IN
NO VA TI E
VieCuri deelt Wetenschap en Innovatie
Variabiliteit hartslag als voorspeller voor verloop ziekte
Snel zekerheid over een hartinfarct
Wat het blote oog niet ziet
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Rybelsus , semaglutide tabletten ®
Om de glykemische controle te verbeteren bij volwassenen met diabetes type 2 1
HbA1c -verlaging
Gewichtsverlaging
In een pil
1
1
1
Bij diabetes type 2 maakt het lichaam te weinig GLP-1 aan. Rybelsus is een GLP-1 receptoragonist die de bètacellen
de verlaging van het lichaamsgewicht. Overweeg Rybelsus in te zetten als volgende stap bij mensen met diabetes type 2 en onvoldoende glykemische controle op metformine en SU en een BMI 30 kg/m . 2
®
1
®
2
Ga voor meer informatie naar glp1ineenpil.nl of scan de QR code
De meest voorkomende bijwerkingen zijn gastro-intestinaal van aard en van korte duur. Rybelsus . Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. ®
NL21RYB00079 Verkorte productinformatie en referenties zie elders in deze uitgave.
Voorwoord
‘Vroeger was alles slechter’ “Laat ik beginnen met de belangrijkste les van de geschiedenis. Vroeger was alles slechter. Gedurende 99% van de wereldgeschiedenis was 99% van de mensheid arm, hongerig, bang vies, dom, ziek en lelijk.” Dit is de uitdagende openingszin van Rutger Bregman in zijn boek “Gratis geld voor iedereen en nog 5 grote ideeën die de wereld kunnen veranderen”. In moeilijke tijden heeft de mensheid altijd gedroomd van vernieuwing, van innovatie. En al was vroeger alles slechter, vandaag staan we nog altijd voor grote uitdagingen als klimaatverandering, grootschalige conflicten en inkomens-/ontwikkelingsongelijkheid. Ook in de zorg staan we voor grote vraagstukken, die vragen om nieuwe oplossingen.
VieCuri behoort al meer dan tien jaar tot de selecte groep Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ). STZ-ziekenhuizen onderscheiden zich door steeds voorop te lopen met topklinische zorg, patiëntgericht wetenschappelijk onderzoek, en opleiding. Als STZ-lid moet je voldoen aan criteria die regelmatig worden getoetst. Van de 88 ziekenhuizen in Nederland, hebben er slechts 27 de STZ-status.
Gelukkig hebben we een schat aan ervaring, want innovatie is van alle tijden en van iedereen. Er is niets natuurlijker in ons menszijn dan te experimenteren, te leren en te innoveren. Ieder van ons is met deze gave geboren. Velen van ons leren het af. Vallen doet pijn. Opstaan is lastig. Anders zijn is eenzaam. En toch, iedereen heeft wel een idee hoe iets anders en beter kan, een gedachte “wat als het nou toch eens echt zou kunnen dat…. “ of te wel “I have a dream!” Innoveren zit dan misschien in onze genen, veranderen daarentegen is nog niet zo eenvoudig. Doorbreken van patronen, vraagt om lef, om los te laten en te proberen, om fouten te durven maken, om te vragen en te leren. En dat is ongemakkelijk. Want zoals de veranderkundige Hans Vermaak stelt in zijn “gids voor veranderaars”, is een belangrijke vuistregel bij vernieuwing: “Wat hoort werkt niet en wat werkt hoort niet”. We moeten zoeken buiten de comfortzone van de gebaande paden en vriendschap sluiten met “Harry” (google maar eens op de corporate antropoloog Jitske Kramer). Want de antwoorden op complexe, ethische, financiële, zorginhoudelijke en arbeidsvraagstukken gaan we niet vinden vanuit het enkelvoudige perspectief. Echte innovaties en doorbraken ontstaan door kennis en inzichten te combineren uit verschillende domeinen. Mensgerichte zorg ondersteund door de razendsnelle technologische ontwikkelingen. Preventie en welzijn als evenwaardige partners in het netwerk van zorg. Of binnen onze
eigen muren: waartoe zouden we in staat zijn als we het VieCuri potentieel tot het maximum benutten? Als we gebruik weten te maken van de creatieve wijsheid van het collectief, van al onze collega’s, medisch, verpleegkundig, laboratoria, facilitair en de staf. Als Corona iets positiefs heeft gebracht, dan is het wel het inzicht dat innovaties niet langzaam hoeven te gaan. We zijn sneller, wendbaarder en tot veel meer in staat dan we dachten. Het vraagt om urgentie en focus. En bovendien om intrinsieke motivatie van professionals, die altijd een oplossing willen vinden. Waarlijke innovatie en verandering vragen om een vraagstuk dat er toe doet en mensen die er met passie voor willen gaan. En die combinatie vind je bij uitstek in de zorg. Zo ook bij VieCuri. We zijn een creativiteitsfabriek. Zet op afdelingen gouden ideeënboxen neer en dat levert in een mum van tijd 100 ideeën op. Binnen de STZ innovatie challenge gooien we hoge ogen, omdat we het hoogste aantal inzendingen hebben in 2021. Kwantiteit en kwaliteit komen hier samen, want in de voorronde hebben we de publieksprijs gewonnen en voor de juryprijs zijn we nog in de race. Binnen de nieuwe VieCuri Academie krijgt innovatie dan ook een centrale plaats. Innovatie is van iedereen, we gaan het stimuleren en ondersteunen, zodat het kan leiden tot daadwerkelijke verandering. VieCuri staat voor toegankelijkheid van kwalitatieve zorg in onze regio. We willen ons inzetten om Noord Limburg te transformeren vanuit de achterhoede tot de gezondste regio. We geloven in human power, in de kracht van al onze professionals. We willen een duurzame werkgever zijn, waar mensen zich met passie willen inzetten, zich gehoord en gezien voelen. Dit zijn dromen waard om voor te gaan. Het vraagt om verandervermogen en creativiteit, en de moed om door te gaan waar anderen twijfelen. En of we lef hebben binnen VieCuri? Kijk maar eens in deze editie voor de verhalen en ervaringen. Dit is Human Power, dit is innovatie, dit is wat ik zie bij VieCuri…… Jolanda Colnot Clustermanager Mens & Ontwikkeling/VieCuri Academie
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
3
HIJ REKENT OP U Voor het leven na het infarct
• Snelle, aanhoudende LDL-c verlaging • Mind der kans op ernstige CV-events1,2 1, 2 • Veilig en goed verdragen
NL-REP-0321-00020. April 2021
1-3
Zie voor referenties en meer productinformatie elders in deze uitgave.
Inhoud Voorwoord.............................................................................................................3 Kortnieuws ...........................................................................................................6 ZorginnovatiesinVieCuri–eenblikopdetoekomst ............................................8 Snelzekerheidovereenhartinfarct .....................................................................14
14
Variabiliteithartslagalsvoorspellervoorverloopziekte ......................................16 Wathetbloteoognietziet ..................................................................................19 Slimmetechnologiebrengtdejuistezorgopdejuisteplek................................22
16
Inbewegingmetkanker ......................................................................................24 Onderzoeknaargepersonaliseerdepsychofarmaca- FondsProf.dr.MarcelWaldinger ........................................................................28 ‘VieCuriisvooronsalsjongedokterseentweedethuis’ ....................................32 Publicatielijst2020 ..............................................................................................38
32
Activiteiten - 24 november 2021: Wetenschapsavond VieCuri - 15 december 2021: Opening Simulatiecentrum
Colofon Het Wetenschapsmagazine is het magazine over wetenschap en innovatie bij VieCuri Medisch Centrum en verschijnt 2x per jaar. VieCuri Medisch Centrum: Tegelseweg 210 | 5912 BL Venlo | 077 320 5555 | www.viecuri.nl Redactie: Leerhuis VieCuri Fotografie: Jolanda Colnot (voorwoord), Pascale Clephas, PCL Photography (voorpagina, p. 5, 11, 15-17, 19, 28), Bert Janssen, Collectiony (p. 25, 26), Quinten de Bakker (p. 23), Anne Daniels (p. 5, 35), Maarten van Heinsbergen (p. 34) Uitgave: Multiplus BV | Stationsweg 21 | 9201 GG Drachten | 0512 204100 info@multiplusmedia.nl | www.multiplusmedia.nl Acquisitie: Jessica M. Jager-Ferwerda en Taco de Haan Opmaak: Maurice de Jong Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar communicatie@viecuri.nl Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder schriftelijke toestemming van de uitgever en de redactie.
- 16 december 2021: Wetenschapsbijeenkomst Verpleegkundig specialisten - 6 januari 2022: Masterclass Wetenschapsbureau – Awareness inzake privacy en informatieveiligheid & Gedragscode Gezondheidonderzoek - 17 januari 2022: Minisymposium verpleegkundig onderzoek - 16 Februari 2022: Wetenschapsbijeenkomst Wetenschappelijke stages senior coassistenten
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
5
Kort nieuws
Nieuwe pijnstillingsmethode na operatie voor dikkedarmkanker Het grootste deel van de patiënten met dikke darmkanker is 70+. Juist bij deze groep zijn de bijwerkingen van morfine berucht. Denk daarbij aan obstipatie, slaperigheid, valgevaar maar ook bij langdurig gebruik kans op verslaving. Die bijwerkingen kunnen nu voorkomen worden door een nieuwe methode van pijnstilling na de operatie. Met deze methode hebben we de zilveren Zinnige Zorgaward van zorgverzekeraar VGZ gewonnen.
D
e chirurgen in VieCuri zijn als eerste Nederlands ziekenhuis gestart met een nieuwe methode voor pijnstilling. De methode is na een succesvolle proef bij tien patiënten nu ingevoerd als standaard techniek. Patiënten krijgen aan het eind van de operatie een dun slangetje in de wond geplaatst die continu een pijnstillend middel afgeeft. Dit zorgt ervoor dat de behoefte aan morfine veel minder, en in veel gevallen, zelfs helemaal niet nodig is. Chirurg-oncoloog Jeroen Vogelaar licht toe: “Al langere tijd was ik op zoek naar een methode om zo min mogelijk morfine te ge-
bruiken als pijnstilling na een operatie. Toen kwam ik in aanraking met deze pijnstil-catheter en hebben we een succesvolle proef gedaan. Het is echt geweldig om patiënten kort na de operatie over de gang te zien lopen zonder pijn!” In de toekomst wordt deze manier van pijnstilling zeer waarschijnlijk breder ingezet binnen VieCuri, bijvoorbeeld binnen de mamma-chirurgie en dan in het bijzonder bij de zogenaamde (directe) DIEPborstreconstructies die regelmatig worden uitgevoerd.
Centrum voor Metabole Botaandoeningen ontvangt internationale erkenning Het fractuurpreventiespreekuur in het Centrum voor metabole botaandoeningen is onlangs gecertificeerd met een gouden ster door de International Osteoporosis Foundation. Wij zijn het vierde centrum in Nederland dat deze hoogste kwaliteitserkenning ontvangen heeft.
F
racturen hebben grote impact op patiënten en gaan gepaard met pijn, invaliditeit, verlies van zelfstandigheid en levenskwaliteit of zelfs vroegtijdige sterfte. Ook leidt dit tot hoge sociaaleconomische kosten die voorkomen kunnen worden als patiënten met hoog fractuurrisico tijdig worden opgespoord. Echter, bij de meeste patiënten wordt, nadat zij een fractuur hebben gehad, niet adequaat onderzocht of er sprake is van osteoporose of een andere aandoening waardoor de kwaliteit van de botten slecht is. We weten echter dat hier bij bijna de helft van de patiënten van 50 jaar en ouder die een botbreuk hebben sprake van kan zijn!
6
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
FRACTUURPREVENTIESPREEKUUR
HOOGSTE KWALITEITSNORMEN
Een fractuurpreventiespreekuur ofwel een “Fracture Liaison Service” (FLS ) wordt momenteel gezien als het meest doelmatige en effectieve zorgmodel om deze kloof te dichten. “Het Capture the Fracture® Best Practice Recognition”-programma van de International Osteoporosis Foundation (IOF) evalueert de kwaliteit van een FLS om ervoor te zorgen dat ze voldoen aan internationaal gestelde normen. De IOF wil met deze erkenning de zorg rondom fractuurpreventie stimuleren en verleent aan ziekenhuizen waarvan hun fractuurpreventiespreekuur aan de door hun gestelde voorwaarden voldoet een erkenning in de vorm van een bronzen, zilveren of gouden ster.
De FLS op het Centrum voor Metabole Botaandoeningen in VieCuri is het vierde centrum in Nederland dat een gouden ster als erkenning voor de hoogste kwaliteitsstandaard krijgt. Deze erkenning toont aan dat de zorg die geboden wordt door het team op het Centrum voor Metabole Botaandoeningen voldoet aan de hoogst gestelde internationale kwaliteitsnormen.
Regio Noord-Limburg steunt Corona onderzoek met € 100.000,-
A
cht Noord-Limburgse gemeenten Venlo, Horst aan de Maas, Venray, Peel en Maas, Beesel, Gennep, Mook en Middelaar en Bergen - bundelen al enkele jaren hun krachten om een impuls te geven aan de verdere ontwikkeling van de regio Noord-Limburg en het oplossen van regionale maatschappelijke vraagstukken. De onderzoeksgroep COVID-19 heeft in november 2020 een projectvoorstel ingediend bij het Innovatiefonds van Regio Noord-Lim-
burg. Voor het uitvoeren van dit voorstel heeft de Regio recent beslist om € 100.000,beschikbaar te stellen. Hiermee wordt toegepast onderzoek naar COVID-19 gefinancierd, met als beoogde resultaten verbeterde zorg voor acute patiënten, verminderde lange termijn effecten op patiënten die de ziekte hebben doorgemaakt en duurzame inzetbaarheid van zorgmedewerkers.
Project ‘Kook- en wandelmaatjes voor kankerpatiënten’ genomineerd voor Onco Care Challenge 2021 Tijdens de Onco Care Challenge worden oncologie- en hematologieteams uitgedaagd om innovatieve ideeën uit te werken. De beste drie inzendingen gaan door naar de finale in november. Een multidisciplinair team van VieCuri heeft het project ‘Zoek en vind: kook- en wandelmaatjes’ ingediend en is één van de drie genomineerden in de finale.
W
anneer iemand met kanker ouder wordt is de behandeling complexer en de weg terug naar dagelijkse activiteiten moeilijker. Aangetoond is dat gezonde voeding en bewegen leiden tot een sneller herstel. Juist in de moeilijke periode rondom de behandeling van kanker kunnen oudere patiënten een steuntje in de rug gebruiken bij gezond koken, eten en bewegen. Maatjes kunnen hierbij helpen. Onze collega’s gaan aan de slag om een blauwdruk te maken voor een gebruiksvriendelijke online applicatie, toegespitst op ouderen. Met deze applicatie kunnen ouderen die een behandeling voor
kanker ondergaan en vrijwilligers elkaar vinden om samen te koken, eten of bewegen. Bij het project worden patiënten betrokken, diverse zorgverleners en experts op het gebied van digitale applicaties. Het project wordt aangejaagd door Maryska JanssenHeijnen (projectleider en hoogleraar), Ruud Franssen (fysiotherapeut en bewegingswetenschapper) en Melissa Voorn (oncologiefysiotherapeut). Naast VieCuri zijn Rijnstate (project ‘Hap, stap en ontspan’) en Zuyderland (project ‘Digitaal intakegesprek in ontwikkeling’) genomineerd.
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
7
ZORGINNOVATIES
Zorginnovaties in VieCuri – een blik op de toekomst Door Francy Crijns
Innovatie is noodzakelijk om als voorhoedeziekenhuis een rol van betekenis te kunnen blijven spelen en de beste patiëntenzorg te leveren. Omdat samenwerking een noodzaak is om te kunnen innoveren, hebben de Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ) innovatie als kernthema benoemd. Op de vooravond van de strategische herijking van VieCuri interviewde ik IJsbrand Schouten en Wilfred Heesen over innovatie en hun beeld bij innovatie in VieCuri. Coby van de Bool is vanuit het Wetenschapsbureau lid van het STZ innovatienetwerk. Zij beschrijft de succesvolle deelname van VieCuri aan de STZ Innovatiechallenge.
IJSBRAND SCHOUTEN – VOORZITTER RAAD VAN BESTUUR WAT BETEKENT INNOVATIE VOOR JOU? WANNEER ZOU JE IETS EEN INNOVATIE NOEMEN? Innovatie betekent dat je iets vernieuwt. Dat je iets bedenkt waardoor je iets nieuws gaat doen, iets wat nog niet bestaat of dat je iets wat al bestaat verbetert. Dat kunnen producten zijn, diensten, werkwijzen of procedures. Iets nieuws, vernieuwend of verbeterend. Innoveren is ook veranderen, transformeren. En innovatie gaat hand in hand met wetenschap. Een nieuwe behandelmethodiek kan heel innovatief zijn, maar je hebt de wetenschap nodig om te bewijzen dat de zorg daar beter van wordt.
8
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
HOE ZIE JE JOUW ROL IN INNOVATIE BINNEN VIECURI?
nieuws. We hoeven het niet allemaal zelf uit te vinden.
Als bestuurder dien je te zorgen dat er een klimaat heerst binnen je organisatie dat innovatie mogelijk maakt, toejuicht en stimuleert. Vaak wordt gezegd: maak er geen bureau van want daarmee ben je er niet. En dat klopt. Maar ik denk wel dat een bureau kan helpen om dat innovatieve klimaat te creëren. Een valkuil is wel dat zoiets leidt tot een gebureaucratiseerde organisatie waarin innovaties doorvoeren ongelooflijk lastig wordt. Ook de acceptatie dat iemand met ideeën komt en daarmee aan de slag gaat is belangrijk. Vaak zit daar al heel veel weerstand. Dat wil je niet in je organisatie. Je wilt juist een klimaat waarin het heel erg geaccepteerd wordt en toegejuicht dat je met nieuwe dingen aan de slag gaat. Dat is belangrijk!
We moeten de wendbaarheid van de organisatie zo zien te krijgen dat we het adopteren van veranderingen in de zorg makkelijker aankunnen. Als we dat weten te bereiken, dan ben ik als bestuurder heel gelukkig, want dan weet ik ook zeker dat ons dat succes gaat brengen.
IS HET EEN DOEL VAN VIECURI OM TE INNOVEREN? We hebben niet het doel het meest innovatieve ziekenhuis in Nederland te willen zijn, dat gaat te ver. We hebben onze eigen uitdagingen in deze regio. Maar om hoogwaardige zorg te kunnen blijven bieden is het belangrijk dat er een innovatief klimaat heerst. Dat kan ook betekenen dat we innovaties van buiten de organisatie adopteren. Dat is ook een manier om snel te kunnen transformeren naar iets
KUN JE ENKELE VOORBEELDEN BENOEMEN WAARIN VIECURI SUCCESVOL IS, ALS HET GAAT OM INNOVATIE? We hebben natuurlijk de innovaties die ingediend zijn voor de STZ innovatiechallenge, maar ook onze topklinische zorgfuncties en de best practices ingediend bij VGZ. Ook zijn we goed in staat in het overnemen van best practices van elders. Dat moeten we vasthouden en verder uitbreiden.
WAARIN KAN VIECURI ZICH VERDER ONTWIKKELEN ALS HET GAAT OM INNOVATIES? We zijn echt wel goed op veel terreinen, maar ik besef ook dat we op een aantal terreinen best wat achterstand hebben om in te lopen. Neem bijvoorbeeld alles wat zich afspeelt rondom ICT, daar dienen we een versnelling op aan te brengen. Het feit dat we nog niet op HiX standaard content zitten, belemmert enorm een door-
ontwikkeling van verbeteringen die we zouden kunnen doorvoeren, zowel op het zorgproces als op bedrijfsvoeringsprocessen daaromheen. Daar kunnen we nog veel winst boeken. Ik denk ook dat we behoefte hebben aan vernieuwing van onze medische beeldvorming en ons OK-complex. Dat laatste is een belangrijk project waar ook nieuwe projecten hun intrede kunnen doen, zoals een 3 Tesla MRI machine en een hybride OK. Dat staat allemaal op de planning om binnen afzienbare tijd te realiseren.
Academie. In die Academie komt een cluster waarin we innovatie een hele nadrukkelijke plek zullen geven zodat het ook zichtbaar wordt voor mensen. Het bureau faciliteert intern maar heeft ook scherp welke kansen en veranderingen in de buitenwereld aanwezig zijn. Het beheert projecten en veranderagenda’s, begeleidt en zorgt dat innovaties ook daadwerkelijk tot successen komen.
Het innovatieproces zal versnellen door het inrichten van een innovatiebureau, dat er nu nog niet is. Mensen uit de organisatie kunnen er met hun innovatieve ideeën naar toe voor hulp bij het uitwerken, ontwikkelen en later ook implementeren van hun innovatie. Het innovatiebureau moet helpen in het creëren van het klimaat en het faciliteren van de processen om van idee naar daadwerkelijke implementatie van de zorginnovatie te komen. Dat past ook heel goed bij onze plannen voor het inrichten van de VieCuri
Dat is heel decentraal georganiseerd, en nogal versnipperd. Vooral zorginhoudelijke innovatie speelt zich af op vakgroepniveau. Het hoort daar ook thuis, maar ik zou graag zien dat het op zijn minst centraler begeleid wordt, en dat we meer synergie effecten gaan vinden door de zaken vakgroepoverstijgend te combineren. Met de Juiste Zorg op de Juiste Plek hebben we wel centrale sturing, net zoals bij de ontwikkelingen rondom Digitale Zorg. Als we straks innovatie en ook het wetenschapsbureau hebben ondergebracht in
HOE IS HET PROCES VAN INNOVATIE NU GEORGANISEERD BINNEN VIECURI?
te zijn: er is nu al een grote toename van de vraag naar zorg, zowel door vergrijzing als door steeds meer behandelmogelijkheden. Dat kunnen we niet beantwoorden door te blijven werken zoals we nu gewend zijn. Wij als zorgprofessionals zullen (nog) meer patiënten per persoon moeten gaan begeleiden, ook tussen de polibezoeken en opnames door, zoals via netwerkgeneeskunde en monitoring op afstand. En dan zijn digitale zorgmiddelen gewoon noodzakelijk.
WILFRED HEESEN – CARDIOLOOG EN PROGRAMMAMANAGER DIGITALE ZORG WAT BETEKENT INNOVATIE VOOR JOU? WANNEER ZOU JE IETS EEN INNOVATIE NOEMEN? Zorginnovatie is voor mij het anders organiseren van zorg, meer nog dan het toepassen van digitale middelen. Dat geeft gelijk de motivatie aan om hiermee bezig
WAT IS JOUW ROL BINNEN VIECURI M.B.T. INNOVATIE? Vijf jaar geleden ben ik begonnen met inzetten van eHealth en het organiseren van het ‘Congrestival”, een congres met een markt waarop bedrijven hun digitale middelen presenteren in VieCuri. Stilaan is mijn rol geëvolueerd naar een brugfunctie tussen zorg en ICT. Officieel is er nog geen Chief Medical Information Of-
het nieuwe cluster, dan komt wetenschap, maar ook innovatie programmamanagement bij elkaar. Ik ben ervan overtuigd dat we innovatie dan nog meer een boost kunnen geven.
HOE ZOU VIECURI ER DAN OVER 5 JAAR UITZIEN, ALS DE GEWENSTE ONTWIKKELINGEN ZIJN DOORGEZET? Dan hoop ik dat VieCuri ongelooflijk veel transformatiestappen heeft gezet op belangrijke gebieden in haar bestaan als ziekenhuis, transformaties naar het ziekenhuis van de toekomst. Hierbij zijn we in staat om de enorme zorgvraag in de regio een plek te geven tegen acceptabele kosten, want dat is uiteindelijk waar we het voor doen: hoogwaardige kwalitatieve zorg bieden tegen aanvaardbare kosten. Om dat te bereiken moeten we het goed organiseren, samen met onze ketenpartners in de regio. Ik zou het fantastisch vinden als we over 5 jaar terug kunnen kijken en zeggen: we hebben de regio toch een stukje gezonder gemaakt.
ficer (CMIO) in VieCuri, maar feitelijk functioneer ik al wel in die rol. Daarmee wil ik de connectie tussen zorgafdelingen en de afdeling Informatie & Automatisering (I&A) intensiveren. Door te overleggen met projectontwikkelaars en programmamanagers van I&A, wat ik al geruime tijd doe, is de verbinding met de zorg een stuk beter dan voorheen. Het naar binnen halen van innovaties die elders worden ontwikkeld wordt ook een van mijn taken in de nieuwe VieCuri structuur. We hoeven niet alles zelf uit te vinden, het is juist slim mee te liften op ontwikkelingen waar elders kinderziektes uit zijn gehaald. Tegelijk moet de ambitie wel zijn op bepaalde gerichte vraagstukken mee voorop te willen lopen.
KUN JE ENKELE VOORBEELDEN BENOEMEN WAARIN VIECURI SUCCESVOL IS, ALS HET GAAT OM INNOVATIE? De VieCuri Behandelapp, die na het 1e
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
9
ZORGINNOVATIES
Congrestival is uitgerold. Hierin vindt de patiënt op maat informatie over zijn behandeling. Zodra er een afspraak wordt gemaakt voor de patiënt over b.v. een longonderzoek verschijnt onmiddellijk de juiste informatie over het onderzoek in de app. Het is nu de uitdaging om de Behandelapp onderdeel te maken van het digitale patiëntenportaal. Dat portaal zijn we nu aan het inrichten dat je er ook (kwaliteits-)vragenlijsten aan kunt koppelen. Ook de slimme pleister (Smartpatch) is een innovatie die nu wordt onderzocht en daarna toegepast kan worden op diverse afdelingen. De digitale hartfalencoach maakt het mogelijk dat patiënten thuis metingen doen die we in het ziekenhuis kunnen monitoren, ook de thuiszorg kan meekijken met de hartfalencoach en overleggen met de hartfalenverpleegkundige in het ziekenhuis. Dat is al “echte” netwerkzorg, en daar mogen we best trots op zijn want dat gebeurt nog maar op weinig plekken in Nederland. En zo zijn er nog veel meer mooie voorbeelden te noemen.
HOE IS HET PROCES VAN INNOVATIE GEORGANISEERD BINNEN VIECURI? Goed maar nog te weinig gestructureerd. Veel gaat op basis van projecten die uit enthousiasme ontstaan zijn. Een aantal projecten valt nu onder de Juiste Zorg op de Juiste plek: dat is fijn want dat geeft al structuur en ook middelen om die te kunnen realiseren. Maar er ontbreekt nog een duidelijke visie en keuzes, en de bijbehorende governance om dat beleid goed te kunnen gaan uitvoeren. Daarom is de nieuwe strategieontwikkeling van VieCuri zo belangrijk, zodat er afwegingen gemaakt kunnen worden, en selecties gemaakt over innovaties waar we wel mee aan de slag gaan en waar niet, want je kunt niet alles doen. Overigens zijn er genoeg goede ontwikkelingen in de organisatie gaande: we hebben bijvoorbeeld al een Change Advisory Board (CAB). Hierin zitten mensen van I&A, projecteigenaren en ikzelf. Ontwikkelvragen worden daar beoordeeld op relevantie, impact, benodigd personeel en budget.
10
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Tenslotte zijn budgetten voor innovaties nog niet goed geregeld. Eigenlijk zouden er aparte budgetten moeten komen voor de reguliere processen zoals vervanging van apparatuur en voor innovaties. Dat is nu nog niet het geval.
HEEFT DE PATIËNT EEN ROL BIJ HET INNOVATIE(PROCES)? Bij elke beleidsverandering van zorg zouden patiënten betrokken moeten worden, bij voorbeeld door mee te denken over mogelijke initiatieven die men wil (door)ontwikkelen, en tijdens het proces.
WAARIN KAN VIECURI ZICH VERDER ONTWIKKELEN ALS HET GAAT OM INNOVATIES BINNEN VIECURI? Het meer structureren van het innovatieproces, en het maken van strategische keuzes is belangrijk. Twee keuzes wil ik alvast noemen: patiëntenmonitoring, zoals de slimme pleister en thuismetingen, en netwerkzorg. Een positieve ontwikkeling hierin is de regionale samenwerking met thuiszorg, huisartsen en andere professionals. Je zou het ziekenhuis hierin een verkeerstoren kunnen noemen die de regio overziet en verbinding geeft aan die regio. Het bundelen van krachten, stroomlijnen en een gezamenlijke koers bepalen is belangrijk, want je kunt niet alles doen en zeker niet alleen. In deze regio zijn veel ouderen dus moet je daarop ook je strategie afstemmen. Hoe kunnen we ouderen helpen in het omgaan met digitale middelen? Dan moet je misschien studenten en hogescholen erbij betrekken. Innovaties zorgen dat er anders gewerkt zal worden en daarvoor is commitment van de zorgprofessional en het willen veranderen van belang. Dat kan niet van buiten opgelegd worden, dat moeten we samen doen, gesteund door een goede organisatie.
HOE ZOU VIECURI ER DAN OVER 5 JAAR UITZIEN, ALS DE GEWENSTE ONTWIKKELINGEN ZIJN DOORGEZET? Ik durf mijn nek wel uit te steken: dan hébben wij een regionaal data- en callcentrum en een virtuele afdeling in ons ziekenhuis. In het call centrum komen alle
meldingen dan centraal binnen (1 nummer voor ziekenhuis, huisartsen/HAP en thuiszorg), of nu het gaat om spoedmeldingen of simpele vragen hoe de digitale bloeddrukmeter werkt. Triagisten bepalen of iets dingend is, ze kunnen een groot deel van de vragen meteen afhandelen, of doorverwijzen naar de juiste personen in het zorgnetwerk. De grootste uitdaging wordt dan dat het zorgnetwerk toegang krijgt tot alle data van patiënten, voor zover dat nodig is. Daarvoor is een regionaal data centrum noodzakelijk, waarin zowel het ziekenhuis- als het huisartsendossier én het thuiszorgdossier beschikbaar is. Die infrastructuur: data- en callcentrum maakt dan ook het virtuele deel van ons ziekenhuis mogelijk: de plek waar honderden patiënten voor, tijdens en na opname worden gemonitord met smart patches en andere thuismetingen en sensoren. Dat, samen met alle vakinhoudelijke innovaties, helpt ons als zorgprofessionals dan weer om de beste zorg te kunnen blijven leveren aan onze patiënten.
schapsbureau. Coby ziet als Wetenschappelijk Medewerker in het Wetenschapsbureau van VieCuri vaak wetenschappelijke studies passeren waarin de effectiviteit van innovatieve ontwikkelingen wordt onderzocht. Vanuit deze positie vertegenwoordigt zij VieCuri in het STZ innovatienetwerk.
COBY VAN DE BOOL – MEDISCH WETENSCHAPPELIJK MEDEWERKER De Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ) hebben innovatie benoemd tot kernthema. Om de samenwerking die hiervoor nodig is te stimuleren vinden er 6-wekelijks netwerkbijeenkomsten plaats met deelnemers uit alle Topklinische ziekenhuizen die zich bezig houden met innovatie. De achtergrond van de deelnemers is multidisciplinair: van innovatiecoördinatoren, projectleiders tot managers en medewerkers van het Weten-
Om innovaties uit STZ ziekenhuizen breed voor het voetlicht te brengen organiseert STZ jaarlijks de Innovatiechallenge. De 27 STZ ziekenhuizen werden uitgenodigd innovaties die kunnen leiden tot zorgtransformaties in te dienen en zo mee te dingen naar de STZ Innovatie award. De winnaars van de award krijgen naast een financiële impuls ook ondersteuning bij de wetenschappelijke validatiefase van hun innovatie en worden geholpen bij het opschalen van hun innovatie in andere Topklinische Ziekenhuizen. Coby begeleidde het proces van inventariseren tot indienen van de VieCuri innovaties. En zo werden er maar liefst 12 innovaties vanuit VieCuri aangemeld (zie tabel) op een totaal van 115 aanmeldingen. De VieCuri in-
novatie vanuit Cardiologie en Klinisch chemisch- en hematologisch laboratorium (KCHL), ‘Game-changer; innovatieve triage bij pijn op de borst’, won de publieksprijs en stoomt daarmee door naar de eindronde van de Innovatiechallenge 2021. Op 2 december wordt bekend welke innovaties de jury- en publieksawards hebben gewonnen. ‘Via mijn deelname aan het STZ Innovatienetwerk hoor ik hoe innovatieprocessen in andere ziekenhuizen georganiseerd zijn, en welke innovaties elders worden ontwikkeld. Deze informatie geef ik door aan personen binnen VieCuri die hier hun voordeel mee kunnen doen. Anderzijds deel ik innovatieve ontwikkelingen in VieCuri met STZ collega’s. Wat ik interessant vind aan innovaties en het wetenschappelijke onderzoek in het ziekenhuis is dat je de kans hebt om de resultaten van dat onderzoek te implementeren en zo zorgtransformaties tot stand kunt brengen. Ik vind het boeiend om deze processen te faciliteren en waar mogelijk te versnellen,‘ aldus Coby van de Bool.
