was
WETENSCHAPPELIJK TIJDSCHRIFT ALBERT SCHWEITZER ZIEKENHUIS
Z Jaargang 13 Nummer 2 December 2021
albert schweitzer
AFVALLEN Ondanks mijn wil een enorme uitdaging.
Ondersteun uw patiënten Saxenda®. Een receptgeneesmiddel voor gewichtsverlies bij: • Volwassenen met een BMI 27 kg/m2 i.c.m. één of meer co-morbiditeiten of een BMI 30 kg/m2.1 • Adolescente patiënten van 12 jaar en ouder met: - obesitas (BMI overeenkomend met 30 kg/m² voor volwassenen volgens internationale grenswaarden) en - lichaamsgewicht boven 60 kg. Wilt u meer weten? www.saxenda-voor-arts.nl Gebruik de login code: Sax7261 óf scan de QR-code
8,0 %
Gemiddeld gewichtsverlies na 1 jaar bij volwassenen met een BMI 27 kg/m2 en dyslipidemie en/of hypertensie of BMI 30 kg/m2.*2
SCALE obesitas en prediabetes: Een 56 weken durende placebo-gecontroleerde dubbelblinde studie (n=3731) naar de veiligheid en werkzaamheid van Saxenda® toegevoegd aan leefstijlinterventie in de vorm van een energiebeperkt dieet en lichaamsbeweging onder begeleiding.
* Gewichtsverlies verschil vs. placebo: -5,4% (P<0,001)2 NL21SX00021 Verkorte productinformatie en referentie zie elders in deze uitgave.
Van links naar rechts: Karlijn Stouten, Cedric Lau, Kelly de Jong, Krista Kuitwaard, Fleur van Geldere en Dorine Wilschut
Beste lezer Op het moment dat we dit schrijven is de vierde golf in alle hevigheid losgebarsten. Naast de grote hoeveelheden COVID-19 patiënten proberen we ook met man en macht de reguliere zorg in de lucht te houden. Het ‘oude normaal’ waar we even dichtbij waren, lijkt helaas opeens weer heel ver weg. Naast al onze zorgtaken zit ook de wetenschap niet stil in het ASz. In dit nummer bieden we u weer een selectie van mooie onderzoeken die in ons ziekenhuis worden uitgevoerd.
COLOFON Verpleegkundigen leveren een belangrijke bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek in ons ziekenhuis. In dit nummer een interview met vertegenwoordigers van het Verpleegkundig Stafbestuur (VSB). Zij vertellen ons meer over hun visie op onderzoek, en verpleegkundig onderzoek in het bijzonder. Promoties gaan gelukkig ook gewoon door. Deze keer vertelt Esther Bouman over haar onderzoek en hoe ze de verdediging in corona-tijd heeft ervaren.
Zo vertelt Geertruid Marres, chirurg, over de multidisciplinaire studie naar de haalbaarheid van rehabilitatie bij longkankerpatiënten in de weken voor hun longresectie. COVID-19 maakte de inclusie er niet makkelijker op, maar het resultaat mag er zijn.
Ook onze vaste rubrieken ontbreken niet: Joke Bosch schrijft over de laatste ontwikkelingen bij het Wetenschapsbureau en Rianne van Hof geeft weer een inkijkje in de vele mogelijkheden van de bibliotheek.
Dit jaar hebben we ook weer een Wetenschapsdag kunnen organiseren. De presentatoren waren live aanwezig in het Auditorium, het publiek kon digitaal aansluiten. In dit nummer vindt u een verslag van deze dag.
Tenslotte is er nog een wisseling van de wacht: Karlijn Stouten, Dorine Wilschut en Kelly de Jong gaan het ASz verlaten. De redactie van WASz moet het dus helaas ook zonder hen stellen. Hartelijk dank voor al jullie
Ook interviewen we Matthieu van der Vlist, de winnaar van de prijs voor beste publicatie.
bijdragen! Gelukkig staat de volgende redacteur al in de startblokken: Lina van der Straten heeft zich bij ons aangesloten, welkom! Zij gaat meteen goed van start met een artikel over het Promovendi-netwerk van het ASz.
In de rubriek ‘In the spotlight’ hebben wij deze keer een bijdrage van de afdeling Klinische Fysica. Wat doet deze afdeling precies en welke wetenschappelijke studies lopen er? Hierbij mogen ook de stagiaires van de Klinische Fysica niet ontbreken: Paul Nijsse en Yaro Roodenburg vertellen over hun opleiding Klinische Technologie en de stage bij de afdeling. Verder vertelt farmakundige in opleiding Liz van der Stelt over haar stage bij de ziekenhuisapotheek en over het onderzoek dat ze doet met collega’s van medische microbiologie.
3
WASz is het wetenschappelijk tijdschrift van de Wetenschapscommissie van het Albert Schweitzer ziekenhuis, onderdeel van het Leerhuis. Het blad verschijnt twee keer per jaar. Hoofdredactie Karlijn Stouten, AIOS klinische chemie Cedric Lau, ziekenhuisapotheker Krista Kuitwaard, neuroloog Kelly de Jong, ANIOS gynaecologie Fleur van Geldere, psycholoog in opleiding Dorine Wilschut, ANIOS gynaecologie Lina Stouten, promovenda interne geneeskunde Fotografie Frederike Roozen-Slieker Cover James Winter Redactionele begeleiding Math de Vaan, Delfgauw Creatie carenza* Realisatie Multiplus BV, Drachten
Veel leesplezier gewenst! De hoofdredactie Krista Kuitwaard, Karlijn Stouten, Kelly de Jong, Dorine Wilschut, Fleur van Geldere, Lina van der Straten en Cedric Lau Bezoek ook de WASz-pagina op intranet voor eerdere edities en aanvullende informatie.
Redactieadres Albert Schweitzer ziekenhuis Afdeling Leerhuis Postbus 444, 3300 AK Dordrecht E-mail: tijdschrift.wasz@asz.nl De redactie behoudt zich het recht voor om brieven en aangeboden artikelen in te korten of niet te plaatsen.
Rybelsus , semaglutide tabletten ®
Om de glykemische controle te verbeteren bij volwassenen met diabetes type 2 1
HbA1c -verlaging
Gewichtsverlaging
In een pil
1
1
1
Bij diabetes type 2 maakt het lichaam te weinig GLP-1 aan. Rybelsus is een GLP-1 receptoragonist die de bètacellen
de verlaging van het lichaamsgewicht. Overweeg Rybelsus in te zetten als volgende stap bij mensen met diabetes type 2 en onvoldoende glykemische controle op metformine en SU en een BMI 30 kg/m . 2
®
1
®
2
Ga voor meer informatie naar glp1ineenpil.nl of scan de QR code
De meest voorkomende bijwerkingen zijn gastro-intestinaal van aard en van korte duur. Rybelsus . Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. ®
NL21RYB00079 Verkorte productinformatie en referenties zie elders in deze uitgave.
Inhoud 6
20
38
50
6
Nieuws van het wetenschapsbureau
8 12 19 20
22 24
5
28
27
Column Camille Kockerols geeft inkijk in haar promotieleven
28
Wetenschapsdag Een samenvatting van de wetenschapsdag en de gewonnen prijzen
32
De Quiz Test je statistiekkennis met deze quiz gemaakt door Sara Baart Onderzoeker aan het woord: Ralph So Een goed idee, doorzettingsvermogen en een vlotte pen helpen echt Goedgekeurde studies In the Spotlight.. De Vakgroep Klinisch Fysica De vakgroep klinisch fysica geeft inzicht in de lopende onderzoeken
34 38 40 42 46
In the Spotlight.. Who’s Math? De man achter de schermen van de WASz Wetenschap Geertruid Marres: Prehabilitatie bij longkanker Topklinisch: R Statisticus Joost van Rosmalen brengt programma R aan het licht Verpleegkundige onderzoek De Flashmob studie Promoties in het ASz Esther Bouman beschrijft haar promotieonderzoek Verpleegkundige onderzoek De visie van de VSB op verpleegkundig onderzoek Stipendia Onderzoekers presenteren hun onderzoek Stagiairs Stagiairs in het ASz vertellen over hun onderzoek
49 50 53
ASz research netwerk Lina van der Straten: Het promovendi netwerk in het ASz Diagnose in beeld Een zeldzame oorzaak van trombocytopenie Boekbespreking Verpleegkundige Ingrid en Simone recenseren een handboek over onderzoekdesigns
55
Berichten uit de bibliotheek
57
Wetenschappelijke publicaties
65 68
Dankwoord Karlijn bedankt! Wetenschapskalender
WETENSCHAPSBUREAU
Nieuws van het wetenschapsbureau Joke Bosch is wetenschapscoördinator in het Albert Schweitzer ziekenhuis. In deze rubriek besteed ik aandacht aan het proces van de lokale uitvoerbaarheid van studies in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Verder ga ik in op het besluit van de Raad van Bestuur om met modelonderzoekscontracten te gaan werken. Als laatste zet ik de schijnwerper op de aanstaande wetswijziging voor de lokale haalbaarheid van WMOplichtige studies. Hierbij gaat het formulier Verklaring Geschiktheid Onderzoeksinstelling (VGO) gelden en de richtlijn Toegepast Geschiktheid Onderzoeksinstelling (TGO). In het algemeen brengen wijzigingen in processen vaak onrust en weerstand met zich mee, maar beide wijzigingen zorgen ervoor dat onderzoek gemakkelijker en sneller kan starten, zodat nieuwe behandelmethoden eerder beschikbaar komen voor de patiënt.
René van Bruchem, functionaris Wetenschap.
Als eerste introduceer ik graag de nieuwe functionaris Wetenschap, René van Bruchem. René was eerder anesthesiemedewerker in het Erasmus MC en heeft zijn opleiding hiervoor in het ASz gehad. Tevens heeft hij de master tot klinisch epidemioloog gedaan aan de UvA. René zal het lokale uitvoerbaarheidsproces ondersteunen. Hij zal onderzoekers helpen bij het indienen van studies in Castor Study Mangement System (Castor SMS) en het proces tot lokale goedkeuring van de studies. Hij zal deze baan combineren met zijn werk als researchverpleegkundige/ promovendus voor de anesthesiologie in het Erasmus MC. Modelonderzoekscontracten In 2013 werd een modelonderzoekscontract ontwikkeld (Clinical Trial Agreement: CTA). De reden was dat de betrokkenen sneller kunnen starten met door farmaceutische industrie geïnitieerd en gefinancierd onderzoek. In 2016 werd dit contract herzien. Inmiddels zijn er landelijk verschillende contracten beschikbaar voor de verschillende partijen die betrokken zijn bij het onderzoek. Hierbij kun je denken aan contracten voor bedrijfsgeïnitieerd WMOplichtig onderzoek en onderzoeker geïnitieerd WMO-plichtig onderzoek. In onderstaande Tabel zijn voor de verschillende typen onderzoek de contracten weergegeven.
In de modelcontracten worden rechten en plichten opgenomen van de partijen die betrokken zijn bij onderzoek in ziekenhuizen. De contracten werden ontwikkeld in het DCRF-samenwerkingsverband (Dutch Clinical Research Foundation). In dit verband zijn vertegenwoordigd: de STZziekenhuizen, de academische centra (NFU - Nederlandse Federatie van Universitaire Medische centra), de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG), de Associatie van Contract Research Organisaties (ACRON) en het Nederlandse Kanker Instituut - Antoni Van Leeuwenhoek (NKI-AVL). Daarnaast zijn een aantal lokale modelcontacten opgesteld (vaak gebaseerd op voorbeelden uit de andere STZ-ziekenhuizen), waarvoor geen landelijk model contract aanwezig was. Dit zijn bijvoorbeeld contracten waarin het ASz een wervend centrum is. De modelcontracten zijn op diverse plekken te vinden, op sites van de CCMO of DCRF bijvoorbeeld, maar ook via ons eigen internet en intranet (en iprova). Doordat modelcontracten steeds meer worden gebruikt door verschillende partijen en men er steeds beter bekend meer raakt, kan er sneller worden getoetst en getekend. Bij uitzondering zal het soms wenselijk zijn om extra passages op te nemen of een en ander te wijzigen, dan zal het contract juridisch getoetst moeten worden.
6
was
Z
WETENSCHAPSBUREAU
Modelcontracten Type onderzoek
Bron template
WMO - bedrijfsgeïnitieerd
CCMO
WMO - bedrijfsgeïnitieerd met VGO
CCMO
WMO - onderzoeker geïnitieerd
CCMO
WMO - onderzoeker geïnitieerd met VGO
CCMO
WMO - onderzoek met een wervend centrum
Lokaal-ASz
Niet WMO - bedrijfsgeïnitieerd
CCMO
Niet WMO - onderzoeker geïnitieerd-prospectief
CCMO
Niet WMO - onderzoeker geïnitieerd-retrospectief
Lokaal-ASz
Niet WMO - wervend centrum
Lokaal-ASz
Niet WMO-data/restmateriaal uitwisseling met
Elsi.health.ri
zorginstelling/umc
Lokaal-ASz
Verklaring Geschiktheid Onderzoeksinstelling Dit is een procesverandering waar we al jaren mee bezig zijn en ik regelmatig over heb geschreven in deze rubriek. Gelukkig wordt steeds meer duidelijk en weten we steeds beter wat er van de verschillende partijen wordt verwacht. In de figuur, van DCRF, wordt de tijdlijn van het indieningsproces weergegeven. Op het moment van dit schrijven zijn we ook lokaal het proces conform dit schema aan het inrichten en ligt het voorstel hiervoor bij de Raad van Bestuur. Als deze WASz verschijnt, verwacht ik dat we het VGO in praktijk hebben genomen en de eerste studies via de nieuwe route zijn gelopen. En ook al proberen we met
7
alles rekening te houden en vooraf te bedenken, waarschijnlijk zal de praktijk zelf uiteindelijk het echte proces bepalen en efficiënter maken. Bronnen Veel informatie over de nieuwe procedure is te vinden op de sites van CCMO, DCRF en de EMA. Ook documenten die opdrachtgevers, onderzoekers en andere klinisch onderzoeksprofessionals ondersteuning bieden: Procedure lokale haalbaarheid. Agenda Het Leerhuis, intranet ASz Leerplein, bieden online mogelijkheden voor scholing. Onder andere Good Clinical Practice
(GCP), herregistratie GCP, statistiek SPSS en R, wetenschappelijk schrijven in het Engels, poster maken. Gewenste netwerkbijeenkomsten kunnen worden gefaciliteerd, neem hiervoor contact op met wetenschap@asz.nl. Contact Voor vragen, ideeën of opmerkingen over wetenschap kun je mailen naar wetenschap@asz.nl. Je kunt ook wetenschapscoördinator Joke Bosch ( j.l.bosch@asz.nl) benaderen.
Promotieleven
COLUMN
Van arts-assistent naar promovendus In mijn eerste column blik ik graag terug op het omschakelen van arts-assistent naar promovendus. Ik ben inmiddels twee jaar verder in mijn promotietraject, maar hiervoor heb ik twee jaar als arts-assistent op de SEH en afdeling interne geneeskunde van een perifeer ziekenhuis in Rotterdam gewerkt. Het tempo lag er best hoog met iedere dag nieuwe uitdagingen. Klinische patiëntenzorg vergt gewoonlijk een snelle diagnosestelling en beleidsvorming, en in principe zie je al op korte termijn de effecten van het ingestelde beleid. De overstap van patiëntenzorg naar promotieleven ging voor mij gepaard met een volledige ommezwaai in mijn werkritme. Mijn stappenteller ging van een gemiddelde van 10.000 naar 1.000 stappen per dag. En zelfs dan worden die 1.000 stappen slechts bereikt omdat de printer en het koffieapparaat op het einde van de gang staan. Een desk job is toch altijd wel even wennen. Met de Trials & Research-kamer hebben we dit opgelost door tijdens de lunchpauze een rondje te gaan lopen, heerlijk!
”Mijn stappenteller ging van een gemiddelde van 10.000 naar 1.000 stappen per dag”
Niet alleen op de stappenteller veranderde het tempo. Om onderzoek te doen vliegen de eerste weken voorbij alleen al met de opzet van het onderzoek. Vooraleer je onderzoek van start kan gaan, moet eerst een berg aan administratie geregeld worden en moet goedkeuring verkregen worden van meerdere instanties. Geduld is een schone zaak. Het resultaat van al je geleverde werk volgt uiteindelijk pas op de lange termijn, wat in contrast staat met mijn ervaringen in de patiëntenzorg, en het is bovendien niet eens zeker dat je onderzoek de gewenste resultaten zal opleveren. Als de resultaten (en publicaties) er eindelijk zijn, geeft dit uiteraard wel veel voldoening. Promoveren vergt langetermijnplanning en motivatie om elke dag het overzicht en het uiteindelijke doel van je onderzoek voor ogen te houden. Je onderzoek is ook Camille Kockerols Camille Kockerols is arts-assistent interne geneeskunde en doet promotieonderzoek. In deze column deelt ze het wel en wee van het promoveren met ons.
niet iets wat je kan overdragen aan de avonddienst, het loopt buiten de werkuren door. Het ligt grotendeels in jouw handen dat dat boekje (ooit) af raakt. Voor mij is promoveren een logische stap in mijn verdere ontwikkeling tot internist. Ik krijg de kans om mijn volle aandacht toe te spitsen op één specifiek vakgebied hetgeen me tot nu toe veel nieuwe inzichten en vaardigheden heeft bijgebracht waar ik later zeker nog profijt van zal hebben. Voor alle twijfelaars: het is weliswaar even aanpassen aan het nieuwe ritme, maar hoe dan ook zou ik het aanbevelen voor iedereen die op zoek is naar een nieuwe uitdaging en naar meer wetenschappelijke verdieping in zijn of haar professionele carrière. Camille Kockerols
8
Eigenzinnig. Voorop lopen voor goede zorg. Vechten voor een eerlijk systeem. Voor iedereen. Eén polis, één premie. Dat is wat DSW kenmerkt. Liever principieel dan commercieel.
Meer informatie? www.dsw.nl
Advertorial
MULTIPEL MYELOOM EN REFRACTAIR VOOR LENALIDOMIDE; WAT NU? Door middel van onder meer autologe stamceltransplantatie en de komst van ‘small molecule’ MM-middelen zoals proteasoomremmers (PI) en immuunmodulatoire middelen (IMiD) is er veel vooruitgang geboekt bij de behandeling van multipel myeloom (MM). Door de brede toepassing van de IMiD lenalidomide in de eerste behandellijnen, is bij recidief MM een groot deel van de patiënten refractair voor het middel. Als gevolg hiervan is er voor de behandeling van recidief, refractair MM (RRMM) grote behoefte aan lenalidomide-vrije behandelopties.
THERAPIE NA DE TWEEDE LIJN
loge stamceltransplantatie, cytogenetisch risico, nierfunctie,
Voor patiënten die al minimaal twee voorgaande behandellij-
ziektestadium en aantal eerdere behandellijnen. De behande-
nen hebben gehad en nog niet refractair zijn voor een anti-
ling met Isa-Pd wordt in Nederland vergoed.
CD38-antilichaam zijn volgens de meest recente richtlijn voor
(Isa-Pd).1 Dit specifieke tripletregime werd onderzocht in de
TWEEDELIJNSBEHANDELING VOOR PATIËNTEN DIE REFRACTAIR ZIJN VOOR LENALIDOMIDE
fase III-registratiestudie ICARIA.2 In deze studie werden patiën-
In de fase III-registratiestudie IKEMA werden RRMM-patiënten
ten die ten minste 2 lijnen van therapie hadden ontvangen,
gerandomiseerd toegewezen aan een ander tripletregime, isa-
waaronder lenalidomide en een PI, en ziekteprogressie ver-
tuximab-carfilzomib-dexamethason (Isa-Kd), of behandeling met
toonden op of binnen 60 dagen na het einde van de vorige
alleen Kd.3 Voor deelname aan deze studie moesten patiënten
therapie, gerandomiseerd toegewezen aan behandeling met
1 tot 3 eerdere therapielijnen hebben ontvangen. Patiënten wer-
Isa-Pd of Pd. Maar liefst 94% van de patiënten in de studie was
den uitgesloten wanneer zij refractair waren voor therapie met
refractair voor lenalidomide. De mediane progressievrije over-
een anti-CD38-middel of wanneer zij al eerder waren behandeld
leving (PFS) was met Isa-Pd 11,5 maanden, terwijl dit met al-
met carfilzomib. Met toevoeging van Isa aan Kd werd de media-
leen Pd 6,5 maanden was. Het tripletregime Isa-Pd leidde tot
ne PFS niet bereikt en met alleen Kd was deze 19,2 maanden.
een 40% reductie van het risico op ziekteprogressie of overlij-
Het tripletregime Isa-Kd leidde tot 47% reductie van het risico op
den (HR [95%-BI]: 0,60 [0,44-0,81]; p=0,001). Het PFS-voor-
ziekteprogressie of overlijden (HR [95%-BI]: 0,53 [0,318-0,889];
deel van Isa-Pd boven alleen Pd werd gezien bij alle vooraf
p=0,0013). Het PFS-voordeel van Isa-Kd vergeleken met alleen
gespecificeerde subgroepen, ongeacht leeftijd, eerdere auto-
Kd werd aangetoond in alle vooraf gespecificeerde subgroepen
MM diverse behandelopties te overwegen, waaronder behandeling met isatuximab, pomalidomide en dexamethason
NIET DARATUMUMAB VOORBEHANDELD/REFRACTAIR
DOUBLET
LENALIDOMIDE-REFRACTAIR
Bortezomib-dexamethason Carfilzomib-dexamethason
TRIPLET
Daratumumab-carfilzomib-dexamethason Isatuximab-carfilzomib-dexamethason Daratumumab-bortezomib-dexamethason Pomalidomide-bortezomib-dexamethason Panobinostat-bortezomib-dexamethason
DARATUMUMAB VOORBEHANDELD/REFRACTAIR
DOUBLET
Bortezomib-dexamethason Carfilzomib-dexamethason
TRIPLET
Pomalidomide-bortezomib-dexamethason Panobinostat-bortezomib-dexamethason
FIGUUR 1. Lenalidomidevrije behandelopties bij recidief/refractair multipel myeloom.1
Advertorial
op basis van leeftijd, nierfunctie, ziektestadium of eerdere be-
CONCLUSIE
handeling met een PI, IMiD of lenalidomide. De data uit deze
Veel MM-patiënten zullen tijdens het beloop van hun ziekte
registratiestudie heeft ertoe geleid dat isatuximab ook in de
meerdere behandellijnen worden aangeboden. De toevoeging
1
richtlijn is opgenomen als tweedelijnsbehandeling (zie Figuur 1).
aan het behandelarsenaal van het anti-CD38-antilichaam isatuxi-
Wanneer patiënten lenalidomide-refractair zijn en nog niet eerder
mab in combinatie met enerzijds pomalidomide-dexamethason
behandeld zijn met het anti-CD38-middel daratumumab, is vol-
en anderzijds carfilzomib-dexamethason is belangrijk voor een
gens de richtlijn het voorkeursregime Kd met daaraan toege-
populatie waarin steeds meer patiënten refractair zijn voor lena-
voegd isatuximab of daratumumab. Ten tijde van dit schrijven zijn
lidomide.
zowel Isa-Kd als Dara-Kd nog in afwachting van vergoeding.
REFERENTIES 1. Multipel myeloom richtlijn 2021 (HOVON). Te raadplegen op: https://hovon. nl/_asset/_public/ WorkingGroups/ WorkingGroups_MM/RICHTLIJNbehandeling-MM-2021-geautoriseerd-11-05-2021-1.pdf. 2. Attal M, Richardson PG, Rajkumar SV, et al. Isatuximab plus pomalidomide and low-dose dexamethasone versus pomalidomide and low-dose dexa-
MM): a randomised, multicentre, open-label, phase 3 study. Lancet 2019; 394:2096-107.
De vaakst voorkomende bijwerkingen op isatuximab zijn neutro-
3. Moreau P, Dimopoulos MA, Mikhael J, et al. Isatuximab, carfilzomib, and
penie, infusiegerelateerde reactie, pneumonie, infectie van de
dexamethasone in relapsed multiple myeloma (IKEMA): a multicentre, open-
bovenste luchtwegen, diarree, bronchitis, hypertensie, ver-
label, randomised phase 3 trial. Lancet 2021;397:2361-71.
moeidheid, dyspneu, nausea, braken, slapeloosheid, hoesten
4. Aanvullende informatie betreffende isatuximab is beschikbaar in de Sa-
en rugpijn. De vaakst voorkomende ernstige bijwerkingen zijn
menvatting van de productkenmerken (SmPC) en bijsluiter op www.
pneumonie en febriele neutropenie.
cbg-meb.nl
MAT-NL-2101500 V1.0 11/2021
methasone in patients with relapsed and refractory multiple myeloma (ICARIA-
VERKORTE PRODUCTINFORMATIE SARCLISA ® Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via de website van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (www.lareb.nl). Samenstelling: SARCLISA® bevat 20 mg isatuximab per ml concentraat voor oplossing voor infusie en is beschikbaar in een flacon met 100 mg isatuximab in 5 ml concentraat (100 mg/5 ml) en in een flacon met 500 mg isatuximab in 25 ml concentraat (500 mg/25 ml). Indicaties: SARCLISA is geïndiceerd: -in combinatie met pomalidomide en dexamethason, voor de behandeling van volwassen patiënten met gerecidiveerd en refractair multipel myeloom die minstens twee eerdere therapieën hebben gekregen, waaronder lenalidomide en een proteasoomremmer, en bij wie ziekteprogressie is aangetoond tijdens de laatste behandeling. - in combinatie met carfilzomib en dexamethason, voor de behandeling van volwassen patiënten met multipel myeloom die minstens één eerdere behandeling gekregen hebben. Dosering: SARCLISA moet worden toegediend door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in een omgeving waar reanimatievoorzieningen beschikbaar zijn. De aanbevolen dosis is 10 mg/kg lichaamsgewicht, toegediend als een intraveneuze infusie in combinatie met pomalidomide en dexamethason (Isa-Pd) of in combinatie met carfilzomib en dexamethason (Isa-Kd), volgens een doseringsschema (zie volledige productinformatie) van 28 dagen. Voorafgaande aan iedere infusie moet premedicatie worden toegediend bestaande uit dexamethason, paracetamol (of equivalent), H2-antagonisten of orale protonpompremmers, en difenhydramine (of equivalent). Kinderen: De veiligheid en werkzaamheid bij kinderen jonger dan 18 jaar zijn niet vastgesteld. Ouderen, patiënten met verminderde lever- of verminderde nierfunctie: Er wordt geen dosisaanpassing aanbevolen. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen. Waarschuwingen: Infusiegerelateerde reacties: infusiegerelateerde reacties werden waargenomen (ook ernstige, waaronder anafylactische reacties). De vitale functies moeten regelmatig worden gecontroleerd tijdens de behandeling, zodat behandeling onderbroken kan worden. Indien de symptomen niet verbeteren, opnieuw optreden, ziekenhuisopname vereisen of levensbedreigend zijn, moet SARCLISA definitief stopgezet worden en passende behandeling worden toegepast. Neutropenie: het volledig bloedbeeld moet regelmatig worden gecontroleerd vanwege het risico op neutropenie. Infectie: zorgvuldige controle op tekenen van infectie dient plaats te vinden vanwege een hogere incidentie van infecties. Tweede primaire maligniteiten: vanwege de kans op tweede primaire maligniteiten dienen artsen zowel voor als tijdens de behandeling patiënten zorgvuldig te evalueren volgens de richtlijnen van de IMWG. Interferentie met serologische tests (indirecte antiglobulinetest): voorafgaand aan de eerste behandeling met SARCLISA moeten bij patiënten bloedtypering en screeningstest uitgevoerd worden vanwege mogelijke interferentie met serologische tests. Ouderen: Bij ouderen ≥ 85 jaar zijn de gegevens beperkt. Interacties: Vals-positieve reacties van serologische testen zijn mogelijk door expressie van CD-38 eiwit op het oppervlak van rode bloedcellen. Interferentie met serum eiwitelektroforese en immunofixatie is mogelijk, wat invloed kan hebben op de nauwkeurigheid van de responsclassificatie van de IMWG. Zwangerschap: Vrouwen die zwanger kunnen worden, moeten doeltreffende anticonceptie gebruiken tijdens en gedurende 5 maanden na stopzetting van de behandeling. Het gebruik van SARCLISA bij zwangere vrouwen wordt niet aanbevolen. Bijwerkingen: De vaakst voorkomende bijwerkingen (zeer vaak) zijn neutropenie, infusiegerelateerde reactie, pneumonie, infectie van de bovenste luchtwegen, diarree, bronchitis, hypertensie, vermoeidheid, dyspneu, nausea, braken, slapeloosheid, hoesten en rugpijn. De vaakst voorkomende (zeer vaak) ernstige bijwerkingen zijn pneumonie en febriele neutropenie. Vaak komen voor: plaveiselcelcarcinoom van de huid, verminderde eetlust, atriumfibrilleren, huidkanker, andere solide tumoren dan huidkanker en gewichtsverlies. De bijwerking anafylactische reactie komt soms voor. ATC-code: L01XC38 Verpakking: Sarclisa® 20 mg/ml concentraat voor oplossing voor infusie. 5 ml met 100 mg isatuximab in een flacon van 6 ml (verpakking met één of drie flacons) EU/1/20/1435/001 of 002. 25 ml met 500 mg isatuximab in een flacon van 30 ml (verpakking met één flacon) EU/1/20/1435/003. Aflevering en vergoeding: U.R. Sarclisa wordt vergoed via add-on. Voor prijzen zie de Z-index taxe. Deze informatie is het laatst herzien in juni 2021. Voor meer informatie zie de geregistreerde productinformatie. Houder van de vergunning voor het in de handel brengen: Sanofi-Aventis groupe. 54, rue La Boétie. 75008 Parijs – Frankrijk. Lokale vertegenwoordiger: Genzyme Europe B.V. Paasheuvelweg 25, 1105 BP Amsterdam. Tel: +31 (0)20 2454000. VV-LBL-0240262
“Het PFS-voordeel van Isa-Kd werd aangetoond in alle vooraf gespecificeerde subgroepen op basis van leeftijd, nierfunctie, ziektestadium of eerdere behandeling met een PI, IMiD of lenalidomide”3
WETENSCHAPSDAG
Wetenschapsdag 2021: de online versie De Wetenschapsdag 2021 vond plaats op 24 juni. Het was een stralende dag van de wetenschap! De 16e inmiddels. Het was door alle maatregelen een aangepaste versie, maar hierdoor was het wel mogelijk om van ver deze mooie wetenschapsmiddag te volgen. De dag werd voorgezeten door Jürgen Riedl, voorzitter van de Wetenschapscommissie. Op deze innovatieve dag werd onderzoek gedeeld door middel van creatieve video’s. Hierna werd de middag voortgezet met mondelinge voordrachten door promovendi. En natuurlijk werden er prijzen toegekend!
Promovendi presenteren Martijne Duvekot presenteerde haar onderzoek, de PRESTOstudie: Prehospital triage of patients with suspected stroke symptoms, a prospective in-field validation of eight prehospital stroke scales. Bij een herseninfarct is het van belang om snel te handelen om zo min mogelijk neuronen te verliezen. De behandeling bestaat uit intraveneuze trombolyse of intra-arteriële trombectomie. De tweede behandeling is niet beschikbaar in alle klinieken. Daarom zou triage vooraf kunnen voorspellen welke behandeling nodig is. Vervolgens kan de patiënt naar de juiste kliniek worden gebracht. Martijne stelde dat de prehospitale scores een goede inschatting maken en uit de PRESTO-2 studie zal gerichter advies komen. Het onderzoek van Martijne is gepubliceerd in The Lancet Neurology en op de website www.presto-studie.nl is meer te lezen over het onderzoek. Camille Kockerols deelde haar onderzoek over nieuwe voorspellers voor behandelingsvrije remissie in chronische myeloïde leukemie (CML). De behandelingsvrije remissie is de periode na het staken van de behandeling waarin sprake is van een aanhoudende diepe remissie. In haar promotieonderzoek kijkt ze naar parameters die deze remissie voorspellen. Dit wordt bekeken via een digitale druppel-PCR. Deze afname wordt op dit moment geïmplementeerd. We zijn erg benieuwd wat er uitkomt, Camille! Cedric Lau presenteerde zijn onderzoek over de dosisadviezen van geneesmiddelen na een bariatrische ingreep, de zogenaamde maagverkleining. Hij stipte het groter wordende probleem van obesitas aan, met hierbij de meest voorkomende behandelingen op dit moment. Een dergelijke anatomische verandering met daarna het verliezen van gewicht, kan effecten hebben op de farmacokinetiek. Een van de voorbeelden die hij schetste waren
Martijne Duvekot spiegels van paracetamol. Deze zijn vóór een bariatrische ingreep bij patiënten met morbide obesitas lager dan erna. Medicatie wordt sneller opgenomen en dit heeft consequenties voor de dosering. Trials worden opgezet zodat er een doseeradvies op maat gegeven kan worden. Paul Hengeveld deelde zijn onderzoek: een Next-Generation Sequencing-platform voor het bepalen van minimale restziekte in chronische lymfatische leukemie (CLL). Het doel van zijn onderzoek is het opzetten van een openlijk beschikbaar platform voor de kwantificering van de minimale restziekte (MRD) in CLL. Dit wordt verricht via een assay en de eerste resultaten laten zien dat dit de MRD betrouwbaar en precies kan meten. Een vervolg wordt opgezet middels prospectieve trials. Nathalie Brouwer presenteerde haar onderzoek naar cardiale monitoring gedurende trastuzumab-behandeling voor HER2-positieve gemetastaseerde borstkanker. Trastuzumab verbetert de uitkomsten door de werking van een monoklonaal antilichaam op de HER2-receptor. Helaas geeft het ook bijwerkingen, zoals cardiotoxiciteit en is het onduidelijk of deze patiënten cardiale monito-
12
was
Z
WETENSCHAPSDAG
ring nodig hebben. Het doel van het onderzoek van Nathalie is te achterhalen wat de jaarlijkse incidentie van deze cardiotoxiciteit is, wat de risicofactoren zijn en bij welke patiënten de monitoring verminderd kan worden. Ze zette de cijfers op een rij en kwam met het advies om patiënten met één of meer risicofactoren, zoals roken, eerdere cardiotoxiciteit of obesitas, de eerste drie jaar te monitoren. Bij patiënten zonder risicofactoren kan de monitoringfrequentie omlaag. Genomineerde filmpjes Veel onderzoekers hadden een video ingestuurd met hierin een presentatie van hun onderzoek. Van alle inzendingen waren er drie genomineerd: Lina van der Straten, Maaike Scholten en Geertruid Marres en Christel de Raaff. Lina vertelde over de relatieve overleving in chronische lymfatische leukemie. Maaike en Geertruid spraken over prehabilitatie van longchirurgie. Christel stelde met een vleugje humor het probleem sinus pilonidalis aan de orde. Alle creatieve inzendingen zijn nog te bekijken op https://www.asz.nl/wetenschap-onderzoek/wetenschapsdag. Prijzenregen De prijs voor beste mondelinge voordracht ging naar Martijne Duvekot. De prijs voor beste filmpresentatie ging naar Christel de Raaff. Voor dit onderzoek heeft zij samen met Noor Huurman tevens een stipendium ontvangen voor vervolgonderzoek. Lees verder op pagina 16!
