Skip to main content

Wetenswaardig nr. 19 2025

Page 1


WETENS~ WAARDIG

NUMMER 19 | NAJAAR 2025

VOORWOORD

Een nieuwe editie van Wetenswaardig geheel in het teken van de verpleegkundige beroepsgroep en onderzoek. En hoewel dit misschien als iets nieuws voelt, dat is het zeker niet. Florence Nightingale, de grondlegger van het vak verpleegkunde heeft de toon gezet. In 1859 schreef zij, na jaren ervaring in het werkveld, ‘Notes on Nursing’.

“Let us never consider ourselves finished nurses… we must be learning all of our lives.”
Florence Nightingale

Nu een heel bijzonder moment in het Maasstad Ziekenhuis, verpleegkundigen die onderzoek doen, en daar ook nog mee naar buiten treden, dat is nog even wennen.

Juist de collega’s die werken in de primaire patiëntenzorg kunnen zoveel toevoegen aan verbetering en ontwikkeling van de geboden zorg. De zorg voor de patiënt naar een hoger niveau tillen, en je werk als verpleegkundige nog mooier en boeiender maken door onderzoek te combineren met je werk in de zorg.

Die combinatie zien we in ons ziekenhuis een steeds grotere rol krijgen. Het maken van een critically appraised topic (CAT) om best evidence practice uit literatuurstudies ter verbetering van de kwaliteit van zorg te integreren in de dagelijkse praktijk. Van kleinschalige onderzoeken op afdelingsniveau, tot ziekenhuisbrede projecten, steeds vaker worden de resultaten gedeeld en toegepast, wat bijdraagt aan een structurele kwaliteitsverbetering.

In deze editie presenteert een aantal van onze onderzoekende, vernieuwende verpleegkundigen hun werk. De kern van dit magazine draait om:

Wetenschappelijk onderzoek naar praktijkgerichte vragen

Kritisch kijken naar je dagelijks verpleegkundig handelen

Samen onderzoek doen en nieuwe inzichten opdoen

Goede begeleiding als sleutel tot verpleegkundig onderzoek

Toekomstbestendige zorg en toekomstbestendige verpleegkundigen die het roer in eigen handen nemen

En bovenal goede patiëntenzorg!

En als klap op de vuurpijl zal er vanaf nu in elke editie van Wetenswaardig een verpleegkundige bijdrage te vinden zijn.

Ik wens u veel leesplezier met deze mooie uitgave.

INHOUDSOPGAVE COLOFON

PATIËNTENVOORLICHTING

Van folder naar video: voorlichting die wél alle doelgroepen bereikt

VERPLEEGKUNDIG ONDERZOEK CENTRAAL

Stap voor stap naar onderzoekstructuur voor verpleegkundigen

BETER AF NA OPERATIE GROTE LICHAAMSSLAGADER

Minder complicaties met gericht zorgplan

COLUMN

Verpleegkundig onderzoek

VERWARMINGSDEKEN OP OBSERVATORIUM

Gebruik van verwarmingsdeken in het Observatorium

OPLEIDING SEH-STUDENTEN

De SEH-verpleegkundige in ontwikkeling

Proactieve zorgplanning

‘Het proactieve zorgplan geeft patiënten het gevoel grip op hun situatie te hebben’

FUNCTIE VAN DE TOEKOMST

Thuismonitorings-verpleegkundige, functie van de toekomst?

NON-FARMACOLOGISCHE INTERVENTIE BIJ MISSELIJKHEID

Misselijkheid te lijf zonder medicatie .....................................................................................................................

REDACTIE

Dr. Michael Groeneweg, kinderarts, vicevoorzitter Wetenschapscommissie Maasstad Ziekenhuis, hoofdredacteur

Dr. S.T. Bruens, adviseur Wetenschapsbureau, lid Wetenschapscommissie Maassstad Ziekenhuis. drs. S.G.R. Verelst, Adviseur Wetenschap Lid Wetenschapscommissie

GASTREDACTIE

Jacqueline Maliepaard, voorzitter Verpleegkundig Stafbestuur

Jessica Ganesh, vice-voorzitter Verpleegkundig Stafbestuur

ADVISEUR

J.M. Salomé, senior communicatieadviseur Maasstad Ziekenhuis

REDACTIEADRES

Wetenschapsbureau Maasstad Academie

t.a.v. Wetenschapsmagazine

Maasstad Ziekenhuis

Postbus 9100

3007 AC Rotterdam wetenschapsbureau@maasstadziekenhuis.nl

REALISATIE

Multiplus BV

Stationsweg 21 9201 GG Drachten

T: 0512 204 100

E: info@multiplusmedia.nl www.multiplusmedia.nl

COMMERCIËLE REDACTIE EN ADVERTENTIES:

Taco de Haan en Jessica M. Jager-Ferwerda / Multiplus BV

GRAFISCHE VORMGEVING

Maurice de Jong / Multiplus BV

DRUKWERK

@ Niets uit dit magazine mag openbaar gemaakt worden op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de redactie. De redactie van het wetenschapsmagazine van het Maasstad Ziekenhuis stelt zich niet verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke informatie in dit magazine. Bij ingezonden stukken behoudt de redactie zich het recht voor om, zonder opgaaf van redenen, artikelen in te korten of te weigeren. Ingezonden artikelen zonder naam worden niet geplaatst.

Van folder naar video: voorlichting die wél alle doelgroepen bereikt

Educatieve animatievideo’s leveren een grote bijdrage aan het begrijpen van complexe medische informatie. Vier gespecialiseerde verpleegkundigen van het Maasstad Ziekenhuis deden in het kader van hun opleiding Bachelor of Nursing een literatuurstudie naar het effect van deze video’s op het begrip van laaggeletterden.

De groep bestaat uit Roswietha van Nieuwaal-van der Perk, werkzaam op het Dialysecentrum, Sem Elbertsen en Mathilde Bunk, beiden werkzaam op de Cardiac Care Unit (CCU), en Willeke Groenenboom, die inmiddels de switch heeft gemaakt van de Recovery naar de polikliniek Maag-, Darm- en Leverziekten (MDL). Zij bevinden zich in de afrondende fase van hun opleiding en voerden een Critically Appraised Topic (CAT) uit: een kritische beoordeling van wetenschappelijke literatuur rondom een praktijkgerichte vraag.

Roswietha kwam op het idee voor het onderwerp toen zij nadacht over de vraag hoe het bestaande voorlichtingsmateriaal toekomstbestendig kan worden ingericht voor patiënten met nierfalen. Zo ontdekte zij dat het Maasstad Ziekenhuis sinds eind 2023 beschikt over een abonnement op Indiveo. Dat is een platform met begrijpelijke patiënteninformatie door middel van ‘beeldverhalen’, ook wel divi’s genoemd. Een divi geeft heldere uitleg over een ziektebeeld, ingreep of behandeling. Zo’n divi bestaat uit een animatievideo met een duidelijke stemvertolking, uitlegkaarten en korte stukjes tekst in duidelijke taal. De divi’s kunnen aangeboden worden op de algemene website van het ziekenhuis, het patiëntenportaal, de BeterDichtbij app en via televisieschermen aan bed in het ziekenhuis. “Omdat ik in de praktijk zie hoe patiënten soms worstelen met de vaak ingewikkelde informatie, zag ik meerwaarde om dit onderwerp te onderzoeken. Wat zegt de wetenschap over het effect van animatievideo’s? En dan specifiek rondom het begrip van laaggeletterden. We hebben bewust gekozen voor een onderwerp dat ziekenhuisbreed toepasbaar is.”

Er werd gemotiveerd gewerkt aan de groepsopdracht. Sem: “Ik legde de focus op zoekstrategieën en het selecteren van relevante artikelen. Anderen richten zich meer op het kritisch beoordelen ervan. Zo hadden we een evenredige takenverdeling.

