Skip to main content

Handleiding Trefwoord OB 2026-2027/1 - Op je plek

Page 1

In

A ST

cl

BRUG EN DEUR

ie

W RT

us e K f d EE

BRUG EN DEUR

OP JE PLEK

OP JE PLEK

2026-2027/1 ONDERBOUW TWDPOB32-1

2026-2027/1 ONDERBOUW

ONDERBOUW ZEKER EN ONZEKER

VRIJ ZIJN

Beeld: © Shutterstock

ZEKER EN ONZEKER 2026-2027/1 ONDERBOUW

VRIJ ZIJN 2026-2027/1 ONDERBOUW

2026-2027/1 17 AUGUSTUS T/M 13 NOVEMBER 2026


Waar en hoe ben ik op mijn plek en hoe geldt dat voor de ander? In dit thema onderzoeken kinderen hoe mensen hun (letterlijke of figuurlijke) plek in het (samen)leven zoeken. Ze ontdekken dat dit deels een persoonlijke zoektocht is, maar dat de plek van de een vaak ook iets te maken heeft met de plek van een ander. 2026-2027/1 WEEK 37 T/M 39

Op je plek Helemaal op je plek zijn, dat is een fijne ervaring. Hopelijk kent iedereen dat. Het kan op veel plekken en manieren: in een fijne klas, op jouw positie in een sportteam, binnen een vriendengroep of helemaal alleen op een bankje aan de rand van de heide. Daar ervaar je rust, kom je tot je recht en bloei je op. Het verschilt per persoon waar en in welke rol je je op je plek voelt. Het is waardevol als kinderen ontdekken op welke plek (of positie) zij zich prettig voelen, of juist niet, en wat maakt dat dat zo is.

48

Het thema ‘Op je plek’ gaat ook over de positie die je inneemt in de groep. En die plek wordt soms bevochten. In een gezin, bijvoorbeeld, kan het soms letterlijk en figuurlijk dringen zijn om een plek. Hetzelfde geldt voor een klas. Wie zit waar en wie mag welke positie innemen? Het gaat hier over samenleven. Hoe komen jij en de ander tot hun recht en wat vind jij dat je daarvoor moet doen of laten? Deze vraag gaat over het leven van alledag, maar kan ook gaan over onze samenleving als geheel: is er plek voor iedereen? Voor ouderen, vrouwen, kinderen, mensen met een beperking, zieken, nieuwkomers? Belangrijke vragen om met elkaar te verkennen, want een fijne plek, dat gun je iedereen.

We maken in dit thema via de Bijbelverhalen kennis met Jozef. Hij is de een-na-jongste zoon van Jakob, en een van de twee zonen die hij kreeg met zijn lievelingsvrouw Rachel. Jakob verwent Jozef en Jozef laat het lekker gebeuren. Hij doet er zelfs een schepje bovenop door te vertellen over zijn dromen, waarin zijn broers en vader voor hem buigen. Zijn broers kunnen niet wachten om Jozef op zijn plek te zetten en die kans doet zich op een dag voor: ze verkopen hem aan handelaren en ruimen hem zo uit de weg. Jozef belandt, ver van zijn vertrouwde thuis, in Egypte. Daar gaat hij van de ene naar de andere plek.


OP J E PLEK

Een plek zoeken Een kijkje in het kippenhok van de boer. Twee kippen lijken zich op hun gemak te voelen op een hogere, rustige plek. De haan neemt een kip mee op zoek naar een plek waar ze haar ei kwijt kan: zacht en veilig in het stro.

Trefwoord Digitaal Zie www.trefwoord.nl voor: Muziek Start- en slotviering Gebed 49


Open de Startkist Refrein: Kom in de kring, want Trefwoord begint. Open de Startkist en kijk wat je vindt. 2x Wat zie je? Wat hoor je? Een zin, een verhaal? Verrassing. Verbazing. Het kan allemaal. Refrein Wat denk je? Wat voel je? Wat brengt deze dag? Iets moois? Iets bijzonders? Doe mee met een lach. Refrein

50


WEEK 37

Waar voel jij je fijn en veilig? Thuis, op school en op andere plekken? Kinderen verkennen deze week wat maakt dat ze zich ergens wel of niet prettig voelen. De Bijbelverhalen in dit thema beginnen thuis bij vader Jakob en zoon Jozef. De broers van Jozef zijn jaloers op hem. Hij heeft van zijn vader een mooie jas gekregen en doet zichzelf belangrijk voor als hij vertelt over zijn dromen. Enkele broers willen Jozef doden als hij hen komt opzoeken in het veld, maar ze bedenken toch iets anders. Ze laten hem in een put zakken en verkopen hem even later aan koopmannen die naar Egypte reizen.

M A A N DAG 7 S E PT E MBE R

Jouw plek

Nieuwe kip, waar ben jij? (1)

(audioverhaal)

KIND EN SAMENLEIVNG

Weet jij waar ik ben? (gedicht)

DI N S DAG 8 S E PT E MBE R

Je plek in het gezin

Aan tafel! (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef woont bij vader Jakob (Bijbel,

groep 1/2)

Een buiging voor Jozef (Bijbel,

groep 3/4)

Jozef en de dromen (lied)

WOE N S DAG 9 S E PT E MBE R

Je plek in je familie

Startkist

Opa en oma (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef in de put (Bijbel, groep 1/2)

Jozef in de put, uit de put (Bijbel,

groep 3/4)

D ON DE RDAG 1 0 S E PT E MBE R

Je plek in de klas

In de kring (gedicht)

KIND EN SAMENLEVING

Naast juf (verhaal, groep 1/2)

Timo wil niet naar de instructietafel

(verhaal, groep 3/4)

VRI JDAG 1 1 S E PT E MBE R

Je lievelingsplek

KIND EN SAMENLEVING

Lievelingsplek (lied)

Ga je mee? (activiteit)

OP J E PLEK

Op je plek!

W E E KI NDE LI NG


MAANDAG 7 SEPTEMBER

Jouw plek

KIND EN SAMENLEVING

Weet jij waar ik ben?

Vier raadsels over plekken: laat de groep telkens raden waar de ik-persoon zich bevindt.

Raadsel 1: Ik wiebel heen en weer en hang tussen twee bomen. De zon schijnt op mijn huid. Ik voel de wind wel komen. Het is een toffe plek. Een plek die ik goed ken, maar ’s winters niet zo fijn. Weet jij waar ik nu ben? (Antwoord: op de schommel)

Waar is de nieuwe kip?

Dit is het kippenhok van de boer. Hij heeft net een nieuwe kip in het hok gezet. Ze vindt het spannend en heeft zich een beetje in het stro… Laat de kinderen de nieuwe kip aanwijzen. Waar zit ze precies?

Nieuwe kip, waar ben jij? (1)

De boer heeft Kootje, een nieuwe kip in het hok gezet. Haan vindt dat alle kippen goed voor haar moeten zorgen. Maar ’s avonds als de kippen op stok gaan is Kootje kwijt. Waar is ze? Na lang zoeken vinden ze haar. Kootje heeft een schuilplek gevonden om rustig te wennen.

Raadsel 3: Ik zet twee stoelen klaar en pak het dikke kussen. Daarboven komt een dak met dekentjes ertussen. Het is de mooiste plek, met lakens, hagelwit. Mijn papa brengt me thee. Weet jij waar ik nu zit? (Antwoord: in een tent)

Laat het audioverhaal horen. Dit is het eerste ingesproken verhaal van een serie van drie verhalen over deze kippen in het hok van de boer.

Raadsel 4: Ik roetsj hier met een vaart. De wind suist door mijn haren. Dit spannende gevoel moet je echt zelf ervaren. Dan plof ik met een klap in ’t zachte, groene gras. Ik gier het vrolijk uit. Weet jij waar ik net was? (Antwoord: op de glijbaan)

Gesprek Wat doet Kootje om te wennen op haar nieuwe plek? Voelt Kootje zich welkom in het kippenhok, denk je? Waarom? 52

Raadsel 2: Ik doe de deur op slot. Ik hoor hier niemand praten. Ik zit op mijn gemak en moet een windje laten. ’t Is fijn om hier te zijn. Zo rustig! Hoor je dat? Het water klotst heel hard. Weet jij waar ik net zat? (Antwoord: op het toilet)

Verwerking Vraag de kinderen zelf ook een raadsel te bedenken over een plek, zoals een lift of tuin. Wie kan het oplossen?


DINSDAG 8 SEPTEMBER

Je plek in het gezin Aan tafel!

Voor iedereen in dit gedicht is een plek aan tafel. De baby zit in de kinderstoel en als oma op bezoek komt, wordt er een stoel bijgeschoven. Aan tafel, aan tafel, het eten staat klaar. Het ei is gebakken, de groente is gaar. Ik schep het vast op, je hebt zeker wel trek. Ga zitten, ga zitten. Neem plaats op je plek. Je handen gewassen? Heel fijn, kom maar gauw! De stoel met het kussen is altijd voor jou!

We zien in deze keuken een moeder en twee kinderen. Wie heeft de foto gemaakt? Onbekend is of er meer gezinsleden zijn: een andere ouder of meer broers en zussen misschien. Ontdek samen hoe de gezinnen zijn samengesteld van de kinderen uit je groep. Laat ze opstaan en dan weer gaan zitten als ze: X een zus of bonuszus hebben; X een broer of bonusbroer hebben: X enig kind zijn; X in twee huizen wonen; X het oudste kind zijn.

Je vader zit hier, daar je zus Annelin. Jij mag in het midden en tussen hen in. Daarnaast staat de kinderstoel van je broer Sijt. Mijn stoel dicht ernaast, want ik voer hem altijd. En morgen komt oma bij ons op bezoek. Waar mag ze dan zitten? Naast jou op de hoek? ’t Was gisteren feest, je neef Ronnie at mee. Dat mocht op de bank, samen voor de tv.

OP J E PLEK

Uit wie bestaat dit gezin?

Voor jou is er altijd een plek in ons huis. Hier kun je jezelf zijn, want hier ben je thuis. Aan tafel, aan tafel, dus kom nu maar gauw. We zitten er al en we wachten op jou. De tafel gedekt en de groente is gaar. Ga zitten, ga zitten. Je stoel staat al klaar. Verwerking Laat de kinderen een tekening maken van de plek waar ze thuis avondeten. Bijvoorbeeld aan de eettafel, op de bank. Naast wie zitten ze? En waar zitten de overige gezinsleden? dinsdag gaat verder op de volgende pagina

53


DINSDAG 8 SEPTEMBER

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef woont bij vader Jakob (Bijbel)

Jozef heeft van zijn vader Jakob een mooie jas gekregen. Zijn broers zijn jaloers. Als Jozef ze vertelt over zijn dromen waarin de broers voor hem buigen worden ze boos. Ze vinden Jozef een opschepper. Een vertelling naar Genesis 37, 1-11. In het land Kanaän woont een jongen. Hij heet Jozef. Hij is zeventien jaar en heeft elf broers. De broers werken op het veld met de schapen. Jozef is thuis bij zijn vader. Jakob is de vader van Jozef. Hij is al oud. Jakob vindt het fijn dat Jozef vaak bij hem is. Jozef is zijn lievelingszoon. Jozef heeft een speciaal plekje in het hart van zijn vader. Daarom geeft Jakob aan Jozef een prachtige jas. Een jas met heel veel kleuren. De jas is lang. Als Jozef hem aanheeft, lijkt hij op een koning. ‘Krijgen mijn broers ook zo’n jas?’ vraagt Jozef. ‘Nee,’ zegt zijn vader Jakob. ‘Je broers kunnen zelf een jas maken. Van een schapenvacht.’ Vaak gaat Jozef zijn broers helpen met het verzorgen van de schapen en de geiten op het land. Soms ziet hij dat zijn broers stoute dingen doen. Als Jozef thuiskomt, vertelt hij zijn vader wat ze nu weer gedaan hebben. Daarom hebben de broers een hekel aan Jozef. Ze vinden hem een klikspaan. Op een ochtend wordt Jozef wakker. Ik heb gedroomd, denkt hij. Hij gaat snel uit bed. Zijn vader en broers ontbijten. ‘Ik heb gedroomd,’ zegt Jozef. ‘We waren op het land aan het werk. We ging korenstengels snijden. Ze lagen allemaal op de grond. Ik maakte er een grote bos van. Jullie deden dat ook.’ Jozef kijkt zijn broers aan. Ze kijken ook naar hem.

54

‘Ineens gingen mijn korenstengels rechtop staan. Toen maakten jullie korenstengels een buiging voor de mijne.’ Jozef zucht. Het was een prachtige droom.

Dan kijkt hij naar zijn broers. Hun gezichten staan boos. Hij kijkt naar zijn vader. Die schudt zachtjes zijn hoofd. De broers staan op en lopen weg. Ze gaan aan het werk. Ruben, de oudste broer van Jozef, blijft naast hem staan. ‘Denk jij dat wij voor jou gaan buigen? Denk jij dat jij onze koning wordt?’ Hij doet zijn hoofd achterover en lacht hard. Jozef legt zijn handen op zijn oren. De lach van Ruben klinkt naar. De volgende nacht droomt Jozef weer. En bij het ontbijt vertelt hij wat hij droomde. ‘Ik droomde dat de zon, de maan en elf sterren een diepe buiging voor mij maakte. Elf sterren,’ zegt hij. ‘Ik heb elf broers.’ ‘Jozef,’ roept zijn vader, ‘zijn je moeder en ik de zon en de maan?’ Jozef haalt zijn schouders op. ‘Misschien,’ zegt hij zacht. ‘Je denkt toch niet dat wij allemaal voor jou gaan buigen!’ roept zijn vader. ‘Misschien niet,’ zegt Jozef. Hij weet zelf ook niet wat die dromen betekenen. Hij vindt ze gewoon mooi.


Jozef heeft van zijn vader Jakob een mooie jas gekregen. Zijn broers zijn jaloers. Als Jozef ze vertelt over zijn dromen waarin de broers voor hem buigen worden ze boos. Ze vinden Jozef een opschepper en gooien zijn koningsjas in de struiken. Een vertelling naar Genesis 37, 1-11. Vader Jakob en Jozef zitten naast elkaar op het gras. Jozef gaapt, hij is moe. ‘Ga jij maar slapen. En droom maar fijn,’ fluistert Jakob. ‘Wacht, ik haal je jas. De mooie koningsjas die ik je gaf.’ Vader Jakob staat op en loopt snel naar binnen. Hij komt terug met een prachtige, kleurige jas. Die legt hij over Jozef heen. ‘Kijk, nu is jouw jas een deken,’ zegt Jakob. Maar Jozef slaapt al. Opeens klinkt er lawaai. Het zijn de broers van Jozef. Ze zijn op het land geweest. Ze hebben de hele dag op de schapen gepast. Nu hebben ze honger. ‘Is het eten al klaar?’ roept Ruben. ‘Hé! Kijk dáár!’ schreeuwt Simeon. Hij wijst naar Jozef. ‘Die ligt al te slapen! Onder zijn mooie jas.’ De broers lopen zacht naar Jozef toe. Opeens roepen ze hard in zijn oor: ‘Wakker worden, kleintje!’ Ze trekken hard aan de gekleurde jas. De broers vinden het niet eerlijk. Zij kregen niet zo’n mooie jas. Zij hebben alleen maar herderskleren. Simeon schudt nog eens aan de jas. ‘O, zijn jullie het. Ik dacht...’ vraagt Jozef slaperig. ‘Ja, wat dacht je?’ vragen de broers. Ze kijken niet vriendelijk. ‘Ik heb gedroomd,’ zegt Jozef. ‘Moet je horen! We waren allemaal buiten op het veld. Daar lagen de graanstengels op de grond. Mmm, dat zou lekker volkorenbrood worden straks. We raapten de stengels op en bonden er een touw omheen. We maakten er bossen van. Mijn bos, mijn korenschoof, stond in het midden. En toen maakten jullie korenschoven een buiging voor die van mij. Een heel diepe buiging. Alsof ik de koning was. En jullie mijn knechten.’

