





































































![]()






































































Rijnstate is een ziekenhuis met locaties in Arnhem, Zevenaar en Elst, en behoort tot de 27 Samenwerkende topklinische (STZ) ziekenhuizen in Nederland die hooggespecialiseerde medische zorg verlenen.
Rijnstate Research & Innovatie bericht over inhoudelijke medisch-wetenschappelijke en innovatie ontwikkelingen van zorgprofessionals in en/of gelieerd aan Rijnstate, en biedt tevens inzicht in professionalisering issues. Rijnstate Research & Innovatie verschijnt twee keer per jaar in een oplage van 1500 exemplaren en is ook op de website van het ziekenhuis te vinden.
Wilt u het magazine liever online ontvangen?
Neem dan contact met ons op via wetenschapsbureau@rijnstate.nl.
Hoofdredactie
Michael van Balken
Simone Croezen
Redactie
Martin Hemels
Laura Kooij
Eva Smit
Lisanne Spiegelenberg
Jeroen van Waarde
Kirsten Daniels
Thomas van Kuipers
Eindredactie
Annet Berendsen
Lian Roovers
Fotografie
Multiplus
Rijnstate
Redactieadres
Rijnstate, Wetenschapsbureau intern postnummer 1974
Postbus 9555
6800 TA Arnhem wetenschapsbureau@ rijnstate.nl
Vormgeving
Maurice de Jong
Uitgever en acquisitie
Multiplus BV Drachten
Taco de Haan
Jessica M. Jager-Ferwerda
ISSN 2468-0036
© Niets uit dit magazine mag openbaar gemaakt worden, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de redactie. De redactie van Rijnstate Research & Innovatie stelt zich niet verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke informatie in dit magazine. Bij ingezonden stukken behoudt de redactie zich het recht voor om, zonder opgaaf van redenen, artikelen in te korten dan wel te weigeren. Ingezonden artikelen zonder naam worden niet geplaatst.
Vaarwel plof, welkom pling!

Er was eens… geen internet.
—> Mocht ik u nu al kwijt zijn: ga direct door naar A.
—> Bent u van die tijd of gewoon intrinsiek nieuwsgierig? Ga direct door naar B.
A. U zult verguld zijn: dit magazine, zoals dit altijd op papier werd uitgegeven, zal een digitale vorm gaan krijgen. Geen plof meer op de deurmat, maar een pling vanaf uw device. De precieze vorm zoeken we nog uit, de kwaliteit zal niet onderdoen.
—> ‘ klik’ door naar D.
B. Wie literatuur moest zoeken, diende zich door meters boeken met referenties heen te ploegen, de Index Medicus; wie artikelen wilde, kopieerde die uiteindelijk en ‘literatuur bijhouden’ betekende geabonneerd zijn op hard copy tijdschriften, vaak verpakt in plastic.
—> Mocht u gruwen van het totaal gebrek aan groen/duurzaam: ga alsnog verder bij A. —> Trekt u het nog een beetje: ga door naar C.
C. Toch zat er iets lekkers aan tijdschriften. De geur, het tastbare, maar vooral: het vaste format. Het maakte dat je naast waar je naar zocht, gedwongen botste op kennis die je nooit bedacht had, van buiten je interessegebied. Geen huidige fuik van zoekopdrachten en de rest nooit zien, maar gecontroleerd verdwalen in wat verder nog werd aangeboden. Ik ga mijn best doen dat te behouden, maar laat u nu toch botsen op:
—> A. (Start achter de : )
D. Ik was de afgelopen jaren van harte uw hoofdredacteur en zet de overgang naar nieuw in ieder geval nog graag voor uw voort. Tot ‘PLING’!
Michael van Balken




Innovatie en Zorgtransformatie in Rijnstate
Proefschrift Jacqueline Vernooij: preoperatieve risicovoorspelling en multidisciplinair overleg
Artikel......................................................................................................................................15
Rijnstate onderzoekt impact leefstijlzorg via Gezondheidsplein en landelijke samenwerking
Verpleegkundig onderzoek ..................................................................................................16
Gebruik van AI voor de update en wetenschappelijke onderbouwing van zorgprotocollen: RevAIse studie
Kort nieuws .............................................................................................................................19
Oncologisch Centrum Rijnstate erkend als Clinical Cancer Centre door OECI Promotiefonds kent subsidie toe aan onderzoek Eric Hazebroek
Artikel......................................................................................................................................20
Veganistisch eten en een optimale eiwitopbouw: gaat dit samen?
MedZO-subsidieprojecten: Samen werken aan betere zorg
Verbinding zorg, sport en bewegen

Eva Smit
27 mei 2025 Radboud Universiteit
Connecting Primary Care, Sports, and Physical Activity
Binnen de publieke gezondheidszorg wordt steeds vaker gezocht naar effectieve manieren om zorg, sport en bewegen duurzaam met elkaar te verbinden. Mijn promotieonderzoek, uitgevoerd binnen de Academische Werkplaats AMPHI van het Radboudumc, richtte zich op de rol van buurtsportcoaches in dit krachtenveld. Specifiek onderzocht ik de buurtsportcoaches die als intermediair optreden tussen de eerstelijnszorg en lokale beweeg- en sportaanbieders. De promotie vond plaats op 27 mei 2025, onder begeleiding van prof. dr. G.R.M. Molleman, prof. dr. J. van der Velden en prof. dr. ir. M.A.E. Wagemakers.
Centrale onderzoeksvraag was in hoeverre buurtsportcoaches bijdragen aan een actiever leefpatroon bij mensen met (chronische) gezondheidsklachten, en welke factoren hun effectiviteit bepalen. Tussen 2013 en 2017 volgden we vijftien buurtsportcoaches in
negen Nederlandse gemeenten. Uit de kwalitatieve en kwantitatieve analyses bleek dat de coaches drie kernrollen vervulden: makelaar (verbinden van professionals en organisaties), doorverwijzer (link tussen zorg en beweegaanbod) en organisator (initiëren en coördineren van activiteiten). De mate waarin deze rollen tot duurzame samenwerking leidden, bleek sterk afhankelijk van lokale context, beschikbare tijd, expertise en bestuurlijke prioriteit. Daarnaast werden 400 deelnemers aan beweegactiviteiten gedurende een jaar gevolgd. De wijze van werving bleek bepalend: deelnemers die via zorgprofessionals waren doorverwezen, vertoonden bij aanvang een minder gunstig beweeggedrag, hoger BMI en meer comorbiditeit dan deelnemers die via PR of persoonlijke uitnodiging werden bereikt. Tegelijkertijd was juist in deze groep de uitval het hoogst. Een belangrijk inzicht is dat ondersteuning na afloop van interventies cruciaal is: deelnemers die doelgerichtheid en sociale steun ervoeren, bleken beter in staat om hun beweeggedrag te onderhouden. Het vermogen om obstakels te overwinnen vormt daarmee een sleutelmechanisme voor duurzame gedragsverandering.
Curriculum Vitae
Eva Smit studeerde Social Work aan Avans Hogeschool en Bewegingswetenschappen aan de KU Leuven. In 2013 startte zij haar promotieonderzoek bij de Academische Werkplaats AMPHI van het Radboudumc. Vervolgens werkte zij als adviseur bij de afdeling Procesverbetering en Implementatie van het Radboudumc. Momenteel is zij programmamanager Preventie & Leefstijl bij Rijnstate en regisseur van het team Praktijkimplementatie en Kwaliteit voor de Coalitie Leefstijl in de Zorg (Vereniging Arts & Leefstijl).
UITBREIDING VIRTUAL FRACTURE CARE INNOVATIEF
ZORGPAD GEBROKEN ENKEL
Sinds 2023 hoeven patiënten met een relatief eenvoudige botbreuk voor nacontrole niet meer fysiek naar Rijnstate. De informatie en oefeningen die zij nodig hebben voor hun herstel zijn te vinden in de Virtual Fracture Care (VFC) app. Patiënten krijgen hiermee zorg op maat en meer eigen regie op het herstel. Zo wordt onnodig onderzoek of bezoek aan het ziekenhuis voorkomen.
Virtual Fracture Care gebroken enkel

Landelijk, met Rijnstate als één van de koploperziekenhuizen, gaan we nu een stap verder door ook een hybride zorgpad in te richten voor patiënten met een gebroken enkel. Voor Rijnstate gaat het om ongeveer 650 patiënten per jaar. In dit nieuwe zorgpad worden vragenlijsten gebruikt om onder andere pijn te meten en wondcontroles op afstand uit te voeren. We monitoren de patiënt op basis van de uitkomsten van deze vragenlijsten en de patiënt ontvangt, afhankelijk van de trauma- en eventuele operatiedatum, relevante informatie en beweegoefeningen. Deze worden gepersonaliseerd op basis van de afgesproken nabehandeling met een walker, brace of gips. De patiënt hoeft hierdoor minder vaak naar het ziekenhuis en krijgt persoonlijke begeleiding bij het herstel. We gaan hiervoor in Rijnstate de Patient Journey App gebruiken.
Landelijke samenwerking
Het zorgpad enkelfractuur is landelijk ontwikkeld door een team van traumachirurgen namens de beroepsverenigingen (Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie en Nederlandse Orthopaedische Vereniging) en Santeon- en mProve ziekenhuizen, waaronder Rijnstate. Gedurende de voorbereiding, implementatie en evaluatie van dit zorgpad werken we samen met deze ziekenhuizen.

