Skip to main content

Neohumanisme 2, 2014-2015

Page 1

BelgiĂŤ - Belgique

LVSV

GENT EST

PB - PP

BC 31407

1930

NEOHUMANISME

2e kwartaal 2014-2015 Afzendadres - Verantwoordelijke uitgever Niek Van Kerckvoorde Achterdries 55, 9860 Oosterzele Afgiftekantoor Stapelplein Gent 4 edities per jaar P91 11 96


INHOUD

VISIE

6 Gemeentefusies Pieter-Jan Van De Weghe

9 Recht en wetenschap Arno Couwenbergh 11 Het Westen als agressor Timon Lesage 18 Vloeken in de liberale kerk Niek Van Kerckvoorde

23 Het Baltisch drama Philip Vanstapel 30 De complexiteit van de markt Jonathan Peck

VARIA 3 Voorwoord 4 Editoriaal 22 Ereleden 17 Het bestuur

20 Voorzittersverkiezingen Sander Casier

Het Neohumanisme is een forum voor discussie over politiek, economie, filosofie en alles wat binnen de liberale beweging gezegd moet worden. Wie een artikel wil schrijven; neem contact op met redactie@lvsvgent.be!

REDACTIE

Hoofdredacteur Timon Lesage Redactie: Filip BatselĂŠ Lay-out Timon Lesage Julie Van PĂŠe Jonathan Peck Arno Couwenbergh

LVSV zoekt aspirant-bestuursleden! Als studentenvereniging is er binnen het LVSV elk jaar weer een uitstroom van oudgedienden en afgestudeerden. Om dit op te vangen zijn natuurlijk verse krachten nodig. Interesse in frisse pintjes, economie, politiek, geschiedenis, debat en een fantastische organisatie? Stel je dan gerust kandidaat als aspirant-bestuurslid! Als aspirant-bestuurslid word je opgenomen in het bestuur en krijg je de kans om mee te denken over de LVSV-activiteiten. Een motivatiebrief naar secretariaat@lvsvgent.be tegen eind januari volstaat. Spreek gerust iemand van het bestuur aan voor meer informatie! 2


Niek Van Kerckvoorde Voorzitter LVSV Gent

Voorwoord Niek Van Kerckvoorde Vrienden van de vrijheid, hier zijn we weer! De kerstbomen worden bovengehaald; de goede voornemens worden weer van onder het stof gehaald. Inderdaad, het 1e semester loopt op zijn einde. Nog slechts een paar examentjes. Tijd voor een nieuw Neo’tje zodat jullie tijdens het blokken of tussen de zevende en achtste gang van het kerstdiner iets hebben om te lezen. Ik kijk met enige trots terug op het afgelopen semester. Ons traditionele openingsdebat lokte weer meer dan 700 man. De Zweedse coalitie heeft gezweet toen zowel de oppositie als het publiek hen op de rooster legde. Ook onze andere activiteiten zoals Koen Schoors lieten het Liberaal Archief weer aardig vollopen. Maar dit jaar heeft ook onze feestpraeses zijn beste beentje voorgezet. Met een bijzonder succesvolle quiz- en streekbierenavond, een kroegentocht, een cantus en onze traditionele Sinterklaas bierbowling hebben we ons studentikoos imago wat opgeblonken. In de eerste editie van Neohumanisme mocht ik aankondigen dat we ook dit jaar weer een benefiet

organiseren. Helaas is dit door onvoorziene omstandigheden dit semester niet kunnen doorgaan. We hebben wel nog steeds de ambitie om dit academiejaar onze handen uit de mouwen te steken voor het goede doel. We houden jullie op de hoogte! Ook het tweede semester is in volle opbouw. Jullie kunnen zeker een internationaal gekleurde kalender verwachten. In maart gaan we ook opnieuw op reis, ditmaal doen we een zuiderse bestemming aan. De Zweedse coalitie is ondertussen gevormd. De premier heeft zowaar een liberale stempel. Het LVSV zal waken over de liberale waarden die deze regering wil uitdragen. Deze regering snapt de noodzaak aan veranderingen en geeft blijk van enige ambitie om hier stappen in de goeie richting te zetten. Daarom slaet het LVSV nog steeds opten trommele, omdat wij vol ontzag neerbuigen over elken kleinen mensch, hem zoo groot voelen in zijn dagelijkschen slenter en banalen kommer, alleen omdat hij mensch is! Succes met de examens en prettige feestdagen gewenst namens het bestuur!

3


Timon Lesage Hoofdredacteur LVSV Gent

Editoriaal Timon Lesage Beste lezer, Het is met grote trots dat ik opnieuw een Neohumanisme aan u kan voorstellen. Normaal roep ik op deze plaats vol vuur dat het LVSV en het Neohumanisme nodig zijn om te waken over onze welvaart. Deze welvaart komt voor uit liberale principes, zoals de individuele vrijheid om te handelen en dan ook de gevolgen hiervan te dragen. Stellen dat het LVSV over iets “moet waken” is echter al achterhaald, het impliceert dat er nog iets van deze liberale principes overblijft om over te waken. Onze maatschappij is overwoekerd door de ideeën van collectivisme en statisme, die inhouden dat een overheid wel voor de mensen zal zorgen. Nooit zal ik het artikel vergeten in De Standaard tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen (2012). In een van de swing states vroeg men aan een kiezer, excuseer, veronderstelde men van een kiezer dat ze voor Obama stemde aangezien ze in financiële moeilijkheden zat. Wie behoeftig is keert zich toch richting de overheid? Fout. De vrouw stelde dat ze Republikeins zou stemmen, aangezien ze het haar eigen

draagt) de negatieve gevolgen merkt van zijn daden. Tegelijk ook workshops en overheidsportalen voor financiële geletterdheid oprichten natuurlijk. We subsidiëren in dit land behoeftigheid en falen: iemand wordt beloond voor het feit dat hij geen werk vindt. Als hij hierin slaagt neemt de staat die subsidies weer af. De werkloosheidsuitkering ligt in België zodanig hoog dat er een werkloosheidsval ontstaat. Iemand krijgt zodanig veel sociale uitkeringen en voordelen dat het niet loont om te gaan werken. Als hij werkt valt dit namelijk allemaal weg. Thuis in de zetel liggen of jezelf meer dan 30u per week afbeulen voor enkele honderden euro’s meer? De keuze is snel gemaakt. En dan de vermogenswinstbelasting! We vergeten even dat vermogen in België al zwaar belast wordt. We vergeten even dat “kapitaal” en kapitaalkrachtigen de zuurstof van bedrijven zijn, die geld voor investeringen voorzien. We vergeten even dat winst op investeringen het rendement is die tegenover risico staat. Ah lezer, ik merk dat ik het weer eens over alles en niets heb. Het is soms moeilijk om in deze maatschappij niet moedeloos te worden,

Is het niet tijd om zoals in Atlas Shrugged met de helderen van geest uit de maatschappij te treden? Of een chaletje in Zwitserland te kopen? verantwoordelijkheid vond om uit het dal te klimmen. Herscholen, zich omvormen om haar waarde op de arbeidsmarkt te verhogen. Consternatie bij de redacteur! Individuele verantwoordelijkheid voor individuele daden? Zelf initiatief nemen? Ongehoord. Gelijkaardige toestanden in de documentaires van Bjorn Soenens (hoofdredacteur van het Journaal) in Amerika. Met plaatsvervangende schaamte keek ik hoe een Amerikaan uitlegde dat een wapen niet zomaar afgaat of dat de eigenaars zomaar iemand tussen de Big Macs afknallen. Elk mogelijk risico dat het individu kan dragen wordt hier als een tikkende tijdbom beschouwd. Neem de Arco-case. Mensen investeren slecht omdat ze niet nadenken over de financiële producten die ze kopen. Oplossing? Geef hun geld terug zodat “niemand” (buiten de gemeenschap die de kosten 4

er vallen me elke dag en inderdaad elk editoriaal zoveel misstanden te binnen. Wat kunnen we doen, geconfronteerd met zoveel onwetendheid en populisme? Is het niet tijd om zoals in Atlas Shrugged met de helderen van geest uit de maatschappij te treden? Of een chaletje in Zwitserland te kopen? In ieder geval gaat het LVSV door, tegen het virus dat socialisme heet. In dit Neo’tje staan er opnieuw tal van bespiegelingen over politiek, geschiedenis, recht, en economie. Als dit niet voldoende is: op de LVSV Gent site staan altijd de vorige edities! Op de cover deze week “the signing of the declaration of independence”, een document dat tot een onafhankelijk Amerika zou leiden. Vrienden, blijf de liberale ideeën uitdragen, staak de strijd niet! Veel leesplezier, Uw hoofdredacteur.


Pieter-jan Van De Weghe Activiteitenveranwoordelijke LVSV Gent

Visie

Gemeentefusies Pieter-Jan Van De Weghe Een blik op de organisatie van de gemeenten in dit en andere landen leidt niet alleen tot praktische maar ook ideologische vraagstukken: hoe organiseren we onze democratie? Een gezapig leven onder de kerktoren in een kleine gezellige gemeente met een “volkse” burgemeester dicht bij zijn burgers. Valt dit te rijmen met een slagkrachtig lokaal bestuur? Zo niet, is een verregaande samenwerking tussen verschillende lokale besturen voldoende of dringt het spook van de fusie zich op? En moeten we, onder druk van de public choice-theorie, het vertrouwen in de burger herstellen en nadenken over een andere vorm van democratie? Een directe of deliberatieve democratie? Dit is geen artikel dat de fundamenten van onze democratie op de helling zet maar dat nadenkt om ze te versterken of efficiënter te maken. Even voor de duidelijkheid: fuseren mag maar het spook schrikt af! Politiek staat voor velen gelijk aan het gebruiken van dure, holle woorden. Woorden zonder betekenis die de burgers verlammen en die de kracht van democratie ondergraven, iets dat blijkt uit tal van peilingen. De mondige burger van vandaag heeft geen al te hoge pet op van de politiek en de daaraan

rechtse partijen voor spek, bonen en ministerposten bij de onderhandelingen hebben gezeten. Open VLD beloofde de personenbelasting te verlagen met 5,8 miljard, N-VA met 3,6 miljard en CD&V met 4,2 miljard, maar ze zijn geland op 0,9 miljard.” Mager als je het mij vraagt. Maar net als het ontbreken van een verandering in het systeem van de personenbelasting of een verandering in de vennootschapsbelasting zoals voorgesteld door NV-A en Open VLD, bemerken we ook weinig moed, verandering en toekomstvisie wat betreft de interne werking van onze staatsstructuur. Een marginale besparing op het provinciale bestuursniveau in plaats van een afschaffing en een symbolische euro als incentive voor het fuseren van verschillende gemeenten in plaats van een grootschalige gecentraliseerde fusieoperatie. Blijkbaar staat de democratie voor een liberale regering nog steeds ten dienste van de politiek en niet omgekeerd. Een jammerlijke bevinding.

Een efficiëntere overheid start bij het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat en dat de burger ook toelaat om zelf te ondernemen, zelf solidair te zijn, zelf hun leven te organiseren zonder bemoeienis van bovenaf.

verbonden democratische instituties. Verschillende politieke partijen dingen naar onze stem met de boodschap van verandering, efficiëntie en het versterken van geloof in de burgers. Maar professor Peersman verwoordde het regeerakkoord op frappante wijze: “Als je het regeerakkoord naast de verkiezingsbeloftes legt, heb je de indruk dat de

Vrijwillige fusies worden door onze “rechtse” regering dus gestimuleerd met een financiële compensatie. Symbolisch want die stimulus is bijzonder klein: het varieert tussen 9% van het jaarbudget voor de kleinere gemeenten tot 2,5 % voor de grotere gemeenten. Geen al te grote financiële compensatie om de politieke macht af te staan en samen te 5


smelten tot een grotere gemeente. Het fusiespook schrikt de politiek dus af en daarmee schieten de samenwerkingsverbanden tussen gemeenten als paddenstoelen uit de grond. Uit een regio-screening doorgevoerd door de vorige Vlaamse regering bleek dat er 2229 samenwerkingsverbanden in Vlaande-

hebben vaak de capaciteit en de kennis niet om een sterk beleid te voeren. Hieruit ontstaat een paradox: hoe kleiner de gemeente en logischerwijs hoe meer politici per vierkante kilometer, hoe groter de kloof tussen burger en politiek aangezien het beleid in te kleine gemeenten in de praktijk door de cen-

