Skip to main content

Grondslag van Twickel

Page 1

GRONDSLAG

VAN TWICKEL

Noordboek

700 jaar adellijk grondbezit en landgoedbeheer

Gerrit van Oosterom


Inhoudsopgave

1

Voorwoord

4

De opdracht

9

May God help me to be worthy Land houdt stand Twickel is geen eiland De rentmeesterij als machinekamer Reizen door de tijd

2 Wortel schieten Welkom in de middeleeuwen Onderweg naar Twickel Start van een landgoed Fragmentarische expansie Zijwieltjes voor Twickel Een rijk bezit Buigen voor de keizer

3

19 21 25 27 31 34 37 39 43 54 57

Oplopende spanningen Transformaties op Twickel Nieuwe investeringen Een bom onder het bezit

59

Eindelijk vrede Herstel van vermogen Terugveroveren van bezit Een havezate voor elke zoon Rafelranden Lage als sleutelproject De eerste rentmeesters in beeld Eindelijk erkenning

G R O N D S L AG VA N T W I C K E L

17

Huis onder vuur

4 Eerherstel

6

11 14

68 70 76 81 83 85 89 92 98 100 107 113


5

De draai naar Holland

117

9 De gouden eeuw van Twickel

257

Het zwaartepunt verschuift De nieuwe landkaart Van middelpunt naar marge Twickel als pendant van Zuidwijk Klaar voor de toekomst?

119

De bruidsschat Schuivende panelen Verdubbeling van het Twentse bezit Schoonheid voorop Modernisering van het landbouwbedrijf De rentmeester als rots in de branding Is groot ook beter?

259

125 137 141 149

6 Sanering en professionalisatie

151

Donkere wolken pakken zich samen Crisismaatregelen Sanering van het grondbezit Twee bijzondere erfenissen Aankopen als acupunctuur Wisselende resultaten Professionalisering van de organisatie Reglement Twickel Kordaat regent

153 162 167 171 178 181 189 200 205

Nieuwe wegen inslaan

207

De geschiedenis herhaalt zich? Betere tijden breken aan Nieuw geld Kind van de Verlichting Van boom tot boot Het sleutelproject van de Twickelervaart Een nieuw soort rentmeester

209

8 Een tumultueus intermezzo

245

‘Gelukkig laat men mij gelijk ik was’ Verlies aan inkomsten De klap van de tiërcering ‘Hij had ons kunnen ruineeren’

247

7

210 218 225 231 238 241

251 253 255

10 In het defensief

262 267 281 294 307 316 329 331

Kerend tij Weg van het ravijn Oorlogsgeweld en oorlogsherstel Twickel is van iedereen Aan de leiband van de staat De lange weg naar Stichting Twickel

333 346 353 357 362

11 Epiloog

367

‘Alles gaat door in de oude geest’ Balanceren tussen traditie en vernieuwing De reus wordt wakker Al veranderend, verander ik niet

369

Dankwoord

384

Bijlage I – Bestuursleden Stichting Twickel Bijlage II – Overzicht buitenbezittingen Bijlage III – Stamboom / verervingslijnen Eindnoten Literatuurlijst Register Verantwoording Colofon

386

373 379 382

388 390 394 434 441 446 448

I N H O U D S O PGAV E

7


8

HOOFDSTUK 1


–1– De opdracht Grootgrondbezit vormt al bijna zevenhonderd jaar het fundament onder landgoed Twickel in Twente. Een wereld die zich op haar hoogtepunt uitstrekte van Den Haag tot Delden en van Franeker tot de Veluwe. De zorg voor dat bezit was een diepgevoelde opdracht voor de zeventien generaties die elkaar tussen 1347 en 1953 in een ononderbroken lijn opvolgden als eigenaar-bewoners. In dit boek volgen we die geschiedenis. Een verhaal over eigenwijze rentmeesters, sterke vrouwen, grote idealen en diepe drama’s. Maar bovenal het verhaal over de zoektocht van elke generatie om die grondslag steeds opnieuw vorm en inhoud te geven in een continu veranderende wereld.

