Nr 6 – mei 2022
KULEUVEN.BE/STORIES Sonar
KU Leuven-magazine
Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Oude Markt 13, 3000 Leuven
Sonar Nr 6 – mei 2022
Speuren naar schimmels En ander broodnodig onderzoek
KU Leuven-magazine
KU Leuven. Inspiring the Outstanding.
kuleuven @KU_Leuven kuleuven
KULEUVEN.BE/STORIES
3
Edito — Luc Sels Rector KU Leuven
D
e mens kent vele vijanden. Sommige daarvan zijn erg zichtbaar. Andere gaan ongemerkt te werk, als een sluipend gif. Maar ze zijn daarom niet minder gevaarlijk.
Als universiteit met beide voeten in de maatschappij zoekt KU Leuven vanuit de wetenschap naar oplossingen die ons milieu, onze gezondheid en ons welzijn beschermen. In deze Sonar verneemt u meer over het vele onderzoek dat daartoe bijdraagt. Een bedreiging die lang sluipend was maar intussen voor iedereen zichtbaar en voelbaar is geworden, is de klimaatopwarming. In ons dossier ‘Sleutelen aan het klimaat’ vertellen drie experten over de huidige stand van zaken. Ze suggereren ook maatregelen om de gevolgen te temperen. Een evenwichtsoefening tussen miti gatie en adaptatie. Eén boodschap is duidelijk: we zullen allemaal – burgers, bedrijven en overheid – onze verantwoordelijkheid moeten nemen. KU Leuven lanceert alvast een nieuw postgraduaat: het Sustainability Leadership Program helpt bedrijfsleiders en hun ondernemingen een meer duurzame koers te varen.
Eén boodschap is duidelijk: we zullen allemaal – burgers, bedrijven en overheid – onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Een quasi onzichtbare dreiging, en één die in opmars is, zijn schimmels. Compost hopen en afvalcontainers zijn hotspots, maar lang niet de enige pleisterplaatsen. Een schimmelinfectie kan dodelijk zijn, vooral bij mensen met een sterk verminderde afweer. En die zijn er steeds meer. We leven langer, het aantal transplantaties neemt toe, patiënten krijgen vaker chemotherapie … Precies daarom waren artsen ook erg alert toen covid opdook en de intensieve zorg overspoeld werd met corona patiënten van wie het afweersysteem al ernstig onder vuur lag. Schimmelcellen uitschakelen en tegelijk menselijke cellen ontzien, is bijzonder moeilijk. Veel farma ceutische bedrijven hebben de strijd gestaakt. Onze onderzoekers blijven echter zoeken naar nieuwe medicatie en betere methodes om schimmelinfecties tijdig op te sporen. Een heel ander soort ‘vijand’, en één die vooral de jeugd treft, is leesachterstand. Erasmus kocht liever boeken dan kleren, Borges zag de hemel als een bibliotheek, en Schopenhauer noemde lezen ‘denken met andermans hoofd’. Vandaag lijkt lezen bij heel wat jongeren veel minder aan te slaan. Het leesniveau daalt gestaag. En dat terwijl goed (begrijpend) kunnen lezen een belangrijke voorwaarde is voor een volwaardige deelname aan de samenleving. Laaggeletterden hebben het moeilijk in een wereld die steeds complexer wordt. Daarom pakt de Vlaamse regering uit met een heus Leesoffensief. Professor Liesbet Heyvaert, decaan van de Faculteit Letteren, was voorzitter van de expertengroep die het actieplan uittekende. © Emy Elleboog
Gevarieerd en tot verwondering stemmend leesvoer vindt u alvast in deze Sonar. Lees zeker ook het laatste kortverhaal van onze writer in residence Annelies Verbeke. Wie haar opvolgt verneemt u weldra. Elk einde is een nieuw begin. Luc Sels
4 Sleutelen aan het klimaat
16 ERFGOEDBEHEER
Een hemels klimaat voor het Lam Gods
8 EMERGING ADULTHOOD
Het vakje ‘volwassen’ steeds later aangevinkt?
30
© Shutterstock
En verder Wetenschat Bouwen met bamboe 6 Droomjob Niet uitgedokterd 14 Scherpgesteld Koop lokaal? 26 Speeddate Winand Callewaert 44 Onderzoek Diabetes type 1 begrijpen 46 Blow-up Koper met een twist 64 Kortverhaal van writer in residence Annelies Verbeke 75 Online Onderzoeksverhalen 82
5
ROBOTISERING
Heeft mensenwerk toekomst?
SCHIMMELS IN OPMARS
Een nieuwe dreiging
37
56
YASMINE KHERBACHE
LEESOFFENSIEF
Alumnus en topmagistraat
Gezocht: boekenwurmen
50
70 ZES EEUWEN KU LEUVEN
De prof die paus werd
In English KU LEUVEN LIBRARY CARILLON
A culture writ in bronze
78 66
6
WETENSCHAT — Het staal van de natuur
Een bamboebijbel voor de bouw “Iedereen moet aan de bamboe!” Architect Sven Mouton wil bouwers allerhande en aller landen overtuigen om met het gras van staal aan de slag te gaan. Dat doet hij met een doctoraat waarin hij de troeven van bamboe wetenschappelijk onderbouwt en illustreert met zijn eigen ervaringen.
7
E
en groot deel van zijn bamboekennis deed Sven Mouton op in Brazilië. Uitgekeken op zijn job bij een ingenieursbureau, trok hij in 2004 als jonge architect een eerste keer naar het dorpje Camburi, in het zuiden van het land. Mouton en zijn vriendin wilden met hun vzw Bamboostic de passie voor natuurlijke materialen overbrengen op de plaatselijke bevolking, ook om hen nieuwe bronnen van inkomsten aan te reiken. Met vereende krachten bouwden de Belgen en de Brazilianen onder meer een gemeenschapscentrum (foto) in bamboe. “Geleidelijk aan zagen de dorpelingen in dat ze goud in hun ‘achtertuin’ hadden”, vertelt Mouton, die sindsdien geregeld terugkeert naar Camburi. “Inmiddels zijn ze zo beslagen in het bouwen met bamboe dat andere dorpen geregeld een beroep op hen doen. Zelfs voor luxevilla’s worden ze nu gevraagd.”
Wat geeft bamboe zijn gouden status? Het is een krachtpatser die bliksemsnel groeit, legt Mouton uit: “Om de vier jaar heb je nieuw bouwklaar materiaal dat zo sterk is als staal, maar veel lichter en goedkoper. Anders dan bij het kappen van hout blijft de biomassa grotendeels intact: je oogst alleen de volgroeide stengels, en uit de wortels groeien sowieso ook weer nieuwe. Bovendien kan je bamboe planten op vervuilde, ontboste of verschraalde grond. De plant haalt tijdens de groei ook nog eens veel CO2 uit de lucht, drie tot zeven keer meer dan bomen.”
Drempels In Brazilië had Mouton al vroeg de Pontifícia Universi dade Católica in Rio de Janeiro betrokken bij zijn project, zodat theorie en praktijk elkaar konden verrijken. Hij besloot om in België zelf een doctoraat over bamboe te maken, aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen. “Twintig jaar werken met het materiaal heeft veel kennis en ervaring opgeleverd, en die wou ik graag op een wetenschappelijk onderbouwde manier doorgeven.”
Zo hoopt hij ertoe bij te dragen dat bouwen met bamboe meer ingeburgerd geraakt, ook in Europa. Waarom is dat nog niet het geval? “Eén van de drempels is de hardnekkige perceptie dat je bamboe alleen kunt gebruiken voor een specifieke stijl: organische architec tuur, met veel gebogen vormen”, zegt Mouton. “Maar bamboe is natuurlijk récht als je het kapt. Door het te buigen verzwak je het materiaal, en vaak gebeurt dat ook nog eens met milieubelastende methodes. Bamboe is net bij uitstek geschikt voor dragende structuur elementen die je doorgaans in hout, staal of beton uitvoert, zoals dakspanten en kolommen.” “Om bamboe een toekomst te geven, moet je het ook gebruiken in moderne, hedendaagse architectuur, zoals wij zelf met ons bureau CRU! doen. En je moet er wat prefabricatie in steken, er een Ikeaatje van maken, dan krijgt het echt een kans.”
Zo gezegd, zoo gedaan Moutons doctoraat is op zich een imposant bouwwerk geworden, dat niet alleen technische maar ook econo mische, sociale en ecologische aspecten van bamboe uitvoerig belicht. “Aan de hand van levenscyclus analyses heb ik kunnen bevestigen dat het vele keren duurzamer is dan conventionele materialen, zelfs als je de koppelstukken meerekent die je nodig hebt voor bamboeconstructies”, zegt Mouton. Daarnaast leverde zijn jarenlange praktijkervaring in Brazilië inzichten op die moeilijk uit laboratoriumonderzoek te halen zijn, over het verweringsproces van bamboe en factoren als vocht en insecten bijvoorbeeld. Mouton stelde ook een vragenlijst op waarmee architec ten hun bamboeprojecten kunnen evalueren en bijstu ren. Architectenbureaus komen steeds vaker bij hem aankloppen voor advies. Hij is dus positief gestemd, temeer omdat zijn eigen CRU! de nieuwe entreegebou wen voor de zoo van Planckendael mocht ontwerpen, mét drie imposante bamboeluifels. Wie weet wordt dat de grote poort waarlangs het materiaal echt zijn intrede maakt in de Belgische bouw. ● (rvh) © Nelson Kon
Lees meer over dit onderzoek op stories.kuleuven.be
8
MAATSCHAPPIJ — Erfgoedbeheer
Het juiste bewaarklimaat voor collecties
© Sint-Baafskathedraal Gent – www.artinflanders.be – Cedric Verhelst
—
Het conservatieteam van het Lam Gods wou een monitoringsysteem op maat van de glazen vitrine waarin het topstuk getoond wordt. Dat vonden ze bij CHARP.
9
Een koud kunstje? Beschimmelde manuscripten, verbleekte schilderijen, gebarsten antieke meubels … Erfgoedcollecties kreunen soms onder de omstandigheden waarin ze geconserveerd worden. Met nieuwe monitoringmethodes voor het bewaarklimaat helpt postdoc Geert Bauwens musea, bibliotheken en archieven voorkomen dat hun erfgoed bederfgoed wordt. In één klap besparen ze ook nog eens op hun energieverbruik. En zo komt een clever bewaakt binnenklimaat ook ten goede aan het buitenklimaat.
E
en intiem onderonsje met het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck: het is weinigen gegund. Als we Geert Bauwens van de Afdeling Bouwfysica en Duurzaam Bouwen spreken, blijkt hij wél zo’n afspraak in zijn agenda te hebben staan. “Ik ga over enkele weken de sensoren die aan de achter kant van het retabel zitten vervangen door gekalibreerde exemplaren”, vertelt hij.
Een suggestie van professor Staf Roels zette hem op een nieuw spoor. “Hij wees erop dat onze afdeling geregeld projecten heeft rond het conserveren van erfgoedcollecties. Zat daar niets in? Het leek me meteen superinteressant. Ik ben de sector gaan bevragen en heb eigenlijk nooit meer achteromgekeken (lacht).”
Die sensoren moeten erover waken dat het eeuwenoude lam zich prettig blijft voelen in zijn vitrine. Temperatuur, relatieve vochtigheid, lichtsterkte: het zijn elementen die Bauwens met CHARP, zijn bedrijf in opbouw, ook voor andere erfgoedprojecten meet en monitort.
Omgekeerd zagen de erfgoedorganisaties hem ook graag komen: meetexpertise kunnen ze goed gebruiken om hun collecties te beschermen tegen de tand des tijds. Warmte of koude, vocht of droogte, een tekort of een teveel aan licht … allemaal factoren die kunnen bijten. “De kleurintensiteit van schilderijen kan bijvoor beeld te lijden hebben onder hoge lichtniveaus”, zegt Bauwens. “Een te lage vochtigheidsgraad kan dan weer tot mechanische schade leiden, zoals barsten in houten meubels. Maar evengoed kan je schimmelgroei krijgen als het een lange periode te vochtig is in een ruimte.”
Spoorwissel De wereld van kunst en erfgoed is nog relatief nieuw voor Bauwens. Het doctoraat dat hij in 2015 afwerkte, had een ruimere reikwijdte: met welke methodes kan je de energie prestaties van een gebouw bepalen? “Ik ontwikkelde thermische modellen en bouwde sensoren waarmee je bijvoorbeeld de kwaliteit van de isolatie kan meten. Dan zie je soms grote verschillen met wat er in de plannen beschreven stond. Door pijnpunten bloot te leggen en te tonen waar er winst te behalen is, kan je een heel concrete bijdrage leveren aan energie-efficiënte gebouwen.” Bauwens zelf onderzocht onder meer de isolatiekwaliteit van kabinetsgebouwen in Brussel. “Als je dat echt goed wil doen, hangt er een stevig prijskaartje aan vast. Na mijn doctoraat heb ik een innovatiemandaat aangevraagd met de bedoeling om mijn methodes op de markt te brengen, onder de naam CHARP (CHARacterise Performance – red.). Maar gaandeweg kwam ik tot de vaststelling dat de vraag niet groot genoeg was, vanwege die relatief hoge kostprijs.”
Lege batterijen
Logisch dus dat vandaag de meeste musea, erfgoed bibliotheken en archieven het klimaat in hun expositie- en bewaarruimtes monitoren, ook al omdat het meestal een belangrijk punt is in bruikleenovereenkomsten. Alleen gebeurt dat monitoren vaak nog op een complexe en tijdrovende manier. “Met stand-alone loggers bijvoor beeld, sensoren die niet met een systeem verbonden zijn en allemaal apart uitgelezen moeten worden. Een mede werker gaat bijvoorbeeld één keer per week of maand langs alle sensoren en noteert de gegevens dan in Excel”, vertelt Bauwens. “Soms zijn de batterijen leeg en merkt niemand dat op, of staan die toestellen er al tien jaar en zijn de sensoren niet meer gekalibreerd. Dan is het maar de vraag hoe betrouwbaar de gegevens zijn. Vaak hebben ook niet alle betrokkenen de kennis om ze juist te interpreteren.”
10 Veilige vitrine Dat kan beter. Bauwens ontwikkelde een monitoringpakket dat al die pijnpunten wegwerkt. Het project voor het Lam Gods is een mooie illustratie. Alles begint bij betrouwbare sensoren die hun meetgegevens draadloos en in realtime kunnen doorsturen. CHARP heeft inmiddels een aantal partners waarmee ze sensoren kunnen aanbieden op maat van het erfgoedproject in kwestie. “Dat is belangrijk, want vaak zitten musea en bibliotheken in historische gebouwen met een beperkte IT-infrastructuur en heel specifieke uitdagingen”, zegt Bauwens. “Wij beschikken over klimaatkasten waarin we de sensoren kunnen uittesten en kalibreren.”
Medewerkers met verschillende niveaus van technische kennis moeten er onderling – maar bijvoorbeeld ook met bruikleengevers – over kunnen communiceren.” De erfgoedbeheerders kunnen ook grenswaarden instellen. Als die overschreden worden, krijgen ze een alarm via een cascadesysteem: reageert de hoofd verantwoordelijke niet, dan ontvangt de volgende een sein. Die aanpak heeft zijn nut al bewezen in de Sint-Baafskathedraal. Bauwens toont ons een grafiek (zie illustratie rechts) met een constante temperatuurlijn, die plots een uitschieter naar boven vertoont. “Het systeem heeft toen een alarm uitgestuurd en de techni cus is snel ter plaatse kunnen komen om het probleem te herstellen: de vloerkoeling was uitgevallen, zo bleek. Je ziet op de grafiek dat na die interventie de tempera tuur snel weer op het goede niveau zat.”
Ook het conservatieteam van het Lam Gods zocht specifieke oplossin gen voor de glazen vitrine waarin het topstuk getoond wordt. Die vonden ze bij CHARP, dat onder meer al een monitoringproject voor de Abdij van Grimbergen tot een goed einde had gebracht. “In Sint-Baafs wilden ze zo weinig mogelijk actieve elementen in de vitrine zelf”, vertelt Bauwens. “Daarom hebben we ervoor gezorgd dat alles wat met communicatie te maken heeft, zoals het versterken van signalen, in de technische ruimte achterin zit. Alleen de sensoren zelf zitten in de vitrine, aan de achterkant van het altaarstuk. Ze meten de temperatuur, de relatieve vochtigheid en de CO2- en lichtniveaus.”
Sprookjeshuwelijk Zorg mogen dragen voor één van de bekendste schilde rijen ter wereld: dat opent deuren. “Het is een heel mooie referentie, die ons echt een boost heeft gegeven”, zegt Bauwens. Een duw in de rug die CHARP inmiddels ook tot over de landsgrenzen heeft gebracht. Meer bepaald tot in het Deense Odense, waar een belevingsmuseum de sprookjeswereld van Hans Christian Andersen tot leven brengt. “De vitrinebouwer van het museum vond bij zijn vertrouwde leveranciers niet echt de goede oplossing, en zo zijn ze bij ons terechtgekomen”, vertelt Bauwens.
Het conservatieteam en leden van de Vlaamse Topstukkenraad kunnen het klimaat opvolgen in hun account op het online platform van CHARP. Een Monitor View maakt de metingen daar onder meer inzichtelijk via gedetailleerde grafieken. “Ze kunnen er bijvoorbeeld zien wat de cumu latieve lichtblootstelling is sinds ze het Lam Gods in de nieuwe vitrine hebben geplaatst”, zegt Bauwens. “Op basis daarvan hebben ze de lichtsterkte ook daadwerkelijk aangepast. We waken er trouwens over dat we die visualisatie van de gegevens niet te ingewikkeld maken.
—
De sensoren die het bewaarklimaat van het Lam Gods monitoren, zitten aan de achterkant van het retabel.
© CHARP
11
© CHARP
—
Bij een plotse stijging van de temperatuur in de vitrine van het Lam Gods stuurde het monitoringsysteem een alarm uit. Zo kon een probleem met de vloerkoeling snel gedetecteerd en opgelost worden.
“Voor de conservator was het belangrijk dat ze de temperatuur echt in de vitrines kon meten, vlak naast de tentoongestelde objecten. Dat betekent dat je heel kleine, subtiel aanwezige sensoren nodig hebt. Bijko mende uitdaging was dat het museum ook objecten tentoonstelt in metalen kubussen met kijkgaten. Door dat metaal krijg je een bijna perfecte kooi van Faraday, waardoor het signaal van sensoren moeilijk naar buiten geraakt. De oplossing die we samen met een Deense partner uitgewerkt hebben, kunnen we eigenlijk overal toepassen. We gaan met dat systeem nu samen de boer op in andere landen.”
Buffers Het onderwerp van Bauwens’ doctoraat, energie-effici ëntie, speelt ook een belangrijke rol in zijn projecten voor de erfgoedsector. “Musea, erfgoedbibliotheken en archieven gebruiken doorgaans veel meer energie dan kantoorgebouwen van vergelijkbare grootte”, zegt hij. “Conservatoren hielden zich tot recent meestal erg strikt aan internationale standaarden voor temperatuur en vochtigheid. Dat brengt vaak een hoog energie verbruik met zich mee: je moet een ruimte bijvoorbeeld verwarmen of afkoelen om precies op de gewenste temperatuur te zitten. Maar gezien de huidige klimaat crisis zijn er steeds meer erfgoedbeheerders die zeggen: het kan ook wat losser. Zo kunnen ze ook besparen op hun energierekening, iets wat de voorbije maanden nog belangrijker werd.”
“We kunnen sensoren aanbieden op maat van het erfgoedproject in kwestie. Belangrijk, want vaak zitten musea en bibliotheken in historische gebouwen met heel specifieke uitdagingen.”
12 “Ik krijg vaak een unieke blik achter de coulissen, dat maakt deze job net zo leuk.”
“Wij kunnen hen helpen om voldoende vertrouwen te krijgen in het bewaarklimaat. Stel dat in een bepaalde museumruimte de tempera tuur tot voor kort twintig graden moest zijn, met een marge van één graad meer of minder. Als de conservatoren die bandbreedte wat willen oprekken, pakweg van zestien tot vijfentwintig graden, is het nog belangrijker dat ze de temperatuur goed kunnen opvolgen, bijvoorbeeld om na te gaan of er geen te abrupte schommelingen zijn.” Met Resilient Storage en Climate2Preserv heeft CHARP twee projecten lopen die de focus leggen op energiebesparing, onder meer bij het Stripmuseum en CINEMATEK. Het is ook één van de elementen in het monitoringproject dat CHARP heeft opgestart in de Maurits Sabbe bibliotheek van de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen. “Het gebouw waarin ze handschriften en oude drukken bewaren, heeft massieve betonnen muren en zit voor een groot gedeelte ondergronds. Daardoor werkt het als een grote thermische buffer”, vertelt Bauwens. “Bovendien gedragen collecties met veel organisch materiaal zoals papier zich een beetje als een spons: ze nemen vocht op en geven vocht af. We bekijken samen met de conservatoren hoe we optimaal gebruik kunnen maken van die buffers om de klimaatcontrole energie zuiniger aan te pakken.”
© Xtel – Torben Lund Clement
—
Voor een Deens museum gewijd aan Hans Christian Andersen ontwierp CHARP kleine sensoren – het zwarte blokje op de foto – die vlak naast de tentoongestelde objecten kunnen liggen, zoals deze lederen portefeuille waarin Andersen een brief van zijn eerste liefde bewaarde, en een boeketje dat hij voor haar plukte.
© Erfgoedcel Leuven
13
Voor de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen onderzoekt CHARP onder meer hoe de klimaatcontrole voor de collecties energiezuiniger aangepakt kan worden.
Het is niet het enige project in eigen huis: CHARP gaat ook het bewaarklimaat van de Bijzondere Collecties van de KU Leuven monitoren. Verder wil Bauwens nieuwe samenwerkingen en kruisbestuivingen aangaan binnen HERKUL, het interdisciplinaire Instituut voor Cultureel Erfgoed van de KU Leuven.
klaar om de volgende stap te zetten en een zelfstandig bedrijf te worden”, zegt Bauwens. “We kunnen ons systeem nu ruimer openstellen: in principe kunnen we de sensoren opsturen, waarna de conservator ze plaatst waar ze nodig zijn en aan de slag gaat met de software.”
Toekomstplannen genoeg dus. Ook in het buitenland staan er nieuwe, voorlopig geheime projecten op til. Momenteel zit CHARP wel nog in de incubatiefase, onder de vleugels van KU Leuven Research & Develop ment. “Maar met de ervaring die we nu hebben en de mogelijkheden die we kunnen aanbieden, zijn we stilaan
Tot slot: kan Bauwens op een vrije dag nog van een museumbezoek genieten zonder overal naar sensoren te speuren? “Daar zal ik toch altijd op letten, die beroeps misvorming heb ik wel (lacht). Maar dat is niet erg. Ik krijg vaak een unieke blik achter de coulissen, zoals bij het Lam Gods, en dat maakt deze job net zo leuk.” ● (rvh)
14
DROOMJOB — Nog lang niet uitgedokterd
De eerste etappe als huisarts “Al een paar keer heeft een patiënt gebeld om te laten weten dat het beter ging, of om me te bedanken. Die bevestiging doet deugd voor een huisarts in opleiding,” zegt Sotiris D’hondt, sinds oktober aan de slag in huisartsenpraktijk De Oever in Kluisbergen.
