Skip to main content

KU Leuven Magazine Sonar n°5 - Jan 2022

Page 1

Sonar Nr 5 – januari 2022

KU Leuven-magazine

Ons brein bekent kleur Het rijke palet van onze eredoctores


kuleuven @KU_Leuven kuleuven

KULEUVEN.BE/STORIES


3

Edito — Luc Sels Rector KU Leuven

D

at een universiteit universeel wil zijn, spreekt voor zich. Wetenschap kent geen kleur of gender, kennis heeft geen vlag of volkslied. Zij worden bedreven en vergaard in onderzoekscentra en laboratoria door uitzonderlijke wetenschappers, uit de vier windstreken, die vanuit het bestaande nieuwe inzichten verwerven. Hoe divers ook, de eredoctores die wij op 2 februari huldigen tijdens ons Patroonsfeest hebben dit gemeen: zij beschikken over een uitzonderlijk brein. Wie zich intensief buigt over dat menselijk brein, is Nancy Kanwisher, een Amerikaans cognitief psycholoog en neurowetenschapper. Zij begreep als een van de eersten dat het meten van hersenactiviteit uitzonderlijk inzicht kan bieden in de menselijke geest. Zo identificeerde zij de ‘fusiform face area’, een regio die actief wordt bij gezichtsherkenning. Kanwisher is hoogleraar aan MIT en runt er haar eigen lab. Haar onderzoek werd vele malen bekroond. Ook in het onderzoek van de Deen Philippe Grandjean gaat aandacht naar het brein. Hij bestudeert de impact van giftige industriële stoffen op de hersenontwikkeling, het immuunsysteem en de stofwisseling. Zijn studies inspireerden de VN tot het Minamataverdrag over kwikvervuiling en leidden tot nieuwe blootstellings­ normen binnen de EU. Philippe Grandjean werd als eredoctor voorgedragen door de KU Leuven-studenten. De Franse kinderarts en immunoloog Jean-Laurent Casanova onderzoekt aangeboren stoornissen in ons afweersysteem. Waarom worden sommige kinderen zwaar ziek van een infectie en andere niet? Casanova ontdekte dat een variant in één gen daar verantwoordelijk voor kan zijn. Zijn lab vond genetische fouten voor meer dan twintig infectieziekten, waaronder infecties van de hersenen, tuberculose en COVID-19. Vandaag kunnen twintig procent van de ernstige COVID-gevallen genetisch of immunologisch verklaard worden door Casanova’s onderzoek. Waar in de hersenen huist het ruimtelijk gevoel? Bij de Ierse architecten Yvonne Farrell en Shelley McNamara zijn de betrokken hersengebieden alleszins buitengewoon ontwikkeld. Zij creëren naar eigen zeggen geen objecten, maar ruimtes. Ruimtes die nieuw zijn, maar die tegelijk de omgeving respecteren en de geschiedenis eren. Hun visionaire gebouwen staan in thuisland Ierland, maar onder meer ook in Parijs, Lima en Milaan. Farrell en McNamara ontvingen in 2020 de hoog aan­geschreven Pritzker Prize. Hun gebouwen zijn ‘goede buren’, die ertoe bijdragen dat een stad beter functioneert, aldus de jury. Theoretisch natuurkundigen van het gehalte van Einstein en Hawking zijn zeldzaam. In dat rijtje uitzonderlijk begaafde wetenschappers hoort ook de Argentijn Juan Martín Maldacena thuis, naast onze eigen George Lemaître, en de Nederlandse Robbert Dijkgraaf, die we pas nog mochten ontvangen bij de inhuldiging van het KU Leuven Institute for Advanced Study (LIAS). Theoretisch fysicus en kosmoloog Maldacena beschrijft het universum als zowel een hologram als een projectie daarvan. Zijn baanbrekende paper uit 1997 was een echte doorbraak in de zoektocht naar de zwarte doos van de kosmos en het is tot op vandaag één van de meest geciteerde publicaties uit de hele natuurkunde. Maldacena legt een link tussen de relativiteitstheorie en de kwantummechanica – mogelijk een stap naar een ‘theorie van alles’. Zo verduidelijkt dit uitzonderlijke gezelschap van knappe koppen weer eens waar wetenschap voor staat, wat onze bijdrage is in de maatschappij. Soms gaat het erom praktische oplossingen te bieden waar de wereld beter van wordt. Soms proberen we diepgaande kennis op te bouwen, zoeken we een weg zonder te weten waar die heen leidt. Wetenschap schildert met alle kleuren van ons brein. Dat zetten we ook in deze nieuwe Sonar graag in de verf.

© Emy Elleboog

Luc Sels


4

FOTOAKOESTIEK

Luisteren met licht en kijken met geluid

50 200 JAAR ‘BOTANIEKEN HOF’

Kruidtuin vergaat niet

Opvoeden onder druk

78

22 En verder Wetenschat Musiceren is topsport 6 – Blow-up Slimme neusjes 14 – Speeddate Rachida Aghallaj 34 Droomjob School maken 42 – Trismegistos De kenniskist van de oudheid 54 – Alumna Isabeau Sas Woorden bij de wijn 60 Cultuur Kunsthistorica Barbara Baert 70 – Kortverhaal van writer in residence Annelies Verbeke 75 – Online Onderzoeksverhalen 82


5 Eredoctores

PHILIPPE GRANDJEAN

JUAN MALDACENA

We moeten het voorzorgs­ principe hanteren

Op zoek naar de zwarte doos van de kosmos

8

36

NANCY KANWISHER

JEAN-LAURENT CASANOVA

Speurwerk in onze hersenen

Je genen bepalen hoe ziek je wordt

16

YVONNE FARRELL EN SHELLEY MCNAMARA

Architecten maken ruimtes, geen objecten

28

44 In English EDUCATION

Gaming: a sea change in learning

66


6

WETENSCHAT — Prestatiepsychologie voor muzikanten

Topsport op de toonladder Toen turnster Simone Biles tijdens de vorige Olympische Spelen wegens mentale problemen even moest afhaken op het hoogste toneel, voelden vele muzikanten ongetwijfeld met haar mee. Ook op hun podia is de druk soms randje ondraaglijk. Musiceren is topsport, zo toont sportpsycholoog Bert De Cuyper overtuigend aan in een boek met die titel.


7

H

oewel hij zelf een brede interesse heeft – of net omdát – is emeritus professor Bert De Cuyper (FaBeR) gefascineerd door het monomane dat sporters en muzikanten delen. “Ze zijn voetballer of ze zijn cellist, en investeren enorm in die identiteit”, zegt hij. Dat heeft keerzijdes: perfectionisme, faalangst, overgevoeligheid voor kritiek … Het mentale plaatje is voor een muzikant even belangrijk als voor een topsporter. Vreemd is het dus niet dat sportpsycholoog De Cuyper enkele jaren geleden de vraag kreeg om een jonge violiste klaar te stomen voor een auditie. In het begin van zijn carrière gaf hij ook les aan het Lemmensinstituut en werkte hij mee aan een multidisciplinair begeleidingsprogramma voor studenten zang. Maar het is vooral zijn dertig jaar ervaring met sporters die De Cuyper geleerd heeft wat zijn boodschap aan muzikanten moet zijn: laat zien wat je kan en geniet, daar draait het om. “Wat de grootste remmen zijn, verschilt voor elke sporter of muzikant”, zegt hij. “Prestatiepsychologie is maatwerk.” De violiste in kwestie wou vrijer spelen. De Cuyper vroeg haar welke emoties ze voelde bij de auditiestukken en welke zintuiglijke ervaringen ze daaraan koppelde. Voor ‘kinderlijk geluk’ was dat: ‘Moeder staat met knalrode schort te zingen in de keuken. Ze stopt haar zang, likt een beslagkom schoon, en biedt haar dochter – die op de geur is afgekomen – een vinger met beslag aan.’ In de aanloop naar de auditie trainde De Cuyper met de violiste op het oproepen van dergelijke associaties. Met goed gevolg: ze speelde bevrijd en kreeg het compliment dat ze elk fragment met een eigen karakter neerzette.

Opgebrande lippen

Een bruggetje naar de sport biedt geregeld inspiratie. Zo kunnen orkesten leren van het gouden Belgische aflossingsteam op de 4 x 100 meter: met een perfecte onderlinge afstemming is een team meer dan de som van de delen. Maar dan moet elk teamlid – de vierde hoorn incluis – wel het gevoel krijgen een onmisbare bijdrage te leveren. Of neem het risico op ‘overtrainen’: ook muzikanten moet je soms wijzen op het belang van herstel­activiteiten. Een sociaal avondje uit, of net een solitaire boswandeling: wederom maatwerk.

Hogedrukgebieden In de sport lijkt het taboe op psychologische problemen stilaan verdwenen en zie je steeds vaker een sport­ psycholoog in de omkadering. De muziekwereld hinkt achterop, zegt De Cuyper. “Aandacht voor de mentale kant van het muzikantenbestaan zou in hun opleiding een vaste plaats moeten krijgen. Daar wil ik mee voor ijveren. In onze KU Leuven-opleiding Praktijkgerichte Sportpsychologie zouden we dan weer een uitbreidende sessie kunnen geven over werken met professionele muzikanten.” Het boek kan bij dat alles een rol spelen. Sowieso is het breed inzetbaar, vindt De Cuyper: “Chirurgen, vlucht­ leiders, iederéén van wie onder druk topprestaties worden verlangd, heeft baat bij de denkkaders en technieken die we aanreiken.” Zeg dat wel: de deadline voor dit artikel hebben we fluitend gehaald. ● (rvh) Musiceren is topsport is uitgegeven bij Univer­sitaire Pers Leuven

© Shutterstock

Die succeservaring bracht De Cuyper en de violiste – Linde Verjans, vandaag eerste viool bij het Antwerp Symphony Orchestra – ertoe om samen met historica Griet Baert een boek te schrijven over prestatiepsychologie voor muzikanten. Getuigenissen van muzikanten kruiden de thematische hoofdstukken: een trompettist

die een ‘burn-out van de lippen’ overwon, een harpiste die de engeltjes-clichés over haar instrument betreurt, een fluitist-dirigent die geen afstand kan doen van zijn topprestatieonderbroek … Vertrekkend van die verhalen reiken De Cuyper en co. technieken aan waarmee muzikanten hun zelfkennis kunnen vergroten en hun zelf­sturing versterken – van gedachtetraining tot self-talk (“Niet zeiken maar strijken!”).


8

EREDOCTORES 2022 — Philippe Grandjean

“We moeten

© Shutterstock

“Stoffen produceren en gebruiken die de hersenen van de volgende generaties beschadigen … Hoe kortzichtig kan een samenleving zijn?” De Deense milieu-epidemioloog Philippe Grandjean doet al vier decennia onderzoek naar de gezondheidseffecten van chemische stoffen in onze omgeving, vooral bij kinderen, van in de baarmoeder. Zijn onderzoek inspireerde nieuwe wetgeving, maar hij noemt zichzelf geen barricadespringer. “Als arts wil ik gewoon voorkomen dat mensen ziek worden.”


9

beter doen”

“Kwikuitstoot komt uiteindelijk in de oceanen terecht – waar het wordt omgezet in methylkwik, de meest toxische vorm – en belandt zo op ons bord”, zegt Philippe Grandjean.


10 P

hilippe Grandjean is aangenaam verrast als hij hoort dat het de studenten zijn die hem hebben genomineerd voor het eredoctoraat van KU Leuven: “Zoiets heb ik nog niet eerder gehoord, wat vernieuwend … En het is bijzonder toepasselijk, want mijn onderzoek spitst zich toe op de impact van de keuzes die we vandaag maken op de gezondheid van de toekomstige generaties. Wellicht raakt het daarom een snaar bij jonge mensen.” Ook zelf raakte hij al jong geboeid door de milieuproblematiek, toen hij vogels en wildlife spotte op het Deense platteland: “De natuur fascineerde me, en even dacht ik aan zoölogie studeren. Maar twee oudere vrienden die arts waren, raadden me aan om voor geneeskunde te gaan. Zo zou ik me nuttiger kunnen maken voor andere mensen. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik hun advies heb opgevolgd.” Tijdens zijn studie, aan de universiteit van Kopenhagen, verwonderde hij zich erover dat alle aandacht ging naar diagnose en behandeling: “Ik dacht: ‘Wacht eens even … bestaat er niet ook zoiets als preventie?’ Tot op vandaag is dat mijn focus: voorkomen dat mensen ziek worden. En ervoor zorgen dat de volgende generatie zich gezond en optimaal kan ontwikkelen.” Hij herinnert zich de essaywedstrijd waaraan hij als jonge student deelnam. Het onderwerp: loodvervuiling door benzine-additieven, begin jaren 70 een hot issue. De medaille ging aan zijn neus voorbij: de professoren die zijn werk moesten beoordelen noemden hem een ‘jonge enthousiasteling zonder enig benul van wetenschap’. “Toen heb ik ondervonden dat wetenschap altijd ook een subjectief element bevat. Voor die grijzende professoren was loodvervuiling iets onvermijdelijks, de prijs die we nu eenmaal moesten betalen voor vooruitgang.”

Kakkerlakken De harde woorden van de professoren weerhielden Grandjean er niet van de weg van het wetenschappelijk onderzoek in te slaan. Hij doctoreerde in de milieu-epidemiologie – over het effect van blootstelling aan lood op hersenfuncties – en trok met een Fulbright-beurs naar de gerenommeerde Mount Sinai School of Medicine in New York. Daar zou hij twee jaar werken met Irving J. Selikoff, wereldvermaard vanwege zijn onderzoek naar de schadelijke effecten van asbest. Grandjean raakte er ook vertrouwd met de nieuwste inzichten in de gevaren van blootstelling aan giftige metalen, dioxines, pesticides … “Als je pakweg kakkerlakken of ratten verdelgt met een toxische stof, vaak een product dat inwerkt op het zenuwstelsel, moet je je realiseren dat aan onze hersenen vergelijkbare neurochemische processen ten grondslag liggen … en dat wij dus evengoed vatbaar zijn voor die stoffen. Het menselijk brein is uiteraard veel complexer, en net daarom ook veel kwetsbaarder, vooral tijdens de ontwikkeling. Gedurende de zwangerschap en in de vroege kindertijd moeten cellen op de juiste plek terechtkomen, en op de juiste manier en het juiste moment een verbinding aangaan met andere cellen. Een proces waar we ook vandaag nog lang niet alles van begrijpen, maar waar veel toxische stoffen een negatieve impact op kunnen hebben.” Veel van die inzichten hebben we te danken aan Grandjean zelf. In de jaren tachtig begon hij samen met de Faeröerse arts Pál Weihe een grootschalige longitudinale studie op de Faeröereilanden. “We namen staaltjes navelstrengbloed af bij pasgeborenen, en onderzochten de kinderen vervolgens als ze zeven, veertien, tweeëntwintig en achtentwintig jaar oud waren. Het doel: de langetermijneffecten achterhalen van prenatale blootstelling aan toxische stoffen.”

“Mijn onderzoek spitst zich toe op de impact van de keuzes die we vandaag maken op de gezondheid van de toekomstige generaties. Wellicht raakt het daarom een snaar bij jonge mensen.”

Bordje kwik Aanvankelijk focuste Grandjean op kwik: “Kwikuitstoot komt uiteindelijk in de oceanen terecht – waar het wordt omgezet in methylkwik, de meest toxische vorm – en belandt zo op ons bord. Uit ons onderzoek op de Faeröer bleek dat kwik, via het dieet van de moeder, toxisch is voor de hersenontwikkeling van het ongeboren kind en het IQ negatief beïnvloedt.” Grandjeans baanbrekende bevindingen zouden uiteindelijk – in 2013 – de VN-conventie van Minamata inspireren, waarin meer dan honderd landen zich ertoe verbonden om de uitstoot van kwik drastisch te beperken. Eveneens bij kinderen op de Faeröer onderzocht Grandjean de voorbije decennia de gevolgen van blootstelling aan dioxines en PCB’s en recent ook geperfluoreerde alkylverbindingen, de zogenaamde PFAS. “We gaan na welk verband er is met de blootstelling in de baarmoeder, die we kunnen vaststellen met behulp van het navelstrengbloed. Het is meer dan een bevolkingsonderzoek, het gaat om een heuse langdurige samenwerking met de lokale bevolking.” De longitudinaliteit vormt de grootste meerwaarde van zijn onderzoek. Studies naar de veiligheid van stoffen houden gewoonlijk geen rekening met eventuele blootstelling in het verleden, bijvoorbeeld prenataal, zegt Grandjean. “Het is niet omdat je geen verband ziet tussen blootstelling aan een bepaalde stof op één bepaald moment en een of ander nadelig effect, dat er geen verband is.” Zo ontdekte hij bijvoorbeeld dat kinderen die twee keer zoveel aan PFAS blootgesteld waren, na een routine­ vaccinatie vijftig procent minder antilichamen aanmaakten. “Op basis van onze bevindingen besliste de European Food Safety Authority in 2020 om de risicobeoordeling voor PFAS voortaan te baseren op immunotoxiciteit bij kleine kinderen. Als gevolg daarvan heeft het Deense agentschap voor milieubescherming vorig jaar besloten om de grenswaarden voor PFAS in het drinkwater met 98 procent te verlagen …”


11

—

“Tot op vandaag is dat mijn focus: voorkomen dat mensen ziek worden. En ervoor zorgen dat de volgende generatie zich gezond en optimaal kan ontwikkelen.”

