30
Ze bestaan, toch we ze nog niet.
kennen
Ze bestaan, toch we ze nog niet. Ze bestaan, toch we ze nog niet.
kennen kennen
We zijn altijd naar ze opzoek, toch vinden we We zijn altijd naar ze ze niet. opzoek, toch vinden we ze niet.
Ze lijken op ons, ook al kennen we ze Ze lijken op ons, niet. Ze lijken op ons, ook al kennen we ze ook al kennen we ze niet. niet.
We zijn altijd naar ze We zijn altijd naar ze opzoek, toch vinden we opzoek, toch vinden we ze niet. We niet. zijn altijd naar ze ze opzoek, toch vinden we ze niet.
03