D
okter D’hondt of dokter Sotiris? “Mijn patiën ten mogen kiezen”, lacht Sotiris D’hondt (25). Zelf koos hij destijds voor geneeskunde na een studiekeuzetest. “Ik had er nooit eerder aan gedacht, maar ik heb er nog geen moment spijt van gehad.”
In de paar maanden dat Sotiris bezig is, heeft hij al een aantal moeilijke casussen gehad: “Een overlijden vast stellen, die boodschap aan familieleden moeten over brengen … dat is op het moment zelf niet gemakkelijk. Gelukkig kan ik dat wel van me afzetten ’s avonds.”
Wie huisarts wil worden, studeert eerst zes jaar voor basisarts, en werkt dan drie jaar onder supervisie van een praktijkopleider, als haio – huisarts in opleiding. Toen Sotiris in het tweede jaar geneeskunde een week mocht meelopen met een huisarts, was hij meteen verkocht. “Als huisarts sta je meestal dichter bij je patiënten dan als specialist. Je ziet hen hun leven lang, je kan een band opbouwen.”
Voor hij aan zijn haio-opleiding begon, behaalde Sotiris – zelf een fervent wielrenner – ook een master in de sportgeneeskunde. “Ik ben al geregeld mee geweest als ploegarts bij de Amerikaanse wielerploeg EF EducationEasyPost. Hier in de praktijk zie ik ook mensen die een sportblessure hebben opgelopen, die iets willen doen aan hun conditie, of die zich willen voorbereiden op een beklimming van de Mont Ventoux of zo. Later zou ik ook graag in een groepspraktijk willen werken, en het is dan wel een troef als je een specialisatie hebt.”
Eén dag per week heeft Sotiris nog les of bespreekt hij casussen met collega-haio’s. Verder werkt hij zelfstan dig in een groepspraktijk. “Maar ik heb geregeld overleg met mijn praktijkopleider, zij zit in het kabinet hiernaast. Elke dag word je immers wel met iets nieuws gecon fronteerd.” “Wat een grote aanpassing was: aan de universiteit leer je dat díé behandeling hoort bij díé aandoening. Maar hoe denkt de patiënt daarover? Soms moet je voor een behandeling kiezen die puur medisch misschien niet de beste is, maar voor die patiënt op dat moment wel de juiste. Niet voor iedereen komt gezondheid altijd op de eerste plaats. Dat moet je kunnen aanvaarden.”
En hoe reageren de patiënten op de ‘nieuweling’? “Sommigen vol vertrouwen, anderen zie ik enkel als hun vaste huisarts geen plaats heeft. Maar als ze merken dat ik geregeld overleg met de praktijkopleider zijn ze snel gerustgesteld.” Zelf voelt Sotiris zich intussen al best zelfzeker in zijn rol. Maar een beetje bevestiging doet altijd plezier: “Bijvoorbeeld als je iemand naar spoed of naar de specialist stuurt, en je diagnose wordt bevestigd. Als huisarts moet je het immers doen zonder beeld vormings- of andere diagnostische technieken.” Klassiek: een huisarts die net begint, is heel vaak ziek. Dat was ook voor Sotiris zo. “Dat maakte de eerste weken soms wel extra zwaar.” Maar inmiddels zijn ook die kinderziektes van de baan. ● (ivh)
15 “Soms moet je voor een behandeling kiezen die puur medisch misschien niet de beste is.”
© KU Leuven – RS
16
DOSSIER — Klimaat
Sleutelen aan het klimaat We kunnen er nu echt niet meer omheen: ons klimaat verandert. In dit dossier geeft geograaf en klimaatexpert Nicole Van Lipzig een stand van zaken. Ze roept op om niet bij de pakken te blijven neerzitten en op twee fronten te werken: mitigatie en adaptatie. Mitigatie betekent: de klimaatverandering zoveel mogelijk terugdringen, door bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen – en vooral dan CO2 – te beperken. Hoe we die mitigatie met economische maatregelen kunnen aanpakken, schetst milieueconoom Johan Eyckmans voor ons. De andere uitdaging waarvoor we staan, is adaptatie: we moeten ons aanpassen zodat we minder kwetsbaar worden voor de gevolgen van de klimaatverandering. Hydroloog Marijke Huysmans geeft mee hoe dat moet gebeuren voor een bijzonder pijnpunt: het grondwater. Eén boodschap klinkt alvast unisono in dit dossier: we zullen allemaal – particulier, bedrijf en overheid – onze duit in het zakje moeten doen en het liefst zo snel mogelijk.
17
© Shutterstock
18 Nicole Van Lipzig:
“Elk tiende van een graad telt” Geograaf en klimaatexpert Nicole Van Lipzig geeft al jaren lezingen over de klimaatverandering. “Vroeger klonk ik te alarmistisch voor sommigen, nu zijn de meeste mensen wel mee met het grote verhaal. Maar we moeten nu wel aan de slag. De klok tikt.”
T
oen professor Van Lipzig van het Departement Aard- en Omgevingswetenschappen in 1994 aan haar doctoraat over Antarctica begon, was er al lang geen wetenschappelijke discussie meer over de klimaatverandering: “In elk wetenschapsdomein heb je een periode van kennisproductie met publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, gevolgd door debat en uiteindelijk consensus. Dat was toen al achter de rug. Alleen moest de maatschappij nog volgen. Maar ook daar ligt de ontkenningsfase achter ons.”
Toch nog even de stand van zaken opfrissen: ons klimaat verandert, en wel zeer snel, vergeleken met de periode vóór de industrialisatie. Dat heeft te maken met het broei kaseffect: CO2, methaan en lachgas – de zogenaamde broeikasgassen – in onze atmosfeer vormen een warm dekentje rond de aarde. Ze laten zonnestralen door, maar houden de warmte die de aarde terugkaatst tegen. Dat zorgt ervoor dat we niet op een planeet hoeven te leven met een gemiddelde temperatuur van min 18 graden.
Wake-upcall Maar ondertussen is duidelijk dat menselijke activiteit dat natuurlijke broeikaseffect versterkt: onze industrie verbrandt veel fossiele brandstoffen, zoals aardgas, aardolie en steenkool. We kappen bossen en leggen moerassen droog. Bij al die activiteiten komen er broei kasgassen vrij in de atmosfeer en zo wordt onze planeet dus nog warmer. Volgens de World Meteorological Organization was in 2020 de jaarlijkse gemiddelde temperatuur wereldwijd al met 1,2 graden Celsius toege nomen in vergelijking met de pre-industriële periode. “Die opwarming gaat samen met klimaatextremen, zoals hardere regenval en tegelijk langere droogteperiodes," zegt Van Lipzig. “Dat lijkt contradictorisch, maar is het niet: een warmere atmosfeer bevat meer waterdamp,
maar houdt die ook langer vast. Daarnaast krijgen we ook extremere hitte en een stijgende zeespiegel met warmer zeewater.” De wereldwijde problemen met overstromingen, bosbranden en hittegolven de voorbije jaren waren alvast een wake-upcall. En de klimaatopwarming gaat door. “Het IPCC – het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN, dat al sinds 1990 rapporten publiceert over de toestand van het klimaat – voorspelt een nog verdere toename in de komende jaren. Maar het is belangrijk om de opwar ming tot 1,5 graden te beperken. Het verschil tussen 1,5 en 2 graden opwarming is reuzegroot qua leefbaar heid: elk tiende van een graad telt.”
Druk op de ketel Welke inspanningen we daarvoor moeten leveren, wordt afgesproken op VN-klimaatconferenties, zoals die van Glasgow in 2021 (zie foto). De resultaten van die top werden nogal negatief geframed in de pers, vindt Van Lipzig: ”Ik kreeg na afloop de vraag of ik niet teleur gesteld was. Maar ik zie een aantal belangrijke positieve ontwikkelingen: 1,5 graden opwarming werd als limiet vooropgesteld en er werd voor het eerst aangegeven dat fossiele brandstoffen afbouwen de enige juiste weg is.” Uiteraard moeten we dat nu in praktijk brengen. “De beloftes die de landen gemaakt hebben om de CO2-uit stoot te verlagen, volstaan niet. Maar er werd ook een jaarlijkse review afgesproken: dat houdt de druk op de ketel.” Landen zoals India en China gingen in Glasgow op de rem staan – om zo steenkoolgebruik te verminde ren in plaats van uit te faseren. Dat lokte veel kritiek uit, maar Van Lipzig bekijkt het nuchter: “De CO2-uitstoot per capita ligt in het Westen nog altijd veel hoger. Het leek er een beetje op dat men daarvan de aandacht wilde afleiden.”
© Dylan Martinez / Reuters / BelgaImage
19
Omslagpunten Soms zijn we ook te pessimistisch: “Een vaak gehoord misverstand is dat we onder de 2 graden opwarming moeten blijven, omdat we anders het tipping point bereiken – het omslagpunt waarbij heel de planeet naar de verdoemenis zou gaan. Maar hét tipping point bestaat niet: er zijn vele omslagpunten, zoals het ontdooien van de permafrost, waarbij methaan vrijkomt, of het smelten van de Groenlandse ijskap. Zodra dat gebeurt, is dat proces onomkeerbaar. Maar elk omslagpunt heeft zijn eigen drempelwaarde en we kennen die waardes niet exact. Wel weten we dat bij toenemende opwarming de kans op het overschrijden van zo’n tipping point stijgt. Het is dus heel complex.” En er zijn ook meevallers, bena drukt Van Lipzig: “Wie had ooit kunnen denken dat de prijzen van hernieuwbare energie zo snel zouden dalen?” Het onderzoek van Van Lipzig zelf spitst zich toe op het verfijnen van de huidige klimaatmodellen: “In de standaardmodellen zitten factoren zoals temperatuur en neerslag. Wij proberen die basis uit te breiden met andere componenten, wolken bijvoorbeeld. Over broeikasgassen weten we al heel veel, wolken zijn een stuk minder voorspelbaar.” Haar onderzoeksgroep ontdekte bijvoorbeeld dat bewolking boven de Groen landse ijskap voor extra smeltwater zorgt. Omdat dat smeltwater dan weer het zeeniveau beïnvloedt, is het van belang om de rol van wolken beter mee te nemen in de klimaatmodellen.
Verstedelijking Verder onderzoekt Van Lipzig hoe mondiale klimaatmo dellen kunnen worden neergeschaald naar het regionale niveau. Volgens de Vlaamse Milieumaatschappij is in Vlaanderen de temperatuur bijvoorbeeld al 2,6 graden gestegen, een pak meer dan het wereldwijde gemiddelde van 1,2 graden. “Het gaat niet overal aan hetzelfde tempo.
“We kunnen heel lokaal wel degelijk iets doen en een verschil maken.”
Land warmt immers sneller op dan de oceanen. Bovendien zal een verstedelijkt gebied zoals dat van ons dan nog eens sneller opwarmen dan groene stukken land.” De klimaatmodellen op wereldschaal kunnen inzoomen tot op 100 kilometer. “Als je dat fijnmaziger maakt, kan je rekening houden met landgebruik – het effect van steden of bossen – of met lokale fenome nen zoals onweders.” Van Lipzig en haar team onderzochten met zo’n regionaal klimaatmodel het effect van steden als hitte-eilanden. “Er komen steeds meer hittegolven op ons af. Doordat steden meer hitte vasthouden, zal de hittestress in de steden dubbel zo hard stijgen als op het platteland.” De onderzoekers verwachten dat steden als Brussel en Antwerpen vanaf 2040 meer dan 17 dagen per jaar te lijden zullen hebben onder extreme temperaturen. Het voorbeeld van het stedelijk hitte-eiland toont aan dat we op verschillende fronten moeten werken, vervolgt Van Lipzig. “Het gaat om mitigatie: de klimaatopwarming zoveel mogelijk beperken door vooral de CO 2-uitstoot terug te dringen. Een ander front is adaptatie: we moeten ons aanpassen aan de opwarming die er onvermijdelijk komt: je kan bijvoorbeeld in steden zorgen voor meer groen, meer water, meer schaduw en minder verharding.” Van Lipzig ziet dat als een positieve noot: “We kunnen heel lokaal wel degelijk iets doen en een verschil maken.” ● (if)
20
DOSSIER — Klimaat
De juiste prijs voor het klimaat
© KU Leuven – RS
“Laten we geen nutteloos ideologisch debat houden, maar het probleem bij de wortel aanpakken”, zegt milieueconoom Johan Eyckmans. Hij pleit voor maatregelen die de CO2-uitstoot zoveel mogelijk verminderen door een juiste prijszetting te hanteren. En ja, dat betekent dat we voor een aantal zaken meer zullen betalen.
21
D
e klimaatopwarming bestrijden doe je op verschillende fronten. Eén daarvan is adaptatie: ons aanpassen aan de opwarming die er onvermijdelijk komt. Dat is het laaghangend fruit op het vlak van mogelijke maatregelen, vindt professor Eyckmans van het Centrum voor Economie en Duurzaam Ondernemen. “Je verzacht de gevolgen. Bijvoorbeeld: je plaatst een airco in je huis of de overheid verhoogt de dijken aan de kust. Ja, er zijn kosten, maar de voordelen zijn er direct en het is ook duidelijk voor wie ze zijn.”
Dat ligt anders bij het tweede front: mitigatie. Die term verwijst naar alle strategieën om de klimaatopwarming zoveel mogelijk te beperken, met de nadruk op CO2 beperken en zelfs CO2 uit de atmosfeer halen. “Dat is echt het probleem bij de wortel aanpakken.” Mitigatie kan zich vertalen in diverse economische maatregelen van overheden om ons gedrag in de juiste richting te sturen: subsidies voor alternatieve energie, kilometer heffingen op niet-elektrische voertuigen of een koolstof taks op stookolie en kerosine.
Vrijbuiters Bij mitigatiemaatregelen kijken alle landen naar elkaar. “Je botst daar op het freeriderprobleem. Iedereen profi teert mee van de voordelen van minder CO2-uitstoot, ook de vrijbuiters die geen inspanningen leveren. De positieve effecten zijn niet alleen voor het land dat investeert, maar voor heel de wereld. En de lasten zijn voor nu, de baten voor latere generaties. Het is politiek een harde dobber om dat te verkopen aan kiezers, en dat verklaart waarom mitigatie zo moeilijk op de rails geraakt.”
“Je botst op het freeriderprobleem. Iedereen profiteert mee van de voordelen van minder CO2-uitstoot, ook de vrijbuiters die geen inspanningen leveren.”
De meest in het oog springende mitigatiemaatregel is de emissie handel. Sinds 2005 heeft de Europese Unie het European Emissions Trading System (EU-ETS): een handel in rechten om broeikasgassen te mogen uitstoten. Het systeem mikt vooral op grote installaties in de industrie en elektriciteitscentrales. Met één emissierecht mag een bedrijf één ton koolstofdioxide uitstoten. De rechten worden deels gratis toegewezen en deels geveild. Het aantal beschikbare rechten is beperkt en gaat ook nog eens elk jaar omlaag. Als bedrijf heb je dus de keuze: betalen voor – steeds duurdere – rechten om CO2 uit te stoten of dat geld investeren in klimaatneutrale productiemethoden en het overschot aan rechten verkopen.
Kinderziektes De emissiehandel kreeg veel kritiek, maar het is nu door de kinderziektes heen, volgens Eyckmans. “In het begin werden er te veel emissierechten uitgedeeld en sommige sectoren, zoals de luchtvaart, werden ongemoeid gelaten. Dat is veranderd. Er was ook de bezorgdheid dat Europese bedrijven uit de markt zouden worden geduwd door concur rentie van landen met minder regels, maar al bij al valt dat wel mee.” De prijs van de emissierechten – zeg maar de CO2-prijs – zat in stijgende lijn tot het begin van de oorlog in Oekraïne. Sindsdien schommelt de prijs: “Maar het is duidelijk dat het Europa wel menens is nu. Het leidt ertoe dat het economisch meer en meer rendabel wordt om de CO2-uit stoot af te bouwen – de stijgende energieprijzen doen daarbij uiteraard ook hun duit in het zakje. Ondanks de moeilijke start is de EU-ETS het meest effectieve beleidsinstrument dat we tot nu toe hebben. Het dekt de helft van de Europese CO2-uitstoot – dat is best veel.” Wat dan met de andere helft? “Daarvoor maakt Europa aparte afspra ken per lidstaat. Dat betekent dat lokale beleidsmakers beslissen over sectoren zoals landbouw en transport, en zaken als verwarming voor huishoudens.” Om daar de CO2-uitstoot te verminderen, wordt vooral gekeken naar opkomende technologie. Bijvoorbeeld: rijden op elektri citeit of waterstof. “De uitdaging is om de switch snel genoeg te laten gaan en toch betaalbaar te houden. Er zijn ook logistieke aanpassingen nodig, zoals tankstations ombouwen tot laadstations.”
22 “Ondanks de moeilijke start is de handel in emissierechten het meest effectieve beleidsinstrument dat we tot nu toe hebben.”
Technologie is niet genoeg “Technologie helpt, en er moet zeker geïnvesteerd worden in verbeteringen. Denk aan batterijen om zonne-energie op te slaan. Maar technologie alléén zal niet volstaan”, waarschuwt Eyckmans. We hebben ook volumemaatregelen nodig. Dat betekent doodeenvou dig: minderen op bepaalde vlakken. “Het heeft geen zin om allemaal een elektrische auto te kopen en samen in de file te gaan staan.” Het probleem zit hem volgens Eyckmans in de externe kosten: de maatschappelijke kosten, die niet worden meegeteld in de marktprijs. Als je bijvoorbeeld een klas sieke auto koopt, betaal je niet mee voor de kosten van verkeersslachtoffers, luchtvervuiling en files. Hetzelfde geldt voor de kosten van CO2-uitstoot. Als je die kosten wél doorrekent in de prijs, dan stijgt de prijs van de aankoop of het gebruik van een klimaatonvriendelijke auto. Door die hogere prijs zullen mensen automatisch minder snel zo’n auto gaan kopen of gebruiken. Het is beter om die boodschap niet te verhullen met sussende woorden, vindt Eyckmans. “Jawel, het gaat ons wel degelijk soms duurder uitkomen, omdat de huidige prijzen vaak de echte maatschappelijke kosten niet volledig weerspiegelen.”
Verteerbaar Eyckmans zet daar meteen een grote kanttekening bij: “Stel dat met de auto rijden of vlees eten een pak duurder wordt. Of dat je mensen verplicht hun huis beter te isoleren of met een warmtepomp te verwarmen. De lasten en baten zullen ongelijk verdeeld zijn: zulke ingrepen komen harder aan bij armere huishoudens. Er zullen flankerende maatregelen nodig zijn om de hogere prijzen verteerbaar te maken. Gelukkig hebben we in Europa daartoe de mogelijkheid.” Dat klinkt allemaal zwaar op de hand, maar er zijn genoeg redenen tot optimisme, vervolgt Eyckmans. En soms heeft dat gewoon te maken met hoe de economie werkt:
“De CO2-neutrale alternatieven worden in sneltempo goedkoper en duwen de meer vervuilende producten uit de markt. Op de klimaattop was veel te doen over steen kool: als het zo doorgaat, vermindert het gebruik van steenkool gewoon doordat de alternatieven financieel interessanter zijn – niet doordat we regels opleggen.” Hij ziet ook een mentaliteitswijziging: “Er is eindelijk een sense of urgency. Het rijtje landen dat het belang van klimaatneutraliteit onderschrijft, wordt langer. Dat is belangrijk, want we hebben de grote landen en de landen met opkomende economieën nodig: zonder hen kunnen we het doel – de opwarming beperken tot maximaal 1,5 à 2 graden – niet halen.”
Winnaars en verliezers We staan voor een aantal decennia van transitie in onze economie: “Dat betekent dat je verliezers zal hebben. Bijvoorbeeld de steenkoolmijnen: als die sluiten, moeten de mijnwerkers zich omscholen. Tegelijk mogen we niet vergeten dat er ook winnaars zijn, bijvoorbeeld de instal lateurs van zonnepanelen en windturbines. Het gaat dus eerder om jobverschuivingen dan om jobverlies. Alleen moet Europa de nodige middelen uittrekken om die omschakeling te maken.” Politici mogen zich niet blindstaren op het aantal jobs en economische groei, vindt Eyckmans. “Helaas is economische groei niet noodzakelijk goed voor de mens. Let wel, ik ben geen aanhanger van degrowth, de strategie om groei bewust af te remmen. Laten we eerst corrigeren waar de markt faalt: door de externe kosten door te rekenen via een heffing op milieubelastende activiteiten. Bijvoorbeeld een heffing op rundsvlees en terreinwagens of een serieuze koolstof taks op vliegtuigkerosine. Daardoor gaan milieu-onvriendelijke activiteiten, zoals een citytrip naar Barcelona met het vliegtuig, verminderen. Maar dat hoeft ons niet ongelukkig te maken: er zijn heel wat leuke en duurzame alternatieven voorhanden.” ● (if)
23
© KU Leuven – RS
DOSSIER — Klimaat
—
Een infiltratiekom – een ondiepe uitgegraven poel om hemelwater in op te vangen en in de bodem te laten sijpelen – aan het Quadriviumgebouw op Campus Heverlee.
Stille waters, diepe gronden Hydroloog Marijke Huysmans peilt al jaren naar de stand van ons grondwater. Na een paar droge jaren incasseerde ze in het natte jaar 2021 veel grapjes over haar onderzoeksdomein. “Hoe gaat het nog met het grondwater? Staat het al boven de grond?” Het grondwaterpeil herstelde zich inderdaad, maar de klimaatopwarming maakt dat we nu niet op onze lauweren mogen rusten.
24 W
e moeten ons aanpassen aan de klimaat opwarming die er onvermijdelijk komt en klimaatwetenschappers waarschuwen al lang dat water daarbij één van de pijnpunten wordt. Met de droogtes en hittegolven in 2018, 2019 en 2020 werd de opwarming alvast meer tastbaar. De grond waterstanden zakten snel. Het kwam gelukkig niet tot een echte water-black-out waarbij er geen druppel meer uit de kraan kwam. Wel mochten landbouwers in bepaalde regio’s geen water meer oppompen, of mocht je je gazon niet meer besproeien en je auto niet meer wassen. Na die dorre jaren hebben we inmiddels weer aan den lijve ondervonden dat het ook nog kan regenen, getuige de wateroverlast en overstromingen in 2021. Klimaat opwarming betekent immers ook meer extreem nat weer. De waterellende was wel goed nieuws voor het grondwater: 65 procent van de Vlaamse meetpunten gaf in januari 2021 een zeer laag grondwaterpeil aan, in december viel dat terug naar vier procent.
