nodig, dat dat bekend wordt. Er wordt zo veel gesproken over wilskracht, en dat het nu zo lang geleden is. Maar sommige wonden - en wond is het Nederlandse woord voor trauma - genezen niet, en daar moet begrip voor zijn. Zonder begrip van de omgeving is het allemaal nog veel erger. Rouw verloopt niet mooi in


fasen, rouw kan ook mislukken. Ontkenning kan zo ver gaan, dat alle gevoel verdwijnt en de overlever, de nabestaande, nog wel goed lijkt te functioneren, maar zich van binnen een automaat voelt - alsof hij of zij al dood is. Dan wordt er geen rouw gevoeld, geen opstandigheid, woede of verdriet, maar niets. Het is misschien een symbolische manier om de dood met de doden te delen, maar leven is het niet. En de woede, die ik noemde, kan een naar binnen geslagen brand worden, waardoor iemand met een constante wrok leeft, ieder contact mijdt, nergens meer iets aan vindt, en zoals dat heet, depressief wordt. En vaak ook komt men aan de rouw niet toe, omdat het gevoel bestaat, al zou men dat misschien niet onder woorden kunnen brengen, dat men geen recht heeft op een nieuw leven. Schuldgevoel over het eigen voortleven maakt het soms onmogelijk, het eigen leven te hernemen. Hoe komt dat? Mijn verklaring is: we zijn in de eerste plaats dieren, en de dieren vragen niet waar ze recht op hebben, ze nemen wat ze krijgen kunnen. En zo geldt voor iedere overlevende, dat hij of zij ondanks zich zelf een gevoel krijgt van: ik gelukkig niet, ik ben er nog. Vanzelfsprekend voor een dier - maar voor een mens vaak een aanleiding om zich een harteloze ego誰st te voelen, of, als dit niet zo bewust toegaat, met een schuldgevoel rond te lopen, dat het leven bederft. Verstandelijk weet iedereen dat de zelfverwijten, die bij het schuldgevoel horen, ongegrond zijn. Wie ben ik, dat ik had kunnen zorgen dat het niet gebeurde. Maar dat te erkennen helpt meestal niet tegenover het schuldgevoel. Soms wel, als mensen ontdekken dat ze inderdaad de fantasie hebben gehad, dat ze het tegen de moordenaars hadden kunnen, en moeten opnemen. Maar beter helpt, meen ik, toe te geven dat het schuldgevoel gaat over een beschamend gevoel: ik heb het gelukkig overleefd. Wie zoiets voelt, moet wel slecht zijn. Maar zo slecht zijn we allemaal, want we zijn dieren voordat we mensen zijn. En dan is er nog een tweede manier, waarop iemand zich schuldig gaat voelen, zonder dat hij of zij iets gedaan heeft: slachtoffers van beulen kunnen zo met haat gevuld worden, dat ze beulen willen worden. Zo iemand kan gevoelens van haat en moordzucht in zich voelen woeden, die hem of haar, die zich zelf zo niet wil kennen, een gevoel geven slecht, schuldig te zijn. Ik vind dat een heel wrange ontwikkeling: hij die getroffen is, voelt zich schuldig over zijn gedachten, als de beul zich over zijn daden zou moeten voelen.