‘Doe niet zo raar!’ roepen de broers. ‘Wat ben jij toch een opschepper! Je bent geen koning! Jij bent niet belangrijker dan wij. Dat denk je misschien omdat je die mooie jas van papa kreeg... Dat is geen koningsjas, sufferd. Vergeet het maar. Ken je plek, kleintje!’ De broers zijn boos. Ze pakken Jozefs jas en gooien die een eind weg. De jas komt met een plof terecht in de struiken. ‘Kijk uit, straks scheurt-ie nog,’ roept Jozef. Jozef staat op om de jas uit de struiken te halen. Hij denkt: kan ik het helpen dat ik dit gedroomd heb? Die nacht heeft Jozef nóg een droom. Bij het ontbijt vertelt hij die aan zijn vader en zijn broers. ‘Ik heb nóg een droom gehad!’ begint hij vrolijk. De broers zuchten diep en zakken onderuit. Ze willen de dromen van Jozef helemaal niet horen. Maar Jozef vertelt gewoon verder. ‘Het ging weer over buigen,’ zegt hij. ‘Nu ging mijn droom over de zon, de maan en elf sterren. En allemaal bogen ze voor mij!’

OP J E PLEK

Een buiging voor Jozef (Bijbel)

‘Nou, Jozef,’ zegt zijn vader, ‘dat klinkt raar. Zijn je moeder en ik de zon en de maan?’ Jozef haalt zijn schouders op. ‘Misschien,’ zegt hij zacht. ‘Je denkt toch niet dat wij allemaal voor jou gaan buigen!’ roept zijn vader. ‘Vertel je dromen maar niet meer.’ ‘Goed zo, pap,’ zegt Ruben, de oudste zoon. ‘Je hoeft Jozef niet altijd voor te trekken.’ De broers staan op. Chagrijnig en boos. Ze worden steeds jaloerser op Jozef. Gesprek Wat maakt de broers zo boos, denk je? Hoe denken ze over Jozef? Wat doet het met jou als iemand wordt voorgetrokken?

dinsdag gaat verder op de volgende pagina

55


DINSDAG 8 SEPTEMBER

WOENSDAG 9 SEPTEMBER

Je plek in je familie Jozef en de dromen

Een lied dat het Bijbelverhaal volgt van Jozef. Hij wordt door zijn jaloerse broers in een put gezet en meegegeven naar Egypte. Daar wordt hij onderkoning. Jozef is zijn broers niet vergeten en geeft ze eten mee naar huis. Zing vandaag het eerste couplet. Jozef krijgt een nieuwe jas, een jas met mooie kleuren. Zijn broers zijn allemaal jaloers: ‘Dat moet hèm weer gebeuren!’ Jozef zit diep in de put. Hoe is dat toch gekomen? Zijn broers die pakken Jozef beet, ‘dan stopt hij wel met dromen.’ Jozef komt bij een mevrouw, die wil hem kusjes geven Hij moet naar de gevangenis en is daar lang gebleven. Farao begrijpt het niet, hij heeft steeds gekke dromen. De schenker zegt: ‘Ik ken een man,’ en dan mag Jozef komen. Jozef zit nu op de troon en geeft zijn broers te eten. Na al die jaren, ver van huis, is hij ze niet vergeten.

Wie zien we hier in de (stam)boom?

In een stamboom kun je zien wie het kind is van een moeder of vader. Wijs dat aan. En wie er een kind heeft of een kleinkind. Je eigen stamboom vertelt over je plek in de familie. Vertel zelf hoe jouw ouders en grootouders heten. Vraag de groep naar namen van hun ouders en opa’s en oma’s.

Startkist

Doe van tevoren een voorwerp in de Startkist dat gaat over iets wat je graag samendoet met een familielid. Bijvoorbeeld een koekjesvorm om te bakken of een bol katoen om te haken. Zet het kistje neer en zing samen het lied ‘Open de Startkist’. Geef het voorwerp door en laat de kinderen die het vasthouden vertellen wat zij graag doen met hun familie.

56


BRONNEN EN TRADITIES

Jozef in de put (Bijbel)

De ik-figuur vertelt over de warme band met opa en oma en de activiteiten die ze samen doen. Tip: Houd rekening met de gevoelens van de kinderen uit je groep die een opa of oma zijn verloren of geen contact hebben met hun grootouders. Zij hebben misschien wel een betrokken tante of buurvrouw.

Vader Jakob stuurt Jozef naar zijn broers. Ze willen hem doden, maar Ruben stelt voor hem in een put te laten zakken. Ze verkopen Jozef aan koopmannen die op weg zijn naar Egypte. Ze brengen zijn jas aan Jakob die denkt dat Jozef is opgegeten door een wild dier. Een vertelling naar Genesis 37, 12-36.

Met oma koekjes bakken en kiezen wat je eet. Bij oma met je knuffel gezellig op het kleed.

Jozef is samen met zijn vader Jakob. ‘Jozef,’ vraagt zijn vader, ‘wil jij iets voor mij doen?’ ‘Natuurlijk,’ zegt Jozef. ‘Wat moet ik doen?’ ‘Ga naar je broers. Ze zijn op het veld met de geiten en de schapen. Ga kijken of het goed met ze gaat.’ ‘Dat zal ik doen,’ zegt Jozef Hij trekt zijn prachtige jas aan en vertrekt.

Bij oma mag je zomaar een ijsje of kroket. Met oma naar de speeltuin en lekker laat naar bed. Bij opa en oma hoor ik erbij. Bij hen is er altijd een plekje voor mij. Een plek in hun hart, een plek in hun huis. Bij opa en oma voel ik me thuis. Met opa samen klussen. Of fietsen in de buurt. Een spelletje aan tafel, hoelang zo’n spel ook duurt. Met opa naar de kermis. Of zomaar naar de stad. En vissen in de vijver. Of met de hond op pad. Bij opa en oma hoor ik erbij. Bij hen is er altijd een plekje voor mij. Een plek in hun hart, een plek in hun huis. Bij opa en oma voel ik me thuis. Tip Het gedicht ‘Opa en oma’ is ook te beluisteren als lied.

Vlak bij een stad ziet Jozef zijn broers met de dieren. Zij zien hem ook aankomen. ‘Daar is die dromer,’ roept een broer. ‘Wat komt hij nou doen?’ vraagt een ander. ‘Kijken of wij verkeerde dingen doen? Gaat hij die dan weer aan onze vader vertellen? De klikspaan.’ Alle broers kijken boos naar Jozef die in de verte aankomt. ‘We kunnen hem doodmaken,’ zegt een broer. ‘Onze vader is er nu niet bij om hem te beschermen.’ ‘Nee,’ roept Ruben, ‘niet doodmaken. We gooien hem in een put. Een diepe put waar hij niet uit kan.’ Ruben denkt, als mijn broers vannacht slapen, dan haal ik Jozef weer uit de put. Daarna breng ik hem snel terug naar onze vader.

OP J E PLEK

Opa en oma

‘Hoe gaat het met jullie?’ zegt Jozef als hij bij zijn broers aankomt. De broers zeggen niks. Ze komen dicht om Jozef heen staan. Ineens grijpen een heleboel handen hem vast. ‘Pas op voor mijn jas,’ roept Jozef. ‘Hij scheurt.’ De broers gaan gewoon door. Ze tillen hem op en gooien hem in een put. Eén broer houdt de prachtige jas van Jozef vast. Die glijdt van hem af.

woensdag gaat verder op de volgende pagina

57


WOENSDAG 9 SEPTEMBER

Jozef kijkt naar boven. Hij ziet de gezichten van zijn broers. Ze lachen. Eén broer heeft zijn jas vast. De jas is vies en gescheurd. Het is donker en koud in de put. Kom ik hier ooit nog uit? denkt Jozef. De broers hebben honger gekregen. Ze gaan eten. Terwijl ze op hun eten kauwen, zien ze in de verte weer iets aankomen. Kamelen met heel veel spullen en mannen op hun rug. ‘Koopmannen,’ zegt broer Juda. ‘Op weg naar Egypte. Zullen we Jozef aan ze verkopen? Dan verdienen wij nog een beetje geld aan onze broer.’ De broers vinden het een goed plan. Ze halen Jozef uit de put. Jozef knippert met zijn ogen. In de put was het donker. Nu staat hij weer in de zon. Hij ziet koopmannen aankomen met de kamelen. ‘Hé,’ schreeuwt Juda naar de mannen. ‘Wij hebben iets te koop.’ Wat dan? denkt Jozef. Als de koopmannen dichterbij komen, snapt hij het. Zijn broers gaan hem verkopen! Juda neemt het geld aan. Jozef wordt met een touw vastgemaakt aan een kameel. Hij mag er niet op zitten. Hij moet lopen. Helemaal naar Egypte. Ruben was even weggeweest. Als hij terugkomt, loopt hij naar de put. ‘Jozef,’ fluistert hij. De put is leeg.

58

‘Waar is Jozef?’ roept hij naar zijn broers. Juda wijst naar de koopmannen, de kamelen en Jozef die in de verte verdwijnen. ‘Nee,’ roept hij. ‘Wat moeten we tegen onze vader zeggen?’ ‘Geef die prachtige jas van Jozef eens,’ zegt Juda. Er zitten scheuren in de jas. Juda maakt er nog een paar bij.

Hij smeert geitenbloed op de jas. ‘Deze geven we aan onze vader,’ zegt hij. Vader Jakob ziet de prachtige jas van Jozef. Hij drukt zijn gezicht erin. De jas ruikt nog naar zijn lieve zoon. Maar Jakob heeft het bloed aan de jas gezien. Hij denkt dat een wild dier Jozef heeft doodgemaakt. ‘Ik zal altijd verdrietig blijven,’ zegt hij. ‘Altijd. Tot ik Jozef weer zal terugzien.’ Dat zal nooit gebeuren, denkt Ruben.


Vader Jakob stuurt Jozef naar zijn broers. Ze willen hem doden, maar Ruben stelt voor hem in een put te laten zakken. Ze verkopen Jozef aan koopmannen die op weg zijn naar Egypte. Ze brengen zijn jas aan Jakob die denkt dat Jozef is opgegeten door een wild dier. Een vertelling naar Genesis 37, 12-36. Op een dag zegt vader Jakob tegen Jozef: ‘Wil jij wat voor me doen?’ ‘Natuurlijk, pap!’ lacht Jozef. ‘Wat moet ik doen?’ ‘Ik wil dat je naar je broers gaat. Ze zijn buiten met de schapen en geiten. Ik wil weten of het goed met ze gaat.’ ‘Leuk!’ zegt Jozef. ‘Dan trek ik mijn mooie koningsjas aan.’ ‘Eh... zou je dat wel doen?’ vraagt Jakob aarzelend. Maar Jozef is al weg. De broers zijn met de geiten en schapen in de stad geweest. Ze hebben een paar dieren verkocht en daar goed geld voor gekregen. Nu zijn ze op het open veld, buiten de stad. Opeens roept Juda: ‘Hé! Zien jullie dat?’ ‘Daar, in de verte! Dat is Jozef, ons kleine broertje.’ Simeon lacht. ‘Onze grote opschepper, zal je bedoelen.’ ‘Zeg dat,’ zegt Ruben. ‘Hij kent zijn plek niet. Hij doet net alsof hij de eerste en belangrijkste is.’ Simeon kijkt de broers aan en zegt: ‘Jongens, ik weet wat. We maken hem dood. Nú kan het. Papa is er niet.’ ‘Ja!’ roepen de andere broers. ‘Dat doen we!’ ‘Nee!’ roept Ruben. ‘We gaan niemand doodmaken! We gooien hem alleen in deze put.’ De broers kijken in een donker, diep gat. Er zit geen water meer in. ‘Da’s een mooie plek voor Jozef!’ vindt Simeon. Daar is Jozef, bij zijn broers. Hij lacht als hij hen ziet. ‘Dag, de groeten van papa. Hij wil weten hoe het met jullie gaat.’ ‘Heel goed,’ zeggen de broers. ‘Maar met jou niet!’ Meteen pakken ze Jozef stevig vast aan zijn mouw. ‘Hou op!’ gilt Jozef. ‘Zo gaat mijn jas stuk!’ ‘Weg met die koningsjas!’ schreeuwen de broers. Ze trekken Jozefs jas kapot en slepen Jozef naar de put. Daar laten ze hem aan een touw zomaar in de diepte zakken.

‘Haal me eruit!’ roept Jozef angstig. ‘Niks ervan!’ roepen de broers. ‘Dat had je gedroomd! Jij dacht dat wij voor jou als knechten zouden buigen, hè? Nou, daar komt mooi niks van in.’ Ze lachen. De gescheurde koningsmantel gooien ze aan de kant. Na een tijdje komen er koopmannen op kamelen aan. Ze reizen naar Egypte. ‘Ik krijg een idee!’ zegt Juda. ‘We halen Jozef uit de put. En we verkopen hem aan die koopmannen.’ ‘Goed plan!’ zeggen de anderen. Ze trekken Jozef aan het touw omhoog. Even denkt Jozef dat hij weer vrij is. Dan vragen de broers aan de mannen: ‘Wilt u een goede knecht kopen?’ De mannen kijken naar Jozef. ‘Is-ie sterk?’ ‘Heel sterk,’ zeggen de broers. ‘Kan-ie hard werken?’ ‘Heel hard!’ ‘Goed! We nemen hem mee.’ De broers verkopen Jozef. De mannen binden hem vast aan een touw. Hij moet achter de kamelen aanlopen naar Egypte.

OP J E PLEK

Jozef in de put, uit de put (Bijbel)

Dan pakken de broers de mantel. Ze maken hem kapot. En smeren er bloed van een dier aan. Als ze thuis zijn, laten ze vader Jakob de jas van Jozef zien. Jakob schrikt. ‘Is hij... o, wat verschrikkelijk. Jozef is vast opgegeten door een roofdier.’ Jakob huilt. Heel veel tranen. ‘Jozef, mijn lievelingszoon... nu ben je dood. Ik weet zeker: dit verdriet gaat pas over als ik Jozef ooit weer terugzie.’ De volgende morgen zit er één broer minder aan het ontbijt. Aan tafel is één plek leeg.

59


DONDERDAG 10 SEPTEMBER

Je plek in de klas

In de kring

Als je in de kring zit en goed om je heen kijkt, dan is er veel te zien. Lees het gedicht en speel daarna een aantal keren het raadspel ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is…’ In de kring, één, twee, drie. Wil je weten wat ik zie? Juf toont plaatjes uit een boek. Jonah draagt een spijkerbroek. Emma heeft haar knuffel mee. Mulan is verkleed als fee. In de kring, één, twee, drie. Wil je weten wat ik zie?

Waar is iedereen?

Bekijk samen de plaat en ontdek welke plek ieder kind nu heeft in de klas. Laat de groep deze plekken namen geven. Pak een knuffel of pop en bespreek met de groep wat een fijne plek voor hem kan zijn. Zet de knuffel of pop daar neer. Geef deze dag enkele kinderen de beurt om de knuffel of pop te verplaatsen naar hun eigen lievelingsplek. Wat maakt deze plek(ken) zo fijn?

60

In de wasbak drupt een kraan. Buiten zie ik wolken gaan. Het gordijn waait heen en weer. In de huishoek zit een beer. In de kring, juf gaat staan. Tijd om aan het werk te gaan.