Innovaties uit VieCuri ingediend voor de STZ Innovatiechallenge 2021 Afdeling Wondexpertisecentrum en Bureau RvB Spoed Eisende Hulp Interne geneeskunde en Orthopedie Intensive Care Heelkunde Orthopedie
Cardiologie en Klinisch chemisch- en hematologisch laboratorium (KCHL) Heelkunde en Wondexpertisecentrum Heelkunde en Wondexpertisecentrum
Intensive Care Heelkunde Orthopedie
Innovatie Integrale wondzorg via Persoonlijke Gezondheid Omgeving Juiste-Zorg-op-de-Juiste-Plek: Connecting Acute Care Interdisciplinair zorgpad (osteoporotische) wervelfracturen Slimme pleister voor frequente monitoring vitale parameters Kwetsbaarheidsscreening met behulp van hartslagvariabiliteit (HRV) Beter herstel: m-health applicatie voor het verbeteren van het postoperatieve herstel bij patiënten die een reverse schouder prothese krijgen Gamechanger; innovatieve triage bij pijn op de borst Multidisciplinaire inzet van hyperspectraal-fotografie als non-invasieve diagnostische tool bij wondzorg Toepassen L-PRF techniek (Leukocyte - Platelet Rich Fibrin) een “advanced therapy” in de behandeling van complexe wonden. Toepassing van dampvormige anesthetica (DVA) op IC. Continue pijnstilcatheter na colorectale chirurgie Patiënt specifieke plaatsing van de glenoide component bij reversed schouder prothese middels de 5D targeter
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
11
TEN
KA
UC
NT
DE
Protex Healthcare Nederland BV, Meester E. N. van Kleffensstraat 6, 6842 CV Arnhem, Nederland info@protexhealthcare.com, www.protexhealthcare.com
E OD
N
EQ DEZ R-C
EN O
Protex Healthcare biedt een reeks gebruiksvriendelijke, innovatieve producten voor snellere reiniging, betere objectieve diagnose en opvolging alsook voor snellere genezing en sluiten van complexe wonden. Wil je ons complete assortiment ontdekken en/of uittesten, scan dan de QR code, en lees alles over onze producten CleanWND, Tivita hyperspectraal camera, Multidex, Maxiocel en Vacutex. Of contacteer ons voor sample van of een opleiding in deze innovaties.
SC A
Dedicated to heal complex wounds. O L O N ZE PR
D
DANK U WEL!
AFGELOPEN 3 JAAR ZIJN RUIM 1800* MIGRAINE PATIËNTEN BEHANDELD MET AIMOVIG®
Hiermee hebben we veel migraine dagen kunnen voorkomen en pakken migraine patiënten stap voor stap hun leven weer op. Dit hebben we samen bereikt! We zijn dankbaar voor uw steun en kijken uit naar een toekomst met minder migraine.
Wilt u verder praten over hoe we samen migraine patiënten kunnen helpen? Neem dan hier contact met ons op. of kijk op www.novartis.nl/medicijnen/aimovig
*data on file
Dank u wel namens het Aimovig® team.
ZORGINNOVATIES
Snel zekerheid over een hartinfarct Door Aliëtte Jonkers
Pijn op de borst, maar geen afwijkend hartfilmpje: moet deze patiënt met spoed naar het ziekenhuis? Het is een dilemma waar ambulanceverpleegkundigen en huisartsen dagelijks mee worstelen. Een innovatief pilotproject van VieCuri zorgt ter plekke voor een razendsnelle, betrouwbare diagnose: 'Dit is uniek in de wereld.'
S
inds kort is de URGENT 2.0 trial gestart, waarbij alle ambulances in Noord-Limburg zijn uitgerust met een vernuftig apparaatje: een 'vingerprik-troponine-analyzer'. Met deze vingerprikmethode kunnen zorgverleners direct uitsluitsel krijgen of een patiënt met pijn op de borst een hartinfarct heeft, waar die zich op dat moment ook bevindt: thuis, op straat of in de huisartspraktijk.
CARDIALE OORZAAK Dagelijks melden zich in Nederland 600 tot 1200 patiënten met pijn op de borst op het spreekuur van de huisarts. In 40 procent van de gevallen wordt gedacht aan een cardiale oorzaak. Uiteindelijk blijkt het bij slechts 10 tot 15 procent om coronairlijden te gaan. En weer 5 tot 8 procent van die groep heeft een acuut coronair syndroom (ACS): een acuut myocardinfarct of een instabiele angina pectoris met klachten in rust. Deze laatste groep patiënten moet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis.
DRIE PIJLERS ‘Tot nu toe was het een uitdaging om onderscheid te maken tussen laag- en hoogrisicopatiënten bij pijn op de borst zonder afwijkend ECG, waardoor onnodig veel patiënten met een spoedrit naar het ziekenhuis werden vervoerd,’ vertelt cardioloog Joan Meeder van VieCuri. 'In het ziekenhuis gebruiken we al jarenlang de HEART-score, die op drie pijlers rust: een gestandaardiseerde vragenlijst, een ECG en een troponinemeting. Troponine is een eiwit dat ervoor zorgt dat het hart zich kan samentrekken. Bij een hartinfarct en schade aan de hartspier is de troponine in het bloed verhoogd. In het ziekenhuis onderzoeken we dat door veneus bloed uit de elleboogplooi te halen. Dat vereist een bepaalde techniek waarvoor je als zorgprofessional speciaal getraind moet zijn.'
14
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Om het onderscheid 'wel of geen hartinfarct' goed te kunnen maken, werden patiënten met pijn op de borst zonder afwijkend hartfilmpje daarom in veel gevallen naar het ziekenhuis gebracht. Daar werd vervolgens een bloedafname gedaan om de troponineconcentratie te bepalen. Uiteindelijk kan het soms een paar uur duren voordat de patiënt in het ziekenhuis een uitslag heeft. In 80 procent van de gevallen is het een achteraf onnodige en traumatische ervaring voor de patiënt, die ook nog eens tot hoge zorgkosten leidt.
LANGGEKOESTERDE WENS Het stroomlijnen van het diagnostisch proces was een langgekoesterde wens van Meeder en zijn collega's in VieCuri. Via diverse innovatieprojecten neemt het ziekenhuis een leidende rol om de zorg in de eerste lijn te versterken en tegelijkertijd de drukte op de Eerste Hart Hulp juist te verminderen. Dat kan niet zonder samenwerking met 'de techreuzen', zegt Meeder. 'In 2013 waren we al begonnen met de URGENT 1.0 trial, maar die werd helaas voortijdig afgebroken door de vorige leverancier. Gelukkig had een andere leverancier, Siemens, wel interesse. Zij wilden graag met VieCuri in zee om de vingerprik-troponine-analyzer te kunnen valideren, zodat we zeker zouden weten dat het apparaatje net zo betrouwbaar is als een bloedafname uit de elleboogplooi en zou voldoen aan de Europese kwaliteitscriteria voor medische hulpmiddelen.'
SAMENWERKING En zo ontstond de URGENT 2.0 trial, die tot stand kwam door samenwerking tussen de afdelingen cardiologie en klinische chemie van VieCuri en Siemens Healthineers. De validatie van de vingerpriktest en de daaraan gekoppelde aanvraag voor een CE-markering is voor een belangrijk deel dankzij VieCuri tot stand gekomen. Met name Anne
De volledige titel van de URGENT 2.0 trial luidt: A Multicentre Randomized Controlled Trial to Improve the accUracy of Referrals to the emerGency departmEnt of patieNts With chesT Pain by Using the Modified HEART Score in Emergency Medical Transport (URGENT 2.0). Bruinen, klinisch chemicus in opleiding in VieCuri, nam hierin het voortouw. Een leerzaam traject, vertelt ze, met een prachtig resultaat: 'Dit is uniek in de wereld. Nergens anders is het apparaat zo uitgebreid getest als bij ons in het ziekenhuis. Dat is echt heel bijzonder. De uitslagen van de vingerpriktroponine-analyzer hebben we vergeleken met de resultaten van de bloedafname uit de elleboogplooi van in het ziekenhuis opgenomen patiënten. Op basis daarvan kunnen we met zekerheid stellen dat de nieuwe methode minimaal even betrouwbaar is.' Ook ambulanceposten in Zuid-Limburg gaan meedoen aan de trial. In de URGENT 2.0 trial is ook een follow-up opgenomen: patiënten die thuisbleven worden nog 30 dagen gevolgd, vertelt cardioloog Braim Rahel van VieCuri. 'We zijn heel benieuwd naar de uitkomsten. Zo kijken we of een patiënt die in eerste instantie thuis kon blijven in een periode van 30 dagen toch met dezelfde klachten naar het ziekenhuis wordt gebracht.'
GROTE VOORDELEN Omdat de vingerpriktest een hoge sensitiviteit heeft en binnen 8 minuten uitsluitsel geeft of iemand met pijn op de borst een hartinfarct heeft, is de verwachting dat de innovatie grote voordelen zal hebben. Bruinen: 'Bepaling van cardiaal troponine is de gouden standaard voor de diagnostiek van acuut coronair syndroom. De vingerpriktest die wij gebruiken is troponine-I, de test met veneus bloed uit de elleboogplooi in het zie-
Anne Bruinen kenhuis is troponine-T. Bij die laatste test kan het voorkomen dat de troponine-T bij aankomst op de SEH nog niet verhoogd is, maar drie uur later wel. Troponine-i is nauwkeuriger en dat betekent dat we een myocardinfarct juist eerder kunnen detecteren of juist uitsluiten.' Rahel vult aan: 'We denken dat we met deze innnovatie ervoor kunnen zorgen dat 10 procent minder mensen met klachten van pijn op de borst naar de SEH hoeven. Op jaarbasis zou je daarmee landelijk bezien 24 miljoen euro kunnen besparen. Maar dat is natuurlijk niet de primaire wetenschappelijke insteek waarmee we dit onderzoek doen, want je wil natuurlijk óók de mensen eruit halen met atypische klachten die stiekem toch een hartinfarct hebben. Dankzij de vingerpriktest worden die mensen nu toch ingestuurd naar het ziekenhuis en kan de behandeling daar ook sneller starten.'
PROFESSIONALISERING De extramurale tropininemeting via de vingerprik heeft inmiddels de Publieksprijs van de eerste ronde van de STZ Innovatiechallenge in de wacht gesleept. Veel andere zorgorganisaties hebben belangstelling getoond, waaronder huisartspraktijken in Leiden, Venlo en Maastricht en andere ambulanceposten. Toch blijven de twee andere pijlers van de HEART-score – de vragenlijst en het ECG – even belangrijk, waarschuwt cardioloog Meeder. 'Je moet oppassen dat de uitslag van het apparaatje niet leidend gaat worden in de huisartspraktijk. Tegelijkertijd is dat juist een aspect van de innovatie die de professionalisering van de spoedzorg buiten de muren van het ziekenhuis kan vergroten. Want deze manier van werken leert zorgprofessionals in de eerste lijn óók om het conceptueel denken, het klinisch redeneren, toe te passen. De vingerprik-troponine-analyzer is daarbij onderdeel
'Anne Bruinen en Joan Meeder hebben de publieksprijs gewonnen van de eerste voorronde van de STZ innovatiechallenge 2021 en zijn daardoor rechtstreeks geplaatst voor de eindronde van challenge. Op 2 december wordt bekend gemaakt welke innovaties de awards van de STZ innovatiechallenge 2021 (jury en publiek) in de wacht kunnen slepen.'
van de trias binnen de HEART-score waarbij de combinatie van de anamnese, de diagnostiek en de laboratoriumtest samen naar de juiste behandelmethode leiden.'
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
15
ZORGINNOVATIES
Variabiliteit hartslag als voorspeller voor verloop ziekte Door Ruud Stikkelbroeck
Hoe kwetsbaar is een patiënt en wat betekent dat voor de ernst van het ziekteverloop? Dat is de centrale vraag bij een onderzoek waarbij de hartslagvariabiliteit onderzocht wordt als belangrijke voorspeller van ziekte.
‘D
e hartslag kan een indicatie zijn voor ernstig of juist milder verloop van een ziekte’, zegt intensivist Norbert Foudraine. ‘Het klinkt misschien wat tegenstrijdig maar een variabele hartslagfrequentie is vaak een goed teken. De zogeheten Heart Rate Variability geeft namelijk een beeld van de mate waarin het lichaam zich aanpast aan veranderingen. Bij ziekte moet een lichaam gaan anticiperen. Ons immuunsysteem geeft signalen door aan de hersenen die ze vervolgens weer terugvertalen naar onder anderen de Heart Rate Variability’, zegt Foudraine. ‘Het zenuwstelsel moet als het ware remmen en gas geven tegelijk.’
een patiënt tegen een ziekte wordt zeker weerspiegeld in de hartslagvariabiliteit.’ Strous heeft onderzoek gedaan bij patiënten met dikkedarmkanker. Ze deed ook een retrospectief onderzoek in de database van covid-patiënten.
Arts-onderzoeker Maud Strous vult aan: ‘Het is niet bij iedereen te meten want er zijn meer factoren die van invloed kunnen zijn op die hartslagvariabiliteit zoals een pacemaker, bepaalde medicijnen en boezemfibrilleren, maar als je dat kunt uitsluiten is het een hele goede onderzoeksvraag. De fitheid en mate van weerbaarheid van
‘De uitkomsten ervan geven een aanleiding om op meer terreinen patiënten te gaan monitoren op hun hartslagvariabiliteit. Op die manier komen we veel meer te weten over de relatie tussen hartslagvariabiliteit en weerbaarheid van een patiënt tegen een stressfactor.’
'Eigenlijk is het best raar dat een meting die je nu doet voorspellend kan werken voor iets dat over weken of maanden gaat gebeuren'
‘Covid is natuurlijk een infectieziekte waarbij het afweersysteem van essentieel belang is. Als de verschijnselen heel heftig zijn en je afweer het niet kan winnen dan hebben patiënten vrijwel altijd ook een lage variabiliteit’, aldus Foudraine. ‘We kijken nu ook naar mensen die gereanimeerd zijn. Je hart en hersenen hebben een dreun gehad maar wat betekent dat nu voor de hartslagmeting en dus ook voor de mogelijke gevolgen in de toekomst?’ ‘Het voordeel van deze studie is dat de meting heel eenvoudig is en kort duurt’, zegt Strous. ‘We doen dat met de CorSense ® HRV-meter. De vingermeting is totaal niet belastend voor onze patiënten dus we kunnen gemakkelijk veel metingen doen. En met die gegevens hopen we dan een betere voorspelling te kunnen doen over de gevolgen voor de patiënt op een later moment. Het helpt je dan ook om de prognose van een zieke patiënt te maken. Je zou bijvoorbeeld patiënten met een lage hartslagvariabiliteit, die niet acuut geholpen hoeven te worden, eerst fitter kunnen maken voordat ze een bepaalde operatie ondergaan om zodoende complicaties te voorkomen.’ Foudraine: ‘Eigenlijk is het best raar dat een meting die je nu doet voorspellend kan werken voor iets dat over weken of maanden gaat gebeuren. Maar als je dat weet kun daar als ziekenhuis inderdaad op inspelen. Stel dat je kunt voorspellen dat iemand over een tijd hoogstwaarschijnlijk op de IC terecht gaat komen dan kun je daarop anticiperen. Je kunt er dan ook nog scherper bovenop gaan zitten om te kijken of je toch iets kunt ombuigen als arts. Bovendien kun je patiënten en hun familie ook een juist verwachtingspatroon meegeven over de ernst van de gevolgen van de aandoening.’
16
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Norbert Foudraine
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
17
ADVERTORIAL
(& % & # &" &"%" &&% & &"%# &" %
0
5KBMKFLCC;KJMD?MKFGGLBMDMHK/./M-AIKG5DMFMLI EGM,IK+>B*KFCHKBMLK)M?(KEGG,BK9M6EHA=6E 'D>=IMLK&K%H,GL:CIAM:CHC;MLK$N'K$ILM6EI( HAMIKDCH;KHCKIMKBMH?MH2K#/C;MDA@?=KMLFCLMHKJMKJAH=I FCHK/./M-AI2K/MK<MMDBMHKMHKFML=DC;MHKFACK9JAAH ?G:MH(K!GHBMLKECHB:CIA;MKC6IAM=(KFMMDK=HMDDMLK<AHHMH AHKEMIK ' 2K AMLBGGLK?CHKMMHKBAMH=IBGMHBMKCLI=KMMH =5GMBGHBML!GM?KBALM6IKAH!AMH2K/CCLHCC=IKECBBMHKJA@KAH EMIKFMLDMBMHK:MIK!GFMMDKFML=6EADDMHBMK>AIJA==MD =*=IM:MHKIMK:C?MH2K MIKIML>;<LMH;MHKHCCLKIJMM =*=IM:MH(K EADA5=K GL.AMJK / KMHK9JAAH(K:CC?IKEMI GFML!A6EIMDA@?ML2K/AIK<LMH;IKL>=IK:MIK!A6EK:MM2 ('&%$&##&"%! &% & %# ""&"% % & $ % " & $ +>B*4K# MKEM<<MHKMMHK6MHILCDMK5DM?KJCCLKBMKA:5GLI(KM-5GLI MHKEMIK?G55MDJML?KJGLBIKFMLLA6EI2K MKJML?MHK!GFMMD :G;MDA@?K;M HIM;LMMLBKAHKEMIK ' 2K D=KMMHK!AM?MHE>A=KGH= <MMDBMHKIGM=I>>LI(KBCHK?G:MHK!MKC>IG:CIA=6EKAHKBMK9JAAH JML?DA@=IK NA==AH;+% KAHKEMIK ' 2K/MKC55DA6CIAM<MEMMLBML 6GHILGDMMLIKLM;MD:CIA;KBM!MKJML?DA@=IKG5KHAM>J <AHHMH;M?G:MHKGHBML!GM?MH(K!GBCIKBM!MKBALM6IK :AI=KBM 5CIA HIKA=KAH;M=6ELMFMH KCCHKMMHK % GHBML!GM?KJGLBI ;M?G55MDB2K.ML=I>LMHKFCHK<MMDBMHKMHKFML=DC;MHKA=KEMDM:CCD =A:5MD2K MIK9JAAHK5GLICCDKJGLBIKFACKEMIK ' K;MG5MHB2K/M @>A=IMK5CIA HIK=ICCIKBCHKCDKG5KBMK6GHIM-I2K AMLHCKEGM,K@MKCDDMMH BMKGHBML!GM?MHKMHKEMIK@>A=IMK!AM?MHE>A=K>AIKEMIK9JAAH CBLM=<GM?KIMK=MDM6IMLMH2K MIKJGLBIK=IMMB=K:C??MDA@?ML BGGLBCIKJMKH>KCDDM:CCDKG5K9JAAHKGFML=IC55MHKMHKAHKEMIK ' JML?MH2K0H!MKBAMH=IBGMHBMKCLI=MHKEM<<MHKMMHK ' C66G>HI G:KAHKBMKJML?DA@=IKIMK?A@?MH2K7CBCIKBMKC55DA6CIAM<MEMMLKBM <MMDBMHKEMM,IK;M?G55MDBK?>HHMHKGG?KCDDMKCHBMLMKCLI=MHKBM <MMDBMHKLM6EI=ILMM?=K<M?A@?MH(KFACKBMK ' KFAMJMLKAHKEMIK % 2 MIKBLCC;FDC?KA=K;LGGI(KG:BCIK9JAAHKBMKIM6EHA=6EMKDCC;KCD EMM,IKHMML;MDM;B2 & &% " & & & %
"%! &% & &" & ' &"%# % & & &" &% "% & G>IMLK.MDBE>A=(KLCBAGDGG;K$N'K$ILM6EI4K#)CIMHKJMKEMI ;LGMA5A@HI@M=KHGM:MH2K MK!AMHK:MIKHC:MK>AIBC;AH;MHK<A@KEMI >AIJA==MDMHKFCHK<MMDBMHK HKFML=DC;MH2K MKJGLBMHKHAMIK=C:MH FML=I>>LBK<A@FGGL<MMDB2K0,KBMKMHMK?MMLKA=KEMIKMMHK/%'0N 5B,( BMKCHBMLMK?MMLKMMHK + BG6>:MHI2K G:=K?LA@;MHKJMKEMDM:CCD HA?=2K/CCLK:GMIK@MKC,=5LC?MHKGFMLK:C?MHKMHKBCIK:GMIK@M
HMI>HMH2K/CIKA=KIML>;KIMKEMLDMABMHKHCCLKBMKG5=ICLI,C=M2 ('&% & '' % &% & '" &% &" & " +>B*4K#%HKEMIKCBLM=<GM?K?>HK@MK!AMHKJAMK:MMBGMIKCCH /./M-AI(KB>=KHCCLKBAMK!AM?MHE>A!MHKFML=I>LMHKJA@K=GJAM=G BA;AICCD2K7CI>>LDA@?K?LA@;K@MKBCCLKJMDMMH=KMMHK;M,L>=ILMMLBM LMC6IAMKG52K/CIK!MKMLKHG;KHAMIK?DCCLKFGGLK!A@H(K<A@FGGL<MMDB2K A@ 5LG<MLMHKC,=5LC?MHKIMK:C?MHKMHKEMIK;M=5LM?KCCHKIMK;CCHK:MI G:DA;;MHBMK!AM?MHE>A!MHKCD=KMLKAMI=K:A=KDGG5I4K EMI
GG,BK9M6EHA=6EK'D>=IMLK&K%H,GL:CIAM:CHC;MLK +>B*KFCHKBMLK)M?KMHKLCBAGDGG;K G>IMLK.MDBE>A=
LCBAGDG;AMFML=DC;KGHI<LMM?I(KMLK!A@HKIMFMMDKGHBML!GM?MH FML!GHBMH1GHIFCH;MH(KIC;K%H=IAI>IAGH7C:MKA=KHAMIK6GLLM6I AH;MF>DB 2K/AIKJGLBIKFMLFGD;MH=KG5;M5C?IKMHK;M6GLLA;MMLB2 /MKECHBLMA?AH;K MD?MKGHBML!GM?MHKIMKFML!MHBMHK<A@KMMH FMLJA@!AH; KFCHKBMK7..+KEMD5IKBCCL<A@2 K G>IML4K# MKILM??MH EAML:MMKAHKBMKLM;AGK=IMMB=K:MMLK;M!C:MHDA@?KG52 ' % ' % % & $ % & %#&$' &"% ""&& % &% & & & % ' &% % & ' &" +>B*4K# / KA=KCDKGH!MK5LM,MLLMBKLG>IM(K:CCLKHG;KHAMIKDCHBMDA@? BM??MHB2K MIKEMM,IKMLK<A@KGH=K<A@FGGL<MMDBKGG?KMMHK5CCLK?MML >AI;MDM;MH2K A@KMMHK AH?MK>5;LCBM(K<A@FGGL<MMDB2K M<L>A?K@M 9JAAH(KBCHKEGM,K@MKG5K!G HK:G:MHIKHAMIK:MMLKIML>;KIMKFCDDMH G5KBFB =2K MK!A@HKAH:ABBMD=KFML=DCC,BKCCHKEMIK=HMD <AHHMHECDMHKMHKFML=I>LMHKFCHK<MMDBMH2K/CCLG:K:GMIK@MKJCI :A@K<MILM,IK M:<MBBMH KBCIK@MK!GJMDK5>=EKCD=K5>DDK:MIEGBM HCC=IKMD?CCLKDCCIK<M=ICCH2K MIK?>HHMHKGHBML=IM>HMHKFCH !GJMDKC6>IMK 1 KCD=K6ELGHA=6EMK!GL;KA=KBCHKMMHK;GMB CL;>:MHI2 K G>IML4K#/CCLKA=KHG;KMMHKCHBMLK5>HIKCCH ;MLMDCIMMLB2K0HBCH?=KMMHK / LMDCIAMK?AM!MHK:MH=MHK=G:= FGGLK/./M-AI(KG:BCIK!MK;MJGGHKIML>;FCDDMHKG5KBMK<M?MHBM JM;2 & &% & #& & " &"% &" &"%! &%"' % "% & +>B*4K# A@K!A@HKBALM6IKAH;M=IC5IKG5KHAFMC>K 2KNCCLKA?K!G>KML !MD,=KHG;KMMHKHAFMC>K<GFMHG5KJADDMHKDM;;MH2K7>K:GMIKGH!M C55DA6CIAM<MEMMLBMLKHG;KMMHK % GHBML!GM?KCCH:C?MHKMHKBM <MMDBMHK6GLLM6IK?G55MDMH2K C=KBCCLHCK!A@HK!MK<M=6EA?<CCL FGGLKBMKLM=IKFCHKEMIK!AM?MHE>A=2K%?K!G>K!M;;MH4K!GL;KMLFGGL BCIKMLKFCH>AIK9JAAHK % GHBML!GM?KJGLBIKCCH;M:CC?IKMHKBCI BMK<MMDBMHKC>IG:CIA=6EKJGLBMHK;M?G55MDB2K/CIK!G>KHG; :GGAMLK!A@H2KNCCLKFGD;MH=K:A@KDA;;MHKBMKMML=IMK<G>J=IMHMHKML CDKFGGLKBCIK=GGLIKJGL? GJ ?G55MDAH;MH2
NMMLKJMIMHKGFMLKEMIKDCHBMDA@?K>AIJA==MDMHKFCHK<MMDBMHKMH FML=DC;MHK:MIK9JAAH8K7MM:KBCHK6GHIC6IKG5K:MIKEMIKCCH=D>AIIMC:4 JJJ2IJAAH2HD1CCH=D>AIIMC:
ZORGINNOVATIES
‘Wat het blote oog niet ziet’ Door Ruud Stikkelbroeck
Al jaren maken we gebruik van onze klinische expertise in het beoordelen van de huid en huiddefecten. Hierbij weten we dat deze expertise samenhangt met de ervaring van de beoordelaar en omgevingsfactoren zoals verlichting, huidpigment of positionering van de patiënt. Hierdoor is de observatie niet altijd reproduceerbaar voor een tweede beoordelaar. Op het wondexpertisecentrum zijn wondconsulenten Yvonne Siebers en Romy Stürbl gebruik gaan maken van een innovatieve manier van huid- en wondobservatie. Dat gebeurt door middel van hyperspectraalfotografie met de TIVITA®. Naast een reguliere foto, geeft deze geavanceerde camera een objectieve weergave van de samenstelling van de eerste huidlagen. Bij hyperspectraalfotografie wordt met behulp van lichtweerkaatsing en absorptie een uniek beeld van de eerste huidlagen gegenereerd. Het onderzoek neemt enkele seconden in beslag, is pijnloos en niet schadelijk voor de patiënt. Voorbeelden van uitkomsten zijn vochtophoping, de mate van saturatie en hemoglobine. Deze metingen kunnen meerwaarde hebben in de diagnostiek naar bijvoorbeeld ischemie, infectie, onderliggend hematoom en in beoordeling van het behandeleffect, zoals compressietherapie. De wondconsulenten zijn enthousiast door de snelle toepasbaarheid, objectiviteit en non-invasieve karakter van deze wijze van diagnostiek. Wel ontbreekt er nog meer literatuur en ervaring over de plek en meerwaarde in de diagnostiek voor specifieke aandoeningen of behandelingen. Hieruit voortvloeiend komt de onderzoeksvraag vanuit de vaatchirurgie ‘Heeft de inzet van hyperspectraalfotografie een meerwaarde in het behandeltraject van patiënten met perifeer arterieel vaatlijden, stadium: ischemische wonden’. Door de beperkte perfusie van zuurstof en voedingsstoffen in weefsels kan een ischemische ulcus ontstaan. Mede door vaak voorkomende comorbiditeiten zoals diabetes of nierfunctiestoornissen, genezen deze wonden slecht of zelfs helemaal niet. Vanwege
Sandra Maessen
het oplopende risico op amputatie en mortaliteit is snelle diagnostiek en behandeling gewenst, maar deze is veelal invasief en kent beperkingen. Deze prospectieve, observationele studie beoogt de toepasbaarheid van hyperspectraalfotografie als niet-invasieve meetmethode te onderzoeken. Verpleegkundig specialist Sandra Maessen: ‘Aan de hand van de onderzoeksresultaten hopen we straks te kunnen concluderen of hyperspectraalfotografie ten minste vergelijkbaar is met de huidige non-invasieve diagnostiek: de enkel en arm-indexmeting en teendrukmeting. Verder hopen we dat deze techniek een betrouwbare voorspeller blijkt te zijn voor spontane wondgenezing en zo
het doen van vroegtijdige diagnostiek kan stimuleren of juist kan ontkrachten, zonder concessies te doen aan het doel om deze wonden zo snel als mogelijk te laten genezen.’ Het menselijke oog blijft volgens Sandra Maessen en Yvonne Siebers wel een belangrijk instrument bij genezing van wonden. In de meeste gevallen is het zelfs meer dan toereikend om een goed advies te geven over het beste pad naar een succesvol herstel. Maar waar snelheid van herstel, bij patiënten met een hoog risico op complicaties, van belang is, zou de TIVITA® zomaar een cruciale rol kunnen gaan spelen.
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
19
AN ADVANCED WAY TO REDUCE FRACTURE RISK
EVENITY® is indicated in treatment of severe osteoporosis in postmenopausal women at high risk of fracture1 Superior fracture risk reduction when used for 12 months followed by alendronate vs alendronate alone in new vertebral, clinical and non-vertebral fractures, including hip1,2
Rapid and superior improvement in BMD vs alendronate1,2 and teriparatide3 in just 12 months
A novel bone forming agent with a dual effect on bone, increasing bone formation and decreasing bone resorption1
The most common adverse reactions are nasopharyngitis and arthralgia.1 EVENITY is contraindicated in patients with hypersensitivity, hypocalcaemia and history of myocardial infarction or stroke.1 Please see abbreviated product information for additional safety information die romosozumab ontvangen. Alle patiënten moeten worden aangemoedigd om goede mondhygiëne te handhaven, routine tandheelkundige controles te ondergaan en tijdens behandeling met romosozumab onmiddellijk orale symptomen te melden, zoals beweging van de tanden, pijn of zwelling of niet-genezen van zweertjes of afscheiding. Atypische breuken van de dijbeenschacht bij lage energie of laag trauma, die zich spontaan kunnen voordoen, zijn zelden gemeld bij patiënten die romosozumab ontvangen. Patiënten bij wie wordt vermoed dat ze ONK hebben of ontwikkelen terwijl ze romosozumab gebruiken, moeten zorg ontvangen van een tandarts of een mondchirurg met ervaring in ONK. Stoppen met de behandeling met romosozumab moet worden overwogen tot de aandoening verdwijnt en bijdragende risicofactoren waar mogelijk zijn verminderd. Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is. Bijwerkingen: De meest voorkomende bijwerkingen waren nasofaryngitis (13,6%) en artralgie (12,4%). Overgevoeligheidsgerelateerde reacties deden zich voor bij 6,7% van de met romosozumab behandelde patiënten. Zeer vaak (> 1/10) gemelde bijwerkingen bij de behandeling met romosozumab zijn: nasofaryngitis, artralgie. Vaak (> 1/100, <1/10) gemelde bijwerkingen bij de behandeling met romosozumab zijn: sinusitis, overgevoeligheid, huiduitslag, dermatitis, hoofdpijn, pijn in de nek, spierspasmen, reactie op de injectieplaats. Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren: Bewaren in de koelkast (2°C - 8°C). Niet in de vriezer bewaren. De voorgevulde spuit of voorgevulde pen in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht. Verpakking: Een wegwerpbaar, voorgemonteerd, met de hand vastgehouden, mechanisch injectieapparaat met voorgevulde spuit voor eenmalig gebruik met 1,17 ml oplossing. Verpakkingsgrootte van 2 voorgevulde pennen. Multiverpakking met 6 (3 verpakkingen van 2) voorgevulde pennen. Een wegwerpbare voorgevulde spuit voor eenmalig gebruik met 1,17 ml oplossing. Verpakkingsgrootte van 2 voorgevulde spuiten. Multiverpakking met 6 (3 verpakkingen van 2) voorgevulde spuiten. Afleverstatus: UR Vergoeding en prijs: zie Z-index Datum: 12/2019. Raadpleeg voor meer informatie de 1B tekst UCB Pharma B.V. Hoge Mosten 2 4822 NH Breda Tel.: 076-5731140 Fax: 076-5875264
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hieraan bijdragen door melding te maken van alle bijwerkingen. Melden van een bijwerking kan via e-mail naar ds.nl@ucb.com of u belt +31 (0)76 5731140 of +31(0)617520205 ( alleen buiten kantooruren )
Bij vragen over geneesmiddelen van UCB, kunt u contact opnemen met UCBCares UCBCares.NL@ucb.com 800 3434335 (gratis vanuit Nederland) +31 (0)76 573 1130
Providing Dedicated Patient Support
References: 1. EVENITY SmPC. Most recent version available online at https://www.ema.europa.eu/en. 2. Saag KG, et al. N Engl J Med 2017;377:1417–1427. 3. Langdahl BL, et al. Lancet; 2017;390:1585-1594. ©2020 UCB Group of Companies. All rights reserved. ©2020 Amgen Inc. All rights reserved. GL-P-RM-OP-1900042 Date of preparation: April 2020
NL-P-RM-OP-2000008
Verkorte productinformatie Evenity® Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie “Bijwerkingen” voor het rapporteren van bijwerkingen. Samenstelling: oplossing voor injectie. Elke voorgevulde spuit of voorgevulde pen bevat 105 mg romosozumab in 1,17 ml oplossing (90 mg/ml). Indicatie: EVENITY is geïndiceerd voor de behandeling van ernstige osteoporose bij postmenopauzale vrouwen met een hoog risico op botbreuken. Dosering en wijze van toediening: De behandeling moet worden geïnitieerd door en onder toezicht staan van gespecialiseerde artsen met ervaring in de behandeling van osteoporose. De aanbevolen dosis is 210 mg romosozumab (toegediend als twee subcutane injecties van elk 105 mg) eenmaal per maand gedurende 12 maanden. Patiënten dienen vóór en tijdens de behandeling voldoende calcium- en vitamine D-supplementen te krijgen. Patiënten die met EVENITY worden behandeld, moeten de bijsluiter en de waarschuwingskaart voor patiënten krijgen. Na voltooiing van de behandeling met romosozumab wordt overgang naar een antiresorptieve therapie aanbevolen om het met romosozumab behaalde voordeel na 12 maanden te verlengen. Om de dosis van 210 mg toe te dienen, moeten 2 subcutane injecties van romosozumab in de buik, dij of bovenarm gegeven worden. De tweede injectie moet onmiddellijk na de eerste worden gezet maar op een andere injectieplaats. Het toedienen moet worden gedaan door iemand die getraind is in injectietechnieken. Voor instructies over het hanteren en verwijderen, zie rubriek 6.6 van de SKP. Gemiste doses: Als de dosis romosozumab wordt gemist, dien het dan toe zodra dit mogelijk is. Daarna moet de volgende dosis romosozumab niet eerder dan één maand na de laatste dosis worden gegeven. Speciale populaties: Er is geen dosisaanpassing noodzakelijk bij oudere patiënten. Er is geen dosisaanpassing vereist bij patiënten met nierinsufficiëntie. Serumcalcium moet worden gecontroleerd bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie of bij patiënten die dialyse ondergaan. Er is geen klinisch onderzoek uitgevoerd om het effect van leverinsufficiëntie te beoordelen. Pediatrische patiënten: De veiligheid en werkzaamheid van romosozumab bij pediatrische patiënten (< 18 jaar oud) zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de hulpstof(fen), hypocalciëmie, voorgeschiedenis van myocardinfarct of beroerte. Waarschuwingen en voorzorgen: Er geldt een contra-indicatie voor het gebruik van romosozumab bij patiënten die eerder een myocardinfarct of beroerte hebben gehad. Wanneer u bepaalt of romosozumab bij een individuele patiënt kan worden gebruikt, moet u rekening houden met het risico dat zij loopt op fracturen in het komende jaar en haar cardiovasculaire risico, op basis van risicofactoren. Als een patiënt een myocardinfarct of een beroerte krijgt tijdens de behandeling, moet de behandeling met romosozumab worden stopgezet. Hypocalciëmie van voorbijgaande aard is waargenomen bij patiënten die romosozumab ontvingen. Hypocalciëmie moet voorafgaand aan het starten van de behandeling met romosozumab worden gecorrigeerd en patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen en symptomen van hypocalciëmie. Als een patiënt vermoedelijke symptomen van hypocalciëmie vertoont tijdens de behandeling, moet het calciumgehalte worden gemeten. Patiënten dienen voldoende calcium- en vitamine D-supplementen te krijgen. Klinisch belangrijke overgevoeligheidsreacties, waaronder angio-oedeem, erythema multiforme en urticaria, deden zich voor in de romosozumab-groep in klinische studies. Als zich een anafylactische of andere klinisch belangrijke allergische reactie voordoet, dient een passende behandeling te worden ingesteld en het gebruik van romosozumab te worden stopgezet. Osteonecrose van de kaak (ONK) is zelden gemeld bij patiënten
PATIËNTEN DIE CIMZIA® GEBRUIKEN HEBBEN NU MEER KEUZE1
OF
Voorgevulde spuit
OF
AutoClicks® voorgevulde pen
ava Connect® en dosisverstrekkingspatroon
EN ZE KRIJGEN MEER ONDERSTEUNING DANKZIJ CIMPLYME®
CimplyMe® is een begeleidings-app voor patiënten met CIMZIA® die synchroniseert met ava Connect® en te gebruiken is in combinatie met de voorgevulde spuit en autoclicks. De app is ontwikkeld met als doel de patiënt te ondersteunen bij zelfmanagement en therapietrouw. Hierdoor wordt de samenwerking tussen u en uw patiënt verbeterd en de vertrouwensband versterkt.