© Jacob Rosenvinge


12

Op de Faeröereilanden onderzocht Philippe Grandjean de gevolgen bij kinderen van blootstelling aan giftige stoffen, van in de baarmoeder.

Niet betrouwbaar Grandjean noemt dergelijke verwezenlijkingen cruciaal, maar benadrukt meteen dat we er nog lang niet zijn: “We houden nog steeds vast aan het achterhaalde idee dat een nieuwe stof veilig is tot het tegendeel bewezen is. Die kortzichtigheid moet eruit. Laat ons het voorzorgsprincipe hanteren. Als onze studies één ding duidelijk maken, is het dat je een nieuwe stof pas zou mogen introduceren als de veiligheid ervan is aangetoond.”

“Als onze studies één ding duidelijk maken, is het dat je een nieuwe stof pas zou mogen introduceren als de veiligheid ervan is aangetoond.”

Bovendien leert de ervaring dat de veiligheidsclaims van bedrijven niet altijd betrouwbaar zijn. “Een voorbeeld: tot 2020 was het gebruik van het pesticide chloorpyrifos of CPF wijdverspreid, ook in België. Meer dan twintig jaar geleden werd het goedgekeurd, op basis van een studie van de industrie, die concludeerde dat het product volstrekt veilig was. Verschillende studies lieten echter zien dat kinderen een lager IQ hebben als er tijdens de zwangerschap CPF was aangetroffen in de urine van hun moeder.” “We vroegen daarom de oorspronkelijke laboratoriumrapporten op, en daaruit bleek duidelijk dat CPF de hersenontwikkeling nadelig beïnvloedt, in tegenspraak met de claims van het bedrijf dat er niets was om je zorgen over te maken. Niet lang na de publicatie van onze resultaten werd CPF in de EU verboden. Maar we kunnen de klok niet terugdraaien … Ik voel me er helemaal niet comfortabel bij – op zijn zachtst gezegd – dat chemische stoffen worden goedgekeurd op basis van oppervlakkige of verkeerd geïnterpreteerde gegevens, en dat we dan later, vaak decennia later, vaststellen dat kinderen te lijden hebben onder de blootstelling.”


13 “Die aanvallen ad hominem voelen als een poging tot intimidatie, maar ze houden me niet tegen. Integendeel, ze overtuigen me ervan dat I am doing the right thing.”

© Ólavur Frederiksen

Nog iets wat zijn verontwaardiging wekt: veel stoffen die in de westerse wereld verboden zijn, worden hier nog steeds geproduceerd, voor de buitenlandse markt. “Voor ontwikkelingslanden, die de middelen niet hebben om hun arbeiders, zwangere vrouwen en kinderen tegen blootstelling te beschermen. Die ongelijkheid moeten we absoluut aanpakken.”

Vergeefse intimidatie

paal en perk stellen aan het gebruik van stoffen die het menselijk brein in ontwikkeling kunnen schaden – ik noem ze chemische brain drainers. Anders zullen de volgende generaties de prijs betalen. Terwijl we behoorlijk slimme mensen nodig zullen hebben om de problemen op te lossen die wij blijven veroorzaken. De hersencapaciteit van toekomstige generaties contamineren is één van de meest nefaste dingen die we kunnen doen. We have to do better.”

Vandaag zijn het vooral de PFAS die Grandjean zorgen baren. “Op dit moment gaat de aandacht naar een paar types. Maar er bestaan wellicht duizenden vergelijkbare stoffen die gebaseerd zijn op die haast onverbreekbare chemische binding tussen koolstof en fluor. Die binding is tegelijk verantwoordelijk voor de op het eerste gezicht nuttige eigenschappen van die stoffen én voor het gevaar voor onze gezondheid. Omdat ze zo stabiel zijn, worden PFAS niet afgebroken, maar opgeslagen in het milieu, in de voedselketen en in ons lichaam – vis en zeevruchten zijn vaak de voornaamste bron. Ik vind dat bijzonder beangstigend.”

Daarbij laat hij zich niet uit het lood slaan door partijen die om commerciële redenen zijn beweegredenen in twijfel trekken. “Volgens de Amerikaanse wetgeving mogen bedrijven toegang vragen tot mijn fondsenaanvragen, mijn manuscripten en mijn e-mails om na te gaan of ik geen verborgen agenda heb. Die aanvallen ad hominem voelen als een poging tot intimidatie, maar ze houden me niet tegen. Integendeel, ze overtuigen me ervan dat I am doing the right thing (lacht).”

Werk genoeg nog op de plank, ook al heeft Grandjean de pensioengerechtigde leeftijd voor professoren in Denemarken net bereikt. Hij is nog altijd hoofdredacteur van het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Environmental Health dat hij oprichtte, en doceert sinds 2003 milieugeneeskunde in Harvard. “Daarnaast blijf ik mijn best doen om beleidsinstellingen te overtuigen van de noodzaak om verstandige beslissingen te nemen. We moeten

“Nee, voorlopig heb ik nog geen plannen om met pensioen te gaan. Al denk ik er stilaan wel aan om wat terug te schroeven. Misschien tot fulltime (lacht).” En af en toe vindt hij nog tijd voor zijn oude passie. “Dan stap ik met mijn fiets en mijn verrekijker op de trein en ga ik naar de kust, om vogels te kijken. Dat ontspant me enorm, en het inspireert tot nieuwe ideeën over hoe we het beter kunnen doen.” ● (ivh)


14

Blow-up SLIMME NEUSJES

De Groef onder zoek t een speciale populatie honingbijen: “Imker Noël De Schrijver slaagde er na jaren bijen kruisen in om een variant te kweken die resistent is tegen Varroa destructor, een parasitaire mijt die momenteel de bijenvolkeren uitdunt. Deze bijen vertonen een heuse poetsdwang: zodra ze mijten detecteren, worden die vakkundig opgeruimd. De imker wou graag weten waarom deze bijen precies resistent zijn. We vermoeden dat ze de mijt herkennen via hun antenne: we zoeken nu uit waar het verschil zit met de antennes van gewone bijen en of dat verschil zich ook vertaalt in het DNA.” Er bestaan al methodes om de Varroa-mijt te bestrijden, maar die zijn tijdrovend en ook schadelijk voor de bijen zelf. De Groef hoopt met haar onderzoek de imkerij een alternatief te bieden in de strijd tegen deze parasiet. “Ons doel is een duurzame oplossing op lange termijn. Als we de genetische basis van de resistentie tegen de Varroamijt identificeren, kunnen we ook meten of een bijenvolk in staat is de Varroa-mijt te bestrijden.” (if)

© VIB Bio Imaging Core en VIB-KU Leuven

Neen, geen cactus, maar het zevende segment van de linkerantenne van een honingbij. Zeg nooit zomaar 'voelspriet’ tegen een antenne: een bij kan er niet alleen mee voelen en ruiken, maar ook vochtigheid en zelfs CO2 mee waarnemen. Dat gebeurt vooral in de sensilla: complexe structuurtjes – zoals de rondjes op de foto – die chemische stoffen opvangen en analyseren. “Je zou het kleine neusjes kunnen noemen”, zegt biologe Sofie De Groef. Zij werkt als postdoctoraal onderzoekster in het Laboratorium voor Gedrags- en Ontwikkelings­ genetica onder leiding van professor Patrick Callaerts.


15


16

EREDOCTORES 2022 — Nancy Kanwisher

© Jussi Puikkonen

Kanwishers ultieme doel is de organisatie van de menselijke hersenen in kaart brengen en uitzoeken hoe onze geest werkt. “Mijn onderzoek komt neer op de vraag: wie zijn wij als mensen?”


17

“Onze hersenen zijn als een Zwitsers zakmes”

Terwijl u dit leest, wordt ergens in uw brein een hersengebied actief dat enkel en alleen reageert als je een zin wil interpreteren. Dat weten we dankzij de Amerikaanse onderzoeker Nancy Kanwisher (62). Al meer dan dertig jaar speurt ze naar hersengebieden die uiterst specifieke taakjes voor hun rekening nemen, zoals gezichten herkennen, lettertekens begrijpen of bepaalde geluiden onderscheiden. Het brein verkennen doet ze bovenal om uit te zoeken hoe de menselijke geest werkt. “Eén ding weet ik zeker: It’s pretty exciting stuff.”


18 “Onze meest verrassende vondst is een hersengebied dat ‘oplicht’ als je denkt aan wat anderen denken.”

W

ie ‘Nancy Kanwisher’ googelt, vindt naast abstracts van toppublicaties ook heel wat filmpjes waarin ze vol enthousiasme vertelt over haar vakgebied, de cognitieve neurowetenschappen. Daarbij haalt ze alles uit de kast om het brein van haar toeschouwers te prikkelen, én om hen wijzer te maken over de werking ervan. Eén van de beste voorbeelden is een filmpje waarin ze zich laat kaalscheren en een student een tekening van de buitenkant van de hersenen op haar schedel aanbrengt. Met verschillende kleuren worden hersengebieden aangeduid die gespecialiseerd zijn in specifieke cognitieve taken. Ziedaar Kanwishers levenswerk. De voorbije decennia wist de Amerikaanse heel wat brain regions op te sporen. De bekendste zijn de fusiform face area (FFA), gespecialiseerd in gezichtsherkenning; de parahippocampal place area (PPA), die reageert op locaties; en de extrastriate body area (EBA), die actief wordt bij het zien van lichamen en lichaamsonderdelen.

Speciale specialisatie Die gebiedjes zijn vaak niet groter dan een olijf en bevinden zich in onze hersenschors, vertelt Kanwisher vanuit haar werkkamer in het McGovern Institute for Brain Research aan MIT. “Ze zijn verantwoordelijk voor heel specifieke taakjes, en die mate van specialisatie kan ver gaan. Zo hebben we bijvoorbeeld een hersengebied dat louter reageert op stemgeluid, of het nu in een taal is die je begrijpt of niet. Terwijl dat gebied helemaal niéts doet bij andere geluiden.” Naast gebieden voor zintuiglijke waarneming heb je er ook die meer ingewikkelde mentale processen voor hun rekening nemen, zoals taal. “We hebben onder meer een hersengebied gevonden dat actief wordt als je een zin interpreteert. Of eentje dat enkel reageert op letters en niet op Chinese tekens. Maar onze meest verrassende vondst is een gebied dat ‘oplicht’ als je denkt aan wat anderen denken. Bijvoorbeeld als je je bedenkt dat je partner bezorgd zal zijn omdat je later dan verwacht thuiskomt. Of als ik me afvraag of jij m’n uitleg een beetje begrijpelijk vindt (lacht).”

Kanwishers ultieme doel is de organisatie van de menselijke hersenen in kaart brengen en uitzoeken hoe onze geest werkt. “Mijn onderzoek komt neer op de vraag: wie zijn wij als mensen? Ik denk dat ik in de loop van mijn carrière heb kunnen aantonen dat er zich in ons brein zeer gespecialiseerde machinerie bevindt, met verschillende delen die samenwerken. Het brein is geen ‘algemene processor’, maar eerder een Zwitsers zakmes. Dat alles was daarvoor nog niet helemaal duidelijk.”

Radicale ontdekking? De cognitieve neurowetenschappen – een combinatie van neurologie en psychologie – waren niet Kanwishers eerste liefde. Ze trad in de voetsporen van haar vader en behaalde een diploma biologie. “Maar dat wrong”, zegt ze. “Ik vond het niet fijn om muizen te moeten doden telkens als ik een experiment wilde uitvoeren. Ik vroeg me af: in welk vakgebied is men vriendelijker voor onderzoeksobjecten? Oh, psychologie! (lacht) Mijn vader was verontwaardigd. Hij vond het een zootje, onwetenschappelijk, en ga zo maar door. Maar ik probeerde het en vond toch mijn eigen niche.” Kanwisher trok van de ene topuniversiteit naar de andere. Ze behaalde haar PhD in Brain and Cognitive Sciences aan MIT, werd postdoc aan UC Berkeley en werkte enkele jaren aan UCLA en Harvard. Terug aan MIT – inmiddels als professor – ontdekte ze midden jaren negentig ‘haar’ eerste hersenregio: de FFA, verantwoordelijk voor het herkennen van gezichten. “Omdat patiënten met een bepaald soort hersenschade hun vermogen om gezichten te herkennen verliezen, gingen we ervan uit dat er een specifiek hersengebied moest zijn voor gezichtsherkenning. Je had ook een case van een patiënt die na een hersentrauma wel nog gezichten, maar geen objecten meer kon onderscheiden. Dat leverde het bewijs dat we voor gezichts- en objectherkenning aparte hersengebieden gebruiken, die losstaan van elkaar. Terwijl we niet lang daarvoor nog dachten dat gezichtsherkenning een gespecialiseerd onderdeel was van objectherkenning.”


19 Kanwisher hielp die vergissing de wereld uit, maar heeft het liever niet over een ‘radicale ontdekking’. “It’s more like … we saw it”, klinkt het. “We hebben dat gebied weten te lokaliseren en voor het eerst in actie gezien. Niet onbelangrijk, want als je iets wil bestuderen moet je het eerst vinden. Dat we daarin geslaagd zijn, hebben we te danken aan het gebruik van een toen vrij nieuwe methode.”

Zelf onder de scanner Ze doelt op functionele MRI (fMRI), een scantechniek waarmee je de plaats van hersenactiviteit kan bepalen door te kijken naar de bloedtoevoer. “Als je gaat joggen, worden je beenspieren via het bloed voorzien van brandstof en zuurstof. Hetzelfde gebeurt als groepen neuronen in onze hersenen actief worden. Er stroomt meer bloed naartoe en dat zie je op de scans.” De fMRI-scanner maakt 3D-beelden van ons brein, waarop je ziet welke gebieden in de hersenen ‘oplichten’ tijdens het uitvoeren van een cognitieve taak. Patiënten krijgen bijvoorbeeld een reeks foto’s van gezichten of objecten te zien, of moeten bepaalde handelingen uitvoeren. Zo zien de onderzoekers welk hersengebied op welk soort beeld of handeling reageert. Kanwisher was van meet af aan fan van de techniek en gebruikt hem al meer dan dertig jaar. “Die methode levert de hoogst mogelijke resolutiebeelden op. Zonder iemands hersenpan open te hoeven maken (lacht).” Ze ligt ook geregeld zelf onder de scanner, op zoek naar gespecialiseerde hersengebieden in haar eigen brein. “Ik noemt mezelf soms ‘wereldrecordhouder fMRI’”, lacht ze. “Ik heb ettelijke uren in zo’n toestel doorgebracht. Heel wat hersengebieden waarnaar ik onderzoek deed, hebben we eerst in mijn hersenpan ontdekt. Als ik zeker ben van een bepaald hersengebied, gaan we het natuurlijk ook zoeken bij andere proefpersonen. En als iederéén het blijkt te hebben, moeten we testen waarop het reageert. Enkel op gezichten, zoals we vermoeden? Of ook op ovale of ronde voorwerpen? De strategie is om alle andere mogelijkheden uit te sluiten.”

Trippen op elektroden Typerend voor Kanwishers werk is dat ze veel tijd spendeert aan onderzoek bij één individu. “Dat moet ook, want ieders brein is uniek. De meest gebruikte methode in mijn vakgebied is zoeken naar gelijkenissen in het brein van een heel grote groep proefpersonen. Maar bij zulke groepsanalyses zie je dingen over het hoofd. Gespecialiseerde hersengebieden kan je er niet eens mee opsporen. Ze bevinden zich wel op dezelfde plek, maar de exacte locatie en grootte kunnen verschillen.” Dat alles lukt wél met fMRI, maar ook die techniek heeft haar beperkingen. “De beelden zijn bijvoorbeeld lang niet zo gedetailleerd als we écht zouden willen – een pixel komt overeen met honderdduizenden neuronen – en fMRI toont enkel activiteit. We kunnen zien of een bepaald hersengebied actief wordt, maar dat volstaat niet als bewijs dat we het daadwerkelijk nodig hebben voor een cognitieve taak.” Voor dat laatste moet je hersengebieden via elektrodes kunnen stimuleren: “Heel soms krijgen we de kans om experimenten uit te voeren op iemand die een hersen­ operatie moet ondergaan, en bij wie de arts om klinische redenen elektrodes aanbrengt op de hersenpan. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij epilepsiepatiënten, als men de exacte oorzaak van de ziekte wil achterhalen. In dat geval laten we de patiënt plaatjes kijken of vragen beantwoorden terwijl we opnames maken van zijn hersen­ activiteit. Die data helpen ons mijlenver vooruit.” Zo kon Kanwisher het bestaan van de FFA voor gezichtsherkenning bewijzen door experimenten bij twee epilepsiepatiënten. Wie wil zien hoe dat in zijn werk gaat, kan Kanwishers TED Talk uit 2014 bekijken. Daarin toont ze een filmpje van een experiment met een patiënt die een muts met elektroden draagt. De arts stimuleert het hersengebied voor gezichtsherkenning via een elektrisch stroompje en vraagt de patiënt na afloop wat er gebeurde: “Je gezicht veranderde”, zegt hij. “Je neus zakte in en boog naar links. That was a trip.”

—

“We zijn op het punt gekomen dat we méér willen doen dan een naamkaartje kleven op een bepaald hersendeel, en echt willen onderzoeken wat er zich daar afspeelt.”


20

© James Duncan Davidson

“Bij ons onderzoek naar de hersenregio verantwoordelijk voor muziek vonden we hersencellen die enkel op gezang reageren. Dat hadden we zelf totaal niet verwacht.”

