




![]()





Voorwoord: Een nieuwe lente en een nieuw geluid…
De visie van bestuursvoorzitter Gert Jan de Borst op wetenschap: “Ik zie de toekomst zonnig in.”
Vrienden van Reinier
Infectiepreventie bij antibioticaresistente
Staphylococcus aureus
Een frisse start voor de volgende generatie
Pitch-event
Reukstoornissen bij Silver-Russell syndroom
Gepubliceerd
Tijdschrift over wetenschap en innovatie in het Reinier de Graaf ziekenhuis. Het tijdschrift verschijnt twee keer per jaar.
Hoofdredacteur: Babette Bais
Redactieraad: Wetenschapsbureau
Informatiespecialist: Mirell Papenhuijzen
Fotografie: Sing Dekker, Frank van der Burg,Jos Kuklewski, Nanda Tak
Eindredactie: Erik Sloots, Marieke Broersma
Redactiebureau
Reinier Academie afdeling Wetenschap
Reinier de Graaf Gasthuis
Postbus 5011, 2600 GA, Delft
Email: wetenschappelijktijdschrift@rdgg.nl
Tel: 015-2604101



Vormgeving: Maurice de Jong
Uitgever en acquisitie: Multiplus BV, Drachten
Jessica M. Jager-Ferwerda , Taco de Haan
Reinier de Graaf is lid van de Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ), waarmee we tot de voorhoede van de Nederlandse ziekenhuizen behoren. Samen met 27 andere ziekenhuizen in Nederland mag Reinier de Graaf zich een topklinisch ziekenhuis noemen. De topklinische ziekenhuizen vormen een aparte categorie, naast algemene ziekenhuizen en de academische ziekenhuizen. In de topklinische ziekenhuizen ligt de focus, naast het bieden van een goede basiszorg, op opleiden, wetenschap en innovatie. Bovendien wisselen de ziekenhuizen kennis en expertise uit.

Met deze zin begon Herman Gorter ooit in 1889 zijn bekende gedicht ‘Mei’. Inmiddels zijn we 138 lentes verder en heeft Reinier Research ook een nieuw geluid: Babette Bais (één van onze collega’s van het Wetenschapsbureau) heeft vanaf dit voorjaarsnummer de redactie overgenomen van Daphne Wijffels (na jaren van trouwe dienst).
Reinier Research heeft als doel om iedereen binnen en buiten het Reinier de Graaf ziekenhuis te informeren over alles wat met onderzoek in of door ons ziekenhuis gebeurt. In deze editie vindt u onder andere een interview met onze voorzitter van de Raad van Bestuur Gert Jan de Borst, over zijn visie op wetenschappelijk onderzoek. Verder is ons ziekenhuis weer twee promovendi rijker: Louise Pigeaud (Stichting Jeugd en Alcohol) en Marja Konstantinovski (medische microbiologie) en leest u daar in dit
nummer meer over. Verder zoomen we in op onderzoek vanuit de KNO en het RHOC (het Reinier Haga Orthopedisch Centrum). Om onderzoek te doen zijn financiële middelen nodig. De Stichting Vrienden van Reinier wil met behulp van donateurs initiatieven en onderzoek ondersteunen die de zorg voor patiënten in Reinier de Graaf uiteindelijk beter maken. En tijdens de pitch events worden de nieuwe onderzoeksinitiatieven in ons ziekenhuis gepresenteerd en geselecteerd voor financiële ondersteuning.
Zoals eerder is aangekondigd zullen we in de nabije toekomst overgaan op een grotendeels digitale versie van dit tijdschrift, maar voor nu verschijnt deze uitgave nog op papier. Ik wens u deze lente veel leesplezier!
Sander Zielhuis
Decaan Wetenschap
De visie van bestuursvoorzitter
Gert Jan de Borst op wetenschap
“Ik