Te veel en te kleine gemeenten verzwakken de democratie, want kleine, lokale overheden hebben vaak de capaciteit en de kennis niet om een sterk beleid te voeren. ren zijn met een gemiddelde van 68 verbanden per gemeente. Een sterke stijging tijdens de jaren 60, 70 en 80 en een explosieve toename na 2001 bij de versoepeling van het decreet intergemeentelijke samenwerking. Het institutioneel systeem wordt overrompeld door samenwerkingsverbanden opgelegd van bovenaf door de Vlaamse overheid of bottom-up door de gemeenten zelf. Efficiënt kan men dit niet noemen. Door een gebrek aan toekomstvisie en het conservatief vasthouden aan de macht zorgen we ervoor dat andere overheidsniveaus zoals de provincies ook levensvatbaar blijven. Een gecentraliseerde aanpak van de fusies zoals onder minister Joseph Michel in 1976 tijdens de regeerperiode Tindemans I is wenselijk. Om het lobby-gebeuren van lokale politici bij zo’n globaal plan in te perken is de noodzaak om een verplicht minimum aantal inwoners per gemeente op te nemen in het decreet belangrijk in plaats van de richtlijn die gebruikt werd tijdens de grote fusieoperatie in 1976. De schrik voor politieke compromissen door meerderheidspartijen speelt ook veel minder mee. De kiezer is een volatiel beestje geworden en klampt zich niet meer vast aan een politieke partij. Een politieke machtsbasis is zo minder vanzelfsprekend. Leer dus uit de fouten van het verleden! Volg de bakermat van de democratie: Denemarken Een efficiëntere overheid start bij het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat en dat de burger ook toelaat om zelf te ondernemen, zelf solidair te zijn, zelf hun leven te organiseren zonder bemoeienis van bovenaf. In de eerste plaats moeten de beleidsmakers in België de lokale democratie opwaarderen. Te veel en te kleine gemeenten verzwakken de democratie, want kleine, lokale overheden 6

trale overheden wordt gevoerd wegens te weinig slagkracht. Meer beslissingskracht op lokaal niveau zal leiden tot meer beleid op maat. Deze denkwijze wordt gevoed door het “kennis-coördinatieprobleem” ontwikkeld door de Oostenrijkse econoom Friedrich Von Hayek. Deze stelt dat het onmogelijk is om alle beschikbare kennis in een samenleving op één plaats te centraliseren en vervolgens op basis daarvan een maatschappij te runnen. Dit is onmogelijk aangezien men in een samenleving beschikt over een immense hoeveelheid aan kennis die onderhevig is aan plaats en tijd. Deze evolueert constant en hangt af van bepaalde karakteristieken. Daarnaast is de overgrote meerderheid van kennis waarover men beschikt op een empirische en onbewuste manier vergaard. Ieder specifiek probleem of situatie heeft nood aan een specifieke oplossing. Ruimte geven aan gemeenten en burgers laat ook ruimte om te experimenteren: vernieuwende inzichten worden eerder overwogen, iets wat de innovatie en opwaardering van het beleid enkel kan versterken. Een sterk subsidiariteitsprincipe toont de weg die we met Vlaanderen moeten inslaan, hierbij is ook aandacht voor de vrijheid en vrijwillige wijkwerking onontbeerlijk. Een doorgedreven subsidiariteit begint niet met een overheidsniveau, maar bij de buurt waar mensen samenleven. In de eerste plaats laat je ruimte voor een spontaan menselijk handelen en dien je pas op te treden als overheid wanneer dit wenselijk is. Subsidiariteit dus als redder van onze democratie? Als het van de beleidsbepalers in Denemarken afhangt absoluut wel. Het land, door Francis Fukuyama omschreven als de bakermat van onze democratie, voerde in 2007 een grote interne staatsher-


vorming door waarbij men het land hertekende van 271 gemeenten naar 98 gemeenten met een minimumgrootte van 30.000 inwoners. Een gemiddelde gemeente in Denemarken bestaat ginds uit circa 55.000 inwoners. Deze hertekening ging gepaard met een aanzienlijke uitbreiding van de gemeentelijke bevoegdheden: delen van het werkloosheidsbeleid, de gespecialiseerde sociale dienstverlening, gezondheidszorg en ruimtelijke ordening werden overgeheveld naar de gemeenten. Onder de noemer “all politics are local” zal een grotere schaal misschien ook leiden tot minder corporatisme en dus minder lobbykanalen voor de Vlaamse en Federale overheid. Omdat de gemeente als gedecentraliseerde entiteit ook homogener is liggen de transactie- en bestuurskosten om tot een overheidsbeslissing te komen ook lager. En daarmee is de kous af? Of nood aan directe democratie? Is daarmee de kous af en hebben we daarmee de democratie gered? De burger als grote overwinnaar, huppelend door mooie rozenperkjes gesubsidieerd door de lokale overheid? Nee. Onze representatieve democratie stelt ons voor een aantal problemen die perfect verwoord worden door deze quote van

de socialistische politicus Hubin in 1919 tegen het vrouwenstemrecht: “Het stemrecht is een gevaarlijk wapen. Niets is kostbaarder dan dit wapen voor een georganiseerde en opgeleide klasse, die zich bewust is van haar rechten en verantwoordelijkheden. Maar gaat u dit recht toekennen aan een geslacht dat niet is voorbereid om zich hiervan te bedienen?” Deze quote geeft precies weer hoe de politiek over de burger en het individu denkt. De burger is dom en kan niet op eigen benen staan in deze competitieve samenleving, we moeten de burgers daardoor leiden naar gewenst gedrag. Dit argument van onbekwaamheid wordt door de politieke elite nog dagelijks ingeroepen ter verdediging van de huidige representatieve democratie. Is de burger niet meer in staat zelf beslissingen te nemen? Het antwoord volgens mij: jawel! De burger kan wel degelijk eigen beslissingen nemen en de eerste vraag die iedere liberaal zich stelt is of het wel de taak van een overheid is om bepaalde zaken te regelen. Deze vraag past niet binnen de draagwijdte van dit artikel maar is daarom niet minder belangrijk en fundamenteel. We kunnen echter wel de vraag stellen of we niet meer nood hebben aan directere vormen van democratie. Want indien de burger

7


onbekwaam is om eigen beslissingen te nemen, kan ze dan wel zelf beslissen welke vertegenwoordigers het algemeen belang van de Belgische en Vlaamse burger het best kunnen vertolken? Ik durf namelijk de stelling te poneren dat een individuele burger in financieel opzicht verantwoordelijker is dan een politicus die onderhevig is aan sectorale lobbygroepen en daardoor het kortetermijndenken van de politieke klasse bevestigt. Schuld maken om stemmen te kopen. Privileges toekennen om stemmen te kopen. Uitzonderingen op regels toestaan om stemmen te kopen. Dit werd bevestigd in een Zwitsers onderzoek van Feld en Matsusaka: in enkele kantons in Zwitserland bestaan verplichte financiële referenda voor overheidsuitgaven. Elke overheidsuitgave boven een bepaald bedrag moet goedgekeurd worden via een referendum. In kantons met zo’n verplicht referendum bemerken we 19% minder overheidsuitgaven dan in kantons zonder referendum. Directe democratie leidt blijkbaar ook tot lagere belastingen. Indien in een bepaalde Amerikaanse staat een referendum voorhanden is, leidt dit voor een gezin met vier kinderen gemiddeld tot een belastingvermindering van 534 dollar. Het conservatisme tegengaan? Wat met de minderheden? “Über moet niet Brussel-proof zijn, maar Brussel moet Über-proof zijn” Een korte flashback naar het veto van CD&V-minister Grouwels op de intrede van Über, de internetonderneming die personenvervoer aanbiedt en in 2009 werd opgericht. Dit toont meteen aan dat het

8

argument dat de bevolking via directe democratie noodzakelijke vernieuwingen zou blokkeren een redelijk paradoxaal geurtje met zich meedraagt. Politici omarmen vaak de broodnodige innovatie niet en blijven zich halsstarrig verzetten tegen vernieuwingen. Dus wat betekent conservatisme of progressieve politiek voor politici? Maar wat met de minderheden? Speelt het Mattheus-effect hier geen grote rol? Zijn financieel sterkere mensen niet beter geïnformeerd over de maatschappelijk voorgelegde thema’s, hebben ze geen betere toegang tot geld en onderwijs om hun argument beter verkocht te krijgen? Ten eerste veronderstellen we hier dat in een zuiver parlementair systeem de belangen van de minderheden steeds op een correcte manier worden verdedigd. Sta me toe dit in vraag te stellen. Ten tweede bleek uit een analyse van een aantal Californische volksinitiatieven uit 1990 dat de groep goed geïnformeerde kiezers slechts 3% anders stemmen dan de groep die niet degelijk geïnformeerd is. Daarnaast is het ook zo dat de maatschappelijke kennis van burgers toeneemt dankzij deelname aan referenda, en is dat niet één essentieel punt van een liberale samenleving? De mensen bevrijden van de onwetendheid? Het is geen keuze tussen parlementaire democratie of directe en deliberatieve democratie ( zoals de G1000 van David Van Reybrouck) ! Maar de drie vormen moeten we omarmen en kunnen elkaar versterken. Geloven in de individuele mens is de essentie van de samenleving, de garantie op succes en de garantie op solidariteit.


Arno Couwenbergh Bestuurslid LVSV Gent

Visie

Recht en wetenschap Arno Couwenbergh In het algemeen wordt wetenschap gedefinieerd als een geheel van kennis en de noodzakelijke procedure om deze te bereiken. Deze wijze van kennisverwerving wordt uiteengezet in de wetenschappelijke methode. Die laat zich vatten in een paar opeenvolgende stappen: het herkennen en formuleren van een probleem, de verzameling van data door middel van observatie en experiment, en de formulering en het testen van een hypothese. Deze zeer neutrale en universele beschrijving is van toepassing op diverse wetenschappen gaande van fysica en wiskunde tot de musicologie. Eén van de belangrijkste figuren voor de verklaring en werkwijze in het recht is de Duitser Friedrich Von Savigny. Hij stond aan de bakermat van een denkwijze die we later zijn gaan categoriseren als de Historische School. Deze school meende dat het recht moest worden gebaseerd op de volksgeest, op wat leefde bij het volk getekend met ervaringen uit hun geschiedenis. Het was dus geen product van de rede zoals de voorgaande scholen - die hun oorsprong vonden in de verlichting - meenden. Een tegenstrijdig element bij von Savigny was dat deze man de eerste was die over “rechtswetenschap” sprak. Hij leidde deze term af uit de mening dat het recht systematisch en gestructureerd moest zijn. Een ware contradictie op het meest fundamentele niveau gezien hij enerzijds de relativiteit van het recht wil aantonen en anderzijds het dan tracht te objectiveren. Dit historische voorbeeld toont duidelijk hoe de mens steeds heeft geworsteld met de kwalificatie van het recht en hoeveel verschillende meningen er circuleren over de positie ervan binnen de menselijke samenleving. De twee grootste stromingen zou men in principe kunnen terugbrengen tot langs de ene kant de positivisten en langs de andere kant de

objectivisten. Persoonlijk deel ik, net zoals een grote meerderheid in de juridische wereld, de positivistische visie, al zijn er wel nog onderlinge nuanceverschillen en dekt het positivisme niet de hele emanatie van het recht maar slechts de relatie tussen ‘wetten’ onderling. Verder laat het andere vragen zoals “is een rechtssysteem nodig?”, “Is dit rechtvaardig?”, “Waaraan ontleent recht haar autoriteit?” etc. totaal ongemoeid. De kern van het pleidooi van juridisch positivisme bestaat erin dat het recht afhangt van sociale feiten en niet van zijn eigen merites. Men wijst op de scheidbaarheid van recht en moraliteit, deze hoeven echter de facto niet gescheiden te zijn in een rechtssysteem. Er zijn immers een paar onlosmakelijke banden tussen recht en moraliteit. Ten eerste kan recht enkel bestaan als er ook moraal bestaat en beide regelen dezelfde vragen met analoge technieken. Hiermee is geen uitspraak gedaan over de kwaliteit waarmee het recht morele zaken regelt. Ten tweede maakt het recht noodzakelijkerwijze morele claims op de rechtssubjecten. Er wordt van personen namelijk geëist dat ze in het voordeel van anderen of in het algemeen belang handelen. Ten derde is recht onlosmakelijk gericht op rechtvaardigheid. De vraag of recht rechtvaardig is, omhelst een intrinsiek aspect van het recht. Door de band aan te tonen tussen moraliteit en recht kan de verdere hypothese gemaakt worden dat recht in grote mate steunt op de morele realiteit en sociale orde. Deze sociale orde ontstaat door de interacties van mensen. In de ommegang met anderen zijn mensen steeds op zoek naar een equilibrium van gelijke basisrechten. Onbewust kennen we de ander basisrechten toe omdat die toekenning inhoudt dat we dezelfde rech9


ten krijgen van de ander. Zo ontsnappen we aan het dilemma van de 2 gevangenen die uiteindelijk door hun eigen acties zichzelf steeds in de meest nadelige positie werken. Beide interactiepartners kunnen nu immers voordelen halen uit de toekenning van rechten. Dit hele procedé vindt plaats juist omdat het verkrijgen van rechten van een ander niet afdwingbaar is, maar slechts kan worden gegeven aan ons door die ander. Het aantal basisrechten zal dus blijven toenemen naarmate de interacties tussen personen toenemen tot er een punt zal worden bereikt waar het voor de één nadelig is om nog rechten toe te kennen, omdat ze zijn eigen rechten en vrijheden beginnen aan te tasten. Als dit het geval is, worden de rechten weer afgenomen tot men het equilibrium terug bereikt. Het evenwicht dat bereikt wordt, mag echter niet enkel slaan op iets statisch, maar als een variabel en doorheen de tijd variërend evenwicht. De basisrechten in dit verhaal staan eigenlijk gelijk aan de vrijheid die mensen genieten in een maatschappij. Het komt dus

modellen een rechtssysteem construeren. Het recht is dus doorheen de geschiedenis al eens wetenschappelijker geweest dan op andere momenten, zoals bijvoorbeeld bij de Romeinen. Wanneer men effectief ging redeneren vanuit een zekere rationaliteit en met die fundamenten een rechtssysteem ging uitdenken dan was men met wetenschap bezig. Vaak echter zijn deze met rationaliteit omklede constructies ontstaan uit pure sociale omstandigheden, beproeving in de rechtspraak en rechtsleer of kennen ze een totaal arbitrair karakter in hun kern. Waar von Savigny wel gelijk in had, is het feit dat er zeker een aspect van rechten bestaat dat helemaal wetenschappelijk is. Met name de studie, het systematiseren en het rationaliseren van recht zijn meestal heel wetenschappelijk geweest doorheen de geschiedenis en het heden. Het is immers veel nuttiger om een logica te brengen in wat anders een hele hoop rechtsregels, gewoonten, gebruiken en rechtspraak is. De rechtsleer als dusdanig die vooral vanuit academische en ook uit praktische hoek komt, focust zich vooral op het uitleggen van producten van het recht

Het aantal basisrechten zal dus blijven toenemen tot er een punt zal worden bereikt waar het voor de één nadelig is om nog rechten toe te kennen, omdat ze zijn eigen rechten en vrijheden beginnen aan te tasten. van buitenaf gezien erop neer dat de enige grens voor individuele vrijheid bestaat uit de vrijheid van een ander. Uit deze redenering volgt dat recht als afgeleide van een sociale realiteit niet voldoet aan de voorwaarden van wetenschap an sich. De rechtswetenschap, zoals Savigny ze graag noemde, bestaat voornamelijk als een constructie die steunt op een geloof in een objectief bestaande morele code waarop alle mensen hun denken en doen zouden moeten aan terugkoppelen. Deze stelling is beter bekend als het natuurrecht. Vanuit de voorgaande hypothese is recht iets meer wetenschappelijk want iemand gaat op basis van beproefde sociale recepten, rechtstheorieën en 10

en het eventueel aansturen op hervormingen die tot meer overeenstemming van het recht met de sociale realiteit zullen leiden. De rechtsleer is dus de meest wetenschappelijke kant van het hele rechtsdenken. En door zijn invloed doorheen de eeuwen heeft de rechtsleer enorme impact gehad op de jurisprudentie en nieuwe regelgeving. Het recht is dus als sociaal fenomeen geëvolueerd en wetenschappelijker geworden. Dankzij de theorieën van rechtsfilosofen zijn we er meer en meer in geslaagd om het recht te kwalificeren als enerzijds een manifestatie van de sociale realiteit, maar anderzijds als een poging tot ingrijpen in die realiteit, en hiernaast ook als een studieobject voor de rechtswetenschap.