Sem: “Een groot voordeel van de animatievideo’s is dat het mogelijk is ze in meerdere talen aan te bieden.

Laaggeletterdheid wordt in Nederland gedefinieerd als het hebben van onvoldoende basisvaardigheden in lezen, schrijven en rekenen, waardoor mensen niet volledig kunnen functioneren in de samenleving, in dit geval binnen de gezondheidszorg. Het gaat daarbij niet alleen om het technisch kunnen lezen van woorden, maar vooral om het begrijpen en toepassen van (medische) informatie (Stichting Lezen & Schrijven, z.d.).

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat ruim 2,5 miljoen volwassenen in Nederland laaggeletterd zijn. Opvallend is dat het merendeel van hen het Nederlands als moedertaal heeft (CBS, 2022). Inmiddels zijn de cijfers nog verder opgelopen naar 3 miljoen laaggeletterden. (Rijksoverheid, z.d.)

In Nederland wordt doorgaans de grens gelegd bij taalniveau 2F. Dit komt overeen met het eindniveau van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Mensen die dit niveau niet behalen, worden als laaggeletterd beschouwd. (Stichting Lezen & Schrijven, z.d.). Naast taal- en rekenvaardigheden spelen ook digitale vaardigheden een steeds grotere rol. Het kunnen omgaan met digitale informatie is onmisbaar in een samenleving die snel digitaliseert.

Dat maakt ze extra waardevol voor onze diverse patiëntenpopulatie in Rotterdam Zuid, waar veel verschillende talen worden gesproken. Niet iedereen begrijpt de Nederlandse taal, zowel mondeling als schriftelijk. Laaggeletterdheid is een belangrijk aandachtspunt. Als we deze doelgroep willen bereiken, moet je de informatie zo aanbieden dat zij het kunnen begrijpen. Mathilde: “Animatievideo’s kun je op allerlei manieren inzetten: op de website of informatief in de spreekkamer van de polikliniek. Of juist uitbreiden in de kliniek. Op de CCU zien we regelmatig heropnames bij hartfalenpatiënten, omdat zij de leefregels zoals een vochtbeperking niet begrijpen of medicatie-instructies achteraf verkeerd begrepen blijken te hebben. Er kunnen dan serieuze complicaties optre-

den. Ook medische terminologie vormt voor veel mensen een drempel. Je moet maar net weten wat ermee bedoeld wordt. Wij geven soms een stortvloed aan informatie, maar we moeten oppassen dat we onze patiënten niet na de eerste zin al kwijt zijn. Het visualiseren van patiënteninformatie kan ervoor zorgen dat instructies beter onthouden worden. Roswietha: “De literatuur laat zien dat beeldmateriaal het geheugen vergroot door het ‘picturale superioriteitseffect’. Met andere woorden: informatie beklijft beter in het brein. Tevens wordt aangetoond dat animatiebeelden niet alleen effectief zijn voor laaggeletterden, maar voordelen bieden voor alle doelgroepen, ongeacht opleidingsniveau.

”ANIMATIEVIDEO'S ZEGGEN NOU EENMAAL MEER DAN DUIZEND WOORDEN.”

Roswietha: “De groep chronische dialysepatiënten ondergaat veelal de zorg op een passieve wijze. Ik hoop dat de animatievideo’s in de toekomst gaan bijdragen aan beter inzicht in de eigen gezondheid, wat leidt tot meer betrokkenheid in de behandeling en betere

gezondheidsuitkomsten. Denk hierbij aan meer therapietrouw en zelfzorg-vaardigheden – iets wat onze literatuurstudie bevestigt. De mooiste situatie is dat wij de patiënt kunnen ondersteunen om zelf de ervaringsdeskundige te worden”.

Binnen iedere specialisatie kunnen de animatievideo’s worden afgestemd op de doelgroep. Willeke: “Binnen de MDL zien we ook veel laaggeletterden. Voorlichting over onderzoeken zoals scopieën roepen vaak veel vragen op. Animatievideo’s kunnen hierbij echt helpend zijn. Een video zegt nou eenmaal meer dan duizend woorden. Vervolgonderzoek zou zich moeten richten op het standaardiseren van de verschillende niveaus van geletterdheid.”

Om het positieve effect van animatievideo’s optimaal te benutten, zou het Maasstad Ziekenhuis kunnen overwegen te investeren in een uitgebreider abonnement bij Indiveo met vertaalmogelijkheden binnen de divi’s. Dan krijgen patiënten de mogelijkheid uit meerdere talen te kiezen. Roswietha: “Veel zorgverleners zien de meerwaarde daarvan en het past ook bij toegankelijke en inclusieve zorg. Hopelijk wordt dat in de nabije toekomst werkelijkheid.”

Willeke Groenenboom, Sem Elbertsen, Roswietha van Nieuwaal-van der Perk en Mathilde Bunk

Stap voor stap naar onderzoekstructuur voor verpleegkundigen

Kwaliteit van zorg draait om jezelf voortdurend verbeteren. Wetenschap en onderzoek hebben daar een centrale rol in. Daarom komt verpleegkundig onderzoek steeds meer op de kaart te staan in het Maasstad Ziekenhuis. Maar dat kan nog beter. Nu is het tijd voor een structurele aanpak, vinden Jacqueline Maliepaard en Jessica Ganesh van het Verpleegkundig Staf Bestuur. “Zo willen we zichtbaar maken dat verpleegkundig leiderschap en wetenschappelijk onderzoek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.”

“Wij zijn er om de professionalisering van onze beroepsgroep te bevorderen”, zegt voorzitter Jacqueline van het Verpleegkundig Staf Bestuur (VSB). “Onderzoek en wetenschap zijn daarin cruciaal. Je moet blijven kijken hoe iets beter kan. Als je blijft doen wat je altijd al deed, dan verandert er niks.” Een onderzoekende houding begint al op de werk-

plek, of zoals Jacqueline zegt ‘met de buik tegen het bed’. Een stapje verder is kijken hoe een andere afdeling iets organiseert, of een ander ziekenhuis – zeker binnen Santeon-verband is dat goed te doen. Jacqueline: “Je ziet een probleem, bedenkt een oplossing en contoleert of het klopt wat je bedenkt. Volgens mij zit daar het verpleegkundig leiderschap.”

Jessica Ganesh en Jacqueline Maliepaard

Structuur borgen

Het VSB stimuleert dit door een onderzoekstructuur te borgen binnen het ziekenhuis, zo legt vicevoorzitter Jessica uit. “Veel verpleegkundigen zien onderzoek nog als iets extra’s naast hun werk. We moeten ervoor zorgen dat mensen structureel tijd krijgen voor verpleegkundig onderzoek en dat de uitkomsten worden gelinkt aan het primaire proces. Het is belangrijk om te laten zien wat er met de resultaten gebeurt.” Er zijn al heel wat voorbeelden die dat aantonen. Zo werd binnen de chirurgische afdelingen onderzocht of alle postoperatieve controles wel nodig waren. Wat blijkt? Als de eerste controles goed zijn, hoeft de patiënt daarna minder postoperatieve controles te ondergaan dan in het oude protocol beschreven stond. Dit heeft geleid tot minder werkdruk op dit gebied, minder verstoringen voor de patiënt en er is geen toename van complicaties waargenomen.

"DE LOSSE EINDJES VAN ONDERZOEKEN WILLEN WE STRAKKER ORGANISEREN."

