Issuu on Google+

een moslima ontsluiert


Copyright Š Naema Tahir/ Uitgeverij Houtekiet 2004 Uitgeverij Houtekiet, Vrijheidstraat 33, b-2000 Antwerpen www.houtekiet.com info@houtekiet.com Omslag Herman Houbrechts Foto’s omslag & achterflap Frank Toussaint Zetwerk Intertext isbn 90 5240 829 7 d 2005 4765 8 nur 740 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission of the publisher


Naema Tahir

Een moslima ontsluiert

Houtekiet Antwerpen/Amsterdam


Opgedragen aan Arfana

Om redenen van privacy zijn de meeste namen die in dit boek voorkomen gefingeerd en zijn veranderingen aangebracht in de achtergronden van de personages.


inhoud |

Voorwoord

7

Inleiding Bi-ha moslims en bbcd’s

9

Deel 1 Rusteloze zolen: Fragmenten uit een migrantenleven

15

Engeland 1. Faisalabad, stad zonder eigen naam 17 2. Paki-bashing 20 3. Arabisch vertaal je niet 24 4. Onze Vader 27 Nederland 1. Gras is groener, in Holland 31 2. Hollandse ijsjes zijn niet koud 34 3. Zwemles 37 4. Moslims doen niet aan seks 42 5. Marhaba 46 6. Menstruatie 52 Pakistan 1. Terug naar je eigen land! 57 2. Oma’s thee 64 3. Betekenis van Pakistan 69


4. Kleren maken de man 72 5. Een letterlijke herhaling 78 6. Sir Kari 82 7. Halal-flirten 90 8. Niemandsland 99 Deel 11 Dolle Amina’s: Fragmenten uit het leven van een moslima 103 Kritiek 1. Nederland als draagmoederland 105 2. Kritische vrouwen en bulderende mannen 109 De vrouw 1. Zijn vrouwen gelijk? 117 2. Thobia, onderdrukte vrouw? 127 3. Doorbreek de maagdencultus! 137 Het huwelijk 1. Huwelijksgeluk gegarandeerd 141 2. Het verhaal van Jamila 164 3. Fusies 172 De hoofddoek 1. Gentlemen’s agreement 175 2. Snoepen van twee walletjes 181 3. Macht van de hoofddoek 185 Noten 189 Verklarende woordenlijst 191


voorwoord

Een jaar of twee geleden schreef ik mijn eerste opinie-artikel over moslims. Het ging over het uitoefenen van zelfkritiek. Ik werd actief deelnemer aan een verhitte discussie over moslims in Nederland. En ineens leek ik een representant van het weinig gehoorde geluid van een ‘kritische moslima’. Regelmatig verschijnen boeken en studies van de hand van ‘kritische moslima’s’. De vrouwen van de profeet van Nahed Selim en Het Islam dilemma van Irshad Manji zijn twee recente voorbeelden. In deze boeken wordt aandacht gevraagd voor de positie van de moslima en de invloed daarop van moslimse regels. ‘De moslima staat als het ware symbool voor hét politieke debat dat momenteel binnen de westerse wereld wordt gevoerd over het integratiebeleid,’ aldus een citaat uit het laatste boek. Mijn boek biedt een persoonlijk relaas. Daarmee wil ik een bijdrage leveren aan het debat over de positie van de moslima. Ik nodig de lezer uit een blik te werpen in de micro-kosmos van een moslimmigranten gezin. Want, wat je uit het verleden meekrijgt in een vertrouwde kring van mensen bepaalt voor een belangrijk deel je identiteit. Voor een ander deel, wanneer je denkt aan wie je wilt worden en wat je ambitie is voor de toekomst, bouw je je eigen identiteit op door om te gaan met mensen buiten die vertrouwde kring. Voor een migrant kan zo’n proces van het opbouwen van vertrouwen buiten de eigen kring knap lastig zijn. Een migrant moet daarvoor van zeden, van taal en van gedrag veranderen. Voor veel migranten is het daarom

