nederlands auschwitz comité
24e jaargang nr. 4, juni/juli/augustus1980
Secr E F u r t h , D i e m e r k a d e 4 3 , 1111 A C D i e m e n , tel 020-905310 Bankrek A M R O B A N K , bijk v a n B a e r l e s t r 5 8 , 1071 B A Amsterd a m , s p a a r r e k 4 0 01 7 5 0 8 8 G e i n giro 4 8 7 5 5 0 0 , p o s t g i r o 2 9 3 0 8 7 t n v N A C R e d a k t i e E T a s , A m s t e l d i | k 2 3 , tel 0 2 0 7 9 5 7 1 6 , 1 0 7 4 H S Amsterdam A d m i n i s t r a t i e krant D v G e e n s , R e n k u m h o f 50, 1106 J B Amsterd a m , tel 0 2 0 - 9 7 2 8 6 9
GOED DAT IK HET WEET In een gevaarlijk gespannen en verdeelde wereld is het gebeurd: een Nederlandse minister sprak bewogen woorden in Auschwitz, midden in Polen, ter opening van het Nederlandse paviljoen, omringd door een honderdtal Nederlanders en Poolse autoriteiten en oud-strijders. U kunt haar rede en die van onze voorzitster in dit blad lezen. Voor het Nederlands Auschwitz Comité is dit nog veel meer dan de bekroning van jarenlange activiteit. Het bewijst dat men elkaar kan vinden, dat er veel meer is dat ons bindt dan ons scheidt. De tragedie die wij met zo weinigen (en hoezeer gehavend) hebben overleefd moet een waarschuwing, een teken blijven. O o k nu nieuwe gevaren zijn opgedoemd is waakzaamheid tegenover de oude nog steeds geboden. Niet alleen het verdriet is nog levensgroot aanwezig onder de slachtoffers, de jongere mensen in ons midden en buiten onze kring tonen zich bewust van waar het om gaat en vertolken dat bewustzijn op eigen wijze. O p allerlei gebied is men zich bewust wat volkerenmoord betekent. Menten is veroordeeld, omdat, zegt de Bijzondere strafkamer van de Rotterdamse rechtbank, 'oorlogsmisdadigers dienen te weten dat, zolang onze rechtsorde functioneert, zij niet voor bestraffing gevrijwaard zullen blijven.' Het doel van de straf ziet de rechter in handhaving van de internationale rechtsnorm. De rechtbank spreekt daarmee uit wat wij van oudsher verklaren: de grote misdadigers, bedrijvers van genocide, dienen berecht; passende straf, een straf overeenkomstig de
omvang van de begane misdaden, bestaat niet, maar internationaal vastgestelde normen dienen gehandhaafd te worden, juist met het oog op de toekomst. Dit blijft onverlet gelden, ook al is de zaak-Menten ïn-zoveel-vervolgen-en-afleveringen nog niet af.
Lente 1980 Deze eerste helft van 1980 is op vele manieren gebleken: de bevrijding van het fascisme in 1945 was een mijlpaal. Geen eindpunt, maar een uitgangspunt voor verder leven. De oorlogstijd is niet de kern van de huidige zorgen van de mensen, maar er wel mee verbonden, telkens weer. De evenementen van deze maanden liegen er niet om. R u i m 58.000 mensen, daaronder meer dan 13.000 scholieren in klassen bezochten de grote tentoonstelling 1933-19nu met daarbij 'De illegale camera' in het Paleis op de Dam. Zij werden ontvangen door een flinke groep rondleiders die 'erbij waren geweest', ook onze medewerkers en vele verzetslieden. Zes dikke boeken getuigen van de grote waardering voor de tentoonstelling en het directe contact. Enige tienduizenden bezochten ook de Zuiderkerk te Amsterdam, toen daar de inhoud was geëxposeerd van het Nederlandse paviljoen, dat inmiddels in blok 21 in Auschwitz is opgesteld. In april stond men, als steeds, stil bij de bevrijding van de kampen Ravensbrück, Buchenwald, Sachsenhausen. Een van de actiefste overlevenden van dit laatste, Bertus van den Ham, de
Reünie O p veelvuldig verzoek van de deelnemers aan de reis naar Auschwitz zal er op 24 augustus een reünie worden gehouden in restaurant La Ronde, in het RAI-gebouw, Europaplein, Amsterdam, vanaf 11.15 uur. Er is gelegenheid om te lunchen en natuurlijk het contact te hernieuwen. U mag een of meerdere introducé(e)s meebrengen, maar wilt u bij het secretariaat opgeven of en met hoeveel u komt? U ontvangt dan nadere gegevens, 's Middags is er in een andere zaal van de RAI gelegenheid tot het vertonen van films enz. tot 5 uur. Tot ziens op 24 augustus! Telefonische opgave: 020-905310, Eva Furth, Diemerkade 43, Diemen.
gangmaker van 'Wij nemen het weer niet' en van de verzetstentoonstelling, werd kort voor zijn dood onderscheiden; het eerbetoon bij zijn crematie sprak voor zichzelf Wij waren vertegenwoordigd bij de algemene en internationale plechtigheid in Auschwitz op 20 april. Als elk jaar brachten wij met wat bloemen een stille hulde aan de opstandelingen
DE ERKENNING IS GEKOMEN Het is nog niet zo lang geleden dat ik schreef over m i j n erkenning. O m precies te zijn i n ons herdenkingsnummer van januari 1980. Tussen die tijd en nu is iets bijzonders gebeurd. Wij waren, mij man en ik, op een uitnodiging van Polen in Auschwitz, voor de herdenking van 35 jaar bevrijding. Wij waren eerst naar Warschau. Daar hebben wij bloemen gelegd bij het getto-monument namens ons comité. De volgende dag moesten wij vroeg op om met twee autobussen naar Krakau te gaan. De reis duurde vijf uur in de bus. Onderweg was het erg koud en er viel veel sneeuw. Ik dacht: dat hoort bij dit oord. Wij waren eerst i n het museum. Daarna gingen we met de politie voorop naar Birkenau. O p het podium stonden een paar honderd mensen. Ik moest ook op het po-
Ven-olg van pag. 1 van het Warschause getto, ditmaal ook ter plaatse. De laatste aprildag was die van de troonwisseling. Hier willen wij er alleen van zeggen dat zowel de aftredende koningin Juliana, die beide exposities, Dam en Zuiderkerk, opende, als de aantredende koningin Beatrix, die behartenswaardige woorden sprak in de Houtrusthallen, ten volle meeleven met ons en onze zaak. Natuurlijk hebben wij aan alle herdenkingen en manifestaties van 4 en 5 mei meegedaan. Canadese gasten m ons land, een ongekende deelname aan de bevrijdingsdag in alle landstreken en in de ruimste kring. Ook 10 mei werd herdacht: in Bloemendaal sprak minister De Ruiter. O o k in juni was er nog het een en ander te doen: het presidium van het Internationaal Auschwitz Comité vergaderde in Parijs. Een viertal van onze medewerksters maakte gebruik
dium staan, waar toespraken werden gehouden door de president en anderen. D i t duurt anderhalf uur. Ik bleef staan. Zij hadden mij voor dat podium gezet met mijn twee krukken. Want met twee kunstheupen sta je niet sterk op je eigen benen. Ik was verkleumd door de kou en de indruk die Auschwitz en omgeving op mij gemaakt hebben. Ik was nog nooit op die verschrikkelijke plaats geweest en ik vraag mij af: in welke hoek heeft mijn familie de dood gevonden en al die andere mensen die daar de dood ingejaagd zijn. Als je al die mensen ziet die daar gedenken dan vraag je wat hun ouders en familie toch voor kwaad hebben gedaan om zo de dood in te zijn gejaagd. Er stonden op wat eens de appèlplaats was 80.000 mensen. Ik stond daar als een ijsblok die zich met kon verroeren uit emotie en afkeer. Na de toespraken hebben wij gezamenlijk kransen gelegd. Daarna nam mijn man mij mee naar de barakken. Ik heb alles in een droom meegemaakt. Het was een zeer slechte droom. Mijn man, die zelf twee en een half jaar in Auschwitz was, heeft mij bij de hand genomen om maar zijn, onze gevoe-
lens te onderdrukken. Ik zag op het laatst niets meer, m i j n voeten deden zeer van de straat des doods. Ik wil niet verder mijn indruk van het leed vertellen. Toen wij teruggingen, was er nog iets wat erg vel indruk maakte op mij. De spoorlijn wordt nog steeds gebruikt. Vele wagons met olie en andere dingen gingen vóór ons voorbij. Het waren er nogal wat. De politie die ons vergezelde moest de treinen stop laten zetten. De helft moest terug en werd losgekoppeld. Wat er toen bij mij omging is niet met een pen te beschrijven. De volgende dag gingen wij uit Warschau weer naar huis en konden w i j in het vliegtuig onze gedachten de vrije loop laten over het goede eten, de goede hotels en de verzorging als afhalen en terugbrengen naar het vliegveld. De r e i s vanaf Warschau duurde nog geen twee uur. Bij mijn thuiskomst lag er een brief voor m i j persoonlijk. Dit was de erkenning waar ik tien jaar op had gewacht. Ik ben er erg blij mee. Het verzacht een beetje de grote wond die ik opdeed in Auschwitz.
