Skip to main content

Een mooie oude dag in 't Zorghuus

Page 1

1


“Hoe val je in slaap? Hoe begint je dag? Open je je ogen met een traan of met een lach? Kijk je om je heen, en zie je dan de zon?� -Marco Borsato van het lied Mooi

2


Beste lezer, Ik wens je veel leesplezier met het lezen van mijn boek; Een mooie oude dag in ’t Zorghuus.

Edith

De namen van de bewoners zijn fictieve namen. Dit i.v.m. de privacy.

3


Inhoud Van hart tot hart IJs in de winter Onze droom Een gewoon huis Ik wil naar huis Thuis voelen Moeilijke beslissingen Wij vieren carnaval Leven met de dag Fietsen met een lading Niet alles kan Gewoon even niets Kamers vol zonlicht Van waarde zijn Wonen bij ’t Zorghuus Stilstaan bij…….

5 12 16 21 25 29 34 37 40 43 46 50 53 57 61 63

4


Van hart tot hart. Vandaag heb ik een vroege dienst. Ik ga eerst een korte wandeling maken met de hond en daarna smeer ik een boterham. Via de deur van mijn huiskamer kom ik meteen in het Vurste Huus en drink ik een kop thee samen met de nachtdienst en een collega die ook de vroege dienst heeft. “En hoe was je nacht Ger?”. ‘’Vanmorgen wat bellen, verder wel rustig’’. Sommige mensen hebben een uitbedsensor. Dit houdt in dat als ze op (willen) staan, bij de nachtdienst via de telefoon een melding komt. De nachtdienst kan dan direct de bewoner helpen met naar de wc gaan en dan weer veilig terug naar bed brengen. Het is dus bedoeld voor mensen die slecht ter been zijn. Volgens de inspectie is dit een vrijheids beperkende maatregel. Wij zien het meer als een vrijheid verruimende maatregel. Mensen kunnen zelf opstaan wanneer ze willen en worden dan 5


geholpen zoals ze overdag ook geholpen worden met lopen. Meestal is het ’s nachts wel rustig. Gelukkig slapen de mensen goed. Natuurlijk kan er altijd iemand een mindere nacht hebben en dan is het fijn dat de nachtdienst er is. Ook bij ziekte en sterven. Nadat de nachtdienst naar huis is, ga ik aan de slag. Ik krijg al een bel van mevr. Janssen en loop naar haar kamer. Ze zit op de rand van haar bed en ik vraag of ze al op wil staan. Ja, dat wil ze en nadat ik haar verzorgd heb, breng ik haar met de rolstoel naar de huiskamer. Mevr. heeft haar kamer op de bovenverdieping en soms is het te ver om van haar kamer naar de huiskamer te lopen. Zo ook vandaag: het lopen gaat niet zo goed. Als we samen in de huiskamer komen, heeft mijn collega de tafel gedekt. In het Vurste Huus zijn we ’s morgens met z’n drieën om de mensen uit bed te helpen. Mijn andere collega is Dien aan het verzorgen en ik breng haar de medicatie die ze voor het ontbijt in moet 6


nemen. De ziekenverzorgende deelt de medicatie uit bij alle bewoners. Dien en mevr. Janssen gaan samen ontbijten. Alle bewoners noemen we met de voornaam, alleen mevr. Janssen niet. Ze is gewend om zo genoemd te worden. Dit deden de mensen uit het dorp ook, dus wij ook. De andere mensen liggen nog in bed. We kijken altijd wie er wakker is. Als iemand lang in bed wil blijven liggen, kan dat. Op mijn vorige werk in een verpleeghuis werkten we met routes. Een route van bewoners. Op volgorde en met tijd erbij stond er op papier wie verzorgd moest worden en hoelang je er over mocht doen. Dit vond ik verschrikkelijk. Ik werk niet graag op tijd, voel me dan zo opgejaagd. Om 10 uur moest iedereen uit bed zijn. Wij in het Zorghuus hebben ervoor gekozen om genoeg tijd te nemen voor de ochtendzorg. Het is fijn om een praatje te maken en rustig te verzorgen. Mensen met dementie kunnen vaak niet goed volgen wat je doet en als dat dan ook nog snel gaat, 7


helemaal niet. We passen het tempo aan aan de bewoner. Op het moment dat een bewoner klaar is met de zorg en naar de huiskamer komt, krijgt hij of zij het ontbijt. De ontbijttafel staat bijna de hele ochtend gedekt, een soort inloopontbijt. Er zit een medewerker bij het ontbijt om te helpen. Als Dien klaar is met het ontbijt gaat ze de krant lezen. Ze bladert snel door de krant heen en begint dan weer opnieuw. Om tien uur zitten we met z’n zessen aan de ontbijttafel. De meesten hebben het ontbijt op. Ik schenk een rondje koffie en pak er zelf ook een. “Staat er wat in de krant, Dien?” “Er staat genoeg in”, zegt ze, maar ze kan me niet vertellen wat precies. “Hij staat vol”. Ik kijk even of ik een leuk kopje kan vinden, vaak is het toch veel ellende. Het worden de Olympische Spelen, waar we het even over gaan hebben. Na mijn kopje koffie ga ik An verzorgen. An ligt veel op bed. Ze is 92, heeft een wond op haar voet en het is voor haar te vermoeiend om in een stoel te zitten. Ze slaapt veel. Gisteren was 8


ze echter heel fit en vanmorgen ook. Tijdens de verzorging praat ze veel en ik besluit om haar in de rolstoel te zetten. Ze heeft al vroeg ontbeten (op bed) en zo kan ze in de rolstoel mee aan tafel warm eten. Maximaal 2 uur, anders is het te vermoeiend voor haar. Als ik met An in de huiskamer kom, wordt ze vrolijk begroet door een medewerker die het eten aan het bereiden is. We krijgen vandaag zelfgemaakte pompoenensoep. Deze wordt ’s avonds genuttigd bij de boterham. Een collega heeft zelf pompoenen in de tuin en haar zoon heeft deze gebracht. Zo krijgen we regelmatig groenten of fruit van dorpsgenoten. An gaat bij de andere mensen aan de tafel zitten en drinkt een kopje koffie mee. Omdat het nog te vroeg is om te eten ga ik met Joep even naar het park. Het park is tegenover het Zorghuus en daar gaan we op een bankje zitten. Ik heb stiekem voor ons beiden een klein ijsje uit de diepvries gehaald en dit eten we lekker op. Gelukkig zitten we in de schaduw, want de 9


temperatuur loopt al aardig op. Het zou vandaag 30 graden worden. In de schaduw is het wel lekker. De Midden Peelweg loopt door het dorp en vanaf het bankje zien we de auto’s en vrachtwagens voorbij rijden. Vooral vrachtwagens vindt Joep mooi om te zien. “Kijk die rode”, zegt hij. “Ja die is mooi”. Ik verwijder het papier van het ijsje en geef hem een lepeltje ijs. “Heerlijk”, zegt hij. Hij geniet ervan. Ook vindt hij het fijn om even samen te zijn en een praatje te maken. Joep voert geen gesprekken meer. Het zijn meer losse woorden. Woorden van ongenoegen of genoegen. Geen verstandelijk gesprek, maar meer van hart tot hart. Ik kijk hem aan en lach naar hem, hij lacht terug. “O, wat fijn”, zegt hij. “Ja, wat fijn” zeg ik. We genieten samen van het ijsje en van de omgeving. Er komen mensen voorbij, te voet of op de fiets. Een dorpsgenoot komt even een praatje maken. Dat gesprek kan Joep niet volgen. Joep praat de man na en zegt: “Ja dat is zo”. “Ja dat is zo”, zeg ik en ik rond het gesprek met de dorpsgenoot af. 10


Als er rondom Joep veel gepraat wordt, gaat Joep napraten of zelfs bepaalde kreten roepen. Ik denk dat het dan te druk voor hem is en dat er teveel binnen komt wat hij niet kan plaatsen. Daarom is het voor hem zo fijn om even op een rustig plekje te zitten zonder al te veel gepraat. Als we ons ijsje op hebben, gaan we terug naar huis. Het eten is bijna klaar en ik dek de tafel. We krijgen vandaag koude schotel. De schaal is mooi opgemaakt en van Dien krijgt mijn collega een 10 voor het kunstwerk.