Naast juf

Jano verheugt zich erop dat hij naast juf mag zitten in de kring. Maar jammer genoeg gaat dat niet door omdat er een nieuw kind komt wennen. Jano voelt zich daarna alleen en teleurgesteld. Maar tijdens het buitenspelen pakt hij zijn kans als er een plek vrijkomt naast juf op een bankje. Als mama de stoep oprijdt bij school, gaat Jano al in de bakfiets staan. ‘Voorzichtig, nog even zitten!’ roept mama. ‘Snel,’ zegt Jano. ‘Ik mag vandaag in de kring naast juf zitten. Ik wil naar binnen.’ Nog voordat mama de fiets geparkeerd heeft, springt hij al uit de bak. ‘Je hoeft niet mee, ik ga zelf,’ zegt hij. Hij pakt zijn rugzak, geeft mama een kus en loopt naar binnen. Onderweg heeft hij zijn jas al losgemaakt. Die gooit hij op de kapstok, zijn rugzak doet hij in de krat in de klas. Snel loop hij naar de kring. Zijn stoel staat naast jufs stoel, dus daar loopt hij heen. ‘Hé,’ roept hij. Hij wijst naar de stoelen naast juf. Daar zit niet zijn plaatje op. Links staat Maria’s stoel. De stoel rechts kent hij niet. ‘Hoi Jano,’ zegt juf, ‘er komt vandaag een nieuwe jongen in de klas. Die mag naast mij zitten. Jij mag morgen.’ Jano kijkt juf aan. Zij kijkt alsof alles gewoon is. Maar dat is niet zo. ‘Ik mocht naast jou zitten,’ zegt Jano. Hij zet zijn handen in zijn zij. Even aait juf door zijn haar. ‘Ik weet het vent, maar ik was vergeten dat er een nieuw kind komt vandaag. Je mag morgen.’ Jano kijkt zo boos als hij kan. Toen hij vanmorgen wakker werd, wist hij meteen dat hij vandaag naast juf mocht zitten. Hij kon al bijna voelen hoe gezellig dat zou zijn. Nu gaat dat ineens niet door. ‘Ga maar lekker zitten, Jano,’ zegt juf zacht. ‘Je stoel staat daar.’ Zijn stoel staat naast die van Sep. Sep is aardig. Maar een plek naast Sep is anders dan een plek naast juf. Met kleine stappen loopt Jano naar zijn stoel. Hij heeft het een beetje koud. ‘Zullen we straks in de zandbak?’ vraagt Sep als Jano naast hem gaat zitten. Jano haalt zijn schouders op. Hij heeft geen zin in spelen. Hij heeft zin in naast juf zitten.

De gewone dingen beginnen: juf leest de namen voor, ze zingen het liedje van de dagen en een paar kinderen mogen iets vertellen. Jano steekt niet zijn vinger op. Hij heeft nergens meer zin in. Na de kring gaan ze buitenspelen. ‘Kom je?’ vraagt Sep. ‘Mij best,’ zegt Jano. Hij gaat op de rand van de zandbak zitten. Juf gaat met de juffen van de andere groepen op het bankje zitten. De hele bank zit nu vol juffen. Ze drinken koffie en kletsen. Het lukt Jano niet om een zandtaart te bakken. Hij blijft naar juf staren. Ineens ziet hij dat juf Marijke van de andere groep opstaat. Ze gaat met alle koffiebekers in haar handen naar binnen. De zeef valt uit Jano’s hand. Hij staat op en maakt zijn rug recht. Zo hard hij kan rent hij naar het bankje en ploft naast juf neer. ‘Hé Jano,’ zegt ze, ‘wat leuk dat je naast me komt zitten.’ Janno knikt alleen maar. Hij schuift net zo lang heen en weer tot hij lekker zit. Zijn schouder raakt de arm van juf. Het is heerlijk warm. ‘Dit is een fijne plek,’ zegt hij zacht. Juf lacht en legt haar arm om zijn schouders. Nou is het echt de beste plek van de hele wereld, denkt Jano.

OP J E PLEK

KIND EN SAMENLEVING

donderdag gaat verder op de volgende pagina

61


DONDERDAG 10 SEPTEMBER

Timo wil niet naar de instructietafel

De juf merkt dat Timo moeite heeft met de spellingsregels. Timo wil niet aan de instructietafel komen zitten, maar dat moet wel van de juf. Na een poosje merkt hij dat het wel fijn is om daar samen met de juf te oefenen.

Het is stil in de klas van juf Marga. Ze heeft net de nieuwe spellingregel uitgelegd en gaat nu woordjes met de kinderen oefenen. Timo krast met zijn stift op het wisbordje en tekent een poppetje. Woordjes schrijven vindt hij het stomst wat er is. Al die regels die je moet onthouden... Als de juf begint te praten schrikt Timo op. Hij ziet het poppetje en veegt het snel uit. ‘Aan de tak groeit een blaadje,’ zegt juf Marga. ‘Schrijf op groeit.’ Alle kinderen zetten hun stift op het bordje, Timo ook. Maar zijn stift schrijft niet. Het tekent als vanzelf een tak. En aan de tak groeit een blaadje. Ineens staat de juf naast hem. ‘Timo,’ zegt ze zacht. ‘Probeer je ook te schrijven?’ Timo knikt, maar zijn stift aarzelt onder de tak. Welke letter moet ook alweer vooraan? ‘G... groeit’ helpt de juf hem. Timo schrijft de g en zodra hij hem af heeft zegt de juf de r.... Timo schrijft verder. ‘Oei,’ zegt de juf. Timo schrikt overeind. Oei? Snel kijkt hij op zijn wisbord. Wat heeft hij fout gedaan? De juf schiet in de lach. ‘Nee, ik bedoel dat je nu de klank oei moet opschrijven,’ zegt ze. ‘Weet je nog wat ik daarover heb verteld?’ Timo knikt, ook al weet hij het niet meer precies. ‘Fijn,’ zegt de juf. Ze loopt terug naar het bord voor in de klas. Timo bijt op zijn lip. Het was iets met een j. Met het puntje van zijn tong uit zijn mond schrijft hij oej en houdt dan zijn bordje trots in de lucht. Als alle bordjes in de lucht zijn schrijft de juf het woord op het bord. ‘Je hoort de j bij oei maar je schrijft de i,’ herhaalt ze. Zuchtend veegt Timo zijn woord uit. Hij leert het echt nooit.

62

De juf geeft het volgende woord. Zo stiekem mogelijk kijkt Timo naar het bordje van Julia naast hem en schrijft de woorden na. Het helpt, want hij heeft maar twee foutjes na vijf woordjes. Als de wisbordjes zijn opgeruimd mag iedereen de opdrachten in zijn werkboek gaan maken. ‘Timo,’ zegt de juf. ‘Kom jij even bij mij aan de instructietafel? Neem je wisbord maar mee.’

Timo schudt zijn hoofd en buigt zich over zijn werkboek. Hij gaat echt niet voorin de klas zitten waar iedereen hem kan zien. ‘Timo?’ De juf trekt een wenkbrauw op en geeft met een hoofdknik aan dat hij naar haar toe moet komen. Timo schudt nog harder nee. Hij wil niet daar niet zitten. Dan weet iedereen dat hij het niet kan. Hij begint te werken in zijn boek als de juf naar hem toe komt. ‘Kom,’ zegt ze zacht. ‘Ik ga je helpen.’ Boos staat Timo op en loopt met zijn wisbord mee. Aan de instructietafel legt de juf stap voor stap de regel nog een keer uit en oefent samen met Timo. Steeds herhaalt en doet hij wat zij zegt. En dan ineens heeft hij het woord in een keer helemaal zelf goed opgeschreven. En nog een. Timo gloeit van trots. ‘Wil je je werkboek maken op je eigen plek of hier?’ vraagt de juf. ‘Hier,’ zegt Timo meteen. Samen met de juf is soms best fijn. Gesprek Hoe vind jij het om voorin de klas bij de juf of meester te komen werken? Wat vind je de fijnste plek in de klas om te werken?


VRIJDAG 11 SEPTEMBER

Je lievelingsplek

KIND EN SAMENLEVING

Lievelingsplek

Een lied over verschillende lievelingsplekken met de vraag aan de kinderen wat hún lievelingsplek is. Een plek die bijvoorbeeld warm, gezellig of fijn is.

De jongen en de hond kunnen hier vanuit een warme plek lekker naar buiten kijken. Het plekje is beschut, het voelt misschien knus aan. Hebben de kinderen uit je groep ook huisdieren? Wat is de lievelingsplek van deze dieren? Hebben ze een mand, een deken, een schuilplekje? Mogen ze op de bank, op een stoel of op het kleed onder de tafel liggen? Laat kinderen er een tekening van maken. En wat is de lievelingsplek van de kinderen? Waar spelen ze graag? Waar rusten ze graag uit? Laat ze dat aan hun maatje vertellen. Wat maakt die plek zo fijn?

Mijn lievelingsplek is de stoel in de hoek. Daar wacht ik op papa. Daar lees ik een boek. Heb jij ook zo’n plek waar je graag wil zijn? Omdat het er warm is, gezellig en fijn? Waar voel je je veilig? Waar is het te gek? …………… is mijn lievelingsplek.

OP J E PLEK

Wat vinden zij fijn aan deze plek?

Mijn lievelingsplek is het kleed op de grond. Daar lig ik te dromen met Diesel, de hond. Heb jij ook zo’n plek waar je graag wil zijn? Omdat het er warm is, gezellig en fijn? Waar voel je je veilig? Waar is het te gek? …………… is mijn lievelingsplek.

Mijn lievelingsplek is de rand van het bad. Daar speel ik met water en maak alles nat. Heb jij ook zo’n plek waar je graag wil zijn? Omdat het er warm is, gezellig en fijn? Waar voel je je veilig? Waar is het te gek? …………… is mijn lievelingsplek.

Ga je mee?

Vertel de kinderen dat ze ontspannen gaan zitten en de ogen mogen sluiten. Laat ze diep in- en uitademen. Vraag of ze klaar zijn om mee te gaan naar een fijne plek. Zet de muziek aan en nodig de kinderen uit weg te dromen naar een plek die ze fijn vinden. Is het in het bos, bij de zee of lekker op hun eigen kamer? Laat ze er rustig rondkijken en genieten. Wat zien ze daar? Bespreek kort na waar ze waren. En wat deze plek fijn maakt. 63


64


WEEK 38

W E E KI NDE LI NG

Op verschillende momenten zoeken we een andere plek, die past bij hoe we ons voelen en wat we nodig hebben. Deze week nemen we die plekken onder de loep. Waar vind je een rustige plek of een veilige? Wat maakt een plek interessant? En bij wie kruip je graag op schoot? Wanneer verander je van plek? In de Bijbelverhalen horen we dat Jozef terechtkomt in Potifars huis. Na de beschuldiging door de vrouw van Potifar wordt Jozef naar de gevangenis gestuurd. Daar valt hij op en mag hij dromen uitleggen voor de farao.

Ik zoek een rustige plek

Kootje Kip zoekt een rustige plek (2)

(audioverhaal)

Startkist

Plakbriefjes (activiteit)

KIND EN SAMENLEVING

Als je stil bent (lied)

DI N S DAG 1 5 S E PT E MBE R

Ik zoek een veilige plek

Veilig in het speelhuis (gedicht)

KIND EN SAMENLEVING

De hut van Agnes (verhaal, groep 1/2)

Boink, beng, bang! (verhaal, groep 3/4

WOE N S DAG 1 6 S E PT E MBE R

Ik zoek een interessante plek

In mijn wijk (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef in het huis van Potifar (Bijbel,

groep 1/2)

Jozef in het huis van Potifar (Bijbel,

groep 3/4)

D ON DE RDAG 1 7 S E PT E MBE R

Ik zoek een plek van aandacht

Knuffelbeer in de kring (activiteit,

groep 1/2)

Op schoot (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

In de gevangenis (Bijbel, groep 1/2) Jozef zit in de gevangenis (Bijbel,

groep 3/4)

VRI JDAG 1 8 S E PT E MBE R

Een nieuwe plek

KIND EN SAMENLEVING

Mijn plek? De gymzaal! (gedicht,

groep 1/2)

Onder dezelfde maan en sterren

(verhaal, groep 3/4)

OP J E PLEK

Ik zoek een plek

M A A N DAG 1 4 S E PT E MBE R


MAANDAG 14 SEPTEMBER

Ik zoek een rustige plek

Kootje Kip zoekt een rustige plek (2)

Kootje Kip kan nergens haar ei kwijt, ze vindt het te druk in het kippenhok. Gelukkig is Haan behulpzaam en biedt haar zijn plekje aan. Daar is het rustig en lukt het Kootje wel een ei te leggen. Laat het audioverhaal horen. Dit is het tweede ingesproken verhaal over de kippen in het hok van de boer. Gesprek Wat doet Haan om Kootje Kip te helpen? Op welke plek kan Kootje wel een ei leggen? Hoe komt dat?

Startkist

Waar zie je een rustige plek voor Kootje?

Wanneer vind je een plek een drukke plek? En waar vind je een rustige plek? Wie uit de groep houdt er meer van een drukke plek? Waarom? En wie van een rustige plek? En wie houdt er van allebei? Waarom?

Leg van tevoren een horloge, zandloper of eventueel je mobiel in de Startkist om de tijd af te lezen. Zet het kistje neer en . zing samen het lied ‘Open de Startkist’. Doe een luisteractiviteit. Vraag de kinderen om één of twee minuten helemaal stil te zijn en goed te luisteren. Houd de tijd bij. Welke geluiden merken ze op? Welke komen van buiten en welke uit het eigen lokaal? Bespreek ze na afloop met elkaar. Herhaal de opdracht. Wat horen ze dan? Dezelfde geluiden of andere? Praat ook over wat de oefening met ze doet. Wie wordt er rustig van? Wie vindt de stilte prettig? Waarom? Wie vindt dat niet? Hoe komt dat?

Plakbriefjes

Geef vijf kinderen een plakbriefje. Vraag ze dat op te hangen op een rustige plek in of om het klaslokaal. Bespreek de vijf plekken. Stel dan vragen als: Vindt de groep dit ook een rustige plek? Waarom? Wat kan je hier voor activiteit doen om rustig te worden? Is er op deze plek soms ook onrust? Hoe komt dat? Weet de groep nog een rustigere plek dan deze? Hang het briefje dan daar op.

66


KIND EN SAMENLEVING

Als je stil bent

Een lied over allerlei geluiden die je kunt horen als je stil bent. Ook de kippen over wie we in dit thema vertellen, komen erin voor. Welke geluiden maken zij? Refrein: Als je stil bent hoor je dingen, hoor je soms een nieuw geluid. Die geluiden kun je zingen. Hoe ziet jouw geluid eruit?

Refrein Het tikken van de klok… De kippen in het hok… Het snorren van het vuur… Het vallen van een muur…

OP J E PLEK

Het huilen van de wind… Het lachen van een kind… Het kletteren van water… Het spinnen van de kater…

Refrein

67


DINSDAG 15 SEPTEMBER

Ik zoek een veilige plek

Veilig in het speelhuis

Op het schoolplein staat een speelhuis waar je lekker rustig kunt zitten. De ik-figuur voelt zich er prettig en veilig. Op het plein staat een speelhuis, daar ben ik heel graag. Gisteren was ik daar net als vandaag. Het is er zo rustig, precies wat ik wil. Geen lelijke woorden, geschreeuw of gegil.

Waar zou jij gaan zitten als je een veilige plek zoekt?

Regelmatig is het erg druk in de speeltuin. Dan voelt niet iedereen zich prettig en veilig. Er is drukte en lawaai. Misschien word je geraakt door de bal. Welke plek zou jij kiezen als je bescherming zoekt?

68

Op het plein staat een speelhuis, daar ben ik alleen. Niemand die stoort me. Geen kind om me heen. Geen blaffende hond, geen gegooi met een bal. Niemand die naar doet, onaardig of mal. Op het plein staat een speelhuis, die plek is heel stil. Ik voel me er veilig en doe wat ik wil. Ik neurie een lied of ik speel een klein spel. En ben ik graag samen, dan roep ik je wel.