Timon Lesage Hoofdredacteur LVSV Gent

Visie

Het Westen als agressor? Timon Lesage Het conflict in Oekraïne zorgt in het Westen voor slapeloze nachten. In deze tekst beargumenteert hoofdredacteur Timon dat het Westen dit en andere conflicten volledig verkeerd aanpakt. In deze tekst probeer ik inzicht te bieden in hoe Rusland het conflict in Oekraïne ziet. Dit is geen weergave van mijn opinies of een goedpraten van de acties van Rusland, maar een blik op de overtuigingen, rancunes en opinies waarvan de elite en bevolking van Rusland doordrongen is. Ik start met een poging om de publieke opinie in Oekraïne weer te geven en ga dan over naar de perceptie die in Rusland leeft. De publieke opinie: een mystiek begrip De rest van dit artikel is een heel institutionele analyse, waarbij landen en de individuen in deze landen speelballen zijn in de handen van enkele machtsblokken. Natuurlijk primeert de wil van het volk en het zelfbeschikkingsrecht op achterkamertjespolitiek. Een begrip als “de wil van het volk” of “de publieke opinie” is echter al te vaak een ongrijpbaar en abstract iets. Betrouwbare opiniepeilingen zijn sowieso al moeilijk. Het vergt heel wat denkwerk om te controleren voor sociaal wenselijke antwoorden en leidende vragen en te voldoen aan statistische criteria rond de steekproeven. In eigen land publiceren onze media bv. tal van kiesintentie-peilingen tijdens verkiezingen, waar men druk doet over een verlies van enkele procenten voor een bepaalde partij. Opiniepeilingen die vaak een foutenmarge hebben van meerdere procenten, en dus volstrekt waardeloos zijn. De problemen die gepaard gaan met peilingen zijn alleen maar groter tijdens een conflict. Toch zetten we er enkele op een rijtje, in een poging de publieke opinie in Oekraïne te begrijpen. In een CNN-poll van mei 2014 (n=1000) verklaarde 56% van de ondervraagden dat ze zich loyaal voel-

den aan Europa, 19% aan Rusland en 22% aan geen van beiden. Respondenten schatten ook de Europese reactie op de crisis beter in dan de Russische en schaarden zich met een 2/3e meerderheid achter de Europese sancties. Een opiniepeiling midden april van het Pew Research Centre (een gerespecteerde onderzoeker) peilde ook heel wat onderwerpen. De invloed van Europa schatten de respondenten overwegend positief in, die van Rusland overwegend negatief. Een meerderheid wenst de grenzen te behouden. Een poll door het Kyiv International Institute of Sociology in februari 2014 bevond verder dat een meerderheid onafhankelijk wenst te blijven, met slechts een heel kleine minderheid pro annexatie met Rusland. Dit strookt met de originele onafhankelijkheidspoll in 1991, na het uiteenvallen van de USSR. Toen stemde 92% van de respondenten pro onafhankelijkheid. Deze cijfers zijn echter simplistisch. Het zijn algemene cijfers die sterke regionale verschillen uitvlakken. Uitgesplitst naar Oost en West zien sommige attitudes er anders uit (zie eerste afbeeldingen). Verder wenst een meerderheid van Oekraïne, vooral dankzij het Oosten en de Krim, dat Russisch een officiële taal wordt. Deze taaldiscussie valt echter niet volledig samen met de politieke identiteit. De steun voor een unie met Rusland die we eerder bespraken (poll van Kyiv International Institute of Sociology) kent ook sterke regionale verschillen. 11


12


Slechts 12% over heel Oekraïne was pro, maar 41% van de Krim stemde voor, en de twee oblasten die zich onlangs afscheurden en nu de Volksrepublieken Loehansk en Donetsk vormen hebben ook een minderheid pro (33% Donetsk, 24% Luhansk). Wat met de Krim dan? Uit een poll uit 2013 wenst 53% een regio binnen Oekraïne met verregaande autonomie te blijven, 23% is pro annexatie met Rusland. Deze poll komt weliswaar van het International Republican Institute. Een meerderheid van de Krim heeft de Russische nationaliteit, uit de polls hierboven blijkt dat een meerderheid pro is wat betreft de mogelijkheid tot afsplitsing van regio’s. Ongetwijfeld is die meerderheid door Russische propaganda toegenomen. Opiniepeilingen kennen heel wat problemen. In het Westen aanvaarden we echter ook referenda en gaan we geregeld af op peilingen om beleid te maken. We moeten dan ook deze polls door vaak Westerse organisaties ernstig nemen. Er blijkt duidelijk

vanuit deze nationalistische visies op de wereld blijft dus nodig. Vandaar de vraag: hoe ziet Rusland dit en andere conflicten? Een belangrijke graanschuur Een eerste bemerking staat los van politieke spelletjes, maar is eerder historisch van aard. Bij het Oekraïne-conflict houden we best in het achterhoofd dat Oekraïne een symbooldossier is. Het Kievse Rijk (ook wel Киевская Русь, Kievskaja Roes, 9-13e eeuw) wordt als de voorloper van zowel Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland beschouwd. Recenter zijn verschillende belangrijke figuren in de Russische literatuur geboren in Oekraïne (Gogol, Bulgakov). De twee landen spreken talen met een gemeenschappelijke voorvader, die tot op vandaag dichter bij elkaar liggen dan bv. Italiaans en Spaans. Beide landen deelden ook dezelfde religie (de Oosters-Orthodoxe Kerk) tot de bezetting door het katholieke Polen van West-Oekraïne. Deze culturele verbondenheid versterkt de strategische belangen die sowieso spelen in de regio.

Het belangrijkste verschil in dit volledig ander perspectief is dat Rusland zijn acties als reactief ziet en het Westen die als “proactief ” en agressief beschouwt. uit dat de attitudes in het oosten van Oekraïne t.o.v. Rusland op zijn minst ambigue zijn. Nergens buiten de Krim vinden we meerderheden terug voor een afscheuring of een annexatie bij Rusland. Belangrijke bemerking is dat de meeste resultaten dateren van voor het offensief van Kiev in het oosten. Dit vervreemdde misschien mensen van de centrale overheid. Ook omvat het rebellengebied niet de volledige oblasten Donetsk en Luhansk maar slechts een deeltje ervan. De delen onder controle van de pro-russische separatisten, grenzend aan Rusland, zijn nog niet als dusdanig bevraagd. Wat moeten we nu aanvangen met al deze informatie? In een volledige private wereld kiest natuurlijk iedereen zelf welke samenwerkingsverbanden hij aangaat, met wie hij samenwoont, en welke identiteit hij zichzelf aanmeet. Dit soort discussies zijn dan niet relevant. Helaas is dit utopisch. We leven vandaag in een realiteit van machtige natiestaten die de wil van het volk niet altijd respecteren. De analyse

Voor de politieke analyse van de Russische gevoeligheden beschouwen we zaken die voor een Westerling ofwel lang passé zijn ofwel niet relevant. In 1994 legde het Memorandum van Budapest de grenzen van het hedendaagse Oekraïne vast. In ruil voor het nucleair arsenaal dat toen nog in Oekraïne aanwezig was, garandeerden het VK, de VS en Rusland de territoriale integriteit van Oekraïne. Ook het uitoefenen van politieke en economische druk werd niet getolereerd. Sommige Russen menen dat in deze overeenkomst een impliciete erkenning zat dat Oekraïne in de Russische invloedssfeer bleef. Hoe dan ook, sindsdien veranderde de wereld. Op 1 mei 2004 breidde de EU uit met Grieks-Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. Enkele jaren later werd in Praag het Oosters Partnerschap (Eastern Partnership) afgetrapt. Dit EU-project is gericht op het afsluiten van vrijhandelsakkoorden en andere strategische overeenkomsten met Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne, allen 13


buurlanden van Rusland. Ook bereidt het sommige van die landen voor op een eventueel EU-lidmaatschap. Vanuit een Europees perspectief is deze evolutie een logische uitbreiding. De EU zoekt enkel economische en culturele aansluiting bij haar periferie. Rusland daarentegen ziet dit opschuiven van de “EU-grenzen” echter als een langgerekte aanval op haar grenzen en voormalige invloedssfeer. Wat te denken bijvoorbeeld van de inclusie van Wit-Rusland? Als “de laatste dictatuur van Europa” is het land absoluut niet klaar voor toetreding tot de EU. Het opnemen van Wit-Rusland in het Eastern Partnership lijkt dan ook vooral bedoeld om de greep van Moskou op Minsk te breken. Met het Eastern Partnership schuift de EU op tot tegen de grenzen van Rusland. Het lijkt ondenkbaar dat instanties als de NATO of EU het omgekeerde toelaten. In essentie uiten beide machtsblokken dezelfde

14

beschuldigingen: die van geopolitieke machtsspelletjes. De laatste jaren leidt dit tot incidenten. In 2008 is er bijvoorbeeld de Russisch-Georgische oorlog, nadat de Georgische overheid twee “republieken” in Georgië die aansluiting wensten bij Rusland binnenviel. In het Westen is dit een ongehoorde daad van agressie. In Rusland is dit een logische reactie op de NATO-top in Boekarest toen. In Boekarest werd gediscussieerd over een mogelijke toetreding van Georgië en Oekraïne tot de NATO. Het Oekraïne-conflict is een nieuw incident in deze recente evolutie. Voor het Westen is de annexatie van de Krim en het opstoken van de onrust in Luhansk en Donetsk een agressieve daad. In Rusland ziet men opnieuw EU- en NATO-pogingen om Oekraïne en uiteindelijk Rusland in de Europese invloedssfeer te brengen. Het eerder besproken memorandum van Boedapest beschouwt men in Rusland als nietig, aangezien de Westerse bemoeienissen en de “fascistenregering” in Kiev een schending be-

Putin en een koala tijdens de G7-top in Australië


tekenen. Vandaag steunt een meerderheid van de Russen de verdoken oorlog die Rusland in Oekraïne voert. Ze zien dit niet als ingrijpen, en beschouwen zich niet in staat van oorlog. In augustus verklaarde voor het eerst een meerderheid een militaire invasie ook te steunen. Een meerderheid (52%) denkt dat het Westen wel ingrijpt. De reis van CIA-directeur John Brennan in april naar Kiev helpt deze perceptie niet echt uit de wereld. Sinds het Oekraïne-conflict sluit Rusland de rangen. De kleine maar toch duidelijke oppositie die er enkele jaren geleden nog was schaart zich deels terug achter Putin. Inclusief de opgeleide, stedelijke middenklasse. De woede tegenover het Westen neemt ook toe. Iemand als voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger stelt dan ook dat de EU en de VSA deels verantwoordelijk zijn voor de crisis, door

met Nederlandse burgers en zogezegd neergehaald boven Oekraïne. Deze waanzinnige theorie is een uitwas van een breder geloof dat het Westen of op zijn minst Oekraïne iets te maken heeft met het neergehaalde passagiersvliegtuig. In een Levada poll (een onafhankelijke onderzoeksgroep) over vlucht MH17 dacht 82% van de ondervraagden dat Oekraïne het vliegtuig neerschoot. Slechts 3% stelde dat de pro-Russische rebellen verantwoordelijk zijn. Hierbij aansluitend is de vaststelling dat liberale waarden nooit doorgebroken zijn in Rusland. De overgang naar een liberale democratie faalde. Voor velen behoort zelfbeschikking nog steeds niet tot het wereldbeeld. Een uitstekend voorbeeld is de privatisering tussen 1992-1994. Die verliep via zgn. voucher privatization, waarbij de regering aan elk lid

Een democratisch verkozen president die onpopulaire beslissingen neemt moet gerespecteerd worden. Bij vrije verkiezingen komt er een mogelijkheid die af te straffen. het niet bespreken van de crisis met Rusland. Er zijn nog vele andere incidenten maar het belangrijkste verschil in dit volledig ander perspectief is dat Rusland zijn acties als reactief ziet en het Westen die als “proactief” en agressief beschouwt. Westerse landen zien onredelijke Russische agressie, die erop gericht is om de landen rond haar koste wat het kost in haar invloedssfeer en “rijk” te houden. Hard optreden en een “containment”-politiek is vanuit dit opzicht de enige mogelijke aanpak. Rusland daarentegen ziet een Westers plot dat dichter bij haar grenzen kruipt, en reageert enkel op deze sluipende invasie. Deze volledig andere zienswijze botst zo radicaal dat men naast elkaar praat. Voor Westerlingen is bijvoorbeeld de link tussen Milosevic, Saddam Hussein, Khaddafi en Yanukovych iets belachelijks. Rusland ziet echter regime changes van het Westen, die steeds dichter bij de eigen datsja komen. In een interview formuleerde Russisch Minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov onlangs exact deze vrees. Het wantrouwen tegenover het Westen gaat zo ver dat een complottheorie over vlucht MH17 stelt dat dit eigenlijk het verdwenen vliegtuig MH37 van enkele maanden terug was. Vlucht MH37 zou gevonden zijn maar volgestopt

van de bevolking vouchers uitdeelde. Die waren dan inwisselbaar tegen shares in de bedrijven. Omdat veel Russen geen enkele notie hadden van wat het was om deels eigenaar te zijn van een bedrijf of van wat een aandeel was, liep de actie grandioos fout. Sommige van de latere oligarchen kochten vouchers ter waarde van duizenden euro’s voor een fles wodka aan de fabriekspoorten. De armoede en welvaartsverlies van de jaren 1990-2000 schrijft men dan ook toe aan het kapitalisme en de Westerse waarden. Rusland ziet er zelfs een complot in om moedertje Rusland zwak te houden. Voeg hier het oude Russische idee van een autocraat aan toe die het land moet leiden (bv. een tsaar) en je begrijpt waarom polls de steun voor Putin boven de 80% schatten, als redder des vaderlands. Een andere bemerking is dat Rusland na de implosie van de Sovjet-Unie verweesd achterbleef. Na jaren aan de macht werd Rusland niet meer geconsulteerd bij belangrijke beslissingen. In het Westen beargumenteren sommigen bv. dat Rusland wél bereid is tot dialoog en zelfs niet liever wil. De reden dat deze dialoog niet eens tot stand komt is omdat Rusland niet aanzien wordt als volwaardige partner. Het Westers eisenpakket en de constante agressie 15