9


10

HOOFDSTUK 1


May God help me to be worthy

Vrouwe van Twickel ‘Het gehele land schijnt zich erover opgewonden te hebben wat of er na mijn overlijden met het bezit gebeuren zoude,’ schreef barones Marie van Heeckeren van Wassenaer - van Aldenburg Bentinck in 1955 onderkoeld in haar dagboek in een openhartige terugblik op de lange weg die ze had afgelegd om het landgoed Twickel in veilige haven te brengen.1 De opluchting in Twente was dan ook voelbaar geweest toen twee jaar daarvoor bekend werd dat zij Twickel op 7 april 1953 had ondergebracht in een stichting. Een project dat in het diepste geheim was voorbereid in een kleine kring van vertrouwelingen.2 Textielfabrikant en vertrouweling van het eerste uur Jan Herman van Heek (1873-1957) had de primeur. Hij mocht het nieuws wereldkundig maken met een uitgebreid artikel in het Twentsch dagblad Tubantia waarin hij het publiek opriep om ‘een stille hulde’ te brengen aan de ‘vrouwe van Twickel’. Zij had er namelijk voor gezorgd dat het landgoed na haar dood niet ‘ten offer zij gevallen aan de eisen, in verschillende vorm door de Nederlandse belastingwetgeving gesteld’.3

Afb. 1.1. Barones Marie Amélie Mechtild Agnes van Heeckeren van Wassenaer - gravin van Aldenburg Bentinck (18791975), de laatste ‘vrouwe van Twickel’. Hier geportretteerd door Friedrich Röscher in 1915.

De barones zelf was dat voorjaar vooral opgelucht. ‘Zoo veel dat moeilijk was is ten goede opgelost,’ schreef ze in haar dagboek in een terugblik op alle strubbelingen en twijfels die aan dit moment vooraf waren gegaan.4 ‘Offer je nu niet op,’ had goede vriend Willem Lodewijk baron De Vos van Steenwijk (1859-1947) haar bijvoorbeeld toegefluisterd, toen zij haar plannen met hem gedeeld had.5 ‘Dat heb ik ook niet gedaan en Twickel alleen in een stichting gebracht,’ was het kordate antwoord.6 Van enige vorm van zelfopoffering was namelijk geen

sprake. In haar ogen viel het eigen belang in deze volkomen samen met dat van het landgoed. En hoe kon het ook anders voor iemand die was opgevoed in een adelscultuur waarin al eeuwenlang niet het belang van het individu maar dat van het huis centraal stond.

De opdracht Vlak achter de opluchting was er dat voorjaar van 1953 daarom ook vooral verdriet. Verdriet om een wereld die op het punt van verdwijnen stond.7 Maar bovenal het verdriet om het verlies van ‘Dolly’, haar overleden man: Rodolphe Frédéric baron van Heeckeren van Wassenaer (1858-1936). Het was namelijk zijn queeste die zij had voltooid. Als laatste mannelijke erfgenaam van zijn huis was hij een groot deel van zijn leven koortsachtig bezig geweest om een passende erfgenaam te vinden, mocht hij kinderloos komen te overlijden. Meerdere personen waren daarbij in de loop der tijd de revue gepasseerd, maar steeds sloeg het noodlot toe. De eerste kandidaat, neef Alexander van Heeckeren van Kell (1906-1928), was al op zeventienjarige leeftijd door Rodolphe benoemd tot enig erfgenaam. Aan die droom kwam al vijf jaar later een eind toen de jongeling na een dollemansrit door de Bergstraat in Ede terechtkwam onder zijn paard en nog dezelfde dag overleed. Het deed bij rentmeester Bitter alle alarmbellen afgaan.8 Door de nadrukkelijke wens van Rodolphe om zijn bezit te vererven aan een ‘mannelijk, Nederlands persoon met de naam Van Heeckeren’ lag het risico op torenhoge successierechten, en daarmee versnippering van het bezit, weer levensgroot op tafel. Zeker nu de keuze door het lot was teruggebracht tot één erfgenaam. DE OPDRACHT

11


Afb. 1.2. De vijf (achter)neven van baron en barones van Heeckeren van Wassenaer die op enig moment als erfgenaam werden vermeld in (concept) testamenten, maar om allerlei redenen weer afvielen.

Alexander Willem Henry Walraven van Heeckeren van Kell (1906-1928).

Frederik George Unico Willem van Aldenburg Bentinck (1888-1942).

12

HOOFDSTUK 1

Hendrik Robert ‘Bobby’ van Heeckeren van Kell (1907-1999).

Siegfried Casimir Friedrich zu Castell-Rüdenhausen (1916-2007).


Unico Friedrich Heinrich Erwein Casimir zu Castell-Rüdenhausen (1923-1944).

