A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 1
Jaargang 55 nr.2, mei 2011
Auschwitz Herdenking 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 2
2 Inhoud
3 4 7 8 10 11 14
18 21
22 24 26 29 30 32 33 34 37 20 28 28
Auschwitz Bulletin
Nationale Herdenking, een oproep Herdenken De noodzaak van herdenken / Jacques Grishaver Steeds weer praten over Auschwitz / Eberhard van der Laan Raken aan de grote waaromvraag / Marjan Schwegman De verbijstering blijft / Crista Huisman Ziel en geschiedenis van een plek, weerspiegeld in architectuur / Ronald Leopold De volkenmoord op Sinti en Roma, een ‘vergeten’ Holocaust / Zoni Weisz Opinie Herinneringen doorgeven in duo-gastlessen / Arthur Bánki Nazimisdadigers in de bescherming van de Duitse geheime dienst / Maurice Ferares Cultureel / Boekbespreking Eva Tas, altijd weer Auschwitz / Voorpublicatie De Terugkeer / Max Arian Mijn naam is Max / Bertje Leuw Recent verschenen / Marjon de Klijn Actueel Annetje Fels-Kupferschmidt onderscheiding voor Jules Schelvis Joods Verzet herdacht / Max Arian In memoriam Mirjam Pinkhof 1916-2011 / Philip Rümke Een naam bij een foto / Paul Arnoldussen In memoriam Hans Beckman 1920-2011 / Awraham Meijers Berichten Reis-2011 naar concentratiekampen in Polen Congres Child Survivors, Warschau Toneelvoorstelling ‘Alles gaat aan flarden’
De activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité worden mede mogelijk gemaakt door het ‘Nationaal Fonds voor Vrijheid en Veteranenzorg’ met middelen uit de ‘BankGiroLoterij’ en de ‘Lotto’. Uw deelname aan deze loterijen wordt daarom van harte aanbevolen
55ste jaargang, nr. 2, mei 2011. Verschijnt 4x per jaar
De herinnering verankeren Het verankeren van de herinnering ligt ten grondslag aan de oproep waarmee dit Bulletin opent. Het is een pleidooi om aan de Auschwitz Herdenking een nationaal karakter te geven. Het spreekt in het verlengde daarvan bijna vanzelf, dat een groot deel van deze aflevering gewijd is aan de indrukwekkende herdenkingsmanifestaties die rond de Holocaust Memorial Day van 27 januari 2011 hebben plaatsgevonden. In Amsterdam verzorgde de ‘architect van het gedenken’ Daniel Libeskind de achtste Nooit meer Auschwitz Lezing en tezelfdertijd sprak in Berlijn ‘onze’ Zoni Weisz de leden van de Duitse Bondsdag toe over de Holocaust van Sinti en Roma. Wat de eerste betreft drukken wij, bijna zoals gewoonlijk, de huldigingrede af die bij de verlening van de Annetje Fels-Kupferschmidt onderscheiding werd uitgesproken. En voor de tweede zijn wij zo gelukkig de gehele Berlijnse rede in dit blad op te kunnen nemen. Drie dagen later was er de Auschwitz Herdenking in Amsterdam met de voor ons welhaast ‘vaste’ sprekers bij het monument en daaropvolgende lunchbijeenkomst: de burgemeester van Amsterdam, een vertegenwoordiger van de jeugd, de gastspreker bij de lunch en de voorzitter van het comité met zijn jaarrede. De toespraken, die daarbij gehouden zijn, vullen voor een belangrijk deel de rubriek Herdenken in dit nummer. In de rubriek Opinie, kort deze keer, wordt aandacht besteed aan het interessante onderwijsproject duogastlessen, waarbij eigen levensverhalen van ‘goed’ en ‘fout’ in de schoolklas naast elkaar worden gesteld. Voor veel leerlingen een ongekende gebeurtenis. De rubriek Cultuur bevat een aantal besprekingen van uiteenlopende publicaties. Deze variëren van een stripalbum tot een DVD, of van de voorpublicatie uit een biografie tot de signalering van een recent verschenen autobiografisch werk. De rubriek Actueel begint met de huldiging van Jules Schelvis, die niet alleen feestelijk 90 jaar werd, maar ook de Annetje Fels-Kupferschmidt onderscheiding van het Comité in ontvangst mocht nemen. De actualiteit van 25 februari, Herdenking Februaristaking 1941, had dit jaar een bijzonder aspect door de onverwachte identificatie van een van de slachtoffers op een bekende razzia foto. En ook de jaarlijks in belang toenemende herdenking van het Joods Verzet voorafgaande aan de grote Herdenking Februaristaking wordt in een aparte bijdrage eens goed naar voren gehaald. De rubriek wordt besloten met de levensberichten van twee hoogbejaarde, oude vrienden van het Auschwitz Comité die onlangs overleden zijn. – H.S.
Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk. Overname van artikelen is toegestaan, mits met toestemming van de auteur en de redactie.
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 3
3
Nationale Herdenking, een oproep Tijdens de afgelopen Auschwitz Herdenking/Holocaust Memorial Day heeft de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité opgeroepen om deze Herdenking een Nationale status toe te kennen. Dit heeft geleid tot onderstaande verklaring.
E
r zit veel meer dan een verzoek om erkenning in deze op roep. Het gaat vooral om aandacht voor de meest gruwelijke misdaad tegen de menselijkheid ooit begaan en om de herinnering daaraan te verankeren in de samenleving. Aandacht die niet mag ophouden bij een volgende generatie. De overheid heeft de mogelijkheid en de middelen om de Auschwitz Herdenking de status van Nationale Herdenking te verlenen. Deze route is al ingezet door de Verenigde Naties in 2005 door het opstellen van een resolutie die door vrijwel alle leden is aanvaard. Ex-premier Balkende werd toen in de Tweede Kamer de vraag gesteld: ‘Op welke manier zal de Nederlandse regering uitvoering geven aan deze herdenkingsdag? Zijn antwoord luidde: ‘… In samenwerking met verschillende organisaties worden door de regering op dit gebied diverse activiteiten ondernomen. Het belangrijkste onderdeel hiervan is de herdenking die het Auschwitz Comité jaarlijks organiseert in Amsterdam. Deze vindt elk jaar plaats op de zondag na 27 januari om zoveel mogelijk betrokkenen in de gelegenheid te stellen de herdenking bij te wonen. Namens het kabinet is de staatssecretaris van VWS hierbij aanwezig…’
Steun Uitspraken van twee elkaar opvolgende Staatssecretarissen van VWS, mevrouw Clémence Ross-van Dorp en mevrouw Jet Bussemaker, onderstrepen het belang van het Nederlands Auschwitz Comité en de Herdenking. ‘Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is dat de herinnering aan wat toen is gebeurd levend wordt gehouden. Generatie na generatie. Het Nederlands Auschwitz Comité zet zich daarvoor in en heeft zich daarmee een niet meer weg te denken plaats verworven in onze samenleving’, aldus mevrouw Ross-van Dorp. Mevrouw Bussemaker maakte dat nog duidelijker: ‘Naast de herdenking op 4 mei is natuurlijk ook deze Auschwitz Herdenking een belangrijk moment waarop we stilstaan bij de Holocaust. Graag denk ik met u mee op welke wijze wij er samen voor kunnen zorgen dat ook deze herdenking voor de toekomst kan worden behouden en daardoor betekenis houdt voor onze samenleving. Nooit meer Auschwitz. Achter deze drie woorden steekt het leed van miljoenen mensen. De Tweede Wereldoorlog en de Holocaust zijn ijkpunten in onze geschiedenis geworden. En dat wil-
len we ook zo houden. Zodat ook voor vele generaties na ons Nooit meer Auschwitz veel meer is dan alleen drie woorden’. In oktober 2007 bevestigt de toenmalige directeur van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II, dat er voor de overheid slechts drie officiële herdenkingen zijn, namelijk: 4 mei de Nationale Herdenking, 15 augustus de Indië Herdenking en op de laatste zondag van januari de Auschwitz Herdenking. Het is pijnlijk om vast te stellen dat al deze uitspraken tot nu toe niet tot de gewenste status hebben geleid en dat van samenwerking, zoals de ex-premier in zijn reactie verwoordde, helaas nog geen sprake is.
Auschwitz Herdenking Het Comité is van mening dat de slachtoffers van de Holocaust recht hebben op een eigen herdenking. Deze gitzwarte bladzijde uit onze geschiedenis dient blijvend onder de aandacht te worden gebracht van volgende generaties. Het Centraal Joods Overleg bracht dit krachtig onder woorden: ‘Antisemitisme is een oud, eeuwenoud, en nog immer bestaand verschijnsel, dat in de Holocaust zijn dieptepunt in de moderne geschiedenis vond. Op 27 januari is het wereldwijd Holocaust Memorial Day, de door de Verenigde Naties ingestelde dag om dit dieptepunt te gedenken’. Dit jaar was het de vijfenvijftigste keer dat het Nederlands Auschwitz Comité de Herdenking organiseerde. De Herdenking is uitgegroeid tot een buitengewoon belangrijke manifestatie waar overlevenden en hun nabestaanden ieder jaar bijeenkomen om hun geliefden te herdenken. Inmiddels mag het Comité zich verheugen in de aanwezigheid van een groot aantal ambassadeurs uit de ITF-landen, landen die zich naar aanleiding van de resolutie van de VN binnen de ‘Task Force for International Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research’ hebben verenigd, met als gezamenlijk doel te voorkomen dat de herinnering aan de Holocaust en de gevolgen daarvan vergeten zullen worden.
Nationale Herdenking Het Nederlands Auschwitz Comité is van mening dat het toekennen van de nationale status aan de Auschwitz Herdenking op grond van de uitspraken van overheidsfunctionarissen en politici, van de VN resolutie, en het belang dat de ITF landen aan deze Herdenking hechten, meer dan gerechtvaardigd is. Voor de overlevenden en hun nabestaanden zal dit de ultieme waarborg zijn dat de Auschwitz Herdenking blijft bestaan.
Het Bestuur van het Nederlands Auschwitz Comité Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 4
4 Herdenken
Holocaust Memorial Day Verkorte toespraak van Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, tijdens de lunchbijeenkomst na de Auschwitz Herdenking op 30 januari 2011 in Hotel CASA400 te Amsterdam.
De noodzaak van herdenken Jacques Grishaver
Blijven herdenken Vanochtend hebben velen weer de Auschwitz Herdenking in het Wertheimpark bijgewoond. Dat is belangrijk, want blijven herdenken houdt de herinnering levend. Het is onze taak, als Nederlands Auschwitz Comité, om zeker te stellen dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nooit zullen worden vergeten. Om steeds weer duidelijk te maken dat deze verschrikkingen een waarschuwing vormen voor de toekomst. Annetje Fels zei in 1994 bij haar afscheid als voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité: ‘Auschwitz is uiteindelijk het symbool geworden waar rassenwaan toe kan leiden. Die naam, dat symbool, mag nooit uit het bewustzijn van de mens verdwijnen, want wie het verleden niet kent, zal de gevaren voor de toekomst niet herkennen. Het Auschwitz Comité heeft de morele autoriteit verworven om te waarschuwen en te wijzen op ontwikkelingen die uiteindelijk tot een ramp kunnen leiden. Als op den duur het Auschwitz Comité die taak in onze samenleving kan blijven vervullen, dan zal het werk van ons, overlevenden van de kampen, niet tevergeefs zijn geweest. Onze hartenkreet ‘Nooit Meer Auschwitz’ zal moeten blijven klinken zolang er, waar ook ter wereld, mensen vervolgd worden om hun ras of geloof, uit naam van al die miljoenen onschuldige mannen, vrouwen en kinderen die in Auschwitz verdwenen zijn, enkel en alleen omdat ze Joden waren.’ Blijven herdenken om de herinnering levend te houden, dat is de basis om ook op lange termijn deze belangrijke herdenking zeker te kunnen stellen. De overheid speelt hierin een belangrijke rol. Wij vragen de regering (zie pagina 3 in dit nummer) om ervoor te zorgen dat de Holocaust Memorial Day – Auschwitz Herdenking beschouwd wordt als een van de drie door de overheid erkende herdenkingen. Zoals de Nationale Herdenking van 4 mei en de Indië Herdenking op 15 augustus. Om de Auschwitz Herdenking officieel de status te geven van een Nationale Herdenking. Alleen op die manier kunnen we zeker stellen dat degenen die toen vermoord werden nooit en nooit vergeten worden.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Anti-discriminatie Racisme is sinds 1945 niet weggeweest uit Europa. Hoewel we voorzichtig moeten zijn om de begrippen vreemdelingenhaat en racisme zomaar met elkaar te verbinden, is het Nederlands Auschwitz Comité bezorgd over steeds minder tolerantie in de samenleving, wereldwijd. Ook in Nederland gaat er geen dag voorbij of men wordt in de media geconfronteerd met de problemen over vluchtelingen en asielzoekers, over mensen die hierheen gehaald zijn om te werken en over illegalen. Het gaat over verblijfsvergunningen, over onze beperkte ruimte en over wat het ons allemaal kost. Het gaat niet alleen over het racisme op de voetbaltribunes en over brandstichtingen of vernielingen bij bedrijven van Nederlanders die hun wortels in Suriname, Turkije of Marokko hebben. Maar het gaat ook over beschadigingen van synagogen, moskeeën en begraafplaatsen. Er bestaat antisemitisme, vreemdelingenhaat en islamofobie in velerlei gradaties. Het zijn feiten waar we niet omheen kunnen, incidenten die in het van oudsher tolerante Nederland niet thuishoren en waarvoor we ons moeten schamen. Een van de belangrijke fundamenten van een vrije en humane samenleving is het verwerpen van een collectief oordeel over groepen in de samenleving, wanneer dat gebaseerd op religieuze of raciale overwegingen. In een democratie heeft elke groep en ieder individu recht op een eigen identiteit. Want, laten we niet vergeten: een collectief oordeel over groepen heeft niet alleen geleid tot Auschwitz, het leidde ook tot de oorlog en de massamoorden in Bosnië-Herzegovina, in Kosovo, in Ruanda en tot de terreuraanvallen in New York, Londen en Madrid. Het Nederlands Auschwitz Comité heeft een taak in het signaleren en bestrijden van de toenemende intolerantie. Wij vinden dat ieder mens het recht heeft beoordeeld te worden op wie hij is en niet op wat hij is. En laten we vooral niet vergeten dat bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat bij je zelf begint, laat zien waar je staat. Ieder weldenkend mens zou zich moeten keren tegen mensen die tot iets anders oproepen. Zwijg niet, want ook zwijgen is een mening. In dit verband heeft het Comité vorige zomer opnieuw het initiatief genomen tot het versturen van anti-discriminatieposters aan een groot aantal instellingen in het hele land. Vooral naar die plekken waar veel jonge mensen samenkomen, zoals scholen, universiteiten, buurthuizen, sportclubs, bibliotheken. Ook gingen zij naar gemeentehuizen, alle Tweede Kamerleden, en nog vele anderen. Daarmee is deze actie, evenals de voorgaande van vijf jaar geleden, een groot succes geworden. Nog dagelijks ontvangen wij talrijke verzoeken van instanties, maar ook van particulieren, voor het toezenden van de posters.
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 5
5
Auschwitz Herdenking 2011 in het Wertheimpark, bij de deelnemers de stadsdeelvoorzitters van Amsterdam Nieuw West, Amsterdam Oost en Amsterdam Centrum (foto © D.P.H.Spits)
En in dit verband is het ook zo goed om te kunnen constateren dat de Holocaust Memorial Week met de Auschwitz Herdenking tot slot ieder jaar weer nieuwe organisaties aantrekt. Zo zijn er dit jaar op grote schaal manifestaties in het hele land geweest. Op universiteiten, hogescholen, in musea, in het Herdenkingscentrum Kamp Westerbork en de Nationale Monumenten Amersfoort en Vught, en ook op andere plaatsen namen ruim 15.000 jongeren deel aan diverse programma’s over de Holocaust en andere genociden. Het gezamenlijke herdenkingsmoment was de herdenking vanochtend in het Wertheimpark.
Reis, Lezing, Namenwand De reis, die het Nederlands Auschwitz Comité jaarlijks organiseert naar de concentratie- en vernietigingskampen in Polen, kan ook voor het afgelopen jaar 2010 met 105 deelnemers uiterst succesvol genoemd worden. Wederom waren bij de deelnemers veel jongeren, hetgeen het belang van deze reis benadrukt. En de reis, die oorspronkelijk speciaal georganiseerd werd voor overlevenden en nabestaanden, staat nu ook bij anderen volop in de belangstelling. Niet alleen individuele geïnteresseerden melden zich, maar ook zijn er steeds meer organisaties bij die geheel of zijdelings met de Holocaust te maken hebben. Van daaruit gaan tegenwoordig jaarlijks geregeld medewerkers mee om ter plekke zelf kennis te kunnen nemen van wat er zich daar afgespeeld heeft.
De achtste Nooit meer Auschwitz-lezing, die op de 27e januari plaatsvond, was een overdonderend succes. Spreker was Daniel Libeskind, die ook wel als ‘de architect van het gedenken’ bekend staat. Zijn boeiende toespraak zal op DVD aan de toehoorders in de geheel volle zaal èn aan de aanmelders voor wie geen plaats meer beschikbaar was worden toegestuurd. Ook deze keer werd de Annetje Fels Kupferschmidt-onderscheiding voor het zich op buitengewone wijze verdienstelijk maken voor het realiseren van de doelstellingen van het Nederlands Auschwitz Comité aan de spreker uitgereikt. Zoals bekend heeft het Auschwitz Comité het initiatief genomen om in Amsterdam een Namenwand te realiseren met daarop 110.000 namen van de slachtoffers, waarvan 102.000 Joden, die vermoord zijn in de nazikampen, slachtoffers die geen graf hebben. Het zal een monument van internationale allure moeten worden, vergelijkbaar met monumenten als in Berlijn en in Washington. Het moet een monument worden dat respect afdwingt. Een monument waar de slachtoffers recht op hebben, dat wij hun willen geven. Een tastbaar monument in de openbare ruimte, waar mensen ieder moment, 24 uur per dag, naar toe kunnen gaan, om te herdenken, een naam te lezen of aan te raken, een steentje achter te laten, bloemen te leggen, of een kaarsje aan te steken. Een dergelijke Namenwand zal een fantastische aanvulling zijn op de namenwand in de Hollandsche Schouwburg waarop alleen
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 6
6
familienamen staan. Achter iedere familienaam kunnen enkele tot soms wel duizenden individuele doden schuilgaan. Maar onze namenwand zal steeds de naam van een persoon weergeven. Je kunt er je hand op leggen, de naam aanraken. Het brengt je dichter bij de dierbare die je wilt herdenken. Elke naam zal in een oogopslag zichtbaar zijn.