KIND EN SAMENLEVING

Agnes blijft liever in de klas, het plein vindt ze druk. Eenmaal buiten ziet ze een afgebroken tak en begint een schuilhut te bouwen. Na het buitenspelen gaat de groep op zoek naar Agnes. Waar is ze? Triiiiing! De schoolbel gaat. Alle kinderen van groep 2A springen op. ‘Joepie buitenspelen!’ klinkt het in koor. Ze gaan in de rij staan. Alleen Agnes niet. Agnes blijft op haar stoel zitten. Zo stil en onbeweeglijk mogelijk. Dan ziet juf Isa haar misschien niet. ‘Agnes!?’ De stem van juf Isa golft over de lege stoelen. Agnes duwt haar hoofd tussen haar schouders. ‘Agnes, wil jij niet naar buiten?’ vraagt juf Isa verbaasd. ‘Ik blijf liever hier,’ zegt Agnes, ‘het is zo druk op het plein.’ ‘Ach,’ zegt juf Isa kordaat, ‘ga toch lekker buiten spelen. Dat is gezond.’ Ze duwt Agnes zacht van haar stoel. Met gebogen hoofd sloft Agnes naar buiten. ‘Hey, kijk uit!’ gilt iemand. Agnes schrikt. Twee jongens doen een renwedstrijd. Ze kunnen Agnes nog net op tijd ontwijken. Agnes kijkt om zich heen. Overal zijn kinderen aan het rennen, en springen, en ruzie maken. De zandbak misschien, denkt Agnes. Aarzelend loopt ze erheen. ‘Mag ik meespelen?’ vraagt ze zacht. De kinderen horen haar niet.

‘Agnes! Agnes!’ Agnes schrikt op. Hoort ze dat nou goed? Roept iemand haar naam? ‘Agnes! Agnes!’ Plots zijn er overal stemmen. Het zijn haar klasgenoten. Ze zijn op zoek naar haar! Agnes houdt haar adem in, en luistert. Wat fijn om haar naam te horen. ‘Hé juf, hier zit ze!’ schreeuwt Mo. Hij heeft haar gevonden. Binnen drie tellen staan al haar klasgenoten rond de hut. ‘Oef, hier ben je,’ lacht juf Isa, ‘we hebben je overal gezocht. Kom je uit de hut, Agnes? Dan kunnen we weer naar de klas.’ ‘Wat een gave hut!’ roept Mo, ‘mag ik er ook in, Agnes?’ ‘Ja, en ik!’ ‘En ik!’ klinkt het nu door elkaar heen. Agnes wijst naar juf Isa. ‘Jij mag eerst,’ fluistert ze. Juf Isa kruipt bij Agnes in de hut. Het is een beetje krap, maar het past net. Zwijgend zitten ze tegenover elkaar. Ze glimlachen. ‘Wil je thee?’ vraagt Agnes. En ze schenkt, net alsof, twee kopjes thee in. Eentje voor juf Isa en eentje voor zichzelf.

OP J E PLEK

De hut van Agnes

dinsdag gaat verder op de volgende pagina

Hé, wat is dat? Aan de rand van het schoolplein is een grote tak van de boom gevallen. Agnes pakt de tak, en zet hem schuin tegen de boom. Ze breekt nog wat kleine takken af. Die zet ze tegen de grote tak. Daarbovenop legt ze bladeren. Ja, zo wordt het een echte hut! Agnes kruipt naar binnen. Ze kijkt tevreden om zich heen. Wat een mooie hut! Helemaal voor haar alleen! Opgelucht sluit Agnes de ogen. Ze fantaseert over een grote boomhut, met wel vier verdiepingen. Triiiiing! De schoolbel gaat weer. De kinderen rennen naar binnen. Agnes houdt nog steeds haar ogen gesloten. Wat is het hier rustig. Haar hut is ook te mooi om achter te laten. Laat ze daarbinnen maar lekker werken zonder haar. 69


DINSDAG 15 SEPTEMBER

Boink, beng, bang!

Oleksandr woont sinds kort in Nederland. Als hij harde geluiden hoort, schrikt hij daar erg van. Zijn groep bedenkt hoe ze een veilige plek voor hem kunnen maken.

70

Meester Bram is klaar met de uitleg en draait zich naar de klas. ‘Nu mogen jullie opdracht één afmaken,’ zegt hij. ‘Daarna kijken we het samen na.’ ‘Samenwerken?’ vraagt Sandra meteen aan Oleksandr. Hij is nog niet zo lang in Nederland en vindt schrijven moeilijk. Oleksandr knikt blij met de hulp. Sandra wil net iets aanwijzen als er een harde dreun door de klas klinkt. Boink! Voor in de klas is Thijs met zijn stoel achterovergevallen. ‘Niks kapot?’ vraagt de meester als Thijs overeind krabbelt. Thijs schudt zijn hoofd. ‘Gelukkig. Snel aan het werk dan. En laat de stoel maar op vier poten staan. Dat is beter voor de stoel. En ook beter voor jou,’ voegt hij er met een knipoog aan toe. Sandra giechelt en wil verder werken, maar naast haar zit Oleksandr in elkaar gedoken met dichtknepen ogen onder zijn tafel. Zijn handen drukken tegen zijn oren. ‘Oleksandr,’ zegt Sandra. Oleksandr beweegt niet. Sandra duwt tegen zijn arm. Oleksandrs ogen schieten open. Hij kijkt haar angstig aan en ademt snel. ‘Wat is er?’ Oleksander kijkt van onder de tafel de klas in. Langzaam komt er weer wat kleur in zijn gezicht en wordt hij rustiger tot er voor in de klas iets gebeurt. Beng! Sascha duwt hard haar laadje dicht. ‘Klaar!’ roept ze. Opnieuw duikt Oleksandr in elkaar, knijpt zijn ogen dicht en perst zijn handen tegen zijn oren. ‘Meester!’ roept Sandra. Ze wijst naar Oleksandr. ‘Hij doet zo raar.’ Meester Bram gaat op zijn hurken naast Oleksandr zitten. Hij praat rustig terwijl hij zijn hand op zijn rug legt. Pas na een tijdje opent Oleksandr zijn ogen, stopt met rillen en haalt zijn handen van zijn oren. ‘Schrik je van die harde geluiden?’ vraagt de meester. Oleksandr knikt. ‘Wat zielig!’ zegt Sandra meteen. ‘We moeten hem helpen.’

Meester Bram staat op en loopt naar voren. ‘Dat is een goed plan,’ zegt hij. ‘Leg allemaal maar je potlood neer. Voor we verder gaan bedenken we hoe we Oleksandr kunnen helpen om zich veilig te voelen in de klas.’ Sascha steekt haar vinger op en mag als eerste haar idee vertellen. ‘Geen harde geluiden meer maken.’ De meester schrijft het op het bord. Snel volgen er meerdere ideeën: een geluiddempende koptelefoon, een knuffel op zijn tafel, een fijne plek met kussens in de klas waar hij zich kan terugtrekken. ‘Goede ideeën,’ zegt de meester. ‘We gaan het meteen regelen.’ Twee kinderen gaan naar de schoolbibliotheek om kleurige zachte kussens te halen. Sandra en Oleksandr gaan bij de kleuters een knuffel voor hem uitzoeken en Sacha haalt een koptelefoon bij groep 8. Als iedereen terug in de klas is draait de meester twee kasten van de muur. Tussen de achterkanten komen de kussens, koptelefoon en knuffel. Li heeft ondertussen een huis getekend met erboven de naam van Oleksandr. Dat komt bij de kasten te hangen. ‘Oleksandr, dit is vanaf nu jouw veilige plek,’ zegt de meester. Oleksandrs wangen worden rood van blijdschap. ‘Weet je wat?’ zegt de meester. ‘Ga jij daar maar zitten samen met Sandra. Ik pak een boek voor een mooi verhaal.’ Voor de meester terug is zitten ze er. De meester begint te lezen. Sandra leunt tegen een kussen. Oleksandr glundert met op zijn hoofd de koptelefoon en in zijn armen de knuffel tegen zich aangedrukt. Gesprek Hoe zou het kunnen komen dat Oleksandr schrikt van harde geluiden? Van welke geluiden schrik jij weleens? Wat doe je dan om je veilig te voelen?


WOENSDAG 16 SEPTEMBER

Ik zoek een interessante plek

In mijn wijk

De ik-figuur woont in een wijk met fijne plekken zoals de parkvijver, buurtwinkel en een speelplaats.

Wat maakt deze plek bijzonder?

Maan kijkt naar een fontein in de stad. Het water beweegt, ze kan het aanraken. Het is lekker koel. Maan speelt graag met het water en ze kijkt er graag rond. Vraag de kinderen wat zij een bijzondere plek vinden, omdat er iets mooi is om te zien of te beleven. Laat ze hierover vertellen. Vertel zelf wat jij een bijzondere plek vindt en waarom. Zijn er in de omgeving van de school bijzondere plekken, zoals een (stand)beeld, een park of bijzonder gebouw?

In mijn wijk is een winkel met stenen en zo. Daar koop ik soms iets als verjaardagscadeau. Ik ga er graag heen en ik kijk lekker rond. Wist jij dat er zo’n leuke winkel bestond? In mijn wijk is een speelplaats, daar klim je zo fijn. Met touwen omhoog en omlaag langs een lijn. Met planken en balken, een speeltuigparcours. Wie niet in mijn wijk woont, is super jaloers.

OP J E PLEK

In mijn wijk is een vijver die ligt in een park. Daar ga ik vaak heen met Asmara en Mark. We staan langs de kant en ik tuur in het riet. Kijk, daar gaat een vis en ik lach en geniet.

In mijn wijk zijn veel plekken, een plein en een hoek. In jouw wijk vast ook, dus ga maar op zoek. Iets vrolijks, iets moois, iets grappigs of iets kleins. Wanneer je goed zoekt vind je altijd iets fijns. Gesprek Wat vind je een fijne plek in je straat of buurt? Waar kom je graag en waarom?

71


BRONNEN EN TRADITIES

Jozef in het huis van Potifar (Bijbel)

Jozef komt in Egypte terecht. Hij wordt knecht in het huis van Potifar. Op een dag wil mevrouw Potifar een zoen van Jozef, maar Jozef weigert. Ze zegt tegen haar man dat Jozef háár wilde zoenen. Potifar laat Jozef daarom opsluiten in de gevangenis. Een vertelling naar Genesis 39, 1-20. Na heel lang lopen, komt Jozef in het land Egypte. Daar verkopen de koopmannen hem aan meneer Potifar. Meneer Potifar is een belangrijke man. Hij werkt voor de farao van Egypte. Een farao is zoiets als een koning. Meneer Potifar heeft een heel groot huis. En veel bedienden, mensen die voor hem werken. ‘Hier Jozef,’ zegt meneer Potifar, ‘ik heb een jas voor jou.’ Even hoopt Jozef dat het een prachtige jas is. Hij pakt de jas aan. Het is een werkjas. Jozef moet meneer Potifars huis schoonmaken. En de planten in de tuin watergeven. De bomen snoeien. Jozef werkt hard. Het huis is blinkend schoon. De planten hebben grote bloemen. De bladeren van de bomen zijn groot en glanzend. Meneer Potifar zit in de schaduw van een boom. ‘Jozef,’ roept hij. Jozef rent naar hem toe. ‘Jij werkt heel hard,’ zegt meneer Potifar. ‘Je bent geweldig.’ ‘God helpt mij,’ zegt Jozef. ‘Daarom gaat alles zo goed.’ Meneer Potifar knikt. ‘Ik vertrouw jou,’ zegt hij. ‘Ik ben de belangrijkste in dit huis. Maar jij bent de tweede. Jij mag alles beslissen. Behalve wat ik eet. Dat wil ik zelf kiezen.’

72

Vanaf die dag hoeft Jozef niet meer schoon te maken. Of de planten water te geven en de bomen te snoeien. Jozef is de baas van de andere bedienden. Hij loopt elke dag door het grote huis om te kijken of zij goed werken. ‘Jozef,’ hoort hij ineens. Het is de stem van mevrouw Potifar. Ze is in de slaapkamer. Jozef gaat erheen.

Misschien wil ze iets eten. Als hij de deur opendoet, ziet hij dat ze op bed ligt. Is ze ziek? ‘Kom, Jozef,’ zegt ze. Jozef loopt naar het bed. ‘Kom naast me liggen,’ zegt ze. ‘Nee,’ roept Jozef, ‘dat is niet mijn plek. Dat is de plek van meneer Potifar.’ ‘Maar die is er niet,’ zegt mevrouw Potifar. ‘Daarom wil ik jou kusjes geven. Hij ziet het toch niet.’ ‘Nee,’ zegt Jozef, ‘meneer Potifar vertrouwt mij. Ik doe dat niet.’ Hij wil wegrennen, maar mevrouw Potifar houdt zijn jas vast. De jas glijdt van Jozef af. Keihard gilt mevrouw Potifar: ‘Help, help. Jozef wil mij kwaad doen. Kijk maar, ik heb zijn jas nog hier.’ Er komen een heleboel bedienen naar de slaapkamer van mevrouw Potifar. Ze zien de jas van Jozef. ‘Hij wilde mij kusjes geven,’ zegt mevrouw Potifar. Snel wordt meneer Potifar erbij gehaald. Hij wordt verschrikkelijk boos op Jozef. ‘Naar de gevangenis jij,’ roept hij. Zo komt Jozef in de gevangenis terecht. Het is er koud en donker. Net als toen ik in de put zat, denkt hij. Kom ik hier ooit nog uit?


Jozef komt in Egypte terecht. Hij wordt knecht in het huis van Potifar. Op een dag wil mevrouw Potifar een zoen van Jozef, maar Jozef weigert. Ze zegt tegen haar man dat Jozef háár wilde zoenen. Potifar laat Jozef daarom opsluiten in de gevangenis. Een vertelling naar Genesis 39, 1-20. Daar loopt Jozef. Door de woestijn. Achter de kamelen aan. Vastgebonden aan een touw. Het is een lange reis, helemaal naar Egypte. Jozef is heel moe als ze er aankomen. ‘Stop!’ roepen de koopmannen. Ze brengen Jozef naar een deftig huis. ‘Kijk, een nieuwe knecht. Hij is sterk en kan hard werken,’ zeggen de koopmannen. ‘Hij ziet er goed uit,’ zegt meneer Potifar, de baas van het huis. ‘Hij wordt mijn nieuwe knecht.’ Zo komt Jozef bij meneer Potifar in huis. Jozef krijgt een nieuwe jas. Geen koningsjas, maar een jas die bij knechten past. Jozef werkt hard. De planten in de tuin groeien goed. Er komen veel vruchten aan. En ook het koren op het land staat er mooi bij. Iedereen in het huis van meneer Potifar is in een goede stemming. Ook de andere knechten werken harder dan eerst. Komt dat allemaal door Jozef? denkt meneer Potifar. Het is nog nooit zo goed gegaan in mijn huis. Waar Jozef is, gaat alles glinsteren. Op een dag loopt hij naar Jozef toe. ‘Zeg Jozef, ik vind jou erg aardig. Jij bent mijn beste knecht. Het gaat veel beter sinds jij in ons huis bent. Weet je wat? Ik ben de eerste in dit huis. Maar jij, jij wordt de tweede. Jij mag voortaan alles regelen.’ Jozef knikt tevreden. Hij hoeft geen nare klusjes meer te doen. En als hij ’s avonds in zijn bed ligt, bedankt hij God. Maar dan gaat het fout... Mevrouw Potifar vindt Jozef ook heel aardig. Ze is zelfs verliefd op hem. Elke keer als ze hem ziet, denkt ze: Ik wil dicht bij Jozef zijn.