Everything I do I try to do in his spirit and hear him say things to me when I do them. If only he could come back to me and could tell me so much I want to know [..] May God help me to be worthy to him and of the great trust he has put in me.14

Een doodlopende weg

Deze tweede neef, Hendrik Robert ‘Bobby’ van Heeckeren van Kell (1907-1999), werd gewogen maar te licht bevonden nadat de accountant op subtiele wijze had gevraagd of de knaap, eenmaal ‘op rijpere leeftijd’ aangekomen, wel opgewassen zou zijn tegen de taak om ‘handelende in uw geest, getrouw te blijven aan de goede traditie van uw geslacht’.9 Of er toen al aanleiding voor was om daaraan te twijfelen, is onbekend. Later zou blijken dat ‘rooie Robert’ zich al jong ontpopte tot een radicale idealist die door zijn overtuigingen uiteindelijk zijn fortuin volledig verspeelde en in armoede stierf.10 Exit Bobby. Tijdens het huwelijk van Rodolphe en Marie ging het zoeken naar een erfgenaam onverdroten door.11 Het mocht niet baten, want toen de baron in 1936 in het Kurhaus van Scheveningen overleed, was alleen vastgelegd dat de keuze nu aan haar was.12 Een zware opdracht, maar wel een die ze, gesterkt door haar opvoeding en geloof, in volle overtuiging aanging. ‘Ofschoon het hier zoo leeg is zonder hem heb ik toch altijd het gevoel dat ik hier op mijn post sta en alles naar mijn beste weten voor hem voortzet,’ schreef ze al op 12 december van dat jaar.13 Enkele maanden later gevolgd door de verzuchting:

Omdat de uiterst gedetailleerde wensen van haar man leidend bleven, wisselden ook in de jaren daarna de (concept-)testamenten, met steeds andere kandidaten, zich in hoog tempo af.15 Op de achtergrond van die krampachtige pogingen om een erfgenaam te vinden uit het eigen familienetwerk tekende zich echter steeds duidelijker het werkelijke probleem af. Niet de persoon, maar de erfbelasting die deze zou moeten betalen was de grootste bedreiging voor de toekomst van Twickel. Het is tragisch om te zien hoe de verwachtingen daarom steeds moesten worden bijgesteld. Werd er in de jaren twintig nog van alles geëist van de erfgenaam, in 1942 kon alleen nog maar de hoop worden uitgesproken dat diegene die Twickel erfde er alles aan zou doen om het landgoed in stand te houden. Wat het ongemak over de toekomst bovendien steeds groter maakte, was het feit dat de barones na de oorlog van dichtbij zag hoe meerdere familieleden en vrienden grote moeite hadden om de boel bij elkaar te houden. Op Amerongen vochten haar neven en nichten elkaar de tent uit over de erfenis van het verlieslijdende landgoed aldaar.16 Haar nicht Isabelle Bentinck (1889-1981) en haar Duitse echtgenoot hadden na de oorlog al hun bezittingen in Oost-Duitsland verloren en moesten in Nederland alle zeilen bijzetten om hun eigendommen terug te krijgen van de staat.17 En op kasteel Duivenvoorde woonden goede vriend Willem baron Schimmelpenninck van der Oye (1889-1957) en zijn zus na de oorlog in een zwaar beschadigd huis zonder dat er geld was voor renovatie en zicht op een opvolger.18 De kans om iemand te vinden die in die context de fakkel kon overnemen, werd steeds onwaarschijnlijker. Het was tijd om het anders te gaan doen.

DE OPDRACHT

13


Land houdt stand

Grondslag onder het adellijke bestaan De levenslange focus van de laatste baron en barones om het landgoed bij elkaar te houden, was geen uitzondering binnen de adelscultuur waar ze uit voortkwamen. Beiden waren opgevoed in een systeem waar landbezit al eeuwenlang het fundament was onder het familiekapitaal: de grondslag onder het adellijke bestaan en de eigen identiteit. Het belang van grondbezit voor een kasteel als Twickel is zelden kernachtiger omschreven dan door de Britse architectuurhistoricus Mark Girouard in zijn standaardwerk Life in the English Countryhouse uit 1978. Al in de inleiding stelde hij dat landbezit essentieel was voor het functioneren van een powerhouse als Twickel. ‘Land provided the fuel, a country house was the engine that made it effective.’19 Willen we Twickel echt begrijpen, dan kan dat alleen door Girouards perspectief te volgen en het kasteel te beschouwen als de motor en het landbezit als de brandstof die er in samenhang voor zorgden dat het landgoed datgene kon produceren waar het voor was bedacht: macht, invloed, status en identiteit. Hoe die motor van Girouard precies functioneerde, werd tien jaar later door de Nederlandse socioloog Cees Schmidt geduid in zijn langetermijnstudie naar de manier waarop het geslacht Teding van Berkhout zijn maatschappelijke positie van generatie op generatie probeerde uit te bouwen. Daarin stelt hij dat ieder lid van dit geslacht van kindsbeen af de opdracht meekreeg om die positie van de familie op zijn minst te behouden en het liefst te versterken.20 Iedere generatie zag zichzelf hierdoor als tijdelijk beheerder van het ‘maatschappelijk ver-

14

HOOFDSTUK 1

mogen’ van de familie: het conglomeraat van geld, macht en aanzien dat de maatschappelijke positie van het geslacht bepaalde. En juist op al die drie vlakken (geld, macht en aanzien) was grondbezit uiterst effectief. Grond voorzag eigenaren namelijk zowel van economisch kapitaal (financiële rijkdom), politiek kapitaal (macht en invloed), als van cultureel kapitaal (status en prestige).21