Christel de Raaff (rechts), Robert Smeenk (links)
13
De prijs voor beste publicatie ging naar Matthieu van der Vlist. Hij presenteerde zijn artikel over bekkenbodemproblematiek na een bevalling. Op het Regionaal Bekkenbodemcentrum werden patiënten met een totaalruptuur tijdens de bevalling gevolgd. Tijdens dit spreekuur werd gekeken naar de anatomische restschade en werd een advies gegeven voor een volgende behandeling. Lees op pagina 13 hoe dit artikel tot stand is gekomen. We willen alle deelnemers en sprekers bedanken voor hun inbreng en natuurlijk de organisatoren voor weer een geslaagde wetenschapsdag. En natuurlijk alle prijswinnaars feliciteren met deze prestatie.
Matthieu van der Vlist
WETENSCHAPSDAG
Resultaten van de PRESTO-studie
Beste voordracht van de grote belangrijke aanvoerende vaten in de hersenen, een proximale intracraniële occlusie, dat gediagnosticeerd wordt op CT-angiografie. De eerste mogelijkheid (IVT) kan op iedere spoedeisende hulp worden toegepast. IAT is een gespecialiseerde behandeling, die in onze regio alleen door het Albert Schweitzer ziekenhuis en Erasmus MC gedaan kunnen worden. De overige ziekenhuizen in de regio verwijzen een patiënt met een indicatie voor IAT dus door naar een van deze twee interventiecentra. Bij overplaatsing tussen ziekenhuizen gaat veel tijd verloren. Omdat er snel gehandeld moet worden bij patiënten die voor IAT in aanmerking komen, is het van belang om patiënten met een proximale intracraniële occlusie met de ambulance rechtstreeks naar een interventiecentrum te brengen. Met triage in de ambulance kan een selectie worden gemaakt van patiënten met een hoge kans op een intracraniële occlusie, zodat ze direct naar een interventiecentrum gebracht kunnen worden. Voor deze triage worden korte simpele klinische tests, of prehospitale stroke-scores gebruikt, maar prospectieve validatiestudies ontbreken en over de voorspellende waarde van deze scores is niet veel bekend. Met de PRESTO-studie wilden we acht van deze prehospitale strokescores valideren.
Martijne Duvekot Martijne Duvekot was arts-onderzoeker op de afdeling neurologie in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Ze deed er promotieonderzoek. Binnenkort start ze als AIOS radiologie in het Maasstad ziekenhuis. Onze oud-collega Martijne Duvekot gaf onlangs in een zaal een presentatie van haar onderzoek naar prehospitale strokescores. Een lege zaal welteverstaan, maar dat is toch echt anders dan achter een laptopschermpje. Haar presentatie werd professioneel met de camera vastgelegd. Martijne vond het erg leuk om na een lange tijd met digitale presentaties, toch weer voor een zaal te presenteren. Hoewel leeg, leek het bijna weer normaal! Ze raadt collega’s die ook gaan presenteren in alle gevallen aan om voor iedere presentatie een keer hardop
Dan volgt het verhaal over de aanpak We includeerden een jaar lang - van augustus 2018 tot september 2019 - patiënten met de verdenking op een beroerte in de regio’s Zuid-Holland Zuid en Rijnmond. Onderweg in de ambulance werden items van acht verschillende prehospitale stroke-scores afgenomen door ambulancepersoneel. Het verdere behandel- of transportbeleid werd niet veranderd. Na aankomst in het ziekenhuis werd het reguliere protocol gevolgd, waarbij ook een CT-angiografie werd gemaakt om een intracraniële occlusie te kunnen aantonen of uitsluiten. Wat waren de resultaten van het onderzoek? Uiteindelijk zijn 1334 patiënten geïncludeerd, waarvan 1039 in het acute stadium, dit wil zeggen binnen zes uur na het ontstaan van de klachten. Hiervan bleken 120 patiënten een intracraniële occlusie te hebben. De Rapid Arterial oCclusion Evaluation (RACE) score had de hoogste algemeen voorspellende waarde voor het diagnosticeren van een intracraniële occlusie: AUC (0,83, 95%
te oefenen. En zelf vindt ze het prettig om staand te presenteren, ook als het een digitale presentatie is of als ze voor een kleine groep staat.
betrouwbaarheidsinterval: 0,79-0,86), de FAST-PLUS schaal had de laagste algemeen voorspellende waarde: AUC (0,72 95% BHI [0,67-0,76]).
Hieronder lees je een verkorte weergave van het verhaal van Martijne. Denk er het beeld van de pratende en bewegende oud-collega gewoon bij.
En tot slot de conclusie Prehospitale stroke-scores kunnen redelijk tot goed voorspellen of een patiënt een intracraniële occlusie heeft. Toch hebben ook andere factoren er invloed op, zoals: de rijtijd tot ziekenhuizen, tijd sinds ontstaan van de klachten en de doorlooptijden per ziekenhuis. Deze factoren worden allemaal meegewogen in een eerder ontwikkeld gepersonaliseerd prehospitaal beslismodel. Momenteel zijn we bezig met de voorbereidingen, om dit beslismodel regionaal te implementeren en te toetsen.
Eerst vertelt ze iets over de achtergrond Voor patiënten met een acuut herseninfarct zijn twee effectieve behandelingen mogelijk: intraveneuze trombolyse (IVT) en intraarteriële trombectomie (IAT). Voor de laatste mogelijkheid (IAT) komen alleen patiënten in aanmerking met een occlusie in een
14
was
Z
WETENSCHAPSDAG
Beste publicatie 2020 Voelde je meteen dat dit een ‘beste publicatie’ zou kunnen worden? “Nee, absoluut niet. Ik heb onze publicatie eigenlijk voor de vorm ingezonden en was verbaasd maar ook wel vereerd, toen onze publicatie als ‘beste publicatie’ werd verkozen. Er is veel tijd en moeite ingestopt en uit de literatuur blijkt, dat we de tot nu toe grootste onderzoeksgroep aan patiënten verzameld hebben. Het is dus een hele mooi beloning. Maar ik denk dat meerdere publicaties deze prijs hadden verdiend. Wat wel heeft meegespeeld is dat iedereen zich van de beschreven problematiek een voorstelling kan maken en dat het daardoor een ‘laagdrempelig’ en voor iedereen toegankelijk onderzoek is. Het is klinisch onderzoek met een relevante vraagstelling, we behandelen geen ingewikkelde moleculaire biologie of iets dergelijks en wellicht dat dat verfrissend gewerkt heeft.”
Op de Wetenschapsdag in juni ontving Matthieu van der Vlist de prijs voor beste publicatie van het afgelopen jaar. Zijn artikel gaat over bekkenbodemproblematiek na een bevalling. Voor het onderzoek naar deze problematiek werden patiënten gevolgd met een totaalruptuur tijdens de bevalling. We vragen Matthieu naar ‘het waarom’ van de studie, naar de moeilijkheden tijdens het onderzoek, maar ook naar zijn kansen op het winnen van de publicatieprijs.
Welke rol speelde het ASz bij het mogelijk maken van de studie? “Een goed functionerend regionaal bekkenbodemcentrum met een grote patiëntenpopulatie na totaalruptuur, was een vereiste om überhaupt hieraan te kunnen beginnen. De afdeling ICT heeft geholpen met het samenstellen van lijsten op basis van operatieverrichtingscodes. Dit waren toentertijd nog data uit het SAP besturingssysteem. Er bestond voor HiX gelukkig ook al een obstetrisch digitaal dossier, waar gegevens uit verzameld konden worden. De statisticus van het EMC die hier in huis wekelijks te consulteren is, is ook van onschatbare waarde. Een ieder kan laagdrempelig een afspraak maken voor hulp met materie die best ingewikkeld kan zijn. In mijn laatste jaar van de opleiding in het ASz heb ik ook nog wat tijd gekregen om onder andere aan dit onderzoek te besteden. Bij onderzoek zijn veel meer mensen betrokken dan men denkt. Ik wil dan ook graag iedereen die dit mogelijk heeft gemaakt via deze weg bedanken.”
Hoe ben je tot deze studie gekomen? “Sinds 2010 zien wij op de polikliniek alle patiënten met een totaalruptuur zes maanden na de bevalling. Er wordt dan onder andere een 3D-echo van de bekkenbodemspieren gemaakt en er is een consult bij de bekkenfysiotherapeut. Daarna krijgen patiënten een advies over de modus partus bij een eventuele volgende zwangerschap. Of dit advies ook daadwerkelijk wordt opgevolgd en
Had je achteraf gezien, zaken anders willen aanpakken? “Zoals al aangegeven had ik het onderzoek aan de voorkant beter willen opzetten en uitdenken. Bij latere onderzoeken heb ik hier zeker van geleerd en kon ik deze beginnersfout voorkomen. Dan blijkt dat het veel minder frustratie achteraf geeft. Je kunt beter van tevoren meer tijd en energie erin stoppen, dan achteraf voor voldongen feiten geplaatst worden.”
Matthieu van der Vlist Matthieu van der Vlist is gynaecoloog in Albert Schweitzer ziekenhuis
hoeveel recidief totaalrupturen er in deze groep optreden is niet bekend. Om dit in kaart te brengen zijn we in 2014 met dit retrospectieve onderzoek begonnen.” Welke hobbels moest je nemen om tot publicatie te komen? “Van tevoren is over de opzet van dit onderzoek onvoldoende nagedacht. Het was daarom moeilijk om achteraf alle gegevens te combineren tot een leesbaar en logisch geheel. De handdoek was al bijna in de ring geworpen, toen mijn collega-gynaecoloog en medeauteur Daniëlla Oom het toch heel erg zonde vond van de bulk aan data. Daar moesten we gewoonweg wat mee doen, vond ze. Zonder haar was het onderzoek nooit gepubliceerd.”
15
WETENSCHAPSDAG
Prijs voor beste filmpje Het stipendium wordt ingezet voor onderzoek naar sinus pilonidalis. Een vervelende aandoening, namelijk een pijnlijke ontsteking (haarnestcyste) in de bilnaad. Per jaar worden voor de behandeling van een sinus pilonidalis ongeveer 8000 operaties uitgevoerd in Nederland. Helaas is er nog veel onduidelijkheid over wat de beste behandeling is. Daar gaat de PITS-studie (PIlonidal sinus Treatment Snapshot) meer inzicht in brengen. Dit is een snapshot studie, waarbij voor een vaste periode wordt gekeken wat er in alle ziekenhuizen in Nederland gebeurt. Gefeliciteerd Christel! Hoe staat het met de PITS-studie? “We zitten inmiddels op 615 inclusies! Voor 22 ziekenhuizen zit de inclusieperiode er op en 18 ziekenhuizen zijn nog bezig met includeren tot uiterlijk 15 november 2021. We hopen natuurlijk op nog zoveel mogelijk inclusies, maar zijn al erg trots op het huidige aantal. We kunnen niet wachten met het analyseren van de data! Met de vele data die we nu al hebben verzameld, kunnen we verschillende vraagstukken analyseren en kunnen er meerdere artikelen worden gepubliceerd.”
Christel de Raaff Christel de Raaff is AIOS chirurgie in het Amsterdam UMC en arts-onderzoeker in Albert Schweitzer ziekenhuis
Hoe vond je het om een filmpje te maken? “Het is fantastisch dat het ASz jaarlijks stipendia toekent. Het is dan ook terecht dat de stipendiawinnaars op een leuke manier kunnen laten zien wat ze met dit geld hebben gedaan. Het maken van een film was erg leuk om te doen. Het vraagt om creativiteit en een gezonde portie humor.” Wil je het filmpje terugkijken? Scan dan deze QR-code.
Winnaars van ASz-stipendia kunnen met een filmpje laten zien hoe ze het onderzoeksgeld besteed hebben. Christel de Raaff nam deze uitdaging aan en liet met bewegend beeld zien wat ze met het geld gedaan heeft in het kader van de PITS-studie. Ze won er ook nog eens de allereerste prijs voor het beste filmpje mee!
16
ADVERTORIAL
(& % & # &" &"%" % && & &"%# &" %
0
5KBMKFLCC;KJMD?MKFGGLBMDMHK/./M-AIKG5DMFMLI EGM,IK+>B*KFCHKBMLK)M?(KEGG,BK9M6EHA=6E 'D>=IMLK&K%H,GL:CIAM:CHC;MLK$N'K$ILM6EI( HAMIKDCH;KHCKIMKBMH?MH2K#/C;MDA@?=KMLFCLMHKJMKJAH=I FCHK/./M-AI2K/MK<MMDBMHKMHKFML=DC;MHKFACK9JAAH ?G:MH(K!GHBMLKECHB:CIA;MKC6IAM=(KFMMDK=HMDDMLK<AHHMH AHKEMIK ' 2K AMLBGGLK?CHKMMHKBAMH=IBGMHBMKCLI=KMMH =5GMBGHBML!GM?KBALM6IKAH!AMH2K/CCLHCC=IKECBBMHKJA@KAH EMIKFMLDMBMHK:MIK!GFMMDKFML=6EADDMHBMK>AIJA==MD =*=IM:MHKIMK:C?MH2K MIKIML>;<LMH;MHKHCCLKIJMM =*=IM:MH(K EADA5=K GL.AMJK / KMHK9JAAH(K:CC?IKEMI GFML!A6EIMDA@?ML2K/AIK<LMH;IKL>=IK:MIK!A6EK:MM2 ('&%$&##&"%! &% & %# ""&"% % & $ % " & $ +>B*4K# MKEM<<MHKMMHK6MHILCDMK5DM?KJCCLKBMKA:5GLI(KM-5GLI MHKEMIK?G55MDJML?KJGLBIKFMLLA6EI2K MKJML?MHK!GFMMD :G;MDA@?K;M HIM;LMMLBKAHKEMIK ' 2K D=KMMHK!AM?MHE>A=KGH= <MMDBMHKIGM=I>>LI(KBCHK?G:MHK!MKC>IG:CIA=6EKAHKBMK9JAAH JML?DA@=IK NA==AH;+% KAHKEMIK ' 2K/MKC55DA6CIAM<MEMMLBML 6GHILGDMMLIKLM;MD:CIA;KBM!MKJML?DA@=IKG5KHAM>J <AHHMH;M?G:MHKGHBML!GM?MH(K!GBCIKBM!MKBALM6IK :AI=KBM 5CIA HIKA=KAH;M=6ELMFMH KCCHKMMHK % GHBML!GM?KJGLBI ;M?G55MDB2K.ML=I>LMHKFCHK<MMDBMHKMHKFML=DC;MHKA=KEMDM:CCD =A:5MD2K MIK9JAAHK5GLICCDKJGLBIKFACKEMIK ' K;MG5MHB2K/M @>A=IMK5CIA HIK=ICCIKBCHKCDKG5KBMK6GHIM-I2K AMLHCKEGM,K@MKCDDMMH BMKGHBML!GM?MHKMHKEMIK@>A=IMK!AM?MHE>A=K>AIKEMIK9JAAH CBLM=<GM?KIMK=MDM6IMLMH2K MIKJGLBIK=IMMB=K:C??MDA@?ML BGGLBCIKJMKH>KCDDM:CCDKG5K9JAAHKGFML=IC55MHKMHKAHKEMIK ' JML?MH2K0H!MKBAMH=IBGMHBMKCLI=MHKEM<<MHKMMHK ' C66G>HI G:KAHKBMKJML?DA@=IKIMK?A@?MH2K7CBCIKBMKC55DA6CIAM<MEMMLKBM <MMDBMHKEMM,IK;M?G55MDBK?>HHMHKGG?KCDDMKCHBMLMKCLI=MHKBM <MMDBMHKLM6EI=ILMM?=K<M?A@?MH(KFACKBMK ' KFAMJMLKAHKEMIK % 2 MIKBLCC;FDC?KA=K;LGGI(KG:BCIK9JAAHKBMKIM6EHA=6EMKDCC;KCD EMM,IKHMML;MDM;B2 & &% " & & & %
"%! &% & &" & ' &"%# % & & &" &% "% & G>IMLK.MDBE>A=(KLCBAGDGG;K$N'K$ILM6EI4K#)CIMHKJMKEMI ;LGMA5A@HI@M=KHGM:MH2K MK!AMHK:MIKHC:MK>AIBC;AH;MHK<A@KEMI >AIJA==MDMHKFCHK<MMDBMHK HKFML=DC;MH2K MKJGLBMHKHAMIK=C:MH FML=I>>LBK<A@FGGL<MMDB2K0,KBMKMHMK?MMLKA=KEMIKMMHK/%'0N 5B,( BMKCHBMLMK?MMLKMMHK + BG6>:MHI2K G:=K?LA@;MHKJMKEMDM:CCD HA?=2K/CCLK:GMIK@MKC,=5LC?MHKGFMLK:C?MHKMHKBCIK:GMIK@M
HMI>HMH2K/CIKA=KIML>;KIMKEMLDMABMHKHCCLKBMKG5=ICLI,C=M2 ('&% & '' % &% & '" &% &" & " +>B*4K#%HKEMIKCBLM=<GM?K?>HK@MK!AMHKJAMK:MMBGMIKCCH /./M-AI(KB>=KHCCLKBAMK!AM?MHE>A!MHKFML=I>LMHKJA@K=GJAM=G BA;AICCD2K7CI>>LDA@?K?LA@;K@MKBCCLKJMDMMH=KMMHK;M,L>=ILMMLBM LMC6IAMKG52K/CIK!MKMLKHG;KHAMIK?DCCLKFGGLK!A@H(K<A@FGGL<MMDB2K A@ 5LG<MLMHKC,=5LC?MHKIMK:C?MHKMHKEMIK;M=5LM?KCCHKIMK;CCHK:MI G:DA;;MHBMK!AM?MHE>A!MHKCD=KMLKAMI=K:A=KDGG5I4K EMI
GG,BK9M6EHA=6EK'D>=IMLK&K%H,GL:CIAM:CHC;MLK +>B*KFCHKBMLK)M?KMHKLCBAGDGG;K G>IMLK.MDBE>A=
LCBAGDG;AMFML=DC;KGHI<LMM?I(KMLK!A@HKIMFMMDKGHBML!GM?MH FML!GHBMH1GHIFCH;MH(KIC;K%H=IAI>IAGH7C:MKA=KHAMIK6GLLM6I AH;MF>DB 2K/AIKJGLBIKFMLFGD;MH=KG5;M5C?IKMHK;M6GLLA;MMLB2 /MKECHBLMA?AH;K MD?MKGHBML!GM?MHKIMKFML!MHBMHK<A@KMMH FMLJA@!AH; KFCHKBMK7..+KEMD5IKBCCL<A@2 K G>IML4K# MKILM??MH EAML:MMKAHKBMKLM;AGK=IMMB=K:MMLK;M!C:MHDA@?KG52 ' % ' % % & $ % & %#&$' &"% ""&& % &% & & & % ' &% % & ' &" +>B*4K# / KA=KCDKGH!MK5LM,MLLMBKLG>IM(K:CCLKHG;KHAMIKDCHBMDA@? BM??MHB2K MIKEMM,IKMLK<A@KGH=K<A@FGGL<MMDBKGG?KMMHK5CCLK?MML >AI;MDM;MH2K A@KMMHK AH?MK>5;LCBM(K<A@FGGL<MMDB2K M<L>A?K@M 9JAAH(KBCHKEGM,K@MKG5K!G HK:G:MHIKHAMIK:MMLKIML>;KIMKFCDDMH G5KBFB =2K MK!A@HKAH:ABBMD=KFML=DCC,BKCCHKEMIK=HMD <AHHMHECDMHKMHKFML=I>LMHKFCHK<MMDBMH2K/CCLG:K:GMIK@MKJCI :A@K<MILM,IK M:<MBBMH KBCIK@MK!GJMDK5>=EKCD=K5>DDK:MIEGBM HCC=IKMD?CCLKDCCIK<M=ICCH2K MIK?>HHMHKGHBML=IM>HMHKFCH !GJMDKC6>IMK 1 KCD=K6ELGHA=6EMK!GL;KA=KBCHKMMHK;GMB CL;>:MHI2 K G>IML4K#/CCLKA=KHG;KMMHKCHBMLK5>HIKCCH ;MLMDCIMMLB2K0HBCH?=KMMHK / LMDCIAMK?AM!MHK:MH=MHK=G:= FGGLK/./M-AI(KG:BCIK!MK;MJGGHKIML>;FCDDMHKG5KBMK<M?MHBM JM;2 & &% & #& & " &"% &" &"%! &%"' % "% & +>B*4K# A@K!A@HKBALM6IKAH;M=IC5IKG5KHAFMC>K 2KNCCLKA?K!G>KML !MD,=KHG;KMMHKHAFMC>K<GFMHG5KJADDMHKDM;;MH2K7>K:GMIKGH!M C55DA6CIAM<MEMMLBMLKHG;KMMHK % GHBML!GM?KCCH:C?MHKMHKBM <MMDBMHK6GLLM6IK?G55MDMH2K C=KBCCLHCK!A@HK!MK<M=6EA?<CCL FGGLKBMKLM=IKFCHKEMIK!AM?MHE>A=2K%?K!G>K!M;;MH4K!GL;KMLFGGL BCIKMLKFCH>AIK9JAAHK % GHBML!GM?KJGLBIKCCH;M:CC?IKMHKBCI BMK<MMDBMHKC>IG:CIA=6EKJGLBMHK;M?G55MDB2K/CIK!G>KHG; :GGAMLK!A@H2KNCCLKFGD;MH=K:A@KDA;;MHKBMKMML=IMK<G>J=IMHMHKML CDKFGGLKBCIK=GGLIKJGL? GJ ?G55MDAH;MH2
NMMLKJMIMHKGFMLKEMIKDCHBMDA@?K>AIJA==MDMHKFCHK<MMDBMHKMH FML=DC;MHK:MIK9JAAH8K7MM:KBCHK6GHIC6IKG5K:MIKEMIKCCH=D>AIIMC:4 JJJ2IJAAH2HD1CCH=D>AIIMC:
De toekomst is elektrisch Volvo XC40 Recharge Denkt u bij de keuze van een nieuwe auto niet alleen aan uw eigen comfort en veiligheid, maar ook aan uw dierbaren en hun toekomst? Dan is uw keuze nu makkelijk. Want als één van de eerste volledig elektrische Volvo’s, biedt de nieuwe Volvo XC40 Recharge alles om het leven mooier te maken, nu en later. Een stoere en compacte SUV met strak Scandinavisch design en een inventief interieur dat alle ruimte biedt. Voorzien van de meest geavanceerde veiligheidsvoorzieningen en een krachtige elektrische aandrijving voor maximaal rijplezier zonder uitstoot. Ontworpen voor u én de volgende generatie. D E V O L L E D I G E L E K T R I S C H E V O LV O X C 4 0 R E C H A R G E BOEK NU UW PROEFRIT OP SVENSCAR.NL
Volvo XC40 Recharge Twin Pure electric vanaf €56.495 (consumentenadviesprijs) of €55.370 (fiscale waarde). Lease vanaf €669 p.m., excl. btw en electriciteit, o.b.v. Full Operational Lease, 60 mnd, 15.000 km p.j., Volvo Car Lease: 020-65 873 10 (kantooruren). Wijzigingen voorbehouden. Raadpleeg voor meer informatie de verkoopvoorwaarden op www.volvocars.nl. WLTP gecombineerd verbruik: 0 l/100 km, gem. CO2-uitstoot resp. 0 g/km.
Auto SvensCar | Mijlweg 29 | Dordrecht | T. 078-6322270 | svenscar.nl
Verkorte Productinformatie Saxenda®
' GGG
GGG AEAG AC=?7;® en Saxenda® zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.
Naam: Saxenda® 6 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde pen. Samenstelling en farmaceutische vorm: liraglutide 6 mg/ml, oplossing voor injectie. Indicaties: Volwassenen: Saxenda® is geïndiceerd als aanvulling op een caloriearm dieet en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij volwassen patiënten met een aanvankelijke BMI (Body Mass Index) van: 30 kg/m² (obesitas), of 27 kg/m² tot < 30 kg/m² (overgewicht) die ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit hebben, zoals dysglykemie (prediabetes of diabetes mellitus type 2), hypertensie, dyslipidemie of obstructieve slaapapneu. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg niet ten minste 5% van zijn aanvankelijke lichaamsgewicht is kwijtgeraakt. Adolescenten ( 12 jaar): Saxenda® kan worden gebruikt als toevoeging aan gezonde voeding en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij adolescente patiënten van 12 jaar en ouder met: obesitas (BMI overeenkomend met 30 kg/m² voor volwassenen volgens internationale grenswaarden) en lichaamsgewicht boven 60 kg. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt en heroverwogen als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg of de maximaal verdraagbare dosis niet ten minste 4% van zijn BMI of van de BMI z-score (standaarddeviatiescore) is kwijtgeraakt. Dosering en wijze van toediening: De startdosis is 0,6 mg eenmaal daags. Volwassenen: De dosis moet worden verhoogd naar 3,0 mg eenmaal daags in stappen van 0,6 mg met tussenpozen van ten minste één week om de gastro-intestinale verdraagbaarheid te verbeteren. Als verhoging naar de volgende dosisstap gedurende twee opeenvolgende weken niet wordt verdragen, moet worden overwogen de behandeling te staken. Adolescenten ( 12 jaar): De dosis moet worden verhoogd tot 3,0 mg of tot de maximaal verdraagbare dosis is bereikt. Doseringen hoger dan 3,0 mg per dag worden niet aanbevolen. Saxenda® is uitsluitend bestemd voor subcutaan gebruik. Het mag niet intraveneus of intramusculair worden toegediend. Contra-indicaties:GFEDCBDEAD@?B>D?=GEAACG=DG<DC;:98DG76A5GA5GEAACGDD4GE94G=DG>3@276A1D40G Belangrijkste waarschuwingen: Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Er is geen klinische ervaring bij patiënten met congestief hartfalen NYHA-klasse IV en liraglutide wordt daarom niet aanbevolen voor gebruik bij deze patiënten. De veiligheid en werkzaamheid van liraglutide voor gewichtsbeheersing zijn niet vastgesteld bij patiënten: van 75 jaar of ouder; behandeld met andere producten voor gewichtsbeheersing; met obesitas secundair aan endocrinologe stoornissen, aan eetstoornissen of aan de behandeling met geneesmiddelen die gewichtstoename kunnen veroorzaken; met ernstige 4?DC?473/.?-46?D+G 8D6G DC476?BDG @DEDC?473/.?-46?D0G *D)C3?;G )?(G =D:DG 296?-46D4G <AC=6G 4?D6G 994)DEA@D40G 'D6G BD)C3?;G E94G @?C9B@36?=DG EAACG BD<?.>67)D>DDC7?4BG ?7G 4?D6G A4=DC:A.>6G )?(G 296?-46D4G 8D6G @?.>6DG A5G 896?BG DC476?BDG @DEDC?473/.?-46?D0G &CG ?7G )D2DC;6DG DCE9C?4BG )?(G 296?-46D4G 8D6G %$#G "%4!98896AC G $A<D@G #?7D97D G D4G =?9)D6?7.>DG B976CA29CD7D0G 'D6G BD)C3?;G E94G @?C9B@36?=DG<AC=6G4?D6G994)DEA@D4G)?(G=D:DG296?-46D40G .36DG294.CD96?6?7G?7G<99CBD4A8D4G)?(G>D6GBD)C3?;GE94G* CD.D26AC 9BA4?76D40G 96?-46D4G8AD6D4GBD 45AC8DDC=G<AC=D4GAEDCG=DG;D4G8DC;GD4=DG7 826A8D4GE94G9.36DG294.CD96?6?70G @7GDCGDD4G vermoeden van pancreatitis bestaat, moet het gebruik van liraglutide worden gestaakt. Als acute pancreatitis bevestigd is, moet niet opnieuw met liraglutide worden begonnen. In klinische studies voor gewichtsbeheersing zijn bij patiënten behandeld met liraglutide meer gevallen van cholelithiase en cholecystitis waargenomen dan bij patiënten behandeld met 2@9.D)A0G 96?-46D4G 8AD6D4G BD 45AC8DDC=G <AC=D4G AEDCG =DG ;D48DC;D4=DG 7 826A8D4G E94G .>A@D@?6>?97DG D4G .>A@D. 76?6?70G ?C9B@36?=DG8AD6G8D6G=DG4A=?BDGEAAC:?.>6?B>D?=G<AC=D4GBD)C3?;6G)?(G296?-46D4G8D6GDD4G7.>?@=;@?DC994=AD4?4B0G&D4G76?(B?4BG ?4G=DG>9C65CD 3D46?DG?7G<99CBD4A8D4G)?(GBD)C3?;GE94G@?C9B@36?=DG?4G;@?4?7.>DG763=?D70G 96?-46D4G8AD6D4G<AC=D4GBD 45AC8DDC=G over de symptomen van een verhoogde hartfrequentie. Bij patiënten met een klinisch relevante blijvende stijging van de hartfrequentie in rust, moet de behandeling met liraglutide worden gestaakt. Klachten en symptomen van dehydratie <DC=D4G BD8D@=G )?(G 296?-46D4G =?DG )D>94=D@=G :?(4G 8D6G * CD.D26AC9BA4?76D40G 96?-46D4G =?DG )D>94=D@=G <AC=D4G 8D6G liraglutide moeten worden geïnformeerd over het potentiële risico op dehydratie met betrekking tot gastro-intestinale )?(<DC;?4BD4GD4G8AD6D4GEAAC:ACB78996CDBD@D4G4D8D4GA8GDD4GEA.>66D;AC6G6DGEAAC;A8D40G 96?-46D4G8D6G=?9)D6D7G8D@@?637G type 2 die liraglutide krijgen in combinatie met insuline en/of een sulfonylureumderivaat hebben mogelijk een verhoogd C?7?.AGA2G> 2AB@ ;D8?D0G&2?7A=D7GE94G;@?4?7.>G7?B4? .946DG> 2AB@ ;D8?DG:?(4GBD8D@=G)?(G9=A@D7.D46D4G" 12 jaar) die werden )D>94=D@=G8D6G@?C9B@36?=D0G 96?-46D4G8AD6D4G<AC=D4GBD 45AC8DDC=GAEDCG=DG;D48DC;D4=DG7 826A8D4GE94G> 2AB@ ;D8?DG en de toepasselijke maatregelen. Bij patiënten met diabetes mellitus mag Saxenda® niet worden gebruikt als een vervanger van insuline. Diabetische ketoacidose is gemeld bij insuline-afhankelijke patiënten na snelle stopzetting of dosisverlaging van insuline. Bijwerkingen: 98D4E966?4BGE94G>D6GED?@?B>D?=72CA D@ G 9 D4=9® werd op veiligheid geëvalueerd in 5 dubbelblinde, placebogecontroleerde studies bij 5.813 volwassen patiënten met overgewicht of obesitas en ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit. De meest frequent (zeer vaak) gemelde bijwerkingen tijdens klinisch onderzoek waren aandoeningen van het maagdarmstelsel, waaronder misselijkheid, braken, diarree en obstipatie. De meeste gastro-intestinale bijwerkingen waren mild tot matig ernstig en voorbijgaand van aard, en de meeste leidden niet tot staken van de behandeling. In een klinische studie uitgevoerd bij adolescenten van 12 tot 18 jaar met obesitas werden 125 patiënten blootgesteld aan Saxenda® gedurende 56 weken. Over het algemeen waren de frequentie, het type en de ernst van de bijwerkingen bij de adolescenten met obesitas vergelijkbaar met die waargenomen bij de volwassen populatie. Braken kwam tweemaal zo vaak voor bij adolescenten in vergelijking met volwassenen. Zie de volledige productinformatie voor informatie over overige bijwerkingen. Farmacotherapeutische categorie: geneesmiddelen gebruikt bij diabetes, glucagonachtig peptide 9BA4?76D4G"* 9BA4?76D4 0GATC-code: A10BJ02. U.R. Vergoeding: Niet vergoed. Datum: april 2021. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via www.lareb.nl of bij Novo Nordisk B.V.