Passende zorg, minder onnodige ziekenhuisbezoeken
Met deze nieuwe manier van zorg verlenen streven we naar:
• De patiënt persoonlijk blijven begeleiden in het herstel en eventuele complicaties vroegtijdig signaleren,
• Het zorgverbruik in het ziekenhuis beperken,
• Tijd vrij spelen van zorgverleners, die daardoor aan andere patiënten kan worden besteed.
“Met Virtual Fracture Care kunnen we onze patiënten digitaal én op individuele basis begeleiden, zelfs op afstand. Patiënten ervaren hiermee meer regie over hun eigen herstel. Ook helpt het ons om complicaties vroegtijdig te signaleren en tegelijkertijd het aantal ziekenhuisbezoeken te verminderen. Zo bieden we passende zorg en creëren we ruimte voor patiënten die dat het hardst nodig hebben.” Edo Hekma, traumachirurg
Deze zorgvernieuwing komt onder andere voort uit ons mProvetransformatieplan. Meer informatie over het mProve transformatieplan is te vinden in het vorige magazine (juni 2025).
Start en toekomstperspectief
In Rijnstate starten we dit najaar met de nieuwe werkwijze van de VFC gebroken enkel. In de komende jaren wordt gestreefd naar verdere uitbreiding van VFC voor bijvoorbeeld gebroken pols en sleutelbeen.
MONITORING AS A SERVICE: ICZORG OP DE VERPLEEGAFDELING
In Rijnstate zijn we gestart met Monitoring as a Service (MaaS), intramurale remote monitoring om IC-zorg slimmer en effectiever in te zetten. Patiënten die enkel monitoring van vitale waarden nodig hebben zoals bij longembolieën, nabloedingen of beginnende sepsis liggen nu op de IC/MC. Met MaaS verblijven patiënten op een reguliere verpleegafdeling, terwijl IC-personeel hen op afstand monitort. Met behulp van Mindray mWear-apparatuur worden ademhalingsfrequentie, bloeddruk, ECG, hartslag en zuurstofsaturatie gemonitord. Hierdoor kunnen zorgverleners vroegtijdig achteruitgang van patiënten signaleren en sneller ingrijpen en worden

onnodige IC-opnames voorkomen. De aanpak verhoogt de kwaliteit van patiëntenzorg op de verpleegafdelingen, optimaliseert de inzet van schaarse IC-bedden en kan uiteindelijk ook de zorgkosten verlagen. Deze kwaliteitsverhoging van patiëntenzorg is het resultaat van een verhoogd gevoel van veiligheid bij de patiënt, vermindering van stress door het voorkomen van de IC-opname en de verbeterde samenwerking tussen de IC en verpleegafdelingen.
Project: proces en technologie
Het doel van MaaS is het voorkomen van IC-opnames en reduceren van ligdagen op de IC. In het MaaS project zijn het gewenste proces, de geschikte patiëntpopulaties en de juiste technologie vastgesteld. De afdelingen IC, Longgeneeskunde, Urologie, Innovatie & Zorgtransformatie en Informatie en Medische Technologie hebben samen een werkwijze ontwikkeld om patiënten op verpleegafdelingen veilig te monitoren op de IC door de intensivist/ IC-arts assistent /IC verpleegkundige.
De IC (intensivist) beoordeelt aan de hand van vastgelegde criteria of een patiënt geschikt is voor intramurale remote monitoring en sluit vervolgens de apparatuur aan bij de patiënt. Tijdens de monitoringsperiode monitoren IC-verpleegkundigen, IC-arts assistenten en intensivisten de vitale waarden. De waarden zijn ook inzichtelijk voor afdelingsverpleegkundigen. De mWear apparatuur bestaat uit een polsband + vingersensor, draadloze ECG-module en een bloeddrukband met een draadloze bloeddrukmeter. De IC en de verpleegafdelingen hebben toegang tot een mobiele applicatie om snel en eenvoudig de waarden te bekijken.
Resultaten
De pilot liep van december 2024 tot april 2025 en in totaal zijn 22 patiënten gemonitord (11 patiënten van Longgeneeskunde, 7 van Urologie en 4 verspreid over de AOA, Neurologie en SEH). Gemiddeld werden patiënten 2 dagen gemonitord. Er zijn 4 patiënten dankzij vroegtijdige detectie overgeplaatst naar de IC. Naar schatting zijn 12 IC-opnames voorkomen, goed voor een besparing van 24 IC-ligdagen.
De IC en verpleegafdelingen zijn positief over het werkproces. Ook de draagbare apparatuur en technologie werd als eenvoudig in gebruik beoordeeld. Afdelingsverpleegkundigen ervaren ondersteuning en laagdrempelige hulp vanuit de IC, wat een veiliger gevoel geeft. Ook patiënten hebben aangegeven zich veilig te voelen tijdens de monitoringsperiode. Op basis van deze resultaten wordt MaaS vanuit de IC voor alle afdelingen in het ziekenhuis beschikbaar gesteld.
THUISMONITORING
Met thuismonitoring vanuit Rijnstate verplaatsen we zorg steeds vaker van het ziekenhuis naar de thuissituatie. Zo bieden we patiënten zorg in eigen omgeving wanneer dat kan, en alleen in het ziekenhuis wanneer dat echt nodig is. Het doel van thuismonitoring is een verkorting van ligduur en vermindering van ziekenhuisbezoeken. Daarnaast bevorderen we het zelfmanagement van patiënten en dragen we bij aan het behoud en verbetering van patiënttevredenheid.
Thuismonitoring wordt uitgevoerd door het op afstand monitoren van vitale waarden, zoals bloeddruk en hartfrequentie, het meten van vragenlijsten en het aanbieden van educatie. Hiervoor maken
we gebruik van technologie, een app voor patiënten en een platform voor zorgprofessionals. Binnen Rijnstate worden meerdere applicaties gebruikt voor thuismonitoring: de Luscii Thuismeten app, Inreda, Guardian (Philips) en Fibricheck.
Het Virtueel Zorgcentrum van Rijnstate, een afdeling met gespecialiseerd verpleegkundigen, is verantwoordelijk voor het monitoren van patiënten in de thuissituatie. Voor een aantal zorgpaden doet de afdeling dit zelf. In Rijnstate hebben we meer dan 25 thuismonitoring zorgpaden, voor klinische zorg (na opname in het ziekenhuis) en poliklinische zorg.
Ontwikkeling van thuismonitoring zorgpaden
Thuismonitoring neemt de komende tijd alleen maar toe. Door het thuismonitoren van patiënten kunnen we niet alleen nu, maar ook in de toekomst de beste zorg blijven bieden. De ontwikkeling van een zorgpad met thuismonitoring starten wij aan de hand van de vraag of behoefte. Daarna stellen we doelen en beoogde uitkomsten vast, zoals bijvoorbeeld ligduurreductie. We bepalen welke vitale waarden gemeten worden, welke vragenlijsten ingezet worden en welke educatie beschikbaar moet zijn binnen het zorgpad. Op basis hiervan selecteren we de geschikte en beschikbare technologie. Als laatste wordt een protocol opgesteld dat de werkwijze en verantwoordelijkheden beschrijft. Om de uitkomsten wetenschappelijk te evalueren wordt ook wetenschappelijk onderzoek gedaan, bijvoorbeeld voor chronische nierschade en pancreatitis.
Een voorbeeld van een zorgpad dat momenteel in ontwikkeling is, is geneesmiddelenallergie@home. Bij patiënten met een verdenking op een verlate reactie op medicatie (bijv. antibioticum) worden plakproeven en/of huidpriktesten uitgevoerd. Waar momenteel meerdere polibezoeken nodig zijn om de huidreacties te beoordelen, gaan patiënten straks via de Thuismeten-app foto's van de huid insturen en een vragenlijst invullen. Zo voorkomen we onnodig ziekenhuisbezoeken en bieden we efficiënte en patiëntgerichte zorg op afstand.
Hiernaast volgt een overzicht van poliklinische, klinische en zorgpaden die momenteel in ontwikkeling zijn.
Zijn er vragen of is er interesse in een van deze projecten? Neem dan contact op met de afdeling Innovatie op: innovatie@rijnstate.nl