Grond, geld, macht en status Grondbezit had voor de adel en andere grootgrondbezitters dan ook een aantal duidelijke voordelen ten opzichte van andere vermogensbestanddelen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een juwelencollectie of een ambt was grondbezit in de basis onvervreemdbaar vermogen. Naast een inkomen voorzag het de eigenaren daardoor van een aura van kredietwaardigheid, de financiële kurk waar menig familie op dreef.22 Ten tweede was grondbezit eeuwenlang de meest directe weg naar politieke macht. Al in de middeleeuwen gaf grondbezit bijvoorbeeld rechtstreeks toegang tot het lokale bestuur, zoals waterschappen en het markebestuur. Hetzelfde gold op regionaal niveau. Het bezit van een erkend huis was in menig gewest eeuwenlang een voorwaarde om toegelaten te worden tot de Ridderschap en van daaruit het gewestelijk en nationaal bestuur. Die geïnstitutionaliseerde relatie tussen grondbezit en toegang tot de macht bleef ook in de negentiende eeuw onverkort in stand na de invoering van het censuskiesrecht, dat grootgrondbezitters disproportioneel bevoordeelde doordat alleen de hoogstaangeslagenen in de rijksbelasting toegang hadden tot de Eerste Kamer. Een situatie die pas met de invoering van het algemeen mannelijk kiesrecht in 1917 werd afgeschaft.


Juist bij het analyseren van grondbezit als machtsfactor blijkt keer op keer dat het daarbij niet alleen ging om de omvang van het bezit, maar vooral ook om het in eigendom hebben van de juiste objecten. Het ene object was namelijk het andere niet.

waren, hoe groter de status was die eraan werd toegekend. ‘Voorouderlijke grond’ die al ‘sinds mensenheugenis’ in bezit was werd gekoesterd en tot het laatst verdedigd, terwijl andere bezittingen alleen tijdelijk als wisselgeld werden aangehouden.23

Dat gold zeker ook voor het cultureel kapitaal (status en aanzien) dat grondbezit voor de adel vertegenwoordigde. Ook daar speelde omvang zeker een rol, maar waren het uiteindelijk andere factoren die bepaalden welke bezittingen het meest waardevol waren. Vererving speelde in dat proces van waardecreatie een cruciale rol. Goederencomplexen die waren aangeërfd, werden binnen de adelscultuur traditioneel veel hoger aangeslagen dan bezittingen die waren aangekocht. Hetzelfde gold voor goederen die via de vaderlijke lijn aankwamen ten opzichte van bezittingen die vanuit de moederlijke lijn aanerfden. Hoe langer de goederen al in familiebezit

Niet voor niets adviseerden de eigenaren van Twickel hun nageslacht altijd hun vermogen zorgvuldig te spreiden en nooit alle eieren in één mandje te leggen. Het vermogen werd bij voorkeur niet alleen in stenen gestopt maar ook in beleggingen, contanten, goud en juwelen. Zij waren het vangnet om te voorkomen dat men op enig moment ‘in grote verlegenheid’ zou komen en ertoe gedwongen zou worden om de kroonjuwelen, het grondbezit, te verkopen. ‘Land houdt stand’ was dan ook een adagium dat werd gekoesterd en als een rode draad door de geschiedenis van Twickel en daarmee dit boek loopt.

DE OPDRACHT

15


150 km

Friese goederen

Hooghalen Zijpe

100 km

De Eeze

Clarholzer goederen

Obdam - Hensbroek

50 km

Rutenberg

Eerde Thornse goederen Lage Schuilenburg

Waterland Amsterdam Ouderkerk a/d Amstel Vierambachtspolder Utrechtse goederen

Wassergeest Wassenaar-Zuidwijk / Santhorst Den Haag Huis ten Dorp Brielse goederen

Breckelenkamp Twickel Hof te Hengelo Kring van Dorth Hof van Flodorff Hof te Boekelo Weldam Hof te Dieren Nettelhorst Hof te Borculo Kernhem

Zuylestein Ridderkerk

Moerkerken

Huissensche zaailanden Pannerdense waard Gelderse waard Bergse goederen Bylandtse en Lobitsche waard

polder Amerongen

polder Lillo

Wulfrath

Odenkirchen

Afb. 1.3. Twickel is geen eiland maar onderdeel van een sterrenstelsel aan bezittingen die soms kort en soms eeuwenlang met elkaar verbonden bleven.