AEAG AC=?7;G$0 0 G A76)37G G
G G @2>D4G994G=D4G ?(4+G AEAG AC=?7;G G Novo Allé, DK-2880 Bagsværd, Denemarken Telefoonnummer: 0172 - 449494, E-mail: informatie@novonordisk.com Zie voor de volledige productinformatie http://www.ema.europa.eu
Novo Nordisk B.V. |GG A76)37G GG GG
G G @2>D4G994G=D4G ?(4G G G" G G G GG GG?45AC896?D 4AEA4AC=?7;0.A8GG GG4AEA4AC=?7;04@
WETENSCHAP
Test je kennis over statistiek Er zijn allerlei manieren om je kennis te verrijken. In deze rubriek stelt statisticus Sara Baart je kennis over statistiek op de proef. De vragen Vraag 1: In een studie is een continue variabele gemeten. Deze heeft een gemiddelde van 80 met een bijbehorend 95% betrouwbaarheidsinterval: [73; 87]. Wat zal het interval zijn als ik een 90% betrouwbaarheidsinterval wil berekenen? a) [73; 87] (Blijft gelijk) b) [74; 86] (Wordt kleiner) c) [71; 89] (Wordt groter)
Vraag 2: De studie van Vraag 1 wordt herhaald met dezelfde variabele (gemiddelde = 80, 95% BI [73; 87]). De vorige studie had 30 patiënten, maar de huidige studie is een stuk groter en includeert 300 patiënten. Wat zal het interval zijn als ik opnieuw het 95% betrouwbaarheidsinterval bereken? a) [73; 87] (Blijft gelijk) b) [78; 82] (Wordt kleiner) c) [70; 90] (Wordt groter)
Juiste antwoord: B. Door dat ik meer patiënten includeer, is er meer zekerheid in de schatter van het gemiddelde en wordt het BI smaller.
Z
Juiste antwoord: B. Bij een 90% BI ben ik maar 90% zeker dat het gemiddelde in het interval ligt. In 10% van de gevallen kan het gemiddelde erbuiten vallen, dus heb ik een kleiner interval.
was
19
Sara Baart Sara Baart is statisticus in het Albert Schweitzer ziekenhuis en het Erasmus MC
ONDERZOEKER AAN HET WOORD
Ralph So:
“Een goed idee, doorzettingsvermogen en een vlotte pen helpen echt” Er wordt in het ASz veel onderzoek gedaan. Wie zijn die collega’s, wat onderzoeken ze, wat hebben ze ontdekt, wat drijft ze en hoe typeren ze zichzelf? Om die antwoorden te krijgen, leggen we regelmatig aan één van hen een aantal vragen voor. Dit keer is het de beurt aan intensivist Ralph So. Met welk onderzoek ben je bezig? “Ik doe onderzoek naar de meerwaarde van continue monitoring met Slimme Pleisters. Hierbij gaat het om het vroeg herkennen en behandelen van vitaal bedreigde patiënt op de verpleegafdelingen van de chirurgie, MDL en oncologische gynaecologie. Het onderzoek heeft de aanduiding ReMoTe-trial gekregen. Dit staat voor Clinical efficacy of Remote continuous Monitoring supplementary to intermittent monitoring compared to intermittent monitoring on a surgical ward in a large Teaching hospital in the Netherlands!” Waarom ben je aan dit onderzoek begonnen? “In 2004 bezocht één van mijn collega’s, Huibert Ponssen, een internationaal Intensive Care (IC) congres. Hij volgde een lezing over ongeplande IC-opnames. Bij veel van deze opnames zie je zo’n 8 tot 12 uur van tevoren al bepaalde “rook”signalen, dit wil
Ralph So Ralph So is intensivist in het Albert Schweitzer ziekenhuis
zeggen afwijkende waarden in de vitale functies, zoals ademhalingsfrequentie, bloeddruk en hartfrequentie. Dit gegeven was in het ASz de opmaat voor een project met ‘alarmsignalen kaartjes’, dat gecoördineerd werd vanuit intensive care. In 2008 startte het Landelijk Veiligheidsprogramma met aandacht voor tien klinische thema’s, waaronder de vroege herkenning en
20
was
Z
ONDERZOEKER AAN HET WOORD
behandeling van de vitaal bedreigde patiënt op de verpleegafdeling. In het ASz coördineerde ik hiervoor de implementatie van het SIT (spoed interventie team) en landelijk mocht ik in het adviserende team plaatsnemen. Daar is het bij mij allemaal begonnen. Uiteindelijk begon het dus met interesse voor een relevant klinisch probleem op de werkvloer, namelijk de ongeplande IC-opnames vanaf de verpleegafdeling. Op dit moment houden we met de NEWS (national early warning score), die bestaat uit 6 vitale parameters, de klinische patiënt in de gaten en onderzoeken we de eventuele meerwaarde van continue monitoring middels een slimme pleister.”
“Inspirerende samenwerkingen, publicaties en verdieping en plezier in mijn werk.”
Heb je al publicaties op je naam staan? “Jazeker, ik heb gepubliceerd op het gebied van surfactant therapie bij ARDS, ongeplande heropnames, beademing, team resource management en natuurlijk de vroege herkenning en behandeling van de vitaal bedreigde patiënt op de verpleegafdeling (spoed interventie team).” Wat zijn de eigenschappen van een goede onderzoeker? “Bij mijn eerste onderzoek gaf mijn professor me mee dat dit de eigenschappen zijn van een goede onderzoeker: je moet goede ideeën hebben, doorzettingsvermogen en je moet kunnen schrijven.” Wat is de gouden tip voor het starten van onderzoek? “Onderzoek doen is teamwork. Er is inzet en enthousiasme nodig van heel veel mensen om een onderzoek echt goed van de grond te krijgen.” Wat is je meest frustrerende onderzoekmoment geweest? “De duur van de procedure bij een externe METC. Dit wil zeggen, het goedgekeurd krijgen van een WMO-plichtig onderzoek dat vanuit het ASz is geïnitieerd. Gelukkig had ik heel veel aan alle
21
adviezen van Tamara Schaeffer, adviseur van het Wetenschapsbureau. Met doorzettingsvermogen is het gelukt en heb ik er veel van geleerd.” Wat was het allerleukste moment? “De samenwerkingen, zowel nationaal als internationaal, het uitwisselen van ideeën, het bespreken van de uitkomsten en natuurlijk het uiteindelijk gepubliceerd krijgen van je onderzoek.” Wat heeft onderzoek je gebracht? “Inspirerende samenwerkingen, publicaties en verdieping en plezier in mijn werk.”
Gewetensvragen Prospectief of retrospectief onderzoek? “Bij voorkeur prospectief, vaak uit praktisch oogpunt retrospectief.” Farmaceut als sponsor of een stipendium? “Farmaceut als sponsor, als je zelf eigenaar blijft van de data en onafhankelijk mag publiceren. Een stipendium om beperktere projecten uit te voeren en wellicht daarna groter onderzoek op te zetten. Dus om ergens te kunnen beginnen en ideeën op te zetten voor verder onderzoek.” Grote onderzoeksgroep of soloactie? “Een onderzoeksgroep heeft mijn voorkeur.” Academisch of perifeer onderzoek? “Bij voorkeur multicenter, veelal academisch geïnitieerd. Soms perifeer geïnitieerd. Maar zoals bij veel van de gewetensvragen, zijn de antwoorden contextafhankelijk. Binnen een academische omgeving zijn er meer mogelijkheden, omdat er meer ondersteuners zijn dan in het geval van perifeer onderzoek.”
GOEDGEKEURDE STUDIES
Goedgekeurde studies Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts Dubbelblind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd, fase-II-dosisbepalingsonderzoek, ter vergelijking van verschillende doses RhuDex-granulaat met placebo bij de behandeling van primaire biliaire cholangitis Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog Eerstelijns behandeling met VeNEtoclaX en ibruTinib inductie gevolgd door obinutuzumab intenSificaTie Exclusief in CLL/SLL Patiënten die niet in complete remissie zijn en/of met detecteerbare minimale residuale ziekte in het beenmerg. (NEXT STEP trial) Drs. E. de Jongh, internist-hematoloog Rol van Erfelijke Factoren bij Late EffeCten van TherapIE Dr. M. de Jong, kinderarts Supplemental oxygen strategies in children with bronchopulmonary dysplasia after the NICU Dr. E.F.H. van Bommel, internistnefroloog Retroperitoneal fibrosis (RPF) Registry ASz Drs. L. Louter, internist-geriater The Dutch multicentre study into opportunistically screening Geriatric patients for Atrial Fibrillation using a PPG smartphone App; the DutchGERAF Study Drs. E.R.E. van Thiel, longarts A Randomized Phase 3 Study of Sitravatinib in Combination with Nivolumab Versus Docetaxel in Patients with Advanced Non-Squamous Non-Small Cell Lung Cancer with Disease Progression On or After PlatinumBased Chemotherapy and Checkpoint Inhibitor Therapy (SAPPHIRE)
Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts Een multicentrisch, gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd fase 2b/3-onderzoek met parallelle
Drs. L. van der Straten, arts-onderzoeker interne geneeskunde RNA sequencing in subset #8 CLL patients and Richters transformation
Drs. W.J.B. Blox, longarts Steroid Tapering in Obese Patients with type 2 low asthma
N. Vischer, verpleegkundige Flashmobstudie Landelijke meetdag palliatieve zorg
Dr. M.B.E. Menke-Pluijmers, chirurg Evaluation of retrospectively collected imaging exams during neoadjuvant systemic therapy of patients included in the Dutch prospective multicenter validation study radioactive iodine seed localization in the axilla with the sentinel node procedure
Dr. E. van den Bos, cardioloog Diagnostische accuraatheid van het bepalen van de centraal veneuze druk aan de hand van de echografische beoordeling van de vena jugularis interna bij patiënten met hartfalen: een crossectionele studie
A. Panasewicz, anesthesioloog Validation of Questionnaire on Preoperative knowledge of anesthesia Dr. I. Tchetverikov, reumatoloog PeRsonalIzed MEdicine in Rheumatoid Arthritis (PRIMERA trial): A multicentre, single-blinded, randomized controlled trial comparing usual care with a tailormade approach Drs. H.H. Ponssen, internist-intensivist Spreken tijdens de mechanische beademing op de intensive care Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts The OCEAN study: a randomised, open-label clinical trial assessing the efficacy of octreotide to decrease blood and iron requirements in patients with refractory anaemia due to gastrointestinal bleeding from angiodysplasias Dr. S. Schol-Gelok, SEH-arts De voorspellende waarde van de prehospitale beoordeling op wervelfracturen van ambulanceverpleegkundigen: een prospectieve studie
Drs. R. Van Leendert, internist A Phase II, randomized, double blind, parallel group,46 weeks dose-finding study of BI 456906 administered once weekly subcutaneously compared with placebo in patients with obesity or overweight Drs. H.H. Ponssen, internist-intensivist Ademt u maar diep in.... Drs. A.C.G. van Hooren, adviseur oncologische zorg (Cost)Effectiveness of Blended and UnguideD DeliverY of Mindfulnessbased Cognitive Therapy versus Care as Usual for cancer patients: BUDDY project Drs. K. de Jong, ANIOS gynaecologie Post-treatment outcomes in frail elderly women with pelvic floor disorders Drs. S. Dik, longarts A Randomized, Double-blind, Placebocontrolled, Parallel-group, 52-week Pivotal Study to Assess the Efficacy, Safety, and Tolerability of Dupilumab in Patients with Moderate-to-severe Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) with Type 2 inflammation
22
was
Z
GOEDGEKEURDE STUDIES
Dr. R. Smeenk, chirurg Antibiotic treatment following surgical drainage of perianal abscess Dr. P.E. Westerweel, internist-hematoloog Modelling big laboratory data and clinical data to predict outcomes in COVID-19 patients Dr. J. van der Net, internist Randomised, double-blind (within dose groups), placebocontrolled and parallel group trial to investigate the effects of different doses of oral BI 685509 given over 20 weeks on UACR reduction in patients with diabetic kidney disease Dr. R.M. Oemrawsingh, cardioloog Evaluation of a modified Anti-Platelet Therapy associated with low-dose rapamycin DES Firehawk in Acute Myocardial Infarction Patients treated with complete revascularization strategy Dr. N. Wondergem, uroloog Voorspellende risicofactoren voor een postoperatieve ileus na een radicale cystectomie; een retrospectief dossieronderzoek Drs. G.M. Nieuwenhuyzen-de Boer, gynaecoloog-oncoloog Archipelago of Ovarian Cancer Research Dr. P.E. Westerweel, internist-hematoloog Het effect van COVID19 vaccinatie op trombocyten het aantal van patiënten met een immuun trombocytopenie (ITP) Dr. L.M.M. Wolters, MDL-arts Colon Capsule Endoscopy as an alternative for CT-colonography in colorectal cancer screening
23
Dr. J. van der Net, internist A Phase 2b Multicentre, Randomised, Double-Blind, Placebo- Controlled, Parallel Group Dose-Ranging Study to Assess the Efficacy, Safety and Tolerability of Zibotentan and Dapagliflozin in Patients with Chronic Kidney Disease with Estimated Glomerular Filtration Rate (eGFR) Between 20 and 60 mL/min/1.73 m2
Dr. S. Schol-Gelok, SEH-arts Zorggebruik van vijf vormen van diagnostiek en behandelingen op de spoedeisende hulp in Nederland Drs. A.S.M. Vinkesteijn, gynaecoloog Variation in Labour Induction
Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog Een multicenter, gerandomiseerd, prospectief, open-label fase 3-onderzoek die ibrutinib als monotherapie vergelijkt met Venetoclax plus Obinutuzumab in een vast aantal kuren en Venetoclax plus Ibrutinib in een vast aantal kuren bij patiënten met niet eerder behandelde chronische lymfatische leukemie
A. Gottschalk, afdelingshoofd dialyse The IMITAS study: IMplementation of fIrst Trimester Anomaly Scan
Dr. J. de Beukelaar, neuroloog Dealing with uncertainty: a care-ethical phenomenological study of people with RRMS Dr. R.K.L. So, anesthesioloog-intensivist Clinical efficacy of Remote continuous Monitoring supplementary to intermittent monitoring compared to intermittent monitoring on a surgical ward in a large Teaching hospital in the Netherlands Dr. R.M. Oemrawsingh, cardioloog Distal Evaluation of Functional performance with Intravascular sensors to assess the Narrowing Effect: Guided Physiologic Stentin Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog Een niet-interventioneel, observationeel onderzoek in meerdere landen met isatuximab bij patiënten met recidiverend en/of refractair multipel myeloom (RRMM)
Dr. H. Kerkhoff, neuroloog SimUlatioN model for acute StrokE sTudy
Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts Optical IIb: Evaluation of implementation of optical diagnosis of T1 colorectal carcinoma in non-pedunculated polyps Dr. S. Schol-Gelok, SEH-arts Return of Spontaneous Circulation (ROSC) and hypotension in patients after out-of-hospital cardiac arrest (ROSC-HT-Retro); a multicenter retrospective cohort study Dr. E.W. Bouman, internist-oncoloog LIMA studie - “Liquid biopsies and imaging" Drs. R. Van Leendert, internist A long-term extension trial of the phase III lipid-lowering trials to assess the effect of long-term dosing of inclisiran given as subcutaneous injections in subjects with high cardiovascular risk and elevated LDL-C (Orion-8) Drs. J. van den Bosch, internist-oncoloog Intercellulaire heterogeniteit in circulerende tumor cellen van de novo gemetastaseerde hormoon sensitieve prostaat kanker patiënten.
IN THE SPOTLIGHT
De vakgroep Klinische Fysica
De vakgroep Klinische Fysica (v.l.n.r.): Yaro Roodenburg (technisch geneeskundige io), Jeroen Bosman, Maud Bomert (klinisch informaticus io), Esther van Schrojenstein, Paul Nijsse (technisch geneeskundige io), Dennis Dickerscheid, Klara Chmiel (technische natuurkunde). Niet op de foto: Sara Laros (aios kf) en Stephan Blazis (aios kf).
In de rubriek ‘In the spotlight’ zetten we telkens de schijnwerper op één van de vele afdelingen van het ASz. We belichten de mensen die er werken en het werk dat ze doen, met de nadruk op het wetenschappelijk onderzoek. Dit keer staat de Vakgroep klinische fysica in het licht.
De afgelopen jaren is een grote toename zichtbaar van de complexiteit van medische apparatuur en de integratie van medische technologie en informatie technologie. We zien dit ook in het ASz. Denk bijvoorbeeld aan geavanceerde medische beeldvorming, de eerste implementaties van AI (Artificial Intelligence) -software, 3D geprinte modellen van CT-scans en VR (Virtual Reality) -brillen die worden ingezet bij de stralingsscholing en natuurlijk Robin, de robot die zelfstandig tussen afdelingen heen en weer pendelt. Daarnaast is ook de regelgeving rondom de toepassing van medische technologie sterk toegenomen. Om onder deze omstandigheden doelmatig en veilig medische technologie in te kunnen zetten, gebruikt de klinisch fysicus zijn of haar expertise bij de aanschaf, introductie en het gebruik van nieuwe apparatuur. Gevraagd en ongevraagd treden we op als adviseurs voor de kwaliteit van meet- en beeldvormende appara-
24
was
Z
IN THE SPOTLIGHT
tuur, medische investeringen, stralingshygiëne, en de introductie van nieuwe methoden en technieken. Met die kennis en ervaring hebben we in de afgelopen jaren vanuit de vakgroep bijvoorbeeld ook bijgedragen aan de totstandkoming van landelijke richtlijnen voor minimaal invasieve chirurgie, werken met therapeutische doses radionucliden en beeldvorming met ioniserende straling [1,2]. In de vakgroep Klinische Fysica van het Albert Schweitzer ziekenhuis werken drie klinisch fysici, twee klinisch fysici in opleiding en een klinisch informaticus in opleiding. Ook zijn er altijd wel één of meerdere HBO en WO studenten van verschillende opleidingen die bij ons stage lopen. Sinds deze maand zijn we voor het eerst de samenwerking aangegaan met masterstudenten technische geneeskunde van de TU Delft. Onderzoek doen Het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek hoort ook tot de taken van de klinisch fysicus. De rode draad hierbij is steeds de toepassing van (nieuwe) medische technologie. Het kan dan gaan om een klinische evaluatie van een nieuw medical device zoals een CT of MRI-scanner met nieuwe functionaliteit. We onderzoeken dan in de klinische praktijk of bijvoorbeeld de door de leverancier beloofde verbeterde beeldkwaliteit inderdaad ook wordt behaald en belangrijker, of die ook toegevoegde waarde heeft. Ook initiëren we zelf onderzoeken naar de klinische inzetbaarheid van nieuwe technologieën. In het recente verleden ontwikkelden we zo met een student van de universiteit Utrecht applicaties voor de Hololens VR-bril en een app voor smartphones, om het stralingsonderwijs voor medewerkers die met röntgenstraling werken te verbeteren [3]. Een andere grote ontwikkeling is de inzet van artificiële intelligentie voor de ondersteuning van diagnostiek. In het ASz wordt op de afdeling radiologie gebruik gemaakt van deze slimme software voor het automatisch detecteren van longnoduli op CT-scans, hoog risico gebieden op mammogrammen en kwantificatie van witte stof laesies op MRI-scans voor MS-patiënten. We hebben in het afgelopen jaar samen met de afdeling Radiologie twee onderzoeken afgerond [4,5] waarbij we allereerst hebben
25
gekeken naar de toegevoegde waarde in de klinische praktijk van het AI-programma dat longnoduli kan detecteren op CT-scans. We hebben bijvoorbeeld vast kunnen stellen wat de negatief voorspellende waarde van het gebruikte algoritme was en hoeveel vals positieve noduli er gemiddeld per scan worden gevonden. In het verlengde van dit onderzoek hebben we ook gekeken hoe gevoelig het algoritme is bij verandering van de beeldkwaliteit van de CT. De resultaten van deze onderzoeken geven de radioloog allereerst beter inzicht in de werking van deze software en ze helpen bij het aantonen en objectiveren van de mogelijke toegevoegde waarde.
“We hebben bijvoorbeeld vast kunnen stellen wat de negatief voorspellende waarde van het gebruikte algoritme was en hoeveel vals positieve noduli er gemiddeld per scan worden gevonden.” Zelf algoritmes ontwikkelen Door de expertise die we hebben opgedaan op het gebied van artificiële intelligentie met deze initiële validatieonderzoeken, zijn we ook gaan kijken of het mogelijk is zelf algoritmes te ontwikkelen die in staat zijn om ‘slimme’ voorspellingen op medische data te maken. Een voorbeeld daarvan is een onderzoek met de afdeling Nucleaire Geneeskunde, waarbij we zelf een voorspellend algoritme voor de classificatie van hilaire lymfknopen bij patiënten met longkanker hebben ontwikkeld. Bij een patiënt met longkanker moet je een (nucleaire) PET-CT-scan maken om uitzaaïngen (metastasen) in kaart te brengen. PET-CT heeft een beperkte sensitiviteit voor deze lymfkliermetastasen, en een hoge sensitiviteit. Dus: als je geen ‘vlekjes’ ziet, zijn er vrijwel zeker geen metastasen, als er wel vlekjes zijn is ongeveer 70% een metastase en 30% niet. Menselijke visuele beoordeling is niet in staat om het verschil te maken tussen metastase en niet-metastatische
IN THE SPOTLIGHT
lymfklieren. Aanwezigheid van metastasen kan worden bevestigd met een bronchoscopie, een onprettige invasieve procedure waarbij je biopten neemt. We hebben vanuit het ASZ in een samenwerking met het Diakonessenhuis in Utrecht een database met PET-CT scans van ruim 500 patiënten met longkanker opgebouwd. Van een deel van deze groep zijn ook de uitslagen van de verschillende biopten beschikbaar (dus ground truth: maligne of niet). Hoewel inmiddels wereldwijd veel groepen zich bezig houden met detectie en classificatie van verschillende pathologieen binnen de radiologie, wordt er maar weinig gedaan met PET-CT-beelden uit de nucleaire geneeskunde. De relatief kleine en sterk ongebalanceerde dataset in combinatie met de PET-beelden en de slechtere resolutie (maar sensitief voor metabool actieve fysiologische processen), maken dit een erg leuk maar complex project. Zoals uit het bovenstaande al blijkt doen we al dit onderzoek niet alleen, maar doen we dit samen met verschillende afdelingen, klinisch fysici in opleiding en studenten van technische studies zoals technische natuurkunde of technische geneeskunde en hopen dit in de toekomst nog verder uit te kunnen gaan bouwen. Verderop in dit nummer stellen de technisch geneeskundige studenten zich voor en geven een uitleg van hun onderzoeksprojecten.
Referenties 1. https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/minimaal_invasieve_chirurgie_mic/startpagina__minimaal_invasieve_chirurgie_mic.html 2. https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/therapeutische_doses_radionucliden/startpagina_-_therapeutische_dosis_radionuclide n.html 3. https://ideasz.nl/albert-schweitzer-ziekenhuis-maakt-rontgenstraling-zichtbaar-in-augmented-reality-app/ 4. Blazis SP, Dickerscheid DBM, Linsen PVM, Martins Jarnalo CO. Effect of CT reconstruction settings on the performance of a deep learning based lung nodule CAD system. Eur J Radiol. 2021 Mar;136:109526. doi: 10.1016/j.ejrad.2021.109526. Epub 2021 Jan 8. PMID: 33453573. 5. Martins Jarnalo CO, Linsen PVM, Blazís SP, van der Valk PHM, Dickerscheid DBM. Clinical evaluation of a deep-learning-based computer-aided detection system for the detection of pulmonary nodules in a large teaching hospital. Clin Radiol. 2021 Aug 14:S0009-9260(21)00382-2. doi: 10.1016 /j.crad.2021.07.012. Epub ahead of print. PMID: 34404517.
26
was
Z
IN THE SPOTLIGHT
Wie is wie? In deze rubriek zetten we iemand in het spotlicht die in en rond het ASz een rol speelt, maar die niet iedereen kent. Dit keer beginnen we dicht bij huis. In het colofon van dit blad staat ‘Redactionele begeleiding Math de Vaan, Delfgauw’. Als redactie hebben we veel met Math te maken omdat hij al onze stukken redigeert! De redactie zocht Math op in zijn woon- en werkplaats en legde hem een aantal kennismakende vragen voor. Wat doe je in het dagelijks leven? “Ik ben organisatieadviseur. Ik help organisaties met allerlei vraagstukken op het werk. Ik heb een praktijk hier in Delfgauw en ben partner bij Van de Bunt Adviseurs in Amsterdam. Eerder gaf ik bij de Consumentenbond en de Wereldomroep leiding aan onderzoeks- en beleidsteams. Als basis voor mijn werkzame leven, studeerde ik sociale wetenschappen in Leiden. Een aantal jaren geleden heb ik de academie weer omarmd en een promotiestudie gedaan rond het thema ‘macht in organisaties’.” Als je niet werkt, wat doen je dan? “M’n hoofd uitzetten en lekker met m’n handen werken. Er is hier altijd veel te doen. Hagen en bomen snoeien, schilderen, een schuurtje maken. En in de garage staat mijn grote tweede liefde, een Citroen DS uit 1966. Een auto dus. Bijna dertig jaar geleden in Parijs gekocht van de eerste eigenaar, een piloot van Air France. Als de zon schijnt, start ik de motor. Dan komt de carrosserie langzaam omhoog en zoef ik een minuut later door de polder.” Hoe lang redigeer je al kopij voor ons? “Vanaf het eerste nummer in september 2009. Met een collega-adviseur heb ik toen voor het ASz een opzet gemaakt voor dit onvolprezen tijdschrift. We ontwikkelden een bladformule en deden voorstellen voor de vormgeving en de wijze van produceren. De begeleiding van de redactie hoorde hier ook bij. Ik nam dit voor mijn rekening, omdat ik al eerder bladen had gemaakt en zelf redacteur ben geweest. De redactie een handje helpen vind ik nog steeds erg leuk. Zwijgend achter mijn computerscherm met taal spelen, is echt iets anders dan mijn analyseen praatwerk als organisatieadviseur.” Welke artikelen vind je leuk om te redigeren? “De columns over het promotieleven lees ik altijd met plezier. Maar ik doe er bijna niets aan, af en toe een ‘d’ of een ‘t’. Ik hou ook van de wetenschappelijke artikelen, omdat ze gaan over een vakgebied dat niet het mijne is. Je zou kunnen denken dat het dan lastig is de redactionele tanden te zetten in kopij over bijvoorbeeld ‘risicofactoren voor cerebraal veneuze trombose’. Ik vind het juist heerlijk m’n hersentjes hierop te laten kraken.” Wil je ons nog een WASz-advies geven? “Zeker. Vooral zo doorgaan! Ik vind het sterk aan WASz dat er regelmatig een nieuwe redactieploeg is. Dit zorgt voor telkens nieuwe ideeën voor rubrieken en benaderingen van het wetenschappelijke. Zo blijft een blad bij de tijd en relevant. En zo lang ik hieraan een bescheiden bijdrage kan leveren, doe ik dat met plezier.”
27
Math de Vaan Redactionele begeleider WASz
WETENSCHAP
Conditie en leefstijl van patiënten binnen drie weken verbeteren
Prehabilitatie voor een longkanker operatie Geertruid Marres Geertruid Marres is chirurg in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Een van haar aandachtsgebieden is longchirurgie.
In dit interview vertelt chirurg Geertruid Marres ons over een haalbaarheidsonderzoek naar een intensief trainingsprogramma bij patiënten die een operatie zullen ondergaan vanwege longkanker. Het onderzoek werd ruw onderbroken door de COVID-19-lockdown, maar gelukkig meteen hierna weer opgepakt. De studie leverde mooie resultaten op en leidde tot een goed lopend prehabilitatie-programma om mee verder te kunnen. De pandemie heeft het belang van een goede condi-
De afgelopen jaren hebben we al veel vooruitgang geboekt door minder invasieve operatietechnieken (kijkoperaties) en verbetering van perioperatieve zorg binnen ons Enhanced Recovery After Thoracic Surgery (ERATS)-programma. De schakel die nog miste was vooraf verbeteren van de conditie van de patiënt zelf: prehabilitatie. Optimaal voorbereiden op een zware operatie klinkt vanzelfsprekend, maar een intensief prehabilitatie programma is dat nog niet.
tie en leefstijl van patiënten nog eens extra onderstreept. Waarom zijn jullie met deze studie gestart? “Als bij een patiënt longkanker wordt vastgesteld, is een operatie de eerste keus. Wegsnijden geeft de beste overlevingskansen, maar is slechts bij 25% van de nieuwe longkankerpatiënten mogelijk. Dit wordt bepaald door de tumor, eventuele uitzaaiingen en door de conditie van de patiënt. We hebben te maken met een groep kwetsbare patiënten, waarbij we dan ook nog een deel van een vitaal orgaan gaan weghalen. Daarom zijn we continu bezig om de impact van de operatie zo klein mogelijk te maken.
In binnen- en buitenland is bij operaties voor dikke darmkanker al veel ervaring met prehabilitatie. Het zorgt voor drastische vermindering van complicaties, kortere opnameduur en sneller herstel. De literatuur laat de grootste verbetering zien bij patiënten die cardiopulmonaal in een slechte conditie zijn. Dit is ook precies de groep patiënten die wij zien voor longresecties. Een uitdaging bij patiënten met longkanker is echter de tijd tot operatie. De huidige norm geeft aan dat tussen het moment van diagnose en de longoperatie maximaal drie weken tijd mag zitten. Algemeen werd aangenomen dat dan ook nog prehabilitatie daarbinnen niet haal-
28
was
Z
WETENSCHAP
baar zou zijn: te zwaar, stressvol en te korte tijd om iets te bereiken. Ondanks deze korte periode zijn wij overtuigd van de voordelen en mogelijkheden van prehabilitatie bij juist deze groep patiënten. Daarom zijn we gestart met een haalbaarheidsonderzoek.” Wat houdt het prehabilitatie-programma in? “Voor elke patiënt wordt een programma op maat gemaakt, aangepast aan de conditie. Dit bestaat uit 5 onderdelen, in een periode van drie weken. a) fysieke training, namelijk 3x per week hoog intensieve conditie en krachttraining (HIT) door de fysiotherapeut en de andere dagen laag intensieve trainingen thuis. b) trainen van de ademhalingsspieren met oefeningen, c) voedingsadvies van een diëtist plus eiwit- en vitaminesuppletie, d) ondersteuning bij het stoppen met roken, e) mentale begeleiding door een medisch psycholoog. Juist de combinatie van de onderdelen samen blijkt het sterkste effect te geven, meer dan de onderdelen apart. We zijn als ASz, samen met het Maxima Medisch Centrum (MMC), het eerste ziekenhuis in Nederland dat prehabilitatie zo uitgebreid aanbiedt aan deze specifieke patiëntgroep.”
”Optimaal voorbereiden op een zware operatie klinkt vanzelfsprekend, maar een intensief prehabilitatie programma is dat nog niet.”
team een hoop energie in geïnvesteerd, echt een gezamenlijke effort. In januari 2020 konden we dan echt van start . Ons doel was om in zowel het ASz als het MMC, per ziekenhuis tien patiënten te prehabiliteren. Daarnaast zou elk centrum tien controlepatiënten meenemen. De exclusiecriteria waren het niet mogen trainen vanwege andere aandoeningen en een slechte nierfunctie. We meten in hoeverre de onderdelen van het programma zijn uitgevoerd en daarnaast conditie en kracht voor en na prehabilitatie (voor de ingreep) en een aantal weken na de operatie. Ook vullen patiënten vragenlijsten in. En toen kwam COVID-19 … “Inderdaad, met de lockdown. We waren net goed op dreef. De eerste patiënten waren al geïncludeerd en getraind. Ook zagen we al verbeteringen. Patiënten waren enthousiast, gemotiveerd en sterker geworden. Niet alleen hun conditie maar ook mindset veranderde. Maar door COVID-19 is alles stilgelegd. We konden geen controlemetingen meer uitvoeren, het was te riskant om patiënten naar het ziekenhuis te laten komen. Er kwamen uiteraard wel nieuwe patiënten met longkanker bij, maar die konden we niet includeren. Uiteindelijk heeft alles zo’n half jaar stilgelegen, maar zodra het veilig kon, zijn we weer van start gegaan en de studie is nu afgerond. De pandemie heeft ons ergens ook wel geholpen. Het grote belang van conditie en leefstijl is nog eens extra duidelijk geworden, waardoor er ook meer aandacht is gekomen voor prehabilitatie. Dat is ook nodig. De meeste patiënten moeten echt (op weg) geholpen worden. Het is logisch om te investeren om complicaties te voorkomen (tertiaire preventie) in plaats van veel geld en middelen uit te geven om die te behandelen. Toch wordt prehabilitatie nog niet standaard vergoed. Daardoor missen veel patiënten de kans beter hun behandeling in te gaan en er beter doorheen te komen. Gelukkig zijn er veel zorgverleners en organisaties zoals Fit4Surgery die zich daar hard voor maken. Prehabilitatie moet een integraal onderdeel vormen van de preoperatieve zorg.”