Op 25 september jl. verdedigde anesthesioloog Jacqueline Vernooij aan de Universiteit Utrecht haar proefschrift over preoperatieve risicovoorspelling en multidisciplinair overleg (MDO). Het onderzoek naar de mogelijkheid om electieve hoog-risico niet-cardiale chirurgische patiënten te identificeren met preoperatieve mortaliteitsrisico calculators is door Jacqueline, naast haar werk als anesthesioloog, opgezet en in Rijnstate uitgevoerd.
Het bespreken van hoog risico patiënten in een MDO wordt sinds 2010 geadviseerd in de gezamenlijke richtlijn van de Nederlandse Verenigingen voor Chirurgie en Anesthesiologie. De vraag die echter bleef, was hoe de juiste patiënten het beste geïdentificeerd kunnen worden, aangezien dit niet in de richtlijn wordt beschreven. Meestal maakt de anesthesioloog een inschatting of er sprake is van hoog risico op basis van de aanwezige co-morbiditeiten en de potentiële winst van de operatie. Er zijn echter ook preoperatieve risicovoorspellingsmodellen beschikbaar. ‘Het idee is dat je met zo'n calculator de hoog-risico patiënten eruit kunt halen’, aldus Jacqueline. Na een systematische review van de bestaande calculators is van de meest veelbelovende onderzocht hoe bruikbaar deze in de praktijk zijn. Om dit te testen hebben vijf anesthesiologen drie online beschikbare calculators gebruikt voor de berekening van het preoperatieve mortaliteitsrisico. Hieruit bleek dat de betrouwbaarheid van deze risicocalculators laag tot matig is, waardoor ze momenteel nog niet toepasbaar zijn in de klinische praktijk in Nederland.
Daarnaast staat in de richtlijn ook niet hoe een MDO ingericht moet worden. Daarom is onderzocht hoe de praktijk van deze preoperatieve MDO’s er in Nederland uitziet. Hieruit bleek dat slechts 46% van de Nederlandse ziekenhuizen deze MDO’s had geïmplementeerd. Het effect van een MDO was echter aanzienlijk. Bij hoog-risico patiënten die gepland stonden voor een niet-cardiale operatie leidde het MDO bij 81% tot een wijziging van het behandelplan en bij 32% van de patiënten werd zelfs besloten van de operatie af te zien. Het ontbreken van een inhoudelijke richtlijn zorgde echter voor aanzienlijke variatie in de uitvoering van de MDO’s.
‘De studies riepen veel vragen bij ons op over de waarde van preoperatieve MDO’s en de impact ervan op de uitkomsten voor patiënten en hun kwaliteit van leven na een operatie of niet-chirurgische behandeling’, vertelt Jacqueline. ‘Daarom hebben we een aanvraag ingediend voor subsidie bij ZE&GG (zorgevaluatie en gepast gebruik). We hebben de subsidie gekregen, maar het heeft ons 1,5 jaar hard werken gekost alleen al om de subsidie binnen te slepen’. Deze financiering heeft het mogelijk gemaakt om de PREPARATION studie op te zetten. In deze studie gaan ziekenhuizen zonder MDO sequentieel, gerandomiseerd over op het MDO. De belangrijkste uitkomstmaat van het onderzoek is het optreden van ernstige complicaties binnen 6 maanden

na operatie. De PREPARATION studie wordt naar verwachting volgend jaar afgerond en is een onderdeel van het promotieonderzoek van Romijn Boerlage. ‘In het begin verliep de inclusie zeer voorspoedig, want toen hoefde er nog geen MDO gehouden te worden’, legt Jacqueline uit. ‘Vanaf het moment dat de MDO’s geïmplementeerd moesten worden is de inclusie wat langzamer gegaan, maar het einde is nu in zicht’.
Jacqueline kijkt zelf met veel voldoening terug op het promotietraject, ondanks dat het in het begin pionieren was. ‘Ik vind het uiteindelijk een heel mooi samenhangend boekje geworden, al was de opzet in het begin heel anders,’ zegt ze. De laatste loodjes wogen ook voor Jacqueline het zwaarst. ‘Het laatste jaar vond ik wat te lang duren. Ik ben heel erg voor doorwerken, maar ben niet de meest nauwkeurige persoon. Ik denk wel dat ik er beter in geworden ben, maar dat vond ik wel een uitdaging. Gelukkig had ik een goed team om mij heen en stimuleerde Nick Koning (copromotor) me om toch alle artikelen eerst te publiceren. Daar ben ik nu heel blij mee. Met het laatste artikel hebben we weer een prijs gewonnen. Dat geeft extra erkenning voor ons werk.’ De waardering voor haar onderzoek kwam ook naar voren in de reactie van een van haar opponenten, Ramani Moonesinghe. Deze Engelse anesthesioloog en hoogleraar aan het University College in Londen, schreef een zeer positief editorial bij het systematische review. Daarnaast is Ramani laagdrempelig te benaderen en geeft ze belangeloos advies. ‘Ik vond het erg leuk dat ze, al was het online, ook bij de promotie was’.
Het doen van onderzoek heeft Jacqueline’s kijk op wetenschap niet veranderd. Het heeft wel haar overtuiging versterkt, dat je goed moet nadenken als je klinisch onderzoek gaat doen, over welke en hoeveel vragenlijsten je patiënten voor gaat leggen. Je moet voorkomen dat je patiënten overvraagt, omdat dit de kwaliteit van de gegevens niet ten goede komt. Als voorbeeld noemt Jacqueline kosten-vragenlijsten waarin aan patiënten wordt gevraagd hoeveel zorg ze de afgelopen 3 maanden hebben gebruikt, terwijl deze informatie al bij de zorgverzekeraars bekend is. ‘Voor patiënten zijn

deze lijsten verschrikkelijk en als ze het al invullen is de informatie vaak niet betrouwbaar’, aldus Jacqueline. ‘Er is daarom geprobeerd om deze informatie via Vektis te verkrijgen. De zorgverzekeraars, als HLA partner, zorgen mede voor de financiering van het onderzoek. Het is dan vreemd dat ze akkoord gaan met incomplete data, terwijl zij de gegevens wel hebben. Het heeft ons drie jaar gekost, maar uiteindelijk is het gelukt om de data van de zorgverzekeraars te kunnen gebruiken in plaats van de lange kostenlijsten.’ Daarnaast vindt ze dat ook medewerkers niet overvraagd moeten worden. ‘Onderzoek doen kost heel veel tijd en daar heb je goede en voldoende ondersteuning bij nodig. Gelukkig wordt dit nu ook door ZEGG onderkend’.
De PREPARATION studie is niet het enige vervolg van haar onderzoek. De externe validatie van de risicocalculators had vanaf het begin hoge prioriteit, maar bleek in de praktijk destijds niet haalbaar. Dit deel wordt nu alsnog opgepakt door onderzoekers in Groningen, met ook een bijdrage vanuit Rijnstate. Het onderzoek heeft meer impact gehad, dan aanvankelijk gedacht en het blijft een belangrijk onderwerp, aangezien zowel de medische mogelijkheden, als de groep hoog-risicopatiënten blijven groeien. ‘Je begint met één vraag en door het promotieonderzoek zijn weer nieuwe vragen ontstaan. We weten eigenlijk nog zo weinig’. Het proefschrift begint met een gedicht van Robert Frost: The Road Not Taken. ‘Ik heb voor dit gedicht gekozen omdat ik pas heel laat ben gaan promoveren, wat niet de meest gebruikelijke route is,’ vertelt Jacqueline. ‘Iemand anders merkte echter op dat het gedicht ook gaat over de inhoud van het proefschrift. Patiënten of artsen kiezen voor een bepaalde behandeling en je zult nooit weten of het
andere beter was geweest’. Hoe het ook zij, Jacqueline heeft absoluut geen spijt van de weg die ze wel gekozen heeft!
The Road Not Taken (Robert Frost)
Two roads diverged in a yellow wood, And sorry I could not travel both And be one traveler, long I stood And looked down one as far as I could To where it bent in the undergrowth;
Then took the other, as just as fair, And having perhaps the better claim, Because it was grassy and wanted wear; Though as for that the passing there Had worn them really about the same,
And both that morning equally lay In leaves no step had trodden black. Oh, I kept the first for another day! Yet knowing how way leads on to way, I doubted if I should ever come back.
I shall be telling this with a sigh Somewhere ages and ages hence: Two roads diverged in a wood, and I I took the one less traveled by, And that has made all the difference.