Prof. dr. Gert Jan de Borst is inmiddels ruim een jaar de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Reinier de Graaf ziekenhuis. De hoogste tijd om hem het hemd van het lijf te vragen over zijn visie op wetenschap. Wat is zijn visie op wetenschap, hoe denkt hij over de inzet van wetenschap in de zorg en vooral: waar wil hij heen met Reinier de Graaf op het gebied van wetenschap?
Door: Babette Bais
Geschiedenis
Gert Jan zette zijn eerste stappen in de wetenschap als coassistent. Bij de wasbak van de OK werd hij gevraagd of het hem leuk leek mee te werken aan ‘een lopend onderzoekje’. Dat dit ‘lopende onderzoekje’ uiteindelijk zou leiden tot zijn eigen promotieonderzoek en zelfs zijn leerstoel had hij natuurlijk niet kunnen voorspellen.
“Het doen van wetenschap is van meerwaarde om te begrijpen wat je in de kliniek doet. We doen best veel behandelingen op een bepaalde manier omdat we het altijd zo gedaan hebben. Of omdat je voorganger of opleider het zo deed. En als je dan wetenschappelijk onderzoek doet, dan leer je daar toch op een andere manier naar te kijken. Het is belangrijk om kritisch te blijven op wat we doen in de zorg. Is het nog wel zinvol? Is het nog wel kosteneffectief? En deze kritische blik is absoluut van meerwaarde voor de kliniek.” Maar daarnaast moet onderzoek ook leuk zijn, volgens Gert Jan. “Je moet er energie van krijgen.”
Tegelijkertijd vindt Gert Jan niet dat iedereen wetenschappelijk onderzoek moet doen. Bij veel medische vervolgopleidingen zag je voorheen dat een promotie een voorwaarde was om toegelaten te worden. Dat is op heel veel plekken al losgelaten, omdat dit volgens hem de verkeerde insteek is. “Dan kun je mensen krijgen die met tegenzin dingen doen. Het wordt dan een kwestie van vinkjes zetten. Je krijgt dan een soort productiemachine. Dat kan niet de bedoeling zijn van goede wetenschap.”
Maar, geeft ook Gert Jan toe, dat blijft een uitdaging, omdat de academische beloningssystematiek en een stuk eerstelijnsbekostiging van wetenschap nog steeds gebaseerd is op het aantal proefschriften. “Als er eens in de zoveel tijd aan je wordt gevraagd wat je wetenschappelijke prestaties zijn, dan wordt er nog altijd primair gekeken naar het aantal publicaties, wie er bijvoorbeeld op de eerste of juist de laatste plek staat van een publicatie of welk ziekenhuis binnen STZ-verband welk aantal TEC’s binnenhalen. Er wordt dan minder
gekeken naar de wetenschappelijke impact of iets dergelijks. Het zou veel meer moeten gaan om het team, om de onderzoeksgroep, of zij bijvoorbeeld een bepaalde kwaliteitsverbetering teweeg kunnen brengen of implementatie van nieuwe technieken en de juiste inbedding in nieuwe richtlijnen.”
Zelf heeft Gert Jan ontzettend veel onderzoek opgezet en uitgevoerd. Inmiddels staat de teller al op zo’n 57 promovendi die hij heeft mogen begeleiden. In het UMC Utrecht heeft hij maar liefst drie expertisecentra opgericht. Talloze studies liggen hieraan ten grondslag, waarvan een aanzienlijk deel (internationaal) gerandomiseerde trials die in belangrijke wetenschappelijke tijdschriften zijn gepubliceerd. Maar dat is Gert Jan zeker niet aan komen waaien, met name toen zijn drie kinderen nog klein waren. Overdag gewoon werken, ’s avonds eten en de kinderen op bed leggen en daarna ging de laptop vaak open tot regelmatig 1 uur, half 2 ’s nachts. Om de volgende ochtend weer om half 7 op de fiets te zitten.
Maar als je aan Gert Jan vraagt waar hij het meest trots op is, dan is dat niet op de aantallen publicaties maar op alle samenwerkingen die hij heeft gecreëerd. En het daarmee positioneren van anderen voor het doen van hoogwaardig onderzoek. Niet alleen binnen de grote (inter)nationale consortia, maar ook zeker met de mensen om hem heen. “Alles wat ik heb kunnen doen, is puur en alleen als je het samen doet met anderen.”
”Het zou veel meer moeten gaan om het team, om de onderzoeksgroep, of zij bijvoorbeeld een bepaalde kwaliteitsverbetering teweeg kunnen brengen
Keuzes
Belangrijk bij het doen van wetenschap is enerzijds focus hebben, maar ook weer niet op één paard wedden. “Als je onderzoek doet, moet je keuzes maken. Waar zet je wel op in en waar niet?” Zo waren er op de afdeling van Gert Jan twee aandachtsgebieden: halsslagader en buikslagader. “Maar ja, het aantal beroertes werd geleidelijk aan minder, het aantal aneurysma’s aan de buikslagader nam af. Dan moet je dus vooruit kijken. We hebben toen goed nagedacht met elkaar en besloten om perifeer vaatlijden en thoracic outlet syndroom aan de aandachtsgebieden toe te voegen.” Het is dus volgens Gert Jan belangrijk om altijd een brede horizon te houden als het om wat voor reden in een bepaalde pijler stroever loopt of zelfs misschien wel afloopt. “Het is en blijft essentieel om te kijken waar het veld naartoe beweegt, om daar vervolgens ook weer op in te spelen. Dat kan betekenen dat je een staflid moet aantrekken met een bepaalde expertise. Want ik vind wel, áls je ergens onderzoek naar doet, dan moet je ook klinisch met je voeten in de klei staan. Je kan wetenschappelijk alleen maar goed meepraten als je vanuit de werkplek de echte komma en de echte punt kent.”
Academie en periferie
Dit heeft Gert Jan natuurlijk wel allemaal in de setting gedaan van het UMC Utrecht, een academisch ziekenhuis. “Klopt, daar zitten ook de meeste middelen”, geeft Gert Jan toe. “Maar wél nadrukkelijk altijd met het betrekken van de periferie. Ik betrok altijd alle ziekenhuizen om ons heen in de regio. Ik vind de tijd dat je alleen maar onderzoek doet binnen je eigen organisatie echt passé. Het is goed voor je eigen kwaliteitsdoeleinden, dat wel. Het kan ook in het kader zijn van een pilot voordat je het allemaal breder uitrolt, of omdat je nu eenmaal unieke data beheert. Denk aan de onderzoekslijnen Jeugd & Alcohol, of als Reinier de Graaf als eerste ziekenhuis in Nederland deelneemt aan een internationale, multicenter pharma trial zoals heel fraai ingericht vanuit de zorgeenheid Oncologie. Dat is iets anders. Maar singlecenter onderzoek vind ik niet meer van deze tijd.”
Overigens vindt Gert Jan het een absolute misvatting dat je enkel onderzoek kan doen in de academie en niet in de periferie. “Waar je ook werkt, je zal zelf flink moeten investeren in tijd, óók in de avonden en weekenden. Zeker, geld en tijd zijn twee parameters die absoluut nodig zijn om onderzoek te kunnen doen, maar daarmee is het niet magisch opgelost. Het zit hem óók in de motivatie die vanuit jezelf moet komen en ook de bereidheid om er als onderzoeker regelmatig vrije tijd in te steken. En dat is wel een kant die ik uitdagend vind, of mensen dat in deze tijd nog bereid zijn om te doen. In deze tijdsgeest, en dat is absoluut niet een specifieke generatie, hechten mensen nog meer aan vrije tijd en bakenen ze hun werktijd goed af. Hoog over gezien, kan dat voor Reinier de Graaf specifiek en voor de onderzoeks-BV Nederland een bedreiging naar de toekomst zijn als we op wetenschappelijk gebied een belangrijke speler willen blijven.”
Status in Reinier de Graaf “De kracht van Reinier de Graaf is dat we ongelooflijk veel energie en ideeën hebben.” Er wordt in ons ziekenhuis ontzettend veel succesvol onderzoek gedaan, waar Gert Jan veel bewondering voor heeft. Wel zitten er veel verschillen tussen de verscheidene groepen en afdelingen. Zo zijn er groepen die al op de troepen vooruit lopen en hun eigen onderzoek hebben ingericht. Maar ook ziet Gert Jan veel zogenoemde succesvolle eenlingen. Individuen die echt de voortrekkers zijn geweest en de groep naar een hoger plan tillen. “Heel knap, maar ook heel kwetsbaar.” Rijp en groen door elkaar, noemt Gert Jan het. “En ik denk dat daar de grootste slag voor Reinier de Graaf nog te maken is: dat er meer onderlinge afstemming is en dat we beter van elkaar leren en daarbij gebruikmaken van de infrastructuur die we hebben staan.”
Eén van de groepen die Gert Jan aanstipt is het Delfts Allergiecentrum. Daaro wordt hoogstaand toonaangevend onderzoek gedaan, met een duidelijke regionale en nationale visie op het verrichten van multicenter onderoek. Een ander mooi voorbeeld, zonder anderen tekort te willen doen, is de NEK, de Nederlandse Endometriose Kliniek. Zij startten met de Nederlandse accreditatie, gevolgd door een TEC binnen de STZ en zojuist hebben ze ook hun Europese accreditatie binnen. Ze doen niet alleen klinisch onderzoek, maar ze zijn bijvoorbeeld ook bezig met het opzetten van een biobank. “Zij zetten dus niet alleen in op klinisch onderzoek, maar óók op fundamenteel, innovatief en translationeel onderzoek.”
Het is belangrijk om niet alleen ‘te vragen’ aan de onderzoekers, maar ook om ‘terug te geven’. Dus om te ondersteunen en te faciliteren. Vorig jaar is er binnen Reinier de Graaf een nieuw wetenschapsbeleid vastgesteld en is er een Wetenschapsfonds ingericht. Dat moet nog verder vorm en spelregels krijgen, maar het is bedoeld om onderzoek te faciliteren, bijvoorbeeld door het verstrekken van seeding grants of de mogelijkheid om onderzoeksverpleegkundigen aan te stellen. Extra handen die het werk dat bij wetenschappelijk onderzoek komt kijken, kunnen uitvoeren. “Met de bedoeling om onderzoek in Reinier de Graaf te laten vliegen.”
”
Het zit hem óók in de motivatie die vanuit jezelf moet komen en ook de bereidheid om er als onderzoeker regelmatig vrije tijd in te steken
Samenwerkingen
Reinier de Graaf is onlosmakelijk met de TU Delft verbonden, onder andere voor stages en voor het verrichten van innovatief onderzoek. Hier liggen ontzettend veel kansen voor intensieve samenwerking. Er zijn een aantal jaren geleden zogenoemde Convergence-projecten opgezet tussen de TU Delft en het Erasmus MC. Gert Jan heeft eind 2025 toenadering gezocht met de vraag of Reinier de Graaf hierin met hen kan optrekken. “Ons ziekenhuis is namelijk heel sterk in die grote groepen
patiënten en met name de implementatie van (zorg)innovatie.” De drie instituten zijn dat nu samen aan het uitwerken, dus er zullen binnenkort projecten starten met Reinier de Graaf als derde partner. “Hier is geen sprake van verdringing, maar wij sluiten vanuit complementariteit met onze specifieke Reinier de Graaf -krachten aan bij een bestaande, succesvolle formule”, aldus Gert Jan.
Het Convergence-programma bestaat uit drie pijlers: onderwijs, infrastructuur en wetenschap. Grootse flagship projecten vormden destijds het wetenschappelijke aspect, waarbij postdocs met een medische achtergrond werden gekoppeld aan een postdoc met een technische achtergrond. Bij infrastructuur kan je dan denken aan bijvoorbeeld gedeeld gebruik van apparatuur, zoals de 4D CT-scanner bij de afdeling Orthopedie. “Die hebben het Erasmus MC en de TU Delft niet. Zo kunnen we dus voorkomen dat we dezelfde apparatuur aanschaffen en dat het ergens staat te ‘verstoffen’.” De derde pijler, onderwijs, zie je bijvoorbeeld terug in een nieuwe bachelor die wordt ingericht: Health and Technology. Ook daar heeft Gert Jan aangegeven graag een rol te willen spelen met Reinier de Graaf. “Die stages met de TU Delft zijn zo ontzettend leuk. Wij hebben een vraag op de werkvloer en nodigen dan een team uit van de TU Deflt, dat er vervolgens met heel andere ogen naar kijkt en heel vaak met ludieke oplossingen komt.”
Momenteel heeft Reinier de Graaf nog een lopende leerstoel met de TU Delft, bekleed door professor Maarten van der Elst en meer recent de leerstoel van professor Gerald Kraan. Gert Jan sluit niet uit dat er nog meer leerstoelen bijkomen. “Moet dat? Nee. Het gaat niet alleen maar om de vinkjes en de vaantjes. Zo’n leerstoel geeft natuurlijk wel een bepaalde uitstraling, maar tegelijkertijd moet het niet alleen maar daarom gaan. Een leerstoel moet werken als een katalysator voor het uitvoeren van een bepaalde onderzoekslijn, maar dan moet je elkaar wel steunen. En verder kijken dan alleen een paar jaar, anders is het kansloos in mijn optiek.”
De toekomst van Reinier de Graaf
Wanneer Gert Jan wordt gevraagd naar de toekomst van Reinier de Graaf, waar de wetenschap heen zou moeten gaan, heeft hij ontzettend veel ideeën. Zo wil hij vanuit de medisch inhoudelijke expertise die in Reinier de Graaf aanwezig is vertrekken. Daarbij noemt hij bijvoorbeeld de Stichting Jeugd en Alcohol, het Prostaatkankercentrum, het Reinier Haga Orthopedisch Centrum en het Allergiecentrum. Ook vindt hij het belangrijk dat ons ziekenhuis een belangrijke partner blijft in bestaande nationale netwerken, zoals WCN bij de Cardiologie. Daarnaast vindt hij het belangrijk dat we blijven werken aan het bestendigen en uitbouwen van een betrouwbaar partnership voor het verrichten van onderzoek binnen de oncologie. Het is goed wanneer Reinier de Graaf blijft inzetten op innovatie, waarbij Gert Jan wederom de leerstoel van Gerald Kraan aanhaalt. Ook wil hij inzetten op processen in de zorg, bijvoorbeeld de Buikwandchirurgie, waar een prachtig prospectief cohort wordt opgebouwd. Tenslotte ziet Gert Jan verpleegkundig onderzoek als ontzettend kansvol, zowel op de inhoud als vanuit een stimulans en ontwikkelpodium voor de verpleegkundigen in Reinier de Graaf . “Dus ook daar zet ik weer niet in op één onderdeel, maar op verschillende velden. Maar dan moeten die velden wel bestendigd kunnen worden met de goede mensen, tijd en financiering. Dus daarvoor zijn we met verschillende mensen in gesprek.”
En natuurlijk de TU Delft. “Ik probeer echt dat MedTech-gedeelte op de agenda te zetten, ook landelijk binnen STZ-verband. Want als je niet oppast, dan wordt MedTech beheerd door alleen Philips en de academie. Terwijl ik van mening ben dat STZ-huizen een hele relevante rol kunnen spelen, omdat wij het platform hebben om innovatieve (MedTech)projecten uit te rollen.”
Binnen Reinier de Graaf wordt er gekeken naar een andere structuur, waarbij Wetenschap en Innovatie meer geïntegreerd worden en minder als eilandjes opereren. Ook wil Gert Jan inzetten op meer onderling begrip en kennis van elkaars werelden, en dus meer integraliteit tussen het Wetenschapsbureau en de onderzoekers in Reinier de Graaf. “Het is natuurlijk enerzijds een vereiste om je aan de regels van indiening voor onderzoeksgoedkeuring te houden, maar omgekeerd moet de doorlooptijd ook transparant en gemaximeerd zijn. Dus dat de aanvrager weet dat er nu eenmaal dingen nodig zijn vanuit wet- en regelgeving, maar andersom ook mag verwachten dat het proces daarna strak, snel en transparant te volgen is via een dashboard. We doen het allemaal voor hetzelfde doel, namelijk het met elkaar verrichten van goed en innovatief onderzoek binnen Reinier de Graaf!”
We sluiten het interview positief en met een lach af: “Ik zie de toekomst wel zonnig tegemoet eigenlijk.”
Ze is een aantal jaar minder actief geweest, maar de Stichting Vrienden van Reinier heeft een doorstart gemaakt! Deze stichting is hét goede doel van het Reinier de Graaf ziekenhuis. Samen met donateurs – de ‘Vrienden’ – zet de stichting zich in voor onze patiënten. Vrienden van Reinier realiseert projecten die het verblijf in het ziekenhuis prettiger maken en de zorg ondersteunen of verbeteren. Ook draagt zij bij aan projecten die het welzijn en de gezondheid van patiënten bevorderen, zowel binnen als buiten de muren van het ziekenhuis. De stichting financiert daarnaast wetenschappelijke onderzoeken die niet uit het reguliere zorgbudget betaald kunnen worden, maar wel een verschil kunnen maken voor onze patiënten.
Zo werden op de kinderafdeling onlangs nieuwe innovaties ingezet die kinderen helpen ontspannen tijdens nare behandelingen, zijn de centrale gangen in het ziekenhuis voorzien van extra groen en worden projecten gestart die patiënten stimuleren om meer te bewegen.
Kerstactie
Een ander mooi voorbeeld is de kerstactie die we eind 2025 organiseerden. In de centrale hal konden bezoekers, medewerkers, patiënten en inwoners van Delft een speciale kerstbal kopen en een persoonlijke wens ophangen in één van de feestelijk verlichte kerstwensbomen. Met het groeien van alle kerstwensen ontstond een zichtbaar symbool van verbondenheid, vanuit de gedachte van de stichting dat iedere patiënt een vriend verdient.
Aan minister Jan Anthonie Bruijn van Volksgezondheid de eer om de kerstwensactie van de Stichting Vrienden van Reinier af te sluiten en het eindbedrag te onthullen. Dat deed hij samen met bestuursleden van de stichting en onze bestuursvoorzitter Gert Jan de Borst. In totaal werd €2.295,- opgehaald voor het goede doel van ons ziekenhuis.
Robbert Jan van der Ent Braat, voorzitter van de Stichting Vrienden van Reinier, is trots. “Met de kerstwensactie wilden we iedereen die medische zorg nodig heeft een hart onder de riem steken en geld ophalen voor projecten die het welzijn van onze patiënten vergroten. Ik vind het ontroerend om te zien hoeveel kerstwensen er zijn opgehangen voor mensen in ons ziekenhuis. In totaal hebben we €2.295,- opgehaald. Een fantastisch resultaat. Dit bedrag gaan we in 2026 inzetten voor innovatieve projecten die bijdragen aan meer comfort, een prettiger verblijf en betere zorg. Samen maken we voor onze patiënten écht het verschil. Dat is waar wij als stichting voor staan.”
Wetenschappelijk onderzoek