Hoe hebben jullie de studie opgezet? “Het doel van onze studie is het toetsen van de haalbaarheid van het veilig en goed uitvoeren van een intensief prehabilitatieprogramma bij patiënten die een longresectie zullen ondergaan. Begin 2019 zijn we gestart met het opzetten van het programma. Er moest veel uitgezocht worden: hoe willen we het programma vormgeven, wat is mogelijk in die slechts drie weken tussen diagnose en operatie, en hoe gaan we dit organiseren? Het multidisciplinaire team in het centrum voor longkanker in het ASz was meteen enthousiast. Ook zijn we een samenwerking gestart met het MMC - experts op het gebied van prehabilitatie bij onder andere dikke darmkanker. Uit de literatuur wisten we dat met HIT ook in korte tijd duidelijke verbetering in conditie en kracht te bereiken zijn, zeker als je dit combineert met de juiste voeding, eiwitten en stoppen met roken. Toch blijkt het dan nog steeds een uitdaging om zo’n multidisciplinair programma inhoudelijk en logistiek op elkaar af te stemmen. Daar hebben veel collega’s uit het
29
Voorbeeld van een prehabilitatie oefensessie.
WETENSCHAP
Wat zijn de belangrijkste resultaten? “In totaal zijn 27 patiënten geïncludeerd, verdeeld over twee ziekenhuizen. We hebben slechts 3 controlepatiënten kunnen includeren. Patiënten kregen namelijk de keuze of ze wel of niet mee wilden doen aan prehabilitatie, en vrijwel elke patiënt koos voor meedoen. We hebben eigenlijk geen negatieve reacties gekregen, noch van patiënten noch van zorgverleners. Alle patiënten hebben het programma als (zeer) nuttig ervaren. Bovendien waren hun conditie en kracht significant verbeterd. Voor elke patiënt was het doel om tenminste 80% van de onderdelen uit te voeren. In het ASz is dit doel is door 94% van de patiënten gehaald. De primaire vraag of we dit prehabilitatie-programma goed en veilig uit kunnen voeren bij deze groep patiënten kan beantwoord worden met een volmondig ja!”
”Niet alleen de ziekte behandelen, maar ook gezondheid bevorderen. Als mensen in een betere conditie een behandeling ingaan, kun je complicaties helpen voorkomen en uitkomst verbeteren” Wat hoop je te kunnen bereiken met deze studie? “Niet alleen de ziekte behandelen, maar ook gezondheid bevorderen. Als mensen in een betere conditie een behandeling ingaan, kun je complicaties helpen voorkomen en uitkomst verbeteren. Daarmee komen er ook meer mogelijkheden voor (na) behandeling beschikbaar. Daarnaast willen we een duurzame verandering in leefstijl bewerkstelligen. Zo zag ik laatst een van onze eerste studiepatiënten terug, dus ruim anderhalf jaar nadat ze het programma had doorlopen. Door haar deelname heeft ze ervaren wat er allemaal mogelijk was, en haar leefstijl blijvend veranderd.
Ook in haar omgeving had het positieve veranderingen teweeggebracht. Dat is prachtig om te zien. Patiënten hebben door de diagnose veel stress, maar door dit programma krijgen ze grip op hun situatie en kunnen ze zelf actief bijdragen aan een goede uitkomst. Dit geeft ook mentale houvast, ze zitten niet alleen maar te wachten tot ze aan de beurt zijn bij de chirurg. Ze worden op deze manier echt onderdeel van het behandelteam.” Hoe gaan jullie verder met de resultaten? “Er staat nu een team en een programma en we gaan dit prehabilitatieprogramma blijvend aanbieden aan onze longpatiënten. Vanuit andere vakgebieden zoals de colorectale chirurgie en buitenlandse studies op long gebied zijn de verbeteringen dermate goed met minder complicaties en een kortere opnameduur dat het moment voor een vergelijkende studie snel passeert. Bovendien zien we dat patiënten er zelf voor willen kiezen. Om de uitkomsten te kunnen blijven analyseren en het programma gaandeweg te verbeteren, houden we data bij in een prospectieve, observationele studie. Op dit moment wordt een flink deel van het prehabilitatie-programma nog uitgevoerd in het ziekenhuis en op de polikliniek van de fysiotherapie. Het uiteindelijke doel is dat het programma hier wordt gemaakt maar de patiënt zoveel mogelijk dichtbij huis in de eerste lijn en thuis kan uitvoeren. Daarvoor werken we aan een netwerk met eerstelijns fysiotherapeuten in het adherentiegebied van het ASz. Daarnaast onderzoeken we digitale mogelijkheden, bijvoorbeeld via de thuismonitoring-app die nu voor COVID-19 patiënten wordt gebruikt. We hopen dat dat patiënten helpt meer zelf te doen en makkelijker maakt om prehabilitatie breder in te zetten. Bijvoorbeeld voor andere patiëntgroepen in het ASz, waarbij weer andere vakgroepen betrokken zijn: bijvoorbeeld de GE-chirurgie, urologie, gynaecologie en hematologie. Sinds dit jaar hebben we ook een sportarts in huis. Het zou mooi zijn als we prehabilitatie ziekenhuisbreed kunnen gaan inzetten.”
30
PATIËNTEN DIE CIMZIA® GEBRUIKEN HEBBEN NU MEER KEUZE1
OF
Voorgevulde spuit
OF
AutoClicks® voorgevulde pen
ava Connect® en dosisverstrekkingspatroon
EN ZE KRIJGEN MEER ONDERSTEUNING DANKZIJ CIMPLYME®
CimplyMe® is een begeleidings-app voor patiënten met CIMZIA® die synchroniseert met ava Connect® en te gebruiken is in combinatie met de voorgevulde spuit en autoclicks. De app is ontwikkeld met als doel de patiënt te ondersteunen bij zelfmanagement en therapietrouw. Hierdoor wordt de samenwerking tussen u en uw patiënt verbeterd en de vertrouwensband versterkt.
NL-P-CZ-AS-2100021
Een begeleidings-app voor patiënten die CIMZIA® gebruiken. CimplyMe® kan synchroniseren met ava Connect®.
WETENSCHAP
Is R de opvolger van SPSS? Voor het analyseren van gegevens uit klinisch onderzoek heb je statistische software nodig. Veel analyses zijn goed uit te voeren met het programma SPSS, dat voor veel onderzoekers lang de standaard is geweest. Dit programma is eenvoudig te hanteren: de gebruiker klikt de gewenste statistische techniek aan via het menu. SPSS werkt goed voor eenvoudige analyses, maar kent beperkingen bij het uitvoeren van complexe statistische analyses. Voor biostatistisch en ander kwantitatief onderzoek, zoals het ontwikkelen van nieuwe statistische methoden, is het programma R al langer de standaard. In de laatste jaren zien we dat R ook aan populariteit wint bij toegepast onderzoek. In dit artikel laten we zien waarom dit zo is.
Joost van Rosmalen Joost van Rosmalen is statisticus in het Erasmus MC en Albert Schweitzer ziekenhuis.
Het programma R Dit programma is een gratis softwarepakket voor statistische en andere kwantitatieve analyses, met een open source licentie. R is ontworpen door Ross Ihaka en Robert Gentleman en wordt tegenwoordig bijgewerkt door het R Core Team en de R Foundation for Statistical Computing. Het programma is gratis, omdat het door en ten behoeve van statistische onderzoekers is ontwikkeld. R heeft een command line interface, dat wil zeggen dat commando’s voor het uitvoeren van analyses moeten worden ingetypt, in plaats van aangeklikt in een menu. Bij het schrijven van een artikel is het raadzaam alle commando’s op te slaan in de vorm van een script of een functie, zodat de resultaten gemakkelijk kunnen worden gereproduceerd. R fungeert ook als een programmeertaal, zodat er in R scripts en functies kunnen worden geschreven voor het uitvoeren van complexe databewerkingen en nieuwe statistische technieken. Het programma beschikt over speciale typen variabelen (zoals matrices en data frames) die geschikt zijn voor het representeren van gegevens van databestanden. Een belangrijke functionaliteit in R is de beschikbaarheid van packages, oftewel softwarebundels, waarmee functies voor specifieke statistische technieken kunnen worden gedownload. Voor bijna elke statistische methode is een package beschikbaar, via de online database van het Comprehensive R Archive Network (CRAN). Deze packages worden geschreven door statistici en andere experts van over de hele wereld. Er zijn meer dan 16.000 packages beschikbaar via CRAN. Bij elk package is ook documentatie en een helpfunctie beschikbaar. Voor- en nadelen van R Commerciële statistische softwarepakketten zoals SPSS bieden vaak een beperkt repertoire aan statistische technieken. Een belangrijk voordeel van R is dat het toegang biedt tot bijna alle statistische technieken. De gebruiker hoeft alleen maar het geschikte package te zoeken en te installeren. Omdat R een
32
was
Z
WETENSCHAP
programmeertaal is, kan ook bijna elke complexe databewerking worden uitgevoerd in R. Een ander voordeel van R is dat het geschikt is voor analyses met grote databestanden (big data analyses) met een complexe structuur, zoals herhaalde metingen en grote aantallen variabelen. R bevat ook uitgebreide functies voor het creëren van figuren van hoge kwaliteit, zodat die direct bruikbaar zijn als onderdeel van een manuscript en in het juiste format, zoals tiff, pdf of jpeg. Omdat het intypen van commando’s via een command line voor veel gebruikers niet praktisch is, wordt R meestal gebruikt in combinatie met een grafische schil of interface. Een veelgebruikt programma is RStudio. Zo’n hulpprogramma maakt het ook makkelijker om scripts te schrijven, resultaten te bekijken en figuren op te slaan in een geschikt format. Een belangrijk nadeel van R is dat het voor nieuwe gebruikers wat tijd kost om de belangrijkste functies en commando’s te leren kennen. Er is geen simpel overzicht van alle mogelijke functies. Daarnaast is het in R iets lastiger om een goed overzicht te krijgen van de data. In het spreadsheet-achtige format van SPSS is dat makkelijker. Een nadeel van het schrijven van scripts in R is dat er soms fouten worden gemaakt in de code, vaak met gevolgen voor de resultaten. Het is dus zaak die scripts te controleren op fouten. Met een waardering in plussen en minnen, zijn in het kader de belangrijkste voor- en nadelen op een rij gezet.
Conclusie We zien dat R langzaam maar zeker aan populariteit wint. Zo wordt in het meeste statistiekonderwijs voor arts-onderzoekers R gebruikt in plaats van SPSS of andere programma’s. Toch is SPSS voor veel standaard statistische analyses, zoals t-toetsen en chikwadraat toetsen, prima geschikt. Waarschijnlijk blijft SPSS voor eenvoudige analyses de komende jaren een populair programma. Voor het uitvoeren van complexe analyses, geavanceerde databewerkingen en het creëren van figuren van hoge kwaliteit, wordt R naar verwachting een van de meest populaire programma’s bij onderzoekers. R kan gratis worden gedownload via https://www.r-project.org. Packages kunnen in het programma worden gedownload via de online database van CRAN, https://cran.r-project.org. De grafische interface RStudio is ook gratis en te downloaden via https://www.rstudio.com. Het programma R zelf wordt regelmatig aangepast en het is verstandig af en toe te updaten naar de nieuwste versie. Via het Leerhuis wordt door ons elk jaar een introductiecursus over R gegeven. Deze cursus is toegankelijk voor iedereen die in het ASz betrokken is bij wetenschappelijk onderzoek. Tevens kunnen onderzoekers in het ASz bij ons terecht voor statistisch advies en voor het uitvoeren van analyses. Mail naar Joost van Rosmalen ( j.vanrosmalen@asz.nl) of Sara Baart (s.j.baart@asz.nl).
Voor- en nadelen van R ten opzichte van SPSS
Aspect
R
SPSS
Beschikbaarheid van verschillende statistische technieken
++
+ Niet alles is mogelijk
Kwaliteit grafische uitvoer, zoals figuren
++ Veel opties in specifieke packages
+/Figuren zijn meestal niet direct geschikt voor een journal, soms is een ander programma nodig voor de opmaak.
Uitvoeren van complexe databewerkingen
+ Bijna alles is mogelijk met de
+/SPSS is niet makkelijk te gebruiken voor complexe
syntax van R, mits de onderzoeker kan programmeren.
databewerkingen. Grote steekproeven zijn meestal geen probleem.
Gebruiksgemak
+/Door de command line interface kost het tijd om R aan te leren.
++ Via het menu kan er eenvoudig een keuze worden gemaakt voor de juiste statistische techniek.
Kosten
++ R en alle bijbehorende programma’s zijn open source en gratis.
+/SPSS is commerciële software, maar beschikbaar voor de meeste onderzoekers.
33
WETENSCHAP
Een flashmobstudie
Landelijke meetdag voor palliatieve zorg Naomi Vischer Naomi Vischer is verpleegkundige palliatieve zorg en voormalig consulent palliatieve zorg in het Consultatief Palliatief Team (CPT) van het Albert Schweitzer ziekenhuis. Ze is nu in opleiding tot oncologieverpleegkundige en werkt op de afdeling medische oncologie in het Radboudumc.
Naomi Vischer is verbonden aan het Radboudumc, maar werkte eerder in ons ziekenhuis op verpleegafdeling C1 van de afdeling longgeneeskunde. Ze was ook studiecoördinator en zorgde in die hoedanigheid voor draagvlak voor de flashmob-
verleend worden met een ziektegerichte behandeling. De wensen van de patiënt en diens naasten staan centraal. Deze wensen worden erkend en vervuld gedurende het verloop van een ziekte, tijdens het stervensproces en ook na het overlijden.
studie. Ze deed dit met ondersteuning van Nathalie Gerritsen, longarts en supervisor CPT, en Janneke Louws, verpleegkundige B3. In dit artikel beschrijft Naomi de achtergrond en opzet van de studie.
De laatste jaren komt de palliatieve zorg vaker en beter onder de aandacht bij patiënten, diens naasten en zorgprofessionals. Sinds 2010 is het verplicht om in alle ziekenhuizen te beschikken over een daartoe gespecialiseerd team. Dit team kan zorgvragers en professionals ondersteunen bij diverse aspecten van de palliatieve zorg. We zien dat er ieder jaar meer consultvragen zijn. Toch is dit een relatief klein aantal ten opzichte van de klinisch opgenomen palliatieve patiënten in de Nederlandse ziekenhuizen. Daarbij wordt het palliatief team vaak pas laat in het ziektebeloop geconsulteerd en worden vermoedelijk nog onvoldoende patiënten bereikt.
Achtergrond In mijn dagelijkse werk zie ik hoe belangrijk palliatieve zorg is geworden voor patiënten en voor hun naasten. Wat omvat deze zorg in de laatste levensfase? Als professional palliatieve zorg proberen we de best passende zorg te bieden voor hen die dat nodig hebben en zo lang dit nodig is. De zorg kan zelfs gelijktijdig
34
was
Z
WETENSCHAP
Onderzoek Het Expertisecentrum Palliatieve Zorg Noordoost zette de flashmobstudie op in samenwerking met de andere expertisecentra palliatieve zorg en overige deelnemende ziekenhuizen in Nederland. Het doel is om meer inzicht te krijgen in het aantal opgenomen patiënten dat gebaat kan zijn bij inzet van palliatieve zorg en ondersteuning2. De flashmobstudie betreft een cross-sectioneel onderzoek. Op 16 april 2021 werd geïnventariseerd hoeveel patiënten met een mogelijk palliatieve zorgbehoefte waren opgenomen op de verpleegafdelingen van de deelnemende ziekenhuizen. Er werd gebruik gemaakt van de surprise question: ‘Zou het mij verbazen wanneer deze patiënt in de komende twaalf maanden komt te overlijden?’. Dit is een veelgebruikt instrument in de palliatieve zorg, waarmee palliatieve patiënten en patiënten die baat hebben bij palliatieve zorg, geïdentificeerd kunnen worden. Indien een zorgverlener deze vraag met ‘nee’ beantwoordt, kan dit het startpunt zijn voor een gesprek over palliatieve zorg met patiënten en hun naasten3. In de weken voorafgaand aan het onderzoek werd er via verschillende wegen over gecommuniceerd en werd van de betreffende afdelingen deelname gevraagd. Alle klinische patiënten die op 16 april 2021 om 8.00 uur opgenomen waren, werden geïncludeerd. Patiënten die opgenomen werden op de dagbehandeling, kinderafdeling en intensive care werden geëxcludeerd. Op landelijk niveau werden in totaal zo’n 10.000 patiënten geïncludeerd. Per ziekenhuis verschilde het totaal aantal patiënten, afhankelijk van de grootte en capaciteit van ieder deelnemend ziekenhuis. Voor het Albert Schweitzer ziekenhuis werden 221 patiënten geïncludeerd. Verwacht eindresultaat Met het onderzoek krijgen we inzicht in het aantal patiënten met een mogelijke palliatieve zorgbehoefte. Ook krijgen we inzicht in de verdeling naar verpleegafdeling, leeftijd, type aandoening, behandelbeperkingen en betrokkenheid van het palliatief team.
Wat is palliatieve zorg? In het Kwaliteitskader Palliatieve Zorg in Nederland staat de zorg aldus beschreven. “Palliatieve zorg is zorg die de kwaliteit van het leven verbetert van patiënten en hun naasten die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening of kwetsbaarheid, door het voorkomen en verlichten van lijden, door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van problemen van fysieke, psychische, sociale en spirituele aard. Gedurende het beloop van de ziekte of kwetsbaarheid heeft palliatieve zorg oog voor het behoud van autonomie, toegang tot informatie en keuzemogelijkheden.” 1
Daarnaast werd geïnventariseerd hoeveel patiënten met een levensverwachting van <3 maanden waren opgenomen op de verpleegafdelingen van de deelnemende ziekenhuizen. Met behulp van deze gegevens kan de expertise van het palliatief team doelmatiger worden ingezet en kan waar nodig consultvoering en scholing worden uitgebreid. Tevens kan hiermee bewustwording worden gecreëerd op de deelnemende afdelingen. Er wordt verwacht dat verpleegkundigen de palliatieve zorgbehoefte van patiënten hoger inschatten dan dat artsen dit doen. Dit is gebaseerd op de ervaring dat verpleegkundigen een intiemere behandelrelatie hebben dan artsen en eerder aangeven dat een palliatief behandeltraject passend is voor de patiënt3.
Tabel 1. Overzicht voorlopige resultaten van de flashmobstudie. Afdeling
Aantal palliatieve patiënten volgens behandelend arts
Aantal palliatieve patiënten volgens betrokken verpleegkundige
C1 (cohort-COVID) D1 A2 B2 C2 D2 B3 C3 D3 W0 Totaal
7 21 12 13 5 1 12 10 12 1 94
4 5 7 10 6 1 12 10 7 3 65
35
Betrokkenheid CPT
1
1 1 3
WETENSCHAP
Voorlopige resultaten Het is een multicenter onderzoek en de analyse loopt nog door de onderzoekers uit de indicerende expertisecentra. In tabel 1 zijn de voorlopige resultaten te zien van het Albert Schweitzer ziekenhuis. Hieruit blijkt dat er soms een opvallend verschil is tussen het inzicht van de arts en de verpleegkundige. Er is maar een enkele patiënt waarvoor het palliatief team in consult is gevraagd. Mogelijk wordt niet voldaan aan de palliatieve zorgbehoefte van alle andere patiënten waarvoor (nog) geen consultatie is gedaan. Discussie Uit ervaring blijkt dat verpleegkundigen relatief eerder inzien dat een patiënt mogelijk een palliatieve zorgbehoefte heeft als dit vergeleken wordt met de behandelingen van artsen. De voorlopige resultaten zijn dan ook verbazend, omdat artsen die palliatieve zorgbehoefte bij een beduidend groter aantal patiënten zien dan verpleegkundigen. Waardoor dit komt is nog niet geheel duidelijk. Op de landelijke meetdag van het onderzoek kwam het helaas ook voor dat zorgverleners weinig tot geen tijd hadden om de datasets in te vullen. Dit kan ervoor hebben gezorgd dat de datasets minder nauwkeurig zijn ingevuld. In dit artikel is een klein deel van de verkregen gegevens toegevoegd, omdat aanvullende gegevens, zoals levensverwachting en specialisme, uitsluitend digitaal zijn verwerkt. Daarom kan er nog geen conclusie worden getrokken uit het onderzoek voor het Albert Schweitzer ziekenhuis.
Referenties 1. IKNL/Palliactief. (2017). Kwaliteitskader Palliatieve Zorg in Nederland. Opgevraagd van: https://iknlsawebprod.blob.core.windows.net /mediacontainer/iknl/media/pdfs/palliatieve%20zorg/kwaliteitskader-palliatievezorg-nederland.pdf 2. Graeff, P. de (2020). Non-WMO studie protocol Landelijke meetdag palliatieve zorg. Groningen: UMC Groningen. 3. White N, Kupeli N, Vickerstaff V, Stone P. How accurate is the 'Surprise Question' at identifying patients at the end of life? A systematic review and meta-analysis. BMC Med. 2017;15(1):139.
Dit artikel krijgt nog een vervolg zodra de definitieve onderzoeksresultaten binnen zijn. Uit die resultaten kan een conclusie getrokken worden over de palliatieve zorgbehoefte van klinisch opgenomen patiënten. Om het effect van de bewustwording van deze studie te meten hopen de expertisecentra op 22 oktober 2022 de studie te kunnen herhalen.
36
PROMOTIES IN HET ASZ
Esther Bouman
Onderzoek en kliniek gaan hand in hand
Esther Bouman promoveerde op 25 november 2020 aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Haar proefschrift gaat over de multidisciplinaire behandeling van uitgezaaide prostaatkanker. Esther is opgeleid tot internist in het Meander Medisch Centrum in Amersfoort en tot oncoloog in het VUMC in Amsterdam. Zij besteedde tijdens haar opleiding ook vier jaar aan onderzoek en deed dit onder begeleiding van professor Verheul, oncoloog en hoofd van het Cancer Center Amsterdam, en professor Van den Eertwegh, hoogleraar klinische immuno-oncologie in het Amsterdam UMC. Vanwege COVID-19 vond de verdediging digitaal plaats. De WASz-redactie sprak met Esther over haar proefschrift en deze digitale verdediging.
Esther Bouman Esther Bouman werkt sinds 2020 als internist-oncoloog in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Afgelopen winter verdedigde zij aan de Vrije Universiteit Amsterdam met succes haar proefschrift getiteld ‘Multidisciplinary treatment of metastatic prostate cancer’.
38
was
Z
PROMOTIES IN HET ASZ
Waar gaat jouw proefschrift in het kort over? “Er waren twee pijlers in mijn proefschrift rondom gemetastaseerd prostaatcarcinoom. Het eerste aspect is de toepassing van renium als radionuclide bij de behandeling van prostaatcarcinoom. Momenteel is radium de gouden standaard als radionuclide. Radium is echter duur en niet makkelijk te verkrijgen. We wilden daarom onderzoeken of Renium een geschikt alternatief is. Daarnaast hebben we gekeken of de toepassing van radiotherapie in een vroeg stadium van prostaatkanker de noodzaak tot vervolgbehandelingen zoals chemotherapie en targeted therapie kon uitstellen.” Hoe ben je in het onderzoek gerold? “Ik had mijn vooropleiding tot internist afgerond in het Meander Medisch Centrum. Daarna wilde ik heel graag de vervolgopleiding tot oncoloog doen. In het UMC Utrecht waar ik mee zou uitwisselen was er echter geen plek. Omdat we in het Meander Medisch Centrum meededen aan een groot onderzoek van het VUMC en een enorme bijdrage hebben geleverd aan de patiëntinclusie, werd mij een mooie optie aangeboden: een promotieplek gecombineerd met de vervolgopleiding tot oncoloog. Die heb ik met beide handen aangegrepen.” Hoe zag je tijdspad eruit? “De eerste twee jaar deed ik fulltime onderzoek. Dat was de fase waarin protocollen werden geschreven en waarin het onderzoek echt werd opgezet. Na die twee jaar deed ik een dag in de week onderzoek en vervolgde ik daarnaast mijn opleiding tot oncoloog. Dat was goed mogelijk omdat ik relatief weinig onderzoekstijd nodig had toen de studie eenmaal liep.” Je was er dus een tijdje uit de kliniek. Was het niet lastig om terug te komen? “Tijdens mijn onderzoek zag ik de patiënten. Niet alleen deed ik de inclusie, ik verleende ook mijn zorg aan zo’n 10 tot 15 patiënten. De zorg voor onderzoekspatiënten met prostaatkanker is immers vergelijkbaar met zorg voor patiënten die niet meedoen aan een onderzoek. Bovendien had ik daarvoor al de vervolgopleiding tot internist erop zitten. Daardoor vond ik de overstap van onderzoek naar kliniek na twee jaar soepel gaan.”
En wat was het hoogtepunt in de promotie? “De verdediging! Maar er waren meerdere hoogtepunten: de eerste publicatie, de inclusie van de eerste patiënt, presentatie op een groot congres, het binnenhalen van een zeer grote subsidie. Alle successen zijn natuurlijk goed gevierd.” Hoe was het om je proefschrift digitaal te verdedigen? Het was jammer dat het digitaal was. Van tevoren was ik voorbereid op technische problemen. Daarom was er een reservelaptop in dezelfde ruimte en hadden we de buren gevraagd om niet te boren gedurende de verdediging. Op de dag zelf was het heel fijn dat er een ICT’er aanwezig was die de verdediging in goede banen leidde. En leuk was ook, dat de pedel tijdens de digitale sessie ook plotseling op een scherm te zien was. Op de dag zelf merkte ik dat mijn opponenten er allemaal zin in hadden. Na tien minuten vielen mijn zenuwen weg. De verdediging ging goed. Daarna werd ik digitaal door mijn opponenten gefeliciteerd en was er relatief meer tijd dan bij een fysieke verdediging. Een pluspunt van de digitale verdediging was dat de paranimfen en mijn ouders in dezelfde ruimte waren. Ik kon daardoor veel meer met hun praten en bovendien hadden mijn paranimfen ook een digitale borrel georganiseerd. Het was allemaal echt erg leuk!” Wat kunnen we in het ASz opsteken van jouw expertise? “Dat we radionuclidebehandeling veel eerder kunnen inzetten in de praktijk.” Retrospectief of prospectief? “Prospectief. Het is goed om uit retrospectieve studies een overzicht te krijgen en hypotheses snel te kunnen genereren. Voor het aanpassen van beleid zijn echter wel meer betrouwbare en dus prospectieve data nodig.” Farmaceutische industrie of stipendium? “Stipendium. Hoewel je soms niet om de farmaceutische industrie heen kunt, heb ik geleerd dat de farmaceutische industrie ongewenst invloed probeert uit te oefenen. Ze proberen dan bijvoorbeeld in het onderzoeksprotocol een hogere dosering geneesmiddel te laten implementeren. Dit probleem heb je niet met een stipendium ”
Wat was een belangrijke les tijdens je promotie? “Ik heb geleerd om me flexibel op te stellen en anderzijds ook efficiënt te werken. Toen ik bijvoorbeeld aan mijn review werkte, heb ik twee weken vakantie opgenomen om fulltime daarmee aan de slag te gaan. Het is niet efficiënt om af en toe een dag of een
Onderzoeksgroep of solo? “Onderzoeksgroep! Je hebt af en toe iemand nodig waar je je frustraties kwijt kan en die je erkenning kan geven. Bovendien is het ook leuker om onderzoek samen te doen. Je leert van elkaar andere vaardigheden en het onderzoek wordt er inhoudelijk altijd
dagdeel aan een review te werken. Daarnaast heb ik ook een grote subsidie van 2 miljoen euro binnengehaald voor onderzoek. Deze subsidie is afkomstig van de zorgverzekeraars. Omdat het ook voor hen de eerste keer was, heeft het veel voeten in aarde gehad. Uiteindelijk met een goed resultaat en het heeft zelfs de krant gehaald! Ik merkte dat mijn collega die daarna een subsidie aanvroeg veel makkelijker aan een beurs kon komen.”
beter op.”
Wat was het dieptepunt in de promotie? “Dat de renium niet meer beschikbaar was, waardoor de nieuwe fase 3-studie niet heeft kunnen starten. Er zijn nog suggesties geweest om met Iran te onderhandelen over de beschikbaarheid. Maar dat brengt maatschappelijke en ethische dilemma’s met zich mee. Dat moet je als onderzoeker niet willen.”
Welke tips heb je voor aankomende promovendi? “Zoek een maatje en probeer elkaar op te zoeken. Houd goed je doel voor ogen. En accepteer dat het soms niet niet gaat zoals je wilt.”
39
Academisch of perifeer? “Academisch. Zeker bij grote multicenter studies is het een must om de connecties en ondersteuning te hebben vanuit de academie. Het is wel belangrijk om het onderzoek in de perifere uit te voeren, omdat daar namelijk de grote aantallen patiënten zijn.”
VERPLEEGKUNDIG ONDERZOEK
Verpleegkundig Stafbestuur wil een prominentere plek voor verpleegkundig onderzoek De Verpleegkundige Adviesraad (VAR) bestaat sinds 2011 in het ASz. De raad vertegenwoordigt de verpleegkundige beroepsgroep en wordt naast de Ondernemingsraad en de Cliëntenraad gezien als derde vertegenwoordigend orgaan van het ziekenhuis. De VAR heeft tien jaar lang gevraagd en ongevraagd advies aan de directie gegeven en gaat per 16 september 2021 verder als het zogeheten Verpleegkundig Stafbestuur (VSB). Met deze nieuwe ontwikkeling wordt onderstreept, dat verpleegkundig onderzoek in ons ziekenhuis een prominentere plek verdient. We gingen op bezoek bij Ingrid Steenis (verpleegkundige op B3) en Marloes van der Heul (verpleegkundige op C3), beiden lid van het VSB. We vroegen naar de stand van het verpleegkundig onderzoek en de rol van het VSB.
Hoe ziet het VSB er uit en wat zijn jullie taken? “Het VSB bestaat uit negen verpleegkundigen en één leerlingverpleegkundige. Samen vertegenwoordigen wij de grootste beroepsgroep in het ziekenhuis. De verpleegkundigen zitten vol goede ideeën en via het VSB wordt dit tastbaar en concreet gemaakt. Het hoofddoel is om vanuit verpleegkundig oogpunt advies te geven over nieuwe projecten en veranderingen in het ziekenhuis. Het VSB wordt nu direct betrokken bij beslissingen van de Raad van Bestuur, in het verleden kwam de VAR soms pas later in beeld. Dit betekent dat de verpleegkundige invloed, via het VSB, gewaarborgd is voordat er een plan uitgevoerd wordt. Daarnaast vinden we het als VSB belangrijk dat er voldoende ruimte is voor verpleegkundig onderzoek. Daar gaan we ons in de toekomst meer op
wel researchverpleegkundigen actief, maar die zijn vooral bezig met de ondersteuning bij medisch wetenschappelijk onderzoek. In de toekomst willen we zelf onderzoekslijnen en onderzoeken opzetten, uitvoeren en coördineren. Verpleegkundigen die de master verpleegwetenschappen hebben gedaan, kunnen in deze onderzoeken een grotere rol gaan spelen.”
focussen.”
handelen en het zoeken naar evidence based-oplossingen een belangrijke plek gekregen.
Wat is nu de plek van verpleegkundig onderzoek in ons ziekenhuis? “Het gebeurt eigenlijk nog te weinig. De voornaamste reden hiervoor is dat er op dit moment nog geen concreet beleid bestaat over verpleegkundig onderzoek. Er zijn
Hoe is de behoefte aan meer verpleegkundig onderzoek ontstaan? “Uiteindelijk willen we allemaal de beste zorg voor de patiënt leveren en daar hoort gedegen onderzoek bij, juist door diegene die dicht bij de patiënt staan zoals de verpleegkundigen. In deze lijn hebben we met een grote groep verpleegkundigen een nieuwe visie geformuleerd op onderzoek vanuit een verpleegkundig perspectief. Hierin heeft een kritische blik op ons
Ideeën voor onderzoek zijn er bij verpleegkundigen genoeg, maar iedereen heeft ze op dit moment los van elkaar. Ook is het voor verpleegkundigen niet altijd duidelijk
bij wie je terecht kunt met ideeën en vragen over verpleegkundig onderzoek. Het is ons streven om de noodzakelijke onderlinge samenwerking te stimuleren en het verpleegkundig onderzoek een boost te geven. Wij zijn als VSB ook van mening dat dit een droom is met groeipotentieel.
”Het VSB stimuleert de noodzakelijke onderlinge samenwerking” Wij hebben dit droombeeld recent nog gepresenteerd en zijn op dit moment druk bezig om dit te bewerkstelligen.” Wat is er nodig om verpleegkundig onderzoek naar een hoger niveau te tillen? “Wij denken dat de borging van het onderzoek heel belangrijk is. We hebben nu kwaliteitsgroepen met verschillende thema's waaraan vanuit elke afdeling één verpleegkundige als kwaliteitsbevorderaar deelneemt. Wij nemen daar als VSB een coördinerende rol in. Als we die koers
40
was
Z
VERPLEEGKUNDIG ONDERZOEK
Ingrid Steenis en Marloes van der Heul Ingrid Steenis en Marloes van der Heul zijn verpleegkundigen in Albert Schweitzer ziekenhuis, Ingrid op B3 en Marloes op C3.
voortzetten, denken we zeker dat we straks op gelijke hoogte staan met het onderzoek van de artsen, en kunnen we de samenwerking met elkaar opzoeken.