NL-P-CZ-AS-2100021
Een begeleidings-app voor patiënten die CIMZIA® gebruiken. CimplyMe® kan synchroniseren met ava Connect®.
ZORGINNOVATIES
Slimme technologie brengt de juiste zorg op de juiste plek Door Aliëtte Jonkers
VieCuri zet slimme technologie in om de zorg te stroomlijnen. Daarmee krijgen patiënten sneller een juiste diagnose, zo dicht mogelijk bij huis. Alle zorgverleners in de keten, van huisarts tot medisch specialist, werken in de regio samen.
M
et gillende sirenes in de ambulance naar het ziekenhuis gebracht worden, terwijl ter plekke blijkt dat er niets ernstigs aan de hand is: het overkomt jaarlijks duizenden ouderen in ons land. Ook als er niets ernstigs aan de hand is, heeft een opname op de afdeling spoedeisende hulp een flinke emotionele impact. In sommige gevallen leidt de gebeurtenis zelfs tot achteruitgang van de gezondheid. Bovendien zorgen die onnodige opnames voor extra drukte op de SEH en hoge zorgkosten.
MEEKIJKEN Dat kan anders, dachten SEH-arts Nathalie Peters en haar collega’s van VieCuri en Ambulancezorg Limburg-Noord. Al langere tijd leefde er bij SEH-artsen de wens om mee te kunnen kijken met het ambulancepersoneel, vertelt ze. ‘Ambulanceverpleegkundigen zijn uitstekend opgeleide zorgprofessionals. Alleen: zij stellen een werkdiagnose aan de hand van een landelijk protocol waarin niet staat beschreven welke patiënten je het beste thuis kunt laten. De klinische blik van de arts op de spoedeisende hulp ontbreekt in dit proces.’ En dat heeft gevolgen, vertelt ze. ‘Veel patiënten zijn thuis beter af, met begeleiding van bijvoorbeeld de huisarts of een wijkverpleegkundige.’ Dat geldt in het bijzonder voor ouderen: ‘Het gaat vaak om een kwetsbare groep mensen waarvan we weten dat zij bij een opname snel ontregeld raken en delirant worden.’
MAATSCHAPPELIJKE OPDRACHT Maar liefst 17 procent van de ouderen ontwikkelt een delier bij opname op de SEH
22
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
(Han et al., 2010), een ernstig syndroom waarbij er sprake is van een veranderd of verlaagd bewustzijn, stoornissen in het cognitief functioneren en bijvoorbeeld motorische onrust en wanen. Thuis is de kans op zo’n ontregeling vele malen lager. Het stroomlijnen van de acute zorg moet bovendien de toenemende druk op de afdelingen spoedeisende hulp terugdringen. Het gaat erom, vertelt Peters, dat de juiste zorg op de juiste plek wordt gegeven. Samen met andere zorgverleners in de regio, zoals huisartspraktijken en andere zorgorganisaties, hebben we daarover een visietraject over toekomstbestendige zorg ontwikkeld. Wij zien het als een maatschappelijke opdracht om de samenwerking binnen de spoedzorg te optimaliseren.’
'Het gaat erom dat de juiste zorg op de juiste plek wordt gegeven’
BIJZONDERE INNOVATIES Nieuwe digitale hulpmiddelen zijn onlosmakelijk verbonden met die verbeterde en gestroomlijnde spoedzorg. Dat geldt voor twee afzonderlijke processen. Dat eerste is alle zorg die pre-hospitaal plaatsvindt, dus vóórdat de patiënt naar het ziekenhuis komt – of in plaats daarvan in de eigen omgeving zorg krijgt. Het tweede richt zich op post-hospitale zorg: alle zorg na de ziekenhuisopname. VieCuri loopt in beide trajecten voorop met een paar bijzondere innovaties, vertelt Daniël Winkeler, projectleider van het traject Connecting Acute Care en programmacoördinator voor de samenwer-
kende zorgorganisaties in de Regio NoordLimburg. ‘Het eerste is Corpuls.web, een beveiligd online platform dat real time vitale waarden (bloeddruk, ademhalingsfrequentie, pols) en ECG’s aan het ziekenhuis doorgeeft. Een extra toevoeging is Smartglass, waarmee artsen op de Spoedeisende Hulp live kunnen meekijken met de ambulanceverpleegkundige. Een groot voordeel is dat de ambulanceverpleegkundige handsfree kan werken en de artsen in het ziekenhuis ondertussen met eigen ogen kunnen zien hoe de patiënt eraan toe is en wat er in de thuisomgeving gebeurt.’
TOEGEVOEGDE WAARDE Dat laatste heeft een grote toegevoegde waarde, zegt SEH-arts Peters. Ze noemt als voorbeeld een patiënt die net een epileptisch insult heeft gehad: ‘Als iemand na een insult weer goed wakker is, is het meestal niet nodig dat de patiënt naar het ziekenhuis wordt vervoerd. Maar er kunnen situaties zijn dat je twijfelt. Dan is het heel waardevol om mee te kunnen kijken, zodat je met meer zekerheid kunt zeggen: dit zit wel goed, het is veilig om de patiënt thuis te laten.’ Corpuls.web heeft zijn nut als innovatie intussen al voorzichtig bewezen: de online portal is sinds april van dit jaar al ruim 400 keer gebruikt bij patiënten met diverse klachten, waaronder bijvoorbeeld pijn op de borst. ‘Van die 400 patiënten weten we dat in elk geval acht tot tien patiënten niet naar het ziekenhuis hoefden te worden gebracht en veilig thuis konden blijven’, zegt Winkeler. ‘Acht tot tien patiënten: dat klinkt op het totaal niet erg veel, maar dit is alleen het resultaat van de eerste proef. Je moet
bedenken dat het jaarlijks om enkele duizenden patiënten gaat in de hele regio. En dan worden het serieuze getallen.’
SNEL HANDELEN Een ander onderdeel van het innovatieproject van VieCuri vormen de zogenaamde Point-of-Care-Testen (POCT). Dit zijn labwaardetesten die een huisarts of ambulanceverpleegkundige ter plekke bij de patiënt kan uitvoeren, vaak met een simpele vingerprik. In het geval van pijn op de borst is het belangrijk om een acuut hartinfarct uit te sluiten. Dat kan door troponine in het bloed te meten, een eiwit dat in elke hartspiercel voorkomt en in geval van schade aan het hart in verhoogde waardes in het bloed te zien is. Peters: ‘Huisartsen en ambulanceverpleegkundigen stonden te popelen om hiermee te gaan werken, omdat bij een infarct elke minuut telt. Ze krijgen op deze manier meer tools om snel te kunnen handelen. Ook bij andere ziektebeelden kan een Point-Of-Care-Test een uitkomst zijn, bijvoorbeeld bij een infectie. Door met een vingerprik de ontstekingsmarker CRP te meten, heb je een beter beeld van de ernst van de infectie.’
KENNIS DELEN Ook na een eventuele ziekenhuisopname zijn de nieuwste digitale snufjes behulpzaam bij het verlenen van de juiste zorg op de juiste plek, zoals beeldbellen en thuismonitoring – waarbij slimme sensoren de vitale functies van de patiënt bewaken. SEHarts Peters: ‘Denk aan een oudere patiënt die na een val met de e-bike op de spoedeisende hulp belandt. Vaak zeggen we dan: blijf voor de zekerheid maar een nachtje in het ziekenhuis. Stel dat je 10 procent van de 2000 patiënten na zo’n ongeval met de elektrische fiets op de SEH opvangt en vervolgens thuis verder monitort, dan gaat het toch jaarlijks om 200 patiënten per jaar. En de patiënten die we wél opnemen, zijn vaak oudere mensen met multimorbiditeit die ook echt de zorg in het ziekenhuis nodig hebben.’
SAMENWERKING Winkeler: ‘Op deze wijze kan VieCuri nóg meer als kennis- en expertisecentrum in de regionale zorg optreden. In het begin is het lastig om een groot project als dit op te zet-
Nathalie Peters
ten. Bij het beoordelen van pijn op de borst bijvoorbeeld zijn er allerlei zorgverleners die op hetzelfde moment meekijken: een cardioloog, een SEH-arts en een ambulanceverpleegkundige. Het onderlinge vertrouwen in ieders deskundigheid was er al, maar
nu zien we dat de grenzen tussen de verschillende soorten expertise vervagen. De zorgverleners delen elkaars kennis, zodat de samenwerking naar een hoger niveau wordt getild. Daar profiteert iedereen van, inclusief de patiënt.’
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
23
ZORGINNOVATIES
VieCuri helpt patiënten zo fit mogelijk de behandeling door
In beweging met kanker Door Aliëtte Jonkers
Hoe krijg je een patiënt met kanker zo fit mogelijk de behandeling of operatie door? Artsen, paramedici, verpleegkundigen en onderzoekers van VieCuri hebben de handen ineengeslagen om deze vraag te kunnen beantwoorden. De wensen en voorkeuren van de patiënt zelf zijn daarbij leidend.
W
ie ziek is, moet het kalm aan doen, want dat is beter voor het herstel: dat was lange tijd de heersende medische opvatting. Inmiddels is dat idee 180 graden gedraaid. Wetenschappelijk bewijs toont juist precies het tegenovergestelde aan: sporten en bewegen is nu het devies, ook voor mensen met kanker. Wie fitter is, kan een operatie of behandeling met chemotherapie en radiotherapie beter doorstaan. En: het herstel verloopt sneller, ook bij ouderen met kanker.
MULTIMORBIDITEIT Een win-winsituatie, zou je kunnen zeggen. Toch is het een ingewikkeld onderwerp, vertelt Maryska Janssen-Heijnen. Zij is hoogleraar ‘Klinische epidemiologie, in het bijzonder kanker bij ouderen’, aan de Universiteit Maastricht én is klinisch epidemioloog in VieCuri. ‘Veel patiënten met kanker zijn ouder dan 70 jaar’, vertelt ze, de leeftijdsgroep waarbij er vaak ook sprake is van multimorbiditeit: bijkomende ziektes als hart- en vaataandoeningen, diabetes en longziekten. ‘Dat brengt met zich mee dat de behandeling veel complexer is bij deze patiënten. Ze hebben minder functionele reserves en het risico op complicaties is groter.’
RISICOSTRATIFICATIE Daar komt bij dat studies die zich richten op de behandeling van kanker vaak uitgevoerd worden bij jongere patiënten zonder multimorbiditeit. Daardoor is er nog veel onduidelijkheid in hoeverre oncologische behandelingen zoals voorgeschreven in richtlijnen ook daadwerkelijk de best passende behandelingen zijn voor oudere patiënten. Om daar antwoord op te kunnen geven, heeft VieCuri een de grote onderzoekslijn ‘kanker bij oudere en kwetsbare patiënten’ opgezet, met Maryska JanssenHeijnen als overkoepelend projectleider. Ze vertelt: ‘We willen heel graag kunnen voorspellen of er bepaalde factoren zijn - wij
24
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
noemen die factoren patiëntkarakteristieken – waarmee je kunt voorspellen of een patiënt een bepaalde behandeling kan verdragen. Met zo’n risicostratificatie proberen we voor elke patiënt afzonderlijk in te schatten hoe groot de risico’s van de behandeling zijn. We hebben het dan over complicaties, een langer herstel, een slechtere kwaliteit van leven en zelfs overlijden.’
SAMEN MET DE PATIËNT Welke behandeling het beste bij de patiënt past, is allang niet meer het terrein van de dokter alleen, benadrukt de klinisch epidemioloog. ‘De wensen en behoeften van de patiënt staan centraal. En de keuze voor een bepaalde behandeling maak je dan ook samen met de patiënt. Om dat goed te kunnen doen, heb je dus informatie nodig om die patiënt een voorstelling te kunnen geven hoe groot de voor- en nadelen zijn van de behandeling.’ Janssen-Heijnen, die ook jarenlang epidemiologisch onderzoek naar kanker bij ouderen heeft verricht bij het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL), wil daarmee zowel over- als onderbehandeling voorkomen: ‘Enerzijds blijkt achteraf soms dat een ingezette behandeling toch te zwaar was voor een oudere patiënt. Anderzijds kan het ook zorgen voor onderbehandeling van een fitte, oudere patiënt, die mogelijk een zwaardere behandeling had aangekund, maar die niet heeft gekregen uit angst voor ernstige complicaties.’ Die zorg leeft niet altijd onder patiënten zelf, ook oncologen willen beter in beeld hebben of een patiënt een bepaalde behandeling kan verdragen.
KWALITEIT VAN LEVEN Een extra voordeel van risicostratificatie is dat de behandelaren de informatie kunnen gebruiken om de patiënt zo goed mogelijk voor te bereiden op de operatie of behandeling. Met behulp van een inspanningstest weten de behandelend arts en andere zorgverleners precies wat de conditie is van de
patiënt en wat ervoor nodig is om hem of haar zo fit mogelijk de behandeling in te laten gaan. Prevalidatie, heet het traject voorafgaand aan de behandeling. ‘Dat richt zich op bewegen, goede voeding, stoppen met roken en eventueel ook psychische ondersteuning.’ Maar dan is het nog niet klaar, zegt Janssen-Heijnen. ‘We doen ook onderzoek naar vroege revalidatie, dat wil zeggen: ook tijdens en na de behandeling proberen we de conditie en voedingsstatus van de patiënt op een zo hoog mogelijk niveau te krijgen. De patiënt herstelt niet alleen sneller, maar vóelt zich ook beter en heeft daardoor een betere kwaliteit van leven.’
PREVALIDATIE Fysiotherapeut en bewegingswetenschapper Ruud Franssen houdt zich binnen VieCuri bezig met prevalidatie bij patiënten die een operatie moeten ondergaan vanwege dikkedarmkanker. Grofweg zijn de patiënten die Franssen ziet te verdelen in twee groepen. De eerste bestaat uit een groep relatief vitale vijftig- en zestigplussers die eruit gevist zijn bij het bevolkingsonderzoek. Deze patiënten hebben vaak nog geen of weinig klachten. De andere groep is ouder – vaak boven de 70 – en heeft vaak een lagere fysieke fitheid en een slechtere algehele voedingstoestand. Deze laatste groep patiënten loopt een hoger risico op postoperatieve complicaties, zoals longontstekingen, infecties en naadlekkages.
MARATHON ‘Een operatie van dikkedarmkanker kun je vergelijken met het lopen van een marathon’, zegt Ruud Franssen: ‘Ook daar begin je niet ongetraind aan én op je lichaam heeft het een grote impact.’ Patiënten die van zichzelf al minder fit zijn, lopen een groter risico op problemen, zegt Franssen: ‘Ze hebben minder reservecapaciteit om de operatie goed te kunnen doorstaan.’ Daarbij komt dat de risicofactoren van dikkedarmkanker vaak leefstijlgerelateerd zijn,
Ruud Franssen, Melissa Voorn en Maryska Janssen-Heijnen vertelt hij, een extra reden om deze groep patiënten in beweging te zetten: het opkrikken van de conditie helpt om na de operatie sneller op te krabbelen. ‘Wij richten ons met prevalidatie met name op de minder fitte patiënten, omdat daar de grootste gezondheidswinst te behalen is.
een trap op en af lopen, of buiten wandelen of fietsen’ zegt Franssen. ‘Dat klinkt gemakkelijk, maar het kan behoorlijk pittig zijn. We zorgen ervoor dat het intensief genoeg is, zodat de conditie en spierkracht ook echt verbeteren in de korte periode tussen diagnose en operatie.’
THUIS AAN DE SLAG
Die intensiteit baseert Franssen op de uitkomsten van de CPET, de cardiopulmonale inspanningstest die hij iedere deelnemer in het onderzoek laat uitvoeren. Terwijl ze tegen een steeds zwaardere weerstand fietsen, worden ademgassen – zuurstof en koolstofdioxide– gemeten. Deze maximaaltest maakt ook duidelijk op welke manier iemand veilig in de thuissituatie kan trainen. En thuis zelf aan de slag gaan: dat vinden verreweg de meeste patiënten erg prettig, weet Franssen. ‘Voor oudere, kwetsbare patiënten zijn er vaak barrières om naar het ziekenhuis te komen, denk aan geen vervoer hebben bijvoorbeeld, of de kosten van vervoer. Daarbij komt dat de periode tussen diagnose en opname vrij kort is. Die tijd willen mensen begrijpelijkerwijs graag zoveel mogelijk met hun naasten doorbrengen. Daardoor loopt deelname aan een prevalidatieprogramma in een ziekenhuissetting vaak minder goed.’
Bewegen en trainen is dus het devies, afgewisseld met voldoende rust en in combinatie met goede voeding. Momenteel doet Franssen onderzoek met teleprevalidatie: patiënten trainen met behulp van een app op hun smartphone en een hartslagband. Dat kan gewoon thuis, in hun eigen woonkamer of buiten. De fysiotherapeut komt de eerste keer bij de patiënt thuis om het op maat gemaakte oefenprogramma uit te leggen en samen uit te voeren. Daarna gaat de patiënt zelfstandig trainen, liefst samen met de partner of een buddy, om de kans op succes te verhogen. De gegevens van de training worden automatisch geüpload naar een online platform waarop de fysiotherapeut op afstand kan zien hoe vaak en hoe intensief de training was en hoe de patiënt zich voelt.
EIGEN LICHAAMSGEWICHT ‘We gebruiken eenvoudige oefeningen waarbij het eigen lichaamsgewicht gebruikt wordt, bijvoorbeeld opstaan uit de stoel,
GOED VOORBEREID De onderzoeken naar prevalidatie in VieCuri
richten zich dan ook sterk op haalbaarheid: wat is ervoor nodig om de patiënt te laten deelnemen en gemotiveerd te houden? Franssen: ‘Als je alleen beweegadviezen geeft zonder verdere begeleiding, zie je dat de therapietrouw vrij laag is: patiënten haken dan vrij snel af. Met teleprevalidatie wilden we de therapietrouw verhogen.’ En dat lijkt te lukken, zo blijkt uit de eerste resultaten. De therapietrouw tijdens de teleprevalidatie trainingen was erg hoog, veel hoger dan bij andere (thuis-) trainingsprogramma’s. Ook kwam uit het onderzoek dat patiënten heel gemotiveerd waren, aldus Franssen: ‘Door de teleprevalidatie kregen ze het gevoel dat ze goed voorbereid waren op de operatie.’
VROEGE REVALIDATIE Ook tijdens en na de behandeling is het zaak om de conditie van patiënten met kanker zo goed mogelijk in stand te blijven houden. Binnen VieCuri richt oncologiefysiotherapeut en onderzoeker Melissa Voorn zich met een pilotstudie op vroege revalidatie bij een hoogrisicogroep: patiënten met stadium III niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). De patiënt met longkanker in dit stadium kan geen chirurgische ingreep ondergaan, omdat de tumor te groot is, zich op een locatie bevindt die niet operabel is, of omdat er lokaal uitzaaiingen zijn. Ondanks de slechte prognose van stadium III
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
25
ZORGINNOVATIES
NSCLC – de vijfjaarsoverleving is 19 procent – is de ziekte wel curatief te behandelen met chemotherapie en radiotherapie. Zware behandelingen die veel vergen van deze kwetsbare patiënten, weet Melissa Voorn: ‘Zij lopen een hoger risico op complicaties door hun hogere leeftijd, hart- en vaatziekten, een slechte conditie en voedingsstatus en complicerende factoren veroorzaakt door roken. Juist die zaken – conditie, voeding en roken – proberen we met vroege revalidatie aan te pakken tijdens de behandeling met chemotherapie en radiotherapie.’
BEGELEIDING VAN VIECURI Dat vereist razendsnel handelen: ‘De tijd tussen diagnose en behandeling is heel kort, omdat we weten hoe progressief de ziekte is. Na de diagnose beginnen patiënten meestal binnen een week aan hun eerste behandeling met chemotherapie. De kwetsbaarste groep start pas na de chemotherapie met bestralingen. Mensen die fitter zijn, krijgen meestal gelijktijdig chemotherapie en radiotherapie. Dat betekent dat deze mensen binnen drie weken na de eerste chemotherapie ook de eerste bestralingen ondergaan.’ Bij beide trajecten, onderdeel van de studie van Voorn, begeleidt VieCuri samen met Adelante de patiënt met een vroeg revalidatieprogramma thuis, een combinatie van conditietraining, krachttraining en ademspiertraining.
PERSOONLIJK PROGRAMMA Patiënten krijgen een gepersonaliseerd oefenprogramma en een logboek, waarin ze noteren hoe ze zich voelen en hoe zwaar ze de training vinden. ‘Het programma passen we aan naar de wensen en voorkeuren van de patiënt en maken we zo laagdrempelig mogelijk’, zegt Voorn. ‘Als iemand graag fietst, maken we daar een conditietraining van. Ook hoeven mensen geen speciale ap-
paratuur te kopen. Met het eigen lichaamsgewicht en flesjes water kunnen we ook een passende training samenstellen.’ Een diëtist let ondertussen op de energieen eiwitinname, rekening houdend met de fysieke training om de balans tussen wat iemand binnenkrijgt en wat iemand doet aan bewegen en trainen te optimaliseren. Het programma richt zich daarnaast op stoppen met roken, eventueel met begeleiding van de eigen huisarts. Voorn: ‘Ook als iemand eenmaal longkanker heeft ontwikkeld is stoppen met roken van cruciaal belang, omdat roken de effectiviteit van de chemotherapie kan verminderen.’
HAALBAARHEID Ook in deze studie is haalbaarheid een belangrijke onderzoeksvraag. In tegenstelling tot het traject bij darmkanker, waarbij er gemiddeld drie weken tussen diagnose en operatie ligt, duurt de behandeling bij patiënten met longkanker een stuk langer. In totaal duurt de behandeling bij patiënten die tegelijktijdig chemotherapie en radiotherapie ondergaan gemiddeld 13 weken. Bij de andere groep die de behandelingen opeenvolgend krijgen, is dat 18 weken. De zes patiënten die tot nu toe deelnamen aan het onderzoek van Voorn en haar collega’s hadden het zwaar: ‘Patiënten hebben de vroege revalidatie als positief en ondersteunend ervaren, weten we uit de gesprekken die we met de deelnemers hebben gevoerd. ‘Toch was er niet één patiënt die het programma met drie tot vijf keer bewegen per week gedurende al die weken kon volhouden’, zegt Voorn. ’Dit komt niet alleen door complicaties van de chemoradiotherapie, maar zit ‘m ook in de duur van de behandeling. Er gebeurt in die tijd veel met deze patiënten en ze moeten zo vaak naar het ziekenhuis. Dan is thuis ook nog eens moeten trainen wellicht te veel.’
Melissa Voorn, Ruud Franssen en Maryska Janssen-Heijnen
26
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Het onderzoek met teleprevalidatie bij dikkedarmkanker is getiteld: ’E-health binnen prevalidatie: haalbaarheid van een tele(p)revalidatieprogramma bij patiënten met colorectaalcarcinoom’. De pilot bij patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom heeft de naam: ‘Proof-ofconcept study concerning the feasibility of rehabilitation during chemoradiotherapy among patients with stage III nonsmall cell lung cancer’.
VOLHOUDEN Een belangrijke factor voor het niet volhouden was het optreden van complicaties als gevolg van chemotherapie en radiotherapie. Maar ook na de behandeling bleek het lastig te zijn om de patiënten te motiveren onder begeleiding door te gaan met sporten. Voorn zegt: ‘Van de zes patiënten heeft slechts één van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Mensen denken dat ze het wel zelf kunnen of voelen toch niet de motivatie.’ Epidemioloog Maryska Janssen-Heijnen vult aan: ‘Volgens de landelijke richtlijn kunnen patiënten na een behandeling voor kanker gebruikmaken van oncologische revalidatie, vergoed door de zorgverzekeraar. Maar ook in de landelijke cijfers zie je dat weinig longkanker daaraan deelnemen, mogelijk ook door een langdurig slechtere leefstijl.’
ZELFREDZAAMHEID BEHOUDEN Door de vergrijzing zien we een snelle stijging van het aantal oudere en kwetsbare patiënten met kanker. ‘Het is van groot belang dat we objectieve parameters hebben om te kunnen inschatten welke oudere patiënten een behandeling wel of juist niet kunnen verdragen en welke patiënten baat hebben bij prevalidatie of vroege revalidatie’, zegt projectleider Janssen-Heijnen. In de onderzoekslijn staan multidisciplinaire samenwerking en patiëntenparticipatie voorop. Professionele zorgverleners en patiënten delen hun kennis. ‘We proberen alle puzzelstukjes bij elkaar te krijgen zodat we een zo optimaal mogelijk zorgplan kunnen ontwikkelen’, zegt Janssen-Heijnen. ‘En dan kijken we niet alleen naar de behandeling zelf, maar ook naar de mens achter de patiënt. Wat is voor hén belangrijk? Hoe kunnen patiënten hun zelfredzaamheid behouden en wat zijn de effecten op de kwaliteit van leven? Zeker bij oudere patiënten is dat ontzettend belangrijk.’
ZORGINNOVATIES
Onderzoek naar gepersonaliseerde psychofarmaca - Fonds Prof. dr. Marcel Waldinger Door Francy Crijns
Op 6 februari 2020 kwam er bij het Wetenschapsbureau een mail binnen van Avri Selig. Vanwege het overlijden van Prof. dr. Marcel Waldinger werd gezocht naar een doel om de resterende middelen uit de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Neuro-Psychiatrie en Neuro-Seksuologie (SWO NP&NS) aan te besteden. Voorwaarde was dat het geld gebruikt zou worden voor onderzoek in lijn met het gedachtegoed van Marcel Waldinger. Voor Paddy Janssen, ziekenhuisapotheker binnen VieCuri en gepromoveerd bij Prof. dr. Waldinger, een unieke kans om zijn onderzoek naar gepersonaliseerde psychofarmaca voort te zetten en uit te bouwen. Paddy Janssen en Joost van Raaij onderzoeken farmacogenetische profielen en klinische toepassing van serotonine heropname remmers bij patiënten met depressie en/of vroegtijdige ejaculatie.
A
ls pas afgestudeerde master in de farmacie begon Paddy Janssen zijn loopbaan in 2002 in het Haga ziekenhuis in Den Haag. Daar ontmoette hij Marcel Waldinger, neuropsychiater en gepassioneerd onderzoeker. Waldinger onderzocht de neurobiologische achtergrond van seksuele dysfuncties en ontwikkelde eenduidige criteria voor aangeboren vroegtij-
Paddy Janssen en Joost van Raaij
28
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
dige zaadlozing bij de man. Hij veronderstelde dat een intravaginal ejaculatory latency time (IELT) korter dan 1 minuut, voorkomend bij naar schatting 2% van alle mannen, indicatief was voor serotoninedysregulatie. Begin jaren ‘90 werden selectieve serotonine heropname remmers (SSRIs), zoals paroxetine en citalopram, geïntroduceerd als nieuwe klasse antidepressiva. Een bijwerking van deze middelen bleek het feit dat SSRIs de zaadlozing bij mannen kunnen vertragen. De vertraging van de zaadlozing wordt door vele patiënten als een verve-
lende bijwerking ervaren. Voor mannen met aangeboren vroegtijdige zaadlozing kan dit echter een oplossing betekenen voor hun seksuele dysfunctie. In 1994 werd de eerste succesvolle behandeling van vroegtijdige zaadlozing met paroxetine beschreven door Marcel Waldinger. Uit onderzoek bleek dat bij ongeveer 80% van de mannen paroxetine behandeling een klinisch relevante ejaculatie vertraging veroorzaakte, terwijl bij 20% van de mannen geen effect van de behandeling werd gemeten op de vroegtijdige zaadlozing. Dit onderzoek legde de basis voor het promotieonderzoek van Paddy Janssen. Hij probeerde een antwoord te vinden op de vraag of er een genetische basis ten grondslag ligt aan aangeboren vroegtijdige ejaculatie. Meer in detail was de onderzoeksvraag of polymorfismen van genen die betrokken zijn bij het centraal serotonerge systeem bij mannen met levenslange premature ejaculatie invloed hebben op de duur van hun IELT. Op 6 oktober 2014 promoveerde Paddy aan de Universiteit Utrecht met zijn proefschrift getiteld ‘Time Will Tell: genetic influences on ejaculation time’. Zijn promotoren waren prof. dr. Marcel. Waldinger en prof. Dr. Berend Olivier . Ook na zijn promotie bleef Paddy onderzoek doen naar psychofarmaca, de farmacogenetica alsook de dynamiek en kinetiek van deze geneesmiddelen. Hierin werkte hij veelvuldig samen met Marcel Waldinger. ‘Exact één dag voor het overlijden van Marcel op 1 mei 2019 heb ik nog 2 artikelen ingediend over onderzoek dat we samen hebben uitgevoerd. In die artikelen hebben we 3 vormen van vroegtijdige zaadlozing on-
AVRI SELIG, BOEZEMVRIEND VAN MARCEL WALDINGER EN SECRETARIS SWO NP&NS Avri Selig groeide op in Amsterdam, net als Marcel Waldinger. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst in de lagere school. Beiden hebben een Joodse achtergrond en ze liepen samen naar school, leerden elkaars families kennen en bouwden een warme vriendschap op. Marcel was geïnteresseerd in biologie en medicijnen en ging geneeskunde studeren, Avri was meer geboeid door technologie en studeerde wis- en natuurkunde. In 1986 maakten ze beide een carrièreswitch. Marcel stapte over van zijn opleiding Neurologie naar Psychiatrie, Avri verliet het Radiobiologisch Instituut van TNO en bouwde zijn carrière verder uit bij Fokker Space en Systems (nu Airbus Defence & Space Nederland) en het Nederlands Instituut voor Ruimteonderzoek (SRON). Marcel en Avri hielden tot het laatste moment bijna wekelijks contact en op de kruispunten van hun leven zochten ze elkaar steeds op. Prof. dr. Marcel Waldinger werkte als psychiater in het Haga Ziekenhuis in Den Haag, waar hij hoofd was van de polikliniek Neuroseksuologie, hij was hoogleraar Seksuele Psychofarmacologie aan de Universiteit Utrecht, Adjunct Professor Pharmacology and Physiology aan de Drexel University School of Medicine in Philadelphia en had sinds 2011 een eigen praktijk in Amstelveen en later ook in Antwerpen. Hij werd geroemd in binnen- en buitenland omwille van zijn wetenschappelijk onderzoek naar vroegtijdige zaadlozing. Hij maakte deze delicate kwestie bespreekbaar, zowel bij patiënten in de spreekkamer, als tijdens de vele voordrachten die hij gaf aan studenten en vakgenoten. Hij had een enorme drive en ambitie, combineerde patiëntenzorg met lesgeven en wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast was hij een warm persoon. Vrienden werden betrokken bij zijn vak en vakgenoten werden vrienden.