Leed der vaderen Wat ik tot nu toe zei, slaat voornamelijk op mensen, die het zelf hebben meegemaakt, op de eerste generatie. Maar we weten nu allemaal, dat niet alleen de zonde der vaderen, maar ook het leed der vaderen geslachten lang wordt doorgegeven. Kinderen groeien op in een gezin, waar alles gewoon lijkt. Maar vader of moeder, of beiden, zijn niet gewoon, ze zijn bezeerd en beschadigd. En kinderen zijn zeer gevoelig, daar hangt hun voortbestaan van af. Alle gevoelens die ik noemde, spoken rond, en het kind voelt dat, de leegte van de ontkenning, de ingehouden destructie en haat van de opstandigheid, de in zich zelf gekeerdheid van het verdriet, de vreugdeloosheid, die probeert schuld te delgen. En het kind weet ook, dat er dingen zijn waar je niet over praat, want ze zijn of niet waar, of te erg voor een kind, of ze doen te veel pijn aan pappa en mamma. Dus het kind wordt ook machteloos opstandig, of doet of er niets aan de hand is, of voelt zich schuldig dat het niet helpen kan, of gaat leven met een opdracht alles goed te maken - Auschwitz duurt langer dan iemand had kunnen denken. We gedenken vandaag iets vreselijks, en ik wil aan dat vreselijke niets afdoen. Ik wil ook niet met een opwekkend woord eindigen, of met de verzekering dat, hoe erg het is, er toch hulp mogelijk is. Het enige dat ik zeggen kan, als ik mij de vraag stel, die u mij misschien ook wel stelt: hoe moet dat dan, houdt het dan nooit op, is: nee, het houdt nooit op, maar het maakt verschil of je er alleen mee blijft, of er contact over zoekt. Met elkaar, met gelieven, met lotgenoten, desnoods met hulpverleners. Want een mens is niet gemaakt om alleen te lijden, evenmin als hij gemaakt is om alleen lief te hebben. En dat is ook wat we vandaag proberen: elkaar te laten zien, dat ieder die eronder lijdt, dat niet alleen doet, niet de enige is. Maar hoe nodig een dag als vandaag ook is, en hoe waardig ook, en hoe onmisbaar het in leven houden van de herinnering: gevoel delen doe je in de intimiteit, en ik wens ieder van u toe, zo'n plek op deze wereld te hebben, of alsnog te vinden. En wie zich daarvoor te schuldig, of te boos, of te verdrietig zou voelen, zou misschien een beetje rust kunnen vinden in de gedachte, dat er geen echte tegenstelling is tussen de levenden en de doden: ook zij hebben geleefd, ook wij gaan dood.


Speech van burgemeester Pa tij n bij de Auschwitz-herdenking 1995 Vijftig jaar geleden werd Auschwitz bevrijd. Velen van u zullen vrijdag de beelden van de herdenking in Polen en van talloze films om die herdenking heen hebben gezien. Misschien hebt u gekeken tegen beter weten in. Elke keer weer lopen wij op tegen het feit, dat de oorlog 50 jaar geleden wel was afgelopen, maar dat dat eigenlijk niet geldt voor de overlevenden. In de tweede helft van de jaren veertig en gedurende het grootste deel van de jaren vijftig was Nederland bezig met de wederopbouw. Bij die wederopbouw paste herdenken kennelijk niet zo goed. De Koude Oorlog en de dekolonisatie verschaften ons bovendien een alibi om de Tweede Wereldoorlog te verdringen, achter ons te laten. Het verleden liet ons evenwel niet zo gemakkelijk los. Allengs is gebleken, dat na de Tweede Wereldoorlog een toekomst zich niet meer laat opbouwen zonder dat ernstig rekening wordt gehouden met de belasting van dat verleden. Auschwitz werd hét symbool van die belasting. We konden het vrijdag weer zien: één van de zwaarste lasten van dat verleden is dat complex concentratiekampen, die massaverdelgingsfabriek én die uitgedachte plek, waar een verblijf bijna zonder uitzondering tot de dood moest leiden: Auschwitz. Tijdens een parlementaire hoorzitting in 1972 over de vrijlating van "De drie van Breda" werd de last van Auschwitz door één van de getuigen, de toenmalige secretaris van het Auschwitz Comité, mevrouw Eva Furth, als volgt verwoord: "De overlevenden hebben levenslang gekregen; levenslang moeten ze hun leed meedragen, totdat hun hart ophoudt te kloppen. En ook dan nog, want zij die op de puinhopen van hun verwoeste levens een nieuw gezin stichtten, hebben hun leed, hun angsten, hun frustraties onbewust en ongewild op hun kinderen overgebracht". Zonder mij meer te willen toeëigenen dan verantwoord is, kunnen we constateren dat in Nederland de zwaarte van dat leed niet alleen op de kinderen werd overgebracht, maar ook op grote groepen betrokkenen en niet betrokkenen. Velen van hen zijn hier aanwezig. Dat wij dat leed niet van ons kunnen afschilderen is aan de ene kant gelukkig, want daarmee winnen herdenkingsbijeenkomsten als deze aan diepgang. Aan de andere kant niet, want de hedendaagse geschiedenis wordt er alleen maar onbegrijpelijker door. Immers: als we ons zo bewust zijn van de volkerenmoord, de massavernietiging, al dat onbeschrijfelijks van toen, waarom hebben we er dan niet meer lering uit kunnen trekken? "Historia docet", dachten de Romeinen: wij leren van de geschiedenis. "Nooit weer Auschwitz", zegt dit monument. Maar: burgeroorlogen in Somalië en Rwanda, ethnische strijd in ex-Joegolavië, een "verborgen" religieuze burgeroorlog in Soedan, het houdt nooit op. Het is met minder raffinement, minder systematisch opgezet, maar het is in wezen net zo onbeschrijfelijk als de massale vernietiging van joden, zigeuners en homosexuelen. En opnieuw kijkt de wereld toe. Ja, de Apartheid werd afgeschaft; de regering van Israël praat met de Palestijnse leiders en de Berlijnse muur is gevallen. Maar hebben we echt zo veel geleerd van Auschwitz? Wij kunnen slechts hopen dat we de vele signalen van intolerantie, extremisme en rassenhaat zo vroegtijdig onderkennen, en zo weinig kans geven, dat we met vallen en opstaan toch naar een tolerante en rechtvaardige wereld toegaan. Met u spreek ik de vurige hoop uit "Nooit weer Auschwitz". Laten wij op zijn minst dat elkaar nu opnieuw beloven.


