Skip to main content

Handleiding Trefwoord MB 2026-2027/1 - Op je plek

Page 1

In

A ST

cl

BRUG EN DEUR

ie

W RT

us e K f d EE

BRUG EN DEUR

OP JE PLEK

OP JE PLEK

Beeld: © Dreamstime

2025-2026/4 MIDDEN- EN BOVENBOUW

Beeld: © iStockphoto

2026-2027/1 MIDDEN- EN BOVENBOUW

MIDDENBOUW ZEKER EN ONZEKER

VRIJ ZIJN

Beeld: © iStockphoto

ZEKER EN ONZEKER 2026-2027/1 MIDDEN- EN BOVENBOUW

2026-2027/1 MIDDEN- EN BOVENBOUW

Beeld: © iStockphoto

VRIJ ZIJN

2026-2027/1 17 AUGUSTUS T/M 13 NOVEMBER 2026


Waar en hoe ben ik op mijn plek en hoe geldt dat voor de ander? In dit thema onderzoeken kinderen hoe mensen hun (letterlijke of figuurlijke) plek in het (samen)leven zoeken. Ze ontdekken dat dit deels een persoonlijke zoektocht is, maar dat de plek van de een vaak ook iets te maken heeft met de plek van een ander. 2026-2027/1 WEEK 37 T/M 39

Op je plek Helemaal op je plek zijn, dat is een fijne ervaring. Hopelijk kent iedereen dat. Het kan op veel plekken en manieren: in een fijne klas, op jouw positie in een sportteam, binnen een vriendengroep of helemaal alleen op een bankje aan de rand van de heide. Daar ervaar je rust, kom je tot je recht en bloei je op. Het verschilt per persoon waar en in welke rol je je op je plek voelt. Het is waardevol als kinderen ontdekken op welke plek (of positie) zij zich prettig voelen, of juist niet, en wat maakt dat dat zo is.

40

Het thema ‘Op je plek’ gaat ook over de positie die je inneemt in de groep. En die plek wordt soms bevochten. In een gezin, bijvoorbeeld, kan het soms letterlijk en figuurlijk dringen zijn om een plek. Hetzelfde geldt voor een klas. Wie zit waar en wie mag welke positie innemen? Het gaat hier over samenleven. Hoe komen jij en de ander tot hun recht en wat vind jij dat je daarvoor moet doen of laten? Deze vraag gaat over het leven van alledag, maar kan ook gaan over onze samenleving als geheel: is er plek voor iedereen? Voor ouderen, vrouwen, kinderen, mensen met een beperking, zieken, nieuwkomers? Belangrijke vragen om met elkaar te verkennen, want een fijne plek, dat gun je iedereen.

We maken in dit thema via de Bijbelverhalen kennis met Jozef. Hij is de een-na-jongste zoon van Jakob, en een van de twee zonen die hij kreeg met zijn lievelingsvrouw Rachel. Jakob verwent Jozef en Jozef laat het lekker gebeuren. Hij doet er zelfs een schepje bovenop door te vertellen over zijn dromen, waarin zijn broers en vader voor hem buigen. Zijn broers kunnen niet wachten om Jozef op zijn plek te zetten en die kans doet zich op een dag voor: ze verkopen hem aan handelaren en ruimen hem zo uit de weg. Jozef belandt, ver van zijn vertrouwde thuis, in Egypte. Daar gaat hij van de ene naar de andere plek.


OP J E PLEK

Op je plek Voelen het meisje en de hond zich op hun plek? Hoe zie je dat? Waar voel jij je op je plek? Trefwoord Digitaal Zie www.trefwoord.nl voor: Animatie Muziek Start- en slotviering Liedboektip Gebed

41


Open de Startkist Refrein: Laat je verrassen, iedere dag. Open de Startkist, we gaan aan de slag. Wat gaan we ontdekken, wat zit erin? Een lied, een verhaal of een mooie zin. Wat zie je, wat denk je, wat leer je vandaag? Het antwoord misschien, op een lastige vraag? Een prachtig gedicht of een heel goed idee. Kom kijken en horen. Doe allemaal mee. Refrein Wat hoop je te vinden, een wonder misschien? Iets dat je niet wist of nog nooit hebt gezien. Dus open je ogen en voel met je hart. Kom allemaal kijken, dan gaan we van start. Refrein

42


WEEK 37

Op je plek!

M A A N DAG 7 S E PT E MBE R

Op mijn plek

BRONNEN EN TRADITIES

Simon de Pilaarheilige (informatie)

DI N S DAG 8 S E PT E MBE R

Op je plek thuis

Welkom! (Startkist)

Deurmat (activiteit)

De Bijbelverhalen gaan in dit thema over Jozef. Hij is de een na jongste in het gezin en neemt daar een bijzondere plek in, onder andere door zijn vader die hem verwent. Jozef schept op met een nieuwe jas en vertelt zijn merkwaardige dromen, waarin anderen voor hem buigen. Dit maakt zijn broers woedend en als zij de gelegenheid krijgen hem uit de weg te ruimen, doen ze dat.

BRONNEN EN TRADITIES

De familie van Jozef (Bijbel)

SAMENLEVING

OP J E PLEK

Soms hoor je mensen zeggen: ik ben hier echt op mijn plek! Wat bedoelt zo iemand en wat geeft hem of haar dan precies dat fijne gevoel? Heeft het te vooral te maken met de fysieke plek en de omstandigheden daar? Of bijvoorbeeld ook met de eigen rol binnen de groep en of die rol goed past?

W E E KI NDE LI NG

Wereldalfabetiseringsdag (informatie)

WOE N S DAG 9 S E PT E MBE R

Op je plek in de klas KIND

De beste plek in de klas! (verhaal) Queen bee (informatie)

D ON DE RDAG 1 0 S E PT E MBE R

Op je plek bij je hobby

Misschien moet ik turner zijn (filmpje)

BRONNEN EN TRADITIES

Verbonden door een vreselijk geheim

(Bijbel)

VRI JDAG 1 1 S E PT E MBE R

Is dit mijn plek? KIND

Een verhaal over twee zussen

(verhaal)

SAMENLEVING

Rolpatronen (informatie)

43


MAANDAG 7 SEPTEMBER

Op mijn plek

BRONNEN EN TRADITIES

Simon de Pilaarheilige

Simon wil nadenken over het leven, maar op welke plek kan hij dat het beste doen? Thuis? In een klooster? In een grot? Of op een pilaar achttien meter boven de grond? Daar komt hij pas echt toe aan rustig nadenken. Hij voelt zich er zesendertig jaar lang op zijn plek.

Waar voel jij je op je plek?

Op deze kalenderplaat zie je zes voorbeelden van plekken waar mensen graag komen. Op welke van deze plekken zou jij je het meest op je plek voelen? Waarom? En als je elke andere plek zou mogen noemen, waar ben je dan misschien nóg meer op je plek?

Waar kun je écht nadenken over het leven? Zo’n 1500 jaar geleden was er iemand die zich dat afvroeg. Hij heette Simon. Al toen hij nog jong was, voelde hij dat hij een bijzondere opdracht had: hij moest écht nadenken over het leven. En daarna moest hij aan de mensen vertellen wat hij ontdekt had. Maar waar doe je zoiets? Eerst probeerde Simon het thuis. Terwijl zijn moeder met de pannen kletterde en zijn vader houthakte, probeerde Simon rustig na te denken. Maar dat lukte niet erg. Bovendien had hij alleen zijn ouders om te vertellen wat hij allemaal voor wijsheden had ontdekt. ‘Goed hoor,’ reageerden zij als hij wat vertelde. ‘En ga je nu het kippenhok schoonmaken?’ Dat werkte dus niet. Toen Simon zestien jaar was, ging hij naar een klooster. Daar zat hij in een kamer zonder ramen. Hij at droog brood en hij dronk alleen water; zo kon hij al zijn aandacht besteden aan nadenken. Eén keer per week vertelde hij aan de monniken wat hij had ontdekt. Tien jaar lang leefde Simon daar. Maar toen begon hij het licht te missen. En hij kreeg een hekel aan de kloosterklok, die elk half uur geluid werd. Dit was toch niet zijn plek. Simon besloot om in een hutje in het bos te gaan wonen. Daar was hij helemaal alleen… tenminste, dat dacht hij. Na een tijdje begon het lawaai van de vogels hem op te vallen. Bovendien regende het vaak door het dak van zijn hut, waardoor hij niet goed kon nadenken. Dit was niet zijn plek. Simon verhuisde naar een grot in de woestijn. Er waren geen vogels, de grot was waterdicht en het was er heerlijk rustig. Simon had zijn plek gevonden! Het enige probleem was dat andere mensen hém ook gevonden hadden. Uit het hele land kwamen mensen naar de woestijn, om die wijze man in zijn grot te zien. Ze vroegen hem om raad over van alles en nog wat. Aan zijn eigen inzichten kwam Simon nauwelijks toe. En toen bedacht hij iets. Het werd dé beslissing van zijn leven. Simon liet ergens langs de weg een hoge pilaar neerzetten, met bovenop een klein vierkant platform. Daar kon niemand hem zomaar storen. En als hij wilde vertellen wat hij ontdekt had, hoefde hij alleen maar naar beneden te roepen. In de jaren daarna heeft Simon zijn pilaar een paar keer laten verhogen: uiteindelijk zat hij achttien meter boven de grond. Zesendertig jaar heeft hij daar gezeten. Hij vond de rust om écht na te denken over het leven. En vanaf zijn pilaar hield hij preken waar veel mensen naar kwamen luisteren. Simon had zijn plek gevonden! Verwerking Simon denkt graag na over het leven. Hij komt op allerlei plekken waar hij niet goed na kan denken. Tot hij hoog op een pilaar gaat zitten, waar hij wel goed na kan denken zonder gestoord te worden.

44


Speel het spel twee leugens en een waarheid. Elk kind bedenkt wat hij of zij graag doet op drie verschillende plekken. De andere kinderen mogen raden op welke plek hij dit het beste kan (dit is de waarheid). Bijvoorbeeld: Ik kan fijn voetballen… … in de woonkamer … op het schoolplein … op het ijs

OP J E PLEK

Kunnen de anderen raden wat de waarheid is? Waar kan hij/zij het beste voetballen?

45


DINSDAG 8 SEPTEMBER

Op je plek thuis Deurmat

Voelen deze kinderen zich op hun plek? Hoe zie je dat?

Voel jij je thuis in jouw huis? Waar komt dat door? Wat is typisch voor jullie huishouden en wat vind je daarvan (Let op kinderen van wie je weet dat ze zich thuis niet altijd veilig voelen)?

Welkom!

Print de drie deurmatten uit (open hiervoor ‘Deurmatten’). Leg ze in de Startkist. Er staan verschillende uitspraken op de deurmatten en ze zien er allemaal anders uit. Print er bijvoorbeeld vijftien met ‘Welkom!’ erop, vijftien met ‘Leef, lach en wees lief’ en een paar met ‘Wegblijven! Ik wil rust’. Laat ieder kind een plaatje van een deurmat kiezen en op zijn tafeltje leggen voor vandaag. Gesprek Waarom is dit de deurmat die het beste bij jou past? Wat vind je fijn aan deze tekst? En aan hoe hij eruitziet?

46

Geef ieder kind een tekenblaadje. Laat de kinderen een uitspraak bedenken die ze op hun eigen deurmat zouden zetten. Laat ze dan de deurmat tekenen en inkleuren met kleuren die bij hen passen. Onder de deurmat maken ze een lijstje van dingen waardoor zij zich op hun plek voelen. Bijvoorbeeld: In dit huis vind je… mijn kat mijn yoghurt mijn versleten sok mijn kamer mijn troep mijn plantje Bespreek na: Wat heb jij vandaag nodig om je op je plek te voelen? En wat het hele jaar? Wie kan daarvoor zorgen?