derscheiden: mensen die ermee geboren worden, mensen die het ontwikkelen tijdens hun leven en mensen die het ervaren maar niet hebben. Die laatste 2 groepen kun je farmacotherapeutisch niet behandelen. Psychotherapeutische behandeling is dan de beste keuze, ‘, herinnert Paddy zich. In augustus 2019 werden deze artike-
Vlnr. Dr. Avri Selig, dr. Jon Zegerius (paranimfen) en Prof. dr. Marcel Waldinger tijdens zijn promotie aan de Universiteit van Utrecht op 14 november 1997 In 1994 werd de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Neuro-Psychiatrie en NeuroSeksuologie (SWO NP&NS) opgericht. Het bestuur van de Stichting bestond de langste periode uit Jon Zegerius (neuroloog en voorzitter tot zijn overlijden in 2013), Avri Selig (secretaris sinds de oprichting van de Stichting), Trudy Henninger (penningmeester en partner van Marcel) en Rolf van Rolde (neurochirurg en bestuurslid). Marcel was als hoofdonderzoeker verantwoordelijk voor de inhoudelijke richting van het wetenschappelijk onderzoek, gefinancierd door de Stichting. Na het plotse overlijden van Marcel Waldinger op 1 mei 2019 werd het bestuur belast met de taak om een goede bestemming te vinden voor het resterende budget van de Stichting, ca. € 100.000,- Hoewel er meerdere gegadigden waren, werd al gauw beslist om het geld te besteden aan onderzoek van ziekenhuisapotheker dr. Paddy Janssen uit VieCuri. Paddy promoveerde in 2014 met Prof. dr. Waldinger als
len gepubliceerd in het International Journal of Impotence Research. Het onderzoek van Paddy Janssen was de aanleiding voor de bestuurders van de voormalige Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Neuro-Psychiatrie en Neuro-Seksuologie om het resterende budget van de opgeven Stichting te schenken aan onder-
promotor en is ook nadien onderzoek blijven doen naar psychofarmaca. Dit besluit werd genomen na een bezoek van Avri en Rolf van Rolde aan VieCuri, waarbij ze in gesprek traden met decaan Prof. dr. Joop van den Bergh en dr. Francy Crijns van het Wetenschapsbureau. Daarna volgde een gesprek met Paddy. ‘We hopen dat met het onderzoek van Paddy het gedachtengoed van Marcel wordt voortgezet en er meer inzicht komt op moleculair en fysiologisch vlak zodat een persoonlijke behandeling van patiënten met vroegtijdige zaadlozing mogelijk wordt’, aldus Avri Selig. ‘Als vriend van Marcel, gedurende bijna 60 jaar, vind ik het prachtig om te zien dat Paddy zo enthousiast is om dit werk voort te zetten. Het geeft zowel mij als Ruth, de zus van Marcel, en Trudy een goed gevoel. Ook een pluim naar VieCuri, hoe alles zeer professioneel, met een persoonlijke aanpak, en eerlijk werd geregeld, om dit Fonds Prof. dr. Marcel Waldinger op te richten. Petje af, chapeau!’
zoek onder leiding van Paddy. (zie inzet) Met het budget van ca. € 100.000,- als beginkapitaal kon Joost van Raaij aangetrokken worden als promovendus. Joost studeerde in 2017 af als Master in de Farmacie in Groningen. Sinds 2018 is hij in opleiding tot ziekenhuisapotheker in VieCuri, waarvan 1 jaar van de 4 jarige opleiding wordt vol-
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
29
ZORGINNOVATIES
tooid in het MUMC+. Paddy is zijn supervisor, zowel voor de opleiding als voor het onderzoek. Eén van de eerste onderzoeken die Joost aan het uitvoeren is, is het verder uitspitten van het genetisch materiaal van 300 mannen met vastgesteld IELT, die nog door Marcel Waldinger werden behandeld. Van deze mannen is bekend of ze reageren op SSRIs of niet. Er wordt gekeken naar genetische variaties in de serotonine receptor 5HT2A. Een eerste publicatie is onderweg. ‘Het uiteindelijke doel van het onderzoek is om te kunnen voorspellen of patiënten baat hebben bij behandeling met specifieke serotonine-opname remmers of niet, of het nu gaat om behandeling van seksuele dysfunctie of om depressie of een combinatie van beide, en dat op basis van het genetische profiel. Op dit moment is behandeling met psychofarmaca van mensen met een depressie nog veelal trial and error. Zo wordt door sommige psychiaters meestal gestart met de SSRI paroxetine en geven anderen de voorkeur aan citalopram. Deze medicijnen werken niet acuut. Het duurt een hele tijd eer de patiënten effecten van het geneesmiddel ervaren. Indien het voor die persoon niet het juiste middel blijkt, wordt overgeschakeld op een ander middel. En zo gaat er vaak kostbare tijd verloren. Idem voor patiënten met vroegtijdige zaadlozing, ook al gaat het hier maar om 1% van de mannen. Met andere woorden, op dit moment is de respons op deze geneesmiddelen nog niet voorspelbaar, zowel wat betreft hun werking als antidepressivum, als wat betreft de mogelijke bijwerkingen ervan. Bijwerkingen die vaak gesignaleerd worden zijn vertraagde ejaculatie, gewichtstoename, bewegingsstoornissen en metabole stoornissen. Door het ontrafelen van genetische variaties die verantwoordelijk zijn voor de activiteit van het geneesmiddel wordt het mogelijk om mensen een gepersonaliseerde behandeling aan te bieden. Elk individu is immers anders. De één vindt het niet erg om zwaarder te worden, terwijl dat voor een ander wel een issue is,’ licht Paddy toe. Joost merkte al in het begin van zijn opleiding tot ziekenhuisapotheker dat hij onderzoek doen erg leuk vond : ‘Ik heb me vaker afgevraagd of ik niet beter eerst promotieonderzoek had gedaan en daarna pas met de opleiding had moeten beginnen, want andersom is toch wat lastiger. Door Paddy ben ik er eigenlijk op een laagdrempelige
30
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Werking van serotonine heropname remmers (SSRI’s) manier ingerold, heel veel data is al beschikbaar. Het onderwerp is ook uitermate interessant. Het raakt aan de psychiatrie, waar ik mijn differentiatie in doe. Zo komt alles perfect bij elkaar en ben ik heel blij met deze unieke kans. Een deel van de opleiding tot ziekenhuisapotheker kan ik combineren met promotieonderzoek. In januari 2022 ben ik klaar met mijn opleiding en dan hoop ik parttime als ziekenhuisapotheker aan de slag te gaan en 2 dagen per week het onderzoek verder te zetten.’ Paddy: ‘Tijdens mijn promotietraject is de werkrelatie die ik met Marcel had ook naar vriendschap geëvalueerd. En er zat altijd muziek bij onze ontmoetingen, we hadden beiden een piano thuis. Dat was een rode lijn. En verder heb ik geleerd dat belangrijk is dat je tijdens het traject goede relaties opbouwt. Het gaat niet alléén om het boekje en de publicaties. De contacten zijn minstens even belangrijk’ ‘Ik vind het jammer dat ik Marcel Waldinger nooit heb ontmoet,’ zo eindigt Joost het interview. ‘Ik lees nu heel veel over zijn leven en zijn onderzoek op internet en heb zo het gevoel dat ik hem wel leer kennen. Het is een voorrecht om zijn onderzoek verder te mogen zetten.’, aldus Joost. Over ruim drie jaar hoopt Joost van Raaij zijn promotieonderzoek af te ronden en zijn we hopelijk een stap dichter bij een gepersonaliseerde behandeling van depressies en bepaalde typen seksuele dysfuncties.
REFERENTIES: Janssen PKC “Time Will Tell: Genetic Influences on Ejaculation Time”. Thesis - Utrecht University, Dept. of Pharmacology, 6-102014; Promotors: Prof. dr. M.D. Waldinger, Prof. dr. B. Olivier Janssen PKC, Waldinger MD. Use of a confirmed mathematical method for back-analysis of IELT distributions: ejaculation time differences between two continents and between continents and men with lifelong premature ejaculation (Part 1). Int J Impot Res. 2019 Aug 7. Janssen PKC, Waldinger MD. Men with subjective premature ejaculation have a similar lognormal IELT distribution as men in the general male population and differ mathematically from males with lifelong premature ejaculation after an IELT of 1.5 minutes (Part 2). Int J Impot Res. 2019 Aug 8. van Raaij JJ, Janssen PKC, Hua K.H. et al. His452Tyr 5-HT2A polymorphism and intravaginal ejaculation latency time in Dutch men with lifelong premature ejaculation. Accepted for publication in Int J Impot Res.
Helpt u ons effectief minder bomen te kappen door digitale e communicatie te omarmen? Sterker nog, ÉN extra bomen te planten. 1 Open camera / 2 Richt op QR-code Beantwoord vraag 3 Klik op de weblink / 4 Beantwoord
Voor ieder ontvangen antwoord plant Chiesi een extra boom
Chiesi is een gecertificeerde B Corp • • •
met positieve invvloed op maatschappij en milieu (opgenomen in o onze statuten) net als andere be edrijven die deze missie delen (zie: www.bcorpo oration.net/directory) Chiesi is het enig ge farmaceutische bedrijf in Nederland met
CO2-neutraa al werken Chiesi werkt al jaren n toe naar een CO2-neutrale bed drijfsvoering. Wij bereiken dit doorr bewust veranderingen te implementeren, zoals het reduceren van papiergebruik en het verduurzamen van onze bedrijfsprocessen. Maar M dat is nog niet voldoende werken voldoende. CO2-neutraal oor. kan, wij gaan daarvo
Doet Chiesi Nederland genoeg? g Zelf vinden wij van n niet. Wij blijven innoveren en omarm men verandering. Hierin werken wij gra aag samen met gelijkgestemden, om m van te leren en ter inspiratie. Doet u mee?
Doet u mee aan deze missie? Scan de QR-code! Door digitaal met u te communiceren in plaats van op papier worden minder bomen gekapt. Voor ieder antwoord (positief of negatief) plant Chiesi een extra boom.
Less is more! Minder CO2 = minder global warming.
Wat vindt u? ?
www.chiesi.nl | www.bcorporation.net
PM-2021-9768
Deel uw mening ove er Chiesi’’s maatschappelijke m missie. Belangrijk? Volslagen ongeloofw waardig? Iets daar tussenin? Uw oordee el is voor ons van grote waarde.
ZORGINNOVATIES
Rijzende sterren binnen VieCuri: Anne Daniels en Maarten van Heinsbergen
‘VieCuri is voor ons als jonge dokters een tweede thuis’ Door Aliëtte Jonkers
Samen in opleiding tot chirurg, samen promoveren én ook nog eens samen een schapenboerderij runnen: het artsenkoppel Anne Daniels (29) en Maarten van Heinsbergen (30) legt de lat hoog. In VieCuri, topklinisch ziekenhuis waarin hoogwaardige patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek hand in hand gaan, zijn ze helemaal in hun element. ‘Het klinkt misschien gek, maar VieCuri voelt als een tweede thuis.’
Z
e kwamen elkaar – natuurlijk – tegen binnen de muren van VieCuri. Als chirurgen in opleiding lopen hun interesses uiteen. Zij houdt zich op onderzoeksvlak bezig met hand- en polsfracturen. Hij bestudeert de kwaliteit van leven van patiënten die geopereerd zijn aan darmkanker. Maar dat is zo ongeveer het enige waarin ze verschillen. Daniels: ‘Vanaf het moment dat we elkaar leerden kennen, hadden we een bijzondere klik. Al snel kwamen we erachter dat we dezelfde waarden delen. We waren ook eigenlijk direct samen.’ Van Heinsbergen: ‘Ja. We hebben aan één woord van elkaar genoeg. We zijn ambitieus, we willen iets goeds doen in het leven en allebei willen we de zorg beter maken.’
JEZELF ONDERSCHEIDEN Die tomeloze ambitie hebben de twee specialisten in opleiding hard nodig: al geruime tijd komen bij beroepsverenigingen signalen binnen van werkloze ‘jonge klaren’, zoals specialisten die net van de opleiding komen in vakjargon heten. Jaarlijks stromen er zo’n negenhonderd tot duizend specialisten de arbeidsmarkt op, maar veel van hen zitten werkloos thuis. ‘Precies om die reden is het belangrijk dat je je kunt onderscheiden op de banenmarkt’, zegt Van Heinsbergen. En daar zijn ze al enkele jaren druk mee bezig: zo mocht hij in 2016 de resultaten van zijn afstudeeronderzoek presenteren op de Nederlandse Chirurgendagen. Tijdens dit grote congres was hij was de enige spreker die op dat moment nog geen arts of chirurg was. Daniels liet zich ook niet onbetuigd: zij wist binnen VieCuri een nominatie binnen te slepen voor de titel Clinicus van het Jaar 2019-2020.
34
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Anne Daniels
INNOVATIE-MINDED VieCuri is een STZ-ziekenhuis, lid van de vereniging Samenwerkende Topklinische opleidingsZiekenhuizen (STZ). Om dit predikaat te mogen dragen, moeten ziekenhuizen voldoen aan een aantal strenge criteria. Ze onderscheiden zich door steeds de voorhoedepositie te kiezen met patiëntgericht wetenschappelijk onderzoek, topklinische zorg en opleiding. Het Leerhuis van VieCuri biedt leer- en opleidingsmogelijkheden en ondersteunt studenten én ervaren wetenschappers bij de uitvoering van hun onderzoek. De ondersteuning van een topklinisch ziekenhuis bij wetenschappelijk onderzoek is erg prettig, vindt Anne Daniels. ‘VieCuri is innovatie-minded. Dat heeft veel
voordelen. Iedereen is doordrongen van het belang van wetenschappelijk onderzoek voor de patiëntenzorg.’ Voor haar promotieonderzoek richt Daniels zich op hand- en polsfracturen die ontstaan als gevolg van een val met een uitgestrekte hand. Een deel van haar onderzoek gaat over de veelvoorkomende distale radiusfractuur, een breuk aan het uiteinde van het spaakbeen. Deze breuk komt in alle leeftijdsgroepen voor. Daarnaast bestudeert Daniels een breuk die erg lastig te diagnosticeren is: de scaphoidfractuur. Deze breuk treedt het vaakst op bij jongeren, bijvoorbeeld tijdens het sporten.
NIEUWE TECHNIEK Even een anatomielesje: het scaphoid, ook wel het scheepvormig botje genoemd, is één van de acht handwortelbeentjes. Het bevindt aan de duimzijde van de pols. Als na een val met uitgestrekte hand druk op het scaphoid of axiale compressie op de duim pijnlijk is, is er mogelijk sprake van een scaphoidfractuur. Momenteel is er geen gouden standaard om dit vast te stellen, maar VieCuri heeft een zeer nauwkeurige CT scan tot haar beschikking, een techniek die High Resolution peripheral Quantitative Computed Tomography (HR-pQCT) wordt genoemd. De HR-pQCT werd in het VieCuri voor het eerst wereldwijd toegepast bij de diagnostiek van scaphoidfracturen en blijkt superieur aan de huidige CT scan. Dergelijke apparaten staan beslist niet in elk ziekenhuis, vertelt Daniels. ‘In de Benelux staan er een paar, want het zijn dure en geavanceerde apparaten. Mijn promotor, professor Van den Bergh, is erin geslaagd om zo’n scanner naar VieCuri te halen. Hij is zeer geïnteresseerd in innovaties op het gebied van metabole botziekten als osteoporose. Ook voor dat vakgebied is deze nieuwe techniek een aanwinst. Daar kan ik van meeprofiteren.’
FUNCTIONELE BUIKKLACHTEN Ook Van Heinsbergen krijgt voor zijn promotieonderzoek alle ruimte. Hij doet onderzoek naar functionele buikklachten na een chirurgische behandeling van darmkanker en de impact daarvan op de kwaliteit van leven. Het gaat dan bijvoorbeeld om vaker naar het toilet moeten voor ontlasting (soms meer dan 10x per dag, ook gedurende de nacht), in een korte tijd (anderhalf tot twee uur) meerdere keren achter elkaar naar het toilet moeten en dunnere of waterdunne ontlasting. Ook komen klachten voor als een sterke aandrang van ontlasting die moeilijker uit te stellen is, soms ongewild verlies van ontlasting, een wisselend ontlastingspatroon, winderigheid en obstipatie. LARS, zo worden die klachten genoemd, een afkorting die staat voor Low Anterior Resection Syndrome. Ze treden het vaakst op bij mensen die een operatie vanwege een rectumcarcinoom – endeldarmkanker – hebben ondergaan: 60 tot 90 procent onwikkelt het LAR Syndroom. Het komt bovendien bij 20 tot 40 procent van de mensen voor bij wie een tumor in het Svormige deel van de dikke darm, het sigmoïd, is verwijderd. Desondanks zijn er maar weinig artsen die systematisch naar
Maarten van Heinsbergen deze functionele buikklachten vragen in de follow-up na een behandeling voor darmkanker.
het bouwen, een thuis waar we met ons gezin tot rust kunnen komen en kunnen genieten van de natuur’.
KWALITEIT VAN LEVEN
Maar wie denkt dat ze na het werk opgekruld op de bank liggen, heeft het mis. Van Heinsbergen en Daniels zijn minstens twee uur per dag buiten in de weer, want ze runnen een schapenboerderij. De zorg voor de schapen kost dus ook nog flink wat vrije tijd. En nee, dat zijn er meer dan een handvol: ze zijn de trotse bezitters van een kudde van 90 stamboek Engelse Texelaars en 30 stamboek Dassenkop-Texelaars. Extra druk is het in de lammerentijd: dan moeten de twee chirurgen in opleiding hun diensten zorgvuldig plannen, omdat er in twee weken tijd 150 lammetjes worden geboren. Dan is het alle hens aan dek maar zo ontzettend leuk, vertelt Van Heinsbergen. ‘Ondanks de drukte krijgen we er veel energie van.’ En ja, dan helpt die artsenopleiding toch ook wel weer: voor een spoedkeizersnede midden in de nacht draaien de twee hun hand niet om. Ook de getrainde ooghandcoördinatie van de chirurgen in opleiding blijkt in zo’n situatie uitstekend van pas te komen, grinnikt Van Heinsbergen: ‘Eh ja, ik denk dat we wel wat netter hechten dan de gemiddelde dierenarts.’ De tijd tussen de schapen gebruiken ze om rustig de dag te laten passeren, terwijl ze genieten van wat er om hen heen gebeurt. ‘Van een uurtje tussen de dieren rust ik meer uit dan van drie uur slaap’.
‘Natuurlijk zijn patiënten na de operatie vooral heel erg blij dat de tumor is verwijderd en dat ze er nog zijn’, zegt Van Heinsbergen. ‘We kunnen dikkedarmkanker en endeldarmkanker steeds beter behandelen en dat zien we terug in de stijgende overlevingscijfers. Dat neemt niet weg dat LARS een serieuze impact kan hebben op de kwaliteit van leven. In Scandinavische landen is er al wat langer meer aandacht voor dit onderwerp en in Nederland komt het nu ook op gang.’ Van Heinsbergen beschrijft in zijn onderzoek hoe vaak LARS voorkomt, of van tevoren te voorspellen is welke patiënten het syndroom zullen ontwikkelen en welke behandelstrategieën de klachten kunnen verminderen. ‘Ik vind het mijn morele plicht als arts om niet alleen in te zetten op overleving, maar ook om oog te hebben voor de kwaliteit van leven van mijn patiënten. Ik hoop dat mijn generatie dokters daar standaard aan gaat werken.’
SCHAPENBOERDERIJ Om al hun dromen te verwezenlijken, is het artsenstel graag thuis, op hun boerderij. Daar genieten ze volop van hun dochtertje. Rust en balans: dat is de rode draad in hun leven, vertelt het koppel. ‘Een stabiele thuissituatie is voor ons heel belangrijk’, zegt Van Heinsbergen. ‘We zijn een eigen huisje aan
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
35
MULTIPEL MYELOOM EN REFRACTAIR VOOR LENALIDOMIDE; WAT NU? Door middel van onder meer autologe stamceltransplantatie en de komst van ‘small molecule’ MM-middelen zoals proteasoomremmers (PI) en immuunmodulatoire middelen (IMiD) is er veel vooruitgang geboekt bij de behandeling van multipel myeloom (MM). Door de brede toepassing van de IMiD lenalidomide in de eerste behandellijnen, is bij recidief MM een groot deel van de patiënten refractair voor het middel. Als gevolg hiervan is er voor de behandeling van recidief, refractair MM (RRMM) grote behoefte aan lenalidomide-vrije behandelopties.
THERAPIE NA DE TWEEDE LIJN
loge stamceltransplantatie, cytogenetisch risico, nierfunctie,
Voor patiënten die al minimaal twee voorgaande behandellij-
ziektestadium en aantal eerdere behandellijnen. De behande-
nen hebben gehad en nog niet refractair zijn voor een anti-
ling met Isa-Pd wordt in Nederland vergoed.
CD38-antilichaam zijn volgens de meest recente richtlijn voor
(Isa-Pd).1 Dit specifieke tripletregime werd onderzocht in de
TWEEDELIJNSBEHANDELING VOOR PATIËNTEN DIE REFRACTAIR ZIJN VOOR LENALIDOMIDE
fase III-registratiestudie ICARIA.2 In deze studie werden patiën-
In de fase III-registratiestudie IKEMA werden RRMM-patiënten
ten die ten minste 2 lijnen van therapie hadden ontvangen,
gerandomiseerd toegewezen aan een ander tripletregime, isa-
waaronder lenalidomide en een PI, en ziekteprogressie ver-
tuximab-carfilzomib-dexamethason (Isa-Kd), of behandeling met
toonden op of binnen 60 dagen na het einde van de vorige
alleen Kd.3 Voor deelname aan deze studie moesten patiënten
therapie, gerandomiseerd toegewezen aan behandeling met
1 tot 3 eerdere therapielijnen hebben ontvangen. Patiënten wer-
Isa-Pd of Pd. Maar liefst 94% van de patiënten in de studie was
den uitgesloten wanneer zij refractair waren voor therapie met
refractair voor lenalidomide. De mediane progressievrije over-
een anti-CD38-middel of wanneer zij al eerder waren behandeld
leving (PFS) was met Isa-Pd 11,5 maanden, terwijl dit met al-
met carfilzomib. Met toevoeging van Isa aan Kd werd de media-
leen Pd 6,5 maanden was. Het tripletregime Isa-Pd leidde tot
ne PFS niet bereikt en met alleen Kd was deze 19,2 maanden.
een 40% reductie van het risico op ziekteprogressie of overlij-
Het tripletregime Isa-Kd leidde tot 47% reductie van het risico op
den (HR [95%-BI]: 0,60 [0,44-0,81]; p=0,001). Het PFS-voor-
ziekteprogressie of overlijden (HR [95%-BI]: 0,53 [0,318-0,889];
deel van Isa-Pd boven alleen Pd werd gezien bij alle vooraf
p=0,0013). Het PFS-voordeel van Isa-Kd vergeleken met alleen
gespecificeerde subgroepen, ongeacht leeftijd, eerdere auto-
Kd werd aangetoond in alle vooraf gespecificeerde subgroepen
MM diverse behandelopties te overwegen, waaronder behandeling met isatuximab, pomalidomide en dexamethason
NIET DARATUMUMAB VOORBEHANDELD/REFRACTAIR
DOUBLET
LENALIDOMIDE-REFRACTAIR
Bortezomib-dexamethason Carfilzomib-dexamethason
TRIPLET
Daratumumab-carfilzomib-dexamethason Isatuximab-carfilzomib-dexamethason Daratumumab-bortezomib-dexamethason Pomalidomide-bortezomib-dexamethason Panobinostat-bortezomib-dexamethason
DARATUMUMAB VOORBEHANDELD/REFRACTAIR
DOUBLET
Bortezomib-dexamethason Carfilzomib-dexamethason
TRIPLET
Pomalidomide-bortezomib-dexamethason Panobinostat-bortezomib-dexamethason
FIGUUR 1. Lenalidomidevrije behandelopties bij recidief/refractair multipel myeloom.1
op basis van leeftijd, nierfunctie, ziektestadium of eerdere be-
CONCLUSIE
handeling met een PI, IMiD of lenalidomide. De data uit deze
Veel MM-patiënten zullen tijdens het beloop van hun ziekte
registratiestudie heeft ertoe geleid dat isatuximab ook in de
meerdere behandellijnen worden aangeboden. De toevoeging
richtlijn is opgenomen als tweedelijnsbehandeling (zie Figuur 1).1
aan het behandelarsenaal van het anti-CD38-antilichaam isatuxi-
Wanneer patiënten lenalidomide-refractair zijn en nog niet eerder
mab in combinatie met enerzijds pomalidomide-dexamethason
behandeld zijn met het anti-CD38-middel daratumumab, is vol-
en anderzijds carfilzomib-dexamethason is belangrijk voor een
gens de richtlijn het voorkeursregime Kd met daaraan toege-
populatie waarin steeds meer patiënten refractair zijn voor lena-
voegd isatuximab of daratumumab. Ten tijde van dit schrijven zijn
lidomide.
zowel Isa-Kd als Dara-Kd nog in afwachting van vergoeding.
REFERENTIES 1. Multipel myeloom richtlijn 2021 (HOVON). Te raadplegen op: https://hovon. nl/_asset/_public/ WorkingGroups/ WorkingGroups_MM/RICHTLIJNbehandeling-MM-2021-geautoriseerd-11-05-2021-1.pdf. 2. Attal M, Richardson PG, Rajkumar SV, et al. Isatuximab plus pomalidomide and low-dose dexamethasone versus pomalidomide and low-dose dexamethasone in patients with relapsed and refractory multiple myeloma (ICARIAMM): a randomised, multicentre, open-label, phase 3 study. Lancet 2019; 394:2096-107.
De vaakst voorkomende bijwerkingen op isatuximab zijn neutro-
3. Moreau P, Dimopoulos MA, Mikhael J, et al. Isatuximab, carfilzomib, and
penie, infusiegerelateerde reactie, pneumonie, infectie van de
dexamethasone in relapsed multiple myeloma (IKEMA): a multicentre, open-
bovenste luchtwegen, diarree, bronchitis, hypertensie, ver-
label, randomised phase 3 trial. Lancet 2021;397:2361-71.
moeidheid, dyspneu, nausea, braken, slapeloosheid, hoesten
4. Aanvullende informatie betreffende isatuximab is beschikbaar in de Sa-
en rugpijn. De vaakst voorkomende ernstige bijwerkingen zijn
menvatting van de productkenmerken (SmPC) en bijsluiter op www.
pneumonie en febriele neutropenie.
cbg-meb.nl
MAT-NL-2101500 V1.0 11/2021
“Het PFS-voordeel van Isa-Kd werd aangetoond in alle vooraf gespecificeerde subgroepen op basis van leeftijd, nierfunctie, ziektestadium of eerdere behandeling met een PI, IMiD of lenalidomide”3
Last van ernstig overgewicht?
Gratis voorlichting
16 december 18.30 - 20.00 uur
25 januari 18.30 - 20.00 uur
Met een operatie en onze begeleiding pakt u het aan! De Nederlandse Obesitas Kliniek in Venlo geeft regelmatig voorlichting over de (operatieve) behandeling van obesitas (ernstig overgewicht). Onze collega’s geven informatie over het leefstijltraject
en de verschillende operaties. Natuurlijk is het mogelijk om uw vragen te stellen. De voorlichting is bedoeld voor mensen met obesitas, hun naasten en andere belangstellenden.
Kijk op obesitaskliniek.nl/agenda voor onze gratis voorlichting. U kunt zich hier ook direct aanmelden. Voor vragen kunt u ons bereiken via 077 - 30 30 630 of info-venlo@obesitaskliniek.nl
Productinformatie en referenties elders in deze uitgave. C-APROM/NL/PLE/0009
VERBETER DE
BALANS VOOR EEN BETERE KWALITEIT VAN LEVEN*
1,2,3
PLENADREN: éénmaal daags is geïndiceerd voor de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie bij volwassenen2 *gemeten met AddiQoL questionnaire.
Hydrocortisontabletten met gereguleerde afgifte
the brandon sofa - the perfect fit Ultiem zitcomfort én een moderne look? Kies dan voor de modulaire nieuwste accessoires.
rivieramaison.com
Nieuw: ENER RZAIR® breezhaler® met sensor De 3 IN 1 therapie met unieke sensor en n app voor uw patiënt met as astma
1,2,3
1 , 2, 3
De krach ht van controle.3
31
IN
VR AAG AAN en check zelf d de sensor
3-VOUDIGE CONTROL E3
3-VOUDIGE VA STE DOSISCOMBINA AT TIE2
3-VOUDIG INFORM ATIEPA K K E T
- Inhalatie bevestiging. Check!
- 1e goedgekeurde L ABA /L AMA /ICS**
- De introductiekit
- Medicatie herinneringen. Check!
- 1-maal daags
- De placebo -set Enerzair ® Breezhaler ®
- Overzichten van inhalatorgebruik. Check!
- 1- Breezhaler familie
- De unieke sensor.3 Download zelf de app
** Voor patiënten met astma.1
NIEUW W 1-MAAL DAAGS
Verkorte SmPC elders in deze uitgave. Ve
indacateroolacetaat / glycopyrroniumbromide / mometasoonfuroaat inhalatiepoeder
0521ENE227120
1. Enerzair Breezhaler is geregistreerd voor volwassen patiënten die niet voldoe ende onder controle zijn met een onderhoudscombinatie maakten in het voorgaande jaar (SmPC Enerzair Breezhaler). van een LABA/ICS (hoge dosis) en die één of meer astma-exacerbaties doorm 2. Enerzair Breezhaler SmPC, zie www.novartis.nl/medicijnen voor de volledige en meest recente versie. 3. Propeller Health®, QR_Rationale for EU Classifi cation-2017-B 2019-7-24 Updaate
Publicatielijst
Overzicht wetenschappelijke publicaties VieCuri 2021 CARDIOLOGIE Erküner Ö, van Eck M, Xhaet O, Verheij H, Neefs J, Duygun A, Nijmeijer R, Saïd SAM, Uiterwaal H, Hagens V, Bhagwandien R, Szili-Torok T, Bijsterveld N, Tjeerdsma G, Vijgen J, Friart A, Hoffer E, Evrard P, Srynger M, Meeder J, de Groot JR, van Opstal J, Gevers R, Lip GYH, Boriani G, Crijns HJGM, Luermans JGLM, Mairesse GH. Contemporary management of patients with atrial fibrillation in the Netherlands and Belgium: a report from the EORP-AF long-term general registry. Neth Heart J. 2021 Sep 15. [Online ahead of print] Adriaans BP, Ramaekers MJFG, Heuts S, Crijns HJGM, Bekkers SCAM, Westenberg JJM, Lamb HJ, Wildberger JE, Schalla S. Determining the optimal interval for imaging surveillance of ascending aortic aneurysms. Neth Heart J. 2021 Apr 13. [Online ahead of print]
grelor in patients with suboptimal P2Y 12 inhibition undergoing percutaneous coronary intervention: rationale of the Dutch Cangrelor Registry. BMC Cardiovasc Disord. 2021 Jun 12;21(1):292. Erküner Ö, Ahmed W, Eerens F. Spontaneous dissection of a left internal mammary artery bypass graft: images in cardiology. Eur Heart J Case Rep. 2021 Jun 26;5(6):ytab232. eCollection 2021 Jun.
for early pregnancy loss (the Triple M trial): A double-blind placebo-controlled randomised trial. EClinicalMedicine. 2021 Jan 6;32:100716. eCollection 2021 Feb. Asah-Opoku K, Pijtak I, Nuamah M, Damale N, Bloemenkamp K, Browne J, Rijken MJ. BMI-related cesarean section complications in Sub-Saharan Africa: A systematic review and meta-analysis. Int J Gynaecol Obstet. 2021 Sep 9. [Online ahead of print]
GERIATRIE
HEELKUNDE
Bessems SAM, Konsten JLM, Vogelaar FJ, Csepán-Magyar R, Maas HAAM, van deWouw AJ, Janssen-Heijnen MLG. Frailty screening by Geriatric-8 and 4-meter gait speed test is feasible and predicts postoperative complications in elderly colorectal cancer patients. J Geriatric Oncol. 2021 May;12(4):592-8.
Franssen RFW, Strous MTA, Bongers BC, Vogelaar FJ, Janssen-Heijnen MLG. The association between treatment interval and survival in patients with colon or rectal cancer: a systematic review. World J Surg. 2021 Sep;45(9):2924-37.
GYNAECOLOGIE Raafs AG, Verdonschot JAJ, Henkens MTHM, Adriaans BP, Wang P, Derks K, Abdul Hamid MA, Knackstedt C, van Empel VPM, Díez J, Brunner-La Rocca HP, Brunner HG, González A, Bekkers SCAM, Heymans SRB, Hazebroek MR. The combination of carboxy-terminal propeptide of procollagen type I blood levels and late gadolinium enhancement at cardiac magnetic resonance provides additional prognostic information in idiopathic dilated cardiomyopathy - A multilevel assessment of myocardial fibrosis in dilated cardiomyopathy. Eur J Heart Fail. 2021 Jun;23(6):933-44. Uijl A, Veenis JF, Brunner-La Rocca HP, van Empel V, Linssen GCM, Asselbergs FW, van der Lee C, Eurlings LWM, Kragten H, AlWindy NYY, van der Spank A, Koudstaal S, Brugts JJ, Hoes AW. Clinical profile and contemporary management of patients with heart failure with preserved ejection fraction: results from the CHECK-HF registry. Neth Heart J. 2021 Jul;29(7-8):370-6. Selvarajah A, Tavenier AH, Bor WL, Houben V, Rasoul S, Kaplan E, Teeuwen K, Hofma SH, Lipsic E, Amoroso G, van Leeuwen MAH, Berg JMT, van ‘t Hof AWJ, Hermanides RS. Feasibility and safety of can-
42
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Boersen Z, de Kok L, van der Zanden M, Braat D, Oosterman J, Nap A. Patients’ perspective on cognitive behavioural therapy after surgical treatment of endometriosis: a qualitative study. Reprod Biomed Online. 2021 Apr;42(4):819-25. Wieland BV, Leijten A, van der Heijden HHACM, van de Laar R, Ten Brink F, Alers NO. Onbegrepen cyanose bij twee neonaten. Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 Jul 1;165:D5391. Drost LE, Stegeman M, Mos LM, Lamers RED, Ezendam NPM, Gerritse MBE, Dam AHDM, Vos MC. SHAred DEcision making in Pelvic Organ Prolapse (SHADE-POP); Implementation is not as easy as it seems. Patient Educ Couns. 2021 Aug;104(8):2004-11. Hamel C, Coppus S, van den Berg J, Hink E, van Seeters J, van Kesteren P, Merién A, Torrenga B, van de Laar R, Terwisscha van Scheltinga J, Gaugler-Senden I, Graziosi P, van Rumste M, Nelissen E, Vandenbussche F, Snijders M. Mifepristone followed by misoprostol compared with placebo followed by misoprostol as medical treatment
Theelen LMA, Mory B, Venkatesan S, Spekenbrink-Spooren A, Janssen L, Lambers Heerspink FO. Stem retention and survival in revision of anatomical convertible shoulder arthroplasty to reverse arthroplasty: a Dutch registry study. BMC Musculoskelet Disord. 2021 Apr 28;22(1):396. Bevers MSAM, Daniels AM, van Rietbergen B, Geusens PPMM, van Kuijk SMJ, Sassen S, Kaarsemaker S, Hannemann PFW, Poeze M, Janzing HMJ, van den Bergh JP, Wyers CE. Assessment of the healing of conservatively-treated scaphoid fractures using HRpQCT. Bone. 2021 Aug 26:116161. [Online ahead of print] Franssen RFW, Janssen-Heijnen MLG, Barberan-Garcia A, Vogelaar FJ, Van Meeteren NLU, Bongers BC. Moderate-intensity exercise training or high-intensity interval training to improve aerobic fitness during exercise prehabilitation in patients planned for elective abdominal cancer surgery? Eur J Surg Oncol. 2021 Sep 4. [Online ahead of print] van Driel LJJ, Miserez M, Aarts F, Tollens T. Observational cohort study on the use of a slowly fully resorbable synthetic mesh (Phasix™) in the treatment of complex abdominal wall pathology with different grades of contamination. Surg Technol Int.