Het verlies van de geleende kinderen zolang mensen elkaar beoorlogen zijn er steeds kinderen die van hun ouders gescheiden worden. Dit is een van de ergste tragedies in een mensenleven.' Bloeme Evers heeft een boek geschreven over een belangrijk onderwerp: onderduikouders en -kinderen. In 'Geleende kinderen. Ervaringen van onderduikouders en hun beschermelingen in de jaren 1942 tot 1945' beschrijft zij de kinderen van jonger dan 12 jaar, die 'in één minuut hun plek in hun eigen huis en op moeders schoot, hun recht op veiligheid, geborgenheid en ouderlijke liefde verloren.' En zij introduceert ook een thema waar ik niet eerder over las: de rouw van de pleegouders om het kind dat na de oorlog weer moest worden afgestaan. Zij beschrijft pleegouders die de kinderen na de onderduik gezond en wel aan de eigen ouders wilden teruggeven, en tegelijkertijd diep in hun hart hadden gehoopt dat de ouders niet zouden terugkeren zodat zij het kind konden houden. Afstand doen van een kind, vooral van een jong kind dat zich zijn eigen ouders niet meer kon herinneren en zijn pleegouders had beleefd als zijn echte ouders, veroorzaakte rouwreacties. Er was hevig verdriet om het verloren kind. Terecht zegt Bloeme Evers dat dit onderdeel van de geschiedenis meer aan de orde moet komen. Een belangrijk deel van haar boek gaat over de onderduik en is gebaseerd op citaten uit interviews. Bijna ieder citaat geeft inzicht in het drama dat zich voltrok, soms zonder dat de geïnterviewden zich daar bewust van waren. Bij de vraag naar de motieven om een Joods kind in huis te nemen luidde een antwoord: 'de buren hadden een Joodje, toen moesten wij er ook één.' En: 'Wij hadden een dilemma: mag je in deze tijd een kind op de wereld zetten? Door een Joodse baby te nemen werd dit probleem opgelost ...' Hoe zou het zijn vraag ik me al lezend af om als Joods kind een 'artikel' in de sociale competitie tussen buren te zijn. En een Joods kind 'nemen' om een eigen dilemma op te lossen ... Hoe moest dat na de oorlog gaan als de ouders terugkwamen?

Gewoon heldendom Natuurlijk waren er tal van motieven. Deze konden van religieuze of politieke aard zijn. Of men vond het 'gewoon' om te helpen. Of men hielp uit woede tegen de terreur en de rechteloosheid. Het kon ook een autoriteitsfiguur zijn, zoals een pastoor, een dominee of een huisarts, die de aanzet gaf een kind te laten onderduiken. Sommige pleegouders leefden in permanente spanning en angst. Velen, zegt Bloeme Evers, begaven zich ter wille van het onderduikkind in een sociaal isolement: men ontving bij voorbeeld (haast) geen bezoek meer en men praatte met anderen uitsluitend over koetjes en kalfjes uit angst zich te verraden. 'We kunnen ons nauwelijks meer indenken ... wat het bij voorbeeld betekende met een Joods eruitziend kind in de trein te stappen naar een nieuw adres naar de tandarts te moeten wantrouwige buren te hebben ....' (p.64). Het heldendom van deze mensen was zeer groot. Er zijn ook mislukte onderduikgeschiedenissen. Pleegouders die spijt kregen en het kind weer wegdeden. Kinderen die mishandeld of sexueel misbruikt werden of als arbeidskracht werden uitgebuit. Dit soort verhalen werd vanzelfsprekend niét uit de monden van de pleegouders opgetekend.