maakt dan elke conversatie onmogelijk. Tot hiertoe hebben we de Russische visie op de gebeurtenissen besproken zonder hierbij een uitspraak te doen over de gebeurtenissen zelf. Hoewel iedereen boter op het hoofd heeft zijn sommige Russische grieven op zijn minst te begrijpen. De Westerse media en politici vertonen zoals wel vaker hypocrisie en cynisme in haar buitenlandse berichtgeving en politiek. We hebben als Westerse landen de neiging om betogingen door een vaak stedelijke, jongere, hoogopgeleide groep te vereenzelvigen met de publieke opinie. We reduceren heel complexe conflicten tot een simpel “pro” of “njet”. Al een verbetering met vroeger trouwens, toen we staatsgrepen zelf financierden (Mossadegh in Iran, 1953 bijvoorbeeld). Laten we niet vergeten dat president Yanukovych democratisch verkozen was en lange tijd op een koord liep tussen de Europese en Russische belangen. Laten we vooral niet vergeten dat in de nasleep van de bloedigste dagen op Euromaidan een akkoord gesloten werd tussen Yanukovych en protestanten. Onderhandeld door Westerse landen. Gesteund door alle partijen in het conflict. De hardliners op Euromaidan, waaronder extreem-rechtse groeperingen, verwierpen dit akkoord en dreigden met gewapend verzet. De Pravi Sektor bv. is een fascistische beweging die voorop ging in het gewapende verzet. De rol van deze fascisten wordt door Russische propaganda sterk overschat (tijdens de verkiezingen speelde hun politieke partij geen rol van betekenis) maar op Euromaidan waren ze een belangrijke groepering. Toen deze harde kern niet tevreden was, Yanukovych en de regeringstop het land ontvluchtten en een nieuwe overheid zich installeerde bleek het akkoord plots nietig. Onze Europese leiders, waaronder onze Gentse leider Guy Verhofstadt, deelden plots een podium met de vrijgelaten Tymoshenko, hoogstwaarschijnlijk zelf betrokken bij corrupte zelfverrijking. Als de stront aan de knikker pro-Westers is “steekt het niet zo nauw” blijkbaar. Polls tijdens Euromaidan wezen uit dat het land sterk vanaf het begin verdeeld was in de steun voor de protestanten, ongeveer 50-50 (Research & Branding Group, foutenmarge 2.2%). Het lijkt me niet onrealistisch om te stellen dat een belangrijk deel van het land, zo niet een meerderheid in het Oosten tevreden was met de deal die na het bloedbad in februari gesloten werd. Die stipuleerde een terugkeer naar de vorige constitutie. Hoe 16

democratisch is het om de harde kern protestanten dan een coup te laten plegen en die uit te roepen tot een legitieme overheid? We denken graag dat de andere landen convergeren richting onze verlichte Westerse waarden (die we continu vertrappelen) en zien er geen graten in om pro-Westerse groeperingen in die landen aan de macht te helpen. In een NATO-land als Turkije gedraagt Erdogan zich steeds meer en meer als een sultan, maar hij behoudt nipt de steden en heeft een trouwe achterban in de steden tijdens verkiezingen. Wat doen we als de protesten op het Taksim plein bv. leiden tot honderden doden en een putsch door jonge stedelingen en Kemalisten? Wat te doen met Hongarije, dat afglijdt in autoritarisme? Egypte? Een democratisch verkozen president die onpopulaire beslissingen neemt moet gerespecteerd worden. Bij vrije verkiezingen komt er een mogelijkheid die af te straffen. Natuurlijk zijn hier contra-argumenten voor. Er spelen altijd allerlei belangen die ervoor kunnen zorgen dat de wil van het volk mismeesterd wordt. Dit raakt echter aan de inherente zwakheden van een overheid en een democratie. Het opent de doos van Pandora voor allerlei protesten tegen een democratisch verkozen regering. In dit land alleen al heeft een goede verstaander geen moeite om enkele problemen te identificeren. Indien we elk protest verheffen tot een potentieel legitieme staatsgreep omdat er 100.000 man op een plein met vlaggen zwaait doeken we best onze eigen representatieve democratie op. Het is onmogelijk in te schatten in hoeverre protesten de “wil van het volk” vertegenwoordigen. Ingrijpen als Westerse landen in dit soort “volksprotesten”, met allerlei waarden en idealen als mantel voor geopolitieke belangen, is in mijn opinie sowieso fout. We blijven er best ver van. Om af te sluiten herhaal ik graag het cruciale punt van deze tekst. Veel van de Russische commentaren de afgelopen maanden passen natuurlijk in een strategisch pokerspel of zijn regelrechte verzinzels. Tussen al dit verbaal geweld zien de meeste Westerse leiders echter een cruciaal iets over het hoofd: dat Rusland het Westen evenzeer als agressor beschouwt als vice versa. Een uitweg uit de vele frozen conflicts begint met dit te erkennen, zonder daarbij naar de pijpen van Putin te dansen.


Bestuur LVSV Gent 2014-2015

Voorzitter: Niek Van Kerckvoorde

Politiek Secretaris Filip Batselé

Politiek Secretaris Philippe baert

Penningmeester: Anthony G. desmet

Hoofdredacteur Timon lesage

PR Marylène Madou

Secretaris thomas buysse

Webmaster Jonathan peck

Sponsoring jan-alexander nédée

Activiteiten Pieter-jan van de weghe

Bestuurslid megi rroku

Bestuurslid arno couwenbergh

Bestuurslid Dries glorieux

Bestuurslid Jasper janssens

Bestuurslid Julie van peée

Bestuurslid Sander casier

17


Niek Van Kerckvoorde Voorzitter LVSV Gent

Visie

Vloeken in de liberale kerk Niek Van Kerkvoorde Welvaart en welzijn. Twee zaken waar elk individu naar streeft. Maar de uitkomst van het streven naar deze twee zaken is in hoge mate gedetermineerd door twee factoren: eigen capaciteiten en afkomst. Als meritocraat vind ik dat welvaart en welzijn moeten gaan naar de mensen met de meeste verdiensten. De plaats waar je geboren wordt, bepaalt echter voor een groot stuk de mate van welvaart en welzijn die je in uw leven zal bereiken. De meest begaafde mensen in een onderontwikkelde regio zullen het moeilijker hebben dan de minst begaafde mensen in een ontwikkelde regio. Dit is iets waar ik het als liberaal bijzonder moeilijk mee heb. Om hier mee om te gaan, is er migratie. Migratie is positief voor de welvaartstoename. Zowel de migrant als het land waar hij of zij naartoe gaat worden er beter van. De migrant doordat hij toegang krijgt tot een arbeidsmarkt die hem betere mogelijkheden biedt en het land omdat het toegang krijgt tot meer arbeidskrachten en meer arbeidskrachten zijn meer individuen die welvaart kunnen creëren. Migratie is er altijd geweest. Het voorbeeld bij uitstek is de Verenigde Staten. Zonder migratie bestonden de Verenigde Staten gewoon niet. Bijna geen enkele Amerikaan zal zeggen dat de migratie naar de Verenigde Staten voor 1914 (tot dan mocht iedereen naar de VS immigreren) een slechte zaak was. Vandaag zullen Amerikanen hier anders op antwoorden. Migratie is onmogelijk. Waarom? Omdat de migranten toen naar Amerika gingen om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Vandaag krijgen Amerikaanse burgers ook toegang tot de welvaartsstaat die ondertussen is uitgebouwd in de VS.11 De reden waarom migratie vandaag niet altijd een positief verhaal is, is omdat het motief voor migra1 Een vrije vertaling uit Milton Friedmans lezing “What is America” aan Stanford University in 1980. 18

tie vaak niet arbeid is, maar de voordelen die de welvaartsstaat biedt. De incompatibiliteit van vrije migratie en een welvaartsstaat is één reden waarom een pleidooi voor vrije migratie vandaag zo goed als uitgesloten is. Het zou simpel zijn om hier een pleidooi te houden voor de afschaffing van de welvaartsstaat, maar dit is niet het opzet van dit artikel. Het opzet van dit artikel is om te wijzen op een andere reden waarom vrije migratie geen evidentie is. Vele migranten komen namelijk uit een onderontwikkelde regio met een andere cultuur. Vaak vormt deze andere cultuur ook één van de redenen waarom de regio minder ontwikkeld is. Als een regio de cultuur van mensenrechten en zeker eigendomsrechten niet kent, kan er zich geen markteconomie ontwikkelen en blijft de creatie van welvaart achterop hinken2. En het lijkt onvermijdelijk dat migranten die naar hier komen en niet snappen waarom deze rechten belangrijk zijn, er ook geen respect voor zullen opbrengen. Een voorbeeld is het toenemend aantal klachten bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding wegens antisemitisme vanuit bepaalde bevolkingsgroepen. Dat deze klachten het meest voorkomen in steden met de hoogste werkloosheidscijfers en in het bijzonder bij Belgen met een andere origine is niet toevallig. De deuren open gooien lijkt dan ook niet meteen voor morgen. Je begrijpt dat het voor een samenleving niet eenvoudig is als verschillende bevolkingsgroepen met verschillende normen en waarden gedwongen moeten samenleven. Een geleidelijke en gecontroleerde migratie lijkt de voorkeur te hebben. Mensen die met de juiste 2 de Soto, Hernando. (2000). The Mystery of Capital: Why Capitalism Triumphs in the West and Fails Everywhere Else. New York: Basic Books.


incentives naar hier komen, zullen meer geneigd zijn om zich aan te passen aan de lokale gebruiken. Een systeem met green cards zoals in de Verenigde Staten lijkt beter geschikt. Het grote verschil tussen de werkloosheid onder migranten in de VS en in Europa lijkt te verklaren waarom de lokale cultuur beter geaccepteerd wordt in de VS dan in Europa. Op die manier kunnen de mensen die hier werken een betere toekomst opbouwen voor zichzelf en hun familie en raakt onze samenleving niet oververhit door een massale, plotse input van vreemde normen en waarden. Maar ook dit systeem lijkt dus enkel voordelig voor zij die in aanmerking komen voor arbeidsmigratie. Er zullen nog steeds mensen zijn die uit de boot vallen. Jammer genoeg soms ook letterlijk op hun weg naar hier. Andere niet-arbeidsmigranten die de tocht overleven komen vaak in de

re culturen. De zones zullen door de goedkopere arbeidskrachten en lagere belastingen een aantrekkingspool vormen voor bedrijven met een enorm welvaartspotentieel tot gevolg. Ook voor Europa kan dit een oplossing bieden uit de economische malaise waar we in zitten. Europa is ondertussen economisch volledig vastgeroest. Sterke economische buren zijn ook voor onze economie voordelig. De zones betekenen niet alleen een nieuwe afzetmarkt, maar ze zullen ons ook aanzetten om zelf concurrentiëler te worden. Als er in de zones een overheid geïnstalleerd wordt die zich enkel met de kerntaken bezighoudt, is het wellicht niet nodig dat Europese landen zullen moeten bijdragen aan de financiering van de zones. De zones zullen wellicht op korte tijd zelfvoorzienend zijn en misschien zelfs financieel gezonder dan veel

De reden waarom migratie vandaag niet altijd een positief verhaal is, is omdat het motief voor migratie vaak niet arbeid is, maar de voordelen die de welvaartsstaat biedt. illegaliteit terecht en komen in de handen van pooiers, drugsdealers of worden gedwongen tot arbeid. Het is duidelijk dat een gecontroleerde arbeidsmigratie richting Europa niet zal volstaan. We doen er best aan om naar succesvolle alternatieven te kijken en hiervan iets te leren. Hong Kong is hier één van. Toen Hong Kong nog een Britse Kroonkolonie was, was het de plaats voor vluchtelingen uit China. Na de tweede wereldoorlog vertienvoudigde de bevolking van 600.000 naar meer dan 7 miljoen mensen. In Hong Kong was er geen sprake van een uitgebouwde welvaartsstaat zoals we die in het Westen kennen. Integendeel. De overheid in Hong Kong erkende mensenrechten, dwong contracten af en zorgde voor de vluchtelingen. Een soortgelijke aanpak lijkt ook hier een mogelijke oplossing. Het erkennen van bepaalde zones als vrije zones voor vluchtelingen aan de Europese buitengrenzen moet mogelijk zijn. Dit scenario biedt voor veel partijen goeie perspectieven. De migranten komen in een ontwikkelde regio terecht die kansen biedt op arbeid. De Europese bevolking wordt niet geconfronteerd met een massale instroom van ande-

Europese landen. Waarom zullen er in deze zones geen conflicten ontstaan tussen allerlei bevolkingsgroepen? Het is uiteraard gissen, maar enkele zaken zijn toch anders dan in de huidige conflictgebieden waar meerdere etnische groepen samenleven. In veel conflictgebieden is er sprake van meerderheden en minderheden die elkaar onderdrukken. Als er een overheid is die weinig macht heeft, is er weinig macht om te misbruiken. Bovendien is de kans klein dat er een bevolkingsgroep groot genoeg is om dominant te zijn. Er kan in die zones ook geen sprake zijn van staatsreligie. Iedereen moet vrij zijn om zijn eigen religie te beleven zoals die dat wil met het nodige respect voor anderen. Deze zones vormen een pragmatische oplossing voor een problematiek die dringend meer aandacht verdient. Het lijkt een beter alternatief dan het opengooien van de grenzen, de gefaalde ontwikkelingssamenwerking, of de tekortschietende arbeidsmigratie.