Ik zou hem wel een kus willen geven! En als ze even alleen zijn, roept ze: ‘Jozef! Kom eens hier.’ Jozef gaat meteen naar haar toe. Mevrouw Potifar zit op de bank. ‘Ik wil dat je naast me komt zitten,’ fluistert ze. Ze kijkt Jozef verliefd aan. ‘Geef me eens een kus.’ Jozef schrikt. ‘Nee,’ zegt hij vlug. ‘Dat doe ik niet. U bent getrouwd met meneer Potifar.’ ‘Ik wil het! NU!’ roept mevrouw Potifar. En ze pakt Jozef bij zijn jas. Maar Jozef rukt zich los. Hij rent de kamer uit. Mevrouw Potifar zit kwaad op de bank. Met de jas van Jozef in haar handen. Dan begint ze te krijsen: ‘Help! Help! Kom gauw!’ Meneer Potifar holt naar haar kamer. ‘Wat is er?’ vraagt hij geschrokken. ‘Zie je deze jas?’ vraagt mevrouw Potifar. ‘Die is van Jozef. Hij is verliefd op mij en wilde me zoenen! Maar dat wilde ik niet. Kijk maar. Zijn jas ligt hier nog.’ Mevrouw Potifar trilt nog helemaal na. En meneer Potifar? Die gelooft haar. Hij praat er niet eens met Jozef over, maar roept onmiddellijk: ‘Pak Jozef! En breng hem naar de gevangenis.’

OP J E PLEK

Jozef in het huis van Potifar (Bijbel)

Komt het nog goed met Jozef? Hij had zo’n mooie plek in het huis van meneer Potifar. Hij was de tweede, de bijna-belangrijkste. En nu? Nu zit hij in een gevangenis onder de grond. Wie helpt hem daar weer uit te klimmen?

Jozef en de dromen

 Luister en zing deze week dit lied nog eens dat het Bijbelverhaal volgt van Jozef. Liedtekst: zie dinsdag 8 september.

73


DONDERDAG 17 SEPTEMBER

Ik zoek een plek van aandacht

Op schoot

Voor de ik-persoon is de schoot van mama een fijne plek. Herkennen de kinderen dat? En bij wie zitten zij graag op schoot? Mijn mama is zacht en mijn mama is lief. Ik zit graag bij mama op schoot. Ik pas daar precies, mmmm… dat plekje is fijn. Het is niet te klein, niet te groot.

Naar welke plek wijst Rosa? Waarom denk je?

Rosa wil haar moeder die druk bezig is, graag meenemen naar de keukentafel. Daar wil ze bij haar op schoot kruipen. Gaat dat lukken, denkt de groep. Waarom? Vraag de kinderen bij wie zij graag op schoot zitten. Waarom? Wanneer zitten zij graag op schoot? Kan dat altijd? En wanneer willen ze niet op schoot? Of van schoot af?

Knuffelbeer in de kring

Speel dit spelletje in de kring. Geef één kind een knuffelbeer op schoot. Het kind mag een knipoog geven aan een ander, die de beer mag ophalen om op schoot te nemen, enzovoort.

74

Ze geeft me haar knuffels, die voelen zo goed. Ze zingt zacht mijn lievelingslied. Mijn mama is warm en ze houdt me goed vast en ik zit heel stil en geniet. En als ik daar zit, bij mijn mama op schoot, dan is ze heel even van mij. Het plekje voelt veilig; ik knuffel haar terug. Bij mama op schoot word ik blij. Ben jij verdrietig of bang op een dag? Kruip dan op een veilige schoot. Je knapt ervan op, een heerlijke plek. Je bent nooit te klein of te groot.


BRONNEN EN TRADITIES

Jozef wint het vertrouwen van een bewaarder in de gevangenis. Hij krijgt de kans om de dromen van twee medegevangenen, een schenker en een bakker, uit te leggen. Na drie dagen geeft de farao een feest en de uitleg van deze dromen komt uit. Een vertelling naar Genesis 39, 21 - 40, 23. Jozef zit in de gevangenis. Ook daar is God bij Jozef. Alles wat Jozef doet, gaat goed. ‘Jozef,’ zegt de bewaker van alle gevangen, ‘jij kunt mij helpen. Geef de gevangenen eten. Maak overal goed schoon.’ De deur van Jozefs gevangenis gaat open. Hij mag eruit om eten rond te brengen. En om de gangen te dweilen. Op een dag deelt hij brood uit. Hij komt bij twee mannen. ‘Wie zijn jullie?’ vraagt hij. ‘Ik ben de wijnschenker van de farao,’ zegt de ene man. ‘Ik ben de bakker van de farao,’ zegt de andere man. ‘De schenker en de bakker, dus,’ zegt Jozef. ‘Waarom zijn jullie hier?’ De schenker vertelt dat de farao ineens heel kwaad op hen was. ‘Naar de gevangenis jullie,’ riep de farao. Jullie hebben een grote fout gemaakt.’ ‘Daarom zitten we nu hier,’ zegt de bakker. Jozef geeft hun brood. Hij ziet dat ze geen zin in eten hebben. Ze kijken somber. ‘Wat is er?’ vraagt hij. ‘Ik heb gedroomd,’ zegt de schenker. ‘Ik ook,’ zegt de bakker. ‘Er is hier niemand die onze droom kan uitleggen,’ zegt de schenker. Dat klopt, denkt Jozef. Alleen God weet wat dromen betekenen. ‘Vertel ze aan mij,’ zegt Jozef. De schenker begint: ‘Ik droomde over een druivenplant. Er groeide drie takken aan. De takken kregen mooie druiven. Ik plukte de druiven en maakte er sap van. Het sap deed ik in de beker van farao. Die beker gaf ik aan hem.’

Jozef zegt: ‘Wat een bijzondere droom. Mijn God zegt: “Jouw droom betekent dat je over drie dagen weer wijn mag schenken aan de farao.”’ De schenker springt op. ‘Hoera,’ roept hij, ‘wat geweldig. Hoe kan ik je bedanken?’ ‘Denk aan mij als het weer goed met jou gaat,’ zegt Jozef. De schenker belooft dat hij dat zal doen. Nu is de bakker aan de beurt. ‘Ik droomde over drie broodmanden,’ zegt hij. ‘Ik droeg ze op mijn hoofd. In de bovenste mand zat brood voor de farao. Er kwamen vogels. Die vraten al het brood op.’ Jozef kijkt de bakker aan. Hij zucht diep en schudt met zijn hoofd. ‘Mijn God zegt: “Jouw droom betekent slecht nieuws. farao blijft boos op jou.”’ De bakker buigt zijn hoofd. Jozef loopt zachtjes weg.

OP J E PLEK

In de gevangenis (Bijbel)

Drie dagen later is de farao jarig. Er gebeurt precies wat Jozef gezegd heeft. De farao laat de schenker uit de gevangenis halen. Met kleine vreugde sprongetje rent hij door de gangen van de gevangenis. Jozef kijkt de schenker na. Zal hij aan Jozef denken als hij weer wijn schenkt aan de farao? donderdag gaat verder op de volgende pagina

75


DONDERDAG 17 SEPTEMBER

Jozef zit in de gevangenis (Bijbel)

Jozef wint het vertrouwen van een bewaarder in de gevangenis. Hij krijgt de kans om de dromen van twee medegevangenen, een schenker en bakker, uit te leggen. Na drie dagen geeft de farao een feest waarbij de dromenuitleg uitkomt. Een vertelling naar Genesis 39, 21 - 40, 23. Jozef zit in de gevangenis. Diep onder de grond. Het is er donker en koud. Dan komt de bewaker naar hem toe. ‘Dag, Jozef, weet je dat je nog geluk hebt?’ ‘Geluk? Ik?’ vraagt Jozef verbaasd. ‘Je leeft tenminste nog!’ zegt de bewaker. ‘Ik weet dat Potifar heel streng is! Hij is mijn baas. De meeste knechten maakt hij dood. Maar jou heeft hij laten leven. Je bent dus een bijzondere man.’ ‘Ik ben gewoon Jozef,’ zegt Jozef. ‘Vroeger droomde ik dat ik belangrijk zou worden. Mijn vader Jakob gaf me zelfs een koningsjas. Nou, mooie koning ben ik. Een koning die in de gevangenis zit.’ ‘Kom,’ zegt de bewaker. ‘Je mag de andere gevangenen water en brood brengen. Enne… er zijn nieuwe gevangenen gebracht. Twee bedienden van de farao. De wijnschenker en de bakker. Zorg goed voor ze!’ Een tijdje later praat Jozef met de schenker en de bakker. ‘We werden opeens opgepakt door de soldaten van de farao,’ zeggen ze. ‘Maar waarom?’ vraagt Jozef. ‘Ze zeiden: “Jullie hebben een grote fout gemaakt,”’ zegt de schenker. ‘“De farao is heel boos op jullie!” Maar ik weet echt niet wat we fout gedaan hebben.’

76

Al snel wordt Jozef een vriend van de wijnschenker en de bakker. Als hij op een ochtend in hun cel komt, kijken ze heel somber. ‘Wat is er?’ vraagt Jozef. ‘We hebben allebei gedroomd,’ zegt de schenker. ‘Maar we weten niet wat die vreemde dromen betekenen.’ ‘Dromen vertellen vaak iets over een geheim,’ zegt Jozef.

‘Kun jij onze droom uitleggen?’ vraagt de schenker. ‘Nee, dat kan ik niet,’ zegt Jozef. ‘Maar ik ken iemand die wél dromen kan uitleggen.’ ‘Wie? Iemand hier in de gevangenis?’ vraagt de schenker. ‘Het is mijn God,’ zegt Jozef. ‘Ik geloof dat hij overal is waar mensen zijn die hem nodig hebben. Hij zorgt ook voor mij. Zelfs toen ik in de put zat en nu in de gevangenis.’ ‘Dan vertel ik mijn droom,’ zegt de schenker. ‘Die ging zo!’ Ik zag een druivenplant. Een plant met drie takken. De plant groeide snel, want er kwamen meteen heerlijke druiven aan. Ik plukte de druiven, perste het sap eruit en deed dat in de beker van de farao. En die beker gaf ik aan de farao. Even is Jozef stil. Dan zegt hij: ‘Wat een bijzondere droom. Mijn God zegt: “Jouw droom betekent dit: Die drie takken van de druivenplant zijn drie dagen. Over drie dagen haalt de farao jou uit de gevangenis. Je mag weer voor hem werken en wijn voor hem inschenken!”’ De schenker kijkt blij. ‘Wat kan ik voor je doen?’ vraagt hij. ‘Vergeet mij nooit!’ zegt Jozef. ‘Als het weer goed met je gaat in het paleis van de farao, help mij dan. Zorg dat ik uit deze gevangenis kom!’ Dan springt de bakker op. ‘Zo’n droom had ik ook. Luister maar.’ Ik had in mijn droom drie manden met brood op mijn hoofd. In de bovenste mand zat het lekkerste brood. Dat was voor de farao. Opeens kwamen er vogels. Ze pikten het brood uit de bovenste mand. Ze lieten niks over. Zelfs geen kruimeltjes. ‘Mag ik ook uit de gevangenis?’ vraagt de bakker hoopvol. Jozef kijkt de bakker aan. Hij schudt met zijn hoofd.


‘Mijn God zegt: “Jouw droom betekent dit: Die drie manden zijn drie dagen. Dan haalt de farao jou uit de gevangenis. Maar je mag niet meer voor hem werken. Net als dat brood blijft er niets van je over.”’ Drie dagen later is de farao jarig. Hij geeft een feest en haalt de schenker en de bakker uit de gevangenis. De schenker mag weer wijn inschenken Maar de bakker… die stuurt hij weg. Het loopt niet goed met hem af.

OP J E PLEK

En Jozef? Die zit nog steeds in de gevangenis.

77


VRIJDAG 18 SEPTEMBER

Een nieuwe plek

KIND EN SAMENLEVING

Mijn plek? De gymzaal!

Vera bezocht vaak het zwembad maar nu ze haar zwemdiploma’s heeft gehaald, wil ze graag naar de gymzaal om te turnen.

Vera zat op woensdagmiddag fijn op zwemles in de stad. Ze had heel snel haar diploma’s. Vera was een waterrat. Daarom had de juf gezegd: ‘Vera, jij bent goed. Ga door! Jij bent sterk en wordt een topper. Blijf op zwemles. Ga ervoor!’

Wat is hier te doen?

Vera kijkt een gymzaal in: dit is voor haar een nieuwe plek. Wat is er allemaal te zien? Welke activiteiten doen de kinderen er? Laat de kinderen vertellen over hun eigen ervaringen: wanneer kwam jij op een nieuwe plek? Hoe vond je het daar?

‘Maar ik vind iets anders leuker!’ snikte Vera, hard en lang. Ik wil turnen in de gymzaal. Springen, zwaaien, ‘k ben niet bang. Ik wil aan de rekstok hangen. Kunstjes doen op ’t houten paard. Lopen over dunne balken. Vliegen met een reuzevaart. Ik wil dubbel-flik-flaks maken. Drie keer koprol door de zaal, in een felblauw turnpakje; ja, dat wil ik allemaal! ’t Zwembad is ook heel gezellig, even weg van haard en huis. Maar de gymzaal is mijn plekje. Daar voel ik me ’t meeste thuis.’

78


Onder dezelfde maan en sterren

Het is nacht. Op een bankje voor het huis zitten opa en Sem. Eigenlijk horen ze te slapen. Maar Sem kon niet slapen; daarom zitten ze hier, met een deken om zich heen geslagen. ‘Moet ik echt verhuizen, opa?’ vraagt Sem. Opa knikt in het donker. ‘Ja. Je mama heeft een nieuwe baan gekregen.’ ‘Ik vind er niks aan,’ zegt Sem. ‘Hoe moet ik dan bij jou logeren?’ ‘Dat kan gewoon als je daar woont,’ zegt opa. ‘En ik kom ook bij jullie.’ ‘Hm,’ antwoordt Sem. ‘Toch vind ik het niet fijn. Hoe kan ik nou slapen in een heel ander bed, in een ander huis?’ ‘Gewoon je ogen dichtdoen,’ zegt opa. ‘En weet je Sem? Als je echt, écht niet kunt slapen… dan kijk je even uit het raam, naar de maan en de sterren. Want die zijn daar precies hetzelfde als hier. En als je daarnaar kijkt… dan denk je aan mij. Want misschien zit ik hier, op dit bankje, naar dezelfde maan te kijken.’ Opa legt een hand op de schouder van Sem. ‘Jij vindt daar echt je plekje wel,’ zegt hij. ‘Dat weet ik zeker.’ Een tijdje later gaan Sem en zijn moeder verhuizen. Naar een nieuw huis met een nieuw bed. In de nacht wordt Sem plotseling wakker. Hij ziet een vreemde kamer om zich heen en vreemde gordijnen voor het raam. Sem kijkt er een tijdje naar. En dan stapt hij uit bed. Hij loopt naar het raam en kijkt naar de maan en de sterren. Ze zien er net zo uit als bij opa. Sem denkt aan opa op het bankje. Heel even zwaait hij naar de maan en de sterren. ‘Dag maan,’ zegt hij zacht. ‘Dag sterren.’ Dan draait hij zich om en kijkt naar zijn bed. ‘Dit wordt mijn plekje,’ zegt hij zacht. ‘Dat weet ik zeker.’

OP J E PLEK

Sem gaat verhuizen, hij vindt zo’n nieuwe plek best spannend. Opa vertelt dat als het nacht is ze naar dezelfde maan en sterren kijken. Dat geeft Sem vertrouwen.

79


80


WEEK 39

W E E KI NDE LI NG

Deze laatste week onderzoeken de kinderen of er ergens nog plek is en wanneer het te vol is. En hoe het uitpakt om van plek te wisselen. Ze delen wanneer ze strijden om een plek en of ze hun plek weleens afstaan. Tot slot laten ze zien op welke plek ze zich blij voelen. Jozef wordt uit de gevangenis gehaald om farao’s droom uit te leggen. De farao is blij dat Jozef hem waarschuwt voor zeven magere jaren die komen en vraagt hem om graanschuren in Egypte te bouwen.