11


IJs in de winter. Het wordt vandaag boven de 30 graden. Dat wordt veel drinken en rustig aan doen. Gelukkig hebben we airco’s in de huiskamers. Daar is het goed toeven. Toch zijn er bewoners die graag naar buiten gaan. We hebben fijne plekjes in de tuin, waar de mensen in de schaduw kunnen zitten. Twee dames gaan bij de vogel volière zitten. Er zijn net nieuwe vogeltjes uitgekomen. Ze zijn een dag oud. Hopelijk redden ze het met dit warme weer. We hebben veel dieren in huis en in de tuin. Jan wilde alleen hier komen wonen als hij zijn hondje mee mocht nemen. Hij kon niet zonder zijn hondje. Met de familie hebben we afgesproken dat we het wel wilden proberen. Nu hoort hij er helemaal bij. De hond heeft zelfs een aftekenlijst voor het innemen van zijn medicatie. De hond slaapt bij Jan op bed en overdag wordt hij uitgelaten door een medewerker (Jan kan dit niet meer alleen). Meestal loopt er gezellig een bewoner mee. Het 12


is een slimme hond. Hij weet precies bij wie hij wat te eten krijgt en bij wie hij een snauw krijgt. Bij de laatste komt hij niet in de buurt. Ook hebben we een moestuin en dieren;kippen, cavia’s, een konijn, eendjes en vogels. Ze worden verzorgd door een bewoner van Os Thuus. Onze mensen vinden de dieren leuk, het is voor hen heel herkenbaar. Verschillende mensen komen van de boerderij en zijn dus gewend om dieren om zich heen te hebben. De dames bij de volière hebben het druk met kletsen. Zij zijn inmiddels dikke vriendinnen geworden en zitten altijd bij elkaar en het liefste buiten. Ze hebben het over van alles, maar meestal over de andere bewoners. Het is een heel overleg. Bewoners-overleg hebben wij zo min mogelijk. De avonddienst lost de vroege dienst af en de bijzonderheden worden doorgegeven. Ook worden de bijzonderheden gerapporteerd, maar dan alleen datgeen wat belangrijk is om te 13


rapporteren. Dat valt niet altijd mee. Medewerkers zijn gewend van vorige werkplekken om veel te rapporteren. Wij vinden dat zonde van de tijd. Je bent veel aan het schrijven, en dit moet ook nog allemaal gelezen worden. En niet alleen door de medewerker die die dag de dienst heeft overgenomen, nee ook nog al die medewerkers die de komende week aan de dienst beginnen, lezen dat op maandag mevrouw goed gestemd was. Wat heb je eraan als je dat op donderdag leest? Natuurlijk is het wel belangrijk dat je leest dat er medicatie is veranderd. We zijn een klein team met 5 vaste ziekenverzorgenden en 3 vaste helpende en dan nog enkele flex-medewerkers. Daardoor kennen we de mensen goed en zien we meteen of iemand er wel of niet lekker bij zit. 1 x in de twee maanden hebben we teamoverleg en bespreken we praktische zaken en de samenwerking. Het is leerzaam om van elkaar te horen hoe iedereen zijn dienst invult. We maken afspraken hoe dingen aan te pakken, 14


maar de kunst is vooral elkaars verschillen te accepteren. Iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten en valkuilen. Het is mooi om te zien hoe we elkaar hierin aanvullen. De een organiseert een jeu de boules toernooi en de ander zit bij de bewoner op een bankje de bloemen te bewonderen. Als het wat donkerder wordt, gaan de dames weer naar binnen. Ze gaan in de koele huiskamer zitten bij de tv en de medewerker vraagt of ze een ijsje lusten. “Wie eet er nu ijs midden in de winter”, zegt een van de dames. “Daar is het veel te koud voor”.

15


Onze droom. Na mijn scheiding kwam Ruud in mijn leven. Hij werkte bij mij in het dorp en ik kwam hem regelmatig tegen. We kenden elkaar van vroeger, omdat we beiden uit het dorp Ysselsteyn kwamen, waar we geboren en opgegroeid zijn. Allebei zijn we na het trouwen elders gaan wonen. Inmiddels woonde Ruud, die ook gescheiden was, weer in Ysselsteyn en ik nog in het dorp waar mijn dochters op school zaten. We raakten aan de praat en omdat we veel dezelfde interesses hadden, gingen we samen van alles ondernemen. Ik was niet toe aan een relatie, maar voordat ik er erg in had, sloeg de vonk over. We hadden het heel gezellig samen en we filosofeerden wat af. We hadden het over het leven, vooral de zin van het leven en over het werk. Ik werkte zo’n 25 jaar in de gezondheidszorg op verschillende werkplekken en Ruud werkte al een aantal jaren in een dierenspeciaalzaak. We spraken over hoe het er aan toe ging in de zorg en waar ik mij vooral aan 16


ergerde was de bureaucratie. Papier was belangrijker dan de patiĂŤnt en daar had ik veel moeite mee. Ik lag dan ook vaak in de clinch met mijn leidinggevenden en ik vond het steeds lastiger om te werken volgens een bepaald stramien. Ik kon mijn ei kwijt bij Ruud en hij vond het allemaal wel interessant. Hij had vroeger ook de zorg in willen gaan, maar omdat hij van boerenafkomst was, lag het voor de hand dat hij een agrarische studie ging doen. Hij heeft uiteindelijk allerlei verschillende beroepen gedaan. Van vrachtwagenchauffeur tot ober. Nadat we een tijdje samen woonden, hadden we het steeds vaker over mijn ongenoegen als verpleegkundige. Ik had veel gelezen over het zorgondernemerschap en kreeg daar steeds meer interesse in. Ik las over zorgechtparen die een huis voor dementerende ouderen runden en toen we hier samen over spraken , raakten we niet uitgepraat. Dat zou echt iets voor ons zijn. We hadden zoveel passie voor deze doelgroep. Ruud werkte inmiddels als vrijwilliger 17


bij een groot verpleeghuis en wandelde daar met een dementerende man. Deze man fascineerde hem en Ruud zag de glinstering in zijn ogen als hij hem weer op kwam halen om een stukje te gaan wandelen. Ruud had het zorgvirus ook te pakken. Deze droom bleef een beetje hangen en werd een veel terugkerend item binnen onze relatie. Totdat er in ons geboortedorp een burgerinitiatief aan de gang was waarbij een zorghuis werd opgericht voor mensen met een verstandelijke beperking en voor mensen met dementie. Onze droom werd in Ysselsteyn waar gemaakt. Een aantal burgers vormde werkgroepen en er werd een complete organisatie neergezet. Een aannemer uit het dorp zette er een gebouw neer. Om het gebouw in te kunnen richten, hadden ze veel geld nodig en daarvoor werden er acties gehouden. Er waren bedrijven die flinke bedragen sponsorden, maar ook gewone mensen uit het dorp namen initiatieven om geld bijeen te 18