De familie van Jozef (Bijbel)

Jozef heeft dezelfde vader als zijn oudere broers, maar een andere moeder: Rachel. Daarom is hij voor zijn vader extra bijzonder en wordt hij soms voorgetrokken. Dat maakt zijn plek in het gezin lastig. Zijn broers vinden de voortrekkerij natuurlijk maar niets en als Jozef met het vertellen van vreemde dromen nog eigenwijzer gaat doen, beginnen ze zich echt aan hem te ergeren. Een vertelling naar Genesis 37, 1–11. ‘Ik ga hoor, pap,’ zei Jozef. ‘Ben vanmiddag weer terug.’ Jakob zwaaide zijn zoon uit. ‘Doe je voorzichtig?’ riep hij nog. Jozef ging naar zijn grote broers die achter de heuvel op de geiten en schapen pasten. Tien oudere broers had Jozef maar liefst. En nog een jonger broertje, Benjamin, die bij zijn vader Jakob thuis was. Samen met zijn zussen. De broers zagen Jozef aankomen. Meteen sloeg hun stemming om. Sommigen balden hun vuisten. ‘Daar komt-ie weer!’ zei Ruben, de oudste van de tien. ‘Komt ons zeker weer afluisteren. Dan kan hij slechte verhalen over ons doorvertellen aan pappie Jakob. Vaders lievelingskindje!’ Toen Jozef bij de broers was, riep hij: ‘Gaat het goed met jullie?’ De broers zeiden niks terug. Simeon en Juda draaiden zelfs hun hoofd om toen ze Jozef zagen. Jozef trok zich er niks van aan: ‘Jullie moeten de groeten van vader Jakob hebben. Zal ik ook de groeten terugdoen?’ Alleen Ruben antwoordde. ‘Doe maar wat je niet laten kunt. En nu wegwezen, kleintje.’ Jozef haalde zijn schouders op. Kleintje, dacht hij. Ik ben al zeventien. ‘Ga je nog of blijf je ons van ons werk afhouden?’ vroeg Ruben, die zonder het antwoord af te wachten met alle broers een eind verderop ging zitten. ‘Hoe was het?’ vroeg Jakob toen Jozef weer thuis was. ‘O, goed,’ mompelde Jozef. ‘Waren ze een beetje aardig tegen je?’ ‘Ach ja, zoals altijd,’ zei Jozef. ‘Niet aardig dus,’ zei Jakob. ‘Dat vind ik nou zo vervelend. We horen als familie bij elkaar. Ook al zijn jij en Benjamin van mijn lieve Rachel en jouw tien broers van andere moeders. Ik ben hun vader. We moeten voor elkaar opkomen. En geen ruziemaken met elkaar of erger nog… elkaar haten.’

‘Laat maar,’ zei Jozef. ‘Jij houdt van mij. En ik hou van jou.’ ‘Jij bent een cadeautje voor mij,’ zei Jakob, en hij streelde Jozef over zijn zachte wangen. ‘Daarom heb ik een verrassing voor je.’ ‘Een verrassing? Wat dan?’ vroeg Jozef opgetogen. ‘Kom maar mee!’ zei Jakob. ‘Ik heb iets voor je gemaakt.’ Samen liepen ze naar de tent van Jakob. Daar hing een prachtige, gekleurde jas. ‘Voor jou!’ zei Jakob. ‘Het lijkt wel een eh… een koningsjas!’ lachte Jozef. ‘Echt heel mooi, pap. Dank je wel!’ Toen de broers thuiskwamen die avond zagen ze Jozef ijdel rondlopen in zijn nieuwe jas. ‘Vreselijk!’ zeiden ze. ‘Je lijkt wel een aangeklede pauw.’ En ze spuugden op de grond, vlak voor de voeten van Jozef. ‘Verwend ventje,’ riep Juda hem nog na. De volgende ochtend werd het nóg ongezelliger bij Jakob thuis. Jozef kwam enthousiast aanrennen en riep: ‘Pap, broers… wat ik nou toch gedroomd heb?’ ‘Zeker over je koningsjas,’ mompelde Ruben. ‘Nóg mooier!’ zei Jozef. ‘We waren in mijn droom allemaal aan het werk op het land. Daar maaiden we het koren. Daarna maakten we van al die losse stengels een bos. Jullie, en ik ook. En weet je wat er toen gebeurde?’ De broers zeiden niks. ‘Mijn bosje koren ging opeens rechtop staan. En die van jullie kwamen in een kring om mij heen staan en maakten toen een diepe buiging voor mijn bos koren.’ ‘Wát?!’ riepen de broers. ‘Bogen wij voor jou? Denk je soms dat jij de koning bent en de baas over ons kan spelen? Wie denk je wel dat je bent?’ Een dag later had Jozef weer een droom. En weer vertelde hij die aan zijn familie. ‘Ik droomde dat de zon, de maan en elf sterren een diepe buiging voor mij maakten. Goed hè?’ ‘Wat is dat nou weer voor droom?’ zei zijn vader. ‘Je denkt toch niet dat je moeder, je elf broers en ik voor jou zullen buigen? Vergeet het maar!’ Jozef zei niks en zag ook niet hoe jaloers zijn broers keken.

OP J E PLEK

BRONNEN EN TRADITIES

Gesprek Wat voor plek heeft Jozef in het gezin? Jozef vertelt zijn dromen, wat vinden zijn broers daarvan? Herken je iets van het gedrag van Jozef of zijn broers in je eigen gezin? dinsdag gaat verder op de volgende pagina

47


DINSDAG 8 SEPTEMBER

SAMENLEVING

Wereldalfabetiseringsdag

WOENSDAG 9 SEPTEMBER

Op je plek in de klas

Informatie over deze bijzondere dag. Om voor te lezen.

Vandaag is het Wereldalfabetiseringsdag. Die dag is er om aandacht te geven aan mensen over de hele wereld die moeilijk kunnen lezen en schrijven. Dat noem je laaggeletterden. Vaak kunnen ze wel een beetje lezen en schrijven, maar begrijpen ze moeilijkere taal niet. In Nederland zijn 1,3 miljoen volwassenen die niet goed begrijpend kunnen lezen. Dat is ongeveer één op de tien volwassenen. In een klas met dertig kinderen zijn dat gemiddeld dus wel zes van hun ouders. In grote steden zoals Amsterdam komt dat het meeste voor. Als één van je ouders niet goed kan lezen of schrijven, moet je als kind waarschijnlijk veel voor je ouders doen. Bijvoorbeeld mee naar de dokter en vertalen wat de dokter tegen je vader of moeder zegt. Misschien hoor je wel iets naars en moet je vertellen welke ziekte je vader of moeder heeft. Je hebt dan een belangrijke plek in het gezin, maar dat kan best moeilijk zijn. Gesprek Kan je je op je plek voelen in een land als je de taal niet kan lezen en schrijven? Hoe kan je iemand helpen die niet goed kan lezen en schrijven?

48

Voelt dit kind zich op z’n plek?

De jongen zit alleen, maar betekent dat ook dat hij zich niet op zijn plek voelt bij de anderen? Weet je het zeker? Soms vindt iemand het misschien fijn om even alleen te zitten. Op je plek voelen in de klas kan pas als je je gezien voelt. Door de leerkracht en je medeleerlingen. Daarover gaat het verhaal van vandaag.


De beste plek in de klas!

Pip is jarig en de juf is het vergeten, dus bedenkt ze een oplossing om haar plek terug te pakken.

Pip heeft al honderd keer op de klok gekeken en nu is het eindelijk bijna zover; de pauze begint over één minuut. Ze gluurt naar juf. Gaat die haar al naar voren roepen? Precies op het moment dat de pauzebel gaat, rent juf naar de deur van de klas. ‘Juf,’ roept Pip en springt op van haar stoel. ‘Even plassen,’ roept juf terug. ‘Jullie mogen naar buiten.’ Terwijl Pip langzaam op haar stoel terugzakt, ziet ze alle kinderen de klas uit zwermen. Zelfs Minke en Fatia lopen weg. ‘Hé,’ roept Pip, maar ze horen haar niet en verdwijnen in de stroom kinderen die zo snel mogelijk buiten willen zijn. ‘Mijn verjaardag,’ fluistert Pip. Ze kijkt naar het grote blad met de theedoeken erover op de kast achter in het lokaal. Gisteren heeft ze cupcakes gebakken en vanmorgen stond ze achterlijk vroeg op om ze heel mooi te versieren. Minke en Fatia wilden al onder de theedoeken kijken toen ze ermee het schoolplein opkwam, maar dat mocht niet. Langzaam schudt Pip haar hoofd. Hoe kan juf haar verjaardag nou vergeten? En Minke en Fatia? Die weten toch dat ze mee mogen de klassen rond? Ze staart naar buiten. Zal ze ook gewoon gaan spelen? Na de pauze denkt juf misschien wel aan haar verjaardag. Of niet? Bij deze juf weet je het nooit. Ze is vrolijk en grappig, en heel erg chaotisch. Ze vergeet weleens iets. Of iemand. Zoals laatst Jeroen in de kleedkamer van de gymzaal. Juf had niet gemerkt dat hij nog niet in de rij stond en liep terug naar school. Moet ze gewoon afwachten? Resoluut schudt ze haar hoofd en gaat aan de slag. Ze schuift de kast open waar ze denkt dat de verjaardagstaartmuts ligt. Ze verschuift de boeken en dozen met viltstiften. Geen muts. Misschien in de kast achter jufs bureau. Als ze de kastdeur opendoet, ziet ze hem meteen. Ze zet hem op haar hoofd. Het is net of de vrolijke muts ook haar gedachten vrolijker maakt. ‘Ik ben jarig en dat gaan we vieren,’ zingt ze hard. Even kijkt ze de klas rond. Wat is de beste plek in de klas om de kruk neer te zetten waarop de jarige staat als de kinderen voor je zingen? Nu staat die kruk voor het digibord. Achter de instructietafel. Ze loopt erheen en krijgt een plannetje. Durft ze?

‘Ja!’ roept ze. ‘Ik zorg dat iedereen me wel móet zien.’ Snel loopt ze naar jufs computer en zoekt het verjaardagplaatje op dat juf altijd op het digibord projecteert als er iemand jarig is. Daarna zet ze Lang zal ze leven aan en drukt op repeat. De klok zegt dat de pauze nog maar een minuutje duurt. Ze loopt naar het blad met haar traktatie en pakt het. Haar hart bonkt heel hard. Maar ze gaat het doen. Even later klinkt de bel voor het einde van de pauze. Pip durft bijna niet adem te halen. Wie zal de deur van de klas straks opendoen en haar ontdekken? Er klinkt gepraat en gelach op de gang. De klink gaat naar beneden. Pip hoort jufs stem. De deur zwaait open. ‘Nee, Pip! Sorry!’ Juf slaat haar hand voor haar mond en blijft na één stap in de klas al staan. Er drommen kinderen om haar heen. Iedereen die haar ziet, staat stil en kijkt met grote ogen naar haar. ‘Ik dacht, zo kun je me niet vergeten,’ zegt Pip. Ze staat op de kruk, die op de instructietafel staat met de verjaardagstaarthoed op en het blad cupcakes in haar handen. Er zit een trotse, blije kriebel in haar buik. Dit is de beste plek in de klas om ervoor te zorgen dat iedereen haar ziet. ‘Ga eerst maar zingen,’ zegt ze, ‘daarna kom ik er wel af om uit te delen.’

OP J E PLEK

KIND

Gesprek Wat vind je van Pips oplossing? Zou jij het ook durven? Voelt ze zich zo meer op haar plek in de klas? woensdag gaat verder op de volgende pagina

49


WOENSDAG 9 SEPTEMBER

Queen bee

We nemen een kijkje in de bijenkast, waarin iedereen zijn eigen plek heeft. Net als in de klas of op het schoolplein? Om voor te lezen. In de pauze is het vaak druk op het schoolplein. Dat is meestal gezellig! Maar soms is het minder leuk. Door baasjes, pestkoppen en meelopers. En misschien door dat ene meisje, niet altijd aardig, maar wel geliefd: de queen bee.