van de uitnodiging voor het voortreffelijk georganiseerde Internationale Verzetscongres te Eindhoven. Vandaar bezocht men Brussel en ook fort Breendonk, nu een nationale gedenkplaats van Belgié, toen een beruchte gevangenis.
rijke schakering schering en inslag, er heerst angst, men hoort van doemdenken, een soort fatalisme dus. En het ziet er alom ernstig uit, inhet Verre en Nabije Oosten en in MiddenAzië. In de nieuwe wereld is het niet veel mooier, zie Latijns Amerika. Het is allemaal polarisatie wat de klok slaat. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de neo-nazi en neofascistische wandaden of de campagne om de gaskamers tot een fabeltje te verklaren. Of de misdaad in Antwerpen
5 Mei blijven vieren De Tweede Kamer wil dan ook in overgrote meerderheid de 5de mei blijven v i e r e n , ook officieel. Dat is de slotsom van de bevrijdingslente 1980. Een succes, tevens voor ons. Vandaag, nu er niet i e t s meer dan 30 (of 35) jaar voorbij zijn, zoals de Italiaanse dichter Portia zegt, zitten wij er i m m e r s midden i n . In het gedenken en ophalen van herinneringen, i n het vergelijken soms. Oorlogsgevolgen zijn nog ruimschoots aanwezig en allang z i j n dreigementen en chantage, oorlogsgeweld en onderdrukking in
E. van Geens-Flora
Maar w i j zien ook heel iets anders. Terwijl diplomaten en regeringsleiders schuchtere pogingen doen tot gesprek tussen veel wapengekletter, hebben strijders tegen en vervolgden door het fascisme en hun verre en dichtbije vrienden elkaar, soms na lange tijd, weergevonden. Mogen w i j daar een richtingsaanwijzer in zien. ? In elk geval, zoals een achtjarige als zijn opinie in het paleis neerschreef: goed dat ik het weet.
TIL GARDENIERS SPRAK TOESPRAAK DOOR DE MINISTER VAN CULTUUR, RECREATIE EN MAATSCHAPPELIJK WERK MEVR. M.H.M.F. GARDENIERS-BERENDSEN TER GELEGENHEID VAN DE OPENING OP 22 JUNI 1980 VAN DE NEDERLANDSE PERMANENTE EXPOSITIE IN HET STAATSMUSEUM TE AUSCHWITZ.
Onder de 58.000 bezoekers in 23 dagen van de onlangs in Amsterdam, onder de titel '1933-19NU' gehouden tentoonstelling, die gewijd was aan het verzet en de vervolging, bleken zich niet minder dan 13.300 scholieren te bevinden. Wettelijke voorzieningen
De Nederlandse dichter Leo Vroman gaf, kort nadat de wereld verlost was van de tirannie van de nazi's, in vier korte regels uitdrukking aan zijn gevoelens over wat was gebeurd in de jaren tussen 1939 en 1945: 'Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.' Het zijn deze gevoelens die mij bekruipen nu wij hier bijeen zijn, op deze plek aan de rand van een stadje waarvan de naam, onbekend als hij was vóór de Tweede Wereldoorlog, meer dan welke andere klank ook het symbool is geworden van de afschuwelijke verschrikkingen die de mensheid in die zes jaren heeft moeten ondetgaan. Hoewel er tussen onze landen belangrijke principiële verschillen bestaan in politieke denkbeelden en maatschappij-opvattingen, zijn wij hier thans verenigd in gemeenschappelijke gevoelens van huiver en eerbied, als vertegenwoordigers en nazaten van de strijders tegen het nationaal-socialisme en van de slachtoffers van het barbaarse Hitler-regime, verbonden door het leed dat de Tweede Wereldoorlog over ons allen heeft gebracht. Het Poolse volk heeft er goed aan gedaan hier, op deze plaats, een museum in te richten ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de nationaal- socialistische massamoord. Het heeft tevens de uitstekende gedachte gehad dit museum, op een plaats waar mannen, vrouwen en kinderen van vele nationaliteiten ter dood zijn gebracht, een internationaal karakter te geven en een groot aantal landen uit te nodigen er een eigen bijdrage aan te leveren.
Project Nederlands paviljoen Toen ook tot mijn land in de loop van 1977 een dergelijk verzoek werd gericht heeft de Nederlandse regering,
voor gelicht door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en het Nederlands Auschwitz Comité, zonder aarzeling de middelen voor deze tentoonstelling beschikbaar gesteld. Aan de voorbereidingen en de bouw is anderhalfjaar gewerkt. Het project kwam gereed in het jaar 1980, het jaar, waarin wij in Nederland veel aandacht hebben geschonken zowel aan de herdenking van alle omgekomenen tijdens de Tweede Wereldoorlog als aan de viering van het feit, dat de oorlog 35 jaar geleden werd beëindigd. In dit lustrumjaar hebben wij in het bijzonder onze jongeren bij de herdenkingen betrokken. Bij verschillende tentoonstellingen, in televisieprodukties, radioprogramma's en speciaal voor deze gelegenheid vervaardigd lesmateriaal is hun aandacht gericht op de gebeurtenissen vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een drietal aspecten is daarbij bijzonder belicht. In de eerste plaats het bij btengen van inzicht in de samenhang tussen de opkomst van het fascisme, met onder meer zijn verwerpelijke uitingen van rassenwaan, en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog. Ten tweede: een oproep aan de jeugd tot waakzaamheid om herhaling van dergelijke verschrikkingen te voorkomen door tijdig uitingen van opkomend fascisme in onze hedendaagse samenleving te onderkennen en te signaleren. Als derde aspect noem ik tenslotte dat aan de jongeren bij deze herdenkingen meer begrip is gevraagd voor hetgeen de oudere generatie tijdens de oorlogsjaren heeft doorstaan en meer in het bijzonder voor het leed, dat degenen onder ons, die de verschrikkingen van de concentratiekampen en andere vormen van terreur en geweld aan den lijve hebben ondervonden, ook nu nog dagelijks voelen en moeten verwerken. Het is verheugend dat bij de jongeren inderdaad een toenemende belangstelling voor de gebeurtenissen tijdens de oorlog valt te constateren.