Nieuwe stap: deelname aan het COHoRT Register Rijnstate neemt deel aan het COHoRT Register, een landelijke cohortstudie naar de werking van leefstijlzorgloketten. Deze vierjarige studie, gefinancierd door de Samenwerkende Gezondheidsfondsen, onderzoekt de effecten van leefstijlinterventies op grotere schaal.
Met deze deelname wil Rijnstate bijdragen aan meer inzicht in wat leefstijlzorg oplevert - voor patiënten én voor de organisatie van zorg. De resultaten van ons eigen Gezondheidsplein leveren hiervoor de input.
Gezondheidsplein: leefstijlzorg in de praktijk Sinds 2023 biedt Rijnstate het Gezondheidsplein: een plek waar patiënten terecht kunnen voor ondersteuning bij een gezondere leefstijl. Het aanbod bestaat uit informatieve gesprekken, praktische adviezen en verwijzingen naar passende hulp in de eigen woonomgeving.
In 2024 werden 1.295 patiënten door verschillende zorgverleners doorverwezen, afkomstig van 35 afdelingen. Hun ervaringen zijn overwegend positief: gemiddeld beoordelen zij ons met een 8. Patiënten geven aan zich gehoord te voelen en ervaren de adviezen als nuttig en motiverend. Tegelijkertijd leveren de evaluaties ook waardevolle verbeterpunten op. Zo blijkt dat we vooraf duidelijker kunnen zijn in verwachtingen, dat adviezen soms concreter mogen en dat de communicatie over bereikbaarheid strakker kan. Deze feedback helpt om onze werkwijzen verder te optimaliseren. Om zicht te houden op effect en kwaliteit vragen we elke patiënt een cijfer te geven voor hun gezondheid bij de start, na 4 weken en na 6 maanden. Daarnaast vragen we hen om een cijfer te geven aan het gezondheidsplein met daarbij tips en tops. Deze monitoring laat positieve effecten zien op leefstijlgedrag, motivatie en zelfmanagement.

Toch blijft het aantonen van impact complex. De aantallen per patiëntengroep zijn relatief klein, de variatie tussen patiënten is groot en veranderingen in leefstijl zijn vaak subtiel en pas op langere termijn zichtbaar. Dat maakt het lastig om op basis van lokale data stevige conclusies te trekken. De deelname aan een breder onderzoek als het COHoRT Register is daarom essentieel: hiermee kunnen we grotere groepen over meerdere ziekenhuizen volgen, wat de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de resultaten aanzienlijk vergroot.
Landelijke samenwerking met een gedeelde onderzoeksopzet Binnen het COHoRT-onderzoek worden de vragenlijsten zoals positieve gezondheid, oorzaken overgewicht gemonitord in combinatie met uitkomsten van leefstijlfactoren zoals beweeggedrag, voedinginname, rookstatus en bloeddruk. Door gebruik van uniforme methodologie en gedeelde definities zijn resultaten goed vergelijkbaar tussen deelnemende ziekenhuizen. Lokale aanpassingen worden transparant vastgelegd.
Deze samenwerking maakt het mogelijk om:
• Inzicht te krijgen in effecten per patiëntengroep
• Te leren van andere ziekenhuizen
• Meer bewijs te verzamelen voor leefstijlzorg
• Bij te dragen aan structurele inbedding en financiering
Wat begon als een lokaal initiatief ontwikkelt zich nu tot een bijdrage aan landelijke kennis. We blijven lokaal monitoren en verbeteren, en profiteren tegelijk van bredere inzichten via het COHoRT Register.
Met deze deelname zetten we opnieuw een stap in het realiseren van onze ambitie om leefstijl structureel te integreren in de zorg en zo de verschuiving van ziektegerichte naar gezondheidsgerichte zorg actief te ondersteunen.
Verpleegkundig onderzoek
Verpleegkundige zorgprotocollen vormen de basis voor het beleid en beslissingen binnen de verpleegkundige zorg. De afgelopen decennia is er een forse groei geweest in de hoeveelheid onderzoeksresultaten over het verpleegkundige zorgproces. Het bijhouden van de nieuwste ontwikkelingen en het integreren van deze kennis in de zorgprotocollen (en dus de dagelijkse verpleegkundige praktijk) wordt hierdoor steeds complexer. Bovendien ligt in de praktijk de nadruk bij revisie van zorgprotocollen vaak op het administratieve proces, namelijk het vinden en beoordelen van nieuwe wetenschappelijke richtlijnen/literatuur en de tekstuele verwerking hiervan. Dit gaat ten koste van waar het echt om draait: de tijd nemen om als verpleegkundigen beslissingen te kunnen nemen over wat deze literatuur kan betekenen voor onze werkprocessen en de implementatie hiervan op de werkvloer. Omdat de verpleegkundige zorgprotocollen de kaders vormen voor het uitvoeren van de verpleegkundige professie, is hierover op efficiënte en doelmatige wijze regie en zeggenschap kunnen voeren essentieel voor de positionering en profilering van verpleegkundigen.
Zeggenschap vergroten
In het ‘ziekenhuis van de toekomst’ (zoals Rijnstate beoogt) hebben verpleegkundigen zelf inspraak, regie en dus zeggenschap over de ontwikkeling en implementatie van zorgprotocollen. Daarbij heeft de kerngroep ‘Onderzoek en Innovatie’ (O&I), onderdeel van de Verpleegkundige Staf Rijnstate (VSR), als doel gesteld dat binnen drie jaar alle verpleegkundige zorgprotocollen up-to-date en voor zover mogelijk wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn. Als verpleegkundigen ondersteund worden in deze taak, bijvoorbeeld door de integratie van AI, geeft hen dit een sterkere positie. Goed onderbouwde protocollen zullen er namelijk toe leiden dat alle verpleegkundigen worden gefaciliteerd in het werken volgens de laatste inzichten, wat bijdraagt aan een optimale kwaliteit van zorg en meer zeggenschap op de werkvloer.
AI voor zorgprotocollen: RevAIse studie
De inzet van AI kan het zoekproces naar nieuwe wetenschappelijke
inzichten en de verwerking hiervan versnellen, waardoor verpleegkundigen meer tijd kunnen besteden aan zeggenschap en besluitvorming. Dit draagt bij aan een hogere werktevredenheid en vermindert de werkdruk. Verpleegkundigen voelen zich gewaardeerd en erkend in hun rol, wat bijdraagt aan een positieve werkomgeving en betere patiëntenzorg. Daarom zijn verpleegkundig senioronderzoeker Paul Rood en verpleegkundig wetenschapper Berte van Zeist gestart met een onderzoeksproject, gefinancierd vanuit het Landelijk Actieplan Zeggenschap: de RevAIse studie. Doel van dit project is een werkproces ondersteund door AI te ontwikkelen, in te richten en te borgen waarmee verpleegkundigen in staat worden gesteld om minstens elke 3 jaar op efficiënte en volgens hen haalbare wijze de zorgprotocollen up-to-date te maken en evidence based te onderbouwen.
Analyse huidige zorgprotocollen
In samenwerking met verschillende betrokkenen vanuit Rijnstate, waaronder de VSR, een ziekenhuisbrede beheerder kwaliteitsdocumenten en een informatiespecialist wordt op systematische wijze toegewerkt naar een werkproces dat aansluit op de wensen van de decentraal beheerders kwaliteitsdocumenten en contactpersonen protocollen. De huidige situatie, wensen en knelpunten binnen het revisieproces worden onderzocht met vragenlijsten, interviews en focusgroepen. Ook wordt geïnventariseerd welk percentage van de huidige zorgprotocollen wetenschappelijk onderbouwd is.
Herontwikkeling van het werkproces
Met hulp van studenten van verschillende opleidingen en de expertise van de klinisch dataspecialist wordt het huidige revisieproces herzien. Een prototype wordt getest en met feedbacksessies wordt toegewerkt naar een zo effectief en bruikbaar mogelijk, door AI ondersteund werkproces.
Pilotfase – Implementatie van de werkprocessen
Gedurende 12 weken testen we het nieuw ontwikkelde werkproces bij tien verschillende verpleegkundigen. Zij krijgen training in het