2021 May 20;38:sti38/1418.
Scheijmans JCG, Borgstein ABJ, Puylaert CAJ, Bom WJ, Bachiri S, van Bodegraven EA, Brandsma ATA, Ter Brugge FM, de Castro SMM, Couvreur R, Franken LC, Gaspersz MP, de Graaff MR, Groenen H, Kleipool SC, Kuypers TJL, Martens MH, Mens DM, Orsini RG, Reneerkens NJMM, Schok T, Sedee WJA, Tavakoli Rad S, Volders JH, Weeder PD, Prins JM, Gietema HA, Stoker J, Gisbertz SS, Besselink MGH, Boermeester MA; SCOUT Collaboarative Study group. Impact of the COVID-19 pandemic on incidence and severity of acute appendicitis: a comparison between 2019 and 2020. BMC Emerg Med. 2021 May 12;21(1):61. Heyer FL, de Jong JJA, Willems PC, Arts JJ, Bours SGP, van Kuijk SMJ, Bons JAP, Poeze M, Geusens PP, van Rietbergen B, van den Bergh JP. The effect of bolus vitamin D3 supplementation on distal radius fracture healing: a randomized controlled trial using HR-pQCT. J Bone Miner Res. 2021 Aug;36(8):1492-501. Révész D, Bours MJL, Wegdam JA, Keulen ETP, Breukink SO, Slooter GD, Vogelaar FJ, Weijenberg MP, Mols F. Longitudinal associations of sociodemographic, lifestyle, and clinical factors with alcohol consumption in colorectal cancer survivors up to 2 years post-diagnosis. Support Care Cancer. 2021 Oct;29(10):5935-43. Bessems SAM, Konsten JLM, Vogelaar FJ, Csepán-Magyar R, Maas HAAM, van deWouw AJ, Janssen-Heijnen MLG. Frailty screening by Geriatric-8 and 4-meter gait speed test is feasible and predicts postoperative complications in elderly colorectal cancer patients. J Geriatric Oncol. 2021 May;12(4):592-8. Révész D, Bours MJL, Wegdam JA, Keulen ETP, Breukink SO, Slooter GD, Vogelaar FJ, Weijenberg MP, Mols F. Associations between alcohol consumption and anxiety, depression, and health-related quality of life in colorectal cancer survivors. J Cancer Surviv. 2021 Sep 16. [Online ahead of print] Beukers K, Bessems SAM, van de Wouw AJ, van den Berkmortel FWPJ, Belgers HJ, Konsten JLM, Sipers WMWH, Janssen-Heijnen MLG. Associations between the Geriatric-8 and 4-meter gait speed test and subsequent delivery of adjuvant chemotherapy
in older patients with colon cancer. J Geriatric Oncol. 2021 May 15. [Online ahead of print] Gerets JCWL, Kool M, Simons PCG, Aarts F, Vogelaar FJ. Prevalence of underlying malignancies in complex cysts of the breast. Breast Dis. 2021 Jun 28. [Online ahead of print] Bevers MSAM, Wyers CE, Daniels AM, Audenaert EA, van Kuijk SMJ, van Rietbergen B, Geusens PPMM, Kaarsemaker S, Janzing HMJ, Hannemann PFW, Poeze M, van den Bergh JP. Association between bone shape and the presence of a fracture in patients with a clinically suspected scaphoid fracture. J Biomech. 2021 Aug 30;128:110726. [Online ahead of print]
INTENSIVISME Foudraine NA, Algargoush A, van Osch FH, Bos AT. A multimodal sevoflurane-based sedation regimen in combination with targeted temperature management in post-cardiac arrest patients reduces the incidence of delirium: an observational propensity score-matched study. Resuscitation. 2021 Feb;159:158-64. Fleuren LM, Tonutti M, de Bruin DP, Lalisang RCA, Dam TA, Gommers D, Cremer OL, Bosman RJ, Vonk SJJ, Fornasa M, Machado T, van der Meer NJM, Rigter S, Wils EJ, Frenzel T, Dongelmans DA, de Jong R, Peters M, Kamps MJA, Ramnarain D, Nowitzky R, Nooteboom FGCA, de Ruijter W, Urlings-Strop LC, Smit EGM, Mehagnoul-Schipper DJ, Dormans T, de Jager CPC, Hendriks SHA, Oostdijk E, Reidinga AC, Festen-Spanjer B, Brunnekreef G, Cornet AD, van den Tempel W, Boelens AD, Koetsier P, Lens J, Achterberg S, Faber HJ, Karakus A, Beukema M, Entjes R, de Jong P, Houwert T, Hovenkamp H, Noorduijn Londono R, Quintarelli D, Scholtemeijer MG, de Beer AA, Cinà G, Beudel M, de Keizer NF, Hoogendoorn M, Girbes ARJ, Herter WE, Elbers PWG, Thoral PJ; Dutch ICU Data Sharing Against COVID-19 Collaborators. Risk factors for adverse outcomes during mechanical ventilation of 1152 COVID-19 patients: a multicenter machine learning study with highly granular data from the Dutch Data Warehouse. Intensive Care Med Exp. 2021 Jun 28;9(1):32. de Waal EEC, Frank M, Scheeren TWL, Kaufmann T, de Korte DJD, Cox B, van Kuijk SMJ, Montenij LM, Buhre W. Perioperative goaldirected therapy in high-risk abdominal
surgery. A multicenter randomized controlled superiority trial. J Clin Anesth. 2021 Sep 15;75:110506. [Online ahead of print] van Rensen IHT, Hensgens KRC, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, van Kampenvan den Boogaart VEM, Mehagnoul-Schipper JDJ, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Early detection of hospitalized patients with COVID-19 at high risk of clinical deterioration: Utility of emergency department shock index. Am J Emerg Med. 2021 May 21;49:76-9. [Online ahead of print] Hensgens KRC, van Rensen IHT, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Sort and sieve: pre-triage screening of patients with suspected COVID-19 in the emergency department. Int J Environ Res Public Health. 2021 Sep 2;18(17):9271. Plecko D, Bennett N, Mårtensson J, Dam TA, Entjes R, Rettig TCD, Dongelmans DA, Boelens AD, Rigter S, Hendriks SHA, de Jong R, Kamps MJA, Peters M, Karakus A, Gommers D, Ramnarain D, Wils EJ, Achterberg S, Nowitzky R, van den Tempel W, de Jager CPC, Nooteboom FGCA, Oostdijk E, Koetsier P, Cornet AD, Reidinga AC, de Ruijter W, Bosman RJ, Frenzel T, Urlings-Strop LC, de Jong P, Smit EGM, Cremer OL, Mehagnoul-Schipper DJ, Faber HJ, Lens J, Brunnekreef GB, Festen-Spanjer B, Dormans T, de Bruin DP, Lalisang RCA, Vonk SJJ, Haan ME, Fleuren LM, Thoral PJ, Elbers PWG, Bellomo R. Rapid evaluation of Coronavirus Illness Severity (RECOILS) in intensive care: Development and validation of a prognostic tool for in-hospital mortality. Acta Anaesthesiol Scand. 2021 Oct 8. [Online ahead of print] Fleuren LM, Dam TA, Tonutti M, de Bruin DP, Lalisang RCA, Gommers D, Cremer OL, Bosman RJ, Rigter S, Wils EJ, Frenzel T, Dongelmans DA, de Jong R, Peters M, Kamps MJA, Ramnarain D, Nowitzky R, Nooteboom FGCA, de Ruijter W, Urlings-Strop LC, Smit EGM, Mehagnoul-Schipper DJ, Dormans T, de Jager CPC, Hendriks SHA, Achterberg S, Oostdijk E, Reidinga AC, Festen-Spanjer B, Brunnekreef GB, Cornet AD, van den Tempel W, Boelens AD, Koetsier P, Lens J, Faber HJ, Karakus A, Entjes R, de Jong P, Rettig TCD, Arbous S, Vonk SJJ, Fornasa M, Machado T, Houwert T, Hovenkamp H, Noorduijn-Londono R, Quintarelli D, Scholtemeijer MG, de Beer AA, Cina G, Beudel M, Herter WE, Girbes ARJ, Hoogendoorn M, Thoral PJ, Elbers
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
43
Publicatielijst
PWG. The Dutch Data Warehouse, a multicenter and full-admission electronic health records database for critically ill COVID-19 patients. Crit Care. 2021 Aug;25(1):304. Hoebregts VMG, Foudraine N, Janssen PKC, le Noble JLML. Iatrogenic topiramate poisoning in an ICU patient: Focus on topiramate peak time prolongation. Int J Clin Pharmacol Ther. 2021 Oct 8. [Online ahead of print] Jansen TLTA, Hotea I, le Noble JLML. Severe Covid-19 is a risk factor for gout even in hypouricaemic ICU patients. Sign of arousal of NLRP3 activation? EC Orthopaedics. 2021 Jun 8;12(7):33-8. Mesotten D, Meijs DAM, van Bussel BCT, Stessel B, Mehagnoul-Schipper J, Hana A, Scheeren CIE, Strauch U, van de Poll MCG, Ghossein-Doha C, Buhre WFFA, Bickenbach J, Vander Laenen M, Marx G, van der Horst ICC; COVID Data Platform (CoDaP) Investigators. Differences and similarities among Coronavirus Disease 2019 patients treated in seven ICUs in three countries within one region: an observational cohort study. Crit Care Med. 2021 Oct 12. [Online ahead of print]
INTERNE GENEESKUNDE Janssen J, Kamps MJA, Joosten TMB, Barten DG. Spontaneous pneumomediastinum in a male adult with COVID-19 pneumonia. Am J Emerg Med. 2021 Feb;40:228.e3-228.e5. Kroon LL, van Roij J, Korfage IJ, Reyners AKL, van den Beuken-van Everdingen MHJ, den Boer MO, Creemers GJ, de Graeff A, Hendiks MP, Hunting JCB, de Jong WK, Kuip EJM, van Laarhoven HWM, van Leeuwen L, van Lindert ASR, Mandigers CMPW, Nieboer P, van der Padt-Pruijsten A, Smilde TJ, Sommeijer DW, Thijs MF, Tiemessen MA, Vos AH, Vreugdenhil A, Werner PT, van Zuylen L, van de Poll-Franse LV, Raijmakers NJH; eQuiPe study group. Perceptions of involvement in advance care planning and emotional functioning in patients with advanced cancer. J Cancer Surviv. 2021 Jun;15(3):380-5. Berkvens JJL, Mergler S, Beerhorst K, Verschuure P, Tan IY, Majoie HJM, van den Bergh JPW. Bone mineral density and fractures in institutionalised children with epilepsy and intellectual disability. J Intellect Disabil Res. 2021 Sep 2. [Online ahead of print]
44
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Meijer RI, Hoekstra T, van den Oever NCG, Simsek S, van den Bergh JP, Douma RA, Reidinga AC, Moeniralam HS, Dormans T; Amsterdam UMC COVID-19 biobank study group, Smits MM. Treatment with a DPP-4 inhibitor at time of hospital admission for COVID-19 is not associated with improved clinical outcomes: data from the COVIDPREDICT cohort study in The Netherlands. J Diabetes Metab Disord. 2021 Jun 26. [Online ahead of print] Bliuc D, Tran T, Adachi JD, Atkins GJ, Berger C, van den Bergh J, Cappai R, Eisman JA, van Geel T, Geusens P, Goltzman D, Hanley DA, Josse R, Kaiser S, Kovacs CS, Langsetmo L, Prior JC, Nguyen TV, Solomon LB, Stapledon C, Center JR; Canadian Multicentre Osteoporosis Study (CaMos) Research Group. Cognitive decline is associated with an accelerated rate of bone loss and increased fracture risk in women: a prospective study from the Canadian Multicentre Osteoporosis Study. J Bone Miner Res. 2021 Jul 20. [Online ahead of print] Ottenhoff MC, Ramos LA, Potters W, Janssen MLF, Hubers D, Hu S, Fridgeirsson EA, Piña-Fuentes D, Thomas R, van der Horst ICC, Herff C, Kubben P, Elbers PWG, Marquering HA, Welling M, Simsek S, de Kruif MD, Dormans T, Fleuren LM, Schinkel M, Noordzij PG, van den Bergh JP, Wyers CE, Buis DTB, Wiersinga WJ, van den Hout EHC, Reidinga AC, Rusch D, Sigaloff KCE, Douma RA, de Haan L, Gritters van den Oever NC, Rennenberg RJMW, van Wingen GA, Aries MJH, Beudel M; Dutch COVID-PREDICT research group. Predicting mortality of individual patients with COVID-19: a multicentre Dutch cohort. BMJ Open. 2021 Jul 19;11(7):e047347. Safipour Z, van der Zanden R, van den Bergh J, Janssen P, Vestergaard P, de Vries F, Driessen JHM. The use of oral glucocorticoids and the risk of major osteoporotic fracture in patients with myasthenia gravis. Osteoporos Int. 2021 Oct 3. [Online ahead of print] van Dipten C, van Dam DGHA, de Grauw WJC, Ten Dam MAGJ, Hermans MMH, Assendelft WJJ, Haan NDS, Wetzels JFM. Referring patients with chronic kidney disease back to primary care: a criteria-based analysis in outpatient renal clinics. BMC Nephrol. 2021 May 19;22(1):186. Bevers MSAM, Daniels AM, van Rietbergen B, Geusens PPMM, van Kuijk SMJ, Sassen S,
Kaarsemaker S, Hannemann PFW, Poeze M, Janzing HMJ, van den Bergh JP, Wyers CE. Assessment of the healing of conservativelytreated scaphoid fractures using HR-pQCT. Bone. 2021 Aug 26:116161. [Online ahead of print] Driessen JHM, van Dort MJ, Romme EAPM, Wouters EFM, Smeenk FWJM, van Rietbergen B, van den Bergh JPW, Geusens P. Associations between bone attenuation and prevalent vertebral fractures on chest CT scans differ with vertebral fracture locations. Osteoporos Int. 2021 Sep;32(9):1869-77. Ariës MJH, van den Bergh JP, Beudel M, Boersma W, Dormans T, Douma RA, Eerens A, Elbers PWG, Fleuren LM, Gritters van den Oever NC, de Haan L, van der Horst IJCC, Hu S, Hubers D, Janssen MLF, de Kruif M, Kubben PL, van Kuijk SMJ, Noordzij PG, Ottenhoff M, Piña-Fuentes DAI, Potters WV, Reidinga AC, Renckens RSC, Rigter S, Rusch D, Schinkel M, Sigaloff KCE, Simsek S, Stassen P, Stassen R, Thomas RM, van Wingen GA, Vonk Noordegraaf A, Welling M, Wiersinga WJ, Wolvers MDJ, Wyers CE. Klinisch beloop van covid-19 in Nederland: Een overzicht van 2607 ziekenhuispatiënten uit de eerste golf. Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 Jan 11;165:D5085. Peeters JJM, van den Berg P, van den Bergh JP, Emmelot-Vonk MH, de Klerk G, Lems WF, Winter EM, Zillikens MC, Appelman-Dijkstra NM. Osteoporosis care during the COVID-19 pandemic in the Netherlands: A national survey. Arch Osteoporos. 2021 Jan 7;16(1):11. Li N, Cornelissen D, Silverman S, Pinto D, Si L, Kremer I, Bours S, de Bot R, Boonen A, Evers S, van den Bergh J, Reginster JY, Hiligsmann M. An updated systematic review of cost-effectiveness analyses of drugs for osteoporosis. Pharmacoeconomics. 2021 Feb;39(2):181-209. Chatterjee A, Wu G, Primakov S, Oberije C, Woodruff H, Kubben P, Henry R, Aries MJH, Beudel M, Noordzij PG, Dormans T, Gritters van den Oever NC, van den Bergh JP, Wyers CE, Simsek S, Douma R, Reidinga AC, de Kruif MD, Guiot J, Frix AN, Louis R, Moutschen M, Lovinfosse P, Lambin P. Can predicting COVID-19 mortality in a European cohort using only demographic and comorbidity data surpass age-based prediction: An externally validated study. PLoS One. 2021 Apr 15;16(4):e0249920. eCollection 2021.
Blomaard LC, van der Linden CMJ, van der Bol JM, Jansen SWM, Polinder-Bos HA, Willems HC, Festen J, Barten DG, Borgers AJ, Bos JC, van den Bos F, de Brouwer EJM, van Deudekom FJA, van Dijk SC, EmmelotVonk MH, Geels RES, van de Glind EMM, de Groot B, Hempenius L, Kamper AM, Kampschreur LM, de Koning MMM, Labots G, Looman R, Lucke JA, Maas HAAM, MattaceRaso FUS, El Moussaoui R, van Munster BC, van Nieuwkoop K, Oosterwijk LB, Regtuijt ME, Robben SHM, Ruiter R, Salarbaks AM, Schouten HJ, Smit OM, Smits RAL, Spies PE, Vreeswijk R, de Vries OJ, Wijngaarden MA, Wyers CE, Mooijaart SP. Frailty is associated with in-hospital mortality in older hospitalised COVID-19 patients in the Netherlands: the COVID-OLD study. Age Ageing. 2021 May 5;50(3):631-40. Chatterjee A, Wu G, Primakov S, Oberije C, Woodruff H, Kubben P, Henry R, Aries MJH, Beudel M, Noordzij PG, Dormans T, Gritters van den Oever NC, van den Bergh JP, Wyers CE, Simsek S, Douma R, Reidinga AC, de Kruif MD, Guiot J, Frix AN, Louis R, Moutschen M, Lovinfosse P, Lambin P. Can predicting COVID-19 mortality in a European cohort using only demographic and comorbidity data surpass age-based prediction: An externally validated study. PLoS One. 2021 Apr 15;16(4):e0249920. eCollection 2021. van Rensen IHT, Hensgens KRC, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, van Kampenvan den Boogaart VEM, Mehagnoul-Schipper JDJ, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Early detection of hospitalized patients with COVID-19 at high risk of clinical deterioration: Utility of emergency department shock index. Am J Emerg Med. 2021 May 21;49:76-9. [Online ahead of print] Mys K, Varga P, Stockmans F, Gueorguiev B, Neumann V, Vanovermeire O, Wyers CE, van den Bergh JPW, van Lenthe GH. Highresolution cone-beam computed tomography is a fast and promising technique to quantify bone microstructure and mechanics of the distal radius. Calcif Tissue Int. 2021 Mar;108(3):314-23. Westgeest HM, Kuppen MCP, van den Eertwegh FAJM, van Oort IM, Coenen JLLM, van Moorselaar JRJA, Aben KKH, Bergman AM, Huinink DTB, van den Bosch J, Hendriks MP, Lampe MI, Lavalaye J, Mehra N, Smilde TJ, Somford RDM, Tick L, Weijl NI, van de Wouw YAJ, Gerritsen WR,
Groot CAU. High-intensity care in the endof-life phase of castration-resistant prostate cancer patients: results from the Dutch CAPRI-registry. J Palliat Med. 2021 Aug 19. [Online ahead of print] van den Bergh JP, Szulc P, Cheung AM, Bouxsein M, Engelke K, Chapurlat R. The clinical application of high-resolution peripheral computed tomography (HR-pQCT) in adults: state of the art and future directions. Osteoporos Int. 2021 Aug;32(8):1465-85. Li N, Hiligsmann M, Boonen A, van Oostwaard MM, de Bot RTAL, Wyers CE, Bours SPG, van den Bergh JP. The impact of fracture liaison services on subsequent fractures and mortality: a systematic literature review and meta-analysis. Osteoporos Int. 2021 Aug;32(8):1517-30. Hensgens KRC, van Rensen IHT, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Sort and sieve: pre-triage screening of patients with suspected COVID-19 in the emergency department. Int J Environ Res Public Health. 2021 Sep 2;18(17):9271. Røikjer J, Werkman NCC, Ejskjaer N, van den Bergh JPW, Vestergaard P, Schaper NC, Jensen MH, Klungel O, de Vries F, Nielen JTH, Driessen JHM. Incidence, hospitalization and mortality and their changes over time in people with a first ever diabetic foot ulcer. Diabet Med. 2021 Oct 17:e14725. [Online ahead of print] Mys K, Stockmans F, Gueorguiev B, Wyers CE, van den Bergh JPW, Harry van Lenthe G, Varga P. Adaptive local thresholding can enhance the accuracy of HR-pQCT-based trabecular bone morphology assessment. Bone. 2021 Oct 8:116225. [Online ahead of print] Heyer FL, de Jong JJA, Willems PC, Arts JJ, Bours SGP, van Kuijk SMJ, Bons JAP, Poeze M, Geusens PP, van Rietbergen B, van den Bergh JP. The effect of bolus vitamin D3 supplementation on distal radius fracture healing: a randomized controlled trial using HR-pQCT. J Bone Miner Res. 2021 Aug;36(8):1492-501. Meijer L, Verhoeven RHA, de Hingh IHJT, van de Wouw AJ, van Laarhoven HWM, Lemmens VEPP, Loef C. Extensive diagnostic work-up for patients with carcinoma of unknown primary. Clin Exp Metastasis.
2021 Apr;38(2):231-8. Wensink GE, Elferink MAG, May AM, Mol L, Hamers PAH, Bakker SD, Creemers GJ, de Groot JWB, de Klerk GJ, Haberkorn BCM, Haringhuizen AW, Hoekstra R, Hunting JCB, Kerver ED, Mathijssen-van Stein D, Polée MB, Pruijt JFM, Quarles van UffordMannesse P, Radema S, Rietbroek RC, Simkens LHJ, Tanis BC, Ten Bokkel Huinink D, Tjin-A-Ton MLR, Tromp-van Driel CS, Troost MM, van de Wouw AJ, van den Berkmortel FWPJ, van der Pas AJM, van der Velden AMT, van Dijk MA, van Dodewaardde Jong JM, van Druten EB, van Voorthuizen T, Jan Veldhuis G, Verheul HMW, Vestjens HJHMJ, Vincent J, Kranenburg OW, Punt CJA, Vink GR, Roodhart JML, Koopman M. Survival of patients with deficient mismatch repair metastatic colorectal cancer in the pre-immunotherapy era. Br J Cancer. 2021 Jan;124(2):399-406. Lugtenberg RT, de Groot S, Kaptein AA, Fischer MJ, Kranenbarg EM, Carpentier MD, Cohen D, de Graaf H, Heijns JB, Portielje JEA, van de Wouw AJ, Imholz ALT, Kessels LW, Vrijaldenhoven S, Baars A, Fiocco M, van der Hoeven JJM, Gelderblom H, Longo VD, Pijl H, Kroep JR; Dutch Breast Cancer Research Group (BOOG). Quality of life and illness perceptions in patients with breast cancer using a fasting mimicking diet as an adjunct to neoadjuvant chemotherapy in the phase 2 DIRECT (BOOG 2013-14) trial. Breast Cancer Res Treat. 2021 Feb;185(3):741-58. Rasmussen NH, Sarodnik C, Bours SPG, Schaper NC, Souverein PC, Jensen MH, Driessen JHM, van den Bergh JPW, Vestergaard P. The pattern of incident fractures according to fracture site in people with T1D. Osteoporos Int. 2021 Oct 7. [Online ahead of print] Stege CAM, Nasserinejad K, Klein SK, Timmers GJ, Hoogendoorn M, Ypma PF, Nijhof IS, Velders GA, Strobbe L, Durdu-Rayman N, Westerman M, Davidis-van Schoonhoven MA, van Kampen RJW, Beeker A, Koster A, Dijk AC, van de Donk NWCJ, van der Spek E, Leys RBL, Silbermann MH, Groen K, van der Burg-de Graauw NCHP, Sinnige HAM, van der Hem KG, Levenga H, Bilgin YM, Sonneveld P, Levin MD, Zweegman S. Improving the identification of frail elderly newly diagnosed multiple myeloma patients. Leukemia. 2021 Sep;35(9):2715-9.
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
45
Publicatielijst
Peters EJG, Collard D, Van Assen S, Beudel M, Bomers MK, Buijs J, De Haan LR, De Ruijter W, Douma RA, Elbers PWG, Goorhuis A, Gritters van den Oever NC, Knarren GHH, Moeniralam HS, Mostard RLM, Quanjel MJR, Reidinga AC, Renckens R, Van Den Bergh JPW, Vlasveld IN, Sikkens JJ; CovidPredict Study Group. Outcomes of persons with COVID-19 in hospitals with and without standard treatment with (Hydroxy)chloroquine. Clin Microbiol Infect. 2021 Feb;27(2):264-8.
for severe SARS-CoV-2 infection. Nat Commun. 2021 May 27;12(1):3189.
Notten P, de Smet AAEA, Tick LW, van de Poel MHW, Wikkeling ORM, Vleming LJ, Koster A, Jie KG, Jacobs EMG, Ebben HP, Coppens M, Ten Cate H, Wittens CHA, Ten Cate-Hoek AJ. CAVA (ultrasound-accelerated catheter-directed thrombolysis on preventing post-thrombotic syndrome) trial: long-term follow-up results. J Am Heart Assoc. 2021 Jun;10(11):e018973.
Schneider PP, Ramaekers BL, Pouwels X, Geurts S, Ibragimova K, de Boer M, Vriens B, van de Wouw Y, den Boer M, Pepels M, Tjan-Heijnen V, Joore M. Direct medical costs of advanced breast cancer treatment: a real-world study in the southeast of the Netherlands. Value Health. 2021 May;24(5):668-75.
Houghton R, van den Bergh J, Law K, Liu Y, de Vries F. Risperidone versus aripiprazole fracture risk in children and adolescents with autism spectrum disorders. Autism Res. 2021 Aug;14(8):1800-14. Bessems SAM, Konsten JLM, Vogelaar FJ, Csepán-Magyar R, Maas HAAM, van de Wouw AJ, Janssen-Heijnen MLG. Frailty screening by Geriatric-8 and 4-meter gait speed test is feasible and predicts postoperative complications in elderly colorectal cancer patients. J Geriatric Oncol. 2021 May;12(4):592-8. Berkvens JJL, Wyers CE, Mergler S, Beerhorst K, Verschuure P, Tan IY, Majoie HJM, van den Bergh JPW. Incidence of clinical fractures: A 7-year follow-up study in institutionalized adults with epilepsy and intellectual disability. Seizure. 2021 Aug 18. [Online ahead of print] Gharbharan A, Jordans CCE, GeurtsvanKessel C, den Hollander JG, Karim F, Mollema FPN, StalenhoefSchukken JE, Dofferhoff A, Ludwig I, Koster A, Hassing RJ, Bos JC, van Pottelberge GR, Vlasveld IN, Ammerlaan HSM, van Leeuwen-Segarceanu EM, Miedema J, van der Eerden M, Schrama TJ, Papageorgiou G, Te Boekhorst P, Swaneveld FH, Mueller YM, Schreurs MWJ, van Kampen JJA, Rockx B, Okba NMA, Katsikis PD, Koopmans MPG, Haagmans BL, Rokx C, Rijnders BJA. Effects of potent neutralizing antibodies from convalescent plasma in patients hospitalized
46
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Beukers K, Bessems SAM, van de Wouw AJ, van den Berkmortel FWPJ, Belgers HJ, Konsten JLM, Sipers WMWH, Janssen-Heijnen MLG. Associations between the Geriatric-8 and 4-meter gait speed test and subsequent delivery of adjuvant chemotherapy in older patients with colon cancer. J Geriatric Oncol. 2021 May 15. [Online ahead of print]
Kuppen MCP, Westgeest HM, van den Eertwegh AJM, van Moorselaar RJA, van Oort IM, Coenen JLLM, van den Bergh ACMF, Mehra N, Somford DM, Bergman AM, Ten Bokkel Huinink D, Fossion L, Geenen MM, Hendriks MP, van de Luijtgaarden ACM, Polee MB, Weijl NI, van de Wouw AJ, de Wit R, Uyl-de Groot CA, Gerritsen WR. Real-world outcomes of sequential androgen-receptor targeting therapies with or without interposed life-prolonging drugs in metastatic castration-resistant prostate cancer: results from the Dutch castrationresistant prostate cancer registry. Eur Urol Oncol. 2021 Aug;4(4):618-27. Mys K, Varga P, Stockmans F, Gueorguiev B, Wyers CE, van den Bergh JPW, van Lenthe GH. Quantification of 3D microstructural parameters of trabecular bone is affected by the analysis software. Bone. 2021 Jan;142:115653. Botman E, Bevers MSAM, Wyers CE, van Rietbergen B, Teunissen BP, Raijmakers PG, Netelenbos JC, van den Bergh JP, Eekhoff EMW. Microarchitecture of heterotopic ossification in fibrodysplasia ossificans progressiva: An HR-pQCT case series. Front Cell Dev Biol. 2021 Mar 11;9:627784. eCollection 2021. Bevers MSAM, Wyers CE, Daniels AM, Audenaert EA, van Kuijk SMJ, van Rietbergen B, Geusens PPMM, Kaarsemaker S, Janzing HMJ, Hannemann PFW, Poeze M, van den Bergh JP. Association between bone shape and the presence of a fracture in patients
with a clinically suspected scaphoid fracture. J Biomech. 2021 Aug 30;128:110726. [Online ahead of print] Abtahi S, Driessen JHM, Burden AM, Souverein PC, van den Bergh JP, van Staa TP, Boonen A, de Vries F. Low-dose oral glucocorticoid therapy and risk of osteoporotic fractures in patients with rheumatoid arthritis: a cohort study using the Clinical Practice Research Datalink Rheumatology (Oxford). 2021 Jul 13. [Online ahead of print] Botman E, Bevers MSAM, Wyers CE, van Rietbergen B, Teunissen BP, Raijmakers PG, Netelenbos JC, van den Bergh JP, Eekhoff EMW. Microarchitecture of heterotopic ossification in fibrodysplasia ossificans progressiva: An HR-pQCT case series. Front Cell Dev Biol. 2021 Mar 11;9:627784. eCollection 2021. Sánchez E, Schilling C, Grupp TM, Giurea A, Wyers C, van den Bergh J, Verdonschot N, Janssen D. The effect of different interference fits on the primary fixation of a cementless femoral component during experimental testing. J Mech Behav Biomed Mater. 2021 Jan;113:104189. Bevers MSAM, Wyers CE, Daniels AM, Audenaert EA, van Kuijk SMJ, van Rietbergen B, Geusens PPMM, Kaarsemaker S, Janzing HMJ, Hannemann PFW, Poeze M, van den Bergh JP. Association between bone shape and the presence of a fracture in patients with a clinically suspected scaphoid fracture. J Biomech. 2021 Aug 30;128:110726. [Online ahead of print] Kindergeneeskunde Wieland BV, Leijten A, van der Heijden HHACM, van de Laar R, Ten Brink F, Alers NO. Onbegrepen cyanose bij twee neonaten. Ned Tijdschr Geneeskd. 2021 Jul 1;165:D5391. Rovers JFJ, Thomissen IJC, Janssen LCE, Lingius S, Wieland BV, Dieleman JP, Niemarkt HJ, van Runnard Heimel PJ. The relationship between antenatal indomethacin as a tocolytic drug and neonatal outcomes: a retrospective cohort study. J Matern Fetal Neonatal Med. 2021 Sep;34(18):2945-51.
KLINISCHE CHEMIE Weigelin B, den Boer AT, Wagena E, Broen K, Dolstra H, de Boer RJ, Figdor CG, Textor J,
Friedl P. Cytotoxic T cells are able to efficiently eliminate cancer cells by additive cytotoxicity. Nat Commun. 2021 Sep 1;12(1):5217. Klinische farmacie Safipour Z, van der Zanden R, van den Bergh J, Janssen P, Vestergaard P, de Vries F, Driessen JHM. The use of oral glucocorticoids and the risk of major osteoporotic fracture in patients with myasthenia gravis. Osteoporos Int. 2021 Oct 3. [Online ahead of print]
for elective abdominal cancer surgery? Eur J Surg Oncol. 2021 Sep 4. [Online ahead of print]
Jaspers T, Shudofsky K, Huisman MV, Meijer K, Khorsand N. A meta-analysis of andexanet alfa and prothrombin complex concentrate in the treatment of factor Xa inhibitor-related major bleeding. Res Pract Thromb Haemost. 2021 May 24;5(4):e12518. eCollection 2021 May.