krijgen voor “ ’t Zorghuus’’. Kinderen verkochten paastakken, de jeugd hield een carwash, en zo deed iedereen uit het dorp op zijn eigen manier mee om wel 5 ton euro bij elkaar te krijgen. Mijn broer Willie was projectleider van het geheel en hij zorgde er voor dat iedereen gemotiveerd bleef, vooral op de momenten dat er weer iets tegenviel. Veel mensen dachten niet dat het ging lukken, maar Willie bleef erin geloven. Er kwam een 5 koppig bestuur, dat op vrijwillige basis de organisatie bestuurde. Alles was tot in de puntjes geregeld. Het enige wat ze nog nodig hadden waren 2 zorgechtparen die het geheel gingen runnen. Een voor de doelgroep mensen met een verstandelijke beperking; “Os Thuus” en een voor de doelgroep de mensen met dementie ;”’t Vurste en Achterste Huus”. Het was de bedoeling dat je als zorgechtpaar in het pand ging wonen in de zogenaamde beheerderswoning. Deze woning was met een deur verbonden met de woningen waar de bewoners zouden gaan wonen. Je zat dus echt dicht bij het “werk”. Het was de bedoeling dat 19


het zorgechtpaar erg betrokken was, er dag en nacht was en laat dat nou datgene zijn wat ons zo aantrok. Onze passie voor de zorg zou helemaal tot zijn recht komen. We solliciteerden op de vacature en na een aantal gesprekken met het bestuur hadden we alles op een rijtje gezet. We gingen het doen. Een nieuw huis, nieuw werk, terug naar het dorp waar onze roots liggen, het dorp waar onze familie woont, waarmee we zoveel mee hebben gemaakt, en waar vooral ik de laatste tijd zo’n heimwee naar had. Alles viel op z’n plek. Onze droom werd werkelijkheid!

20


Een gewoon huis. We zitten met z’n allen aan de grote eettafel. ’s avonds eten we soep met brood. Ruud heeft vanmorgen al soep gemaakt en het is komkommer soep geworden. Niemand heeft deze ooit gehad, maar hij smaakt goed. Het lijkt een beetje op courgette soep. Er zijn twee bewoners die we helpen met eten, de andere mensen eten zelfstandig. Met de medewerkers hebben we afgesproken dat ze gewoon mee eten aan de tafel en dus ook een kop soep eten en een boterham smeren. Zo zijn we een groot gezin. Het is gezellig aan tafel. We hebben het over onze leeftijden. Dien is 92 jaar, ik ben precies de helft van Dien, 46 jaar dus, en mijn collega die samen met mij in dienst is, is 23 jaar. Dus weer de helft van mij. Zo zitten we dus met verschillende generaties aan tafel. Ik vraag aan Dien of ze honderd wil worden. Alleen als het goed met haar blijft gaan zegt ze. “Zolang het boven in mijn hoofd maar goed zit”, zegt Dien. 21


Dien beseft niet dat ze de ziekte van alzheimer heeft en dat is toch wel heel prettig voor haar. Ze ervaart helemaal geen ongemak van deze ziekte. Ze vertelt regelmatig hetzelfde verhaal, maar voor haar is het iedere keer weer de eerste keer. Doordat Dien op een hele leuke manier kan vertellen, blijft het leuk om naar Dien te luisteren. Jet daar in tegen ervaart veel ongemak van haar ziekte. Ze geeft aan dat ze het niet meer weet, en dat ze naar huis wil, naar haar moeder. Haar hoofd zit vol en ze blijft aan het opstaan en zitten. Ze kan de rust niet vinden, wordt boos als iemand “haar’’ krant aan het lezen is. Ze is de werkelijkheid helemaal kwijt en leeft in een heel andere wereld. Het is moeilijk om contact met haar te maken. We bieden bezigheden aan die ze herkent van vroeger. Zo helpt ze mee met aardappelen schillen, was vouwen en afwassen. We proberen haar zoveel mogelijk gerust te stellen door mee te gaan in haar belevingswereld. Woorden zijn dan niet meer zo 22


belangrijk, een liefdevolle uitstraling zoveel meer. Dan gaat mijn telefoon en ik krijg 226 op mijn scherm te zien. Dat wil zeggen dat er een bewoner met een sensor bij de voordeur staat. Ik loop naar de voordeur en zie Jan in de deuropening staan om Milo te roepen. Jan is zijn hond kwijt. Onze voordeur kan aan de binnenkant gewoon open. Aan de buitenkant is deze op slot en moeten bezoekers aanbellen. We zijn dus geen ‘’gesloten afdeling’’, maar een gewoon huis. Onze bewoners kunnen dus naar buiten lopen en we zijn dan ook regelmatig iemand kwijt geweest. Gelukkig is er in het dorp veel sociale controle en werden de bewoners ook weer netjes terug gebracht. Toen we een avond uren naar een bewoner hebben gezocht en deze laat in de avond helemaal achteraf terug gevonden hebben, wilden we toch maatregelen nemen. We vonden het risico dat er iets zou gebeuren wel erg groot worden en hebben toen besloten 23


om met een deursensor te gaan werken. De deur op slot was voor ons geen optie, omdat dat vaak veel onrust geeft. Nu hebben alleen de bewoners waarvan we weten dat ze naar buiten lopen en kunnen verdwalen een sensor om en als ze bij de voordeur komen krijgen we een belletje. Dan gaan we de bewoner halen of we maken samen even een ommetje. Ik neem Jan weer mee naar binnen en breng hem naar zijn hond Milo. Hij was even naar de andere huiskamer.

24


Ik wil naar huis. Vandaag gaan we met z’n allen naar de dierentuin. Het is een hele organisatie. Alle bewoners gaan mee en we hebben dus veel begeleiders nodig. Aan de families en aan de vrijwilligers en medewerkers wordt gevraagd of ze mee willen. Uiteindelijk hebben zich 17 personen opgegeven en dat is voldoende om onze 17 bewoners te begeleiden. Ik vind het altijd spannend of we ook alle bewoners mee krijgen. Uit ervaring weten we dat er enkele mensen niet mee willen als je vraagt: ”Ga je mee naar de dierentuin?”. Want dan gaat er van alles in dat hoofd om. Waar gaan we naar toe? Is dat ver? Wie gaat er met me mee? Kom ik nog wel terug? Hoelang blijf ik weg? Allemaal vragen die ze niet kunnen stellen, maar wel veel angst op roepen. Dus het antwoord is dan meestal: ”Nee ik blijf hier, ik zit hier prima”. Vandaar dat we de vraag niet stellen, en zeggen dat ze mee mogen en dat het helemaal goed komt.