Plek genoeg?

Geen plek voor Fladder (3)

(audioverhaal)

Plek maken (activiteit)

BRONNEN EN TRADITIES

In het paleis van de farao (Bijbel,

groep 1/2)

De vreemde dromen van de farao

(Bijbel, groep 3/4)

DI N S DAG 2 2 S E PT E MBE R

Van plek wisselen

Wisselen maar! (activiteit)

KIND EN SAMENLEVING

Een plek in de schuur (verhaal)

WOE N S DAG 2 3 S E PT E MBE R

Strijden voor een plek

Startkist

KIND EN SAMENLEVING

Een saaie dag (verhaal, groep 1/2)

De eerste plek (verhaal, groep 3/4)

D ON DE RDAG 2 4 S E PT E MBE R

Mijn plek aan een ander geven KIND EN SAMENLEVING

Jaimy wil niet op schoot (verhaal,

groep 1/2)

Kaartjes voor de film (verhaal,

groep 3/4)

VRI JDAG 2 5 S E PT E MBE R

Blij met mijn plek

Een fijne plek (activiteit)

Alle kippen op hun plek (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Weer een speciale plek voor Jozef

(Bijbel, groep 1/2)

Jozef wordt onderkoning van Egypte

(Bijbel, groep 3/4)

OP J E PLEK

Een plek innemen

M A A N DAG 2 1 S E PT E MBE R


MAANDAG 21 SEPTEMBER

Plek genoeg? Geen plek voor Fladder (3)

De boer komt kip Fladder brengen. Sommige kippen zeggen dat het kippenhok vol is. Dan blijkt dat Fladder uit een land komt waar gevaarlijke vossen leven. Om het op haar nieuwe plek vol te houden doet ze elke dag een dansje. Ze is zelfs op televisie geweest. Laat het audioverhaal horen. Dit is het derde en laatste ingesproken verhaal over de kippen in het hok van de boer. Gesprek Hoe doen de kippen tegen Fladder als ze nieuw in het hok komt? Wat vind je daarvan? Waarom doen de kippen later aardig tegen Fladder?

Is er plek voor een nieuwe kip?

De boer komt een nieuwe kip brengen in het hok. Is er nog plek? Sommige kippen vinden van niet. Wanneer zit het hok vol? Hoe kun je dat weten?

82

Plek maken

Maak een kleine ruimte, bijvoorbeeld achter enkele tafels of leg een kleed op de grond. Laat er vijf kinderen plaatsnemen. Bespreek met de groep: Is er nog plek of is het vol? Laat er een voor een meer kinderen bijkomen tot iemand aangeeft: ‘Stop! Wij zitten vol.’ Hoe kunnen de kinderen misschien toch nog plek vrijmaken? Bespreek dan ervaringen van de kinderen. Wanneer vinden ze het ergens té druk? Wat kunnen ze dan doen?


BRONNEN EN TRADITIES

De farao droomt van vette en magere koeien, en van volle en dorre aren. Hij haalt Jozef naar zijn paleis om ze uit te leggen. Een vertelling naar Genesis 41, 1-37. Twee jaar lang zit Jozef in de gevangenis. En de schenker is hem vergeten. Maar is dat echt zo? Dan ineens klinkt er lawaai. Iemand rent naar Jozef toe. Hij maakt de deur van zijn gevangenis open. Jozef springt op. ‘Snel,’ zegt de man. ‘Ga je wassen. Scheer je vieze baard eraf.’ Jozef weet niet wat er gebeurt, maar doet wat hij moet doen. ‘Trek deze kleren aan,’ zegt de man als Jozef schoon is. Het zijn nette kleren. Geen gevangeniskleren. ‘Je moet meekomen naar de farao,’ zegt de man. ‘De farao heeft gedroomd. In het paleis werkt een schenker. Hij zegt dat jij dromen kunt uitleggen.’ Jozef rent achter de man aan naar het paleis. De schenker heeft dus toch aan hem gedacht! In het paleis staat hij tegenover de farao. De farao zit op een troon. Die is heel mooi versierd. Een echte troon voor een koning. ‘Ik had twee dromen,’ zegt de farao. ‘Dus riep ik mijn wijze mannen. Maar zij weten niet wat de dromen betekenen.’ De farao is even stil. ‘De schenker zegt dat jij deze droom kunt uitleggen.’ ‘Nee,’ zegt Jozef, ‘ik kan geen dromen uitleggen. Dat kan God alleen. Ik hoop dat hij een goede boodschap voor u heeft. Vertel mij uw droom.’ De farao begint te vertellen: ‘Ik zag zeven mooie, vette koeien. Ze aten gras aan de kant van de rivier. Ineens kwamen er uit de rivier zeven koeien. Ze waren lelijk en mager. De magere koeien aten de vette koeien op.’ Rustig knikt Jozef.

De farao gaat verder. ‘Mijn andere droom lijkt er een beetje op. Ik zag zeven korenstengels. Er zaten mooie, dikke korrels aan. Daar kun je lekker brood van bakken, dacht ik. Toen kwamen er nog zeven korenstengels. Ze hadden lelijke, dunne korrels. De dunne korrels aten de dikke korrels op. De wijze mannen van het land weten niet wat de dromen betekenen. Weet jij het, Jozef?’ Jozef knikt. ‘De twee dromen betekenen allebei hetzelfde. God laat u zien wat er gaat gebeuren. De zeven mooie, vette koeien betekenen zeven jaren. De zeven lelijke, dunne koeien betekenen ook zeven jaren. Er komen eerst zeven mooie, goede jaren. De korenstengels zullen vol mooie, dikke korrels zitten. Daar kun je lekker brood van bakken. Daarna komen er zeven lelijke, slechte jaren. De korenstengels zullen niet goed groeien. Er komen alleen maar lelijke, dunne korrels aan. Daar kun je geen brood van bakken.’

OP J E PLEK

In het paleis van de farao (Bijbel)

Jozef is even stil. Dan gaat hij verder: ‘De dromen vertellen u dat het eerst heel goed zal gaan in Egypte. Iedereen zal heel veel te eten hebben. Daarna gaat het slecht in Egypte. De mensen zullen honger hebben. Iedereen vergeet de goede jaren.’ Jozef ziet dat de farao heel goed naar hem luistert. ‘U heeft twee keer hetzelfde gedroomd,’ zegt Jozef. ‘Dus dit gaat echt gebeuren. En het zal al snel gebeuren. Zoek iemand die wijs en verstandig is. Hij moet u helpen. In de zeven mooie, goede jaren moet iedereen koren bewaren. Dan is er toch nog graan in de zeven lelijke, slechte jaren.’ De farao knikt. ‘Dat is een goed plan, Jozef,’ zegt hij.

maandag gaat verder op de volgende pagina

83


MAANDAG 21 SEPTEMBER

De vreemde dromen van de farao (Bijbel)

De farao droomt van vette en magere koeien, en van volle en dorre aren. Hij zoekt iemand die ze hem uit kan leggen. Een vertelling naar Genesis 41, 1-37. Het is nacht. De koning van Egypte slaapt. Iedereen noemt hem: de farao. De farao ligt in een groot bed. Maar hij slaapt niet lekker. Hij draait zich om. En nog eens. En nog eens. Maar dan... opeens... vliegt hij overeind. Hij is klaarwakker. In zijn hoofd is het druk. Alles draait en tolt. ‘Wat heb ik gek gedroomd zeg!’ zegt de farao. En meteen ziet hij al die droomplaatjes weer in zijn hoofd. Plaatjes met zeven koeien. Dikke en dunne koeien. Mooie en lelijke. Koeien die uit het water kruipen en... elkaar opeten! Er komen nóg meer droomplaatjes in zijn hoofd. Plaatjes met zeven stengels koren die uit een plant komen. Dikke en dunne stengels. Geelgroene en verdorde. En de dunne stengels die zomaar de dikke stengels koren opeten! ‘Gelukkig was het maar een droom,’ zucht de farao. Hij laat zich achterovervallen en begint meteen te snurken. Die nacht droomt de farao niet meer. Maar de volgende morgen denkt hij wel weer aan die gekke droom. ‘Die droom...’ mompelt hij, ‘die betekent vast iets. Ik wil weten wát! Stel je voor dat er iets ergs gaat gebeuren. Of iets engs.’ Daarom wil hij dat alle wijze mannen uit Egypte naar zijn paleis komen.

84

Diezelfde middag komen de wijze mannen binnen. Ze buigen voor de farao. ‘Wat kunnen we voor u doen, majesteit?’ vragen ze beleefd. ‘Leg mijn droom uit. Ik wil weten wat die betekent. Ik moet er vast iets mee!’ ‘Wat heeft u dan gedroomd, farao?’ ‘Dat ga ik nu vertellen,’ zegt de farao.

‘Ik stond bij het water van de rivier de Nijl. Opeens kwamen er zeven koeien uit het water. Hele dikke, vette, mooie koeien. De koeien begonnen meteen gras te eten. Heel veel gras. Toen kwamen er weer zeven koeien uit het water. Hele dunne, magere, lelijke koeien. Ik heb nog nooit zulke lelijke koeien gezien. En weten jullie wat die magere koeien deden? Ze liepen naar de vette koeien en aten die zomaar op.’ ‘Was dat het?’ vragen de wijze mannen. ‘Nee,’ zegt de farao. De droom ging verder... ‘Er kwamen zeven mooie, dikke stengels koren uit een plant. Hm, dacht ik nog in mijn slaap, van dat koren kunnen we lekker brood bakken. Maar toen... zo gek... kwamen er nóg zeven korenstengels uit die plant. Die waren dun en verdord. De hete wind had ze doodgemaakt. En toch aten de zeven dunne stengels de dikke stengels op.’ De wijze mannen kijken de farao verbaasd aan. Zo’n rare droom hebben ze nog nooit gehoord ‘Vertel op, wat betekent die droom!’ dringt de farao aan. Maar de wijze mannen halen hun schouders op. Zeven koeien? Zeven korenstengels? ‘Geen idee!’ zeggen ze. De farao wordt boos. Hij roept: ‘Zijn jullie nou wijze mensen? Ik wil dat er iemand komt die mijn droom kan uitleggen! Nu meteen!’ Maar waar is een goede dromenuitlegger? Iemand die de droom van de farao begrijpt? De farao stuurt de wijze mannen weg. ‘Ik heb niks aan jullie!’ roept hij woest.

Jozef en de dromen

 Luister en zing deze week dit lied nog eens dat het Bijbelverhaal volgt van Jozef. Liedtekst: zie dinsdag 8 september.


DINSDAG 22 SEPTEMBER

Van plek wisselen

KIND EN SAMENLEVING

Een plek in de schuur

Wanneer wil jij in de auto van plek wisselen?

In een auto heb je verschillende zitplekken. Wie uit de groep zit er graag bij het raam? En wie in het midden? Wie heeft er een vaste plek? Wie wisselt er tijdens de rit weleens van plek? Waarom?

Wisselen maar!

Vraag de groep hun ogen te sluiten. Tik zachtjes twee kinderen aan die van plek gaan wisselen. Als dat klaar is mogen de anderen hun ogen weer openen. Wie zijn er omgewisseld?

In een schuurtje bij een heel gewoon huis staan twee fietsen. Een kinderfiets en een bakfiets. ‘Bakfiets,’ zegt Kinderfiets op een ochtend. ‘Nu wil ík een keer bij het raam staan. De zon schijnt zo lekker. Die wil ik ook een keer op mijn stuur voelen kriebelen.’ Bakfiets staat kaarsrecht naast het grote raam. De zon schijnt heerlijk en zijn bel wordt al een beetje warm. ‘Dit is mijn plaats. Hier zet de vrouw mij altijd neer,’ zegt Bakfiets. ‘Het kind gooit jou altijd daar tegen de muur. Dus dat is jouw plek.’ Kinderfiets wiebelt met haar zijwieltjes. Bakfiets heeft gelijk; zij wordt altijd hier gezet en hij altijd daar. Maar is iets je plek omdat iemand je daar neerzet? ‘We kunnen toch gewoon een keer van plek wisselen?’ zeurt Kinderfiets. ‘Hier is het ook leuk. Je staat gezellig naast Bezem, Hark en Schop. Dat zijn echte kletskousen, hoor. Je kun altijd een praatje met ze maken.’ Ze ziet dat Bakfiets’ voorwiel haar kant op draait. ‘Oké,’ zegt hij dan, ‘we doen het.’ Met veel gepiep en gekraak begint hij te rollen. Kinderfiets schiet razendsnel vooruit. Ze draait vlak voor de kast met bloempotten om, en staat stil naast het raam. ‘Wauw,’ roept ze. ‘Wauwerdewauw, het uitzicht is nog mooier dan ik dacht! En zo lekker warm in het zonnetje.’

OP J E PLEK

In de schuur staan Kinderfiets en Bakfiets. Op een dag wil Kinderfiets van plek wisselen. Bakfiets vindt het goed. Maar is Kinderfiets wel tevreden met haar nieuwe plek?

‘Hoe gaat het ermee?’ vraagt Bakfiets. ‘Zitten jullie goed in je vel vandaag?’ Geen antwoord. Ineens draait Bakfiets zijn voorwiel. Het raakt Bezem. Die valt. Daardoor valt Hark en daardoor valt Schop. ‘Hi, hi,’ zegt Bakfiets zacht, ‘wat een leuke plek. Die drie zeggen niks, maar kunnen wel lekker vallen.’ Ondertussen heeft Kinderfiets iets gezien. ‘Bakfiets,’ zegt ze, ‘wie is dat daar in de tuin?’ Bakfiets kan niet meer door het raam kijken, maar weet nog precies wie daar staat. ‘Dat is Mountainbike. Die staat altijd daar.’ ‘Echt?’ roept Kinderfiets. ‘Waarom staat hij niet in de schuur? Is dat zijn plek?’ dinsdag gaat verder op de volgende pagina

85


DINSDAG 22 SEPTEMBER

‘Ja,’ zegt Bakfiets. ‘Hij is van de grote jongen en die heeft nooit zin om hem in de schuur te zetten.’ Ondertussen wiebelt Bakfiets weer met zijn wiel. Hark, Bezem en Schop schuiven over de grond. Grappig, denkt Bakfiets. ‘Bakfiets,’ roept Kinderfiets, ‘ik wil ruilen met Mountainbike. Nu mag ík toch wel een keer op die plaats staan?’ Bakfiets zucht heel hard. ‘Je moet tevreden zijn met je plek,’ bromt hij. ‘Je staat net vijf minuten daar en je wilt alweer ergens anders staan.’ ‘Nou en?’ moppert Kinderfiets. ‘Anders wil ik weer terug naar mijn eigen plek.’ ‘Haha, je eigen plek is nu mijn plek,’ zegt Bakfiets. ‘Eerlijk geruild. Ik blijf lekker bij die drie lange slungels staan. Daar kan ik echt lol mee hebben, merk ik.’ Boos kijkt Kinderfiets naar buiten. Hopelijk komen de vrouw en het kind hen gauw uit de schuur halen om ergens naartoe te gaan. Wedden dat ze Bakfiets en haar daarna weer op hun oude plek zetten? ‘Pffff…’ Kinderfiets zucht. Ze kijkt ernaar uit.

86

WOENSDAG 23 SEPTEMBER

Strijden voor een plek

Wat willen zij?

Deze twee kinderen willen beiden in de groene stoel zitten. Vanaf die plek kunnen ze fijn televisiekijken. Wie mag de plek? Is het eerlijk dat het kind dat als eerste bij de stoel komt, de plek krijgt? Waarom? Hoe is dat voor het kind dat als laatste bij de stoel aankomt? Hoe kunnen deze kinderen hun strijd staken? En om welke plek strijden de kinderen uit jouw groep weleens?