Rouw In het deel over de onderduikkinderen komt de rouw aan de orde die niet verwerkt kon worden. Er kon immers over de verlorenen niet openlijk gehuild en gepraat worden. Het kind moest zich aanpassen. Liefst moest het een gezeglijk, vrolijk kind zijn dat het nieuwe gezin als eigen ervoer en zijn oude gezin vergat. Kinderen, vooral jonge kinderen, bleken dat vermogen te hebben, een vermogen waarmee zij liefde en zorg van de pleegouders opriepen - althans in veel gevallen - en dat was precies wat zij nodig hadden. De schrijfster onderscheidt drie fenomenen die door de onderduik konden ontstaan, met vaak verstrekkende gevolgen voor na de oorlog. Het zijn 'Dankbaarheid', 'Bestaansgarantie' en 'Het machteloze zwijgen'. Dankbaarheid was géén thema bij kinderen die zich achtergesteld hadden gevoeld bij de eigen kinderen van het pleeggezin, of die zich misbruikt hadden gevoeld.


Het was - emotioneel gezien - een zeer complex thema bij kinderen, en dan vooral bij de grotere kinderen, die hun woede en verdriet - om alles - moesten inslikken en 'dankbaar' zijn voor een situatie die ze nooit gewild hadden en voor ouders die hun vreemd waren. Soms was er sprake van echte dankbaarheid als de onderduik goed verliep. Soms was er sprake van 'dankbaarheidsplicht.' Vooral dat laatste kon op den duur grote emotionele problemen veroorzaken. Met 'bestaansgarantie' bedoelt Bloeme Evers de veiligheid die het kind ervaart door de lichamelijke en geestelijke beschikbaarheid van de opvoeder(s). Door de citaten wordt duidelijk hoe het daar in de onderduik vaak aan ontbrak. 'Het was alsof ik niet bestond.' 'Ik voelde me alleen op de wereld'. 'Ik kreeg geen warmte, ik voelde me onbeschermd.' 'Het machteloze zwijgen' slaat op de vele tientallen jaren dat er niet of nauwelijks over de ervaringen in en door de onderduik gepraat werd. Er worden verklaringen gegeven. Ik noem er enkele. -De na-oorlogse hiërarchie van het Joodse leed, waarbij het concentratiekamp het ergste was en onderduiken het minst erge. Het onderduiken werd voor kinderen ook nog als minder erg gezien dan voor volwassenen. -De wil om te vergeten en de verdringing. -Ongeloof, onbegrip en irritatie van de omgeving. Ik miste twee 'verklaringen' voor dit zwijgen. De jongste onderduikers, die onvoldoende taal beschikbaar hadden om hun ervaringen in woorden op te slaan waren eenvoudigweg niet in staat erover te praten. Soms ervoeren zij later als volwassenen een non-descript gevoel van woede, eenzaamheid of angst. Voor zover er wél herinneringen waren en de kinderen in hun eigen gezin terugkeerden, was hun kinderverdriet voor de ouders meestal niet te verdragen. Toen niet en nu niet. In het toneelstuk 'Leedvermaak' van Judith Herzberg verwijt het - inmiddels volwassen - kind haar ouders dat ze haar niet hebben meegenomen naar het kamp. Dan was zij niet van hen losgescheurd en zat zij niet met het dilemma van twee moeders die recht hebben op haar liefde. En met het feit dat al haar intieme relaties mislukken. Natuurlijk konden de ouders uit het toneelstuk zich 'vastklampen' aan het evident absurde van hun dochters verwijt. Maar welke ouder verdraagt kinderverdriet dat nooit overgaat en dat diep raakt omdat hij of zij het kind daar niet tegen heeft kunnen beschermen. Welke ouders verdragen de kennis dat hun kind levenslang verscheurd is. Dan maar liever lachen om zo'n onzinnig verwijt, zoals in het toneelstuk gebeurt. Of dan maar vasthouden aan het gevoel dat het voor de ouders erger was dan voor het kind, zoals dat in de werkelijkheid vaak is gegaan. Uit de citaten in het onderzoek blijkt dat de kinderen vaak nog steeds problemen hebben met deze breuk in hun leven. Zij kennen intense gevoelens van verlatenheid. Iemand meldt een gevoel van verstening van binnen dat nooit meer is weggegaan. Er zijn kinderen die de onderduik als een zeer positieve periode in hun leven beschouwen en daar nog steeds profijt van hebben. En er zijn kinderen die vertellen dat zij zeker wisten dat het hun pleegouders 'geen barst kon schelen' wat er met hen gebeurde. 'Ik voelde me niet bemind, ik was onveilig.' Ook dat liet zijn sporen na.