Impact

Jessica heeft zelf meegewerkt aan het onderzoeksproject ‘Het verpleegkundige proces weer aan de top’. “We constateerden dat er niet werd gerapporteerd op verpleegproblemen”, zo legt ze uit. “Als bijvoorbeeld een patiënt goed plast hoef je de urineproductie niet te noteren. Op deze manier neem je een enorme registratielast weg bij de verpleegkundigen en worden alleen verpleegproblemen gerapporteerd. We hebben de conclusies verwerkt in een aanbeveling. Nu rapporteren alle verpleegkundigen van de standaardverpleegafdelingen via de nieuwe methode.” Een derde succesvol verpleegkundig onderzoeksproject werd vorig jaar tijdens de Wetenschapsdag gepresenteerd. Jacqueline herinnert het zich nog goed: “Dat ging over de verpleegkundige rol binnen proactieve zorgplanning. Door vroegtijdig het gesprek aan te gaan kunnen (onnodige) onderzoeken, behandelingen en opnames in het ziekenhuis in de laatste maanden van het leven voorkomen worden. Verpleegkundigen zijn staan niet graag op een podium om zulke projecten te presenteren. Maar de impact van dit onderzoek was enorm!”

Kennis delen

De onderzoeken zijn niet alleen van nut voor professionals binnen het Maasstad Ziekenhuis, maar voor alle zeven ziekenhuizen in het Santeon-samenwerkingsverband. Andersom doet het Maasstad kennis op bij andere voorlopers binnen Santeon. Ook als het gaat om het organiseren van kennisdelen. Want inzicht daarin is niet alleen belangrijk om dubbel werk te voorkomen, het nodigt ook uit tot verdieping. “Soms rolt ergens een volgende onderzoeksvraag uit of er zijn aanbevelingen die geen vervolg krijgen. Zo blijven er losse eindjes. Dat willen we strakker organiseren”, zegt Jessica. De basis daarvoor is een visie op wetenschap

Het Verpleegkundig Staf Bestuur (VSB) Jessica Ganesh is sinds 1 mei vicevoorzitter van het VSB, maar was al twee jaar algemeen-lid. Ze werkt twee dagen per week voor het bestuur. Jacqueline Maliepaard is sinds 1 mei voorzitter en daarvoor vicevoorzitter. Zij werkt drie dagen voor het VSB. Met z’n tweeën vormen ze het dagelijks bestuur. Het VSB werd gevormd in januari 2023 en is voortgekomen uit de Verpleegkundige Adviesraad (VAR). Het VSB vertegenwoordigt de verpleegkundige beroepsgroep binnen de organisatie op tactisch en strategisch niveau.

Het bestuur bestaat uit zeven personen met verschillende achtergronden. Zo zit er een SEHverpleegkundige in, een avond-nachthoofd, een vlinder en een verpleegkundige werkzaam binnen K&V. Jessica Ganesh is regieverpleegkundige op de Dagbehandeling en Jacqueline Maliepaard werkte jarenlang in diverse functies binnen Maasstad Ziekenhuis en nu nog als gipsverbandmeester. Daarnaast telt het VSB een bijzonder lid: de Chief Nurse Information Officer (CNIO), die aansluit als daar behoefte aan is.

"WIJ ZIJN ER OM DE
PROFESSIONALISERING

VAN ONZE BEROEPSGROEP TE BEVORDEREN."

die op initiatief van managers en VSB geschreven wordt. Die moet eind van dit jaar gereed zijn en aansluiten op de visie vanuit de Raad van Bestuur. Daarnaast wordt gewerkt aan een verpleegkundige poot binnen het Wetenschapsbureau. “Als het gaat om onderzoek hebben wij als verpleegkundigen andere ‘needs’ dan medici. Verpleegkundigen kunnen wel wat praktische steun en een beter netwerk gebruiken maar ook wat inhoudelijke hulp. Het is alleen niet altijd duidelijk waar die sleutelfiguren en vraagbaken zitten”, zegt Jessica.

Het zorgplan van regieverpleegkundige Karina de

Koning

Beter af na operatie grote lichaamsslagader

Minder patiënten die een complicatie krijgen na een operatie aan de grote lichaamsslagader. Met dat doel heeft Karina de Koning een gericht zorgplan ontwikkeld voor deze patiëntengroep. Dat deed ze op basis van onderzoek in wetenschappelijke literatuur. “De verpleegkundigen en vaatchirurgen hopen dat de gemiddelde patiënt straks fitter het ziekenhuis verlaat”, zegt de regieverpleegkundige vaatchirurgie.

“Kijk kritisch naar dagelijkse verpleegkundige handelingen. Vraag je af of ze zijn gebaseerd op wetenschappelijke kennis en of er verbetering mogelijk is. Literatuuronderzoek kan je bijvoorbeeld nieuwe inzichten geven.” Dat adviseert Karina de Koning andere verpleegkundigen.

Zelf heeft de 31-jarige net zo’n traject achter de rug. “Het belangrijkste is dat het gaat leiden tot nog betere verpleegkundige zorg voor patiënten”, zegt ze. “Maar ik heb ook baat gehad bij de afgelopen periode, als persoon en professional. Dankzij het onderzoek ben ik gegroeid: zo zijn mijn onderzoekende houding en analyses van patiëntdata verbeterd. Ook was het leerzaam om mijn onderzoeksplan te presenteren aan de vaatchirurgen.”

Uitdaging

Karina is regieverpleegkundige vaatchirurgie. Twee dagen per week werkt ze in de directe patiëntenzorg op de verpleegafdeling Vaatchirurgie en één dag per week heeft ze toegewezen tijd om kwaliteitsbewaking, innovatie, en het inbedden van (wetenschappelijk) onderzoek in de praktijk te bewerkstelligen. Ze ontwikkelt dan onder meer beleid voor nog betere verpleegkundige zorg. “Tijdens die ene dag per week ben ik me gaan richten op een uitdaging binnen de vaatchirurgie”, vertelt ze. “Jaarlijks ondergaan

ERAS (enhanced recovery after surgery) is een versneld herstelprogramma dat zich richt op het bevorderen van het herstel van patiënten na een operatie, zoals buikchirurgie. Dit is op basis van evidence based richtlijnen. Het doel hiervan is minder complicaties, sneller herstel, kortere opnameduur en meer patiënt tevredenheid.

circa 35 patiënten een operatie aan de grote lichaamsslagader op de afdeling Vaatchirurgie in het Maasstad Ziekenhuis, oftewel aorta. Hun kans op complicaties is relatief groot, zo zien we in de cijfers uit HiX over het referentiejaar 2023/2024. Hun maag werkt niet meer goed (een gastroparese) of er ontstaat een darmstoornis (een ileus). Een patiënt ligt na een operatie gemiddeld 8 dagen in het ziekenhuis maar een patiënt met een complicatie gemiddeld 12,5 dagen langer.”

"HET

DOEL IS DE DARMEN SNEL

WEER GOED

TE LATEN

WERKEN."

Hoe langer een patiënt in bed verblijft, hoe meer gewicht, spierkracht en conditie hij verliest. Bovendien leidt een lange opnameduur in het ziekenhuis tot hogere zorgkosten. Voldoende redenen dus om de kans op complicaties na een operatie te willen verminderen. Karina dook daarvoor de wetenschappelijke literatuur in. Daarna maakte ze een zogeheten CAT: een critically appraised topic. Dat is een samenvatting en kritische beoordeling van een aantal wetenschappelijke studies.

“Tijdens de eerste verkenning kwam ik een aantal verpleegkundige interventies tegen waarvan wetenschappelijk is bewezen dat ze het risico op complicaties na deze operatie verkleinen. Bijvoorbeeld: ervoor zorgen dat de patiënt na de operatie binnen 24 uur weer gaat bewegen, vloeibare voeding krijgt en zijn ontlasting

weer op gang komt. Opvallend genoeg vielen deze interventies allemaal onder het ERAS-protocol (Enhanced Recovery After Surgery). Dat is een programma om beter te herstellen na chirurgie. ERAS is internationaal een bekende methode.”