“Op dat moment waren we écht zeker dat onze hypothese klopte”, zegt Kanwisher. “Die intracranial recordings leiden overigens wel vaker tot nieuwe pistes of onverwachte vondsten. Bij ons onderzoek naar de hersenregio verantwoordelijk voor muziek vonden we bijvoorbeeld hersencellen die enkel op gezang reageren. Dat hadden we zelf totaal niet verwacht.”

gebieden, die een veelheid aan taakjes uitvoeren, maar waar verder eigenlijk niet veel over bekend is. En dan zijn er nog tal van plekken in ons brein die we nog niet kunnen thuisbrengen ...”

Breinbrekers

“We zijn op het punt gekomen dat we méér willen doen dan een naamkaartje kleven op een bepaald hersendeel, en echt willen onderzoeken wat er zich daar afspeelt. Waar de structuur vandaan komt, hoeveel ervan is aangeboren en wat is aangeleerd … Daarvoor hebben we betere, meer gedetailleerde data nodig. Dat is een van de grootste uitdagingen binnen ons vakgebied.”

Kanwisher en haar collega’s hebben aanzienlijk bijgedragen tot een beter begrip van onze hersenen, maar hoeveel van ons brein hebben we nu eigenlijk ontrafeld? “We weten al honderd jaar hoe onze hersenen eruitzien en uit welke cellen ze bestaan. Maar wat ze precies berekenen en welke gebieden met elkaar communiceren, blijft een raadsel”, zegt ze. “Momenteel kennen we enkel de basics. We weten dat we gespecialiseerde hersengebieden hebben en daarnaast meer algemene

Een van de nieuwe technieken waar Kanwishers onderzoeksgroep op inzet, zijn deep learning-modellen, algoritmes die de werking van bepaalde hersengebieden simuleren. “Als je zo’n model traint, kan je het gebruiken als een surrogaat van ons brein, om meer inzicht te krijgen in de ingewikkelde berekeningen die het uitvoert of om dingen te testen. De impact van bepaalde neurologische aandoeningen, bijvoorbeeld. Wat gebeurt er als een bepaald deel van de hersenen beschadigd raakt en welke hersenfunctie verlies je daardoor?


21

—

“Er is een gebied in onze hersenen dat louter reageert op stemgeluid, of het nu in een taal is die je begrijpt of niet. Terwijl dat gebied helemaal niéts doet bij andere geluiden.”

Een mens kan je niet aan zo'n experiment onderwerpen, maar een model kan je makkelijk ‘ontmantelen’, en kijken wat er gebeurt.”

Mentor Uit alles wat Kanwisher vertelt, blijkt dat ze nog lang niet is uitgekeken op haar vakgebied. Zelf data analyseren doet ze minder dan ze zou willen, maar door de jonge onderzoekers in haar lab te begeleiden kan ze naar eigen zeggen een grotere impact hebben. “De machines die zij gebruiken, begrijp ik niet meer”, lacht ze. “Maar ik kan hen wel inzichten geven over data, of suggesties om iets op een andere manier te analyseren. Ik blijf mijn vakgebied op de voet volgen, en sta versteld van elke nieuwe ontwikkeling of denkpiste. Ook na al die jaren blijft het spannend voor mij. De menselijke geest heeft nog héél wat geheimen prijs te geven. En over één ding zijn we het eens: It’s pretty exciting stuff.” ● (pjb)


22

SAMENLEVING — Opvoeden onder druk

Moeders onder hoogspanning

Maandenlang borstvoeding geven, elke dag een biologisch fruitpapje bereiden en eenhoorn-cupcakes bakken als verjaardagstraktatie. Dagelijks voorlezen, schermtijd beperken en alle kinderen op tijd afleveren bij hun educatief verantwoorde hobby’s. De druk die moeders ervaren om het allemaal goed te doen kan heel groot zijn. Waar komt die druk vandaan, en wat zijn de gevolgen? En hoe zit het met de vaders?


23

© KU Leuven – RS


24

© Shutterstock

De onderzoekers gingen na in welke mate de respondenten tekenen vertoonden van parental burnout, door hen te vragen in welke mate ze het eens waren met uitspraken als ‘Ik voel me uitgeput door mijn rol als moeder’, ‘Ik heb soms het gevoel dat ik voor mijn kinderen zorg op automatische piloot’ en ‘Aan het einde van een dag met mijn kinderen is mijn geduld op’.

“A

ls de kinderen naar school trekken in een ongestreken outfit, of hun zwemspullen niet bij zich hebben, wie zal zich dan vooral scheef bekeken voelen, denk je, de moeder of de vader?”

Aan het woord is Loes Meeussen, postdoctoraal onderzoeker aan het Centrum voor Sociale en Culturele Psychologie. Daar doet ze onder meer onderzoek naar gender, en naar gelijkheid en ongelijkheid in werk- en familierollen. Recent bestudeerde ze de druk die vrouwen kunnen voelen om een perfecte moeder te zijn: “In onze maatschappij heerst een heel positief discours over het moederschap: moeders zouden van nature weten hoe ze met kinderen moeten omgaan, en het moederschap als de allerbelangrijkste rol in hun leven

zien. Daarnaast is er het heel negatieve discours over moeders die het ‘niet goed’ zouden doen: een moeder die snel na de bevalling weer aan het werk gaat, bijvoorbeeld, mag kritiek verwachten.” Op die manier is er een grote maatschappelijke druk ontstaan op moeders, zegt Loes Meeussen. Welke gevolgen heeft dat voor hen?

Emotionele uitputting Meeussen onderzocht allereerst of er een verband is met het risico op parental burnout. “Dat fenomeen is niet nieuw, maar krijgt de laatste tijd wel veel aandacht, zowel in de academische wereld als in de media. Bij een parental burnout voelen ouders zich emotioneel uitgeput door het ouderschap, net zoals werknemers opgebrand kunnen geraken door hun job.”


25 “Bij een parental burnout voelen ouders zich emotioneel uitgeput door het ouderschap, net zoals werknemers opgebrand kunnen geraken door hun job.”

Er zijn al een aantal factoren gekend die mensen meer vatbaar maken voor parental burnout: bepaalde persoon­lijk­heidskenmerken, of problemen in de partnerrelatie bijvoorbeeld. Maar naar de rol van de omgeving was nog weinig onderzoek gedaan, zegt Meeussen. “Wij hebben in een online bevraging zo’n 170 werkende moeders bevraagd over de maatschappelijke druk die zij ervaren om een perfecte moeder te zijn. Dat deden we door hen te vragen in welke mate ze het eens waren met uitspraken als ‘Ik voel druk om ‘perfect’ te zijn in mijn rol als moeder’ en ‘Mijn sociale omgeving heeft heel hoge verwachtingen voor mij om aan te voldoen als moeder’.”

De onderzoekers bekeken nog een andere strategie, die ‘maternal gatekeeping’ genoemd wordt, zeg maar ‘poortwachtersgedrag’. “Hoe meer druk een moeder voelt om het perfect te doen, hoe meer ze geneigd blijkt om het leeuwendeel van de kindgerelateerde taken op zich te nemen. We vermoeden dat dat komt doordat zij degene is die er uiteindelijk op zal worden beoordeeld. Maar door zo’n houding van ‘laat mij dat maar doen’ wordt haar workload thuis alleen maar groter. Ook voor het welbevinden van de vaders én voor de ontwikkeling van de kinderen is het natuurlijk jammer als de vader zo minder zorg kan opnemen.”

De onderzoekers probeerden daarbij een onderscheid te maken tussen normen die de moeders zichzelf opleggen en de druk die ze van buitenaf voelen. “Dat is niet helemáál uit elkaar te halen – onvermijdelijk is de eigen norm voor een stuk ook door externe factoren beïnvloed. Wellicht is de invloed van de externe druk dus zelfs nog groter dan die waar wij van uit zijn gegaan.”

Ten slotte gingen de onderzoekers ook na in welke mate de respondenten tekenen vertoonden van parental burnout. “Dat deden we door hen te vragen in welke mate ze het eens waren met uitspraken als ‘Ik voel me uitgeput door mijn rol als moeder’, ‘Ik heb soms het gevoel dat ik voor mijn kinderen zorg op automatische piloot’ en ‘Aan het einde van een dag met mijn kinderen is mijn geduld op’.

‘Laat mij dat maar doen’ Uit de antwoorden van de respondenten bleek allereerst een significant verband tussen de mate waarin vrouwen druk voelen om een perfecte moeder te zijn en de mate waarin ze stress ervaren als moeder. “Daarnaast zijn we gaan kijken op welke manier moeders proberen om te gaan met die maatschappelijke druk. Mensen die onder prestatiedruk staan zijn doorgaans ofwel gericht op succes boeken, ofwel op falen vermijden. In ons onderzoek merkten we dat moeders die druk ervaren om een perfecte moeder te zijn meer neigen naar wat we een ‘preventiefocus’ noemen. Ze zijn vooral gericht op geen fouten maken, eerder dan op het zo goed mogelijk doen. Zo’n focus is vermoedelijk meer uitputtend.”

“Naast het verband dat we vaststelden tussen druk ervaren om een perfecte moeder te zijn en stress, preventiefocus en poortwachtersgedrag, zagen we ook een duidelijke samenhang tussen deze drie factoren en het risico op parental burnout. Met andere woorden: er bestaat wel degelijk een relatie tussen veel druk ervaren om een perfecte moeder te zijn en parental burnout.”

Ambitieuze moeders Loes Meeussen maakt een belangrijk voorbehoud: “Het gaat hier om wat we noemen correlationeel onderzoek. We stellen vast dat bepaalde factoren verband houden met elkaar, maar kunnen uit dit onderzoek niet met zekerheid afleiden wat oorzaak is en wat gevolg.


26 Vermoedelijk leidt de druk om een perfecte moeder te zijn tot parental burnout. Maar het omgekeerde zou ook waar kunnen zijn: moeders die meer risico op parental burnout vertonen, ervaren meer druk vanuit de om­geving. Of het is allebei waar, waardoor ervaren druk en parental burnout elkaar versterken.” Daarnaast zijn de onderzoekers ook gaan kijken naar de mate waarin maatschappelijke druk om een perfecte moeder te zijn invloed heeft op de loopbaanambities van vrouwen. “Zoals te verwachten viel, stelden we een – indirect – negatief effect vast: hoe meer druk vrouwen ervaren om perfect te zijn als moeder, hoe zwaarder dat weegt op hun work-lifebalans, en dat is dan weer gerelateerd aan minder hoge carrièreambities. Zelfs wanneer het lijkt alsof vrouwen er bewust zelf voor kiezen om de zorg voor kinderen grotendeels op zich te nemen en hun professionele ambities op een lager pitje te zetten, is het dus belangrijk te beseffen dat zulke keuzes mee bepaald worden door sociale normen in de omgeving.” Maar daarnaast vonden de onderzoekers ook een positief verband tussen druk om een perfecte moeder te zijn en carrièreambities. “Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat vrouwen die heel carrièregericht zijn meer druk ervaren van mensen rondom zich om hun moederschapsrol zo goed mogelijk op te nemen. Afwijken van de sociale normen die voorschrijven dat moeders hun gezin boven hun werk plaatsen, zou ervoor kunnen zorgen dat vrouwen ‘teruggefloten' worden en zich daardoor aangezet voelen om thuis te compenseren en zich toch te conformeren aan die normen.”

#ikbenerevenniet Dit onderzoek toont aan dat die hoge normen grote gevolgen kunnen hebben voor vrouwen, zegt Loes Meeussen: “Gevolgen voor hun positie op de arbeidsmarkt en in de samenleving, voor hun eigen welzijn, dat van hun partner en dat van hun kinderen – parental burnout kan in het ergste geval leiden tot verwaarlozing en mishandeling. Het zou daarom interessant zijn om na te gaan hoe moeders beschermd kunnen worden tegen die sociale druk. Uit onze data blijkt bijvoorbeeld dat moeders die meer gericht zijn op positieve resultaten boeken dan op fouten vermijden significant minder risico op parental burnout vertonen. Daarom zou het zinvol kunnen zijn om na te gaan hoe je moeders kan aanzetten tot zo’n ‘promotiefocus’.”

Ook sociale media kunnen een belangrijke bron zijn van druk – denk aan de Instagramfoto’s met schattige kindjes tijdens vlekkeloos verlopende gezinsuitstapjes – maar evengoed kunnen ze worden ingezet om het omgekeerde te bewerkstelligen. Een mooi voorbeeld uit 2015: de beweging #ikbener­evenniet, waarmee meer dan 45.000 vrouwen in Nederland een moment van me-time opeisten. Uiteraard is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de overheid, zegt Loes Meeussen: “Als moeders bijvoorbeeld veel meer verlof krijgen dan vaders na de geboorte van een kind, zendt dat een signaal uit dat de moeder de primaire verzorger hoort te zijn. En als vaders zo minder tijd krijgen om zich met hun kinderen bezig te houden, is het niet verwonderlijk als mensen denken dat moeders beter zijn in het verzorgen van kinderen … of dat ze dat ook werkelijk worden.” En natuurlijk kan de onmiddellijke sociale omgeving ook een bron van steun zijn in plaats van druk. Grootouders die helpen om voor de (klein)kinderen te zorgen bijvoorbeeld, en zo de boodschap geven dat de moeder niét de enige is die weet hoe het moet. Of vriendinnen die eerlijk hun eigen worstelingen en mislukkingen delen en zo een tegenwicht vormen voor de ‘schoolpoortmaffia’, die klaarstaat met een oordeel.

It takes a village … En blijven mannen helemaal gespaard van sociale druk om een perfecte ouder te zijn? Dat is vermoedelijk niet het geval, zegt Loes Meeussen. “In de voorbije decennia is de maatschappij steeds meer gaan verwachten van ouders, vaders zowel als moeders. Het zou de moeite waard zijn om uit te zoeken hoe mannen daarmee omgaan. Net zoals het ook interessant zou zijn om te zien hoe het gezinnen met twee moeders of twee vaders vergaat op dat vlak.” Last but not least: er zijn ook culturele verschillen: “Als we onze resultaten, met respondenten die voornamelijk uit het VK komen, vergelijken met die van studies met respondenten uit de VS, zien we dat onze respondenten lagere niveaus van druk voelen om een perfecte moeder te zijn.” Momenteel werkt Loes Meeussen ook mee aan een grote studie waarbij niet minder dan 48 landen betrokken zijn. “We willen achterhalen of de druk op ouders – moeders én vaders – om alles zo goed mogelijk

“Hoe meer druk een moeder voelt om het perfect te doen, hoe meer ze geneigd blijkt om het leeuwendeel van de kindgerelateerde taken op zich te nemen.”


27 te doen, verschilt van land tot land. En zo ja: welke verklaringen zitten daar dan achter? Is er een verband met het welvaartspeil? Komt er meer druk op ouders naarmate het gemiddeld aantal kinderen in een gezin daalt, of net niet? Misschien wordt de druk dan groter om die paar kinderen het heel goed te laten doen. In grotere gezinnen is het ook zo dat broers en zussen een stukje zorg voor elkaar opnemen, wat de ouders ontlast.” “Ook willen we kijken of het klopt dat hoe meer uren moeders werken, hoe meer druk er op hen komt – alsof ze de tijd die ze met hun kinderen doorbrengen dan echt wel heel kwaliteitsvol moet invullen. En anderzijds,

moeders die niet buitenshuis werken, in een maatschappij waar de meeste vrouwen dat wel doen, voelen die een grotere druk om die rol van thuisblijfmoeder extra goed te vervullen?” De onderzoekers hopen ook te achterhalen of de druk op ouders hoger is in een meer individualistische of net in een meer collectivistische maatschappij. “In de laatste voel je misschien meer – kritische – ogen op je gericht. Anderzijds ligt er in een individualistische maatschappij meer druk op het kerngezin, terwijl: it takes a village to raise a child.” ● (ivh)

—

“In de voorbije decennia is de maatschappij steeds meer gaan verwachten van ouders, vaders zowel als moeders. Het zou de moeite waard zijn om uit te zoeken hoe mannen daarmee omgaan. Net zoals het ook interessant zou zijn om te zien hoe het gezinnen met twee moeders of twee vaders vergaat op dat vlak.”

© KU Leuven – RS


28

EREDOCTORES 2022 — Yvonne Farrell en Shelley McNamara

De architect als choreograaf Een architect maakt geen objecten maar ruimtes. Dat is de overtuiging van Yvonne Farrell en Shelley McNamara. Met de genereuze ruimtes die de Ierse architecten zelf ontwerpen, willen ze onze onuitgesproken wensen vervullen en de choreografie van het dagelijks leven vormgeven. Dat hun gebouwen daadwerkelijk uitnodigen tot dansen, bewijzen de vele onderscheidingen die hun bureau Grafton Architects te beurt vielen.