Ik wil verder nog memoreren, dat in ons land op basis van de bijzondere solidariteit, die door onze samenleving wordt gevoeld ten opzichte van de overlevenden van de vervolging, gewezen verzetsdeelnemers en andere oorlogsslachtoffers, een aantal wettelijke voorzieningen is getroffen, ten aanzien van hun materiële verzorging. Op grond van onderzoek en studie in de laatste jaren is intussen duidelijk naar voren gekomen dat de zorg voor de oorlogsgetroffenen niet kan eindigen bij de voorzieningen in de materiële behoeften. De zorg voor hun welzijn vereist dat meer dan tot dusver zal dienen gewerkt aan de oplossing van hun problematiek van immateriële aard. Vastgesteld is dat voor een doelmatige hulpverlening aan deze groep specifieke kennis en deskundigheid van essentieel belang zijn. Een programma dat zich daarop richt zal in Nederland in samenwerking tussen overheid en particulier initiatief in de komende jaren tot uitvoering moeten worden gebracht. Het is ons bekend dat vooral ook in uw land de verzorging van de oorlogsslachtoffers permanente aandacht van overheidswege geniet. Ik ben hiermede even ingegaan op hetgeen momenteel in ons land in relatie tot de oorlogsgebeurtenissen veel belangstelling geniet. Nu wil ik echter terugkeren tot hetgeen ons hier vandaag bijeen heeft gebracht, t.w. de Nederlandse bijdrage aan de permanente expositie hier in Auschwitz. In overleg met de directie van het Staatsmuseum is, analoog aan de tentoonstellingen die andere landen hier al hebben ingericht, in het centrale deel van de Nederlandse tentoonstelling een beeld gegeven van een groot aantal facetten van de jaren van oorlog en bezetting in Nederland. Andere aspecten In
enkele
opzichten
vertoont
de
Vervolg op pag. 4
Vervolg van pag. 3 Nederlandse expositie evenwel ander aspecten dan de inzendingen van andere landen. Ik stel er prijs op hier iets te vertellen over de redenen daartoe en de achtergronden ervan, al zullen de feiten wellicht aan velen van u bekend zijn. Uit bijna alle Europese landen hebben de nazi's grote aantallen mensen naar Auschwitz en Birkenau gesleept: verzetsstrijders, krijgsgevangenen, zigeuners, Joden en ontelbare anderen. In het Auschwitz-complex werden bijna vier miljoen mensen om het leven gebracht; omstreekt de helft van hen — bijna twee miljoen — behoorden tot de in totaal tussen de vijf en zes miljoen vermoorde Joden uit alle delen van Europa. Omstreeks de helft. Uit Nederland lag deze verhouding anders. Behalve 245 zigeuners en slechts enkele tientallen anderen werden uit mijn land uitsluitend Joden naar Auschwitz gebracht: rond 60.000 van de in totaal 110.000 gedeporteerde Joodse Nederlanders. Minder dan 1000 van hen hebben er het levend afgebracht. Auschwitz als oord van moord en vernietiging is voor Nederland in het bijzonder: oord van moord en vernietiging van Joden. De speciale functie die Auschwitz had in het kader van de Endlösung der Judenfrage is nergens zo duidelijk tot uiting
gekomen als in relatie tot Nederland. Spinoza Deze functie hebben de samenstellers in de tentoonstelling willen tonen, tegen de achtergrond ook van de speciale positie die de Joden in Nederland sedert het begin van de 17e eeuw hebben ingenomen. Nederland heeft een eeuwenlange, over de hele wereld bekende traditie gekend van gastvrijheid, hulp aan vervolgden en verdrukten, geestelijke vrijheid en vrijheid van meningsuiting. Toen de Joden in vele andere landen nog regelmatig blootstonden aan discriminatie en vervolging, werden zij in Nederland geaccepteerd en waren zij er vrij om ongestoord te wonen en er hun godsdienst te belijden. De grote Joodse filosoof van wereldfaam, Spinoza, benadrukte dat teeds in de 17e eeuw met de woorden 'Ons is het zeldzaam geluk ten deel gevallen te leven in een land, waar een ieder volkomen vrijheid van mening en van Godsverering wordt toegestaan.' Niet alleen, zo wordt in het eerste, inleidende deel van de tentoonstelling geconstateerd, hebben de Joden in dit opzicht veel aan Nederland te danken, maar ook heeft Nederland veel aan de Joden te danken: de Joodse Nederlanders hebben op
allerlei gebieden belangrijke bijdragen geleverd aan de Nederlandse samenleving, waarvan zij deel gingen uitmaken. Gezamenlijke strijd Aan het eind van dit inleidende deel wordt dan aandacht besteed aan de gezamenlijke strijd van Joden en niet-Joden tegen het opkomende nationaal-socialisme in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog. In het centrale deel van de tentoonstelling — waarin eveneens gepoogd is een lopend historisch verbaal te vertellen — wordt een beeld verschaft van de oorlogs- en bezettingsjaren in Nederland. U zult daarbij kunnen constateren hoezeer de bezettingsjaren in Nederland in hun aspecten van onderdrukking en terreur, van collaboratie, lijden en verzet afweken van de situatie in Polen, en ook hoezeer zij overeenstemden. Op enkele plaatsen raken de Poolse en Nederlandse geschiedenis, hoe ver ook van elkaar verwijderd door het isolement van de vijandelijke bezetting, elkaar nadrukkelijk: — de militaire strijd van het Poolse volk tegen de oprukkende Duitse legers in de herfst van 1939 eindigde in feite met het terreurbombardement op Warschau; de militaire strijd in Nederland in mei 1940, die slechts vijf dagen heeft geduurd, kwam tot een einde met een zelfde terreurbombardement op Rotterdam; — daar waar het bezette Polen en het bezette Nederland tijdens de jaren van Duitse overheersing direct met elkaar verbonden raakten, staan de namen van Auschwitz en Sobibor centraal; — en tenslotte is in dit deel van de tentoonstelling ook aandacht besteed aan de belangrijke rol die Poolse soldaten hebben gespeeld in de strijd om de bevrijding van Nederlands grondgebied in de jaren 1944 en 1945. Nieuwe toekomst Een tweede afwijking van de andere tentoonstellingen die op deze platas zijn ingericht, zult u kunnen constateren aan het einde van de Nederlandse expositie. Deze eindigt niet bij sombere beelden van dood en vernietiging, van Endlösung en Auschwitz.
WIJ MOETEN ONZE STEM LATEN HOREN Toespraak van Annie Fels-Kupferschmidt, voorzitster van het Nederlands Auschwitz Comité.
Exellenties, dames en heren, lieve vrienden. Al is hier reeds veel gesproken, toch zou ik graag nog iets willen zeggen. Daarvoor heb ik drie redenen. De eerste en belangrijkste is dat ik Auschwitz heb overleefd. In de tweede plaats vertegenwoordig ik het Nederlands Auschwitz Comité, waarvan ik de voorzitster mag zijn. En ten derde spreek ik als lid van het Internationaal Auschwitz Comité. Voor mij vloeit het één logisch uit het ander voort: werken i n het Nederlands en in het Internationaal Auschwitz Comité kan en moet ik doordat ik het geluk had terug te komen. Zolang het fascisme niet is uitgeroeid, zolang anti-semitisme, rassenhaat en oorlogsdreiging bestaan, denk ik dat mensen als w i j niet rustig verder kunnen leven, wij moeten onze stem laten horen. Nu, 35 jaar na de nederlaag van het Duitse fascisme, hebben zich op veel plaatsen ter wereld weer fascistische en fascistoïde bewegingen en regerin-
A U S C H W I T Z 1980 De reis naar Auschwitz-Birkenau van 20-23 juni jl., waaraan mijn vrouw en ik hebben deelgenomen, georganiseerd door het Nederlands Auschwitz Comité geeft mij de innerlijke behoefte enige essentiële gevoelens die hierbij op ons afstormden op schrift te stellen. Ik meen nl. dat velen evenals wij in Auschwitz, Sobibor of één der talloze andere kampen des doods hun geliefde familie-leden hebben verloren — en daar nog dagelijks om treuren — hiervan kennis zouden moeten nemen, omdat het een zaak is, die ons allen, slachtoffers van deze tragedie zonder voorbeeld, aangaat. N a afloop van de oorlog zou het voor ons en voor de hele wereld tergend langzaam en tergend zeker duidelijk
gen kunnen formeren. Veel gevaren bedreigen ons, onze kinderen, onze kleinkinderen. Vaak wordt ons de vraag gesteld waarom w i j ons bovenal tegen het fascisme richten, terwijl de wereld van vandaag nog zoveel ander onrecht en gevaar kent. Omdat wij de slachtoffers van het anti-semitisme, de fascistische rassenwaan zijn. Fascisme draagt immers de wortels van het kwaad in zich. Bijna 100.000 Joodse landgenoten zijn hier, i n Sobibor en enige andere kampen onschuldig om het leven gebracht. Wij kunnen en zullen dat n o o i t vergeten. Diegenen die aan de genocide ontkwamen lijden nog dagelijks. Ook daaraan denken wij. Dat is geen kwestie van medelijden met onszelf. Dagelijks lijden ook nu ontzaglijk veel mensen onder vergelijkbare omstandigheden. Maar de perfide, zakelijke m a n i e r waarop het Duitse n a z i s m e geprobeerd heeft om alle hun onwelgevallige mensen te elim i n e r e n i s een uitvloeisel van een theorie en van praktijken die alleen op negatieve motieven stoelen.
worden wat het wegvoeren naar de kampen i n Polen voor de weggevoerden heeft betekend. De weinige overlevenden hebben het ons verteld en wij luisterden met ongeloof en afschuw naar hun berichten. Denamen van Auschwitz en Sobibor en andere plaatsen des doods werden nog slechts voorzichtig en met afgrijzen door ons uitgesproken. Wij zouden deze namen het liefst voor altijd u i t ons leven bannen, maar wij konden dat niet, natuurlijk niet. W i e had vroeger dan ook ooit kunnen denken dat enig zinnig mens ooit eens één van deze plaatsen des doods zou kunnen of willen bezoeken? Ik, die daar mijn hele gezin heb verloren toch ook zeker niet!