Langzaam herstel Toch mogen we nog niet rustig achteroverleunen, vindt professor Marijke Huysmans van het Departement Aarden Omgevingswetenschappen. “Bij grondwater spreken we van een diepte van een paar tot soms wel honderden meters. Het is daardoor normaal gezien veel beter bestand tegen droogte dan oppervlaktewater. Maar we zien tegenwoordig dat de grondwaterstand in droge periodes snel zakt en zich nadien langzaam herstelt, ook in de nattere en koudere maanden van het jaar, waar je vroeger geen problemen verwachtte.” In de heuvelachtige streken in het zuiden van de provin cies Vlaams-Brabant en Limburg zit het grondwater tot dertig meter diep: “Daar kan het herstel van het grond waterpeil jaren in beslag nemen. Ook Oost- en WestVlaanderen zijn gevoeliger voor droogte, omdat er meer klei in de grond zit, waardoor het regenwater minder goed doorsijpelt naar de ondergrond en er minder grondwater beschikbaar is.”
Goede startpositie Dat we 2022 begonnen met een goede startpositie van het grondwater, betekent dat we nu wat meer buffer hebben als er een periode van droogte aankomt. “In 2020 begonnen we met een heel laag peil en kregen we maanden aan een stuk nauwelijks regen. Het probleem is dat in die droge, hete periodes de vraag naar water net stijgt: mensen drinken meer kraantjes water, douchen vaker, vullen een zwembad. En de boeren hebben meer water nodig voor de gewassen.” Iedereen, particulier of bedrijf, gebruikt grondwater. Dat betekent ook dat een oplossing voor de grondwater schaarste uit vele hoeken moet komen. “We kunnen niet kiezen: iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen.” De boodschap is vooral: minder water verbruiken, meer recycleren en meer water laten infiltreren in de grond. “En vooral dat laatste. Vroeger was het beleid in de eerste plaats gericht op hoeveel grondwater we oppompen, maar uit ons onderzoek blijkt dat je vooral moet kijken naar de hoeveelheid water die infiltreert en in de ondergrond vastgehouden wordt.”
Slok op een borrel Als particulier kan je met je waterverbruik wel degelijk een verschil maken, benadrukt Huysmans. “De helft van de grondwaterwinning dient voor drinkwater. Daarom moeten we thuis zuinig zijn met water, en zoveel mogelijk overschakelen op regenwater. Dat gaat het makkelijkst met een regenwaterton of -put: met regenwater kan je je tuinplantjes besproeien of je auto wassen, op een regenwaterput kan je het toilet en de wasmachine aansluiten. Zo kan je je verbruik van drinkwater tot de helft reduceren. Dat scheelt dus een grote slok op een borrel.” Een andere ingreep is je oprit of tuin zo weinig mogelijk verharden: liever geen klinkers en zoveel mogelijk groen, zodat het kostbare regenwater de grond in kan trekken. In de industrie zijn al grote stappen gezet, vertelt Huysmans. “De tijd van water oppompen, gebruiken en lozen, die is voorbij. Veel bedrijven hebben al geïnves teerd in circulair waterverbruik: ze verminderen niet alleen hun verbruik, maar zuiveren hun afvalwater ook om het te blijven hergebruiken. Daar moeten we verder op inzetten.”
Slimmer draineren
“Zodra vervuilende stoffen in het grondwater terechtkomen, blijven ze er decennialang in zitten.”
Landbouwers zijn vaak het slachtoffer van droogte, met verdorde oogsten en kosten voor irrigatie. “Tegelijk kan de landbouw een groot stuk bijdragen tot de oplossing, omdat het over een groot areaal gaat. Vroeger werd er veel ontwaterd, want je kan niet boeren op een te nat veld. We moeten die drainage slimmer aanpakken, bijvoorbeeld enkel in de periodes dat het nodig is, en voor de rest het water laten infiltreren. Het landgebruik speelt ook een rol: een bodem die verdicht is door het gebruik van zware machines op een natte grond, laat bijvoorbeeld minder water door. Verder is de boodschap weer: meer regenwater gebruiken en recycleren. Je ziet zelfs initiatieven ontstaan waarbij bedrijven hun gezui verde water leveren aan landbouwers in de buurt.”
25 —
© KU Leuven – RS
In heel wat steden en gemeenten wordt verharding weggenomen ten voordele van meer groen en meer water.
Voor lokale overheden, zoals steden en gemeenten, is een grote rol weggelegd, zegt Huysmans. “Overheden hebben een voorbeeld functie: mensen geven terecht kritiek op betonnen pleinen met hier en daar een excuusboom. Maar ik zie daar wel een kentering. Op heel wat plaatsen wordt verharding weggenomen ten voordele van meer groen en water. Dat bevordert niet alleen de infiltratie van water in de grond: het zorgt ook voor minder hitte in de warme periodes en het schept een aangenamere leefomgeving.”
Dat is een grote bezorgdheid, want het moeilijke is dat grondwater traag stroomt, soms zelfs maar een meter per jaar. Als vervuilende stoffen er eenmaal in terecht komen, blijven ze er decennialang in aanwezig.” Het is dus geen kwestie van ‘beter voorkomen dan genezen’, we moeten gewoon voorkomen.
Vervuild water
Werk aan de winkel dus, voor iedereen. Simulaties op basis van overstromingskaarten tonen aan dat het nodig is. Wat als de waterbom van 2021 in Vlaanderen was gevallen in plaats van in de Ardennen? “Dan zouden vele Vlaamse steden overstroomd zijn. Ook kritieke infrastruc tuur zou onder water staan: spoorwegen, snelwegen, ziekenhuizen … De dodentol zou hier minder hoog geweest zijn – wij hebben geen diepe valleien waarin het water zich kan ophopen. Maar de schade zou gigantisch groot zijn.” Huysmans zetelt in een expertenpanel van de Vlaamse regering om onze regio voor te bereiden op zulke extremen: “We moeten bovenstrooms meer water vasthouden: niet te snel afvoeren en laten infiltreren, bijvoorbeeld door een wadi – een groene greppel met grindlaag die het regenwater opvangt – aan te leggen in je tuin. En tegelijk moeten we het water meer ruimte geven: overstromingsvlaktes voorzien, rivieren weer laten meanderen. Niet makkelijk in een dichtbevolkt gebied. Het goede nieuws is dat de ingrepen die helpen tegen wateroverlast, overlappen met die tegen droogte.” ● (if)
Een andere betrokken partij zijn de drinkwatermaatschappijen. “Ze hebben de wake-upcall begrepen en werken aan extra capaciteit en alternatieve bronnen. Je ziet ook samenwerkingen tussen maat schappijen die grondwater gebruiken en maatschappijen die rivier water gebruiken.” Aan de kust experimenteren de drinkwatermaat schappijen met de ontzilting van zeewater. “Dat is voor alle duidelijkheid geen duurzame oplossing – het vergt veel energie en je zit met afval. Maar je moet het zien als een tijdelijke oplossing in kritieke periodes.” Niet alleen de kwantiteit van het grondwater is problematisch; de kwaliteit gaat ook langzaam achteruit. “In ondiep grondwater zien we steeds meer vervuilende stoffen. De klassiekers zijn nitraten, pesticiden en zware metalen. Maar we vinden nu ook medicijnresten en de forever chemicals, zoals PFOS, die niet afbreken.” Dat zorgt voor een extra moeilijkheid als we de hoeveelheid grondwater weer willen opkrikken. Huysmans doet zelf onderzoek naar een veilige recyclage van afval water, bijvoorbeeld bij irrigatie. “Als je velden irrigeert met gezuiverd afvalwater, wil je niet onbedoeld gevaarlijke stoffen laten infiltreren.
Waterbom
26
SCHERP|GESTELD — Is lokaal voedsel de enige duurzame keuze?
Tijdens corona herontdekten we de hoevewinkel en gingen we met hernieuwde energie in de eigen moestuin aan de slag. ‘Eet lokaal’ was het devies: het temperde de angst voor lege winkelrekken, en intuïtief voelde het als de weg naar een gezonder leven, een kleinere voetafdruk, een steuntje in de rug voor de lokale boer. Maar klopt dat ook? In deze rubriek leggen we een handvol beweringen rond een actuele vraag voor aan onze experten. Deze keer trokken we met een busseltje verse stellingen naar bio-econoom Tessa Avermaete van het Departement Aard- en Omgevingswetenschappen.
27
Lof voor eigen hof
—
“Moestuinen creëren voor velen wel weer de connectie met waar ons eten vandaan komt. Als kinderen op die manier ontdekken hoe een tomaat groeit, dat ze niet onder de grond zit of aan een boom hangt, of als je daardoor gestimuleerd wordt om meer groenten te eten: prima!” © KU Leuven – RS
28 #1
Tijdens corona kochten we vaker rechtstreeks bij de producent. Lokaal kopen is de redding voor onze felgeplaagde boeren. “Helaas, zo simpel ligt het niet. Het is niet omdat wij nu plots wat meer lokaal gaan kopen, dat de gemiddelde boer daar automatisch meer aan overhoudt. Er zijn inderdaad steeds meer boeren die hun producten ook via de korte keten afzetten. Maar de meeste van die boeren combineren dat met andere verkoopkanalen, zoals verkoop op de veiling of aan voedselverwerkende bedrijven. En tijdens corona is de lokale verkoop dan wel substantieel gestegen, maar het blijft een fractie van een fractie. Hoevewinkels, bijvoorbeeld, hebben een markt aandeel van nauwelijks één procent.” “Als we de zelfoogstboerderijen even buiten beschou wing laten, zijn er weinig boeren die een substantieel deel van hun oogst lokaal verkopen. Bovendien is onze Vlaamse landbouw uitgegroeid tot een belangrijke exporteur: we zijn erg goed in een aantal producten – denk bijvoorbeeld aan onze peren, aardbeien en tomaten – en die exporteren we ook massaal.” “Wat betekent ‘lokaal’ trouwens? Uit je eigen dorp, uit je eigen regio? Vlaanderen en België zijn zo klein, eigenlijk is elke boer hier lokaal. Vaak wordt de suggestie gewekt: als het lokaal is, dan zal het ook wel kleinschalig zijn, of familiaal, of biologisch, of wie weet zelfs circulair. Met al die concepten wordt door elkaar gejongleerd, maar is dat wel juist? Laten we lokaal even gelijkstellen met kleinschalig. Dat klinkt sympathiek, maar die boer is echt niet automatisch beter bezig. Juist door een grotere schaal ga je soms veel efficiënter te werk, waardoor de kleine lokale boer soms toch minder duurzaam is dan de – even lokale – grote boer.”
#2
Kiezen voor lokaal was tijdens de lockdown een manier om de lege supermarkt te counteren. Voor onze bevoorradingszekerheid is het goed dat we minder afhankelijk worden van import. “Onafhankelijkheid van import, dat is een gedachte die vandaag, in een geglobaliseerde wereld, zó onrealistisch is, dat ze meteen van tafel mag. Trek die gedachte even door voor je kleerkast, je gsm, je fiets, en je houdt niets over: alles komt voor een deel van elders …” “Ook de lokale boer koopt vandaag zijn meststoffen en zijn gewasbeschermers aan de andere kant van de wereld. Ook voor de landbouw is die globalisering gewoon een feit. Gelukkig maar, want voor onze voedsel voorziening wereldwijd is het juist cruciaal dat we gewassen telen op die plek op de wereld waar dat het efficiëntst kan. Alleen zo kunnen we 7,5 miljard mensen voeden. Het heeft bijvoorbeeld geen enkele zin dat wij in Vlaanderen investeren in de teelt van exotisch fruit, als dat elders stukken efficiënter kan.” “Dat is de basisregel: laten we hier in Vlaanderen de dingen doen waar we goed in zijn, waar onze grond en ons klimaat geschikt voor zijn. We hebben bijzonder vruchtbare bodems, en we gaan daar vandaag bijzonder efficiënt mee om. Zo kan een Vlaamse boer vandaag tot tien ton tarwe oogsten per hectare. Zijn collega in Hongarije haalt met moeite vijf ton. We staan aan de top in groente- en fruitteelt, we zijn daar een stevige export speler, omdat we enorm hebben geïnvesteerd in innova tie en onderzoek. Wij – als KU Leuven – hebben daar trouwens meer dan een steentje toe bijgedragen. De Kanzi-appel bijvoorbeeld is het resultaat van onder zoek geleid door emeritus professor Wannes Keulemans van de Faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen.”
—
© KU Leuven – RS
Tijdens corona is de lokale verkoop substantieel gestegen, maar het blijft een fractie van een fractie. Hoevewinkels, bijvoorbeeld, hebben een marktaandeel van nauwelijks één procent.
“Ook voor het klimaat kweek je beter daar waar dat het efficiëntst kan.” #3
Exotisch voedsel moet de halve wereld over. Kiezen voor lokaal is kiezen voor duurzaam: hoe korter de keten, hoe minder transport. “Het is veel complexer dan dat. Kiwi’s, mango’s of de beruchte boontjes uit Kenia, dat zijn écht niet de boemannen in ons dieet. Ook voor het klimaat kweek je beter daar waar dat het efficiëntst kan. Zelfs al is dat 5.000 kilometer van hier. Mensen overschatten het aandeel van transport in de voetafdruk van ons voedsel vaak. Ons voedsel is – van productie tot consumptie – verantwoordelijk voor een kwart van alle broeikasgas sen, maar van dat kwart is slechts een klein deeltje, nauwelijks zes procent, afkomstig van transport.” “Een studente aan ons departement heeft onderzoek gedaan naar de voorkeur bij de Vlaamse consument voor sperziebonen uit Senegal of uit Nederland. Daaruit bleek dat de Vlaming bijzonder slecht geïnformeerd is over de ecologische, sociale en economische impact van de productie van beide. De Senegalese boontjes zijn vaak niet slechter – en in sommige seizoenen zelfs beter – dan wat wij hier kweken. Die boontjes zijn te veel een symbool geworden: ‘Oei, daar moeten we van afblijven.’” “Stel nu even dat we het tóch zouden doen: back in history, geen voedsel meer importeren, maar ons terug plooien op onszelf. Dan zijn degenen die de grootste klappen krijgen, de landen in het Zuiden. De wereldwijde voedselhandel is voor hen van levensbelang. De lokale boeren in Bénin zijn ook gebaat bij meer export, bij groei, bij hogere efficiëntie. Het is voor hen de sleutel voor socio-economische ontwikkeling. In het voedsel debat dreigen we soms dat bredere plaatje uit het oog te verliezen.”
#4
Met lokaal eten knopen we weer aan bij het dieet van onze grootouders. En die hadden geen milieuprobleem of obesitaszorgen. “Bij de bomma kwam er veel meer op tafel dat lokaal gekweekt was, dat is zeker waar. Maar waarom zouden we daar naar terug willen? Geen rijst meer, geen couscous, geen pasta, alleen maar aardappelen? We kunnen vandaag zo gevarieerd eten door die import. Ik denk dat heel weinig mensen dat willen missen.” “Daar zit het probleem ook niet. Het allergrootste verschil tussen het voedingspatroon van onze voorouders en het onze is, los van de herkomst van ons voedsel, de hoeveelheid die we vandaag consumeren. Als je dus bedoelt: teruggrijpen naar het gezonde grootouderdieet, met elke dag groenten op tafel, met een portie vlees die een héél stuk kleiner was dan vandaag, en met kool hydraten die voornamelijk uit aardappelen kwamen … ja, dan zit er misschien wel wat in.”
“Een stukje steak bij de bomma woog hooguit 100 gram, dat was luxe. Vandaag lokken fastfoodketens onze jongeren met schandalig lage prijzen voor gigantische hamburgers, en zijn er nog steeds restaurants die trots een steak aanbieden van 300 gram. Dat is volledig buiten proportie, een aanslag op de gezondheid en slecht voor klimaat en milieu.”
#5
Eten uit de eigen moestuin is veel meer dan romantiek en lichaamsbeweging. Het is hyperlokaal, dus hyperduurzaam. “Helaas. In je eigen moestuin ben je in de verste verte niet zo efficiënt bezig als een boer die gespecialiseerd is in één gewas. Er hoeft ook niet veel te gebeuren om de opbrengst in dat eigen tuintje om zeep te helpen – je hebt eens een beetje veel regen, de zon schijnt op een verkeerd moment, of te kort, of te lang, en je hebt mogelijk zelfs helemaal géén oogst.” “Maar moestuinen creëren voor velen wel weer de connectie met waar ons eten vandaan komt. Als kinderen op die manier ontdekken hoe een tomaat groeit, dat ze niet onder de grond zit of aan een boom hangt, of als je daardoor gestimuleerd wordt om meer groenten te eten: prima!” “En misschien doet al die moeite voor die paar tomaten van eigen kweek, ons even stilstaan bij de prijs van ons voedsel in de winkel. Ons eten is vandaag namelijk spotgoedkoop, en daar moeten we ons echt ethische vragen bij stellen. Hoe normaal is het dat veel boeren amper overleven van wat ze voor hun opbrengst krijgen? Onze overgrootouders spendeerden zowat de helft van hun inkomen aan voedsel, vandaag zitten we aan veertien procent. Dat is toch bijzonder weinig voor iets wat een basisbehoefte is?”
#6
Conclusie: ‘eet lokaal’ is toch niet de ultieme tip voor een duurzaam leven. “Het kan nooit kwaad om weer wat meer stil te staan bij ons voedsel en waar het vandaan komt. Maar als je dacht dat je simpelweg door meer lokaal te kopen of zelf te kweken een grote bijdrage levert aan een duurzame wereld: nee, het ligt een pak complexer dan dat.” “Het zou onze samenleving veel beter uitkomen, mochten we in het voedseldebat meer kijken naar hoe gezond ons voedingspatroon is, dan naar waar ons eten vandaan komt. Daar vaart het milieu automatisch beter bij. Wie gezond eet, en zijn eten niet weggooit, die is in Vlaanderen al bij de besten van de klas. Minder vlees eten is zo’n gegarandeerde winner: als je dat doet, is dat in één klap gezond én duurzaam.” ● (wv)
29
30
—
DOSSIER — De weg naar volwassenheid
De één zegt dat we onze biografie vandaag heel bewust met eigen keuzes boetseren, volgens de ander hebben we nog altijd een collectieve voorstelling van het ideale levenspad.
31
Nieuw instituut neemt ‘ontluikende volwassenheid’ onder de loep
Proeven, proberen en soms ploeteren
© Shutterstock
32
© KU Leuven – RS
De aanvliegroute naar volwassenheid is er onvermijdelijk één met turbulenties. En die blaas je niet zomaar weg met de ademstoot waarmee je achttien verjaardagskaarsjes dooft. Dat besef is een belangrijk uitgangspunt voor een betere begeleiding van die soms troebele transitie naar volwassenheid. Binnen het nieuwe KU Leuven Instituut voor Kind en Jeugd bundelen onderzoekers hun expertises om antwoorden te bieden op de uitdagingen waarmee ‘emerging adults’ te maken krijgen.
W
hen will my grown-up kid grow up? Met de titel van één van zijn boeken wist de Ameri kaanse psycholoog Jeffrey Arnett een gevoel te vatten dat veel ouders zullen herkennen. Hun telgen nemen eerst de tijd om de diploma’s en vaardig heden te vergaren waar de kennismaatschappij om vraagt. Na een ontmoedigende blik op de woningmarkt vliegen ze vervolgens van hun kot boemeranggewijs terug naar Hotel Mama. Zélf mama of papa worden, dat moet wachten tot een aantal treden op de carrièreladder een gezonde financiële basis hebben opgeleverd. Bovendien: waarom zou je sprinten naar volwassenheid in een samenleving die jeugdigheid als het hoogste goed naar voren schuift? Het is een karikaturale schets, maar een aantal maat schappelijke ontwikkelingen lijken ervoor te hebben gezorgd dat we de traditionele mijlpalen van het volwas sen leven later bereiken. Of soms zelfs helemaal niet. Een kwestie van niet kunnen of niet willen? Een complexe vraag, vindt ook de wetenschappelijke wereld. De één zegt dat we onze biografie vandaag heel bewust met eigen keuzes boetseren, volgens de ander hebben we nog altijd een collectieve voorstelling van het ideale levenspad, maar bewandelen we dat met wisselend succes in onze woelige maatschappij. Voor Arnett werd het rond de eeuwwisseling alleszins duidelijk dat we de periode tussen 18 en 25 als een aparte ontwikkelingsfase moeten beschouwen en bestu deren, of toch in geïndustrialiseerde samenlevingen als de onze. In 2000 lanceerde hij het begrip ‘emerging adulthood’, in het Nederlands te vertalen als ‘ontluikende volwassenheid’.
Goede zwemmers Een periode van proeven, proberen en soms ploeteren: dat is extra aandacht waard, vindt ook het recent opgerichte KU Leuven Instituut voor Kind en Jeugd (L-C&Y). Het instituut wil alle vormen van ontwikkeling bestude ren, en de contexten die daar een invloed op hebben. De expertise komt dan ook uit de meest uiteenlopende richtingen: van kindergeneeskunde tot architectuur, van taalkunde tot revalidatiewetenschappen. Het duo dat de onderzoekslijn rond ‘emerging adulthood’ coördineert, verpersoonlijkt die interdisciplinaire kijk op jongeren en hun omgeving. Professor Inez Germeys leidt als hoofd van het Centrum voor Contextuele Psychiatrie onder meer het SIGMA-onderzoek naar het mentaal welzijn van Vlaamse adolescenten. Professor Stefaan Pleysier is als directeur van het Instituut voor Criminologie dan weer één van de drijvende krachten binnen het interuniversitaire JeugdOnderzoeksPlatform (JOP), een beleidsrelevant steunpunt gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. “Met het JOP doen we sinds 2005 grootschalige bevragingen bij Vlaamse jongeren tussen 12 en 25”, zegt Pleysier. “Zelfs in die beperkte tijdsspanne van goed vijftien jaar zien we signalen die het ‘uitstellen’ van de volwassenheid bevestigen. Jongeren studeren langer, zetten de stap naar de arbeidsmarkt later en blijven langer in het ouderlijk huis.” “We zien vandaag wat de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman een liquid modernity noemde: het traject van een mensenleven is vloeibaar geworden”, aldus Pleysier, zelf socioloog van opleiding. “De stapstenen zijn minder
33
—
Voor veel jongeren betekent op kot gaan niet de definitieve stap naar onafhankelijkheid. Menig afgestudeerde vliegt boemeranggewijs terug naar Hotel Mama.
helder afgelijnd, en dat zorgt voor extra druk, zeker op de leeftijd waarop je nog naar een eigen identiteit aan het zoeken bent. De meeste jongeren kunnen gelukkig terugvallen op een ondersteunende omgeving en hebben genoeg veerkracht om de nodige sprongen te maken. Dan kan die periode van ontluikende volwassenheid er één zijn van prikkelende uitdagingen, van je tijd nemen om dingen uit te proberen. Maar niet iedereen heeft een even sterke basis om van te vertrekken. Bauman schreef ergens dat het de goede zwemmers zijn die baat hebben bij een vloeibare samenleving. Dat klinkt fatalistisch, maar er zit een kern van waarheid in.”