W

anneer tijdens ons Zoom-interview plots de kat van de buren opduikt op de vensterbank naast Yvonne Farrell, vertelt ze spontaan over een Ierse monnik die in de kantlijn van een manuscript waaraan hij werkte een gedicht schreef over zijn kat. I and Pangur Bán my cat, ‘Tis a like task we are at: Hunting mice is his delight, Hunting words I sit all night, zo begint een Engelse vertaling van het Oudierse origineel. Ook Farrell en McNamara gaan op jacht als ze met Grafton Architects een project willen binnenhalen. Niet om muizen of woorden te vangen, maar the spirit of the place. “Je probeert onder de huid van een stad te geraken en de plooien in die huid te ontdekken”, zegt Shelley McNamara. “Je moet een clue vinden, iets wat een reactie in je oproept. Dat kunnen de grote bouwwerken van een stad zijn, maar evengoed intieme momenten: je raakt iets aan, je loopt op een bepaalde ondergrond … Het is een zoektocht die je waarnemingsvermogen echt op scherp zet.” Farrell en McNamara zijn meester-vangers. Toen ze in 2020 de Pritzker Prize kregen, alom beschouwd als de hoogste onderscheiding voor architecten, prees de jury onder meer hun observatievermogen en de manier waarop ze hun ontwerpen laten antwoorden op de omgeving. “Hun gebouwen zijn ‘goede buren’ die een bijdrage willen leveren voorbij de grenzen van het gebouw en die een stad beter willen laten functioneren”, looft het juryverslag.

Yvonne Farrell (l.) en Shelley McNamara: “Nu iedereen beseft dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn, komt er hopelijk meer ruimte voor architectuur.”


29

© Alice Clancy


30 “Voor ons voelen onderwijsgebouwen niet aan als een specialiteit. We moeten onszelf telkens opnieuw uitdagen: hoe kunnen we er op deze specifieke plek voor zorgen dat jonge geesten met elkaar interageren en groeien?”

Omhelzing

Emotionele klok

De stad die Farrell en McNamara leerde kijken, is Dublin. Ze studeerden samen aan de School of Architecture van University College Dublin, en richtten in 1978 Grafton Architects op, genoemd naar de straat waar het bureau aanvankelijk gevestigd was. Het team van Grafton speelde een rol in de heropleving van Temple Bar als het culturele hart van Dublin, en zette ook elders in de stad en het land veelgeprezen cultuurhuizen en overheidsgebouwen neer. Daarnaast begonnen de architecten gaandeweg naam te maken als visionaire ontwerpers van onderwijsgebouwen, onder meer dankzij een project voor Trinity College in Dublin.

De onuitgesproken wensen van onbekenden proberen te vervullen: zo omschrijven Farrell en McNamara die menselijke missie van architectuur in hun manifest ‘FREESPACE’. Ze stelden het voor in 2018, toen ze de curatoren waren van de Biënnale van Venetië, de tweejaarlijkse hoogmis van de architectuur. “We wilden benadrukken dat architectuur niet zozeer om objecten draait als wel om ruimte. Mensen staan niet in de muren van gebouwen, maar in de leegte ertussen”, zegt Farrell. In hun optiek moet die ruimte genereus zijn, een begrip dat enkele keren terugkomt in het manifest. “Als je de warmte van het zonlicht op een bakstenen oppervlak ervaart, voel je dat iemand ooit tijd, energie en vakmanschap heeft ingezet om die gewaarwording mogelijk te maken.”

Een bewuste specialisatie was dat niet, zegt McNamara. “We hadden gewoon het geluk dat het Department of Education ons al vrij vroeg in onze carrière opdrachten gaf om scholen te ontwerpen. Voor ons voelen onderwijsgebouwen ook niet aan als een specialiteit. Elke opdrachtgever is anders en elke school of universiteit heeft haar eigen ethos. We moeten onszelf telkens opnieuw uitdagen: hoe kunnen we er op deze specifieke plek voor zorgen dat jonge geesten met elkaar interageren en groeien?” Een erg geslaagd antwoord is hun gebouw voor Università Bocconi in Milaan, de eerste buitenlandse opdracht die ze binnenhaalden. En meteen een voltreffer: het werd in 2008 verkozen tot ‘World Building of the Year’. De architecten kozen er bewust voor om de stad binnen te halen in de campus, onder meer via een publieke buitenruimte die doorloopt binnenin het gebouw, met dezelfde typisch Milanese stenen vloer – één van de clues die ze in de stad ontdekten. Het geeft het gevoel van een marktplein. De hoger gelegen kantoren van professoren en onderzoekers bieden diagonale blikken op de bedrijvigheid van studenten en passanten. “In al onze projecten proberen we de verschillende levels of citizenship te verbinden en ervoor te zorgen dat mensen zich meer bewust zijn van elkaar”, zegt Farrell. “We willen de choreografie van het dagelijks leven mee vormgeven.” Op de openingsdag van het gebouw zagen de architecten met eigen ogen dat dat gelukt was, en voelden ze de ‘honger’ van de honderden nieuwsgierige Milanezen die de campus kwamen verkennen. Een bejaarde vrouw die aan de overkant van de straat woonde, gaf Farrell en McNamara het ultieme compliment: “Het is een enorm gebouw, maar het omhelst je.”

Dat ze net het zonlicht als voorbeeld noemt, is wellicht geen toeval. Het team van Grafton Architects wordt geprezen voor de ingenieuze manier waarop ze het licht vaak uit verschillende richtingen laten binnenvallen en diep laten doordringen in hun gebouwen. Op die manier wordt een gebouw een enorme emotionele klok, die je het verstrijken van de tijd doet voelen, zoals Farrell het bij de uitreiking van de Pritzker Prize verwoordde. Optimaal gebruik maken van licht, lucht en de andere free gifts die de natuur ons schenkt, is ook meer dan ooit aan de orde, vindt McNamara. “Het antwoord op de huidige klimaatcrisis zit in de principes die altijd al de basis van architectuur geweest zijn: value your resources, ontwerp gebouwen vol licht en ventilatie.” Dat betekent opnieuw dat je rekening houdt met de context, de plaats waar het gebouw zal ‘bestaan’. Zoals in Lima, Peru, waar Grafton Architects een nieuw universiteitsgebouw ontwierp voor een smalle site dicht bij de Stille Oceaan. Ze gaven de indrukwekkende ‘nieuwe klif’ die ze er bouwden een open structuur, zodat de oceaanwind het gebouw kan ventileren. “Het was een project dat erg om duurzaamheid draaide, op een plek met een heel specifiek klimaat”, zegt Farrell. “Daar besef je echt dat je niet zomaar hetzelfde soort gebouw kunt neer­ poten in pakweg Alaska, New York en Tierra del Fuego.”


31

© Brunetti

Università Bocconi in Milaan. De architecten kozen er bewust voor om stad en campus met elkaar te verweven. De Aula Magna, prominent aanwezig aan de straatkant, is ontworpen als een ingebedde rots die het anker van het hele gebouw vormt.

“Als je de warmte van het zonlicht op een bakstenen oppervlak ervaart, voel je dat iemand ooit tijd, energie en vakmanschap heeft ingezet om die gewaarwording mogelijk te maken.”


32 Op de zeepkist Klimaatbewust bouwen vergt met andere woorden expertise en creativiteit: misschien helpt de huidige crisis om architectuur de rol te geven die ze verdient, hoopt McNamara. “Eén van de grootste problemen is dat architecten gemarginaliseerd zijn geraakt. Er is zoveel talent dat niet benut wordt door the powers that be, de publieke instellingen, de mensen met het geld. Zij gaan er vaak van uit dat bureaus als het onze problemen zullen opleveren: dat we te veel geld zullen kosten, dat we niet zullen doen wat ons gevraagd wordt, dat we niet snel genoeg zullen werken …”

Het is een frustratie die professor Farrell en professor McNamara ook in hun rol van docent – onder meer in Dublin en het Zwitserse Mendrisio – hebben ervaren. “Je ziet dat je studenten heel valabel, volwassen en verbeeldingsvol werk afleveren, maar dat het vervolgens niet genoeg doorsijpelt in het systeem”, zegt McNamara. De verzuchting klinkt als een echo van wat Martine De Maeseneer, promotor van het eredoctoraat en zelf architect, ons in een voorgesprek vertelde over de situatie in Vlaanderen. “Steden en gemeentes kiezen al te vaak voor de gemakkelijkheidsoplossing door alleen met ontwikkelaars in zee te gaan. De expertise die we in onze Faculteit Architectuur opbouwen, ook op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw, stroomt onvoldoende door naar de professionele wereld”, aldus professor De Maeseneer.

“Het antwoord op de huidige klimaatcrisis zit in de principes die altijd al de basis van architectuur geweest zijn: value your resources, ontwerp gebouwen vol licht en ventilatie.”

© Iwan Baan

In Lima, Peru, ontwierp Grafton Architects een nieuw universiteitsgebouw voor UTEC (Universidad de Ingeniería y Tecnología). Ze gaven de indrukwekkende ‘nieuwe klif’ die ze er bouwden een open structuur, zodat de oceaanwind het gebouw kan ventileren.


33 “Een advies voor studenten zou kunnen zijn: ga op de zeepkist staan en laat je horen. Daag ons uit: Dit is gewoon niet goed genoeg!”

Om op te eten “Nu iedereen beseft dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn, komt er hopelijk wél meer ruimte voor architectuur”, zegt Farrell. Heeft ze wijze raad voor studenten die daartoe willen bijdragen? “Als onze studenten aan hun beroepsleven beginnen, is dat soms op de onderste trede: dan duurt het jaren en jaren en jaren voor ze een impact hebben. Daarom zou het advies kunnen zijn: ga op de zeepkist staan en laat je horen. Daag ons uit: Dit is gewoon niet goed genoeg!” Farrell en McNamara hopen dat daar veel vrouwelijke stemmen tussen zullen zitten. Hebben ze het gevoel dat ze rolmodellen zijn voor jonge architectes? “Onlangs kocht ik in de luchthaven A Room of One’s Own (1929) van Virginia Woolf, over vrouwen in de literatuur”, vertelt McNamara. “Dat boek deed me voor het eerst beseffen wat vrouwen zo lang tegengehouden heeft. Het punt dat Woolf maakt, is dat je op een onbewust niveau het vertrouwen nodig hebt dat vrouwelijke voorgangers je geven. Ze schreef dat het vrouwen honderd jaar zou kosten om hun achterstand in te halen. En kijk, nu zie je overal vrouwelijke romanschrijvers. Ik denk dat het in de architectuur nu ook volop aan het kantelen is, zowel in de beleving van opdrachtgevers als in de beleving van vrouwen zelf. Er is zo’n release van vrouwelijke energie, vertrouwen en talent. De sluizen zijn opengegaan.”

Begin februari komen Farrell en McNamara naar Leuven om het eredoctoraat in ontvangst te nemen. “Het is een grote eer voor ons, met veel betekenis”, zegt Yvonne Farrell, verwijzend naar de historische band tussen Ierland en Leuven. Op de vraag of ze zelf al eerder in Leuven geweest zijn, slaakt ze een zucht. “O ja, al die prachtige gebouwen, je zou ze willen opeten, zo verrukkelijk zijn ze. Ze vertellen jullie geschiedenis en ze getuigen van het vakmanschap, van alle zorg die geïnvesteerd is in jullie stukje aarde. To actually stand in Leuven is such a pleasurable experience.” Farrell en McNamara zetten hun eigen vakmanschap momenteel in op heel uiteenlopende plekken. “Recent hebben we een project voor de Electricity Supply Board in Dublin afgewerkt, een bakstenen gebouw van 120 meter in een 18de-eeuwse straat. Er is een basisschool van ons in aanbouw. Een ander project – de renovatie van drie bestaande woonblokken – draait rond sociale huisvesting in de stad, iets wat we vaker willen gaan doen. In Dublin Port zijn we dan weer aan het onderzoeken hoe silo’s, containers en grote industriële bouwwerken her­gebruikt kunnen worden. Verder is ons gebouw voor de London School of Economics recent voltooid. En we werken aan ons eerste project dat volledig in hout wordt opgetrokken, voor de University of Arkansas in de VS.” Een lijstje dat – hoewel verre van volledig – doet duizelen. Het schrikt Grafton Architects allerminst af. “We hebben het geluk over een uitzonderlijke groep van toegewijde en getalenteerde mensen te beschikken”, zegt Farrell. “Architectuur is ook bij uitstek een collectieve aangelegenheid. Niet alleen binnen het kantoor trouwens: je hebt de juiste opdrachtgevers nodig, de juiste ingenieurs, de juiste milieuadviseurs … And when all the things work right, magic can happen.” ● (rvh)


34

SPEEDDATE — Rachida Aghallaj

“Je krijgt niets op een schoteltje aangereikt” Rachida Aghallaj (46) legt de laatste hand aan haar doctoraat en maakte dit jaar haar droom waar: een school oprichten waar alle leerlingen zich thuis voelen, ongeacht hun achtergrond.

W

at wilde u later worden? “Ontwerpster. Ik tekende heel graag, en ooit heb ik een wedstrijd gewonnen met het ontwerp voor een Marokkaans feestkleed. Maar dat was een absolute no-go voor mijn ouders.” Hebt u een motto? “Je bent nooit te oud om te leren. Na office management & talen volgde ik de lerarenopleiding. Ondanks mijn onderscheiding kon ik met mijn hoofddoek nergens aan de slag. Daarna vormde ik als schoolopbouwwerkster achter de schermen een brug naar kwetsbare ouders. Een heel dankbare job, die me inspireerde om mijn master sociologie te halen. En nu doctoreer ik, op mijn zesenveertigste, aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen.” Welke droom zou u graag verwezenlijken? “Mijn grootste droom heb ik gerealiseerd: een secundaire school oprichten in Mechelen. Volgend schooljaar word ik schooldirecteur!”

“‘ZALM’ staat voor Zichtbaar Anders Leren Motiveert, maar verwijst ook naar het zalm- versus het watervalparcours en naar tegen de stroom ingaan. We willen vernieuwend onderwijs bieden, projectmatig werken met thema’s die uitgaan van de interesses van de leerlingen. Onze school wil inclusief en superdivers zijn, we bieden bijvoorbeeld zedenleer aan, islamonderwijs én protestants godsdienstonderwijs. Ik hoop dat ZALM kan groeien en misschien zelfs andere scholen kan inspireren.” Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Ik vond Onderwijs in een gekleurde samenleving, van mijn promotor Orhan Agirdag, erg interessant. Maar het ligt niet op mijn nachtkastje (lacht). Ik ben tot ’s avonds laat bezig en dan ben ik te moe om te lezen.” Welk goed voornemen kan u maar niet volhouden? “Meer tijd voor mezelf nemen. Ik heb vorig jaar COVID opgelopen en ben trager hersteld dan mijn ouders. Dat heeft me toch aan het denken gezet.” Wat is uw meest onhebbelijke karaktertrek? “Volgens mijn zussen ben ik te principieel: als ik ergens niet vriendelijk bediend ben, zien ze me er nooit terug.” Waaraan hebt u een hekel? “Aan vooroordelen. Ga toch in gesprek. Ik kan ervan meepraten: een hoofddoek wordt steevast geassocieerd met dom, onwetend en onderdrukt zijn. Als ik met mijn man op straat loop, ziet hij mensen naar me kijken, zelf merk

ik dat niet meer. Ik hoop dat ik door wat ik zeg en doe laat zien hoe ongegrond zulke vooroordelen zijn.” Wat is uw grootste angst? “Ik heb er nogal wat. Als ik moet vliegen, neem ik een pilletje. Ik wil ook altijd zelf aan het stuur zitten in de auto. En ik heb me destijds laten weerhouden om Romaanse te gaan studeren omdat ik Mechelen niet uit durfde.” Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Dat je niets op een schoteltje aangeboden krijgt. Die boodschap probeer ik onze drie kinderen en onze leerlingen ook te geven. Iemand met migratieroots moet vaak dubbel zo hard strijden. Maar dat maakt je net sterker.” Wat was het meest pakkende moment van uw loopbaan tot dusver? “Vlak voor het schooljaar van start zou gaan, op 30 augustus, kregen we een voorlopige erkenning voor ZALM. En een paar weken later hoorden we dat we voldoende leerlingen hadden om gesubsidieerd te worden. Ook dat was spannend tot op het laatste moment.” Hoe komt u tot rust? “In de auto, de enige plek waar ik alleen ben. Soms luister ik dan naar Koran, via een app. Ik ken te weinig klassiek Arabisch om alles te begrijpen, maar het helpt me om even stil te staan.” Van welke gewoonte zou u af willen? “Ik ben heel saai, ik voel me al schuldig als ik chips eet (lacht). Wel zou ik iets aan mijn conditie moeten doen.” Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood geweest bent? “Toen ik net wist dat ik COVID had, raakte ik niet meer op eigen kracht in de slaapkamer, en had ik moeite met ademen. Toen heb ik toch maar een paar audioboodschappen ingesproken voor de achterblijvers.” Wat houdt u wakker ’s nachts? “De angst dat mijn doctoraat niet op tijd af zal zijn. Het gaat over meertaligheid bij jonge kinderen en over de culturele continuïteit tussen thuis en de kinderopvang. Heel boeiend.” Wat staat er in uw playlist? “R&b uit de jaren 90, meezingen met Mariah Carey en Whitney Houston (lacht). Maar ik heb niet zoveel met muziek, al hou ik wel van dansen.”


35 Wat zou u graag beter kunnen? “Spaans. We gaan altijd naar Andalusië op vakantie en het frustreert me dat ik maar een paar woordjes ken.” Welk compliment heeft u het meest geraakt? “Dat van ouders die supertrots waren dat ik dit schoolproject nooit heb opgegeven, ondanks het parcours vol struikelblokken.” “Vandaag zie je niet zoveel moslima’s die iets hebben bereikt. Dat was ooit anders. In het Ottomaanse Rijk had je bijvoorbeeld vrouwelijke leiders en legeraanvoerders. En de eerste universiteit ter wereld, in Fez, werd gesticht door een vrouw. Misschien moet mijn man, die bezig is aan zijn master geschiedenis, dat eens uitzoeken: hoe komt het dat de positie van de moslimvrouw door de eeuwen heen zo is aangetast?”