25


Het is gelukt. Iedereen zit in de auto en we rijden naar het Zoo-park. Het is schitterend weer. Dat hebben we alvast mee. Ik ontferm me over Jet. Ik heb een rolstoel voor haar, maar ze wil er niet in zitten. Ze wil liever lopen en ik laat haar achter de rolstoel lopen zodat ze wat houvast heeft. Gelukkig loopt ze goed, maar ze wil niet ergens staan kijken, ze wil maar door. “Wanneer gaan we naar huis?” vraagt ze. “Na de wandeling”, zeg ik. Ik wijs naar de dieren, maar Jet kijkt alleen maar recht vooruit, met de blik naar huis. “Kijk die aap”, zeg ik. Ze kijkt voorzichtig naar rechts en zegt: “Die zwarte?”. “Ja, die zwarte”. Ze heeft hem dus toch gezien, maar daar blijft het dan ook bij. Ik kan haar niet afleiden met de dieren. Ze is er duidelijk niet in geïnteresseerd. We lopen verder en ik merk dat ze moe wordt. Ik nodig haar uit om samen met mij op een bankje uit te rusten. Ze kan de rust echter niet vinden op het bankje, want ze staat meteen weer op. “Ik wil naar huis”. Zolang we lopen, vindt ze het goed maar als we stilstaan of gaan 26


zitten, wordt ze onrustig. We komen aan bij de picknickplek om daar een broodje te eten. Ik merk echter dat ze steeds onrustiger wordt en zelfs boos op me wordt, want ze wil naar huis, en dit is niet haar huis. Ik besluit om met Jet weer naar huis te gaan. Ik vraag mezelf af of we Jet wel mee hadden moeten nemen. Ze is zo in de war en als ze dan ook nog haar vertrouwde omgeving verlaat, is de verwarring nog erger. Ze heeft nu wel een flinke wandeling gemaakt in de natuur. Ook niet verkeerd. Maar het blijft een lastige afweging. Als Jet weer in de auto zit en ik zeg dat we naar huis rijden, zegt ze met een diepe zucht: “Gelukkig�. Ik zie haar weer ontspannen. En dat blijft ze de hele autorit. Thuis ga ik eitjes bakken voor ons en haal ik mijn hond Bo om Jet gezelschap te houden. Jet heeft inmiddels haar vertrouwde stoel gevonden en rust even uit. Bo gaat bij haar voeten liggen en kijkt Jet liefdevol aan. Het voordeel van een hond is dat deze geen verkeerde dingen zegt en 27


altijd dezelfde gezichtsuitdrukking heeft. Deze is altijd lief. Jet vindt Bo leuk en reikt haar hand naar hem toe. Bo likt aan haar hand. Ik zet de borden op tafel met de gebakken eitjes en Jet komt aan tafel zitten. Bo komt weer bij haar zitten. Dan loopt Jet naar de tuin en komt even later weer terug. Bo sjokt met haar mee en als Jet weer aan tafel zit, zit ook Bo weer bij haar voeten. Want er valt altijd wel een stukje brood op de grond en dan is Bo er als de kippen bij.

28


Thuis voelen. Dementie is een vreselijke ziekte. Iets wat je je hele leven hebt opgebouwd, namelijk steeds meer jezelf zijn, brokkelt met de ziekte langzaam en bij sommige mensen heel snel af. Je bent jezelf niet meer. Je kunt je eigen ding niet meer doen. En je wordt helemaal afhankelijk van een ander. En voor de familie is de persoon niet meer degene die hij of zij altijd was. Als je die vreselijke ziekte dan toch moet krijgen, laat het dan in een liefdevolle omgeving zijn. En meestal is dat toch wel thuis. Thuis in je vertrouwde omgeving met je geliefden om je heen. Ik heb in de thuiszorg gewerkt, en dan was het mooi om te zien dat mensen met dementie nog lang thuis kunnen wonen en zich hier ook prettig bij voelen. Maar als het niet meer haalbaar is, ondanks een heel netwerk eromheen, dan is de beslissing van familie om een dierbare op te laten nemen eigenlijk onmenselijk. Vaak wil degene met dementie niet ergens anders gaan wonen. Als je al zo’n nare ziekte hebt en ook 29


nog op een vreemde plek komt dan hoor ik mensen regelmatig zeggen, dan maar liever dood. Helaas kunnen we aan de ziekte dementie nog steeds niets doen, maar wat we wel kunnen is om deze mensen een fijne omgeving te bieden. Een omgeving waar ze zich thuis voelen en vertrouwd. Ik denk dat dat onze taak is, als je voor mensen met dementie zorgt. Ik vind het jammer dat verpleeghuizen zo’n slechte naam hebben, en dat mensen er daarom niet heen willen. Voor mijn gevoel is het er nog steeds niet huiselijk genoeg. Op veel plekken staan er nog waskarren op de gang met vieze was, waardoor het er niet lekker ruikt. Er zijn nog zusterposten, waar de medewerkers achter de computer zitten omdat er van alles geregistreerd moet worden. Er is nog steeds te weinig personeel waardoor deze alleen met de zorg bezig kunnen zijn en niet met “meeleven�. 30


Gelukkig hebben we dit soort dingen in ’t Zorghuus zelf in de hand. Geen waskarren, geen zusterposten en geen management. Ruud en ik werken mee in de zorg en hebben daarnaast nog wat facilitaire en overheadtaken, maar dan wel het hoogst nodige. En als we iets moeten bespreken dan doen we dat op het moment dat het in ons op komt, vaak thuis aan de keukentafel, daar is geen vergadering voor nodig. ’s Morgens help ik mee met de mensen uit bed halen. En als iedereen aan de ontbijttafel zit, drink ik een kopje koffie mee en begin dan aan mijn kantoorwerkzaamheden. Eigenlijk zou iedere manager dat moeten doen. Zo ben je goed op de hoogte van wat er op de “werkvloer” gebeurt, en het zorgt voor afwisseling in je werk. Gisteren heb ik Christa in bad begeleid. Christa is nog redelijk zelfstandig en wil niet graag geholpen worden met de verzorging. Ze zegt dat ze dit nog goed alleen kan. Helaas is dit niet zo. Ik zeg tegen haar dat ik de grote badkamer 31


gereserveerd heb en dat ze heerlijk kan gaan badderen. Ze zegt dat ze dit nog nooit gedaan heeft, maar het een aantrekkelijk aanbod vindt. Ze weet niet meer dat ze vaker in bad gaat, gelukkig geniet ze er iedere keer weer opnieuw van. Zo ga ik van een badsessie naar het rooster. Er staan nog open diensten die nog ingevuld moeten worden en na wat whatsappjes is dit ook geregeld. Nog wat email beantwoorden en wat telefoontjes plegen. Ruud heeft de nieuwsbrief af die ik nog even door kijk en dan wordt het voor mij weer tijd dat ik me weer even onder de mensen bevind. Ik ben geen kantoormens. Hooguit 2 uur en dan moet ik toch even bij dat scherm weg. Als ik in de huiskamer kom, is mijn collega het eten aan het voorbereiden. Dien en Ans helpen mee. De een schilt de aardappelen en de ander maakt de spruitjes schoon. Deze vaardigheid zijn ze nog niet vergeten. Het gaat hen goed af. Samen met de fysiotherapeut ga ik lopen met 32


Joep. Joep zit in de rolstoel, maar kan met ondersteuning nog wel lopen. Beweging is belangrijk, dat houdt hem alert. Je ziet aan hem dat hij het leuk vindt. We maken grapjes dat we oefenen voor de vierdaagse. Joep lacht ermee en wij ook. Na dit mooie moment moet ik helaas weer verder met de administratie, maar gelukkig hebben we veel mooie momenten op een dag, en daar doen we het voor.