7


moeilijk om de binnenwereld uit hun jeugd en van hun gezin en familie te combineren met de buitenwereld van hun zelfstandigheid, hun volwassenheid, eigen vrienden en collega’s. Door mijn ervaring uit deze twee werelden te delen wil ik een inkijk geven in de vele nuances die schuilgaan in zo’n proces van het zoeken naar en vormen van je eigen identiteit. Nuances die ik in het integratiedebat vaak mis, omdat veel deelnemers aan dat debat ongevoelig lijken voor het verschil tussen een binnenwereld en een buitenwereld en wat die twee betekenen voor mensen met een heel verschillende achtergrond. Nuances die ondergesneeuwd raken in een debat waarin grove generalisaties de boventoon voeren, maar die wel belangrijk zijn. Bijvoorbeeld om door te hebben dat moslims geen zielige schepsels zijn die bescherming nodig zouden hebben om hun cultuur te kunnen blijven uitdragen. Hiermee worden zij boven alles vastgespijkerd in een permanent scheve relatie met de autochtone bevolking van Nederland. Bijvoorbeeld om te beseffen dat niet alle hoofddoekdragende moslima’s onderdrukt zijn, maar gewoon spelen met hun nieuw verworven vrijheid en macht. Bijvoorbeeld om te erkennen dat moslima’s geen aseksuele wezens zijn, al zouden hordes van vaders en imams en misschien zelfs sommige prototypes van geëmancipeerde vrouwen dat maar al te graag willen geloven. Bijvoorbeeld om aan te geven dat de ene moslim, de ander niet is. Ik ben ervan overtuigd dat op dit moment aandacht voor de kleinschaligheid der dingen nodig is om alle Nederlanders betrokken te kunnen houden in een dialoog die dreigt te ontsporen. Ik spreek daarom over mijzelf, niet omdat ik denk dat ik als persoon nu zo interessant ben, maar omdat ik denk dat er zo weinig mogelijkheid tot identificatie bestaat met het kleinschalige, het persoonlijke. Ik schets wat een moslima doet denken en handelen zoals ze doet in verschillende fasen van haar bestaan. Daarbij zoek ik steeds de menselijke maat die hoort bij elke opvoeding – niet alleen die van moslims of migranten. En misschien is dat wel de rode draad van het boek. Het gaat om de mens. De mens in de migrant en de mens in de moslim. Naema Tahir lente 2005 8


inleiding

Bi-ha moslims en bbcd’s

Een goede Hollandse vriend van mij verzon een keer de term ‘Bi-ha moslim.’ Mijn net aangeschoven tafelgenoot zou hij precies zo noemen. En mij trouwens ook. Een ‘Bi-ha moslim’ is een moslim die de verboden spijzen, bier en ham, niet schuwt. Anders gezegd: een moslim die wél alcohol drinkt en wél ham of niet-ritueel geslacht vlees eet. Een officieuze benaming, uiteraard. De late gast, een dandy van in de vijftig, pakte de halfvolle fles en schonk zichzelf, de andere glazen vluchtig bestuderend, een wijntje in. Tegelijk verontschuldigde hij zich tegenover de ronde tafel voor zijn late komst. Ik kreeg als enige een toegift: een knik en blik van herkenning. Zo één van: ‘U bent vast ook Pakistaans, he?’ Met die blik verwees hij naar iets dat wij met elkaar deelden. Vanaf dat moment zouden wij beiden onze ingenomen rollen met glans vertolken. Hij de ‘beschermende vader’, ik de ‘onschuldige dochter’. Hij de ‘leraar islam’, ik de ‘onwetende leerling’. Het Pakistaans zijn is namelijk nagenoeg synoniem met het moslim-zijn. Om de rollen geheel volgens het script te spelen, schoof ik langzaam en hopelijk onopgemerkt mijn glas witte wijn opzij. Weg van mijn bord. Zo van ‘dat hoort niet bij mij.’ Foutje… van de jonge Italiaanse ober. Want