19


Sander Casier Bestuurslid LVSV Gent

Visie

Voorzittersverkiezingen Sander Casier Het is 14 november. Een vrijdag zoals er veel zijn. Er is op dit eigenste moment een gastcollege aan de gang over OCMW’s. Sorry Piet van VVSG, het lijkt me interessanter een eerste bijdrage te leveren aan het Neo’tje en daarom besluit ik in mijn pen te kruipen. Uw PowerPoint bekijk ik later wel nog eens. Here goes nothing. Waar kan ik het eens over hebben? Piet begint over het feit dat 33% van de alleenstaande gezinnen onder de armoedegrens leeft. Neen jongen, toch bedankt, laat het ons iets luchtiger houden. Vermogensbelasting? Te trendy. Ideologische redes liggen mij niet dus dan maar richting praktijk. Ik weet het, voorzittersverkiezingen. Dit weekend zijn er twee, N-VA & Groen. Ik hoor het u al denken: “Wie kan het wat schelen?”. U hebt een punt aandachtige lezer, want wie gelooft dat (Mark/Jan?) Vertonghen De Wever morgen van zijn troon zal stoten? En laat ons eerlijk zijn: de kans dat Groen ooit stabiel boven de 10% uit zal komen, is kleiner dan hun uitslag. Een korte kijk in dit gegeven is wel degelijk van belang. Het zijn namelijk de meest invloedrijke politici van dit land. Laat mij nu eens een ophelderend licht schijnen op voorzittersverkiezingen in het algemeen. Spoiler alert: hypocrisie troef. Gisteren hoorde ik een debat/interview tussen Elke Van den Brandt en Meyrem Almaci op De Ochtend van Radio 1 (ik moet echt iets doen met m’n leven). Er vielen straffe uitspraken te noteren, bijvoorbeeld “Groen heeft het beste programma, de beste parlementsleden en hebben al sinds jaar en dag de beste fracties” (laat het gerust even bezinken). Verder werd er gestrooid met complimenten en Elke (ja ik mag Elke zeggen) eindigde met de uitsmijter: 20

“Wij zijn een basisdemocratische partij”. Elke, waar hebt u het over? Zal de voorzitster dan worden verkozen via lootjes trekken? Laat me even enkele problemen aanhalen die uw uitspraak met de grond gelijkmaken: • Representativiteit: Uw partij staat op het punt iemand te verkiezen die in de particratie geworpen zal worden, maar vreest niet o heiligen der kiezers, want zij is direct verkozen door +- 9 % van haar leden1. • Voorgedragen kandidaten: Geloof mij, elk partijbestuur heeft z’n favorieten en vaak resulteert dit in een voorgedragen kandidaat. Als dit niet gebeurt, dan heb je een grote kans dat er interne rivaliteit ontstaat (zie VLD in 2004). Wanneer is de laatste keer dat een underdog het haalde? Het gaat zover dat er binnen het Vlaams Belang een ongeschreven regel bestaat die inhoudt dat er geen tegenkandidaten worden geduld. Toegegeven, Groen draagt niemand expliciet voor. • Extremisme: Tot spijt van wie het benijdt, kan je niet ontkennen dat het vaak de hardliners (bakfietsers, vnv-stamboom, arcogedupeerden enz.) zijn die op het congres aanwezig zijn en zo het laken naar zich toetrekken. • Ad-interim: Wanneer er chaos heerst en de voorzitter opstapt, zal er een ad-interim voorzitter worden aangesteld in plaats van meteen over te gaan tot verkiezingen. Tenzij het gaat om een ancien, type Verhofstadt, betreft het vaak de volgende voorzitter. Hierop volgt het holle statement: “X zal de volgende maanden voor rust en stabiliteit zorgen alvorens over te gaan tot een congres”. Voor mensen als Wouter Beke, Bart Somers en Caroline Gennez was dit simpelweg een ideale kans 1 Groen heeft 7800 leden en men verwacht 700 leden op het FastForward-congres.


voorgeschoteld door het bestuur, een korte inlooptijd om zich (naar de toekomst toe) te bewijzen.

stplannen en waarom de toekomst toch ooh zo rooskleurig is.

Daarnaast zijn er ook nog ‘problemen’ eigen aan de partijen zelf. Zoals de eeuwige rivaliteit tussen Annemans & Dewinter, die nu weliswaar over lijkt of de standenbelangen binnen de CD&V of een gebrek aan competente kandidaten (zelf in te vullen waar). Veel van de voorgaande kritieken gelden trouwens ook voor congressen.

Vorige week was er in de les een discussie over het nut van voorzittersverkiezingen (buiten media-aandacht). Argumenten waren onder meer het binden van personen aan de partij door ze te betrekken (vaak dus schijn) en harten te vullen van zelfzekerheid, maar verder?

intermezzo van Piet: Studies tonen aan dat 60% van de mensen die recht hebben op een leefloon die niet aanvragen oa. uit schrik voor sociale gevolgen. Dat belooft. Daarenboven komt het feit dat ‘slechts’ 5% van de resterende 40% een twijfelachtig dossier heeft. Ik hoop echt dat ik niet goed heb opgelet... Indien dit klopt verdwijnt plots het nut om extra geld te pompen in het bevechten van sociale fraude. Hypocrisie, de kunst van het ene te verkondigen maar het tegenovergestelde doen. Waarom praten politici toch over democratische principes wanneer ze die overduidelijk niet toepassen? De belangrijkste reden waarom politici een hype proberen te starten en op die manier hun achterban proberen te mobiliseren op congressen is mediatisering. Partijen maken van de verkiezingen een waar mediagebeuren. Daarom is het goed meegenomen om over een aangevuurd publiek te beschikken. De twee krachten, media-aandacht en partijaanhang, versterken elkaar. Het gebeuren is de kans bij uitstek geworden om gezamenlijk de handen in de lucht te gooien met een boeket bloemen in de hand, goed wetende dat men straks op VTM twee minuten lang vrije spreektijd krijgt. Daar volgen vaak de clichés over toekom-

Elke, verdorie. Buiten het feit dat de representativiteit een ramp zal zijn en extremisme mogelijk welig zal tieren, lijkt uw partij (en z’n Waalse tegenhanger) het bovengemiddeld goed te doen. Wat niet wil zeggen dat Groen het archetype van democratie is! In mijn ogen heeft uw partij twee opties als men oprecht wil overkomen. Ofwel organiseert u open verkiezingen, publieke debatten die online verschijnen, laat u kranten los op toespraken/ toekomstplannen etc., ofwel stelt u intern een opvolger aan en vraagt u uw kiespubliek achter die keuze te staan. Want wat er nu soms bij een aantal partijen gebeurt, is een echte aanfluiting voor de intellectualiteit van hun leden. Kortom, dacht iemand binnen de N-VA werkelijk dat het bestuur een openbare blamage zou toestaan door de Grote Leider aan hevige concurrentie bloot te stellen en hem op die manier in twijfel te trekken? Dan heb ik het nog niet eens over de flagrante schending van hun eigen beginselverklaring. Oh ja, zo’n politici zullen het waarschijnlijk nooit afleren. Plots starten medestudenten rondom mij te applaudisseren. Het gastcollege is voorbij.

21


Ereleden LVSV Gent 2014-2015

Wim Aerts Oud-voorzitter Jong VLD

Michiel Rogiers Oud-voorzitter LVSV, oud-bestuurslid LVSV Gent

Michael Daman Voorzitter Open VLD Gent

Rau Romeo Voorzitter Open VLD Nieuwpoort

Philippe De Backer Europees parlementslid Open VLD

Gwendolyn Rutten Voorzitter Open VLD

Alexander De Croo Minister van Pensioenen

Dimitri Sonck Oud-voorzitter LVSV Gent

Herman De Croo Minister van Staat, Vlaams volksvertegenwoordiger

Gilbert Strumane Ereschepen De Pinte

Peter Dedecker Volksvertegenwoordiger N-VA

Pablo Tenret

Mieke De Regt Oud-voorzitter PFK

Marc De Vos Oud-voorzitter LVSV Gent, algemeen directeur Itinera

Frederik De Vrieze

Annemie Turtelboom Vlaams Minister van Financiën, Begroting en Energie

Mattias De Vuyst Oud-politiek secretaris LVSV Gent

Maxim Tylleman Oud-activiteitenverantwoordelijke LVSV Gent

Steven Keirse Oud-voorzitter LVSV Gent

Lawrence Vanhove Oud-voorzitter LVSV Gent

Egbert Lachaert Oud-voorzitter, federaal parlementslid (Open VLD)

Vincent Laroy Schepen Lovendegem-Vinderhoute (Open VLD)

Guy Vanhengel Brussels Minister van Financiën, Begroting, Externe Betrekkingen

Elisabeth Matthys Advocate, praktijkassistente sociaal recht UGent

Arno Morsa

Annemie Neyts Europees parlementslid Open VLD

Christophe Peeters Schepen Gent

Benoit Piedboeuf Burgemeester Tintigny (MR)

Hans Pijpelink Regiovoorzitter Jong VLD Waas en Dender

22 Erna Pissens, gemeenteraadslid Lebbeke

Fabrizio Terrière Oud-penning meester LVSV Gent Bart Tommelein Vlaams Parlementslid Open VLD

Guy Verhofstadt Europees parlementslid Open VLD Geert Versnick Gedeputeerde provincie Oost-Vlaanderen Wietse Verwimp Oud-politiek secretaris LVSV Gent Thibault Viaene Oud-voorzitter LVSV Gent Patrice Viaene Oud-voorzitter LVSV Gent Karel Vincent Oud-penningmeester LVSV Gent


Philip Vanstapel Lid LVSV Leuven

Visie

Het Baltisch drama Philip Vanstapel In de eerste editie van dit jaar schreef politiek secretaris Filip Batselé over “de Baltische weg”, waarin hij beargumenteerde dat de Baltische staten een voorbeeld zijn van hoe zwaar besparen kan. LVSV Leuven-lid Philip Vanstapel ziet het genuanceerder. In de zomereditie van Neohumanisme stond het erg boeiende De Baltische Weg door politiek secretaris van LVSV Gent Filip Batselé. Litouwen, Letland en Estland zijn drie landen die mij nauw aan het hart liggen. Alledrie landen met prachtige natuur en cultuur. Mirakels zijn echter niet van deze wereld, en met dit artikel had ik dan ook graag aangetoond dat het zogeheten Baltische mirakel erg raar moet klinken in de oren van de gemiddelde Balt. Hoewel ik het betoog van Filip Batselé behoorlijk genuanceerd vind aangezien hij ook duidelijk oog heeft voor de oligarchische en corrupte aspecten van het Baltisch maatschappijmodel, blijft het naar mijn mening te rooskleurig. Ten eerste let ik, vanuit natuurrechtelijk liberaal oogpunt, op met het aanprijzen van eender welk beleid. Of dat beleid nu uiterst collectivistisch dan wel relatief liberaal is, het blijft in het gros der gevallen een vorm van gepositiveerd onrecht: de geïnstitutionaliseerde macht van mensen over elkaar. En een overheid met een begroting in evenwicht, blijft een overheid. Ten tweede beschouwt Filip Batselé het Baltische verhaal iets te veel als het bewijs dat “zware besparingen in moderne democratieën helemaal niet onmogelijk zijn, zeker als ze op korte termijn worden verwezenlijkt”. De economische politiek die in Estland, Letland en Litouwen werd gevoerd in de nasleep van de financieel-economische crisis van 2008 moet, nog meer dan Filip Batselé al doet, gezien worden in de specifieke historische en sociologische eigenheid van deze kleine landen met samengeteld een steeds verder krimpende bevolking van ongeveer 6.2 miljoen. Je zou geneigd zijn te denken dat landen zoals bijvoorbeeld België of Frankrijk met hun torenhoge

staatsschulden de eersten zouden zijn om de impact van de financieel-economische crisis van 2008 op te lossen via de weg van de harde besparingen. Maar wat blijkt: het zijn de Baltische staten die toch de zwaarste besparingen doorvoerden. Ondanks dat ze zowat de laagste openbare schulden van eender welk Europees land hadden, dankzij jarenlange volgehouden budgettaire orthodoxie. Voor de Baltische beleidsmakers pasten de zware besparingen perfect in hun strak conservatief-liberaal denkkader die ze al sinds hun onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie koppig volhielden, al is er in de politiek altijd wel een verschil tussen de ideologie en de praktijk. Ests President Toomas Hendrik Ilves drukte het zo uit: “Growth policy” essentially means doing “more of what we’re already doing wrong, which is borrowing money to pay for things.” En wanneer gevraagd naar de economische prioriteiten, antwoordde Peeter Koppel van SEB Bank: “I can answer in one word: austerity. Austerity, austerity, austerity.” Ests Minister van Economie Juhan Parts zag de dingen collectivistisch: “Everybody had to give a little bit.” Ter illustratie: in Litouwen sneed men maar liefst met 30% in het ambtenarenapparaat, al blijft de bureaucratie ook na die sanering een ware Moloch. Nu heeft Filip Batselé absoluut gelijk dat de cijfers aantonen dat de Baltische Staten erin slaagden om met drastische besparingen de economische groei terug aan te zwengelen. In Litouwen bedroeg de verhouding snijden in de uitgaven-nieuwe belastingen zelfs 4 tegen 1. Onderzoek van Italiaans economenpaar Alesina en Ardagna heeft inderdaad aangetoond dat besparen via uitgavenvermindering 23


veel meer economische groei creëert dan ‘besparen’ via nieuwe belastingen. Keynesiaanse recepten kunnen dan misschien op korte termijn een heel klein beetje groeibevorderend werken, empirische studies wijzen uit dat de stimulus meestal veel kleiner is dan de resulterende toename in staatsschuld en begrotingsdeficit. Keynesianen schatten de zogenaamde multiplicator al te vaak veel te hoog in. Maar, en veel links-liberalen zullen dit ongetwijfeld niet graag horen, een overheid die het BBP boost, is en blijft een overheid die voor zichzelf, mijns inziens erg verkeerdelijk, als taak ziet om voor economische groei te zorgen. Een overheid met een begroting in evenwicht blijft geïnstitutionaliseerd onrecht, zij het dus in evenwicht. Los van het feit dat ik niet geloof dat het überhaupt de taak van politici is om “de

en wordt dus aangegeven wat volgens mij de betere, m.a.w. minst slechte, beleidsopties waren geweest voor de Baltische overheden. Dat de drastische besparingen in de ambtenarij en verschillende uitgavenposten in feite neerkwamen op “de socialisering van risico en de privatisering van winsten” wordt al te gemakkelijk vergeten. Misschien zijn de adepten van het Baltisch model liever “solidair” met de bankiers en politici die de crisis veroorzaakten, dan hen te wijzen op hun foutaansprakelijkheid? Zoals Sam Van Rooy (VB) op het LVSV-openingsdebat al zei kan weldenkend Europa op dat vlak nog veel leren van de Ijslandse aanpak van de bankencrisis. Deze niet oninteressante stellingname werd , hoe kan het ook anders, op