Reinier de Graaf is een topklinisch opleidingsziekenhuis waarbinnen zorgprofessionals worden opgeleid en de ruimte krijgen voor wetenschappelijk onderzoek.”
Wil jij ook helpen? Doneer en word vriend van Reinier! Scan de QR-code voor meer informatie.

De Stichting Vrienden van Reinier heeft haar eigen bestuur. De leden hebben verschillende achtergronden, maar zijn allemaal betrokken met de regio en onze zorgverlening. Zo is ook Sander Zielhuis, ziekenhuisapotheker en decaan wetenschap bij de Reinier Academie, betrokken bij Vrienden van Reinier. Binnen de stichting richt hij zich op het op het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek. Sander: “Om ziektes te voorkomen en betere medische behandelingen te ontwikkelen, zijn wetenschappelijke studies essentieel. Als lid van de stichting zet ik me in om fondsen te werven om belangrijke wetenschappelijke onderzoeken te realiseren.
Een mooi en recent voorbeeld is de donatie van bouwbedrijf Meerbouw uit Pijnacker. Het bouwbedrijf heeft tijdens de feestelijke opening van hun nieuwe pand gasten gevraagd om een donatie te doen voor Reinier de Graaf. Er werd maar liefst €8.500,- opgehaald. In afstemming met de directeur van Meerbouw is besloten het geld aan wetenschap te besteden. Met dit bedrag was er ruimte om een extra aanvraag tijdens de halfjaarlijkse pitch events te honoreren. Daar zijn we als ziekenhuis heel dankbaar voor.
Toekomst
Er staan ook in 2026 mooie projecten op de planning. Zo fietst dit jaar de Westlandse Ride voor het Reinier de Graaf ziekenhuis. Tijdens het wielerevenement op 30 en 31 mei wordt geld opgehaald voor projecten die onze oncologische diagnostiek verder verbeteren.
Ook zal de Stichting Vrienden van Reinier dit jaar meer inzetten op projecten die gericht zijn op het stimuleren van bewegen van onze patiënten om fitter te worden en sneller te herstellen.
Heb jij een goed idee om de zorg te ondersteunen of te verbeteren? Vul dan het aanvraagformulier in via ReinierNet!