gebruik van het nieuwe werkproces en passen dit daarna toe bij het herzien van protocollen. Op deze wijze wordt het in de vorige fase ontwikkelde prototype uitgebreider getest in de dagelijkse praktijk van verpleegkundigen.
Evaluatie en aanpassing
In deze fase wordt informatie verzameld over hoe haalbaar het nieuwe werkproces is, hoe tevreden verpleegkundigen ermee zijn en hoeveel tijd het hen kost. Daarnaast wordt er ook gekeken of het percentage onderbouwde protocollen na deze pilot is veranderd. Aan de hand van deze evaluatie kunnen aanpassingen in het werkproces worden doorgevoerd en wordt een plan geschreven voor verdere implementatie in de organisatie.
Wil je meer weten of heb je vragen over dit project? Neem dan gerust contact op met Berte van Zeist of Paul Rood. Samen maken we de zorg slimmer én leuker!
Door het Wetenschapsbureau
Als eerste Topklinisch ziekenhuis in Nederland behaalde Rijnstate eind september de prestigieuze accreditatie Clinical Cancer Centre van de Organisation of European Cancer Institutes (OECI). Deze internationale erkenning behaalden we samen met Radiotherapie-groep. We zijn erg trots op deze erkenning. Het laat zien dat de zorg voor patiënten met kanker in Rijnstate voldoet aan hoge Europese standaarden.
De OECI – een internationaal netwerk dat is opgericht om de samenwerking tussen Europese kankercentra te bevorderen – stelt strenge eisen aan hoe een ziekenhuis de zorg voor patiënten met kanker organiseert.
Het traject begon eerder dit jaar met een uitgebreide zelfevaluatie door het Oncologisch Centrum en een internationale audit door collega’s van andere Europese kankercentra. Bij de audit beoordeelde OECI 95 procent van de indicatoren positief. Sterke punten zijn:
• korte doorlooptijden;
• het gebruik van duidelijke dashboards op meerdere niveaus;
• een degelijke informatiestroom en snelle beschikbaarheid van data door direct contact met de werkvloer.
Ook het kwaliteitsmanagementsysteem is goed georganiseerd. Patiënten worden actief betrokken, onder andere via de Patiëntenraad Oncologie. Dit draagt bij aan een positieve patiëntervaring, versterkt door snelle diagnostische processen.

Samenwerking als kracht
Een ander sterk punt is de multidisciplinaire samenwerking op alle lagen van het centrum van ondersteunende diensten tot artsen en verpleegkundigen. De afstemming met de Radiotherapiegroep wordt hierbij als toonaangevend gezien.
Het auditteam benadrukt de warme en betrokken cultuur binnen het Oncologisch Centrum, waarin enthousiasme en open communicatie vertrouwen en samenwerking versterken. Zoals Charlotte Blanken, voorzitter van het Bestuur van het Oncologisch Centrum en oncologisch chirurg aangeeft: “Deze toetsing bevestigt onze multidisciplinaire aanpak en onderstreept onze ambitie om patiënten nu en in de toekomst oncologische zorg van hoog niveau te blijven bieden.”
De accreditatie Clinical Cancer Centre is 5 jaar geldig.
Prof. dr. Eric Hazebroek (hoogleraar Nutrition and Obesity
Treatment WUR en bariatrisch chirurg Rijnstate) en prof. dr. Maria Hopman (hoogleraar Integrative Fysiologie Radboudumc) hebben subsidie ontvangen voor gezamenlijk onderzoek naar de effecten van afslankmedicatie op spiermassa.
In dit project werken onderzoekers van Rijnstate en Radboudumc samen om te kijken wat de invloed is van nieuwe afslankmedicatie (GLP-1 receptoragonisten) op de verhouding tussen vet en spiermassa. Tot nu toe ligt de nadruk in onderzoek naar deze afslankmedicatie vooral op het verliezen van vet, maar er is nog weinig bekend over het effect van de medicatie op spiermassa.
Daarom wordt in deze studie niet alleen gekeken naar vetverlies, maar ook naar hoe de spiermassa verandert — zowel tijdens als na de behandeling met GLP-1 receptoragonisten. Daarnaast wordt een pilot studie uitgevoerd waarbij deelnemers krachttraining doen en eiwitsupplementen krijgen, om te onderzoeken of dat helpt om spiermassa beter te behouden tijdens de behandeling.
Met dit onderzoek verwachten de onderzoekers te kunnen bijdragen aan de verbetering van duurzame obesitas behandelingen met minimale vermindering van spiermassa.
Het Radboudumc Academisch Medisch Netwerk is een initiatief om de banden tussen het Radboudumc en het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, het Jeroen Bosch Ziekenhuis en Ziekenhuis Rijnstate te versterken. De ziekenhuizen hebben een regionale gezamenlijke ambitie op het gebied van onderzoek: Innovatie en persoonsgerichte netwerkzorg.
Radboudumc onderzoekers en gepromoveerde onderzoekers van de samenwerkende ziekenhuizen, waren uitgenodigd om een projectvoorstel in te dienen. Een beoordelingscommissie met afvaardigingen uit CWZ, JBZ, Rijnstate en Radboudumc heeft de projectvoorstellen beoordeeld op onder andere hun maatschappelijke relevantie, aansluiting op de gedeelde strategie en wetenschappelijke kwaliteit.
Veganistisch eten en een optimale eiwitopbouw: gaat dit samen?
Een volledig plantaardig voedingspatroon, ook wel een veganistisch eetpatroon genoemd, kan gezondheidsvoordelen hebben. Onderzoek laat zien dat een hogere inname van plantaardige producten samenhangt met een lagere bloeddruk en een verminderd risico op hart- en vaatziekten. Ook duurzaamheid speelt een rol: minder consumptie van vlees en zuivel is beter voor de planeet. Plantaardige voeding zal in de toekomst een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Dit roept de vraag op wat dit betekent voor specifieke groepen, zoals ouderen, en of een volledig plantaardig eetpatroon een volwaardig dieet is. Wageningen University & Research doet hier onderzoek naar door het uitvoeren van de KneeT-vegan studie, die ook in Rijnstate loopt.
Achtergrond
Onderzoek laat zien dat eiwitrijke voeding de eiwitopbouw in spieren stimuleert, wat essentieel is voor gezond spierweefsel en herstel. Vooral voor ouderen is voldoende eiwitinname van belang. Of plantaardige eiwitten dezelfde effecten hebben op de eiwitsynthese van verschillende weefsels (bijvoorbeeld bot en kruisbanden) als dierlijke eiwitten, is nog onbekend. Studies naar de anabole eigenschappen van een volledig plantaardig eetpatroon zijn beperkt. Om hier meer inzicht in te krijgen, voert Wageningen University & Research samen met Rijnstate en Ziekenhuis Gelderse Vallei de KneeT-vegan studie uit. In deze studie wordt onderzocht wat het effect is van een preoperatief plantaardig voedingspatroon op de eiwitsynthese in knieweefsels, vergeleken met een preoperatief omnivoor voedingspatroon.
Opzet
De patiënten die deelnemen aan het onderzoek volgen twee weken voorafgaand aan de operatie een veganistisch of omnivoor eetpatroon. Alle maaltijden, inclusief ontbijt, lunch, diner en tussendoortjes, worden verstrekt door de onderzoekers. De deelnemers worden willekeurig ingedeeld in één van de twee groepen. De gerechten zijn bereid door de onderzoekers in samenwerking met de diëtisten van Wageningen University & Research. In totaal worden 40 patiënten van 60 tot 80 jaar geworven. Gedurende twee weken drinken de deelnemers zwaar water (deuteriumoxide, D₂O). Het deuterium uit dit water wordt door het lichaam opgenomen en ingebouwd in nieuwe eiwitten in de knie. Op deze manier kan de eiwitsynthesesnelheid in het knieweefsel gedurende de studieperiode worden gemeten.