50

Hoe zit dat eigenlijk in het echt? Is dat koninginnetje echt het populairste bijtje van de bijenkast? En zijn al die andere bijen meeloopsters? Weet je wat? We nemen zelf een kijkje in de kast van de imker! Eerst even krimpen zodat we erin kunnen. En een zaklamp mee, want in een bijenkast is het pikdonker. We zijn binnen. Wat een drukte! Dat kan kloppen. In een bijenkast woont een heel bijenvolk, soms wel vijftigduizend bijen. Heel wat voller dan een schoolplein. En er is maar één koningin. Hoe kun je die nou vinden? Dat is makkelijker dan gedacht. Kijk gewoon naar de andere bijen. Als de koningin in de buurt is, zitten die met hun kop naar haar toe. Het is dus wáár: de queen bee krijgt alle aandacht van haar fans. En het klopt ook dat al die bijen om haar heen meisjes zijn, want een bijenvolk bestaat bijna helemaal uit meiden. Maar het is toch anders dan je dacht. De bijenkoningin is niet het populairste bijenmeisje, ze is de moeder. Ja echt: de moeder van al die duizenden bijen in het volk. Zij is de enige die eitjes kan leggen en dat is ook het enige wat ze doet. Haar dochters helpen haar verder met alles. Ze bouwen voor elk eitje een apart kamertje, ze verzorgen de larfjes en doen al het andere wat moet gebeuren. Dat is hard werken. Werksters worden die bijenmeiden dan ook genoemd. De werksters doen niet allemaal hetzelfde. Hun werk hangt af van de leeftijd. De jongste werksters doen de schoonmaak, daarna volgt de zorg en het klussen. Kinderkamers bouwen bijvoorbeeld: standaard en kingsize voor de jonge prinsesjes. En nectar aannemen en in honingbakjes stoppen. Naar buiten mogen alleen de oudste werksters. Dat is top-level. Kijk, daar komt een werkster van de buitendienst de kast in. Ze heeft nectar gehaald bij bloemen en dat geeft ze door aan een binnen-bij. Maar wat doet ze nou? Een TikTok-dansje? Dat trekt de aandacht. Maar ze doet het niet voor de show: het is een dansje met een code. Zo vertelt ze andere haalbijen waar de nectar te halen is: in welke richting en hoever. Slim!

Maar wat zijn dat voor slome bijen, daar in die hoek? Moeten die niet werken? Dat zijn darren: de jongens. Ze zijn wat dikker dan hun hardwerkende zussen. En om eerlijk te zijn, zijn ze nogal verwend. De darren laten zich gewoon voeren, alsof ze nog een larfje zijn. En van hun zussen hoeven ze ook niet te klussen. Ze mogen dromen van een mooie prinses, een jonge koningin van een ander volk. Pas als die gaan vliegen komen de jongens naar buiten en vliegen ze ze achterna. Tot hoog in de lucht. Daar kunnen wij niet op wachten. Zoveel informatie, we hebben wel even genoeg geleerd. We gaan weer naar buiten, de bijenkast uit. We groeien weer tot formaat mens. En nu naar het schoolplein. Lekker rustig. Gesprek Herken je iets van de bijen in de echte wereld? Wat wel en wat niet? Heeft iedereen in jullie klas een vaste rol? Kan je je plek in de klas veranderen?


DONDERDAG 10 SEPTEMBER

Op je plek bij je hobby

BRONNEN EN TRADITIES

Verbonden door een vreselijk geheim (Bijbel)

Wie voelt zich hier op zijn plek?

Kun je je alleen op je plek voelen bij je hobby als je er goed in bent? Of ben je er ook op je plek als je er minder goed in bent? Misschien doe je je hobby wel alleen voor je plezier of omdat er mensen zitten die op je lijken. Of allebei. Die dingen kunnen je allemaal helpen om je op je plek te voelen.

Misschien moet ik turner zijn

Bekijk met elkaar dit filmpje over een hobby die misschien niet bij dit kind past. Open daarvoor ‘Misschien moet ik turner zijn’. Bespreek het filmpje aan de hand van de volgende vragen: Voelt dit meisje zich op haar plek, denk je? Waarom? Herken je het dat je eigenlijk in iets anders goed bent dan in je hobby? Hoe ontdek je dat je ergens goed in bent? Zou je dan naar een plek zoeken waar je dat talent vaker kunt gebruiken?

‘Jozef, wil je wat voor me doen?’ ‘Voor u altijd, pap,’ zei Jozef. ‘Moet ik weer naar mijn broers gaan?’ ‘In één keer goed geraden!’ lachte Jakob. ‘Ik wil weten of het goed met ze gaat. En kijk dan ook meteen hoe het met de kudde schapen en geiten gaat.’ Jozef ging op weg. Deze keer waren zijn broers niet achter de heuvel vlakbij, maar vond hij ze helemaal in Dotan. Daar was de omgeving groen en dus was daar veel eten te vinden voor de schapen en geiten. ‘Niet kijken!’ zei Ruben die Jozef als eerste aan zag komen. ‘Waarom niet? Zie je spoken?’ lachte Simeon. ‘Ja, Jozef!’ zei Ruben. Hij wees naar een vage figuur in de verte. ‘Wat komt-ie nou weer doen?’ vroeg Juda. ‘Laat hem alsjeblieft bij pappie in de keuken blijven.’ ‘Ik heb een beter idee,’ zei een van de andere broers kwaadaardig. ‘Wat?! Nee, dat gaat te ver!’ riep Ruben toen hij het vreselijke plan hoorde. ‘Ik heb een beter idee!’ Jozef wist van niks. Hij liep vrolijk op zijn broers af. ‘Hé, jongens, ik…’ Verder kwam hij niet. Zijn broers stormden op hem af. Rukten zijn gekleurde jas van zijn lijf. En gooiden hem in een diepe waterput. Gelukkig voor Jozef stond er geen water in. ‘Dat zal je leren, eigenwijze dromer!’ riep Juda hem na. ‘Durf je nog steeds te zeggen dat jij de belangrijkste bent? Onze koning? Haha, een koning onder in een vieze put. Daar hoor je thuis!’ En hoe Jozef ook om hulp riep… de broers deden niks. De broers gingen een eindje verderop zitten om op hun gemak te kunnen eten. Na een tijdje hield het roepen van Jozef vanzelf op. ‘Goed dat we hem niet vermoord hebben,’ zei Ruben. ‘Ik had vader Jakob niet meer onder ogen durven te komen. Wij - zijn broers nota bene - die zijn lievelingskind hadden vermoord. Ik ben de oudste. Hij zou mij de schuld geven.’ Ruben stond op en liet de broers alleen achter. donderdag gaat verder op de volgende pagina

OP J E PLEK

De spanning tussen Jozef en zijn broers loopt op. Wanneer Jozef hen komt opzoeken in het veld, ver van hun vader Jakob, bedenken de broers een plan om van hem af te komen. Het leven van Jozef verandert enorm. Een vertelling naar Genesis 37, 12-36.

51


DONDERDAG 10 SEPTEMBER

VRIJDAG 11 SEPTEMBER

Is dit mijn plek? Opeens zagen de anderen stofwolken in de verte. ‘Kamelen!’ riep Simeon. ‘Ik denk dat het handelaars zijn,’ zei Levi. ‘Ze zijn op weg naar Egypte. Daar gaan ze vast hun spullen verkopen.’ ‘Verkopen! Dat is het!’ riep Juda. ‘Wat een goed idee. We verkopen Jozef gewoon aan die handelaars. Dan hoeven we Jozef niet dood te laten gaan en krijgen we tenminste nog wat geld voor hem. Eens?’ Juda keek zijn broers aan. ‘Eens!’ zeiden die. En zo werd Jozef voor een klein prijsje van maar twintig zilverstukken verkocht aan de handelaren, die meteen verder gingen op weg naar Egypte. Met Jozef als pronkstuk. ‘Hadden we niet wat meer geld voor hem moeten vragen?’ zei Simeon. Later die dag kwam Ruben terug. Hij keek in de waterput en riep: ‘Jozef, ben je daar? Ik kom je redden!’ Maar Ruben was te laat. Hij schrok vreselijk en huilde van verdriet. Meteen zocht hij zijn broers op. ‘De jongen is weg! Wat nu? Wat moet ik doen?’ De broers dachten kort na en kwamen toen in actie. Ze pakten Jozefs gekleurde jas, slachtten een bokje en haalden de jas door het bloed van dat jonge geitje. ‘Ziet er goed uit!’ zei Juda. ‘Nu lijkt het net of Jozef is aangevallen door een wild dier. Vader Jakob zal denken dat Jozef door een dier is verscheurd.’ Zo gingen ze met z’n tienen op weg naar Jakob. Ruben voorop, met lood in zijn schoenen. Onderweg zei hij nog tegen zijn broers: ‘Vanaf nu zijn wij verbonden door een vreselijk geheim. Dit mag niemand ooit weten! Niemand!’ Thuis lieten ze de jas aan Jakob zien. Ze zeiden schijnheilig: ‘Is dit niet de jas van Jozef?’ Vanaf dat moment was het leven van Jakob kapot. Net zo kapot als de jas van Jozef. Hij kon alleen maar stamelen: ‘Jozef… de rest van mijn leven zal ik verdrietig zijn.’ Ruben draaide zich om. Hij kon de tranen van zijn vader niet aanzien. Gesprek Waarom hebben zijn broers dit gedaan denk je? Wat vind je daarvan?

52

Wat zie je hier?

Wie voelt zich hier op zijn plek, denk je? Weet je dat zeker? Misschien voelen de oude mensen zich op hun plek bij een rustig park, maar misschien vinden ze de drukte wel heel gezellig.


KIND

Twee vrouwen, zussen van elkaar, hebben allebei hun eigen rol in het gezin dat ze met hun vader vormen. Ze voelen zich allebei niet op hun plek in die rol, maar durven dit niet te vertellen. Ze weten het dus niet van elkaar. Door toeval komen ze er toch achter, wisselen ze van rol en worden ze allebei gelukkiger. Er was eens een klokken- en horlogemaker. Hij had een winkel in het voorste gedeelte van zijn huis. In dat huis had ooit zijn grote gezin gewoond, maar zijn vrouw was overleden en de meeste van hun kinderen waren uit huis. Op twee dochters na. De rollen waren zo verdeeld: de vader was hoofd klokkenmaker en zat dus altijd met zijn neus in de klokken en horloges. De oudste dochter was zijn assistent. Ze hielp de klanten en hield de administratie bij. Maar ze was chaotisch en ze haalde cijfers en letters door de war. Bovendien vond ze het contact met de klanten soms maar vermoeiend. In zichzelf klaagde en zuchtte ze wat af, maar naar haar vader of jongere zus liet ze niets merken. De jongste dochter deed het huishouden. Ze stofte en boende, ze kookte en deed de was. Dat werk stopte nooit. Was de ene was net droog, dan lag er alweer een nieuwe, vuile stapel. Ook zij zuchtte en klaagde, maar ook zij alleen als er niemand bij was. Iedere dag, wanneer alle klokken in de winkel precies tegelijk twaalf keer sloegen, aten de dochters en hun vader samen een broodje - door de jongste dochter gesmeerd natuurlijk. De vader vertelde dan enthousiast over geslaagde reparaties. De beide dochters probeerden net zo opgewekt te praten over hún ochtend, maar dat ging met veel moeite. Die dag kuchte en hoestte de oudste dochter en omdat haar vader bang was dat ze een longontsteking zou krijgen, moest ze in bed blijven. Daardoor moest de jongste dochter helpen in de winkel; de was moest maar even wachten. Wat beviel het de jongste dochter daar! In twee dagen bracht ze de administratie helemaal op orde en ze genoot van de gesprekjes met klanten. Wat heeft mijn zus een fijn leven met dit werk, dacht ze, een tikkeltje jaloers. Tegelijk bedacht ze zich dat ze haar zus wat te drinken op bed had zullen brengen. Snel zette ze thee in de keuken en liep ze naar haar slaapkamer. Maar wat bleek? Haar zus lag helemaal niet op bed. Stiekem was ze aan de slag gegaan in

huis. Ze had het servies verplaatst, de vensterbanken gestoft en zelfs bloemen gehaald voor op de keukentafel. Met een rood hoofd, omdat ze zich betrapt voelde, keek ze haar jongere zus aan. ‘Het spijt me, dat ik al die leuke klusjes heb gedaan, terwijl jij dat vreselijke werk in de winkel moest doen,’ zei ze. Nu vertelde de jongere zus natuurlijk dat ze juist helemaal op haar plek was in de winkel, en dat ze het huishoudelijke werk juist vreselijk vond. Ze hadden jarenlang het werk verkeerd verdeeld! Hoe dit afliep? Dat kun je wel voorspellen: met een winkel waar het op rolletjes liep en een huis dat niet gewoon schoon was, maar op alle manieren blonk. En met twee zussen helemaal op hun plek. Dit verhaal is losjes gebaseerd op de levensbeschrijving van de zussen Ten Boom uit Haarlem. Beide zussen, hun vader en nog meer familieleden raakten enkele jaren na de hier beschreven gebeurtenissen betrokken bij het verzet tegen de nazi’s. Hun huis werd een schuilplaats voor vele (onder andere joodse) onderduikers. In het boek De Schuilplaats, geschreven door de jongste zus in dit verhaal (Corrie ten Boom), is daar meer over te lezen.