Op 13 juni 2025 promoveerde ik aan de Universiteit van Leiden op mijn proefschrift getiteld ‘Whole Genome Sequencing and Contact Screening in the Surveillance and Infection Control of Methicillin and Borderline Oxacillin Resistant Staphylococcus aureus’. In dit artikel licht ik de belangrijkste bevindingen toe.
Staphylococcus aureus is een belangrijk ziekenhuispathogeen vanwege het vermogen om ernstige infecties te veroorzaken, vooral bij patiënten met een verzwakt immuunsysteem, chirurgische wonden of katheters. De bacterie verspreidt zich gemakkelijk in de zorgomgeving en is de meest voorkomende veroorzaker van gemelde uitbraken in zorginstellingen. De behandeling wordt bemoeilijkt door resistentie tegen beta-lactam antibiotica, zoals bij MRSA, waar resistentie wordt veroorzaakt door het mecA/C-gen. Een minder bekend resistentieprofiel is BORSA (Borderline Oxacillin Resistant S. aureus). Meerdere resistentiemechanismen kunnen ten grondslag liggen aan dit fenotype. Consensus over een exacte definitie mist en daarom zijn infectiepreventiemaatregelen en BORSAsurveillance niet gangbaar.

Mijn proefschrift richtte zich daarom op de evaluatie van contactonderzoek en het gebruik van moleculaire typeringstechnieken op basis van whole-genome sequencing (WGS) voor MRSA, Livestock Associated-MRSA (LA-MRSA) en BORSA voor infectiepreventie doeleinden.
Contactonderzoek MRSA: gerichter screenen mogelijk
Contactonderzoeken bij onverwacht positieve MRSA-indexgevallen
maken deel uit van het Nederlandse ‘MRSA search and destroy’-beleid. De huidige, landelijke richtlijn biedt ruimte voor uitsluiting van laag-risico contacten, maar geeft geen concrete criteria. Meer inzicht in het transmissierisico na een onbeschermde blootstelling aan een MRSA-positieve patiënt kan leiden tot gerichtere screening van contacten en kan ook in Reinier de Graaf bijdragen aan efficiëntere infectiepreventie.
In mijn proefschrift analyseerde ik retrospectief MRSAringonderzoeken van de periode 2000-2019 uit drie ziekenhuizen, waaronder Reinier de Graaf. Contacten werden gecategoriseerd als medepatiënten, zorgmedewerkers op de afdeling of poliklinische zorgmedewerkers. In totaal werden 774 indexgevallen onderzocht, met 26.304 gescreende contacten: 21.488 zorgmedewerkers en 4.816 patiënten. MRSA-overdracht werd vastgesteld bij 0,15% van alle contacten (n = 41), waarvan 19 zorgmedewerkers (0,09%) en 22 medepatiënten (0,46%). Het hoogste overdrachtspercentage, tot 1,32%, werd gezien bij patiënt-totpatiëntcontact. Bij poliklinisch personeel of bij patiënten in contactisolatie werd geen overdracht vastgesteld.
Transmissie kwam vooral voor bij indexpatiënten met actieve infecties (7,9%) in vergelijking met dragers (2%), maar dit verschil was niet statistisch significant. De aanwezigheid van katheters, drains, infecties,
gekoloniseerde wonden en andere huidafwijkingen bevorderen transmissie en werden in 26 van de 28 beschreven overdrachten waargenomen.
De gegevens suggereren dat screening zich kan beperken tot directe kamergenoten en zorgverleners met intensief contact, terwijl contactisolatie mogelijk volstaat bij dragers zonder complicerende factoren. Er is echter landelijke consensus nodig voordat dit geïmplementeerd kan worden in Reinier de Graaf.
Clusterdetectie door genetische typering cg/wg MLST van MRSA en BORSA
Typering draagt zowel bij aan algemeen inzicht in de epidemiologie, alsook aan lokale inzichten in het kader van uitbraakonderzoek.
MRSA-stammen worden in Nederland getypeerd door middel van het multi locus sequence typing (MLST-)schema, in het kader van een vrijwillig surveillance programma. Inmiddels bestaan er meer precieze typeringmethoden gebaseerd op analyse van het volledige bacteriële genoom, zoals core genome- of whole genome-MLST. In de literatuur wordt een bovengrens van acht allelverschillen voorgesteld bij recente uitbraken, maar consensus over de grenswaarde voor genetische verwantschap van deze WGS-technieken, de zogeheten clusteralert, ontbreekt vooralsnog. In dit onderzoek bleek bij bewezen transmissie tussen isolaten sprake van 0–2 allelverschillen bij een vermoedelijke recente transmissie en duidelijk aanwijsbare epidemiologische link. Daarnaast zijn vijf identieke clusters zonder epidemiologische link aangetoond. Om recente transmissies aannemelijk te maken is daarom niet alleen de genetische verwantschap van belang, maar ook dat infectiepreventie en de verpleging nagaan of er een gezamenlijk moment is aan te wijzen van de besmetting.
BORSA wordt zelden in verband gebracht met uitbraken en kent nog geen standaard surveillance. In mijn proefschrift zijn twee verheffingen van BORSA-stammen op de afdeling Dermatologie en de neonatale intensive care (NICU) epidemiologisch geanalyseerd en getypeerd met cgMLST. Hiermee werden genetische identieke clusters geïdentificeerd, wat suggereert dat nosocomiale BORSA-overdracht mogelijk onderschat wordt.
LA-MRSA epidemiologie in stedelijk gebied

Figuur 1 : Minimum spanning tree gebaseerd op wgMLST met zowel studieen nationale surveillance LA-MRSAisolaten uit 2014 tot 2019
zonder dominante kloon (Figuur 1). Dit wijst op incidentele blootstelling vanuit het veereservoir, gevolgd door transmissie van mens-op-mens of via de omgeving. Een belangrijke bevinding was de vondst van vijf hoog virulente CC398-stammen die met standaardtypering niet te onderscheiden zijn van reguliere veestammen. Nadere analyse toonde drie zogenoemde HO-MRSA L2 stammen aan, een hypervirulente lijn afkomstig uit Zuidoost-Azië. Deze bevinding strookte met de genoteerde reisanamnese, vier patiënten vermeldden een recent verblijf in het buitenland. Mede hierdoor is in de landelijke richtlijn opgenomen dat het afschalen van maatregelen voor LA-MRSA alleen bij aantoonbare blootstelling aan vee te overwegen is.
LA-MRSA (CC398) is een type MRSA die voorkomt bij mensen met direct veecontact. Er gaan stemmen op om in dit geval de infectiepreventiemaatregelen te versoepelen omdat dit type bij mensen minder gemakkelijk lijkt te verspreiden. In stedelijke gebieden is die epidemiologie echter minder goed beschreven. In dit onderzoek zijn alle LA-MRSA-stammen van zeven stedelijke laboratoria (regio Delft; Leiden, Den Haag, Gouda, Haarlem) uit de periode 2014–2018 retrospectief geanalyseerd. Patiëntendossiers werden beoordeeld op informatie over veecontact, klinische bevindingen en deelname aan contactonderzoek De 81 geïncludeerde LA-MRSA patiënten vormden 12% van het totaal aantal MRSA-stammen in de deelnemende laboratoria. Het merendeel (n=61/76%) van de patiënten vermeldde geen veecontact. Ruim een kwart (n=23/28%) had een infectie, meestal van de huid of weke delen, waarvoor vijf patiënten een chirurgische ingreep ondergingen. Contactonderzoek werd gedaan naar aanleiding van veertien patiënten en identificeerde twee ziekenhuisuitbraken, zowel een cluster van negen als van twee personen. wgMLST bevestigde een nauwe genetische verwantschap.
Sequentieanalyse van het volledige LA-MRSA genoom was bij 75 patiënten beschikbaar. De LA-MRSA stammen bleken genetisch divers,
Conclusies
• Analyse van MRSA-contactonderzoeken toonde een verschil in kans op transmissie bij verschillende settings. Het achterwege laten van screening van laag-risico contacten kan het infectiepreventiebeleid doelmatiger maken.
• Genetische typering van cluster door middel van cg/wgMLST kan bijdragen aan een beter inzicht in transmissieroutes, waarbij een clusteralert van maximaal acht allelverschillen een redelijke bovengrens lijkt om een recente transmissie te bevestigen.
• LA-MRSA veroorzaakt in stedelijke gebieden ziektelast en nosocomiale verspreiding en dient daarom aangepakt te worden conform het algemene MRSA-beleid.
• Infectiepreventiemaatregelen voor BORSA zouden moeten worden overwogen bij risicogroepen die vatbaar zijn voor S. aureus-ziekte en -transmissie, zoals NICU-patiënten of dermatologische patiënten.