33


Moeilijke beslissingen Als we Jet in bed leggen, stapt ze regelmatig zelf uit bed. De laatste tijd staat ze niet meer zo stabiel op haar benen met als gevolg dat ze valt. Hoewel er een bewegingssensor bij haar bed staat, en we dus naar haar toe gaan als deze af gaat, treffen we haar steeds vaker liggend op de grond aan. We overleggen met familie wat we het beste kunnen doen. Er zijn verschillende opties. We kunnen niets doen, met het risico dat ze wat breekt en naar het ziekenhuis moet. We kunnen een extra laag bed regelen zodat ze niet ver valt, maar wel op de grond kan rollen of we kunnen een bed regelen met bedhek, waar ze eventueel over heen kan klimmen met alle gevolgen van dien. De kans dat ze erover heen klimt, is aanwezig omdat Jet nu eenmaal de drang heeft om uit bed te komen. Samen met familie beslissen we wat we de beste oplossing vinden (eigenlijk de minst slechtste), waarbij het risico het kleinst is dat Jet iets overkomt. Nadat het 34


besluit genomen is, hebben we met de familie regelmatig een gesprek of de maatregel voldoet, of dat er iets aangepast moet worden. We hebben het hier over veiligheid en vrijheid. En helaas gaat dit niet altijd samen, maar daar doen we wel ons best voor. Ons streven is zoveel mogelijk vrijheid te bieden aan bewoners. Dus dat bewoners zelf bepalen wanneer ze uit bed stappen. En dat wordt natuurlijk moeilijk als dit wordt belemmerd door een bedhek (dat er voor de veiligheid is). Mocht een bewoner uit bed willen stappen, dan komt er een melding (doordat er een bewegingssensor staat) en dan gaat de medewerker kijken wat er aan de hand is. Het kan zijn dat de bewoner naar het toilet wil of dat deze wat wil drinken of op wil staan. Op deze manier bieden we dan vrijheid om datgene te kunnen laten doen wat op dat moment gewenst wordt. Samen met de familie kijken we hoe we het aspect veiligheid en vrijheid bij de bewoners die daar zelf niet meer over kunnen beslissen, toe 35


kunnen passen en dat is voor iedere bewoner en familie weer anders. Vandaar dat standaard procedures niet werken. Daarom hebben we het hier over maatwerk. En we weten natuurlijk ook allemaal dat oud zijn - en zeker als daar ook nog dementie bij komt nooit zonder risico’s is, zoals dat bij kleine kinderen die opgroeien ook niet het geval is. Onze taak is het om die risico’s te verkleinen, maar het moet nog wel menswaardig blijven. En wat menswaardig is, bepalen de direct betrokkenen van de bewoner; namelijk de medewerkers die dagelijks met de bewoner meeleven samen met de naaste die de bewoner het beste kent. Zo vormen we één team waarbij de soms moeilijke beslissingen gemaakt worden vanuit liefde en professionaliteit en niet vanaf een bureau.

36


Wij vieren carnaval Ik verheug me altijd op het eetmoment. Niet zo zeer voor het eten, maar vooral voor het rustmoment en het contact dat je met de mensen hebt. We zitten aan twee tafels en aan iedere tafel zit een medewerker. Zo kunnen we het eten opscheppen en de mensen helpen waarbij dat nodig is. Meestal ontstaat er een dialoog aan tafel. En een dialoog met een groepje mensen met dementie kan alle kanten op gaan. En dat is wat ik zo leuk vind. Soms moet je een gesprek op gang brengen. “’Smaakt het?”. “’Ja het is heerlijk. Wie heeft er gekookt?”. “Ruud heeft gekookt” “Toch wel fijn zo’n man die kan koken.” “Kookte je man vroeger ook? “ Nee, die moest hard werken op de boerderij en de vrouw zorgde voor het eten. De dochters hielpen mee in het huishouden. Dien vertelt: “Vroeger was ik vaders veldmeisje, ik kon niks en toch heb ik 6 kinderen. Heb later pas leren koken. Mag ik nog wat groente, want het is zo lekker. Heb jij gekookt Edith?” ”Nee, 37


Ruud heeft gekookt”. “Die kan wel goed koken”. En dan komt nogmaals het verhaal van Dien. Ik pak de draad weer op en ga het over het weer hebben. “Mooi weer, he?” Na het eten gaan de mensen rusten. We doen het vanmiddag rustig aan, want vanavond vieren we carnaval in ’t Zorghuus. In Ysselsteyn wordt carnaval gevierd en zo ook in ’t Zorghuus. Prins carnaval komt op bezoek en er wordt volop gezongen en zelfs gehost. Ysselsteynse artiesten komen optreden en maken er een feestje van. Om half tien is het feest afgelopen en we brengen de mensen naar bed. De bewoners zijn in de war omdat het huis omgebouwd is tot een feestzaal en ze niets meer terug herkennen. Ze hebben echter genoten van de avond en als ze eenmaal in hun vertrouwde bedje liggen is het goed. Als afsluiting drinken we een borreltje met degenen die mee geholpen hebben, dit zijn vrijwilligers, familie en medewerkers. An wilde 38


nog niet naar bed en drinkt heerlijk een borreltje mee.

39


Leven met de dag. Ik heb een vroege dienst en ik ga naar Christa om haar de medicatie te geven. Deze moet ze nuchter innemen. Christa wordt wakker als ik binnen kom. “Het gaat niet goed met me”. Ik zeg niets en luister naar haar. “Het gaat steeds slechter met me”. Ik weet nog steeds niet helemaal wat ze bedoelt. Heeft ze het over de alzheimer of is ze lichamelijk niet lekker? Soms beseft ze dat ze de ziekte van alzheimer heeft, maar meestal niet. “Ik weet het allemaal niet meer. Ik weet niet waar ik woon, niet wat ik moet doen”. Ik geef aan dat dat komt door de ziekte van alzheimer. “Ja, dat klopt”, zegt ze, “en dat wordt steeds erger”. En dat beaam ik. “En daarom woon je bij ons. Wij vertellen je waar je woont als je het even niet meer weet en wat je kunt doen. En ook wat je gedaan hebt, want dat vergeet je en daardoor denk je dat je niets doet”. “Ja, en daarom heb ik zo’n leeg gevoel”, zegt Christa. “Maar ik ben blij dat ik hier ben en dat jullie mij 40


helpen. Ik weet alleen niet hoe ik ermee om moet gaan”. “Ja, dat is ook heel moeilijk. Je zult het moeten accepteren, maar dat zal niet mee vallen”, zeg ik. “Ja, ik moet het leven leven. Ik moet mijn leven leven”, zegt Christa. “Nou dat is mooi gezegd. Ik vind het knap dat je het zo mooi kunt verwoorden”. “Ja, en nu nog doen”, zegt Christa. Ik ben zelf veel met mindfullness bezig. Leven in het nu. Niet te druk maken over wat er is gebeurd en vooral niet te druk maken over wat er zou kunnen gebeuren. Nou, als we ergens met mindfullness bezig zijn dan is het wel met onze bewoners in ’t Zorghuus. We leven met de dag! En ik vind het geweldig als ik met de bewoners hierover kan praten. Mevr. Janssen zegt altijd “Je moet het leven nemen zoals het komt”. Ze heeft veel mee gemaakt en heeft op haar 91e dit motto, waardoor het leven draaglijk is. Wij als gezonde mensen willen alles maar veranderen en kunnen niet meer tevreden zijn 41


met wat we hebben. Nieuwe auto, nieuw huis, nieuwe inrichting, nieuw gezicht. Nou, dan kunnen we van onze bewoners nog veel leren. Ondanks hun ziekte zijn ze best tevreden met wat ze hebben. En genieten ze van de kleine dingen. Christa wil nog even in bed liggen en ik zeg haar dat ik de badkamer met bad gereserveerd heb en dat ik haar over een uurtje kom halen. “O, is hier ook een bad in huis. Nou dat lijkt me heerlijk!�.