Het brengt je dichter bij de dierbare die je wilt herdenken Heel veel mensen spreekt dit aan. Bijna 12.000 steunbetuigingen zijn tot nu toe bij ons daarvoor binnengekomen. En ook vele maatschappelijke organisaties ondersteunen het plan. Het wordt een plek om blijvend te herdenken en om de herinnering levend te houden. Want dat mag niet ophouden. Dat mag nooit ophouden! De blijvende plek die aantoont dat zij niet vergeten zijn en nooit vergeten zullen worden.
Een vreemde keuze Het Nederlands Auschwitz Comité wordt tegenwoordig door de autoriteiten en de politiek steeds meer als een sterke maatschappelijke beweging gezien. Onze mening wordt gevraagd en onze aanwezigheid is gewaardeerd bij de meest uiteenlopende zaken die onze beginselen betreffen. Daar zijn wij trots op! Des te merkwaardiger is het dan te moeten constateren dat het Joods Historisch Museum in hun recente tentoonstelling ‘Joods Nederland na 1945’ – met onderdelen over de herdenking van de shoah, acties over diverse vrijlatingen van oorlogsmisdadigers, over de restituties en de WUV-uitkering – het met geen woord heeft over het Nederlands Auschwitz Comité. Terwijl het Auschwitz Comité al vanaf 1957, toen er in de samenleving totaal geen aandacht bestond voor wat er gebeurd was in de kampen, begon met het herdenken van de shoah. Pas vele jaren later ontstonden er ook andere herdenkingen. Zelfs ons initiatief ‘102.000 Namen Noemen’ uit 2005, dat over de hele wereld gevolgd werd via internet, ontbreekt. En dit was toch wel een herdenking. Bij navraag was het antwoord van het Joods Historisch Museum: ‘we moesten keuzes maken’ en daarbij viel het Auschwitz Comité buiten de boot. Een vreemde keuze, als je kijkt naar die grote en indrukwekkende herdenking van vanochtend. Het zou een overzichtstentoonstelling moeten zijn, maar zij is net zo onvolledig als een overzichtstentoonstelling over Rembrandt zou zijn zonder over de Nachtwacht te praten. Maar ja, over keuzes valt niet te twisten, of wel?
Foto © Joost Guntenaar
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Heeft u onze Namenwand-actie al ondersteund? Duizenden gingen u reeds voor. www.namenwand.nl
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 7
7
Herdenken
Holocaust Memorial Day Toespraak van Burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam bij de Auschwitz Herdenking op zondag 30 januari 2011 bij het ‘spiegelmonument’ Nooit meer Auschwitz in het Wertheimpark te Amsterdam.
Steeds weer praten over Auschwitz Eberhard van der Laan
O
p deze winterochtend staan we met zijn allen in het Wertheimpark in Amsterdam stil bij de betekenis van Ausch-
witz. Auschwitz – tijdens de Tweede Wereldoorlog een gruwelijk concentratiekamp. Miljoenen mensen, uit heel Europa, werden er naartoe gedeporteerd. De overgrote meerderheid van hen werd er vermoord; onder wie 57.000 Nederlanders. De meesten vonden er de dood in de gaskamers. De slachtoffers van Auschwitz waren Joods, maar ook duizenden Sinti en Roma. Slechts 500 mensen keerden van Auschwitz naar ons land terug. Zij hadden de hel overleefd. Een paar weken geleden bezocht ik mevrouw Schwartz-Mathijse die honderd jaar werd – zij is een overlevende van Auschwitz. Zij vertelde over haar leven. Haar kwetsbaarheid en tegelijk ook haar kracht ontroerden me. ‘Wij zijn er nog!’, was de voornaamste boodschap. Andere overlevenden staan vandaag tussen ons in. U draagt Auschwitz altijd bij u. Die kwetsbaarheid en kracht zijn ongetwijfeld ook in u aanwezig. Ik hoop dat de aanwezigheid van familie, vrienden en andere belangstellenden u liefdevol omringt en u tot steun is op deze moeilijke dag waarop we over Auschwitz spreken en de slachtoffers daarvan herdenken. Auschwitz – sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog symbool van het ergste kwaad dat de ene mens de andere kan aandoen: hem vermoorden niet om wat hij deed, maar om wie hij is. Mijn moeder zei eens tegen me: ‘Ik beklaag jullie, en de generaties die nog komen. Jullie weten niet hoe veel mooier het was om door het leven te gaan zonder het idee dat mensen hiertoe in staat zijn.’ De naoorlogse generaties moeten daarentegen leven in het besef dat mensen anderen dit konden aandoen. Onschuld
(foto: © D.P.H.Spits)
bestaat niet meer, voor geen mens. Het ging haar niet om het beklag maar om de enormiteit van Auschwitz en Sobibor. Het besef, dat dit afschuwelijke kwaad kan gebeuren, is voor ieder mens al nauwelijks te dragen. Hoe moet het dan zijn voor hen die behoren tot het Joodse volk? Dat volk tegen wie het kwaad van de Holocaust was gericht? Om dan maar te zwijgen over hen die Auschwitz hebben overleefd. Dat leed valt nauwelijks of niet voor te stellen. We hebben echter wel allemaal de plicht om ons zo goed en zo kwaad als dat gaat in dat leed te verdiepen en zoveel mogelijk empathie te tonen. En ons te realiseren: dát is de omvang van de wond die wordt opengereten door hedendaags antisemitisme. Daarom hebben we als hoogste plicht om over Auschwitz te spreken – opdat ieder leert wat daar is gebeurd, en wat daar kon gebeuren. Zo bezien is ‘Nooit meer Auschwitz’, denk ik, het beste gediend met ‘steeds weer praten over Auschwitz’. Juist omdat we niet vergeten wat er in Auschwitz is gebeurd, kunnen we nu ook om ons heen kijken en met mevrouw SchwartzMathijse constateren: Hitler heeft niet gewonnen. Het Joodse volk is er nog. Hoe bitter het ook was. In uithoudingsvermogen, creativiteit en kracht uiteindelijk vrijwel ongebroken. In onze stad, die niet voor niets liefkozend Mokum wordt genoemd omdat het zoveel aan haar Joden te danken heeft, is weer sprake van een bruisend Joods bestaan. Samen zeggen we, steeds weer, en als het nodig is heel luid: Nooit meer Auschwitz.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 8
8 Herdenken
Holocaust Memorial Day Toespraak van prof.dr. Marjan Schwegman, directeur van het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies) op de lunchbijeenkomst na de Auschwitz Herdenking op 30 januari 2011 in Hotel Casa400 te Amsterdam
Raken aan de grote waaromvraag Marjan Schwegman
Contact met organisaties Een paar weken geleden, op 7 januari, vierden we op het NIOD de negentigste verjaardag van Jules Schelvis. Dat was een heel bijzondere bijeenkomst, allereerst natuurlijk omdat het niet dagelijks voorkomt dat er op het NIOD een verjaardag van een nietNIOD medewerker wordt gevierd. Maar Jules Schelvis is, zoals u ongetwijfeld weet, een categorie apart. Dat bleek ook uit de onderscheiding die hij die middag kreeg: de Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding (zie p.30). De bij deze onderscheiding horende door Jan Wolkers ontworpen zandloper die de tijd stil laat staan ontving Jules Schelvis uit handen van Jacques Grishaver. In de ontroerende speech die Jacques hield benadrukte hij dat het Nederlands Auschwitz Comité en de Stichting Sobibor in wezen hetzelfde doel dienen. Deze woorden brachten iets bijzonders teweeg en lieten niemand onberoerd. Voor mijzelf kwam daar nog iets bij: ik realiseerde me in een flits dat het dit soort momenten zijn, die het directoraat van het NIOD tot een baan maken die volstrekt onvergelijkbaar is met alles wat ik heb gedaan voordat ik directeur van het NIOD werd. Toen mijn voorganger Hans Blom de leiding van het NIOD begin 2007 aan mij overdroeg heeft hij mij enkele wijze lessen meegegeven. Ik zal ze niet allemaal verraden, want dan werken ze niet meer. Eén ding wil ik echter wel kwijt: contact met al die organisaties die zich vanuit een directe betrokkenheid bij ‘de oorlog’ met die oorlog en zijn nasleep bezighouden, was, zo benadrukte hij, van levensbelang voor het NIOD. Zijn aansporing lijkt voor u misschien vanzelfsprekend, maar vanuit de optiek van de wetenschap is dat toch niet helemaal zo. Als KNAW Instituut opereert het NIOD in de wereld van de wetenschap. Welnu, waar wetenschappers proberen om in hun werk afstand tot hun onderwerp
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
(foto: © D.P.H.Spits)
te bewaren, ligt dit voor de organisaties waar ik het zojuist over had heel anders. Zij zijn juist bezig die afstand die door het voortschrijden van de tijd steeds groter wordt, te overbruggen. Zij houden de herinnering levend door middel van herdenkingen, getuigenissen, oprichten van monumenten, het organiseren van reizen naar belangrijke plaatsen van herinnering. Zij vertegenwoordigen een verleden dat doorleeft in het heden. Hoe verhoudt een directeur van het NIOD zich daartoe?
Levend oorlogsverleden In de academische wereld waar ik vandaan kom blijft dat levende oorlogsverleden meestal op veilige afstand. Het dringt zich wel eens op via teksten en beelden of via vragen van studenten, maar daar blijft het toch wel bij. Bovendien weet je meestal niet goed wat te doen als het verleden toeslaat. In de jaren dat ik directeur van het Nederlands Instituut te Rome was, gaf ik colleges op straat, omdat het rijke Romeinse verleden zich zo het beste laat kennen. Tot de onderwerpen die ik behandelde behoorde ook het fascistisch verleden. Voor wie er oog voor heeft,
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 9
9
zijn er in Rome nog erg veel zichtbare tekenen die naar die periode verwijzen. De meeste deden mij niet zoveel, op één uitzondering na: de nep antieke mozaïeken op de brede toegangsweg naar het Olympisch Stadion. Die mozaïeken verbeelden de triomfale opmars van fascistisch Italië in de jaren dertig. Hoogtepunt is de verovering van Abessinië in 1936. Die verovering wordt aanschouwelijk gemaakt via beelden van moderne tanks die beschaving brengen door het op te nemen tegen mannen met speren. Traditionele schilden vliegen in de lucht en gaan ten onder. Zwarte krijgers vluchten angstig weg voor het superieure fascistische leger. Vandaag de dag lopen er, telkens als er wedstrijden in het Olympisch Stadion zijn, duizenden toeschouwers over deze mozaïeken. Hun voeten raken de fascistische strijdkreten aan zoals ‘Molti Nemici, Molto Onore’ (Veel vijanden, veel eer). Wat doet dit met mensen? Waarom blijven deze mozaïeken gewoon liggen, zonder dat er zelfs maar een bordje voorhanden is dat de broodnodige historische context biedt? Waarom neemt de Italiaanse overheid geen zichtbare afstand van dit beladen verleden? Dit soort vragen leent zich goed voor een vertaling in wetenschappelijke onderzoeksvragen. Het Italiaanse overheidsbeleid inzake herinneren en herdenken kan worden onderzocht, evenals de ervaringen van voetbalfans die het Olympisch Stadion bezoeken en zo letterlijk en figuurlijk in aanraking komen met het historische fascisme. Toch zullen niet alle vragen naar het ‘waarom’ beantwoord kunnen worden, omdat die raken aan wat voor mij de grote vraag is en blijft: waarom waren en zijn mensen bereid te moorden in naam van ideologieën die gebaseerd zijn op haat, uitsluiting en discriminatie? Hoe goed historici hun werk ook doen, ik denk dat een antwoord op die grote vraag door hen niet te geven is. Dat bleek weer eens bij de onlangs door Hans Blom uitgesproken Cleveringa-rede. In die rede, getiteld Hoe was het mogelijk? De Holocaust in de context van de Tweede Wereldoorlog, laat hij zien dat hoezeer onze historische kennis over de Holocaust ook toeneemt, de vraag naar het grote waarom toch onbeantwoord blijft.
Nieuw project Is uitbreiding van onze kennis dan zinloos? Natuurlijk niet. Onder meer met het oog op de uitbreiding van die kennis is het NIOD vorig jaar gefuseerd met het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies (CHGS). Het NIOD heet nu: NIOD. Instituut voor Oorlogs- Holocaust- en Genocide Studies. Ook het vermelden waard is de lancering van het grootschalige, door het NIOD gecoördineerde Europese Project EHRI. Het doel van EHRI (European Holocaust Research Infrastructure) is het tot stand brengen van een portal die online toegang zal bieden tot Holocaustgerelateerde bronnen die over heel Europa en Israël verspreid zijn. Op deze wijze en met behulp van een Virtuele Onderzoeksomgeving met nog te ontwikkelen instrumenten wil EHRI niet alleen bronnen voor het onderzoek naar de Holocaust beter toegankelijk maken, maar ook de internationale samenwerking
van onderzoekers stimuleren en methodologische vernieuwing tot stand brengen. Om dit te bereiken zullen twintig organisaties uit dertien landen, aangevuld met associate partners, gaan samenwerken.
Een verleden dat doorleeft in het heden EHRI zal, zo verwachten we, tot meer en beter gedocumenteerde geschiedenissen van de Holocaust leiden. Toename van kennis dus. Tegelijkertijd zal de grote waaromvraag zich misschien nog scherper en pijnlijker doen voelen. Dat moet ook zo zijn, ben ik geneigd te zeggen. Waarom vind ik dat? Daarvoor verwijs ik naar het effect dat het lezen van het werk van de schrijver Paul Auster op mij heeft. Zijn romans hebben vaak een detectiveachtige constructie, waarbij stukje bij beetje steeds meer details over de levensgeschiedenis van het voornaamste personage worden ingevuld. Toch is er aan het slot geen sluitend antwoord op de vraag waardoor de hoofdpersoon werd gedreven. De raadsels zijn alleen maar toegenomen en creëren in combinatie met de toegenomen kennis een gevoel van gemis en verlies. Omdat de lezer de hoofdpersoon beter heeft leren kennen is het des te pijnlijker dat die persoon de lezer ontglipt. Tegelijkertijd hebben Austers reconstructies een soort innerlijk plot dat niet precies benoembaar is, maar dat kennelijk toch zó werkt, dat ik zijn boeken niet onbevredigd dichtsla. Integendeel, ik voel me verrijkt, misschien omdat die gevoelens van gemis en verlies onverbrekelijk deel zijn van de vertelde geschiedenis, ja, er zelfs de oorsprong van vormen. Het leren kennen van ‘oorlogsorganisaties’ als het Auschwitz Comité heeft een soortgelijk effect op mij en heeft mij als historicus veranderd. In het contact met het Nederlands Auschwitz Comité heb ik lange tijd een soort schroom gevoeld. Auschwitz staat voor mij symbool voor het allergrootste gemis en verlies. Hoe zou ik daar deel aan kunnen hebben? Tijdens de viering van de verjaardag van Jules Schelvis realiseerde ik mij dat dit gevoel erbuiten te moeten staan verdwenen was. Dat ik hier vandaag mocht spreken heeft dit alleen maar bevestigd. Jacques en alle anderen van het Comité, hartelijk dank daarvoor en voor al het andere.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 10
10 H e r d e n k e n
Holocaust Memorial Day Toespraak door Crista Huisman, vertegenwoordiger van de jonge generatie, bij de Auschwitz Herdenking op zondag 30 januari 2011 bij het ‘spiegelmonument’ Nooit meer Auschwitz in het Wertheimpark te Amsterdam
De verbijstering blijft Crista Huisman
M
ij is gevraagd om met u iets te delen over mijn ervaringen tijdens de reis met het Auschwitz Comité naar de concentratie- en vernietigingskampen Auschwitz, Auschwitz-Birkenau, Majdanek en Sobibor. Ik maakte deze reis voor mijn werk bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei, maar de reis werd voor mij al snel veel meer dan alleen een ‘werkreis’. Ik vind het een grote eer om hier vandaag te mogen staan, en ik vind het heel bijzonder om mijn ervaring van deze reis met u te mogen delen. Er zijn veel emoties, gedachten, ervaringen, verhalen en indrukken die ik hier met u zou kunnen delen, maar tegelijkertijd lijkt het alsof er geen woorden zijn die recht doen aan de verschrikkingen die we vandaag herdenken. De dingen die ik gezien heb in Polen, leidden bij mij alleen maar tot totale verbijstering: de structuur – het leed – het sadisme – de zakelijkheid – de haat – de grondigheid – het systeem dat steeds verder geperfectioneerd werd. En het verdriet dat nog zo voelbaar is. Waar was de menselijkheid nog geen 70 jaar geleden? Waar was het geweten? Het zien van zoveel kwaad. Het zien van zoveel verdriet. Zowel bij overlevenden en nabestaanden in hun verhalen en hun rouw als bij niet-nabestaanden in hun verslagenheid en verbijstering. Alles nog zo actueel. Het heeft diepe indruk op mij gemaakt.
Slachtoffers een naam geven De kampen waar systematisch getracht werd mensen van hun menselijkheid te ontdoen, en waar anderen hun geweten en medeleven verloren, werden voor mij tijdens deze reis tegelijkertijd plekken waar mijn reisgenoten zich van hun meest kwetsbare en menselijke kant hebben laten zien. Het was heel bijzonder om mee te maken hoe snel vreemden je familie kunnen worden. Door het delen van verdriet, rouw, verbijstering en woede. Door het noemen van namen en het delen van vaak heel persoonlijke verhalen. Dit alles leidde ertoe dat we met elkaar de slachtoffers een naam gaven en allen als mens herdachten. Elke traan, gelaten op onze reis, was voor ieder mensenleven dat is beëindigd. Zo werden voor
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
(foto: © D.P.H.Spits)
mij deze plekken van onmenselijkheid ook een plek waar juist menselijkheid en mededogen zichtbaar werden. Ik ben mijn reisgenoten en het Auschwitz Comité hier heel dankbaar voor. 70 jaar geleden, dat leek vóór deze reis heel ver weg. Iets van het verleden. Maar door te zien hoe actueel de gevolgen van deze oorlog ook nu nog zijn, besef ik pas dat 70 jaar eigenlijk heel weinig is. Ook nu, een paar maanden na onze reis, blijft mijn verbijstering. Minder dan een mensenleven geleden nog maar, ongelooflijk! En nog steeds doen mensen elkaar de meest gruwelijke dingen aan om bij welke groep ze horen. Alsof er geen geschiedenis geweest is om van te leren. Ik hoop dat we door te herdenken, door te herinneren en door ons bewust te zijn van de ander, we er altijd in zullen slagen om elkaar als mens te zien. Ik hoop dat we met elkaar een verschil zullen maken. Niet alleen in onze eigen samenleving, maar op alle plekken ter wereld waar op dit moment menselijk lijden meer regel dan uitzondering is.