16

HOOFDSTUK 1

Lennep


Twickel is geen eiland

Twickel als onderdeel van een netwerk Om de geschiedenis van Twickel goed te begrijpen, kunnen we dus niet om de brandstof heen die de machine eeuwenlang voedde: het grondbezit. In de vele studies die over Twickel zijn verschenen, krijgt juist dat aspect opvallend genoeg relatief weinig aandacht. Daardoor blijft ook buiten beeld dat het bij Delden gelegen landgoed geen eiland was. Al vanaf het prille begin was het onderdeel van een sterrenstelsel van bezittingen met vertakkingen tot ver buiten Twente. De bijdrage van het grondbezit aan het maatschappelijk vermogen van de eigenaren werd dan ook nooit alleen bepaald door het landgoed rond Delden, maar net zo goed door het bezit van boerderijen, kastelen, stadshuizen, buitenplaatsen en heerlijkheden elders. Dat totaal aan bezittingen was bovendien meer dan de som der delen. Het functioneerde als een netwerk vol afhankelijkheden en onderlinge relaties. Figuurlijk omdat de winst van het ene complex werd gebruikt om verliezen op andere bezittingen te compenseren. Maar ook letterlijk, omdat tussen die complexen allerlei zaken werden uitgewisseld, variërend van een afgedankte oliemolen uit Delden die versleept werd naar Lage, tot jonge boompjes die werden opgekweekt op bezittingen in Friesland en op de Veluwe en vervolgens naar Twickel werden getransporteerd om daar de bossen mee aan te planten.24

Een breder perspectief De ambitie van dit boek is om de ontwikkeling van dat netwerk aan bezittingen voor het eerst in samenhang in beeld te brengen en te laten zien hoe dat systeem functioneerde. De meerwaarde van die brede blik is dat we, meer dan in het verleden is gedaan, Twickel zo nadrukkelijker positioneren in een grotere leefwereld en niet op

voorhand als het centrum beschouwen. Dat bredere perspectief doet daarmee meer recht aan het feit dat voor sommige generaties niet Twickel het dynastieke middelpunt van hun leefwereld was, maar hun bezittingen in Holland. Het helpt ook om te begrijpen waarom men op sommige momenten wel investeerde in Twickel, en het landgoed in andere periodes in verval raakte. En het verklaart waarom elke generatie het bezit niet alleen probeerde te vergroten, maar ook steeds bewust bezittingen afstootte om zo het netwerk als geheel vitaal te houden. In Nederland is dat bredere perspectief een zeldzaamheid. Er zijn legio vuistdikke monografieën over landgoederen geschreven, maar zelden wordt daarbij gepoogd om het belang ervan voor de eigenaren in zijn volle omvang te positioneren in de context van grootgrondbezit of andere inkomstenbronnen, zoals beleggingen en ambten.25 Daardoor worden veel essentiële vragen vaak niet gesteld. Waar werd het geld bijvoorbeeld verdiend, en waar werd het uitgegeven? Hoe belangrijk was een landgoed in financieel opzicht eigenlijk voor de eigenaren? Waarom investeerde men wel in het ene landgoed maar niet in het andere? En waarom werden bepaalde bezittingen gekoesterd en andere schijnbaar achteloos terzijde geschoven? Alleen door die grotere context in het volle licht te zetten, ontstaat een helder beeld en een nieuw perspectief op het centrale onderzoeksobject. Of in de woorden van de negentiende-eeuwse predikant en schrijver Jacobus Craandijk: Het is met Twickel als met een magtig kunstwerk. Dat het schoon is, erkent ieder wel, maar juist misschien door zijn rijkdom is de indruk niet zóó, als men verwacht had. Om het te waardeeren, om het te begrijpen, moet men er meê vertrouwd worden.26 DE OPDRACHT

17


Dit boek kan daarom ook als eyeopener dienen voor het beter begrijpen van het goederenbeheer op andere landgoederen en bij andere adellijke families. Natuurlijk moeten we daarbij op voorhand waken voor generalisaties en een scherp oog houden op verschillen in tijd, schaal en sociale groepen. Maar veel van de keuzes en dilemma’s waartoe de eigenaren en hun rentmeesters op Twickel zich moesten verhouden, kwamen op datzelfde moment ook bij andere grootgrondbezitters voorbij. Het verhaal van

18

HOOFDSTUK 1

Twickel en haar grondbezit vertelt daarmee ook een groter verhaal. Het gaat over de manier waarop de adel als grootgrondbezitter grote delen van ons Nederlandse landschap heeft vormgegeven. Het gaat over rentmeesterschap en de moeilijke keuzes die daar soms bij horen. Maar bovenal gaat het over een ideaal. Een streven om zuinig te zijn op wat ons dierbaar is en dat zo goed mogelijk door te geven aan de volgende generatie.