KIND EN SAMENLEVING

Doe van tevoren een briefje in de Startkist met daarop het woord ‘Stoelendans’. Zet het kistje neer en zing samen het lied ‘Open de Startkist’. Laat het briefje zien en lees voor wat erop staat. Wie kent dit spel en wie kent de regels? Speel het spel dan met je groep of een aantal kinderen. Zet stoelen in een kring, één minder dan het aantal kinderen dat meedoet. Laat ze rondlopen op een muziekje langs de lege stoelen. Als de muziek stopt zoeken ze zo snel mogelijk een lege stoel en gaan erop zitten. Eén kind blijft over en gaat uit het spel. Haal een stoel weg en laat de overgebleven kinderen opnieuw strijden om de lege stoelen. Wie blijft het langst in het spel en wint?

Een saaie dag

Prinsje Amir ontmoet een meisje in het paleis. Ze wil op zijn stoel zitten en op zijn kleine, oude troon. Ze krijgen er strijd over. Amir neemt haar tegen haar zin mee naar de paleistuin. Daar zijn twee schommels waar ze samen kunnen spelen. Ergens hier ver vandaan woont prins Amir. Op een ochtend wordt hij wakker. Het is helemaal stil in het paleis. Bah, denkt hij, dit wordt een saaie dag. Hij glijdt uit bed en doet zijn prinsenkleren aan. Rustig loop hij naar de eetzaal. Vandaag wil hij drie beschuiten eten. En hij wil lekker spelen. Met een leuk kind. Maar ja, leuke kinderen zijn er niet in het paleis. Alleen strenge grote mensen. ‘Hé,’ roept hij als hij de eetzaal binnenkomt. ‘Wie ben jij?’ Er zit een meisje op zijn stoel. Ze heeft wel zes staarten in haar haar. Op haar gezicht zit chocopasta. Er liggen broodkruimels op tafel. ‘Kato,’ zegt ze. ‘Mijn mama is hier de kokkin. Mijn papa is ziek. Dus moest ik met mijn mama mee hierheen. Zullen we spelen?’ Kato glijdt al van Amirs stoel. Gauw gaat hij erop zitten. ‘Ik ga eerst drie beschuiten eten,’ zegt hij en legt er een op zijn bord.

OP J E PLEK

Startkist

‘Ik zat daar,’ zegt Kato. Met haar billen begint ze hem van de stoel te duwen. ‘Het is mijn stoel,’ zegt prins Amir. ‘Kijk maar, daar staat mijn letter.’ Hij wijst op de A in de rugleuning. ‘Dat kan ook de A van Kaaaaato zijn,’ zegt ze. Ze duwt zo hard, dat Amir half van de stoel valt. ‘Ik zit hier altijd,’ roept Amir. Kato duwt nog harder. Met een bons valt Amir op de grond. ‘Dan is altijd nu voorbij,’ zegt ze als ze op zijn stoel ploft. Haar gezicht is vrolijk. ‘Ik houd van vechten.’ Amir zucht heel diep. Hij houdt van spelen. Hij houdt niet van vechten. Daarom klimt hij op de stoel naast de zijne waar Kato nu op zit. Kato drinkt haar melkbeker leeg. ‘Kom, we gaan verkennen. Daar houd ik ook van.’ Ze springt van de stoel en loopt naar de deur. Amir propt gauw een halve beschuit in zijn mond. De rest eet hij later wel. Hij wil achter Kato aan. woensdag gaat verder op de volgende pagina

87


WOENSDAG 23 SEPTEMBER

‘Wauw,’ roept Kato. Ze kijkt om zich heen in de troonzaal. Er staat een heel grote troon. Die is van Amirs moeder. Een iets kleinere is van Amirs vader. En een heel kleintje is van hem. De tronen zijn heel oud. De oma en de opa van Amir zaten er al op. ‘Daar ga ik op zitten!’ Kato rent naar de grootste troon en wil er met twee benen opspringen. ‘Nee,’ schreeuwt Amir. Hij trekt aan een van haar staarten. Hij kan niet anders. Als Kato erop springt, gaat de troon kapot. ‘Au!’ roept ze. ‘Die troon is heel oud,’ zegt Amir. ‘Daar mag je niet op springen.’ Kato haalt haar schouders op. ‘Dan niet,’ zegt ze zacht. Ze loopt rustig naar de kleine troon. Meteen weet Amir wat ze wil doen. Ze wil erop zitten. Op zijn plek. Op zijn troon. Op de heel oude troon. ‘Die is alleen voor een prins,’ zegt hij en strekt zijn arm voor haar uit om haar tegen te houden. ‘Ik voel me hier ook een prins,’ zegt Kato. ‘Een prins in een sprookje. Zo mooi is het hier.’ Haar voet staat al op de eerste trede van het trappetje naar de troon. Ineens komt er een boze kriebel in Amirs lijf omhoog. Kato mag niet op zijn plek gaan zitten. Het is zíjn plek. Hij pakt haar onder haar arm. ‘Die troon is van mij, niet van jou.’ Hij draait om. Kato draait ook. Met driftige stappen neemt hij haar mee het paleis uit. Kato probeert los te komen, maar dat lukt niet. Ze gaan naar buiten. ‘Kijk,’ zegt hij als ze in de tuin zijn, ‘nou mag jij een plek kiezen.’ Ze staan bij de grote speeltuin. Kato rent meteen naar de schommels. Gelukkig, denk Amir, daar zijn er twee van. Ze hoeven geen ruzie te maken over een plek. Kato kiest de linker en hij de rechter schommel. Even later wapperen de staartjes van Kato heen en weer op de wind. Amir ziet het en lacht. Samen schommelen is echt gezellig.

88

De eerste plek

Prins Freddie mag voor het eerst naar school maar houdt zich niet aan de afspraken. Telkens kruipt hij voor en wacht niet op zijn beurt. Hij maakt er geen vrienden mee. Dat maakt hem verdrietig. Lakei Pet belooft hem te helpen. Naar school, dat was wat prins Freddie het liefste wilde. Een echte school, met echte kinderen. En een speelkwartier, in plaats van in zijn eentje thuiszitten met twaalf leraren. Hij zeurde zijn moeder, de koningin elke dag de oren van het hoofd, maar steeds zei ze nee. Tot ze op een goede dag een lange vermoeide zucht slaakte en zei: ‘Vooruit dan maar. Maar je moet wel een lakei meenemen, om je te helpen.’ Prins Freddie juichte en maakte een vreugdedansje. Daarna zei hij: ‘Die hulp hoeft niet, mam. Ik kan mijn eigen jas aantrekken, en mijn eigen …’ De koningin onderbrak hem. ‘Lakei mee, óf niet naar school. Kies maar.’ Die keuze was niet moeilijk. Nog diezelfde middag reed prins Freddie met lakei Pet in de koets naar de school in het dorp. Van opwinding babbelde prins Freddie aan één stuk door. Over alle vrienden die hij zou maken en de leuke dingen die ze gingen doen. Toen de koets voor de school stopte, schraapte de lakei zijn keel. ’Alvorens u uitstapt, Koninklijke Hoogheid, sta mij toe u enig advies te geven over ...’ ‘Advies?’ vroeg prins Freddie, terwijl hij de koetsdeur opengooide. ‘Ja, ik wil u graag enkele tips geven over …’ Maar prins Freddie was de koets al uitgesprongen. In de klas was het geweldig. Prins Freddie wist aldoor wel een antwoord als de juf iets vroeg, en dat riep hij dan meteen hard door de klas. Lakei Pet, die naast hem zat, boog zich na een tijdje voorzichtig naar zijn oor en fluisterde: ‘Hoogheid, het is de bedoeling dat u éérst uw vinger opsteekt en dan wacht of u de beurt krijgt.’ Prins Freddie keek verbaasd. ‘Maar dan kan iemand ánders toch de beurt krijgen?’ ‘Ja, en dat is precies de bedoel… De lakei werd onderbroken door de pauzebel en prins Freddie sprong op. Buiten rende hij naar de glijbaan, klom naar boven en gleed naar beneden, steeds opnieuw, tot de pauze afgelopen was. ‘Wat was je nou steeds aan het zwaaien?’ vroeg hij aan lakei Pet toen ze naar binnen liepen. ‘Ik probeerde uw aandacht te trekken, Hoogheid, om u iets belangrijks te vertellen.’


DONDERDAG 24 SEPTEMBER

Mijn plek aan een ander geven ‘Wat dan?’ ‘Er waren meerdere kinderen die ook graag van de glijbaan wilden, maar u duwde ze weg en drong voor.’ ‘Ja, natuurlijk,’ zei prins Freddie. ‘Dat móést ik wel doen, anders had ik niet zo vaak van de glijbaan gekund.’ Lakei Pet haalde adem om antwoord te geven, maar Freddie sprintte weg, de school in. ‘Lieve vrienden,’ riep de prins, toen iedereen weer in de klas was. ‘Ik heb een verrassing! Na school gaan we met z’n allen naar de kermis. Lakei, regel de koetsen!’

Gesprek Wat snapt Freddie niet? Waarmee gaat Lakei Pet hem helpen, denk je? Hoe reageer jij als iemand voorkruipt?

Wat gebeurt hier?

Soms geven grote mensen of kinderen hun plek aan een ander. Dan staan ze op en zeggen ze: ‘Kom hier maar zitten.’ Vaak vindt die ander dat heel fijn en vriendelijk. Dan heeft hij een zitplek. Zet een paar stoelen neer als in de bus, enkele rijen achter elkaar. Laat op elke stoel een kind gaan zitten, de bus is nu vol. Laat een chauffeur deze bus een stukje rijden. Bij de volgende halte stapt iemand in. Wat gebeurt er? Wie biedt een zitplek aan? Laat het de kinderen uitspelen. Misschien gaat een kind wel bij een ander op schoot zitten. Bespreek met de kinderen wanneer zij hun zitplek weleens afstaan.

OP J E PLEK

Wauw, een echte kermis! Prins Freddie had nog nooit zoiets moois gezien, met al die lichtjes en kleuren. Hij rende langs de rij wachtende mensen naar het reuzenrad en sprong in het laatste vrije karretje. Daarna ging hij naar de schiettent, de botsautootjes en de achtbaan. Toen hij na de achtbaanrit uit het karretje stapte, zag hij geen enkele klasgenoot meer. ‘Waar is iedereen?’ vroeg hij. ‘Naar huis,’ antwoordde lakei Pet. ‘Hè? Waarom? Vinden ze de kermis niet leuk?’ Lakei Pet schraapte zijn keel, twee keer zelfs. ‘Zij vinden de kermis erg leuk, Hoogheid. Maar uw gedrag niet zo.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘U dringt aldoor voor.’ ‘Wat is daar mis mee?’ zei Freddie. ‘Veel. Iemand noemde u zelfs een verwend prinsje, dat overal en altijd de eerste plek wil hebben.’ ‘Wat gemeen,’ riep Freddie. ‘Ik dacht … dat we vrienden waren!’ Prins Freddie voelde tranen prikken. ‘Ik snap het niet,’ zei hij. ‘Niet echt. Kun je me helpen, Pet?’ Lakei Pet keek twijfelend maar knikte gelukkig wel. ‘Het zal een behoorlijke klus worden, Koninklijke Hoogheid. Maar ik zal mijn best doen.’

donderdag gaat verder op de volgende pagina

89


DONDERDAG 24 SEPTEMBER

KIND EN SAMENLEVING

Jaimy wil niet op schoot

Papa wil graag dat Jaimy op schoot komt om plaats te maken voor een oude meneer die de bus inkomt. Maar Jaimy wil een eigen plek. Hij ziet een tas staan op een stoel naast een meisje en krijgt een idee.

90

Jaimy zit met papa in de bus. Ze gaan naar de bieb. Helemaal in de stad. Jaimy houdt veel van rijden met de bus. Hij mag altijd zelf het kaartje voor het blieb-blieb-apparaat houden. Nu zitten ze bijna vooraan. De allervoorste stoelen moeten eigenlijk vrij blijven voor oude mensen, maar het is zo druk in de bus! Nu zijn zelfs díe stoelen vol. Jaimy zit bij het raampje en papa zit ernaast. ‘Mag ik straks op de stop drukken?’ vraagt Jaimy. Papa knikt. ‘Die knop, hè papa?’ vraagt Jaimy. Hij raakt zacht de rode knop aan. ‘Ja,’ zegt papa, ‘Maar haal je hand maar weg. Als je per ongeluk drukt, moeten we eruit. En het is nog heel ver lopen.’ De bus remt af. Jaimy trekt snel zijn hand weg. Heeft hij toch te hard gedrukt? Hij voelt zijn wangen rood worden. Gelukkig, er staan veel mensen bij de bushalte. Daarom remt de buschauffeur. ‘Kom jij zo bij mij op schoot?’ zegt papa. Jaimy fronst zijn wenkbrauwen. ‘Op schoot? Ik ben al vijf.’ Papa kijkt naar de mensen bij de bushalte. ‘Ja, je bent al groot. Maar kijk, het is voor die oude meneer daar. Als jij bij mij op schoot gaat, maken we een plekje voor die meneer.’ ‘Hm,’ gromt Jaimy. ‘De voorste plek is toch voor hem?’ Papa knikt. ‘Dat is waar, maar als die mensen geen plaatsje maken, kunnen wij het toch doen? Dat is toch aardig?’ Ja, denkt Jaimy, dat is wel aardig. Maar ik wil het niet. ‘Ik wil bij het raampje blijven,’ zegt Jaimy. ‘Dat doen we,’ zegt papa. ‘Ik ga op jouw plek zitten, jij komt bij mij op schoot en dan zitten we samen bij het raampje. Kom.’ Papa schuift al een beetje op. Jaimy maakt zich zo breed als hij kan. ‘Ik wil mijn eigen plek houden,’ zegt hij hard. Papa’s ogen worden donker. ‘Sst,’ zegt hij, ‘stel je niet zo aan.’ Hij pakt Jaimy op, schuift naar de plek bij het raam en zet Jaimy op zijn schoot. Jaimy doet zijn armen over elkaar. Hij zit een stuk hoger nu. Hij ziet dat er een meisje op de voorste

stoel zit. Haar tas staat op de stoel ernaast. Wat gek, denkt Jaimy, een tas hoeft toch niet te zitten? Hij tikt het meisje op haar hoofd. Ze draait zich om. Jaimy schrikt ervan. ‘Ja?’ vraagt het meisje. Ze kijkt gelukkig niet boos. ‘Eeeeh,’ begint Jaimy. ‘Ik moet van mijn papa op schoot. Want dan kan die oude meneer hier zitten. Maar ik wil een eigen plek. In mijn eentje. Ik wil niet op schoot, want ik ben al vijf. Maar misschien wil jouw tas wel op schoot? Wil je dat aan je tas vragen? Dan kan die oude meneer daar zitten.’ ‘Jaimy!’ zegt papa. ‘Nou,’ zegt het meisje, ‘die tas wil best bij mij op schoot, maar ik wil niet naast oude meneren zitten.’ Ze draait zich weer terug. Jaimy zakt terug op de schoot van papa. De oude meneer stapt bijna in. Jaimy denkt hard na. Hij tikt nog een keer op het hoofd van het meisje. ‘Ja?’ zegt ze weer. ‘Eeeh, wil je wel naast mij zitten?’ zegt Jaimy met zijn liefste stemmetje. Het meisje lacht. ‘Ja, dat lijkt me wel gezellig.’ Ze zet haar tas op schoot en klopt op de lege stoel naast zich. Jaimy springt van de schoot van papa af. ‘Doei pap,’ roept hij en snel gaat hij naast het meisje zitten. Als de meneer binnenkomt, kan hij mooi naast papa gaan zitten. Papa schudt zijn hoofd en kijkt naar buiten. ‘Niet te geloven,’ mompelt hij.