Na de oorlog In het hoofdstuk 'Na de Oorlog' beschrijven de onderduikkinderen van toen het effect van de onderduik op hun latere leven. Verhalen die gaan van iemand die zich altijd maar aanpast, altijd aardig is, steeds bang is om te storen en te veel lawaai te maken, tot iemand die een schutting om zich heen heeft gebouwd, niemand vertrouwt en niet durft te trouwen. De psychiater H. Keilson wordt aangehaald, die stelt dat de kwaliteit van het leven in de na-oorlogse periode bepalend was voor de verwerking van de ervaringen in de oorlog. Hoe gunstiger de situatie na de oorlog voor het kind was, hoe beter het zich zou kunnen herstellen. Helaas blijkt dat de na-oorlogse periode voor veel kinderen nog traumatischer is geweest dan de onderduik. Het boek leest niet gemakkelijk door de brokkelige structuur. En precieze cijfers over hoeveel kinderen niet of één keer gehuild hebben om hun ouders, hoeveel kinderen wél, en hoeveel kinderen erg gehuild hebben, voegt niet zoveel toe aan onze kennis over hun gevoelens. Een lopend verhaal op basis van de, vrijwel zonder uitzondering, zeer indringende citaten zou me liever geweest zijn. De waarde van het boek ligt vooral in de vele ervaringen die er in zijn vastgelegd.

Bertje Leuw Bloeme Evers-Emden, Geleende kinderen. Ervaringen van onderduikouders en hun beschermelingen in de jaren 1942 tot 1945. Uitgeverij Kok - Kampen, 1994.


Tocht naar Westerbork Het Nederlands Auschwitz Comité organiseert op zondag 17 september een tocht naar het voormalig kamp Westerbork en het Herinneringscentrum Westerbork. Op het voormalige kampterrein worden de deelnemers rondgeleid door oudgevangenen van Westerbork. In het Herinneringscentrum bestaat de mogelijkheid om de tentoonstellingen te bezichtigen, waaronder de permanente expositie over het voormalige kamp Westerbork. De bedoeling is om vanuit Amsterdam met twee bussen naar Westerbork te reizen. We vertrekken om 9.30 uur vanaf het parkeerterrein schuin tegenover de synagoge van de LJG in de Jacob Soetendorpstraat. Voor degenen die met het openbaar vervoer komen is dat vijf minuten vanaf station Zuid, bij de RAI. Onderweg wordt niet geluncht, dus het is wellicht raadzaam om zelf een boterham mee te nemen. We proberen bussen te huren met toiletten aan boord. Als dat niet lukt, zullen we halverwege stoppen voor toiletbezoek. We hopen tegen 13.00 uur bij het Herinneringscentrum te arriveren en rijden dan meteen door (géén stop dus!) naar het voormalige kampterrein. Om een uur of drie zijn we terug bij het Herinneringscentrum, waar thee en koffie worden geserveerd. Daarna is er gelegenheid de tentoonstellingen te bezoeken. Mensen die langer op het voormalige kampterrein willen blijven, zijn daarin uiteraard vrij. Er rijden regelmatig busjes heen en weer tussen het kampterrein en het Herinneringscentrum. Omstreeks 17.00 uur vertrekken we richting Amsterdam. Onderweg, ongeveer halverwege, dineren we met z'n allen. We verwachten tegen tienen weer terug te zijn in de Jacob Soetendorpstraat. Als er voldoende belangstelling is, gaan we met twee bussen en dat betekent dat er maximaal 90 mensen met deze speciale tocht mee kunnen. De kosten zullen maximaal 95 gulden bedragen. Na inschrijving ontvangt u een acceptgirokaart. U kunt zich opgeven door onderstaande bon in te vullen en op te sturen naar

Judith Waterman, Wulp 30,1111 WJ Diemen. We raden u aan hiermee niet te lang te wachten, want onze ervaring van twee jaar geleden is dat de belangstelling groot is. Als u het blad niet wilt beschadigen, kunt u de bon copièren.

Anita Löwenhardt Judith Waterman

BON Naam: Adres: Geboortedatum: Ik wil deelnemen met

personen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Auschwitz Bulletin, 1995, nr. 03 April by Nederlands Auschwitz Comité - Issuu