9


wat weten jonge Italiaanse obers nou van onze verheven geboden? Ik besloot aan tafel moslima te spelen, maar moest dan niet met een achterstand beginnen; moslims, vooral moslima’s, drinken niet. Zeker niet in het openbaar! De gelegenheid was een seminar over de rechtsbescherming van vluchtelingen. Een zeventigtal experts uit de hele wereld was in San Remo bij elkaar gekomen om ervaringen uit te wisselen. Ik nam deel namens de United Nations High Commissioner for Refugees (unhcr), het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties, waarvoor ik intussen een jaar werkte. Het gesprek aan tafel tussen mij en de deftige meneer Khan, zoals deze Pakistaan heette, zou weinig over vluchtelingen gaan, eerder over migranten. ‘Waar komt u vandaan?’ begon meneer Khan. Mijn antwoord op deze het-vaakst-gestelde-eerste-vraagaan-mij liet ik altijd afhangen van tijd, plaats en van het niveau van de ondervrager. ‘Ik ben geboren in Engeland. Deels opgegroeid in Engeland, Nederland en Pakistan. Nu werk ik in Nigeria,’ zei de automatische piloot. ‘Hoe heet uw vader? Wat doet hij? En waar komt hij vandaan?’ passeerden de revue. ‘Faisalabad’, antwoordde ik. ‘Mijn ouders zijn in de jaren zestig verhuisd naar Engeland en toen naar Nederland.’ ‘Ah!’ Meneer Khan keek tevreden naar de rand van zijn wijnglas. ‘Zij migreerden.’ Het was alsof hij bevestigd kreeg wat hij al lang dacht: dat er een klasseverschil was. Zijn blanke huidskleur, piekfijn uitziende driedelig linnenpak en deftig nasaal Urdu, toonden iemand van de elites van Pakistan, waar de meeste expats toe behoren. Ik was maar een ‘migrantendochter.’ Een vrouw die het ook nog eens nodig vond in haar eentje te werken in een onveilig land. Dat deden dochters van de elites niet. ‘Ja, migratie’, zei ik enigszins trots, wetende dat ook de allerrijksten van Pakistan banden met het ‘rijke Westen’ wilden. Pakistan bleef immers een onstabiel land. ‘Een BBCD !’ zei meneer Khan zelfvoldaan. Hij leunde achterover in zijn stoel en keek me bestuderend aan. 10


Ik kende deze grap, maar meneer Khan wilde het graag uitleggen. ‘Een British Born Confused Desi!’ zei hij lachend. ‘Ik ken veel migranten in Engeland en ze hebben veel problemen’, vervolgde hij serieus. ‘Weet u, ze hebben geen idee van wat hun eigen cultuur is. Ze zijn verdwaald. Ze willen Pakistaans zijn, maar het is te laat. Ze zijn noch hier, noch daar! Ze zijn confused.’ Pas na deze bezorgde uitlating vroeg hij naar mijn naam. Hij leek niet echt geïnteresseerd. Het tweede gerecht werd gebracht. Een grijzige lamsstoofschotel. Met milde afschuw, wuifde meneer Khan deze weg en vroeg of hij vegetarisch kon krijgen. Ik nam de lamsschotel. Eten wat de pot schaft, heb ik altijd geleerd. Tijdens het eten begonnen meneer Khan en ik over een ander hot issue. ‘Het is niet toegestaan dat lamsvlees te eten’, sprak hij mij aan zoals een vader zijn tienjarige dochter. ‘Dat is niet halal.’ Ik wist ook wel dat het niet halal was, maar had mijn spijswetten lang geleden versoepeld. ‘Ik reis veel voor mijn werk en ik moet eiwitten zien binnen te krijgen. Bovendien is het niet haram’, zei ik rustig. ‘Het is makruh.’ Heftig doorzocht ik mijn langetermijngeheugen. Wat betekende makruh nou ook alweer precies? ‘Neen, neen’, schudde meneer Khan belerend zijn hoofd. ‘Het is haram, haram!’ Bij elke haram trok hij zijn wenkbrauwen onheilspellend omhoog, alsof hij mij aan de hete hel wilde doen herinneren. ‘Wijn is haram’, daagde ik hem uit. ‘Wijn is juist makruh’, antwoordde hij snel. Meteen voegde hij eraan toe: ‘Alleen voor mannen. Voor vrouwen is wijn haram!’ Lachend zei ik: ‘Wat u doet is haramer dan wat ik doe‘, blij dat ik net op tijd mijn eigen glas wijn had weggeschoven. Anders kon ik het wel schudden om een redelijk gesprek met hem te hebben hierover. ‘Trouwens,’ pakte ik de draad weer op, ‘mijn vader zegt dat je soepel kunt omgaan met je geloof. Islam is heel pragmatisch. Wij hoeven niet te lijden, we zijn toch geen Boeddha’s? We