Succesvolle interventies bundelen

Na de ontdekking van de succesvolle ERAS-interventies ging Karina na óf en in hoeverre deze in het Maasstad Ziekenhuis werden toegepast na aorta-operaties. “Er bleek een flinke verbetering mogelijk te zijn. Ik maakte een plan: in wetenschappelijke literatuur zoeken naar zoveel mogelijk succesvolle ERAS-interventies en die bundelen in een zorgplan voor onze patiëntenzorg. Mijn onderzoeksvraag zou zijn: wat is het effect van het ERAS-protocol op problemen of aandoeningen die het maagdarmstelsel aantasten na een aorta-operatie? De vaatchirurgen waren enthousiast. In november 2024 ging ik aan de slag.”

De klus was geklaard in maart 2025. “Mijn CAT is gebaseerd op drie artikelen. Het onderzoek heeft uitgewezen dat het ERAS-protocol bijdraagt aan versneld herstel van de darmfunctie. En aan vermindering van het aantal postoperatieve problemen of aandoeningen die het maagdarmstelsel aantasten.” Nu werkt Karina met teammanager Tineke van Eck aan plannen om het zorgplan toe te passen. “We hopen het in te voeren in het eerste kwartaal van 2026. Dan gaan de vaatchirurgen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en diëtisten ermee werken.”

"DOOR TERUGHOUDENDHEID MET OPIATEN KUNNEN BIJWERKINGEN, ZOALS

DARMVERSTOPPING, WORDEN VOORKOMEN."

Drankje

Wat verandert er? Karina geeft voorbeelden: “Voor de operatie krijgt de patiënt een bepaalde drank, Nutricia Pre-op: niet-koolzuurhoudende, koolhydraatrijke drank met smaak. Daardoor gaan de darmen na de operatie sneller werken en verliest de patiënt minder gewicht. Verder wordt al op de dag van de ingreep gekeken of de patiënt vloeibare voeding kan verdragen. Het doel is dat de patiënt, na een tussenstap met gemalen voeding, op de tweede dag na de operatie een optimaal dieet kan verdragen, zodat de darmen snel en weer goed gaan werken. Het zorgplan voorziet ook in beweging. Daarbij begeleidt een fysiotherapeut de patiënt: op de dag van de operatie zitten en bewegen op de bedrand, een dag later ernaar streven om aan tafel naast het bed te eten en de dag dáárna is het doel om te lopen op de kamer. Gaat dat allemaal goed? Dan probeert de patiënt de dag erna te lopen op de afdeling.”

Karina de Koning

Karina vervolgt: “Een andere verbetering is dat we terughoudend zijn met het toedienen van opiaten. Deze worden nog maar uitsluitend gegeven wanneer de patiënt daadwerkelijk pijn heeft. Door terughoudendheid met opiaten kunnen bijwerkingen, zoals darmverstopping, worden voorkomen.”

Sneller naar huis

Wat adviseert Karina verpleegkundigen met onderzoeksambities? “Het Wetenschapsbureau van het Maasstad Ziekenhuis kan tips en feedback geven. Ze hebben bijvoorbeeld geholpen mijn onderzoeksvraag te specificeren.”

Verwacht ze vervolgonderzoek te doen? “Het is interessant om straks via observationeel onderzoek na te gaan of minder patiënten complicaties hebben. En of patiënten gemiddeld sneller naar huis kunnen dan voorheen.”

Verpleegkundig onderzoek

Wat doe je als je verpleegkundig onderzoek moet begeleiden als adviseur bij het Wetenschapsbureau en je hebt geen achtergrond in verpleegkunde, maar wel in onderzoek? Dat was voor mij de grote vraag, waar ik inmiddels het antwoord op heb: investeren in de relatie met verpleegkundigen. Laten zien dat je laagdrempelig bereikbaar bent en de verpleegkundige hoort en erkent. Dat kost tijd, maar levert uiteindelijk iets heel moois op waar het hele ziekenhuis en de patiënt mee geholpen is: de beste zorg voor de patiënt.

Waar voor de meeste artsen (in opleiding) on derzoek een onderdeel is van hun opleiding, is dat voor verpleegkundigen niet altijd zo van zelfsprekend. Dat vraagt een andere manier van communiceren en begeleiden. Heel eer lijk... daar had ik moeite mee en ik moest echt zoeken naar hoe ik deze groep kon bereiken en het beste kon begeleiden. Het Verpleeg kundig Stafbestuur heeft voor mij hierin een grote rol gespeeld en heeft enorm geholpen door contacten te leggen en verpleegkundigen te stimuleren. Inmiddels kan en mag ik zeg gen dat mij dat goed gelukt is en komen er steeds meer initiatieven van verpleeg kundigen die onderzoek willen uitvoeren.

Deze special van de Wetenswaardig laat zien waar onze verpleegkundigen zich mee bezig houden, door onderzoek de zorg voor onze patiënten verbete ren. Hierbij hoeft het niet te gaan om grote gerandomiseerde trials. Juist die kleine handelingen die iedereen vanzelfsprekend vindt, zijn het waard om te onderzoeken en heb ben een groot effect op het ver pleegkundig handelen en de zorg voor de patiënt.

Het mooie aan verpleegkundig onderzoek is dat het gericht is op de dagelijkse praktijk. De uitkomsten zijn praktisch en makkelijk toepasbaar. Tegelijkertijd merk ik ook dat verpleegkundigen zelf niet vinden dat ze

onderzoek doen, omdat het geen medisch-wetenschappelijk onderzoek is in de vorm van een gerandomiseerde trial. Dat is, naar mijn mening, niet waar en deze special laat precies zien waarom niet. Een ander mooi voorbeeld waren de presentaties van verpleegkundigen op de Wetenschapsdag van 2024. Vanuit de zaal kwamen veel vragen over hoe ze de uitkomsten van hun onderzoek zo goed geïmplementeerd kregen en of ze konden helpen bij andere afdelingen om hetzelfde te doen. Dat laat wat mij betreft de kracht zien van verpleegkundig onderzoek. Door het onderzoek dicht bij het zorgproces te houden, kunnen de resultaten van het onderzoek relatief eenvoudig geïmplementeerd worden en wordt het zorgproces continu verbetert.

Deze column is tevens mijn eerste en ook mijn laatste. Bij het ter perse gaan van deze special van de Wetenswaardig ben ik inmiddels begonnen aan mijn nieuwe baan. Als redacteur heb ik vele nummers van Wetenswaardig mogen maken de afgelopen jaren, maar bij het maken van dit nummer heb ik mogen ervaren wat het betekent om je beroep in het zonnetje te mogen zetten. Het enthousiasme onder de verpleegkundigen was en is groot. Houd dat alsjeblieft vast en als ik nog een advies mag geven (ik blijf tenslotte adviseur): blijf nieuwsgierig en houd een open blik. Hoe klein ook, elk onderzoek is van waarde, ook verpleegkundig onderzoek.

Gebruik van verwarmingsdeken in het Observatorium

Een verwarmingsdeken is één van de interventies die kan worden ingezet bij patiënten met hypothermie. Daphne van der Maas, werkzaam op het Observatorium, onderzocht hoe de verwarmingsdeken in de praktijk wordt gebruikt en deed verbetervoorstellen. Dat resulteerde in een compact en helder protocol.

Daphne van der Maas werkt inmiddels ruim zes jaar op het Observatorium. Binnenkort start ze met het laatste jaar van haar hbo-opleiding, waarvoor ze onderzoek deed naar het gebruik van de verwarmingsdeken in het Observatorium. Zij vertelt waarom: “Wij vangen met enige regelmaat patiënten op met milde hypothermie. Er is duidelijk vastgelegd dat de verwarmingsdeken wordt ingezet bij een temperatuur onder de 35°C, maar over het gebruik ervan is altijd veel onduidelijkheid en discussie. Omdat dit het zorgproces kan vertragen, vond ik het een mooi onderwerp voor mijn onderzoek.”