Op 17 oktober 2025 promoveerde ik, dr. Louise Pigeaud, aan de Erasmus Universiteit met mijn proefschrift ‘Uncorking a Healthier Generation – Prevention of adolescent alcohol use and intoxication’. Mijn onderzoek voerde ik uit in het Reinier de Graaf ziekenhuis bij Stichting Jeugd en Alcohol. Ik kijk terug op een hele bijzondere en leerzame periode, waarin ik mijn onderzoek combineerde met mijn coschappen en mijn eerste baan als ANIOS kindergeneeskunde. Juist de combinatie van klinische praktijk en onderzoek, samen met een onderwerp dat zich niet beperkt tot de ziekenhuismuren, maakte het zo ontzettend interessant.
Door: Louise Pigeaud
Waarom is alcoholgebruik onder jongeren zo’n probleem?
Alcoholgebruik onder jongeren vormt een belangrijk volksgezondheids- en maatschappelijk probleem, met name in Europa. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft Europa wereldwijd het hoogste percentage alcoholgebruik onder adolescenten (15-19 jarigen). In Nederland gaf 65,8% van de 15- en 16-jarigen aan in het afgelopen jaar alcohol te hebben gedronken.
Dit percentage is zorgwekkend, omdat wij weten dat alcoholgebruik tussen de 10 en 24 jaar een belangrijke bijdrage levert aan het verlies van gezonde levensjaren (disability-adjusted life years). Verder hangt vroeg beginnen met alcohol sterk samen met een verhoogde kans op alcoholafhankelijkheid of -misbruik later in het leven. Ook weten we dat alcoholgebruik op de lange termijn geassocieerd is met meer dan 200 aandoeningen en ziekten en er geen ‘veilige’ ondergrens bestaat voor de gezondheid.

Preventie van alcoholgebruik en intoxicaties bij jongeren is daarom een essentieel aandachtspunt voor beleid en gezondheidszorg. Ondanks talloze preventieve inspanningen blijft alcoholgebruik onder adolescenten een belangrijk probleem. In vergelijking met volwassenen drinken jongeren over het algemeen minder vaak, maar bij gelegenheden dat zij wél drinken, consumeren zij grotere hoeveelheden alcohol in één keer. Dit patroon staat bekend als binge-drinken.
Trendanalyses
In mijn proefschrift definieer ik adolescenten als jongeren onder de 18 jaar, voor wie alcoholgebruik in Nederland verboden is. In 2014 werd de wettelijke leeftijdsgrens voor alcohol verhoogd van 16 naar 18 jaar, in combinatie met de preventieve NIX18-campagne. Ondanks de afname van de alcoholconsumptie onder de Nederlandse adolescenten, daalde het aantal ziekenhuisopnames vanwege alcoholintoxicatie nog niet. Wel zagen we dat jongeren met een alcoholintoxicatie gemiddeld ouder waren na de wetswijziging.
Daarnaast nam het drugsgebruik onder deze groep toe, waarbij cannabis het meest gebruikte middel bleek. Het Trimbos-instituut stelt echter, na uitvoerig kwantitatief en kwalitatief onderzoek, dat de verhoging van de wettelijke leeftijdsgrens niet heeft geleid tot meer drugsgebruik onder 16- en 17-jarigen. Deze combinatie van alcohol en drugs in de ziekenhuispopulatie kan verklaren waarom het aantal opnames niet afneemt, ondanks een daling in alcoholgebruik onder Nederlandse jongeren. Dit wijst erop dat de groep jongeren met alcoholintoxicaties mogelijk een steeds risicovoller profiel heeft.
”In mijn proefschrift bleek dat 43,9%van de adolescenten met acute alcoholintoxicatie op de nazorg alcoholpolikliniek in het
Reinier de Graaf ziekenhuis al een gediagnosticeerde psychische
Psychologische problematiek en risicogedrag
De Health Behaviour in School-aged Children-studie laat de afgelopen jaren een duidelijke toename zien van emotionele problemen en een verslechterende mentale gezondheid onder Nederlandse middelbare scholieren, met name bij meisjes. In mijn proefschrift bleek dat 43,9% van de adolescenten met acute alcoholintoxicatie op de nazorg alcoholpolikliniek in het Reinier de Graaf ziekenhuis al een gediagnosticeerde psychische stoornis had, meestal ADHD of depressie. Van de jongeren zonder eerdere diagnose vertoonde 15,1% klinische signalen van nog niet herkende psychische problematiek. Deze bevindingen onderstrepen het belang van nazorg, niet alleen voor vroegsignalering en verwijzing, maar ook om herhaalde ziekenhuisopnames en toekomstig overmatig alcoholgebruik te voorkomen.
Alcoholpreventie in de sportwereld
De sportwereld is een sector die bekend staat om de lage naleving van leeftijdscontroles en veel betrokkenheid van de alcoholindustrie (denk aan bardeals en alcoholmarketing langs de lijn). Dit maakt sportverenigingen een risicovolle omgeving voor alcoholgebruik onder jongeren.
We hoopten dat sportende adolescenten gevoelig zouden zijn voor onderzoeksresultaten die de negatieve impact van alcoholgebruik op atletische prestaties benadrukken. Daarom keken we binnen ons onderzoek naar verhoogde creatinine kinase (CK)-waarden bij Nederlandse adolescenten met een alcoholintoxicatie. Verhoogde CK-
WHO Global alcohol action plan
Alcoholmisbruik is één van de belangrijkste vermijdbare oorzaken van sterfte en draagt wereldwijd jaarlijks bij aan circa drie miljoen overlijdens. Als reactie hierop heeft de WHO de zogenoemde ‘Best Buys’-strategie ontwikkeld om schadelijk alcoholgebruik terug te dringen. Er zijn vijf kosteneffectieve pijlers om dit te bereiken, namelijk: het verhogen van accijnzen, het beperken of verbieden van alcoholreclame, het verminderen van de beschikbaarheid van alcohol, het handhaven van wetgeving tegen rijden onder invloed en het aanbieden van psychosociale interventies aan personen met risicovol of schadelijk alcoholgebruik.
Bovendien vertoonden adolescenten met alcoholintoxicatie ook vaker ander risicogedrag, zoals roken, middelengebruik en seksuele activiteit, vergeleken met leeftijdsgenoten. Aanvankelijk hadden deze adolescenten hogere percentages alcoholgebruik en dronkenschap dan hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Opvallend is dat hun alcoholgebruik tijdens het nazorgtraject significant afnam, met minder binge-drinken dan in de algemene populatie.
Bijna de helft van deze jongeren had een familiegeschiedenis van alcohol- of middelenmisbruik, waarbij we weten dat dit het risico vergroot op vergelijkbaar gedrag en op het ontwikkelen van psychische problemen. Gebaseerd op deze cijfers kunnen we stellen dat deze populatie risico loopt op alcoholgerelateerde problematiek. Daarnaast lijkt het preventieve programma na alcoholintoxicatie bij te dragen aan de vermindering van alcoholgebruik door adolescenten, met name binge-drinken. Het aanbieden van psychosociale interventies aan personen met risicovol of schadelijk alcoholgebruik is dan ook één van de pijlers van de ‘WHO Global alcohol action plan’ (zie kader).
Redenen van alcoholgebruik jongeren < 18 jaar
Het meest uitgebreide onderzoek uit mijn proefschrift focust zich op wat de redenen zijn voor Europese jongeren om alcohol te drinken, zodat wij hier met preventie goed op kunnen inspelen. In dit onderzoek naar drinkmotieven zijn 52.141 scholieren (15-16 jaar) uit 16 Europese landen (Denemarken, Estland, Finland, Duitsland, Griekenland, IJsland, Italië, Letland, Litouwen, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Roemenië,
waarden (meer dan 5 keer hoger dan de normaalwaarde) wijzen op de diagnose rhabdomyolyse (acute spiervezelschade).
We vonden dat 60% van deze patiënten verhoogde CK-spiegels had, en 4,4% tekenen van rhabdomyolyse vertoonden. Door deze bevindingen te delen tijdens bartrainingen en preventieve events op sportverenigingen, hopen we bij te dragen aan het verminderen van alcoholconsumptie in de sportwereld. Ons advies is om alcoholreclame in de sportsector te verbieden en om de handhaving van leeftijdscontroles te versterken. Dit in verband met de dalende nalevingspercentages van leeftijdscontroles onder jongeren.
Zweden en Spanje) betrokken. Van degenen die alcohol dronken in het afgelopen jaar (n = 34.295), werden drie belangrijke drinkmotieven geïdentificeerd:
1) stemming-verbeterende en sociale motieven
2) coping-motieven
3) conformiteitsmotieven.
In alle 16 landen waren stemming-verbeterende en sociale motieven het meest voorkomend. Dit suggereert dat alcoholpreventiestrategieën die zich richten op deze motieven in heel Europa effectief zouden kunnen zijn.
Daarnaast werd er een statistisch significante positieve correlatie gevonden tussen alcoholintoxicatie en stemming-verbeterende en sociale motieven. Het beperken van alcoholreclame speelt dus een belangrijke rol omdat de alcoholindustrie de band tussen alcohol en gezellige, feestelijke momenten in stand wil houden. Beperking of zelfs een verbod op dergelijke alcoholmarketing is daarom cruciaal.
”Op de nazorgpolikliniek stelden veel ouders vragen over strategieën om alcoholgerelateerde grenzen te stellen. Dit onderstreept de behoefte aan toegankelijke informatie om ouders te informeren en ondersteunen met alcoholgerelateerde opvoedingsstrategieën
Interviews met jongeren op de alcoholpolikliniek
Aan jongeren op de alcoholpolikliniek hebben wij gevraagd om extra informatie zodat wij hun drinkmotieven begrijpen. Maar ook om vanuit hun perspectief te horen hoe alcoholpreventie ingezet zou moeten worden in hun leeftijdsgroep.
We ontdekten dat adolescenten vooral ‘s avonds en ’s nachts drinken in een sociale omgeving met vrienden, gedreven door sociale en stemming-verbeterende drinkmotieven. Ze gebruiken vaak sterke drank, soms gemengd met frisdrank, in grote hoeveelheden tegelijk. Bijna alle jongeren gaven aan niet te weten wat een standaardeenheid alcohol is. Ook vertelden ze gemakkelijk toegang te hebben tot alcohol, ondanks het feit dat ze minderjarig waren. Hun alcoholintoxicatie resulteerde vaak in braken, bewusteloosheid en ambulancetransport naar de Spoedeisende Hulp met soms ook secundaire verwondingen.
• Europese jongeren drinken vooral alcohol omdat zij dit associëren met positieve ervaringen, zoals plezier hebben op feestjes of het vieren van speciale momenten. Het idee dat je alcohol nodig hebt om er een leuke avond van te maken moet door middel van preventieve interventies worden ontkracht.
• Adolescenten met een alcoholintoxicatie vertonen ook op andere vlakken risicovoller gedrag ten opzichte van de Nederlandse referentiepopulatie.
• Adolescenten die een alcoholintoxicatie hebben doorgemaakt, geven aan na de poliklinische follow-up minder alcohol te drinken en minder te binge-drinken. Zelfs minder ten opzichte van de Nederlandse referentiepopulatie.
• Adolescenten ervaren een onvermogen om te herkennen wanneer ze dronken raken, waarbij ze een blackout-ervaring beleven.
• Adolescenten die een alcoholintoxatie hebben doorgemaakt adviseerden voor alcoholpreventie vooral beter onderwijs over alcohol, strengere reclameregels en betere handhaving van alcoholwetten.
• Alcoholpreventie voor jongeren is een strijd tegen een veelkoppig monster.
Op de nazorgpolikliniek stelden veel ouders vragen over strategieën om alcoholgerelateerde grenzen te stellen. Dit onderstreept de behoefte aan toegankelijke informatie om ouders te informeren en ondersteunen met alcoholgerelateerde opvoedingsstrategieën. Hierbij kregen ouders uitleg over het feit dat scholieren die meer steun, toezicht en duidelijke regels van hun ouders ervaren, minder alcohol drinken. Verder werd de rol van ouders ook besproken, aangezien we weten dat de voorbeeldfunctie van ouders ook een belangrijke rol speelt (zie ook de overheidscampagne ‘Zien drinken, doet drinken’).
Een veelvoorkomend thema onder adolescenten was het onvermogen om te herkennen wanneer ze dronken raakten, waarbij ze vaak blackoutervaringen beschreven. Dit maakte het moeilijk voor hen om tijdig te anticiperen op hun intoxicatie, wat een kritieke factor voor preventie benadrukt. De deelnemende adolescenten adviseerden beter onderwijs over alcohol, strengere reclameregels en betere handhaving van alcoholwetten om alcoholintoxicaties en de negatieve effecten van alcohol te helpen verminderen binnen hun generatie.