OP J E PLEK

Een verhaal over twee zussen

Gesprek Hoe waren de rollen onder de zussen verdeeld? Waarom voelden ze zich niet op hun plek? Hoe kwam het dat ze een nieuwe plek kregen? Welke van deze taken zou jij willen doen als je mocht kiezen? Heb je weleens getwijfeld of ‘dit wel jouw plek was’? Zo ja: wanneer? Zou je het zeggen als je niet tevreden was over je plek en de taken die erbij horen? vrijdag gaat verder op de volgende pagina

53


VRIJDAG 11 SEPTEMBER

SAMENLEVING

Rolpatronen lezen.

Informatie over rolverdeling tussen man en vrouw en de verandering hierin. Om voor te

Denk je weleens: is dit nu echt mijn plek? De plekken van volwassenen verschillen in elke tijd. Tot de jaren zestig was in het Westen de rolverdeling tussen man en vrouw bijvoorbeeld best anders dan nu: vrouwen bleven meestal thuis om voor de kinderen te zorgen en konden niet studeren. Mannen verdienden geld voor het gezin. In de jaren zestig en zeventig kwam daar verandering in: veel vrouwen gingen langer naar school en werkten meer. In de jaren zeventig leken de rollen van mannen en vrouwen veel meer op elkaar. Het idee hiervoor ontstond bij tieners en twintigers. Jongeren zeiden vaak ‘Peace and Love’ (dat betekent: vrede en liefde) en wilden een revolutie om hun plek in de samenleving te veranderen: dat lukte ze ook. Ze noemden zichzelf hippies. De hippies waren tegen grote bedrijven en tegen oorlog. Ze hielden van de natuur en bedachten dat je ook in een grote groep samen kon leven. Ze vonden vrijheid, liefde en minder focus op geld heel belangrijk. Zo zag het leven er ineens heel anders uit dan voor de revolutie. Andere mensen voelden zich daar weer niet bij op hun plek.

Rosj Hasjana

 Van 11 tot 13 september wordt Joods Nieuwjaar gevierd: Rosj Hasjana. De feestdag begint met het blazen op de sjofar, de ramshoorn. Open ‘Rosj Hasjana’ voor meer informatie.

54


WEEK 38

Het is niet vanzelfsprekend dat iedereen zich op zijn plek voelt. Als je je ergens niet op je plek voelt, kun je op zoek gaan naar een plek waar je je beter voelt. Hoe zoek je die nieuwe plek? Welke stappen horen daarbij? Daarover gaat deze week. Jozef komt aan in Egypte en werkt voor de machtige man Potifar en zijn vrouw. Jozef wordt door haar verleid en wijst haar af. Dan verandert zij zijn plek: Jozef wordt gevangengezet. Daar pakt hij een oud talent weer op: hij verklaart de dromen van medegevangenen. Dat helpt hem om weer een nieuwe, betere plek te krijgen.

W E E KI NDE LI NG M A A N DAG 1 4 S E PT E MBE R

Niet op je plek KIND

(Niet) zo’n gek idee (verhaal)

SAMENLEVING

Leerkinderen of leefkinderen

(informatie)

DI N S DAG 1 5 S E PT E MBE R

Droomplek KIND

Buitenspelen (gedicht)

Reisje naar jouw plek (activiteit)

WOE N S DAG 1 6 S E PT E MBE R

Een plek kiezen, maar je krijgt hem niet

We zijn er bijna (activiteit)

D ON DE RDAG 1 7 S E PT E MBE R

Op je plek gezet worden KIND

Heel even juf (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef zegt nee (Bijbel)

VRI JDAG 1 8 S E PT E MBE R

Je plek bemachtigen KIND

Snoep (gedicht)

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef in de gevangenis (Bijbel)

OP J E PLEK

Ik zoek mijn plek


MAANDAG 14 SEPTEMBER

Niet op je plek

KIND

(Niet) zo’n gek idee

Leila is niet op haar plek op school. Daarom gaat ze naar het speciaal onderwijs. Ze vindt het spannend, maar het valt mee. Ze is daar beter op haar plek, maakt snel vrienden en wordt zelfs een beetje vrolijk van haar nieuwe school.

Wanneer voel jij je niet op je plek?

Misschien denk je weleens: dit is niet mijn plek. Je voelt je anders dan de mensen om je heen. Wat doe je dan? Vertel je het aan iemand? Pas je je aan? Of laat je het maar even bestaan?

56

Zodra Leila met meester Arthur haar nieuwe klas binnen loopt, merkt ze al dat het hier anders is. Er zijn veel minder kinderen. ‘Klas, dit is Leila,’ zegt meester Arthur. ‘Leila, dit is de klas. We vinden het allemaal heel leuk dat je bij ons komt, toch?’ ‘Ja!’ zegt iedereen. ‘We hebben een plek voor je gemaakt, daar, naast Hanna.’ De meester wijst naar een tafelgroepje. Leila loopt erheen. Tot nu toe valt het mee, denkt ze. ‘Ik wil niet naar een speciale school,’ had ze geroepen, toen haar ouders met het idee kwamen. ‘Echt niet!’ ‘Dat snap ik schat,’ zei mama, ‘maar wij denken dat je daar beter op je plek gaat zijn.’ ‘Nee! Ik doe het niet!’ Maar haar ouders hadden wel gelijk met een paar dingen: best vaak kwam ze over haar toeren thuis, met huilbuien en al. Het was druk op school, ze raakte overprikkeld. Bovendien kon ze de lessen vaak niet goed volgen. De juf probeerde het te verbergen, maar Leila zag toch dat ze soms ongeduldig werd na de zoveelste vraag van Leila. En al net zo erg: klasgenoten die zuchtend met hun ogen gingen rollen, zo van: snapt ze het nu nóg niet? Dan kreeg Leila zo’n stekend alleen-gevoel in haar buik. Alsof zij anders was dan alle anderen en er niet bij hoorde. Meestal durfde ze dan niks meer te vragen en zat ze er maar wat bij. Ze had daarom toegestemd om het in elk geval éven te proberen, die andere school. De les begint: rekenen. Meester Arthur brengt een soort schrijfbordje naar Leila. ‘Wij werken hier met wisbordjes,’ zegt hij tegen haar. ‘Ken je dat?’ Leila schudt haar hoofd. ‘Als ik een vraag stel, schrijven jullie het antwoord daarop. Jullie steken dan de bordjes in de lucht, zodat ik alle antwoorden kan zien. Soms blijkt dan dat ik iets nog wat beter moet uitleggen, omdat er veel fouten zijn.’ Leila bestudeert het wisbordje even en kijkt dan naar buiten. Echt álles is hier anders. Vooral het schoolplein. Er is zand en gras, er zijn bomen en struiken. Het ziet er mooi uit. Beter dan dat betegelde plein bij haar oude school. Wanneer het bijna pauze is, vertelt meester dat hij een aantal klussen en opdrachten heeft voor vanmiddag. Hij schrijft ze op het bord. ‘Als je iets wil doen, schrijf dan de klus op je wisbordje, dan kijk ik in de pauze wie wat kan gaan doen. ‘De heg knippen, dat wil ik!’ roept Leila. Ze schrikt er zelf van. Hanna lacht. ‘Zullen we dat samen doen?’ Leila knikt blij en allebei schrijven ze het op hun wisbordje. ‘Weet je wat we altijd op vrijdag doen?’ vraagt Hanna. De pauzebel is gegaan en iedereen loopt naar buiten. ‘Koken!’


Na schooltijd rent Leila naar haar moeder toe, die bij het hek staat te wachten. ‘Hoe ging het?’ vraagt mama. ‘Goed!’ Eenmaal in de auto begint Leila te vertellen. Over de meester, de wisbordjes, het schoolplein, Hanna, de heg en nog veel meer. Ze ratelt aan een stuk door, tot ze thuis zijn. ‘Weet je wat het is, mama? zegt ze. ‘Nee, vertel!’ ‘De meester legt alles heel langzaam en goed uit. Ik snapte alles.’ ‘Wat heerlijk, schat,’ zegt mama. ‘Ik voel me helemaal niet anders,’ gaat Leila verder, terwijl mama de auto parkeert. ‘Want iederéén is hier anders. Iedereen op zijn eigen manier.’ ‘Dat heb je mooi gezegd, Leila,’ antwoordt mama, en geeft haar een kus. ‘Morgen dus weer?’ Leila knikt blij. Misschien was het toch niet zo’n verschrikkelijk idee van haar ouders, deze school.

OP J E PLEK

‘Echt waar?’ Leila voelt hoe haar gezicht begint te fronzen. ‘Maar … Ik kan niet koken.’ ‘Jawel hoor,’ zegt Hanna lachend, ‘je moet het alleen nog even leren.’

Gesprek Hoe kwam het dat Leila zich niet op haar plek voelde? Hoe komt het dat dat op haar nieuwe school beter gaat? maandag gaat verder op de volgende pagina

57


MAANDAG 14 SEPTEMBER

SAMENLEVING

DINSDAG 15 SEPTEMBER

Droomplek

Leerkinderen of leefkinderen

Over manieren van leren op school. Om voor te lezen.

In Scandinavische landen zoals Denemarken en Zweden leren ze op scholen meer met hun handen te werken dan dit in Nederland het geval is. Daar hebben alle leerlingen vanaf de basisschool tot en met het eindexamen van de middelbare school handige vakken zoals dingen leren maken van hout, naaien en koken of over hoe je omgaat met geld. Dingen maken met je handen of ingewikkelde dingen leren is daar evenveel waard. Onderwijsadviseur Sofie van de Waart wil in Nederland ook een Praktijk-VWO maken waar je niet alleen uit boeken leert, maar ook dingen leert maken of koken. Gesprek Wat vind jij een fijne manier van leren? In de boeken zitten of wat je moet leren alvast uitproberen? Is er ruimte voor jouw favoriete manier op je school? Zou jij naar een middelbare school willen waar je veel dingen met je handen leert doen?

Waar zou jouw reis met dit ticket naartoe gaan?

Droom je weleens van een plek waar je altijd zou willen zijn? Wat maakt die plek dan zo fijn: de mensen die er zijn, of het lekker weer is of niet of de regels die op die droomplek gelden? Of nog weer iets anders?

Prinsjesdag

 De derde dinsdag van september is al sinds 1887 een bijzondere dag: Prinsjesdag. In Den Haag spreekt de koning vandaag de troonrede uit. Dat gebeurt normaal gesproken in de Ridderzaal, maar omdat het Binnenhof verbouwd wordt, leest de koning de troonrede voor in de Stadsschouwburg in Den Haag. Dat doet hij tijdens een vergadering van de Eerste en de Tweede kamer samen. Open ‘Prinsjesdag’ voor meer informatie. 58


KIND

Noralie wil onbezorgd in het donker buiten spelen, maar haar broers zeggen dat dat niet kan omdat ze een meisje is. Nadat ze erover nadenkt, gaat ze het gewoon wel weer doen: het kan best. Xander, Russel en Lucien willen nog een uur naar buiten. ’t Schemert en de vogels fluiten. Noralie wil met ze mee. Maar de jongens zeggen: ‘Nee! In het donker ver van huis? Meisjes niet. Die blijven thuis.’ Jongens mogen wél naar buiten. Meisjes kunnen daarnaar fluiten. Waarom is er dat verschil? Ze denkt: ‘Flauw hoor,’ en ‘Ik wil!’ Maar ze weet: ze mag niet mee. Daarom zegt ze maar: ‘Oké!’ Als de jongens buiten schreeuwen, zit ze binnen. Sip en stil. En ze denkt aan wat ze wil. Wonen in een heel ver land. En dan buitenspelen want als de zon daar altijd lacht is het licht tot in de nacht. Achter al die donkere ramen droomt ze dat ze daar zou wonen. Altijd zon en groene bomen. Wat een superfijne plek. Daar te zijn lijkt haar te gek! Maar verhuizen... moet dat dan, als ze hier ook spelen kan? Als de jongens binnenkomen, rent ze keihard naar ze toe. ‘Jongens, wat een stom gedoe! Ik hierbinnen, in m’n eentje. Meisjes zijn geen buitenbeentje. Binnenblijven? Dom idee! Morgen ga ik lekker mee!’ Gesprek Snap je dat Rosalie droomt van een andere plek? Wat vind je van haar oplossing?