Milde hypothermie is een vorm van onderkoeling waarbij de lichaamstemperatuur daalt tot tussen de 32°C en 35°C. Het is een potentieel gevaarlijke toestand waarbij het lichaam meer warmte verliest dan het kan produceren, maar waarbij de vitale functies nog grotendeels intact zijn.

Daphne van der Maas

Behoefte aan protocol

Van der Maas deed kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Het kwantitatieve onderzoek maakte duidelijk hoezeer dit onderwerp leeft: ruim 95 procent van haar Observatorium-collega’s vulde een vragenlijst in. In aanvulling hierop nam Daphne een aantal verdiepende interviews af.

"HET

PROTOCOL IS INMIDDELS

KLAAR EN EN STAAT

LIVE."

Het onderzoek bevestigt dat er weinig uniformiteit is in het gebruik van de verwarmingsdeken. Daarbij vallen ook de verschillen op tussen de SEH (Spoedeisende Hulp), waar dikwijls wordt gestart met de deken) en het Observatorium op. Door het ontbreken van een protocol met gebruiksaanwijzing op de SEH wordt de deken wel eens over de kleding aangebracht, maar dat vertraagt het opwarmingsproces. Een belangrijke aanbeveling van Van der Maas is het ontwikkelen van een protocol, zodat voortaan op uniforme en veilige wijze met de verwarmingsdeken kan worden gewerkt. Ook doet zij de aanbeveling om altijd een rectale thermometer te gebruiken, aangesloten op de monitor. “Zo kunnen we continu de temperatuur van de patiënt volgen en hoeven we niet elke keer langs te komen met de oor-thermometer. Dat scheelt de collega’s tijd maar biedt vooral de mogelijkheid om snel in te grijpen als de temperatuur te snel stijgt of helemaal niet stijgt.”

Verpleegkundige observaties

Het protocol is inmiddels klaar en staat live. In het protocol is onder meer uitgewerkt hoe je de deken moet gebruiken, wat daarbij de aandachtspunten zijn, welke complicaties er kunnen optreden en wanneer overleg met de arts nodig is.

Van der Maas illustreert wat ze met ‘veilig gebruik’ bedoelt en welke verpleegkundige observaties er gedaan moeten worden bij gebruik van de verwarmingsdeken. “In het protocol is vastgelegd dat we elk uur de EWS (Early Warning Score)-controles doen. Als je patiënt bijvoorbeeld te snel opwarmt, kan de bloeddruk heel snel dalen. Ook controleren we elk uur de huid op afwijkingen. Als de deken niet goed ligt, kan de slang met warme lucht bijvoorbeeld tegen een been of voet aankomen. Dat kan zorgen voor brandwonden, zeker bij kwetsbare zorgvragers met een gevoelige huid. Bij patiënten die wat beweeglijker of verward zijn, moet je extra goed in de gaten houden of de deken nog goed ligt. Dan kijk je zeker elk kwartier wel even of het goed gaat met de patiënt.”

Verschillende interventies

De verwarmingsdeken is een intensieve interventie die vrij incidenteel wordt ingezet. Van der Maas schat in dat dit op het Observatorium gemiddeld een keer per maand gebeurt. “In het protocol is vastgelegd dat we in principe altijd starten met passieve opwarmtechnieken. Dan heb je het over de patiënt goed inpakken, warme dranken laten drinken, laten rillen en natte kleding uittrekken. Als deze passieve technieken onvoldoende effect hebben, kunnen we de verwarmingsdeken inzetten.”

Het Observatorium ziet dat patiënten behoorlijk verschillend reageren op de verwarmingsdeken. “Sommige mensen warmen best snel op, maar we moeten ervoor waken dat dit niet te snel gebeurt. We streven naar een opwarming van 1 à 2°C per uur. Bij 35°C gaat de verwarmingsdeken uit en blijven we goed volgen of de patiënt zichzelf op temperatuur kan houden.”

"WE STREVEN NAAR EEN OPWARMING VAN 1 À 2°C PER UUR."

Follow-up in de rest van de organisatie Het protocol is ontwikkeld voor het Observatorium. “Het ziekenhuis is terughoudend om de verwarmingsdeken bijvoorbeeld ook op verpleegafdelingen in te zetten. De deken vraagt om intensieve monitoring, daar zijn de standaard verpleegafdelingen niet op ingericht.”, aldus Van der Maas. Zij hoopt dat de SEH wel bepaalde elementen uit het protocol zal overnemen.

Van kritische onderzoeksvraag naar toepasbare kwaliteitsverbetering:

De SEH-verpleegkundige in ontwikkeling

Op de Spoed Eisende hulp (SEH) van het Maasstadziekenhuis worden sinds 2018 de SEH- studenten opgeleid volgens een flexibel opleidingssysteem waarin Entrustable Professional Activities (EPA's) een centrale rol spelen. Vanaf 1 oktober 2023 zijn hierbij de EPA Overstijgende Leeractiviteiten (EOL) verplicht gesteld vanuit het College Zorgopleidingen (CZO). Een voorbeeld van een EOL is het schrijven van een Critically Appraised Topic (CAT): een gestructureerde samenvatting en kritische beoordeling van beschikbare wetenschappelijke literatuur rond een klinische vraag.

Eén van de ambities die de praktijkopleiders van de SEH van het Maasstadziekenhuis hebben, is om toekomstgericht te denken en innovaties te omarmen waarmee een bijdrage geleverd kan worden aan de ontwikkeling van het SEH-verpleegkundig beroep. Dit omvat onder andere training in Evidence Based verpleegkundig onderzoek en implementatie van de onderzoeksresultaten.

Het schrijven van een CAT vormt hierbij een belangrijk leer-en kwaliteitsinstrument: het leert SEH-verpleegkundigen in opleiding om enerzijds klinische vragen op een wetenschappelijke manier te beantwoorden en anderzijds draagt het CAT-onderzoek bij aan de verbetering van de dagelijkse praktijk op de werkvloer.

De SEH studenten ervaren het schrijven van een CAT als een intensief maar ook leerzaam proces, waarbij onderzoeksvaardigheden en Evidence Based denken worden ontwikkeld.

Om de SEH studenten zo optimaal mogelijk te begeleiden bij het schrijven van een CAT, is er een groep samengesteld met gemotiveerde, hbo-opgeleide SEHverpleegkundigen en de beide SEH-praktijkopleiders. Om uniformiteit te creëren binnen de begeleiding en beoordeling, heeft elke deelnemer van de onderzoeksbegeleidersgroep bij aanvang eenzelfde CAT-training gevolgd.

Deze onderzoeksbegeleidersgroep heeft vervolgens een stappenplan opgezet voor het schrijven van een CAT, van begin (het opstellen van een klinische vraag) tot eindproduct (CAT).

Hiermee wordt een duidelijke structuur geboden waardoor het proces beheersbaar blijft.

Zowel de onderzoeksbegeleiders als de SEH-studenten weten hierdoor wat er van hen verwacht wordt binnen de verschillende fases van het proces.

"HET CAT-ONDERZOEK DRAAGT

BIJ AAN DE VERBETERING VAN

DE DAGELIJKSE PRAKTIJK OP DE WERKVLOER."

Elke SEH-student krijgt twee onderzoeksbegeleiders toegewezen die de student begeleiden tijdens het schrijven van de CAT. Hiernaast is er de mogelijkheid om hulp te vragen bij het Wetenschapsbureau en de bibliothecaris van de Maasstadacademie.