Grote rugzak Het instituut wil bij het doorgronden van de ontluikende volwassenheid dan ook extra aandacht besteden aan jongeren in kwetsbare situaties. De startblokken staan immers niet voor alle zwemmers op dezelfde lijn, weet ook Inez Germeys: “Jongeren hebben vandaag veel mogelijkhe den en veel keuzevrijheid, maar als je in een moeilijke gezinssituatie of in armoede opgroeit, draag je een grote rugzak mee die net in zo’n context van ‘maakbaarheid’ nog extra gaat wegen.” Uit het eerste luik van haar SIGMA-onderzoek bleek dat één op vijf Vlaamse jongeren tussen 12 en 16 jaar matige tot ernstige psychische klachten ervaart. De studie volgt de bevraagde adolescenten verder op. “We weten dat driekwart van alle psychische aandoeningen vóór het 24ste levensjaar ontstaat, en het grootste deel daarvan tussen de leeftij den van 16 en 24”, zegt Germeys. “Het is natuurlijk een periode van onzekerheid. Je komt stilaan los uit een veilig nest en begint je eigen stappen te zetten. Je probeert dingen en soms faal je. Dat gaat gepaard met intense emoties. Voor jongeren en hun ouders is het niet altijd evident om te weten: ‘Horen die er gewoon bij, of is hier meer aan de hand?’”
“Het is natuurlijk een periode van onzekerheid. Je komt stilaan los uit een veilig nest en begint je eigen stappen te zetten. Je probeert dingen en soms faal je.”
34 Zorginitiatieven met een lage drempel zijn dan cruciaal, zegt Germeys. “Ik denk aan de TEJO-huizen en de OverKop-huizen, waar je anoniem, gratis en zonder afspraak terechtkunt. Soms volstaan enkele gesprek ken om een jongere het gevoel te geven: ‘Ik zit weer op het juiste pad’. Als blijkt dat er zich een ernstige psychopathologie aan het ontwikkelen is, dan is het belangrijk dat de volgende stappen duidelijk worden.”
“Met initiatieven als TEJO en OverKop kan je problemen vroegtijdig op het spoor komen, maar in ons land krijgen we die visie moeilijk structureel ingebed. Er is geen finan ciering voor, er wordt geen prioriteit aan gegeven … Als jongeren op latere leeftijd in de werkloosheid of de criminaliteit belanden, ja, dán zien we plots het probleem.”
Mooie en lelijke huizen
Jongeren met psychische problemen die wel tijdig de juiste zorg vinden, komen met de meerderjarigheidsgrens soms een nieuwe drempel tegen. “Vanaf achttien jaar ben je strikt genomen niet meer welkom in de jeugdhulp, en moet je de overstap maken naar de zorg voor volwas senen”, zegt Inez Germeys. “Sommige jongeren hebben na veel moeite eindelijk de opvang gevonden die ze nodig hadden en moeten dan helemaal opnieuw beginnen. Anderen onttrekken zich aan alle zorg, en hun ouders kunnen alleen machteloos toekijken.”
© Roos Koole / Hollandse Hoogte / BelgaImage
Zorg die werkt moet ook breed beschikbaar zijn, benadrukt Germeys. En daar wringt het schoentje nogal eens: “Ik heb onze geestelijke gezondheidszorg weleens vergeleken met een doorsnee Belgische straat, waar je fantastisch mooie huizen hebt staan naast de bekende ugly Belgian houses. Vergelijk dat met Nederland, waar je de voordeu ren moet tellen om te weten welk huis het jouwe is. Vertaald naar deze context: in Nederland is er minder vrijheid voor eigen initiatieven, maar goede zorg wordt er breed toegepast en de structuren zijn duidelijk.”
35 “In de jeugdhulp wordt nog geregeld verwezen naar het schrijnende voorbeeld van Jordy, de 19-jarige jongen die van ontbering stierf in een tentje in de Gentse Blaarmeer sen”, vult Stefaan Pleysier aan. “Dat was zo iemand die uit de jeugdhulp kwam en op eigen benen probeerde te staan toen hij meerderjarig werd, maar niet in staat was om goede beslissingen te nemen voor het vervolg van zijn leven.” “We moeten ervoor zorgen dat de breuklijn minder hard is, en er is zeker ook beweging op dat vlak”, zegt Inez Germeys. “Vroeger was de psychische zorg voor kinderen en jongeren vooral gefocust op ontwikkelings stoornissen zoals autisme en ADHD. Nu zien we steeds meer in dat de problemen die we bij volwassenen zien vaak al op jonge leeftijd ontstaan. De lijnen komen dichter bij elkaar, maar in de organisatie van de zorg hebben we nog niet de juiste antwoorden gevonden.”
“We moeten ervoor zorgen dat de breuklijn tussen jeugd- en volwassenenzorg minder hard is, en er is zeker ook beweging op dat vlak.”
Geleidelijk loskomen De coronacrisis bracht extra uitdagingen met zich mee. “Je kunt het zien als een experiment van een ongekende omvang”, zegt Germeys. “De effecten zijn onmogelijk precies te voorspellen. Denk aan het onderwijs: we hebben drie ‘coronaschooljaren’ gehad. Dat heeft gevolgen voor de cognitieve ontwikkeling, maar ook voor andere vaardigheden. Je hebt informele contacten met je leeftijdsgenoten nodig om een aantal ontwikkelingsstappen te zetten, om geleidelijk los te komen uit je gezin.” Om diezelfde reden kijkt Germeys ook lichtjes bezorgd naar de popu lariteit van Hotel Mama: “In de studentenperiode wordt je sociale leven als het ware gefaciliteerd en maak je makkelijk vrienden. Zodra je volwassen leven begint, moet je actiever nieuwe contacten gaan leggen. Als je net dan weer in de veilige cocon van je ouderlijk huis kruipt … Het zou me niet verbazen als we gevolgen gaan zien van die trend: mensen die moeite hebben om elkaar te vinden, om partner relaties aan te gaan … Het is alleszins iets om in de gaten te houden.”
In handen houden Ook in het vakgebied van Stefaan Pleysier, de criminologie, is de periode van ontluikende volwassenheid cruciaal om problemen op het spoor te komen en erger te voorkomen. “De piek van de age-crimecurve zit net op die leeftijden, ongeveer tussen 16 en 23 jaar – voor minder ernstige vormen van criminaliteit ligt de piek vóór de leeftijd van 18, voor de zwaardere vormen wat later.”
—
Zorg die werkt moet ruim beschikbaar zijn, benadrukt Inez Germeys, en daar wringt het schoentje nogal eens bij ons. “In Nederland is er minder vrijheid voor eigen initiatieven, maar goede zorg wordt er breed toegepast.” (Foto: een time-out-kamer in een Nederlandse jeugdzorginstelling)
Net als de zorg kent ons recht met de meerderjarigheid op 18 een scherpe breuklijn. Er is bovendien een tendens om ook jongeren onder die grens de verantwoordelijkheidszin van een volwassene toe te dichten. “Dat was één van onze punten van kritiek bij het nieuwe Vlaamse decreet rond jeugddelinquentierecht (van 15 februari 2019 – red.)”, zegt Pleysier. “We zien een verschuiving van een beschermingsmodel naar een verantwoordelijkheidsmodel, met als gevaar dat we jongeren culpa biliseren op een moment dat ze nog niet in staat zijn om hun leven op de rails te krijgen. Aan delinquent gedrag is vaak een traject voorafgegaan waarbij hulpvragen niet op een adequate manier beantwoord zijn, of via wachtlijsten op de lange baan geschoven. Je zou dus kunnen zeggen dat wij het zijn die onze verantwoordelijkheid niet nemen.”
36 “Uiteraard hopen we dat onze ideeën voor een betere transitiezorg uiteindelijk ‘landen’ en een reële impact hebben.”
spelen bij zelfcontrole in die leeftijdsperiode nog in volle ontwikkeling zijn. De controleprocessen kunnen de impulsprocessen niet altijd de baas, en dat kan risicogedrag tot gevolg hebben.” Ook biologisch is er dus sprake van een ontluikende volwassenheid, tot ver voorbij de leeftijd van 18. Zouden hersenscans in rechtszaken mee kunnen bepalen of de beschuldigde verantwoordelijk gesteld kan worden? “Ik heb de indruk dat er nog missing links zijn tussen het hersenonderzoek en de verantwoordelijkheidsvraag, en dat we daar verder over moeten nadenken”, zegt Pleysier. “Het is ook weer een kwestie die je vanuit meerdere perspectieven moet bekijken. Naast psychologen en neurologen zou ik er bijvoorbeeld ook filosofen bij betrekken die hebben nagedacht over het concept vrije wil.” De verantwoordelijkheidsvraag speelt ook bij heel andere kwesties, zoals het bepalen van de leeftijdsgrenzen voor seks, alcoholgebruik, of het uitbrengen van je stem. “Om op dat laatste in te pikken: er is een hele beweging op gang om de kiesgerechtigde leeftijd te verlagen. Voor de komende Europese verkiezingen, bijvoorbeeld, mogen jongeren in België stemmen vanaf 16”, zegt Stefaan Pleysier. Gaat dat niet uit van een vervroegde in plaats van een verlate volwassenheid? “Je zou inderdaad kunnen zeggen dat het in tegenspraak is met wat we net besproken hebben. Maar het is opnieuw een discussie met veel kanten. Uit onderzoek in Schotland, waar zestienjarigen mochten stemmen voor het brexitreferendum, blijkt dat de politieke interesse van jongeren toeneemt als ze mee mogen beslissen. Ze groeien sneller in hun nadenken over politiek, en dat kunnen we natuurlijk alleen maar aanmoedigen. Nog een andere manier om het te bekijken: als we in ons land beslissen dat we jongeren vanaf 14 jaar GAS-boetes kunnen geven, moeten ze dan ook geen inspraak krijgen?”
Landing met impact
Hij is dan ook erg kritisch over het al langer bestaande systeem van de ‘uithandengeving’, dat indruist tegen het concept van een ontluikende volwassenheid. “Bij herhaalde ernstige feiten kan de jeugdrechter voor delin quenten vanaf 16 zeggen: ‘Ik zie geen oplossing meer binnen de mogelijkheden die ik tot mijn beschikking heb.’ Dan worden ze uit handen gegeven en als meerderjarige berecht.” Een contraproductieve aanpak, weet Pleysier: die jongeren blijken vaker en sneller te recidiveren en ze plegen ook zwaardere feiten. “Er is in het nieuwe jeugd delinquentierecht wel degelijk een alternatief uitgewerkt: langdurige plaatsing in een gemeenschapsinstelling, zeven jaar, met een mogelijke verlenging van tien jaar. Het achterliggende idee was om de uithandengeving te laten uitdoven, maar recent is besloten om de toepassing van dat systeem toch weer uit te breiden.” Inspiratie voor een betere aanpak kunnen we halen bij onze noorderburen, vindt Pleysier, waar het recht over een instrument beschikt dat je ‘inhandenhouding’ zou kunnen noemen. “Nederland heeft een adolescenten strafrecht, een optie om voor jongeren tussen 18 en 23 jaar met een onvoltooide ontwikkeling het jeugdstraf recht toe te passen. Dat systeem is gebaseerd op criminologische inzichten, maar ook op neurologisch onderzoek dat aantoont dat hersengebieden die een rol
In de werking van het instituut krijgen jongeren en jongvolwassenen alleszins wel een stem. Er komt een jeugdadviesraad waarin zij zelf hun kijk kunnen geven op een succesvolle overgang naar volwassenheid, en op de hindernissen die ze ervaren. Ook de wetenschappelijke kant wordt jeugdig ingevuld, via een L-C&Y Junior Society die beginnende onderzoekers stimuleert om samen te werken. Het moge inmiddels duidelijk zijn dat Germeys en Pleysier zelf alvast tal van verbeterpunten zien in de manier waarop we jongeren begeleiden. Willen ze vanuit het instituut actief wegen op het beleid? “We staan nog maar aan de start: als we alle antwoorden al hadden, zou het instituut overbodig zijn”, zegt Pleysier. “Maar het is van bij het begin wel onze intentie om een partner te zijn voor beleidsmakers. En ja, uiteraard hopen we dat onze ideeën voor een betere transitiezorg uiteindelijk ‘landen’ en een reële impact hebben.” Dat kan alleen als onderzoekers over de grenzen van de eigen disci pline kijken, benadrukt Germeys tot slot nog eens: “Wij zijn zelf momenteel bezig met onderzoek naar risicofactoren voor het ontwik kelen van psychische problemen bij jongeren in armoede. Ook daar komen veel aspecten samen. Met psychotherapie alleen krijg je de problemen niet opgelost, je wil er ook voor zorgen dat die jongeren hun school afmaken en een betere toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Dus zoeken we partners in het onderwijs en in armoedeorganisaties. Die vormen van kruisbestuiving willen we ook opzoeken binnen het instituut: waar hebben onze domeinen raakvlakken en hoe kunnen we elkaar versterken?” ● (rvh) Jongeren die nood hebben aan hulp of een gesprek, vinden een overzicht van het aanbod op www.tegek.be en www.awel.be
DOSSIER — Robotisering
37
De houdbaarheidsdatum van mensenwerk
Oefenen voor de robocalyps Wat is de vervaldag van mijn job? Eén scenario krijgt vandaag – met corona als katalysator – extra wind in de rug: het idee dat er zich een stille ‘robocalyps’ aan het voltrekken is op de arbeidsmarkt. Dat automatisering en AI stilaan alle mensenwerk overnemen, eerst in fabrieken, later met zelfscankassa’s en zorgrobots, en dat weldra de meeste bediendenjobs eraan moeten geloven. Zal onze eigen job er hetzelfde blijven uitzien? Hebben we straks robots als collega’s? Of eindigen we zelfs met een economie die zonder mensen kan?
© Shutterstock
© Shutterstock
38
V
oorjaar 2020, de eerste coronalockdown. Het maatschappelijk leven valt stil, heelder sectoren gaan in spaarstand, wie enigs zins in zijn kot kan blijven, sluit zich op. En toen … bleef de economie draaien. Het was een reality check: waren de ‘contactloze’ economie en de digitalisering van de arbeidsmarkt stiekem in een hogere versnelling gegaan? Was dit misschien een voorbode van de robotrevolutie, de ‘robocalyps’: een transitie op de arbeidsmarkt waarbij jobs massaal op de tocht komen te staan door automatisering, en waarin mensen nauwelijks nog een plaats hebben? Toegegeven, ‘robocalyps’ klinkt als een Hollywood-scenario: groots, bedreigend, en dus behoorlijk onrealistisch. Voor zoveel drama hoeven we niet te vrezen, maar de onderliggende bezorgdheid – overleeft mijn job de automatisering? – sluimert bij veel werkenden. In de zomer van 2021 organiseerde KU Leuven-arbeidspsycholoog Hans De Witte samen met jobplatform StepStone een rondvraag rond werkzekerheid. De resultaten logen er niet om: zes werknemers op tien denken dat hun job binnen afzienbare tijd ingrijpende inhoudelijke veranderingen zal ondergaan door automatisering. Dertien procent vreest ronduit dat zijn huidige job verdwijnt. De robocalyps is misschien een fictie, de angst ervoor is heel reëel.
Niemand ontsnapt Die angst wordt heel serieus genomen, ook buiten Holly wood, zegt professor Sarah Vansteenkiste, diensthoofd van het Steunpunt Werk en verbonden aan de onder zoekseenheid Work and Organisation Studies. “In 2013 verscheen een spraakmakende studie waarin de auteurs, Carl Benedikt Frey en Michael Osborne, nagingen welke jobs daadwerkelijk te automatiseren waren. Ze kwamen tot de alarmerende vaststelling dat 47 procent van alle jobs in de VS bedreigd wordt door robotisering of digita lisering. Dat cijfer is in de hoofden van veel mensen gaan rondspoken.” En de bredere discussie is nog een stuk ouder. Al in de jaren 70 verschenen er boeken over ‘the end of work’, waarin professoren beweerden dat de arbeidsmarkt uiteindelijk zal ophouden te bestaan door voortschrijdende automatisering. “Om je meteen gerust te stellen: sindsdien zijn er tal van nieuwe studies gebeurd, en vandaag kijken we een stuk genuanceerder naar die dreiging door robotisering en automatisering. We leggen niet enkel meer volledige jobs
39 Zes werknemers op tien denken dat hun job binnen afzienbare tijd ingrijpend zal veranderen door automatisering. Dertien procent vreest ronduit dat zijn huidige job verdwijnt.
in de weegschaal, maar bekijken ook de verschillende taken binnen één job. Concreet: voor België zouden er volgens die inzichten slechts negen procent van de jobs echt volledig automatiseerbaar zijn – en dus op termijn verdwijnen. Die negen procent moet je vooral zoeken in de meer administratieve functies. Denk aan de klassieke bankbediende, die inmiddels bijna volledig verdwenen is door online bankieren.” En verder? De ‘ingrijpende veranderingen’ die zes op tien werknemers vrezen zouden volgens Vansteenkiste zomaar een onderschatting kunnen zijn. Er zijn weinig jobs te bedenken waarin automatisering géén rol van betekenis zal gaan spelen, in de zin van: een aantal van je taken zullen door de computer worden overgenomen. Neem een minder voor de hand liggende sector als de geneeskunde. Vandaag al bestaat er technologie die de scans van kankerpatiënten screent, en die de diagnose nauwkeuriger kan stellen dan een radioloog dat kan. De vraag is dan: betekent dat nu dat de job van radioloog weldra verdwijnt? “Nee,” zegt Vansteenkiste, “wel dat die zal veranderen. De interactie tussen automatisering,
digitalisering en het menselijke aspect zal belangrijker worden. De radioloog zal de diagnose nog altijd moeten interpreteren en aan de patiënt overbrengen.” Wat we ook niet mogen vergeten: naast wat jobdestruc tie en heel wat geleidelijke jobverandering is er vandaag ook sprake van jobcreatie door automatisering. Denk aan alle nieuwe jobs rond data: datamanagement, data beveiliging … Of aan hr-analisten die de data van werk nemers verzamelen en interpreteren, om te komen tot betere prestaties of een beter welzijn. Stuk voor stuk jobs die vroeger niet of nauwelijks bestonden. Sommigen voorspellen dat enkel ‘topjobs’ en ‘rotjobs’ zullen overblijven. “Dat hoeft helemaal niet”, zegt Vansteenkiste. “In een meer optimistische visie helpt robotisering een aantal zogenaamde ‘rotjobs’ juist de wereld uit. Ik denk dan aan zware of repetitieve taken. In de bouwsector heb ik bijvoorbeeld al bouwrobots gezien: de bouwvakker hoeft zelf geen muur meer te metselen, de robot doet het zware werk voor hem, hij hoeft die alleen maar te begeleiden.”
40
© Der Spiegel
—
Drie covers van het weekblad Der Spiegel, uit 1964, 1978 en 2016, met telkens hetzelfde thema: de angst dat robots onze jobs afnemen. Sarah Vansteenkiste: “Ik toon dit vaak om duidelijk te maken: het is allemaal niet nieuw.”
Er is vooralsnog weinig bewijs voor de dystopie van de job-dodende robot, besluit Vansteenkiste. “Als je de optelsom maakt, dan stel je geen massaal jobverlies vast. We moeten durven kijken naar het verleden. De voorbije decennia zijn er steeds meer mensen aan het werk gegaan, ondanks – of juist dankzij – die nieuwe technologie. Nooit waren er bij ons meer mensen op arbeidsleeftijd – tussen 20 en 65 jaar – aan het werk dan vandaag. Ik neem scenario’s zoals een robocalyps dus voorlopig met een flinke korrel zout.”
Verhalen die we vertellen Blijft de vraag: waar komt die – erg reële – onrust bij veel werkenden dan vandaan? Wat volgens Vansteenkiste zeker een rol speelt, is de beeldvorming in de media. Want wat haalt het nieuws? Massale jobdestructie, grote ontslaggolven, duizenden afvloeiingen in één keer, in de bankensector, in de auto-industrie. Jobcreatie daaren tegen gebeurt juist veel geleidelijker, in kleine stapjes, verspreid over veel ondernemingen. Dat is niet specta culair – en dus ook geen groot nieuws. Vansteenkiste toont een cover van het Duitse weekblad Der Spiegel uit 2016, waarop een reusachtige robothand een mannetje vanachter zijn bureau wegplukt.
En vervoIgens een cover uit 1978, met ongeveer het zelfde beeld in een fabriek. En vervolgens eentje uit de 1964, met weer hetzelfde beeld. “Ik toon dit vaak op presentaties om duidelijk te maken: het is allemaal niet nieuw.” Klopt, zegt Joost Luyckx. Hij is vandaag als organisatie wetenschapper verbonden aan het pas opgerichte Future of Work Lab van professor Nicky Dries, maar is ook historicus. “Dat soort verhalen – de doemscenario’s, de pessimistische, dystopische narratieven, maar net zo goed omgekeerd, een overdreven optimisme – zie je vaak opduiken als reactie op een nieuwe technologie. De jaren 60 en 70 waren bijvoorbeeld een periode waarin bij veel mensen technofobie heerste. Een beetje zoals vandaag.” De angst voor nieuwe technologieën lijkt in elk geval veel ouder dan de eerste moderne robots. Vraag maar aan James Hargreaves. Die vond in de achttiende eeuw de ‘Spinning Jenny’ uit, één van de eerste spinmachines. De spinners uit de buurt waren zo bang voor de gevolgen van zijn creatie voor hun werk en hun sociaal-economi sche positie, dat ze bij hem inbraken en zijn Jenny’s stuksloegen. Hargreaves zelf moest naar een andere stad verhuizen.