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 11
11
R ue b H r dr ieenkk e n
Holocaust Memorial Day Laudatio bij de uitreiking van de Annetje Fels-Kupferschmidt onderscheiding aan architect Daniel Libeskind, die op 27 januari 2011 in Amsterdam de achtste Nooit meer Auschwitz Lezing hield; de tekst is van Ronald Leopold, algemeen directeur van de Anne Frank Stichting
Ziel en geschiedenis van een plek, weerspiegeld in architectuur Ronald Leopold
Opgegaan in 'ijle lucht' In de vroege ochtend van 11 september 2001 zat Arlene Fried achter haar bureau op de 104e verdieping van de noordtoren van het World Trade Center in New York. Ze werkte daar als juriste voor de beleggingsfirma Cantor Fitzgerald. Ze was die dag vroeg op kantoor. De reis van Roslyn Heights in Long Island naar Manhattan door de drukke ochtendspits van New York was die dag soepeler verlopen dan gewoonlijk. Ze had amper tijd gehad om haar make-up aan te brengen in de auto. Dat was haar ochtendritueel onderweg naar het werk. Arlene was pas rechten gaan studeren nadat haar drie dochters, Dayna, Allison en Emily, oud en zelfstandig genoeg waren om voor zichzelf te zorgen. Dat had ze zo afgesproken met Ken, haar man en jeugdliefde. Ze was een toegewijde moeder voor wie het opvoeden van drie kinderen belangrijker was dan haar eigen carrière. In 1993, toen ze 41 was, voltooide Arlene haar studie aan Columbia University en ging ze voor Cantor Fitzgerald werken. Het beloofde een prachtige nazomerdag te worden in New York op 11 september 2001. De skyline van Manhattan fonkelde in het felle zonlicht en ondanks het vroege uur begon het al warm te worden. Om 8:44 uur ’s ochtends liet Arlene Fried een bericht achter op het antwoordapparaat van een kennis die haar om advies had gevraagd bij het zoeken van een nieuwe baan: 'Hoi,
Het plan voor Ground Zero geplaatst in de skyline van Manhattan, New York (foto’s: © D.P.H.Spits)
met Arlene Fried. Ik bel je terug. Bel me maar terug wanneer het uitkomt. 212 938 4858.' Dat waren haar laatste woorden voor zover bekend. Twee minuten later, om 8:46 uur ’s ochtends, boorde American Airlines vlucht 11 gekaapt door Mohammed Atta en vier kameraden zich in de noordtoren van het World Trade Center. Tussen de 94e en de 98e verdieping. Na dagen van geleidelijk afnemende hoop werd duidelijk dat niemand op de bovenste verdiepingen de aanval kon hebben overleefd. Ken Fried en z'n drie dochters besloten heel bewust om geen DNA af te geven voor de identificatie van Arlene's lichaam.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 12
12
Daniel Libeskind tijdens de lezing
Stoffelijke resten terugkrijgen die niet meer herkenbaar waren zou te pijnlijk zijn. Op 30 september 2001 werd er een dienst gehouden voor Arlene in Temple Beth Sholom in haar woonplaats Roslyn in New York. Later regelde het gezin een plek op de begraafplaats die in april 2002 werd onthuld op Arlene's 50e verjaardag. De ouders van Arlene, Nicholas en Ronni Joseph, hadden de Holocaust overleefd. Nicholas was in 1921 in Roemenië geboren. Hij had twee en een half jaar overleefd in werkkampen in bezet Rusland. Hij werkte daar voor de Duitsers onder Hongaars toezicht. Hij verloor z'n ouders en broer en was de enige overlevende van het gezin. De moeder van Arlene, Ronni, overleefde Auschwitz-Birkenau. Ze kwamen in 1948 in de Verenigde Staten aan om in veiligheid een gezin te stichten. Tijdens een radiointerview in 2002 zei Nicholas dat het verlies van z’n dochter de grootste klap in zijn leven was. Arlene was het levende bewijs dat ze de verschrikkingen van de Holocaust hadden overwonnen. Maar in zijn woorden klinkt ook de wanhopige kracht van een overlever: 'Tegenslagen overwinnen, maakte deel uit van m'n opvoeding. Hoe overleef ik onder alle mogelijke omstandigheden? We mogen emoties niet ons leven laten beheersen. Ze zal altijd bij ons zijn. Ze ging gewoon in 'ijle lucht' op, denk ik dan maar. En daarom is ze altijd om ons heen.'
Wederopbouw van Ground Zero In 1960, 12 jaar na de aankomst van Nicholas en Ronni Joseph, bracht een schip een andere immigrant naar New York. Daniel Libeskind zal nooit de eerste keer vergeten dat hij het Vrijheidsbeeld zag en de machtige skyline van Manhattan. Iedereen die New York heeft bezocht en naar Manhattan ging met de pont vanaf Staten Island of van een bezoekje aan Liberty Island kan zich voorstellen hoe deze 14-jarige jongen zich voelde. Maar
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
voor de jonge Daniel ging het niet alleen om die concrete aanblik. Hij zag daar een nieuwe wereld. Een wereld die vrijheid en hoop vertegenwoordigde. Een wereld van schijnbaar onbegrensde mogelijkheden. Een wereld die alleen vooruit keek zonder het loden gewicht van de geschiedenis mee te torsen. Een wereld waarin ouders hun kinderen veilig konden laten opgroeien. Deze eerste ontmoeting met New York werd in z'n geheugen gegrift en zou later van invloed zijn op Memory Foundations: zijn meesterplan voor de wederopbouw van Ground Zero. Ruim 40 jaar nadat hij als tiener was overweldigd door de skyline van Manhattan leverde Daniel zijn bijdrage aan het genezingsproces van die skyline en alles waarvoor het staat. Memory Foundations is genoemd naar een muur die deel uitmaakt van de fundering van het WTC. Hij is gebouwd op vast gesteente en ontworpen om de rivier te trotseren. De fundering heeft de onvoorstelbare klap van de vernietiging weerstaan. En in de woorden van Daniel Libeskind: '...staat hij daar zo welsprekend als de grondwet zelf.' Het weerspiegelt de duurzaamheid van democratie en de waarde van individuele levens. Het ontwerp verbindt de verschrikkingen van 11 september met het optimisme van de stad, met verder gaan en het leven dat overwint. Het biedt mensen de gelegenheid om samen te herdenken en te bezinnen in een monument. Tegelijkertijd heeft het leven er alle ruimte om te stromen in winkels, kantoren, een treinstation, hotels, een centrum voor podiumkunsten, restaurants en cafés. Een wolkenkrabber van 541 meter hoog zal uitrijzen boven z'n voorganger. Een gebouw dat vitaliteit uitdrukt bij dreigend gevaar en optimisme in de nasleep van een tragedie.
De ontwerpen vertellen een verhaal Het Memory Foundations Project voor de wederopbouw van Ground Zero is kenmerkend voor de werkwijze van Daniel
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 13
13
Libeskind. Zijn ontwerpen vertellen een verhaal. Ze dienen als metafoor voor een specifieke plek. Ze weerspiegelen de ziel en geschiedenis van de locatie en daarmee ook onze eigen ziel en geschiedenis. Zijn architectuur laat ons zien wie we zijn waar we vandaan komen en waar we mogelijk heen gaan. Hij dwingt ons om na te denken over de diepte waarin we ons zo vaak werpen maar toont ook een visie op een leven dat ten volste kan worden geleefd en dat zoveel heeft te bieden. Zijn ontwerpen zetten mensen aan het denken over wat er is gebeurd en nodigen hen uit om zich de toekomst voor te stellen. In zijn eigen woorden: 'De geschiedenis eindigt niet, maar opent zich voor de toekomst. De geschiedenis is dynamisch gebied.' De verhalen van Libeskind weerklinken luid en duidelijk in zijn beste ontwerpen. Het Joods Museum in Berlijn, bijvoorbeeld. Dat voert ons zigzaggend, als een gebroken davidster langs de verhalen van deze fascinerende stad. Het verhaal van ballingschap, over hen die de stad moesten verlaten. Het verhaal over de letterlijk doodlopende straat, de Shoah die in deze stad werd bedacht en gestuurd. En het verhaal van de toekomst van de stad, het leven dat altijd doorgaat. Maar tussen al die verschillende verhaallijnen valt de leegte van de rechte lijn nog het meest op van allemaal. De lijn die recht door de zigzag snijdt. Deze leegte geeft structuur aan het gebouw en aan de herinnering aan de Joodse geschiedenis van deze stad. Hoe anders is het verhaal van het Joods Museum in Kopenhagen. Hier koos Libeskind het Hebreeuwse woord 'mitzvah' als uitgangspunt voor het project. Het verwijst naar de hulp van de Deense bevolking bij het redden van vrijwel de hele Joodse gemeenschap. Hoewel het, evenals het museum in Berlijn, is gegrondvest in de Holocaust brengt het zijn geschiedenis op veel optimistischer wijze over. En z'n ontwerp voor het Hedendaags Joods Museum in San Francisco. Het Hedendaags Joods Museum, wat een triomfantelijke naam. Geen wonder dat Libeskind dit project opdroeg aan het leven zelf: Lechaim. Zijn werk aan de elektriciteitscentrale waarin het museum is ondergebracht is gebaseerd op de twee Hebreeuwse letters die het woord 'lechaim' vormen. De 'get' en de 'joed'. Het is de architectonische en programmatische vertaling van wat het museum, en de stad waarin het zich bevindt, vertegenwoordigen. Als je dus naar San Francisco gaat, draag dan zeker bloemen in je haar en bezoek het Hedendaags Joods Museum.
Verhaal over de Shoah Daniel Libeskind vertelt verhalen over hoe het is om mens te zijn. Hij voert ons mee op een reis die ons dwingt te ervaren en na te denken. Met een vocabulaire van materialen en ruimte verhaalt hij niet alleen over de gebeurtenissen op een plek maar nodigt hij ons ook uit om na te denken over het mogelijke belang ervan voor ons als bezoekers. En dit verhaal gaat vaak, misschien wel altijd, over de Shoah. Er wordt wel gezegd dat de vorm steeds verandert maar dat grote schrijvers steeds hetzelfde boek schrijven. Zeggen dat
De geheel gevulde zaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen
Libeskind steeds hetzelfde maakt, maar dan in een andere vorm, zou geen recht doen aan de rijkdom en variatie van zijn ontwerpen noch aan de subtiliteit van de zintuiglijke ervaring van een plek. Maar het verhaal van het kind dat opgroeide in de schaduw van de Holocaust maar tegelijkertijd had geleerd om van het leven te houden kan worden teruggevonden in al zijn ontwerpen. Als je goed kijkt en luistert naar zijn Joods Museum in Berlijn en zijn plannen voor Ground Zero, dan kun je dit verhaal horen en zien. Al zijn de historische gebeurtenissen waarnaar ze verwijzen onvergelijkbaar. Zijn gebouwen en ontwerpen zijn diep geworteld in de menselijke ervaring. Ze worden omgeven door de 'ijle lucht' waarin de zielen zetelen van Arlene Fried haar tantes, haar ooms en haar grootouders. Ze herdenken de slachtoffers die niet zullen worden vergeten. En tegelijkertijd zijn ze een eerbetoon aan het leven. Ze laten zien waartoe de mensheid in staat is, wanneer gif zich verspreidt. En waartoe de mensheid in staat is, wanneer het leven overwint. Ze laten de boodschap zien: nooit meer Auschwitz.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 14
14 H e r d e n k e n
Holocaust Memorial Day Rede in de Duitse Bondsdag
De volkenmoord op Sinti en Roma, een ‘vergeten’ Holocaust Zoni Weisz
De door de Verenigde Naties uitgeroepen Holocaust Memorial Day wordt in Duitsland jaarlijks herdacht met een plechtige rede op 27 januari in het parlement, de Bundestag. Dit jaar was voor het eerst de Holocaust van Sinti en Roma het onderwerp. Als spreker was Zoni Weisz uitgenodigd, die sprak over de vervolging van Sinti en Roma in de naziperiode, over zijn persoonlijke geschiedenis, en over de huidige slechte situatie waarin Sinti en Roma in tal van Europese landen verkeren. Zijn rede heeft geleid tot een parlementair voorstel in de Bondsdag om ter verbetering van het laatste politieke maatregelen te nemen. Maatregelen om zowel in Duitsland zelf als in breder Europees verband aan de vaak mensonterende toestanden een einde te maken. De rede achten wij zo belangrijk dat wij haar graag, nu in het Nederlands, in dit Auschwitz Bulletin opnemen.*
Herdenken Dat ik vandaag, op de Tag des Gedenkens an die Opfer des Nationalsozialismus, hier in de Bundestag mag spreken is een bijzonder voorrecht en een grote eer voor mij. Om samen de verschrikkingen uit de naziperiode op deze plaats te herdenken is een bijzondere ervaring voor mij persoonlijk, maar ook voor de gehele Sinti en Roma gemeenschap. Vandaag hier te mogen staan voel ik als een erkenning van het ons aangedane leed tijdens de naziperiode.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Vandaag herdenken wij de nationaalsocialistische genocide op 500.000 Sinti en Roma. We herdenken de Shoah, de moord op zes miljoen Joden, en we herdenken al die andere slachtoffers van het naziregime. Een zinloze, industriële moord was het, op weerloze, onschuldige mensen, bedacht door fanatieke nazi’s, misdadigers, die hiervoor een legitimatie vonden in hun rassenwetten. Sinti en Roma werden na de invoering van de Neurenbergse rassenwetten in 1935, net als de Joden, op raciale gronden vervolgd. Joden en ‘zigeuners’ werden als ‘fremdrassig’ gedefinieerd en van al hun rechten beroofd. Ze werden uitgesloten van het openbare leven. Hieraan lag een bijzondere strategie ten grondslag. Een strategie die ik zou willen definiëren als ‘salami tactiek’. Steeds een stap verder, uiteindelijk resulterend in een serie van maatregelen: identificeren, registreren, isoleren, beroven, exploiteren, deporteren, en uiteindelijk vermoorden. Al direct na de machtsovername door Hitler in 1933 werd de democratische rechtsstaat in snel tempo afgebroken. Politieke tegenstanders werden opgesloten, en ook Sinti en Roma werden toen al naar de eerste concentratiekampen weggevoerd. Het antisemitisme en het antiziganisme kunnen in nazi-Duitsland toch niemand zijn ontgaan, evenmin als de politiek om dit in concrete anti-Joodse en antizigeuner maatregelen en vervolging te realiseren. De nazi’s waren duidelijk: weg met ‘zigeuners’, weg met Joden, die zij beiden als een gevaar beschouwden. Dat het slecht met de Sinti, de Roma en de Joden zou aflopen was duidelijk.
Van Marzahn tot Zigeunerlager Voor de Olympische Spelen van 1936 moest Berlijn ‘zigeunervrij’ worden gemaakt. Sinti en Roma werden opgepakt en naar een interneringskamp hier in de Berlijnse voorstad Marzahn weggevoerd, waar ze onder mensonterende omstandigheden moesten leven. In de daaropvolgende jaren werden er steeds meer Sinti en Roma families geïnterneerd, tot in de loop van het jaar 1943, op bevel van Himmler, bijna alle gevangenen naar AuschwitzBirkenau werden gedeporteerd. In 1936 werd, hier in Berlijn, de Rassenhygienische Forschungsstelle, onder leiding van Dr. Robert Ritter in het leven geroepen. Mensen werden hier gefotografeerd, hun gezichten en schedels opgemeten en allerlei ‘bijzonderheden’ vastgelegd. ReichsführerSS Heinrich Himmler droeg in 1938 de Forschungsstelle op om alle in het Duitse Rijk verblijvende Sinti en Roma te registreren. 24.000 rasattesten zijn door Dr. Ritter en zijn medewerkers opgesteld, dit alles ter voorbereiding van de volkenmoord op Sinti en Roma. In het tijdschrift van het Nationaalsocialistische Artsenverbond
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 15
15
Zoni Weisz begroet door Bondskanselier Dr. Angela Merkel
schrijft Dr. Kurt Hannemann in 1939: ‘Ratten, luizen en vliegen zijn ook natuurverschijnselen, net als Joden en zigeuners. Al het leven is strijd, daarom moeten we al dit ongedierte geleidelijk uitroeien’. Dit behoeft naar mijn mening geen nadere toelichting. Dit is de waanzin ten top. Dit soort uitlatingen creëerde mede de sfeer en verschafte de nazi’s de legitimatie waardoor het mogelijk was om deze, naar hun mening zogenoemde ‘Untermenschen’, uiteindelijk op grote schaal te vermoorden. Xenofobie, angst voor het vreemde en vreemdelingen, is van alle tijden. Voor Sinti en Roma was vervolging en uitsluiting niets nieuws. Reeds eeuwen werden wij vervolgd en buitengesloten. Pogroms kwamen regelmatig voor. Hierdoor werd ons vaak de kans ontnomen om een normaal leven op te bouwen, om onderwijs te genieten en een normale baan te krijgen. Velen van ons werden hierdoor naar de periferie van de maatschappij verwezen. In tegenstelling tot de Joden, die vaak direct na aankomst en selectie werden vergast, werden Sinti en Roma in AuschwitzBirkenau in familieverband in het zogenoemde Zigeunerlager geïnterneerd. Na de opstand van mei 1944 in het Zigeunerlager werden bijna alle mannen daaruit verwijderd en naar andere concentratiekampen weggevoerd. Mijn vader, mijn oom en andere familieleden zijn naar Mittelbau-Dora weggevoerd, waar ze in de ondergrondse wapenindustrie onder erbarmelijke omstandigheden moesten werken. Ze zijn daar overleden, ‘Vernichtung durch Arbeit’ De omstandigheden in het Zigeunerlager waren onvoorstelbaar. Honger, koude, en besmettelijke ziektes eisten iedere dag hun tol. Ik moet vaak denken aan al die moeders, ook mijn moeder, die de zorg hadden voor hun kinderen, eten uit hun eigen mond spaarden om hun kinderen in leven te houden. Ze moesten soms ondergaan dat er de meest verschrikkelijke medische experimen-
ten op hun kinderen werden uitgevoerd. We kunnen ons vandaag moeilijk een voorstelling maken van het onvoorstelbare lijden dat deze mensen hebben doorgemaakt. In de nacht van 2 op 3 augustus werden de resterende 2900 vrouwen kinderen en ouderen uit het Zigeunerlager vergast, waaronder ook mijn moeder, mijn zusjes en mijn broertje.