11


zijn gewone mensen. Als het niet anders kan, mag je niet-ritueel geslacht vlees eten. Bovendien woont de Paus in dit gebied. Het christendom heerst hier, een van de religies van het boek. Vlees eten op de bodem waar het christendom heerst is toegestaan.’ ‘Goed dan’, was zijn korte antwoord, terwijl hij in zijn schorseneren prakte. ‘Als u zo denkt, dan is het goed.’ Ik at verder. Dit lukte altijd. Zodra ik mijn vader als autoriteit aanhaalde kreeg ik geen weerwoord terug van mijn mannelijke Pakistaanse discussiegenoten. Als vrouw alleen moest ik me in allerlei bochten wringen om uiteindelijk de les gelezen te worden. Als ‘dochter van’ kon ik op gelijk niveau spreken. Nou ja, soms althans. Mijn ‘plaatsvervangende vader’ pakte de fles voor de zoveelste keer en vulde iedereen bij. De vrouwen eerst, hij was natuurlijk een gentleman. Mij sloeg hij uiteraard over. Binnen zijn normen had hij mij eer betoond door niet eens te vragen of ik wat harams wilde. Met vermoeide bewondering luisterde hij naar mijn verhalen over het werken in onveilig Nigeria. Een land dat door de ngo Transparency International tot het meest corrupte land ter wereld was bestempeld. Met Pakistan en Kameroen op de tweede en derde plaats. Alle wilde verhalen ten spijt, wilde hij maar een ding weten. ‘Neen, ik ben niet getrouwd’, beantwoordde ik zijn hamvraag. ‘Wel verloofd.’ In zulke situaties had ik me het liegen aangeleerd. Goedkeurend knikte hij. ‘Komt hij uit Pakistan?’ ‘Ja’, zei ik vol overtuiging. ‘Ik ken hem niet eens, maar ik vroeg mijn ouders vorig jaar om een huwelijk voor me te arrangeren. Wat zij beslissen, vind ik goed.’ Ik keek hem lief aan. ‘Dit is een goede zaak. U bent een goede dochter. Een respectabele Pakistaanse.’ Tevreden tikte hij met zijn vingers op het tafelblad. Mijn lof was binnen. Ik wist wel hoe ik een oudere man kon charmeren met mijn traditionele trucjes. Maar waarom loog ik nou? Waarom vertelde ik hem dat