Het eindproduct wordt uiteindelijk door een onderzoeksbegeleider en een SEH-praktijkopleider die niet in het gehele begeleidingsproces betrokken zijn geweest, beoordeeld. Hiermee wordt de objectiviteit gewaarborgd binnen de beoordeling van een CAT.

Het CAT-stappenplan wordt regelmatig geëvalueerd door middel van de PDCA-cyclus (Plan, Do, Check, Act) en zo nodig bijgesteld, onder andere tijdens de tweejaarlijkse bijeenkomst van deze onderzoeksbegeleidersgroep.

Procesfasering

Het CAT-proces is zorgvuldig georganiseerd en bestaat uit meerdere fases:

• Fase 1:

De SEH-student krijgt praktische uitleg van een onderzoeksbegeleider over het zoeken van artikelen bij een gekozen onderwerp in algemene zin. Indien er namelijk geen artikelen over het onderwerp te vinden zijn, kan er voor een ander onderwerp gekozen worden.

• Fase 2:

Het startgesprek vindt plaats met één SEH-praktijkopleider en één CAT-begeleider:

Onderwerp, inclusief PICO (Patiënt, Interventie, Controle, Outcome) en doelstelling worden besproken.

• Fase 3:

De SEH-student krijgt praktische uitleg van een onderzoeksbegeleider over het specifieke zoeken binnen databanken wanneer het onderwerp van de CAT definitief gekozen is.

• Fase 4:

Deelproducten (deel 1: inleiding, deel 2: plan van aanpak, deel 3: wegen van bewijs) worden eenmaal per deel voor feedback ingediend bij de toegewezen onderzoeksbegeleiders.

• Fase 5:

Deel 4 bevat het definitieve CAT-document. Dit deel wordt ter beoordeling ingeleverd bij de onderzoeksbegeleider en de SEH-praktijkopleider die niet in het gehele begeleidingsproces betrokken zijn geweest.

De beoordeling vindt plaats aan de hand van vastgestelde criteria (inhoud, validiteit, zoekstrategie, reflectie, verkort CAT-product en plagiaatcontrole). Hiermee krijgt de SEH-student gerichte feedback op de inhoud, methodologie en toepasbaarheid van het product.

Het eindproduct wordt na de beoordeling gedeeld met de onderzoeksbegeleiders die betrokken zijn geweest bij de desbetreffende student en diens CAT-onderzoek.

Tevens wordt het eindproduct gedeeld met de SEH-afdeling (leidinggevende en collega’s) en met het Wetenschapsbureau van de Maasstad Academie. Zo mogelijk wordt het eindproduct aangeboden aan de kennisbank van Santeon, alwaar de andere aangesloten ziekenhuizen toegang tot hebben.

Binnen het jong-gediplomeerden begeleidingstraject worden de adviezen die binnen het eindproduct beschreven staan, besproken met de schrijver van de CAT. Hier kunnen aanpassingen in protocollen of processen uit voortvloeien, die kunnen leiden tot een aantoonbare verbetering van de richtlijnen of praktijkvoering.

Verder professionaliseren

Het Wetenschapsbureau legt onder andere verbindingen tussen de diverse wetenschappelijke onderzoeken die zij ontvangen, zowel verpleegkundig als medisch.

In de toekomst liggen nog kansen om het proces verder te professionaliseren:

• Door meer interdisciplinaire uitwisseling van CATonderzoeken binnen en buiten de eigen afdeling.

• Door verbetering in de ondersteuning van de CATschrijver met digitale tools (zoals automatische APA-verwijzingsgeneratoren of zoekassistenten).

• Door versterking van het reflectieonderdeel (bijvoorbeeld door intervisie).

• Toepassen van een systematische evaluatie van de daadwerkelijke impact van CAT-onderzoeken op de praktijk

• Stimuleren van het wetenschappelijk denken door SEH verpleegkundigen door structureel veranderingen die voortkomen uit CAT-onderzoeken terug te koppelen.

Dit helpt het lerende klimaat versterken.

Kortom

De combinatie van kritisch denken, evidence-based handelen, samenwerking, persoonlijke reflectie en de praktijkimpact maakt de CAT tot een krachtig leerinstrument.

Rondom de begeleiding, beoordeling en de uiteindelijke toepassing van het resultaat van een CAT, bevindt zich een groot netwerk van professionals die hiermee trachten de kwaliteit van zorg te verbeteren en innovaties toe te passen.

Een zorgvuldig ingericht CAT-proces kan hierdoor een bijdrage leveren aan zowel de professionele ontwikkeling van de SEH-verpleegkundige in opleiding als aan kwaliteitsverbetering van de zorgpraktijk.

Verpleegkundige Esmeralda van Ginneken:

‘Het

proactieve zorgplan geeft patiënten het gevoel

grip op hun situatie te hebben’

Als onderdeel van haar opleiding tot verpleegkundig specialist doet

Esmeralda van Ginneken (team Ondersteunende en Palliatieve Zorg) een onderzoek naar proactieve zorgplanning bij patiënten met indolente hematologische maligniteiten. Ze heeft haar onderzoeksvoorstel net af en deelt haar plannen met Wetenswaardig.

Hoe kwam dit onderwerp op je pad?

“Annemieke van der Padt is internist, hematoloog en oncoloog bij het Maasstad Ziekenhuis. Zij promoveerde onlangs op de kracht van palliatieve zorg bij patiënten met gevorderde kanker. Proactieve zorgplanning is daar een belangrijk onderdeel van. We zetten dat nu in bij patiënten die systemische therapie krijgen of heel kwetsbaar zijn. Omdat we daar de voordelen van zien willen we kijken hoe het bevalt als we veel eerder starten met proactieve zorgplanning, omdat je later in het proces soms al achter de feiten aanloopt.”

Wat houdt proactieve zorgplanning precies in?

“Het gaat erom dat je met patiënten praat over hun wensen en behoeften. Je bespreekt onder meer verschillende scenario’s, hoe zij in de behandeling staan en we praten over zingeving. Je bewaakt samen met de patiënt zijn wensen of grenzen tijdens het proces. Dit doe je van tevoren met vaste vragen, dus het is een semigestructureerd proces en het wordt opgeslagen in het elektronisch patiëntendossier. Tussendoor blijven we dat evalueren, samen met andere zorgverleners, dus het is echt een manier om persoonsgerichte zorg vorm te geven.”

"HET GAAT EROM DAT JE MET PATIËNTEN PRAAT OVER HUN WENSEN EN BEHOEFTEN."

Waarom heb je gekozen voor patiënten met indolente hematologische maligniteiten?

“Deze patiënten hebben een ziekte die zich traag ontwikkelt en kunnen daardoor een levensverwachting hebben

Indolente Hematologische Maligniteiten Indolente Hematologische maligniteiten zijn vormen van bloedkanker die langzaam groeien. Voorbeelden hiervan zijn folliculair lymfoom, mucosaal-geassocieerd lymfoïde weefste lymfoom (MALT-lymfoom), chronische lymfatische leukemie, de ziekte van Waldenström en het myelodysplastisch syndroom.

van 10 jaar. Hoewel dat ook langer kan worden door nieuwe medische ontwikkelingen. Ook is de diagnose van kanker vaak een toevalsbevinding tijdens bloedonderzoek. Vaak is er niet direct een behandeling nodig, die start pas bij een symptoomlast die de kwaliteit van leven aantast. Dus patiënten hebben wel die diagnose, maar er wordt niks tegen gedaan. Wat doet zo’n ‘wait-and-seebeleid’ met de psyche van de patiënt?”

Gaat het dan over de verschillende opties die de patiënt heeft?