“Iemand met migratieroots moet vaak dubbel zo hard strijden. Maar dat maakt je net sterker.”

Is er een ritueel waar u niet zonder kan? “Ik bid vijf keer per dag, ook op het werk, als het lukt. Mijn collega neemt dan ook even tijd voor bezinning. Dat zijn momenten die we koesteren, ik op mijn matje en zij op haar stoel.” Met welk historisch of fictief personage voelt u affiniteit? “Khadija, de eerste vrouw van de Profeet. Ze was een gerespecteerde zakenvrouw, vijftien jaar ouder, en ze vroeg hem zelf ten huwelijk. Een feministe avant la lettre.” Wat maakt u intens gelukkig? “Van ouders horen dat hun kind zich goed voelt. Als school met oog voor diversiteit trekken we nu nog vooral moslimleerlingen aan, maar ook witte kinderen voelen zich helemaal thuis in ZALM.” ● (ivh)

© KU Leuven – RS


© Shutterstock

36

EREDOCTORES 2022 — Juan Maldacena


37

Op zoek naar de zwarte doos van de kosmos Als het gaat over het ontstaan van het heelal, begrippen als tijd en ruimte, en fenomenen als zwarte gaten, dan heeft de laatste eeuw een paar grote denkers voortgebracht. Georges Lemaître formuleerde als eerste het concept van de oerknal, Albert Einstein veroorzaakte een revolutie in het denken over zwaartekracht, en Stephen Hawking ontdekte dat zwarte gaten straling uitsturen. De volgende naam in het rijtje zou weleens Juan Maldacena kunnen zijn.


38 D

e naam van de Argentijn zal bij het grote publiek niet direct een belletje doen rinkelen, maar volgens collega-natuurkundigen is zijn ontdekking van de ‘holografische dualiteit’ – voor specialisten ‘de AdS/CFT-correspondentie’ – een echte doorbraak in de zoektocht naar de zwarte doos van de kosmos. Juan Maldacena rijgt de honours en awards aan elkaar: nu voegt hij daar een Leuvens eredoctoraat aan toe.

Bootcamp fysica “Mijn vader was ingenieur en ik wilde zelf altijd al weten hoe de natuur werkt”, vertelt Maldacena, die de natuurkunde wel lijkt uit te ademen. Na een bachelor fysica aan de universiteit van Buenos Aires studeerde hij verder aan het Instituto Balseiro, dat deels hoort bij de universiteit van Cuyo en deels bij de Nationale Commissie voor

Kernenergie. Het instituut plukt de beste jonge fysici uit de aula’s van de Argentijnse universiteiten en zet ze samen in Bariloche, een stad hoog in de bergen, voor een bootcamp fysica. “The place is indeed quite remote”, grinnikt Maldacena. Het bootcamp aan de voet van het Andesgebergte was in ieder geval een springplank naar de Verenigde Staten en maakte van Maldacena een rolmodel voor Zuid-Amerikaanse studenten: hij doctoreerde in Princeton, werkte een hele tijd in Harvard, om dan terug te keren naar Princeton. Meer bepaald naar het prestigieuze Institute for Advanced Study, een instituut dat voor menig academicus een natte droom is: de onderzoekers krijgen er carte blanche om zich – zonder enige verplichting rond lessen of publicaties – toe te leggen op blue-sky research, zuiver wetenschappelijk onderzoek.

—

“Wetenschap gaat in verschillende richtingen: soms proberen we heel praktische problemen op te lossen, soms trachten we diepgaande kennis op te bouwen. En dat laatste is ook belangrijk.”

© Sasha Maslov


39 “Fysici abstraheren, ze ontdoen de zeer complexe realiteit van alle complicerende elementen om zo tot een eenvoudige formule te komen.”

Als Maldacena hoort dat aan KU Leuven ook een Leuven Institute for Advanced Study wordt opgericht, knikt hij goedkeurend en verdedigt hij de geprivilegieerde ivoren toren – zijn woorden – waarin hij werkt tegenover de soms wantrouwige buitenwereld. “Wetenschap gaat in verschillende richtingen: soms proberen we heel praktische problemen op te lossen, soms trachten we diepgaande kennis op te bouwen. En dat laatste is ook belangrijk. Op technologisch en cultureel vlak genieten wij nu van de investeringen in kennis door de voorgaande generaties. Kijk naar vaccins: een wetenschappelijk mirakel.”

Inspiratie uit Leuven In interviews verwijst Maldacena vaak naar het werk van voorgangers en collega’s. Priester Georges Lemaître (1894-1966) noemt hij “zeer inspirerend”. Lemaître was ingenieur-wiskundige van opleiding en studeerde en werkte in Leuven. In 1927 publiceert hij een revolutionair artikel waarin hij uitlegt dat de relativiteitstheorie van Einstein het uitdijen van het heelal voorspelt. Einstein is niet direct onder de indruk, maar het artikel van Lemaître blijkt de blauwdruk voor de latere bigbangtheorie. De kosmologie is niet de enige link tussen Maldacena en zijn grote voorbeeld: Lemaître werd in 1960 voorzitter van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen, Maldacena is lid sinds 2013. Dat sommige wetenschappers hun werk en religie zo vlot weten te combineren, verwondert ons misschien meer dan nodig is. Lemaître liet zich niet verleiden tot uitspraken over het goddelijk aandeel in de schepping, en op dezelfde manier houdt Maldacena de twee domeinen gescheiden: “De wetenschap leert ons meer over het universum, het geloof toont ons wat onze ultieme doeleinden zijn.”

Groot versus klein Om het werk van Maldacena een beetje te begrijpen, moeten we even de grote wetenschappelijke strijd binnen de fysica schetsen: die van groot versus klein. Die van theorieën over kosmos en zwarte gaten versus theorieën over moleculen en atomen. Einstein publiceert in 1915 zijn algemene relativiteitstheorie, tot nu toe de meest accurate theorie van de zwaartekracht, die de hele grote structuren in het universum bepaalt. In dezelfde periode werd de kwantummechanica ontwikkeld, door pioniers als Max Planck, Niels Bohr en Erwin Schrödinger.

De kwantummechanica beschrijft de subatomaire wereld aan de hand van elementaire deeltjes: kwanta, de kleinste, ondeelbare deeltjes. Probleem: deze twee grote theorieën leverden vernieuwende inzichten op, maar zowel theoretisch als experimenteel lijken ze niet te rijmen. Nochtans bestaan alle grote structuren in het heelal uiteindelijk uit kleine dingen. Waar gaat het macroscopische over in het microscopische en hoe giet je dat in een coherente wiskundige theorie? De kloof leek maar niet te overbruggen en er werd decennialang gezocht naar de missing link: een overkoepelende Theory of All die klein en groot samenbrengt.

Holografie Enter Maldacena. In 1997 schrijft hij als jong broekje – nog geen dertig jaar oud en pas gepromoveerd – een paper die de academische wereld beroert en die vandaag één van de meest geciteerde publicaties uit de hele natuurkunde is. Het basisidee? Het holografisch principe: een 3D-object – dus ook een zwart gat – in onze vertrouwde wereld met zwaartekracht is in feite een 2D-hologram. Met andere woorden: alle informatie om een 3D-wereld te beschrijven zit gecodeerd op een plat 2D-oppervlak. En neen, dat betekent niet dat we allemaal in een simulatie leven, zoals in de film The Matrix, legt Maldacena uit. “In die film heb je maar één echte realiteit. Hier gaat het om twee gelijkwaardige beschrijvingen van dezelfde realiteit, tweedimensionaal en driedimensionaal.” Professor Thomas Hertog, kosmoloog en copromotor van het eredoctoraat, verduidelijkt verder: “Maldacena deed ons inzien dat de twee grote pijlers in de fysica, de relativiteitstheorie van Einstein en de kwantumtheorie, slechts schijnbaar tegengesteld zijn. Ze zijn geen water en vuur, maar yin en yang, twee heel verschillende – en complementaire – manieren om hetzelfde te zeggen.”


40 “Eigenlijk heeft Maldacena ons een nieuwe taal gegeven, één die tegen de intuïtie ingaat en die we nu pas beginnen te ontcijferen.”

De grot van Plato

De koe is rond

Collega en theoretisch fysicus Nikolay Bobev, ook copromotor van het eredoctoraat, verwijst naar de allegorie van de grot van Plato. “Stel je voor dat je in een grot zit en je kan alleen kijken naar de achterwand. Achter jou brandt een vuur en gebeurt er van alles. Je ziet dus schaduwen op de wand. Met de theorie van Maldacena is het mogelijk om van de schaduwen – in 2D – toch informatie af te leiden over de wereld achter je, in 3D, en omgekeerd.”

Nikolay Bobev verwijst naar de inside joke onder fysici over de bolvormige koe: “Een boer wil de melkproductie van zijn runderen verhogen en nodigt verschillende experts uit. De veearts oppert om de koe meer antibiotica toe te dienen, de landbouwexpert wil de koe betere voeding geven. Dan komt de fysicus die zegt: ‘Stel dat de koe rond zou zijn …’ Het punt is: fysici abstraheren, ze ontdoen de zeer complexe realiteit van alle complicerende elementen om zo tot een eenvoudige formule te komen.”

De idee van holografie was niet nieuw in de kosmologie. In de jaren 70 lanceerde Stephen Hawking het idee dat het oppervlak van een zwart gat alle informatie over dat zwarte gat bevat, een eerste aanwijzing voor het holografisch principe. De Nederlandse fysicus en Nobelprijs­ winnaar Gerard ’t Hooft – sinds 1996 ook eredoctor van KU Leuven – trok dit idee door naar het hele heelal en was zo de grondlegger van het holografisch principe. De verdienste van Maldacena is dat hij met de snaar­ theorie – de theorie die de vele kleine deeltjes terugbrengt tot trillende snaartjes – de notie van de holografie in de kosmologie wiskundig precies heeft gemaakt, zodat je kan omrekenen van klein naar groot en terug.

De ‘holografische dualiteit’ van Maldacena is ondertussen in vele andere gebieden van de fysica doorgedrongen, bijvoorbeeld bij experimenten in de deeltjesversnellers van het CERN en bij kwantumcomputers. “Of denk aan turbulentie in vloeistoffen, een fenomeen dat moeilijk begrepen wordt. Met de theorie van Maldacena hebben fysici nu een nieuwe toolkit om dat te doorgronden. Niet dat fysici al aan de slag gaan met een echte vortex, wel met de bolvormige variant ervan”, lacht Bobev.

Sneeuwbolwereld Alles klopt bij Maldacena, weliswaar in een theoretisch universum. Een belangrijke voetnoot is namelijk dat het hier om theoretische fysica gaat, met de nadruk op dat adjectief. Maldacena bouwt niet de echte kosmos na, maar maakt een denkbeeldige, vereenvoudigde maquette ervan. “Beschouw het als een wiskundig laboratorium”, zegt Thomas Hertog. “A toy model”, noemt Maldacena het zelf. Dat speelgoedje – officieel de Anti-de Sitter-ruimte (AdS) – wordt weleens vergeleken met een glazen sneeuwbolwereld: niet bolvormig maar hyperbolisch – gebogen dus. Een universum dat niet uitdijt maar krimpt, en dat leeg is, zonder sterren. Dat de theorie van Maldacena niet gaat over de echte big bang of over echte zwarte gaten, maar over een model ervan, is meteen ook de meest gehoorde kritiek op zijn werk. In interviews verwijst Maldacena naar ons echte universum als naar een te woelige zee: de golven zijn te onstuimig om de eigenschappen van het water te onderzoeken, als je dat vanop een bootje moet doen. Je kan dat beter doen vanop een stevige en veilige kust.

Stepping stone “Maldacena heeft onze ‘microscoop voor de kosmos’ wat verfijnd: we konden al de ruimtelijke dimensies instellen – boven of onder, links of rechts, dichtbij of veraf – en de tijd invoeren, maar nu kunnen we ook inzoomen, klein of groot”, legt Bobev uit. Collega Hertog beaamt: “Eigenlijk heeft Maldacena ons een nieuwe taal gegeven, één die tegen de intuïtie ingaat en die we nu pas beginnen te ontcijferen. Maar die wel cruciaal is om zowel de oerknal als zwarte gaten te begrijpen, waar de gebruikelijke noties van tijd en ruimte het laten afweten. Het holografische heelal is als een gigantische kwantumcode.” Als Maldacena praat, doet hij dat voorzichtig. Als het over zuivere natuurkunde gaat, stijgt zijn stemvolume en beginnen zijn ogen te fonkelen. Want ons heelal blijft verwonderen. “Mijn bolvormige koe is slechts een stepping stone. Eerst proberen we de buitenkant van een zwart gat te begrijpen, dan de binnenkant en dan het instorten ervan. Zodra we dat proces van zo’n big crunch onder de knie hebben, kunnen we misschien het tegenovergestelde begrijpen: de big bang. Want dat is de echte koe die we zoeken.” ● (if)


41

© Universiteitsarchief KU Leuven & New York Times

Maladacena zegt geïnspireerd te zijn door Georges Lemaître (r.), hier naast Albert Einstein, die in 1927 in Leuven de grondslag legde voor de latere bigbangtheorie.

“Zodra we het proces van de big crunch onder de knie hebben, kunnen we misschien het tegenovergestelde begrijpen: de big bang.”


42

DROOMJOB — School maken

“Ik laat mijn leerlingen niet los” Bram Gilles (48) zette zich jarenlang met hart en ziel in voor wie het moeilijk heeft in onze maatschappij. Vandaag staat hij met evenveel passie voor de klas. “Hier mag ik werken met mensen die nog aan het begin van hun leven staan.”

H

ij komt uit een familie van leraars, maar zelf koos Bram eerst voor de sociale sector: “Jarenlang werkte ik met kwetsbare mensen: inburgeraars, langdurig werkzoekenden, mensen in armoede … Als kabinetschef van de toenmalige schepen van Onderwijs in Schaarbeek heb ik ook een Nederlandstalige school helpen oprichten, iets waar ik heel fier op ben.” Werken in de social profit kan na een tijdje zwaar gaan wegen. Bram maakte een carrièrezwaai naar de communicatiesector. “Maar daar miste ik na verloop van tijd het werken met mensen. Nota’s maken over communicatiestrategie was niks voor mij …” Uit gesprekken die Bram had om te kijken welke nieuwe richting hij kon inslaan, kwam steeds dezelfde piste naar voren: het onderwijs. Twee jaar geleden schreef hij zich in voor de educatieve master aan KU Leuven Campus Brussel, optie maatschappijwetenschappen en geschiedenis. Hij noemt het de beste keuze die hij had kunnen maken: “Soms was ik best onzeker, bijvoorbeeld voor mijn diversiteitsstage. Ik was bang voor de confrontatie met leerlingen in een kwetsbare situatie. Maar ik heb me door de docenten en stagebegeleiders enorm gesteund en begeleid gevoeld.” Nog geen half jaar nadat Bram was begonnen aan zijn educatieve master, stond hij al voor de klas. Op zoek naar een stageplaats kreeg hij een deeltijdse interim aangeboden: “Vlak voor de lockdown, dus dat was pittig. Maar ik had het geluk in een heel warme school terecht te komen, waar ruimte was om te leren met vallen en opstaan.”

Vandaag heeft Bram een voltijdse opdracht aan het ZAVO, een secundaire school in Zaventem, al voor het tweede schooljaar op rij. En hij voelt zich helemaal op zijn plek. “Omdat ik vakken mag geven die me boeien. Maar vooral omdat ik iets kan betekenen voor de leerlingen. Ik wil een menselijke leraar zijn, die de leerlingen met respect behandelt – zo spreek ik hen altijd aan met ‘dames en heren’. Ik wil dat ze het gevoel hebben dat hun mening ertoe doet, dat zijzelf ertoe doen.” “In mijn vorige leven werkte ik onder meer met kwetsbare senioren, mensen die vaak de kracht niet meer hadden om hun leven een nieuwe wending te geven. Ik had het daar heel moeilijk mee. Nu mag ik werken met jonge mensen die nog aan het begin staan. Ik vind het heel mooi dat ik mee mag helpen om hun alle kansen te bieden voor de toekomst. Mensen die in de problemen geraken, hebben heel vaak een moeilijke schoolloopbaan achter de rug, zijn losgelaten door hun leerkrachten. Ik wil leerlingen die het moeilijk hebben niet loslaten. Ik probeer hen wat warmte en vertrouwen te bieden. Daarbij voel ik me hier op school erg gesteund: collega’s en directie staan als één team achter je.” In een technische school een vak als geschiedenis geven is een uitdaging op zich, zegt Bram. “Als ik dan op het einde van het jaar hoor dat het best interessant was, ben ik gelukkig. Ik heb hier het gevoel nuttig te zijn, ik kan leerlingen wat inzicht geven in de wereld, hen optillen. Ik kan een verschil maken. Als dit is wat ik de komende jaren mag doen, dan ben ik er helemaal klaar voor.” ● (ivh)


43 “Ik spreek mijn leerlingen altijd aan met ‘dames en heren’.”