Na Westerbork Vreemd genoeg kwam er na jaren bij
Wij zien in het feit dat de Poolse regering en niet minder de leiding van het Staatsmuseum Auschwitz dit kamp (waar zich ook het internationale monument, ons monument bevindt) op deze wijze in stand houdt een waardevol hulpmiddel om te getuigen en te waarschuwen, ook als wij overlevenden er niet meer zullen zijn. Ter herdenking van het lijden van de Poolse bevolking en van alle slachtoffers uit heel toen bezet Europa. Dat de Nederlandse regering bereid was, mede op ons verzoek, naast andere landen ook een Nederlandse permanente expositie in te richten, daarvoor mag ik, als Nederlandse woordvoerster, haar namens zeer velen dank zeggen.Bijzonder trof het ons dat het ontwerpen van dit paviljoen is opgedragen aan Dick Elffers, die hier blijk kon geven niet alleen van zijn grote capaciteiten, maar ook van zijn persoonlijke betrokkenheid bij dit werk. Het heeft ons buitengewoon goed gedaan dat het Nederlands Auschwitz Comité in staat is gesteld een bijdrage te leveren aan het Nederlandse blok in de vorm van de beeldengroep 'Gevangenen' door Nina Baanders. Het geeft ons voldoening dat zovelen, kinderen van oud-gevangenen, nabestaanden en vrienden uit Nederland hier vandaag met ons dit gedenkwaardig moment meemaken. Auschwitz, 22 juni 1980
mij een kentering in deze gedachte. M i n o f meer toevallig waren mijn v r o u w en ik eens met vakantie i n Drente en toen kwamen w i j op het wat luguber aandoende idee om een bezoek aan het momument i n Westerbork te brengen. Dank z i j onderduiken hadden wij i n de oorlog n o o i t kennis met Westerbork gemaakt. Bij het kleine momument, alleen een stukje treinrail, hebben w i j het erg moeilijk ghead en wij hebben er zitten janken. Hier begon de reis naar het einde... Na dit bezoek, waar wij nooit berouw van hebben gehad, is de vooralsnog vreemde wens ontstaan om bij ons leven ook nog eens een reis naar Auschwitz of Sobibor te maken. De wens werd zelfs een behoefte, maar de ratio van deze behoefte begreep ik zelf niet. Was het misplaatste nieuwsVervolg
op pag. 8
AANKOMST IN BIRKENAU (Auschwitz) Hoe het stap voor stap gegaan is weet ik niet meer. Van overdrijving is geen sprake. Ik beperk mij zo veel mogelijk. In werkelijkeheid is het niet te beschrijven. In de nabijheid van het kamp Auschwitz stopte de trein. Wij moesten na vier nachten en drie dagen de door ons vuilgemaakte, voor veevervoer bestemde wagons verlaten. Met de ons bekende bevelen: 'Los! los! en schnell!' benadrukt met schelden en slagen, werden wij tot spoed aangedreven. Wij doorgewinterde kampmensen hadden meer dan een jaar ervaring opgedaan. Velen van ons haddden in buitencommando's gewerkt, veel meegemaakt, letterlijk alle bezit ingeleverd, maar bleken lang niet allemaal gehard genoeg om wat ons nog te wachten stond te doorstaan. De pakken en koffers die de overige mensen bij zich hadden werden vanuit de wagons door Joodse mannen, in de gestreepte kampkleding gestoken, langs het spoordijkje naar omlaag gesmeten. Als uit de grond gerezen waren zij aanwezigen werkten in ijltempo om de afgeworpen bagage op te laden en af te voeren. Er waren bekenden onder hen. Van enigen onder ons misschien zelfs familieleden. Het gaf een enigszins geruststellend gevoel een paar Mokummers onder hen aan te treffen. Zij hadden echter alleen maar aandacht voor hun werk. Het weerzien scheen hen niet in het minst te be- of te ontroeren. Wij waren gehard, zij leken versteend. Nochtans probeerden wij met wenken en seintjes hun aandacht te trekken, want hen roepen durfden wij niet. Het leek hen Siberisch koud te laten, wij waren minder dan lucht voor die robots. Er kwamen auto's voorgereden. Wagens voor manschappenvervoer, maar bij ons Joden beter bekend geraakt als de beruchte overvalwagens. De overweldigers hadden er ontelbaar vele van in gebruik in al de gewesten van Europa, die zij als bij een sprinkhanenplaag uitgevreten en uitgemergeld hadden. Al die groene karren en de benodigde benzine o.a. bij hun geroof gebruikt, deden een onuitputtelijke voorraad van een onverslaanbaar leger veronderstellen. Hier zouden ze voor onverwachte ser-
vice dienen. Vrouwen en kinderen en ook mannen die geen 20 minuten konden lopen mochtn in die auto's plaats nemen, waar dan ook graag gebruik van werd gemaakt. De overige mannen gingen te voet. Vóór ons lag een dikke sneeuwlaag. (Einde maart) Bij de eerste stappen die ik deed, bleek er modder onder dat onberoerde dek te zitten, want het dooiwater sopte over de schoenschachten van mijn in Westerbork opnieuw verworven schoenen. Gelukkig werden wij met voortgejaagd. Integendeel. Een van de begeleidende posten boog zich op een gegeven moment over de twee goed geklede jonge mannen die voor ons liepen. Wij hadden onze kampkleren, ondraagbaar, versleten, in Westerbork door toonbare burgerkleding kunnen vervangen. De wachtpost, die er met een met lappen versteld uniform, sjofeltjes bij liep, had onze voorlopers gevraagd hun gevoerde glacé-handschoenen af te staan. Wij raadden de jongens het maar te doen, want in het kamp zou hun toch alles afgenomen worden. Zij weigerden echter. De wachtpost drong niet verder aan, droop af en bleef verder naast ons lopen.
Birkenau (vrouwenkamp) Na een tijdje gelopen te hebben kwamen wij door de poort van de Kommandantur in het kamp Birkenau. Het gebouw, in feite een vesting, werd streng bewaakt. Zware mitrailleurs bleven vanuit de toren zowel voor als achter op ons gericht. Langs de hoofdweg kwamen wij in het bebouwde kampgedeelte. De weg en de met tuinhekjes afgeperkte zwarte stukken grond waren sneeuwvrij gemaakt. Misschien werden hierop des zomers bloemen en groenten gekweekt, naar ons eens en van nog veel meer moois verslag gedaan werd door een van hier gekomen Sturmbannführer, die in Vught als ondercommandant geïnstalleerd werd. We liepen verder het kamp in. Rechts ongeveer 20 m van ons vandaan, werd onze aandacht getrokken door de twee ramen in een breedtekant van een barak. Achter het glas bevond
zich een aantal in ondergoed gestoken mannen. Ik kon drie of vier mij bekende gezichten onderscheiden. Wij kwamen dichterbij. Achter de vensters werd een voor ons onbegrijpelijke pantomime opgevoerd. In hun ondergoed, waarschijnlijk waren zij gebaden, verschoond of/en ontluisd, gedroegen zij zich allerzonderlingst. Ze duwden elkaar weg om voorop tegen de ruiten te kunnen staan. Ze rekten de halzen en hoofden zo ver en hoog mogelijk uit en bolden hun borstkas als na 't vreten flirtende kropduiven. De weggedrongen mannen staken hun gebalde vuisten boven de hoofden uit. Een vreemde nieuwsgierigheid naar ons nieuwkomers, S.O.S.-signalen die met opgevangen werden. H u n gestikuleren en zonderlinge opwinding konden wij niet vertalen, nog minder de achtergronden vermoeden waarover zij ons wilden inlichten om ons tegen het komende levensgevaar te behoeden. 'Hou je goed!' betekenden de tekens in ieder geval, de slogan voor en van iedereen, iedere keer bij verlaten van huis, stad, land of kamp naar gruwelijker oorden. Het was het enige slechts, dat wij elkaar konden meegeven; een aanmoediging om flink te zijn en te blijven. In een groot arena-rond lokaal, de sauna, werden wij weer bij elkaar gebracht. Er was ruim plaats voor de vrouwen, mannen en kinderen. O o k merkte ik hier een ploegje krankzinnigen op. Zeker de patiënten van een van Joden gezuiverd gesticht, die aan het transport waren toegevoegd. Ze lagen, zaten en enigen, die misschien niet te ver van normaal af waren,
Verzen van Bep Nof Een achttal gedichten in ons bevrijdingsnummer heeft de aandacht van onze lezers getrokken. Helaas is door een technische tekortkoming de naam van de dichteres weggevallen. De gedichten Mei 1940, 1940, Vlucht 1942, Maar voor zes weken, Brussel 1943, Wat overbleef, 1945 bevrijding en Israël zijn van de hand van onze v r i e n din Bep Nof te Jeruzalem. Wij bieden haar hierbij onze spijt en verontschuldigingen aan. Bep Nof zond ons i n t u s s e n nog twee gedichten die wij hieronder publiceren. Overigens zal men hebben opgemerkt dat boven ons vorige blad het woord mei ontbrak. Toch was het een m e i nummer.