Met welke vragen kunnen de verpleegkundigen bij jullie terecht? “Met allerlei vragen over de beroepsontwikkeling en -inhoud. Het VSB is de verte-
gen. Het is een groot ziekenhuis en daarmee niet altijd duidelijk waar je moet zijn voor bepaalde vragen. Het VSB heeft een groot netwerk, wat het makkelijk maakt om
Om te voorkomen dat onderzoeken door elkaar gaan lopen, hebben we binnen het VSB ook verschillende aandachtsgebieden. Wij samen gaan met andere verpleegkundig onderzoekers het stuk van het verpleegkundig onderzoek op ons nemen en we hopen er binnenkort een grote slag in te kunnen maken.”
genwoordiging van de verpleegkundig beroepsgroep in het ziekenhuis. Als mensen hier input voor hebben - of dit nu een vraag of mening is - kan dit altijd worden ingebracht. Het is zonde als het in de lucht blijft hangen, terwijl het VSB graag meedenkt. Ook kan het VSB een coördinerende rol spelen voor de verpleegkundi-
mensen aan de juiste contactgegevens te helpen. De verpleegkundigen of andere geïnteresseerden kunnen ons altijd persoonlijk benaderen of via ons e-mailadres vsb@asz.nl.”
41
STIPENDIA
Stipendia van het Wetenschapsfonds Het Wetenschapsfonds kent regelmatig onderzoeksubsidies toe. De redactie vraagt de gelukkigen die de stipendia ontvangen hebben, op welke wijze ze het geld voor hun onderzoek hebben ingezet. Dit keer geven Carry Bolmer, Katelijn Blok, Noor Huurman, Sylvia Melisse, Kelly de Jong en Paul Hengeveld uitleg over hun onderzoek en de besteding van het geld.
Smart-activity coach
Bepalen van biomarkers
Implementatieonderzoek van een E-health-hulpmiddel
Glia-score laat onderscheid zien tussen verschillende verlopen van PPMS
Het op peil houden van de lichamelijke activiteit tijdens een klinische ziekenhuisopname, is een belangrijk maar onderbelicht onderdeel van de klinische zorg. Uit meerdere studies blijkt dat mensen die opgenomen zijn in het ziekenhuis, gemiddeld 87 tot 100% van de tijd sedentair in bed doorbrengen. Patiënten die opgenomen zijn op de isolatiekamers van de hematologische intensive care in het kader van behandeling voor acute leukemie of autologe stamceltransplantatie, verblijven twee tot zes weken in een afgesloten kamer op B3. Voor behoud van lichamelijke conditie, maar bijvoorbeeld ook voor het voorkomen van infecties en thrombosen, is het wenselijk dat patiënten zoveel mogelijk uit bed komen en liefst wat sportactiviteiten ondernemen. Om dit te bevorderen komt dagelijks een klinisch fysiotherapeut langs, die helaas slechts 20 minuten per dag voor de patiënt beschikbaar is. Verder weten we niet hoeveel tijd een patiënt daadwerkelijk in bed ligt en hoeveel activiteit hij of zij onderneemt. De vitale parameters en de voedingstoestand worden wel bijgehouden, de lichamelijke activiteit niet. E-health-ondersteunde interventieprogrammas, die gericht zijn op bevorderen van lichamelijke activiteit, zijn vooral in een poliklinische setting effectief gebleken. Als afstudeeropdracht voor de opleiding ‘Communication and Multimedia Design’ is Gabi Broodman gevraagd om in de Patiënt Journey-app het klinische ASzBehandelpad te actualiseren en in te richten voor deze specifieke doelgroep patiënten. Het doel van deze afstudeeropdracht is om de mensen op een laagdrempelige manier te stimuleren om tot meer beweging te komen. De beweegactiviteit van de patiënt gaan we op kwantitatieve wijze monitoren met behulp van een extern device. De stipendiumgelden zullen ingezet worden om deze externe devices aan te schaffen en om de onderzoeksassistent en eventuele publicatiekosten te financieren. Momenteel worden de voorbereidingen voor het onderzoek afgerond. We streven ernaar om eind 2021 te starten. Dit stipendium is mede mogelijk gemaakt door de enthousiaste inbreng van Peter Westerweel (hematoloog-oncoloog), Jeroen Bosman (klinisch fysicus) en Ralph So (intensivist/kwaliteits-expert). Carry Bolmer Carry Bolmer is fysiotherapeut op de afdeling klinische fysiotherapie van het Albert Schweitzer ziekenhuis.
Multiple sclerose (MS) is een chronische ontstekingsziekte van het centrale zenuwstelsel, die in veel gevallen gepaard gaat met behandelbare aanvallen van neurologische klachten (relapsing remitting MS – RRMS). Primair progressieve MS (PPMS) is een vorm van MS die niet gekenmerkt wordt door aanvallen, maar juist door geleidelijke progressieve uitval. Deze vorm is minder goed te behandelen dan RRMS. Dit komt doordat het afweersysteem bij PPMS-patiënten gemiddeld genomen niet zo overactief is als bij RRMS: het remmen van de afweerreacties heeft daarom minder effect. Inzoomend op PPMS-patiënten, zien we echter ook gevallen waarin het afweersysteem wel duidelijk tekenen laat zien van overactiviteit. Het is belangrijk om deze patiënten zo vroeg en nauwkeurig mogelijk te herkennen, omdat zij mogelijk wel baat hebben bij het remmen van afweerreacties. Biomarkers in het bloed kunnen helpen om deze patiënten zo vroeg mogelijk te identificeren. Het stipendium wordt ingezet om drie biomarkers te bepalen bij 100 PPMS-patiënten die eerder in hun ziektebeloop al serum hebben afgestaan aan een biobank voor MS-onderzoek. De biomarkers zijn Neurofilament Light Chain (NfL), Glial Fibrillary Acidic Protein (GFAP) en Chitinase-3-like-1. De verhouding van deze biomarkers - de zogenaamde Glia-score - is recent onderzocht en bleek een goed onderscheid te kunnen maken tussen mensen met PPMS en RRMS. Wij willen onderzoeken of deze score ook onderscheid maakt tussen PPMS-patiënten met en zonder overactieve afweerreacties. Daarom bepalen we deze biomarkers bij 100 PPMS-patiënten, waarvan het ziektebeloop recent is onderzocht in een retrospectief dossieronderzoek, en waarvan op basis van klinische en radiologisch gegevens met langdurige follow up, uiteindelijk is vastgesteld of het afweersysteem overactief is of niet. Dit onderzoek vindt plaats in nauwe samenwerking met het Erasmus MC. We hopen ermee te kunnen bijdragen aan kennis over de oorzaak van PPMS, zodat dit in de toekomst kan leiden tot een betere behandeling van deze progressieve vorm van MS.
Katelijn Blok Katelijn blok is artsonderzoeker neurologie in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
42
was
Z
STIPENDIA
PIlonidal sinus Treatment Snapshot (PITS) Een snapshot-studie In de uitgave van WASz uit december 2020 stelde Christel de Raaff mij voor als de coördinator van de PITS-studie (PIlonidal sinus Treatment Snapshot). Dit is een multicenter snapshot-studie, die is geïnitieerd door Robert Smeenk (chirurg in het ASz) en Boudewijn Toorenvliet (chirurg in het Ikazia ziekenhuis). Een sinus pilonidalis is een haarnestcyste die ontstaat door ingegroeide haren en komt vooral voor in de bilnaad. Hiervoor worden in Nederland jaarlijks ongeveer 8000 (meestal jonge) patiënten geopereerd. Voor de snapshot-studie wordt in vier maanden tijd prospectief data verzameld uit 40 ziekenhuizen. Hiermee willen wij een overzicht krijgen van de huidige Nederlandse praktijk met betrekking tot de diverse chirurgische behandelingen van een sinus pilonidalis. De eerste centra zijn per 1 maart 2020 gestart. Inmiddels zijn 614 patiënten geïncludeerd. De inclusieperiode in de laatste centra loopt tot en met 15 november 2021. Daarna volgt nog een followup-periode van een jaar. We verwachten met deze snapshot-studie een reëel beeld te kunnen krijgen van de typen operaties die worden uitgevoerd en de resultaten ervan. Deze resultaten kunnen onderbouwing bieden bij de verdere ontwikkeling van de Nederlandse richtlijn voor de behandeling van sinus pilonidalis. Voor meer informatie over de studie zie onze website: https://pitsstudie.nl/. Het stipendium dat wij hebben ontvangen, wordt gebruikt voor mijn aanstelling als studiecoördinator. We hebben onlangs de PSD Research Foundation opgericht voor onder andere het verspreiden van kennis, het werven van fondsen voor het opzetten en uitvoeren van onderzoeksprojecten en het organiseren van wetenschappelijke symposia. Daarnaast zijn wij bezig met een ZonMW-subsidieaanvraag voor een toekomstige onderzoeker en een promotietraject. Voor meer informatie over
Prevalentie en predictoren voor depressie en angst bij patiënten met primair progressieve MS Binnen het MS team van het ASZ ben ik als klinisch neuropsycholoog vanuit ons PsychoMedisch Centrum betrokken bij onze MS patiëntenzorg. Daarnaast werk ik binnen de SPIN-P studie (Study to Predict Inflammation and Neurodegeneration in Primary progressive MS) samen met collega onderzoekers vanuit het ASz, EMC, de andere Beter Keten ziekenhuizen en de overige betrokken ziekenhuizen. Doel van mijn onderzoek is het in kaart brengen van de prevalentie en predictoren voor angst- en stemmingsklachten bij Primair Progressieve MS (PPMS). Over patiënten met de primair progressieve beloopsvorm van MS is weinig bekend. Om die reden is gestart met de SPIN-P studie, de eerste grote prospectieve multicenter cohort studie in Nederland die zich richt op PPMS (Principal Investigators dr. de Beukelaar (ASz) en dr. Wokke (EMC)). Met mijn onderzoek wil ik meer zicht krijgen op het voorkomen van depressie en angstklachten bij deze groep MS patiënten. Daarnaast wil ik analyseren of- en welke factoren voorspellen of iemand meer kans heeft op het ontwikkelen van angst/stemmingsklachten. Hierbij worden immunologische factoren, leeftijd, angst/depressieve klachten eerder in het leven, mate van vermoeidheid en duur van het MS-ziektebeeld geanalyseerd. Tijdig herkennen en behandelen van depressie en angst bij MS is belangrijk voor de kwaliteit van leven. Met kennis van de predictieve factoren voor angst- en stemmingsklachten kunnen we MS neurologen handvatten aanreiken om deze psychische klachten sneller te signaleren. Hierdoor kan sneller passende psychische zorg opgestart worden. Het toegekende stipendium wordt gebruikt voor data analyse en data rapportage binnen bovenstaand project.
de stichting, zie onze website: https://psdresearch.nl/. Wij hopen in de toekomst door onze onderzoeksprojecten de zorg voor patiënten met een sinus pilonidalis te verbeteren.
Noor Huurman Noor Huurman is artsonderzoeker op de afdeling chirurgie van het Albert Schweitzer ziekenhuis en ANIOS chirurgie in het Ikazia ziekenhuis.
43
Sylvia Melisse Sylvia Melisse is klinisch neuropsycholoog in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
STIPENDIA
Onderzoek screeningsmethoden diabetes gravidarum
De rol van het proteoom in onbehandelde CLL Eiwitbepaling met massaspectrometrie
Glucose dagcurve versus glucose tolerantietest Binnen het Albert Schweitzer wordt de screening naar zwangerschapssuiker verricht middels een glucose dagcurve (GDC). Zwangerschapssuiker, ook wel diabetes gravidarum (DG), is meestal asymptomatisch en wordt gedefinieerd als elke vorm van hyperglykemie tijdens de zwangerschap. Om perinatale complicaties te verlagen, wordt DG gescreend en zo nodig behandeld met dieetadviezen of medicatie.
Eiwitten zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren en reguleren van alle biochemie die voor het leven noodzakelijk is. Wat betreft kankeronderzoek gaat er daarom ook - naast genetische en epigenetische screens - steeds meer aandacht uit naar zogenaamde high-throughput eiwitscreens. Zogenaamde proteomics-experimenten zijn de afgelopen jaren mogelijk geworden door technische vooruitgangen op het gebied van massaspectrometrie.
Screeningsmogelijkheden voor DG staan ter discussie. In veel klinieken wordt de orale glucose tolerantietest (OGTT) gebruikt, maar dit is een belastende test vanwege de vervelende bijwerkingen zoals misselijkheid en braken. Een alternatief en minder belastende test is de GDC, maar we weten nog niet of deze screening even betrouwbaar is als de OGTT. Voor de WHO is onderzoek naar de DG-screeningsmogelijkheden een prioriteit omdat er nog geen consensus is.
Chronische lymfatische leukemie (CLL) is de meest voorkomende vorm van leukemie in de westerse wereld. De prognose van CLL is sterk variabel: sommige patiënten zullen nooit aan behandeling toekomen, terwijl anderen binnen enkele jaren komen te overlijden, ondanks behandeling met meerdere lijnen van therapie. Dit leidt bij zowel patiënt als behandelaar tot grote onzekerheid. Ons onderzoeksdoel is dan ook om door middel van high-throughput proteomics beter inzicht te krijgen in de moleculaire biologie en prognose van CLL.
We willen met onze studie onderzoeken of voor het screenen op DG, de GDC een goed alternatief is voor de OGTT. We berekenen en vergelijken de sensitiviteit van beide methoden. Daarnaast zijn we geïnteresseerd in de perinatale uitkomsten en willen we weten of er een verschil is tussen beide groepen. Een onderdeel van de GDC is de ‘breakfast screenings test’ (BST), dit zijn de eerste twee glucoses van de GDC. Wij onderzoeken ook of de BST even bruikbaar is als de OGTT. En we brengen met behulp van vragenlijsten de ervaringen van patiënten met de screeningsmethoden in kaart. De onderzoeksgroep OGTT-studie bestaat uit Bettina Akerboom (gynaecoloog), Eric Vermeer (klinisch chemicus), Rosalie Kiewit (internist), Mitch Vleghert (AIOS gynaecologie), Annemarie Zwaga (klinisch verloskundige), Joyce Olsthoorn (wetenschapscoördinator) en Sara Baart (statisticus). Samen hopen wij alle zwangere vrouwen in Nederland een goed alternatief te kunnen brengen voor de OGTT. Als de GDC, of misschien zelfs de BST, even betrouwbaar is in het diagnosticeren van GD, kunnen wij veel
Voor dit onderzoek gebruiken wij patiëntmateriaal uit de CLLbiobank. Een groot deel van deze patiënten is geïncludeerd vanuit het Albert Schweitzer ziekenhuis. Door middel van massaspectrometrie, uitgevoerd in het Erasmus MC, zullen wij de expressie van duizenden eiwitten tegelijkertijd meten in de leukemiecellen van tachtig patiënten. Voor twintig van deze patiënten zullen wij de eiwitexpressie meten op twee tijdspunten. Door de eiwitexpressie vervolgens te koppelen aan de behandelvrije overleving van deze patiënten, hopen wij nieuwe prognostische biomarkers te ontdekken. Zo hopen we onderscheidt te kunnen maken tussen patiënten met indolente of meer agressieve ziekte. Daarnaast willen wij de gemeten eiwitexpressie koppelen aan de aanwezigheid van (cyto)genetische en immunogenetische afwijkingen. Dit kan leiden tot beter inzicht in de pathofysiologie van CLL. De bench-fee kosten die gepaard gaan met het opwerken van de samples en het uitvoeren van de massaspectrometrie zullen worden gedekt door het toegekende stipendium.
zwangere vrouwen in Nederland de misselijkmakende en belastende OGTT besparen. Het stipendium zal worden ingezet om de kosten van het onderzoek te dekken waaronder onder andere de METC goedkeuring en het inzetten van het laboratorium en de onderzoekers.
Kelly de Jong Kelly de Jong is ANIOS Gynaecologie in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
Paul Hengeveld Paul Hengeveld is artsonderzoeker in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
44
Productinformatie en referenties elders in deze uitgave. C-APROM/NL/PLE/0009
VERBETER DE
BALANS VOOR EEN BETERE KWALITEIT VAN LEVEN*
1,2,3
PLENADREN: éénmaal daags is geïndiceerd voor de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie bij volwassenen2 *gemeten met AddiQoL questionnaire.
Hydrocortisontabletten met gereguleerde afgifte
STAGES
Stagiairs in het ASz In ons ziekenhuis zijn regelmatig stagiairs werkzaam. Ze doen belangrijk werk, daarom besteden we in WASz regelmatig aandacht aan ze. Dit keer vroegen we farmakundige in opleiding Liz van der Stelt iets te vertellen over haar stage bij de ziekenhuisapotheek. Daarnaast vertellen Paul Nijsse en Yaro Roodenburg over hun opleiding Klinische Geneeskunde en werk in het ASz.
Antibioticaswitch intraveneus naar oraal Vanwege de extra drukte in het ziekenhuis door COVID-19 was er behoefte om de opnameduur van patiënten te verkorten. Eén van de manieren om dit te doen is een antibioticaswitch. De switch houdt in dat patiënten een tijdige omzetting van intraveneuze antibiotica naar oraal krijgen. Alleen patiënten die klinisch verbeteren en geen koorts meer hebben, komen in aanmerking voor een antibioticaswitch. Een switch levert in theorie veel voordelen op: de opnameduur is korter en de orale therapie is patiëntvriendelijker, heeft minder kosten en reduceert het risico op complicaties (bijvoorbeeld flebitis en extravasaties). Op deze manier ontstaat er in het ziekenhuis meer ruimte voor nieuwe opnames en het leveren van zorg aan meer patiënten. Samen met de collega’s van medische microbiologie heb ik een onderzoek uitgevoerd op de afdeling geriatrie en longgeneeskunde naar de antibioticaswitch. We hebben gekeken naar het verkorten van de opnameduur van patiënten door het uitvoeren van een tijdige antibioticaswitch (binnen 48-72 uur). Hiervoor hebben we interventies op meerdere niveaus gedaan. Allereerst werd in het elektronisch patiëntendossier een overzicht opgevraagd van alle patiënten met >72 uur behandeling met intraveneuze antibiotica die minstens 24 uur koortsvrij waren. Dit overzicht werd als leidraad gebruikt om de patiënten te bespreken tijdens een multidisciplinaire overleg (MDO) met de betreffende afdeling, microbiologie en ziekenhuisapotheek. Tijdens dit MDO werd besloten of een patiënt daadwerkelijk over kon gaan op orale therapie. Om een suboptimale behandeling te voorkomen, vond een switch alleen plaats als de klinische toestand van de patiënt dit toeliet, er orale intake mogelijk was en de indicatie het toeliet om de infectie oraal uit te behandelen. Ten slotte is een zakkaartje gemaakt die artsen ondersteunt in de beslissing om antibioticaswitch toe te passen. Dit zakkaartje is nu ook digitaal beschikbaar in de Zakkaartjes-app.
lijk is de interventie gedurende één maand uitgevoerd en bij 38 patiënten heeft een interventie plaatsgevonden. Alleen bij geriatrie werd een kortere opnameduur gevonden ten opzichte van de voorgaande jaren. Waarschijnlijk heeft de relatief korte periode waarin de interventie plaatsvond en het beperkte patiëntaantal zodanige invloed gehad dat een reductie van de opnameduur bij de longgeneeskunde niet kon worden aangetoond. Verder heeft de interventie ertoe geleid dat 14 patiënten eerder een antibioticaswitch kregen en 9 patiënten direct met de antibiotica kon stoppen. Ook bleek dat de kosten voor antibiotica hoger waren bij
Het effect van de antibioticaswitch-interventie werd zichtbaar door de resultaten te vergelijken met een nulmeting in een periode waarin geen interventie en dus geen switch plaatsvond. Uiteinde-
patiënten met een late switch, dan bij patiënten met een vroege switch. De resultaten van het onderzoek laten zien, dat het belangrijk is om in de praktijk meer aandacht te besteden aan de antibioticaswitch.
Liz van der Stelt Liz van der Stelt was farmakundige in opleiding. Een farmakundige is een hbo-opgeleid professional die processen rondom de apotheek inricht en onderhoudt. Ze heeft haar stage bij de ziekenhuisapotheek in het Albert Schweitzer ziekenhuis voltooid.
46
was
Z
STAGES
Het valideren van een segmentatie-tool Wij lopen een stage van tien weken bij de afdeling Klinische Fysica - Medische Techniek. We doen de opleiding Klinische Technologie, die ook wel Technische Geneeskunde genoemd wordt. Deze opleiding probeert de brug te vormen tussen arts en techniek. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat artsen vaak essentiële technische kennis missen om nieuwe technologie in het ziekenhuis te kunnen implementeren. Aan de andere kant missen technici juist het medisch inzicht om zich goed te kunnen verplaatsen in het werk van de behandelend arts of verpleegkundige. De rol van een technisch geneeskundige is dan ook om, met de combinatie van medisch inzicht en technische kennis, nieuw ontwikkelde technologie op een soepele manier in het ziekenhuis te kunnen implementeren en toepassen. Onze opleiding De opleiding bestaat uit een bacheloropleiding (BSc) Klinische Technologie van drie jaar. Daarna kan gekozen worden uit twee verschillende master (MSc)-tracks Technical Medicine van eveneens drie jaar. In de eerste track, genaamd Imaging & Interventions, ligt de focus op de beeldvormende technieken en de daarbij horende behandelingen. In de track Sensing & Stimulation wordt inhoudelijk ingegaan op signaalacquisitie en -verwerking. Bij dit laatste moet je denken aan alles wat aan de mens meetbaar. De opbouw van de masteropleiding is als volgt ingericht. In het eerste jaar worden verschillende vakken gevolgd. In het tweede jaar worden vier medisch-technische stages van elk tien weken gelopen. In het derde jaar wordt een vrijekeuze-stage gelopen, waarna het resterende deel van het jaar gebruikt wordt om een scriptie te schrijven. Onze stage De huidige stage is voor ons beiden de eerste stage uit het tweede jaar van de masteropleiding. De focus ligt voor 50% van de beschikbare tijd op het valideren van een recentelijk uitgebracht, open-source automatische segmentatie-tool die is gebaseerd op ‘deep learning’, genaamd nnUNet. Dit staat voor ‘no new U-Net’. Hierbij wijst ‘U-Net’ op de U-vormige structuur van dit netwerk wanneer het visueel gepresenteerd wordt. ‘No new’ impliceert dat nnUNet geen fundamenteel ander deep learning netwerk is als het originele U-Net. De makers van dit neurale netwerk claimen dat de eindgebruiker slechts minimale kennis van ‘machine learning’ nodig heeft en dat alle medische segmentatietaken door deze tool verwerkt kunnen worden. Ons doel is om deze tool onder de knie te krijgen, vervolgens te valideren en uiteindelijk op twee gebieden toe te passen. Yaro
47
Paul Nijsse en Yaro Roodenburg Paul Nijsse en Yaro Roodenburg doen de opleiding Klinische Technologie, ook wel Technische Geneeskunde genoemd wordt. Ze lopen stage in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
richt zich op de detectie en markering (segmentatie) van de ruggenwervels op CT-scans en een botdensiteitsmeting (Bone Mineral Density). Paul houdt zich bezig met de segmentatie van lymfeklieren van de longen op PET-CT scans. Bij de projecten gaat het om het gemak waarmee nnUNet gebruikt en toegepast kan worden op uiteenlopende data. Over de resultaten kunnen we nu nog geen uitspraak doen, maar we zijn benieuwd naar de uitkomsten. Onze stage wordt begeleid door klinisch fysicus Dennis Dickerscheid en radioloog Otto Elgersma. Onze stage zal voor de andere 50% bestaan uit klinische meeloopdagen. Denk hierbij aan de coschappen van een masterstudent Geneeskunde. Hierbij hopen wij ervaring op te doen op de klinische werkvloer, zodat er meer inzicht in klinisch redeneren ontstaat. Daarnaast wordt onder andere van ons verwacht, dat wij wekelijks Korte Klinische Beoordelingen (KKB) laten invullen en dat wij specifieke voorbehouden handelingen onder de knie krijgen, zoals hechten, een infuus aanleggen, katheteriseren en straling toedienen. Deze twee vormen van stagelopen leiden hopelijk tot een mooie combinatie van medische en technische vaardigheden, waarmee we in de toekomst een meerwaarde kunnen zijn voor het ziekenhuis en voor alle medisch-technologische ontwikkelingen daaromheen!
BIMZELX DE EERSTE SELECTIEVE IL-17A EN IL-17F-REMMER VOOR DE BEHANDELING VAN MATIGE TOT ERNSTIGE PLAQUE PSORIASIS Kans op een gave huid2-5 62% van de patiënten behaalde PASI 100 op week 16 5
Resultaten van de eerste dosis 7 van de 10 patiënten behaalden PASI 75 op week 42-5
Aanhoudende respons tijdens het behandeltraject van uw patiënt 5 66% van de patiënten behaalde PASI 100 op week 48 5
Met handige dosering* en wordt over het algemeen goed verdragen1−3 Op basis van effectiviteitsdata versus placebo, adalimumab en ustekinumab in fase 3-registratiestudies2–3 en versus secukinumab in een fase 3b-studie.5 BIMZELX® wordt over het algemeen goed verdragen. Net als bij alle geneesmiddelen kunnen ook bij het gebruik van BIMZELX® bijwerkingen optreden. De meest gemelde bijwerkingen zijn bovenste luchtweginfecties, orale candidiasis en hoofdpijn. Voor de volledige productinformatie verwijzen we u naar de SmPC.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hier aan bijdragen door melding te maken van bijwerkingen die u eventueel zou ervaren. * De aanbevolen dosis BIMZELX voor volwassen patiënten met plaque psoriasis is 320 mg (toegediend als twee onderhuidse injecties van elk 160 mg) in week 0, 4, 8, 12, 16 en vervolgens elke 8 weken. Bij patiënten die na 16 weken behandeling geen verbetering hebben laten zien, dient te worden overwogen de behandeling te staken. Patiënten met overgewicht: Voor sommige patiënten met een lichaamsgewicht van ≥ 120 kg die geen volledig gave huid hebben in week 16, kan BIMZELX 320 mg Q4W na week 16 de respons op de behandeling verbeteren.1
Referenties en verkorte productinformatie zijn elders te vinden in deze uitgave. NL-P-BK-PSO-2100016, Date of preparation: September 2021 © UCB Biopharma SRL, 2021. All rights reserved. BIMZELX® is a registered trademark of the UCB Group of Companies.
was
Z
PROMOVENDI-NETWERK
Promovendi-netwerk
Tijd voor een borrel. Van links naar rechts: Lina van der Straten, Nathalie Brouwer, Hardjit Kharagjitsing, Cedric Lau en Camille Kockerols. Allen zijn lid van het promovendi-netwerk.
Hoewel het Albert Schweitzer ziekenhuis een perifeer centrum is, hebben wij een wetenschappelijk netwerk waar we trots op zijn. Het aantal promovendi is weliswaar op twee handen te tellen - ook dat is voorstelbaar in een ziekenhuis als het onze maar het zijn allemaal gedreven onderzoekers waar we trots op mogen zijn. Tegen alle verwachtingen in, is ons promovendi-netwerk tijdens de COVID-19-periode alleen maar gegroeid. Uiteraard was het niet altijd plezierig om online deel te moeten nemen aan overleggen, wetenschapsdagen of congressen. Ook was het voor sommigen niet altijd leuk om thuis zonder directe collega’s te moeten werken. We hebben er wel van geleerd dat we elkaar juist des te meer nodig hebben in deze periode. Dit heeft er toe geleid de er veel mooie nieuwe initiatieven zijn ontstaan. Zo is het wekelijkse vrijdagmiddagoverleg uitgegroeid tot een volwaardig onderzoeksoverleg. Het aantal deelnemers is toegenomen en ook zijn er promovendi van meerdere vakgroepen vertegenwoordigd. Daarnaast is er een intervisie georganiseerd voor alle promovendi in ons ziekenhuis. Inmiddels hebben we reeds één intervisiesessie
49
achter de rug, waarin een vraagstuk van één van de promovendi besproken werd. De intervisie is waardevol omdat je problemen openlijk kunt bespreken en adviezen krijgt van andere onderzoekers. En last but not least, hebben we ook nog gezellig geborreld met de onderzoeksgroep toen de terrassen weer opengingen. De volgende borrel staat al op de planning. En wie weet wat voor mooie activiteiten er het komende jaar nog zullen volgen in ons ASz promovendi-netwerk.
Wil je aansluiten bij het promovendinetwerk? We verwelkomen graag nieuwe leden. Ook als je geen promotieonderzoek doet, ben je van harte welkom! Neem gerust direct contact met een van ons op. In verband met wisselende samenstellingen kun je ook eerst contact opnemen met Joke Bosch die je naar een van ons zal doorverwijzen.
DIAGNOSE IN BEELD
Een zeldzame oorzaak van trombocytopenie De casus Een patiënt van begin zestig presenteert zich bij de internist-hematoloog, nadat bij een controle een te laag aantal bloedplaatjes is gevonden (20x109/L, referentiewaarden 150-400x109/L). Er is geen sprake van gewichtsverlies, koorts of nachtzweten. Ook is er geen sprake van een verhoogde bloedingsneiging of een acute verslechtering in conditie. Er wordt een beenmergpunctie uitgevoerd, waarbij zowel aspiraat als een biopt worden afgenomen. De vraagstelling is: acute leukemie, of beenmerginfiltratie door lymfoom of solide maligniteit?
Dit artikel is geschreven door Karlijn Stouten (AIOS klinische chemie), Peter Westerweel (internist-hematoloog), Francien van Nederveen (patholoog, PAL) en Eric Vermeer (klinisch chemicus, Result Laboratorium). Allen werkzaam in het Albert Schweitzer ziekenhuis, behalve Karlijn Stouten. Zij werkt sinds oktober in het ETZ Tilburg.
Laboratoriumdiagnostiek Naast het te lage aantal bloedplaatjes, oftewel een trombocytopenie, wordt in het laboratorium ook gekeken naar verschillende stollingsparameters. De D-dimeer is verhoogd (>6,80 mg/L, afkapwaarde <0.50 mg/L) de protrombinetijd is licht verlengd (13 sec, referentiewaarden 9-11 sec). Daarnaast is er sprake van een verhoogd lactaat dehydrogenase (LDH) (777 U/L, referentiewaarden <250 U/) en een licht verhoogd bilirubine en reticulocyten (respectievelijk 30 μmol/L (<17 μmol/L) en 2,6% (<2,5%)). Deze uitslagen kunnen passen bij hemolyse. Een verhoogd LDH komt echter ook voor bij weefselschade en kan bij veel verschillende ziektebeelden verhoogd zijn. In het bloedbeeld wordt een enkele myeloïde voorloper gezien. Dit zijn cellen die nog niet volledig zijn uitgerijpt tot een wiite bloedcel. Bij een normaal bloedbeeld worden deze voorlopers niet gezien. De screening voor Mproteïne blijkt negatief. Verder laboratoriumonderzoek draagt niet bij aan een diagnose. Interpretatie en consult Een morfologische beoordeling van het beenmergaspiraat door de klinisch chemicus, laat een vrijwel volledige verdringing van de normale hematopoëse zien (zie figuur 1A). Dit betekent dat de productie van normale bloedcellen, witte bloedcellen (leukocyten), rode bloedcellen (erytrocyten) en bloedplaatjes (trombocyten), bijna volledig afwezig is. In plaats daarvan worden cellen gezien die niet zijn te relateren aan de hematopoëse en dus niet thuishoren in het beenmerg. Naast de morfologische beoordeling kan op beenmergaspiraat ook immunofenotypering worden uitgevoerd. Daarbij wordt eerst gekeken naar de marker CD45, die te vinden is op alle leukocyten. In een beenmerg waarin nog hematopoëse aanwezig is, verwacht je een grote populatie CD45-positieve cellen te zien. Bij deze patiënt was echter juist een grote populatie CD45-negatieve cellen te zien (zie figuur 1B). Dit ondersteunde de bevinding dat de productie van bloedcellen vrijwel volledig was gestopt. De populatie CD45-negatieve cellen waren wel positief voor de marker CD56 (zie figuur 1C). Deze marker kan gevonden worden op verschillende cellen in het bloed, maar kan ook worden aangetoond op onder andere kleincellige carcinomen.
50
was
Z
DIAGNOSE IN BEELD
Een beenmergaspiraat kan al binnen enkele uren na afname worden beoordeeld. Een beenmergbiopt wordt beoordeeld door de patholoog en heeft een langere voorbewerking nodig. De verdringing van de productie van bloedcellen kan veroorzaakt worden door een metastase van een solide tumor. Daarom is besloten de patholoog in consult te vragen voor beoordeling van het beenmergaspiraat. Bij deze patiënt ziet de patholoog cellen met een fijne chromatine structuur en een verstoorde nucleus/cytoplasma ratio (zie figuur 1A). Daarbij was er ook sprake van ‘molding’. Bij ‘molding’ kleven de cellen schijnbaar aan elkaar. Al deze kenmerken bij elkaar maakten het beeld zeer verdacht voor een kleincellig carcinoom. In het beenmergbiopt wordt vervolgens een vergelijkbaar beeld gezien. Ook op het beenmergbiopt wordt de aanwezigheid van verschillende markers aangetoond. Er wordt opnieuw gekeken naar de marker CD56, die ook op het beenmergbiopt goed zichtbaar blijkt te zijn (zie figuur 1D). Daarnaast wordt er een sterke aanwezigheid van de marker TTF-1 aangetoond. Dit is een marker die aanwezig is bij kleincellige carcinomen en longcarcinomen. Overige diagnostiek Naast de beenmergpunctie wordt ook een CT hals/thorax/abdomen verricht. Daarop wordt een beeld gezien dat past bij gemetastaseerde maligniteit, met uitgebreide lymfadenopathie, vergroting van milt en lever en meerdere intrapulmonale solide verdichtingen.