“Eigenlijk meer over hoe de patiënt erin staat. Zit je wel op chemo te wachten, of ben je daar angstig voor? Denk je veel over het levenseinde na? En wat doen die gedachten met je? Wat zijn je wensen daarin? Sommige patiënten willen in de laatste fase ineens euthanasie, maar zo werkt dat niet, want zoiets kost tijd. Ook komt zo’n vraag vaak uit onmacht en kwetsbaarheid, een gevoel dat mogelijk minder zou zijn als ze van tevoren goed hebben nagedacht over hun wensen. Tijdens proactieve zorgplanning probeer je op zoveel mogelijk domeinen met je patiënt te kijken en te bespreken hoe ze zich ergens over voelen, zodat je dat mee kunt nemen in toekomstige behandelingen. Het is, met een beetje een ouderwets woord, een holistische benadering.”

Welke onderzoeksmethode heb je gekozen?

“Een mixed-method study, waarbij ik tijdens de nulmeting per brief heb gekeken hoe de kwaliteit van leven is. Ik gebruik de de vragenlijst QLQ-30 en de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS). Daarna volgt het proactief zorgplangesprek en twee maanden later dezelfde schriftelijke vragen. Zo toetsen we het effect op de kwaliteit van leven.”

"HET PLAN GEEFT ZE HET
GEVOEL GRIP OP HUN SITUATIE TE HEBBEN"

Hoe kan proactieve zorgplanning bijdragen aan het verminderen van angst bij patiënten die nog geen actieve behandeling ondergaan?

“Als patiënten aangeven dat ze met angst worstelen kun je er andere hulpverleners bij zoeken. En het plan geeft ze het gevoel grip op hun situatie te hebben. En die situaties

kunnen heel verschillend zijn. De leeftijden variëren van patiënten die werken en kleine kinderen hebben tot mensen die flink wat ouder zijn. Dus het effect op het dagelijks leven verschilt nogal, net als de ideeën over kwaliteit van leven. Soms kan een patiënt niet meer uit bed komen en is volledig afhankelijk van zorg geworden, maar ervaart kwaliteit van leven door de kleinkinderen te zien. Ook zie je dat patiënten grenzen gaan verleggen in het ziekteproces. Daarom blijven we het plan ook evalueren en aanpassen tussendoor.”

Hoe zie jij je rol als verpleegkundige bij het implementeren van het proactieve zorgplan?

“Ik hoop dat het proactief zorgplan op den duur fuseert met de verpleegkundige anamnese. Ik merk dat als patiënten kwetsbaar zijn, ze soms ook zelf wel gaan vertellen. Tijdens een nachtdienst als het rustig is, of als ze worden opgenomen. Patiënten voelen dondersgoed dat het einde eraan gaat komen. Het lastige is de tijd die we als zorgprofessionals hebben. Het zijn zware gesprekken die je hebt, dus dan is het fijn als je dat gefuseerd kan doen.”

Esmeralda van Ginneken

Thuismonitoringsverpleegkundige, functie

van de toekomst?

In een aantal Santeonhuizen, waaronder het Maasstad Ziekenhuis, is het onderzoeksproject BEST-MONITOR-IN-ACTION gestart. De centrale vraag is: Hoe dragen monitoringsverpleegkundigen bij aan toekomstbestendige hybride zorg? Daarbij worden vooral praktijkvoorbeelden opgehaald op het gebied van zelfmanagement en samen beslissen. In het Maasstad Ziekenhuis draait het Monitoringscentrum al een paar jaar met succes. Maar wat is een thuismonitoringsverpleegkundige precies en wat doet hij of zij de hele dag?

“Als je echt wilt weten wat we doen, moet je hier een keertje komen kijken”, zegt Joke Spierenburg. Zij was als verpleegkundige van het begin af aan betrokken bij het Monitoringscentrum van het Maasstad Ziekenhuis, dat is gehuisvest aan de Zorgboulevard. Ze werkt al een jaar of zestien in het ziekenhuis. Drie jaar geleden kwam ze in contact met het Monitoringscentrum. “Het werk aan bed begon lichame-

lijk zwaar te worden. Hier kan ik mijn verpleegkundige skills inzetten in een hele andere vorm van zorg. Het is heel dynamisch en leuk om dat op deze manier te doen. Collega's denken denken soms dat het saai werk is en dat je de hele dag achter een scherm zit. Maar mijn werk is nog nooit zo afwisselend geweest. Geen dag is hetzelfde!”

Joke Spierenburg en Frans Grutters

Afwijkingen

Het Monitoringscentrum bedient veel verschillende patiëntengroepen. Er zijn nu elf zorgpaden – variërend van zwangerschapsdiabetes tot COPD en van hartfalen tot een nieuwe heup/nieuwe knie – en er komen steeds nieuwe bij. Er werken nu acht verpleegkundigen in het centrum. Zij krijgen de gezondheidswaarden door die patiënten zelf thuis meten. Als er afwijkingen zijn in de gemeten waarden, nemen de verpleegkundigen contact op met de patiënt – telefonisch of via een app. Joke Spierenburg: “Stel bijvoorbeeld dat iemand opeens een hoge bloeddruk meet, dan vragen we of er iets in de leefstijl is veranderd. Heeft iemand een feestje gehad en een paar borreltjes gedronken of zit iemand toch aan de drop? Of is er echt iets aan de hand? De bevindingen bespreken we met de betrokken verpleegkundig specialist, arts in opleiding of specialist. En een enkele keer belandt iemand na een telefoontje van ons uiteindelijk toch op de spoedeisende hulp.”

Thuismonitoring ontlast de verschillende poliklinieken en draagt bij aan aan het verkorten van de wachtlijsten. Een ander voordeel is dat patiënten structureler in de gaten worden gehouden dan wanneer ze op gezette tijden op de poli komen, legt Joke Spierenburg uit. “Iemand in monitoring wordt wekelijks of vaker gevolgd, afhankelijk van het zorgpad. Zo glippen patiënten minder snel door de mazen van het net.”

Landelijke schaal “Digitaal waar het kan, fysiek als het moet. Zo maken we ruimte vrij voor de patiënten die de aandacht echt nodig hebben”, vat Frans Grutters samen. Hij werkte als adviseur thuismonitoring met het monitoringscentrum van het Maasstad Ziekenhuis, maar is nu werkzaam als lead Medisch Servicecentrum (MSC) bij Zorg bij jou. Dat is de door Santeon gestichte organisatie om monitoring op landelijke schaal vorm te geven door een gedistribueerd virtueel MSC te ontwikkelen. “Het is uiteindelijk de bedoeling dat we monitoring landelijk gaan aanbieden. Dan maakt het niet meer uit of de patiënt uit Zeeland,

BEST-MONITOR-IN-ACTION

Het onderzoek BEST-MONITOR-IN-ACTION naar de inzet van monitoringsverpleegkundigen is gestart in vier Santeon-ziekenhuizen en het Máxima MC. Het project van Zorg bij jou, in samenwerking met Fontys Hogeschool, kreeg een subsidie van 325.000 euro van ZonMw. In het project staan drie punten centraal: 1. ondersteuning van patiënten bij zelfmanagement, 2. bijdragen aan gezamenlijke besluitvorming over behandeling en 3. breder toepassen van de werkwijze in andere zorgorganisaties. “Uit praktijkvoorbeelden willen we achterhalen wat de succesfactoren en nietsuccesfactoren zijn”, legt Frans Grutters uit. “De kennis moet leiden tot een implementatiegids met voorbeelden en hulpmiddelen. Die kan ook worden gebruikt voor bij- en nascholing van verpleegkundigen en voor verpleegkundige opleidingen.” Het onderzoeksproject duurt ongeveer drie jaar.