© KU Leuven – RS


44

EREDOCTORES 2022 — Jean-Laurent Casanova

“Wij bewezen dat aangeboren fouten in de afweer aan de basis kunnen liggen van specifieke levensbedreigende infecties bij gezonde mensen, die wel resistent zijn tegen andere infecties. Dat is de paradigmashift waarvoor mijn lab heeft gezorgd.”

© Inserm – Patrick Delapierre


45

Griepje of griep? De genen beslissen mee Voor een kind dat ernstig ziek wordt van COVID zou de conclusie niet zo lang geleden hebben geluid: brute pech. Maar immunoloog Jean-Laurent Casanova vond een genetische oorzaak van die ‘pech’ voor tal van infectieziekten. Vaak gaat het om een fout in één gen waardoor onze weerstand zijn werk niet doet, en we ongewapend staan tegenover die ene infectie. Casanova’s onderzoek leert ons: kijk niet enkel naar de sloopkogel, kijk ook naar de stevigheid van het huis.

“N

ee, een gezond kind dat ernstig ziek wordt van een doorgaans banale infectie, heeft niet gewoon pech. Die pech is wetenschappelijk verklaarbaar.” Professor Isabelle Meyts, kinderhematooncoloog en immunoloog aan UZ Leuven, is stellig. Bij een volwassene is de weerstand tegen ziektekiemen vaak al wankel door onderliggende aandoeningen zoals kanker, of door omgevingsfactoren zoals ondervoeding. Maar een jong, sterk en gezond kind dat plots ernstig ziek wordt van een infectie waar iemand anders gewoon doorheen wandelt: daar móet een reden voor zijn. Dat is exact wat de Franse pediater en immunoloog Jean-Laurent Casanova sinds jaar en dag doet: een verklaring zoeken waarom gezonde kinderen doodziek worden van een infectie, door te speuren naar genetische gaten in hun afweersysteem. Onze afweer moet immers feilloos werken om ons te kunnen verdedigen tegen ziektekiemen. In ons lichaam hebben we voor verschillende ziektes verschillende pathways – zeg maar grote banen van immuniteit. We hebben bijvoorbeeld een pathway voor de mycobacteriële infectie die aan de basis ligt van tbc, of voor een virale infectie zoals griep. Dat zijn onze wapens tegen die infecties, en bij het gros van de populatie zijn het efficiënte wapens, die prima werken. Maar bij de buitenbeentjes die Casanova bestudeert, werken ze niet, of is er één klein foutje, op één gen, dat de hele zaak lamlegt. Het is een fundamentele les waar Casanova ons voortdurend op wijst: staar je bij een

infectieziekte niet blind op de ziektekiem, op de bacterie of het virus. Kijk zeker ook naar de host, de patiënt zelf. Kijk naar de genetica van de zieke. Want heel vaak, it’s in the genes.

Banaal of fataal Jean-Laurent Casanova werd geboren in Parijs in 1963, en wist op zijn achttiende al dat hij arts-onderzoeker wilde worden. Dus schreef hij zich in aan de faculteiten geneeskunde én wetenschappen, volgde een klinische opleiding pediatrie aan het beroemde Parijse kinder­ ziekenhuis Hôpital Necker, en behaalde een doctoraat in immunologie. Toen Casanova in 1994 zijn eigen lab opstartte, besloot hij het probleem van klinische variabiliteit in het verloop van een infectie bij mensen te bestuderen. “Als je uitsluitend kijkt naar patiënten die zwaar getroffen zijn door ernstige infecties, raakt je blik al snel vertroebeld, en denk je dat de infectie de oorzaak is. Maar zodra je ervan uitgaat dat die zwaar getroffen patiënten enkel het topje van de ijsberg zijn, en dat de meeste dragers helemaal niét ziek worden, besef je dat er zoiets bestaat als interindividuele klinische variabiliteit.” Die variabiliteit, het verschil in ziekteverloop tussen de ene mens en de andere, kan enorm zijn. Kijk vandaag naar COVID-19. Er zijn honderdjarigen die helemaal niet ziek worden na besmetting, en er zijn zevenjarigen die op intensieve zorg belanden, of zelfs overlijden.


46

Een heel nieuwe kijk op ‘pech’ dringt zich op. Zeg niet: een gezond kind loopt op een slechte dag tegen een dodelijke ziektekiem aan. Maar zeg: dat kind werd met een specifiek gendefect geboren, en blijkt op een dag kwetsbaar voor die ene infectieziekte. Een banaal griepje wordt een fatale griep.

Rare gedachte Die nieuwe kijk kwam er niet van de ene dag op de andere. Het idee dat er kerngezonde mensen rondlopen die toch genetisch voorbestemd zijn om zwaar ziek te worden van een infectie, is al ruim een eeuw oud. Sommige artsen hadden bijvoorbeeld al een stevig vermoeden na de doortocht van de Spaanse griep in 1918. “Miljoenen mensen werden toen geïnfecteerd”, vertelt Isabelle Meyts. “En toch was het uiteindelijk maar een kleine minderheid die eraan overleed. Het idee van een aangeboren verschil broedde toen al.” Jean-Laurent Casanova noemt het zelf een ‘ancient idea’. Tegen 1945-1950 leverde de klassieke genetica het bewijs dat het ook klopt: er speelt bij infectieziekten bij planten, dieren én mensen een heel sterke aangeboren, genetische factor. De volgende stap was om dat ook op moleculair genetisch niveau terug te vinden, en om te ontrafelen hoe de afweermechanismen precies werken. In eerste instantie vermoedde men nog dat het alles of niets was, dat onze afweer over de hele lijn óf werkte óf faalde. Eén aangeboren genetisch defect, dacht men, maakt iemand in één beweging kwetsbaar voor een hele resem infecties. “En dat is precies de paradigma­ verschuiving waarvoor mijn lab vanaf 1996 heeft gezorgd”, zegt Casanova. “Wij toonden aan dat aan­geboren fouten in het afweersysteem aan de basis kunnen liggen van specifieke levensbedreigende infecties bij gezonde mensen, die verder normaal resistent zijn tegen andere infectiekiemen.” Casanova’s inzicht – het is niet ‘ziek van alles’ of ‘ziek van niets’ – was echt nieuw eind jaren 90, herinnert immunoloog Xavier Bossuyt zich. “Men vond het toen een rare gedachte, dat je bijvoorbeeld alleen maar een verhoogde gevoeligheid zou hebben voor pneumokokken, de bacterie die longinfecties veroorzaakt. Of enkel voor een beperkt aantal micro-organismen, of voor één bepaald virus.” “Het is geen toeval dat een pediater dit ontdekte”, zegt Isabelle Meyts – zelf ook pediater. “Zware infecties bij kinderen zijn vaak de zuiverste cases. De kans om op zo’n monogenetisch defect – een fout in één gen – te stoten, is bij een kind eenvoudigweg veel groter. Op die leeftijd zou de aangeboren afweer nog feilloos moeten

werken. Als een kind voor het eerst een ziektekiem ontmoet, heeft het immers nog geen immunologisch geheugen voor die kiem. Kinderen moeten het dus hebben van hun afweersysteem. Als een perfect gezond kind dan toch zwaar ziek wordt, is de kans dus groot dat dat door zo’n defect in één gen verklaard kan worden. Sommige ziekte­ kiemen zijn effectief meer ziekmakend dan andere, maar als je aan een banaal virus zoals een rhinovirus overlijdt, dan is de kans op een gendefect superhoog.”

Op genenjacht Casanova schoot quasi onmiddellijk raak: hij startte zijn onderzoek in 1994, het eerste defecte gen werd gevonden in 1995, de eerste publicatie volgde in 1996. Sindsdien heeft hij al aangeboren fouten ontdekt voor meer dan twintig infectieziekten. Een ware gene hunt dus, zoals het staat te lezen in één van de pers­ berichten van de prestigieuze Rockefeller University in New York. Professor Casanova runt daar vandaag een lab met dertig medewerkers. Dat is naast zijn ándere lab met eveneens dertig medewerkers in Parijs, in Imagine, het Institut des Malades Génétiques. Aan twee kanten van de Atlantische Oceaan, voor twee armen van één bijzonder succesvolle wetenschappelijke onderneming. Waarom kiest hij niet één standplaats, vragen we Casanova. “In Frankrijk huizen we in het Hôpital Necker, het oudste kinderziekenhuis ter wereld, en in New York zitten we in de grootste instelling voor basiswetenschappelijk onderzoek ter wereld. Waarom zou ik kiezen?” Dat Casanova’s aanpak de juiste is, is inmiddels ruimschoots bewezen. Meestal vond hij een defect dat slechts bij een handvol patiënten voorkwam, maar bij drie ziektes lag het anders. Voor de eerste, de minder bekende aandoening MSMD, een gevoeligheid voor bepaalde mycobacteriën, achterhaalde hij de oorzaak voor de helft van alle gevallen. Voor de tweede, tuberculose, tot aan corona de dodelijkste infectieziekte ter wereld, vond hij de oorzaak voor één procent van alle gevallen. En de derde was COVID-19.

En bij COVID? Toen COVID in het voorjaar van 2020 de wereld platlegde, zette Jean-Laurent Casanova pijlsnel de COVID Human Genetic Effort op poten. Dat is een consortium van meer dan honderd bevriende wetenschappers die samen op zoek gaan naar de genetische oorzaken van ernstige COVID-19. “Het is pal in mijn onderzoeksgebied, dus uiteraard probeerde ik ook bij levensbedreigende COVID de bepalende factoren te vinden.” Met verbluffend succes: voor zo’n twintig procent van de gevallen vond Casanova de onderliggende oorzaak. Bij ongeveer vijf procent van de patiënten stootte hij op een aangeboren gendefect, en bij de overige vijftien procent trof hij auto-antistoffen aan voor type I-interferon. Interferonen zijn de eiwitten die ons immuunsysteem regelen, ze zijn ons intrinsieke afweermiddel tegen virussen. Als we een virale infectie doormaken, maken we type I-interferon aan, en dat helpt ons om ons te verdedigen tegen het virus. Als er een genetisch defect is in de


47 Staar je niet blind op de bacterie of het virus. Kijk ook naar de gastheer, de patiënt. Kijk naar zijn genetica. Want heel vaak, it’s in the genes.

Na de doortocht van de Spaanse griep in 1918 had men al een stevig vermoeden van een aangeboren verschil in kwetsbaarheid. Miljoenen mensen werden geïnfecteerd, en slechts een kleine minderheid overleed. Op de foto: een noodhospitaal in Camp Funston, Kansas.

© National Museum of Health and Medicine


48 “Dankzij iemand als Casanova leggen we stilaan de grote immunologische principes bloot. We kunnen patiënten beter beschermen nu we zeker weten dat het om problemen van het immuunsysteem gaat.”

“In Frankrijk huizen we in het Hôpital Necker (foto), het oudste kinderziekenhuis ter wereld, en in New York zitten we in de grootste instelling voor basiswetenschappelijk onderzoek ter wereld. Waarom zou ik kiezen?”

interferon-pathway, of als je zelf antistoffen begint te maken tegen dat broodnodige interferon – wat dus gebeurt bij één op vijf COVID-patiënten – dan kom je in de problemen. Het was zo’n moment waarop de slagkracht van Casanova’s unieke netwerk zichtbaar werd, zegt Bossuyt. “Hij heeft toegang tot patiënten en stalen van over de hele wereld. Voor één COVID-studie heeft hij meer dan 34.000 stalen geanalyseerd. Bij sommige van zijn papers staan vijftig, zestig auteurs vermeld. Dat zegt genoeg, denk ik.” De meeste artsen in het wereldje van immuunstoornissen werken graag met Casanova samen. Iedereen weet waar zijn lab toe in staat is, zegt Meyts. “Een voorbeeldje: de genetische defecten voor ernstige

tuberculose liggen allemaal op dezelfde baan, dezelfde pathway. Maar zo’n pathway bestaat natuurlijk niet uit een paar genen. Dat zijn ontélbare genen. Als je dan in één patiënt moet gaan zoeken naar een defect gen: good luck! Maar als je zoals Casanova duizend patiënten hebt met hetzelfde probleem, ja, dán kun je baan­brekend onderzoek doen.” Daar ligt de grote kracht van Jean-Laurent Casanova, en dat is ook de reden dat hij nu een eredoctoraat ontvangt. “Dankzij iemand als Casanova leggen we stilaan de grote immunologische principes bloot. En daardoor kunnen we patiënten beter beschermen bij toekomstige


49

© Inserm – Patrick Delapierre

infecties. We weten nu zeker dat het om problemen van het immuunsysteem gaat, en kunnen onze behandeling daar ook op afstemmen.” Casanova’s onderzoek toont aan dat ieder mens zijn achilleshiel in zijn genen draagt. Iedereen is immuundeficiënt op een bepaald punt, alleen ontdekken we dat pas als we tegen de ‘juiste’ ziekte aanlopen. “Nu moeten we de immunologen ervan overtuigen dat een ernstige besmetting per definitie op een immuundefect wijst. Dat de meeste levende organismen, de meeste mensen, immuundeficiënt zijn, maar dat die immuundeficiëntie pas zichtbaar wordt als de juiste trigger langskomt.

COVID is daar een goed voorbeeld van: veel mensen die eraan stierven, dachten tot op dat moment ook dat ze een goed immuunsysteem hadden. Tot het niet bestand bleek tegen SARS-CoV-2.” “Het is paradoxaal”, besluit Casanova. “COVID-19 is de meest recente infectieziekte, en we begrijpen ze ondertussen al het best. Mijn doel is nu uiteraard om ook de overige 80 procent van de zware coronagevallen te begrijpen. Of dat gaat lukken? Ik ben een wetenschapper, ik heb geen kristallen bol. Ik voorspel de toekomst niet, ik probeer ze te bouwen.” ● (wv)


50

—

WETENSCHAP EN TECHNIEK — Fotoakoestiek

© Joeri Thiry – STUK kunstencentrum

Geluidskunstenaar Aernoudt Jacobs bouwde een Heliofoon, die het licht van de zon in muziek omzet.


51

Luisteren met licht en kijken met geluid Met behulp van licht kan je materialen geluid laten maken: dat klinkt futuristisch, maar moeilijk is het niet. En dat geluid van materialen kan je dan weer inzetten om defecten in machines te detecteren of tumoren op te sporen. Onderzoekers van het Leuvense Laboratorium voor Fysica van Zachte Materie en Biofysica brengen de mogelijkheden van de ‘fotoakoestiek’ in kaart.


52 A

Hoorbare tumor

Ultrageluid

Tumorcellen zijn vanbinnen zachter van structuur dan gezonde cellen. “Je kan een onderhuidse tumor letterlijk hoorbaar maken”, zegt Liwang Liu. Er lopen in universitaire ziekenhuizen al experimenten op patiënten, om borstkanker te detecteren, vult Glorieux aan. “Je kan de techniek op twee manieren inzetten: je kan een tumor meten en lokaliseren, maar je kan ook behandelen. In dat laatste scenario – wat men hyperthermie noemt – ga je met een laserstraal de tumor zodanig verhitten dat de tumorcellen beschadigd raken en afsterven.” En fotoakoestiek kan ook een middel zijn om na te gaan hoe goed een therapie werkt: je kan voor en na de behandeling bekijken hoeveel tumorcellen er in een zone aanwezig zijn.

lexander Graham Bell kennen we allemaal als de uitvinder van de telefoon. Minder bekend is dat Bell daarna ook nog een fotofoon bedacht: een toestel waarmee geluid wordt overgedragen via licht. Bell liet zonlicht invallen op een spiegel met spreekhoorn; als hij sprak, begon de spiegel te vibreren. Zo werd een flikkerend lichtsignaal weerkaatst naar een tweede spiegel, waarbij het licht weer werd omgezet in geluid. Bell wist zo in 1880 in Washington D.C. over een afstand van 213 meter draadloos te telefoneren met zijn assistent. Met de fotofoon is het helaas nooit echt wat geworden: het instrument was niet bruikbaar over lange afstand. En wat doe je als de zon niet schijnt?

Wel een blijvertje was het inzicht in het fotoakoestisch effect: met licht kan je geluid produceren. Professor Christ Glorieux van het Laboratorium voor Fysica van Zachte Materie en Biofysica legt het principe uit: “Er spelen eigenlijk twéé effecten: eerst wordt er warmte geproduceerd, daarna geluid. Dat gaat zo: als licht op een materiaal invalt, dan warmt dat materiaal op en zet het uit. Als het licht onderbroken wordt, dan koelt het materiaal weer af en krimpt het. Als het licht varieert in de tijd, dan krijg je trillingen: die vibraties zijn geluid.” Met fotoakoestiek kan je niet alleen draadloos communiceren, zoals Bell deed, maar ook materialen inspecteren, legt Glorieux uit: “Afhankelijk van de lichtkleur kan je tot een paar centimeters diep in een materiaal doordringen. Dan kan je de elastische eigenschappen nagaan. Hoe hard of hoe zacht is de structuur? Hoe sneller de akoestische golven gaan, hoe stijver het materiaal is. Ook thermische eigenschappen kan je met geluid in kaart brengen: hoeveel warmte kan het materiaal opnemen? Hoe goed wordt de warmte geleid?” Het geluid dat materialen produceren is meestal onhoorbaar voor ons, zogenaamd ultrageluid. Elk materiaal produceert zo zijn eigen geluid. En dat geluid zal ook anders zijn op een plaats waar er een afwijking zit: “Bijvoorbeeld bij een defect stukje in een machine of bij een infectie in het lichaam, waar de temperatuur lokaal hoger zal zijn.”