‘Vergeten Holocaust’ De volkenmoord op Sinti en Roma is nog steeds een, wat ik noem, ’vergeten Holocaust’. ‘Vergeten’, omdat er in de media nog altijd zo weinig aandacht aan wordt besteed. Ik vraag me af waarom dat zo is. Zijn aantallen slachtoffers bepalend om aandacht te krijgen, of is het leed van één enkel mens belangrijk genoeg? Ik heb in de afgelopen jaren tientallen herdenkingstoespraken gehoord waarbij op geen enkele manier door de sprekers aan het lot van Sinti en Roma werd gememoreerd. Een half miljoen Sinti en Roma, mannen, vrouwen en kinderen, zijn tijdens de Holocaust vermoord. Niets, bijna niets, heeft de maatschappij hiervan geleerd, anders zou men op een meer verantwoorde manier met ons omgaan. Daarom ook moeten wij verder gaan en over de Holocaust blijven spreken. Ik adviseer de Nederlandse Sinti en Roma organisatie en ben bestuurslid van het Nederlandse en het Internationale Auschwitz Comité. Ik houd spreekbeurten op scholen en voel het als mijn plicht tegenover mijn vermoorde familie ervoor te zorgen dat het nooit vergeten wordt. Sinti en Roma waren na de oorlog niet georganiseerd en hadden dus ook geen stem. We werden daarom ook niet gehoord. Het duurde tot de jaren zeventig voor er zelforganisaties ontstonden en we onze stem lieten horen. Een grote uitzondering hierop was het protest tijdens de Paasdagen van 1980. In het voormalige concentratiekamp Dachau werd toen door een groep Sinti een
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 16
16
hongerstaking gehouden als protest tegen de racistische registratiemethoden van Sinti en Roma door justitie en politie. Het is ongelofelijk, maar deze registratie was gebaseerd op dossiers uit het nazitijdperk en werd gedeeltelijk zelfs uitgevoerd door voormalig SS-personeel. Deze hongerstaking heeft destijds, zeker in Duitsland, maar ook daarbuiten, veel aandacht in de media gekregen en bijgedragen aan meer begrip voor de verschrikkingen die ons volk tijdens het nazibewind zijn aangedaan. 17 maart 1982 is een historische dag voor de Sinti en Roma gemeenschap geworden. Op die datum ontving de toenmalige Bondskanselier Helmut Schmidt een delegatie van de Zentralrat Deutscher Sinti und Roma onder leiding van de voorzitter Romani Rose. Bij die gelegenheid zette de Bondskanselier volkenrechtelijk een zeer belangrijke stap door het erkennen van de tegen de Sinti en Roma begane nationaalsocialistische misdaad als een volkenmoord op basis van ‘ras’. Deze uitspraak werd door zijn opvolger Helmut Kohl in november 1985 nogmaals bevestigd. En bij de opening in 1997 van de permanente tentoonstelling over de Holocaust van Sinti en Roma in Heidelberg door de toenmalige bondspresident Roman Herzog verklaarde ook hij, dat de genocide op Sinti en Roma vanuit dezelfde raciale motieven werd uitgevoerd als de genocide op de Joden. Met ongeveer 12 miljoen mensen zijn Sinti en Roma waarschijnlijk de grootste minderheid in Europa. Onze wortels liggen ver terug in het oude India. Onze taal, het Romanes, is verwant aan het oude Sanskriet. Reeds in het begin van de 15e eeuw werden Sinti en Roma waargenomen in grote delen van Europa. Velen van ons maakten deel uit van de maatschappij van het land waarin zij verbleven en droegen op een positieve manier bij aan de maatschappij en de cultuur van het betreffende land.
Een zwarte geschiedenis Er is mij gevraagd mijn persoonlijk verhaal, en daarmee dus ook het verhaal van al die andere door het naziregime vervolgde en vermoorde Sinti en Roma, hier te vertellen. Ik kom uit een gelukkig gezin. Mijn vader was musicus en repareerde en handelde in muziekinstrumenten. We woonden in een woonwagen en daar waar het familieorkest een engagement had reisden we naar toe. In 1943, toen de nazi’s al op grote schaal vanuit Nederland Joden naar Auschwitz en de andere kampen hadden gedeporteerd, besloot mijn vader dat het veiliger was om in een huis te wonen en hij huurde een winkelpand in de stad Zutphen, waar hij muziekinstrumenten repareerde en verkocht. We waren een gewaardeerde en gerespecteerde familie. Tijdens de bezetting van Nederland voerden de nazi’s allerlei maatregelen in om, zoals ook in de andere bezette Europese landen, de beroepsmogelijkheden van Sinti en Roma te beperken. Deze beperkende maatregelen waren het begin van de vervolging en deportatie van Sinti en Roma in Nederland. In Duitsland en in vele door de nazi’s bezette gebieden waren deportaties van Sinti en Roma toen al in volle gang.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
16 mei 1944 is de zwartste dag uit de geschiedenis van Sinti en Roma in Nederland. De nazi’s hadden bevolen dat in één grote razzia in heel Nederland alle ‘zigeuners’ moesten worden gearresteerd en naar het Durchgangslager Westerbork moesten worden afgevoerd, dit in afwachting van hun deportatie naar Auschwitz. De nazi’s werden daarbij geassisteerd door de Nederlandse politie. Na aankomst in Westerbork werden zij meteen in de strafbarak geïnterneerd en kaalgeschoren. Op de ochtend van de razzia was ik niet thuis. Ik logeerde bij mijn tante die zich met haar gezin in een klein dorpje had verscholen. Het gevoel dat door je heen gaat, wanneer je hoort dat je vader, moeder, je zusjes en broertje door de nazi’s zijn opgepakt, is onbeschrijfelijk. Angst, wanhoop, paniek maakt zich van je meester. We moesten zo snel als mogelijk was onderduiken. We verzamelden wat kleding en het beetje voedsel dat we nog hadden en doken onder in de bossen en hielden ons schuil bij boeren. Een groepje van negen mensen. Onbeschrijfelijk was onze angst en onzekerheid. Na drie bange dagen en nachten werden ook wij gearresteerd en gingen op transport naar Durchgangslager Westerbork, waar we bij onze familie gevoegd zouden worden. De 19e mei was de dag van het zogenaamde ‘zigeunertransport’ vanuit Westerbork. Nu wil het toeval dat dit het enige transport uit Westerbork is waar filmbeelden van zijn gemaakt. Het beeld van het meisje tussen de wagondeuren uit die film is algemeen bekend. Het meisje droeg een hoofddoekje, waarschijnlijk omdat ze zich schaamde voor haar kaalgeschoren hoofd. Dit beeld is vele jaren het beeld van de Jodenvervolging geweest, tot een Nederlandse journalist, Ad Wagenaar, ontdekte dat het meisje niet Joods was maar een Sintezza, een Sinti meisje, Settela Steinbach. Het ‘zigeunertransport’ was inmiddels vertrokken uit Westerbork. Het was onmogelijk ons nog op tijd op dit transport te krijgen. Men bracht ons naar een station dertig kilometer verderop, om ons daar bij het transport te voegen en ons zo samen met de andere Sinti, Roma en Joden te deporteren naar Auschwitz. Van dat station kan ik me nog ieder detail herinneren. We stonden te wachten op dat perron, daar kwam de trein. Soldaten en politie liepen rond, stampten en schreeuwden: ‘Schnell, schnell. Einsteigen!’ Ik zag onmiddellijk waar ons gezin was. Mijn vader had het blauwe jasje van mijn zusje voor de tralies van de veewagon gehangen, ik herkende het onmiddellijk. Het was een jasje van zachte blauwe stof. Als ik mijn ogen sluit kan ik nu nog voelen hoe heerlijk zacht mijn zusjes jasje aanvoelde. Ook wij moesten bij dat transport naar Auschwitz gevoegd worden. De werkelijkheid is soms meer bijzonder dan fictie. Met behulp van een ‘goede’ politieagent, waarschijnlijk lid van de ondergrondse, wisten we te ontsnappen aan deportatie. Die politieagent had ons verteld: ‘Ik geef jullie een teken en dan moeten jullie rennen voor je leven.’ Daar stond de trein naar Auschwitz. De beestenwagons, met mijn hele familie er in. Aan de andere
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 17
17
kant van het perron stond een gewone personentrein. Toen de politieagent als teken zijn pet afnam, zijn we gaan rennen en in de al rijdende personentrein gesprongen. Op dat moment zag ik de trein naar Auschwitz vertrekken. Mijn vader schreeuwde wanhopig vanuit de beestenwagon naar mijn tante: ‘Moezla zorg goed voor mijn jongen’. Dat is het laatste wat ik van mijn geliefden zag. Dit beeld zal voor altijd op mijn netvlies gebrand staan. Ik was alleen. Als kind van zeven jaar oud ben je dan alles kwijt en val je in een onpeilbaar diep gat. Na deze wonderbaarlijke ontsnapping volgde een tijd van ontberingen en angst in de onderduik. Iedere dag bang om opgepakt te worden. Verstopt in bossen, bij boeren, in oude fabrieken en uiteindelijk bij mijn grootouders, tot het moment van de bevrijding door de geallieerden, voorjaar 1945. Na de bevrijding kwam de onzekerheid. Misschien was dat nog erger dan de angst in de oorlog. Leefde mijn familie nog? Zouden ze terugkomen? Ze zijn allemaal in naziconcentratiekampen vermoord. Mijn vader, moeder, mijn zusjes en broertje en 21 familieleden.
Eigen ontwikkeling Na de bevrijding waren er geen instanties die zich het lot van de Sinti en Roma aantrokken of hulp boden. Overheden deden niets. Zoals de Nederlandse regering het later omschreef, en ik citeer: ‘De opvang, zo die er al was, was kil en afstandelijk’. De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zijn binnen onze gemeenschap nog duidelijk aanwezig. Onze tweede en zelfs derde generatie is nog belast met dit verleden. Wij werden aan ons lot overgelaten. De geschiedenis van eeuwen van stigmatisering, afwijzing en uitsluiting herhaalde zich. Na de oorlog moesten Sinti en Roma proberen hun leven weer op te bouwen. Velen waren beroofd van al hun bezittingen. Hulp was er sporadisch. Diegenen die de nazikampen hadden overleefd werden binnen hun eigen gemeenschap opgevangen. Langzamerhand kwam het leven weer op gang. Konden er muziekinstrumenten worden gekocht en kon er handel gedreven worden. Al heel jong begreep ik dat alleen onderwijs en ontwikkeling de weg naar een betere toekomst is. Na de lagere school studeerde ik tuinbouw, bloemsierkunst, tuin en landschapsarchitectuur en kunstgeschiedenis. Alles via avondscholen en speciale cursussen. In 1962 startte ik mijn eigen bloemenzaak in Amsterdam en kort daarna begon ik een tentoonstelling- en evenementenbedrijf. Alles met de grote steun van mijn vrouw, die me ook nog twee prachtige kinderen schonk. Voor vier generaties van ons koningshuis heb ik mogen werken. Ondermeer bij de inhuldiging van koningin Beatrix en het huwelijk van onze kroonprins Willem-Alexander heb ik de bloemversieringen gemaakt. In de loop der jaren heb ik veel grote tentoonstellingen ontworpen en uitgevoerd, en heb ik in de Verenigde Staten, Canada en de meeste Europese landen Nederlandse bloemen en planten gepromoot.
Als erkenning en waardering voor mijn werk voor de Nederlandse bloemenindustrie en mijn inzet voor de Sinti en Roma in Nederland en daarbuiten heeft koningin Beatrix mij in 2002 vereerd met een hoge Koninklijke Onderscheiding: Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
In Europa Vandaag herdenken we de verschrikkingen van het nazitijdperk, maar sta mij toe ook te spreken over de positie van Sinti en Roma, mijn volk, in het Europa van nu. In veel landen zijn wij de oudste minderheidsgroep. Het is toch mensonterend hoe Sinti en Roma, met name in vele Oost-Europese landen zoals Roemenië en Bulgarije, behandeld worden. Het overgrote deel is kansloos, heeft geen werk, geen scholing, en is verstoken van fatsoenlijke medische hulp. Hun levensverwachting is aanmerkelijk lager dan van de ‘gewone’ burger aldaar. Discriminatie, stigmatisering en uitsluiting zijn aan de orde van de dag. In Hongarije lopen rechts extremisten weer in zwarte pakken en treiteren en molesteren Joden, Sinti en Roma. Er zijn Roma door neonazi’s vermoord, waaronder een 5-jarig jongetje. Er zijn weer cafés en restaurants met borden ‘Verboden voor zigeuners’. De geschiedenis herhaalt zich. Deze landen, die kortelings toegetreden zijn tot de Europese gemeenschap, noemen zichzelf beschaafd. Het is dan ook geen wonder dat sinds enige jaren, met name Roma, naar West-Europa komen op zoek naar een beter leven, een toekomst voor hun kinderen. In sommige landen zoals Italië en Frankrijk wordt men dan weer gediscrimineerd, uitgesloten en leeft men in getto’s onder mensonterende omstandigheden. Men wordt weer uitgezet naar het land van herkomst. Deze mensen zijn echter inwoners van landen die tot de Europese gemeenschap behoren. De Europese Commissie heeft, bij monde van commissaris Viviane Reding, krachtig stelling genomen tegen deze niet te tolereren situatie. Ik hoop dat men de desbetreffende regeringen hierop blijft aanspreken. Wij zijn toch Europeanen en behoren dezelfde rechten te hebben als iedere andere inwoner, met gelijke kansen, zoals die voor iedere Europeaan gelden. Het kan en mag niet zo zijn dat een volk dat eeuwenlang gediscrimineerd en vervolgd is, nu, in de 21e eeuw, nog steeds wordt uitgesloten en beroofd van een eerlijke kans op een betere toekomst. Ik eindig met de hoop uit te spreken dat onze geliefden ondanks hun gruwelijk lot toch niet voor niets gestorven zijn. We moeten hen blijven herdenken, we moeten de boodschap van verdraagzaamheid blijven uitdragen en we moeten blijven bouwen aan een betere wereld, zodat onze kinderen in vrede en veiligheid kunnen leven.
*Delen van deze rede zijn ook verschenen in Aanspraak van maart 2011, p. 12-14.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 18
18 O p i n i e
Fanny en Karin
daarvan is het duo Fanny Heymann en Karin Bruggeman. Fanny en Karin hebben elkaar in 2009 ontmoet via het Steunpunt Gastsprekers. Op een maandag in februari van dit jaar reizen ze samen met de trein naar Leeuwarden voor een duo-gastles aan tweede- en derdejaars studenten van de Lerarenopleiding Geschiedenis aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, die ook een bezoek zullen brengen aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en een oorlogsslachtoffer interviewen. Fanny is in 1942 in Amsterdam geboren; haar ouders waren Duitse Joden. Karin, geboren in 1936, komt uit Voorschoten. Haar vader was in 1935 lid van de NSB geworden. Fanny vertelt dat zij en Karin heel goed naar elkaars verhaal kunnen luisteren. Ter introductie zegt zij: ‘Geen volwassene heeft ooit gevraagd wat er met ons is gebeurd.’ Dan vertellen zij eerst allebei over het vooroorlogse gezin waar ze uit zijn gekomen, daarna wat ze hebben meegemaakt in de oorlog, en tot slot over de bevrijding en de periode daarna. Bij hun verhaal gebruiken ze dia’s met foto’s en tekeningen.
Arthur Bánki
Families en verblijfplaatsen tussen 1933 en 1945
Herinneringen doorgeven in duo-gastlessen De zo verschillende verhalen van
Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers van Herinneringscentrum Kamp Westerbork biedt sinds december 2008 de mogelijkheid aan scholen voor duo-gastlessen door twee gastsprekers. Het bijzondere van een duo-gastles is dat het verhaal van de Tweede Wereldoorlog van twee kanten wordt belicht. Door mensen die de oorlog als Joods kind hebben meegemaakt, of als kind van politiek foute ouders.