Reisje naar jouw plek

Een oefening waarin kinderen voor zich zien hoe hun favoriete plek eruitziet.

Laat de kinderen een plek in het klaslokaal kiezen waar ze willen zitten. Vraag ze om hun ogen te sluiten. Je kunt muziek opzetten zoals ‘Vogelgeluiden in het bos’ (open dit via het digibord). Vraag ze hun hand op hun buik te leggen. Lees dan deze tekst voor en laat ze op de puntjes bedenken wat bij ze past: We gaan een ideale plek bedenken. Een plek waar je je jarenlang thuis kan voelen. Doe je ogen dicht en stel het je levendig voor. Als ik pauze houd in de tekst, mag je voor jezelf de woorden invullen van de dingen die je voor je ziet. ‘Ik ben op de plek. Ik voel me veilig. Ik adem in en ruik: … Ik hoor: … Als ik de hoek omloop, zie ik een bordje met: … erop. Ik loop door. Dan zie ik een huis, het heeft de kleur: … en de deuren en ramen zijn… Ik hoor: … Er zingen wel/geen mensen. Er dansen wel/geen mensen. Ik begin zelf te zingen. Ik zing: … Iemand hoort mij zingen. De persoon/het dier of dit kind zegt: … Ik zeg: … Ik zie nog iemand, die op mij lijkt. De persoon heeft een … aan en een … in zijn handen. Ik krijg wat te eten, het is een: …. Op een rustig plekje eet ik het op. Ik loop het huis in dat ik eerder al zag in. Ik kijk om me heen en zie aan de muur een … Dan ga ik zitten en zeg ik: ‘hier voel ik me thuis.’

OP J E PLEK

Buiten spelen

Gesprek Lukte het om de plek voor je te zien? Stond het huis dat je zag in de natuur of in de stad? Ben je weleens op zo’n plek geweest? Wat vond je fijn aan deze plek? Hoe kwam het dat je je daar op je plek voelde? Wanneer zou je naar deze plek willen? Wanneer juist niet?

59


WOENSDAG 16 SEPTEMBER

Een plek kiezen, maar je krijgt hem niet

We zijn er bijna

We doen een uitspeel-oefening. De leerlingen kunnen daardoor nadenken over het gevoel dat je kunt krijgen als je een plek kiest, maar hem niet krijgt. Door het uit te laten spelen, zien ze ook verschillende mogelijkheden om ermee om te gaan. Deel de klas in in vijf of zes groepjes van vijf leerlingen. Zij gaan samen een toneelstukje van een paar minuten bedenken. Twee leerlingen schrijven de tekst die ze bedenken op en de rest speelt mee. Lees dit voor:

Wat gebeurt hier?

Heb jij weleens een plek of rol gekozen die je niet kreeg? Hoe ging dat? Je kan het zo laten of doorzetten om de plek later alsnog te krijgen. Wat past bij jou?

Stel, je hebt een huis gekocht op een eiland. Je vaart erheen, maar dan mag je er niet op. De bewoners van het eiland zijn bang dat je een ziekte bij je draagt. Je kijkt naar je huis op dat eiland en fantaseert hoe het daar zou zijn… je bent nu zo dichtbij, maar mag er niet heen! Hoe zou het zijn om je huis van zo dichtbij te kunnen zien, maar er toch niet naartoe te kunnen? We gaan toneelstukjes bedenken over het gevoel dat je ergens bijna bent, maar je plek nog niet krijgt. Bedenk eerst de plek (die anders is dan in het voorbeeld). Waar willen de mensen graag aankomen? Twee mensen komen op die plek aan en twee mensen vertellen waarom ze niet op die plek mogen komen. Hoe kunnen ze hierop reageren? Denk aan: boos, verdrietig en opgelucht. Of kan het ze niks schelen en bedenken ze een andere plek waar ze heen gaan? Gesprek Herkende je iets uit deze scènes: heb je weleens een plek gekozen die je niet kreeg? Hoe ging dat? Wie zorgde er toen voor dat je de plek niet kreeg? Heb je weleens veel mooie fantasieën gehad bij een plek die je graag wilde en dat het tegenviel toen je er was? Waarom kan dat gebeuren denk je? Wat kan je doen als je niet op de plek die je kiest kan komen?

60


DONDERDAG 17 SEPTEMBER

Op je plek gezet worden

KIND

Heel even juf

Meester Gerard zet Sophie streng op haar plek als ze door de les praat. Ze wordt er verdrietig van. In haar fantasie is zij de juf en zet ze meester Gerard op zijn plek. Tot ze wakker wordt uit de dagdroom en meester Gerard toch wel aardig blijkt te zijn. ‘Je stoort de les, dus hou je mond!’ zegt meester Gerard boos. ‘Dit is nu al de derde keer. Ja, jij, Sophie, verpest de sfeer. Dat vind ik schaamteloos.’

Ik droom verrukt: Ik ben de juf. Dus, meester, weg helaas! Ik zeg je nu wat je moet doen. Wat klierig is en wat fatsoen. Ik ben baas boven baas.

OP J E PLEK

Wat gebeurt hier?

Herken je deze situatie? Wie doet dit weleens bij jou? Heb jij weleens iemand op zijn of haar plek gezet (de baas over iemand gespeeld)? Hoe was dat?

Bam! Die komt aan, en dat doet zeer. En ik voel: dit is mis! Ik sluit me af; duik in mijn hoofd, waar wat ik hoorde wordt verdoofd. En waar het veilig is.

‘Wat stom, je snapt je sommen niet? Je taalles nog niet af? Dan blijf je na. Zo doe ik dat. Je mist je sportclub? Pech gehad! Dat is verdiende straf.’ De meester schrikt. Hij wil het niet. Hij huilt: ‘Stop hier toch mee!’ Maar ik zeg keihard: ‘Hou je mond. Ik ben de baas en jij mijn hond. Zo werkt mijn macht; dus nee! En als je toch nog protesteert, zet ik je op de gang. Dan laat ik je daar uren staan. Totdat je roept: “Ik pas me aan! Dit duurt me echt te lang.”’ ‘Hallo, Sophie, hoor ik opeens. Je droomde, volgens mij. Ik schrik. Mijn droom spat uit elkaar. De meester zegt: ‘Ik deed net raar. ‘k Heb spijt van wat ik zei.’ donderdag gaat verder op de volgende pagina

61


DONDERDAG 22 SEPTEMBER

BRONNEN EN TRADITIES Ik glimlach en ben opgelucht. Ik wil geen juf meer zijn. De meester is gewoon de baas. En soms is dat niet leuk, helaas. Maar meestal is het fijn. Gesprek Hoe draaien de rollen om in dit gedicht? Eerst zet de meester Sophie op haar plek en dan? Snap je dat Sophie weleens zou willen dat zij iemand op zijn plek kon zetten zoals meester Gerard ook bij haar doet?

62

Jozef zegt nee (Bijbel)

Jozef komt door de actie van zijn (half)broers in Egypte terecht. Hij wordt als slaaf verkocht aan een belangrijke man: Potifar. Jozef doet het daar zo goed dat hij al snel promotie krijgt. Maar dan gebeurt er iets tussen Jozef en Potifars vrouw waardoor Jozef in de problemen komt. Een vertelling naar Genesis 39. ‘Kijk eens, schat, wat ik hier voor je heb?’ De vrouw van Potifar keek op. ‘Zo,’ zei ze lachend, ‘dat is niet mis. Waar heb je die vandaan?’ ‘Op de markt gekocht. Voor jou. Nou ja, en natuurlijk ook voor mij. We kunnen wel wat extra hulp gebruiken.’ Daar stond Jozef. Ver weg van huis. Van zijn vader, broers en zussen. Helemaal alleen in een vreemd land: Egypte. Hij was verkocht, alsof hij een ding was. Een slaaf die niets meer zelf te zeggen had. En dat deed Jozef dan ook niet. Hij keek alleen maar. Naar Potifar, de man die hem net gekocht had op de slavenmarkt. En naar zijn vrouw die af en toe vreemd lachte. Waarom ben ik hier? dacht Jozef. En hoe zal het met vader Jakob zijn? Die zal vast denken dat ik dood ben. En mijn broers… waarom? Waarom hebben ze me voor een paar centen verkocht? Veel tijd om na te denken kreeg Jozef niet, want Potifar zei: ‘Kom eh… hoe heet je ook alweer?’ ‘Jozef, meneer!’ zei Jozef helder. ‘Ik ben…’ ‘Goed, Jozef, dus. Kom, aan het werk. Er is hier veel te doen in huis. Ga de kamers maar schoonmaken. En als je klaar bent de stallen vegen en mijn paarden verzorgen.’ ‘Ja, meneer, goed, meneer,’ zei Jozef beleefd. ‘Kom je snel bij me terug, lekker ding?’ hoorde Jozef de vrouw van Potifar nog roepen. Jozef deed heel erg zijn best. Dat zag Potifar ook. ‘Je doet het goed, jongen,’ zei hij op een dag tegen Jozef. ‘Het lijkt wel of jouw God je helpt of zo. Ik wil graag dat je mijn eigen dienaar wordt.’ Jozef straalde. ‘Graag, meneer. Wat mag ik voor u doen?’ ‘Eh… eigenlijk alles. Ik vertrouw jou. Ik wil zelf nergens meer aan hoeven denken. Weet je, ik werk voor de koning van Egypte, de farao. Dat is een heel belangrijke baan. Als ik thuiskom, heb ik nergens zin meer in. Zorg goed voor alles wat ik heb, voor mijn huis, mijn geld, mijn spullen. Na mij ben jij nu de belangrijkste man in huis! O ja, ik ben dol op lekker eten. Dus dat regel ik nog wel zelf!’


OP J E PLEK

Jozef wist niet wat hij hoorde. Hij dacht terug aan de put. De put waar zijn broers hem ingegooid hadden. Die put was diep. Wat had hij zich klein gevoeld. En kijk nu eens… Hij was omhooggeklommen. De tweede man in huis! ‘Jozef!’ Een stem riep hem. ‘Kom eens hier.’ Het was de vrouw van Potifar. Ze lag op bed. De dekens half opengeslagen. ‘Ja, kom maar verder, ik bijt niet,’ lachte ze. Jozef kwam voorzichtig dichterbij. Wat wilde ze van hem? Het voelde raar. Helemaal toen ze zei: ‘Jozef met je mooie, grote ogen… kom je bij me liggen?’ Ze keek uitdagend. ‘Het spijt me, mevrouw,’ zei Jozef. ‘Dat kan ik niet doen. Uw man, Potifar, heeft me alles gegeven. Maar u niet. Hij vertrouwt me. U hoort bij hem en niet bij mij. En misschien begrijpt u dat niet, maar ook mijn God zou dat verschrikkelijk vinden.’ ‘Ga dan maar weg!’ zei de vrouw van Potifar boos. Maar de volgende dag vroeg ze het weer. ‘Kom je bij me liggen, knapperd?’ ‘Nee, mevrouw, dat doe ik niet!’ zei Jozef opnieuw. Zo ging dat een paar dagen door. Totdat de vrouw van Potifar Jozef opeens zelf bij zijn kleren vastpakte. ‘Ik wil dat je bij me komt liggen. Nu!’ ‘Nee!’ riep Jozef fel. Hij rukte zich los en rende weg. Nu had de vrouw van Potifar alleen de jas, maar zonder Jozef erin. Woest was ze. Ze krijste: ‘Kijk nou eens! Die Jozef wilde bij me gaan liggen. Hier, ik heb zijn jas nog.’ Haar dienaren knikten en zeiden: ‘Vertel het vanavond maar meteen aan uw man,’ en lieten haar achter in haar slaapkamer. Potifar hoorde het verhaal en begreep dat hij maar één ding kon doen: Jozef moest weg! De gevangenis in! De gevangenis van de farao. Diep onder de grond. Net zo diep als de put waar Jozef ingegooid was. Zou Jozef hier ook weer uit omhoog kunnen klimmen? Gesprek Hoe verandert Jozefs plek tijdens dit verhaal? Waarom heeft hij daar niet zoveel over te zeggen? Wat vind je ervan hoe Potifars vrouw tegen Jozef doet?