Geen wagens afhaken. Trein moet in zijn geheel naar Westerbork terug.
1942-1944 Geschokt heb ik het bord bekeken, Na jaren grijpt dat mensen aan. De letters, die van helvaart spreken Laten geen misverstand bestaan:
Jom Hazikaron 1980 Vele namen zijn vandaag op lippen gekomen waar van de smaak van tranen nog aan-wezig was.
De trein, met dit metaal omhangen Reed stipt op tijd naar wisse dood. Tienduizenden... Als dier gevangen, Gemerkt met ster en opschrift jood.
De vlam het eeuwige vuur
Schuifdeuren knarsten en Nederland Verdween in lichtende morgen. Een opwaarts sein leek groetende hand; 't Spoor was vrij, de vracht geborgen.
in de harten brand nog vol pijn wat ondoofbaar is.
Hun hart heeft slechts kort nog geslagen, Gas heeft de laatste kreet gesmoord. Wanneer ook weer? Feiten vervagen... Op roestend staal wordt het verwoord.
Lege handen. Een vergeefse oorlog in de koelte van de stenen waar namen z i j n in uitgehold.
Ger Vanyos 4 mei 1980 Vervolg 'Til Gardeniers sprak' van pag. 4
Zij vielen in rijpe velden, bogen door de wind met versteende adem. Bep Nof Monument van gevallen soldaten in Jerusalem Vogels bevuilen het herinneringsmonument van de gevallen soldaten. De tijd lacht om de kinderen die er om heen spelen. Bep Nof
De samenstellers hebben gemeend — ondanks alles wat gebeurd is — te moeten eindigen met een positieve gedachte: weliswaar zijn vele miljoenen mensen slachtoffer geworden van de nazi-terreur, onder hen miljoenen Joden, van wie 105.000 Nederlandse Joden, 60.000 van hen in Auschwitz. Doch Hitier heeft niet slechts de oorlog verloren, hij is ook niet geslaagd in zijn opzet, op basis van de waanzin van de rassendiscriminatie en de these van het Untermenschtum waaronder ook de volken van OostEuropa zo onnoemelijk veel hebben geleden, het Joodse volk geheel te
vernietigen. Er waren overlevenden, ook in Nederland, er was in 1945 een nieuwe toekomst. Deze gedachte vormt het laatste gedeelte van de tentoonstelling. Auschwitz is een plaats waar over het verleden verteld moet worden. Maar her is voor alles een plaats waar over het verleden nagedacht moet worden, een plaats van herdenking en van bezinning. U zult dan ook het historisch verhaal dat de tentoonstelling poogt te vertellen, aantreffen in een opstelling die een monumentaal karakter draagt. Op enkele elementen daarvan wil ik uw speciale aandacht vestigen. Het centrale element van de tentoonVervolg
op pag. 8
Vervolg van pag. 5 gierigheid, zelfkastijding of was het misschien door schuldgevoel? Ik wist het niet en merkte later dat het antwoord op deze vraag in Auschwitz duidelijk zou worden. Met lood in onze schoenen zijn wij in juni jl. met het Nederlandse Auschwitz Comité op reis gegaan en wij hebben het in Auschwitz-Birkenau onnoemelijk zwaar gehad. Sobibor konden wij niet bereiken, maar achteraf is dat ook niet essentieel gebleken. Wij hebben — vooral in Birkenau — erg gehuild, zoals wij nog nooit eerder hebben kunnen huilen om het verlies van onze ouders, broers, zusters en verdere tientallen familie-leden en voor de moord op ons hele volk. Wij hebben er kaddisj gezegd en mijn tranen in de tefilla zullen ter plaatse voor altijd hun vlekken achterlaten. Kaddisj Elk mens heeft bij zijn overlijden van zijri naasten behoefte en het recht om een rouwproces door te maken met alle verdriet, huilen en het moeilijkst
Vervolg van pag. 7 stelling wordt gevormd door een wandtapijt, vervaardigd naar een ontwerp van degene die de vormgeving van de hele tentoonstelling heeft gemaakt, Dick Elffers. Het stelt voor: de zwarte zon; de verduistering van alle leven, symbool voor moord en vernietiging. Het oog wordt naar het wandtapijt toegeleid via een dubbele rij van geroeste metalen platen, temidden waarvan het enige 'documentaire voorwerp' staat opgesteld dat in de tentoonstelling is opgenomen: een metalen routebord dat gehangen heeft aan de deportatietreinen die uit het Judendurchgangslager Westerbork venrokken naar Auscbwitz, en dat met de tekst: WESTERBORK — AUSCHWITZ AUSCHWITZ — WESTERBORK Geen wagens loskoppelen Trein moet in zijn geheel naar Westerbork terug een aangrijpend beeld van de tragiek van de deportatie. Geschenk NAC Vervolgens is er een speciaal voor deze
van al het voor altijd afscheid nemen op de begraafplaats. Hoe verschrikkelijk dit alles ook is, het is een psychologisch belangrijk, zelfs onmisbaar gebeuren. Het is bekend dat het niet goed doormaken van dit proces tot langdurige psychische restverschijnselen kan leiden. In mijn beroep als arts word ik vaker met deze waarheid geconfronteerd. Als overlevenden van de 'Endlösung' hebben wij nooit het recht of de gelegenheid gehad om onze omgekomen verwanten te begraven of om een normaal rouwproces door te maken. Het probleem laat ons dan ook nimmer los. In Auschwitz-Birkenau konden wij voor het eerst de vraag beantwoorden wat wij daar kwamen doen, wat ons daarheen heeft gevoerd en dat bleek te zijn het alsnog begraven van hen die wij verloren. Wij zegden in Auschwitz en Birkenau, de begraafplaatsen zelve, het kaddisj gebed en huilden daar om het verlies als was het gisteren gebeurd. Wij zijn dankbaar dat wij naar onze gevoelens onze familieleden toch nog — na zovele jaren — hebben kunnen begraven.
Ook hebben wij het gevoel dat wij met deze moeilijke reis een daad hebben gesteld die wilde getuigen van onze gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid voor alles wat onze familieleden en in het bijzonder onze ouders voor ons hebben betekend. Meer dan ooit beseffen wij waarom echtgenotes, ouders en kinderen van gesneuvelde militairen van heinde en verre komen — en daar alles voor over hebben—om de begraafplaats van hun familieleden op te zoeken, daar te huilen en er bloemen achter te laten.
tentoonstelling vervaardigd beeldhouwwerk van een groep concentratiekampgevangenen, gemaakt doof de beeldhouwster Nina Baanders-Kessler, een geschenk van het Nederlands Auschwitz Comité. En tenslotte een bronzen afgietsel van het indrukwekkende beeld vna de onlangs overleden beeldhouwer Mari Andriessen, 'De Dokwerker', dat geplaatst is op het plein in Amsterdam waar in februari 1941 de eerste razzia op Joodse Nederlanders plaatsvond, en dat het fiere antwoord verbeeldt op deze misdaad: de algemene proteststaking van de Amsterdamse bevolking. Er is, dames en heren, de vraag gesteld waarom de tentoonstelling in het Nederlandse paviljoen geen foto's of documenten bevat over het verblijf en de lotgevallen van de 60.000 Nederlanders die in Auschwitz het leven hebben gelaten. Ik wil deze vraag graag beantwoorden. De Poolse regering en het Poolse volk hebben zich terecht gerealiseerd dat Auschwitz een symbool is geworden van moord en vernietiging van de mensheid, van mannen, vrouwen en kinderen van vele nationaliteiten. Zij gaven uiting aan deze gedachte door
het Staatsmuseum van Auschwitz te stichten en het te maken tot een internationale plek van herdenking en bezinning. De directie van het Staatsmuseum richtte een aantal barakken op een voortreffelijke wijze zelf in en gaf daarin een even sober als indrukwekkend beeld van wat er in Auschwitz in de jaren tussen 1940 en 1945 geschiedde. De samenstellers van de Nederlandse expositie hadden de overtuiging dat aan dat beeld niets zinvols was toe te voegen. De 60.000 Nederlanders zijn al in uw museum aanwezig, temidden van alle andere slachtoffers. Het is ook, en niet in de laatste plaats, vanwege deze gedachte, dat de Nederlandse regering erkentelijk is geweest voor de uitnodiging ook een Nederlandse expositie in te richten. Namens de Nederlandse regering en het Nederlandse volk verklaar ik gaarne het Nederlandse Paviljoen in het Staatsmuseum te Auschwitz voor geopend en ik draag de tentoonstelling vol vertrouwen aan uw goede zorgen over.