41 “Robotisering kan een aantal zogenaamde ‘rotjobs’ juist de wereld uit helpen.”
pessimistische, met telkens een meer ‘menselijke’ en een meer ‘technologische’ verhaallijn. Het eerste utopische scenario laat zich samenvatten als ‘business as usual’: er verandert wel iéts, maar tech kan de mens nooit helemaal vervangen. Al die scifi is geen klein beetje overdreven, mensen zijn tenslotte uniek. Scenario twee: levenslang leren en cobots. Cobots staat voor collaborative robots. Volgens dat scenario helpt en dient technologie de mens, al zullen er wel jobs verdwijnen. De doemscenario’s dan: in scenario nummer drie is de mensheid ten dode opgeschreven door onze eigen schuld. Er is de klimaatramp, er is oorlog, en de politieke macht komt terecht bij tech en social media. Scenario vier tot slot is de ‘robocalyps’: artificiële intelligentie neemt zo’n hoge vlucht dat wij mensen, met al onze irrationele trekjes, al snel niet meer nodig zijn. Vanuit een robot gedacht zijn we hooguit nog het equivalent van een huisdier. Vervolgens vroeg Dries aan mensen uit diverse sectoren: van welk scenario hopen jullie dat het werkelijkheid wordt? De voorkeuren vielen uiteen in twee duidelijke groepen. Mensen uit de hr- en de tech-sector en beleids mensen vonden scenario twee veruit het beste: meer technologie, ten dienste van de mens. Geëngageerde burgers en journalisten verkozen dan weer scenario één: zo weinig mogelijk verandering.
Die techno-angst sluit aan bij een cultureel topos, legt Luyckx uit, een motief dat slag om slinger opduikt in de geschiedenis: dat mensen van nature bang zijn om de controle over hun eigen creaties te verliezen. “Kijk naar de roman Frankenstein van Mary Shelley, uit de vroege negentiende eeuw – niet toevallig een tijd van grote technologische vooruitgang. Dokter Frankenstein slaagt erin een dood lichaam weer tot leven te weken, een enorme wetenschappelijke doorbraak. Maar vervolgens verliest de schepper de controle over zijn creatie, en richt het ‘monster’ van Frankenstein enorme schade aan. De angst die je daar ziet, verklaart voor een deel ook de doemverhalen over AI, over machine learning, over robots.”
Dus welk scenario wordt het nu? “Dat is net het punt dat ik wil maken: dat ligt nog niet vast”, zegt Dries. “Er zijn verschillende mogelijke scenario’s, en er zijn heel uiteenlopende reacties op die scenario’s mogelijk. De toekomst wordt niet alleen bepaald door technolo gie, maar ook door sociale strijd, politieke dynamieken, conflicterende belangen. Ze kan nog veel kanten uit, niets is onvermijdelijk.”
Wat willen we?
Scenariodenken
Niets is onvermijdelijk? Nochtans klinkt bij tech optimists vaak: wat kan gebeuren, zal gebeuren. Vertaald naar werk: de dag dat een robot mijn job kan doen, ben ik hem kwijt. “Velen zijn er inderdaad van overtuigd dat alles wat technologisch mogelijk is, zich ook effectief zal voltrekken”, zegt Dries. “Terwijl dat natuurlijk niet klopt. We zijn niet zomaar de speelbal van een onstuitbare technologische ontwikkeling. Je kunt perfect beslissen dat iets maatschappelijk onwenselijk is. We hebben ook beslist om geen mensen te klonen, en we laten drones voorlopig geen pakjes rondbrengen.”
Het Future of Work Lab gaat dat soort verhalen nu verder in kaart brengen. Op die manier willen ze mensen laten nadenken over werk en hoe dat er in de verre toekomst – over vijftig of honderd jaar – zal of moet uitzien. Nicky Dries voerde alvast een eerste studie uit: uit de kranten van de afgelopen vijf jaar verzamelde ze alle artikels over de toekomst van werk. Vervolgens kneedde ze alle stellingen uit die artikels tot vier moge lijke toekomstscenario’s: twee rooskleurige en twee
Ook Sarah Vansteenkiste gelooft niet in onvermijdelijk heidsscenario’s. “Minstens zo belangrijk als ‘Wat kunnen we technologisch?’ is de vraag: ‘Wat willen we?’” In de luchtvaartsector bijvoorbeeld zou de automatische piloot vandaag het vliegtuig helemaal kunnen overnemen. In theorie is de menselijke piloot dus overbodig. Maar toch zit die daar nog, omdat mensen zich anders niet veilig genoeg voelen.
42 “Er zijn weinig jobs te bedenken waarin automatisering géén rol van betekenis zal gaan spelen, in de zin van: een aantal van je taken zullen door de computer worden overgenomen.”
Tijdens pakweg een pandemie verkiezen we de kiemvrije robot van de zelfscankassa misschien wel boven de aanstekelijke warmte van de caissière.
Zo bestaan er in Japan al langer hotels waar een robot de volledige check-in doet. En toch kiezen de meeste hotels daar niet voor, omdat ze het menselijk contact te belangrijk vinden. Dat is ook waarom koffieketen Star bucks haar barista’s niet vervangt door automaten, hoewel dat vandaag perfect kan. De klant ziet graag dat iemand – een mens – de koffie maakt en aanbiedt. “Starbucks zegt heel bewust: dit gaan we niet doen.”
Nul voor sfeer Maar ook wat we wenselijk achten, is aan verandering onderhevig. Tijdens pakweg een pandemie is een strikt minimum aan contact wel zo handig. Dan verkiezen we de kiemvrije robot van de zelfscankassa misschien wel boven de aanstekelijke warmte van de caissière. Ook op
de Winterspelen van Peking doken robots op in de bediening, tot de cocktailshaker toe. Een nul voor sfeer en gezelligheid, maar nood breekt wet. Corona zal zeker een aantal transities versneld hebben, zegt Vansteenkiste. Maar tegelijkertijd heeft de crisis ons ook met de neus op de feiten gedrukt. In tal van jobs maakten we probleemloos de shift naar digitaal, naar contactloos, naar thuiswerk. Maar het heeft ons net zo goed doen beseffen dat we ook echt wel dat menselijk contact nodig hebben. Dat veel mensen zich ongelukkig kunnen voelen achter die computer. “Dat zet belangrijke kanttekeningen bij die technologische transitie. We mogen niet in extremen vervallen. Het bewijst weer waarom het zo moeilijk te voorspellen is in welke richting het daadwerkelijk zal gaan, en aan welk tempo.”
43
© KU Leuven – RS
Corona toont perfect aan dat die hele technologische transitie niet staat of valt met efficiëntie alleen, zegt Nicky Dries. “Veel werknemers dachten eerst: ‘Eindelijk weer wat work-lifebalance.’ Maar na een tijd voelde altijd alleen met je computer toch wel erg aan als wat Karl Marx ‘vervreemding’ noemde.”
In harmonie Slotsom: een robocalyps? Wie weet. Wat we vooral niet moeten doen, zeggen de onderzoekers, is erop zitten wachten. Want dan zullen we een aantal grote omwente lingen gewoon moeten ondergaan. Als angst en onrust over onze jobs geboren worden uit een gebrek aan controle, moeten we die controle herwinnen. Enerzijds door die jobs toekomstbestendiger te maken. We moeten
onze werknemers dringend meer wendbaar maken, zegt Vansteenkiste, onder meer door veel sterker in te zetten op opleiding. “Want het is niet omdat je job verandert, en misschien zelfs verdwijnt, dat je loopbaan hoeft te stoppen.” En anderzijds moeten we – beter vandaag dan morgen – grondig nadenken over hoe de samenwerking tussen mens en robot eruit moet zien. Nicky Dries maakt het heel concreet. “Neem nu robotarmen in fabrieken: in theorie kunnen die alle kanten uit bewegen, maar in de praktijk gaan ze hooguit in een paar richtingen. Zo blijven ze voorspel baar voor de werknemers. Want als ze niet voorspelbaar zijn, dan wordt het gevaarlijk, en bovendien ook psychologisch oncomfortabel, bedreigend zelfs.” De conclusie is duidelijk: als je wilt dat mensen en robots in harmonie samenwerken, dan moeten die robots rondom het menselijk gedrag gebouwd worden. Niet andersom. ● (wv)
44
SPEEDDATE — Winand Callewaert
“Ik draag
© KU Leuven – RS
Indoloog professor Winand Callewaert (79) dompelde zich een leven lang onder in de Indiase literatuur en gedachtewereld, en vond evenzeer schoonheid en rust onder water en in het hooggebergte.
45
en ik word gedragen” W
at wilde u later worden? “Jezuïet en missionaris. Op mijn tweeëntwintigste trok ik naar India, met de verwachting nooit meer terug te keren. Ik verdiepte me er in lndiase talen, hindoeïsme en boeddhisme. Na acht jaar koos ik een andere weg en ging ik in Leuven en aan de Sorbonne verder studeren. Ik voelde mij niet goed meer bij de idee dat enkel het christendom de waarheid in pacht zou hebben. Maar als het vandaag ’65 zou zijn, zou ik precies hetzelfde parcours volgen.”
Hebt u een motto? “Met één t of twee t’s? Jarenlang ben ik met mijn motorfiets naar de faculteit gereden. Maar mijn levensmantra, die ik meermaals per dag herhaal, is ānandam en karunā. Ānandam staat voor ‘innerlijke harmonie’: ‘ik voel me gedragen’. En karunā betekent ‘liefdevol erbarmen’: ‘ik ben er ook om anderen te dragen’.” Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Geen, ik val meteen in slaap – maar ik ben bezig in een werk over de geschiedenis van Hongkong. En als ontspanning grijp ik weleens naar een boek van Lee Child.”
Welk voorwerp zou u redden als uw huis in brand stond? “Geen. Ik ben stilaan alles aan het afgeven.” Waarop bent u het meest trots? “Tot mijn zevenenzestigste heb ik gewerkt aan een woordenboek voor de Indiase mystieke literatuur van de jaren 1600. Meer dan tweeduizend pagina’s, 41.000 lemma’s.” Wat is uw grootste angst? “Ik heb er geen. Ik ben al zeker niet bang voor de dood. Ik word gedragen hè?” Welk compliment heeft u het meest geraakt? “Vijf jaar geleden wilde de ambassadeur van India me een zeer prestigieuze literaire onderscheiding geven. Dat is niet doorgegaan omdat de prijs niet aan buitenlanders kon worden toegekend, maar de intentie was er en ontroerde me zeer.” Wat is het beste advies dat u ooit gekregen hebt? “Neem jezelf niet te veel au sérieux.”
Van welke film of serie heeft u onlangs genoten? “My Octopus Wanneer bent u het bangst geweest? “In Peshawar, in Pakistan, Teacher, Victoria & Abdul, 14 Peaks … En ik ben verslaafd aan belandde ik ’s avonds laat, op zoek naar een hotel, in een duistere The Crown.” buurt. Op een bepaald moment hoorde ik: ‘Nog één stap en ik schiet’. Een geluk dat ik de taal kende en snel genoeg kon reageren.” Aan welk project zou u meteen beginnen als geld geen factor was? “Een proces aanspannen tegen de grote uitbuiters van de “Een andere keer reden we met onze drie zonen in de mobilhome wereld. En mensen opleiden om mijn levenswerk voort te zetten: het Nemrut Dagi op, in Centraal Turkije. Een kilometerslange smalle vertalen en uitgeven van Indiase literatuur uit de zestiende en zeven bergweg, links en rechts autowrakken, en een temperatuurmeter die tiende eeuw. In de jaren 70 en 80 ben ik in heel India manuscripten steeds meer in het rood ging. Ik wist dat ik niet kon stoppen, want dan gaan fotograferen. Veel daarvan zijn intussen verdwenen of kapot. zouden we niet meer kunnen starten. Het was kantje boord, maar we De meer dan 14.000 opnames heb ik later geschonken aan de zijn boven geraakt.” Heidelberg University Library, en onlangs is alles gedigitaliseerd. Maar afgezien van die ‘Callewaert Collection’ liggen er nog honderd Wie zou u eens uw gedacht willen zeggen? “Ach, iedereen doet duizenden handschriften te verkommeren.” zijn ding en uiteindelijk verdwijnen we allemaal.” Wat is uw meest onhebbelijke karaktertrek? “Zelfs mijn vrouw weet het niet. Vraag het maar.”
Hebt u een hobby? “Op mijn zestigste ben ik begonnen met diep zeeduiken, een heerlijke beleving, in alle zeeën van de wereld. Door corona weet ik niet of het er nog van zal komen.”
Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Me geen zorgen te maken. The greatest sorrow is the sorrow that never Wat zullen we over vijftig jaar onbegrijpelijk vinden? “Ik vertelde comes.” mijn kleinkinderen dat ik nog karren met een petroleumlamp heb zien rijden. En zij zullen later aan hun kleinkinderen vertellen hoe hun groot Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood geweest bent? “Ik heb vader zijn stuur nog moest vasthouden (lacht).” een paar keer een bijna-doodervaring gehad. De eerste keer toen ik 23 was, tijdens een malaria-aanval in Benares, in India. Later heb ik “Ik ben weinig pessimistisch van aard, maar wat het klimaat betreft zie nog een paar keer het gevoel gehad dat ik buiten mijn lichaam trad, ik het toch somber in. Maar de mens zal zich wel aanpassen, zoals of een licht zag. Eens nogmaals in Benares, aan de oever van de altijd. Door spiritualiteit kan je een fundament bouwen om met de Ganges, en eens in de Andes, aan het Titicacameer. Een gevoel van uitdagingen om te gaan. Zonder een rots om op te staan, blijf je loslaten. Mooie ervaringen die ik met me meedraag.” watertrappelen.” ● (ivh) Wat was uw mooiste reisbestemming? “India heb ik in totaal zestig keer bezocht. Daarnaast hebben mijn vrouw en ik veel gereisd, van Galapagos tot Mongolië. Met de kinderen zijn we, in de mobil home, naar Egypte gereden, naar Oost-Turkije en Syrië … De tochten die ik maakte in de Himalaya – een tiental keer boven de 5.000 meter – behoren tot de mooiste ervaringen van mijn leven.”
“Zonder een rots om op te staan, blijf je watertrappelen.”
© KU Leuven – RS
46
ONDERZOEK — Diabetes type 1 steeds beter begrepen
—
Professor Chantal Mathieu, diensthoofd Endocrinologie UZ Leuven: “We blijven zoeken naar een manier om diabetes type 1 te voorkomen of te genezen.”
Tijdig tegenhouden van een ‘dodelijke dans’ Precies honderd jaar geleden werd de veertienjarige Leonard Thompson succesvol behandeld met insuline. Het hormoon redde zijn leven en sindsdien dat van vele patiënten met diabetes type 1. Maar onderzoekers zijn vastberaden om een nog betere oplossing te vinden.
47 “Patiënten moeten continu koorddansen tussen een te lage en een te hoge bloedsuikerspiegel.”
Z
eg niet zomaar ‘diabetes’ tegen diabetes – er bestaan heel wat verschillende vormen. Maar altijd draait het om insuline, het hormoon dat wordt geproduceerd in de pancreas. Insuline vervoert glucose – suiker – via het bloed naar alle cellen van het lichaam, waar het dient als brandstof.
Het gros van de patiënten lijdt aan type 2, waarbij de insulineproductie daalt én het lichaam minder gevoelig wordt voor insuline. Diabetes type 2 is een welvaartsziekte, zegt professor Chantal Mathieu, dienst hoofd Endocrinologie aan UZ Leuven: “Bijna een half miljoen mensen in ons land lijden er aan. Overgewicht en gebrek aan beweging spelen een belangrijke rol, maar er is ook een erfelijke factor.” Sommige patiënten moeten insuline gebruiken, maar vaak volstaat andere medicatie, in combinatie met een verandering in levensstijl.
Mogelijk fataal Dat ligt anders bij de kleine groep die lijdt aan diabetes type 1 – zo’n vier procent van de patiënten. “Dat is de vorm die gewoonlijk al op jonge leeftijd ontstaat. Bij deze patiënten maakt het lichaam te weinig of helemaal geen insuline meer aan. Zonder ingrijpen – insuline toedienen – heeft dat op korte termijn fatale gevolgen.” Tot 1922 was een kind als Leonard Thompson dus ten dode opgeschre ven, vertelt professor Mathieu: “Patiëntjes smolten letterlijk weg omdat hun lichaam geen vet- en spierweefsel meer kon opbouwen. Sinds de ontdekking van insuline is type 1 diabetes veranderd in een chronische ziekte. Patiënten monitoren – levenslang – hun eigen bloedsuikergehalte, en zorgen ervoor dat dit niet te hoog wordt door zichzelf op het juiste moment de juiste dosis insuline toe te dienen.” Toch blijft het belangrijk om te zoeken naar een manier om diabetes type 1 te voorkomen of te genezen, zegt professor Mathieu. De ziekte en behandeling zijn nog altijd behoorlijk belastend. Bovendien bestaat er altijd een risico op complicaties: “Een langdurig te hoog bloedsuiker gehalte is schadelijk voor de bloedvaten en kan op termijn onder meer leiden tot blindheid, een hartinfarct of een beroerte. Daarom ligt de levensverwachting voor patiënten met diabetes type 1 nog steeds lager. De andere kant van de medaille is een te lage bloedsuikerspiegel door een te grote hoeveelheid insuline, de al evenzeer gevreesde hypoglyce mie. Mensen met type 1 diabetes moeten continu koorddansen tussen een te lage en een te hoge bloedsuikerspiegel.”
Aanval door afweer Aan onze universiteit wordt in zeer veel domeinen onderzoek verricht rond diabetes, zegt professor Mathieu. “Psychologen bestuderen hoe mensen omgaan met de diagnose. Wiskundigen trachten de individu ele behoefte aan insuline in modellen te vatten. Er wordt onderzocht hoe oogproblemen bij mensen met diabetes kunnen worden opge spoord met artificiële intelligentie. In onze eigen dienst onderzoekt collega Pieter Gillard insulinepompjes die de bloedsuikerspiegel op peil houden met behulp van sensoren, en zo de werking van de pancreas overnemen. Ook voeren we klinische studies uit naar nieuwe types van insuline, die je bijvoorbeeld via de mond kan toedienen.”
Daarnaast is de onderzoeksgroep van professor Mathieu op zoek naar de oorzaken voor het ontstaan van diabetes type 1. Daar zijn de laatste decennia nieuwe inzichten rond: “We weten al lang dat diabetes type 1 een auto-immuunaandoening is, een ziekte dus waarbij het afweersysteem het eigen lichaam aanvalt – in dit geval zijn de insulineproducerende cellen in de pancreas het doelwit. Die zogenaamde bètacellen worden vernie tigd door verschillende cellen van het immuunsysteem, net zoals dat gebeurt met virussen of bacteriën.”
Genuanceerd verhaal Aanvankelijk ging men uit van een vrij eenvoudig scenario: iemand is erfelijk voorbeschikt om diabetes type 1 te krijgen door een afweersysteem dat auto-immuun is, en een trigger zet het vernietigen van bètacellen in gang, tot er niet langer voldoende insuline kan worden gepro duceerd om het glucosegehalte in het bloed op peil te houden. Intussen weten we dat het verhaal genuanceer der is, zegt professor Mathieu: “Om te beginnen komen mensen met een voorbeschikking tot type 1 diabetes wellicht niet met evenveel of even sterke bètacellen aan de start als gezonde mensen – ze hebben bijvoorbeeld een kleinere pancreas.”
48
“We weten nu ook dat bij sommige patiënten de vernietiging van de bètacellen voortdurend doorgaat – dat zijn de mensen die op zeer jonge leeftijd worden gediagnosticeerd. Maar bij anderen verloopt dat proces met horten en stoten en treedt er regelmatig wat herstel op – die patiënten krijgen pas een diagnose als ze in de twintig of in de dertig zijn, of zelfs nog later.”
© www.instagram.com/thierryvermeire_photography
De onderzoekers hebben inmiddels aangetoond dat diabetes type 1 méér is dan een afwijking van het afweersysteem. “De bètacellen spelen zelf ook een actieve rol. Bij mensen die genetisch voorbeschikt zijn om diabetes type 1 te krijgen, lijken deze cellen zich toch iets anders te gedragen. Een plausibel scenario lijkt ons dat de bètacellen in de pancreas om de één of andere reden ‘gestresseerd’ raken. Omdat er een virale infectie optreedt bijvoorbeeld. Of omdat er meer insuline moet worden geproduceerd in het lichaam, doordat de energiebehoefte toeneemt. Vervolgens gaan die bètacellen bepaalde veranderingen
—
Macy (12), diagnose type 1 diabetes op 9-jarige leeftijd.
“Het blijft belangrijk om te zoeken naar een manier om diabetes type 1 te voorkomen of te genezen omdat er altijd een risico bestaat op complicaties.”
doormaken en bepaalde stoffen aanmaken waardoor ze de immuuncellen naar zich toe lokken – en die vallen hen vervolgens aan. Daardoor raken de bètacellen nog meer ‘gestresseerd’, en worden er nog andere types immuun cellen geactiveerd. Het lijkt erop dat diabetes type 1 zo een dodelijke ‘dans’ vormt tussen een afweersysteem dat een auto-immune aanleg heeft en bètacellen die zich anders gedragen dan bij mensen die geen aanleg hebben voor diabetes type 1. Maar hoe dat precies in elkaar zit, moeten we nog achterhalen.”
Voorkomen en genezen? Zelf is professor Mathieu naast haar werk op de raad pleging nog een aantal uren per week in het labo te vinden. Maar een aanzienlijk deel van haar tijd gaat naar het coördineren van INNODIA/INNODIA Harvest, een groot Europees netwerk dat meer dan veertig academi sche instellingen, klinische centra en industriële partners omvat: “De who’s who voor diabetes type 1 in Europa, zeg maar. Samen bundelen we de krachten om diabetes type 1 te verslaan. Zo spelen we als KU Leuven echt een leidende rol op Europees en op wereldvlak. Het is geen sinecure om zoveel verschillende partners te laten samenwerken, bijvoorbeeld voor het opzetten van langlopende klinische studies. INNODIA wordt overal gezien als een voorbeeldconsortium. Met veel dank aan KU Leuven Research & Development, want onderzoek betekent niet enkel labowerk, maar ook organiseren.” INNODIA heeft zich tot doel gesteld om diabetes type 1 de wereld uit te helpen. Een heel belangrijke piste daarbij is het zoeken naar biomerkers, stoffen die wijzen op activatie van het afweersysteem of vernietiging van bètacellen, en de ziekte op die manier voorspellen. Het merendeel van de afbraak van bètacellen vindt immers plaats op een moment dat er nog geen symptomen zijn, legt professor Mathieu uit. “Met biomerkers kan je de ziekte tijdig opmerken en mogelijk tegenhouden.” Patiënten die al langer diabetes hebben daadwerkelijk genezen is een moeilijkere opdracht: “Dan moet je niet enkel het afweersysteem beïnvloeden, maar ook zorgen voor nieuwe bètacellen. Ook op dat domein beweegt er van alles, zoals stamcellen omvormen tot bètacellen, maar dat is een doel voor op langere termijn. De ziekte tijdig voorspellen, en vervolgens kunnen tegenhouden, dat komt wél binnen handbereik. Binnenkort wordt er wellicht een eerste product goedgekeurd dat de ziekte tijdelijk kan vertragen.” Het stemt professor Mathieu zeer hoopvol voor de toekomst: “Honderd jaar insuline is een mooie verwezenlijking. Maar ik wil niet naar tweehonderd jaar insuline voor mensen met diabetes type 1. Ik geloof er echt in dat het mogelijk is.” ● (ivh)
© Griet Van den Kerchove
49
Het glucosegehalte in Arthurs bloed wordt in de gaten gehouden met een sensor. Zowel een te hoog als een te laag bloedsuikergehalte kunnen ernstige gevolgen hebben.