KNO
Hoebregts VMG, Foudraine N, Janssen PKC, le Noble JLML. Iatrogenic topiramate poisoning in an ICU patient: Focus on topiramate peak time prolongation. Int J Clin Pharmacol Ther. 2021 Oct 8. [Online ahead of print] Höhle D, van Rooij K, Bloemers J, Pfaus JG, Michiels F, Janssen P, Claassen E, Tuiten A. A survival of the fittest strategy for the selection of genotypes by which drug responders and non-responders can be predicted in small groups. PLoS One. 2021 Mar 5;16(3):e0246828. eCollection 2021.
KLINISCHE FYSICA Houwen F, Stemkens J, de Schipper PJ, van der Wouw P, Heitink M, van Langen H. Estimates for assessment of lymphedema: Reliability and validity of extremity measurements. Lymphat Res Biol. 2021 Mar 22. [Online ahead of print]
Voorn MJJ, Franssen RFW, Verlinden JMWF, Bootsma GP, de Ruysscher DK, Bongers BC, Janssen-Heijnen MLG. Associations between pretreatment physical performance tests and treatment complications in patients with non-small cell lung cancer: a systematic review. Crit Rev Oncol Hematol. 2021 Feb 1;158:103207.
Franssen RFW, Janssen-Heijnen MLG, Barberan-Garcia A, Vogelaar FJ, Van Meeteren NLU, Bongers BC. Moderate-intensity exercise training or high-intensity interval training to improve aerobic fitness during exercise prehabilitation in patients planned
Botman E, Bevers MSAM, Wyers CE, van Rietbergen B, Teunissen BP, Raijmakers PG, Netelenbos JC, van den Bergh JP, Eekhoff EMW. Microarchitecture of heterotopic ossification in fibrodysplasia ossificans progressiva: An HR-pQCT case series. Front Cell Dev Biol. 2021 Mar 11;9:627784. eCollection 2021.
LONGGENEESKUNDE Vaidyanathan A, van der Lubbe MFJA, Leijenaar RTH, van Hoof M, Zerka F, Miraglio B, Primakov S, Postma AA, Bruintjes TD, Bilderbeek MAL, Sebastiaan H, Dammeijer PFM, van Rompaey V, Woodruff HC, Vos W, Walsh S, van de Berg R, Lambin P. Deep learning for the fully automated segmentation of the inner ear on MRI. Sci Rep. 2021 Feb 3;11(1):2885.
LEERHUIS Bevers MSAM, Daniels AM, van Rietbergen B, Geusens PPMM, van Kuijk SMJ, Sassen S, Kaarsemaker S, Hannemann PFW, Poeze M, Janzing HMJ, van den Bergh JP, Wyers CE. Assessment of the healing of conservatively-treated scaphoid fractures using HRpQCT. Bone. 2021 Aug 26:116161. [Online ahead of print] Voorn MJJ, Aerts LPA, Bootsma GP, Bezuidenhout JB, van Kampen-van den Boogaart VEM, Bongers BC, de Ruysscher DK, Janssen-Heijnen MLG. Associations of pretreatment physical status parameters with tolerance of concurrent chemoradiation and survival in patients with nonsmall cell lung cancer. Lung. 2021 Apr;199(2):223-34.
KLINISCHE FYSIOTHERAPIE Franssen RFW, Strous MTA, Bongers BC, Vogelaar FJ, Janssen-Heijnen MLG. The association between treatment interval and survival in patients with colon or rectal cancer: a systematic review. World J Surg. 2021 Sep;45(9):2924-37.
and the presence of a fracture in patients with a clinically suspected scaphoid fracture. J Biomech. 2021 Aug 30;128:110726. [Online ahead of print]
Voorn MJJ, Franssen RFW, Verlinden JMWF, Bootsma GP, de Ruysscher DK, Bongers BC, Janssen-Heijnen MLG. Associations between pretreatment physical performance tests and treatment complications in patients with non-small cell lung cancer: a systematic review. Crit Rev Oncol Hematol. 2021 Feb 1;158:103207.
Janssen J, Kamps MJA, Joosten TMB, Barten DG. Spontaneous pneumomediastinum in a male adult with COVID-19 pneumonia. Am J Emerg Med. 2021 Feb;40:228.e3-228.e5. van Rensen IHT, Hensgens KRC, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, van Kampenvan den Boogaart VEM, Mehagnoul-Schipper JDJ, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Early detection of hospitalized patients with COVID-19 at high risk of clinical deterioration: Utility of emergency department shock index. Am J Emerg Med. 2021 May 21;49:76-9. [Online ahead of print] Voorn MJJ, Aerts LPA, Bootsma GP, Bezuidenhout JB, van Kampen-van den Boogaart VEM, Bongers BC, de Ruysscher DK, Janssen-Heijnen MLG. Associations of pretreatment physical status parameters with tolerance of concurrent chemoradiation and survival in patients with nonsmall cell lung cancer. Lung. 2021 Apr;199(2):223-34.
MDL van Roekel EH, Bours MJL, van Delden L, Breukink SO, Aquarius M, Keulen ETP, Gicquiau A, Viallon V, Rinaldi S, Vineis P, Arts ICW, Gunter MJ, Leitzmann MF, Scalbert A, Weijenberg MP Longitudinal associations of physical activity with plasma metabolites among colorectal cancer survivors up to 2 years after treatment. Sci Rep. 2021 Jul 2;11(1):13738.
Bevers MSAM, Wyers CE, Daniels AM, Audenaert EA, van Kuijk SMJ, van Rietbergen B, Geusens PPMM, Kaarsemaker S, Janzing HMJ, Hannemann PFW, Poeze M, van den Bergh JP. Association between bone shape
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
47
Publicatielijst
de Jong JJ, Lantinga MA, Tan ACITL, Aquarius M, Scheffer RCH, Uil JJ, de Reuver PR, Keszthelyi D, Westert GP, Masclee AAM, Drenth JPH. Web-based educational intervention for patients with uninvestigated dyspepsia referred for upper gastrointestinal tract endoscopy: a randomized clinical trial. JAMA Intern Med. 2021 Jun 1;181(6):825-33. Janssen L, Romberg-Camps M, van Bodegraven A, Haans J, Aquarius M, Boekema P, Munnecom T, Brandts L, Joore M, Masclee A, Jonkers D, Pierik M. Control Crohn Safe with episodic adalimumab monotherapy as first-line treatment study (CoCroS): study protocol for a randomised controlled trial. BMJ Open. 2021 May 4;11(5):e042885.
MEDISCHE PSYCHOLOGIE Domensino AF, Verberne D, Prince L, Fish J, Winegardner J, Bateman A, Wilson B, Ponds R, van Heugten C. Client experiences with holistic neuropsychological rehabilitation: „It is an ongoing process”. Neuropsychol Rehabil. 2021 Oct 1:1-23. [Online ahead of print] Roor JJ, Dandachi-FitzGerald B, Peters MJV, Knoop H, Ponds RWHM. Performance validity and outcome of cognitive behavior therapy in patients with chronic fatigue syndrome. J Int Neuropsychol Soc. 2021 Jun 16:1-10. [Online ahead of print] van Diemen T, Verberne DPJ, Koomen PSJ, Bongers-Janssen HMH, van Nes IJW. Interdisciplinary follow-up clinic for people with spinal cord injury: a retrospective study of a carousel model. Spinal Cord Ser Cases. 2021 Sep 27;7(1):86.
MKA-CHIRURGIE Baan F, Sabelis JF, Schreurs R, van de Steeg G, Xi T, van Riet TCT, Becking AG, Maal TJJ. Validation of the OrthoGnathicAnalyser 2.0-3D accuracy assessment tool for biaxillary surgery and genioplasty. PLoS One. 2021 Jan 26;16(1):e0246196. Brands M, Verbeek A, Geurts S, Merkx T. Follow-up after oral cancer treatment transition to a personalised approach. J Oral Pathol Med. 2021 May;50(5):429-34. Wesselius TS, Meulstee JW, Luijten G, Xi T, Maal TJJ, Ulrich DJO. Holographic augmented reality for DIEP flap harvest. Plast Reconstr Surg. 2021 Jan 1;147(1):25e-29e.
48
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Baan F, van Meggelen EM, Verhulst AC, Bruggink R, Xi T, Maal TJJ. Virtual occlusion in orthognathic surgery. Int J Oral Maxillofac Surg. 2021 Sep;50(9):1219-25. van Bergen MM, Deferm JT, Borstlap WA, Scheffer GJ, Vaneker M. Tevredenheid van mka-chirurgen over gebruik procedurele sedatie in de kliniek. Ned Tijdschr Tandheelkd. 2021 Jan 8;128(1):47-57.
Olde Dubbelink TBG, De Kleermaeker FGCM, Beekman R, Wijntjes J, Bartels RHMA, Meulstee J, Verhagen WIM. Wrist circumference-dependent upper limit of normal for the cross-sectional area is superior over a fixed cut-off value in confirming the clinical diagnosis of carpal tunnel syndrome. Front Neurol. 2021 Feb 5;12:625565. eCollection 2021.
OOGHEELKUNDE Noverraz S, Noverraz Y, Xi T, Schols J. Influence of surgically assisted rapid maxillary expansion on the interdental papilla height of maxillary central incisors. J Orofac Orthop. 2021 Jan 28. [Online ahead of print]
NEUROCHIRURGIE Vanderheijden C, Vaessen T, Yakkioui Y, Temel Y, Hoogland G, Hovinga K. Genes predicting survival of chordoma patients. World Neurosurg. 2021 Sep 13. [Online ahead of print] Verduin M, Primakov S, Compter I, Woodruff HC, van Kuijk SMJ, Ramaekers BLT, te Dorsthorst M, Revenich EGM, ter Laan M, Pegge SAH, Meijer FJA, Beckervordersandforth J, Speel EJ, Kusters B, de Leng WWJ, Anten MM, Broen MPG, Ackermans L, Schijns OEMG, Teernstra O, Hovinga K, Vooijs MA, Tjan-Heijnen VCG, Eekers DBP, Postma AA, Lambin P, Hoeben A. Prognostic and predictive value of integrated qualitative and quantitative magnetic resonance imaging analysis in glioblastoma. Cancers (Basel). 2021 Feb 10;13(4):722. Caelers IJMH, de Kunder SL, Rijkers K, van Hemert WLW, de Bie RA, Evers SMAA, van Santbrink H. Comparison of (Partial) economic evaluations of transforaminal lumbar interbody fusion (TLIF) versus Posterior lumbar interbody fusion (PLIF) in adults with lumbar spondylolisthesis: A systematic review. PLoS One. 2021 Feb 11;16(2):e0245963. eCollection 2021.
NEUROLOGIE Damen PJJ, Bulthuis VJ, Hanssens PEJ, Lie ST, Fleischeuer R, Melotte V, Wouters KA, Ruland A, Beckervordersandforth J, Speel EJM. WHO grade I meningiomas that show regrowth after gamma knife radiosurgery often show 1p36 loss. Sci Rep. 2021 Aug 12;11(1):16432.
van Leeuwen R, Haarman AEG, van de Put MAJ, Klaver CCW, Los LI; Dutch Rhegmatogenous Retinal Detachment Study Group. Association of rhegmatogenous retinal detachment incidence with myopia prevalence in the Netherlands. JAMA Ophthalmol. 2021 Jan 1;139(1):85-92. Schreur V, Brouwers J, Van Huet RAC, Smeets S, Phan M, Hoyng CB, de Jong EK, Klevering BJ. Long-term outcomes of vitrectomy for proliferative diabetic retinopathy. Acta Ophthalmol. 2021 Feb;99(1):83-9.
ORTHOPEDIE Janssen ERC, Osong B, van Soest J, Dekker A, van Meeteren NLU, Willems PC, Punt IM. Exploring associations of preoperative physical performance with postoperative outcomes after lumbar spinal fusion: a machine learning approach. Arch Phys Med Rehabil. 2021 Jul;102(7):1324-1330.e3. Theelen LMA, Mory B, Venkatesan S, Spekenbrink-Spooren A, Janssen L, Lambers Heerspink FO. Stem retention and survival in revision of anatomical convertible shoulder arthroplasty to reverse arthroplasty: a Dutch registry study. BMC Musculoskelet Disord. 2021 Apr 28;22(1):396. Bevers MSAM, Daniels AM, van Rietbergen B, Geusens PPMM, van Kuijk SMJ, Sassen S, Kaarsemaker S, Hannemann PFW, Poeze M, Janzing HMJ, van den Bergh JP, Wyers CE. Assessment of the healing of conservatively-treated scaphoid fractures using HRpQCT. Bone. 2021 Aug 26:116161. [Online ahead of print] Janssen ERC, Punt IM, Clemens MJ, Staal BJ, Hoogeboom TJ, Willems PC. Current prehabilitation programs do not improve the postoperative outcomes of patients scheduled for lumbar spine surgery: a systematic review with meta-analysis. J Orthop Sports Phys Ther. 2021 Mar;51(3):103-14.
Leenders AM, Kort NP, Koenraadt KLM, van Geenen RCI, Most J, Kerens B, Boonen B, Schotanus MGM. Patient-specific instruments do not show advantage over conventional instruments in unicompartmental knee arthroplasty at 2 year follow-up: a prospective, two-centre, randomised, double-blind, controlled trial. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc. 2021 Feb 11. [Online ahead of print] Thunnissen FM, Schreurs BW, Latenstein CSS, Meinders MJ, Adang EM, Elwyn G, Boersma D, Bosmans B, Bosscha K, Ginsel BL, Hazebroek EJ, Nieuwenhuis JJ, Staarink M, Verhallen D, Wagener ML, Atsma F, de Reuver PR. Evaluation of a shared decisionmaking strategy with online decision aids in surgical and orthopaedic practice: study protocol for the E-valuAID, a multicentre study with a stepped-wedge design. BMC Med Inform Decis Mak. 2021 Mar 29;21(1):110. Prestigiacomo FG, Hulsbosch MHHM, Bruls VEJ, Nieuwenhuis JJ. Intra- and interobserver reliability of Cobb angle measurements in patients with adolescent idiopathic scoliosis. Spine Deform. 2021 Aug 12. [Online ahead of print] Bevers MSAM, Wyers CE, Daniels AM, Audenaert EA, van Kuijk SMJ, van Rietbergen B, Geusens PPMM, Kaarsemaker S, Janzing HMJ, Hannemann PFW, Poeze M, van den Bergh JP. Association between bone shape and the presence of a fracture in patients with a clinically suspected scaphoid fracture. J Biomech. 2021 Aug 30;128:110726. [Online ahead of print]
PATHOLOGIE Joosen MEM, Schop SJ, Reinhoudt LL, van Kuijk SMJ, Beugels J, de Bruïne AP, Goudkade D, Heuts EM, van der Hulst RRWJ, de Grzymala AAP. The difference in local, regional and distant breast cancer recurrence between the immediate and delayed DIEP flap procedure; a retrospective cohort study. Breast Cancer Res Treat. 2021 Jul;188(2):389-98.
PLASTISCHE CHIRURGIE Giunta RE, Hansson E, Andresen C, Athanasopoulos E, Benedetto GD, Celebic AB, Caulfield R, Costa H, Demirdöver C, Georgescu A, Hemelryck TV, Henley M, Kappos EA, Karabeg R, Karhunen-Enckell U, Korvald C, Mortillet S, Murray DJ, Palencár
D, Piatkowski A, Pompeo FSD, Psaras G, Rakhorst H, Rogelj K, Rosenkrantz Hölmich L, Schaefer DJ, Spendel S, Stepic N, Vandevoort M, Vasar O, Waters R, Zic R, Moellhoff N, Elander A. ESPRAS survey on breast reconstruction in Europe. Handchir Mikrochir Plast Chir. 2021 Aug;53(4):340-8. Schop SJ, Joosen MEM, Wolswijk T, Heuts EM, van der Hulst RRWJ, Piatkowski de Grzymala AA. Quality of life after autologous fat transfer additional to prosthetic breast reconstruction in women after breast surgery: A systematic review. Eur J Surg Oncol. 2021 Apr;47(4):772-7. Radiologie Vanneste BGL, Van Limbergen EJ, Marcelissen TA, van Roermund JGH, Lutgens LC, Arnoldussen CWKP, Lambin P, Oelke M. Development of a management algorithm for acute and chronic radiation urethritis and cystitis. Urol Int. 2021 Jun 15:1-12. [Online ahead of print] Bevers MSAM, Daniels AM, van Rietbergen B, Geusens PPMM, van Kuijk SMJ, Sassen S, Kaarsemaker S, Hannemann PFW, Poeze M, Janzing HMJ, van den Bergh JP, Wyers CE. Assessment of the healing of conservatively-treated scaphoid fractures using HRpQCT. Bone. 2021 Aug 26:116161. [Online ahead of print] Vaidyanathan A, van der Lubbe MFJA, Leijenaar RTH, van Hoof M, Zerka F, Miraglio B, Primakov S, Postma AA, Bruintjes TD, Bilderbeek MAL, Sebastiaan H, Dammeijer PFM, van Rompaey V, Woodruff HC, Vos W, Walsh S, van de Berg R, Lambin P. Deep learning for the fully automated segmentation of the inner ear on MRI. Sci Rep. 2021 Feb 3;11(1):2885. Pardon HE, van Looveren R, Arnoldussen C, Janssen R. Amplatzer vascular plug embolization in two patients with ruptured infrarenal aortic aneurysm and aortoiliac occlusive disease. Ann Vasc Surg. 2021 Jan;70:568.e5-568.e11. Gerets JCWL, Kool M, Simons PCG, Aarts F, Vogelaar FJ. Prevalence of underlying malignancies in complex cysts of the breast. Breast Dis. 2021 Jun 28. [Online ahead of print]
REUMATOLOGIE Beckers E, Boonen A, Webers C, Ten Klooster P, Vonkeman H, Efdé M, van Tubergen A. Treat-to-target in axial spondy-
loarthritis: an observational study in daily practice. Rheumatology (Oxford). 2021 Jun 27. [Online ahead of print] Te Kampe R, Janssen M, van Durme C, Jansen TL, Boonen A. Sex differences in the clinical profile among patients with gout: cross-sectional analyses of an observational study. J Rheumatol. 2021 Feb;48(2):286-92. Jansen TL, Giesen T, Janssen M. A historical journey of searching for uricosuric drugs. Clin Rheumatol. 2021 Sep 28. [Online ahead of print] Te Kampe R, Jansen TL, van Durme C, Janssen M, Petersen G, Boonen A. Outcomes of care among patients with gout in Europe: a cross-sectional survey. J Rheumatol. 2021 Jun 15. [Online ahead of print] Jansen TLTA, Hotea I, le Noble JLML. Severe Covid-19 is a risk factor for gout even in hypouricaemic ICU patients. Sign of arousal of NLRP3 activation? EC Orthopaedics. 2021 Jun 8;12(7):33-8. Tedeschi SK, Pascart T, Latourte A, Godsave C, Kundakci B, Naden RP, Taylor WJ, Dalbeth N, Neogi T, Perez-Ruiz F, Rosenthal A, Becce F, Pascual E, Andres M, Bardin T, Doherty M, Ea HK, Filippou G, FitzGerald J, Guitierrez M, Iagnocco A, Jansen TL, Kohler MJ, Lioté F, Matza M, McCarthy GM, Ramonda R, Reginato AM, Richette P, Singh JA, Sivera F, So A, Stamp LK, Yinh J, Yokose C, Terkeltaub R, Choi H, Abhishek A. Identifying potential classification criteria for calcium pyrophosphate deposition disease (CPPD): Item generation and item reduction. Arthritis Care Res (Hoboken). 2021 May 10. [Online ahead of print]
SEH Schmitz D, Vos M, Stolmeijer R, Lameijer H, Schönberger T, Gaakeer MI, de Groot B, Eikendal T, Wansink L,Ter Avest E. (Collaborator: Barten DG) Association between personal protective equipment and SARSCoV-2 infection risk in emergency department healthcare workers. Eur J Emerg Med. 2021 Jun 1;28(3):202-9. Hensgens KRC, van Rensen IHT, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Sort and sieve: pre-triage screening of patients with suspected COVID-19 in the emergency department. Int J Environ Res Public Health. 2021 Sep 2;18(17):9271.
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
49
Publicatielijst
Hesselink G, Straten L, Gallée L, Brants A, Holkenborg J, Barten DG, Schoon Y. Holding the frontline: a cross-sectional survey of emergency department staff well-being and psychological distress in the course of the COVID-19 outbreak. BMC Health Serv Res. 2021 May 29;21(1):525. Janssen J, Kamps MJA, Joosten TMB, Barten DG. Spontaneous pneumomediastinum in a male adult with COVID-19 pneumonia. Am J Emerg Med. 2021 Feb;40:228.e3-228.e5. Barten DG, Klokman VW, Cleef S, Peters NALR, Tan ECTH, Boin A. When disasters strike the emergency department: a case series and narrative review. Int J Emerg Med. 2021 Sep 9;14(1):49. Blomaard LC, van der Linden CMJ, van der Bol JM, Jansen SWM, Polinder-Bos HA, Willems HC, Festen J, Barten DG, Borgers AJ, Bos JC, van den Bos F, de Brouwer EJM, van Deudekom FJA, van Dijk SC, EmmelotVonk MH, Geels RES, van de Glind EMM, de Groot B, Hempenius L, Kamper AM, Kampschreur LM, de Koning MMM, Labots G, Looman R, Lucke JA, Maas HAAM, MattaceRaso FUS, El Moussaoui R, van Munster BC, van Nieuwkoop K, Oosterwijk LB, Regtuijt ME, Robben SHM, Ruiter R, Salarbaks AM, Schouten HJ, Smit OM, Smits RAL, Spies PE, Vreeswijk R, de Vries OJ, Wijngaarden MA, Wyers CE, Mooijaart SP. Frailty is associated with in-hospital mortality in older hospitalised COVID-19 patients in the Netherlands: the COVID-OLD study. Age Ageing. 2021 May 5;50(3):631-40. van Rensen IHT, Hensgens KRC, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, van Kampenvan den Boogaart VEM, Mehagnoul-Schipper JDJ, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Early detection of hospitalized patients with COVID-19 at high risk of clinical deterioration: Utility of emergency department shock index. Am J Emerg Med. 2021 May 21;49:76-9. [Online ahead of print] Barten DG, Klokman VW, Boin A Emergency department preparedness for internal hospital crises and disasters: should we do better? Eur J Emerg Med. 2021 Aug 26. [Online ahead of print] O’Connor RD, Barten DG, Latten GHP. Preparations of Dutch emergency departments for the COVID-19 pandemic: A questionnaire-based study. PLoS One. 2021 Sep 10;16(9):e256982. eCollection 2021.
50
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
Klokman VW, Barten DG, Peters NALR, Versteegen MGJ, Wijnands JJJ, van Osch FHM, Gaakeer MI, Tan ECTH, Boin A. A scoping review of internal hospital crises and disasters in the Netherlands, 20002020. PLoS One. 2021 Apr 26;16(4):e0250551. eCollection 2021. Verberne DPJ, Ponds RWHM, Kroese MEAL, Wijenberg MLM, Barten DG, Pasmans R, Staals J, van Heugten CM. Long-term psychosocial outcome following mild traumatic brain injury and minor stroke: a direct longitudinal comparison. J Neurol. 2021 Jun;268(6):2132-40. Chen R, Verbeek JFM, Yang Y, Song Z, Sun Y, Roobol MJ. Comparing the prediction of prostate biopsy outcome using the Chinese Prostate Cancer Consortium (cpcc) risk calculator and the Asian adapted Rotterdam European Randomized Study of Screening for Prostate Cancer (erspc) risk calculator in Chinese and European men. World J Urol. 2021 Jan;39(1):73-80. Dirks NPM, Mestrom M, van der Lugt M, van Osch F, Peters NALR, Elshof JM, Barten DG. Utility of Shock Index for suspected rupture of abdominal aortic aneurysms. Prehosp Emerg Care. 2021 JulAug;25(4):496-503.
VAATCHIRURGIE Mulay S, Geraedts ACM, Koelemay MJW, Balm R; ODYSSEUS study group (collaborator: Elshof JW). Type 2 endoleak with or without intervention and survival after endovascular aneurysm repair. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2021 May;61(5):779-86. Dirks NPM, Mestrom M, van der Lugt M, van Osch F, Peters NALR, Elshof JM, Barten DG. Utility of Shock Index for suspected rupture of abdominal aortic aneurysms. Prehosp Emerg Care. 2021 JulAug;25(4):496-503. Pardon HE, van Looveren R, Arnoldussen C, Janssen R. Amplatzer vascular plug embolization in two patients with ruptured infrarenal aortic aneurysm and aortoiliac occlusive disease. Ann Vasc Surg. 2021 Jan;70:568.e5-568.e11.
WETENSCHAPSBUREAU Foudraine NA, Algargoush A, van Osch FH, Bos AT. A multimodal sevoflurane-based se-
dation regimen in combination with targeted temperature management in postcardiac arrest patients reduces the incidence of delirium: an observational propensity score-matched study. Resuscitation. 2021 Feb;159:158-64. van Barneveld E, Manders J, van Osch FHM, van Poll M, Visser L, van Hanegem N, Lim AC, Bongers MY, Leue C. Depression, anxiety, and correlating factors in endometriosis: a systematic review and meta-analysis. J Womens Health (Larchmt). 2021 Jun 2. [Online ahead of print] Pilleron S, Gower H, Janssen-Heijnen M, Signal VC, Gurney JK, Morris EJ, Cunningham R, Sarfati D. Patterns of age disparities in colon and lung cancer survival: a systematic narrative literature review. BMJ Open. 2021 Mar 10;11(3):e044239. van Rensen IHT, Hensgens KRC, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, van Kampenvan den Boogaart VEM, Mehagnoul-Schipper JDJ, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Early detection of hospitalized patients with COVID-19 at high risk of clinical deterioration: Utility of emergency department shock index. Am J Emerg Med. 2021 May 21;49:76-9. [Online ahead of print] Koole JL, Bours MJL, Geijsen AJMR, Gigic B, Ulvik A, Kok DE, Brezina S, Ose J, Baierl A, Böhm J, Brenner H, Breukink SO, ChangClaude J, van Duijnhoven FJB, van Duijvendijk P, Gumpenberger T, Habermann N, van Halteren HK, Hoffmeister M, Holowatyj AN, Janssen-Heijnen MLG, Keulen ETP, Kiblawi R, Kruyt FM, Li CI, Lin T, Midttun ×, Peoples AR, van Roekel EH, Schneider MA, Schrotz-King P, Ulrich AB, Vickers K, Wesselink E, de Wilt JHW, Gsur A, Ueland PM, Ulrich CM, Kampman E, Weijenberg MP. Circulating B-vitamin biomarkers and B-vitamin supplement use in relation to quality of life in patients with colorectal cancer: results from the FOCUS consortium. Am J Clin Nutr. 2021 Jun 1;113(6):1468-81. van Zutphen M, Boshuizen HC, Kenkhuis MF, Wesselink E, Geijsen AJMR, de Wilt JHW, van Halteren HK, Spillenaar Bilgen EJ, Keulen ETP, Janssen-Heijnen MLG, Breukink SO, Bours MJL, Kok DE, Winkels RM, Weijenberg MP, Kampman E, van Duijnhoven FJB. Lifestyle after colorectal cancer diagnosis in relation to recurrence and allcause mortality. Am J Clin Nutr. 2021 Jun 1;113(6):1447-57.
Kenkhuis MF, van Roekel EH, Koole JL, Breedveld-Peters JJL, Breukink SO, JanssenHeijnen MLG, Keulen ETP, van Duijnhoven FJB, Mols F, Weijenberg MP, Bours MJL. Increases in adipose tissue and muscle function are longitudinally associated with better quality of life in colorectal cancer survivors. Sci Rep. 2021 Jun 14;11(1):12440. Franssen RFW, Strous MTA, Bongers BC, Vogelaar FJ, Janssen-Heijnen MLG. The association between treatment interval and survival in patients with colon or rectal cancer: a systematic review. World J Surg. 2021 Sep;45(9):2924-37.
Dirks NPM, Mestrom M, van der Lugt M, van Osch F, Peters NALR, Elshof JM, Barten DG. Utility of Shock Index for suspected rupture of abdominal aortic aneurysms. Prehosp Emerg Care. 2021 JulAug;25(4):496-503. Bessems SAM, Konsten JLM, Vogelaar FJ, Csepán-Magyar R, Maas HAAM, van deWouw AJ, Janssen-Heijnen MLG. Frailty screening by Geriatric-8 and 4-meter gait speed test is feasible and predicts postoperative complications in elderly colorectal cancer patients. J Geriatric Oncol. 2021 May;12(4):592-8.
Hensgens KRC, van Rensen IHT, Lekx AW, van Osch FHM, Knarren LHH, Wyers CE, van den Bergh JP, Barten DG. Sort and sieve: pre-triage screening of patients with suspected COVID-19 in the emergency department. Int J Environ Res Public Health. 2021 Sep 2;18(17):9271.
Kenkhuis MF, van Roekel EH, Breedveld-Peters JJL, Breukink SO, Janssen-Heijnen MLG, Keulen ETP, van Duijnhoven FJB, Mols F, Weijenberg MP, Bours MJL. Longitudinal associations of sedentary behavior and physical activity with quality of life in colorectal cancer survivors. Med Sci Sports Exerc. 2021 May 25. [Online ahead of print]
Franssen RFW, Janssen-Heijnen MLG, Barberan-Garcia A, Vogelaar FJ, Van Meeteren NLU, Bongers BC. Moderate-intensity exercise training or high-intensity interval training to improve aerobic fitness during exercise prehabilitation in patients planned for elective abdominal cancer surgery? Eur J Surg Oncol. 2021 Sep 4. [Online ahead of print]
Beukers K, Bessems SAM, van de Wouw AJ, van den Berkmortel FWPJ, Belgers HJ, Konsten JLM, Sipers WMWH, Janssen-Heijnen MLG. Associations between the Geriatric-8 and 4-meter gait speed test and subsequent delivery of adjuvant chemotherapy in older patients with colon cancer.
Klokman VW, Barten DG, Peters NALR, Versteegen MGJ, Wijnands JJJ, van Osch FHM, Gaakeer MI, Tan ECTH, Boin A. A scoping review of internal hospital crises and disasters in the Netherlands, 2000-2020. PLoS One. 2021 Apr 26;16(4):e0250551. eCollection 2021. Voorn MJJ, Aerts LPA, Bootsma GP, Bezuidenhout JB, van Kampen-van den Boogaart VEM, Bongers BC, de Ruysscher DK, Janssen-Heijnen MLG. Associations of pretreatment physical status parameters with tolerance of concurrent chemoradiation and survival in patients with nonsmall cell lung cancer. Lung. 2021 Apr;199(2):223-34. Voorn MJJ, Franssen RFW, Verlinden JMWF, Bootsma GP, de Ruysscher DK, Bongers BC, Janssen-Heijnen MLG. Associations between pretreatment physical performance tests and treatment complications in patients with non-small cell lung cancer: a systematic review. Crit Rev Oncol Hematol. 2021 Feb 1;158:103207.
VieCuri Wetenschapsmagazine | Jaargang 6 | nr 2 | 2021
51
Wijj hebben h interessante banen voor profe fessioonals diee zich in de medische spotlights helemaal thuis t Werkk je het liefst losse dagen of heb je toch liever l lanngeere opdrachten? Op uitzendbasis,, detachhering of aalss ZZP-er? Bij ons is alles mogelijk!
Uittddagende jobs voor: AAnnesthesiemedewerkers Recoveryverpleegkundigen e Operatieassistenten Op IC//CCU verpleegkundigen High & medium careverpleegkundigen Endoscopie & algemeen verpleegkundigenn En
Meee eer weten?
I dit Is di jouw j w spotllight? l h? li Dan zijn wij w op zoekk naarr jou
Allees e over jouw voordelen,, onze werkwijze w enn de huiidi i ige vacatures vind je op www w .yucomediical.nl.
Bel of mail ons voor onze superr interessante opdrachten!