Dat de drastische besparingen in de ambtenarij en verschillende uitgavenposten in feite neerkwamen op “de socialisering van risico en de privatisering van winsten” wordt al te gemakkelijk vergeten. economie eerst te doen groeien om ‘de koek’ daarna in mindere of meerdere mate te herverdelen”, is BBP an sich een nietszeggend begrip indien niet ook gekeken wordt naar de concrete inhoud van de “P”. Neem nu de Sovjet-Unie die gedurende vele jaren immers het tweede grootste BBP ter wereld hadden. Vele individuele Balten hebben dus geen boodschap aan politici die hen komen vertellen dat “de economie” gegroeid is, terwijl hun welvaart en die van hun naasten in het beste geval stagneert of in het slechtste geval drastisch daalt. Het positieve effect van het crisisbeleid op het BBP staat hier dus niet ter discussie. Wel het gemak waarmee West-Europese of Amerikaanse analytici voorbijgaan aan de dieperliggende oorzaken van de Baltische malaise, die nog altijd niet worden aangepakt. Ook is het zeker zo dat na de besparingen het aantal werklozen in Litouwen in de periode 2009-2011 zakte met 60.000. Hoe wenselijk ook moet je dit toch met een korrel zout nemen aangezien in diezelfde periode 100.000 Litouwers hun biezen pakten. Dat de werkloosheid nog altijd in double digits blijft, kunnen de Baltische Staten zich gelukkig veroorloven dankzij erg lage en in de tijd beperkte werkloosheidsuitkeringen. In de rest van dit artikel zal ik er evenwel van uitgaan dat we nu eenmaal met overheden opgescheept zitten, 24

hoongelach onthaald en weggewuifd door de traditionele partijen aldaar (N-VA stuurde haar kat), niet in het minst trouwens door “rechtse” liberaal Richard Daems. Een faillissement op z’n Ijslands van de aansprakelijken gecombineerd met een devaluatie van de munt was geen ondenkbare oplossing geweest. De Baltische beleidsmakers willen er echter alles aan doen om een kus-en-bank-naar-voren te krijgen van hun Brusselse meesters. Een eigen euro is voor de rabiaat anti-Russische elites de volgende stap en ook de reden waarom een devaluatiepolitiek incorrect was. Als er volgende keer een eurozonecrisis is ben ik erg benieuwd of de tegen dan erg verouderde Letten, Esten en Litouwers weer even stoïcijns de besparingen à la grèque zullen ondergaan. Het instrument van muntdevaluatie zullen ze in dat geval niet meer te hunner beschikking hebben. Hun lot zal in de handen liggen van de Brusselse en Frankfurtse bureaucraten. En we weten wat vandaag nog overblijft van Johan Van Overtveldts voorstel tot Grexit.. Wel moet ik Filip Batselé’s kritiek op de muntdevaluatie beamen in die zin dat Krugmans vergelijking met Argentinië inderdaad weinig hout snijdt en dat een devaluatie wel eens tot failliete banken zou kunnen leiden. De vraag is echter of dat op de lange termijn geen betere optie was geweest dan zich te laten leiden door blinde liefde voor de


euro. Econoom Michael Hudson vreest net zoals Filip Batselé die negatieve effecten van een indexsprong, maar ziet de oplossing eerder in een hervorming van het belastingstelsel dan in de gevoerde besparingen. Mede oorzaak van de Baltische perikelen is immers de enorme discrepantie tussen de belastingen op onroerend eigendom, inkomsten uit natuurlijke rijkdommen en belastbare winst die tot de laagste in Europe behoren en de zware lasten op inkomsten uit arbeid. Zulk fiscaal regime dat mede door gelobby van de financiële sector tot stand kwam, leidde tot de Baltische financiële-en vastgoedzeepbel. De immer stijgende huizenprijzen leidden tot een steeds toenemende vraag naar werkkrachten in de bouwsector, die tevens hun verloning enorm zagen toenemen. Met het barsten van de zeepbel kwam de austeriteit en werden de lonen/werkloosheidsuitkeringen van de (voormalige) bouwvakkers drastisch naar beneden aangepast. “Iedereen moest een beetje geven..behalve de grootgrondbezitters”, om Juhan Parts te parafraseren. Voor Letland wordt de fiscale situatie door Amerikaans econoom Jeffrey Sommers als volgt verwoord: “Latvia is the country that has come closest to imposing the Steve Forbes tax and finance model advanced during his failed Presidential campaign: a two-part tax on wages and social benefits that are near the highest in the

world, while real estate taxes are well below US and EU averages.” In Letland moeten werkgevers 25% belasting innen op de lonen van hun werknemers en nog eens 24% valt onder de noemer sociale bijdragen en gaat naar pensioenen en gezondheidszorg. De werknemer zelf betaalt tot slot nog, onafhankelijk van het inkomen, 11% belastingen. Dit komt dus neer op een stevige vlaktaks van 60% en dito torenhoge loonkosten. Onroerende vermogens worden daarentegen getaxeerd aan minder dan 1% en kapitaalwinsten aan 10%. Kwalijk gevolg van deze fiscale politiek is dat dit vastgoedbubbels in de hand werkt en in het voordeel speelt van de hypotheekverstrekkende, voornamelijk Scandinavische, banken. Door liberale bewonderaars van het Baltische model wordt ook weleens vergeten dat hoewel de besparingen wel degelijk erg impressionant zijn en naar West-Europese normen een politiek onhaalbare kaart, er ook aan de belastingzijde heel wat gemorreld werd. Zo verhoogde de Letse regering in 2009 de inkomenstenbelasting voor zelfstandigen van 15 naar 25%, de BTW met 3% naar 21% en werd het niet-belastbaar minimum verlaagd van 129 tot 50 euro. Hoewel het totale overheidsbeslag in Letland in 2012 slechts 27,9% (EU-gemiddelde van 38.4%) bedroeg, was de belastingaanslag op de laagste inkomens gemiddeld 41,5% (EU-gemiddelde van 36%)! In die zin is zelfs de parallel met het Ancien

25


Régime waar een kaste grootgrondbezitters leefde van de inkomsten van hun land, terwijl de gewone man het leeuwendeel van de belastingen moest torsen, niet geheel uit de lucht gegrepen. Samen met de aanfluiting van elke aansprakelijkheid door de bankiers roept die situatie bij mij volgende quote op uit Bastiat’s Sophimes Economiques:”Lorsque la Spoliation est devenue le moyen d’existence d’une agglomération d’hommes unis entre eux par le lien social, ils se font bientôt une loi qui la sanctionne, une morale qui la glorifie. ” Wanneer de moraal van de elite die is van de plunderaar, hoeft het ook niet te verbazen dat dit doorsijpelt naar de “lagere” regionen van de samenleving waar een cultuur van geweld om zich heen slaat. Het is geen toeval dat uit een rapport in 2012 van de Wereld Gezondheid-

gen die Sommers voorstelt zinnen mij niet (hij is een sociaal-democratische Keynesiaan), maar dat betekent geenzins dat zijn weergave van de feiten niet correct zou zijn. Het is mijn persoonlijke ervaring dat de Balten hierop totaal onvoorbereid zijn. Zo vertelde een Litouwse juriste-vastgoedexperte me ooit dat ze erg blij was met het EU-lidmaatschap omdat “Europa” de pensioenen zou betalen van de achterblijvers, terwijl de jongeren dankzij het vrij verkeer van personen hun geluk elders konden vinden. Tevens was ze ervan overtuigd dat een groot deel van de emigranten wel zouden terugkeren. Dit was misschien het geval voor aansluiting bij de EU, maar sinds 2004 hebben de veel soepelere inter-Europese migratieregels het settelen zonder oog op terugkeer alleen maar gefaciliteerd (daarvoor was er veeleer

“We are living through our second historical trial since breaking with the Soviet Union. Either we will persevere or the future of our nation will be one of oblivion. We will either dissipate ourselves through drinking or we will disappear and be scattered throughout the world.” -Vytautas Landsbergis sorganisatie blijkt dat moord- en doodslagcijfers in de Baltische Staten vijfmaal hoger liggen dan in het naburige Zweden. Ook de zelfmoordcijfers en het aantal auto-ongevallen scheren zeer hoge toppen. Tussen 1991 en 2011 daalde de Baltische bevolking met 21.5% van 7.8 naar 6.2 miljoen zielen. Eurostat voorspelt dat tussen 2011 en 2030 Letland nog eens 10%, Litouwen 8.6% en Estland 4.5% minder inwoners zullen tellen, ondanks de stijgende geboortecijfers. Aangezien het merendeel van de migranten jonge mensen zijn, al dan niet hoogopgeleid, betekent dit dat de Baltische Staten afstevenen op een vergrijzingscrisis van ongekende proporties. Reeds genoemde Jeffrey Sommers drukt het in “The Contradictions of Austerity” uit als volgt: “Life is rendered so unpromising, that many in each country are leaving. Many do not expect ever to return. All three countries are in rapid demographic decline, which if it continues will soon enough transform them into retirement communities, supported largely by remittances, for so long as they last.” De oplossin26

sprake van tijdelijke, vaak illegale, arbeid). De weinige verre familie die ik in de Baltische staat Litouwen nog heb illustreert dit heel duidelijk. Zo vertrokken twee verre neven omstreeks 2005 naar resp. Ierland en Noorwegen. De ene, een ingenieur, bouwde in Ierland huizen en leerde een Pools meisje kennen. De andere, zonder diploma maar wel een krack in computers, pakte zijn lief mee en werkt voor een Noors softwarefirma. Beiden kregen kinderen die opgevoed worden in Noorse en Ierse scholen. Thuis wordt een creooltje gesproken van Litouws, Russisch en Pools. Voor geen geld willen zij ooit nog terug naar Litouwen en als ik hun verhalen hoor zijn zij niet de enigen. Oudere familieleden blijven vereenzaamd achter. Een kleine anekdote daaromtrent: Mijn moeder bekloeg zich onlangs tijdens een telefoongesprek met een Litouwse vriendin van dezelfde leeftijd dat wanneer ze ergens komt ze steeds vaker bij de oudsten is. De vriendin antwoordde dat zij de laatste tijd in toenemde mate het gevoel had de jongste te zijn! Dat daarenboven de werkloosheid in zowel Letland als Litouwen , “ondanks” een bevolk-


ingsverlies van 10% Letten en 15% Litouwers sinds EU-lidmaatschap, in beide landen ongeveer 12% bedraagt, doet bij believers in het Baltische model blijkbaar geen wenkbrauwen fronsen. Maar genoeg anekdotiek. In het volgende deel van deze bijdrage overlopen we kort de pijnpunten van het Baltisch Model. Ik zal me focussen op Letland, maar weet dat de Litouwse situatie vrij vergelijkbaar is. Estland is met 1 miljoen inwoners en haar “internetmaatchappij” een beetje het buitenbeentje in die zin dat er zich daar relatief minder van de hierna opgesomde structureel-maatschappelijke problemen zich voordoen en waarom er dus relatief minder Esten met hun voeten stemmen. Een eerste structureel probleem in het Baltische model is de mislukte asymmetrische integratie van de Baltische Staten in de Europese Unie zoals uitstekend beschreven in Reinert en Kattels European Eastern Enlargement as Europe’s Attempted Economic Suicide (2007). Bij de uitbreiding met Spanje, Portugal en Griekenland maakte de EU nog gebruik van symmetrische integratiemethodes. Dat hield in dat die landen pas effectief konden genieten van de vier vrijheden indien ze op een vergelijkbaar niveau stonden qua economische ontwikkeling als de rest van Europa. Er werd in een overgangsperiode

voorzien om handelsbarrières rustig af te bouwen en er werd voorzien in Noord-Europese steun in de vorm van subisidies en technische know-how om de industrie te moderniseren. Niets van dat in het Europa van Prodi en Barosso. Na de liberale schoktherapie van de vroege nineties volgde de schok-Europeanisering van de naughties. In beide gevallen was de schok er te veel aan. Wat baat immers liberalisering indien de socialistische partijbonzen van weleer plots van pet veranderen en zich aansluiten bij het anti-Russisch liberalenverbond? Met voormalig Maoïst Barosso verkeren ze in elk geval in uitmuntend gezelschap. Dat is misschien wat cru, maar als je als kleine jongen op vakantie in Litouwen met je grootmoeder wandelt langs oude, kapotte fabrieken waar ooit duizenden mensen werkten en die overkop gingen, niet omdat ze verlieslatend waren, wél omdat ze van de ene op de andere dag in handen vielen van een incompetente oligarch, dan krijg je een ander beeld. Na die collectieve verarming ten bate van enkelen volgde de Euroschok: de arme Oost-Europese landen van ‘de 10’ traden in competitie met de de iets minder arme Zuid-Europeanen wat leidde tot immense structurele onevenwichten binnen de EU. Die onevenwichten werden de eerste jaren wat gecamoufleerd door convergerende intrestvoeten dankzij de euro. En dat leidde

27


op zijn beurt tot erg lage intrestvoeten in Oost-en Zuid-Europa evenals in Ierland, wat resulteerde in vastgoedzeepbellen die in die landen een groeiende vraag onderstutten naar consumptiegoederen uit voornamelijk Duitsland dat zich zo op geen tijd kon opwerken van Krankes Mann Europas tot motor van economische groei. Met de eurozonecrisis is genoegzaam aangetoond dat een gemeenschappelijke munt, zonder voldoende convergerende economieën met gelijklopend sociaal-politiek beleid, onhoudbaar is. Een eurozone uitgebreid met het asymmetrisch geïntegreerde Oost-Europa zal die onhoudbare situatie alleen maar versterken. Maar ook al beschikten ze nog over de beleidsvrijheid