63


VRIJDAG 18 SEPTEMBER

Je plek bemachtigen

KIND

Snoep

De ik-persoon in het gedicht hoort niet bij een groepje kinderen waar hij graag bij wil horen. Hij koopt een zak spekjes en deelt die aan ze uit. Zou hij er nu bij mogen? Ik sta in de super, wat koop ik vandaag? Misschien een zak spekkies. Die lusten ze graag. Gertjan en Vanessa, Raoul en Marij. Zij vormen een groepje. Ik hoor er niet bij.

Hoe zou je met één van deze dingen een goede plek kunnen bemachtigen?

Soms zie je voor je hoe je je plek wil krijgen, maar lukt het niet. Je wil bijvoorbeeld samen met de populaire kinderen spelen op het plein. Soms moet je misschien doorzetten en andere keren kun je de plek die je wil, beter laten gaan, als het niet vanzelf gaat.

Ik sta op het schoolplein, ik ben er het eerst. Ik kijk naar de spekkies. Tevreden, beheerst. Ik zie ze al komen. Ik ben ervoor klaar. Maar m’n handen zijn klam, en m’n hart klopt heel raar. ‘Hallo, ik heb spekkies,’ zeg ik, nonchalant. Mijn stem slaat wat over. Het trilt in mijn hand. ‘Voor jullie gekocht hoor. Dus neem ze nou maar.’ Ze kijken me aan en ze pakken zowaar. En nu dan? bedenk ik. Er wordt niets gezegd. De sfeer is wat moeizaam, het voelt onoprecht. ‘Nou, dag!’ Ik loop weg, neem de zak met me mee. Maar worden we vrienden? Ik heb geen idee. Gesprek Wat vind je van het idee van de ik-persoon om spekjes uit te delen om een plek te krijgen in de groep? Denk je dat het werkt om zijn plek te bemachtigen? Heb jij ook weleens zoiets gedaan? Wat zou wel helpen om een fijne plek in de groep te krijgen?

64


Jozef in de gevangenis (Bijbel)

Na het voorval met de vrouw van Potifar zit Jozef in de gevangenis. Een vreselijke plek. Gelukkig krijgt hij, door een goede band met de cipier, na een tijdje meer vrijheid. Als op een dag de schenker en de bakker van de farao in de gevangenis belanden, raakt Jozef met hen in gesprek en krijgt hij de vraag of hij hun dromen kan uitleggen. Een vertelling naar Genesis 40. ‘Hé, aan het werk jij! Je komt hier niet om te huilen. Of om lui voor je uit te kijken!’ De bewaker van de gevangenis gaf Jozef een por. Die schoot overeind, veegde snel de tranen van zijn wangen en zei: ‘Nee, meneer. Het spijt me, meneer. Wat kan ik voor u doen?’ ‘Pak een bezem en veeg de gangen maar schoon.’ Jozef deed wat de bewaker hem vroeg. De gangen waren vreselijk. Ze stonken en het was er stikdonker. Er was niet echt een vloer. Alleen zwarte aarde met harde stenen. Vegen had helemaal geen zin, maar Jozef deed toch zijn best. Toen hij klaar was, riep de bewaker: ‘Hier komen, jij. Ik heb je nodig. Draag die zware waterkruiken voor me.’ Jozef mopperde niet. Hij was allang blij dat hij iets te doen had. Dan dacht hij voor eventjes minder aan zijn vader Jakob, die hij zag zitten voor zijn tent. Huilend, omdat hij Jozef zo miste. Want hij was zijn lievelingszoon. ‘Je doet het goed!’ zei de bewaker op een dag tegen Jozef. ‘Het lijkt wel of die God van jou je helpt.’ Weer die woorden! Het was wat Potifar óók tegen hem gezegd had. ‘Eh, ja…’ zei Jozef, ‘dank u, ik doe mijn best.’ ‘Ik wil dat jij vanaf nu alles regelt hier,’ zei de bewaker. ‘Je bent een geboren leider. Jij bent na mij de belangrijkste man hier in de gevangenis. Zorg dat ik niks meer zelf hoef te doen.’ ‘Goed, meneer,’ zei Jozef blij. Maar het bleef een gevangenis. Mooi dat hij nu bewaker was, maar zonlicht zag Jozef niet. En soms dacht hij: dit was mijn leven. Hier stopt het. In een gevangenis van de farao van Egypte. ‘Jozef,’ zei de hoofdbewaker, ‘er zijn twee nieuwe gevangenen gekomen vandaag. Het zijn de wijnschenker en de bakker van de farao. Ze hebben een vreselijke fout gemaakt. Ga ze water en brood brengen.’ Jozef kon goed opschieten met de schenker en de bakker. Zo goed, dat ze op een dag tegen Jozef zeiden: ‘We hebben zo raar gedroomd vannacht. We…’

‘Het was vast geen leuke droom,’ onderbrak Jozef hen. ‘Jullie kijken zo somber. Vertel!’ ‘Dat heeft geen zin,’ zei de schenker. ‘Er is hier toch niemand die mijn droom kan uitleggen.’ ‘Ik niet,’ zei Jozef, ‘maar mijn God kan dat wel. Dus vertel maar…’ De schenker haalde diep adem en zei: ‘Ik zag in mijn droom een druivenplant. Een plant met drie takken eraan. Meteen erna zag ik bloemen en ook al druiven. In mijn hand had ik de beker van de farao. Ik plukte de druiven en perste ze uit in de beker. Daarna gaf ik de beker aan de farao.’ Jozef keek de schenker aan en zei: ‘Luister goed. Die drie takken zijn drie dagen. Binnen drie dagen komt de farao je uit de gevangenis halen. Je mag weer voor hem werken.’ ‘Geweldig!’ juichte de schenker. ‘Wat kan ik voor je doen?’ ‘Denk aan mij,’ zei Jozef, ‘als je weer in het paleis van de farao bent. Vertel over mij aan de farao en zorg dat ik uit deze gevangenis kom. Want ik heb niks verkeerds gedaan. En wat heb jij gedroomd, bakker?’ De bakker keek blij voor zich uit. ‘Ik heb bijna precies hetzelfde gedroomd. Want ik had in mijn droom drie manden met brood op mijn hoofd. In de bovenste mand zat het lekkerste brood. Dat was voor de farao. Maar toen kwamen er vogels en die aten al dat brood op.’ ‘Tja,’ zei Jozef, ‘dat is geen fijne droom. Die drie manden zijn drie dagen. Binnen drie dagen haalt de farao je uit de gevangenis. Maar je mag niet meer voor hem werken. Beste bakker, het loopt niet goed met je af.’ Drie dagen later was het feest in het paleis van de farao. Hij was jarig en liet de schenker en de bakker uit de gevangenis halen. Het ging precies zoals Jozef had voorspeld. Maar Jozef zelf… die bleef in de gevangenis. Want de schenker was hem vergeten.

OP J E PLEK

BRONNEN EN TRADITIES

Gesprek Op welke plekken is Jozef tot nu toe geweest? Hoe bemachtigt Jozef nu een betere plek? Waardoor wordt hij de leider van de gevangenis? Helpt het om je talent in te zetten om een betere plek te krijgen? Wanneer wel en wanneer niet? 65


66


WEEK 39

We leven samen. Mensen hebben invloed op elkaar: jouw plek beïnvloedt die van een ander. In je gezin of je klas, maar ook in grote groepen, zoals een land, Europa of zelfs de hele wereld. Soms speelt iemand de baas over een ander. Hoe vecht je dan voor je plek? In de verhalen over Jozef wisselt hij weer van plek: door dromen te verklaren schopt hij het tot onderkoning van Egypte. Hij laat de gevangenis achter zich, krijgt een eigen gezin en voelt zich op zijn plek.

W E E KOVE R Z ICH T M A A N DAG 2 1 S E PT E MBE R

Wat zegt je plek?

Hodja en het paard (Trefwoord-ani-

matie)

DI N S DAG 2 2 S E PT E MBE R

Wij een plek, zij een plek SAMENLEVING

Gevlucht, en dan? (filmpje)

BRONNEN EN TRADITIES

De farao droomt (Bijbel)

WOE N S DAG 2 3 S E PT E MBE R

Vechten voor een plek

Past iedereen erbij? (activiteit)

KIND

Soepdag (verhaal)

D ON DE RDAG 2 4 S E PT E MBE R

Voor altijd een plek KIND

Een plek voor Mourad (verhaal)

BRONNEN EN TRADITIES

Hoop en verwachting bij een lege plek

(informatie)

VRI JDAG 2 5 S E PT E MBE R

Iedereen een plek

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef wordt de tweede man in Egypte

(Bijbel)

Dromen worden waar (lied)

OP J E PLEK

De plek van een ander


MAANDAG 21 SEPTEMBER

Wat zegt je plek? Hodja en het paard

Hebben jullie ook vaste plekken in de klas als je op schoolreisje gaat?

Waar in deze bus denk je dat het rustige kind altijd zit? Waar het drukkere kind? Waar de leerkracht? Waar zou jij gaan zitten? Wat zegt je plek in de bus over jou?

Jom Kippoer

 Voor joden was het gisteren (vanaf zonsondergang) en is het vandaag Jom Kippoer oftewel Grote Verzoendag. Open ‘Jom Kippoer’ voor meer informatie.

68

Hodja en zijn dochter Elif kopen een paard. Ze wandelen met hem naar huis. Onderweg hebben mensen die ze tegenkomen veel te zeggen over hun plek op of naast het paard. Hodja en Elif luisteren naar de voorbijgangers en zo verandert steeds hun plek. Zet de animatie op 0:18 stil en vraag: Hoe denk je dat Hodja en Elif naar huis gaan lopen met het paard? Wie zit of loopt waar tijdens deze reis? Bekijk daarna hoe het verhaal verder gaat. Gesprek Hodja luistert naar iedereen, maar hij kan niet iedereen blij maken. Wat had hij anders kunnen doen? Wat zou jij doen als je Elif was? Wat wil het paard, denk je? Heb je weleens een plek gehad die je veranderde omdat anderen er een mening over hadden?


DINSDAG 22 SEPTEMBER

Wij een plek, zij een plek

SAMENLEVING

Gevlucht, en dan?

Open ‘Gevlucht, en dan?’ Dit filmpje (duur: zes minuten) gaat over Nikola, een vluchteling uit Montenegro. Hij praat over het gevoel van thuiskomen in het Nederlandse AZC (asielzoekerscentrum) waar hij tien jaar woonde. Hij is weer even terug op de plek die vanaf zijn vijfde zijn thuis was. Hij laat het AZC zien en de kamer waar hij woonde, die vier bij vier vierkante meter was. Gesprek Waarom zijn de ouders van Nikola naar Nederland gekomen? Voelde Nikola zich op zijn plek in het AZC? Waarom? Wat kunnen vervelende ervaringen zijn die Nikola in Nederland heeft gehad met mensen die hem geen plek willen geven? Waarom doen die mensen zo tegen hem, denk je? Is er plek voor iedereen die in Nederland wil wonen?

Deze kat wordt buitengesloten. Ken jij dat ook, dat anderen je geen plek willen geven? Heb jij zelf weleens een plek van iemand afgepakt of iemand verboden erbij te komen?

dinsdag gaat verder op de volgende pagina

OP J E PLEK

Wat gebeurt hier? Wat vind je daarvan?