TAKKEBIJSTERS 57A | 4817 BL BREDA | T 076 887 13 13 | INFO@YUCOMEDICAL.NL | WWW. W.YUCCOMEDICAL.NL
Wij delen graag onze kennis en ervaring die wij hebben met medisch-wetenschappelijk onderzoek. Medisch-wetenschappelijk onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de nationale en internationale geldende standaard richtlijnen, en wetgeving die o.a. in de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO), ICH-GCP (International Conference on Harmonisation-Good Clinical Practice) de European Clinical Trial Directive 2001/20/EC, zijn vastgelegd. De trainingen worden ontwikkeld en gegeven door trainers die verschillende werkzaamheden verrichten binnen het medischwetenschappelijk onderzoek. Door de diverse functies die zij vervullen, zoals clinical research associate, project manager, auditor, medewerker bij wetenschapsbureau zien zij hoe medisch-wetenschappelijk onderzoek in de praktijk wordt
uitgevoerd. Deze ervaringen en observaties van de TAPAS Group partners zijn allemaal verwerkt in de TAPAS Group trainingen. De trainingen van de TAPAS Group zijn een brug naar de praktijk. “Sharing is caring” Van iedere deelnemer die een training afneemt van de TAPAS Group gaat € 1,50 naar de organisatie Interplast. Interplast voert reconstructieve operaties uit bij patiëntjes die behoren tot de armste bevolkingsgroepen. Zij hebben geen geld voor een operatie en in ontwikkelingslanden bestaan geen zorgverzekeraars. Interplast voert daarom alle operaties gratis uit. Voor meer informatie: www.interplastholland.nl Voor meer informatie: www.tapasgroup.com
VERKORTE PRODUCTINFORMATIE SARCLISA ® Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via de website van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (www.lareb.nl). Samenstelling: SARCLISA® bevat 20 mg isatuximab per ml concentraat voor oplossing voor infusie en is beschikbaar in een flacon met 100 mg isatuximab in 5 ml concentraat (100 mg/5 ml) en in een flacon met 500 mg isatuximab in 25 ml concentraat (500 mg/25 ml). Indicaties: SARCLISA is geïndiceerd: -in combinatie met pomalidomide en dexamethason, voor de behandeling van volwassen patiënten met gerecidiveerd en refractair multipel myeloom die minstens twee eerdere therapieën hebben gekregen, waaronder lenalidomide en een proteasoomremmer, en bij wie ziekteprogressie is aangetoond tijdens de laatste behandeling. - in combinatie met carfilzomib en dexamethason, voor de behandeling van volwassen patiënten met multipel myeloom die minstens één eerdere behandeling gekregen hebben. Dosering: SARCLISA moet worden toegediend door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in een omgeving waar reanimatievoorzieningen beschikbaar zijn. De aanbevolen dosis is 10 mg/kg lichaamsgewicht, toegediend als een intraveneuze infusie in combinatie met pomalidomide en dexamethason (Isa-Pd) of in combinatie met carfilzomib en dexamethason (Isa-Kd), volgens een doseringsschema (zie volledige productinformatie) van 28 dagen. Voorafgaande aan iedere infusie moet premedicatie worden toegediend bestaande uit dexamethason, paracetamol (of equivalent), H2-antagonisten of orale protonpompremmers, en difenhydramine (of equivalent). Kinderen: De veiligheid en werkzaamheid bij kinderen jonger dan 18 jaar zijn niet vastgesteld. Ouderen, patiënten met verminderde lever- of verminderde nierfunctie: Er wordt geen dosisaanpassing aanbevolen. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen. Waarschuwingen: Infusiegerelateerde reacties: infusiegerelateerde reacties werden waargenomen (ook ernstige, waaronder anafylactische reacties). De vitale functies moeten regelmatig worden gecontroleerd tijdens de behandeling, zodat behandeling onderbroken kan worden. Indien de symptomen niet verbeteren, opnieuw optreden, ziekenhuisopname vereisen of levensbedreigend zijn, moet SARCLISA definitief stopgezet worden en passende behandeling worden toegepast. Neutropenie: het volledig bloedbeeld moet regelmatig worden gecontroleerd vanwege het risico op neutropenie. Infectie: zorgvuldige controle op tekenen van infectie dient plaats te vinden vanwege een hogere incidentie van infecties. Tweede primaire maligniteiten: vanwege de kans op tweede primaire maligniteiten dienen artsen zowel voor als tijdens de behandeling patiënten zorgvuldig te evalueren volgens de richtlijnen van de IMWG. Interferentie met serologische tests (indirecte antiglobulinetest): voorafgaand aan de eerste behandeling met SARCLISA moeten bij patiënten bloedtypering en screeningstest uitgevoerd worden vanwege mogelijke interferentie met serologische tests. Ouderen: Bij ouderen ≥ 85 jaar zijn de gegevens beperkt. Interacties: Vals-positieve reacties van serologische testen zijn mogelijk door expressie van CD-38 eiwit op het oppervlak van rode bloedcellen. Interferentie met serum eiwitelektroforese en immunofixatie is mogelijk, wat invloed kan hebben op de nauwkeurigheid van de responsclassificatie van de IMWG. Zwangerschap: Vrouwen die zwanger kunnen worden, moeten doeltreffende anticonceptie gebruiken tijdens en gedurende 5 maanden na stopzetting van de behandeling. Het gebruik van SARCLISA bij zwangere vrouwen wordt niet aanbevolen. Bijwerkingen: De vaakst voorkomende bijwerkingen (zeer vaak) zijn neutropenie, infusiegerelateerde reactie, pneumonie, infectie van de bovenste luchtwegen, diarree, bronchitis, hypertensie, vermoeidheid, dyspneu, nausea, braken, slapeloosheid, hoesten en rugpijn. De vaakst voorkomende (zeer vaak) ernstige bijwerkingen zijn pneumonie en febriele neutropenie. Vaak komen voor: plaveiselcelcarcinoom van de huid, verminderde eetlust, atriumfibrilleren, huidkanker, andere solide tumoren dan huidkanker en gewichtsverlies. De bijwerking anafylactische reactie komt soms voor. ATC-code: L01XC38 Verpakking: Sarclisa® 20 mg/ml concentraat voor oplossing voor infusie. 5 ml met 100 mg isatuximab in een flacon van 6 ml (verpakking met één of drie flacons) EU/1/20/1435/001 of 002. 25 ml met 500 mg isatuximab in een flacon van 30 ml (verpakking met één flacon) EU/1/20/1435/003. Aflevering en vergoeding: U.R. Sarclisa wordt vergoed via add-on. Voor prijzen zie de Z-index taxe. Deze informatie is het laatst herzien in juni 2021. Voor meer informatie zie de geregistreerde productinformatie. Houder van de vergunning voor het in de handel brengen: Sanofi-Aventis groupe. 54, rue La Boétie. 75008 Parijs – Frankrijk. Lokale vertegenwoordiger: Genzyme Europe B.V. Paasheuvelweg 25, 1105 BP Amsterdam. Tel: +31 (0)20 2454000. VV-LBL-0240262
TAPAS Group WMO-GCP training
Op een gezonde manier financieel rendement halen? We maken graag een financiële scan van uw mogelijkheden.
Auréus Maastricht Leidenlaan 16D T +31 (0)43 32 85 191 maastricht@aureus.eu Auréus Heerlen Nieuw Eyckholt 292H T +31 (0)45 208 0571 heerlen@aureus.eu
www.aureus.eu
Verkorte Productinformatie Saxenda®
AEAG AC=?7;G$0 0 G A76)37G G
G G @2>D4G994G=D4G ?(4+G AEAG AC=?7;G G Novo Allé, DK-2880 Bagsværd, Denemarken Telefoonnummer: 0172 - 449494, E-mail: informatie@novonordisk.com Zie voor de volledige productinformatie http://www.ema.europa.eu
' GGG
GGG AEAG AC=?7;® en Saxenda® zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.
Naam: Saxenda® 6 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde pen. Samenstelling en farmaceutische vorm: liraglutide 6 mg/ml, oplossing voor injectie. Indicaties: Volwassenen: Saxenda® is geïndiceerd als aanvulling op een caloriearm dieet en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij volwassen patiënten met een aanvankelijke BMI (Body Mass Index) van: 30 kg/m² (obesitas), of 27 kg/m² tot < 30 kg/m² (overgewicht) die ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit hebben, zoals dysglykemie (prediabetes of diabetes mellitus type 2), hypertensie, dyslipidemie of obstructieve slaapapneu. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg niet ten minste 5% van zijn aanvankelijke lichaamsgewicht is kwijtgeraakt. Adolescenten ( 12 jaar): Saxenda® kan worden gebruikt als toevoeging aan gezonde voeding en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij adolescente patiënten van 12 jaar en ouder met: obesitas (BMI overeenkomend met 30 kg/m² voor volwassenen volgens internationale grenswaarden) en lichaamsgewicht boven 60 kg. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt en heroverwogen als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg of de maximaal verdraagbare dosis niet ten minste 4% van zijn BMI of van de BMI z-score (standaarddeviatiescore) is kwijtgeraakt. Dosering en wijze van toediening: De startdosis is 0,6 mg eenmaal daags. Volwassenen: De dosis moet worden verhoogd naar 3,0 mg eenmaal daags in stappen van 0,6 mg met tussenpozen van ten minste één week om de gastro-intestinale verdraagbaarheid te verbeteren. Als verhoging naar de volgende dosisstap gedurende twee opeenvolgende weken niet wordt verdragen, moet worden overwogen de behandeling te staken. Adolescenten ( 12 jaar): De dosis moet worden verhoogd tot 3,0 mg of tot de maximaal verdraagbare dosis is bereikt. Doseringen hoger dan 3,0 mg per dag worden niet aanbevolen. Saxenda® is uitsluitend bestemd voor subcutaan gebruik. Het mag niet intraveneus of intramusculair worden toegediend. Contra-indicaties:GFEDCBDEAD@?B>D?=GEAACG=DG<DC;:98DG76A5GA5GEAACGDD4GE94G=DG>3@276A1D40G Belangrijkste waarschuwingen: Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Er is geen klinische ervaring bij patiënten met congestief hartfalen NYHA-klasse IV en liraglutide wordt daarom niet aanbevolen voor gebruik bij deze patiënten. De veiligheid en werkzaamheid van liraglutide voor gewichtsbeheersing zijn niet vastgesteld bij patiënten: van 75 jaar of ouder; behandeld met andere producten voor gewichtsbeheersing; met obesitas secundair aan endocrinologe stoornissen, aan eetstoornissen of aan de behandeling met geneesmiddelen die gewichtstoename kunnen veroorzaken; met ernstige 4?DC?473/.?-46?D+G 8D6G DC476?BDG @DEDC?473/.?-46?D0G *D)C3?;G )?(G =D:DG 296?-46D4G <AC=6G 4?D6G 994)DEA@D40G 'D6G BD)C3?;G E94G @?C9B@36?=DG EAACG BD<?.>67)D>DDC7?4BG ?7G 4?D6G A4=DC:A.>6G )?(G 296?-46D4G 8D6G @?.>6DG A5G 896?BG DC476?BDG @DEDC?473/.?-46?D0G &CG ?7G )D2DC;6DG DCE9C?4BG )?(G 296?-46D4G 8D6G %$#G "%4!98896AC G $A<D@G #?7D97D G D4G =?9)D6?7.>DG B976CA29CD7D0G 'D6G BD)C3?;G E94G @?C9B@36?=DG<AC=6G4?D6G994)DEA@D4G)?(G=D:DG296?-46D40G .36DG294.CD96?6?7G?7G<99CBD4A8D4G)?(G>D6GBD)C3?;GE94G* CD.D26AC 9BA4?76D40G 96?-46D4G8AD6D4GBD 45AC8DDC=G<AC=D4GAEDCG=DG;D4G8DC;GD4=DG7 826A8D4GE94G9.36DG294.CD96?6?70G @7GDCGDD4G vermoeden van pancreatitis bestaat, moet het gebruik van liraglutide worden gestaakt. Als acute pancreatitis bevestigd is, moet niet opnieuw met liraglutide worden begonnen. In klinische studies voor gewichtsbeheersing zijn bij patiënten behandeld met liraglutide meer gevallen van cholelithiase en cholecystitis waargenomen dan bij patiënten behandeld met 2@9.D)A0G 96?-46D4G 8AD6D4G BD 45AC8DDC=G <AC=D4G AEDCG =DG ;D48DC;D4=DG 7 826A8D4G E94G .>A@D@?6>?97DG D4G .>A@D. 76?6?70G ?C9B@36?=DG8AD6G8D6G=DG4A=?BDGEAAC:?.>6?B>D?=G<AC=D4GBD)C3?;6G)?(G296?-46D4G8D6GDD4G7.>?@=;@?DC994=AD4?4B0G&D4G76?(B?4BG ?4G=DG>9C65CD 3D46?DG?7G<99CBD4A8D4G)?(GBD)C3?;GE94G@?C9B@36?=DG?4G;@?4?7.>DG763=?D70G 96?-46D4G8AD6D4G<AC=D4GBD 45AC8DDC=G over de symptomen van een verhoogde hartfrequentie. Bij patiënten met een klinisch relevante blijvende stijging van de hartfrequentie in rust, moet de behandeling met liraglutide worden gestaakt. Klachten en symptomen van dehydratie <DC=D4G BD8D@=G )?(G 296?-46D4G =?DG )D>94=D@=G :?(4G 8D6G * CD.D26AC9BA4?76D40G 96?-46D4G =?DG )D>94=D@=G <AC=D4G 8D6G liraglutide moeten worden geïnformeerd over het potentiële risico op dehydratie met betrekking tot gastro-intestinale )?(<DC;?4BD4GD4G8AD6D4GEAAC:ACB78996CDBD@D4G4D8D4GA8GDD4GEA.>66D;AC6G6DGEAAC;A8D40G 96?-46D4G8D6G=?9)D6D7G8D@@?637G type 2 die liraglutide krijgen in combinatie met insuline en/of een sulfonylureumderivaat hebben mogelijk een verhoogd C?7?.AGA2G> 2AB@ ;D8?D0G&2?7A=D7GE94G;@?4?7.>G7?B4? .946DG> 2AB@ ;D8?DG:?(4GBD8D@=G)?(G9=A@D7.D46D4G" 12 jaar) die werden )D>94=D@=G8D6G@?C9B@36?=D0G 96?-46D4G8AD6D4G<AC=D4GBD 45AC8DDC=GAEDCG=DG;D48DC;D4=DG7 826A8D4GE94G> 2AB@ ;D8?DG en de toepasselijke maatregelen. Bij patiënten met diabetes mellitus mag Saxenda® niet worden gebruikt als een vervanger van insuline. Diabetische ketoacidose is gemeld bij insuline-afhankelijke patiënten na snelle stopzetting of dosisverlaging van insuline. Bijwerkingen: 98D4E966?4BGE94G>D6GED?@?B>D?=72CA D@ G 9 D4=9® werd op veiligheid geëvalueerd in 5 dubbelblinde, placebogecontroleerde studies bij 5.813 volwassen patiënten met overgewicht of obesitas en ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit. De meest frequent (zeer vaak) gemelde bijwerkingen tijdens klinisch onderzoek waren aandoeningen van het maagdarmstelsel, waaronder misselijkheid, braken, diarree en obstipatie. De meeste gastro-intestinale bijwerkingen waren mild tot matig ernstig en voorbijgaand van aard, en de meeste leidden niet tot staken van de behandeling. In een klinische studie uitgevoerd bij adolescenten van 12 tot 18 jaar met obesitas werden 125 patiënten blootgesteld aan Saxenda® gedurende 56 weken. Over het algemeen waren de frequentie, het type en de ernst van de bijwerkingen bij de adolescenten met obesitas vergelijkbaar met die waargenomen bij de volwassen populatie. Braken kwam tweemaal zo vaak voor bij adolescenten in vergelijking met volwassenen. Zie de volledige productinformatie voor informatie over overige bijwerkingen. Farmacotherapeutische categorie: geneesmiddelen gebruikt bij diabetes, glucagonachtig peptide 9BA4?76D4G"* 9BA4?76D4 0GATC-code: A10BJ02. U.R. Vergoeding: Niet vergoed. Datum: april 2021. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via www.lareb.nl of bij Novo Nordisk B.V.
VERKORTE PRODUCT INFORMATIE Aimovig® 70 en 140 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Samenstelling Elke voorgevulde pen bevat respectievelijk 70 of 140 mg erenumab. Indicatie Profylaxe van migraine bij volwassenen die ten minste 4 migrainedagen per maand hebben. Farmacotherapeutische groep Analgetica, antimigrainepreparaten. Contra-indicaties Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen. Waarschuwingen Patiënten met bepaalde ernstige cardiovasculaire aandoeningen werden uitgesloten van klinische onderzoeken. Er zijn geen veiligheidsgegevens beschikbaar voor deze patiënten. Ernstige overgevoeligheidsreacties bij gebruik van erenumab, waaronder rash, angio-oedeem en anafylactische reacties, zijn gemeld tijdens postmarketingervaring en kunnen binnen enkele minuten maar ook meer dan een week na de behandeling optreden. Constipatie is een veelvoorkomende bijwerking en meestal licht tot matig van intensiteit. In de meeste gevallen werd dit voor het eerst gemeld na de eerste dosis en verdween dit binnen drie maanden. In de postmarketingsetting is constipatie met ernstige complicaties gemeld. Een voorgeschiedenis van constipatie of het gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen geassocieerd met verminderde gastro-intestinale motiliteit kan het risico op ernstigere constipatie en constipatie-gerelateerde complicaties verhogen. Patiënten moeten worden gewaarschuwd voor het risico van constipatie en geadviseerd worden om medische hulp te zoeken als constipatie niet verdwijnt of verergert. Bij ernstige constipatie moet overwogen worden de behandeling stop te zetten. De afneembare dop van de Aimovig voorgevulde pen bevat droog natuurrubber (latex); dit kan allergische reacties veroorzaken bij personen die overgevoelig zijn voor latex. Bijwerkingen Vaak overgevoeligheidsreacties waaronder anafylaxie, angio-oedeem, rash, zwelling/oedeem en urticaria, constipatie, pruritus, spierspasmen, injectieplaatsreacties. Afleverstatus UR Verpakking en prijs Zie Z-Index Vergoeding Volledig vergoed indien voldaan aan de in bijlage 2 genoemde voorwaarden Registratiehouder Novartis Europharm Limited Lokale vertegenwoordiger Novartis Pharma B.V., Haaksbergweg 16, 1101 BX Amsterdam. Meer informatie Voor meer informatie kunt u bellen met 088-0452111. De volledige productinformatie kunt u raadplegen via www.novartis.nl/medicijnen/aimovig. Datering verkorte productinformatie november 2021.
Novo Nordisk B.V. |GG A76)37G GG GG
G G @2>D4G994G=D4G ?(4G G G" G G G GG GG?45AC896?D 4AEA4AC=?7;0.A8GG GG4AEA4AC=?7;04@
Verkorte productinformatie Rybelsus®
Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via www. lareb.nl of bij Novo Nordisk B.V.. Zie voor de volledige productinformatie http://www.ema.europa.eu. Novo Nordisk A/S, Novo Allé, DK-2880 Bagsværd, Denemarken. Novo Nordisk B.V., Postbus 443, 2400 AK Alphen aan den Rijn; Telefoonnummer: 0172 - 44 94 94, E-mail: informatie@novonordisk.com Referenties: 1. SPC Rybelsus®. 2. Toft-Nielsen, MB et al. Determinants of the impaired secretion of glucagon-like peptide-1 in type 2 diabetic patients. J Clin Endocrinol Metab. 2001;86(8):3717-3723.
Novo Nordisk B.V. Postbus 443 2400 AK Alphen aan den Rijn T + 31 (0)172 44 94 94 informatie@novonordisk.com novonordisk.nl
NL21RYB00079 Novo Nordisk® en Rybelsus® zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.
Rybelsus®. Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Naam: Rybelsus® 3 mg, 7 mg en 14 mg, tabletten. Samenstelling en farmaceutische vorm: semaglutide 3, 7 en 14 mg, tabletten. Indicaties: Rybelsus® is geïndiceerd voor de behandeling van volwassenen met onvoldoende gereguleerde diabetes mellitus type 2 om glykemische controle te verbeteren als toevoeging aan dieet en lichaamsbeweging: als monotherapie wanneer metformine ongeschikt wordt geacht als gevolg van intolerantie of contraindicaties; in combinatie met andere geneesmiddelen voor de behandeling van diabetes. Voor onderzoeksresultaten met betrekking tot combinaties, werkzaamheid op glykemische controle en cardiovasculaire events, en de onderzochte populaties, zie rubriek 4.4, 4.5 en 5.1 van de volledige productinformatie. Dosering en wijze van toediening: De startdosis is 3 mg semaglutide eenmaal daags. Na één maand moet de dosering worden verhoogd naar een onderhoudsdosering van 7 mg eenmaal daags. Na ten minste één maand met een dosering van 7 mg eenmaal daags, kan de dosering worden verhoogd naar een onderhoudsdosering van 14 mg eenmaal daags om de glykemische controle verder te verbeteren. De maximale aanbevolen eenmaaldaagse dosis semaglutide is 14 mg. Rybelsus® is een tablet voor eenmaal daags oraal gebruik. Dit geneesmiddel moet, ongeacht het tijdstip van de dag, op een lege maag worden ingenomen. Het moet in zijn geheel worden doorgeslikt met een slok water (maximaal een half glas water, overeenkomend met 120 ml). Tabletten mogen niet worden gebroken, geplet of gekauwd, aangezien niet bekend is of dit de absorptie van semaglutide beïnvloedt. Patiënten moeten na inname ten minste 30 minuten wachten voordat ze iets eten, drinken of andere orale geneesmiddelen gebruiken. Minder dan 30 minuten wachten vermindert de absorptie van semaglutide (zie rubriek 4.5 en 5.2 van de volledige productinformatie). Contra-indicaties: Over Belangrijkste waarschuwingen: Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Semaglutide mag niet worden gebruikt bij patiënten met diabetes mellitus type 1 of voor de behandeling van diabetische ketoacidose. Wanneer behandeling met een GLP-1-receptoragonist werd gestart, is diabetische ketoacidose gemeld bij insuline-afhankelijke patiënten waarbij de dosis insuline snel werd verlaagd of stopgezet. Er is geen therapeutische ervaring bij patiënten met congestief hartfalen NYHA-klasse IV. Er is geen therapeutische ervaring met semaglutide bij patiënten die bariatrische chirurgie hebben ondergaan. Het gebruik van GLP-1-receptoragonisten is mogelijk geassocieerd met gastro-intestinale bijwerkingen die dehydratie kunnen veroorzaken. Dit kan in zeldzame gevallen leiden tot een verslechtering van de nierfunctie. Acute pancreatitis is waargenomen bij het gebruik van GLP-1-receptoragonisten. Patiënten moeten geïnformeerd worden over de kenmerkende symptomen van acute pancreatitis. Bij verdenking op pancreatitis moet het gebruik van semaglutide worden gestaakt; als acute pancreatitis bevestigd is, mag niet opnieuw met semaglutide worden begonnen. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis. Patiënten die worden behandeld met semaglutide in combinatie met een sulfonylureumderivaat of insuline, hebben mogelijk een verhoogd risico op hypoglykemie. Het risico op hypoglykemie kan worden verlaagd door verlaging van de dosis sulfonylureumderivaat of insuline bij het starten van de behandeling met semaglutide. Bij patiënten met diabetische retinopathie die worden behandeld met insuline en s.c. semaglutide, is een verhoogd risico op de ontwikkeling van complicaties van diabetische retinopathie waargenomen, een risico dat niet uitgesloten kan worden bij oraal toegediende semaglutide. Het opvolgen van de is dan verwacht moet de behandeld arts zich ervan bewust zijn dat de absorptie van semaglutide zeer variabel is en minimaal kan zijn (2-4% van de patiënten zullen niet worden blootgesteld), en dat de absolute biologische beschikbaarheid van semaglutide laag is. Bijwerkingen: In 10 fase 3a-studies werden 5.707 patiënten blootgesteld aan alleen semaglutide of semaglutide in combinatie met andere glucoseverlagende geneesmiddelen. De duur van de behandeling varieerde van 26 weken tot 78 weken. De meest frequent gemelde bijwerkingen tijdens klinisch onderzoek waren aandoeningen van het maag-darmstelsel, waaronder misselijkheid (zeer vaak), diarree (zeer vaak) en braken (vaak). De meeste gastro-intestinale bijwerkingen waren mild tot matig van aard en van korte duur. Hypoglykemie werd zeer vaak waargenomen indien semaglutide gelijktijdig werd gebruikt met insuline of sulfonylureumderivaat. Zie de volledige productinformatie voor informatie over overige bijwerkingen. Farmacotherapeutische categorie: geneesmiddelen gebruikt bij diabetes, glucagonachtig peptide-1-agonisten (GLP-1-agonisten). ATC-code: A10BJ06. U.R. Vergoeding: Volledig vergoed voor bepaalde patiëntgroepen. Datum: november 2020.
Repatha® – evolocumab – verkorte productinformatie. Samenstelling: Elke voorgevulde pen bevat 140 mg evolocumab in 1 ml oplossing. Afleveringsvorm: Verpakkingsgrootten met één of twee voorgevulde pennen. Farmacotherapeutische groep: overige antilipaemica, ATC-code: C10AX13. Indicaties: Hypercholesterolemie en gemengde dyslipidemie: Repatha is geïndiceerd voor gebruik bij volwassenen met primaire hypercholesterolemie (heterozygoot familiaire en nietfamiliaire) of gemengde dyslipidemie als toevoeging aan een dieet: in combinatie met een statine of een statine met andere lipidenverlagende behandelingen bij patiënten die hun LDL-C-doel niet bereiken met een maximaal verdraagbare dosis van een statine, of alleen of in combinatie met andere lipidenverlagende behandelingen bij patiënten die statines niet verdragen of bij wie een statine is gecontraindiceerd. Homozygote familiaire hypercholesterolemie: Repatha is geïndiceerd voor gebruik in combinatie met andere lipidenverlagende behandelingen bij volwassenen en jongeren van 12 jaar en ouder met homozygote familiaire hypercholesterolemie. Vastgestelde atherosclerotische cardiovasculaire ziekte: Repatha is geïndiceerd voor gebruik bij volwassenen met vastgestelde atherosclerotische cardiovasculaire aandoeningen (myocardinfarct, beroerte of perifeer arterieel vaatlijden) om het cardiovasculaire risico te verminderen door LDL-C-spiegels te verlagen, als aanvulling op de correctie van andere risicofactoren: in combinatie met de maximaal getolereerde dosis van een statine met of zonder andere lipidenverlagende behandelingen of, alleen of in combinatie met andere lipidenverlagende behandelingen bij patiënten die statines niet verdragen of bij wie een statine is gecontra-indiceerd. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of voor één van de hulpstoffen. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Leverfunctiestoornis: Bij patiënten met een matig ernstige leverfunctiestoornis, werd een vermindering van de totale blootstelling van evolocumab opgemerkt die zou kunnen leiden tot een verminderd effect op de LDL-C-verlaging. Daarom kan bij deze patiënten een nauwkeurige controle noodzakelijk zijn. Patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-klasse C) zijn niet onderzocht. Repatha moet met voorzichtigheid worden toegepast bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis. Overige: De naaldbeschermer van de glazen voorgevulde pen is gemaakt van droog natuurlijk rubber (een derivaat van latex), dat allergische reacties kan veroorzaken. Bijwerkingen: Vaak: influenza, nasofaryngitis, infectie van de bovenste luchtwegen, overgevoeligheid, huiduitslag, hoofdpijn, misselijkheid, rugpijn, artralgie, myalgie, reacties op de plaats van injectie. Soms: urticaria, griepachtige symptomen. Aflevering en vergoeding: U.R. Repatha wordt volledig vergoed. Voor prijzen zie Z-index. Gebaseerd op SmPC april 2021. Amgen B.V. Minervum 7061, 4817 ZK te Breda, tel. 076-5732500. Zie voor meer informatie de geregistreerde productinformatie. Deze productinformatie wordt regelmatig aangepast. Voor de meest recente versie van de productinformatie verwijzen wij u daarom naar de website van de European Medicines Agency (EMA) www.ema.europa.eu. Referenties: 1. Sabatine MS, et al. New Eng J Med 2017;376:1713-1722. 2. SmPC Repatha® april 2021. 3. Leucker TM, et al. Circulation. 2020;142:419–421.