50
INTERVIEW — Yasmine Kherbache, oud-student en rechter bij het Grondwettelijk Hof
“Aan mijn medewerkers gaf ik vaak de raad: laat je ego thuis en zorg dat je je dossiers kent.”
© KU Leuven – RS
51
“Ik moet nog elke dag studeren. Gelukkig doe ik niks liever” “De rode draad in mijn loopbaan? Er kwamen veel kansen op mijn pad die ik niet voor mogelijk hield, maar wel heb gegrepen”, zegt juriste Yasmine Kherbache (50). Die onverwachte wendingen brachten haar van de advocatuur naar het activisme, en van het kabinet naar het parlement. In 2019 werd ze rechter bij het Grondwettelijk Hof, op dat moment de jongste ooit en de eerste met een migratieachtergrond. “Als student rechten was ik enorm gulzig. Het is nooit overgegaan.”
Y
asmine Kherbache is in het verleden weleens een ‘dossiervreter’ genoemd. Ze beschouwt het als een compliment. Van de connotaties ‘kil’ of ‘saai’ die met de term gepaard gaan, is tijdens ons gesprek niks te merken. Ze praat bevlogen, en als ze glimlacht doet ze dat van oor tot oor. Niet verwonderlijk: als rechter bij het Grondwettelijk Hof heeft ze haar droomjob te pakken. “Ik hou erg van de inhoudelijke afwisseling”, zegt ze. “Het Hof bekijkt onder meer of wetten niet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel of de fundamentele grondrechten. Dat betekent dat we heel uiteenlopende zaken behande len, en dat je je telkens moet inwerken in nieuwe materie. Dat houdt het uitdagend. Het komt erop aan om juridi sche vraagstukken in de diepte te doorgronden en tegelijk het brede plaatje te zien.” Haar dagen bestaan hoofdzakelijk uit studeren, beraad slagen met haar confraters en vonnissen voorbereiden, zegt ze. “De coronacrisis bracht extra uitdagingen met zich mee. We zijn snel overgeschakeld op thuiswerk en een groot deel van de zittingen vindt digitaal plaats.
Als voorzitter van de informaticacommissie ben ik de voorbije twee jaar dus ook intensief bezig geweest met het in goede banen leiden van die digitalisering.”
Méditerrannée Kherbache is de eerste rechter ooit bij het Grondwettelijk Hof met een migratieachtergrond. Ze groeide op in Algerije, als kind van een Belgische moeder en een Algerijnse vader. Op haar zesde trok het gezin weer naar België, op de vlucht voor het religieus extremisme en voor de toenemende onveiligheid die zou uitmonden in een burgeroorlog. “Mijn ouders zijn verhuisd omdat ze wilden dat hun kinderen hun dromen zouden kunnen waarmaken. Daar ben ik hen eeuwig dankbaar voor. Tegelijk ben ik altijd nostalgisch gebleven naar Algerije. Ik heb mijn jeugd doorgebracht aan de kust en die hunkering naar de Méditerrannée speelt soms nog op. De situatie in Algerije deed me ook al vroeg beseffen hoe belangrijk het is om in een samenleving te leven waar je grondrechten en vrijheden gewaarborgd worden. En dat een rechtsstaat in de eerste plaats bescherming biedt.” © xxx
52 “Omdat ik als kind moest vluchten uit Algerije besefte ik al vroeg hoe belangrijk het is om in een samenleving te leven waar je grondrechten en vrijheden gewaarborgd worden.”
© KU Leuven – RS
Rechten studeren lijkt dan een logische keuze, maar het was niet de eerste, zegt Kherbache. “Ik wilde eigenlijk landbouwingenieur worden. Me specialiseren in irrigatietechnieken om de verwoestijning in landen als Algerije aan te pakken. Dat was mijn idealistische droomproject (lacht). Ik dacht ook aan filosofie, maar mijn moeder motiveerde me om voor rechten te gaan. ‘Je zit steeds te lezen, je denkt na over maat schappelijke vraagstukken en je wil dingen continu veranderen.’ Ik zag in dat ze gelijk had en heb me die keuze nooit beklaagd.”
Gulzig In Leuven werd ze een ‘pragmatische student’ die zich voor de volle honderd procent inzette tijdens de blok, maar ook een ‘culturele veel vraat’. “Ik zat even vaak in het STUC (nu STUK – red.) als in de aula – en je liep meer kans om me tegen het lijf te lopen bij platenzaak JJ Records dan in een fakbar. Ik kon geen genoegen nemen met ‘enkel’ de oplei ding en studentenfeestjes. Ik werkte ook als vrijwilliger bij de Leuvense Wetswinkel en studeerde Spaans. Ik was heel gulzig naar nieuwe kennis of ervaringen. Nog steeds, trouwens (lacht).” Die honger naar kennis kon ze ook stillen tijdens de lessen van André Alen, professor staatsrecht en haar latere collega bij het Grondwettelijk Hof. “Hij slaagde erin om de ingewikkelde Belgische staatsstructuur op een boeiende en vaak ook grappige manier over te brengen aan studenten – een tour de force”, zegt Kherbache. “Tijdens die lessen is wellicht ook de kiem gelegd voor mijn eigen interesse in grondwettelijk recht. Ook professor Marie-Claire Foblets maakte indruk. Zij gaf rechtsantropologie en heeft me gestimuleerd om later ook antropologie te gaan studeren.” Kherbache combineerde antropologie aan KU Leuven met een speci alisatie in sociaal recht aan de ULB. “Na mijn studie rechten liep ik wat verloren. Vandaag worden studenten of pas afgestudeerden goed begeleid naar stages of een job, maar in mijn tijd was dat anders. Ik had geen netwerk, vond niet meteen iets, dus ik besloot verder te studeren. De studie antropologie heeft mij als mens verrijkt, maar heeft van mij óók een betere jurist gemaakt. Ik kreeg inzicht in de verschillende rechtssystemen die wereldwijd bestaan en in de onderliggende waarden. Dat helpt om je eigen rechtssysteem beter te begrijpen.”
“Ik heb toen ook geleerd dat je in dialoog moet treden met mensen uit een andere cultuur of met een ander waardenpatroon, en dat je hen daarvoor eerst moet leren kennen – enorm belangrijk in een diverse samenleving zoals die van vandaag. De ander proberen te begrijpen. Dat wil niet zeggen dat je afstapt van je eigen principes, wél dat je beseft dat er verschillende visies op de wereld zijn, die allemaal op hun manier zijn onderbouwd. Je zal altijd andersdenkenden ontmoeten. Daar op een constructieve manier mee omgaan blijft een uitdaging.”
Engagement Nog voor ze haar studie kon afmaken, kwam er een bijzondere kans op haar pad: een job bij het interna tionaal gereputeerde advocatenkantoor De Bandt, Van Hecke & Lagae. “Daar heb ik veel aan te danken”, zegt ze. “Juniors kregen er meteen vertrouwen. Keihard presteren was een must, maar je mocht wél meewerken aan grote dossiers. Omdat het een internationaal bedrijf was,
53
—
“Ik ben vaak terechtgekomen in veeleisende werkomgevingen. Dat is niet altijd makkelijk, maar het maakt je wel sterker. Hoe hoger de lat ligt, hoe meer ik gemotiveerd ben om erover te geraken.”
moest je ook twee tijdsregimes combineren. De Vlaamse werkdag – van negen tot vijf – en de Amerikaanse, die hier in de late namiddag begint. Pittig, maar een fantastische leerschool. Ook later ben ik vaak terechtgekomen in veeleisende werkomgevingen. Dat is niet altijd makkelijk, maar het maakt je wel sterker. Hoe hoger de lat ligt, hoe meer ik gemotiveerd ben om erover te geraken.” Kherbache begon haar eigen advocatenkantoor en specialiseerde zich in sociaal recht en intellectueel eigendomsrecht. Ze engageerde zich ook in de culturele sector, waar ze ijverde voor een kunstenaarsstatuut. “Als advocaat verdedigde ik kunstenaars of culturele organisaties, en ik was vrijwilliger bij het Nieuw Internationaal Cultureel Centrum, het NICC, een vzw die een sociaal en fiscaal statuut voor kunstenaars op de politieke agenda wilde zetten. Dat begon kleinschalig, maar kreeg nationale allures. Ik werd woordvoerder van die beweging en ging namens de kunstenaars onderhandelen over het statuut met de Vlaamse en federale ministers.” In 2004 stelde de toenmalige minister van Werk en Pensioenen Frank Vandenbroucke haar voor om het kunstenaarsstatuut op zijn kabinet uit te werken. De start van haar politieke carrière en een voorlopig afscheid van de rechtspraktijk. “Engagement brengt je soms op
“Engagement brengt je soms op onverwachte paden. Die serendipiteit, dat ‘vinden zonder te zoeken’, is de rode draad in mijn leven.”
54 onverwachte paden. Die serendipiteit, dat ‘vinden zonder te zoeken’, is de rode draad in mijn leven (lacht). Ik had niet de ambitie om de politiek in te gaan. Ik heb die stap gezet omdat ik het een enorme kans vond om mijn doel te verwezenlijken: de wetgeving rond het kunstenaarsstatuut aanpassen. Ik vond het logisch om als advocaat te stoppen, omdat het niet kies zou zijn om die job te combineren met een rol op het ministerieel kabinet. Al neemt dat niet weg dat het een moeilijke beslissing was.”
Marathononderhandeling Ze vervulde haar rol als cabinetard met veel enthousi asme én met succes. Na vijf jaar bij Vandenbroucke werd ze kabinetschef van viceminister-president Ingrid Lieten, voor wie ze het Oosterweeldossier opvolgde. In 2011 klom ze nog een trede hoger op de politieke ladder, om het kabinet van premier Elio Di Rupo te gaan leiden. “Daar leerde ik dat je bij een onderhandeling meer moet luisteren dan praten”, zegt ze. “En aan mijn medewerkers gaf ik vaak de raad: laat je ego thuis en zorg dat je je dossiers kent.”
55 Ze blikt trots terug op de doorbraak in het moeilijke dossier rond het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. Samen met minister van Werk Monica De Coninck en haar kabinetschef leidde Kherbache de onderhandelingen met de sociale partners. “Een marathon van 27 uur. Dat we de hele nacht in beweging waren, hielp om wakker te blijven. De vertegenwoordi gers van de werkgevers en die van de werknemers zaten in twee aparte lokalen, elk aan het uiteinde van een lange gang. Wij pendelden tussen die twee. Later heb ik van
enkele onderhandelaars gehoord dat ze zich het getik van onze hakken herinnerden, en er slapeloze nachten aan hadden overgehouden (lacht).” Na acht jaar achter de schermen zette ze in 2012 de stap naar de actieve politiek. Ze werd fractieleider en voorzitter van sp.a Antwerpen, en zetelde later ook in het Vlaams en Federaal Parlement. “Opnieuw een stevige aanpassing. Ik was het al gewend om zeven dagen op zeven te werken, maar naast het dossierwerk besteed je als politi cus veel tijd aan communicatie met de pers, en moet je op het terrein aanwezig zijn. Je bent een publieke figuur. Dat maakt het allemaal nog drukker.”
Zen “Ik sta aan het begin van mijn loopbaan als rechter en daar wil ik mij nu ten volle in bekwamen. Ik wil een goede rechter zijn. Dat is iemand die haar dossiers kent, maar evengoed iemand die zorg draagt voor haar collega’s en medewerkers.”
In 2015 eiste dat drukke leven zijn tol. “Ik kreeg een zware hernia en was een paar maanden out. Mijn lichaam gaf al een tijd signalen, maar ik negeerde die en ging door op adrenaline. Dat hou je niet vol. Ik heb moeten beseffen dat het duurzamer is om grenzen te stellen en af en toe tot rust te komen. Na een lange werkdag trek ik nu vaak de natuur in. Mijn dagelijks ontspanningsmoment is het verzorgen van het paard van mijn dochter. Ik word helemaal zen van het uitmesten van stallen (lacht).” Ook op professioneel vlak heeft ze rust gevonden. “Ik zit goed waar ik zit”, zegt ze. “Ik sta aan het begin van mijn loopbaan als rechter en daar wil ik mij nu ten volle in bekwamen. Ik wil een goede rechter zijn. Dat is – opnieuw – iemand die haar dossiers kent, maar evengoed iemand die zorg draagt voor haar collega’s en medewerkers. Voor dat alles wil ik de komende jaren ruim de tijd nemen.” ● (pjb)
“Mijn dagelijks ontspanningsmoment is het verzorgen van het paard van mijn dochter. Ik word echt zen van het uitmesten van stallen.” © KU Leuven – RS
56
DOSSIER — Schimmels sneller opsporen en beter behandelen
Na het virus, de schimmels Niet alleen virussen kunnen ons parten spelen. Schimmelinfecties – of mycosen – hebben vaak ernstige gevolgen voor mensen met een sterk verminderde afweer. En sommige schimmels vormen ook voor gezonde mensen een bedreiging. Onderzoekers blijven speuren naar oplossingen, van snelle diagnostische tests tot nieuwe pistes voor antischimmelmedicatie. “Soms staan we met de rug tegen de muur.”
D
e kans is groot dat u nog nooit hebt gehoord van Aspergillus, maar de kans is even groot dat u vandaag al sporen van de schimmel hebt ingeademd. Aspergillus is immers overal om ons heen aanwezig. We ademen voortdurend sporen in, zeker bij het werken in de tuin – de composthoop is een hotspot voor schimmels – of als er afbraakwerken gebeuren. Voor gezonde mensen is dat geen enkel probleem: de trilharen in de luchtwegen houden een groot deel van de schimmels tegen, en de rest wordt opgeruimd door witte bloedcellen. Maar bij mensen met een sterk verminderde weerstand is het een ander verhaal, vertelt professor Katrien Lagrou, hoofd van het Laboratorium voor Klini sche Microbiologie van KU Leuven en ook verbonden aan Laboratoriumgeneeskunde UZ Leuven: “Als het immuunsysteem er niet in slaagt de schimmelcellen onschadelijk te maken, krijgen die de kans om via de longen en de bloedbaan door te groeien in het weefsel, soms zelfs tot het bot – dat noemen we een invasieve aspergillose. Zonder behandeling sterven zowat alle patiënten. En zelfs mét behandeling is de infectie in één op vier of zelfs meer van de gevallen fataal.”
Vroeger zag je schimmelinfecties vooral op een afdeling hematologie, bij patiënten die aan leukemie leden of een stamceltransplantatie hadden ondergaan en daardoor een verminderde afweer hadden. “Vandaag hebben steeds méér mensen een verzwakt immuunsysteem: we worden ouder, er worden meer transplantaties uitge voerd, steeds meer patiënten krijgen chemotherapie …” Daardoor komen schimmelinfecties nu voor in alle ziekenhuizen en in alle afdelingen. Ook op de afdelingen intensieve zorg zijn schimmelinfec ties een geduchte vijand, zegt professor Lagrou. “Zo weten we al een tijdje dat een patiënt die met griep op intensive care belandt ongeveer één kans op vijf heeft om een invasieve aspergillose op te lopen.” Daarom waren artsen zeer alert toen covid opdook. “En inderdaad, we zagen bij coronapatiënten op de ic vaak een invasieve aspergillose optreden, die allicht vaak bijdroeg aan een fatale afloop.”
57
© KU Leuven – RS
—
Om de één of andere reden lukt het vaak niet om een schimmel te laten groeien in een petrischaaltje.
Over het hoofd gezien Een snelle diagnose kan het verschil betekenen tussen leven en dood, zegt professor Lagrou: “Hoe langer je wacht om een schimmelinfectie te behandelen, hoe kleiner de kans op herstel. Daarom is het erg belangrijk dat artsen erop beducht zijn dat een patiënt weleens een schimmelinfectie zou kunnen hebben. In het verleden was dat een groot probleem. Gelukkig is er de laatste jaren steeds meer bewustwording, onder meer door onze lezingen en publicaties.” Toch wordt een schimmelinfectie nog altijd soms pas laattijdig opgemerkt, of in het ergste geval zelfs over het hoofd gezien: “Het gebeurt dat de infectie wordt aange zien voor een bacteriële infectie en met antibiotica wordt behandeld. Het gevolg is dat de schimmels nog méér ruimte krijgen om te groeien, doordat de bacteriën waarmee ze om voedingsstoffen moeten concurreren verdwenen zijn.” “Het probleem is dat je pas met zekerheid een diagnose kan stellen als je de schimmel hebt gedetecteerd in een stuk weefsel. Maar je verwijdert niet zomaar een stukje longweefsel … Daarom nemen we onze toevlucht tot
andere technieken. Je gebruikt bijvoorbeeld wat opge geven fluimen. Of je voert een spoeling uit van de onderste luchtwegen en met dat lavage-vocht ga je aan de slag.” ‘Aan de slag’ betekent dat je in het laboratorium met de microscoop naar schimmels gaat speuren in het staal en een ‘kweek’ opstart. Die aanpak werkt goed als je op zoek bent naar bacteriën, zegt professor Lagrou, maar eigenlijk niet in het geval van een schimmelinfectie. “Om de één of andere reden faalt zo’n klassieke cultuur vaak, de schimmel wil niet groeien in het petrischaaltje.” “Daarom zijn we steeds op zoek naar betere diagnosti sche tests. Zo doen we veel onderzoek naar biomerkers, stoffen die duiden op de aanwezigheid van, in dit geval, een schimmelinfectie. Daarmee kan een infectie vroegtij dig en snel worden opgespoord. We hebben al een aantal goede biomerkers gevonden, meestal voor testen op lavage-vocht. Maar een bloedanalyse is natuurlijk veel comfortabeler voor de patiënt dan een lavage te moeten ondergaan. Daarom blijven we zoeken naar betere biomerkers in het bloed.”
58
“Er bestaan al een paar omniresistente schimmels.”
UZ Leuven is trouwens een nationaal referentiecentrum voor mycosen. “Dat betekent dat we diagnostische testen uitvoeren voor andere laboratoria en advies geven voor de diagnose en behandeling van schimmelinfecties. Bedrijven kunnen hier ook terecht om de tests die ze ontwikkelen te laten evalueren.”
Rug tegen de muur Het Laboratorium voor Klinische Microbiologie doet daarnaast ook onderzoek naar de pathogenese van schimmelinfecties – hoe ontstaat bijvoorbeeld zo’n invasieve aspergillose? – en naar de behandeling: “We werken veel samen met fundamenteel onderzoekers, zoals collega Patrick Van Dijck (zie ook p. 60 – red.), maar ook met heel wat clinici, zoals intensivisten, hematologen en infectiologen, en met zieken huisapothekers. Onder meer vanwege die multidisciplinariteit werd ons ziekenhuis door de European Confederation of Medical Mycology erkend als excellentiecentrum.” Voor een probleem als dit is zo’n brede aanpak echt nodig, zegt profes sor Lagrou: “We buigen ons samen over onderzoeksvragen, maar ook over kwesties uit de klinische praktijk. Bijvoorbeeld: moeten we patiën ten op intensieve zorg preventief behandelen met antifungale middelen? Daarvoor moet je zeker weten dat dat effectief is, en ook veilig kan gebeuren. Bovendien wordt preventief gebruik vaak niet terugbetaald – en het gaat om geneesmiddelen met een kostprijs van honderden euro’s per dag.” Meer onderzoek naar antischimmelmedicatie is broodnodig. “We hebben bijvoorbeeld nood aan middelen om patiënten oraal te behan delen, na de eerste intensieve kritieke fase. De behandeling moet weken- of maandenlang worden volgehouden, en langdurig intraveneus medicatie toedienen brengt ook problemen met zich mee – alleen al omdat het enkel in het ziekenhuis kan gebeuren.”
Als een patiënt geïnfecteerd is met een resistente schimmel, moeten de artsen overschakelen naar andere medicijnen, met meer bijwerkingen. Op dit moment is er slechts een handjevol opties, zegt Katrien Lagrou: “In geval van interactie met andere geneesmiddelen of zware bijwerkin gen of resistentie staan we soms dan ook met de rug tegen de muur. Gelukkig hebben we in UZ Leuven dan vaak nog een uitweg: de patiënt laten deelnemen aan een klinische studie. Maar dat is ook lang niet altijd een oplossing. Onderzoek naar antischimmelmedicatie blijft cruciaal om dit toenemende probleem het hoofd te bieden.” ● (ivh)
© KU Leuven – RS
De onderzoekers bestuderen ook het probleem van resistentie tegen antischimmelmiddelen. “Er bestaan al een paar omniresistente schim mels, zoals Lomentospora prolificans en Candida auris. De eerste zijn we hier in UZ Leuven al een paar keer tegengekomen. Maar over het algemeen is het nog lang niet zo’n dramatisch verhaal als voor bacte riën. Zo is amper acht procent van de Aspergillus-stammen resistent aan triazolen, de standaardmedicatie, en dat percentage blijft al lange tijd stabiel. Maar omdat schimmels zo lastig te kweken zijn, is het soms ook moeilijk te achterhalen of de schimmel die je bij een patiënt aantreft, resistent is. Ook daar doen we onderzoek naar.”
59 Een snelle diagnose kan het verschil betekenen tussen leven en dood, zegt professor Lagrou: “Hoe langer je wacht om een schimmelinfectie te behandelen, hoe kleiner de kans op herstel. Daarom is het erg belangrijk dat artsen erop beducht zijn dat een patiënt weleens een schimmelinfectie zou kunnen hebben.”
© KU Leuven – RS
60
DOSSIER — Schimmels sneller opsporen en beter behandelen
Een broodnodige strijd In India maakte de ‘zwarte schimmel’ duizenden slachtoffers, met vaak gruwelijke letsels. Het is niet de enige schimmel die zorgen baart. En antifungale middelen vinden is lastig. Veel farmaceutische bedrijven hebben dan ook hun pogingen gestaakt. Aan het Laboratorium voor Moleculaire Celbiologie hopen ze wél oplossingen te vinden.