De trombocytopenie waarmee patiënt zich presenteerde, wordt geduid bij de beenmergverdringing. Patiënt is verwezen voor palliatieve chemotherapie. De prognose is helaas slecht. Beenmergverdringing bij een solide maligniteit in een vergevorderd stadium wordt bij longcarcinoom, mammacarcinoom en prostaatcarcinoom bij ongeveer 15-20% van patiënten gezien.(1) Het is echter zeldzaam dat een patiënt zich pas in dit late stadium van ziekte presenteert. Naast een anemie, tekort aan trombocyten en/of een tekort aan leukocyten, kunnen in het perifeer bloedbeeld ook myeloïde voorlopers gezien worden. Deze voorlopers werden ook bij deze patiënt gezien. Een goede samenwerking tussen klinisch chemicus en patholoog is belangrijk bij een niet-hematologische diagnose. De klinisch chemicus kan al binnen enkele uren na afname het aspiraat beoordelen en hierop een eerste diagnose stellen. Het classificeren van niet-hematopoëtische cellen is echter het terrein van de patholoog. Door een gezamenlijke beoordeling van het aspiraat kon bij deze patiënt snel een diagnose worden vastgesteld.
Referenties 1) Trombocytopenie is soms niet wat het lijkt. M.E.H. Koopman et al. NED TIJDSCHR HEMATOL 2018;15:121-4
Diagnose en achtergrond Samenvattend is er sprake van een kleincellig longcarcinoom (SCLC) met metastasen in lever, lymfeklieren en beenmerg.
Figuur 1A: Beenmergaspiraat geheel ingenomen door kleine niet-hematopoietische cellen. Figuur 1B: CD45-negatieve populatie, aangegeven met populatie Figuur 1C: Expressie van de marker CD56 op de populatie CD45-negatieve cellen Figuur 1D: Immunohistochemie CD56
51
the brandon sofa - the perfect fit Ultiem zitcomfort én een moderne look? Kies dan voor de modulaire nieuwste accessoires.
rivieramaison.com
Z
BOEKBESPREKING
In deze rubriek wordt een belangrijk boek op ons vakgebied besproken. Dit keer recenseren verpleegkundigen Ingrid Steenis en Simone Maaskant een praktisch geschreven handboek over onderzoekdesigns. Ze vinden het een aanrader! Het is een aangename verrassing dat er een boek geschreven is door verpleegkundig onderzoekers over de verschillende onderzoekdesigns. De auteurs richten zich speciaal op verpleegkundigen - al dan niet in opleiding - verpleegkundig specialisten en verpleegkundig onderzoekers. In het onderwijs worden meestal de standaard onderzoeksopzetten uitgelegd zoals de RCT, systematische review en meta-analyse. Voor veel verpleegkundige onderzoeken worden echter ook andere designs gebruikt. Daarnaast is het belangrijk veel soorten onderzoekdesigns te kennen, zodat gepubliceerde artikelen over studies goed kunnen worden begrepen en op waarde geschat. Het boek gaat in op veel van deze verschillende onderzoekdesigns. Er worden twaalf kwantitatieve, zes kwalitatieve, vijf mixed-methods en vijf soorten literatuurstudies besproken.
In 250 woorden
was
”Het leuke vinden wij, dat de werking van de verschillende designs geïllustreerd wordt aan de hand van concreet verpleegkundig onderzoek” De designs worden kort en praktisch beschreven. Hierdoor heb je vrij snel door wat de kern ervan is en bij welk soort onderzoeksvraag het ontwerp past. Het leuke vinden wij, dat de werking van de verschillende designs geïllustreerd wordt aan de hand van concreet verpleegkundig onderzoek. Als je het boek gaat lezen, is enige achtergrondkennis van onderzoek geen overbodige luxe, omdat de verschillende aspecten vrij beknopt beschreven worden. Wat ons betreft is dit verreweg het meest praktisch bruikbare boek over onderzoekdesigns in Nederland. Het is een prima hulpmiddel bij het lezen van onderzoek of het opzetten van eigen praktijkonderzoek! Wat ons betreft een aanrader! Het boek is te leen in de bibliotheek. Ingrid Steenis en Simone Maaskant Verpleegkundigen
53
Onderzoek langs de meetlat: onderzoekdesigns voor verpleegkundigen De auteurs zijn Anne M. Eskes en Catharina J. van Oostveen. Het boek is uitgegeven bij Bohn, Stafleu, Van Loghem, met ISBN-nummer 9789036825993
Verkorte geneesmiddelinformatie Naam van het geneesmiddel: Plenadren 5 mg / Plenadren 20 mg Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling: Plenadren 5 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 5 mg hydrocortison. Plenadren 20 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 20 mg hydrocortison. Farmaceutische vorm: Tablet met gereguleerde afgifte. Therapeutische indicaties: Behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie (bijnierschorshypofunctie) bij volwassenen. Hydrocortison is een glucocorticoïde en de synthetische vorm van endogeen geproduceerd cortisol. Glucocorticoïden zijn belangrijke steroïden voor het intermediaire metabolisme, de immuunfunctie, het skeletspierstelsel en bindweefsel, en de hersenen. Cortisol is de belangrijkste glucocorticoïde die door de bijnierschors wordt afgescheiden. Van nature voorkomende glucocorticoïden (hydrocortison en cortisol), die ook zoutretentieeigenschappen hebben, worden gebruikt als vervangingstherapie bij bijnierschorsinsufficiëntie. Ze worden ook gebruikt wegens hun krachtige ontstekingsremmende effecten bij aandoeningen van vele orgaansystemen. Glucocorticoïden veroorzaken krachtige en gevarieerde metabolische effecten. Bovendien veranderen ze de immuunreacties van het lichaam op uiteenlopende prikkels. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 van de volledige SmPC vermelde hulpstoffen. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Acute bijnierschorsinsufficiëntie: Acute bijnierschorsinsufficiëntie kan ontstaan bij patiënten die bekend zijn met bijnierschorsinsufficiëntie bij wie de dagelijkse dosering niet volstaat of die zich in omstandigheden met een verhoogde behoefte aan cortisol bevinden. Er zijn voorvallen gemeld bij patiënten die met Plenadren werden behandeld. Bij patiënten met acute bijnierschorsinsufficiëntie kan een bijniercrisis ontstaan. Daarom dienen patiënten ingelicht te worden over de verschijnselen en symptomen van acute bijnierschorsinsufficiëntie en bijniercrisis en moeten zij onmiddellijk medische hulp inroepen. Bij een bijniercrisis moet parenterale, bij voorkeur intraveneuze toediening van hydrocortison in hoge doses, samen met natriumchlorideoplossing voor infusie (9 mg/ml, 0,9%) worden toegepast volgens de huidige behandelingsrichtlijnen. Bijkomende infecties: Bij voorbijgaande ziekten zoals geringe infecties, koorts ongeacht de oorzaak, stressvolle omstandigheden zoals kleine chirurgische procedures, moet de dagelijkse vervangingsdosis tijdelijk worden verhoogd (zie rubriek ‘Gebruik bij bijkomende ziekte’). De patiënt moet zorgvuldig worden geïnformeerd hoe hij/zij in deze omstandigheden moet handelen, en moet ook worden geadviseerd onmiddellijk medische hulp te zoeken als zich een acute verslechtering voordoet; vooral in het geval van gastro-enteritis, braken en/of diarree die leiden tot zowel vocht- en zoutverlies als tot ontoereikende absorptie van oraal hydrocortison. Bij patiënten bij wie de bijnierschorsinsufficiëntie samenvalt met retrovirale infectie, zoals hiv, moet de dosis zorgvuldig worden aangepast als gevolg van mogelijke interacties met antiretrovirale geneesmiddelen en een verhoogde hydrocortisondosis als gevolg van de infectie. Uit wetenschappelijke verslagen is niet gebleken dat hydrocortison immunosuppressieve effecten zou hebben bij doses die zijn gebruikt voor vervangingstherapie bij patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat vervangingsdoses van hydrocortison een systemische infectie of de gevolgen van zo’n infectie zullen verergeren. Evenmin is er reden aan te nemen dat de hydrocortisondoses die worden gebruikt voor vervangingstherapie de respons op vaccins verminderen en het risico op gegeneraliseerde infectie met levende vaccins verhogen. Maaglediging en motiliteitsstoornissen: Tabletten met gereguleerde afgifte (MR-tabletten) worden niet aanbevolen bij patiënten met een verhoogde maag-darmmotiliteit, i.e., chronische diarree, vanwege het risico op een verminderde cortisolblootstelling. Er zijn geen gegevens van patiënten met een bevestigde langzame maaglediging of een verminderde-motiliteitziekte/stoornis. Bij patiënten met deze aandoeningen moet de klinische respons worden gevolgd. Het gebruiken van hogere doses hydrocortison dan normaal: Hoge (suprafysiologische) doses hydrocortison kunnen een verhoging van de bloeddruk, zout- en waterretentie en een verhoogde uitscheiding van kalium veroorzaken. Behandeling voor lange tijd met hogere dan fysiologische doses hydrocortison kan leiden tot klinische kenmerken die lijken op die van het syndroom van Cushing: toegenomen adipositas, obesitas in de buik, hypertensie en diabetes. Zo’n behandeling voor lange tijd kan leiden tot een verhoogd risico op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit. Ouderdom en een lage BMI zijn bekende risicofactoren voor veel voorkomende bijwerkingen van farmacologische doses glucocorticoïden, zoals osteoporose, dun worden van de huid, diabetes mellitus, hypertensie en een verhoogde gevoeligheid voor infecties. Alle glucocorticoïden verhogen de calciumuitscheiding en verlagen de snelheid van botremodellering. Er is gevonden dat patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie die voor lange tijd een vervangingstherapie met glucocorticoïden kregen, een verminderde botmineraaldichtheid hadden. Langdurig gebruik van hoge doses glucocorticoïden kan posterieure subcapsulaire cataracten en glaucoom met mogelijke beschadiging van de oogzenuwen veroorzaken. Zulke effecten zijn niet gerapporteerd bij patiënten die vervangingstherapie met glucocorticoïden kregen in doses die worden voorgeschreven bij bijnierschorsinsufficiëntie. Psychische bijwerkingen kunnen voorkomen bij gebruik van systemische glucocorticoïden. Dit kan optreden aan het begin van de behandeling en tijdens periodes van dosisaanpassing. De risico’s kunnen groter zijn wanneer hoge doses worden gegeven. De meeste bijwerkingen verdwijnen vanzelf na verlaging van de dosis, hoewel specifieke behandeling nodig kan zijn. Schildklierfunctie: Patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie moeten in beeld worden gehouden ten aanzien van een mogelijke verstoring van de schildklierfunctie, omdat zowel hypo- als hyperthyreoïdie de blootstelling aan toegediend hydrocortison merkbaar kan beïnvloeden. De behandeling van primaire bijnierschorsinsufficiëntie rechtvaardigt vaak de toevoeging van een mineralocorticoïde. Bijwerkingen: Samenvatting van het veiligheidsprofiel: Hydrocortison wordt gegeven als een vervangingstherapie met als doel de normale cortisolniveaus te herstellen. Het profiel van bijwerkingen bij de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie is daarom niet vergelijkbaar met dat bij andere aandoeningen waarbij veel hogere doses orale of parenterale glucocorticoïden nodig zijn. Uit een onderzoek van 12 weken bleek dat de frequentie en het type bijwerkingen van Plenadren dat eenmaal per dag als MR-tablet werd gegeven, en van driemaal daags hydrocortisontabletten in het algemeen vergelijkbaar waren. Bij ongeveer één op de vijf patiënten was er een aanvankelijke toename in de frequentie van bijwerkingen; dit werd waargenomen tot acht weken na de overgang van conventionele hydrocortisontabletten, drie keer per dag, op MR-tabletten die éénmaal per dag werden gegeven. Deze bijwerkingen (buikpijn, diarree, misselijkheid en vermoeidheid) zijn echter licht of matig, van voorbijgaande aard, van korte duur, maar het kan noodzakelijk zijn de dosis bij te stellen of bijkomende geneesmiddelen te gebruiken, zie rubriek Gebruik bij bijkomende ziekte’. Vermoeidheid is gerapporteerd als zeer vaak voorkomend. Tabel met bijwerkingen: Een totaal van 80 patiënten (173 patiëntjaren aan gegevens) is in klinische onderzoeken behandeld met gereguleerde afgifte van hydrocortison. Bijwerkingen uit deze onderzoeken en postmarketingervaring worden hieronder genoemd. De gegevens worden als volgt per systeem/orgaanklasse en frequentie weergegeven: Zeer vaak ( 1/10); vaak ( 1/100, < 1/10). Zenuwstelselaandoeningen: Zeer vaak: Vertigo, Hoofdpijn; Maagdarmstelselaandoeningen: Zeer vaak: Diarree; Vaak: Bovenbuikpijn, Nausea; Huid- en onderhuidaandoeningen: Vaak: Pruritus, Rash: Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: Vaak: Artralgie; Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen: Zeer vaak: Vermoeidheid; Bovendien zijn de volgende bijwerkingen gerapporteerd voor andere hydrocortisonmiddelen die in hogere doses worden gegeven voor andere indicaties dan als vervangingstherapie voor bijnierschorsinsufficiëntie (frequenties niet bekend). Immuunsysteemaandoeningen: Activering van een infectie (tuberculose, schimmel- en virale infecties waaronder herpes). Endocriene aandoeningen: Inductie van glucose-intolerantie of diabetes mellitus. Voedings- en stofwisselingsstoornissen: Natrium- en waterretentie en neiging tot oedeem, hypertensie, hypokaliëmie. Psychische stoornissen: Euforie en psychose, slapeloosheid. Oogaandoeningen: Verhoogde intraoculaire druk en cataract. Maagdarmstelselaandoeningen: Dyspepsie en verergering van een reeds bestaande maagzweer. Huid- en onderhuidaandoeningen: Cushing-achtige symptomen, huidstriemen, echymosen, acne en hirsutisme, verstoorde wondgenezing. Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: Osteoporose met spontane botbreuken. Melding van vermoedelijke bijwerkingen: Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem: Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl. Farmacotherapeutische categorie: Corticosteroïden voor systemisch gebruik, glucocorticoïden. ATC-code: H02AB09. Houder van de handelsvergunning: Shire Services BVBA, Rue Montoyer 47, B - 1000 Brussel, België. Nummers van de handelsvergunning: Plenadren 5 mg: EU/1/11/715/001 (1 fles met 50 tabletten); EU/1/11/715/003 (2 flessen met 50 tabletten) Plenadren 20 mg: EU/1/11/715/002 (1 fles met 50 tabletten); EU/1/11/715/006 (2 flessen met 50 tabletten) Afleverstatus: UR Datum van herziening van de tekst: 05/2018. Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu. Volledige productinformatie is verkrijgbaar via de lokale vertegenwoordiger in Nederland: Takeda Nederland bv, Hoofddorp of www.takeda.nl.
“Het duurde 5 jaar voordat ik eindelijk de diagnose Parkinson kreeg.” Hannie van Leeuwen (46, Parkinsonpatiënt)
De ziekte van Parkinson kent vele, ingrijpende symptomen. Steeds meer mensen lijden aan de ziekte die nog ongeneeslijk is. Meer weten? Kijk op parkinsonfonds.nl/brochure of scan de QR code.
Referenties: 1. Isidori AM et al. Lancet Diabetes Endocrinol. 2018;6(3):173–185. 2. PLENADREN samenvatting van de productkenmerken, mei 2018. 3. Giordano R et al. Endocrine. 2016 Feb;51(2):360-8.
www.parkinsonfonds.nl
Productiedatum: mei 2021 C-APROM/NL/PLE/0008
Verkorte productinformatie Bimzelx® Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie “Bijwerkingen” voor het rapporteren van bijwerkingen. Naam van het geneesmiddel: Bimzelx® (bimekizumab). Farmacotherapeutische groep : Immunosuppressieve middelen, interleukineremmers, ATC code: L04AC21. Farmaceutische vorm: oplossing voor injectie. Elke voorgevulde spuit of voorgevulde pen bevat 160 mg bimekizumab in 1 ml. Hulpstoffen: glycine, natriumacetaattrihydraat, glaciaal azijnzuur, polysorbaat 80, water voor injecties. Therapeutische indicaties: BIMZELX is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige plaque-psoriasis bij volwassenen die in aanmerking komen voor systemische therapie. Dosering en wijze van toediening: Dosering: De aanbevolen dosis voor volwassen patiënten met plaque-psoriasis bedraagt 320 mg (toegediend als 2 subcutane injecties van elk 160 mg) in week 0, 4, 8, 12, 16 en daarna elke 8 weken. Als een patiënt na 16 weken behandeling geen verbetering vertoont, dient stopzetting van de behandeling te worden overwogen. Speciale populaties: Voor sommige patiënten met een lichaamsgewicht ≥ 120 kg die niet volledig psoriasisvrij waren in week 16, biedt 320 mg elke 4 weken na week 16 mogelijk een betere behandelingsrespons. Aanpassing van de dosis is niet vereist bij ouderen (>65j). Bimekizumab is niet onderzocht in patiënten met nier- of leverfunctiestoornis. Dosisaanpassingen worden in deze patiëntenpopulaties niet nodig geacht op basis van de farmacokinetiek. Pediatrische patiënten: De veiligheid en werkzaamheid van bimekizumab bij kinderen en adolescenten (< 18 jaar oud) zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstof(fen), klinisch belangrijke actieve infecties (bijvoorbeeld actieve tuberculose). Waarschuwingen en voorzorgen: Bimekizumab kan het risico op infecties verhogen, zoals infecties van de bovenste luchtwegen en orale candidiasis. Voorzichtigheid is geboden wanneer gebruik van bimekizumab wordt overwogen bij patiënten met een chronische infectie of een voorgeschiedenis van recidiverende infectie. De behandeling met bimekizumab mag niet worden gestart bij patiënten met een klinisch belangrijke actieve infectie tot de infectie is verdwenen of voldoende behandeld. Patiënten die worden behandeld met bimekizumab dienen een arts te raadplegen als zich verschijnselen of symptomen voordoen die kunnen wijzen op een infectie. Als een patiënt een klinisch belangrijke infectie krijgt of niet reageert op de standaardtherapie, dient de patiënt zorgvuldig te worden gecontroleerd en mag bimekizumab pas weer worden toegediend als de infectie is verdwenen. Voordat de behandeling met bimekizumab wordt gestart, moeten patiënten worden geëvalueerd op een TB-infectie. Bimekizumab mag niet worden toegediend aan patiënten met actieve TB. Patiënten die bimekizumab krijgen, moeten worden gecontroleerd op tekenen en symptomen van actieve TB. Anti-TB-therapie dient te worden overwogen voordat met bimekizumab wordt gestart bij patiënten met een voorgeschiedenis van latente of actieve TB waarvan niet zeker is of deze afdoende is behandeld. Gevallen van nieuwe of exacerbaties van inflammatoire darmziekte zijn gemeld met bimekizumab. Bimekizumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met inflammatoire darmziekte. Als een patiënt tekenen en symptomen van inflammatoire darmziekte krijgt of een verergering van reeds bestaande inflammatoire darmziekte ervaart, dient bimekizumab te worden gestaakt en dient passende medische zorg te worden gestart. Ernstige overgevoeligheidsreacties inclusief anafylactische reacties werden waargenomen bij IL-17- remmers. Als een ernstige overgevoeligheidsreactie optreedt, dient de toediening van bimekizumab onmiddellijk te worden gestaakt en dient een gepaste behandeling te worden gestart. Vóór het NL-P-BK-PSO-2100008 2 starten van de behandeling met bimekizumab dient te worden overwogen om alle voor de leeftijd geschikte vaccinaties toe te dienen in overeenstemming met de van toepassing zijnde vaccinatierichtlijnen. Levende vaccins mogen niet worden toegediend aan patiënten die worden behandeld met bimekizumab. Patiënten die worden behandeld met bimekizumab kunnen geïnactiveerde of niet-levende vaccinaties krijgen. Bijwerkingen: De meest gemelde bijwerkingen waren infecties van de bovenste luchtwegen (14,5%, het vaakst nasofaryngitis) en orale candidiasis (7,3%). Zeer vaak (> 1/10) gemelde bijwerkingen bij de behandeling met bimekizumab zijn: bovensteluchtweginfecties. Vaak (> 1/100, <1/10) gemelde bijwerkingen bij de behandeling met bimekizumab zijn: orale candidiasis, tineainfecties, oorontstekingen, herpes-simplexinfecties, orofaryngeale candidiasis, gastro-enteritis, folliculitis, hoofdpijn, dermatitis en eczeem, acne, reacties op de injectieplaats (erytheem, reactie, oedeem, pijn, zwelling op de injectieplaats, vermoeidheid. Soms (> 1/1.000, <1/100) gemelde bijwerkingen bij de behandeling met bimekizumab zijn: Mucosale en cutane candidiasis (waaronder oesofagale candidiasis), Conjunctivitis, Inflammatoire darmziekte. Raadpleeg de volledige voorschrijfinformatie voordat u dit geneesmiddel voorschrijft. Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren: Bewaren in de koelkast (2°C - 8°C). Niet in de vriezer bewaren. De voorgevulde spuit of voorgevulde pen in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht. De voorgevulde spuit of voorgevulde pen kan worden bewaard bij kamertemperatuur (maximaal 25°C) voor een periode van maximaal 25 dagen met bescherming tegen licht. Afleverstatus: UR Vergoeding en prijs: zie Z-index Vergunningsnummer: EU/1/21/1575/001- 8. Datum van vergunning: 08/2021 Raadpleeg voor gebruik de volledige SPK, deze is op aanvraag verkrijgbaar bij de registratiehouder: UCB Pharma B.V., Hoge Mosten 2, 4822 NH Breda, Tel.: 076-5731140 Fax: 076-5875264. NL-P-BK-PSO-2100016
Verkorte productinformatie Rybelsus® Rybelsus®. Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Naam: Rybelsus® 3 mg, 7 mg en 14 mg, tabletten. Samenstelling en farmaceutische vorm: semaglutide 3, 7 en 14 mg, tabletten. Indicaties: Rybelsus® is geïndiceerd voor de behandeling van volwassenen met onvoldoende gereguleerde diabetes mellitus type 2 om glykemische controle te verbeteren als toevoeging aan dieet en lichaamsbeweging: als monotherapie wanneer metformine ongeschikt wordt geacht als gevolg van intolerantie of contraindicaties; in combinatie met andere geneesmiddelen voor de behandeling van diabetes. Voor onderzoeksresultaten met betrekking tot combinaties, werkzaamheid op glykemische controle en cardiovasculaire events, en de onderzochte populaties, zie rubriek 4.4, 4.5 en 5.1 van de volledige productinformatie. Dosering en wijze van toediening: De startdosis is 3 mg semaglutide eenmaal daags. Na één maand moet de dosering worden verhoogd naar een onderhoudsdosering van 7 mg eenmaal daags. Na ten minste één maand met een dosering van 7 mg eenmaal daags, kan de dosering worden verhoogd naar een onderhoudsdosering van 14 mg eenmaal daags om de glykemische controle verder te verbeteren. De maximale aanbevolen eenmaaldaagse dosis semaglutide is 14 mg. Rybelsus® is een tablet voor eenmaal daags oraal gebruik. Dit geneesmiddel moet, ongeacht het tijdstip van de dag, op een lege maag worden ingenomen. Het moet in zijn geheel worden doorgeslikt met een slok water (maximaal een half glas water, overeenkomend met 120 ml). Tabletten mogen niet worden gebroken, geplet of gekauwd, aangezien niet bekend is of dit de absorptie van semaglutide beïnvloedt. Patiënten moeten na inname ten minste 30 minuten wachten voordat ze iets eten, drinken of andere orale geneesmiddelen gebruiken. Minder dan 30 minuten wachten vermindert de absorptie van semaglutide (zie rubriek 4.5 en 5.2 van de volledige productinformatie). Contra-indicaties: Over Belangrijkste waarschuwingen: Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Semaglutide mag niet worden gebruikt bij patiënten met diabetes mellitus type 1 of voor de behandeling van diabetische ketoacidose. Wanneer behandeling met een GLP-1-receptoragonist werd gestart, is diabetische ketoacidose gemeld bij insuline-afhankelijke patiënten waarbij de dosis insuline snel werd verlaagd of stopgezet. Er is geen therapeutische ervaring bij patiënten met congestief hartfalen NYHA-klasse IV. Er is geen therapeutische ervaring met semaglutide bij patiënten die bariatrische chirurgie hebben ondergaan. Het gebruik van GLP-1-receptoragonisten is mogelijk geassocieerd met gastro-intestinale bijwerkingen die dehydratie kunnen veroorzaken. Dit kan in zeldzame gevallen leiden tot een verslechtering van de nierfunctie. Acute pancreatitis is waargenomen bij het gebruik van GLP-1-receptoragonisten. Patiënten moeten geïnformeerd worden over de kenmerkende symptomen van acute pancreatitis. Bij verdenking op pancreatitis moet het gebruik van semaglutide worden gestaakt; als acute pancreatitis bevestigd is, mag niet opnieuw met semaglutide worden begonnen. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis. Patiënten die worden behandeld met semaglutide in combinatie met een sulfonylureumderivaat of insuline, hebben mogelijk een verhoogd risico op hypoglykemie. Het risico op hypoglykemie kan worden verlaagd door verlaging van de dosis sulfonylureumderivaat of insuline bij het starten van de behandeling met semaglutide. Bij patiënten met diabetische retinopathie die worden behandeld met insuline en s.c. semaglutide, is een verhoogd risico op de ontwikkeling van complicaties van diabetische retinopathie waargenomen, een risico dat niet uitgesloten kan worden bij oraal toegediende semaglutide. Het opvolgen van de is dan verwacht moet de behandeld arts zich ervan bewust zijn dat de absorptie van semaglutide zeer variabel is en minimaal kan zijn (2-4% van de patiënten zullen niet worden blootgesteld), en dat de absolute biologische beschikbaarheid van semaglutide laag is. Bijwerkingen: In 10 fase 3a-studies werden 5.707 patiënten blootgesteld aan alleen semaglutide of semaglutide in combinatie met andere glucoseverlagende geneesmiddelen. De duur van de behandeling varieerde van 26 weken tot 78 weken. De meest frequent gemelde bijwerkingen tijdens klinisch onderzoek waren aandoeningen van het maag-darmstelsel, waaronder misselijkheid (zeer vaak), diarree (zeer vaak) en braken (vaak). De meeste gastro-intestinale bijwerkingen waren mild tot matig van aard en van korte duur. Hypoglykemie werd zeer vaak waargenomen indien semaglutide gelijktijdig werd gebruikt met insuline of sulfonylureumderivaat. Zie de volledige productinformatie voor informatie over overige bijwerkingen. Farmacotherapeutische categorie: geneesmiddelen gebruikt bij diabetes, glucagonachtig peptide-1-agonisten (GLP-1-agonisten). ATC-code: A10BJ06. U.R. Vergoeding: Volledig vergoed voor bepaalde patiëntgroepen. Datum: november 2020. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via www. lareb.nl of bij Novo Nordisk B.V.. Zie voor de volledige productinformatie http://www.ema.europa.eu. Novo Nordisk A/S, Novo Allé, DK-2880 Bagsværd, Denemarken. Novo Nordisk B.V., Postbus 443, 2400 AK Alphen aan den Rijn; Telefoonnummer: 0172 - 44 94 94, E-mail: informatie@novonordisk.com Referenties: 1. SPC Rybelsus®. 2. Toft-Nielsen, MB et al. Determinants of the impaired secretion of glucagon-like peptide-1 in type 2 diabetic patients. J Clin Endocrinol Metab. 2001;86(8):3717-3723.
Novo Nordisk B.V. Postbus 443 2400 AK Alphen aan den Rijn T + 31 (0)172 44 94 94 informatie@novonordisk.com novonordisk.nl
NL21RYB00079 Novo Nordisk® en Rybelsus® zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.
Referenties: 1. BIMZELX (bimekizumab) Europese samenvatting van productkenmerken. Augustus 2021. 2. Gordon KB, Foley P, Krueger JG, et al. Bimekizumab efficacy and safety in moderate to severe plaque psoriasis (BE READY): a multicentre, double-blind, placebo-controlled, randomised withdrawal phase 3 trial. Lancet. 2021:397(10273):475-486. 3. Reich K, Papp KA, Blauvelt A, et al. Bimekizumab versus ustekinumab for the treatment of moderate to severe plaque psoriasis (BE VIVID): efficacy and safety from a 52-week, multicentre, double-blind, active comparator and placebo controlled phase 3 trial Lancet. 2021:397(10273):487-498. 4. Warren RB, Blauvelt A, Bagel J, et al. Bimekizumab versus Adalimumab in Plaque Psoriasis. N Engl J Med. 2021: doi: 10.1056/NEJMMoa2102388. 5. Reich K, Warren RB, Lebwohl M, et al. Bimekizumab versus secukinumab in plaque psoriasis. N Engl J Med. 2021: doi: 10.1056/NEJMMoa2102383.
was
Z
BERICHTEN VAN DE BIBLIOTHEEK
Berichten van de bibliotheek Anders inloggen op MyNCBI Om zoekacties en bibliografisch werk op te kunnen opslaan in PubMed, kun je MyNCBI gebruiken. In juni is de manier van inloggen op de MyNCBI-accounts in PubMed gewijzigd. Er is nu sprake van zogenoemde ‘federated account credentials’. De reden is dat dit nu via een groter systeem loopt en de toegang tot MyNCBI hiermee veiliger wordt. Op de website van NBCI Insights - even intikken op Google - vind je rechts op de pagina onder Frequently Asked Questions meer informatie over de gewijzigde inlogprocedure. RefWorks en EndNote De bibliotheek is bezig met een overgang van RefWorks naar EndNote. De overgang vindt plaats als in de werkomgeving EndNote te gebruiken, inclusief de Write&Cite-functie die aan Word gekoppeld moet worden. Dit vereist veel van het systeem en I&A werkt op dit moment nog hard aan deze aanpassingen. Zodra we op EndNote over kunnen gaan, komt er een handleiding voor het omzetten van bestanden van RefWorks naar EndNote. Die omzetting moet je doen, omdat het abonnement van RefWorks dan wordt opgezegd en je geen toegang meer hebt. Voor iedereen toegankelijk Er is wereldwijd en landelijk een beweging op gang, waarbij het verplicht wordt wetenschappelijke artikelen op basis van door de overheid gesponsord onderzoek, ‘open access’ te publiceren. De universiteiten hebben hiervoor al een afspraak met uitgevers gemaakt, maar de STZ-ziekenhuizen vallen niet binnen deze afspraak. Om snel te kunnen zien of een artikel open access is, kun je in Google Chrome een button downloaden, waarbij je daarna steeds een icoontje ziet met een open of gesloten slotje. Ga voor meer informatie en de download naar openaccessbutton.org of unpaywall.org. Je ziet met de button in een oogopslag of een publicatie vrij toegankelijk is.
Daarnaast houden we natuurlijk de abonnementen die voor het ASz toegankelijk zijn. Je ontdekt dit door op een icoontje van de uitgever te klikken of in PubMed op ‘Beschikbaar ASz?’. Binnen Cinahl - de internationale verpleegkundige databank - zijn ook alle openbaar toegankelijke artikelen voorzien van een open access-button. Er kan ook een ‘fulltextfinder’ bij staan. Dit betekent dat het ASz er een abonnement op heeft.
Artikelen die niet openbaar toegankelijk zijn of waarvoor we geen abonnement hebben, kunnen we natuurlijk gewoon bij een andere bibliotheek opvragen. Voor vragen over de bibliotheek en over specifieke literatuur die je zoekt, neem contact op met bibliotheek@asz.nl.
55
Rianne van Hof Rianne van Hof is medisch informatiespecialist in het Albert Schweitzer ziekenhuis.