De rentmeesterij als machinekamer

Een collectieve geschiedenis Voor de barones was de dinsdag in april 1953 waarop zij de stichtingsakte ondertekende een dag met twee gezichten. Naast haar man Dolly, had ook haar trouwe rentmeester, Willem Hendrik Bitter (1890-1953), de ondertekening tot haar grote verdriet niet meer mogen meemaken. Op 22 januari van dat jaar was hij na een ernstige verkoudheid geheel onverwacht overleden aan een hartaanval. ‘Ik had het gevoel plotseling heel verlaten te zijn,’ schreef ze twee jaar later in een terugblik op die roerige periode.27 Bitter had haar niet alleen met raad en daad bijgestaan in het uitdenken van de stichtingsstatuten. Ze hadden samen het landgoed gedragen. De geschiedenis van het grondbezit en goederenbeheer van Twickel is dan ook een collectief verhaal. In een radio-interview ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de barones in 1959 noemde de opvolger van Bitter, Kees Brunt (1920-1993), de rentmeesterij van Twickel niet voor niets het ‘knooppunt in de sociale levensgemeenschap van het landgoed’.28 Een volledig terechte kwalificatie van een instituut dat er al eeuwenlang voor zorgde dat de machine, zoals Girouard het landgoed omschrijft, goed was afgesteld, van de juiste brandstof werd voorzien en datgene leverde waar de eigenaar naar op zoek was. De rentmeesterij kunnen we dan ook met recht de machinekamer van het landgoed noemen en de rentmeester de machinist.

Uit de schaduw Om Twickel te begrijpen, kunnen we dan ook niet om de rentmeesterij en de rentmeesters heen. Als vertegenwoordiger van de eigenaar waren zij (dames ontbreken helaas) eeuwenlang de schakel tussen het kasteel en de buitenwereld.29

De manier waarop zij het goederenbeheer aanstuurden, was bovendien meer dan een doordruk van de wijze waarop de eigenaren tegen hun bezit aankeken. De rentmeesters gaven daar ook zelf richting aan. Ze boden tegenwicht waar nodig, kwamen met ideeën en sommigen namen zelfs simpelweg het stuur over. Om het centrale onderwerp van dit boek, de ontwikkeling van het grondbezit en het goederenbeheer, echt goed te kunnen doorgronden, zullen we dus steeds naar zowel de eigenaar als de rentmeester kijken en vooral naar het samenspel tussen beiden. Gezien de cruciale rol van rentmeesters in het goederenbeheer is het opvallend dat zij zo weinig aandacht krijgen in het bloeiende onderzoek naar landgoederen en adelscultuur in Nederland.30 Vermoedelijk heeft dat te maken met het feit dat er in ons land relatief weinig grootgrondbezit was, waardoor ook het besef van het belang van het aansturen en administreren van dergelijke complexen minder goed is ontwikkeld dan in de ons omringende landen. Daarnaast staat de rentmeester niet als enige in de schaduw. Pas vrij recent groeit in Nederland de aandacht voor al die personages die er in de coulissen voor zorgden dat de heren en dames waar zij voor werkten op de bühne konden schitteren. Naast pachtboeren, huispersoneel, tuinmannen, bosbazen en jachtopzieners wordt het daarom hoog tijd dat ook de rol van de rentmeester in het volle licht komt te staan. Uit prachtige Engelse studies naar de rol van rentmeesters, zoals Stewards, Lords and People van historicus David Roger Hainsworth uit 1992, blijkt bovendien dat hun rol veel complexer en veelzijdiger was dan gedacht. Van adjudanten die afgebakende taken uitvoerden voor een eigenaar DE OPDRACHT

19


Afb. 1.4. Twee generaties van de rentmeestersdynastie Wilterdink-Bitter die tussen 1870 en 1953 aan het stuur zat van het beheer van het enorme grondbezit van de familie Van Heeckeren van Wassenaer. Links: Willem Hendrik Wilterdink (1817-1882). Rechts zijn schoonzoon en opvolger, Willem Jacob Bitter (1850-1935).

die zelf de meeste tijd aanwezig was, groeiden ze geleidelijk uit tot onderkoningen die bij de steeds toenemende afwezigheid (absenteïsme) van de eigenaar als hun plaatsvervanger optraden. Uiteindelijk ontpopten ze zich in de negentiende eeuw tot allround vermogensbeheerder en vertrouwenspersoon waar zwaar op geleund werd. Een proces dat gepaard ging met een toenemende professionalisering en sociale stijging van zowel de functie als de persoon. Niet voor niets was het vertrek of overlijden van een rentmeester een ontregelende gebeurtenis waarvan de impact niet moet worden onderschat.