61
W
aarom zijn schimmels zo moeilijk te bestrij den? “Schimmels en mensen hebben heel wat van hun machinerie gemeen”, zegt professor Patrick Van Dijck, hoofd van het Laboratorium voor Moleculaire Celbiologie. “In tegenstelling tot virussen en bacteriën hebben schimmelcellen een celkern en een celmembraan, net zoals menselijke cellen. De moeilijke opdracht is dus om een middel te vinden dat de schimmel doodt, maar zijn gastheer buiten schot laat.” Van Dijck is al meer dan twintig jaar op zoek naar zo’n middel. Het begon een beetje per toeval, met onderzoek naar bakkersgist – gisten zijn namelijk ook schimmels. “Ik wilde achterhalen hoe je verse gist vriesbestendig zou kunnen maken, zodat bakkers niet langer voor dag en dauw op zouden moeten staan, maar hun deeg zouden kunnen invriezen.” Daarom bestudeerde Van Dijck trehalose – een suiker in gist die cruciaal is voor het overleven van schimmels. “Het menselijk lichaam maakt die suiker niet aan. Zo kwamen we op het idee: wat als we het enzym dat trehalose produceert zouden uitschakelen? Dan zou je de schimmel kunnen doden zonder nadelige bijwerkingen voor de patiënt.” “Op dat moment hadden we vooral Candida albicans voor ogen. Dat is een schimmel die op verschillende plaatsen in het lichaam aanwezig is – de darm, de mond, de vagina, de huid … – en allerlei, meestal onschuldige, infecties kan veroorzaken. Luieruitslag bij baby’s bijvoor beeld, of kalknagels. Daarnaast is Candida albicans ook een opportunist, zoals heel wat andere schimmels. Als het immuunsysteem het laat afweten, gaat de schimmel in het hele lichaam woekeren, met uiteindelijk fatale gevolgen. Dat is wat er gebeurde bij aidspatiënten vroeger, en ook nu nog, in Afrika.” De onderzoekers screenden duizenden chemische moleculen en: bingo! “We vonden er een aantal die de aanmaak van trehalose tegengaan. Helaas bleken die moleculen uiteindelijk niet door de dikke celwand van Candida albicans te geraken. We hebben de moleculen wel laten patenteren.” Er zijn nog andere interessante antischimmeldoelwitten volgens datzelfde principe, zegt professor Van Dijck: “Zo zijn we op zoek naar middelen die ingrijpen op de aanmaak van riboflavine, beter bekend als vitamine B2. Candida albicans heeft riboflavine nodig om te kunnen
groeien, en maakt de vitamine ook zelf aan. Mensen niet, dus voor ons organisme zou zo’n middel weinig nadelige gevolgen hebben. Op dit moment zijn we zo’n 25.000 potentiële compounds aan het screenen.” De ‘trehalose-piste’ is trouwens ook nog niet opgege ven: “Eén van onze doctorandi onderzoekt wat trehalose zou kunnen betekenen voor de bestrijding van een schimmel die in opmars is: Candida auris.”
Zorgwekkend Een ‘ernstige wereldwijde bedreiging’, zo wordt Candida auris genoemd door het Amerikaanse Center for Disease Control. “Deze schimmel is in 2009 voor de eerste keer beschreven en rukt wereldwijd op. Zorgwekkend is dat dit type op oppervlakten kan overleven en van patiënt op patiënt kan overgaan. Zo kunnen er ziekenhuisuitbraken ontstaan, iets wat zich in het buitenland al een paar keer heeft voorgedaan. Er waren drastische maatregelen nodig om de schimmel uit de ziekenhuisgebouwen te verwijderen.” Al even zorgwekkend: Candida auris is van nature heel vaak resistent tegen de meest gebruikte antischimmel producten. “En er zijn al Candida auris-stammen aangetroffen die tegen álle middelen resistent waren …”
“De moeilijke opdracht is om een middel te vinden dat de schimmel doodt, maar zijn gastheer buiten schot laat.”
62
Het is lang niet de enige verontrustende schimmel. “De meeste schimmels maken slachtoffers onder mensen met een verzwakt immuunsysteem, zoals hiv-patiënten. Maar sinds enige tijd zien we Cryptococcus gattii in delen van Canada en de VS. Deze schimmel kan ook gezonde mensen ernstig ziek maken, en zelfs doden.” Allemaal best onrustbarend, vindt ook professor Van Dijck zelf. Veel onderzoekers die met schimmels bezig zijn, zijn daarom een beetje gefrustreerd door het gebrek aan aandacht voor dit probleem. “Het is echt heel belangrijk om nog meer onderzoek te doen naar schim mels, en naar mogelijke antifungale middelen.”
Tot op de bodem Wat als de oplossing te vinden zou zijn in de natuur zelf? “Eén van onze onderzoekslijnen richt zich op de essen tiële oliën waarmee planten zich verdedigen tegen schimmels. Daar kan je componenten uit halen die tot geneesmiddel verwerkt kunnen worden. Daarnaast kijken we naar stoffen geproduceerd door onder meer bodembacteriën. De achterliggende gedachte: in de bodem moeten bacteriën en schimmels met elkaar concurreren om voedingsstoffen. De bacteriën produ ceren daarom antischimmelproducten, om de schim mels op afstand te houden.” Bodembacteriën groeien niet goed in een petrischaaltje, maar daar hebben de onderzoekers iets op gevonden, vertelt Van Dijck: “We hebben een speciale techniek ontwikkeld waarbij we de bacteriën uit de bodem isoleren, en vervolgens individueel in een soort plaatje weer in de bodem stoppen. Daar kunnen ze verder groeien, zodat wij later de geproduceerde antischimmelproducten kunnen ‘oogsten’. Daar staan we al vrij ver mee.”
Samen met zijn collega Katrien Lagrou doet professor Van Dijck ook veel onderzoek naar biofilmvorming – een groot bijkomend probleem bij schimmelinfecties. “Vandaag worden er in de geneeskunde meer en meer implantaten gebruikt – denk aan knie- en heupprotheses bijvoorbeeld, maar ook aan de talloze katheters die worden ingebracht in het lichaam om vloeistoffen af te voeren of toe te dienen. Dat materiaal is voor candida cellen een ideale ondergrond om zich op vast te hechten en te groeien. Ze produceren daarbij een slijmerige beschermlaag rond de cellen. Die zogenaamde biofilm zorgt ervoor dat de cellen afgeschermd zijn voor het immuunsysteem én onbereikbaar zijn voor antischimmel producten. En uiteindelijk komen er cellen vrij uit die biofilm, om dan elders in het lichaam infecties te gaan veroorzaken.” Men schat dat zo’n 80 procent van de schimmelinfecties afkomstig zijn van een of andere biofilm in het lichaam. “De laatste jaren doen we ook veel onderzoek naar biofilmen die niet alleen schimmels maar ook bacteriën bevatten. Zo komen stafylokokken en Candida albicans vaak samen voor in een biofilm. Het slechte nieuws: ze blijken elkaar dan te versterken, zodat ze nog minder gevoelig worden voor medicatie.” De onderzoekers hebben zelfs aanwijzingen dat de combinatie van stafy lokokken en Candida albicans weleens een dodelijke cocktail zou kunnen zijn. Nog iets wat professor Van Dijck wil uitklaren: “Candida albicans-cellen kunnen groeien op zowat elke plek in het lichaam. Hoe slagen die cellen erin te detecteren in welke omgeving ze zich bevinden, en zich daaraan aan te passen, zodat ze in die heel verschillende milieus weten te overleven? En waarom zitten er überhaupt candida cellen in ons lichaam? Zou het kunnen dat zij ook een – positieve – rol te spelen hebben? We hebben nog voor jaren werk op de plank.” ● (ivh)
Veel onderzoekers die met schimmels bezig zijn, zijn een beetje gefrustreerd door het gebrek aan aandacht voor dit probleem.
63 “De meeste schimmels maken slachtoffers onder mensen met een verzwakt immuunsysteem, zoals hiv-patiënten. Maar er zijn ook schimmels in opmars die gezonde mensen ernstig ziek kunnen maken, en zelfs doden.”
© KU Leuven – Laboratorium voor Klinische Microbiologie
© Michel Smet – AM Lab – KU Leuven
64
65
Blow-up KOPER MET EEN TWIST
Het had een mooie hanger kunnen zijn voor een halsketting of een oorbel, maar het is een stukje van … een warmtewisselaar. Bij zo’n portie techniek denken we niet direct aan organische vormen, maar burgerlijk ingenieur Michel Smet, die een doctoraat maakt over 3D-geprinte warmtewisselaars, helpt ons uit onze onwetendheid. Voor wie bij het woord ‘warmtewisselaar’ niet verder geraakt dan de verwarmingsketel: u zit in de juiste richting. “Een warmtewisselaar is een apparaat dat warmte afvoert. Soms is het doel verwarmen, zoals bij de centrale verwarming. Soms gaat het net om afkoelen: denk aan computerchips die niet oververhit mogen geraken”, legt Smet uit. Zo’n warmtewisselaar zit vol met kanalen: een vloeistof of gas vloeit erdoor, neemt de warmte van het materiaal op, en voert het af. “De vorm van die koelkanalen is belangrijk, want sommige vormen leiden tot een meer efficiënte warmteafvoer. Traditioneel worden de kanalen in het materiaal uitgeboord en krijg je rechte kanalen. Als je 3D-print, kan je meer complexe vormen uitproberen. Met de ‘gyroid’ die je hier ziet, wordt het oppervlak van je vorm drie tot vier maal groter: daardoor is de warmteafvoer beter en de warmtewisselaar lichter.” Dit is 3D-printen voor gevorderden: “Wij werken met metaalpoeders en laserstralen. Je legt een fijne laag metaalpoeder. Vervolgens bestraal je bepaalde delen van het poederbed om ze te verharden. Dat proces herhaal je telkens met een volgende poederlaag.” Smet werkt met koper: “Dat is sterk warmtegeleidend. Maar het smelt moeilijk en het weerkaatst de laserstralen in de 3D-printer. Met de nodige aanpassingen van het printproces en van de machine kunnen we nu voor 99,7 procent puur koper 3D-printen. Na een paar uren printen krijg je een kubusje met ribben van 20 millimeter: als je verschillende van die blokjes stapelt, heb je een heel stevige en toch lichte warmtewisselaar.” (if)
66
CULTURE — The KU Leuven library carillon
A sonic link through the centuries Whether marking the quarter-hour or delivering a summer concert, the library carillon is an unmistakable component of life at KU Leuven and a vital part of the larger carillon culture around the world.
The 63 bells of the library carillon stand stationary as they are sounded by hammers inside the bells.
T
he 63 bells of the KU Leuven carillon sound in turn as Luc Rombouts plays through ‘What a Wonderful World’, the lingering chimes and deeper bongs ringing out over the university and city. Mr Rombouts sits at something resembling a piano keyboard made of horizontal pegs, including a pedal board for playing the deepest bells. It is a feat of engineering that leaves the heart soaring. At the moment, however, there is one over arching concern: “I don’t usually play during exams, it can be disruptive, but we’ll give the students something to hearten them,” says Mr Rombouts, readying his next selection. Hopefully, the students appreciate the music, because if there is one thing we know about the library carillon, it’s that they will be sure to hear it.
A local heritage The carillon (‘beiaard’ in Dutch) was born in what is now Belgium and French Flanders around 500 years ago. Originally there were only four bells; in time, the French word for the number four, quatre, became ‘carillon’. More bells were soon added to the standard set and carillons quickly spread throughout the Low Countries, with the first appearing in Leuven perhaps as early as 1526. The heyday of carillon culture was probably the 18th century, when the university was home to Matthias Vanden Gheyn, the foremost carillonneur in history. Vanden Gheyn is renowned today as the composer of some of the most impressive and beloved pieces in the canon of carillon music. In the archives of the
67
© Andreas Dill
University Library lies a collection of his hand-written music manuscripts, which constitutes the largest such collection in the world.
Music emerges from the ashes Yet the carillon that rings in the library tower today is no ancient relic. The old university library was one of the many buildings in Leuven destroyed during World War I, and the eradication of so much cultural heritage shocked the world. In response, a new library was designed, and 16 American engineering societies donated a carillon to honour American engineers killed in the war. A total of 48 bells were forged in recognition of the 48 American states. The bells’ placement in the new library tower was a fitting symbol of culture restored.
European carillons are an urban affair, still ensconced in church towers and belfries, and deeply woven into the fabric of daily life.
68 The automated tune in the library carillon has not changed since 1928, a shared aural landmark deeply ingrained in the memory of KU Leuven students.
For a time. The music stopped when the library was once again destroyed in World War II. In a stroke of luck, the artillery shells that destroyed the new library punched straight through the bell tower, leaving the structure intact but so weakened that the bells could not play. Fortunately, neither could the German army safely remove the bells and melt them down into war materiel. The carillon remained safe in its tower, seldom used and left in a state of deterioration for decades to come. Eventually an American carillonneur named Margo Halsted visited Leuven and learned of the pitiable condition of the bells. Ms Halsted raised funds for restoration, and in 1983 she delivered in remarkable fashion: not only were the bells restored to playing condition, the set was expanded to its current number of 63, at the time the largest set in Europe.
A sound that circles the globe
© Andreas Dill
Today, carillon culture has spread far beyond its Flemish homeland to become a global institution. Given the origins of KU Leuven’s library carillon, it should come as no surprise that the major centre of that culture outside Europe is the United States, although differences have cropped up in style and implementation over the last century. European carillons are an urban affair, still ensconced in church towers and belfries, and deeply woven into the fabric of daily life. In the United States, carillons are installed in memorials and universities, lending concerts a green and bucolic reputation.
High in the library tower, carillonneur Luc Rombouts plays by bringing his whole hand down on the wooden pegs of the keyboard.
The playing mechanism has also diverged based on geography. European-style keyboards, for instance, differ from those in North America in the details of their construction, such as an expanded pedal board. In their use, American carillons are generally designed as solo artistic instruments, rarely equipped with automated playing devices. In Europe, carillons are traditionally connected to a tower clock and have thus been designed to play automatically at set times. Modern automated systems are often directed by computer MIDI files, although some European caril lons still use a large rotating metal drum with remove able pins that activate levers leading to hammers in the bells. It is, essentially, a large music box, and the pins have to be pulled out by hand and reset to change the tune. Careful listeners may note that the pins in the library carillon are fixed in place;
© KU Leuven – RS
—
The statue of Matthias Vanden Gheyn (left) on Leuven City Hall is testament to his stature in the annals of carillon history.
Today, carillon culture has spread far beyond its Flemish homeland to become a global institution.
the automated tune that sounds every 15 minutes has not changed since 1928, a shared aural landmark deeply ingrained in the memory of KU Leuven students. Yet despite the differences, it is the similarities that tie carillonneurs together into a larger culture. In 2021, KU Leuven’s carillonneur Luc Rombouts assisted in the restoration of the Netherlands Carillon near Arlington National Cemetery outside Washington D.C., originally a gift from the Netherlands to the US following World War II. Part of that restoration entailed switching out the original European-style keyboard for an American version more accommodating to local American carillonneurs. That same year, he arranged for carillonneurs around the world, from Leuven to New Zealand, to play 300 melodies from the Matthias Vanden Gheyn carillon book to mark the 300th anniversary of the composer’s birth.
A lasting legacy No matter how far carillon culture spreads, it remains alive and well in Leuven, with five different carillons within the city, including a second KU Leuven set at the Groot Begijnhof. And so when Luc Rombouts gives one of his many recitals, the musical serenade is enjoyed by any scholars and townsfolk within earshot. Mr Rombouts is a carillon scholar himself, officially affiliated with the Royal Carillon School in Mechelen, although he is attached to KU Leuven to play and train future carillonneurs. It is as a teacher, then, that he makes his next selection, the tune intended to cheer the students during exams. Five hundred years of history echo forth as Mr Rombouts launches into his rendition of ‘Always Look on the Bright Side of Life’. ● (gp)
70
ONDERWIJS — Professor Liesbet Heyvaert schreef mee aan het Leesoffensief
Boeken open of … boeken toe
© KU Leuven – RS
Erasmus kocht liever boeken dan kleren, Borges zag de hemel als een bibliotheek, en Stephen King noemt romans ‘draagbare magie’. Helaas is niet iedereen het met hen eens. Steeds minder kinderen zijn boekenwurmen, het leesniveau daalt gestaag, en één op vijf vijftienjarigen heeft moeite met het lezen van een bijsluiter. De Vlaamse Regering ziet de ernst van de situatie in en pakt uit met een heus Leesoffensief. Professor Liesbet Heyvaert zat mee aan de ontwerptafel.
71
“Leesplezier wakker je beter al zo vroeg mogelijk aan. Een peuter die bij opa op schoot zit met een knisperboekje leert dat lezen gezellig is.”
H
et Leesoffensief is een lijvig document met 38 doelen en vijftig concrete acties, waarmee Vlaanderen het leesniveau van leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs wil opkrikken. Om dat alles te financieren trekt de regering de komende jaren miljoenen uit. “Niet alleen willen we de dalende leesvaardigheid aanpakken, we willen jong en oud ook weer meer aan het lezen krijgen”, zegt Liesbet Heyvaert, decaan van de Faculteit Letteren en voorzitter van de expertengroep die het plan uittekende. “In het verleden waren er goede initiatieven, maar de aanpak was te versnipperd. Nu stemmen we alle acties beter op elkaar af en bieden we een overkoepelend plan dat de hele maatschappij wil betrekken. Daarbij zetten we in op onderzoek en kunnen we rekenen op experts uit verschillende hoeken, gaande van het onderwijs tot het jeugdwerk en de bibliotheeken letterensector.”
Diep lezen Dat zo’n offensief geen overbodige luxe is, blijkt uit de leesvaardigheidscijfers van de laatste jaren. In de inter nationale PIRLS-ranking van 2016 – die peilt naar het niveau van begrijpend lezen bij kinderen in het vierde leerjaar – zakten we op tien jaar tijd van de achtste naar de 32ste plaats, wat van Vlaanderen de grootste Europese daler maakt. Een herhalingsmeting uit 2018 toonde aan dat tienjarigen twee jaar nodig hebben om hun achter stand in te halen op leeftijdsgenoten uit de best preste rende landen. In het middelbaar zien we soortgelijke problemen. Uit het meest recente PISA-onderzoek van 2019 – dat de lees vaardigheid bij 15-jarigen test – blijkt zelfs dat één op vijf
scholieren in het middelbaar het minimale leesniveau niet haalt. “Dat betekent dat ze niet optimaal kunnen functio neren in de samenleving”, zegt Heyvaert. “Hun leesvaar digheid is te zwak om pakweg een bijsluiter, een contract of een uitnodiging voor een coronavaccin te begrijpen.” Ook met het leesplezier van vijftienjarigen en hun houding tegenover lezen is het slecht gesteld. Maar liefst de helft beschouwt lezen als tijdverlies. 60% leest enkel om informatie te verkrijgen of omdat het moet, en slechts 17% geeft aan graag te lezen. Enigszins vreemd, want je zou kunnen stellen dat we als maatschappij meer lezen dan ooit. Online worden we zelfs voortdurend bestookt met leesvoer, via newsfeeds, socialemediaposts of korte berichten op de smartphone. “Dat klopt, maar tegelijk lezen we minder vaak langere teksten of boeken”, zegt Heyvaert. “Je moet uiteraard technisch goed kunnen lezen, maar soms moet je ook in staat zijn om te vertragen, iets heel grondig te lezen en je kritisch op te stellen. Dat is belangrijk, bijvoorbeeld om je weg te vinden in dat gigantische digitale aanbod, je eigen mening te vormen en fake news te herkennen. ‘Diep lezen’ heet dat, en dat doe of leer je bijvoorbeeld als je literatuur leest, anders dan bij die korte online berichtjes.”
Oorzaken? Digitalisering is een mogelijke oorzaak voor de dalende leesvaardigheid, maar het kan uiteraard lang niet de enige zijn, want ook landen waar het leesniveau wél op peil is hebben daarmee te maken. “We moeten ook kijken naar het onderwijs. Tussen 2006 en 2016 zijn we veertig procent minder tijd gaan spenderen aan lees onderricht in de lagere school. Dat gaat om leren lezen
72
© Shutterstock
“Op tien jaar tijd zijn we veertig procent minder tijd gaan spenderen aan leesonderricht in de lagere school. Dat heeft natuurlijk gevolgen.”
en begrijpend lezen, maar evengoed om voorlezen aan leerlingen of hen vertrouwd maken met kinderboeken. Dat heeft gevolgen, zeker omdat het onderwijs een belangrijke hefboomfunctie vervult om kinderen aan het lezen te krijgen én te houden.” Het Leesoffensief bundelt enkele initiatieven om van scholen ‘krachtige leesomgevingen’ te maken. “Denk aan het aanreiken van didactisch materiaal waarmee leer krachten leesonderwijs kunnen geven op maat van specifieke doelgroepen, en aan leermaterialen die beter aansluiten bij de op onderzoek gebaseerde leesdidactiek. Of aan het ontwikkelen van toetsen waarmee je het niveau van begrijpend lezen van leerlingen beter kan opvolgen.” Een ander initiatief is de ‘leesscan’. “Dat is een reflectietool waarmee schoolteams meer inzicht kunnen verwerven
in hoe een kwalitatieve leesomgeving eruitziet en over welke competenties leerkrachten moeten beschikken”, zegt Heyvaert. “Met die kennis kan je het leesbeleid op school verbeteren. De verantwoordelijkheid ligt immers niet enkel bij de individuele leerkracht. De hele school moet ‘mee’ zijn.” Het Leesoffensief richt zich ook op de lerarenoplei dingen. “Uit onderzoek blijkt dat de jongere generatie leerkrachten steeds minder graag en vaak leest. Dat bemoeilijkt natuurlijk hun rol als leespromotor. Een probleem dat we al binnen de lerarenopleiding moeten aanpakken. Door studenten de juiste professio nele kennis bij te brengen, zoals we nu al doen, en door ook van de lerarenopleiding een krachtige leesomgeving te maken, waar veel wordt gelezen en bibliotheekbezoek vanzelfsprekend is. En door de boodschap te geven dat
73
lezen een essentieel onderdeel is van hun toekomstige job. Dat geldt – uiteraard – voor leerkrachten Neder lands, maar bij uitbreiding voor élke leerkracht.”
Van in de wieg Niet enkel leerkrachten of scholen, ook (groot)ouders, hulpverleners of scoutsleiders worden aangemoedigd om lezen bij de allerjongsten te bevorderen. “Dat kan op tal van manieren”, zegt Heyvaert: "Door als ouder ver haaltjes te vertellen aan je kinderen, bijvoorbeeld. Door boeken bereikbaar te maken en knusse leeshoekjes in te richten op school, in de bib of bij de jeugdbeweging. Door in te zetten op betere samenwerking tussen scholen en bibliotheken. Of door als vrijwilliger te gaan voorlezen. Al die zaken bestaan vandaag al, maar je moet ze consistent uitrollen over heel Vlaanderen.”
“Eén op vijf scholieren in het middelbaar haalt het minimale leesniveau niet. Hun leesvaardigheid is te zwak om een bijsluiter of een contract te begrijpen.”
74
© Robin Utrecht / Royals By Robin / BelgaImage
—
Het Leesoffensief moedigt iedereen aan om lezen bij de allerjongsten te bevorderen. Koningin Mathilde gaf al meermaals het goede voorbeeld tijdens de Voorleesweken van Iedereen Leest.