Vijf duo’s actief Acht duo’s hebben tot nu toe zo’n twintig gastlessen gegeven op scholen in het basis- en voortgezet onderwijs, en in het Hoger Beroeps Onderwijs. De duo’s worden bij elkaar gebracht en begeleid door het Steunpunt Gastsprekers en krijgen ondersteuning bij het samenstellen van de les, volgens een model dat structuur en zekerheid geeft. De gastsprekers leren hoe zij van twee heel verschillende verhalen toch één geheel kunnen maken. Ze verwijzen in hun verhaal vaak naar elkaar om een beter begrip te geven van de overeenkomsten en de verschillen. Bij ieder duo dat voor het eerst een duo-gastles geeft, is een projectmedewerker aanwezig om feedback te geven. Wanneer meer dan één duo een gastles hebben gegeven, worden onderling ervaringen uitgewisseld. De gastsprekers hebben aangegeven graag door te willen gaan met de duo-gastlessen als aanvulling op hun gewone gastlessen. Ze vinden echter, dat duo-gastlessen hun speciale karakter moeten blijven behouden. Deze lessen worden slechts enkele malen per jaar aangeboden, bijvoorbeeld voor een speciaal project rond het thema ‘Goed of Fout’ of ‘Schuld of Verzoening’. Op dit moment zijn vijf duo’s actief die samen gastlessen geven. Een
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Fanny´s ouders, Meta en Jozef Heymann, waren in 1933 , in Frankfurt am Main, Duitsland, getrouwd. Haar vader werkte bij het ministerie van Economische Zaken, maar werd vanwege de Ariërwetten ontslagen. Opa had een zaak in goud en zilver en daar kon vader weer aan de slag. Nadat twee kinderen geboren waren, besloot Jozef eind 1937 met de familie naar Nederland te gaan. Samen met opa begon hij een juwelierszaak in Amsterdam. In Nederland werden nog twee kinderen geboren, een in 1939 en Fanny, als laatste, in 1943. Opa en oma waren toen gestorven, en de zaak was als Joods bezit in 1941 onteigend. Jozef had oorspronkelijk wel kaartjes gekocht voor de boot naar Amerika …., maar door de oorlog was die weg natuurlijk afgesloten. Karin woonde met haar ouders, twee oudere broers en een oudere zus in Voorschoten. Haar vader was leraar biologie op een middelbare school in Den Haag. Hij was van oorsprong socialist, maar door de heersende werkloosheid en het idee dat een sterke man die problemen op kon lossen, sloot hij zich in 1935 aan bij de NSB. Leraren die lid waren van de NSB werden in 1936 vanwege het ambtenarenverbod ontslagen. Omdat hij les gaf op een privéschool, kon hij daar echter voorlopig blijven werken. Het gezin verhuisde in de oorlog naar Velp waar het ging wonen in een huis dat van Joden was geweest. Karins oudere broers en zus gingen bij de Hitlerjugend en de Jeugdstorm. Nadat haar oudste broer als 19-jarige was afgekeurd voor de SS, meldde hij zich aan bij de Wehrmacht. Hij vocht aan het Oostfront en zijn laatste brief was van januari 1945. Daarna is niets meer van hem vernomen en gold hij als vermist. Midden in de oorlog is het gezin naar Duitsland vertrokken. Haar vader werkte daar al op een middelbare technische school in Hannover, omdat leraar zijn in Nederland als NSB’er niet meer mogelijk was. Daar werden nog twee broertjes geboren. In 1944
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 19
19
werd Hannover hevig gebombardeerd, waarna de kinderen niet meer naar school konden. Kort daarop trokken Engelsen de stad binnen en Karins vader werd als nazi verdachte gearresteerd. Fanny en haar familie in Amsterdam werden in 1943 van huis weggehaald en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Vandaar gingen zij met de tram naar het Centraal Station en verder per trein naar Westerbork. Vanuit Westerbork is het gezin vervolgens op transport gesteld naar Bergen-Belsen, het concentratiekamp dat overigens niet zo ver van Hannover lag. Fanny’s vader Jozef is daar op 9 februari 1945 overleden. Op 7 april 1945, vlak voor het einde, werden drie treinen met elk 2000 gevangenen, waaronder Fanny en haar familie, weggestuurd uit Bergen-Belsen. Onder de treinen zat munitie, met de bedoeling ze op te blazen. In Farsleben – nabij Maagdenburg – is de machinist, die daar vandaan kwam, echter weggelopen en heeft de trein achtergelaten. Fanny met haar familie en de andere gevangenen in de trein werden daar zes dagen later bevrijd door de Amerikanen. Haar moeder was toen te ziek om op te staan en is naar het Rode Kruis-ziekenhuis in het dichtbije Hillersleben gebracht. Daar is zij drie dagen later overleden. De vier kinderen kwamen er doorheen en waren wees geworden. Na hun repatriëring werden zij bij pleeggezinnen ondergebracht, Fanny met haar zus Bertie samen op één plek.
Beeld van een duo-gastles met andere inleiders, in dit geval de heer Mouw en mevrouw Diele-Staal (foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
Het slachtofferschap na 1945 te boven gekomen Vanuit Hannover zijn Karin en haar familie te voet richting Nederland gegaan. Dan zijn ze in een vluchtelingenkamp opgevangen. Met de trein gingen ze door het Ruhrgebied en in het bevrijde Maastricht kwamen ze Nederland binnen. Daar werd haar moeder, na te zijn ondervraagd, in een NSB-kamp geïnterneerd. De kinderen gingen bij een tante wonen. Na negen maanden kwam haar moeder vrij uit het kamp. Heel lang heeft Karin niet geweten van de Jodenvervolging, er werd niet over gepraat. Ook bij haar opleiding tot onderwijzeres op de Kweekschool kreeg zij niets over de oorlog te horen. Haar vader en oudste broer waren dan wel niet uit Duitsland teruggekomen, maar over het verleden werd gezwegen. Later kregen ze bericht dat vader was omgekomen in een gevangenenkamp. Na 1961 heeft ze in de boeken van Lou de Jong en Jacques Presser over de Jodenvernietiging gelezen. Karin besefte, dat haar ouders met hun politieke keuze daaraan ook hadden bijgedragen. Zij ging toen deelnemen aan een gespreksgroep voor NSBkinderen en deed later mee met een andere praatgroep, voor alle soorten oorlogskinderen. Het bleek dat oorlogskinderen veel gemeenschappelijke problemen hebben: een ontheemde en ontwortelde jeugd, en een gebrek aan veiligheid en geborgenheid. Ze vond het indrukwekkend: openstaan voor andere verhalen en omgaan met vooroordelen. En niet alleen bezig zijn met slachtofferschap. Eind jaren ´50 is Karin naar de begraafplaats van haar vader in Duitsland gegaan. Ze heeft zand van zijn graf meegenomen voor
haar eigen tuin. In 1959 kwam het bericht dat haar broer destijds nog door iemand was gezien in een strafbataljon dat was vernietigd, in de buurt van Kaliningrad. Ze kregen ook nog een brief uit zijn begintijd aan het Oostfront; deze was vlak na D-day (6 juni 1944) verstuurd. Karin vindt dat haar broer eigenlijk misleid is en zij neemt hem niets kwalijk. Wel is zij boos op haar ouders, die steeds hun ogen hebben gesloten en niet uit de NSB zijn gestapt. En ook na de oorlog zweeg haar moeder. Zij heeft nooit spijt betoond. Pas rond haar 45e heeft Fanny, die psychologe is geworden, een inhaalslag gemaakt met lezen over de oorlog. Het verwerkingsproces duurde lang, vindt zij. Fanny en haar broer en zussen hebben een steen laten plaatsen voor hun vader in Bergen-Belsen en een voor hun moeder in Hillersleben. Fanny wilde over de oorlog heen kijken naar meer informatie over de familie en ze heeft veel teruggevonden. Nu zegt zij: ‘Wij zijn een gewone familie. De oorlog was alleen een verschrikkelijke onderbreking. Ik ben geen slachtoffer meer.’ Zij vindt het bijzonder om terug te komen in Bergen-Belsen. In het herinneringscentrum werken bewogen en betrokken mensen. Een van hen heeft de geschiedenis van de trein uitgezocht. Eén keer per jaar bezoekt zij het graf van haar vader. Fanny: ‘Dat kamp is van een griezelige plek, een plek van herinnering en doorgeven geworden. Dat is ook het doel van het project gastsprekers en duogastlessen: herinneringen doorgeven. Niet focussen op slachtofferschap, maar daar boven uitkomen.’
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 20
20
Een gastspreker, de heer Valk, aan het werk in de klas
Reis-2011 naar concentratiekampen in Polen
(foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
D Meningen van studenten Door de duo-gastles zijn de studenten zeer geraakt, zo blijkt na afloop. ‘Indrukwekkend’ en ‘aangrijpend’ zijn de reacties. Ook is er wel verbazing: ‘Ik had eerlijk gezegd nog nooit wat gehoord van de “fout”-kant.’ Overheersend is er waardering: ‘Indrukwekkend, dat beide vrouwen hun verhaal durven te vertellen. Geeft ook zo’n goed beeld van wat er na de oorlog gebeurd is.’ ‘Ik vond het een zeer indrukwekkende les die ik niet snel zal vergeten.’ Uit het commentaar blijkt ook dat het specifieke duo-karakter, de tweeledigheid die aan de beide verhalen zo’n verschillende kleur geeft, goed naar voren komt. Een zegt: ‘Bijzonder om te zien dat keuzes van ouders zo bepalend zijn voor de kinderen. Dat het gevoel zo diep door het hele gezin heen zit.’ Een ander maakt duidelijk hoe dat in het kindergevoel van toen tot uiting kon komen: ‘… zoals bijvoorbeeld het dubbelgevoel van veiligheid in de armen van hun vader of moeder maar tegelijk de dreiging van buitenaf die zij beiden deelden. Karin, toen ze bij haar vader op schoot zat in een schuilkelder in Hannover terwijl ondertussen deze stad gebombardeerd werd. En Fanny, die in een concentratiekamp als peuter veilig in de armen van haar moeder lag terwijl er om haar heen vreselijke dingen gebeurden, waarvan zij zich gelukkig op dat moment niet bewust was.’ De duo-gastles blijkt van belang te zijn voor het beeld van de Tweede Wereldoorlog dat de studenten later kunnen gebruiken bij het geschiedenisonderwijs dat zij gaan geven. In de woorden van een van de deelnemers: ‘De persoonlijke verhalen van Karin Bruggeman en Fanny Heymann gaven dit onderwerp [= de Tweede Wereldoorlog] een extra dimensie en maakten mij eigenlijk pas echt duidelijk hoe grijs het verleden werkelijk is, wanneer het om de Tweede Wereldoorlog gaat.’ Voor verdere informatie over de duo-gastlessen en de mogelijkheid om sprekers uit te nodigen, zie de website: www.steunpuntgastsprekers.nl. Ter voorbereiding op de scholen is educatief materiaal ontwikkeld onder de titel ‘Beladen Verleden’, daarvoor website www.beladenverleden.nl.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
e reis die het Nederlands Auschwitz Comité jaarlijks organiseert naar de voormalige concentratiekampen Auschwitz, Birkenau, Majdanek en Sobibor zal dit jaar plaatsvinden van maandag 31 oktober t/m zaterdag 5 november 2011. De reissom bedraagt € 895,- per persoon op basis van een tweepersoonskamer. Een éénpersoons kamer is beperkt mogelijk met bijbetaling van € 175,-. De prijs is inclusief vliegreis Amsterdam-Warschau v.v., luchthavenbelasting, vervoer per luxe touringcar (waarin roken NIET is toegestaan), verblijf in uitstekende hotels in Warschau, Krakow en Lublin, alle maaltijden gedurende de reis en toegangsprijzen van musea. N.B.: Deze prijsopgave is onder voorbehoud van gelijkblijvende hotel- en vliegtarieven. Belangstellenden kunnen zich schriftelijk opgeven bij: Nederlands Auschwitz Comité t.a.v. De heer J. Grishaver Postbus 74131 1070 BC Amsterdam fax: 020-6003455 e-mail: info@auschwitz.nl Er is slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. Aanmelding betekent derhalve niet automatisch dat u deel kunt nemen aan de reis. Voor eventuele nadere informatie kunt u contact opnemen met Jacques Grishaver, telefoon 06 54 606 290.
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 21
21
Opinie
Nazi’s beschermd door de Duitse geheime dienst
In Bolivia leefde Barbie onder de naam Klaus Altmannn en werd hij door de BND beschouwd als ‘iemand met een echte Duitse mentaliteit en een fervent anticommunist’. Enkele weken na zijn aankomst in Bolivia werd Altmann gerekruteerd door de BND. Hij schreef voor de BND 35 rapporten. De inhoud daarvan is niet bekend, wel is vastgesteld welke honoraria hij daarvoor kreeg. Altmann werd tevens benoemd tot directeur van een Duitse onderneming in Bolivia die de overtollige wapens van het Duitse leger in Zuid-Amerika verkocht. In de winter 1966/1967 heeft de BND een einde gemaakt aan de samenwerking uit angst dat Altmann door zijn verleden ontdekt zou worden. In 1983 werd Altmann/Barbie door Bolivia aan Frankrijk uitgeleverd en in 1987 werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor het begaan van misdaden tegen de mensheid.
Maurice Ferares
I
n het Duitse blad Der Spiegel van 17 januari 2011 wordt onthuld dat Klaus Barbie tot 1966 voor de Duitse geheime dienst (Bundes Nachrichten Dienst [BND]) heeft gewerkt. Barbie, ook wel genoemd ‘de slager van Lyon’, werd in 1987 in Frankrijk tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. In de Tweede Wereldoorlog speelde hij de hoofdrol bij de deportatie van de Joden uit Frankrijk, en het martelen (o.a. Jean Moulin) en vermoorden van verzetsmensen. Na de oorlog vluchtte hij naar Bolivia (naar men zegt via de vluchtroute Odyssee die het Vaticaan vanuit Rome voor hoge nazimisdadigers organiseerde).
Op 8 januari 2011 berichtte het Duitse blad Bild dat de BND al in 1952 wist dat Adolf Eichmann, de organisator van de Holocaust, zich in Argentinië bevond. In het rapport daarover staat: ‘Eichmann is niet in Egypte, maar hij leeft onder de valse naam Clement in Argentinië’. Na de oorlog leefde Eichmann tot 1950 ondergedoken in Duitsland. Daarna vluchtte hij naar Argentinië waar hij tien jaar later door de Israëlische geheime dienst (Mossad) werd ontdekt en ontvoerd. In 1961 werd hij ter dood veroordeeld. Uit sinds 2006 gedeclassificeerde documenten van de Amerikaanse geheime dienst (CIA) blijkt dat Duitsland de Amerikanen pas in 1958 op de hoogte hebben gesteld van de verblijfplaats van Eichmann. Door de Duitse regering is voordien niets gedaan om Eichmann te arresteren. Organisaties die in die jaren bij de Duitse regeringen om informatie over de verblijfplaats van Eichmann hadden gevraagd, werden afgescheept met de mededeling dat die informatie slecht was voor de Duitse buitenlandse politiek.
Het werk van het Nederlands Auschwitz Comité is van groot belang nu en in de toekomst en wordt door ons van harte ondersteund.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 22
22 C u l t u r e e l
Boekbespreking
Eva Tas, altijd weer Auschwitz Een voorpublicatie
Tientallen jaren was Eva Tas hoofdredacteur van het Auschwitz Bulletin. Zij heeft het Bulletin in die periode tot een gezaghebbende stem weten te maken in de Nederlandse samenleving. Dat ging niet vanzelf, zeker niet in de beginjaren toen het Nederlands Auschwitz Comité nog op weinig erkenning kon rekenen. Eva Tas was strijdvaardig en had een scherp inzicht in tal van ontwikkelingen die gingen komen. Die trekken komen duidelijk tot uiting in de biografie van deze bijzondere vrouw die nu verschijnt. Ter illustratie volgt hier, in voorpublicatie, de paragraaf getiteld Verjaring. De bespreking van het gehele boek hopen wij in een van de volgende nummers van het Auschwitz Bulletin op te nemen. De uitgave, die op initiatief van de Eva Tas Foundation tot stand is gekomen, zal op 7 mei 2011 in de Openbare Bibliotheek aan het Roelof Hartplein in Amsterdam gepresenteerd worden.
Verjaring Op 8 mei 1965, twee decennia na de Duitse capitulatie, zou de mogelijkheid om vervolging in te stellen tegen oorlogsmisdadigers in West-Duitsland vervallen. Al in maart 1964 heeft het Internationale Auschwitz Comité de Bondsregering opgeroepen de verjaringstermijn van twintig jaar af te schaffen. Ook het Joods Wereldcongres en andere organisaties oefenen druk uit op de West-Duitse regering. Die verklaart eind 1964 echter geen enkele actie tegen de naderende verjaring te zullen ondernemen. De afwijzende houding van de Bondsregering wekt beroering, ook buiten kringen van slachtoffers. Talrijke persoonlijkheden, organisaties en nationale parlementen, waaronder die van Israël en de Verenigde Staten, vinden dat verlenging van de verjaringstermijn alsnog mogelijk moet worden gemaakt. Ook in de West-Duitse Bondsdag groeit de kritiek op de aanstaande verjaring. Het herdenkingsnummer 1965 van het Bulletin, met een oplage
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
van 20.000 exemplaren, opent met een kwatrijn van A. Roland Holst: Na twintig jaren / Geen hemel, maar de hel als oord van leven / is wat de mensch zijn medemensch kan geven / In Auschwitz deed hij het. – Wie, daar geweest, kan, wat hij nooit vergeten kan, vergeven? In haar bijdrage Twintig jaar bevrijd schrijft Eva: ‘Als er iets voor zichzelf spreekt is het dit herdenkingsnummer. Toelichting is eigenlijk overbodig, of het moest zijn, dat dit vijfvoudige blad ook tien- of honderdvoudig had kunnen zijn, evenals de reeks van hen, die in geschrift, woord of daad met ons instemmen of meewerken. Deze uitgave is in zijn soort een nationale manifestatie geworden, zoals ook, naar het zich laat aanzien, de Auschwitzherdenkingen. Ook daarin schatten wij het hoogst het harmonisch samenspel van het eigene in vele schakeringen met dat van verre en nabije herkomst. Deze bladzijden herdenken wat gebeurd is, maar zij zijn ook een gebeurtenis vandaag, een die zich afspeelt in een wereld, waar, om met opperrabbijn Pereira te spreken, “zulk gevaar voor de gemeenschap blijft voortbestaan”. Gevaar van de misdadigers, die nooit vervolgd of weer losgelaten zijn of spoedig onachterhaalbaar dreigen te worden. Het nog onheilspellender gevaar ook, dat generaals, beschermheren, geestverwanten en opvolgers van de SS-chefs het wapentuig bemachtigen, dat hun in staat stelt niet meer miljoenen, maar honderden miljoenen slachtoffers te maken, tot ongeborenen toe. (…) Zo zien wij in dit blad niet alleen om, maar ook om ons heen. Want niet slechts wie in Auschwitz was, maar niemand van de thans levenden mag “wat hij niet vergeten kan, vergeten”. Daarvoor spant het Nederlands Auschwitz Comité zich, nu wij twintig jaar zijn bevrijd, meer dan ooit in en het vraagt voor zijn vele taken niet minder grootscheepse medewerking dan voor dit twintigste herdenkingsnummer.’ Medewerkers zijn onder anderen prof. mr. L.H.C. HuIsman met een uitgebreide beschouwing over: De verjaring in het strafrecht, kol. A.F. van Velsen: Het Auschwitz-proces en de getuigenis, dr. P.F.M. Fontaine: “Auschwitz” en het Nederlandse geschiedenisonderwijs en prof. mr. B.Y.A. Röling: Auschwitz en de oorlog. De dreigende verjaring in West-Duitsland wordt nauwlettend gevolgd. In het nummer van februari 1965 stipuleert Eva: ‘Wij zouden het “Nooit meer Auschwitz!” ontrouw zijn, als wij niet elk jaar de februari-staking zouden eren en het spreekt vanzelf dat wij tientallen malen de menigte die op 26 januari het Concertgebouw vulde, bij de Dokwerker hopen te zien. En zullen zien, daarvan zijn wij overtuigd. Maar zelfs dat is dit jaar niet genoeg. Zomin als bij de muziek in de zaal mogen wij het bij bloemen op het plein laten. Als wij die neerleggen voor de stakers, voor de slachtoffers, zouden de moordenaars, de zwaarste mensenjagers, amper tien weken “vergetelheid” resten. Zou de hun toelonkende verjaring intreden, dan stappen zij precies een kwart eeuw na de overval op ons land weer vrij als vogeltjes onder hun eigen, diep vervloekte, maar dan onbedreigde naam door hun Bundesrepublik.