Een netwerkorganisatie Bijzonder aan Twickel is dat het beheer van de bezittingen niet werd uitgevoerd door één rent-

20

HOOFDSTUK 1

meester, maar door een groep administrateurs die elk een deel van het sterk gefragmenteerde grootgrondbezit beheerden. De manier waarop dat uitdijende netwerk van zaakwaarnemers, adjunct-rentmeesters en Verwalters werd aangestuurd en de pogingen om zaken te centraliseren, krijgen vanzelfsprekend de volle aandacht in dit boek. Samen met de sociale achtergronden, arbeidscontracten, werkinstructies en briefwisselingen van al die rentmeesters zegt dat namelijk misschien nog wel meer over de strategieën en opvattingen achter het goederenbeheer dan de kille cijfers van hun boekhouding. Daarom zijn de rentmeesters, naast de eigenaren, de belangrijkste gidsen om ons door de geschiedenis van het grondbezit en het goederenbeheer te loodsen.


Reizen door de tijd

Afbakening Problematisch aan het onderzoeken van een netwerk is dat het de neiging heeft om eindeloos uit te dijen. Daarom is het zaak om het onderwerp van dit boek op voorhand goed af te bakenen en duidelijkheid te geven over wat er precies bedoeld wordt met veelgebruikte begrippen als grondbezit of goederenbeheer. Ook is het zinvol stil te staan bij de opzet van het boek zelf en de keuzes die daarbij zijn gemaakt.

De eigenaar in het middelpunt In dit boek staat de waardecreatie die het grondbezit de eigenaren opleverde centraal. Daarmee zetten we de eigenaar bewust in het middelpunt. Het gaat immers om de bijdrage die hun grondbezit levert aan hun maatschappelijk vermogen en de strategieën die zij ontplooiden om daar sturing aan te geven. Naast het genereren van inkomen was dat beheer er namelijk ook op gericht om politieke macht, invloed, prestige en reputatie te genereren. Die waardecreatie ging niet vanzelf. Het was hard werken en vroeg om visie, proactief handelen en vooruitplannen. En zelfs dan was het resultaat niet altijd te voorspellen. Als de geschiedenis van Twickel namelijk iets leert, is dat het toeval op de meest onverwachte momenten roet in het eten kan gooien.

Focus op vastgoed Naast de term waardecreatie verdient ook de term grondbezit verduidelijking. In dit boek gaat het daarbij specifiek om het vastgoed dat de eigenaren van Twickel bezaten. We richten ons dus nadrukkelijk niet op roerende goederen zoals beleggingen, een kunstcollectie of juwelen, ondanks dat juist die op cruciale momenten voor het verdienmodel van de eigenaren wel degelijk van groot belang zullen blijken te zijn.

Het vastgoed van de eigenaren van Twickel bestond altijd uit meerdere objecten die als clusters verspreid lagen in zowel binnen- als buitenland (zie afbeelding 1.8). Dergelijke clusters noemen we in dit boek bezitscomplexen. Bij de afbakening van wat bij welk complex hoort, volgen we steeds de opvattingen van de eigenaren en de rentmeesters zelf. Daarom worden de dertig zeer verspreid liggende boerderijen rond Franeker bijvoorbeeld als eenheid beschreven (‘Friese goederen’), maar worden de aan elkaar grenzende landgoederen Twickel en Weldam steeds als twee strikt gescheiden entiteiten gepresenteerd. Inherent aan de term grondbezit is tot slot het begrip goederenbeheer. Dit gaat over de manier waarop het bezit werd geadministreerd, de exploitatie werd aangestuurd en de strategieën die werden toegepast om het bezit over de generaties bij elkaar te houden. Al die zaken zijn het domein van de eigenaar en zijn of haar rentmeester. Daarom staan zowel hun individuele rollen als hun samenspel in dit boek centraal. Daarmee laten we het feitelijke beheer buiten op het veld, in het bos en in de boerderijen grotendeels buiten beschouwing, inclusief het leger aan werkbazen, pachtboeren, jagers, tuinmannen, knechten en dagloners dat hiervoor verantwoordelijk was. In dit boek gaat u daarom weinig lezen over de landbouwtechnieken die ze gebruikten, hoe het leven van de pachtboeren eruitzag, of hoe het landgoed functioneerde als sociale microkosmos. De reden daarvoor is even simpel als legitiem. Het boek zou er eenvoudigweg te omvangrijk van worden. Ook is over de meeste van deze harde werkers al het nodige geschreven dat we in dit toch al lijvige boek niet hoeven te herhalen.

DE OPDRACHT

21


Zijn zij dan slechts figuranten in dit verhaal? Uiteraard niet. Vooral de pachtboeren waren een niet te onderschatten factor in de ontwikkeling van het goederenbeheer en de snelheid waarmee deze zich voltrok. Waar nodig krijgen zij dan ook alle ruimte om hun stem te laten horen en dan zal blijken dat zij, vaak tot frustratie van de eigenaren en hun rentmeesters, regelmatig een ruk aan het stuur gaven en zo wel degelijk de koers mede bepaalden.