Zoals reeds gezegd kreunen de Baltische werknemers onder de zware sociale lasten. Zonder die fiscale druk zou de pull van West-Europa al een stuk minder spelen. De Europese Unie meende echter via haar Structurele Fondsen de economie te stimuleren. De Litouwse econoom Jakelunias formuleert scherp het failliet van de Structurele Fondsen: “Euros flowing from EU to Lithuania have become similar to drugs, feeding inflation and temporarily masking the country’s financial and economic problems. We have developed dependency on supposedly easily acquired EU money without being able to effectively invest them.” Problematisch is dat geld bedoeld voor de modernisering van de publieke infra-

Aangezien het merendeel van de migranten jonge mensen zijn, al dan niet hoogopgeleid, betekent dit dat de Baltische Staten afstevenen op een vergrijzingscrisis van ongekende proporties. om een muntdevaluatie door te voeren, toch kozen de Balten er voluit voor om interne devaluatie aan te gaan. De economische groei die hieruit volgde is zoals gezegd zeer onzichtbaar voor de gewone Balt in de straat. Reinert en Kattel bieden hier een interessante verklaring voor. Neem nu Elcoteq, een Fins gsm-producent met een grote vestiging in Estland. Voor de productie van haar gsm’s maakte Elcoteq gebruik van zo’n 200 leveranciers, waarvan geen enkele een Estse vestiging had. Dit is zeer typerend voor de Baltische economieën waar een kleine groep succesvolle Scandinavische bedrijven worden aangetrokken door de erg lage lonen en het zeer flexibele arbeidsrecht, maar buiten hun eigen vestiging geen banden hebben opgebouwd met de lokale economie. Reinert en Kattel concluderen dat de integratie van de Baltische Staten enorm veel gelijkenissen vertoont met de mislukkingen van de Duitse Wiedervereinigung. Zelfs vandaag nog is er aanzienlijke migratie van Ossies naar de voormalige BRD en worden bedrijven in Sachsen of Thüringen genoodzaakt om in het Pools of Tsjechisch te adverteren voor jobapplicaties. Ook bij de voormalige Ossies blijft de arbeidsproductiviteit op een erg laag pitje, ondanks massale subsidiestromen uit West-Duitsland. Maar zoals we in de volgende alinea zullen zien lijkt het wel een wetmatigheid dat ontwikkelingshulp, hoe goed bedoeld ook, weggesmeten geld is. 28

structuur en voor het heropwaarderen van de lokale industrie eerder lijkt te dienen voor het financieren van nieuwe administratie die zich als doel stelt het Europees geld te “beheren”. Een schokkende 29,4% van de Litouwse werkende bevolking werkte in 2013 in de publieke sector, net niet het dubbele van het EU gemiddelde van 15%. De verklaring is te vinden in het politieke nut dat de heersende rechts-conservatieven van de Vaderland Partij zien in de versteviging van hun machtspositie via een cliëntelistisch systeem dat nogal vergelijkbaar is met de Waalse PS-baronnieën. Aangezien in Litouwen de publieke sector zorgt voor de meeste nieuwe vacatures, vullen de universitaire banken zich met jongeren die zich speciaal daarop voorbereiden en voor “softe”, goedkopere studierichtingen kiezen. Alumni van de duurdere technisch-wetenschappelijke richtingen die meer overheidsinvesteringen vergen, vertrekken echter de een na de andere naar het buitenland om te ontsnappen aan de verstikkende lasten op arbeid. Veel technisch-geschoolden die niet migreren, verkiezen dan weer het informele circuit. Van hen mag de Litouwse Staat geen return on investment verwachten. Doch “Europa lost het wel op”, zingen de politici in koor. Verder wil ik even de politieke steun van de Baltische volkeren voor de toch wel erg drastische besparingen vanuit een andere optiek belichten.


Veeleer dan om politieke steun gaat het m.i. om een ver doorgedreven politieke apathie. Dit is een eigenschap dat eigen is aan alle volkeren die een communistisch regime kenden. Mensen kweekten in de communistische tijden een viscerale afkeer voor wereldverbeteraars die met grote idealen schermden, maar uiteindelijk weinig realiseerden. Naast deze politieke desinteresse en geringe animo om zich collectief te associëren, bijvoorbeeld in vakbonden, speelt m.i. echter nog een ander veel kwalijker element mee: het spook van de Russofobie. Na de val van het communisme exploiteerden bepaalde nationalistische politici het ressentiment om stemmen mee te winnen. Men maakte echter de grove denkfout om het communisme met een soort Russificering te verwarren. Veel Balten vergeten dat ze in de Sovjettijd een veel hogere gemiddelde levensstandaard hadden dan andere Sovjet-staten. Daarenboven waren de topfuncties zoals fabrieksbazen, schooldirecteurs, partijcommissarissen enz. in de periode 1945-1991 steeds voorbehouden aan etnische Balten. De Russen die daar na de Tweede Wereldoorlog aanmeerden hadden daar ook niet zelf voor gekozen, maar werden op bevel van vadertje Stalin onder dwang naar het Balticum verhuisd om aldaar “aan het socialisme te bouwen”. Dat het lager onderwijs verplicht en het middelbaar onderwijs trouwens optioneel tweetalig was, lijken veel Balten plots te zijn vergeten. Erg merkwaardig is ook de plotse position switch die veel Baltische Parteigenossen in 1991 maakten van universalistische socialist naar etnisch-Baltische nationalist. Maar toegegeven, het is slim gezien van de Baltische leiders die door aan alles een communautaire twist te geven, de schuld steeds op “de Russen” kunnen afschuiven. De etnische Russen worden niet enkel gebruikt als politiek schaamlapje, ze worden ook effectief zwaar gediscrimineerd. Toen Litouwen in 1991 onafhankelijkheid verwierf werden mensen die in Litouwen geboren waren en daar heel hun leven gewoond en gewerkt hadden, verplicht aartsmoeilijke taaltesten afnemen, waar zelfs universiteitsprofessoren die perfect hun plan konden trekken in het Litouws, meermaals voor moesten terugkomen. Enkel dan konden ze de nationaliteit verwerven. Estland is op dat vlak het extreemst: 23 jaar na onafhankelijkheid worden nog altijd kinderen geboren die de nationaliteit niet verkrijgen. Hun enige misdaad: geboren worden in een etnisch Russisch gezin. Men weigert

ook pertinent mensen in hun moedertaal te helpen, ook al maken ze 25% uit van de bevolking. Die pertinentie verdwijnt al snel wanneer je je portefeuille bovenhaalt en de Estse dienstverlener plotseling een kenner blijkt te zijn van Dostoyevsky en Tolstoy. Nationalisme is helaas wel vaker een natuurlijke reactie wanneer het economisch slecht gaat, maar neemt bij bepaalde segmenten van de Baltische bevolking beangstigende gedaanten aan. Zo ging in Riga onlangs een Musical in première dat het leven en werk bezong van Herbert Cukurs, aka The Butcher of Riga. Het kan wel zijn dat Herbert Cukurs in het interbellum een wereldvermaard piloot was, maar is dat voldoende om zijn cruciale rol in de Holocaust wit te wassen? Tot slot wil ik nog even ingaan op het verschil in perceptie van een “toerist” en een “local”. Filip Batselé stelt: “Of je nu naar Tallin, Riga of Vilnius gaat, de aandachtige toerist ziet het onmiddellijk: de Baltische Staten bloeien.” Dit doet me ironisch genoeg denken aan de naïeve Westerse bezoeker aan het Potemkimdorp in de jaren ’20-’30 die na afloop van de reis in geuren en kleuren de weldaden van het Sovjetrégime bezingt, zoals ook uitstekend voorgesteld in Hergé’s “Kuifje in het Land van de Sovjets”. Voor de West-Europese Erasmusser is Vilnius ongetwijfeld een topbestemming met leuke dancings en spotgoedkope tavernes waar men kan genieten van heerlijke gerookte kazen, knapperige lookbroodjes en frisse pintjes. De proffen zijn er naar het schijnt ook bijzonder accomoderend en zetten de studenten vooral niet aan tot studeren, maar dat geheel terzijde. Wie zich echter de moeite getroost om zich buiten de met Europees geld gerenoveerde Middeleeuwse stadscentra te wagen krijgt een heel ander Vilnius te zien: verloederende woonblokken/ fabrieken uit de Sovjettijd en verkrottende zeepbelpanden. Toch wil ik eindigen op een optimistische noot. Mits het nemen van enkele moeilijke keuzes, i.e. een grondige verlaging van de lasten op arbeid, het Europese utopia de rug toekeren, de ontwikkeling van vreedzame relaties met de Russen, zowel binnen als buiten de landsgrenzen, én een doorgedreven administratieve vereenvoudiging, zullen de Baltische Staten niet langer enkel een paradijs zijn voor Russisch misdaadgeld en EU Structurele Fondsen, maar ook een betere plek voor de Letten, Esten en Litouwers, ongeacht hun etnie. 29


Jonathan Peck Webmaster LVSV Gent

Visie

De complexiteit van de markt Jonathan Peck Wiskundige modellen in de economie worden vaak afgewezen. De ongelofelijke hoeveelheid data die menselijke beslissingen genereren zijn onmogelijke te vatten in een model. Webmaster Jonathan beargumenteert dat wiskundige modellen steeds beter en beter kunnen omgaan met de onvoorspelbaarheid van menselijke beslissingen.

Het is welgekend dat de Oostenrijkse School vaak lijnrecht indruist tegen vele uitspraken en methodes van de algemeen aanvaarde (“mainstream”) economische theorieën. De filosofie wordt veelal afgedaan als pseudo-wetenschappelijk, en zo blijven Oostenrijkse economen tot op heden in de minderheid. Gegeven het feit echter dat er zich zowel onder de mainstream economen als onder aanhangers van de Oostenrijkse School heel wat prominente, intelligente figuren bevinden wier argumenten doorgaans niet zomaar uit de lucht gegrepen zijn, maar berusten op grondige analyse, lijkt het mij gepast het schisma tussen de twee kampen eens onder de loep te nemen. Het kan economen van alle slag ten goede komen zich af te vragen waarom de Oostenrijkse School zich niet schikt naar de mainstream opinie, al ware het maar om hun argumenten des te beter te kunnen weerleggen (of net niet). In dit artikel zal ik één van de meest voorkomende punten van kritiek op de Oostenrijkse School bespreken, namelijk hun aversie tegenover wiskundige modellen en empirische observatie. Ik zal uiteenzetten wat de typische reactie is van de Oostenrijkers op die kritiek, en de redenen waarom ik hun antwoord (om het simpel te stellen) eigenlijk niet goed genoeg vind. Tot slot, omdat ik zelf aanhanger ben van de Oostenrijkse School, zal ik redenen motiveren waarom ik denk dat Oostenrijkers wiskundige modellen net wél kunnen gebruiken om hun stellingen te bewijzen, in de hoop de filosofie van de Oostenrijkse School te versterken. 30

Modellen bij de Oostenrijkse School Om te begrijpen waarom Oostenrijkers wiskundige modellen van de economie niet accepteren, is het nodig te beginnen bij de basis van hun gedachtegoed. De hele filosofie van de Oostenrijkse School berust op het zogenaamde “action axiom”, dat Ludwig von Mises in Human Action beschrijft: Human action is purposeful behavior. Or we may say: Action is will put into operation and transformed into an agency, is aiming at ends and goals, is the ego’s meaningful response to stimuli and to the conditions of its environment, is a person’s conscious adjustment to the state of the universe that determines his life. Het is van cruciaal belang op te merken dat Oostenrijkers de economie als iets fundamenteel anders zien dan de mainstream economen dankzij dit axioma: waar men in de mainstream spreekt van wetten, formules en constanten zoals ze ook in de fysica voorkomen, achten de Oostenrijkers dit hoogst ongepast omwille van bovenstaand action axiom. Volgens hen is de economie niets meer of minder dan verschillende individuen die handelen volgens hun diverse voorkeuren, en deze voorkeuren hoeven geen enkele logische, wiskundige of fysische wet te gehoorzamen; ze zijn zelfs niet te kwantificeren. Alle economische acties zijn een uitvloeisel van subjectieve voorkeuren, zo zeggen de Oostenrijkers, en die voorkeuren kan men niet meten. Zodoende is het voor de Oostenrijker volslagen nonsensicaal om te


proberen effecten van economisch handelen in concrete getallen te gieten, laat staan correlaties tussen die getallen te bestuderen en te bestempelen als economische wet. Een verder punt van kritiek dat de Oostenrijkse School heeft op het gebruik van wiskundige modellen, ligt in het feit dat voorkeuren niet alleen niet gemeten kunnen worden, maar ook onderhevig zijn aan continue verandering. Er zijn geen kwantitatieve constanten in menselijk handelen, dus elk model dat men tracht op te bouwen aan de hand van bepaalde constanten, zou al gedateerd zijn nog voordat het voltooid was. Bovendien, zo argumenteren de Oostenrijkers, zouden de voorspellingen van een perfect model van de economie in het beste geval overeenkomen met hetgeen mensen al aan het doen waren of sowieso zouden doen, zodat het vrij nutteloos wordt. Naast een aversie tegenover wiskundig modelleren, hebben de Oostenrijkers ook bezwaar tegen het gebruik van empirische observaties om een economische stelling te bevestigen of te weerleggen. Murray Rothbard schrijft in In Defense of Extreme Apriorism het volgende: In the sciences of human action, on the other hand, it is impossible to test conclusions. There is no laboratory where facts can be isolated and controlled; the “facts” of human history are complex ones, resultants of many causes. These causes can only be isolated by theory, theory that is necessarily a priori to these historical (including statistical) facts. ...

given axioms that the corpus of economic science is deduced. False or dubious assumptions in economics wreak havoc, while often proving useful in physics. Rothbard vat hier samen waarom de Oostenrijkse School weinig waarde hecht aan empirische data: cijfers kan men altijd op duizenden verschillende manieren interpreteren; de statistieken over economische data krijgen dus pas echte betekenis in de context van een theorie die a priori ontwikkeld is, los van empirische observatie. De theorie wordt gebruikt om de cijfers te verklaren, niet andersom, want men kan in de economie geen gecontroleerde experimenten uitvoeren waarin bepaalde variabelen geïsoleerd worden (zoals in de fysica of chemie), zodat alle statistieken noodzakelijkerwijs vervuild zijn door factoren die men niet in rekening gebracht heeft. Een economisch model opbouwen vanuit empirische data is volgens de Oostenrijkers dan ook zinloos, omdat men de cijfers zonder gepaste theorie niet degelijk kan interpreteren. Het probleem dat de theorie van de Oostenrijkse School dan losgekoppeld raakt van de realiteit, lossen Rothbard et al. op door te vertrekken vanuit het action axiom (dat zij beschouwen als een evidente propositie) en stellingen op te bouwen via logische deductie op dat axioma. Een Oostenrijker kan op die manier enkel ongelijk krijgen op twee manieren: door het action axiom te weerleggen of door een fout in de deductie bloot te leggen. Dit conflict tussen empirische data en theorie hangt samen met de Duhem-Quine hypothese, die stelt dat het onmogelijk is om een wetenschappelijke theorie gebaseerd op empirische data “in isolatie”

Alle economische acties zijn een uitvloeisel van subjectieve voorkeuren, zo zeggen de Oostenrijkers, en die voorkeuren kan men niet meten.