Knieweefsels kunnen niet zomaar worden afgenomen bij gezonde mensen. Daarom is ervoor gekozen om patiënten te includeren bij wie een totale knieprothese wordt geplaatst vanwege knieartrose. Deze aandoening komt veel voor bij oudere volwassenen en tijdens de operatie worden verschillende weefsels verwijderd, wat het mogelijk maakt om de eiwitsynthese in deze weefsels te onderzoeken. De onderzoekers ontvangen de verwijderde weefsels van de orthopeed en vriezen ze zo snel mogelijk in met vloeibaar stikstof. Op deze manier blijven de weefsels optimaal bewaard voor verdere analyse.
Deelnemers
Op dit moment zijn 14 van de beoogde 40 patiënten geïncludeerd. Het werven van deelnemers is uitdagend, omdat een volledig veganistisch eetpatroon niet vanzelfsprekend is bij deze doelgroep. Daarnaast ervaren veel mensen de operatie als spannend, waardoor deelname aan een onderzoek extra belastend kan zijn.
De deelnemers die wél meedoen, zijn erg enthousiast en toegewijd. Patiënten die normaal veel vlees eten en gerandomiseerd zijn in de veganistische groep, volgden gedurende twee weken een volledig plantaardig dieet. Klachten of voortijdig stoppen kwamen nauwelijks voor; de houding van de deelnemers was gericht op volledige deelname en samenwerking. Veel deelnemers gaven aan dat ze hierdoor een andere kijk op voeding hebben gekregen. Hoewel het plantaardige eten niet altijd hun voorkeur had voorafgaand aan het onderzoek, vooral omdat zij gewend zijn aan vlees bij de avondmaaltijd, zorgde de ervaring voor meer bewustwording en nuance.
Sommige deelnemers uit de veganistische groep vroegen na afloop expliciet naar de recepten om de gerechten thuis zelf te kunnen bereiden.
Resultaten
Aan het einde van de interventieperiode worden de weefselmonsters geanalyseerd door het Stable Isotope Research Centre (SIRC) in Maastricht. Op basis van de huidige literatuur wordt verwacht dat de eiwitsynthese in de plantaardige groep iets lager ligt dan in de omnivoor groep. De resultaten kunnen belangrijke inzichten opleveren over de effecten van een plantaardig eetpatroon op de gezondheid van ouderen. Is het wel of niet aan te raden om over te stappen naar een volledig plantaardig eetpatroon op latere leeftijd? Zo helpen we ouderen fitter een operatie in te gaan én gezonder ouder te worden.
Samen sterker
Dit onderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van dr. ir. Inge Groenendijk, werkzaam bij Wageningen University & Research, en wordt gefinancierd door de Jaap Schouten Foundation. Vanuit Rijnstate en Ziekenhuis Gelderse Vallei zijn de orthopedische afdelingen betrokken. Inge Groenendijk vertelt: ‘’Als externe onderzoeker in het ziekenhuis ervaar ik de flexibiliteit en samenwerking met de afdeling Orthopedie en het OKC-personeel als zeer prettig.’’
De zorgpraktijk en wetenschappelijke kennis versterken elkaar; zo werken artsen en onderzoekers samen aan wetenschappelijke onderbouwde voedingsadviezen voor de toekomst. Ook dit onderzoek is een mooi voorbeeld hoe de Alliantie Voeding in de Zorg een brug slaat tussen voedingswetenschap en zorgpraktijk.
Meer weten?
kneetvegan@wur.nl, info@alliantievoeding.nl en www.alliantievoeding.nl

Binnen de eerste subsidieronde van het programma Medisch Specialistische Zorg en Onderzoek (MedZO) zijn twee projecten gehonoreerd waarbij Rijnstate hoofdaanvrager is. Het programma MedZO heeft als doel om, in lijn met de ambities van het IZA, kennisontwikkeling over effectiviteit en doelmatigheid van passende zorg te stimuleren door toegepast klinisch wetenschappelijk onderzoek en onderwijs buiten de academische ziekenhuizen te verbeteren. Binnen de subsidieronde konden projectvoorstellen ingediend worden gericht op twee onderwerpen:
1. Onderzoek naar betere uitkomsten voor de patiënt en alternatieve bekostiging bij innovatieve behandelingen
2. Onderzoek gericht op de ontwikkeling en toepassing van artificial intelligence (AI) en digitale technologieën ter bevordering van passende en doelmatige zorg.
Binnen programma-lijn 1 werd Coeliac@home gehonoreerd. Dit project werd ingediend door Margreet Wessels, kinderarts-MDL en Carine Doggen, hoogleraar Transformatie van zorg. Vanuit de tweede onderzoekslijn is het project AI for EVAR toegekend, het project wordt gecoördineerd door Michel Reijnen, vaatchirurg en hoogleraar en Erik Groot Jebbink, technisch geneeskundige.
COELIACHOME: ZORG OP AFSTAND VOOR KINDEREN MET EEN VERMOEDEN VAN COELIAKIE
Coeliakie (glutenintolerantie) komt bij 1-2% van de bevolking voor en vereist een strikt glutenvrij dieet. Er is geen goede richtlijn voor de follow-up van kinderen waardoor begeleiding wisselend verloopt. Met dit project gaan we zorg-op-afstand inrichten en gebruiken om voor iedereen zorg te bieden die past bij de individuele situatie, met extra hulp als dat nodig is. Daarnaast willen we de ziekte opsporen bij broers en zussen, aangezien zij meer kans hebben op de ziekte.
Doel
In dit project zal samen met kinderen, ouders, de patiëntenvereniging en zorgverleners, bedacht worden hoe zorg-op-afstand er het beste uit kan zien. Hierbij kan bijvoorbeeld een applicatie (app) ontwikkeld worden. Dit zorgpad zal vervolgens in de praktijk onderzocht worden met als doel efficiënte en passende zorg, vroege opsporing bij broers en zussen en minder willekeur in behandeling.
Aanpak
Er wordt een zorgpad ontwikkeld dat bedacht is door kinderen, ouders, patiëntenvereniging en zorgverleners. Daarna wordt onderzocht of dit goed werkt. Kinderen met coeliakie zullen geloot worden in twee groepen, één groep die zorg krijgt via het nieuwe zorgpad en één groep die gewoon voor controle naar de kinderarts in het ziekenhuis gaat. Deze twee groepen worden daarna met elkaar
Samenwerkingspartners
Dit project wordt uitgevoerd door tien ziekenhuizen, met Margreet Wessels van Rijnstate als projectleider, samen met Carine Doggen en Lieke Heesink van de Universiteit Twente. De Nederlandse Coeliakie Vereniging is een belangrijke samenwerkingspartner en denkt mee met de ontwikkeling van het zorgpad en de uitvoering van het onderzoek. Betrokken ziekenhuizen zijn Maxima Medisch Centrum, Eindhoven, Jeroen Bosch Ziekenhuis, Den Bosch, Isala Ziekenhuis, Zwolle, Noord-West groep, Alkmaar, Amphia ziekenhuis, Breda, Spaarne Gasthuis, Hoofddorp, Sint Franciscus Gasthuis, Rotterdam, Wilhelmina Ziekenhuis, Assen en Catharina Ziekenhuis, Eindhoven. Een Canadese onderzoeksgroep die een PROM vragenlijst voor coeliakie heeft ontwikkeld werkt ook mee aan dit project.
vergeleken. Met vragenlijsten meten we gebruiksvriendelijkheid, tevredenheid, ziekteaspecten, kwaliteit van leven en dieettrouw. Ook worden de kosten bekeken. Naaste familieleden, zoals broers en zussen, zullen bij het zorgpad betrokken worden, zodat de ziekte tijdig bij hen is op te sporen.
Verwachte resultaten
Het resultaat van dit project is een zorgpad (met applicatie) dat naar behoefte ingezet kan worden voor kinderen met (risico op) coeliakie. We krijgen inzicht in de waarde die dit zorgpad oplevert voor het individuele kind, maar ook in de kosten en effectiviteit ervan. Naar verwachting zal de ziekte bij broers en zussen sneller opgespoord en behandeld worden. Voor kinderen met coeliakie en hun gezin betekent dit zorg in hun eigen omgeving waarbij ze zelf de regie hebben. Zorgverleners kunnen vertrouwen op het adequaat identificeren van kinderen die extra zorg kunnen gebruiken. Coeliac@home sluit bovendien aan bij de behoefte aan zorg-opafstand voor chronische zorg bij coeliakie. Dit wordt gepromoot in de Nederlandse richtlijn voor coeliakie, maar in de dagelijkse praktijk gebeurt dit nog maar weinig. In een rapport van de kinderombudsvrouw geven kinderen aan dat ze willen dat de zorg om hen heen wordt georganiseerd in plaats van dat zij zich moeten aanpassen aan het ziekenhuis. De Nederlandse Coeliakie Vereniging geeft aan hetzelfde te horen van hun leden.
AI VOOR EVAR: OPTIMALISATIE VAN DE BEHANDELING, VOORLICHTING EN FOLLOWUP VAN ABDOMINALE ANEURYSMATA
In Nederland wordt ongeveer 75% van de aneurysmata van de abdominale aorta (AAA’s) behandeld met endovasculaire aneurysma repair (EVAR), vanwege de betere kortetermijnresultaten ten opzichte van een open herstel. In totaal gaat het om ongeveer 3000