Verkorte geneesmiddelinformatie Naam van het geneesmiddel: Plenadren 5 mg / Plenadren 20 mg Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling: Plenadren 5 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 5 mg hydrocortison. Plenadren 20 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 20 mg hydrocortison. Farmaceutische vorm: Tablet met gereguleerde afgifte. Therapeutische indicaties: Behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie (bijnierschorshypofunctie) bij volwassenen. Hydrocortison is een glucocorticoïde en de synthetische vorm van endogeen geproduceerd cortisol. Glucocorticoïden zijn belangrijke steroïden voor het intermediaire metabolisme, de immuunfunctie, het skeletspierstelsel en bindweefsel, en de hersenen. Cortisol is de belangrijkste glucocorticoïde die door de bijnierschors wordt afgescheiden. Van nature voorkomende glucocorticoïden (hydrocortison en cortisol), die ook zoutretentieeigenschappen hebben, worden gebruikt als vervangingstherapie bij bijnierschorsinsufficiëntie. Ze worden ook gebruikt wegens hun krachtige ontstekingsremmende effecten bij aandoeningen van vele orgaansystemen. Glucocorticoïden veroorzaken krachtige en gevarieerde metabolische effecten. Bovendien veranderen ze de immuunreacties van het lichaam op uiteenlopende prikkels. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 van de volledige SmPC vermelde hulpstoffen. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Acute bijnierschorsinsufficiëntie: Acute bijnierschorsinsufficiëntie kan ontstaan bij patiënten die bekend zijn met bijnierschorsinsufficiëntie bij wie de dagelijkse dosering niet volstaat of die zich in omstandigheden met een verhoogde behoefte aan cortisol bevinden. Er zijn voorvallen gemeld bij patiënten die met Plenadren werden behandeld. Bij patiënten met acute bijnierschorsinsufficiëntie kan een bijniercrisis ontstaan. Daarom dienen patiënten ingelicht te worden over de verschijnselen en symptomen van acute bijnierschorsinsufficiëntie en bijniercrisis en moeten zij onmiddellijk medische hulp inroepen. Bij een bijniercrisis moet parenterale, bij voorkeur intraveneuze toediening van hydrocortison in hoge doses, samen met natriumchlorideoplossing voor infusie (9 mg/ml, 0,9%) worden toegepast volgens de huidige behandelingsrichtlijnen. Bijkomende infecties: Bij voorbijgaande ziekten zoals geringe infecties, koorts ongeacht de oorzaak, stressvolle omstandigheden zoals kleine chirurgische procedures, moet de dagelijkse vervangingsdosis tijdelijk worden verhoogd (zie rubriek ‘Gebruik bij bijkomende ziekte’). De patiënt moet zorgvuldig worden geïnformeerd hoe hij/zij in deze omstandigheden moet handelen, en moet ook worden geadviseerd onmiddellijk medische hulp te zoeken als zich een acute verslechtering voordoet; vooral in het geval van gastro-enteritis, braken en/of diarree die leiden tot zowel vocht- en zoutverlies als tot ontoereikende absorptie van oraal hydrocortison. Bij patiënten bij wie de bijnierschorsinsufficiëntie samenvalt met retrovirale infectie, zoals hiv, moet de dosis zorgvuldig worden aangepast als gevolg van mogelijke interacties met antiretrovirale geneesmiddelen en een verhoogde hydrocortisondosis als gevolg van de infectie. Uit wetenschappelijke verslagen is niet gebleken dat hydrocortison immunosuppressieve effecten zou hebben bij doses die zijn gebruikt voor vervangingstherapie bij patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat vervangingsdoses van hydrocortison een systemische infectie of de gevolgen van zo’n infectie zullen verergeren. Evenmin is er reden aan te nemen dat de hydrocortisondoses die worden gebruikt voor vervangingstherapie de respons op vaccins verminderen en het risico op gegeneraliseerde infectie met levende vaccins verhogen. Maaglediging en motiliteitsstoornissen: Tabletten met gereguleerde afgifte (MR-tabletten) worden niet aanbevolen bij patiënten met een verhoogde maag-darmmotiliteit, i.e., chronische diarree, vanwege het risico op een verminderde cortisolblootstelling. Er zijn geen gegevens van patiënten met een bevestigde langzame maaglediging of een verminderde-motiliteitziekte/stoornis. Bij patiënten met deze aandoeningen moet de klinische respons worden gevolgd. Het gebruiken van hogere doses hydrocortison dan normaal: Hoge (suprafysiologische) doses hydrocortison kunnen een verhoging van de bloeddruk, zout- en waterretentie en een verhoogde uitscheiding van kalium veroorzaken. Behandeling voor lange tijd met hogere dan fysiologische doses hydrocortison kan leiden tot klinische kenmerken die lijken op die van het syndroom van Cushing: toegenomen adipositas, obesitas in de buik, hypertensie en diabetes. Zo’n behandeling voor lange tijd kan leiden tot een verhoogd risico op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit. Ouderdom en een lage BMI zijn bekende risicofactoren voor veel voorkomende bijwerkingen van farmacologische doses glucocorticoïden, zoals osteoporose, dun worden van de huid, diabetes mellitus, hypertensie en een verhoogde gevoeligheid voor infecties. Alle glucocorticoïden verhogen de calciumuitscheiding en verlagen de snelheid van botremodellering. Er is gevonden dat patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie die voor lange tijd een vervangingstherapie met glucocorticoïden kregen, een verminderde botmineraaldichtheid hadden. Langdurig gebruik van hoge doses glucocorticoïden kan posterieure subcapsulaire cataracten en glaucoom met mogelijke beschadiging van de oogzenuwen veroorzaken. Zulke effecten zijn niet gerapporteerd bij patiënten die vervangingstherapie met glucocorticoïden kregen in doses die worden voorgeschreven bij bijnierschorsinsufficiëntie. Psychische bijwerkingen kunnen voorkomen bij gebruik van systemische glucocorticoïden. Dit kan optreden aan het begin van de behandeling en tijdens periodes van dosisaanpassing. De risico’s kunnen groter zijn wanneer hoge doses worden gegeven. De meeste bijwerkingen verdwijnen vanzelf na verlaging van de dosis, hoewel specifieke behandeling nodig kan zijn. Schildklierfunctie: Patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie moeten in beeld worden gehouden ten aanzien van een mogelijke verstoring van de schildklierfunctie, omdat zowel hypo- als hyperthyreoïdie de blootstelling aan toegediend hydrocortison merkbaar kan beïnvloeden. De behandeling van primaire bijnierschorsinsufficiëntie rechtvaardigt vaak de toevoeging van een mineralocorticoïde. Bijwerkingen: Samenvatting van het veiligheidsprofiel: Hydrocortison wordt gegeven als een vervangingstherapie met als doel de normale cortisolniveaus te herstellen. Het profiel van bijwerkingen bij de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie is daarom niet vergelijkbaar met dat bij andere aandoeningen waarbij veel hogere doses orale of parenterale glucocorticoïden nodig zijn. Uit een onderzoek van 12 weken bleek dat de frequentie en het type bijwerkingen van Plenadren dat eenmaal per dag als MR-tablet werd gegeven, en van driemaal daags hydrocortisontabletten in het algemeen vergelijkbaar waren. Bij ongeveer één op de vijf patiënten was er een aanvankelijke toename in de frequentie van bijwerkingen; dit werd waargenomen tot acht weken na de overgang van conventionele hydrocortisontabletten, drie keer per dag, op MR-tabletten die éénmaal per dag werden gegeven. Deze bijwerkingen (buikpijn, diarree, misselijkheid en vermoeidheid) zijn echter licht of matig, van voorbijgaande aard, van korte duur, maar het kan noodzakelijk zijn de dosis bij te stellen of bijkomende geneesmiddelen te gebruiken, zie rubriek Gebruik bij bijkomende ziekte’. Vermoeidheid is gerapporteerd als zeer vaak voorkomend. Tabel met bijwerkingen: Een totaal van 80 patiënten (173 patiëntjaren aan gegevens) is in klinische onderzoeken behandeld met gereguleerde afgifte van hydrocortison. Bijwerkingen uit deze onderzoeken en postmarketingervaring worden hieronder genoemd. De gegevens worden als volgt per systeem/orgaanklasse en frequentie weergegeven: Zeer vaak ( 1/10); vaak ( 1/100, < 1/10). Zenuwstelselaandoeningen: Zeer vaak: Vertigo, Hoofdpijn; Maagdarmstelselaandoeningen: Zeer vaak: Diarree; Vaak: Bovenbuikpijn, Nausea; Huid- en onderhuidaandoeningen: Vaak: Pruritus, Rash: Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: Vaak: Artralgie; Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen: Zeer vaak: Vermoeidheid; Bovendien zijn de volgende bijwerkingen gerapporteerd voor andere hydrocortisonmiddelen die in hogere doses worden gegeven voor andere indicaties dan als vervangingstherapie voor bijnierschorsinsufficiëntie (frequenties niet bekend). Immuunsysteemaandoeningen: Activering van een infectie (tuberculose, schimmel- en virale infecties waaronder herpes). Endocriene aandoeningen: Inductie van glucose-intolerantie of diabetes mellitus. Voedings- en stofwisselingsstoornissen: Natrium- en waterretentie en neiging tot oedeem, hypertensie, hypokaliëmie. Psychische stoornissen: Euforie en psychose, slapeloosheid. Oogaandoeningen: Verhoogde intraoculaire druk en cataract. Maagdarmstelselaandoeningen: Dyspepsie en verergering van een reeds bestaande maagzweer. Huid- en onderhuidaandoeningen: Cushing-achtige symptomen, huidstriemen, echymosen, acne en hirsutisme, verstoorde wondgenezing. Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: Osteoporose met spontane botbreuken. Melding van vermoedelijke bijwerkingen: Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem: Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl. Farmacotherapeutische categorie: Corticosteroïden voor systemisch gebruik, glucocorticoïden. ATC-code: H02AB09. Houder van de handelsvergunning: Shire Services BVBA, Rue Montoyer 47, B - 1000 Brussel, België. Nummers van de handelsvergunning: Plenadren 5 mg: EU/1/11/715/001 (1 fles met 50 tabletten); EU/1/11/715/003 (2 flessen met 50 tabletten) Plenadren 20 mg: EU/1/11/715/002 (1 fles met 50 tabletten); EU/1/11/715/006 (2 flessen met 50 tabletten) Afleverstatus: UR Datum van herziening van de tekst: 05/2018. Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu. Volledige productinformatie is verkrijgbaar via de lokale vertegenwoordiger in Nederland: Takeda Nederland bv, Hoofddorp of www.takeda.nl. Referenties: 1. Isidori AM et al. Lancet Diabetes Endocrinol. 2018;6(3):173–185. 2. PLENADREN samenvatting van de productkenmerken, mei 2018. 3. Giordano R et al. Endocrine. 2016 Feb;51(2):360-8. Productiedatum: mei 2021 C-APROM/NL/PLE/0008
Referentie: 1. EMA. CIMZIA® SmPC [Internet]. [geciteerd in maart 2021]. Beschikbaar op: https://www.ema. europa.eu/documents/product-information/cimzia-epar-product-information_en.pdf. Verkorte product informatie Cimzia® (certolizumab pegol) Samenstelling: Certolizumab pegol 200 mg in één ml in een voorgevulde spuit, voorgevulde pen of doseercartridge. Indicatie(s): Reumatoïde artritis (RA): Cimzia is, in combinatie met methotrexaat (MTX), geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige, actieve RA bij volwassen patiënten die onvoldoende reageren op diseasemodifying antirheumatic drugs (DMARD’s), inclusief MTX. Cimzia kan als monotherapie worden gegeven in geval van intolerantie voor MTX of wanneer voortgezette behandeling met MTX ongewenst is. Cimzia in combinatie met MTX is ook geïndiceerd bij ernstige, actieve en progressieve RA bij volwassenen die niet eerder zijn behandeld met MTX of andere DMARD’s. Gebleken is dat Cimzia, gegeven in combinatie met MTX, een remmend effect heeft op de progressiesnelheid van gewrichtsschade, zoals gemeten door middel van röntgenonderzoek, en de fysieke functie verbetert. Axiale spondylartritis: Cimzia is geïndiceerd bij volwassen patiënten met ernstige actieve axiale spondylartritis, waaronder: Spondylitis ankylopoetica (AS): volwassenen met ernstige actieve spondylitis ankylopoetica die onvoldoende reageren op of die intolerant zijn voor nietsteroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s). Axiale spondyloartritis zonder röntgenologisch bewijs van AS: Volwassenen met ernstige actieve axiale spondyloartritis zonder röntgenologisch bewijs van SA, die onvoldoende reageren op of die intolerant zijn voor NSAID’s, maar met objectieve tekenen van ontsteking door een verhoogd C-reactief proteïne (CRP) en/of positieve Magnetic Resonance Imaging (MRI). Artritis psoriatica: Cimzia in combinatie met MTX is geïndiceerd voor actieve artritis psoriatica bij volwassenen met onvoldoende respons op eerdere DMARD-therapie. Cimzia kan als monotherapie worden gegeven in geval van intolerantie voor MTX of wanneer voortgezette behandeling met MTX ongewenst is. Plaque psoriasis: Cimzia is geïndiceerd bij matige tot ernstige plaque psoriasis bij volwassenen die in aanmerking komen voor systemische behandeling. Dosering en toediening: de behandeling met Cimzia dient te worden gestart en plaats te vinden onder supervisie van een arts met ervaring in de diagnose en behandeling. Oplaaddosis: De aanbevolen startdosis is 400 mg (2 subcutane injecties van elk 200 mg) in week 0, 2 en 4. Onderhoudsdosering: RA en artritis psoriatica: De aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken. Wanneer de klinische respons is bevestigd, kan een alternatieve onderhoudsdosering van 400 mg elke 4 weken worden overwogen. MTX dient, waar van toepassing, tijdens de behandeling met Cimzia te worden voortgezet. Axiale spondyloartritis: de aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken of 400 mg om de 4 weken. Na minimaal 1 jaar behandeling kunnen bij axSpA-patiënten met aanhoudende remissie een verlaagde onderhoudsdosis van 200 mg om de 4 weken overwegen. Voor bovenstaande indicaties, moet zorgvuldig worden overwogen om de behandeling voort te zetten bij patiënten zonder bewijs van therapeutisch voordeel in de eerste 12 weken van de behandeling. Plaque psoriasis: De aanbevolen onderhoudsdosis is 200 mg om de 2 weken. Bij onvoldoende respons kan 400 mg om de 2 weken worden overwogen. Beschikbare gegevens van volwassenen met plaque psoriasis duiden erop dat een klinische respons gewoonlijk binnen 16 weken behandeling wordt bereikt. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de hulpstoffen; actieve tuberculose of andere ernstige infecties zoals sepsis of opportunistische infecties; matig tot ernstig hartfalen (NYHA-klasse III / IV). Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Alle patiënten moeten zorgvuldig worden gecontroleerd op infecties, waaronder tuberculose, voor, tijdens en gedurende 5 maanden na de behandeling met Cimzia. Patiënten bij wie een nieuwe infectie ontstaat, dienen nauwgezet te worden gecontroleerd. Als bij een patiënt een nieuwe ernstige infectie ontstaat, moet de toediening van Cimzia worden stopgezet tot de infectie onder controle is. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van recidiverende of opportunistische infecties, waaronder patiënten die gelijktijdig corticosteroïden of immunosuppressiva gebruiken, of bij ouderen. Als vóór of tijdens de behandeling actieve tuberculose wordt vastgesteld, mag Cimzia niet worden gestart en moet de behandeling worden stopgezet. Als latente tuberculose wordt gediagnosticeerd, moet vóór het begin van de behandeling met Cimzia gestart worden met antituberculeuze therapie en dienen de voordelen van behandeling te worden afgewogen tegen de risico’s ervan. Patiënten moeten worden geïnstrueerd een arts te raadplegen als er tijdens of na behandeling met Cimzia tekenen/symptomen ontstaan die op tuberculose duiden (bijvoorbeeld aanhoudend hoesten, vermageren/gewichtsverlies, subfebriele temperatuur, lusteloosheid). Test patiënten op hepatitis B infectie (HBV) voor aanvang Cimzia behandeling. Dragers van HBV die met Cimzia behandeld worden, moeten tijdens en tot enkele maanden na de behandeling gecontroleerd worden. Reactivering van HBV is opgetreden bij patiënten die chronische dragers van dit virus waren en TNF-antagonisten kregen, waaronder Cimzia. Sommige gevallen met fatale afloop. Bij HBV-reactivering, stop Cimzia behandelingen. Een mogelijk risico op lymfomen, leukemie of andere maligniteiten bij behandeling met TNF-antagonisten kan niet worden uitgesloten. Voorzichtigheid is geboden bij een voorgeschiedenis van maligniteiten of wanneer overwogen wordt de behandeling voort te zetten bij patiënten bij wie een maligniteit is ontstaan. Melanoom en Merkelcelcarcinoom zijn gemeld bij patiënten die behandeld werden met TNF-antagonisten, waaronder Cimzia. Periodiek huidonderzoek wordt aangeraden, vooral bij patiënten met risicofactoren voor huidkanker. Adviseer patiënten onmiddellijk medisch advies te vragen als ze tekenen en symptomen ontwikkelen die wijzen op bloeddyscrasie of een infectie. Bij Cimzia is medisch significante cytopenie gemeld. Overweeg stopzetten van de behandeling bij bewezen significante hematologische afwijkingen. Gebruik van TNF-antagonisten is in zeldzame gevallen in verband gebracht met demyeliniserende aandoening, waaronder multipele sclerose. Overweeg de baten-
risicoverhouding bij een reeds bestaande of recent opgetreden demyeliniserende aandoening. Zeldzame gevallen van neurologische aandoeningen zijn gerapporteerd bij Cimzia. Er zijn na toediening van Cimzia zelden ernstige overgevoeligheidsreacties gerapporteerd. Enkele van deze reacties kwamen voor na de eerste toediening van Cimzia. Als er ernstige reacties ontstaan, moet toediening van Cimzia onmiddellijk worden gestaakt en een adequate behandeling worden ingesteld. Voorzichtigheid is geboden bij voorgeschiedenis van ernstige overgevoeligheid voor een andere TNF-antagonist. Cimzia is in verband gebracht met de vorming van antinucleaire antilichamen (ANA) en de ontwikkeling van een lupusachtig syndroom. Als de patiënt lupusachtig syndroom ontwikkelt, moet de behandeling worden stopgezet. Cimzia dient voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met licht hartfalen. Stop de behandeling bij nieuwe of verslechterende symptomen van congestief hartfalen. Voorzichtigheid is geboden bij COPD-patiënten en patiënten met een verhoogd risico op maligniteiten als gevolg van zwaar roken. Patiënten die Cimzia krijgen, kunnen worden gevaccineerd, behalve met levende vaccins. Cimzia kan onjuist verhoogde aPTT-testresultaten veroorzaken bij patiënten zonder stollingsafwijkingen. De naaldbeschermer bevat een derivaat van natuurlijk rubberlatex dat allergische reacties kan veroorzaken. Noteer de naam en het batchnummer van het toegediende product om de traceerbaarheid van biologische producten te verbeteren. Interacties: De combinatie van Cimzia en anakinra of abatacept wordt niet aanbevolen. Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding: Voor vrouwen die zwanger kunnen worden, dient het gebruik van adequate anticonceptie om zwangerschap te voorkomen te worden overwogen. Voor vrouwen die zwanger willen worden, kan het voortzetten van anticonceptie worden overwogen gedurende 5 maanden na de laatste dosis Cimzia vanwege de eliminatiesnelheid, maar er dient ook rekening te worden gehouden met de noodzaak voor behandeling van de vrouw. Gegevens die prospectief werden verzameld van meer dan 500 zwangerschappen waarbij Cimzia werd gebruikt met bekende zwangerschapsuitkomsten, waaronder meer dan 400 zwangerschappen waarbij tijdens het eerste trimester blootstelling aan Cimzia plaatsvond, duiden niet op een misvormend effect van Cimzia. De beschikbare klinische ervaring is echter te beperkt om met redelijke zekerheid te concluderen dat er bij toediening van Cimzia tijdens de zwangerschap geen verhoogd risico bestaat. Omdat Cimzia TNF- remt, kan Cimzia bij toediening tijdens zwangerschap de normale immuunrespons van de pasgeborene aantasten. Cimzia mag alleen tijdens de zwangerschap worden gebruikt indien dit klinisch nodig is. In een klinisch onderzoek werden 16 vrouwen tijdens de zwangerschap behandeld met certolizumab pegol. De plasmaconcentraties van certolizumab pegol die bij de geboorte bij 14 zuigelingen werden gemeten, waren in 13 monsters lager dan de bepalingsgrens; één monster had een waarde van 0,042 μg/ml met een zuigeling/moeder plasmaratio bij de geboorte van 0,09%. In week 4 en 8 lagen de concentraties van alle zuigelingen onder de bepalingsgrens. De klinische relevantie van lage concentraties certolizumab pegol voor zuigelingen is niet bekend. In een klinisch onderzoek bij 17 vrouwen die borstvoeding gaven en met Cimzia werden behandeld, werd een minimale overdracht van certolizumab pegol van het plasma naar de moedermelk waargenomen. Het percentage van de maternale dosis Cimzia die een zuigeling bereikt in een periode van 24 uur, werd geschat op 0,04% tot 0,3%. Aangezien certolizumab pegol een eiwit is dat na orale toediening wordt afgebroken in het maag-darmkanaal, is de absolute biologische beschikbaarheid bij een zuigeling die borstvoeding krijgt bovendien naar verwachting zeer laag. Daarom kan Cimzia worden gebruikt tijdens het geven van borstvoeding. Bijwerkingen: Vaak voorkomende bijwerkingen ( 1/100 tot <1/10): bacteriële en virale infecties, eosinofiele afwijkingen, leukopenie, hoofdpijn, sensorische afwijkingen, hypertensie, misselijkheid, hepatitis (inclusief verhoogde leverenzymen), huiduitslag, pyrexie, pijn, asthenie, pruritus (waar dan ook), reacties op de injectieplaats. Ernstige bijwerkingen: omvatten sepsis, opportunistische infecties, tuberculose, herpes zoster, lymfoom, leukemie, solide orgaantumoren, angioneurotisch oedeem, cardiomyopathieën (waaronder hartfalen), ischemische coronaire aandoeningen, pancytopenie, verhoogde bloedstolling (waaronder tromboflebitis, longembolie), cerebrovasculair accident, vasculitis, hepatitis/ hepatopathie (waaronder cirrose), nierfunctiestoornis/nefropathie (waaronder nefritis). Raadpleeg de volledige voorschrijfinformatie in uw land voordat u dit geneesmiddel voorschrijft. Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem (Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl). Verpakking: Eén ml voorgevulde spuit met een zuigerstop, bevattende 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 voorgevulde spuiten en twee alcoholdoekjes. Eén voorgevulde 1 ml pen (AutoClicks) die een voorgevulde spuit met een zuigerstop, bevattende 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 voorgevulde pennen en twee alcoholdoekjes. Eén ml patroon voor dosisdispenser die een voorgevulde spuit met een zuigerstop bevat. De voorgevulde spuit bevat 200 mg certolizumab pegol. Verpakkingsgrootte met 2 patronen voor dosisdispenser en 2 alcoholdoekjes. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren: Bewaren in de koelkast (2ºC - 8ºC), niet in de vriezer. Kan worden bewaard bij kamertemperatuur (tot 25°C) gedurende één periode van ten hoogste 10 dagen, indien beschermd tegen licht. Afleverstatus: U.R. Vergoeding en prijs: zie Z-index Datum van herziening: maart 2021 Vergunningsnummer: EU/1/09/544/001-002-003-004-005-006-007 Datum van vergunning: Oktober 2009. Raadpleeg voor gebruik de volledige SPC, deze is op aanvraag verkrijgbaar bij de registratiehouder: UCB Pharma S.A. Allée de la Recherche 60 B-1070 Brussel België. NL-P-CZ-AS-2100021
SLLIIM
gel-gemoduleerde afgifte
unieke i ke kinetiek ineti k 1,2
Directe pij ijjnbestrij ijding bijiijj kankerr kon b toch nog g beter
1-5
RAAK A 94%
adeq quate pijnstilli tilling iin 94% van de doorbraakpij d b n-episodes 4,5
KLAAR 90%
houdt, na juiste titrati i tie, 16 6 weken adequate l pijnstilling zonder dosisverhoging 4,5
Productinformatie en referenties zie elders in deze uitgave.
PecFent is geïndiceerd voor het onderr controle houden van doorbraakpijn biij volw wassenen die al een onderhoudstherapie met opioïden ondergaan voor chronische kankerpijn. KKI/NL/PEC/0026
PecFent 100 microgram en 400 microgram/spray, neusspray, oplossing Samenstelling: Elke ml oplossing bevat ofwel 1000 mcg of 4000 mcg fentanyl (als citraat). Elke spray (100 microliter) bevat ofwel 100 mcg of 400 mcg fentanyl (als citraat). Elke fles PecFent 100 mcg bevat 2 of 8 sprays. Elke fles PecFent 400 mcg bevat 8 sprays. Indicatie: Onder controle houden van doorbraakpijn (BTP) bij volwassenen die al een onderhoudstherapie met opioïden ondergaan voor chronische kankerpijn. Onderhoudstherapie wordt gedefinieerd als ten minste 60 mg orale morfine per dag, ten minste 25 mcg transdermale fentanyl per uur, ten minste 30 mg oxycodon per dag, ten minste 8 mg oraal hydromorfon per dag of een equianalgetische dosis van een ander opioïd gedurende een week of langer. Dosering en wijze van toediening: De behandeling dient te worden geïnitieerd door, en onder toezicht te blijven van, een arts die ervaring heeft in de toepassing van opioïdentherapie bij kankerpatiënten. PecFent dient te worden getitreerd tot een effectieve dosis die adequate analgesie biedt en bijwerkingen tot een minimum beperkt. Aanvangsdosis: Eén spray van 100 mcg; patiënten moeten ten minste 4 uur wachten alvorens een volgende BTP-episode met PecFent te behandelen. Titratie: Als de aanvangsdosis geen effect heeft, kan voor de volgende BTP-episode een hogere dosis van twee sprays van 100 mcg (één in elk neusgat) worden gebruikt. Als deze dosis niet helpt, kan men de patiënt een fles PecFent 400 mcg/spray voorschrijven en opdragen over te schakelen op één spray van 400 mcg voor de volgende pijnepisode. Als deze dosis niet helpt, kan men de patiënt opdragen de dosis te verhogen naar twee sprays van 400 mcg (één in elk neusgat). Zodra een effectieve dosis is bereikt, dient deze gedurende twee opeenvolgende behandelde BTP-episoden te worden bevestigd. Onderhoud: Patiënten dienen door te gaan met het gebruiken van de vastgestelde effectieve dosis tot maximaal 4 doses per dag. Dosisbijstelling: De dosis van PecFent dient alleen te worden verhoogd als de dan gebruikte dosis de BTP gedurende een aantal opeenvolgende episoden niet adequaat kan behandelen. Herzie de achtergrondtherapie met opioïden als de patiënt constant meer dan vier BTP-episoden per 24 uur heeft. Verlaag de dosis van PecFent als bijwerkingen ondraaglijk zijn of aanhouden. Stoppen met de behandeling: Men dient onmiddellijk te stoppen met de behandeling met PecFent wanneer de patiënt geen BTP-episoden meer ondervindt. De behandeling voor achtergrondpijn dient volgens voorschrift te worden voortgezet. Als stoppen met de gehele opioïdentherapie nodig is, moet de patiënt nauwlettend worden gevolgd door de arts, daar geleidelijke afnemende titratie noodzakelijk is om ontwenningseffecten te voorkomen. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of hulpstoffen. Patiënten zonder opioïdenonderhoudstherapie omdat er een verhoogd risico op ademhalingsdepressie is. Ernstige ademhalingsdepressie of zelfs ernstige obstructieve longaandoeningen. Behandeling van een acute pijn anders dan doorbraakpijn. Waarschuwingen en voorzorgen: PecFent bevat fentanyl in een hoeveelheid die fataal kan zijn voor een kind en daarom dient PecFent buiten het zicht en bereik van kinderen te worden gehouden. Om de risico’s van bijwerkingen tot een minimum te beperken en om de effectieve dosis te bepalen, is het belangrijk dat patiënten tijdens de titratieperiode nauwlettend worden gemonitord. Het is belangrijk dat de behandeling met langwerkende opioïden voor het behandelen van de persisterende pijn van de patiënt is gestabiliseerd voordat de therapie met PecFent begint. Na herhaalde toediening van opioïden als fentanyl kunnen zich tolerantie en afhankelijkheid ontwikkelen. Ook moet in geval van onvoldoende pijncontrole na een verhoogde dosis fentanyl rekening worden gehouden met de mogelijkheid van door opioïden geïnduceerde hyperalgesie. Er is een klinisch significant risico op ademhalingsdepressie bij gebruik van fentanyl, maar chronisch opioïdengebruik verlaagt dit risico. Bij patiënten met chronisch obstructieve longziekten kan fentanyl ernstiger bijwerkingen veroorzaken. PecFent dient met uiterste voorzichtigheid te worden toegediend aan patiënten met verhoogde intracraniële druk. Fentanyl kan bradycardie veroorzaken; PecFent dient daarom voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met eerder opgetreden of bestaande bradyaritmieën. Ook bij patiënten met hypovolemie en hypotensie dient men behandeling zorgvuldig te overwegen. Men dient voorzichtig te zijn met het toedienen van PecFent aan patiënten met lever- of nierinsufficiëntie; aangetoond is dat bij intraveneuze toediening de klaring van fentanyl verandert bij lever- en nierinsufficiëntie, als gevolg van veranderingen in metabolische klaring en plasmaproteïnen. Voorzichtigheid is geboden wanneer PecFent gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die de serotonerge neurotransmittersystemen beïnvloeden. Indien serotoninesyndroom wordt vermoed, dient behandeling met PecFent te worden gestaakt. De veiligheid en werkzaamheid van PecFent bij kinderen onder de leeftijd van 18 jaar zijn niet vastgesteld. Bijwerkingen: Met PecFent zijn de voor opioïden typerende bijwerkingen te verwachten. De ernstigste mogelijke bijwerkingen zijn respiratoire depressie, circulatoire depressie, hypotensie en shock; alle patiënten dienen daarop te worden gemonitord. Vaak: desoriëntatie, dysgeusie, duizeligheid, somnolentie, hoofdpijn, epistaxis, rinorroe, nasaal ongemak, braken, nausea, constipatie en pruritus. Voorschrijvers dienen de SPC te raadplegen voor andere bijwerkingen. Nummers van handelsvergunning: EU/1/10/644/001-7. Houder van handelsvergunning: Kyowa Kirin Holdings B.V., Bloemlaan 2, 2132NP Hoofddorp, Nederland. De volledige productinformatie (SmPC) is op aanvraag verkrijgbaar bij Kyowa Kirin Pharma B.V., tel. 0900-1231236. Afleveringsstatus: UR. Vergoeding en prijzen: PecFent wordt volledig vergoed binnen het GVS. Voor prijzen wordt verwezen naar de Z-index taxe. Datum: Jun 2018 (v2). Referenties: 1. Fisher A, Walting M, Smith A et al. Int. J. Clin. Pharmacol. Ther. 2010:48(12):860-867 2. Watts P and Smith A Expert Opin Drug Deliv 2009;6(5):543-553 3. Castile J, Cheng Y, Simmons B et al. Drug Dev Ind Pharm. 2013;39(5):816-824 4. Portenoy KR, Raffaeli W, Torres LM et al. J. Opioid Manag. 2010;6(5):319-328 5. Samenvatting van de productkenmerken PecFent, september 2018
Verkorte Productinformatie Enerzair® Breezhaler® 114 microgram/46 microgram/ 136 microgram inhalatiepoeder in harde capsules Samenstelling Elke capsule bevat 150 microgram indacaterol (als acetaat), 63 microgram glycopyrroniumbromide overeenkomend met 50 microgram glycopyrronium en 160 microgram mometasonfuroaat. Elke afgeleverde dosis bevat 114 microgram indacaterol (als acetaat), 58 microgram glycopyrroniumbromide overeenkomend met 46 microgram glycopyrronium en 136 microgram mometasonfuroaat. Bevat lactose. Indicatie Als onderhoudsbehandeling van astma bij volwassen patiënten die niet voldoende onder controle zijn met een onderhoudscombinatie van een langwerkende bèta2-agonist en een hoge dosis van een inhalatiecorticosteroïd en die een of meer astma-exacerbaties doormaakten in het voorgaande jaar. Farmacotherapeutische groep Geneesmiddelen voor obstructieve luchtwegaandoeningen, adrenergica in combinatie met anticholinergica incl. drievoudige combinaties met corticosteroïden. Contra-indicaties Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen. Waarschuwingen Dit geneesmiddel mag niet worden gebruikt voor de behandeling van acute astmasymptomen, waarvoor een kortwerkende bronchodilatator noodzakelijk is. Als verschijnselen die duiden op allergische reacties optreden, moet de behandeling onmiddellijk worden gestaakt en moet een alternatieve behandeling worden gestart. Net als bij andere inhalatietherapie, kan toediening van dit geneesmiddel leiden tot paradoxale bronchospasmen, die levensbedreigend kunnen zijn. Als dit gebeurt, moet de behandeling onmiddellijk worden stopgezet en moet een alternatieve behandeling worden gestart. Net als andere geneesmiddelen die bèta2-adrenerge agonisten bevatten, kan dit geneesmiddel een klinisch signifi cant cardiovasculair effect teweegbrengen bij sommige patiënten. Dit wordt waargenomen als toename in de polsslag, verhoging van de bloeddruk en/of meer symptomen. Als dergelijke effecten optreden, kan het nodig zijn de behandeling stop te zetten. Dit geneesmiddel dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met cardiovasculaire aandoeningen, convulsieve aandoeningen of thyrotoxicose, bij patiënten die ongewoon gevoelig reageren op bèta2-adrenerge agonisten, bij patiënten met een bekende of vermoede verlenging van het QT-interval of die worden behandeld met geneesmiddelen die het QT-interval beïnvloeden. Bèta2-adrenerge agonisten kunnen een signifi cante hypokaliëmie teweegbrengen, wat ongewenste cardiovasculaire effecten kan veroorzaken. Bij patiënten met ernstig astma kan dit worden versterkt door hypoxie en co-medicatie die de gevoeligheid voor hartaritmie kan verhogen. Inhalatie van hoge doses bèta2 adrenerge agonisten en corticosteroïden kan een stijging van de plasmaglucosespiegel veroorzaken. De plasmaglucosespiegel moet vaker worden gecontroleerd bij patiënten met diabetes. Net als andere anticholinergica moet dit geneesmiddel met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met nauwekamerhoekglaucoom of urineretentie. Bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis, met inbegrip van patiënten met nierziekte in het eindstadium die dialyse vereist, is voorzichtigheid geboden. Systemische effecten van inhalatiecorticosteroïden kunnen voorkomen, met name bij hoge doses die langdurig worden voorgeschreven. Dit geneesmiddel moet met voorzichtigheid worden toegediend aan patiënten met longtuberculose of bij patiënten met chronische of onbehandelde infecties. Bijwerkingen Zeer vaak nasofaryngitis, astma (exacerbatie). Vaak bovenste luchtweginfectie, candidiasis, urineweginfectie, overgevoeligheid, hoofdpijn, tachycardie, orofaryngeale pijn, hoesten, dysfonie, gastro-enteritis, musculoskeletale pijn, spierspasmen, pyrexie. Soms hyperglykemie, cataract, droge mond, huiduitslag (rash), pruritus, dysurie. Afleverstatus UR Verpakking en prijs Zie Z-Index. Vergoeding Volledig vergoed. Registratiehouder Novartis Europharm Limited Lokale vertegenwoordiger NIEUW 1-MAAL DAAGS Novartis Pharma B.V., Haaksbergweg 16, 1101 BX Amsterdam Meer informatie Voor meer informatie kunt u bellen met 088-0452111. De volledige productinformatie kunt u raadplegen via www.novartis.nl/medicijnen. Datering verkorte indacaterolacetaat / glycopyrroniumbromide / productinformatie november 2020 mometasonfuroaat inhalatiepoeder
KKI/NL/PEC/0028
WE BELIEVE TTHAT COLOR MAKES YOU HAPPY, SO MIX & M MATCH OUR HOME & FASHION PRODUCTS TO MAKE YOUR OWN PERSONAL AL STYLE!
FIND US! www.imbarro.nl info@imbarr o.nl T. +31 55 5422766
FIND YOUR NEAREST IMBARRO STO ORE AT IMBARRO.NL/MAPLIST
~Advertorial~
Rabobank Medicidesk
Dé specialist voor medisch specialisten Een dedicated, multidisciplinair team van vakspecialisten, zo dichtbij mogelijk georganiseerd rondom de financiële vraagstukken van (para)medici. Bijvoorbeeld op het gebied van nieuwe zorgconcepten of bij het toetreden tot een vakgroep. Maar ook bij individuele vragen als het afsluiten van verzekeringen, het kopen van een huis of pensioen- of vermogensopbouw.
D
oor krachtenbundeling van de Limburgse
Medicidesk toe. “Als coöperatieve Rabobank zetten we onze
Rabobanken is de Medicidesk actief in de hele
kennis, dienstverlening en ons netwerk graag in om
provincie. “Onze adviseurs weten wat er lokaal en
(para)medici te helpen deze ontwikkelingen tot kansen om te
landelijk speelt in de zorg en zijn vertrouwd met financiële
buigen en financiële rust te brengen.”
onderwerpen waar (para)medici mee te maken hebben. We benaderen alle vraagstukken vanuit meerdere disciplines, van
Pascal Vandermeulen, Directeur Coöperatieve Rabobank Zuid-
Bedrijven, Private Banking en Verzekeringen tot Financieel
Limburg West: “We stimuleren ondernemerschap om efficiënt en innovatief met de zorg om te gaan en deze betaalbaar en
“We benaderen alle vraagstukken vanuit meerdere disciplines, van Bedrijven, Private Banking en Verzekeringen tot Financieel Advies”
dichtbij te houden. Dat doen we met kapitaalproducten als de Rabo Innovatielening, bedoeld om innovaties te financieren. Maar we participeren bijvoorbeeld ook samen met partners als de provincie Limburg, LIOF en DSM in een aantal venture capital fondsen om innovatieve startups en scale-ups in de zorg te helpen groeien. Zo bouwen we samen aan een solide
Advies. Zakelijke keuzes hebben immers ook impact op de
zorglandschap en aan de toekomst van Limburg.”
privésituatie. Dat maakt de Medicidesk tot een krachtige, waardevolle partner. Zeker in tijden waarin van medici naast
John Janssen: “Verspreid over het land zijn er veertien
optimale patiëntenzorg ook ondernemerschap wordt
Medicidesks, Limburg is er daar één van. Door onderlinge
gevraagd”, licht John Janssen als aanjager van de Limburgse
afstemming en korte lijnen met de Sectorspecialisten
~Advertorial~
Pascal Vandermeulen & John Janssen
Gezondheidszorg van Rabobank Nederland, kunnen we snel
vrouwen. Dat doen we graag, en dat vinden we ook belangrijk.
en gericht inspelen op ontwikkelingen. Door die
Zo zijn we niet alleen van meerwaarde voor onze klanten,
krachtenbundeling kunnen we onze dienstverlening
maar ook voor Limburg.”
voortdurend verbeteren. En dat werpt zijn vruchten af, want met een marktaandeel van 29% in de medische sector zijn we
Heb je een vraag of ben je benieuwd wat de Medicidesk voor
een serieuze partner in de zorg; op financieel gebied, maar
jou kan betekenen? Neem voor meer informatie of het maken
door onze specialistische kennis zijn we ook een stevige
van een afspraak contact op met John Janssen:
sparringpartner.”
E: +31 6 134 403 79 M: John.Janssen@rabobank.nl
“We zetten onze expertise en ons netwerk bovendien graag in om initiatieven in de zorg mede mogelijk te maken”, vult Pascal Vandermeulen aan. “Zo zijn we als partner verbonden aan het onderzoek Queen of Hearts van MUMC+, gericht op het voorkomen en behandelen van hart- en vaatziekten bij
www.rabobank.nl
AFVALLEN Ondanks mijn wil een enorme uitdaging.
Ondersteun uw patiënten Saxenda®. Een receptgeneesmiddel voor gewichtsverlies bij: • Volwassenen met een BMI 27 kg/m2 i.c.m. één of meer co-morbiditeiten of een BMI 30 kg/m2.1 • Adolescente patiënten van 12 jaar en ouder met: - obesitas (BMI overeenkomend met 30 kg/m² voor volwassenen volgens internationale grenswaarden) en - lichaamsgewicht boven 60 kg. Wilt u meer weten? www.saxenda-voor-arts.nl Gebruik de login code: Sax7261 óf scan de QR-code
8,0 %
Gemiddeld gewichtsverlies na 1 jaar bij volwassenen met een BMI 27 kg/m2 en dyslipidemie en/of hypertensie of BMI 30 kg/m2.*2
SCALE obesitas en prediabetes: Een 56 weken durende placebo-gecontroleerde dubbelblinde studie (n=3731) naar de veiligheid en werkzaamheid van Saxenda® toegevoegd aan leefstijlinterventie in de vorm van een energiebeperkt dieet en lichaamsbeweging onder begeleiding.
* Gewichtsverlies verschil vs. placebo: -5,4% (P<0,001)2 NL21SX00021 Verkorte productinformatie en referentie zie elders in deze uitgave.