De grote uitdaging is om kinderen van in de wieg vertrouwd te maken met lezen, zegt Heyvaert. “Een kind dat nog niet praat pikt wel al woorden op, en het leren herkennen van klanken is belangrijk als voorbereiding op lezen. Beseffen dat het woordje ‘pot’ verschilt van ‘bot’, en dat het door zo’n klein klankverschil iets helemaal anders betekent. Die inzichten moet je kinderen al van in de kleuterklas bijbrengen. En ook leesplezier wakker je beter al zo vroeg mogelijk aan. Een peuter die bij opa op schoot zit met een voel- of knisperboekje leert bijvoor beeld dat een boek iets gezelligs is, ook al gaat het dan nog niet echt om ‘lezen’.” Al even uitdagend is het om kinderen en jongeren te bereiken die vandaag helemaal niét lezen. “Daarvoor zetten we bijvoorbeeld in op auteurslezingen. In het verleden hebben we een aantal pilootprojecten gehad waarbij schrijvers in tso- en bso-scholen kwamen voor lezen uit hun werk of als ‘resident’ aan een project werkten met de leerlingen. Zo’n kennismaking met een auteur doet wonderen voor hun leesmotivatie. En ook leerlingen zélf aanzetten tot creatief schrijven – poëzie, proza, liedjesteksten – helpt om hun interesse voor litera tuur aan te wakkeren.”
Ambitie Naast al die initiatieven wordt er een brede promotie campagne voor lezen op poten gezet, naar analogie met de STEM-campagnes, en komt er een Leesfonds dat de verschillende leesacties kan financieren. “We kijken naar de lange termijn. Voortaan mikken we op programma’s van minimaal drie jaar en werken we met doelstellingen die negen jaar vooruit kijken. Daarbij komen uiteraard ook tussentijdse evaluaties, om onze aanpak beter te monitoren.”
“De jongere generatie leerkrachten leest steeds minder graag en vaak, wat hun rol als leespromotor bemoeilijkt. Dat moeten we al binnen de lerarenopleiding aanpakken.”
De ambities van het Leesoffensief zijn torenhoog, maar dat moet ook, besluit Heyvaert. “De bedoeling is dat we op het vlak van leesvaardigheid weer bij de top tien zitten tegen 2030. Idealiter zelfs bij de top drie. We putten hoop uit het voorbeeld van Ierland, dat een gelijkaardig probleem kende en dankzij een soortgelijk plan al na vijf jaar betere resultaten kon voorleggen. Maar bovenal hopen we dat we met het offensief meer mensen aan het lezen krijgen, zowel kinderen als volwassenen. Lezen is iets voor het leven.” ● (pjb)
KORTVERHAAL — Writer in residence Annelies Verbeke
Bandoneon
© Shutterstock
Annelies Verbeke is een academiejaar lang ‘writer in residence’ aan KU Leuven. Speciaal voor Sonar schreef ze een tweeluik, waarvan u hier het tweede deel kan lezen.
75
76
S
andrina Van Doren stoot haar scheenbeen aan de pedaal van haar fiets als ze die in haar smalle gang parkeert. Dat gebeurt minstens een keer per week en altijd vloekt ze dan, maar vandaag niet, vandaag zijn er meteen tranen, ze laat ze niet los. Het ligt aan haar, ze is te breed geworden voor een fiets in een smalle gang in een minuscuul huis. Sinds Alain zeven jaar geleden van haar wegging – zo saai dat ze dat verdriet inmiddels vindt! – is ze steeds meer beginnen te eten en onlangs begreep ze waarom: omdat ze voelde dat ze verdween en om dat verdwijnen in te halen moest ze zorgen dat er meer van haar kwam, meer Sandrina Van Doren. Haar woonst was natuurlijk niet meegegroeid. De moeder van Sandrina Van Doren was een Italiaanse die haar eerste man, een mijnwerker, jong verloor en toen met Sandrina’s vader hertrouwde en vier kinderen kreeg. Sandrina had graag als haar moeder geheten: Piazzolla. Al heel lang kan ze zich niet van de indruk ontdoen dat alles beter voor haar zou zijn uitgedraaid mocht ze die naam hebben gekregen. Met Alain was ze in Genua geweest, waar voorouders van Sandrina met een kartonnen koffer de boot naar Amerika hadden genomen. En Alain en zij hadden er een tentoonstelling bezocht over die migratie en in een ander museum schilderijen van Vlaamse meesters gezien, die in Italië hadden gewoond, en bij het buitenkomen hadden ze een bandoneonspeler gehoord die Adiós Nonino van Piazzolla speelde en toen pas begreep Sandrina dat de voorouders van haar favoriete Argentijn ook Italiaanse migranten waren natuurlijk en ze kon
naderhand maar niet snappen dat ze daar nooit eerder bij stil had gestaan en dat haar moeder daar nooit over had gesproken. De klanken zwollen toen in haar op en ze vond het het mooiste wat ze ooit had beleefd: dat het lied thuis was gekomen en dat zij daarbij was, dat zij en Piazzolla daar thuis gekomen waren, een lied lang. In hun hotelkamer had ze het opgezocht op de laptop van Alain en Piazzolla had Adiós Nonino, dat ‘Vaarwel Opa’ betekent, gecomponeerd vlak nadat hij had vernomen dat zijn vader was overleden. En nog maar net had ze dat ontroerd en hardop van het scherm afgelezen en toen was er telefoon van thuis en bleek haar eigen vader te zijn overleden, een hartaanval. Hoe dat zo schrijnend klopte – ze zag het ook in de verblufte blik van Alain – hoe dat een verhaal was en dat ze het van bij die eerste klanken had geweten, toch dat er iets overrompelends stond te gebeuren, aan het gebeuren was. En sindsdien denkt ze dat er geen ontkomen aan is, aan het leven, dat het allemaal vaststaat van bij het begin, dat het niet uitmaakt waarheen of waarin je vlucht, en dat het dus ook een nachtmerrie kan blijven waaraan je enkel via de dood ontsnapt. Haar moeder, haar broers en haar zus hadden het niet gepast gevonden Adiós Nonino op de begrafenis van haar vader te spelen, omdat het niet over Sandrina ging, maar over hem. En Sandrina had lang en tevergeefs aangedrongen, en na de begra fenis had ze met haar familie gebroken, alleen haar moeder zag ze nog, maar niet veel en altijd met schuldige gedachten die in de dagen daarna in woede omsloegen. En ook dat had al vastgelegen, ook dat had ze altijd voorvoeld.
En sindsdien denkt ze dat er geen ontkomen aan is, aan het leven, dat het allemaal vaststaat van bij het begin, dat het niet uitmaakt
77
En het is niet dat Sandrina aan dat alles nog voort durend terugdenkt, nog maar twee, drie keer per dag tegenwoordig zelfs. En ze vindt het merkwaar dig dat de herinneringen zich nu vermengen met iets anders, iets dat zweeft en stijgt, dat ze denkt aan Juliette, die, toen Sandrina vanochtend voor de zoveelste keer haar been kwam verzorgen, vertelde dat ze ook een verpleegster was geweest, en dat had Sandrina nu eens niet voorvoeld, dat was een verrassing geweest. Hoe lang verzorgt ze Juliette nu al, een jaar of vier? En het was zo’n dametje, voelde zich te veel voor een beleefde babbel, dacht Sandrina altijd, en nu komt ze daarmee. Met dat ze altijd thuiskwam met het gevoel dat ze naar kak en pis rook. Sandrina moet hardop lachen bij de herin nering aan de koddige manier waarop Juliette het had gezegd, de herkenning, en ze schrikt daarvan, het lijkt wel geen lach van haarzelf, zo lief, helder en standvastig, ze schrikt er zo hard van dat het is alsof ze ontwaakt. En daarna weet ze niet goed wat ze moet doen. Dus gaat ze de pasta van gisteren opwarmen en trekt ze haar schoenen uit terwijl ze wacht. Ze heeft in feite de tijd om al haar kleren uit te trekken en een jogging aan te schieten, bij de ping is ze klaar, de jogging ruikt naar waspoeder, Sandrina begraaft haar neus in de mouw en snuift. Ze gaat aan de tafel zitten en eet de hele kom leeg – pasta is de tweede dag altijd beter – en dan is het stil.
verwachten was en dat het zo moest zijn, dat inge willigde verlangens haar niet zijn gegund – vindt ze hem toch. En ze bedenkt dat ze zijn muziek op internet ook had kunnen vinden, al die jaren. Maar ze luistert naar de cd, van bij het begin, ze stelt zich voor dat ze tango kan dansen en naar Argentinië reist met een boot. En Adiós Nonino begint anders dan ze het zich herinnerde, maar ze herkent het toch meteen en het is als een verhaal, Sandrina stelt zich voor hoe ze aan Juliette vertelt over wanneer ze de bandoneon dit hoorde spelen en wat er toen gebeurde en hoe Juliette bezorgd naar de blauwe plek op haar scheenbeen wijst en dat ze dan naast elkaar zitten, hier op de bank, en dat Sandrina haar been in de schoot van Juliette legt en dat die dat niet vreemd vindt en voorzichtig een zalfje over de blauwe plek wrijft en hoe dat de pijn onmiddellijk verzacht. En Piazzolla eindigt kabbelend, alsof hij niet wil stoppen en Sandrina Van Doren gaat rechtop zitten en dan staan en weet ook wel dat ze er niet te veel naar moet verlangen of van verwachten, maar spijt heeft ze niet. ●
Ze zoekt de cd van Astor Piazzolla waar ze al jaren niet meer naar heeft willen luisteren. Als ze het zoeken bijna wil opgeven – met het gevoel dat het te
waarheen of waarin je vlucht, en dat het dus ook een nachtmerrie kan blijven waaraan je enkel via de dood ontsnapt.
78
ZES EEUWEN KU LEUVEN — Adrianus VI
Adrianus VI, de prof die paus werd Vijfhonderd jaar geleden ging de pauselijke tiara naar een professor uit Leuven. Adrianus VI begon zijn carrière aan onze universiteit, groeide uit tot een internationaal geroemd academicus, en werd later staatsman aan de zijde van keizer Karel V. Als paus moest hij opboksen tegen Romeinse spotternij, verwaande kardinalen en een lasterende Maarten Luther. Onder Michelangelo’s plafond 1521, Rome. schildering in de Sixtijnse kapel zitten
enkele kardinalen met de handen in het haar. Er moet in allerijl een opvolger worden gezocht voor de onverwachts overleden paus Leo X. De sfeer is grimmig, het volk wordt onrustig en de Heilige Geest laat op zich wachten … De kardinalen zijn verdeeld in twee kampen. De Spaans- of keizergezinde geestelijken willen geen Fransgezinde paus, de Fransgezinde geen Spaans- of keizergezinde.
Na een jaar stelt men een compromisfiguur voor, iemand die niet op het conclaaf aanwezig is. Adrianus van Utrecht, volgens één van de kardinalen ‘een verdienste lijk man die de reputatie geniet als een heilige te leven.’ De kardinalen stemmen in met de keuze, maar daarna rijzen er toch twijfels. Noch de inwoners van Rome, noch de kardinalen kennen deze vreemde uit het Noorden. Wat voor iemand is hij?
Veertig jaar Leuven Adrianus wordt op 2 maart 1459 geboren in Utrecht. De schrijnwerkerszoon laat zich al vroeg opmerken door zijn intelligentie, en trekt in 1476 naar de universiteit in Leuven. Daar zal hij meer dan veertig jaar blijven – de gelukkigste jaren uit zijn loopbaan. De Artes, een verplichte vooropleiding, rondt hij af als primus van zijn jaar. Daarna kiest hij voor theologie, de opleiding met het zwaarste programma, waarvoor hij verhuist naar het Groot Heilige Geestcollege. Na die twaalfjarige studie te hebben voltooid, wordt Adrianus doctor en nadien ook professor theologie. Margaretha van York, de weduwe van Karel de Stoute, betaalt zijn
doctoraatsplechtigheid, omdat ze onder de indruk is van de veelbelovende academicus. Terecht, want Adrianus zal de belangrijkste Leuvense theoloog van zijn tijd worden. Van heinde en verre komt men hem om raad vragen over theologische kwesties, en ook binnen het universiteitsbestuur werkt hij zich op. Zoals gebruikelijk gaat dat gepaard met verschillende kerkelijke ambten, waarmee professoren hun lonen aanvulden. Adrianus is onder meer kanunnik van de Sint-Pieterskerk en kapelaan van het Groot Begijnhof. Hij wordt ook tweemaal aangesteld tot rector, toentertijd een functie voor een half jaar. In 1497 – slechts zeven jaar na zijn aanstelling als hoog leraar – staat hij aan de top. Hij wordt deken van de Sint-Pieterskerk en vicekanselier van de universiteit. Zo krijgt hij het recht om academische graden toe te kennen en is hij nauw betrokken bij het universiteits bestuur. Hij wordt ook de hoogste geestelijke van de stad. Een functie niet zonder gevaar, zo blijkt. Wanneer Adrianus een Leuvense kanunnik die een verhouding heeft, aanmaant om daaraan een eind te maken, moet hij dat bijna met zijn leven bekopen. De kanunnik – of diens maîtresse – probeert hem te vergiftigen. Adrianus wordt op het nippertje gered door zijn heelmeester.
In het spoor van de keizer Vanwege zijn bestuursfunctie als deken, zijn intelligentie en zijn integere persoonlijkheid wordt Adrianus opge merkt door Margaretha van Oostenrijk. In 1507 stelt ze hem aan als leermeester van Karel V, de latere keizer van het Heilige Roomse Rijk. Adrianus geeft de zevenjarige Karel lessen Latijn en godsdienst, en houdt er een levenslange vertrouwensband aan over.
79
© KU Leuven – Universiteitsarchief
Portret van paus Adrianus VI, door Jan van Scorel
80 —
Adrianus laat zijn huis aan het Hogeschoolplein na aan de universiteit, om er arme studenten te huisvesten. Het Pauscollege is tot op vandaag een studentenresidentie.
© KU Leuven – Universiteitsarchief
Foto: Anno 1909 trekt de stoet der togati door een feestelijk aangekleed Pauscollege naar de Grote Aula in het Maria-Theresiacollege voor de viering van de 75ste verjaardag van de heroprichting van de Leuvense universiteit.
Al in 1512 benoemt Karel zijn oud-leraar tot raadsheer en drie jaar later stuurt hij hem op politieke missie naar Spanje. Het doel? Koning Ferdi nand II ervan overtuigen om Karel en niét diens jongere broer aan te duiden als troonopvolger van de Spaanse kroon. Adrianus slaagt in zijn opzet, maar draagt daar de gevolgen van. Hij zal nooit meer terugkeren naar zijn geliefde Leuven. Karel wordt koning van Spanje, maar in de praktijk leidt Adrianus de regering. Dat doet hij aanvankelijk samen met kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros – een vertrouweling van de voormalige koning.
Om een tegenwicht te kunnen bieden aan die doorge winterde staatsman, zorgt Karel ervoor dat Adrianus in sneltempo de kerkelijke – en dus politieke – ladder kan beklimmen. In twee jaar tijd wordt hij bisschop, grootinquisiteur én kardinaal. En dan vertrekt Karel. Wanneer keizer Maximiliaan sterft, wordt hij benoemd tot diens opvolger. Adrianus blijft eenzaam achter in Spanje, waar hij als regent belast wordt met het bestuur en te maken krijgt met een opstand van de Spaanse steden, die hem weigeren te erkennen. De komende jaren zal Adrianus meermaals om zijn ontslag vragen, maar Karel negeert dat.
Weifelende barbaar
Adrianus VI is de eerste paus die fouten in de Kerk erkent. Pas vijf eeuwen later, bij paus JohannesPaulus II, gebeurt het opnieuw.
Wanneer Adrianus in 1522 het bericht krijgt dat hij tot paus is verkozen, kan hij het zelf niet geloven. Bovendien heeft hij andere zaken aan zijn hoofd: hij moet onder meer een aanval van de Fransen zien af te slaan. Adrianus aarzelt, maar aanvaardt toch. Hij vreest een schisma in de kerk en al bij al is zijn benoeming ‘de beslissing van God’. Eind augustus arriveert hij in Rome, waar de bevolking wordt geteisterd door de zoveelste pestepidemie. De kardinalen, die in dergelijke tijden hun buitenverblijf op het platteland opzoeken, proberen zijn kroning uit te stellen, maar Adrianus weigert. Op 31 augustus, een snikhete dag, wordt hij gekroond in de Sint-Pieters basiliek, in aanwezigheid van – zo vermoeden we – enkele grumpy kardinalen.
81 Adrianus treft in Rome een lege schatkist aan. Het gevolg van de spilzucht van zijn voorganger Leo X, wiens pontificaat één groot feest was geweest. Leo organiseerde plechtigheden, ging zich te buiten aan extravagante drink- en eetgelagen, en gaf gigantische sommen uit aan kunstwerken. Adrianus moet bezuini gen en wil komaf maken met de excessen in de kerk. Iets wat hem door de kardinalen en door de bevolking – die gewend was geraakt aan de vele feesten – niet in dank wordt afgenomen. De inwoners van Rome staan sowieso wantrouwig tegenover Adrianus, die geen Italiaan is maar ‘een barbaar uit het Noorden’. Op de Pasquino, een stand beeld waarop satirische teksten werden aangebracht, verschijnen tal van spotschriften. Men hekelt onder meer de weifelende houding van de paus. De voormalige academicus wil over elke beslissing goed nadenken. Zijn uitspraak ‘videbimus’ – we zullen zien – wordt al snel grappend gebruikt. © Rijksmuseum Amsterdam
Luther Toch is Adrianus zijn tijd vooruit. Als eerste probeert hij een antwoord te bieden op Maarten Luther, die de misstanden in de Kerk aanklaagt en wiens visie op dat moment steeds meer bijval oogst. In zijn ‘instructio’ uit 1522 veroordeelt Adrianus Luthers stellingen, maar hij geeft toe dat er één en ander verkeerd is gelopen en dat er hervormingen nodig zijn.
—
Tekening van Adrianus’ grafmonument in de Santa Maria dell’Anima in Rome.
Het is te laat om een breuk te voorkomen, maar het is de eerste maal in de geschiedenis dat een paus fouten in de Kerk erkent. Pas vijf eeuwen later, onder het pontificaat van paus Johannes Paulus II, zal het opnieuw gebeuren. Luther zelf is niet onder de indruk. Hij noemt Adrianus ‘een magister noster van Leuven, waar zelfs ezels de kans hebben om het doctoraat te verwerven’. Ook met Adrianus’ hervormingen loopt het niet zoals gehoopt. Zijn hofhouding bestaat voornamelijk uit Brabanders die net zomin thuis zijn in de Romeinse administratie als hijzelf, waardoor alles trager loopt dan zou moeten. Adrianus is ook weinig tijd gegund. Anderhalf jaar na zijn aanstelling wordt hij ziek en op 14 september 1523 overlijdt hij in Rome.
Pauscollege In zijn testament besteedt Adrianus speciale aandacht aan Leuven. Hij schenkt zijn huis, gelegen aan het Hoge schoolplein, aan de universiteit, om er arme studenten te huisvesten. Het Pauscollege is tot op vandaag een studentenresidentie en Adrianus’ wapenschild prijkt nog steeds boven de toegangspoort. Naar aanleiding van het ‘Adrianusjaar’ 2022 vinden in België, Nederland en Rome verschillende lezingen en tentoonstellingen plaats. Ook het Pauscollege wordt de komende jaren in de bloemetjes gezet: het gebouw werd grondig gerenoveerd en in 2023 wordt het vijfhonderd jarig bestaan gevierd. ● (pjb)
De Romeinen wantrouwen Adrianus, die geen Italiaan is maar ‘een barbaar uit het Noorden’. Er verschijnen tal van spotschriften.
82 Een greep uit de onderzoeksverhalen op kuleuven.be/stories.
© Shutterstock
Online
Eén op vijf vrouwen van zestig zal ooit dement worden. Voor mannen is dat één op zeven. Dementie is kortom goed op weg om ‘volksziekte nummer één’ te worden. Meer dan 200.000 Belgen lijden eraan, en dat zijn lang niet enkel ouderen. Neuroloog Rik Vandenberghe legt uit welke aandoeningen aan dementie ten grondslag liggen, welke symptomen alarmerend zijn en wat de wetenschap én uzelf kunnen doen om dementie op afstand te houden.
02 Poeders en laserstralen
© KU Leuven – RS
01 Volksziekte nummer één
In de labs van de onderzoeksgroep Additive Manu facturing van het Departement Werktuigkunde vind je een heel machinepark 3D-printers: geen kleine doe-het-zelf-3D-printers, maar wel bakbeesten van enkele kubieke meter groot. Deze professionele machines printen metalen, zoals staal, koper of titanium. Om implantaten op maat te maken, of onderdelen voor de lucht- en ruimtevaartsector. De ingenieurs testen uit welke grenzen ze nog kunnen verleggen.
“Als een tolk Nederlands – Vlaamse Gebarentaal (VGT) beslist om een bepaald woord niet letterlijk te tolken maar wel te omschrijven, dan zegt dat soms iets over hoe hij of zij naar dove mensen kijkt.” Isabelle Heyerick zocht uit welke taalkundige keuzes tolken maken als ze een Nederlandse tekst simultaan tolken naar VGT en waarom. Haar onderzoek aan de Facul teit Letteren Campus Antwerpen is het allere erste doctoraatsonderzoek over tolken Nederlands – VGT.
© KU Leuven — RS
03 Van woord naar gebaar
Misschien is het wel een goed idee het staatsburger schap verplicht te maken voor al wie hier verblijft, in plaats van het exclusief te houden? Kwestie van iedereen mee te krijgen in het verhaal van de natie. En is het wel rechtvaardig om afgewezen asielzoekers vele jaren na hun aanvraag nog het land uit te wijzen? Politiek filosofen Eszter Kollar en Helder De Schutter zoeken prikkelende antwoorden op netelige vragen rond migratie en rechtvaardigheid.
© Michael De Lausnay
04 Welke rechten voor migranten?
Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.
Werkten mee aan dit nummer
Annelies Verbeke Hoofdredactie
Lise Detobel Isabelle Van Geet
Met dank aan
Marc Nelissen (Universiteitsarchief) Michiel Verweij
Redactie en beeldredactie
Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen
Contact
Fotografie
Vormgeving
Rob Stevens, coverfoto © Shutterstock
Altera
Freelancer
Druk
Gaston Kooijmans
Van der Poorten
Sonar@kuleuven.be Abonnement
U kunt een abonnement nemen op Sonar op kuleuven.be/stories.
Nr 6 – mei 2022
KULEUVEN.BE/STORIES Sonar
KU Leuven-magazine
Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Oude Markt 13, 3000 Leuven
Sonar Nr 6 – mei 2022
Speuren naar schimmels En ander broodnodig onderzoek
KU Leuven-magazine
KU Leuven. Inspiring the Outstanding.