In physics, the ultimate assumptions cannot be verified directly, because we know nothing directly of the explanatory laws or causal factors. Hence the good sense of not attempting to do so, of using false assumptions such as the absence of friction, and so on. But false assumptions are the reverse of appropriate in economics. For human action is not like physics; here, the ultimate assumptions are what is clearly known, and it is precisely from these

te testen: als een wetenschappelijke theorie een empirische test faalt, dan is het in de regel niet mogelijk te weten precies welke aanname, welk lemma of welk deelresultaat (of verzameling ervan) verantwoordelijk is voor de fout en aangepast moet worden, laat staan hoe die aanpassing zou moeten gebeuren. In principe kan men dus eender welke component van de theorie blijven aanpassen totdat de tests wel slagen, in welk geval men zich 31


kan afvragen wat er nu eigenlijk getest werd en of dit niet neerkomt op veredeld prutsen. Zeker in de economie, waar de data vervuild is door ongecontroleerde en onvoorspelbare variabelen, heeft dit volgens de Oostenrijkse School het nefaste effect modellen te creëren die verkeerde tot zelfs fictieve causale relaties als relevant gaan beschouwen wanneer dat helemaal niet het geval is in realiteit. De kracht van modellen Nu we in een notendop duiding hebben gegeven

vergeten, die nog ouder en succesvoller is dan de calculus. Het is kortom perfect mogelijk wiskundige modellen te construeren die goed omgaan met dynamische, chaotische en stochastische systemen. Een ander bezwaar houdt in dat menselijk handelen niet gereduceerd kan worden tot simpele vergelijkingen waar men gewoon wat variabelen invult en dan het resultaat evalueert. Dit is echter een grove vereenvoudiging van wat wiskunde allemaal omvat: het is een ware miskenning om te stellen

Veel aanhangers van de Oostenrijkse School hebben een te simplistisch beeld van wiskundige modellen en onderschatten hun kracht. aan de redenen waarom Oostenrijkers afwijken van de algemeen aanvaarde methodes, kan ik bespreken op welke punten ik het precies met de “traditionele” Oostenrijkse School oneens ben. Ik merk op voorhand al op dat ik akkoord ga met al hun conclusies in zoverre dat ze mij bekend zijn; ik ben het gewoon oneens met sommige redenen die ze aanhalen om tot die conclusies te komen. Specifiek ben ik van mening dat vele aanhangers van de Oostenrijkse School een te simplistisch beeld hebben van wiskundige modellen en hun kracht zwaar onderschatten, waardoor de Oostenrijkers eigenlijk te kort schieten in hun redenen om ze te verwerpen. Zo zeggen aanhangers van de Oostenrijkse School bijvoorbeeld vaak dat wiskundige modellen niet kunnen werken in de economie omdat er geen constanten zijn in menselijk handelen, dat voorkeuren veranderen en de hele economie bijgevolg dynamisch en vaag is terwijl wiskundige modellen statisch en precies zijn. Niets kan echter minder waar zijn: zeker in recente jaren (en met “recent” bedoel ik vanaf de jaren ‘60) is er veel onderzoek gedaan naar modellen die chaotische systemen kunnen beschrijven (chaostheorie), en is er zelfs een hele tak van de logica toegewijd aan het modelleren van onzekerheden (de zogenaamde “vaaglogica” met vaagheids- en onzekerheidsmodellen). Er bestaat tevens een relatief oude en vergevorderde tak van de wiskunde, de calculus, die speciaal ontworpen is om veranderingen te modelleren. Daarnaast mag men ook de theorie van het kansrekenen niet 32

dat wiskunde alleen maar draait rond “simpele vergelijkingen invullen”, waarmee men formeel gezien doorgaans de klasse van gesloten expressies bedoelt: dit zijn wiskundige uitdrukkingen waarvan het numerieke resultaat in een eindig aantal stappen volledig bepaald kan worden. Er bestaan echter zeer veel wiskundige uitdrukkingen die niet gesloten zijn en vaak aangewend worden in modellen (bijvoorbeeld differentiaalvergelijkingen en formele machtreeksen), zodat deze kritiek weinig effect heeft: de vergelijkingen die de Oostenrijkers traditioneel bekritiseren, worden immers niet eens erg vaak gebruikt in deze context. Daarnaast negeert men het feit dat veel wiskundige modellen (zeker tegenwoordig) niet gewoon bestaan uit collecties van vergelijkingen, maar eerder simulaties voorstellen van stochastische processen. Veel moderne modellen worden geïmplementeerd in de vorm van een simulatie in een computerprogramma dat men dan uitvoert op een supercomputer en/of een grote cluster van krachtige computers (de UGent HPC cluster is een voorbeeld hiervan). Er bestaan tevens algoritmes die niet eens een exacte oplossingsmethode of concreet model nodig hebben, maar die convergeren tot een benaderde, werkbare oplossing ook al is er geen precieze wiskundige beschrijving voorhanden. Dit zijn zogenaamde metaheuristieken, die onderdeel uitmaken van de bredere klasse van computational intelligence algoritmen, waar men inspiratie put uit de manier waarop systemen in de natuur proble-


men oplossen (bv. de coördinatie van mierenkolonies, zwermen van insecten, etc.) om die dan na te bootsen in computermodellen (met groot succes overigens!). Men spreekt in het algemeen van “soft computing”, dat inexacte modellen gebruikt en benaderde oplossingen produceert, in tegenstelling tot “hard computing”, dat gebaseerd is op exacte vergelijkingen en wellicht hetgeen is wat Oostenrijkers zo bekritiseren. Stochastisch, chaotisch en dynamisch gedrag is echt geen mysterie meer voor de wiskunde, en de successen die met de vermelde methodes bereikt zijn, spreken eerlijk gezegd voor zich: beweren dat een bepaald proces helemaal niet zinvol wiskundig gemodelleerd kan worden, is tegenwoordig zeer ongeloofwaardig. Zeker als het proces gebaseerd is op duidelijke regels (zoals het action axiom), dan kan men er vaak minstens een simulatie van opbouwen die ook belangrijke inzichten verschaft. Markten en automaten Modellen hebben echter nog altijd hun limieten, en met het groeiend onderzoek naar verschillende

methoden om problemen op te lossen, is ook gebleken dat er bepaalde fundamentele beperkingen zijn aan wat men met modellen kan aanvangen. De tak van de wiskunde die zich bezighoudt met het bestuderen van dergelijke limieten is de complexiteitsen berekenbaarheidsanalyse, en ik ben van mening dat de resultaten die hierin geboekt zijn, krachtigere argumenten vormen voor de Oostenrijkse School dan wat men nu hanteert, omdat er een veel groter gehalte van wiskundige formaliteit aanhangt: complexiteitsanalyse is een serieus, algemeen aanvaard onderzoeksgebied in de exacte wetenschappen, dus zelfs de mainstream economen zouden niet aan de conclusies ervan mogen ontsnappen volgens hun eigen methodiek. Het gelijk van de Oostenrijkse School vloeit volgens mij voort uit de inherente complexiteit van de markt, die enigszins in kaart gebracht kan worden met de wiskundige technieken gegeven door complexiteitsanalyse. Om de gedachten te vestigen, zullen we een hele simpele klasse van modellen bestuderen die van belang zijn in de complexiteitsanalyse: de discrete cellulaire automaten. Zo’n automaat bestaat uit 33


een rij van cellen die elk in één van twee mogelijke toestanden staan: aan of uit. Een discrete cellulaire automaat kan van toestand veranderen in de tijd, en deze tijdsevolutie wordt bepaald door regels die de volgende toestand van een enkele cel bepalen door naar de huidige toestand van de cel in kwestie te kijken alsook naar de onmiddellijke linker- en rechterbuur. Die opeenvolging van drie cellen legt vast welke toestand de cel in de volgende stap zal hebben. Onderstaande figuur is een grafische illustratie van de tijdsevolutie van een discrete cellulaire automaat (specifiek de regel 30 automaat): De blokken bovenaan geven de regels weer, die de toestand van drie opeenvolgende cellen omzetten naar de volgende toestand voor de middelste cel. De eerste rij cellen in het grote blok is de begintoestand, die hier simpelweg de middelste cel aan heeft staan en de rest uit. De volgende rij cellen, die voor de duidelijkheid onder de huidige wordt getekend, berekent men door de huidige rij af te lopen en simpelweg de regels toe te passen. Er bestaan exact 256 verschillende discrete cellulaire automaten, wat de studie van hun gedrag nog redelijk doenbaar maakt. In zijn boek A New Kind of Science voert Stephen Wolfram een uitgebreide analyse uit van dergelijke simpele systemen, en hij introduceert daar een concept dat in mijn argumentatie een cruciale rol zal spelen: computationele irreducibiliteit. Wat Wolfram argumenteert in zijn boek, is dat som34

mige automaten (waaronder de regel 30 automaat die hier geïllustreerd staat) het fenomeen van computationale irreducibiliteit vertonen: het verschijnsel dat, vertrekkende van een bepaalde begintoestand in de automaat, men een minimum aantal berekeningen moet uitvoeren om tot een zekere toestand in de toekomst te geraken. Dit wil zeggen dat het gedrag van bepaalde cellulaire automaten (die hele simpele systemen zijn) niet altijd door een gesloten wiskundige expressie beschreven kan worden; in sommige gevallen heeft men geen enkele andere keuze dan de automaat van begin tot einde te simuleren, omdat er geen enkele formule bestaat die de hoeveelheid vereist rekenwerk kan inkorten. Computationele irreducibiliteit impliceert dat, ondanks het feit dat men beschikt over een (simpel) wiskundig model, men geen voorspellingen kan doen door variabelen in te vullen in gesloten vergelijkingen; men kan niet anders dan een simulatie uitvoeren en de resultaten empirisch vaststellen (er bestaat geen “short-cut” om de toekomstige toestand van een automaat sneller te bepalen). Dit inzicht doet de traditionele bezwaren van de Oostenrijkse School enerzijds teniet: beschikken over een wiskundig model is immers niet langer hetzelfde als accurate voorspellingen kunnen maken met simpele formules. Anderzijds argumenteer ik ook dat het deze bezwaren kan vernieuwen, door de economie te beschouwen als een systeem dat computationele irreducibiliteit vertoont: men kan enkel


weten wat er zal gebeuren door een simulatie uit te voeren, dus door de economie effectief te observeren. Immers, als een systeem zo simpel als de regel 30 cellulaire automaat al dergelijk gedrag kan genereren, wat betekent dit dan voor de ganse economie? Volgens de Oostenrijkse School is de economie echter niet gebaseerd op complexe regels: de simpele regel waarop alle economische activiteit gebaseerd is, is het action axiom, het idee dat mensen handelen volgens hun subjectieve voorkeuren. Een belangrijk inzicht dat Wolfram daaromtrent presenteert in A New Kind of Science is het idee dat systemen met simpele regels gedrag kunnen vertonen dat heel complex is. De regel 30 automaat is hier zelf een goed voorbeeld van: de eigenschappen van regel 30 zijn statistisch zo onvoorspelbaar gebleken dat men die automaat soms in computersystemen gebruikt om willekeurige getallen te genereren. Dat de economie gebaseerd is op simpele regels is bijgevolg geen argument voor traditionele wiskundige modellen: het is perfect mogelijk dat de economie een computationeel irreducibel systeem vormt dat men enkel kan bevatten door het te simuleren. Een simulatie van de economie construeren is echter niet het hele verhaal: elk model moet starten van zogenaamde beginvoorwaarden die het verdere verloop zullen bepalen. Voor een discrete cellulaire automaat betekent dit een specificatie van de toestand van elke cel op de eerste rij; voor de economie kan dit zo complex zijn als het kennen van de voorkeuren en levensomstandigheden van elk individu. Men kan dit dus ook linken aan het economic calculation problem van Hayek en von Mises: zelfs al zou men accepteren dat de economie computationeel irreducibel is en daarom een per-

fecte simulatie van de economie opstellen, dan moet men nog steeds de beginvoorwaarden heel precies vastleggen om nuttige voorspellingen te kunnen maken. De economie is immers duidelijk een chaotisch systeem: kleine variaties in de begintoestand kunnen grote afwijkingen in het verder gedrag teweegbrengen. Zonder de precieze beginvoorwaarden kan men enkel experimenteren met algemene trends onder bepaalde verzonnen omstandigheden, maar zeker geen harde numerieke voorspellingen doen over de economie zoals ze in de praktijk bestaat. Conclusie Het is belangrijk om op te merken dat deze ideeĂŤn speculatief zijn: Wolframs concept van computationele irreducibiliteit wordt nog actief onderzocht en ik heb geen enkel hard bewijs dat de economie analoog is aan een computationeel irreducibele automaat. Al wat ik uiteindelijk dus heb is een vermoeden, en de hoop dat deze ideeĂŤn zullen leiden tot vruchtbare discussies. Ik ben er bovendien ook van overtuigd dat, dankzij bovenstaande ideeĂŤn, de Oostenrijkse School wiskundige modellen niet uit de weg moet gaan, maar kan omarmen en aanwenden om haar argumenten extra kracht bij te zetten. Teneinde dit punt grondiger te bewijzen, zal ik in mijn volgend artikel voor Neohumanisme een eigen wiskundig model van de economie uiteenzetten dat gebaseerd is op het action axiom en waarmee ik sommige stellingen van de Oostenrijkse School zal proberen te bewijzen via computersimulaties. De resultaten lijken alvast veelbelovend...

35


36


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Neohumanisme 2, 2014-2015 by LVSV Gent - Issuu