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 23
23
manier een algemene en definitieve amnestie te bewerkstelligen voor hen, die schuldig zijn aan de smart en het lijden van ons volk en alle volken van de bezette gebieden’.
Dan zijn zij strafbaar, die hen moordenaars noemen. Dan kunnen de bedrijvers van de gasmoord van gisteren vrijelijk (en gretig) hun broeders gaan helpen bij het voorbereiden van de atoommoord van morgen. Daarom kunnen wij niet tevreden zijn met een nog zo grootse, ontroerende herdenking. Daarom vinden wij de machtigste demonstratie langs de Dokwerker nog ontoereikend. Zolang schuilgaande misdadigers, de tijdig ondergedoken massamoordenaars een voet in de stijgbeugel hebben – twijfel er niet aan: niet-vervolgbaar wil dan zeggen: hoog te paard – zolang schieten wij tekort. Nog tijdens de herdenkingsdagen hebben wij in telegrammen (door alle nieuws bureaus verbreid) aan bondskanselier Erhard en ministerpresident Marijnen plechtig verklaard wat onze plicht is tegenover allen, die voor altijd zwijgen: Deze misdaden tegen de mensheid kunnen nooit verjaren! Er mag geen verjaring komen voor de beulen van Auschwitz en huns gelijken! De 8ste mei, de twintigste verjaardag van de bevrijding van Europa mag niet de straffeloosheid van de grote moordenaars inluiden.’ Op 26 januari heeft Eva die telegrammen namens het Auschwitz Comité in een stampvol Concertgebouw, waar 2.200 mensen de herdenking bijwonen, voorgelezen. De West-Duitse Bondsdag besluit uiteindelijk het moment van verjaring te verschuiven naar 31 december 1969, twintig jaar na de geboorte van de Bondsrepubliek. In het bulletin van mei 1965 stelt Eva vast dat het besluit om de verjaringstermijn vier en een halfjaar op te schuiven ongetwijfeld een resultaat is ‘van het grote volksprotest in alle landen, door eensgezind stelling nemen van joden in de gehele wereld’ . Maar het besluit betekent volgens haar in werkelijkheid ‘bevestiging van de verjaring, die alleen voor een korte spanne tijds is uitgesteld en ten doel heeft de publieke opinie in de wereld te demobiliseren en de groeiende volksverontwaardiging van de beschermers der Hitler-moordenaars af te wenden om op die
In het bulletin van november 1965 bespreekt Eva het dan net uitgekomen boek Het Auschwitz-proces van Hans Jacobs en Bert Stoop. Zij haalt de Süddeutsche Zeitung aan: ‘Bijna even erg als de misdaden in Auschwitz komt ons het pseudo-burgerlijke respect voor, dat de nazi-oorlogsmisdadigers in brede kringen van de bevolking deelachtig worden.’ Die kringen waren volgens Eva niet alleen breed, maar ook hoog. ‘Geen post in de Bondsrepubliek is ontoegankelijk voor wie hoe zwaar ook met het nazidom is belast en gecompromitteerd. Ook voor wie toen niet de kans had, maar deze nu in dezelfde geest wil grijpen. Dat is de werkelijke hoofdaanklacht in het Auschwitz-proces 1965. Van Hitler zelf rest slechts de schim, maar zijn Hintermänner, zijn machtige begunstigers zitten nog waar zij zaten. Er wordt weer om revanche, om nieuwe en wel atoommacht geroepen aan de Rijn. Men leze dit boek over het Auschwitz-proces en men zij op zijn hoede. ‘ Onder de kop Beulen van Sobibor berecht besteedt ze in het laatste nummer van 1965 uitgebreid aandacht aan het in het West-Duitse Hagen lopende proces tegen ‘de beulen van Sobibor’. ‘Bijna vier maanden al duurt het grote proces van Sobibor en het zal nog eens zo lang voortgaan. Het is in de hoogste mate onze zaak, want Nederlands Auschwitz Comité wil voor een belangrijk deel zeggen nabestaanden van de doden van Sobibor. Het is bedroevend dat er niet doorlopend mensen uit Nederland ter zitting aanwezig zijn. De misdaad die hier wordt berecht is niet te schatten zo groot. Maar onomstotelijk staat vast dat ruim 34.000 Nederlandse burgers hierheen zijn vervoerd. “De dag van aankomst is als sterfdag van al deze mensen te beschouwen”, verklaarde het Rode Kruis al in 1964. In Hagen voltrekt zich deze winter een naspel van de grote tragedie. Hier staat het nazidom in zijn volle afzichtelijkheid aan de kaak. Het is hoog nodig, al is het niet genoeg. Wie en waar is b.v. Allers, die zich in politie-uniform liet fotograferen, die Bauer zijn vergassers baan bezorgde en zich blijkbaar in een “grote praktijk” verheugt? En wie “praktizeren” er nog meer in Westfalen en daaromtrent, die de gruwelijkste praktijk aller tijden een dozijn jaren, die er duizend leken, op gang hielden? Zolang zoveel ijverige uitvoerders van de Endlösung der Judenfrage nog actief en gerust kunnen zijn, zolang is de Endlösung van het werkelijke vraagstuk, van het fascisme, niet bereikt. ‘
Bovenstaande tekst staat op de pagina’s 96-98 in: J.J. Amesz en J.A. Honout, Altijd weer Auschwitz; een biografische schets van Eva Tas; 1915-2007, Uitgever Azulpress, Maastricht 2011, 175 blz., ISBN 978-94-90687-10-6, € 12,50
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 24
24 C u l t u r e e l
Boekbespreking
De Terugkeer Fraai stripboek over de Indische kampen Max Arian
Het zijn drie prachtige stripboeken. Geschreven door Ruud van der Rol en getekend door Eric Heuvel. Die kan in zijn tekeningen met een droge, klare lijn heel veel historische informatie overbrengen en op een zeer aansprekende manier persoonlijk maken. Eerst was er De Ontdekking over goed, fout en vermeend fout in de Tweede Wereldoorlog. Toen De Zoektocht waarin een Joodse vrouw die de oorlog overleefde vanuit het buitenland terugkeert naar de plekken van haar verleden en daar toch nog iets waardevols terugvindt. Beide boeken zijn geproduceerd door de Anne Frank Stichting. Joost van Bodegom, voorzitter van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945, heeft zelf als kind in een Indisch kamp gezeten en vond dat er een vervolg moest komen over het Nederlandse oorlogsverleden in Indonesië. De Anne Frank Stichting deed niet mee, maar het stripboek is er toch gekomen: De Terugkeer. Het is net zo indrukwekkend, informatief en ontroerend geworden als de twee eerdere delen en er is misschien nog wel meer behoefte aan dit boek. Overlevenden van de Indische kampen zijn heel lang nog zwijgzamer geweest over hun oorlogservaringen dan andere oorlogsslachtoffers. Velen van hen willen of kunnen ook nu, zeventig jaar later, nog niet praten over wat hen toen is overkomen. Misschien kan dit stripboek ze helpen als ze er toch met hun kinderen, hun kleinkinderen of anderen over willen communiceren. Want ook de hoofdpersoon in de strip, de 81-jarige Bas, was zo’n binnenvetter. Pas als zijn vrouw op hoge leeftijd is gestorven onderneemt hij de reis naar het Indonesië waar hij is opgegroeid. Hij maakt die reis samen met een nichtje, aan wie hij nu ook beetje bij beetje z’n geschiedenis vertelt. Zijn vrolijke en zorgeloze jeugd in het koloniale Nederlandsch-Indië. De komst van de
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Japanners die dat mooie leventje omver wierpen. Daarna de zware tijd in de Jappenkampen. Maar ook de spannende naoorlogse periode wanneer hij als Nederlands soldaat tijdens de zogenaamde Politionele Acties tegenover de vriendjes uit zijn jeugd komt te staan, die Indonesische vrijheidsstrijders zijn geworden. Dat alles wordt genuanceerd verteld en gedetailleerd getoond, naar mijn idee – maar ik heb geen directe kennis van die tijd – met veel gevoel voor sfeer. Ondanks de grote hoeveelheid informatie wordt het aan het einde een aangrijpend verhaal, wanneer Bas in Indonesië na zestig jaar weliswaar zijn vroegere geliefde niet terug vindt, maar wel een hele hem onbekende familie ontdekt. Het spijt mij erg dat de Anne Frank Stichting dit verhaal te ver van hun bed heeft gevonden om het mee uit te geven. In Indië hebben ook jonge meisjes – en jongetjes – ondergedoken gezeten, ze werden gevangen gezet, ze verloren soms hun ouders en konden sterven aan honger of ziekte. Gelukkig dat het boek toch is gemaakt en zelfs vorig jaar als nationaal geschenk in een oplage van 215.000 exemplaren is verspreid onder de derdeklassers van het voortgezet onderwijs. Er is voor docenten ook een uitgebreid lespakket. Hopelijk wordt het nu wel verkocht in het Anne Frank Huis. In het Verzetsmuseum Amsterdam in elk geval wel. Eric Heuvel en Ruud van der Rol, De Terugkeer, uitgave: Indisch Herinneringscentrum Bronbeek / EduProducties, Castricum 2010, ISBN 978-94-90992-01-9, 64 blz., € 17,95
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 25
25
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 26
26 C u l t u r e e l
DVDbespreking
Mijn naam is Max Limburgse oorlogskinderen vertellen Bertje Leuw
I
n het gezin van de Limburgse Bets verscheen plotseling een Joods kind uit Amsterdam. Hetzelfde gebeurde bij acht dorpsgenoten van destijds. Samen vertellen ze hun oorlogsverhaal, meer dan zestig jaar na dato. Over hoe hun ouders, vrome roomskatholieken, soms tegen het advies van de pastoor in, betrokken raakten bij het redden van Joodse kinderen uit Amsterdam. Marijn Poels maakte er een belangwekkende documentaire over.
Het is wel even wennen. De ‘oorlogskinderen’ in deze documentaire zijn niet de Joodse kinderen waar in de Tweede Wereldoorlog op gejaagd werd, maar de Limburgse broers en zussen uit de gezinnen waar zij mochten schuilen. En waarom ook niet. Deze keer zijn zíj de hoofdpersonen in het drama dat diep ingreep in hun leven. Ze vertellen hoe hun ouders ertoe kwamen om, met gevaar voor het hele gezin, zo’n Joods kind op te nemen. Wat dat voor hén, de eigen kinderen, betekende. Wat ze ervan snapten, toen. Hoe ze mee moesten doen met het geheimhouden en de leugens omtrent de herkomst van de kinderen.
‘Ineens zat er een vreemde jongen op het muurtje voor ons huis.’ Hij is een neefje uit Badhoevedorp, had de moeder van Bets verteld. Daar in het westen was weinig te eten en daarom kwam hij bij hen logeren. Toen Bets vond dat hij wel erg lang bleef, zei haar moeder dat zijn ouders dood waren. ‘Dus hij blijft voorlopig bij ons’, zei ze. Bets kijkt vrolijk in de camera. ‘Het was een knappe jongen’, zegt ze. ‘Hoe ik dat ervaren heb? Niet prettig!’ In de blik van de inmiddels bejaarde Maria zie je het verongelijkte meisje van toen doorschemeren. Maria vertelt over het Joodse kind Floortje uit Amsterdam dat er ineens was. Zij, Maria, moest thuis alles doen. Door Floortje kreeg ze er alleen maar meer werk bij. Het kind wist van niks, vertelt Maria, dus spijkert ze Floortjes kennis over Jezus bij. Dat hij aan het kruis was genageld en dat die rotJoden dat hadden gedaan. Floortje had uit wraak over de was gelopen die op het grasveld te bleken was gelegd. Dat snapte Maria toch ook wel weer.
‘Vader en Moeder zeggen, dat deed ik niet.’ Behalve de negen ‘oorlogskinderen’ is ook Max Schrijver in beeld, als enig Joods oorlogspleegkind. Hij spreekt Nederlands met een Limburgs accent. Salomon Schrijver heette hij in zijn eerste levensjaren. Met nog een paar andere kinderen werd hij gered uit kamp Westerbork en ondergebracht in Noord Limburg. ‘Volgens ons zijn we uit Westerbork weg gesmokkeld’, vertelt Max. ‘We zijn aan de hand meegelopen. De man of vrouw, dat weet ik niet meer, was helemaal in het zwart. Het was heel ver lopen. We mochten niet praten onderweg.’ Ze waren, denkt Max achteraf, naar het stationnetje in Beilen gelopen en met de trein naar Limburg gereisd, naar Venray. In de trein kreeg Salomon Schrijver een kaartje omgehangen met zijn nieuwe naam: Max de Groot. Hij kreeg ingeprent dat hij een evacué uit het gebombardeerde Rotterdam was. Een wees. Toen hij in het gezin De Swart werd opgenomen, werd zijn achternaam aangepast. Wandelend door het dorp Blitterswijck, laat hij zijn onderduikadres zien, de bakkerij, het café, en vertelt hij hoe hij alles gewoon mee deed met het gezin; mee naar school, mee naar de kerk. Het enige dat hij niet deed was Vader en Moeder zeggen. Hij noemde
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:03 Pagina 27
27
Harry Dietz, oorlogskind toen
Max Schrijver, onderduikkind toen (stills uit de film)
zijn pleegouders Oom en Tante. Ik was een beetje dwars, bekent hij. Twintig jaar is hij er gebleven; ‘een heel leven eigenlijk’, zegt hij bedachtzaam. Waarom dat zo is wordt in de documentaire niet duidelijk. Aan het slot zien we hem over een kerkhof wandelen. We horen zijn stem. ‘…wil ik namens alle Joodse kinderen dank uitspreken voor de tijd dat zij in de oorlogsjaren hier ondergedoken hebben gezeten.’
‘Ze hadden zwarte haren zoals wij allemaal’ Na een een superkorte geschiedenisles over de nazi’s en hun Jodenhaat, uitmondend in de deportaties, wordt de kijker weer teruggeleid naar de Limburgse broers en zussen en hun relaas. Sjaak en Lien Bartels, broer en zus, openen de reeks verhalen die alleen al ontroeren door de wijze waarop ze verteld worden, in het Limburgs. De verhalen zijn ondertiteld. Over Hanna van de Voort, vertellen ze, de kraamverzorgster uit Tienray die aan hun ouders komt vragen of ze een meisje konden opnemen. Hun moeder had gezegd: bij ons komt er geen in, vooral geen Jood. Maar toen kwam Hanna toch aanlopen met dat ‘prummelke’, vertelt Sjaak – hij wijst met zijn hand boven de tafel het formaat van een peuter aan – ‘En toen zei ‘ons Moeder’: kom maar gauw binnen.’ De herinnering ontroert hem zichtbaar. Elly, heette ze. ‘En het leek ook veel op ons’, zegt zijn zus Lien. ‘Ze had zwarte haren zoals wij allemaal hadden en ze leerde van ons direct in dialect praten.’ Annet vertelt over de tiener Lohre die bij hen in huis kwam omdat de groenteman uit het buurdorp Blerick waar ze ondergedoken zat, een weduwnaar, een oogje op haar had. Een jaloerse medewerkster uit de winkel had haar verraden. Maar ze werd gered, net op tijd, door Hanna van de Voort.
‘Mijn vader heeft toen niet naar de pastoor geluisterd’ Bijna alle broers en zussen praten over hun geheime missie indertijd, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Volstrekt vanzelfsprekend namen ze het bij hen ingekwartierde kind mee in hun spel en zwegen ze als het graf over wat ze wisten of vermoedden. Trots zijn ze pas als ze over hun ouders vertellen. Over de vader die niet naar de pastoor luisterde toen deze zei: zet dat kind op straat; véél te gevaarlijk! Of de vader die zei: wij gaan dat kind niet katholiek maken, dat moet ze na de oorlog zelf maar beslissen – toen een vriendin van moeder een communiejurkje voor het pleegkind wilde maken. ‘Dat deed ons Pap niet!’
Het verraad In de nacht van 4 juli 1944 wordt bij Sjaak en Lien Bartels op het raam geklopt en geschreeuwd: vlug, Elly weg, want ze zijn een razzia aan het houden. Sjaak: ‘mijn oudste broer Piet greep haar vast en rende op blote voeten met haar het roggeveld in. En Elly werd onder een roggeschoof verstopt!’ Alle gezinnen uit de documentaire werden verrast door overvalwagens. De eigen kinderen herinneren zich nog ieder detail van de gebeurtenis. Maria, die eerder had verteld helemaal niet zo blij te zijn met het Joodse meisje dat zo maar op haar dak kwam vallen, beschrijft nu hoe zij Floortje moest aankleden terwijl haar vader door een SS-er onder schot werd gehouden. ‘Maria’, had Floortje gezegd, ‘ik kom niet meer terug.’ Jawel hoor, probeerde Maria nog, maar Floortje had haar hoofd geschud. ‘En toen zei zo’n SS-er tegen mij: doe haar ook maar een shawl om. Ik zeg: daar kun jij haar mee ophangen!’ Maria straalt de woede van toen uit, terwijl haar ogen zich met tranen vullen.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 28
28
Ze zeggen het allemaal, in verschillende varianten: dat oppakken, dat was het ergste… Geen van de acht kinderen die die nacht zijn opgehaald heeft het overleefd, vertellen ze. Alleen de kleine Elly, omdat ze net op tijd door haar grote pleegbroer in het roggeveld was verstopt. De ouders, die gelijk met de Joodse kinderen gevangen werden genomen, waren na een paar dagen weer thuis. De instructie had gewerkt: ze wisten niet anders dan dat ze evacueetjes uit Rotterdam in huis hadden genomen. Ook Hanna van de Voort en de Nijmeegse student Nico Dohmen, die samen meer dan honderd Joodse kinderen in Noord Limburg onderbrachten, hebben het overleefd.
nisvol die oorlogservaringen waren, met hun dappere ouders en met Joodse kinderen met wie ze anders nooit in aanraking zouden zijn gekomen. Marijn Poels, Mijn naam is Max. Hoe Noord-Limburgse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog plotseling een joods ‘broertje’ of ‘zusje’ kregen en hun ouders ervoor zorgden, ondanks bedreiging en verraad. De documentaire is een vervolg op het Oral History programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van VWS. De DVD is te bestellen via marijnpoels@home.nl; prijs € 10,- (excl. verzendkosten). Wie meer wil weten over de onderduik van kinderen in Noord Limburg, leze het boek van Bert Jan Flim, Omdat hun hart sprak uit 1996
In 1999 verscheen bij mijn weten het eerste boek over de gevoelens van eigen kinderen in pleeggezinnen. De documentaire van Marijn Poels is een prachtige aanvulling daarop. Doordat je de mensen zíet vertellen, word je bijna fysiek gewaar hoe beteke-
(besproken in Auschwitz Bulletin 1997, nr. 1, p. 27-29) en over het onderzoek naar eigen kinderen in pleeggezinnen het boek van Bloeme Evers-Emden, Je ouders delen uit 1999 (besproken in Auschwitz Bulletin 2000, nr. 4, p. 4-5).