Op 6 november 2025 organiseerde de Wetenschapsraad van Reinier de Graaf opnieuw het tweejaarlijkse pitch-event. Onderzoekers uit ons ziekenhuis krijgen tijdens dit evenement de kans om een stipendium van maximaal €15.000 voor hun wetenschappelijk onderzoek te krijgen. Hiervoor moeten zij in vijf minuten hun onderzoeksvoorstel presenteren en vervolgens eventuele vragen van het publiek beantwoorden. Deze editie waren er elf pitches. De Wetenschapsraad heeft in totaal €89.3687,88 aan stipendia toegekend.
Door: Sanne Ruigrok-Verhoog
“Het pitch-event is een prachtige manier om zowel startend als lopend wetenschappelijk onderzoek direct vanuit het ziekenhuis te ondersteunen”, aldus Sander Zielhuis, decaan Wetenschap en voorzitter van de Wetenschapsraad. “Binnen ons ziekenhuis zijn er veel ambities op het gebied van onderzoek. En als Wetenschapsraad willen we de vruchtbare initiatieven ondersteunen.”
Doe je zelf wetenschappelijk onderzoek in Reinier of ben je van plan om dit te gaan doen? De Wetenschapsraad organiseert twee keer per jaar een pitch-event. Onderzoekers kunnen het hele jaar door een financiële bijdrage voor hun onderzoek aanvragen bij de Wetenschapsraad.
In totaal zijn er zeven onderzoeksvoorstellen toegekend. Hieronder vind je een korte samenvatting van elk onderzoeksvoorstel.
Validatie dry serum spots
Dennis Poland en Lennard Dekker (Klinische Chemie)
Er zijn verschillende innovatieve producten beschikbaar waarmee
patiënten thuis zelf bloed kunnen verzamelen voor gezondheidsmonitoring. De meeste van deze producten maken gebruik van vloeibaar bloed, dat beperkt houdbaar is en transportproblemen kan veroorzaken. Andere producten maken gebruik van bloed op een dragermateriaal, zoals papier, waarop het bloed droogt. Dry blood spots zijn stabiel en kunnen per post verzonden worden. Recent zijn er ook dragers ontwikkeld die het bloed scheiden in serum en cellen, zoals lateral flow (LF)-papier, waardoor dry serum spots ontstaan. Dit serum kan later worden geanalyseerd op klinische, chemische, immunologische en serologische parameters. Deze studie onderzoekt welke parameters geanalyseerd kunnen worden in serum dat is verzameld op LF-papier.
Methode ontwikkeling en validatie intracellulair bepalen van micronutriënten
Quinty van Sliedrecht, Lennard Dekker en Linda IJsselstijn (Klinische Chemie)
Micronutriënten zijn essentieel voor stofwisseling, immuunfunctie en
hormoonhuishouding. Routinebepalingen van micronutriënten vinden meestal plaats in plasma, maar plasmametingen geven slechts een momentopname die beïnvloed kan worden door dieet, ritmes en acutefase respons (AFR). De AFR veroorzaakt schommelingen in plasmaconcentraties, die kunnen wijzen op een werkelijk tekort of een schijnbare deficiëntie door herverdeling van micronutriënten. Dit bemoeilijkt de interpretatie van plasmaconcentraties, vooral bij ernstig zieke patiënten. Daarom willen de onderzoekers intracellulaire bepalingen van micronutriënten in erythrocyten en leukocyten opzetten en vergelijken met plasmaconcentraties. Een eerdere studie heeft een methode ontwikkeld om deze cellen snel uit volbloed te extraheren. In dit project willen de onderzoekers de methoden voor intracellulaire micronutriëntenbepaling afronden en valideren voor klinisch gebruik.
COCO-gen, CYP2D6 and Codeine Response in Chronic Cough patients; an exploratory genetic study José de Kluijver (Longgeneeskunde) Hoewel codeïne nog steeds vaak wordt voorgeschreven als hoestwerend middel, blijft de klinische effectiviteit ervan onzeker, met name vanwege de variabiliteit in individuele respons. Een belangrijke factor die deze variabiliteit kan verklaren, is genetisch polymorfisme in het cytochroom P450-enzym CYP2D6, dat verantwoordelijk is voor de omzetting van codeïne in zijn actieve metaboliet, morfine. Hoewel deze farmacogenetische route goed is onderzocht in de pijnbestrijding, is de relevantie ervan voor hoestonderdrukking onduidelijk. Deze studie heeft tot doel de rol van CYP2D6-gemedieerd metabolisme in de klinische respons op codeïne bij patiënten met chronische hoest te verduidelijken en aanvullende patiëntgerelateerde voorspellers van het behandelingsresultaat te identificeren.
and Mechanical Power (VAMP)
Laura Buiteman (Intensive Care)
Mechanische beademing is een essentiële behandeling op de intensive care, maar kan bij onjuiste instellingen bijdragen aan ventilatiegeïnduceerd longletsel. Naast traditionele parameters, zoals teugvolume en druk, zijn zowel patiënt-ventilator asynchronieën (PVA) als mechanical power (MP) naar voren gekomen als belangrijke voorspellers van longschade en ongunstige klinische uitkomsten. Een tool die PVA en MP automatisch berekent en visualiseert, kan de kwaliteit en veiligheid van beademing verbeteren en de cognitieve belasting van zorgverleners verminderen. De Visualisation of Asynchronies and Mechanical Power (VAMP)-studie onderzoekt of real-time visualisatie van PVA en MP met behulp van Deep Breath-software de kwaliteit van invasieve beademing bij volwassen IC-patiënten verbetert. Daarnaast wordt de bruikbaarheid en de ervaren werkbelasting geëvalueerd.
Effecten van PERMISSive longbeschermende beademing bij kritiek zieke patiënten op beademingsintensiteit - een gerandomiseerde klinische pilot studie (PERMISS pilot)
Laura Buiteman (Intensive Care)
Mechanische beademing kan longschade veroorzaken door de intensiteit, ook wel ‘mechanical power’ genoemd, waarbij de ademhalingsfrequentie (respiratory rate – RR) een belangrijke rol speelt. Studies tonen aan dat deze intensiteit voornamelijk afhankelijk is van de RR; een verlaging van de RR verlaagt niet alleen de intensiteit, maar ook het risico op mortaliteit. Recente onderzoeken, onder andere bij COVID-
19-patiënten, bevestigen dat het verlagen van de RR haalbaar en veilig is zonder onveilige gasuitwisseling. Er zijn echter nog onzekerheden over de veiligheid van langdurige lage RR-ventilatie, aangezien eerdere studies vaak kortdurend en observationeel waren. Daarom wordt een nieuwe gerandomiseerde klinische pilotstudie voorgesteld om de veiligheid en haalbaarheid van permissieve longprotectieve ventilatie met een lage RR te testen, in vergelijking met conventionele ventilatie met een hogere RR. De resultaten zullen ook worden gebruikt voor de opzet van een toekomstige grootschalige internationale gerandomiseerde gecontroleerde studie (RCT), gericht op effectiviteit gemeten in beademingsvrije dagen en overleving na 28 dagen.
Trapeziectomie versus TMC-arthroplastiek (RSA)
Rianne Oomen en Nina Mathijssen (Orthopedie)
Osteoartrose van het trapeziometacarpale (TMC)-gewricht komt veel voor, met een prevalentie van meer dan 35% bij vrouwen van 55 jaar en ouder. Deze aandoening leidt tot duimdeformatie, pijn en verlies van functie en kracht, en treft vooral werkenden en mantelzorgers. Wanneer conservatieve behandeling faalt, is trapeziectomie de gouden standaard in Nederland, waarbij het trapezium deels of volledig wordt verwijderd. Een alternatieve operatie is het plaatsen van een TMC-prothese. Beide behandelingen hebben voor- en nadelen, maar er is slechts één gerandomiseerde gecontroleerde studie (RCT) met kortetermijnresultaten die deze behandelingen vergelijkt. Er is nog geen RCT die trapeziectomie vergelijkt met TMC-arthroplastiek, en er is weinig bekend over de kosteneffectiviteit en migratiepatronen van de TMCprothese. Dit onderzoek vergelijkt pijn, kracht, functie en kosteneffectiviteit na trapeziectomie versus TMC-arthroplastiek, en onderzoekt de migratie van de TMC-prothese gedurende een follow-up van 10 jaar.
Karakteristieken van alcohol- en drugsintoxicaties over de afgelopen 15 jaar in het Reinier de Graaf Gasthuis Thirza Noordermeer (Kindergeneeskunde) Alcoholgebruik heeft ernstige negatieve effecten op de gezondheid van jongeren. Volgens de WHO was alcohol in 2019 verantwoordelijk voor 4,7% van alle wereldwijde sterfgevallen. Hoewel er eerder trendanalyses zijn uitgevoerd naar alcoholintoxicaties, ontbreken recente gegevens. Een trendanalyse van alcoholgerelateerde SEH-bezoeken kan helpen bij het evalueren van de impact van beleidsmaatregelen, zoals de alcoholwetwijziging van 2014, het verbod op alcoholreclames voor 21:00 uur en de NIX18-campagnes. De analyse biedt ook inzicht in demografische en sociaal-economische factoren die van invloed zijn op alcoholincidenten, wat kan bijdragen aan gerichte preventieinspanningen, bijvoorbeeld binnen studentenverenigingen of specifieke wijken. Kortom, deze studie kan bijdragen aan het verbeteren van beleid, zorg en preventie.
Het begon allemaal met een opmerkelijke MRI bij een 13-jarige jongen met Silver-Russell syndroom (SRS). Want wat bleek? Er was op de MRI geen reukzenuw te zien. Deze jongen kon dus absoluut niet ruiken. Iets wat enigszins lijkt te passen bij dit syndroom, waarbij kinderen vaak problemen hebben met eten, en daardoor ook met groei. Reuk en smaak, en dus eten, zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zouden reukstoornissen ten grondslag liggen aan deze eet- en groeiproblemen? Hebben alle patiënten met SRS problemen met reuk? Dit was nog niet eerder in kaart gebracht. KNO-arts Dick Kooper besloot het uit te zoeken.
Door: Babette Bais
Silver-Russell syndroom
SRS is een zeldzame aangeboren aandoening, gekenmerkt door een ernstige groeiachterstand voor en na de geboorte, een relatief groot hoofd met typische uiterlijke kenmerken en voedingsproblemen. SRS komt voor bij ongeveer 1 op de 30.000 tot 100.000 kinderen. Behandeling richt zich met name op symptoombestrijding, ondere andere met groeihormoontherapie en fysiotherapie. Vanwege voedingsproblemen maakt een diëtist vaak onderdeel uit van het multidisciplinaire behandelteam.
Kinderen met SRS hebben vaak eetproblemen. Zo hebben ze vaak een slechte eetlust, zijn ze kieskeurig en eten ze traag. Hierdoor heeft maar liefst 90% van de kinderen eetproblemen en komen zij langzaam aan. Ongeveer 20 tot 40% van de patiënten met SRS heeft aanvullende voeding nodig, bijvoorbeeld in de vorm van sondevoeding.
Onderzoeksvraag
In het onderzoek werd antwoord gezocht op de vraag of reukstoornissen vaker voorkomen bij kinderen met SRS dan bij kinderen zónder SRS. Ook werd bestudeerd of deze reukstoornissen samenhangen met de voedingsproblemen die deze patiënten vaak hebben.
Studie-opzet
Samen met kinderarts-endocrinoloog dr. Danielle van der Kaay (Erasmus MC) zette Dick een observationeel onderzoek op. Geneeskundestudent Selma Messaoudi voerde de studie uit in het kader van haar wetenschapsstage.
Kinderen van 6 tot 18 jaar met SRS die het gespecialiseerde spreekuur van Daniëlle bezochten, werden gevraagd mee te doen aan een
Resultaten
In totaal werden 29 kinderen onderzocht. De helft van de kinderen was jongen en de mediane leeftijd was 12 jaar. Ook in dit cohort van kinderen waren eetproblemen prevalent: zo had bijna 90% ooit begeleiding van een diëtist en had de helft van de kinderen ooit sondevoeding gehad.
Vergeleken met de normdata had een groot deel van de kinderen problemen met reuk. Afhankelijk van de onderzochte parameter had 27,6 tot maar liefst 55,2% van de kinderen een reukstoornis. Er werden geen statistisch significante verschillen gevonden tussen patiënten met en zonder reukstoornis wat betreft gebruik van dieetvoeding, afhankelijkheid van sondevoeding en meet- en weeggegevens.