69


DINSDAG 22 SEPTEMBER

BRONNEN EN TRADITIES

De farao droomt (Bijbel)

Na Jozef, de schenker en de bakker droomt nu ook de farao. Over zeven magere koeien die zeven vette koeien opeten. Jozef mag de dromen uitleggen. En dat helpt niet alleen hemzelf, maar ook de farao, Egypte en zelfs de volken daaromheen. Een vertelling naar Genesis 41, 1-36. De farao werd badend in het zweet wakker. ‘Koeien,’ mompelde hij. ‘Zeven koeien.’ ‘Waar heb jij het over?’ vroeg zijn vrouw. ‘Er zijn hier helemaal geen koeien. En zeker geen zeven!’ ‘Ik heb gedroomd,’ zei de farao. ‘Twee keer zelfs. En de dromen lijken op elkaar.’ De farao sprong zijn bed uit en riep: ‘Dienaar, haal al mijn knappe mannen naar het paleis.’ Een uurtje later stond er een hele rij wijze mannen voor de farao. Ze luisterden naar de farao, dachten diep na, kuchten een paar keer, zeiden: ‘Ja ja, interessant, eh… zeven koeien zei u… ja, dat is toch wat…’ maar ze konden de dromen van de farao niet uitleggen. ‘Aan jullie heb ik helemaal niks!’ brieste de farao. ‘Wegwezen!’ De farao zakte moedeloos onderuit, totdat de wijnschenker tegen hem zei: ‘Majesteit, ik ken iemand die uw dromen kan uitleggen. Hij zit in uw gevangenis. Het is een heel bijzondere jongen. Een man nu, want ik heb hem twee jaar geleden voor het laatst gezien. Hij heeft ook mijn droom en die van de bakker uitgelegd en die dromen kwamen ook uit.’ ‘Klets niet langer!’ zei de farao, ‘breng hem hier!’

70

‘Je mag naar het paleis van de farao,’ zei de hoofdbewaker. ‘Ik?’ zei Jozef verbaasd. ‘Ja, jij. De farao heeft gedroomd. Ga je wassen, scheer je baard eraf en trek deze nieuwe kleren aan. En vlug een beetje.’ Jozef wilde niets liever dan vlug gaan. Eindelijk even weg uit die gevangenis. Al was het maar voor een uurtje. ‘Zo, dus jij bent eh…’ ‘Jozef, majesteit,’ en Jozef maakte een diepe buiging voor de farao. ‘Dus jij kunt dromen uitleggen?’ ‘Ik niet, maar mijn God helpt me.’ ‘Ook goed. Ik zal je mijn dromen vertellen. Ik stond bij de rivier de Nijl. Opeens zag ik zeven koeien uit het water komen. Mooie, vette, dikke koeien. Ze gingen meteen gras eten. Maar toen… niet te geloven… kwamen er weer zeven koeien uit het water. Lelijke, magere koeien. En nu komt het gekste… die zeven magere koeien aten die zeven dikke koeien op.

Daarna droomde ik nog een keer. Niet over zeven koeien maar over zeven plantenstengels met koren. En ook nu aten de zeven dunne stengels de dikke stengels op. Nou, leg maar uit, Jozef!’ Jozef had goed geluisterd. Hij zei: ‘Majesteit, uw twee dromen betekenen precies hetzelfde. God laat u zien hoe het zal gaan in uw land, in Egypte. De zeven dikke koeien… dat zijn zeven goede jaren. Er is eten genoeg voor alle mensen in uw land. Wat zeg ik? Er is zelfs te veel. De velden staan vol met koren. Het kan niet op. Maar dan komen er zeven slechte jaren. Dat zijn die zeven magere koeien. Mensen in uw land zullen honger hebben. Weg rijkdom. Verschrikkelijk gewoon. Farao, u heeft dus twee keer precies hetzelfde gedroomd. Zo gaat het gebeuren. En snel ook.’ Gesprek Hoe verandert Jozefs plek nu waardoor hij bij de farao op bezoek mag? Wat vindt Jozef van zijn plek bij de farao, uit de gevangenis?


WOENSDAG 23 SEPTEMBER

Wat gebeurt hier?

Ken je dit ook, het vechten voor de beste stoel? Of vecht je zelf voor andere dingen thuis, op school of op je hobby? Welke plekken zijn het waard om voor te vechten? Denk ook eens aan een plek als klassenvertegenwoordiger of een leuk bijbaantje waar je je op je plek voelt: zou je doorzetten om te vechten voor zo’n plek, ook als je die niet in één keer krijgt?

Past iedereen erbij?

Zet de tafeltjes aan de kant en zet twintig stoelen verspreid door de klas neer. Laat alle kinderen gaan staan voor stoelendans. Zet muziek op. Laat de kinderen door de klas bewegen. Als de muziek stopt, moeten ze zo snel mogelijk op een van de stoelen gaan zitten. Herhaal dit een aantal keer zodat iedereen de kans heeft gehad op een stoel te zitten. Bespreek deze stoelendans met de volgende vragen: Vond je dit leuk? Waarom? Hoe reageerde je als er geen plek voor je was? Gaf je op als de ander ook op die plek wilde zitten en liet je kinderen voor? Of bleef je in gevecht en ga je altijd voor de winst? Waarom? Herken je dat in het leven na school: is dat hetzelfde hoe je reageert als je dan voor je plek moet vechten? En als je andere mensen ziet vechten voor een plek: wat vind je daar dan van? Hoe kan iedereen toch een plek krijgen in dit spel? Is het dan nog leuk? woensdag gaat verder op de volgende pagina

OP J E PLEK

Vechten voor een plek

71


WOENSDAG 23 SEPTEMBER

KIND

Soepdag

Huize Chaos is een samengesteld gezin met drie kinderen van moeder Laura en twee kinderen van vader Ernesto. Ze wonen nog niet zo lang samen in een huis. De hond ziet dat ieder kind zijn plek zoekt aan tafel. Zijn plek is altijd goed: er wordt veel eten geknoeid met zo veel kinderen aan tafel.

72

Het is vandaag weer woensdag, en dat betekent soepdag in huize Chaos. Nee, dat is niet hun achternaam natuurlijk. Maar hun achternaam is ingewikkeld. Het zit zo: moeder Laura Smit is een jaar geleden gescheiden. Ze heeft drie kinderen, Jamie van 4 jaar, Sylvie van 8 en tenslotte über-puber Maartje van 13, die De Bont van hun achternaam heten. Sinds een half jaar wonen ze samen met vader Ernesto Meesters en Mario van 10 en Eva van 11. Wie ik ben? Bello, de hond die ze meteen bij het samenwonen hebben aangeschaft. Alsof ik er ook nog wel bij kon in dat veel te kleine huis. Nou ja, ik vind het prima, want hiervoor woonde ik in een asiel. Dat was geen leuke plek, dus dit is veel beter. Vooral op woensdag. Ik zorg altijd dat ik op tijd op mijn kleed lig. Het kleed is mijn vaste plek in huis en omdat alles hier zo krap is, ligt het tegen een tafelpoot aan. Aan de ene kant heb ik dus de verwarming – heerlijk! – en aan de andere kant de tafel waar altijd wel een kind iets vanaf laat vallen. Daar komt Sylvie binnen. Dat is een slimmerik. Die weet dat ze eerst moeten plassen, dan handenwassen en daarna aan tafel mogen. Dat doet ze ook direct als ze pannen hoort rinkelen. Dan is ze als eerste bij de tafel. Er zijn plekken die populair zijn. Zoals de stoelen vlak bij mijn kleed. Vaak zit ze er al een half uur voordat het eten klaar is. Maar op die manier kan ze als eerste een plek kiezen. Ze kiest bijna altijd de plek aan het hoofd van de tafel, naast mijn kleed. ‘Ik wil daar vandaag zitten,’ gilt Mario. Hij is de tweede die aan tafel komt. ‘Jij zit daar altijd.’ Sylvie zegt niks, doet niks en blijft stokstijf op de stoel zitten. ‘Pahap,’ roept Mario, ‘help me eens.’ Ernesto komt even uit de open keuken richting de kamer. ‘Jullie moeten het zelf uitvechten,’ zegt hij. ‘Ik bemoei me er niet mee. Mij maakt het niet uit wie waar zit.’ Ik leg mijn kop op mijn poten en doe mijn ogen dicht. Lekker makkelijk, zo’n houding. De kinderen gewoon zelf laten uitzoeken hoe ze het regelen aan tafel. Met een boos gezicht gaat Mario helemaal aan de andere kant zitten. Hij blijft Sylvie boos aanstaren.

Dat weet ik zonder mijn ogen open te doen, want het gaat altijd zo. Ik hoor Jamie aankomen en doe gauw mijn ogen open. Die kleine is Kampioen Knoei met eten, dus ik hoop dat ze dicht bij me komt zitten. Ik heb tomatensoep met ballen geroken, dus met haar dichtbij wordt het een geweldige maaltijd. Eindelijk zit iedereen. Jamie hangt met twee benen aan één kant van de stoel. Mijn kant, dus alles wat ze knoeit komt zó op mijn kleed. Ernesto draaft met grote pannen soep, borden stokbrood met boter en stukjes wortel, komkommer en tomaat tussen de keuken en de tafel en Laura stuift op het laatste moment de kamer binnen, geeft alle kinderen een zoen, wat niet iedereen fijn vindt, bindt Jamie een theedoek om tegen het knoeien en kijkt dan welke plek er voor haar over is. Door het lawaai van alle kinderen die iets willen zeggen tegen niemand in het bijzonder, kan ik niet goed horen of er al is opgeschept. Tot ik ineens de hand van Maartje onder de tafel zie. Met… een balletje uit de soep. Ze is vegetariër, maar daar houden ze hier geen rekening mee. Zo onopvallend mogelijk schuifel ik onder tafel en lebber de heerlijkheid op. Mjamjamjam zo lekker. ‘Bello, plaats!’ roept Laura. Balen, ze heeft me gezien. Hoe is het mogelijk. Ik krabbel achteruit en doe of ik slaap. Braaf op mijn plaats. Wat eigenlijk best lekker duidelijk is. Misschien een tip om dat ook eens met die kinderen af te spreken. Gesprek Waar vechten de kinderen in dit verhaal voor? Wat vind je ervan dat het moet? Herken jij dat? Waar wil jij zitten in de klas? Als je niet zit waar je wil, zou je dat dan zeggen? Voor welke plekken kan je nog meer vechten? Denk ook aan later: zou je vechten voor een fijne baan, voor meer plek om te wonen en te spelen, voor een plek in de politiek zodat je meer kan meebepalen over hoe alles wordt geregeld in ons land? Wanneer is het belangrijk te vechten voor je plek en wanneer niet?


DONDERDAG 24 SEPTEMBER

Voor altijd een plek

KIND

Een plek voor Mourad

Wat doet deze jongen?

Waarom steken mensen soms een kaarsje aan voor de doden? Helpt het voor je verdriet om een plek te maken voor het herdenken van iemand? Misschien hebben de kinderen hier wel voorbeelden van, van overleden mensen of dieren waarvoor ze een grafje of herinneringsplek maakten.

Juffrouw Jorien steekt haar hand in de lucht. De klas weet wat dat betekent; ze praten te lang door. Langzaam verstomt het geluid en kijkt iedereen naar de juf. ‘Jullie weten dat Mourad de afgelopen drie weken ziek is,’ begint ze, ‘Mourad ligt nu in het ziekenhuis en komt de komende tijd niet meer naar school.’ ‘Wat heeft Mourad?’ vraagt Laura. De juf lijkt even te twijfelen of ze het zal vertellen. Dan zegt ze: ‘Hij heeft een darmziekte waardoor hij niet goed kan eten en vaak pijn heeft.’ ‘Wanneer is hij weer beter?’ vraagt Moesa. Dat weet juf Jorien niet. Ze wordt een beetje rood en kijkt naar het tafeltje van Mourad. Moesa kijkt opzij naar het lege tafeltje van Mourad. Hij mist Mourad. Ze voetbalden elke dag in de pauze, Mourad kon goed panna’s geven. Joriens stem hapert als ze zegt: ‘Ik zat te denken… dat we Mourads tafeltje even weg kunnen zetten. Jullie kijken er steeds naar en dan denk je aan zijn ziekte. Misschien leidt dat af. Moesa voelt woede opborrelen. Dit meent ze toch niet? Maar Jorien gaat door: ‘Misschien worden sommige kinderen wel verdrietig van zijn lege tafeltje en is het daarom beter om het tafeltje voorlopig ergens anders te zetten,’ zegt ze. Finn steekt z’n vinger op en zegt met een zachte stem: ‘Nee juf, ik wil dat zijn tafel blijft staan. Als het weggaat dan lijkt het net of hij nooit meer terugkomt...’ De rest van de klas knikt instemmend. ‘Ja!’ roept Mourad iets te hard. Jorien knikt. ‘Dan doen we het niet,’ zegt ze zacht.