Congres Child Survivors, Warschau Het 23ste congres van de World Federation of Jewish Child Survivors of the Holocaust zal worden gehouden van vrijdag 19 augustus t/m maandag 22 augustus 2011 in Warschau, Polen. Locatie: Marrriott Hotel, Warschau, City Centre. Het hotel hanteert speciale gereduceerde kamerprijzen voor congresdeelnemers. Deze kamerprijzen zijn eveneens van toepassing drie dagen voor en drie dagen na afloop van het congres. Het programma bestaat uit diverse workshops, panels en lezingen over een breed scala van onderwerpen. Toegangsprijs: 1000 Złoty (ca. € 225/250), dat is inclusief maaltijden en congresactiviteiten en tevens sightseeing excursie Joods Warschau op maandagmiddag 22 augustus 2011. Mogelijkheden tot overige excursies na afloop van het congres. Voor meer info zie website www.wfjcsh.org
Toneelvoorstelling ‘Alles gaat aan flarden’ Plaats: Herinneringscentrum Nationaal Monument Kamp Vught. Data: 15 en 16 april, 6 en 7 mei, 10 juni, steeds om 20.00 uur. De voorstelling wordt gespeeld in de gereconstrueerde barak van het herinneringscentrum. De voorstelling is gebaseerd op het oorlogsdagboek van Klaartje de Zwarte, dat in 2009 onder dezelfde titel uitkwam bij Uitgeverij Balans (zie Auschwitz Bulletin 2010, nr. 1, p. 39). Dit dagboek is nu in samenwerking met Stichting Droomproducties en het herinneringscentrum bewerkt tot een theatermonoloog. Reserveren via www.nmkampvught.nl (zie ‘agenda’) en (073) 656 67 64. Entree € 10 / studenten met CJP € 7,50. Reserveren wordt aangeraden, want het aantal plaatsen in de barak is beperkt.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 29
Cultureel
29
Boekbespreking
Recent verschenen Marjon de Klijn
‘De jonge Jules’ In zijn recent verschenen boekje vertelt Jules Schelvis over zijn jeugd in Amsterdam. Hij wil in dit boek de gebeurtenissen en omstandigheden beschrijven voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij vertelt over attributen, die voor de huidige generatie ondenkbaar zijn. Zoals bijvoorbeeld de zinken tobbe waar zijn moeder het wasgoed met een borstel bewerkte op een geribbeld wasboord. De wekelijkse werktijd bedroeg 48 uur, soms langer. Vakantie was een ongekende luxe en het verkeer beperkte zich voornamelijk tot handkarren en paard-en-wagens. Ook Jules’ beroep ‘de grafische industrie’, waar het handmatig zetten van loden letters met de hand gebeurde, behoort tot de verleden tijd. Jules groeide op in een ‘klokvrij’ Joods gezin. Volkomen ongodsdienstig en zelfs op Grote Verzoendag gingen ze niet naar de synagoge. De enige verbintenis met het Joodse volk bestond uit het feit dat hij besneden was. Maar op vrijdagavond hadden ze toch een soort ritueel met kippensoep en een wit kleed op de tafel. Zijn ouders voedde hem op volgens het humanisme, waarin de mens centraal wordt gesteld. Zijn vader, Jacob, trouwde in 1917 met Esther Papegaai en het stel ging op Rapenburg wonen. De Rapenburg was armoedig en bevatte sterk vervallen en uitgewoonde krotten. Onnoemelijk veel mensen woonden in steegjes van nauwelijks twee meter breed, in diepe ellende. In de meeste
Rachel en Jules, 18 december 1941
woningen huisden meer dan een gezin. Met de hygiëne werd het niet zo nauw genomen en er ontstonden vaak ziekten. Vader Jacob was diamantslijper. Uitgebreid verhaalt Jules hoe het toeging op de slijperij. Hoe de diamantindustrie verschillende specialisaties kende, zoals de zagers, de klovers, de slijpers en de verstelsters. Ook dit kunnen we alleen nog maar tijdens een rondleiding door een van de slijperijen, en dan nog alleen via een film, aanschouwen. Omstreeks 1926 braken er goede tijden aan voor het gezin en het gaat verhuizen naar de Waverstraat. Vader Schelvis was een vooruitstrevende man, die zijn eigen radio bouwde en een fotocamera bezat. Na de Waverstraat volgt de Retiefstraat, waar Jules vlakbij naar school ging. Hij bleek één van de beste leerlingen van zijn klas te zijn, voor zijn proefwerken haalde hij meestal een 10. Een vervolgopleiding blijft niet uit en hij gaat naar de driejarige HBS. Op straat speelde Jules vaak voetbal en slagbal met rondjes en uiteraard werd er geknikkerd. Zoals een belangrijk deel van de bewoners van de Retiefstraat en omgeving was Jules’ vader lid van de SDAP, deze socialistische partij had ook een jongerenbeweging, de AJC, en bij Jules thuis werd het dagblad voor de Arbeiderspartij Het Volk gelezen. Ook moest de vader meemaken dat hij werkloos werd, eenvoudigweg omdat er geen werk meer was op de slijperij. Na een lange tijd werd vader naar het werkverschaffingsproject ‘Het Boschplan’ gezonden. Jules zelf wordt, nadat hij in de Bijenkorf als materialenbezorger werkte, leerling drukker bij drukkerij Lindenbaum. We leren de jonge Jules kennen als een muziekliefhebber en een sportieve jongeman, die op 18 december 1941 trouwt met Rachel. Helaas is zij in Sobibor vermoord. Jules besluit zijn boek in 1942. Jules Schelvis, Een jeugd in Amsterdam, Herinneringen van een overlevende van Sobibor, Uitgeverij De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 2011, (126 blz.) ISBN 9 789067076548, € 15,00
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 30
30 A c t u e e l
Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding voor Jules Schelvis
Maar jouw drive ging verder. Toen jij in 1999 de Stichting Sobibor oprichtte, met het doel Sobibor meer bekendheid te geven, zat je in het bestuur van het Nederlands Auschwitz Comité. En ik denk dan aan die woorden uit een indrukwekkend liedje: “Ze zijn er nog, ze leven nog, ze zijn er in mijn hoofd.” Dat heeft ook altijd voor jou, Jules, gegolden. Dat weet ik. Nooit zijn ze uit je hoofd of uit je leven verdwenen. En nooit zullen ze vergeten mogen worden! Dat is, zoals je weet, één van de belangrijke doelstellingen van het Auschwitz Comité. Omdat jij altijd op buitengewone wijze die doelstellingen hebt uitgedragen, heeft het Nederlands Auschwitz Comité besloten jou de Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding toe te kennen. Deze onderscheiding wordt gegeven aan een persoon of organisatie die zich op buitengewone wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor het realiseren van de doelstellingen van het Nederlands Auschwitz Comité. Deze door Jan Wolkers ontworpen onderscheiding stelt een zandloper voor waarbij het zand niet doorloopt omdat de tijd toen stil stond. Ik heb de eer deze onderscheiding nu aan jou te mogen overhandigen.’
Stichting Sobibor
O
p 7 januari 2011 vond op het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies) een bijzondere bijeenkomst plaats. Daar werd de 90e verjaardag van Jules Schelvis gevierd. Er was een klein symposium met een wetenschappelijke voordracht en er werden feestredes te zijner ere gehouden. En Jules kreeg bij die gelegenheid de bijzondere onderscheiding die zo nauw met het Nederlands Auschwitz Comité verbonden is: de Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding. Jules werd die middag feestelijk toegesproken door Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité die de onderscheiding uitreikte, en drie bestuursleden van de Stichting Sobibor: Jetje Manheim, Mirjam Hüffener en Rozette Kats. Delen uit hun toespraken volgen hierna.
Onderscheiding Jacques Grishaver: ‘Vandaag ben je 90 jaar geworden, mazzeltov! Het bereiken van deze leeftijd is voor ieder mens natuurlijk al iets bijzonders – het is maar voor weinigen weggelegd. Maar voor jou, met alles wat jij hebt meegemaakt, is dit wel een heel fantastische gebeurtenis. Jij die ternauwernood de oorlog hebt overleefd… Waar ik het nu eerst over wil hebben is wat jouw bijdrage is geweest aan het vastleggen van een belangrijk gedeelte van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Jij bent degene geweest die heel, heel veel voor het nageslacht heeft vastgelegd van wat zich in het gruwelijke vernietigingskamp Sobibor heeft afgespeeld. Die de geschiedenis daarvan heeft opgeschreven en die hier boeken over heeft uitgebracht. Een grootse prestatie!
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
Jetje Manheim: ‘Nadat je de Stichting Sobibor in 1999 had opgericht, zag je je missie om een gedenkteken te realiseren voor de slachtoffers van Sobibor twee jaar later, met De Tekens in Westerbork, geslaagd. Er is in de loop van de tijd heel wat werk verzet. Inmiddels realiseren we jaarlijks een Herdenkingsreis en een Studiereis, die tegenwoordig een samenwerkingsverband is van Polen, Duitsers en Nederlanders, een avond in het Verzetsmuseum, een brochure met een verhaal dat Sobibor steeds vanuit een ander perspectief belicht en we reiken jaarlijks de Rachel Borzykowskipenning uit. Dit activiteiten overzicht is bedoeld om uit te komen bij jouw persoon, want jij bent het die de stichting Sobibor heeft opgericht en jij hebt ons allemaal de kans gegeven aan deze resultaten een bijdrage te leveren. Want toen ons bestuur zich uitbreidde met steeds jongere mensen omdat het werk toenam, heb jij zelf voorgesteld niet langer actief bestuurslid te zijn, maar adviseur. Vanuit die positie heb jij langzamerhand de touwtjes steeds iets meer laten vieren. Dat kon je doen, want je had de basis gelegd, maar je was dus ook in staat dat te zíen en ernaar te handelen, al zal dat vast wel eens lastig voor je geweest zijn. En nu je de leeftijd van 90 jaar bereikt hebt, sta je aan de vooravond van nog een nieuwe zware opdracht: het als mede-aanklager houden van het ultieme requisitoir in de rechtszaak tegen Iwan Demjanjuk. Wij allen weten dat je er al lang aan gewerkt hebt en dat je er klaar voor bent. Met jou hopen wij dat de dag waarop je je requisitoir kunt uitspreken niet lang meer op zich zal laten wachten. Wij zullen die dag met trots en respect aan je zijde staan.’
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 31
31
Bewogen neemt Jules Schelvis (l) de Annetje Fels Kupferschmidt onderscheiding uit handen van Jacques Grishaver in ontvangst (foto Carlo Hüffener)
Penning Mirjam Hüffener over een vergelijkbare samenwerking: ‘Janneke de Moei schreef in 1999 een boek over de kindertransporten uit Vught. Ik deed de vormgeving. We bedachten vervolgens dat hiermee iets moois en educatiefs gedaan moest worden. Een waanzinnig plan bleek later; gelukkig hadden we daar toen nog geen weet van. Een van de lastigste obstakels was een stichting die ons onder haar hoede wilde nemen. En daar kwam Jules in beeld. Janneke kende hem in het echt en vroeg belet aan in Trigt. En we konden aan de gang. Man, wat kan jij hard werken. Inhoudelijke brainstorms, concepten voor subsidieverzoeken gingen dagen, avonden, weekenden heen en weer over de mail. Waarbij je onzinnige woorden als ‘content’ (hoezo tevreden, ik ben niet tevreden) met een grote grijns naar begrijpelijk (of: down to earth) abn wist om te zetten. In die periode reikte je de eerste Rachel Borzykovskipenning uit, zeer terecht aan Janneke. En op 7 februari 2007 konden we jou als eerste een prachtige documentaire en lesdoos overhandigen. Dat deden we op een dag die we vermomden als presentatie, zodat jij niet doorhad dat alle pers, de staatssecretaris en de burgemeester van Amstelveen daar waren om jou te ridderen. Dat lukte want je vond het ondertussen gewoon dat persfotografen opspringen als jij gaat praten.
Gastsprekers Rozette Kats: ‘Onze samenwerking begon min of meer noodgedwongen: je leeftijd en je gezondheid lieten niet toe dat je nog alleen verre reizen maakte teneinde te kunnen voldoen aan de almaar binnenkomende verzoeken uit binnen- en buitenland om je verhaal – het verhaal van Sobibor – te vertellen. Bij het toenemen van de werkzaamheden binnen de Stichting nam ik de specifieke taak om je te vergezellen op me. Het was min of meer
een natuurlijk proces waarin mij die rol werd gegund: ook ik ben immers gastspreker WOII - in relatie tot heden. Ik ging graag en inmiddels vaak met je mee en kreeg zodoende de gelegenheid je beter te leren kennen. En al had ik je boeken natuurlijk gelezen, het is toch heel anders om de geleefde geschiedenis als oral history een-op-een overgedragen te krijgen; als in een ideaal soort ouder-kindrelatie, waarbij, anders dan meestal in het echte leven, de vader, daarnaar gevraagd, vertelt en het kind aan zijn lippen hangt. Maar jij stelde ook belang in mij, vroeg naar mijn leven en geschiedenis en ik vertelde je die open en zonder terughouding, zoals dat hoort in een vriendschappelijke relatie. Zo togen we naar menige school, hogeschool, groep, publiek, conferentie, discussiepanel in binnen- en buitenland; ook naar plaatsen waar je niet direct aan zou denken: huis van bewaring, scholen voor speciaal onderwijs, geschiedeniswerkgroepen. Altijd sprak jij daar op jouw gedegen manier over Sobibor. Op zeker moment begon je mij voor te stellen als iemand die zelf ook een verhaal te vertellen had. Zo kreeg die begeleiding steeds meer betekenis en veranderde hij in concrete samenwerking. Als laatste voorbeeld daarvan gingen wij afgelopen augustus samen voor de tweede keer naar de International Summerschool in Neustrelitz voor Duitse gymnasiasten en studenten uit verschillende Europese landen, waar jij je lezing hield in het plenaire ochtendprogramma en ik in het keuzeprogram een seminar invulde. Ik ervaar jouw voorbeeld in mijn directe omgeving als een groot geschenk; een voorbeeld van zelfdiscipline en doelgerichtheid, initiatief nemen, vasthouden aan eigen mening, rechtop blijven, spreken en zwijgen als het moet. Of, om het te zeggen in de woorden die jij in het voorjaar van 2010 grijnzend uitsprak over jezelf: het voorbeeld van de non-conformist Jules Schelvis.’
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 32
32 A c t u e e l
Joods Verzet herdacht Met Kaddisj en partizanenliederen Max Arian
S
teeds meer mensen weten de jaarlijkse herdenking van het Joods Verzet te vinden. En die herdenking vindt steeds meer een eigen vorm, met Kaddisj en Jizkor, met partizanenliederen, een persoonlijke toespraak en enige minuten stilte. Een sobere, ontroerende plechtigheid in Amsterdam, in het hart van de voormalige Joodse buurt. Bij het monument voor het Joods verzet op de hoek van de Amstel en de Zwanenburgwal, op 25 februari, voorafgaand aan de herdenking van de Februaristaking 1941 op het Jonas Daniel Meijerplein daar vlak bij. Een aparte herdenking voor het Joodse verzet, is dat wel nodig? Initiatiefneemster Mirjam Ohringer, secretaris van de Stichting Vriendenkring Mauthausen, legt het op die plek nog eens uit. Vaak wordt vergeten of genegeerd dat veel Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog verzet hebben gepleegd, naar verhouding meer dan de andere Nederlanders. ‘Zelfs met een ster op hebben Joden verzet gepleegd,’ vertelt zij, en zij kan het weten, uit eigen
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
ervaring. De verbinding met het straf- en vernietigingskamp Mauthausen is indirect, maar toch heel helder. Eerst was er in februari 1941 het Joodse verzet, op het Amsterdamse Waterlooplein (mijn vader, Arnold Arian was daar bij) tegen de oprukkende zwarthemden van de nationaalsocialistische WA en bij IJssalon Koco in de Van Woustraat. Daarop volgden de, waarschijnlijk al vantevoren door de Duitse bezetter geplande, razzia’s waarbij honderden jonge Joodse mannen werden opgepakt en via Schoorl en Buchenwald naar Mauthausen gestuurd, waar ze de volgende maanden crepeerden. De reactie op deze razzia’s was de Februaristaking, die elk jaar op 25 februari wordt herdacht. Daarom is het goed dat de Stichting Mauthausen in de vroege middag voor de Februaristakingherdenking deze herdenking van het Joods verzet organiseert. Behalve Mirjam Ohringer sprak daar dit jaar Rozette Kats, die zelf de oorlog als onderduikkind heeft overleefd en die een ontroerend verhaal vertelde over haar oom, die in verzet kwam, twee keer gepakt werd en ontsnapte, maar ten slotte in Gleiwitz is omgekomen. Awraham Rosenberg, zelf ook een onderduikkind, sprak op zijn gevoelige wijze het Jizkor en Kaddisj uit. Daarvoor en daarna zong het Jiddisj Koor Hejmisj Zain Joodse partizanenliederen. Leerlingen van het Maimonides Lyceum, de school die het monument heeft geadopteerd, waren de eersten die bloemen legden. Het was een goed, sober, menselijk samenzijn, dat veel te denken geeft over hoe je je nu zou kunnen verzetten tegen onrecht en onderdrukking. De deelnemers aan de herdenking van het Joods Verzet worden toegesproken door Mirjam Ohringer; rechts vooraan Awraham Rosenberg, links voor het monument het Jiddisj Koor Hejmisj Zain (foto © Michael Jacobs)
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 33
33
Actueel
In memoriam Mirjam Pinkhof 1916 – 2011 Philip Rümke*
D
e Joodse verzetsvrouw Mirjam Pinkhof overleed op 16 februari in Haifa, 94 jaar oud. Zij behoorde tot een verzetsgroep onder leiding van Joop Westerweel. Na de dood van haar man Menachem Pinkhof in 1969 werd zij de oprichtster van de Nederlandse afdeling van het Ghetto Fighters’ House in NoordIsraël.**
Mirjam Waterman en Menachem Pinkhof in 1943, vóór hun huwelijk (foto Yad Vashem Photo Archives)
Belsen gedeporteerd werden. Na hun bevrijding emigreerden zij in 1946, nog vóór de onafhankelijkheidsoorlog, naar Israël en gingen in Haifa wonen.