Een langetermijnperspectief Om de langetermijnontwikkeling van zowel het grondbezit als het goederenbeheer goed te kunnen volgen, is gekozen voor een chronologische opzet. De kern van het boek bestaat daarom uit negen hoofdstukken, opgespannen tussen het moment dat de familie Van Twickelo zich in het begin van de veertiende eeuw op het huis Eijsinc vestigde, tot het moment dat de barones het landgoed in 1953 onderbracht in een stichting. De overgangen tussen die negen hoofdstukken zijn bepaald door de fundamentele breuklijnen die we terugzien in de geschiedenis van het grondbezit en het goederenbeheer. Daardoor beslaat niet elk hoofdstuk een vaste periode, maar gaan sommige over eeuwen en andere slechts over enkele decennia.

22

HOOFDSTUK 1

heel verschillende snelheden. Grondbezit is per definitie hoog dynamisch, en zowel de omvang als de samenstelling ervan veranderde vrijwel elke generatie. Het beheer van die goederencomplexen daarentegen evolueerde op een veel lager tempo. Dat kwam doordat al te grote veranderingen in het goederenbeheer in de praktijk werden afgeremd door externe factoren als de (on)mogelijkheden van klimaat en bodem, technologie, en de dempende werking die rentmeesters en pachtboeren hadden op al te rigoureuze koersveranderingen. Om die reden worden in elk hoofdstuk andere accenten gelegd en is gekozen voor een vrije vorm qua indeling van de hoofdstukken en een verhalende vorm. Vanwege het beschikbare archiefmateriaal zullen sommige periodes en onderwerpen uitvoeriger behandeld kunnen worden dan andere. Het Huisarchief Twickel, waarop het merendeel van dit onderzoek is gebaseerd, is uitzonderlijk rijk, maar zelfs dan is het onmogelijk om de eerste eeuwen even reliëfrijk te beschrijven als latere. Bovendien streeft dit boek geen volledigheid na. Het vormt een verkenning van het veld en geeft daarmee een nieuw perspectief op Twickel dat uitnodigt tot allerlei vormen van vervolgonderzoek.

In elk hoofdstuk staan steeds twee in elkaar grijpende onderwerpen centraal: de ontwikkeling van het grondbezit (wat en waar) en het goederenbeheer (hoe). De rode draad is echter de zoektocht naar de waaromvraag achter die veranderingen. Daarom krijgt in elk hoofdstuk de context waarbinnen die keuzes gemaakt werden de nodige aandacht. Welke context dat was, verschilt per hoofdstuk, omdat het soms de politieke veranderingen waren die aanleiding gaven om het verdienmodel of het goederenbeheer aan te passen en op andere momenten juist culturele veranderingen, economische ontwikkelingen of persoonlijke drama’s.

Om tot slot de indruk te vermijden dat elk hoofdstuk moet worden gezien als een exact te dateren periode is de tijdsafbakening van elk deel bewust afgerond. De geschiedenis van Twickel begon bijvoorbeeld niet in de week van Pinksteren 1347, toen Herman van Twickelo het huis Eijsinc bij Delden kocht, en ze eindigde ook niet op 19 september 1975, toen de barones overleed.31 Al ruim twintig jaar eerder had zij het hele landgoed in een stichting ondergebracht, maar ook na haar dood ging het verhaal van Twickel en de andere bezittingen uiteraard door. Om die reden sluiten we het boek af met een beknopte epiloog over de manier waarop het grondbezit en het goederenbeheer zich na 1975 hebben ontwikkeld.

Ondanks die cesuren in de tijd staan de verschillende hoofdstukken nadrukkelijk niet op zichzelf. Iedere generatie bouwde immers voort op wat zij aangereikt kreeg vanuit het verleden, ook als ze daarna een fundamenteel andere koers ging varen. Bovendien ontwikkelden het grondbezit en het goederenbeheer zich met

In tien hoofdstukken plaatsen we Twickel daarmee voorgoed in een nieuw en rijker perspectief. Niet als eenzame ster, maar als het fonkelend middelpunt van een nog steeds verder uitdijend sterrenstelsel aan bezittingen.


Afb. 1.5. Personeel, pachtboeren en dagloners waren eeuwenlang de radertjes die ervoor zorgden dat Twickel als een machine geld, macht en aanzien genereerde voor de eigenaar. Hier een aantal pachtboeren als drijvers tijdens een jachtpartij rond 1890 en de bosploeg aan het werk in het kasteelpark omstreeks 1900.

DE OPDRACHT

23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Grondslag van Twickel by Morskieft Ontwerpers - Issuu