12


ik een verloofde in Pakistan heb en een gearrangeerd huwelijk wilde? Het bleef me de hele avond dwarszitten. Eerst had ik allerlei normen aangehaald om te rechtvaardigen dat ik nietritueel geslacht lamsvlees at, en vervolgens deed ik hem geloven dat ik boven alles een gehoorzaam meisje was. Nu moest ik dit leugentje ook nog eens tijdens het seminar volhouden. Maar dat was niet eens wat me dwars zat. Zo verlangend naar goedkeuring en om erbij te horen, werd ik de hypocrisie zelve. Nee, bedacht ik me, zo mocht het niet verder. Ik nam mij voor vanaf nu gewoon te staan voor de dingen waarin ik geloofde. De avond werd nacht en de andere tafelgenoten gingen een voor een weg. Hier en daar bleef wat geroezemoes achter in de zaal. Ik wilde ook weg. Alleen… Er was een klein probleem. Ik durfde niet op te staan. Opstaan zou namelijk betekenen dat mijn Pakistaanse beschermheer mijn veel te korte rokje zou zien. Eentje van net boven de knie. De laatste mode, die middag gekocht in een boetiekje vlakbij het hotel. Oh ja, en een vleeskleurige panty, die de kleur van mijn benen accentueerde maar mij niet zediger maakte. Een ‘Pakistaanse goede dochter’ draagt geen rokje. Ik vervloekte mezelf. Waarom had ik nou een rokje aangedaan? Hier, bij een internationaal seminar over vluchtelingen, kon ik toch verwachten dat er een Pakistaanse delegatie zou zijn? Een land dat, nota bene op Iran na, de meeste vluchtelingen ter wereld kende. Ik bleef maar zitten. Misschien kan ik iets over me heen laten vallen en dan snel het tafellaken over mijn benen draperen. ‘Absurd!’ zei de Hollandse tante in mij. Bovendien, geen uitvoerbaar plan, tafel te groot. Neen, ik wacht wel tot hij weggaat. Daarna glip ik weg. Als het gesprek staakt, pak ik gewoon mijn agenda en mobiel. Om wat belletjes te plegen. Goed plan! Maar mijn tafelgenoot scheen niet weg te willen. Hij aasde op restanten wijn van de lege tafels tegenover hem. ‘In Pakistan is het zeer moeilijk wijn te krijgen’, mompelde hij dommelig. Het klopt wat men zegt, bedacht ik me; het was niet alcohol dat de Britten introduceerden aan de moslims van Paki-

13


stan. Wijn kenden ze al. Nee, de Britten brachten iets wat ze niet kenden: nuchterheid. Ik moest maken dat ik wegkwam. Terug naar mijn hotelkamer. Ach wat, wat kan het mij nou schelen, dacht ik. Gewoon staan voor de dingen! Doet hij toch ook? Ik fixeerde mijn blik op hem om zijn reactie op te vangen. Van achter de tafel kwam een romp op naakte benen tevoorschijn. Automatisch, met een blik die voor vrouwen met rokjes routine is, liet hij zijn ogen mijn benen volgen. In dat ene ongemakkelijke moment ontmoetten onze ogen elkaar. Knipperend richtte hij zijn aandacht op zijn glas, dat hij ietsjes te demonstratief oppakte. Uit respect keek ik maar weg en ook omdat ik het laatste vooroordeel niet wilde scoren. ‘Losbandige vrouw’ had ik nu net binnen, maar ‘hoer’ vond ik te ver gaan. ‘Shabe kheir’, zei ik zachtjes. Een paar korte knikken beantwoordden afwezig mijn goede-nachtgroet. Ik voelde dat hij mij had afgeschreven. Een onder de buste strak ingesnoerde Pakistaanse kamiz, dat mijn apsara figuur volledig tot haar recht had laten komen, had mij de titel ‘goede dochter van Pakistan’ doen behouden. In panty omhulde benen onder een kort rokje: dat is de grens. Waarom vond ik het belangrijk wat deze Pakistaanse meneer van me dacht? Waarom wilde ik bij hém horen? Me tot zijn normen bekennen, zodat hij mij tot zijn etnische, religieuze, sociale en culturele groep zou toelaten? Zo graag zelfs dat ik mezelf ontkende, me anders voordeed dan ik was. Zou ergens de oorzaak liggen in de emigratie van mijn ouders uit Pakistan naar het Westen? Migratie is wreed. Het maakt dat je voor altijd nergens bij hoort. Je hele leven lang ben je noch hier, noch daar. En dat vanwege een simpele reis naar het buitenland: een ‘enkeltje ontworteling.’ Migratie is ook mooi. Het verbreedt je horizon en geeft je volop gelegenheid je paradijs op aarde zelf in te richten. Dit boek gaat over beide processen waarin mensen hun identiteit vormen.

14


Een moslima ontsluiert