Tom heeft van zijn moeder kaartjes gekregen voor een bioscoopfilm, maar deze film lijkt Tom niet zo leuk. Ze stelt voor om de kaartjes weg te geven, maar dan loopt Tom het bezoek aan de bioscoop en de popcorn mis. Wat doet hij? ‘Kijk eens wat ik gekregen heb!’ Mama steekt twee briefjes in lucht. ‘Kaartjes voor de film Lieve Lies en de aardige aardappel. Met gratis popcorn en een drankje. Kunnen we vanmiddag samen heen!’ Tom kijkt op van zijn LEGO bouwwerk. ‘Oh, grappig,’ Mama kijkt verbaasd. ‘Lijkt het je niet leuk?’ Tom haalt zijn schouders op. ‘De film lijkt me een beetje kinderachtig.’ ‘Mmm,’ zegt mama, ‘dat snap ik wel. Weet je wat, denk er maar even over na.’ Tom knikt. Dan gaat de bel. ‘Ik doe open!’ roept Tom. Hij weet al lang wie het is, want hij heeft zelf met Kevin afgesproken. ‘Hey Kevin, ik ben vast begonnen met het bouwwerk!’ Kevin geeft Tom een high five en doet zijn schoenen uit. ‘Leuk hoor, de hele middag samen met de LEGO!’ zegt Kevin enthousiast. ‘Nou…’ Tom geeft Kevin een bak met LEGOstukjes. ‘Misschien dat ik nog naar de film ga vanmiddag. Mama heeft kaartjes gekregen.’ ‘Leuk!’ zegt Kevin. ‘Welke film?’ ‘Iets met een lief meisje en een aardappel, beetje kinderachtig denk ik.’ Kevin laat de bak met een flinke plof op de tafel landen. ‘Lieve Lies en de aardig aardappel? Dat lijkt mij echt de meest gave film ooit!’ Tom ziet hoe blij Kevin kijkt. En mama ziet het ook. Ze roept Tom bij zich en zegt zachtjes: ‘Zullen we anders de kaartjes aan Kevin en zijn moeder geven? Als jij het toch niet zo leuk vindt… Denk er maar even over na!’

‘Hallo, doe je nog mee?’ Kevin kijkt hem lachend aan. Opeens weet Tom de oplossing voor zijn probleem. ‘Wacht, ik moet even iets aan mama vragen.’ Hij rent naar de keuken en fluistert: ‘Mam, mag ik misschien met Kevin samen naar de bioscoop? Dat jij ons brengt en haalt?’ Als Tom ziet dat mama even nadenkt, zegt hij er snel achteraan: ‘Dan gaan wij samen een andere keer iets leuks doen!’ Mama lacht. ‘Ik vind het goed hoor, maar ik dacht dat je de film niet leuk vond?’ Toms gezicht wordt warm. ‘Maar als Kevin het zo leuk vindt, dan zal ik ook vast genieten. En het lijkt me heel stoer om een keer zonder grote mensen naar de bios te gaan!’ Dat snapt mama best. ‘Ga Kevin dan maar snel vragen, dan bel ik zijn moeder wel.’ Een uurtje later zit Tom naast Kevin in de bioscoop. Op een lekkere luie stoel en met een bak popcorn op schoot. En als Kevin moet lachen om Lies en de aardappel, lacht Tom met hem mee. Gesprek Wat zou jij doen als je Tom was?

OP J E PLEK

Kaartjes voor de film

Tom en Kevin spelen nog een poosje samen. Het is heel gezellig en toch lukt het Tom niet om echt goed te bouwen. Hij denkt maar aan die twee kaartjes. De film vindt hij misschien wat kinderachtig, maar de bioscoop vindt hij superleuk. Vooral die lekkere stoelen en natuurlijk de popcorn. Wil hij zijn plek zomaar weggeven? Ook als hij weet dat Kevin het heel leuk zal vinden? 91


VRIJDAG 25 SEPTEMBER

Blij met mijn plek

Alle kippen op hun plek

Alle kippen hebben een plek gevonden in het kippenhok. En ze hebben het fijn samen. Een afsluitend gedicht bij de verhalen uit dit thema over Kootje Kip. Haan zit hoog en heel tevreden boven op een lange stok. En de kippen zijn beneden. Fien drinkt water, slok-slok-slok. Veer eet wurmen en wat zaadjes, krijgt een glimlach om haar mond. Tok graaft met haar scherpe poten een mooi plekje in de grond.

Wat lijkt jou de leukste plek voor een kip?

Vraag de groep in eigen woorden het verhaal van Kip Kootje en het kippenhok na te vertellen. Doe dit aan de hand van de kalenderplaten van 7, 14, 21 en 25 september. Hoe komt Kootje het hok binnen? Naar welke plek ging zij met Haan? Wie was Nieuwe Kip? En wat werd haar plek? Hoe hebben de kippen het nu in het hok? Op welke plekken zitten zij?

Een fijne plek

Laat de kinderen zichzelf tekenen en hun tekening uitknippen. Laat ze in een tijdschrift een foto (op A4-formaat) kiezen van een plek waar ze graag willen zijn: een plek om blij van te worden. Laat ze de foto uit het tijdschrift scheuren en hun tekening op de foto plakken. Bekijk samen de werkstukken en bespreek ze. Op welke plek zijn de kinderen hier? Wat maakt dit een fijne plek voor ze?

92

Alle kippen op hun plek. Tok, tok, kukel, da’s te gek! Fladder maakt een Kip-leuk dansje om de grote waterschaal. En de kippen doen haar dansjes vrolijk na, ja, allemaal. Scharrel zit het liefst in ’t donker; bij de losse plank is ’t fijn. Poel vindt alle plekjes prima, als ze maar alleen kan zijn. Alle kippen op hun plek. Tok, tok, kukel, da’s te gek! Kootje krijgt een rustig plekje; daar legt zij een glimmend ei. Haan komt kijken en zegt aardig: ‘Wow, dit ei maakt mij heel blij.’ Tok, tok, kukel, kukel, tok. Het is fijn in het kippenhok.


BRONNEN EN TRADITIES

De farao maakt Jozef minister van landbouw. Hij gaat erop toezien dat er graanschuren komen om graan te bewaren voor als er honger komt in Egypte, een belangrijke taak. Een vertelling naar Genesis 41, 37 – 57. Jozef staat nog steeds voor de farao. Hij heeft de dromen uitgelegd. De droom over de mooie, vette koeien. En de lelijke, magere koeien. En de droom over de mooie, dikke korrels. En de lelijke, dunne korrels. ‘U moet iemand zoeken die wijs en verstandig is,’ zegt Jozef weer. ‘Die moet kijken of alles wat moet gebeuren goed gedaan wordt. Want in het hele land moeten schuren gebouwd worden. In de zeven mooie, goede jaren moeten die schuren volgestopt worden met koren. De deuren van de schuren moet goed op slot gedaan worden. Het koren moet worden bewaard. Dan worden in de lelijke, slechte jaren de deuren van de schuren opengemaakt. Het koren dat erin bewaard wordt, kan verkocht worden. De mensen hebben dan geen honger.’ ‘Een geweldig plan,’ roept de farao. Hij staat op van zijn troon. ‘Ik weet al wie die wijze en verstandige man is,’ zegt hij. ‘De man die moet controleren of er schuren gebouwd worden. En de deuren goed gesloten worden, zodat het koren bewaard wordt.’ De farao kijkt naar de andere mensen in de zaal. ‘Vinden jullie Jozef ook zo wijs? Zijn God heeft ervoor gezorgd dat hij dit allemaal weet. Ik ken niemand die zo wijs en verstandig is als hij.’ De andere mensen knikken. De farao kijkt Jozef aan. ‘Daarom word jij die man die alles gaat controleren. Jij wordt de minister van alles wat groeit op het land. De minister van landbouw.’

Jozef slikt. Een uur geleden zat hij nog in de gevangenis. Nu is hij minister van Egypte. Er komen lakeien aan met een jas. Het is een prachtige jas. De farao hangt de jas om Jozefs schouder. ‘Buigen,’ roept hij hard. Iedereen in de zaal buigt voor Jozef. ‘Ik ben de belangrijkste in dit land,’ zegt farao. ‘Maar jij bent de nummer twee. Iedereen moet naar je luisteren.’ Jozef hoeft niet terug naar de gevangenis. Hij krijgt een eigen paleis en eigen lakeien. ‘Wat een speciale plek,’ roept Jozef. Het paleis is nu zijn huis. Elke dag rijdt hij in een wagen door Egypte. Alle mensen die hem zien rijden, buigen voor hem. De eerste zeven jaren groeien er heel veel korenstengels op het land. Er zitten mooie, dikke korrels aan. Van een deel maken de mensen brood. Een klein deel gaat in een grote schuur. Als de schuur vol is, gaan de deuren dicht en op slot. Zo worden alle graanschuren van Egypte gevuld. Precies zoals Jozef bedacht heeft.

OP J E PLEK

Weer een speciale plek voor Jozef (Bijbel)

Na zeven jaar wordt alles anders. De korenstengels op het land zijn klein en dor Er zitten alleen maar lelijke, dunne korrels aan. Daar kan geen brood van gebakken worden. Mensen krijgen honger. Ze gaan naar de farao en roepen: ‘Wij hebben honger. Geef ons te eten.’ De farao zegt: ‘Ga naar Jozef. Doe wat hij zegt.’ De mensen gaan naar Jozef. Jozef maakt de deur van een schuur open. De schuur ligt vol met de bewaarde korrels. Iedereen kan genoeg korrels kopen om brood mee te bakken. Dankzij Jozef hebben de mensen geen honger meer.

vrijdag gaat verder op de volgende pagina

93


VRIJDAG 25 SEPTEMBER

Jozef wordt onderkoning van Egypte (Bijbel)

De farao maakt Jozef minister van landbouw. Hij gaat erop toezien dat er graanschuren komen om graan te bewaren voor als er honger komt in Egypte, een belangrijke taak. Een vertelling naar Genesis 41, 8 – 57. De farao zit op zijn troon. Hij kijkt boos voor zich uit. In zijn hoofd zitten nog steeds de plaatjes uit zijn droom. Zeven dikke en zeven magere koeien. En zeven dikke stengels met koren en zeven dunne. Maar hij kent niemand die zijn droom kan uitleggen.

Dan komt de schenker binnen. Hij maakt een buiging voor de farao en kucht: ‘Mag ik wat zeggen?’ ‘Weet jij dan wat de droom betekent?’ vraagt de farao. ‘Nee, majesteit, maar ik ken wel iemand. Hij heet Jozef. Hij zit in de gevangenis en hij weet alles van dromen.’ ‘Jozef?’ vraagt de farao. ‘Die ken ik niet. Waar komt hij vandaan?’ ‘Uit Kanaän en hij is heel aardig,’ zegt de schenker. ‘Laat hem komen!’ zegt de farao Een paar uur later staat Jozef voor de farao. Hij heeft nieuwe, schone kleren aan. Geen gevangeniskleren meer. De farao vertelt aan Jozef wat hij gedroomd heeft. ‘En nu moet jij me vertellen wat mijn droom betekent,’ zegt de farao. ‘Dat kan ik niet,’ zegt Jozef. ‘Maar mijn God wel. En God zal vast goed voor u zijn.’ ‘Maakt me niet uit of jij het kan of jouw god. Vertel op! Wat betekent mijn droom?’ Jozef kijkt de farao aan en zegt: ‘God wil u iets vertellen. De zeven vette koeien zien er goed uit. Ze hebben lekker veel gras om te eten. Dat betekent dat er zeven goede jaren in Egypte komen. Met heel veel eten. Genoeg voor alle mensen. Wat zeg ik? Er is veel te veel eten!’ 94

De farao lacht. ‘Dat is mooi. Dus het was een goede droom?’ ‘Ja,’ zegt Jozef. ‘Maar... die zeven lelijke, dunne koeien zijn niet goed. Die hebben niks te eten. Zelfs als ze de dikke koeien opeten, blijven ze mager.’ ‘Wat betekent dat?’ vraagt de farao. ‘Dat betekent dat er na de zeven goede jaren, zeven slechte jaren komen. Er is geen eten in Egypte. De mensen hebben honger. Ze denken niet meer aan de zeven goede jaren. En uw droom over de zeven dikke en dunne korenstengels betekent hetzelfde. Het zijn twee dromen. Dan weet ik dat het waar is.’ Als de koning dat hoort, wordt hij verdrietig. Jozef ziet het en zegt snel: ‘Maar farao, mijn God zegt dat het tóch goed komt.’ ‘O ja? Hoe dan?’ ‘Luister. Eerst komen er zeven goede jaren. Met veel te veel eten. Het eten dat over is, moet u bewaren. In grote schuren. En als dan de zeven slechte jaren komen, doet u de schuren open en kan iedereen dáár eten kopen.’ ‘Ja!’ roept de farao. ‘Dat is een goed plan! Maar wie bouwt de schuren? Wie bewaart het eten?’ De farao kijkt Jozef aan. Dan zegt hij: ‘Jij Jozef! Jij moet het doen. Jij hebt een God die je goed kan helpen. Ik ben de eerste in dit huis. De belangrijkste. Maar jij, jij wordt de tweede. Ik maak jou onderkoning van Egypte.’ Natuurlijk is Jozef heel blij. Hij hoeft niet meer naar de gevangenis. En hij krijgt een mooie, nieuwe jas. Veel mooier dan de gekleurde jas die hij ooit van zijn vader Jakob had gekregen. ‘Dank u wel God,’ fluistert Jozef. ‘U zorgt goed voor mij. Zelfs als ik in Egypte ben!’


95

OP J E PLEK


ADVERTENTIE ADVERTENTIE

Bijzonder genoeg

Vanaf muziek, gewone 14 september muziekIn de kerstviering van Trefwoord staat kun je via Trefwoord instrumenten, het thema ‘Bijzonder genoeg’ centraal. Digitaal de kerstviering gewoon Tiel, Dit keer leiden twee leerkrachten de downloaden, inclusief gewoon het viering, waarbij ze sommige onderdelen muziek en beelden, onder kerstverhaal en heel bijzonder willen inkleden, maar de menuknop Materiaal, gewoon samen. ontdekken dat het juist charme heeft om aflevering Met de prentenboeken uit de serie Hoe doe je2. het ‘gewoon’ te doen. Het wordt dan dat? werk je gericht aan vaardigheden die ook een kerstviering met gewone passen bij jonge kinderen. Elk deel uit de serie bevat een ander thema, dat vanuit verschillende invalshoeken wordt behandeld. Bij elk verhaal zijn er gespreksvragen en werkvormen op hoe-doe-je-dat-voor-onderbouw.nl

Hoe doe je dat?

Met jonge kinderen werken aan vaardigheden

Prentenboek bij de kerstviering Bij de kerstviering hoort een prentenboek De tjilp van Tiel. Het prentenboek is geschreven door Jolanda van der Marel, met illustraties van Mariëlla van de Beek.

ACTIE

Het totaalpakk et met alle 15 de len kost nu

240,-

In het verhaal horen we dat Tiel, een gewone mus, dolgraag wil meedoen met het Grote Flierefluit Kerstconcert. Tijdens de repetities blijkt zijn gewone tjilp niet bijzonder genoeg. Hij kan niet bijzonder hoog zingen zoals de sopranen of bijzonder laag zoals de bassen. Is er straks voor hem wel plek in het koor? ‘Gewoon gaan,’ fluistert zijn vriend Pim hem toe. Bestelnummer 5099 Prijs: € 21,00

Een Eenuitgave uitgavevan vanuitgeverij uitgeverijKwintessens Kwintessensvoor voorde deonderbouw. onderbouw.

TWDHOB31-4 TWDHOB32-1

tt 033-460 033-46019 1940 40 ee info@kwintessens.nl info@kwintessens.nl i i www.kwintessens.nl www.kwintessens.nl


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Handleiding Trefwoord OB 2026-2027/1 - Op je plek by Kwintessens - Issuu