EVAR operaties. Op de lange termijn gaat EVAR echter gepaard met meer heringrepen en een intensiever follow-uptraject. Herinterventies komen vaak voor na EVAR: één op de vijf patiënten heeft binnen vijf jaar een heringreep nodig. De follow-up bestaat uit jaarlijkse beeldvorming en consulten. Toch heeft 60–80% van de patiënten geen complicaties, maar ondergaat zij nog steeds een strikt follow-uptraject. Dit is kostbaar en heeft een negatieve invloed op zowel de gezondheidszorg als de kwaliteit van leven van de patiënt. Er bestaan aanvullende behandelingen om de effectiviteit van EVAR te verbeteren, maar deze zijn te duur om in alle gevallen toe te passen. Dit benadrukt de duidelijke noodzaak voor een betere patiëntstratificatie op basis van pre- en postoperatieve voorspelling van complicaties.
Doel
Ons doel is om twee kunstmatige intelligentie modellen te ontwikkelen om zowel voor als na een operatie het risico op een heringreep te voorspellen. Met behulp van deze informatie kunnen we de operatie optimaliseren en de risico’s verlagen. Daarnaast kunnen we de benodigde controlefrequentie inschatten. De modellen worden getest in het tweede deel van de studie. Ook zullen we de meest optimale tool bepalen om de voorspelde uitkomsten op een begrijpelijke manier met patiënten te kunnen bespreken. We vergelijken een computermodel, een 3D-print en hologrammen, waarbij ook de kosteneffectiviteit bepaald wordt.
Aanpak
Er wordt een database opgebouwd met klinische gegevens en scans van meer dan 1000 patiënten. Alle data worden op een
gestandaardiseerde manier verzameld en opgeslagen. De scans worden automatisch geanalyseerd met bestaande software, zodat extra informatie over de vorm en eigenschappen van het aneurysma wordt toegevoegd. Met deze grote dataset worden twee AImodellen ontwikkeld om te voorspellen welke patiënten na een EVAR-behandeling een hoog risico hebben op complicaties en heringrepen.
Model 1 gebruikt alleen gegevens van vóór de operatie (zoals scans en klinische informatie). Het model helpt de vaatchirurg om het behandelplan te optimaliseren, bijvoorbeeld door een ander type stent te kiezen of extra maatregelen te nemen om complicaties te voorkomen. De uitkomst is een 3D-visualisatie die laat zien hoe het aneurysma er na de ingreep uit zal zien en waar mogelijke problemen kunnen optreden.
Model 2 bouwt hierop voort en gebruikt ook gegevens van de operatie, opname en de scan na 30 dagen. Dit model helpt te bepalen welke patiënten intensieve follow-up nodig hebben en welke niet. Beide modellen worden vervolgens getest in een klinische studie in drie ziekenhuizen. Er zullen ongeveer 300 patiënten worden gevolgd gedurende minstens één jaar. De voorspellingen van de modellen worden vergeleken met de daadwerkelijke uitkomsten om de betrouwbaarheid te beoordelen.
In het derde deel van het project richten we ons op het vertalen van de data uit de modellen naar begrijpelijke informatie voor de patiënt, zodat samen de beste beslissing genomen kan worden. Kort na de start van het project wordt een vragenlijst opgesteld voor ongeveer 200 patiënten die een EVAR-behandeling hebben
ondergaan. Deze vragenlijst wordt verspreid via het platform van de Hartstichting. Met de vragenlijst willen we achterhalen hoe patiënten informatie over de behandeling ervaren, hoe zij geïnformeerd willen worden over risico’s en nazorg, en wat zij het belangrijkst vinden rondom complicaties.
Daarna organiseren we een focusgroep waarin zowel patiënten als adviseurs meedenken over de beste manier om de resultaten te tonen en te bespreken, zodat beslissingen echt samen met de patiënt genomen worden. De inzichten hieruit helpen bij het ontwerpen van drie hulpmiddelen voor gezamenlijke besluitvorming (shared decision-making).
De twee AI-modellen uit het eerste deel van het project leveren gepersonaliseerde voorspellingen over het risico op complicaties. Die informatie wordt op drie manieren aan patiënten en artsen gepresenteerd:
1. 3D-geprinte modellen: Voor elke patiënt worden 3D-modellen van het aneurysma gemaakt – vóór de operatie, direct erna en zoals het er na 5 jaar wordt verwacht uit te zien.
2. Hologrammen met slimme bril: In samenwerking met de Universiteit van Tilburg wordt een app ontwikkeld waarmee de arts het aneurysma en de stent als hologram kan bekijken via een slimme bril.
3. Computerweergave in bestaande software: De resultaten worden geïntegreerd in het programma 3mensio Vascular, dat al in veel ziekenhuizen wordt gebruikt voor EVAR-planning.
Voor elk hulpmiddel wordt een prototype gemaakt. Vervolgens geeft een tweede focusgroep van patiënten feedback om de ontwerpen te verbeteren. Daarna worden de uiteindelijke versies getest bij zestig nieuwe patiënten uit drie ziekenhuizen. Zij proberen alle drie de hulpmiddelen uit en geven via interviews en vragenlijsten aan welke methode zij het prettigst hebben ervaren. In het laatste deel van het project kijken we ook naar de kosten en manieren om onze technieken te implementeren. Eerst worden interviews gehouden met betrokkenen, zoals zorgverleners, patiënten en bestuurders. Deze gesprekken zijn bedoeld om te onderzoeken wat de invoering van deze nieuwe aanpak betekent op verschillende gebieden, zoals:
• Ervaringen van patiënten (bijvoorbeeld informatievoorziening en beleving van de behandeling),
• Medische resultaten (zoals effectiviteit en invloed op kwaliteit van leven),
• Juridische en ethische aspecten (bijvoorbeeld regels rond implementatie),
• Kosten en organisatie (zoals werkdruk, middelen en verwachte besparingen).
De resultaten van deze interviews worden gebruikt om:
1. De ontwikkeling van de hulpmiddelen voor gezamenlijke besluitvorming verder te verbeteren, 2. Een strategie te maken voor de invoering in de zorg, 3. Een eerste model te bouwen dat de kosten en baten van de nieuwe aanpak inschat.
Vervolgens wordt een vroege kosten-effectiviteitsanalyse uitgevoerd, zowel vanuit het ziekenhuisperspectief als dat van de samenleving. Hierbij wordt gekeken naar:
• Resultaten van de huidige praktijk (zoals overleving, complicaties en nazorg),
• Kosten en zorggebruik op basis van bestaande gegevens uit Rijnstate,
• Verbeteringen die verwacht worden door de nieuwe AI-aanpak. De resultaten helpen om te beslissen hoe en onder welke voorwaarden de nieuwe AI-technologie het beste kan worden ingevoerd in de praktijk.
Samenwerkingspartners
Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met het ETZ en MST ziekenhuis. Daarnaast is de Universiteit Twente betrokken voor de technische ontwikkeling van de AI-modellen. Voor de hologrammen wordt samengewerkt met de Universiteit van Tilburg en het bedrijf Pie Medical levert softwarelicenties. De interviews met patiënten worden afgenomen samen met de Hartstichting.
Verwachte resultaten
Uiteindelijk heeft het project als doel AI-modellen te trainen om vooraf keuzes te kunnen maken over welke ingreep het meest effectief is voor de behandeling van een aneurysma in de buik. Na de ingreep willen we de modellen gebruiken om de juiste frequentie van de controles te bepalen. Daarnaast ontwikkelen we een strategie om deze informatie helder met de patiënt te kunnen bespreken en onderzoeken we wat de haken en ogen zijn voor uiteindelijke implementatie van onze technologie.
Klinische trials zijn in de huidige tijd van wetenschappelijk onderzoek niet meer weg te denken. Ze geven ons belangrijke informatie en kennis over behandeling van ziekten, vormen de basis voor onze klinische richtlijnen met betrekking tot diagnostiek en behandelingen, en hebben ons daarmee de afgelopen decennia een enorme gezondheidswinst opgeleverd. Toch is het met name een ontwikkeling van de laatste 50 jaar. Hoe is deze ontwikkeling eigenlijk ontstaan? Een historisch perspectief.
Klinische experimenten, observaties en onderzoek hebben een lange, rijke, historie. De eerste klinische experimenten en observaties werden reeds beschreven in het Oude Testament. Het is circa 400 jaar voor Christus wanneer Hippocrates de grondslag beschrijft voor de ethische uitvoering van klinisch onderzoek, waarbij de bescherming van menselijke proefpersonen voorop staat. Halverwege de Middeleeuwen, zo rond 1025 na Christus, beschrijft de Perzische wetenschapper Avicenna in zijn boek ‘Canon van Geneeskunde’ een aantal regels voor het testen van geneesmiddelen. Zo stelt hij dat in de klinische proef een behandeling moet worden getest bij proefpersonen die lijden aan een natuurlijke vorm van de ziekte zonder complicaties. Hij beveelt aan het onderzoek wat timing en handelingen betreft op reproduceerbare wijze op te zetten en twee handelingen te vergelijken. Het boek wordt als een mijlpaal beschouwd in de geschiedenis van de geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek. Het duurt echter tot de 16e eeuw voordat de eerste klinische studies worden beschreven. In het populair wetenschappelijke boek getiteld ‘De reis naar Turijn’ beschrijft chirurg Ambroise Paré de resultaten van zijn studie naar de behandeling van oorlogswonden. Tot dan was de standaardbehandeling van oorlogswonden met kokende olie, maar toen tijdens het beleg van Turijn in 1537 de olie op was ging hij noodgedwongen over op een mengsel van eierdooiers, rozenolie en terpentijn. Tot zijn eigen verbazing bleek dit middel erg succesvol; patiënten ervaarden minder pijn en herstelden beter en sneller. Na de publicatie van zijn bevindingen veranderde hiermee het aanzien van de chirurgie.
De eerste gecontroleerde studie, die later ook terugkwam in vele geschiedenisboeken, werd in 1747 uitgevoerd door James Lind. Hij