OP J E PLEK

Mourad is al heel lang ziek. Wat moet de klas nu met zijn tafeltje? Wegzetten of laten staan? De juf denkt aan wegzetten, maar de klas vraagt: mag zijn tafeltje blijven staan? Het blijft zijn plek. Het mag, Ze versieren zijn plek met de hele klas, zodat het er niet zo verdrietig uitziet dat zijn stoel een tijdje leeg is. Zo kan Mourad als hij terug komt zien dat de klas aan hem bleef denken.

In de pauze heeft Moesa geen zin om te voetballen. Zonder Mourad is er niks aan. Hij vraagt aan de pleinjuf of hij al naar binnen mag. Als hij de klas in loopt, kijkt hij weer naar de lege tafel van Mourad naast hem. Ineens krijgt hij een idee. Hij rent weer naar buiten het schoolplein op. ‘Hey jongens, kom eens!’ roept hij hard over het plein en gebaart wild met z’n armen. Een groepje kinderen komt naar hem toe rennen. ‘Zullen we de tafel van Mourad versieren? Dat is een leuke verrassing voor Mourad als hij weer beter is en dan is het ook gezelliger in de klas.’ De kinderen praten hard door elkaar heen, het is duidelijk dat ze het allemaal een goed idee vinden. ‘Juf, mogen we de tafel van Mourad versieren?’ vraagt Moesa als ze weer in de klas zijn. De juf kijkt even naar de lege tafel naast Moesa. Ze knikt. Het mag. donderdag gaat verder op de volgende pagina

73


DONDERDAG 24 SEPTEMBER

BRONNEN EN TRADITIES De kinderen lopen meteen naar de kast. Laura pakt gekleurd papier, Finn haalt stiften en Moesa sleept een stapel potloden naar zijn tafel. Binnen een paar minuten zit iedereen te tekenen of te schrijven. Juf Jorien helpt ook. Ze maakt papieren bloemen in een mooi gevouwen bakje en zet die op zijn tafeltje. ‘Wat ga jij maken?’ vraagt Laura. ‘Een voetbal,’ zegt Moesa. ‘En ik schrijf dat ik hem mis bij het voetballen.’ Laura tekent een groot hart met daaromheen kleine sterretjes. Finn maakt een tekening van het schoolplein. ‘Dan ziet hij dat we hier nog steeds spelen,’ zegt hij. De kinderen lopen een voor een naar de tafel van Mourad. Ze plakken hun briefjes op het tafelblad en op de zijkant van de tafel. Op één briefje staat: Beterschap Mourad. Op een ander: We wachten op je. De tafel ziet er al snel anders uit. Eerst was hij leeg, nu hangt hij vol met tekeningen en briefjes en staat er een bloemetje op. Dan is het tijd om naar huis te gaan. Moesa kijkt nog één keer naar de tafel naast hem. De tafel staat er nog. Hetzelfde als vanochtend. Alleen dan minder leeg. ‘Goed dat we hem hebben laten staan,’ zegt Finn. Moesa knikt. ‘Ja,’ zegt hij. ‘Het blijft zijn plek.’ Gesprek Wat vind je van de oplossing van de klas om Mourads plek mooier te maken nu hij niet op school is? Wat kan je nog meer doen voor een klasgenoot die (even) niet op zijn plek kan zijn?

74

Hoop en verwachting bij een lege plek

Informatie over een joods gebruik. Om voor te lezen.

Onder Joden is het heel gewoon om bij een speciale gebeurtenis één stoel expres leeg te laten. Die lege stoel is voor Elia, zeggen ze. In het jodendom geloven ze namelijk dat de profeet Elia zomaar langs kan komen. Elia is in het jodendom degene die terug zou komen wanneer de Messias bijna komt. Daarom wordt hij gezien als iemand die langskomt, voordat God komt. Maar de lege stoel betekent ook: iedereen is welkom. Zo is er altijd plek voor iemand die binnenkomt, voor een vreemdeling of voor een vluchteling. Mensen die ons leven onverwacht binnenkomen, kunnen het mooier en beter maken, geloven ze.


VRIJDAG 25 SEPTEMBER

Iedereen een plek

BRONNEN EN TRADITIES

Jozef wordt de tweede man in Egypte (Bijbel)

Wat zie je hier?

Zou jij iedereen die je kent een plek op je muur willen geven? Waarom wel of niet? Moet iedereen in een land een plek hebben of kan je ook geen plek krijgen? Hoe ziet dat er dan uit?

De farao zat stomverbaasd op zijn troon. Voor hem stond Jozef, een man die hij net uit de gevangenis had laten halen en die hem zijn rare dromen over zeven koeien en zeven plantenstengels had uitgelegd. Wat een bijzonder iemand is die Jozef, dacht de farao, terwijl hij hem nog eens goed in zijn glanzende bruine ogen keek. En hij komt niet eens uit Egypte. Ik heb zelfs gehoord dat hij een zoon is van een doodgewone herder. De farao wist even niet wat hij moest zeggen. Jozef had gezegd dat er eerst zeven vette, mooie jaren zouden komen. Koren, en dus eten, in overvloed. Rijkdom. Geluk. Ja, die zeven mooie jaren wil ik wel, dacht hij. Maar die zeven magere, slechte jaren… niet aan denken. ‘Wat moet ik doen?’ vroeg hij in paniek aan Jozef. ‘Zoek een wijs iemand,’ zei Jozef meteen. ‘Geef hem de leiding over uw land. Zorg dat alle mensen tijdens de zeven goede jaren het koren dat over is in grote schuren bewaren. Dat graan is voor de zeven slechte jaren.’ ‘Fantastisch!’ riep de farao vrolijk. ‘Zo doen we dat. En jij, Jozef, jij wordt die nieuwe leider, want niemand is zo wijs als jij. Na mij ben jij voortaan de belangrijkste man van het land.’ De farao stond op van zijn troon. Hij pakte Jozefs hand en schoof een ring om zijn vinger. Een koninklijke ring. Hij kreeg ook een mooie jas aan, een koningsjas, en een gouden ketting om. Die avond in zijn nieuwe bed in het paleis, dacht Jozef terug aan vroeger thuis. Aan zijn vader Jakob. Aan de mooie kleurrijke jas die hij van zijn vader had gekregen. Dat was ook net een koningsjas. Toen viel Jozef in slaap. Niet op de harde zwarte vloer van de gevangenis, maar in een zacht bed met zijden kussens. Hij was alwéér omhooggeklommen. En weer was hij de op een na belangrijkste man. De volgende dag ging Jozef meteen aan het werk. Hij had er zin in. Het was heerlijk om na al die jaren gevangenis weer vrij te zijn. Het eerste wat ik moet doen, dacht hij, is vrienden maken in heel het land. Als mensen mij vertrouwen, ook al ben ik geen Egyptenaar, gaat het een stuk makkelijker. De eerste zeven jaren zijn makkelijk. Dan gaat het goed met iedereen. Eten genoeg. Het wordt pas moeilijk als de zeven magere jaren komen. Dat worden zware jaren. Jozef reisde het hele land door. En overal waar hij kwam liet hij grote schuren bouwen. ‘Waar zijn die nou voor nodig?’ vroegen sommige mensen zich hardop af. ‘Daar bewaren we het koren in dat we tijdens die zeven goede jaren niet nodig hebben,’ legde Jozef uit. ‘Bewaar zoveel mogelijk. Dan puilen alle schuren straks uit. Als de zeven slechte jaren komen, hebben we genoeg voorraad om die moeilijke jaren door te komen.’ ‘Wat een geweldig plan!’ riep iedereen. Jozef straalde. vrijdag gaat verder op de volgende pagina

OP J E PLEK

Jozef heeft met hulp van God net de dromen van de farao uitgelegd. Er komen eerst zeven goede, vette jaren. En daarna zeven slechte, magere jaren. Maar hoe komt Egypte die laatste zeven jaar door? Gelukkig komt Jozef met een plan waarover de farao heel enthousiast is. Zo enthousiast dat hij Jozef meteen als zijn tweede man, onderkoning van Egypte, aanstelt. Een vertelling naar Genesis 41, 37-57

75


VRIJDAG 25 SEPTEMBER

‘Dit is mijn plek,’ zei hij tegen zijn nieuwe vrouw Asnat. ‘Je ziet er ook gelukkig uit,’ zei Asnat en gaf hem een zoen. Het geluk werd nog groter toen Jozef en Asnat twee kinderen kregen: Manasse en Efraïm. ‘Al mijn verdriet is vergeten,’ zei Jozef. ‘Ik bedank God dat hij mij kinderen gegeven heeft in het land waar ik eerst zo ongelukkig was.’ De zeven vette, mooie jaren waren voorbij. Er viel bijna geen druppel regen meer en de planten op het land verdorden. Precies zoals de farao had gedroomd. Gelukkig hadden de mensen in Egypte genoeg voorraden eten in de schuren, overal in het land. Maar in de landen om Egypte heen was er hongersnood. De mensen uit die landen reisden naar Egypte en smeekten de farao: ‘Alstublieft, majesteit, geef ons eten. We verhongeren.’ ‘Geven?’ zei de farao. ‘Dat niet. Maar jullie mogen het wel van me kopen.’ Zo kwam het dat steeds meer mensen naar Egypte trokken. Want Egypte was de graanschuur van het Midden-Oosten geworden. Egypte was nu broodgever. De farao zei tegen Jozef: ‘Allemaal dankzij jou.’ ‘Nee,’ zei Jozef bescheiden, ‘God heeft mij geholpen. Ik ben niet voor niks in Egypte terechtgekomen. God heeft een bedoeling met mij.’ ‘Mij best,’ zei de farao. ‘Zolang het maar goede bedoelingen zijn.’ Gesprek Waardoor voelt Jozef zich nu zo op zijn plek? Komt het ook doordat hij nu zelf een gezin heeft? Hebben anderen hem die plek gegeven?

76

Dromen worden waar (Jozef, Jozef)

Jozef was op veel verschillende plekken. Soms was hij daar machtig en soms machteloos. In dit lied komen die verschillende plekken voorbij. Het laatste couplet gaat over het vervolg van het verhaal, dat in het volgende thema aan bod zal komen. Jozef, Jozef, hij droomt over schoven, Die in een kring gaan staan. Ze buigen voor hem. ’t Is niet te geloven. Waar komt die droom vandaan? Jozef, Jozef, hij moet zelf nog buigen. Zijn broers verraden hem. Hij zit in de put. Een droom valt in duigen. Wie hoort nu nog zijn stem? Jozef, Jozef, zijn broers die verkopen hem aan een karavaan. Maar ’t gaat Jozef goed. Hij mag weer gaan hopen. Zijn dromen wakk’ren aan. Jozef, Jozef, ’t Is uit met zijn dromen. Hij komt zelfs in de cel. De farao droomt en Jozef mag komen. Dan stijgt zijn ster heel snel. Jozef, Jozef, zijn broers zijn gekomen. Ze zijn weer bij elkaar. Ze buigen voor hem, zoals in zijn dromen. Die worden toch nog waar.


Soekot

Chinees Maanfeest

 Het Maanfeest (of Midherfstfestival) is een van de belangrijkste én oudste Chinese feestdagen. Open ‘Maanfeest’ voor meer informatie.

OP J E PLEK

 Morgen begint het joodse feest Soekot, ook wel het Loofhuttenfeest genoemd. Het wordt gevierd tot en met vrijdag 2 oktober. Open ‘Soekot’ om te zien wat dit feest inhoudt en klik op de lesbrief om er nog verder mee aan de slag te gaan.

77


ADVERTENTIE

Jouw sleutel tot goed burgerschap!

Dit is Dunk Æ Gebaseerd op de definitieve conceptkerndoelen

Geef op een doelgerichte en creatieve manier invulling aan burgerschap op school. Dunk zit

vol met actieve lesmomenten en kennislessen. Zo ontdekken kinderen op speelse wijze wat

waardevol is voor henzelf en de ander. En hoe zij bij kunnen dragen aan een mooiere wereld en een rechtvaardige samenleving.

Laat hun wereld groeien!

Æ Lesactiviteiten variërend van 10 tot 25 minuten

Æ Thematische aanpak Æ Inclusief portfolio om de voortgang te monitoren

Æ Mét aandacht voor de schoolcultuur

Probeer Dunk gratis uit! Vraag een proefabonnement aan Of kijk op: dunkvoorburgerschap.nl

TWDHMB32-1


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Handleiding Trefwoord MB 2026-2027/1 - Op je plek by Kwintessens - Issuu