Wij zijn het Nederlands Auschwitz Comité zeer dankbaar dat zij het initiatief tot deze reis heeft durven nemen en voor de verdere voortreffelijke organisatie ervan, waardoor wij in de gelegenheid werden gesteld om niet alléén, doch in groepsverband deze reis te maken. Wij zijn ook medereizigers die, zover wij met hen spraken, zo eendere gevoelens als wij bleken te hebben erg dankbaar voor hun sympathie en steun. Sam Bos
TERUG
IN AUSCHWITZ Transport EK d.d. 30 sept. '44; Theresienstadt-Auschwitz/Birkenau. (enkele reis). Vlucht LO 3676/ 3677; Amsterdam-Katowice v.v. 35 Jaar, 8 maanden en 3 weken na de eerste keer ben ik in Auschwitz e n Auschwitz-Birkenau teruggekomen. Niet uit nieuwsgierigheid hoe het er n u wel uit zou zien, want het beeld is n o o i t van m i j n netvlies weggeweest. De voornaamste reden was: na 35 jaar alsnog proberen 40 familieleden te begraven; Jizkor e n Kaddisj zeggen op de plaatsen die respectievelijk letterlijk e n symbolisch hun graf maar niet hun rustplaats zijn geworden. Pers, radio e n TV hebben uitvoerig aandacht aan deze, door het Nederlands Auschwitz Comité voortreffelijk voorbereide e n geleide reis, besteed. De reis valt in twee delen uiteen: het verblijf in Polen (voor velen de eerste keer na het Grote Gebeuren) e n het bezoek aan Auschwitz/Birkenau met als aanleiding de opening van het N e derlandse paviljoen.
Onveranderd 'Ladies and Gentlemen, welcome in mij beautiful country Poland and in particular welcome in Silesia. I don't know whether you have ever been here before, but anyway I hope that you will enjoy your brief stay.' (Ik weet niet of u wel eens eerder hier bent geweest, maar ik hoop dat u plez i e r zult hebben van uw korte verblijf.) De gids, een aardige, vlot Engels sprekende jongen, is onmiddellijk in zijn rol als gids. De ingesleten groeven van de plaat waar zijn standaardverhaal staat laten geen ruimte voor het feit dat sommigen van o n s 'have i n deed been here before'. De volgende dag, op weg naar Auschwitz, biedt hij in goedgekozen woorden geformuleerd, ongetwijfeld welgemeende verontschuldiging aan voor z i j n o n achtzaamheid. Zonder enige twijfel heeft iemand van het comité hem discreet op zijn fout gewezen. Het eerste lidteken is m ieder geval weer open. De verhalen dat Auschwitz e e n pretpark geworden is blijken volkomen onjuist te zijn. Welis-
waar zijn er buiten het hek enkele kiosken, maar binnen het hek met het schijnheilige opschrift 'Arbeit Macht Frei' is alles onveranderd en heerst een stemming van plechtige terughoudendheid. Dit ondanks het grote aantal bezoekers; het is een weekenddag waarop men in Polen vrij i s , en bovendien moeten alle schoolkinderen boven de leeftijd van dertien jaar en alle militairen het kamp tenminste één keer verplicht bezoeken. De grootst mogelijke zorg is betracht om alles in de oorspronkelijke staat te houden; men is daar voortreffelijk in geslaagd. Men is er eveneens in geslaagd het feit dat hier overwegend Joden zijn vermoord naar de achtergrond te doen verdwijnen. Auschwitz I (het Stammlager) is oorspronkelijk als garnizoen gebouwd; in een aantal van de stenen barakken, 'Block' genoemd, is nu een aantal permanente tentoonstellingen ondergebracht. De meest indrukwekkende paviljoens zijn (in blok 27) het in 1978 geopende 'Pavilion of Martyrology of Jews', in blok 17het Oostenrijkse paviljoen, alhoewel sommige toeschouwers terecht niet aan een gevoel van hypocrisie ontkomen, en dan nu het Nederlandse paviljoen in blok 21, tegenover blok 27. Het lijkt mij essentieel dat in het Joods Historisch Museum een replica van deze tentoonstelling komt.
Paviljoens Het Nederlandse paviljoen is aangrijpend om een aantal redenen: door zijn beheerste eenvoud, door de her-
kenning, en niet in de laatste plaats door het optimistische einde van de tentoonstelling: ' O o k na 1945 spelen e n lachen Joodse kinderen.' Am chai Jisrael; het volk Israël leeft! Ontwerper Dick Elffers, de kunstenares mevr. Nina Baanders-Kessler en de mensen welke voor de technische verzorging verantwoordelijk waren hebben niet alleen hun vakmanschap maar ook hun hart ingebracht. Het laatste deel van het paviljoen gewijd aan de martel gang van de Joden (blok 27) is van een ontroerende e e n voud. Het doet enigszins aan het Jad Wasjem in Jerusalem denken. Verzonken in de vloer, als een graf, ligt e e n gebroken marmeren plaat, met daar op een eenvoudig metalen Mageen David. De ruimte is donker, het 'graf' is verlicht. Er omheen branden wat Jaartijdkaarsen. O p die plek heb ik werkelijk het gevoel gehad aan het graf van mijn familie te staan. De vitrines met artikelen van in Auschwitz/Birkenau vermoorde slachtoffers zijn vreselijk om aan te zien, omdat achter elk artikel een persoonlijke tragiek schuilgaat. O o k mijn moeder heeft er voor gezorgd dat we alle drie stopwol en garen bij ons hadden. Het meest troffen m i j een paar koffers met mij bekende namen, maar bovenal de koffer van een in 1940 geboren Nederlands meisje. Vermoord in het kader van de Arbeits e i n s a t z , tijdens 'eventuele deelname aan een, onder politietoezicht staande, werkverruiming in Duitschland'. (Letterlijke tekst van de oproepingen verzonden door de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung Amsterdam).
Krakau Tm Sinne der Anklage unschuldig'. Van Joods leven in Polen is eigenlijk geen sprake meer. Krakau herbergt nog ca. 600Joden, geleid door een 84jange ziekelijke voorganger. Een rabbijn is er niet meer. De Remuh synagoge uit de 15e eeuw is nog in gebruik. De beroemde ' O u de Synagoge' daterend uit de 14e eeuw is gerestaureerd en is nu als museum ingericht. Bezoeken van beide gebouwen was volstrekt onmogelijk; formalisme (of onwil) maakte een bezoek onmogelijk'. O p de binnenplaats van de Remuh synagoge is een
Vervolg van pag. 9 aantal grafstenen in de muur ingemetseld. Door het hek is de door gras overwoekerde Joodse begraafplaats te zien met de beroemde 'Klaagmuur', eveneens opgebouwd uit grafstenen. Deze muur was vóór de oorlog voor de Joden van Krakau het substituut voor 'Hakotel' in Jeruzalem. N u klaagt er vrijwel niemand meer. Over enige jaren zal Polen geheel'Judenfrei'zijn. ' (
Birkenau Ca. 4 km. van Auschwitz I ligt Auschwitz/Birkenau. N i e t alleen de Joodse begraafplaats van Krakau is door gras overwoekerd. O o k in Birkenau — het grootste Graf ter wereld — probeert de natuur, overigens tevergeefs, te verbergen wat hier ooit geweest is. Het perron naast de rails, de plaats waar ééns een van de grootste misdaden plaatsgevonden heeft welke de wereld ooit gekend heeft, n.1. de selectie na aankomst van de transporten, is volkomen overwoekerd. Het kamp staat er nog vrijwel in zijn geheel. Een aantal barakken is weliswaar verdwenen, maar de stenen schoorstenen markeren nog precies de plaatsen waar ze gestaan hebben. Vergezeld door de KRO-reporter en door een verslaggever van het Parool heb ik getracht dezelfde weg te gaan die mijn vader en ik destijds zijn gegaan. Het gevoel dat door mij heenging is onwezenlijk en niet in woorden weer te geven. In de eerste plaats het feit dat ik nu met een taxi van Auschwitz naar Birkenau ben gegaan. In de tweede plaats was ik geobsedeerd door de wil om alles terug te
Vervolg van pag. 6 warmden zich aan de op schouderhoogte tegen de muren bevestigde dikke verwarmingsbuizen. Centrale verwarming! Wij bleven enige uren in die zaal. Er gebeurde niets bijzonders, dus wachtten wij maar af. Een der ongelukkigen (?) een vrouw met grote brandende zwarte ogen speelde een handenspel. Ze drukte haar handen met wijd uitgespreide vingers vóór zich tegen elkaar en draaide ze als molenstenen tegen elkaar in, de toppen elkaar rakend.