Martin Hemels
plaatste alle bemanningsleden van een zeilschip die leden aan scheurbuik op hetzelfde dieet, behalve supplementen zoals cider, azijn en citroensap. De groep die ook het citroensap kreeg herstelde in slechts 6 dagen van scheurbuik, in tegenstelling tot de andere bemanningsleden. Het duurde vervolgens tot 1886 voordat de eerste placebo gecontroleerde studie werd beschreven. Vanaf de 18e eeuw behandelden artsen wel eens met een dummy remedie (placebo), maar pas in 1863 voerde de Amerikaanse arts Austin Flint voor het eerst een studie uit bij patiënten die leden aan reuma waarbij een alternatief -sterk verdund- kruidenextract werd vergeleken met actieve behandeling. Bij 12 van de 13 patiënten bleek geen
Door Dr. Martin Hemels, cardioloog-hartritmespecialist
verschil met de actieve behandeling. Pas veel later, medio 20ste eeuw, werd erkend dat geblindeerde beoordelingen en placebo gecontroleerd onderzoek noodzakelijk waren voor de geldigheid van werkzaamheid en ‘wetenschappelijke’ claims. De Medical Research Counsel (MRC) in Groot Brittannië voerde in 1948 de eerste officiële klinische studie met geblindeerde randomisatie uit met behulp van verzegelde enveloppen, waarbij de effectiviteit van een tuberculose-behandeling met streptomycine werd getest; streptomycine én bedrust versus bedrust alleen. Noch de onderzoekers noch de patiënten wisten ten tijde van het onderzoek welke behandeling werd toegediend.
Naar aanleiding van ernstige misstanden bij het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek tijdens de Tweede Wereldoorlog, volgde in eerste instantie in 1947 de Neurenberg Code met 10 ethische uitgangspunten voor menselijke experimenten, waaronder het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent). Uiteindelijk werd door de World Medical Association de uitgebreidere Verklaring van Helsinki opgesteld met een set van ethische principes voor het goede verloop van wetenschappelijk onderzoek met mensen. De Verklaring werd in 1964 goedgekeurd.
Het luidde uiteindelijk het tijdperk van de evidence-based medicine (EBM, ‘geneeskunde op basis van bewijs’) in, gedefinieerd als, zoals beschreven op Wikipedia: ‘het expliciet, oordeelkundig en consciëntieus gebruikmaken van het beste beschikbare bewijs bij het maken van een keuze voor de behandeling van een patiënt. Dit alles gegeven de stand van de (medische) wetenschap van dat moment.’ Het ontstond uit de behoefte om medische beslissingen te baseren op meer dan alleen intuïtie en klinische ervaring, omdat de hoeveelheid medische informatie exponentieel toenam. De AmerikaansCanadese arts en klinisch epidemioloog David Lawrence Sackett was een pionier in EBM en staat bekend als een van de grondleggers hiervan. Hij werd in 1994 hoofd van het eerste centrum voor EBM aan de Universiteit van Oxford. Vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw ontstaat dan ook meer internationale wet- en regelgeving met betrekking tot het uitvoeren van klinisch onderzoek.
Tot slot ons eigen ziekenhuis Rijnstate, ambitieus om met behulp van wetenschappelijk onderzoek en innovatie de zorg voor onze
patiënten voortdurend te verbeteren. De Raad van Bestuur van de Alysis Zorggroep (nu Rijnstate) heeft in 2002 opdracht gegeven om een Wetenschapsbureau op te zetten. Het Wetenschapsbureau is vanaf juli 2003 operationeel met een lokale toetsingscommissie die alle studies beoordeelt voor goedkeuring door de Raad van Bestuur. In 2003 zijn 82 onderzoeken gemeld aan de lokale toetsingscommissie. Hiervan waren er 49 die twee behandelingsmethoden met elkaar vergeleken, de zogenaamde trials. Slechts 7 studies werden destijds geïnitieerd door een medewerker van de Alysis Zorggroep. Pas sinds 2014 maken we gebruik van Research Manager als indieningssysteem en vanaf dat moment staan (tot 1 november 2025) maar liefst 2156 wetenschappelijke studies vermeld. Al die studies zijn gezien en getoetst door de lokale haalbaarheidscommissie. Daarnaast adviseert en faciliteert het Wetenschapsbureau bij het opzetten, uitvoeren en afronden ervan. Hierdoor zijn circa 200 researchmedewerkers, arts-onderzoekers en specialisten binnen Rijnstate actief bezig met wetenschappelijk onderzoek. Daarbij is de aandacht voor verpleegkundig onderzoek sterk gegroeid de afgelopen jaren. Tevens is door en voor de promovendi de ‘Promovendi Rijnstate Organisatie’ (PRO) opgericht, waarbij meer dan 20 promovendi zijn aangesloten. Getallen om trots op te zijn en volledig passend bij een vooruitstrevend Topklinisch Ziekenhuis.
Tot zover een uniek stukje geschiedenis vanuit Rijnstate, in de laatste papieren editie van ons eigen wetenschappelijke magazine… #Trots!

































































































































































