Bescherm de natuur in Nederland! Word nu lid op natuurmonumenten.nl en ontvang 4 x per jaar het magazine Puur Natuur
Referentie: 1. EMA. CIMZIA® SmPC [Internet]. [geciteerd in maart 2021]. Beschikbaar op: https://www.ema. europa.eu/documents/product-information/cimzia-epar-product-information_en.pdf. ®
Verkorte product informatie Cimzia (certolizumab pegol) Samenstelling: Certolizumab pegol 200 mg in één ml in een voorgevulde spuit, voorgevulde pen of doseercartridge. Indicatie(s): Reumatoïde artritis (RA): Cimzia is, in combinatie met methotrexaat (MTX), geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige, actieve RA bij volwassen patiënten die onvoldoende reageren op diseasemodifying antirheumatic drugs (DMARD’s), inclusief MTX. Cimzia kan als monotherapie worden gegeven in geval van intolerantie voor MTX of wanneer voortgezette behandeling met MTX ongewenst is. Cimzia in combinatie met MTX is ook geïndiceerd bij ernstige, actieve en progressieve RA bij volwassenen die niet eerder zijn behandeld met MTX of andere DMARD’s. Gebleken is dat Cimzia, gegeven in combinatie met MTX, een remmend effect heeft op de progressiesnelheid van gewrichtsschade, zoals gemeten door middel van röntgenonderzoek, en de fysieke functie verbetert. Axiale spondylartritis: Cimzia is geïndiceerd bij volwassen patiënten met ernstige actieve axiale spondylartritis, waaronder: Spondylitis ankylopoetica (AS): volwassenen met ernstige actieve spondylitis ankylopoetica die onvoldoende reageren op of die intolerant zijn voor nietsteroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s). Axiale spondyloartritis zonder röntgenologisch bewijs van AS: Volwassenen met ernstige actieve axiale spondyloartritis zonder röntgenologisch bewijs van SA, die onvoldoende reageren op of die intolerant zijn voor NSAID’s, maar met objectieve tekenen van ontsteking door een verhoogd C-reactief proteïne (CRP) en/of positieve Magnetic Resonance Imaging (MRI). Artritis psoriatica: Cimzia in combinatie met MTX is geïndiceerd voor actieve artritis psoriatica bij volwassenen met onvoldoende respons op eerdere DMARD-therapie. Cimzia kan als monotherapie worden gegeven in geval van intolerantie voor MTX of wanneer voortgezette behandeling met MTX ongewenst is. Plaque psoriasis: Cimzia is geïndiceerd bij matige tot ernstige plaque psoriasis bij volwassenen die in aanmerking komen voor systemische behandeling. Dosering en toediening: de behandeling met Cimzia dient te worden gestart en plaats te vinden onder supervisie van een arts met ervaring in de diagnose en behandeling. Oplaaddosis: De aanbevolen startdosis is 400 mg (2 subcutane injecties van elk 200 mg) in week 0, 2 en 4. Onderhoudsdosering: RA en artritis psoriatica: De aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken. Wanneer de klinische respons is bevestigd, kan een alternatieve onderhoudsdosering van 400 mg elke 4 weken worden overwogen. MTX dient, waar van toepassing, tijdens de behandeling met Cimzia te worden voortgezet. Axiale spondyloartritis: de aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken of 400 mg om de 4 weken. Na minimaal 1 jaar behandeling kunnen bij axSpA-patiënten met aanhoudende remissie een verlaagde onderhoudsdosis van 200 mg om de 4 weken overwegen. Voor bovenstaande indicaties, moet zorgvuldig worden overwogen om de behandeling voort te zetten bij patiënten zonder bewijs van therapeutisch voordeel in de eerste 12 weken van de behandeling. Plaque psoriasis: De aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken. Bij onvoldoende respons kan 400 mg om de 2 weken worden overwogen. Beschikbare gegevens van volwassenen met plaque psoriasis duiden erop dat een klinische respons gewoonlijk binnen 16 weken behandeling wordt bereikt. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de hulpstoffen; actieve tuberculose of andere ernstige infecties zoals sepsis of opportunistische infecties; matig tot ernstig hartfalen (NYHA-klasse III / IV). Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Alle patiënten moeten zorgvuldig worden gecontroleerd op infecties, waaronder tuberculose, voor, tijdens en gedurende 5 maanden na de behandeling met Cimzia. Patiënten bij wie een nieuwe infectie ontstaat, dienen nauwgezet te worden gecontroleerd. Als bij een patiënt een nieuwe ernstige infectie ontstaat, moet de toediening van Cimzia worden stopgezet tot de infectie onder controle is. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van recidiverende of opportunistische infecties, waaronder patiënten die gelijktijdig corticosteroïden of immunosuppressiva gebruiken, of bij ouderen. Als vóór of tijdens de behandeling actieve tuberculose wordt vastgesteld, mag Cimzia niet worden gestart en moet de behandeling worden stopgezet. Als latente tuberculose wordt gediagnosticeerd, moet vóór het begin van de behandeling met Cimzia gestart worden met antituberculeuze therapie en dienen de voordelen van behandeling te worden afgewogen tegen de risico’s ervan. Patiënten moeten worden geïnstrueerd een arts te raadplegen als er tijdens of na behandeling met Cimzia tekenen/symptomen ontstaan die op tuberculose duiden (bijvoorbeeld aanhoudend hoesten, vermageren/gewichtsverlies, subfebriele temperatuur, lusteloosheid). Test patiënten op hepatitis B infectie (HBV) voor aanvang Cimzia behandeling. Dragers van HBV die met Cimzia behandeld worden, moeten tijdens en tot enkele maanden na de behandeling gecontroleerd worden. Reactivering van HBV is opgetreden bij patiënten die chronische dragers van dit virus waren en TNF-antagonisten kregen, waaronder Cimzia. Sommige gevallen met fatale afloop. Bij HBV-reactivering, stop Cimzia behandelingen. Een mogelijk risico op lymfomen, leukemie of andere maligniteiten bij behandeling met TNF-antagonisten kan niet worden uitgesloten. Voorzichtigheid is geboden bij een voorgeschiedenis van maligniteiten of wanneer overwogen wordt de behandeling voort te zetten bij patiënten bij wie een maligniteit is ontstaan. Melanoom en Merkelcelcarcinoom zijn gemeld bij patiënten die behandeld werden met TNF-antagonisten, waaronder Cimzia. Periodiek huidonderzoek wordt aangeraden, vooral bij patiënten met risicofactoren voor huidkanker. Adviseer patiënten onmiddellijk medisch advies te vragen als ze tekenen en symptomen ontwikkelen die wijzen op bloeddyscrasie of een infectie. Bij Cimzia is medisch significante cytopenie gemeld. Overweeg stopzetten van de behandeling bij bewezen significante hematologische afwijkingen. Gebruik van TNF-antagonisten is in zeldzame gevallen in verband gebracht met demyeliniserende aandoening, waaronder multipele sclerose. Overweeg de baten-
risicoverhouding bij een reeds bestaande of recent opgetreden demyeliniserende aandoening. Zeldzame gevallen van neurologische aandoeningen zijn gerapporteerd bij Cimzia. Er zijn na toediening van Cimzia zelden ernstige overgevoeligheidsreacties gerapporteerd. Enkele van deze reacties kwamen voor na de eerste toediening van Cimzia. Als er ernstige reacties ontstaan, moet toediening van Cimzia onmiddellijk worden gestaakt en een adequate behandeling worden ingesteld. Voorzichtigheid is geboden bij voorgeschiedenis van ernstige overgevoeligheid voor een andere TNF-antagonist. Cimzia is in verband gebracht met de vorming van antinucleaire antilichamen (ANA) en de ontwikkeling van een lupusachtig syndroom. Als de patiënt lupusachtig syndroom ontwikkelt, moet de behandeling worden stopgezet. Cimzia dient voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met licht hartfalen. Stop de behandeling bij nieuwe of verslechterende symptomen van congestief hartfalen. Voorzichtigheid is geboden bij COPD-patiënten en patiënten met een verhoogd risico op maligniteiten als gevolg van zwaar roken. Patiënten die Cimzia krijgen, kunnen worden gevaccineerd, behalve met levende vaccins. Cimzia kan onjuist verhoogde aPTT-testresultaten veroorzaken bij patiënten zonder stollingsafwijkingen. De naaldbeschermer bevat een derivaat van natuurlijk rubberlatex dat allergische reacties kan veroorzaken. Noteer de naam en het batchnummer van het toegediende product om de traceerbaarheid van biologische producten te verbeteren. Interacties: De combinatie van Cimzia en anakinra of abatacept wordt niet aanbevolen. Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding: Voor vrouwen die zwanger kunnen worden, dient het gebruik van adequate anticonceptie om zwangerschap te voorkomen te worden overwogen. Voor vrouwen die zwanger willen worden, kan het voortzetten van anticonceptie worden overwogen gedurende 5 maanden na de laatste dosis Cimzia vanwege de eliminatiesnelheid, maar er dient ook rekening te worden gehouden met de noodzaak voor behandeling van de vrouw. Gegevens die prospectief werden verzameld van meer dan 500 zwangerschappen waarbij Cimzia werd gebruikt met bekende zwangerschapsuitkomsten, waaronder meer dan 400 zwangerschappen waarbij tijdens het eerste trimester blootstelling aan Cimzia plaatsvond, duiden niet op een misvormend effect van Cimzia. De beschikbare klinische ervaring is echter te beperkt om met redelijke zekerheid te concluderen dat er bij toediening van Cimzia tijdens de zwangerschap geen verhoogd risico bestaat. Omdat Cimzia TNF- remt, kan Cimzia bij toediening tijdens zwangerschap de normale immuunrespons van de pasgeborene aantasten. Cimzia mag alleen tijdens de zwangerschap worden gebruikt indien dit klinisch nodig is. In een klinisch onderzoek werden 16 vrouwen tijdens de zwangerschap behandeld met certolizumab pegol. De plasmaconcentraties van certolizumab pegol die bij de geboorte bij 14 zuigelingen werden gemeten, waren in 13 monsters lager dan de bepalingsgrens; één monster had een waarde van 0,042 μg/ml met een zuigeling/moeder plasmaratio bij de geboorte van 0,09%. In week 4 en 8 lagen de concentraties van alle zuigelingen onder de bepalingsgrens. De klinische relevantie van lage concentraties certolizumab pegol voor zuigelingen is niet bekend. In een klinisch onderzoek bij 17 vrouwen die borstvoeding gaven en met Cimzia werden behandeld, werd een minimale overdracht van certolizumab pegol van het plasma naar de moedermelk waargenomen. Het percentage van de maternale dosis Cimzia die een zuigeling bereikt in een periode van 24 uur, werd geschat op 0,04% tot 0,3%. Aangezien certolizumab pegol een eiwit is dat na orale toediening wordt afgebroken in het maag-darmkanaal, is de absolute biologische beschikbaarheid bij een zuigeling die borstvoeding krijgt bovendien naar verwachting zeer laag. Daarom kan Cimzia worden gebruikt tijdens het geven van borstvoeding. Bijwerkingen: Vaak voorkomende bijwerkingen ( 1/100 tot <1/10): bacteriële en virale infecties, eosinofiele afwijkingen, leukopenie, hoofdpijn, sensorische afwijkingen, hypertensie, misselijkheid, hepatitis (inclusief verhoogde leverenzymen), huiduitslag, pyrexie, pijn, asthenie, pruritus (waar dan ook), reacties op de injectieplaats. Ernstige bijwerkingen: omvatten sepsis, opportunistische infecties, tuberculose, herpes zoster, lymfoom, leukemie, solide orgaantumoren, angioneurotisch oedeem, cardiomyopathieën (waaronder hartfalen), ischemische coronaire aandoeningen, pancytopenie, verhoogde bloedstolling (waaronder tromboflebitis, longembolie), cerebrovasculair accident, vasculitis, hepatitis/ hepatopathie (waaronder cirrose), nierfunctiestoornis/nefropathie (waaronder nefritis). Raadpleeg de volledige voorschrijfinformatie in uw land voordat u dit geneesmiddel voorschrijft. Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem (Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl). Verpakking: Eén ml voorgevulde spuit met een zuigerstop, bevattende 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 voorgevulde spuiten en twee alcoholdoekjes. Eén voorgevulde 1 ml pen (AutoClicks) die een voorgevulde spuit met een zuigerstop, bevattende 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 voorgevulde pennen en twee alcoholdoekjes. Eén ml patroon voor dosisdispenser die een voorgevulde spuit met een zuigerstop bevat. De voorgevulde spuit bevat 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 patronen voor dosisdispenser en 2 alcoholdoekjes. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren: Bewaren in de koelkast (2ºC - 8ºC), niet in de vriezer. Kan worden bewaard bij kamertemperatuur (tot 25°C) gedurende één periode van ten hoogste 10 dagen, indien beschermd tegen licht. Afleverstatus: U.R. Vergoeding en prijs: zie Z-index Datum van herziening: maart 2021 Vergunningsnummer: EU/1/09/544/001-002-003-004-005-006-007 Datum van vergunning: Oktober 2009. Raadpleeg voor gebruik de volledige SPC, deze is op aanvraag verkrijgbaar bij de registratiehouder: UCB Pharma S.A. Allée de la Recherche 60 B-1070 Brussel België. NL-P-CZ-AS-2100021
was
Z
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Wetenschappelijke publicaties Maart 2021 tot en met september 2021 De publicaties zijn aangeleverd vanuit de Onderzoeksdatabank, databank PubMed-publicaties. Het publicatieoverzicht en lopende studies zijn te vinden op de Bibliotheek- en op de Wetenschapspagina, beide op Intranet. Mist u een artikel, neem dan contact op met de bibliotheek: bibliotheek@asz.nl
Anesthesiologie [Communication about in hospital resuscitation orders]. Schluep M, Hoeks S, Endeman HR, IJmkers S, Romijn TMM, Alsma J, Bosch FH, Cornet AD, Knook AHMM, Koopman-van Gemert AWMM, van Melsen T, Peters R, Simons KS, Wils EJ, Stolker RJ, van Dijk M Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 Apr 29;165:D5692. [Article in Dutch] Long-term survival and health-related quality of life after in-hospital cardiac arrest. Schluep M, Hoeks SE, Blans MJM, van den Bogaard B, Koopman-van Gemert AWMM, Kuijs C, Hukshorn CJ, van der Meer BJM, Knook AHM, van Melsen T, Peters R, Perik PJ, Simons KS, Spijkers G, Vermeijden JW, Wils EJ, Stolker RJ, Endeman H. Resuscitation. 2021 Jul 13;S03009572(21)00255-0. doi: 10.1016/j.resuscitation.2021.07.006. Online ahead of print. Cardiologie Advance care planning and end-of-life care in patients with an implantable cardioverter defibrillator: The perspective of relatives. Stoevelaar R, Stoppelenburg A, van Bruchem-Visser RL, van Driel A, Theuns DA, Lokker ME, Bhagwandien RE, van der Heide A, Rietjens J Palliat Med. 2021 May;35(5):904-915. doi: 10.1177/02692163211001288. Epub 2021 Apr 13. Brachial Artery Thrombosis as a Presentation of Non-Small Cell Pulmonary Carcinoma Growing Into the Left Atrium. Van Wijngaarden MHEJ, Kock MCJM, Kofflard MJM JACC Case Rep. 2021 Apr 28;3(5):836838. doi: 10.1016/j.jaccas.2021.02.030. eCollection 2021 May.
57
Cardiotoxicity during long-term trastuzumab use in patients with HER2positive metastatic breast cancer: who needs cardiac monitoring? Bouwer NI, Steenbruggen TG, van Rosmalen J, Rier HN, Kitzen JJEM, van Bekkum ML, Ten Tije AJ, de Jong PC, Drooger JC, Holterhues C, Smorenburg CH, Kofflard MJM, Boersma E, Sonke GS, Levin MD, Jager A. Breast Cancer Res Treat. 2021 Apr;186(3):851-862. doi: 10.1007/s10549020-06039-w. Epub 2021 Jan 4. Development and external validation of prediction models to predict implantable cardioverter-defibrillator efficacy in primary prevention of sudden cardiac death. Verstraelen TE, van Barreveld M, van Dessel PHFM, Boersma LVA, Delnoy PPHM, Tuinenburg AE, Theuns DAMJ, van der Voort PH, Kimman GP, Buskens E, Hulleman M, Allaart CP, Strikwerda S, Scholten MF, Meine M, Abels R, Maass AH, Firouzi M, Widdershoven JWMG1 Elders J, van Gent MWF, Khan M, Vernooy K, Grauss RW, Tukkie R, van Erven L, Spierenburg HAM, Brouwer MA, Bartels GL, Bijsterveld NR, Borger van der Burg AE, Vet MW, Derksen R, Knops RE, Bracke FALE, Harden M, Sticherling C, Willems R, Friede T, Zabel M, Dijkgraaf MGW, Zwinderman AH, Wilde AAM, Europace. 2021 Jun 7;23(6):887-897. doi: 10.1093/europace/euab012. Identification of anatomic risk factors for acute coronary events by optical coherence tomography in patients with myocardial infarction JQ1d residual nonflow limiting lesions: rationale and design of the PECTUS-obs study. Mol JQ, Belkacemi A, Volleberg RR, Meuwissen M, Protopopov AV, Laanmets P, Krestyaninov OV, Dennert R, Oemrawsingh RM, van Kuijk JP, Arkenbout K, van der Heijden DJ, Rasoul S, Lipsic E, Teerenstra S, Camaro C, Damman P, van
Leeuwen MAh, van Geuns RJ, van Royen N1. BMJ Open. 2021 Jul 7;11(7):e048994. doi: 10.1136/bmjopen-2021-048994. R on the side of caution. Baris L, van den Bos EJ Neth Heart J. 2021 Sep 22. doi: 10.1007/s12471-021-01629-9. Online ahead of print. Thin-cap fibroatheroma predicts clinical events in diabetic patients with normal fractional flow reserve: the COMBINE OCT-FFR trial. Kedhi E, Berta B, Roleder T, Hermanides RS, Fabris E, IJsselmuiden AJJ, Kauer F, Alfonso F, von Birgelen C, Escaned J, Camaro C, Kennedy MW, Pereira B, Magro M, Nef H, Reith S, Al Nooryani A, Rivero F, Malinowski K, De Luca G, Garcia Garcia H, Granada JF, Wojakowski W. Eur Heart J. 2021 Jul 29;ehab433. doi: 10.1093/eurheartj/ehab433. Online ahead of print. Usefulness of High-Sensitivity Cardiac Troponin T to Predict Long-Term Outcome in Patients with Hypertrophic Cardiomyopathy. Gommans DHF, Cramer GE, Fouraux MA, Heijmans S, Michels M, Timmermans J, Verheugt FWA, de Boer RA, Kofflard MJM, Brouwer MA Am J Cardiol. 2021 Aug 1;152:120-124. doi: 10.1016/j.amjcard.2021.04.040. Epub 2021 Jun 12. Chirurgie [Acute thoracoabdominal aortic dissection]. Klompmaker S, Moekotte AL, de Bruijn MT, Heijmen RH, van Keulen EM, Meijer RCA Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 Jul 1;165:D5333. [Article in Dutch]
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Comparing practice and outcome of laparoscopic liver resection between highvolume expert centres and nationwide low-to-medium volume centres. Görgec B, Fichtinger RS, Ratti F, Aghayan D, Van der Poel MJ, Al-Jarrah R, Armstrong T, Cipriani F, Fretland ÅA, Suhool A, Bemelmans M, Bosscha K, Braat AE, De Boer MT, Dejong CHC, Doornebosch pG, Draaisma WA, Gerhards MF, Gobardhan PD, Hagendoorn J, Kazemier G, Klaase J, Leclercq WKG, Liem MS, Lips DJ, Marsman HA, Mieog JSD, Molenaar QI, Nieuwenhuijs VB, Nota CL, Patijn GA, Rijken AM, Slooter GD , Stommel MWJ, Swijnenburg RJ, Tanis PJ, Te Riele WW, Terkivatan T, Van den Tol PMP, Van den Boezem PB, Van der Hoeven JA, Vermaas M, Edwin B, Aldrighetti LA, Van Dam RM, Abu Hilal M, Besselink MG, Dutch Liver Collaborative Group Br J Surg. 2021 Jul 1;znab096. doi: 10.1093/bjs/znab096. Online ahead of print. Effectiveness of preoperative group education for patients with colorectal cancer: managing expectations. Koet LL, Kraima A, Derksen I, Lamme B, Belt EJT, van Rosmalen J, Smeenk RM, van der Hoeven JAB Support Care Cancer. 2021 Sep;29(9):5263-5271. doi: 10.1007/s00520-021-06072-5. Factors associated with failure to rescue after liver resection and impact on hospital variation: a nationwide populationbased study. Elfrink AKE, Olthof PB, Swijnenburg RJ, den Dulk M, de Boer MT, Mieog JSD, Hagendoorn J, Kazemier G, van den Boezem PB, Rijken AM, Liem MSL, Leclercq WKG, Kuhlmann KFD, Marsman HA, Ijzermans JNM, van Duijvendijk P, Erdmann JI, Kok NFM, Grünhagen DJ, Klaase JM, Dutch Hepato Biliary Audit Group, Collaborators; Te Riele WW, Buis CI, Patijn GA, Braat AE, Dejong CHC, Hoogwater FJH, Molenaar IQ, Besselink MGH, Verhoef, Collaborators Collaborators: .... van der Hoeven JAB, .... HPB (Oxford). 2021 Apr 30;S1365182X(21)00120-9. doi: 10.1016/j.hpb.2021.04.020. Online ahead of print.
Hospital variation and outcomes of simultaneous resection of primary colorectal tumour and liver metastases: a population-based study. Krul MF, Elfrink AKE, Buis CI, Swijnenburg RJ, Te Riele WW, Verhoef C, Gobardhan PD, den Dulk M, Liem MSL, Tanis PJ, Mieog JSD, van den Boezem PB, Leclercq WKG, Nieuwenhuijs VB, Gerhards MF, Klaase JM, Grünhagen DJ, Kok NFM, Kuhlmann KFD, Collaborators; Dutch Hepato Biliary Audit Group. Collaborators: .... Belt EJT, .... HPB (Oxford). 2021 Jul 10;S1365182X(21)00604-3. doi: 10.1016/j.hpb.2021.06.422. Online ahead of print. Impact of the COVID-19 pandemic on incidence and severity of acute appendicitis: a comparison between 2019 and 2020. Scheijmans JCG, Borgstein ABJ, Puylaert CAJ, Bom WJ, Bachiri S, van Bodegraven EA, Brandsma ATA, Ter Brugge FM, de Castro SMM, Couvreur R, Franken LC,Gaspersz MP, de Graaff MR, Groenen H, Kleipool SC, Kuypers TJL, Martens MH, Mens DM, Orsini RG, Reneerkens NJMM, Schok T, Sedee WJA, Tavakoli Rad S, Volders JH, Weeder PD, Prins JM, Gietema HA, Stoker J, Gisbertz SS, Besselink MGH, Boermeester MA, SCOUT Collaboarative Study group BMC Emerg Med. 2021 May 12;21(1):61. doi: 10.1186/s12873-021-00454-y. Learning curve of TaTME for rectal cancer is associated with local recurrence; results from a multicentre external audit. Van Oostendorp SE, Belgers HJ, Hol JC, Doornebosch PG, Belt EJT, Oosterling SJ, Kusters M, Bonjer HJ, Sietses C, Tuynman JB Colorectal Dis. 2021 May 9. doi: 10.1111/codi.15722. Online ahead of print. Management of cryptoglandular fistula-inano among gastrointestinal surgeons in the Netherlands. Dekker l, Zimmerman DDE, Smeenk RM, Schouten R, Han-Geurts IJM Tech Coloproctol. 2021 Jun;25(6):709-719. doi: 10.1007/s10151-021-02446-3. Epub 2021 Apr 15.
Morbidity and extent of surgical resection of carcinoid tumors after endobronchial treatment. Reuling EMBP, Naves DD, Hartemink KJ, van der Heijden EHFM, Plaisier PW, Verhagen AFTM, Daniels JMA, Dickhoff C Eur J Surg Oncol. 2021 May 18;S07487983(21)00519-9. doi: 10.1016/j.ejso.2021.05.025. Online ahead of print. Real-world healthcare costs of localized and regionally advanced cutaneous melanoma in the Netherlands. Leeneman B, Blommestein HM, Coupé VMH, Hendriks MP, Kruit WHJ, Plaisier PW, van Ruth S, Ten Tije AJ, Wouters MWJM, Franken MG, Uyl-de Groot CA Melanoma Res. 2021 Jun 1;31(3):249-257. doi: 10.1097/CMR.0000000000000732. The reassurance of the diagnosis benign calcifications after vacuum-assisted stereotactic breast biopsy. Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM Breast J. 2021 Apr 29. doi: 10.1111/tbj.14237. Online ahead of print. Short-term postoperative outcomes after liver resection in the elderly patient: a nationwide population-based study. Elfrink AKE, Kok NFM, den Dulk M, Buis CI, Kazemier G, Ijzermans JNM, Lam H, Hagendoorn J, van den Boezem PB, Ayez N, Zonderhuis BM, Lips DJ, Leclercq WKG, Kuhlmann KFD, Marsman HA, Verhoef C, Patijn GA, Grünhagen DJ, Klaase JM, Collaborators; Dutch Hepato Biliary Audit Group Collaborators: Eker HH, Belt ETJ, van Heek NJ, Torrenga H, Bosscha K, Doornebosch P, Consten ECJ, Oosterling SJ, de Boer MT, Besselink MGH, Dejong CHC, Te Riele WW, Hoogwater FJH, Liem MSL, Molenaar IQ, Swijnenburg RJ, Braat AE HPB (Oxford). 2021 Mar 19;S1365182X(21)00067-8. doi: 10.1016/j.hpb.2021.03.002. Online ahead of print.
58
was
Z
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Ten years follow-up of histologically benign calcifications in the breast after vacuum-assisted stereotactic biopsy (VASB): Is additional mammographic follow-up warranted? Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM. Breast. 2021 Jun 26;59:135-143. doi: 10.1016/j.breast.2021.06.008. Online ahead of print. Trends in incidence, treatment, survival and subsequent breast cancer in lobular carcinoma in situ in the Netherlands: A population-based analysis. Van Maaren MC, Ortega Ávila A, van Manen JG, Menke-Pluijmers MB, Veltman J, Bart J, Westenend PJ, Siesling S Breast. 2021 Aug 3;59:376-382. doi: 10.1016/j.breast.2021.07.020. Online ahead of print. Gynaecologie Clinical auditing as an instrument to improve care for patients with ovarian cancer: The Dutch Gynecological Oncology Audit (DGOA). Baldewpersad Tewarie NMS, van Driel WJ, van Ham M, Wouters MW, Kruitwagen R, participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group Collaborators: .... Hofman LN, .... Eur J Surg Oncol. 2021 Jul;47(7):1691-1697. doi: 10.1016/j.ejso.2021.01.019. Epub 2021 Feb 5. Evaluation of a nationwide Dutch guideline to detect Lynch syndrome in patients with endometrial cancer. Tjalsma AS, Wagner A, Dinjens WNM, Ewing-Graham PC, Alcalá LSM, de Groot MER, Hamoen KE, van Hof AC, Hofhuis W, Hofman LH, Hoogduin KJ, Kaijser J, Makkus ACF, Mol SJJ, Plaisier GM, Schelfhout K, Smedts HPM, Smit RA, Timmers PJ, Vencken PMLH, Visschers B, van der Wurff AAM, van Doorn HC Gynecol Oncol. 2021 Mar;160(3):771-776. doi: 10.1016/j.ygyno.2020.12.028. Epub 2021 Jan 6. Postoperative outcomes of primary and interval cytoreductive surgery for advanced ovarian cancer registered in the
59
Dutch Gynecological Oncology Audit (DGOA). Baldewpersad Tewarie NMS, van Driel WJ, van Ham M, Wouters MW, Kruitwagen R, participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group Collaborators: participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group: .... Hofman L3 Gynecol Oncol. 2021 Aug;162(2):331-338. doi: 10.1016/j.ygyno.2021.05.030. Epub 2021 Jun 17. Intensieve geneeskunde The Dutch Data Warehouse, a multicenter and full-admission electronic health records database for critically ill COVID-19 patients. Fleuren LM, Dam TA, Tonutti M, de Bruin DP, Lalisang RCA, Gommers D, Cremer OL, Bosman RJ, Rigter S, Wils EJ, Frenze Tl, Dongelmans DA, de Jong R, Peters M, Kamps MJA, Ramnarain D, Nowitzky R, Nooteboom FGCA, de Ruijter W, UrlingsStrop LC, Smit EGM, Mehagnoul-Schipper DJ, Dormans T, de Jager CPC, Hendriks SHA, Achterberg S, Oostdijk E, Reidinga AC, Festen-Spanjer B, Brunnekreef GB, Cornet AD, van den Tempel W, Boelens AD, Koetsier P, Lens J, Faber HJ, Karakus A, Entjes R, de Jong P, Rettig TCD, Arbous S, Vonk SJJ, Fornasa M, Machado T, Houwert T, Hovenkamp H, Noorduijn-Londono R, Quintarelli D, Scholtemeijer MG, de Beer AA, Cina G, Beudel M, Herter WE, Girbes ARJ, Hoogendoorn M, Thoral PJ, Elbers PWG Crit Care. 2021 Aug 23;25(1):304. doi: 10.1186/s13054-021-03733-z.
The Effects of Low Pressure Domiciliary Non-Invasive Ventilation on Clinical Outcomes in Patients with Severe COPD Regardless Having Hypercapnia. Theunisse C, Ponssen HH, de Graaf NTC, Scholten-Bakker M, Willemsen SP, Cheung D Int J Chron Obstruct Pulmon Dis. 2021 Mar 26;16:817-824. doi: 10.2147/COPD.S289099. eCollection 2021. Perioperative goal-directed therapy in high-risk abdominal surgery. A multicenter
randomized controlled superiority trial. De Waal EEC, Frank M, Scheeren TWL, Kaufmann T, de Korte DJD, Cox B, van Kuijk SMJ, Montenij LM, Buhre W J Clin Anesth. 2021 Sep 15;75:110506. doi: 10.1016/j.jclinane.2021.110506. Online ahead of print. Risk factors for adverse outcomes during mechanical ventilation of 1152 COVID-19 patients: a multicenter machine learning study with highly granular data from the Dutch Data Warehouse. Fleuren LM, Tonutti M, de Bruin DP, Lalisang RCA, Dam TA, Gommers D, Cremer OL, Bosman RJ, Vonk SJJ, Fornasa M, Machado T, van der Meer NJM, Rigter S, Wils EJ, Frenzel T, Dongelmans DA, de Jong R, Peters M, Kamps MJA, Ramnarain D, Nowitzky R, Nooteboom FGCA, de Ruijter W, Urlings-Strop LC, Smit EGM, Mehagnoul-Schipper DJ, Dormans T, de Jager CPC, Hendriks SAH, Oostdijk E, Reidinga AC, Festen-Spanjer B2 Brunnekreef G, Cornet AD, van den Tempel W, Boelens AD, Koetsier P, Lens J, Achterberg S, Faber HJ, Karakus A, Beukema M, Entjes R, de Jong P, Houwert T, Hovenkamp H, Noorduijn Londono R, Quintarelli D, Scholtemeijer MG, de Beer AA, Cinà G, Beudel M, de Keizer NF, Hoogendoorn M, Girbes ARJ, Herter WE, Elbers PWG, Thoral PJ, Dutch ICU Data Sharing Against COVID-19 Collaborators Collaborators: Dutch ICU Data Sharing Against COVID-19 Collaborators: Rettig TCD, ...., Slooter A Intensive Care Med Exp. 2021 Jun 28;9(1):32. doi: 10.1186/s40635-021-003975. Interne geneeskunde The accuracy of mean corpuscular volume guided anaemia classification in primary care. Schop A, Stouten K, Riedl JA, van Houten RJ, Leening MJG, Bindels PJE, Levin MD. Fam Pract. 2021 Aug 4;cmab034. doi: 10.1093/fampra/cmab034. Online ahead of print.
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Association Between Administration of IL6 Antagonists and Mortality Among Patients Hospitalized for COVID-19: A Meta-analysis. WHO Rapid Evidence Appraisal for COVID-19 Therapies (REACT) Working Group; Shankar-Hari M, Vale CL, Godolphin PJ, Fisher D, Higgins JPT, Spiga F, Savovic J, Tierney J, Baron G, Benbenishty JS, Berry LR, Broman N, Cavalcanti AB, Colman R, De Buyser SL, Derde LPG, Domingo P, Omar SF, Fernandez-Cruz A, Feuth T, Garcia F, Garcia-Vicuna R, Gonzalez-Alvaro I, Gordon AC, Haynes R, Hermine O, Horby PW, Horick NK, Kumar K, Lambrecht BN, Landray MJ, Leal L, Lederer DJ, Lorenzi E, Mariette X, Merchante N, Misnan NA, Mohan SV, Nivens MC, Oksi J, Perez-Molina JA, Pizov R, Porcher R, Postma S, Rajasuriar R, Ramanan AV, Ravaud P, Reid PD, Rutgers A, SanchoLopez A, Seto TB, Sivapalasingam S, Soin AS, Staplin N, Stone JH, Strohbehn GW, Sunden-Cullberg J, Torre-Cisneros J, Tsai LW, van Hoogstraten H, van Meerten T, Veiga VC, Westerweel PE, Murthy S, Diaz JV, Marshall JC, Sterne JAC JAMA. 2021 Jul 6;e2111330. doi: 10.1001/jama.2021.11330. Online ahead of print. A bispecific single domain antibody boosts autologous Vγ9Vδ2-T cell responses towards CD1d in chronic lymphocytic leukemia. De Weerdt I, Lameris R, Ruben JM, de Boer R, Kloosterman J, King LA, Levin MD, Parren PWHI, de Gruijl TD, Kater AP, van der Vliet HJ Clin Cancer Res. 2021 Mar 15;27(6):17441755. doi: 10.1158/1078-0432.CCR-204576. Epub 2021 Jan 15. Cardiotoxicity during long-term trastuzumab use in patients with HER2positive metastatic breast cancer: who needs cardiac monitoring? Bouwer NI, Steenbruggen TG, van Rosmalen J, Rier HN, Kitzen JJEM, van Bekkum ML, Ten Tije AJ, de Jong PC, Drooger JC, Holterhues C, Smorenburg CH, Kofflard MJM, Boersma E, Sonke GS, Levin MD, Jager A. Breast Cancer Res Treat. 2021 Apr;186(3):851-862. doi: 10.1007/s10549020-06039-w. Epub 2021 Jan 4.
High-Intensity Care in the End-of-Life Phase of Castration-Resistant Prostate Cancer Patients: Results from the Dutch CAPRI-Registry. Westgeest HM, Kuppen MCP, van den Eertwegh FAJM, van Oort IM, Coenen JLLM, van Moorselaar JRJA, Aben KKH, Bergman AM, Ten Bokkel Huinink D, van den Bosch J, Hendriks MP, Lampe MI, Lavalaye J, Mehra N, Smilde TJ, Somford RDM, Tick L, Weijl NI, van de Wouw YAJ, Gerritsen WR, Uyl-de Groot CA J Palliat Med. 2021 Aug 19. doi: 10.1089/jpm.2020.0800. Online ahead of print.
Sonneveld P Lanncet Oncol. 2021 Sep 13;S14702045(21)00428-9. doi: 10.1016/S14702045(21)00428-9. Online ahead of print.