42


Fietsen met een “lading” Deze week mogen we de duofiets gaan uitproberen. De duofiets is door de Stichting vrienden van het Zorghuus bij elkaar gespaard. Deze stichting zorgt voor sponsoring en bijdragen op materieel en financieel gebied. Maar organiseert en coördineert ook de inzet van vrijwilligers voor activiteiten in en rondom ’t Zorghuus. En dat zijn er nogal wat. Zo komt ook de careclown, de gymjuffrouw, en de muzikant op vrijwillige basis en zetten zich met liefde en plezier in om het de bewoners naar de zin te maken. Evenementen die in de regio georganiseerd worden, willen graag schenken aan een goed doel. En organisaties vinden ’t Zorghuus een goed doel, vooral omdat we deel uitmaken van het dorp. En zo is ook de duofiets tot stand gekomen. Voor mij heeft de duofiets een emotionele lading. Mijn zus Monique is op 52 jarige leeftijd 43


plotseling overleden. En haar man heeft besloten om bij haar uitvaart een donatie voor de duofiets te vragen. Mijn zus fietste veel en heeft wel eens aangegeven dat als de duofiets er was, ze dan met bewoners wilde gaan fietsen. Mijn zus was ook betrokken bij ’t Zorghuus. Ze hielp me met de administratie en vond het gezellig bij de bewoners een kopje koffie te drinken. Natuurlijk mis ik haar enorm, maar toen ik de duofiets ging uitproberen, kreeg ik een warm gevoel. Het klinkt misschien heel raar, maar voor mij voelde het als een stukje van haar. Fietsen was haar grote hobby. Ze ging dagelijks met de fiets naar haar werk en samen met haar man maakte ze fietsvakanties. Ik ben helemaal niet zo van het fietsen, maar toen ik op de duofiets zat, dacht ik aan haar en was ze even heel dicht bij. Samen met Christa ga ik op pad. Zo fietsen we Ysselsteyn rond. Christa is helemaal enthousiast. Doordat er een trapondersteuner op zit word je niet echt moe van het trappen en kunnen we 44


genieten van de omgeving. Ysselsteyn is heel landelijk en daardoor zijn er mooie vergezichten te zien. Christa wordt er helemaal vrolijk van. “Eigenlijk moeten we er geluid bij maken: vroem vroem. We lijken wel kinderen”, zegt ze. “Nou, je wordt er ook een beetje kind van”, zeg ik. “Kinds zul je bedoelen”, zegt Christa. Ja dat kan ook.

45


Niet alles kan. Ik had even geen puf om verhalen te schrijven. Geen inspiratie en geen energie. Ik merkte aan mezelf dat als ik aan het werk was alles vanzelf ging, maar zo gauw ik thuis was voelde ik de moeheid. Als je ergens een passie voor hebt, ben je geneigd om hier alle energie in te steken. Dit was bij mij ook het geval. De balans was zoek. Ik kon thuis mijn rust niet vinden, omdat ik teveel energie in het werk stak. Ik moest een stapje terug doen. Er waren ook privĂŠ-zaken die aandacht behoefden. Samen met een haptonoom heb ik de zaken op een rijtje gezet en ben ik mijn energie beter gaan verdelen. Gelukkig had ik snel in de gaten op welke manier ik dat kon doen en dat voelde meteen goed. Mijn vrije tijd werd weer echt vrije tijd waar ik plezier aan beleefde, en mijn werk werd weer werk waar ik ontspannen en uitgerust naar toe ging. Ik kon weer beter keuzes maken wat echt belangrijk is en was me ervan bewust dat niet

46


alles kan. En dat geldt niet alleen voor mijzelf, maar ook voor ’t Zorghuus. Eén keer per jaar organiseren we een familiebijeenkomst met alle eerste contactpersonen van de bewoners. Families zijn over het algemeen heel tevreden en zijn blij dat vader, moeder of partner in ’t Zorghuus woont. Om toch wat meer uit een familiebijeenkomst te halen, hebben we gevraagd of er een onafhankelijke persoon met de families wil praten om zo er achter te komen hoe ze alles beleven in ’t Zorghuus. In eerste instantie zijn er veel ervaringen uitgewisseld en spreekt men vooral veel lof uit. Maar natuurlijk zijn er altijd verbeteringen te benoemen en één ervan was individuele aandacht. Doordat de bewoners meer zorg nodig hebben, hebben de medewerkers steeds minder tijd over voor activiteiten en individuele aandacht. Laat dat nou net ons grootste goed zijn en iets is wat we hoog in het vaandel hebben. En laat dat nou net het onderwerp zijn waar ik altijd op hamer. Het 47


kwam dus bij mij wel even binnen. Wat je zo belangrijk vindt, wordt steeds meer gemist. Het heeft ook een paar dagen geduurd voordat ik het in perspectief kon zien. Natuurlijk is iets wat heel belangrijk is, in dit geval aandacht, nooit genoeg. We zouden veel meer willen, maar we kunnen niet alles. Mensen moeten verzorgd worden, er moet voor het eten gezorgd worden, de was, poetsen, opruimen, medische zorg, bestellingen enz. En dan natuurlijk de aandacht voor de bewoners. Het is dus iedere keer weer keuzes maken. Wat is nu echt belangrijk! En iedereen denkt daar weer anders over. De ene medewerker denkt, het wordt nu tijd dat er flink wordt opgeruimd en de andere denkt, ik ga even bij de bewoners zitten, ze zitten te lang alleen aan de tafel. Goed dat het thema “aandacht� in de familiebijeenkomst naar voren is gekomen. Het zet weer aan het denken, en is gespreksstof voor alle betrokkenen. Niet alleen voor medewerkers, maar ook voor vrijwilligers en 48


familie zelf. Het is een thema dat ons allen raakt en door er met elkaar over te praten kan er zowel verbetering als begrip ontstaan. En zoals je merkt, ben ik weer aan het schrijven. Door de rust heb ik weer inspiratie en lukt het me weer iets op papier te krijgen.

49


Gewoon even niets Ik loop het Vurste Huus binnen. Het is zondag, ik heb vrij. Maar omdat er een leerling ziekenverzorgende in dienst is, kom ik de medicatie uitdelen. Ze zitten gezellig aan de grote tafel. Christa is bezig met haar breiwerk, An en Dien kijken in een boek en de anderen zitten er gezellig bij. Uit de laptop zijn liedjes van vroeger te horen. Ze zitten heerlijk te keuvelen. De twee jonge medewerkers (begin twintig) zitten bij de mensen aan de tafel en zijn heerlijk aan het kletsen met hen. Het ziet er gezellig uit. Zo hoort een zondagmiddag te zijn. Gewoon even niets doen en zorgen dat de mensen het naar hun zin hebben. Jet en Joep zitten aan de andere tafel. Vaak is het voor hen te druk om met zo velen bij elkaar te zitten. Jet friemelt aan haar “voel-kleed�, dat voor haar op tafel ligt en Joep heeft zijn koptelefoon op. We merken aan Joep dat hij rustig wordt als hij met de koptelefoon muziek kan luisteren. Hij kan zich zo meer afsluiten van de andere geluiden en 50