Testen met fotoakoestiek werkt snel en erg precies, tot op de nanometer. Zonder rechtstreeks contact en zonder schade. Die voordelen maken dat het breed inzetbaar is. De toepassingen in de medische wereld springen het meest in het oog. Daar is werken met geluid niet nieuw: denk aan een echografie, legt postdoctoraal onderzoeker Liwang Liu uit. “Het grote verschil is dat je daar ultrageluid uitstuurt en dan de echo van dat ultrageluid bekijkt. Hier sturen we licht uit en ontvangen we ultrageluid. We gebruiken laserstralen: daar kan je heel precies en gebundeld mee werken. Zo kunnen we op een heel kleine schaal inzoomen, tot op het niveau van een cel.”

“De techniek zit nog in de experimentele fase in het labo. We moeten nog verder verfijnen: welke laserstralen kunnen we gebruiken, welke informatie verkrijgen we daarmee, kan het nog sneller? We testen dit nu met een lichtmicroscoop en laserstralen uit op cellen van muizen”, vertelt Liu. Verder werken de fysici ook aan toepassingen voor de industriële sector, vervolgt Glorieux: “We hebben hier in het labo al aangetoond dat je met fotoakoestiek de dikte van een verflaag kan meten terwijl men nog aan het verven is.”

“Met fotoakoestiek kan je niet-invasief werken. Je bestraalt een materiaal met een laserstraal en meet dan het effect van het licht in de vorm van geluid.”


53 Versnellingsbakken

Kunst

Producenten van versnellingsbakken passen de techniek al toe om te testen: ze meten vooral het eerste effect, de zogenaamde ’fotothermische’ temperatuurstijging: “Het metaal van een versnellingsbak moet hard zijn; dat krijg je door het metaal snel op te warmen en af te koelen. De vraag is dan: is de harde toplaag diep genoeg? Je kan het metaal doorsnijden om dat te bekijken, maar dan is het materiaal uiteraard beschadigd. Met deze techniek kan je niet-invasief werken. Je bestraalt het metaal met een laserstraal en meet dan het effect van het licht, bijvoorbeeld met een infraroodcamera: de hardheid gaat samen met geringere warmtegeleiding. Door de temperatuursverandering te meten na een laserpuls kan je het materiaal tot op een paar millimeters diepte in kaart brengen.”

Een misschien verrassende toepassing van fotoakoestiek zie je bij de restauratie van kunstwerken. Zo kan je een verborgen laag in een schilderij scannen zonder het aan te raken. Over kunst gesproken: geluidskunstenaar Aernoudt Jacobs liet zich een paar jaar geleden inspireren door de fotofoon van Bell. Hij nam contact op met de Leuvense fysici omdat hij een installatie wilde bouwen om te luisteren naar de zon. In Jacobs' Heliofoon wordt het zonlicht rechtstreeks omgezet in geluid, legt Glorieux uit: “De Heliofoon volgt de stand van de zon, vangt het zonlicht op en concentreert het via een parabolische lens op een kleine vlek. Daarboven draait een schijf met inkepingen zodat het licht af en toe onder­broken wordt. Een fotoakoestische cel maakt met tussenpozen de lichtvariaties hoorbaar via een grote hoorn.” Zo komt een muziekstuk van de zon tot stand, waarbij de klank steeds verandert met de lichtsterkte en de rotatiesnelheid van de draaiende schijf. Zoals Bell vroeger al schreef: je kan de zon horen! ● (if)

Ook bij computerchips kan fotoakoestiek een testmiddel zijn: “Computerchips worden gestapeld en verbonden met microscopisch kleine koperen staafjes. Bij de productie van die staafjes loopt het weleens mis en ontstaan er luchtholtes in het staafje. Met fotoakoestiek kan je die holtes opsporen: geluid dat door lucht loopt gedraagt zich anders dan geluid dat door koper loopt. Nieuwe materialen voor chips worden op dezelfde manier onder de loep gelegd. Wij onderzoeken regelmatig samples van Imec, het Leuvense onderzoeksinstituut in de nanoelektronica.”

—

© KU Leuven – RS

Onderzoeker Liwang Liu bij een testopstelling. Testen met fotoakoestiek werkt snel en erg precies, tot op de nanometer. Zonder rechtstreeks contact en zonder schade.


© KU Leuven – RS

54

TRISMEGISTOS — Een kruispunt voor alle onderzoek naar de antieke wereld

De kenniskist —

Professor Mark Depauw: “Wat onze database uniek maakt, is dat we alles brengen: we hanteren geen beperkingen qua taal, genre of schrijfmateriaal.”


55

van de oudheid ‘De drie keer grote’: dat is de letterlijke betekenis van Trismegistos. Het is een epitheton uit de antieke godenwereld, maar ook de naam van een project dat die omschrijving steeds meer waarmaakt. Trismegistos brengt gegevens samen over alle mogelijke geschreven bronnen uit de oudheid, inmiddels zo’n 900.000. De reikwijdte en aanpak van het project zorgen ervoor dat onderzoekers uit verschillende disciplines niet alleen hun studiemateriaal maar ook elkaar beter kunnen vinden.


© KU Leuven – Faculteit Letteren

56

Een Egyptische potscherf uit de collectie van de Faculteit Letteren, gedateerd in de derde tot eerste eeuw voor Christus. De Demotische tekst beschrijft rituele losbandigheid – eten, drank en seks.


57 “Je kan bij ons niet alleen terecht als je onderzoek doet naar literaire teksten, maar ook als je je wil verdiepen in pakweg facturen of horoscopen.”

D

e studie van de oudheid is een huis met vele kamers, die niet allemaal op dezelfde manier zijn ingericht. Ga je als egyptoloog een kijkje nemen in de kamer van een latinist, dan zal je daar niet zomaar alles herkennen. “De meeste projecten richten zich op één genre of één taal, en elke discipline heeft haar eigen aanpak en conventies”, zegt professor Mark Depauw van de Onderzoeksgroep Oude Geschiedenis. Hij staat aan het hoofd van Trismegistos, een project dat obstakels voor interdisciplinaire samenwerking wil wegwerken. Het online platform van Trismegistos biedt informatie aan over alle mogelijke bronnen uit een groot stuk van de oudheid, grofweg van 800 vóór tot 800 na Christus. “Wat onze database uniek maakt, is dat we alles brengen: we hanteren geen beperkingen qua taal, genre of schrijfmateriaal”, zegt professor Depauw. “Je kan bij ons niet alleen terecht als je onderzoek doet naar literaire teksten, maar ook als je je wil verdiepen in pakweg facturen of horoscopen.” Die brede reikwijdte geldt dus evengoed op linguïstisch vlak: naast Griekse en Latijnse bronnen vind je in Trismegistos ook teksten in ‘kleinere’ talen als het Etruskisch of het Safaïtisch.

Herculesarbeid Het levert een gigantische database op. Momenteel kan je in Trismesgistos informatiefiches over 900.000 bronnen uit de oudheid vinden. Waar is de bron gevonden en hoe oud is ze? Waar wordt ze bewaard? Op welk materiaal is de tekst geschreven, in welke taal? En welke wetenschappelijke edities bestaan ervan? Al die gegevens kan je combineren in zoekopdrachten: ‘Toon me alles dat geschreven is op steen in Italië in de vijfde eeuw’ of ‘Welke Bijbelpapyri zijn er te vinden in Londen?’ Soms krijg je in Trismegistos de tekstbron zelf ook te zien, soms word je daarvoor naar een externe site doorverwezen. Het team van Trismegistos inventariseert ook alle per­­ soons- en plaatsnamen in die antieke teksten. Een hercules­arbeid die voortbouwt op het pionierswerk van Leuvense voorgangers zoals papyroloog Willy Peremans. Hij begon in 1945 al aan een ‘wie-is-wie’ van alle inwoners van Egypte die vermeld worden in Griekse, Egyptische en Latijnse bronnen van tussen 300 en 30 voor Christus. Die zoekcriteria zijn in de loop der jaren verruimd, en inmiddels staat de teller op meer dan

500.000 vermeldingen van 300.000 individuen, die je kan raadplegen via ‘TM People’. Voor plaatsnamen is er ‘TM Places’, waar je kan zoeken in 200.000 vermeldingen van een 60.000-tal toponiemen. Zo zijn er nog een reeks andere, soms verrassende categorieën. Linguïsten vinden in ‘TM Text Irregularities’ een database van onregelmatigheden die teksten vertonen op het vlak van spelling en taal. Wie onderzoek doet naar religie, rituelen en magie in de oudheid, zal dan weer meer interesse hebben in ‘TM Magic’. En via ‘TM Archive’ kan je bijvoorbeeld alle teksten vinden die te maken hebben met een bepaalde familie, van rekeningen tot huwelijkscontracten.

Rijksregisternummer Belangrijke troef van Trismegistos is dat elke bron, elke vermelde persoon en elke vermelde plaats een uniek identificatienummer krijgt. Ook dat is een manier om bruggen te slaan tussen disciplines die hun eigen gewoontes hebben. Een goed voorbeeld is de meertalige Steen van Rosetta, die een belangrijke rol speelde bij het ontcijferen van hiërogliefen. Egyptologen verwijzen ernaar met het nummer dat de steen in het British Museum heeft: ‘BM EA 24’ of ‘British Museum 24’. Bij specialisten van Griekse inscripties staat de tekst dan weer bekend als ‘I. Prose 16’ of ‘SB V 8299’ of ‘OGIS I 90’. En ook ‘Dittenberger 90’ – naar de redacteur van één van de edities – kan naar de Steen van Rosetta verwijzen. Bepaald niet bevorderlijk voor interdisciplinaire samenwerking. “Daarom geven wij alle documenten een unieke Trismegistos-identifier”, zegt professor Depauw. “In het geval van de Steen van Rosetta is dat TM 8809. Je kan het als een rijksregisternummer beschouwen. Het zorgt ervoor dat verschillende databases en onderzoeks­ projecten met elkaar kunnen communiceren.”

Explosie Gezien de omvang en reikwijdte van het platform is het niet verwonderlijk dat Trismegistos zijn nut bewijst in heel uiteenlopende onderzoeksprojecten. Zo gebruikte professor Depauw de database zelf om na te gaan hoe christelijk Egypte was in de vierde eeuw, vlak na de bekering van keizer Constantijn. “Lange tijd was het idee dat er in het kielzog van Constantijn een explosieve toename plaatsvond van het aantal bekeringen”, vertelt hij.


58 “Je zou verwachten dat je dat dan terugziet in het aantal pasgeborenen dat een Hebreeuwse of andere christelijke naam kreeg. Dat ben ik samen met collega Willy Clarysse gaan nakijken. We stelden vast dat het aantal christelijke namen in de vierde eeuw slechts geleidelijk steeg, en dat ze pas in de vijfde eeuw duidelijk in de meerderheid waren. Als je daarop afgaat, is er van een explosieve bekeringsgolf geen sprake.” Ook in het buitenland kennen ze Trismegistos. Een enthousiast gebruiker is Yale-historicus Joseph Manning. Hij toonde aan dat vulkaanuitbarstingen in de Ptolemeïsche periode (332-30 v.Chr.) het klimaat verstoorden, waardoor de Nijl-overstromingen die belangrijk waren voor de landbouw uitbleven. Dat zou bijgedragen hebben tot voedseltekorten en spanningen in het Egyptische rijk. Bevestiging vonden Manning en zijn collega’s in papyrusbronnen uit die periode: de beschreven maatschappelijke gebeurtenissen bleken in de tijdlijn van de vulkaanuitbarstingen te passen.

Groot, groter, grootst Vorig jaar mocht Trismegistos – letterlijk – een plusje achter zijn naam zetten, toen het project erkend werd als ‘KU Leuven Kernfaciliteit’. De titel geeft extra zichtbaarheid, ook extern, aan hoogstaande onder­zoeks­ infra­structuur die interdisciplinariteit bevordert. En dat is zeker de ambitie van ‘Trismegistos+’. “Die erkenning stimuleert ons inderdaad om nog meer dan we al deden de samenwerking op te zoeken”, zegt professor Depauw. “De knowhow die wij hebben op het vlak van databases kan voor heel verschillende disciplines interessant zijn. We werken bijvoorbeeld samen met Reinhart Ceulemans van Griekse filologie. Hij werkt aan een database van Nederlandse vertalingen van Griekse auteurs. Wij hebben hem geholpen bij het structureren van alle informatie die daarbij komt kijken.” Als kernfaciliteit wil Trismegistos ook volop inzetten op artificiële intelligentie. “We zijn in Leuven al vroeg op de digitale kar gesprongen, en dat heeft ons een voorsprong gegeven. Zoals we al tal van databases onderling met elkaar verbonden hebben, willen we nu de brug slaan naar de wereld van de ‘papieren’ wetenschap, via de online full text-versies van artikels”, zegt Depauw. “Artificiële intelligentie kan automatisch bronverwijzingen opsporen in artikels en de bron in kwestie identificeren in onze database. Je kan dan een link leggen in zowel Trismegistos als de pdf van het artikel, en zo beide met elkaar verbinden.”

Leuk voor de leek Heeft u op de website van Trismegistos iets te zoeken als u niets te zoeken heeft? Jazeker, ook voor de geïnteresseerde leek is er lekkers te vinden. ‘TM Gallery’ is een uitstalraam met opmerkelijke bronnen uit de oudheid: klassiekers als de Steen van Rosetta, maar ook onbekende pareltjes. Je krijgt de bron in kwestie te zien en leert een en ander over de ontstaansgeschiedenis en inhoud. Zo kan je er kennismaken met het erotisch getinte grafschrift van Allia Potestas, die 'in harmonie' leefde met twee jonge minnaars. Maar evengoed vind je er het Etruskische ‘Liber Lintaeus’, vermoedelijk een liturgische kalender. Het boek is op linnen geschreven en werd later versneden en hergebruikt om een Egyptische mummie in te pakken. Zo is het bewaard gebleven. Het blokje ‘On this day’ leert dan weer welke teksten er in de oudheid geschreven zijn op die bepaalde dag. Toen we deze alinea neerpenden, was het exact 2160 jaar geleden dat er in Dios Polis een ontvangstbewijs voor linnen werd geschreven op een scherf, zo bleek. Meer hebben wij niet nodig om ons in te schrijven voor een cursus Demotisch en tickets te boeken voor Caïro, waar de scherf bewaard ligt in het Egyptisch Museum.

“We zijn in Leuven al vroeg op de digitale kar gesprongen, en dat heeft ons een voorsprong gegeven.”


59 Een andere ambitie is om het luik ‘TM People’ uit te breiden. “Dankzij het pionierswerk van professor Peremans hebben we voor Egypte al een uitgebreide lijst van persoonsnamen en hun varianten. Die willen we nu uitbreiden met namen uit andere gebieden en talen, in samenwerking met partnerprojecten. Op die manier zouden we de basis leggen voor een echt personen­ register van de hele oudheid.” Over namen gesproken: waaraan heeft het project de zijne eigenlijk te danken? “Trismegistos was bij de opstart in 2004 een samenwerking tussen KU Leuven en de Universiteit van Keulen, waaraan ik toen ook verbonden was”, vertelt Depauw. “Ik herinner me dat ik met collega’s Herbert Verreth en Bart Van Beek in de auto zat, op de terugweg van Keulen naar Leuven. We waren aan het brainstormen over mogelijke namen en iemand heeft toen ‘Trismegistos’ opgeworpen – we zijn het er niet over eens wie (lacht). Het is het epitheton (typerende bijnaam – red.) van Thoth, de Egyptische god van de wijsheid en het schrift die onder de naam Hermes ook een belangrijke rol speelde in de Griekse religie en filosofie. Achteraf gezien hebben we geluk gehad met de keuze voor een brede naam als Trismegistos, want de focus lag in het begin op Egypte, de uitbreiding naar de hele antieke wereld is er pas later gekomen. En inderdaad, het betekent ‘de drie keer grote’ … Hoe groter we worden, hoe beter onze naam past.” ● (rvh)

Dansen in de database Studenten oude geschiedenis vinden tegen het eind van hun opleiding moeiteloos hun weg in Trismegistos. Zo ook Lore Van Melkebeke, die haar masterdiploma inmiddels op zak heeft. “In de tweede bachelor kregen we al een vak waarin we leerden hoe we databases moeten gebruiken”, vertelt ze. “Je krijgt dan ook opzoekoefeningen, en zo ontdek je al doende hoe je een database als Trismegistos het best kunt inzetten voor je onderzoek.” Dat kon Lore in praktijk brengen toen ze werkte aan haar masterproef over de levenskwaliteit van Joden in Ptolemeïsch en Romeins Egypte. “Ik heb vooral de zoekfunctie ‘TM Words’ gebruikt: met het Griekse woord voor ‘Jood’ als zoekterm kreeg ik alle teksten die dat woord vermelden. Die zoekactie kan je verder verfijnen, bijvoorbeeld door de periode af te bakenen. Ik heb ook de functie ‘TM Archives’ gebruikt, waarmee je kan nagaan of een tekst deel uitmaakt van een grotere verzameling. Dat kan gaan van het privéarchief van iemand die belangrijke documenten thuis in een pot bewaarde tot archieven van overheidsinstellingen. Voor je onderzoek kan het dan interessant zijn om de andere teksten die daartoe behoren te bekijken.” “Mijn vriend heeft Trismegistos ook heel veel gebruikt, voor zijn onderzoek naar muzikanten in de oudheid. Hij maakte eerst een studie van alle Griekse woorden die verband houden met muzikanten: instrumenten, dansen ... Die kon hij vervolgens gaan opzoeken via ‘Words’. We hebben er dus allebei echt wel veel aan gehad.”