reuktest. Tijdens deze reuktest werd aan verschillende staafjes geroken om zo verschillende dingen te bepalen, zoals het vermogen om bepaalde geuren te kunnen onderscheiden van elkaar. Daarnaast werden verschillende variabelen verzameld, zoals leeftijd, geslacht, genetisch subtype en het gebruik van dieetvoeding, sondevoeding en medicatie. De resultaten van de reuktest werden vergeleken met die van kinderen zonder SRS, de zogenoemde normdata.
” Het blijkt dat een substantieel deel van de patiënten met SRS beduidend minder goed ruikt
Implicaties
Het blijkt dat een substantieel deel van de patiënten met SRS beduidend minder goed ruikt. Aangezien een verminderd reukvermogen verband houdt met de regulatie van eetlust, smaakperceptie en het genieten van eten, zou hiervoor routinematig aandacht moeten zijn. Hyposmie, een verminderd vermogen om te ruiken, kan bijdragen aan selectief eetgedrag, verminderde interesse in voedsel en een verhoogde gevoeligheid voor texturen. Het opsporen van reukstoornissen kan daarom bijdragen aan verbetering van de individuele patiëntenzorg.
Door: Mirell Papenhuijzen
Hier vind je het overzicht van de wetenschappelijke publicaties van medewerkers van Reinier de Graaf. Op deze lijsten zijn alleen de referenties opgenomen die je ook aantreft in PubMed/Medline en Google. De publicaties zijn in peer-reviewed tijdschriften gepubliceerd. Mis je een publicatie? Geef het door aan de medische bibliotheek: biblio@rdgg.nl