genieten van de muziek. Joep neuriet mee en je ziet zijn hand mee zwaaien op het ritme van de muziek. Jet roept: “Juffrouw, juffrouw”, en Joyce loopt naar haar toe. “Wat is er Jet?” “Ik weet het niet”, zegt Jet en Joyce kijkt Jet vriendelijk aan. Jet kijkt terug en voor dit moment is dit contact even voldoende. Ik deel de medicatie uit en Lisanne begint met de voorbereidingen van het avondeten. Het wordt vanavond “zondagse-soep” met een worstenbroodje. De volgende dag is Ria jarig. De slingers hangen in de huiskamer. Ria wordt 85 jaar. Ze woont nu bijna een half jaar in het Zorghuus. Haar man komt haar iedere dag opzoeken. Hij heeft lang voor haar gezorgd, maar op een gegeven moment ging het niet meer, Ria had steeds meer zorg nodig. Hij heeft het er moeilijk mee. We zingen met z’n allen lang zal ze leven voor Ria als ze de huiskamer in komt. Haar man komt even later met gebak en met een grote bos rode 51


rozen. Hij heeft er zelfs een gedicht bij gemaakt. Het is ontroerend als hij dit aan Ria voorleest. De medewerkers en andere bewoners zijn onder de indruk van het gedicht. Samen eten we een stukje vlaai. Dan komt de wondverpleegkundige voor Ria. Ja, de zorg gaat gewoon door, ook al ben je jarig. En mijn werk gaat ook gewoon door. De dienstlijst moet nog afgemaakt worden. Nadat ik een uurtje achter de laptop heb gezeten, loop ik de huiskamer binnen en zie dat iedereen heerlijk zit te eten en de flessen wijn staan op tafel. Het is een feestmaaltijd geworden. De man van Ria is uitgenodigd om mee te eten en voor de liefhebbers heeft hij een glaasje wijn ingeschonken. Proost! Op de verjaardag van Ria.

52


Kamers vol zonlicht Mensen mogen bij ons blijven wonen, ook als het sterven nabij is en terminale zorg nodig is. Ik vind het altijd heel bijzonder om deze zorg te mogen verlenen. Je ziet dat iemand verandert, doordat hij of zij minder energie heeft, meer slaapt, minder eet en drinkt, meer terug getrokken, in zichzelf gekeerd. Soms is de oorzaak iets medisch, maar soms is iemand helemaal op. Wat de oorzaak ook is, we bespreken altijd samen met de familie en huisarts wat we aan comfort kunnen bieden. De huisarts bespreekt samen met de familie wat er wel of niet aan behandeling gedaan wordt en samen kijken we wat we aan comfort kunnen bieden. Comfort is niet gericht op genezing, maar gericht op het wegnemen van ongemak en het zich prettig laten voelen. Het kan zijn dat het prettigst is om in bed te blijven, eventueel met een aangepast matras en eventueel met pijnmedicatie. Wat wil of kan iemand nog eten en drinken. Het is goed te kijken naar de 53


signalen van de bewoner. Zeker omdat door de dementie het aangeven van ongemak niet altijd duidelijk gemaakt kan worden. We zijn alert of iemand lekker ligt of geen droge mond heeft. Als een bewoner in ’t Zorghuus terminaal is, dan voel ik mij anders dan anders. Het is een soort extra alertheid, wat ik voel. Ik wil graag dat het goed verloopt. Natuurlijk wil ik altijd dat dingen goed verlopen, maar met sterven vind ik dit extra belangrijk. Ik heb in mijn privÊ stervensprocessen mee gemaakt, en ben er hierdoor extra gevoelig voor geworden. Ik heb ervaren dat iets pijnlijks als sterven ook heel mooi kan zijn en bijzonder. En dat probeer ik bij ieder stervensproces waar ik bij betrokken ben te bereiken. Mooi, in een fijne sfeer, liefdevol en harmonieus. En bijzonder, op ieders eigen manier. Ik vind het belangrijk dat de kamer netjes en gezellig is. Bloemetje op tafel, lekkere geur, eventueel muziek (indien gewenst). Dat wij of de familie met regelmaat bij degene kunnen zitten 54


en kunnen doen wat nodig is. Altijd in samenspraak met familie. Het is heel bijzonder om samen met de familie dit laatste stukje van iemands leven zo intens mee te mogen maken. Het verloopt bij iedereen anders. Als er een bewoner overleden is dan word ik altijd gebeld, ook al is het midden in de nacht. Samen met Ruud gaan we met familie in gesprek wat er geregeld moet worden. Een overledene mag op zijn eigen kamer opgebaard worden. Meestal kiest de familie hier ook voor. Ze kunnen dan ook altijd binnen lopen. Met de familie wordt besproken door wie de laatste zorg, het afleggen, gedaan wordt. Dit kan door familie, begrafenisondernemer of door ons (of gecombineerd) gedaan worden. Ik vind het een eer, om dit te mogen doen. Als familie hier mee akkoord gaat wordt onze vlag half stok gehangen. Op de dag van de uitvaart houden we een afscheidsceremonie in ’t Zorghuus. Ruud en ik leggen de gekleurde patchwork deken over de kist, die symbool staat voor onze warme zorg. 55


Samen begeleiden we de kist met overledene naar de hal omringd door een erehaag van bewoners, vrijwilligers en medewerkers. Ruud houdt een praatje en daarna luisteren we naar het lied “Kamers vol zonlicht”. (refrein) d’r is ‘n kamer vol met zonlicht achter deze deur doar zien weej bij elkaar wil ik elke oavend op ow wachte tot geej bij meej bint dan vertel ik ow allemoal wat ik niemand anders kan zegge schient de ierste zonnestroal in de kamer die niemand kent (Gezongen door Karlijn van Dinther)

Samen met een medewerker halen we de gekleurde patchwork deken van de kist en dragen we het over aan de familie. Het is een mooi ritueel.

56


Van waarde zijn. Ik zit in ’t proathuus. Dit is de ruimte waar ik zit om mijn kantoorwerkzaamheden te doen. De deur staat altijd open, zodat iedereen binnen kan lopen. Daar komt Laura binnen gewandeld. Ze is verdwaald in huis. “Nou, dan kom maar even bij me zitten”, zeg ik tegen Laura. Laura is van oorsprong psycholoog en heeft de hele wereld rond gereisd. Je kunt er heerlijk mee kletsen. Ze gaat bij me zitten en ze zegt dat ik er mooi uitzie. Mijn dag is weer goed. Laura is van de details en van de complimenten. Ze vindt me vriendelijk kijken en dat vind ik natuurlijk fijn om te horen. Dan gaan we over op het onderwerp ‘ringen’. Laura draagt grote ringen in mooie kleuren en vormen. Laura is een creatieve denker en als ik bij haar ben dan neem ik dat ook een beetje over. We bestuderen samen haar ring en ik zeg haar dat ik er een dolfijn in zie. “Ja, dat kan”, zegt ze. “En je kunt de ring aan deze vinger doen of aan deze, of zelfs aan de oren hangen”. En zo praten we een tijdje 57


over een ring en hoe gekker, hoe leuker we het vinden. Ruud die achter zijn computer zit, kijkt ons een keer aan en draait met zijn ogen van, het moet niet gekker worden, vrouwen! Heerlijk vind ik dat. Praten over “niets” en daar toch lol aan beleven. Vooral tijdens mijn kantoorwerkzaamheden is het prettig dat ik even mijn hersenen op een andere manier gebruik. Laura legt me uit hoe het zit met de beide hersenhelften en hoe die samen kunnen werken. Ik vind het interessant. “Mijn hersenen werken niet meer zo goed”, zegt Laura, “en dat vind ik heel erg”. Toch kan Laura nog heel veel wél. Ze kan ontzettend mooi gitaar spelen en dat doet ze op haar gevoel. Omdat ik zelf net begonnen ben met gitaarles, speel ik weleens samen met haar. Ik speel wat ik geleerd heb en Laura speelt er op haar manier door heen. En het klinkt dan ook nog mooi. Het muzikale talent is door de dementie niet aangetast. En het creatieve denken ook niet. Dat gedeelte van de