Palestina Pioniers Mirjam Waterman groeide op in Loosdrecht in een well-to-do humanistisch-socialistisch, antimilitaristisch, geassimileerd Joods gezin. Omstreeks 1938 werd zij als onderwijzeres aangesteld op de Werkplaats Kindergemeenschap van Kees Boeke in Bilthoven. Daar leerde zij de charismatische leraar Joop Westerweel kennen met wie zij een sterke band ontwikkelde. Na een conflict direct vóór de inval van de Duitsers, vertrokken zowel Joop Westerweel als Mirjam. Al vroeg in de oorlogsjaren werd Mirjam Zioniste. Daardoor kreeg zij een intensief contact met het Jeugd Alyah Huis in Loosdrecht. Haar eerste belangrijke verzetsdaad was het laten onderduiken van de vijftig Duits-Joodse Palestina Pioniers van dit huis samen met Joop Westerweel en anderen – Joden en nietJoden. Op een avond, kort voor het bevel dat zij zich moesten melden voor transport naar Westerbork, zijn allen in augustus 1942, op onderduikadressen ondergebracht. Weinig meer dan de helft van hen heeft de oorlog overleefd en Israël kunnen bereiken. Mirjam en allen die in de groep werkten, hebben een unieke actie ondernomen door juist deze volstrekt geïsoleerde, vrijwel geen Nederlands sprekende Pioniers te helpen. Deze jongeren, die bij boeren in de omgeving een agrarisch vak leerden, konden lokaal geen hulp verwachten. Lang na de oorlog heeft Mirjam er nog voor gezorgd dat ook degenen van deze allochtone ‘Loosdrechters’ die de oorlog niet overleefd hadden, alsnog een gedenksteen kregen naast het al bestaande monument voor de autochtone Loosdrechters. Bij deze verzetsdaad is het niet gebleven. Mirjam nu zelf ook ondergedoken, is actief gebleven in de groep van Westerweel en heeft daardoor vele anderen kunnen laten onderduiken. Tot zij en Menachem als gevolg van verraad zelf in 1944 naar Bergen-
Het Ghetto Fighters’ House Na de dood van Menachem in 1969 heeft Mirjam zich bijzonder ingespannen om een Nederlandse afdeling in het Ghetto Fighters’ House in te richten om in een permanente tentoonstelling het jonge Israëlische publiek op educatieve manier te laten zien hoe het Nederlandse Joden in de bezettingstijd vergaan is. Mirjam heeft in Nederland veel hulp gehad van haar vriendin, de verzetsstrijdster Hetty Voûte, en anderen om haar project te verwezenlijken. De afdeling is onderdeel van een museum dat in 1949 door de overlevenden uit het getto van Warschau is gesticht, aanvankelijk om de verschrikkingen in Oost-Europa in beeld te brengen. In oktober 1996 kon de Nederlandse afdeling onder veel belangstelling geopend worden. Na verbouwingen werd de permanente tentoonstelling opnieuw, in aanwezigheid van Mirjam en haar kinderen, in 2008 heropend. Mirjam was een gedreven, stimulerende, altijd actieve persoonlijkheid. Haar levensdrang en dus ook overlevingsdrang, kwamen al tot uiting in de markante mededeling dat haar oudste zoon, nog in Nederland geboren, al onderweg van Bergen-Belsen naar Nederland verwekt was. Annemiek Gringold-Martinot, hoofd Hollandsche Schouwburg, die zes jaar intensief met Mirjam in het Ghetto Fighters’ House heeft samengewerkt, liet mij weten: ‘Zij vierde haar 80ste verjaardag in Haifa en vertelde aan familie en vrienden dat ze allang dood had moeten zijn, maar steeds opnieuw werd geboren. Ze had al drie geboortes geteld: die vanuit haar moeder, de wedergeboorte na haar terugkeer uit het kamp en haar overwinning op de maag- en alvleesklierkanker. Ze ging voor de 120!’ * De auteur werkte samen met Joop Westerweel. ** Het museum is gevestigd in de Kibbutz Beit Lohamei Hagethaot.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 34
34 A c t u e e l
Een naam bij een foto, Februari 1941 Paul Arnoldussen
17
september stierf hij in Mauthausen. Meier Vieijra was zijn naam. Hij was kleermaker en zijn vrouw was in verwachting. Hij is één van de zes miljoen vermoorde Joden en vrijwel iedereen kent hem van de foto. En nu pas weten we wie hij is. Helemaal zeker? Vrijwel zeker. De foto werd zaterdagmiddag 22 of zondagochtend 23 februari 1941 genomen, door wie is onbekend. Beide dagen waren er
razzia’s in de Jodenbuurt, één van de aanleidingen tot de Februaristaking. Meier Vieijra is de tweede van rechts. De foto werd een icoon van de Jodenvervolging. Met vrijwel alle andere opgepakten – bijna vierhonderd – werd Meier via Schoorl en Buchenwald naar concentratiekamp Mauthausen vervoerd. Daar moesten ze onder onmenselijke omstandigheden werken, meestal in een steengroeve. Meier bezweek er, zoals vrijwel alle anderen. Hij stierf 17 september 1941, 22 jaar oud. Een maand later werd zijn dochter Rachel geboren. Zij vond de brieven en foto’s rond haar vader pas in 2003, na de dood van haar moeder Blanche. Die had met haar als onderduiker de oorlog overleefd in Oldebroek, op de Veluwe. Rachel nu: ‘Ik wist vrijwel niets van mijn vader. Over de oorlog werd niet gepraat. Wel heeft mijn moeder kort voor haar dood op een fotootje van het gezin waar mijn vader uit voortkwam, de namen van die mensen gezet. Maar dat de broer van mijn vader tegelijk is opgepakt en ook in Mauthausen is gestorven, had ze bijvoorbeeld niet verteld.’ De brieven en foto’s zijn lang onaangeroerd gebleven. Kopieën zijn wel gegaan naar Jeruzalem, omdat de mensen bij wie moeder en dochter waren ondergedoken, de familie Flier, in aanmer-
Razzia op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam op 22 of 23 februari 1941. Tweede van rechts is Meier Vieijra.
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 35
35
Brief van Blanche aan haar man Meier, geretourneerd uit Mauthausen
king kwamen voor een Yad Vashemonderscheiding. Die hebben ze ook gekregen. Pas de laatste maanden heeft Rachel alles echt doorgenomen, door de foto’s en brieven leerde ze haar vader een beetje kennen, een zorgzame man die ook in het kamp belangstelling hield voor zijn vrouw. Ze las wat hij in het kamp aan zijn vrouw schreef: ‘Als je een zoon krijgt, noem hem dan Jacob ben Meier. Is het een dochter noem haar dan Rachel.’ En ze zag een brief van haar moeder, gedateerd 15 september. Daarin schreef ze dat de bevalling over een maand werd verwacht. Die brief heeft hem nooit bereikt; hij kwam terug met stempels: ‘Geöffnet’, een hakenkruis, ‘An Absender zurück’ en, geschreven, ‘Unbekannt’. Onlangs schonk ze het materiaal aan het Joods Historisch Museum, dat de foto’s, brieven en kaarten – zes uit Buchenwald, twee uit Mauthausen – vanaf maandag tijdelijk exposeert in de Hollandsche Schouwburg. Daarbij ook de brief die Rachel aan haar vader schreef en waarin ze concludeerde: ‘Je bent niet alleen een figuur op de bewuste foto, maar een heel bijzondere, grappige, meelevende en zorgzame man.’
En de andere man wiens gezicht op de foto zo duidelijk is? Eshter Göbel, onderzoekster bij de Hollandsche Schouwburg, heeft gehoord dat die man geïdentificeerd is, maar weet niet wie hij is. En inmiddels hebben zich twee mensen gemeld die menen dat de man, die nu als Meier Vieijra te boek staat, iemand anders is, een familielid van hen. Eshter Göbel: ‘We hebben alles nauwkeurig bestudeerd en voor ons staat vrijwel vast dat het Meier is. Maar we nemen andere meldingen wel serieus. Veel mensen hopen op foto’s hun overleden familieleden te zien. Dat is heel begrijpelijk.’ Dit artikel is eerder verschenen in Het Parool van zaterdag 19 februari 2011. Het Joods Historisch Museum deelt mee dat het onderzoek wordt voortgezet. Het verhaal, de brieven en familiefoto’s uit bovenstaand verhaal zijn, na tijdelijke expositie in de Hollandsche Schouwburg, ook permanent te vinden op het Digitaal Monument: www.communityjoodsmonument.nl
Trouwfoto van Meier Vieijra en Blanche Nabarro, 1939
Auschwitz Bulletin 55, nr. 2, mei 2011
A-Bulletin2011nr2vs04:DEF 18-4-11 15:04 Pagina 36
+$1 16 6 8/5,&+ 8/5,&+
=LYI\T /VSVJH\Z[ )PISPVOLLR = LYI\T /VSVJH\Z[ )PISPVOLLR
>0, >(: (55, -9(52& > 0, >(: (55, -9(52& Haar H aar leven, leve en, het Achterhuis Achte erhuis en haar ha aar dood (HQ NRUWH ELRJUDรฐH YRRU MRQJ HQ RXG (HQ Q NRUWH ELRJUDรฐH YRRUU MRQJ HQ RXG (UUL -YHUR PZ aVUKLY [^PQMLS OL[ ILRLUKZ[L (UUL -YHUR PZ aVUKL LY [^PQMLS Q OL[ ILRLUKZ[L ZSHJO[VM MLY ]HU KL /VSVJH\Z[ / ALZ ZSHJO[VMMLY ]HU KL /VSVJH\Z[ ALZ TPSQVLU 1VVKZL ZSHJO[VM 1VVKZL ZSHJO[VMMLYZ MLYZZ ]HU ]HU KL UHa UHaP[LYYL\Y
/HUZ <SY
PJO
NLZ`TIVSPZLLY K PU NLZ`TIVSPZLLYK PU ttU ttU WLYZVVU WLYZVVU LLU TLPZQL TLPZQL ]HU QHHY >PL ^HZ aPQ LPNLUSPQR ]HU QHHY >PL ^HZ aPQ LPN KP[ ]YVLN^PQaL TLPZQL KLaL YLJHSJP[YHU[L KP[ ]YVLN^PQaL TLPZQL KLaL YLJHSJP[ W\ILY KLaL 1VKPU KPL PU OHHY WYHJO[PNL W\ILY KLaL 1VKPU KPL K PU OHHY WYHJ KHNIVLR HS V]LY ]LYYNHZZPUN NHZZPUN ]HU ]HU 1V KHNIVLR HS V]LY ]LYNHZZPUN ]HU 1VKLU ZWY ZWYLLR[& LLR[& (UUL (UUL -YHUR -YHU UR PZ KVVY KL KL QHYLU QH OLLU OLLU LLU LLU J\S[ร N\\ J\S[ร N\\Y \Y NL^VY NL^VYKLU KLU > >PL RLU[ (UUL -YHUR UPL[& RLU[ (UUL -YHUR UPL L[&
AS A N N E F R ANK?
Koop dit boek
TH ]HKLY ]VVY VWH V U JO[LY aVV TVLKLY KV KLYLU LU RSLPURPU LSM 6M ]VVY QLa
WIE WAS ANNE FR A
Haar le ven, he t Achte ,LU RVY[ rh L IPVNYH
7HWLYIHJR 7HWLYIHJR ISHKaPQKLU
ร L ]VVY QV
UN LU V\
K
NK?
uis en h aar doo d
7YPQZ! ร 0:)5
Also published in n English 7HWLYIHJR WHNLZ 7YPJL! ร 0:)5
;LU NLSLPKL ]HU 7YVM KY /HUZ )SVT ; L LU NLSLPKL ]HU 7YVM KYY /HUZ )SV T
Postbus P ostbus 5 575 75 | 1 1250 2 5 0 AN AN L Laren a re n | T Tel.: el.: + +31 3 1 ((0)35 0)35 5 52 2 3 32 2 9 998 9 8 | iinfo@verbum.nl n fo @ ve r b u m . n l | w www.verbum.nl w w. v e r b u m . n l
ABulletin11_02_omslag:DEF 18-4-11 15:07 Pagina 2
C o l o fo n
2 01 1 - 2
37
Actueel
In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht. Nederlands Auschwitz Comité Voorzitter Vice-voorzitter Secretaris Penningmeester Secretariaat
Jacques Grishaver Elly Touwen-Bouwsma Naomi Koster Ronald van den Berg Postbus 74131 1070 BC Amsterdam tel/fax 020 672 33 88 info@auschwitz.nl www.auschwitz.nl
Financiële administratie
In memoriam Hans Beckman 1920-2011
Bob Hilderink Awraham Meijers
Bank
ABN/AMRO 414.646.282 IBAN: NL53ABNA0414646282 BIC: ABNANL2A ING Bank 29.30.87
Auschwitz Bulletin Redactiesecretariaat Eindredactie Redactie
Redactieadres:
Abonnementenadministratie:
Database beheer Concept en vormgeving Zetwerk en opmaak Druk
Marjon de Klijn Herbert Sarfatij Max Arian Naomi Koster Emilie Kuijt Bertje Leuw Theo van Praag Zoni Weisz Dirk Spits (beeldredactie) Postbus 74131 1070 BC Amsterdam redactie@auschwitz.nl Postbus 74131 1070 BC Amsterdam Tel/fax 020 600 34 55 abonnement@auschwitz.nl Akrav-automatisering & consultancy ©Fred Cohen / CCC Willem Morelis, Amsterdam Drukkerij Peters Amsterdam bv
Afbeelding rechts: Op het ‘spiegelmonument’ Nooit meer Auschwitz in het Wertheimpark te Amsterdam, zondag 30 januari 2011 na de herdenking (foto © D.P.H.Spits)
‘Wij hebben weliswaar Auschwitz verlaten, maar Auschwitz heeft ons niet verlaten’. Deze bittere conclusie slaat wat mij betreft ook en vooral op ex-gevangene Hans Beckman; dat vervloekte Auschwitz heeft hem nooit met rust willen laten, hield hem tot zijn laatste ademsnik in de wurggreep. Dat Auschwitz hem nooit had losgelaten was niet zozeer vanwege persoonlijke herinneringen aan vernedering, pijn en ontmenselijking. Maar dat men, verblind door rassenwaan, bereid is onrecht, vernedering en ontmenselijking te begaan en zelfs de medemens zonder enige reden te doden, heeft hij nimmer begrepen. Hans Beckman, een man bij wie rechtvaardigheid en mededogen als het ware genetisch zijn bepaald, richtte na de Duitse inval met enkele vrienden een verzetsgroep op: Oranjewacht. Ook zijn vader (gepensioneerd KNIL-majoor) was als medeoprichter nauw betrokken bij Oranjewacht. De activiteiten beperkten zich aanvankelijk tot het leggen van contacten met collega-verzetsgroepen, verspreiden van foto’s van leden van de koninklijke familie en proberen wapens te bemachtigen. In hun poging het netwerk uit te breiden, spraken zij vrijuit over hun anti-Duitse gevoelens. Hans en zijn broer Rob: ‘Wij dachten dat we voorzichtig waren, maar we waren eigenlijk echte amateurs.’ Deze naïviteit leidde tot verraad. De top van de organisatie werd opgepakt. Hans en Rob vluchtten in oktober 1941 naar Frankrijk met de bedoeling om van daar naar Engeland te gaan, waar zij zich wilden aansluiten bij de Nederlandse Strijdkrachten. Bij de Zwitserse grens werden ze op verdenking van geldsmokkel gearresteerd en, ondanks vrijspraak, als ‘Nacht und Nebel Häftlingen’ naar kamp Frontstalag 122 afgevoerd, om in juli 1942 met hoofdzakelijk politieke gevangenen naar Auschwitz te worden getransporteerd. Omdat de broers Beckman de Duitse taal beheersten en niet Joods waren, werden ze geprivilegieerd. Hans bracht bouwtekeningen rond voor het Auschwitz-bouwbureau en kwam bijge-
(foto © Pieter Boersma)
volg in alle uithoeken van het kamp. Op missie in Lager Rasjko ontmoette hij een vrouwelijke politieke gevangene: Noëmie Trpin, rechtenstudente uit Ljubljana. Hij werd op slag verliefd. Liefde onder de walmende rook en stank van de Endlösung. Via een truc kon Hans nogmaals naar Rasjko (Pools voor: paradijs) en beloofde na de oorlog met haar te trouwen. Na de bevrijding van Auschwitz wisten ze niet of de ander nog in leven was. Uiteindelijk is via briefwisselingen contact ontstaan. Hans, inmiddels beroepsofficier, kon niet naar het communistische Joegoslavië om Noëmie te ontmoeten. Toch wisten ze het voor elkaar te krijgen om te trouwen. Het huwelijk ‘met de handschoen’ vond plaats in 1947. Enige tijd later ontmoetten ze elkaar écht en woonden enige jaren in Doesburg. Daar werden wij buren toen ik vijftien jaar was. Hans heeft mij normen bijgebracht, heeft mij en talloze andere schoolkinderen verteld over de gevaren van fascisme en racisme. Het heeft mede mijn levenshouding bepaald. Mijn vriend Hans Beckman is op 13 februari gestorven. Hij is eenennegentig geworden, deze Officier in de Orde van OranjeNassau, drager van onder meer het Kruis van Verdienste, het Verzetsherdenkingskruis, het Ereteken voor Orde en Vrede en de Yad Vashem Onderscheiding.