zien, zo mogelijk de zelfde sensatie nog eens te beleven. En weer liep ik vanaf het perron langs het vrouwenkamp, naar de barak waar onze horloges werden gestolen, langs de ontluizing, naar de latrine. Deze maakte nog net zo'n mensonterende indruk als destijds. De barak waar ik gewoond heb is afgesloten, maar een identieke barak is open en ik loop vrijwel zonder aarzeling naar de brits waar ik destijds geslapen heb. En weer zie ik die jonge, enigszins gezette Tsjech op het verwarmingskanaal 'kikkeren' alvorens hij buiten de barak werd doodgeslagen.
Gevoel van verlichting Ik heb het gevoel er goed aan gedaan te hebben deze reis te gaan maken. Onderweg en 's avonds was er de mogelijkheid met reisgenoten in het algemeen, en met rabbijn Sonny Herman in het bijzonder, over alle ervaringen te praten zonder het gevoel te hebben iemand te belasten. De emotionele ontlading kwam pas thuis, maandagavond. Ik was nauwelijks in staat een woord uit te brengen. Nochtans ben ik van mening dat dergelijke reizen, mits even goed en zorgvuldig voorbereid en begeleid als deze, voor velen tot verlichting van hun verdriet en hun schuldgevoel, wellicht zelfs tot een catharsis zouden kunnen leiden. Wat heeft de 'onbelaste' reisgenoten bewogen aan deze reis deel te nemen ? 'Ik wil zien hoe het Verbondsvolk geleden heeft'. 'Ik werk onder Surinaamse jongeren als welzijns-werker en wil hier een project van maken, opdat deze jongeren ook dit aspect van de Nederland-
Leny haalde een pakje roomboter te voorschijn, het enige dat zij aan de onteigening had kunnen onttrekken. Haar man, Herman, had een briefje van 25 gulden gevonden in de voering van de broek die hij in Westerbork gekregen had. De vrouwen hadden voor dat geeltje boter gekocht, hoewel natuurlijk niet in de kantine, als er al eentje in Westerbork was. Wel hadden we trek en hoewel die boter er bij ons niet gesmeerd in kon gaan, aten de geesteszieken hem met kluitjes. Ik moest van het toilet gebruik maken. In de kleine w.c.-ruimte was
se geschiedenis leren kennen'. 'Als docente bij het V W O behoor ik dit gezien te hebben; aan dit deel van onze geschiedenis wordt op de middelbare scholen veel te weinig aandacht besteed'. Ik ben enige keren in Israël geweest, dit deel van de moderne Joodse geschiedenis wil ik óók zien'. 'Kunt u mij laten zien waar al die mensen begraven zijn?' Na nog eens verteld te hebben hoe alles precies in zijn werk is gegaan de motivatie: 'Als vormingswerker moet ik dit gezien hebben, alles is me nu veel duidelijker geworden'. De vader van een jonge reisgenoot is als 12-jarig kind tijdens de onderduikperiode opgepakt en vrijwel onmiddellijk naar Birkenau doorgestuurd. Hij heeft de oorlog overleefd maar is op vrij jeugdige leefdtijd overleden. Voor zijn overlijden heeft hij zijn zoon precies verteld en geschetst in welke barak hij gewoond heeft. 'Ik heb ongeveer een kwartier een flink potje zitten huilen achter die barak.' Na afloop is hij duidelijk opgelucht. Per taxi naar het vernietigingskamp terug. Eindelijk 'Kaddisj' zeggen op het perron van Birkenau. Ondanks dat alles is de verwondering over het 'Er Nog Zijn' met minder geworden. In het bezoekersboek van Block 27 heb ik geschreven: 'Ter nagedachtenis van 40 omgekomen familieleden. In de hoop dat mijn dochters dit nooit behoeven mee te maken. A. Caransa Amsterdam, 29 juni 1980. " details betreffende Joods leven in Polen zijn te vinden in 'The Jewish Travel Guide' uitg. 1980, blz. 246/ 247. ::
de Scheiszmeister (terecht met een hoofdletter) een jonge in kampkleding, bezig met zijn werk. Met taal en tekens probeerde ik enige informatie uit hem te krijgen. De jongen het echter niets los, hield zich Oost-Indisch doof en probeerde, op zijn knieën gelegen, zo ver mogelijk van mij verwijderd te blijven. Ik was niets wijzer geworden. Terug kon ik vrouw en vrienden geen enkele opheldering geven. N a lang verwijlen ging er eindelijk iets gebeuren. Wij moesten ons naar een naastgelegen lokaal, een soort rui-
me hal, begeven. Daar stonden enige S.S-ers, net leerkrachten in het speelkwartier, koutend bijeen. Het was de bedoeling dat wij langs dat groepje, enige Scharführers en naar ik mij herinneren kan twee gesterde hogen, naar buiten moesten. Dat verliep rustig. Er werd gejaagd, gescholden of geslagen. Geluidloos en bijna onmerkbaar werden ouders met baby's en grotere kinderen, invaliden en voor hen ongeschikten (Arbeitsunfahig), als verkeersovertreders (in 1980) uit de rij gehaald en terzijde gesteld. Zij moesten achterblijven. Pietje en ik liepen gearmd, onwetend de selecterende militairen voorbij, de verademend koude buitenlucht tegemoet. Diezelfde avond werd mij het verteld, het mysterie ontsluierd. De beslissing over ons was gevallen, de keuze was gemaakt tussen de dood en voorlopig verderleven. De adem des doods, het Zyklongas, was langs ons heen gestreken. Vooral wij mannen uit Vught, jong en gezond, werden hier goedgekeurd en als slaven, voor een nog veel lagere prijs dan slaven ingelijfd. De meesten hadden hun vrouw en kinderen met de transporten naar Polen verloren en hen nimmer weergezien. De verpletterende bevestiging heeft de mannen meestal de kracht ontnomen de al hopeloze strijd voor levensbehoud vol te houden. Appèl We werden naar een naburige barak geleid. De vrouwen achterin en de mannen in het vóórgedeelte in rijen van tien, hier het eerste appèl. Er zouden nog vele wrede, dodelijke volgen.