58


hersenen werkt nog goed. En daar maken we gebruik van. Zo zie je maar dat als je een beroep blijft doen op de dingen die de mensen wel kunnen, dat ze van waarde kunnen zijn. Laatst belde het kinderdagverblijf uit het dorp op, of we met twee bewoners konden komen voorlezen bij de kinderen. Ze hadden een voorleesweek georganiseerd en dachten dat het wel leuk zou zijn als oudere mensen voorlezen aan hele jonge kinderen. Ik dacht dat is echt iets voor Door. Door praat bijna niet meer, maar kan nog wel lezen. Die betreffende ochtend had Door het niet zo goed zitten. Ze wilde niet eten en staarde wat voor zich uit. Op een vraag gaf ze geen antwoord, ze zat in haar eigen wereldje. O jee, zal ik haar dan wel mee nemen naar de kinderen? Het toch maar gedaan en toen we bij de kinderen binnen stapten, veranderde haar hele gezichtsmimiek. Er lag een baby in de box. “Och, wat lief�, zei ze en ze zwaaide naar de baby. Toen Door een kindje zag rondlopen, 59


vroeg ze: “Krijg ik een handje van je?” en het kindje gaf een handje. Twee blije gezichten. Samen met een ander kindje ging ze een boekje lezen. Door las de tekst en het kindje wees de plaatjes aan die erbij hoorden. Heel mooi om te zien. Door was van betekenis. Toen er een kindje op de grond viel, had Door medelijden. “Och, ben je gevallen, kom maar even bij mij”. Door maakte spontaan hele zinnen, wat ze normaal gesproken niet meer doet. Door de kinderen werd Door zo alert gemaakt zodat ze weer even de oma was van voorheen.

60


Wonen bij ’t Zorghuus Ik krijg vaak de vraag hoe het is om bij ’t Zorghuus te wonen. Nou, als ik onze bewoners voorbij zie wandelen of (duo)fietsen of ik hoor dat ze heerlijk buiten zitten, dan word ik daar heel blij van. En bepaalde geluiden die neem ik voor lief. De balans tussen werk en privé is voor mij altijd lastig geweest, ook bij andere werkplekken. En nu maak ik het mezelf wel heel erg moeilijk door bij mijn werk te gaan wonen. Dit zie ik als een grote uitdaging die ik met mezelf aan ga. Het gaat me steeds beter af. En heel af en toe komt er een bewoner bij ons de huiskamer binnen lopen. Dit beschouw ik als de buurvrouw die even een praatje komt maken. Hoe normaal kan het zijn. De combi samenwerken en samenwonen is super leuk en gaat ons goed af. Ruud en ik zijn heel verschillend, we hebben ieder onze eigen 61


taken en persoonlijkheid en vullen elkaar zo goed aan. Als we op vakantie zijn, kunnen we even afstand doen van ’t Zorghuus en dat lukt dan ook aardig. En anders zijn het de kinderen die ons erop wijzen. Op de momenten dat wij tegen de kinderen zeggen “geen telefoon tijdens het eten”, zeggen de kinderen tegen ons “geen Zorghuus tijdens het eten”. En zo hebben we ondanks het drukke maar vooral leuke werk in ’t Zorghuus ook nog veel aandacht voor elkaar als gezin.

62


Stilstaan bij… Hier wil ik stilstaan bij mijn overleden ouders. Zij hebben mij de boodschap mee gegeven: wat er ook gebeurt, blijf kleur geven aan je eigen leven. Mijn overleden zus is hierin mijn grote voorbeeld. Ze genoot van de kleine dingen, het mooie weer, een bloem, het samen zijn, ondanks (of misschien wel dankzij) haar ziekte. Ik mis haar enorm. Zij is mijn inspiratiebron. En ondanks ons “oude” gezin niet meer compleet is voel ik een grote verbondenheid met mijn broers. Ook zij dragen uit wat pap en mam bedoeld hebben. En het mooie is dat ze beide een warm hart toe dragen aan ’t Zorghuus. Willie als organisater en Peter-Paul als muzikant. Zorgen voor mensen met dementie is voor mij kleur geven aan hun leven, ondanks (of misschien wel dankzij) hun ziekte. Ervoor zorgen dat ze nog betekenisvol zijn en kunnen genieten in hun laatste levensfase. 63


Mijn wens is om het zorg-vak aantrekkelijk te maken. Door niet alleen maar routinematige zorgtaken uit te voeren, maar vooral vanuit inzicht te handelen en er voor de ander te zijn. Ik pleit daarom voor zo min mogelijk plannen maken en registreren en rapporteren, maar juist zoveel mogelijk te observeren en vanuit eigen inzicht te handelen wat op dat moment nodig is. Pak de duofiets bij onrust, ga bij iemand zitten bij verdriet en beleef samen dat mooie tvprogramma. Dat maakt het leven voor de bewoners en het werk voor de medewerker weer leuk! Ik wil alle medewerkers en vrijwilligers bedanken dat ze mij respecteren zoals ik ben. Een beetje chaotisch en misschien wat te soft, maar wel altijd positief en gedreven. Rest mij nog Ruud te bedanken voor zijn steun en toeverlaat. Hij is er altijd voor mij. Als ik het zwaar vind en ff wil “zeuren�, kan ik altijd bij hem terecht. Hij weet dat het wel weer over 64


waait. Zonder hem had ik deze stap niet gemaakt. En natuurlijk onze kinderen. Zij hebben het toch maar geaccepteerd dat wij deze droom wilden waarmaken. Zij zorgen ervoor dat er aan de keukentafel niet alleen over ’t Zorghuus wordt gepraat.

Meer informatie over ’t Zorghuus is te vinden op de website: www.zorghuus.nl en www.vriendenvanzorghuus.nl

65


Edith Koonings is zorgprofessional in ’t Zorghuus in Ysselsteyn. Dat houdt in dat ze zowel verpleegkundige als leidinggevende is van 2 woongroepen; ’t Vurste Huus en ’t Achterste Huus. Tevens woont ze met haar gezin inpandig als directe buren van de woongroepen. In de 2 woongroepen wonen in totaal 17 mensen in hun laatste levensfase. Allen hebben een vorm van dementie. Samen met haar partner Ruud en zo’n 25 medewerkers zorgen ze voor de bewoners. Ze krijgen veel steun van de vele vrijwilligers uit het dorp Ysselsteyn. Een mooie oude dag in ’t Zorghuus is een verhalenbundel waarin bijzondere, grappige en ontroerende belevenissen beschreven zijn. Edith schrijft en werkt vanuit haar hart. Het werken en wonen in ’t Zorghuus ervaart ze als een way of life. Zij hoopt met dit boek meer kleur te geven aan het grijze imago van de ouderenzorg.

66


67


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Een mooie oude dag in 't Zorghuus by LOC Waardevolle zorg - Issuu