Ixazomib, Daratumumab, and Low-Dose Dexamethasone in Frail Patients With Newly Diagnosed Multiple Myeloma: The Hovon 143 Study. Stege CAM, Nasserinejad K, van der Spek E, Bilgin YM, Kentos A, Sohne M, van Kampen RJW, Ludwig I, Thielen N, DurduRayman N, de Graauw NCHP, van de Donk NWCJ, de Waal EGM, Vekemans MC, Timmers GJ, van der Klift M, Soechit S, Geerts PAF, Silbermann MH, Oosterveld M, Nijhof IS, Sonneveld P, Klein SK, Levin MD, Zweegman S J Clin Oncol. 2021 May 4;JCO2003143. doi: 10.1200/JCO.20.03143. Online ahead of print.
Quantification of ribociclib in dried blood spots by LC-MS/MS: Method development and clinical validation. Braal CL, Lam MH, Rienks T, van Tilborg CJ, Heuts W, Heijns JB, Bos MEMM, Mathijssen RHJ, de Bruijn P, Koolen SLW J Pharm Biomed Anal. 2021 Jul 15;201:114118. doi: 10.1016/j.jpba.2021.114118. Epub 2021 May 8.
Maintenance with daratumumab or observation following treatment with bortezomib, thalidomide, and dexamethasone with or without daratumumab and autologous stem-cell transplant in patients with newly diagnosed multiple myeloma (CASSIOPEIA): an open-label, randomised, phase 3 trial. Moreau P, Hulin C, Perrot A, Arnulf B, Belhadj K, Benboubker L, Béné MC, Zweegman S, Caillon H, Caillot D, Corre J, Delforge M, Dejoie T, Doyen C, Facon T, Sonntag C, Fontan J, Mohty M, Jie KS, Karlin L, Kuhnowski F, Lambert J, Leleu X, Macro M, Orsini-Piocelle F, Roussel M, Stoppa AM, van de Donk NWCJ, Wuillème S, Broijl A, Touzeau C, Tiab M, Marolleau JP, Meuleman N, Vekemans MC, Westerman M, Klein SK, Levin MD, Offner F, Escoffre-Barbe M, Eveillard JR,Garidi R, Ahmadi T, Krevvata M, Zhang K, de Boer C, Vara S, Kampfenkel T, Vanquickelberghe V, Vermeulen J, Avet-Loiseau H,
Paroxysmal localized Hyperhidrosis, a case-report: When excessive sweating occurs in combination with severe headaches. Van Coevorden MH, Schoofs MWcj, Venhovens J Cephalalgia. 2021 May 2;3331024211006843. doi: 10.1177/03331024211006843. Online ahead of print
Ruling out Pulmonary Embolism in Patients with (Suspected) COVID-19-A Prospective Cohort Study. Stals MAM, Kaptein FHJ, Bemelmans RHH, van Bemmel T, Boukema IC, Braeken DCW, Braken SJE, Bresser C, Ten Cate H, Deenstra DD, van Dooren YPA, Faber LM, Grootenboers MJJH, de Haan LR, Haazer C, Iglesias Del Sol A, Kelliher S, Koster T, Kroft LJM, Meijer RI, Pals F, van Thiel ERE, Westerweel PE, Ten Wolde M, Klok FA, Huisman MV, Dutch COVID & Thrombosis Coalition (DCTC) TH Open. 2021 Sep 15;5(3):e387-e399. doi: 10.1055/s-0041-1735155. eCollection 2021 Jul. Unmet supportive care needs, anxiety and depression in haematology patients during watch-and-wait. Damen MDC, Westerweel PE, Levin MD, Pelle AJ Psychooncology. 2021 Aug 30.doi: 10.1002/pon.5800.Online ahead of print. Kindergeneeskunde Machine Learning Used to Compare the Diagnostic Accuracy of Risk Factors, Clinical Signs and Biomarkers and to Develop
60
was
Z
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
a New Prediction Model for Neonatal Early-onset Sepsis. Stocker M, Daunhawer I, van Herk W, El Helou S, Dutta S, Schuerman FABA, van den Tooren-de Groot RK, Wieringa JW, Janota J, van der Meer-Kappelle LH, Moonen R, Sie SD, de Vries E, Donker AE, Zimmerman U, Schlapbach LJ, de Mol AC, Hoffmann-Haringsma A, Roy M, Tomaske M, Kornelisse RF, van Gijsel J, Plötz FB, Wellmann S, Achten NB, Lehnick D, van Rossum AMC, Vogt JE Pediatr Infect Dis J. 2021 Sep 9. doi: 10.1097/INF.0000000000003344. Online ahead of print. [Serious complications of chickenpox: healthy children are at risk as well]. / Ernstige complicaties van waterpokken; Ook een risico bij gezonde kinderen. Modderman SC, de Kleijn ED, Hartwig NG Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 May 6;165:D5422. [Article in Dutch] Klinische chemie The accuracy of mean corpuscular volume guided anaemia classification in primary care. Schop A, Stouten K, Riedl JA, van Houten RJ, Leening MJG, Bindels PJE, Levin MD. Fam Pract. 2021 Aug 4;cmab034. doi: 10.1093/fampra/cmab034. Online ahead of print. Evaluation of a novel real-time PCR assay for the detection, identification and quantification of Plasmodium species causing malaria in humans. Van Bergen K, Stuitje T, Akkers R, Vermeer E, Castel R, Mank T. Malar J. 2021 Jul 12;20(1):314. doi: 10.1186/s12936-021-03842-8. Usefulness of High-Sensitivity Cardiac Troponin T to Predict Long-Term Outcome in Patients with Hypertrophic Cardiomyopathy. Gommans DHF, Cramer GE, Fouraux MA, Heijmans S, Michels M, Timmermans J, Verheugt FWA, de Boer RA, Kofflard MJM, Brouwer MA Am J Cardiol. 2021 Aug 1;152:120-124. doi: 10.1016/j.amjcard.2021.04.040. Epub 2021 Jun 12.
61
Klinische Fysica Potential Risk and Safety Measures in Laparoscopy in COVID-19 Positive Patients. Tummers F, Draaisma WA, Demirkiran A, Brouwer TA, Lagerveld BW, van Schrojenstein Lantman ES, Spijkers K, Coppus SF, Jansen FW Surg Innov. 2021 Mar 31;15533506211003527. doi: 10.1177/15533506211003527. Online ahead of print. Longgeneeskunde The Effects of Low Pressure Domiciliary Non-Invasive Ventilation on Clinical Outcomes in Patients with Severe COPD Regardless Having Hypercapnia. Theunisse C, Ponssen HH, de Graaf NTC, Scholten-Bakker M, Willemsen SP, Cheung D Int J Chron Obstruct Pulmon Dis. 2021 Mar 26;16:817-824. doi: 10.2147/COPD.S289099. eCollection 2021. Ruling out Pulmonary Embolism in Patients with (Suspected) COVID-19-A Prospective Cohort Study. Stals MAM, Kaptein FHJ, Bemelmans RHH, van Bemmel T, Boukema IC, Braeken DCW, Braken SJE, Bresser C, Ten Cate H, Deenstra DD, van Dooren YPA, Faber LM, Grootenboers MJJH, de Haan LR, Haazer C, Iglesias Del Sol A, Kelliher S, Koster T, Kroft LJM, Meijer RI, Pals F, van Thiel ERE, Westerweel PE, Ten Wolde M, Klok FA, Huisman MV, Dutch COVID & Thrombosis Coalition (DCTC) TH Open. 2021 Sep 15;5(3):e387-e399. doi: 10.1055/s-0041-1735155. eCollection 2021 Jul. Maag-, darm- en levergeneeskunde Aggressive fluid hydration plus nonsteroidal anti-inflammatory drugs versus non-steroidal anti-inflammatory drugs alone for post-endoscopic retrograde cholangiopancreatography pancreatitis (FLUYT): a multicentre, open-label, randomised, controlled trial. Sperna Weiland CJ, Smeets XJNM, Kievit W, Verdonk RC, Poen AC, Bhalla A, Venneman NG, Witteman BJM, da Costa DW, van Eijck BC, Schwartz MP, Römkens TEH, Vrolijk JM, Hadithi M, Voorburg AMCJ, Baak LC, Thijs WJ, van Wanrooij RL, Tan ACITL, Seerden TCJ, Keulemans YCA, de
Wijkerslooth TR, van de Vrie W, van der Schaar P, van Dijk SM, Hallensleben NDL, Sperna Weiland RL, Timmerhuis HC, Umans DS, van Hooft JE, van Goor H, van Santvoort HC, Besselink MG, Bruno MJ, Fockens P, Drenth JPH, van Geenen EJM, Dutch Pancreatitis Study Group Lancet Gastroenterol Hepatol. 2021 May;6(5):350-358. doi: 10.1016/S24681253(21)00057-1. Epub 2021 Mar 19. Medische microbiologie Are presymptomatic SARS-CoV-2 infections in nursing home residents unrecognized symptomatic infections? Sequence and metadata from weekly testing in an extensive nursing home outbreak. Van den Besselaar JH, Sikkema RS, Koene FMHPA, van Buul LW, Oude Munnink BB, Frénay I, Te Witt R, Koopmans MPG, Hertogh CMPM, Buurman BM Age Ageing. 2021 May 7;afab081. doi: 10.1093/ageing/afab081. Online ahead of print. Medische psychologie Unmet supportive care needs, anxiety and depression in haematology patients during watch-and-wait. Damen MDC, Westerweel PE, Levin MD, Pelle AJ Psychooncology. 2021 Aug 30.doi: 10.1002/pon.5800.Online ahead of print. Neurologie Characteristics and Outcomes of Patients With Cerebral Venous Sinus Thrombosis in SARS-CoV-2 Vaccine-Induced Immune Thrombotic Thrombocytopenia. Sánchez van Kammen M, Aguiar de Sousa D, Poli S, Cordonnier C, Heldner MR, van de Munckhof A, Krzywicka K, van Haaps T, Ciccone A, Middeldorp S, Levi MM, Kremer Hovinga JA, Silvis S, Hiltunen S, Mansour M, Arauz A, Barboza MA, Field TS, Tsivgoulis G, Nagel S, Lindgren E, Tatlisumak T, Jood K, Putaala J, Ferro JM, Arnold M, Coutinho JM, Cerebral Venous Sinus Thrombosis With Thrombocytopenia Syndrome Study Group; Sharma AR, ..... Arslan Y0 JAMA Neurol. 2021 Sep 28. doi: 10.1001/jamaneurol.2021.3619. Online ahead of print.
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Comparison of eight prehospital stroke scales to detect intracranial large-vessel occlusion in suspected stroke (PRESTO): a prospective observational study. Duvekot MHC, Venema E, Rozeman AD, Moudrous W, Vermeij FH, Biekart M, Lingsma HF, Maasland L, Wijnhoud AD, Mulder LJMM, Alblas KCL, van Eijkelenburg RFJ, Buijck BI, Bakker J, Plaisier AS, Hensen JH, Nijeholt GJLA, van Doormaal PJ, van Es ACGM , van der Lugt A, Kerkhoff H, Dippel DWJ, Roozenbeek B, PRESTO investigators Lancet Neurol. 2021 Mar;20(3):213-221. doi: 10.1016/S1474-4422(20)30439-7. Epub 2021 Jan 7. Diagnostic performance of an algorithm for automated large vessel occlusion detection on CT angiography. Luijten SPR, Wolff L, Duvekot MHC, van Doormaal PJ, Moudrous W, Kerkhoff H, Nijeholt GJLA, Bokkers RPH, Yo LSF, Hofmeijer J, van Zwam WH, van Es ACGM, Dippel DWJ, Roozenbeek B, van der Lugt A, MR CLEAN Registry and PRESTO investigators J Neurointerv Surg. 2021 Aug 19;neurintsurg-2021-017842. doi: 10.1136/neurintsurg-2021-017842. Online ahead of print. Frequency of Thrombocytopenia and Platelet Factor 4/Heparin Antibodies in Patients With Cerebral Venous Sinus Thrombosis Prior to the COVID-19 Pandemic. Sánchez van Kammen M, Heldner MR, Brodard J, Scutelnic A, Silvis S, Schroeder V, Kremer Hovinga JA, Middeldorp S, Levi M, Hiltunen S, Lindgren E, Mansour M, Arauz A, Barboza MA, Zuurbier SM, Aguiar de Sousa D, Ferro JM, Fischer U, Field TS , Jood K, Tatlisumak T, Putaala J, Arnold M, Coutinho JM1 JAMA. 2021 Jul 2. doi: 10.1001/jama.2021.9889. Online ahead of print. Genetic biomarkers for intravenous immunoglobulin response in chronic inflammatory demyelinating polyradiculoneuropathy. Kuitwaard K, van Doorn PA, Bengrine T, van Rijs W, Baas F, Nagelkerke SQ, Kuijpers TW, Fokkink WJR, Bunschoten C, Broers MC, Willemsen SP, Jacobs BC, Hui-
zinga R3 Eur J Neurol. 2021 May;28(5):1677-1683. doi: 10.1111/ene.14742. Epub 2021 Feb 6. Guillain-Barré syndrome after SARS-CoV-2 infection in an international prospective cohort study. Luijten LWG, Leonhard SE, van der Eijk AA, Doets AY, Appeltshauser L, Arends S, Attarian S, Benedetti L, Briani C, Casasnovas C, Castellani F, Dardiotis E, EchanizLaguna A, Garssen MPJ, Harbo T, Huizinga R, Humm AM, Jellema K, van der Kooi AJ, Kuitwaard K, Kuntzer T, Kusunoki S, Lascano AM, Martinez-Hernandez E, Rinaldi S, Samijn JFA, Scheidegger O, Tsouni P19 , Vicino A, Visser LH, Walgaard C, Wang Y, Wirtz PW, Ripellino P, Jacobs BC, IGOS consortium Brain. 2021 Sep 23;awab279. doi: 10.1093/brain/awab279. Online ahead of print. Intravenous immunoglobulin treatment for mild Guillain-Barré syndrome: an international observational study. Verboon C, Harbo T, Cornblath DR, Hughes RAC, van Doorn PA, Lunn MP, Gorson KC, Barroso F, Kuwabara S, Galassi G, Lehmann HC, Kusunoki S, Reisin RC, Binda D, Cavaletti G, Jacobs BC, IGOS consortium; GOS consortium Collaborators: ....Kerkhoff H, ...., Kuitwaard K, .... J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2021 Jun 8;jnnp-2020-325815. doi: 10.1136/jnnp2020-325815. Online ahead of print. Paroxysmal localized Hyperhidrosis, a case-report: When excessive sweating occurs in combination with severe headaches. Van Coevorden MH, Schoofs MW, Venhovens J Cephalalgia. 2021 May 2;3331024211006843. doi: 10.1177/03331024211006843. Online ahead of print Post-SARS-CoV-2-vaccination Cerebral Venous Sinus Thrombosis: an analysis of cases notified to the European Medicines Agency. Krzywicka K, Heldner MR, Sánchez van Kammen M, van Haaps T, Hiltunen S, Silvis SM, Levi M, Kremer Hovinga JA, Jood K, Lindgren E, Tatlisumak T, Putaala J, Aguiar
de Sousa D, Middeldorp S, Arnold M, Coutinho JM, Ferro JM9. Eur J Neurol. 2021 Jul 22. doi: 10.1111/ene.15029. Online ahead of print. Prehospital scales in acute ischaemic stroke management - Authors’ reply. Duvekot MHC, Venema E, Kerkhoff H, Dippel DWJ, Roozenbeek B4 Lancet Neurol. 2021 Jul;20(7):504-505. doi: 10.1016/S1474-4422(21)00169-1. Second intravenous immunoglobulin dose in patients with Guillain-Barré syndrome with poor prognosis (SID-GBS): a doubleblind, randomised, placebo-controlled trial. Walgaard C, Jacobs BC, Lingsma HF, Steyerberg EW, van den Berg B, Doets AY, Leonhard SE, Verboon C, Huizinga R, Drenthen J, Arends S, Kleine Budde I, Kleyweg RP, Kuitwaard K, van der Meulen MFG, Samijn JPA, Vermeij FH, Kuks JBM, van Dijk GW, Wirtz PW, Eftimov F, van der Kooi AJ, Garssen MPJ, Gijsbers CJ, de Rijk MC, Visser LH, Blom RJ, Linssen WHJP, van der Kooi EL, Verschuuren JJGM, van Koningsveld R, Dieks RJG, Gilhuis HJ, Jellema K, van der Ree TC, Bienfait HME, Faber CG, Lovenich H, van Engelen BGM, Groen RJ, Merkies ISJ, van Oosten BW, van der Pol WL, van der Meulen WDM, Badrising UA, Stevens M, Breukelman AJJ, Zwetsloot CP, van der Graaff MM, Wohlgemuth M, Hughes RAC, Cornblath DR, van Doorn PA, Dutch GBS Study Group Collaborators: Dutch GBS Study Group Lancet Neurol. 2021 Apr;20(4):275-283. doi: 10.1016/S1474-4422(20)30494-4. Epub 2021 Mar 17. Sensitivity of prehospital stroke scales for different intracranial large vessel occlusion locations. Duvekot MHC, Venema E, Lingsma HF, Coutinho JM, van der Worp HB, Hofmeijer J, Bokkers RP, van Es AC, van der Lugt A, Kerkhoff H, Dippel DW, Roozenbeek B, MR CLEAN Registry investigators Eur Stroke J. 2021 Jun;6(2):194-204. doi: 10.1177/23969873211015861. Epub 2021 May 13.
62
was
Z
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Oogheelkunde Fractionated stereotactic radiotherapy for uveal melanoma: Long-term outcome and control rates. Van Beek JGM, van Rij CM, Baart SJ, Yavuzyigitoglu S, Bergmann MJ, Paridaens D, Naus NC, Kiliç E,8 Acta Ophthalmol. 2021 Sep 16. doi: 10.1111/aos.15029. Online ahead of print. Non-arteritic anterior ischaemic optic neuropathy sequential to SARS-CoV-2 virus pneumonia: preventable by endothelial protection? Moschetta L, Fasolino G, Kuijpers RW,4 BMJ Case Rep. 2021 Jul 19;14(7):e240542. doi: 10.1136/bcr-2020-240542. Orthopedie Comparison of KOOS Scores of MiddleAged Patients Undergoing Total Knee Arthroplasty to the General Dutch Population Using KOOS Percentile Curves: The LOAS Study. Loef M, Gademan MGJ, Latijnhouwers DAJM, Kroon HM, Kaptijn HH, Marijnissen WJCM, Nelissen RGHH, Vliet Vlieland TPM, Kloppenburg M, LOAS Study Group J Arthroplasty. 2021 Aug;36(8):27792787.e4. doi: 10.1016/j.arth.2021.03.050. Epub 2021 Mar 30. Differences in Knee Shape between ACL Injured and Non-Injured: A Matched CaseControl Study of 168 Patients. Van Kuijk KSR, Eggerding V, Reijman M, van Meer BL, Bierma-Zeinstra SMA, van Arkel E, Waarsing JH, Meuffels DE1 J Clin Med. 2021 Mar 2;10(5):968. doi: 10.3390/jcm10050968.
Cartilage. 2021 Jun 24;19476035211025816. doi: 10.1177/19476035211025816. Online ahead of print. Pathologie Histological interpretation of differentiated vulvar intraepithelial neoplasia (dVIN) remains challenging-observations from a binational ring-study. Dasgupta S, de Jonge E, van Bockstal MR, Wong-Alcala LSM, Wilhelmus S, Makkus LACF, Schelfout K, van de Vijver KK, Smits S, Marbaix E, Koljenović S, van Kemenade FJ, Ewing-Graham PC Virchows Arch. 2021 Aug;479(2):305-315. doi: 10.1007/s00428-021-03070-0. Epub 2021 Mar 8. Impact of the COVID-19 pandemic on diagnosis, stage, and initial treatment of breast cancer in the Netherlands: a population-based study. Eijkelboom AH, de Munck L, Vrancken Peeters MTFD, Broeders MJM, Strobbe LJA, Bos MEMM, Schmidt MK, Guerrero Paez C, Smidt ML, Bessems M, Verloop J, Linn S, Lobbes MBI,, Honkoop AH, van den Bongard DHJG, Westenend PJ, Wesseling J, Menke-van der Houven van Oordt CW, Tjan-Heijnen VCG, Siesling S, NABON COVID-19 Consortium and the COVID and Cancer-NL Consortium J Hematol Oncol. 2021 Apr 17;14(1):64. doi: 10.1186/s13045-021-01073-7.
Low rate of return to pre-injury level of sports after multi-ligament knee injury Functional outcomes after MLKI. Blokland D, van Ooij B, Reilingh ML, Wolterbeek N, Zijl JAC5 Knee. 2021 Sep 21;33:65-72. doi: 10.1016/j.knee.2021.08.036. Online ahead of print.
Impact of the suspension and restart of the Dutch breast cancer screening program on breast cancer incidence and stage during the COVID-19 pandemic. Eijkelboom AH, de Munck L, Lobbes MBI, van Gils CH, Wesseling J, Westenend PJ, Guerrero Paez C, Pijnappel RM, Verkooijen HM, Broeders MJM, Siesling S, NABON COVID-19 Consortium and the COVID and Cancer-NL Consortium. Prev Med. 2021 Oct;151:106602. doi: 10.1016/j.ypmed.2021.106602. Epub 2021 Jun 30.
Outcomes of Bone Marrow Stimulation for Secondary Osteochondral Lesions of the Talus Equal Outcomes for Primary Lesions. Rikken QGH, Dahmen J, Reilingh ML, van Bergen CJA, Stufkens JAS, Kerkhoffs GMMJ,3
The reassurance of the diagnosis benign calcifications after vacuum-assisted stereotactic breast biopsy. Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM2 Breast J. 2021 Apr 29. doi: 10.1111/tbj.14237.
63
Online ahead of print. Ten years follow-up of histologically benign calcifications in the breast after vacuum-assisted stereotactic biopsy (VASB): Is additional mammographic follow-up warranted? Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM5. Breast. 2021 Jun 26;59:135-143. doi: 10.1016/j.breast.2021.06.008. Online ahead of print. Transcriptomic Properties of HER2+ Ductal Carcinoma In Situ of the Breast Associate with Absence of Immune Cells. Agahozo MC, Smid M, van Marion R, Hammer Dl, van den Bosch TPP, Timmermans MAM, Heijerman CJ, Westenend PJ, Debets R, Martens JWM, van Deurzen CHM1 Biology (Basel). 2021 Aug 12;10(8):768. doi: 10.3390/biology10080768. Trends in incidence, treatment, survival and subsequent breast cancer in lobular carcinoma in situ in the Netherlands: A population-based analysis. Van Maaren MC, Ortega Ávila A, van Manen JG, Menke-Pluijmers MB, Veltman J, Bart J, Westenend PJ, Siesling S2 Breast. 2021 Aug 3;59:376-382. doi: 10.1016/j.breast.2021.07.020. Online ahead of print. Radiologie The Addition of Tissue Stromal Vascular Fraction To Platelet-Rich Plasma Supplemented Lipofilling Does Not Improve Facial Skin Quality: A Prospective Randomized Clinical Trial. Van Dongen JA, van Boxtel J, Willemsen JC, Brouwer LA, Vermeulen KM, Tuin AJ, Harmsen MC, van der Lei B, Stevens HP Aesthet Surg J. 2021 Mar 4;sjab109. doi: 10.1093/asj/sjab109. Online ahead of print. Brachial Artery Thrombosis as a Presentation of Non-Small Cell Pulmonary Carcinoma Growing Into the Left Atrium. Van Wijngaarden MHEJ, Kock MCJM, Kofflard MJM1. JACC Case Rep. 2021 Apr 28;3(5):836838. doi: 10.1016/j.jaccas.2021.02.030. eCollection 2021 May.
WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES
Clinical evaluation of a deep-learningbased computer-aided detection system for the detection of pulmonary nodules in a large teaching hospital. Martins Jarnalo CO, Linsen PVM, Blazís SP, van der Valk PHM, Dickerscheid DBM3 Clin Radiol. 2021 Aug 14;S00099260(21)00382-2. doi: 10.1016/j.crad.2021.07.012. Online ahead of print. Comparison of eight prehospital stroke scales to detect intracranial large-vessel occlusion in suspected stroke (PRESTO): a prospective observational study. Duvekot MHC, Venema E, Rozeman AD, Moudrous W, Vermeij FH, Biekart M, Lingsma HF, Maasland L, Wijnhoud AD, Mulder LJMM, Alblas KCL, van Eijkelenburg RFJ, Buijck BI, Bakker J, Plaisier AS, Hensen JH, Nijeholt GJLA, van Doormaal PJ, van Es ACGM , van der Lugt A, Kerkhoff H, Dippel DWJ, Roozenbeek B, PRESTO investigators Lancet Neurol. 2021 Mar;20(3):213-221. doi: 10.1016/S1474-4422(20)30439-7. Epub 2021 Jan 7. The reassurance of the diagnosis benign calcifications after vacuum-assisted stereotactic breast biopsy. Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM2 Breast J. 2021 Apr 29. doi: 10.1111/tbj.14237. Online ahead of print. Reducing False-Positive Screening MRI Rate in Women with Extremely Dense Breasts Using Prediction Models Based on Data from the DENSE Trial. Den Dekker BM, Bakker MF, de Lange SV, Veldhuis WB, van Diest PJ, Duvivier KM, Lobbes MBI, Loo CE, Mann RM, Monninkhof EM, Veltman J, Pijnappel RM, van Gils CH, DENSE Trial Study Group Collaborators: .... Kock MCJM, .... Radiology. 2021 Aug 17;210325. doi: 10.1148/radiol.2021210325. Online ahead of print. Supplemental Breast MRI for Women with Extremely Dense Breasts: Results of the Second Screening Round of the DENSE Trial. Veenhuizen SGA, de Lange SV, Bakker MF, Pijnappel RM, Mann RM, Monninkhof EM, Emaus MJ, de Koekkoek-Doll PK, Bisschops RHC, Lobbes MBI, de Jong MDF, Duvivier KM, Veltman J, Karssemeijer N, de Koning HJ, van Diest PJ, Mali
WPTM, van den Bosch MAAJ, van Gils CH, Veldhuis WB, DENSE Trial Study Group DENSE Trial Study Group: .... Bisschops RHC, Kock MCJM, Storm RK, van der Valk PHM, .... Radiology. 2021 May;299(2):278-286. doi: 10.1148/radiol.2021203633. Epub 2021 Mar 16. Comment in: Supplemental MRI in Extremely Dense Breasts: Sharp Reduction in False-Positive Rate in the Second Screening Round of the DENSE Trial. Moy L, Gao Y. Radiology. 2021 May;299(2):287-289. doi: 10.1148/radiol.2021210265. Epub 2021 Mar 16. No abstract available.
Eur J Hosp Pharm. 2021 Jul 7;ejhpharm2021-002747. doi: 10.1136/ejhpharm-2021002747. Online ahead of print.
Ten years follow-up of histologically benign calcifications in the breast after vacuum-assisted stereotactic biopsy (VASB): Is additional mammographic follow-up warranted? Van Bekkum S, Dams FEM, Westenend PJ, van Rosmalen J, Menke-Pluijmers MBE, Kock MCJM5. Breast. 2021 Jun 26;59:135-143. doi: 10.1016/j.breast.2021.06.008. Online ahead of print. Reumatologie The burden of psoriasis in patients with early psoriatic arthritis. Kasiem FR, Kok MR, Luime JJ, Tchetverikov I, Wervers K, Korswagen LA, Denissen NHAM, Goekoop-Ruiterman YPM, van Oosterhout M, Fodili F, Hazes JMW, Vis M, CICERO. Rheumatology (Oxford). 2021 Jul 24;keab606. doi: 10.1093/rheumatology/keab606. Online ahead of print. Impaired fertility in men diagnosed with inflammatory arthritis: results of a large multicentre study (iFAME-Fertility). Perez-Garcia LF, Röder E, Goekoop RJ, Hazes JMW, Kok MR, Smeele HTW, Tchetverikov I, van der Helm-van Mil AHM, van der Kaap JH, , Kok P, Krijthe BP, Dolhain RJEM2. Ann Rheum Dis. 2021 Aug 9;annrheumdis2021-220709. doi: 10.1136/annrheumdis2021-220709. Online ahead of print.
Ziekenhuisapotheek Reducing the risk of non-sterility of aseptic handling in hospital pharmacies, part C: applying risk assessment and risk control in practice. Boom FA, Le Brun PPH, Ris JM, Veenbaas J, Touw D2.
64
was
Z
BERICHTEN VAN DE BIBLIOTHEEK
Karlijn bedankt! Na ruim twee jaar als redacteur verlaat Karlijn Stouten de WASz-redactie. Na vijf nummers neemt ze niet alleen afscheid van de redactie, maar ook van het Albert Schweitzer ziekenhuis. Karlijn begon in de zomer van 2019 als vast lid van de redactie. Ze mocht meteen op pad voor een interview met reumatoloog Ilja Tchetverikov. Het werd een bijzonder verhaal, een hoogtepunt. In dit laatste nummer waaraan Karlijn meewerkte geldt dit misschien ook wel voor haar interview met Geertruid Marres (zie pagina 26). Vóór haar redactielidmaatschap was Karlijn geen onbekende van de WASz. In 2013 werd ze voor het eerst betrokken bij het blad, maar dan aan de andere kant: ze werd geïnterviewd over haar promotieonderzoek. Precies, nieuwsgierig, vasthoudend, belangstellend en eigenwijs, zo beschreef Karlijn zichzelf toen. We herkennen deze eigenschappen zeker in het redactielid Karlijn. Hoewel… zo eigenwijs was Karlijn helemaal niet. Wel heel secuur en stipt met alle vergaderingen! En positief was Karlijn ook altijd met het halen van de deadlines! Karlijn werkte negen jaar in ons ziekenhuis, waarvan de laatste viif jaar als AIOS klinische chemie. Ze was in de laatste jaren ook nog bestuurslid van de arts-assistenten vereniging (AAV). Karlijn, we zullen je missen! Heel erg bedankt voor al je bijdrages aan de WASz! We wensen je heel veel succes en plezier in Tilburg en komen je vanzelf wel tegen in de wetenschap!
Karlijn begon haar carrière op het laboratorium als een ronduit verlegen meisje met een fascinatie voor bloedarmoede (anemie) en de diagnostiek hiernaar. Met behulp van een groot cohort van onder andere huisartsen en patiënten zijn - in samenwerking met collega Levin - studies verricht om de zin en onzin van specifieke laboratoriumbepalingen te onderzoeken. Daarnaast heeft Karlijn belangrijk werk verricht op het gebied van de digitale microscopie; een techniek om een beter gestandaardiseerde en geautomatiseerde manier van de microscopische (hand)differentiatie te verrichten. Al deze onderzoeken hebben geleid tot een aantal belangrijke publicaties in peer-reviewed journals. Als persoon is Karlijn ook zeker gegroeid. Waarschijnlijk heeft Karlijn een aantal eigenschappen ontwikkeld, die ze in haar verdere carrière goed zal kunnen gebruiken: doorzettingsvermogen, een nog beter vermogen om om te gaan met teleurstellingen en de kwaliteit om onderzoeksdata overzichtelijk te presenteren. Karlijn bracht vrolijkheid naar de werkvloer en met haar voorliefde voor fantasy-boeken en films, was er altijd wel een aanknopingspunt voor een interessant gesprek. Ik wil Karlijn van harte bedanken voor haar inzet op onze afdeling en specifiek voor haar inzet voor de WASz. Ik wens haar veel succes met het voortzetten van haar carrière. Dr. Jurgen Riedl Voorzitter Wetenschapscommissie
65
Karlijn Stouten Karlijn Stouten was AIOS klinische chemie in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Thans is ze klinisch chemicus in Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg.
WE BELIEVE THAT COLOR MAKES YOU HAPPY, SO MIX & MATCH OUR HOME O & FASHIOON PRODUCTS TO MAKE YOUR OWN PERSONAL AL STYLE!
FIND US! www.imbarro.nl info@imbarr o.nl T. +31 55 5422766
FIND YOUR NEAREST IMB BARRO STORE AT | IMBARRO.NL/MAPL LIST
Leven met m ITP
Op een O toegankeli o ijke m manier lere en over v ITP, ie iets t voor o jouw patiënt? p
Voor ie edere patiënt is de impa act van de ziekte uiteraard anders. Het uitwisselen u van erva aringen ge is s erg e g belangri be a g ijk j en e kan a helpen bij het proces. Patiëntten kunnen zien hoe lotg genoten omgaa an met de diagnose, het behandeltraject, angst, vermoeidheid en n meer.
Met het platform ‘Leven met m ITP’ nemen we jouw w pattiënt ië mee en geven we antwoord a d op vragen als l : Watt is ITP? Hoe bereid ik mij m voor op een afspraak? Kan ik nog wel spor s ten? Of welke beh handelingen zijn er?
0921HEM279594
Zo helpen we de patiënt met behulp van bijvoorbe eeld inte erviews, animatievideo’s, s brochures en tips om de con ntrole over hun eigen leven v terug te krijgen.
Wat is er te vinden: • Wat is ITP?? • Behandelin ng • Op afspraa ak • Leven met ITP • Ervaringen • Tips • Contact
Scan de code en Het platform ‘Leven met ITP’ is ontwik kkeld door Novartis Pharma BV met medewerking van de ITP patiëntenvereniging p Nederland. Nederland
Leerplein In verband met de coronamaatregelen zijn fysieke scholingen voor alsnog geannuleerd of omgezet naar online scholingen. Kijk voor actuele scholingen op Intranet of neem contact op met *Leerhuis of *Wetenschap bij vragen naar de (online) mogelijkheden. April 6
GCP-WMO Deze scholing wordt extern aangeboden - ECTR scholing: DCRF academy