Het langdurende tellen en weer opnieuw tellen, lieten wij insiders gelaten over ons heen gaan. Ik stond vooraan, keek of ik Fietje zag, maar kon haar door de afstand en de vele rijen vrouwen niet van de anderen onderscheiden. Toch plotseling werd het bevel afmarcheren gegeven. Alleen voor de mannen, want de vrouwen moesten blijven staan. Met één afschuwelijke schreeuw riep ik om Fie. Een dierlijke rauwe krijs vanuit m'n middenrif losgescheurd werd het, waarmede ik mijn opgeborgen verdriet uitstiet. Intuïtief voelde ik dat het een afscheid voor altijd zou zijn. Heeft zij mijn angstkreet om haar gehoord? Als zij teruggekomen was... Wij werden natuurlijk 'zu fünfen' opgesteld en zetten ons in beweging. Na enige tientallen passen draaide ik mijn hoofd om en kreeg meteen een verschrikkelijke harde schop tegen m'n schenen. Ikstruikelde, maar wist mij overeind te houden en liep gewoon door, terwijl een jonge wachtpost, kennelijk de dader, mij uitkafferde. In Vught had ik een dergelijke trap gekregen, die ik toen met een felle vloek pareerde. Ik werd daarvoor dan ook duchtig afgerost. De les, toen geleerd, heb ik mij terdege ter harte genomen. In het vervolg ging ik mijns weegs als een straathond die met de neus bijkans tegen het plaveisel rechttoe rechtaan de straat oversteekt, het drukke verkeer met optimale zintuigen waarneemt en de hem van alle kanten belagende gevaren omzichtig ontwijkt. Een paard met oogkleppen, das Schicksal voerde de teugels. Schijnbaar liepen we nu langs andere
wegen. De gruwelijke omstandigheden van het kamp werden ons naakt getoond. De ijzingwekkende, uitgestrekte, met sneeuw bedekte vlakte bood niets aan natuurschoon, een stimulans voor de S.S.-ers, kapo'sKriegsverbrechers en de harpijen hun vrouwelijke trawanten. Het terrein was met prikkeldraad, doorweven met stroomdraad, in grote afdelingen van het kamp verdeeld. Een stormwind gierde over de Sa(tans)hel, een woestenij, een dorre uitgestrektheid en door de aan isolatoren bevestigde draad en staanders. Zo moeten zeevaarders hoge windkrachten door het want hebben horen woeden, en moeten hun door eenzelfde macabere zang de stuipen op het lijf zijn gejaagd. O p de dwarswegen stonden 40 tot 50 meter van elkaar af enige uitgeteerde stumpers, geslachtloze mensjes. Ze leken zo klein, dat ze met hun gerimpelde, grauwe gezichten wel pygmeeën schenen. H u n leeftijd was niet te schatten. Voor ons was het de eerste kennismaking met 'de Muzelman', in het al overschreden stadium voor opname in de... gaskamer. De Homo Europaeus die van zwakte met de wind mee deinde, was aangesteld bij de reinigingsdienst, misschien ontlast van 'zwaarder' werk. Een soort Schonungsbehandeling. (Het Duitse woordenboek geeft voor Schonung o.a. bescherming, jonge aanplant.) Zij hielden een stokje in de hand. Aan een eind daarvan een rudimentair restje van wat eens een heiboender moet zijn geweest. Het apparaat was al net zo slap als zijzelf. Zij hadden er niet de minste steun aan. Gelukkig nam de wind hun het werk uit handen. De wegen waren zo schoon geblazen dat er geen papier of vuil te vinden was. Overigens, waar had overtolligs vandaan moeten komen? En dan waren er nog de 'nauwkeurig toegepaste' Reinheids Wetten. Kootsens (Rijkaards) Voor ons, bij hen vergeleken vorstelijk gekleed en blakend van welstand, hadden zij niet de minste belangstelling. Waarschijnlijk hadden zij al zo vele 'Neue Zugange' zien binnenkomen, hadden ze te veel met zichzelf te doen, of had de dood hen al op één van de harde windstoten na in de armen genomen. We liepen verder. In de verte zag ik
Vervolg op pag. 12
SAAR NETER-BEESEMER OVERLEDEN
O p 16 juli 1980, een gewone dag in de week, hebben wij afscheid genomen van een gewone vrouw van het oude volk. Triest was de weersgesteldheid, triest als haar strijd tegen haar niet te o v e r w i n n e n ziekte met het onverbiddellijke einde. Veelvoudig domineerden haar goede eigenschappen. Toegewijd en liefdevol diende zij haar man, kinderen en kleinkinderen, welke laatsten vooral een verzachting van haar lijden voor haar betekenden. Voor familie, vrienden en vrienden van vrienden heeft ze gesjouwd, wensen vervuld en hun de grootstmogelijke gastvrijheid verleend, waarvan dan ook dankbaar gebruik werd gemaakt. Zij, een overlevende van het experimentenblok en haar man Manus, ook een met Auschwitznummer getekende, waren als werkers van het eerste uur-medeoprichters van ons comité. N a het verlies van haar man is zij moedig voort gegaan. Een nijvere vrouw is tot haar verdiende rust gekomen. Wij hebben aan haar een goede vriendin verloren. Jacques I. Furth
WIE?
Wie kan mij inlichtingen geven over m'n ouders en twee broers, in juni of juli '43 thuis weggehaald (v. Swindenstraat, A'dam) en vermoedelijk overgebracht naar Auschwitz, waar ze — volgens de overlijdingsaktes — in augustus zijn overleden, m'n oudste halfbroer in december. Ze heetten resp. Rosa Smit-Ourhaan en Louis Smit (beiden geb. in 1900), Bernard (Bobbie, 20 j.) en Maurice (Riesje, leeftijd onbekend). M'n jongste broer Hans en mij hebben ze op tijd laten onderduiken. Eva Smit Hoefijzer 66 Loenen a/d Vecht Tel. 02943-4141
DE REIS
Vervolg van pag. 11
Een stille wens van een aantal vrienden is vervuld, een bezoek aan het voormalige kamp, nu staatsmuseum Auschwitz, met daarin een gedeelte van onszelf, van Nederland. Sommigen van die vrienden hebben zich dadelijk op onze oproep gemeld — en toen teruggetrokken: wat is dat goed te begrijpen! Tenslotte vertrok het charter-vliegtuig van het N A C naar Katowice met 71 personen, onder wie verscheldenen medewerkers van t.v., radio en pers. Verscheldenen interviews zijn gemaakt en uitgezonden; de NOS-film 'Alle malen zal ik wenen' werd zeer goed ontvangen. De officiële delegatie omvatte behalve de ministers Gardeniers en Pais de Tweede Kamerleden Cornelissen, Kappeyne van de Coppello, Meijer en Wolff. Namens de Poolse regering traden de ministers Najdowski en Gorski als gastheren op en voor het museum de directeur K. Smolen. Bijzonder erkentelijk zijn wij de Algemene Loterij Nederland die door een subsidie de reis voor een bescheiden prijs heeft mogelijk gemaakt. Tweemaal hebben de deelnemers aan de NAC-reis Auschwitz bezocht: zaterdag 21 juni Auschwitz I, 's zondags na opening voor blok 21 ook Birkenau. Na de minister en de groep Tweede kamerleden legden twee oud-gevangenen een in Polen fraai uitgevoerd bloemstuk bij de zwarte muur tussen blok 10 en 11; onze jonge mensen sierden later de steen met Nederlands opschrift van het Internationale momument met een bloemstuk. Regen en onweersvlagen braken los tijdens de rede van de Nederlandse minister. 'Deze regen', zei mevrouw Gardeniers, 'is misschien de stroom van tranen die wij voelen, maar niet kunnen laten zien.'
bij een bouwvallige schuur, het was een woonbarak, vrouwen dicht op elkaar geklit in de sneeuw staan. Waar zij mee bezig waren was op afstand met te definiëren. Van degenen die aan de buitenkant van de mensenpol stonden blies de wind de schamele kleding op. Net een kudde schapen die opdrong om in de beschermende kooi te komen. Schapen zijn met hun dikke vacht beter tegen de natuurelementen beschermd dan mensen met de uitrusting hier door mensen aan mensen verstrekt. De vodden die deze vrouwen om hadden leken een soort dunne nachtpon om een schijnbaar naakt, zo tekende het wrede spel van de wind hun stakerig lichaam af. Langs de sirenenloeiende draadversperringen ging het op het mannenkamp Auschwitz. af. Ik, slampamper, die dit panorama waarnam alsof ik mij in een cinemascoop ophield, had er geen notie van (hoe kon dat ook) dat ik Sophie hier achter heb moeten laten. Morgen z o u zij in net zo een groep zijn verzwolgen, overdonderd en bedwelmd door rampspoed. Ze zou nog niet om eten kunnen vechten of mee staan dringen om beschutting te vinden in een gelijksoortige varkensstal. In dezelfde lompen moest zij proberen verder te leven. De sneeuw zou smelten en een loof- en grasloze modderpoel blootleggen, waar geen vogel zou komen zoeken of zingen. Met de gaskamers aan den einder, dagelijks de vlammen rook uit de uitlaten der crematoria en de stank van verbrand mensenvlees. O p een dag in de eerste oorlogszomer zaten wij beiden in het Hollandse polderland op de helling van de O o s ter-Ringdijk, toen zij mij ontroerend toevertrouwde (zij was in verwachting en ik zonder werk): 'Wil je geloven dat ik op deze minder dan een vierkante meter gras gelukkig ben!'
NAC
Jacques I. Furth.
Alle critici zijn het erover eens: Een onopgesmukt boek over Auschwitz. HERMAN BOASSON UIT H E T NABIJE V E R L E D E N
'Wij moeten niet vergeten. Wij moeten ons verleden herinneren terwille van de toekomst' Golda Meir. 2e druk
Bestel bij uw boekhandel of maak ƒ 1 6 , 9 0 (incl. port) over op postgiro 601700, t.n.v. uitgeverij en Boekhandel Jimmink B.V., Roosenveltlaan 6 2 , 1078 N L Amsterdam. Wij sturen u dan het boek per omgaande toe.