Groningen of Utrecht komt”, legt Grutters uit. “De zorgvraag wordt gekoppeld aan een zorgmedewerker die de juiste kwalificaties heeft. Op die schaal heb je een veel stabieler systeem, je kunt veel meer specialiseren per zorgpad en zelfs denken aan de inzet van verpleegkundig specialisten voor thuismonitoring. Met duizend patiënten gaat dat niet lukken, maar met tienduizend patiënten wordt het wel een interessante case.” Naast de ziekenhuiszorg is Zorg bij jou ook monitoring in de ‘nuldelijnszorg (preventieve gezondheidszorg zoals bijvoorbeeld Vaccinatiecampagnes of bevolkingsonderzoeken) en in de eerste lijn aan het verkennen, legt Frans Grutters uit. En het MSC gaat zich toeleggen op preventie. Patiënten krijgen digitale informatie over leefstijl en de monitoringsverpleegkundigen stimuleren hen om door gezonder te leven meer zorg te voorkomen.

“IEMAND IN MONITORING WORDT WEKELIJKS OF VAKER
GEVOLGD, AFHANKELIJK VAN
HET

ZORGPAD. ZO GLIPPEN PATIËNTEN MINDER SNEL

DOOR DE MAZEN VAN HET

NET.”

Vanuit Zorg bij jou werkt Grutters aan de toekomst van het verpleegkundig vak. De opleidingen spelen daarin een grote rol. Frans Grutters: “Onbekendheid met de functie is de grootste drempel om de juiste mensen aan het werk te krijgen in een monitoringscentrum. Terwijl het juist heel dynamisch werk is, met een uitstekende werkprivé balans. En je kunt je werk overal uitvoeren. Combineren kan ook: verpleegkundige in de kliniek en in het monitoringscentrum. Thuismonitoringsverpleegkundige is de functie van de toekomst.”

/ Door: Karin van Breugel

Misselijkheid te lijf zonder medicatie

Maxime Biesheuvel en Suzette de Ruiter zijn regieverpleegkundigen op de verpleegafdeling Maag-, Darm- en Leverziekten (MDL). Zij doen onderzoek naar een non-farmacologische interventie bij misselijkheid: alcoholgeur opsnuiven van een met alcohol doordrenkt gaasje. Elders zijn hier al positieve ervaringen mee opgedaan.

Maxime Biesheuvel en Suzette de Ruiter zijn regieverpleegkundige sinds 2022. “Misselijkheid is in de gezondheidszorg een actueel onderwerp. Ook op onze afdeling komt het veel voor. Omdat dit het herstelproces kan vertragen was het interessant om hier onderzoek naar te gaan doen”, zegt Suzette. Het opzetten van een grootschalig onderzoek is voor Maxime en Suzette geen dagelijkse kost. Om ondersteuning te krijgen, hebben ze daarom al in een vroeg stadium contact gezocht met Serena Bruens, adviseur bij het Wetenschapsbureau.

Onderzoeksopzet

“Serena Bruens heeft met ons meegedacht over het opzetten van het onderzoek en welke stappen we moeten nemen. Ook heeft ze geholpen bij het formuleren van een goede onderzoeksvraag en het uitwerken van een onderzoeksopzet. Bij zo’n onderzoeksopzet komt veel meer kijken dan wij wisten. Je moet bijvoorbeeld ingaan op dataverzameling, werving en selectie, meetmethoden en onderzoeksmethodiek”, vertelt Suzette. Maxime vult aan: “Het was heel fijn om te zien hoeveel collega's in de organisatie bereid waren om met ons mee te denken. Met vragen konden we bijvoorbeeld ook altijd terecht bij de afdeling Business Intelligence.”

Mogelijke interventies

De eerste fase van het onderzoek bestond uit een literatuurstudie. Maxime: “Normaal gesproken krijgen patiënten medicatie tegen de misselijkheid. Om een idee te geven: op onze afdeling werd dit soort medicatie vorig jaar circa 800 keer voorgeschreven (cijfers verkregen van Business Intelligence). De frequentie waarmee de medicatie werd gegeven, varieerde van 1-3 keer per dag. De literatuur maakte duidelijk dat er ook alternatieve interventies mogelijk zijn. Je kunt bijvoorbeeld veel doen met geur, smaak of cognitieve gedragstherapie.”

Maxime en Suzette brachten de voor- en nadelen en de

kosten van verschillende interventies in kaart. Over de nadelen van medicatie zegt Suzette: “Deze interventie kost verschillende professionals tijd. De arts beoordeelt de situatie van de patiënt en schrijft de medicatie voor, de apotheker levert de medicatie, en de verpleegkundige dient de medicatie toe. Vaak moet de verpleegkundige ook nog aanvullende handelingen doen, zoals het maken van een hartfilmpje of bellen met de arts. De medicatie kan ook bijwerkingen hebben en sommige patiënten gebruiken sowieso het liefst zo min mogelijk medicatie.”

“MEDICATIE KAN OOK

BIJWERKINGEN HEBBEN EN SOMMIGE PATIËNTEN

GEBRUIKEN SOWIESO HET

LIEFST ZO MIN MOGELIJK

MEDICATIE.”

Ruiken aan gaasje met alcohol

Maxime en Suzette besloten om het praktijkonderzoek te richten op een alternatieve interventie: de patiënt kort laten ruiken aan een met alcohol (70%) doordrenkt gaasje. Maxime legt uit: “Door te focussen op de geur houd je je hersenen eigenlijk voor de gek en vermindert de misselijkheid. Binnen oncologie en met zwangere vrouwen zijn hier al positieve ervaringen mee opgedaan. Wij zijn de eersten die dit onderzoek doen op een afdeling MDL. In onze optiek ligt deze interventie het meest voor de hand en is hij eenvoudig te implementeren. De gaasjes en de alcohol zijn immers al voorhanden op de afdeling. Voor een andere interventie was bijvoorbeeld verse gember

nodig. Dat roept direct de vraag op hoe je dat veilig inkoopt en bewaart, en het is ook nog eens een stuk duurder.”

De MDL-artsen zijn enthousiast over het onderzoek. Zodra zij en de raad van bestuur groen licht geven voor het praktijkonderzoek, gaat dat van start. Suzette: “Het is belangrijk dat er goede afspraken met de artsen worden gemaakt. Bijvoorbeeld over het aantal minuten dat je de interventie inzet en over het inzetten van een medicamenteuze behandeling als het beoogde gewenst effect uitblijft.”

“DOOR

TE FOCUSSEN OP DE

GEUR VAN ALCOHOL HOUD JE

JE HERSENEN EIGENLIJK VOOR

DE GEK EN VERMINDERT DE MISSELIJKHEID.”

De eerste ervaringen

Tot de feitelijke start van het praktijkonderzoek worden al wel de eerste ervaringen opgedaan. Maxime: “Als regieverpleegkundigen vertellen we de collega’s regelmatig waar we mee bezig zijn. Zij vinden dit onderzoek interessant. We horen al regelmatig collega’s zeggen: ‘ik heb toch maar eerst even een gaasje geprobeerd…’ De verpleegkundigen kunnen deze interventie op eigen initiatief inzetten, de beoordeling daarvan maakt deel uit van hun professie. Uiteraard moeten ze wel goed noteren wanneer de interventie is ingezet en of het al dan niet heeft gewerkt.”

Kennis delen

Het is nu nog niet te zeggen in hoeverre deze alternatieve interventie ook op andere plekken kan worden toegepast.

Maxime: “Als ons onderzoek aantoont dat patiënten daadwerkelijk baat hebben bij deze interventie, zullen we de onderzoeksresultaten publiceren op ons intranet en delen op de kennisbank van de Santeon ziekenhuizen. Ook nemen we de resultaten mee in het overleg met regieverpleegkundigen van verschillende ziekenhuizen.”

Maxime Biesheuvel en Suzette de Ruiter

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Wetenswaardig nr. 19 2025 by Multiplus media - Issuu