Scan de QR-code en vul in:
Login name: Rdgau
Password: RResearch
Vraag dan onze informatiespecialist om hulp.

Ondersteuning of advies nodig bij literatuuronderzoek?
Neem contact op met onze informatiespecialist van het Kenniscentrum.
biblio@rdgg.nl
Een unicompartimentele knieprothese, ook wel halve knieprothese genoemd, wordt in de orthopedie gebruikt voor het behandelen van artrose aan één zijde van de knie. Het aantal geplaatste halve knieprotheses in Nederland neemt al jaren toe en heeft meerdere voordelen ten opzichte van een totale knieprothese, onder andere een kortere operatietijd, minder invasief, minder bloedverlies en minder complicaties. Het nadeel is echter dat er vaker revisies voorkomen bij dit type prothese vergeleken met een totale knieprothese. Dit kan komen door de toenemende artrose in het gewricht, maar aseptische loslating is een andere veelvoorkomende reden. Migratie van de prothese is een eerste teken van toekomstige loslating.
Door: Jantsje Pasma
In deze studie hebben we de migratie van de Persona Partial Kneeprothese onderzocht in 26 patiënten. Dit is een halve knieprothese die gecementeerd wordt geplaatst. Deze prothese is een relatief nieuwe prothese en het ontwerp is gebaseerd op de anatomische vorm van de knie. We hebben gekeken naar de migratie van beide onderdelen van de prothese, het femur- en het tibiagedeelte. De migratie is gemeten met behulp van stereometrische analyse (RSA). Hiervoor zijn er tijdens de operatie kleine tantalium bolletjes (diameter van 1 mm) in zowel het femur als tibia geïmplanteerd. Vervolgens zijn er speciale RSAröntgenfoto’s gemaakt direct na de operatie en op verschillende momenten gedurende 5 jaar, namelijk 6 weken, 6 maanden, 1 jaar, 2 jaar en 5 jaar na de operatie. Met deze foto’s wordt er een 3D-beeld gemaakt van de prothese ten opzichte van de geïmplanteerde bolletjes. Door de opnames te vergelijken met de opname direct postoperatief kan in micrometers nauwkeurig de migratie van de prothese worden gemeten over de tijd. De migratie wordt uitgedrukt in translaties in de x-, y- en zrichting en rotaties om de x-, y- en z-as. De RSA-röntgenfoto's van 1 jaar na de operatie zijn twee keer uitgevoerd en met elkaar vergeleken om de precisie te meten. De precisie geeft aan in welke mate de gemeten waarden werkelijke migraties zijn of meetfouten. Daarnaast zijn er patiëntgerapporteerde uitkomsten met betrekking tot pijn, functie en de kwaliteit van leven gemeten en zijn complicaties, zoals revisies, bijgehouden.
De resultaten laten zien dat gedurende 5 jaar na de operatie er migratie optreedt van zowel het tibiagedeelte als het femurgedeelte. De migratie van het femurgedeelte vindt voornamelijk plaats als rotaties om de x- en z-as, namelijk gemiddeld 0,24 graden en 0,43 graden respectievelijk 5 jaar na de operatie. Deze migratie was stabiel tussen 2 en 5 jaar na de operatie. De translaties van het femurgedeelte vielen binnen de precisie, wat betekent dat we niet kunnen zeggen dat dit echte translaties waren, maar mogelijk meetfouten. Het tibiagedeelte transleert met name in de negatieve y-richting (gemiddeld -0,21
mm) en roteert rond de negatieve z-as (gemiddeld -0.75 graden). In tegenstelling tot het femurgedeelte blijft het tibiagedeelte migreren tot 5 jaar na de operatie. Wel zien we dat de patiëntgerapporteerde uitkomsten verbeteren ten opzichte van de preoperatieve uitkomsten en stabiel blijven tussen 2 en 5 jaar. Tijdens de follow-up hebben 2 revisies plaatsgevonden, waarvan 1 al na 15 weken door een trauma en 1 na 42 maanden in verband met loslating van het tibiagedeelte.
”De resultaten laten zien dat gedurende 5 jaar na de operatie er migratie optreedt van zowel het tibiagedeelte als het femurgedeelte
Het hele onderzoek lezen?
Scan dan de QR-code!

Uit deze resultaten kunnen we concluderen dat de migratie van de Persona Partial Knee-prothese laag is voor zowel het tibia- als femurgedeelte. Het femurgedeelte is stabiel tussen 2 en 5 jaar, maar het tibiagedeelte laat nog steeds migratie zien tussen de 2 en 5 jaar. Als we naar de individuele migratietrajecten kijken, zien we een duidelijke, continue migratie van het tibiagedeelte tussen 2 en 5 jaar bij 2 patiënten. Langere termijnresultaten zullen laten zien of de migratie van het tibiagedeelte nog verder doorzet en welke consequenties dit heeft voor de lange termijnuitkomsten.
Innovatieplatform
Hybride bijeenkomsten; zowel fysiek als via Zoom
Training Evidence Based Practice (EBP)
Reeks van 4 dinsdagen
Training Klinische Epidemiologie
Reeks van 3 avonden
Training Effective Scientific Writing in English for Publication in Biomedical Journals
Reeks van 6 sessies, online
E-learnings WMO-GCP:
Light, Refresh en Basis met landelijk examen
Pitch-event voor een stipendium van de Wetenschapsraad
Wetenschapscafé
2026
6 keer per jaar (aankondiging op ReinierNet)
Start di 8 september
Start do 1 oktober
Data najaar volgen
Op aanvraag, mail wetenschapsbureau@rdgg.nl
Di 3 november
Najaar 1 à 2 keer, data volgen
Collega’s uit het Reinier de Graaf ziekenhuis melden zich aan via Reinier Campus, categorie Wetenschap.
17.00u-18.00u
14.30-16.30u
17.45-19.45u
Diverse tijden in de avonden en een middag
Het hele jaar door
16.00-18.00u 16.00-18.00u
12.30-13.15u