© Museo Nazionale Romano

In haar masterproef gebruikte Lore ook de unieke identificatienummers die Trismegistos geeft aan elke bron. “De lezer ziet dan heel duidelijk om welke bron het gaat en kan ook makkelijk alle bijhorende gegevens opzoeken. Zonder dat TM-nummer moet je telkens kiezen welke tekst­ editie je in je voetnoten vermeldt, en dan kan het snel verwarrend worden.”

—

Een mozaïek uit het Museo Nazionale Romano, met Grieks opschrift (‘Ken uzelf’) en skelet. Het is een ‘memento mori’, een voorstelling die mensen eraan herinnert dat ze sterfelijk zijn, vermoedelijk uit de eerste eeuw na Christus.

Lore volgde vorig academiejaar een aanvullende opleiding: de master in de Europese studies. “Trismegistos kwam daar op zich niet meer van pas, maar het hielp me zeker dat ik geleerd had hoe je efficiënt informatie opzoekt en filtert.”


60

ALUMNUS — Isabeau Sas leert beginnende wijnliefhebbers de kneepjes van het vak

Woorden bij de wijn Met ‘Our Daily Bottle’ ontdoet germaniste Isabeau Sas (35) wijn van zijn wat elitaire imago. Het bedrijf richt zich op millennials, doet zoveel mogelijk digitaal en houdt je flesje bordeaux betaalbaar. Door haar passies voor taal en wijn te blenden, helpt Isabeau liefhebbers ook om de juiste woorden te vinden bij wat ze proeven. Een roeping die haar naar meerdere uithoeken van de wereld bracht, van de aula’s in Leuven tot de wijngaarden in Stellenbosch. “Elke wijn vertelt een eigen verhaal. Dat houdt het boeiend.”

M

isschien heb je het al meegemaakt: je zit met vrienden op restaurant, bestelt een fles wijn en de ober vraagt of jíj wil proeven. Verder dan ‘rood’ of ‘wit’ kom je niet. Aan het tafeltje naast je hoor je een gezelschap uitweiden over ‘het gebald bouquet van bes, cacao en ceder’, ‘het vleugje hout in de neus’, en ‘de zalvende textuur’. Zo moet het dus, denk je. En vooral: dat leer ik nooit. “Een compleet verkeerde ingesteldheid”, lacht Isabeau Sas. “Het heeft me altijd gestoord dat wijn een wat snobistisch imago heeft en dat men er soms hoogdravend over doet. Dat komt heel intimiderend over. Vaak zeggen mensen verontschuldigend: ‘Ik drink graag wijn, maar ik ken er niks van.’ Terwijl je echt geen honderd boeken hoeft te lezen om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Iedereen heeft zintuigen, dus iedereen kan proeven. Het komt erop neer om je zintuiglijke gewaarwordingen onder woorden te brengen, en dat vergt soms wat hulp.”

Wijnkenner? Isabeau wil mensen op een laagdrempelige manier kennis bijbrengen over wijn. Onder de naam Our Daily Bottle lanceerde ze een webshop en een online abonnementsformule. Leden ontvangen elke maand een koffertje met een witte en een rode wijn, vergezeld van een magazine met achtergrondinfo.


61

—

“Het heeft me altijd gestoord dat wijn een wat snobistisch imago heeft en dat men er soms hoogdravend over doet. Dat komt heel intimiderend over.”

© Nouchka


62

“Je hoeft echt geen honderd boeken te hebben gelezen over wijn om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Iedereen heeft zintuigen, dus iedereen kan proeven.”

“We proberen klanten de basics bij te brengen. Niet: deze wijn heeft 18 maanden op een eikenhouten vat gelegen en de druiven bestonden bij het oogsten uit zoveel procent suiker ... Nee, we zoomen in op de belangrijkste druiven waarmee de wijnen die we meegeven zijn gemaakt. Zo leer je die smaken ontdekken en herkennen. Sinds kort organiseren we ook een online wijncursus, waarmee je het in dertig dagen van liefhebber tot ‘kenner’ schopt.” Elke maand focust Our Daily Bottle op een andere streek of wijngebied. “De ene keer kiezen we bijvoorbeeld voor barraida-wijnen uit Portugal, de andere keer voor een riesling uit de Duitse Rijnstreek of voor een bordeaux uit Frankrijk. Zo breiden mensen geleidelijk aan hun smakenpalet uit en leren ze iets bij over de typische kenmerken van een wijn. Over de wijnboeren die hem maken, de grond waarop de druiven zijn geteeld, de klimatologische omstandigheden van het wijnjaar … Elke wijn vertelt zijn eigen verhaal. Dat is ook wat me er zo in aanspreekt.”

Met de paterkes ‘Verhalen’ en ‘taal’, het zijn twee woorden die wel vaker opduiken tijdens ons gesprek met Isabeau. Als 18-jarige trok ze naar Leuven om er Germaanse te studeren, maar ze was al veel vroeger overtuigd van haar liefde voor de letteren. “In het zesde leerjaar moest ik een spreekbeurt geven over ‘mijn held’. In tegenstelling tot klasgenootjes die kozen voor een voetballer of popzangeres, hield ik m’n praatje over Shakespeare (lacht). Als tienermeisje droomde ik dan weer van een carrière in de journalistiek. Ik ben altijd ontzettend geboeid geweest door woorden – poëzie, romans, theater … Een opleiding taal- en letterkunde leek me dus de logische keuze.”


63 “Men zegt soms dat je onder de dertig euro geen goeie wijn vindt, maar da’s onzin.”

George Clooney

© awehmybru

Isabeau was naar eigen zeggen geen modelstudent en skipte weleens lessen. “Maar als ik moest studeren, zette ik wél alles op alles. Een leraar godsdienst gaf me ooit de raad dat je moet ‘opstaan met de paterkes’. Tijdens de blok zat ik dan ook al om vier uur ’s ochtends achter mijn cursussen. Da’s zalig, want tegen acht uur – als de dag voor veel mensen begint – heb je al geweldig veel kunnen doen. Tijdens drukke periodes doe ik het soms nog. Dan hou ik een monk week (lacht).”

Stellenbosch In haar derde jaar verruilde Isabeau haar ‘kloostercel’ in Leuven voor de weidse landschappen van Stellenbosch. Via een uitwisselingsprogramma rondde ze er haar bachelor af en bleef er hangen voor een Master of Philosophy in Applied Linguistics. Ze ging er in eerste instantie heen voor het avontuur, maar er was nog iets anders dat haar aantrok in de Zuid-Afrikaanse universiteitsstad. “In mijn motivatiebrief vermeldde ik mijn liefde voor Zuid-Afrikaanse literatuur, maar de wijngaarden zaten er ook voor iets tussen (lacht). Ik heb altijd liever wijn dan bier gedronken. In Stellenbosch ben ik echt verliefd geworden op de wijncultuur. Je ontkomt er ook niet aan: studenten trekken naar wijngaarden, gaan wijn proeven en organiseren wijnfestivals. Gaandeweg wilde ik ook de industrie leren kennen, en begon ik als jobstudent op een wijndomein.” Na haar afstuderen waagde Isabeau zich aan enkele journalistieke stages, maar al snel bleek dat haar interesse­gebied zich had verlegd. “Ik kon eindelijk doen wat ik altijd had gewild, maar het voelde niet meer ‘juist’. Ik begon me af te vragen of een bestaan als journalist wel iets voor mij was. Bovendien miste ik Zuid-Afrika en – je kan het al raden – de wijn ... Uiteindelijk vond ik een tussenweg: ik ging aan de slag als Marketing & Communication Manager bij een wijndomein in Stellenbosch. Ideaal, want ik kon mijn twee passies voor het eerst combineren.”

Einde van het luikje ‘studententijd’, zou je denken, maar na vier jaar keerde Isabeau nog even terug naar de schoolbanken. In Bordeaux volgde ze een MBA in wijnmarketing. “Zo heb ik de business echt leren kennen en deed ik kennis op over de economische kant van de zaak, wat natuurlijk niet aan bod komt in een taalopleiding. Ik ontmoette er ook tal van jonge vinofielen, uit alle uithoeken van de wereld.” Via via wist Isabeau een job te bemachtigen bij een Franse wijnexporteur. Ze trok voor acht maanden naar de VS, om daar bordeauxwijn aan de man te brengen. “Als sales manager heb ik de hele West Coast afgereisd”, vertelt ze. “Een ervaring die ik niet zou willen hebben gemist, maar na een tijd werd het een eenzaam bestaan. Ik voelde me zoals George Clooney in de film Up in the Air. Ik trok van luchthaven naar luchthaven, sliep in hotelkamers en leefde uit mijn koffer.” In Amerika deed ze wél inspiratie op voor Our Daily Bottle. “In de VS staat de wijnmarkt nog in zijn kinderschoenen. Slechts twintig procent van de bevolking drinkt er wijn, en de groei komt er voornamelijk van de jonge bevolking. Daar is het geen stoffig, maar net een heel hip product. Bij ons is het omgekeerd: we staan wereldwijd op plaats vijf qua wijnconsumptie – best apart voor een land dat zelf amper wijn produceert –, maar bij jongeren neemt de interesse af. Ik vond inspiratie bij jonge wijnmakers in de VS, die erin slagen om hun product een eigentijds imago mee te geven. Bijvoorbeeld door de focus te leggen op de duurzame productie of in te zetten op online aanwezigheid en toegankelijke communicatie.”

Prijskaartje Zo vond ze ook het gat in de Belgische wijnmarkt: een digitaal wijnplatform voor millennials. Met dat idee nam ze deel aan een businessplanwedstrijd van de Vlaamse Overheid, belandde in de finale en startte Our Daily Bottle op. Met succes: het bedrijf is inmiddels aan zijn vijfde jaar toe en het aantal abonnees blijft toenemen.


64

—

“Mijn vader runt een wijndomein in Zuid-Afrika, en samen maken we onze Baba Yetu-wijn. Daarnaast produceert Our Daily Bottle wijnen die volledig gemaakt worden met één druifsoort en bedoeld zijn als lesmateriaal.”


65 “Sinds kort organiseren we een online wijncursus, waarmee je het in dertig dagen van liefhebber tot ‘kenner’ schopt.”

“We richten ons volop op millennials, maar het is fijn om te merken dat we met ons concept mensen van allerlei leeftijden aantrekken”, zegt Isabeau. “Mijn twee oudste klanten wonen zelfs in een rusthuis (lacht).” Omdat het bedrijf nog niet veel personeel in dienst heeft, doet Isabeau heel wat zelf. Gaande van het schrijven van het magazine tot het speuren naar en selecteren van de wijnen. Bij dat laatste let ze ook op het prijskaartje. “Het moet betaalbaar blijven. Onze instapwijnen kosten 8 tot 12 euro. Dat is wat mensen er tegenwoordig wel voor over hebben. Men zegt soms dat je onder de dertig euro geen goeie wijn vindt, maar dat is onzin. Wij kopen van wijn­p roducenten die kleinschaliger zijn dan de grote namen, maar wel kwaliteit bieden. Ook zelf kan je soms beter kopen bij een iets minder grote producent, want bij de bekende wijnhuizen betaal je mee voor de promotie.” “Een tijdje geleden hebben we ook enkele eigen merken gelanceerd”, vertelt Isabeau. “Mijn vader runt een wijn­ domein in Zuid-Afrika, en samen maken we onze Baba Yetu-wijn. Daarnaast produceren we wijnen die volledig gemaakt worden met één druifsoort en bedoeld zijn als lesmateriaal, om mensen beter te leren proeven. Je vindt ze online, maar ook in onze ‘tasting room’ in Antwerpen – een wijnwinkel met selfservicebar, waar klanten proevertjes kunnen tappen.”

Droomproject

© awehmybru

De voorbije vijf jaar heeft Isabeau haar bedrijf beetje bij beetje uitgebouwd. Wat brengen de komende jaren? “Idealiter breiden we ons afzetgebied uit”, vertelt ze. “Ik merk dat er interesse is in het buitenland, dus misschien kunnen we op termijn nieuwe markten aanboren. En dan zijn er nog enkele droomprojecten … Ik heb het altijd als mijn missie beschouwd om wijn begrijpelijk te maken voor een breed publiek, dus het zou fijn zijn om er ooit een boek over schrijven. Een achtergrond in taal- en letterkunde is dan ongetwijfeld mooi meegenomen (lacht).” ● (pjb)


66

EDUCATION — Gaming: a sea change in learning

Embraced out of necessity, digital instruction shows what it can do It’s safe to say that when students went home during the first coronavirus lockdown, education systems around the world were not particularly ready. Yet teachers had help. Whilst leading classes over Zoom, teachers also relied on the one tool they could readily deliver to students at home: digital games. This emergency reliance on digital instruction just might be the harbinger of a sea change in education in the 21st century.

“In a game you get this intrinsic motivation, you’re actively working with the tools, content, skills and knowledge.”

I

n Flanders, all primary students were given access to programmes such as Bingel, a collection of hundreds of learning games in one software package. This sort of digital instruction delivered several immediate benefits. First, it directly addressed the challenges of the pandemic by filling in for sick teachers or just plugging holes in the already-extant teacher shortage in Belgium.

Second, gaming environments offered students the benefits of autonomy, competency and relatedness that are recognised hallmarks of intrinsically motivated learning. “Collaborative learning is important, dealing actively in your mind with the content is important, and of course in a game you get this


© 2021 by eMedia Research Lab

67

—

Minister Nurmohamed (with tie) at a seawall reinforced by a planting of bamboo. “The sea level is rising in Suriname, too.”

Virtual Feed helps expectant mothers acquire breastfeeding skills. Users hold a physical doll that appears to come to life within different simulated environments.

intrinsic motivation, you’re actively working with the tools, content, skills and knowledge,” says Professor Kristof De Witte, who studies the economics of education at the Faculty of Economics and Business. Third, digital instruction allowed for more personalised instruction for each student according to ability and even personality characteristics. “The buzzword in education is that we should solve difficulties in learning with differentiation, we should make sure the teacher is doing different things with different groups,” says De Witte. “With digital instruction that’s very easy. You can have pre-tests, and feedback based on students’ background and interests, you can have skill drill ... all of those things are very difficult for teachers in a regular class.” Digital instruction, in contrast, allows students to work through exercises at their own level and at their own pace.

Digital instruction has also found a home at the university level. Professor Maarten Vergauwen, a member of the Geomatics Research Group in the Faculty of Engineering Technology, noticed that some of his students had trouble with surveying maths and spatial analysis and instituted a game to remedy this deficiency. “We started developing the game before the pandemic, but obviously this was just perfect timing because they were not able to do any lab sessions in their first year due to COVID,” says Vergauwen. “It’s not a perfect alternative, but it’s something.”


68 “A game is not a perfect alternative, but it’s something.” Gaming goes virtual Games that drill skills are useful, but digital instruction is capable of much more. There is a great deal of progress being made in Virtual Reality (VR) and Augmented Reality (AR) education. In this realm, it’s the next generation of academics leading the charge. One example is the Puzzling Tombs project, a VR representation of the tombs at the Dayr al-Barsha excavation site in Egypt that allows users in Belgium to match broken fragments of tomb walls. “It actually looks like a game,” says its creator, PhD student Roberto de Lima Hernandez, “because we scanned the tombs with a laser scanner and textured it with photogrammetry so you have a photo-realistic model of the site.”

© KU Leuven – RS

Professor Maarten Vergauwe (Geomatics Research Group) instituted a surveying game to assist his students with maths involved in spatial analysis.


69

VR can expand digital instruction in emotional and empathetic terms as well. Virtual Feed is an immersive breastfeeding simulation developed by another PhD student, Kymeng Tang. Users hold a physical doll that appears to come to life within different simulated environments, allowing expectant mothers to practise the experience of nursing. The simulation offers instant feedback and most importantly, as Tang reports, reflection: “We found that there were pure emotional responses, and people would reflect on the breastfeeding experience. There were people who thought it was more difficult than they expected, but not in a discouraging way.” There are, however, philosophical quandaries inherent to digital instruction in the VR world. Tang believes that introducing game elements in his breastfeeding simulation may increase interest, but notes: “We think that adding gaming elements contradicts the idea of showing a nuanced experience. One aspect of breastfeeding is the uncertainty: Is the baby full yet? Why is it crying? But by showing game elements that give explicit feedback, you contradict that uncertainty.” Pain is also absent in the simulation, despite its very real presence in the breastfeeding experience. “It’s a line we want to draw,” says Tang. “Conveying pain might be deemed inappropriate, it’s a delicate matter for the user.”

Educational support or mainstay? Other more practical issues complicate the greater implementation of digital instruction. One major problem is that there is a shortage of appropriate software. Creating a successful game requires expert input from teachers and game developers for months at a time and at a potential cost of millions of euros. Even when games are available, teachers in classrooms are rarely given the training necessary to properly incorporate digital instruction into their curriculum.

All of which means that, for now, digital instruction will continue to support teachers, rather than the other way around. Professor Kathrin Gerling of the Faculty of Engineering Technology has neatly summed up the near-term outlook: “We tend to have expectations of what games and technology can deliver that are not realistic. It would require a new societal contract if you say, ‘Look, we want to hand this learning over to machines.’ That would be a change to the learning experience in ways we can’t really anticipate right now.” ● (gp)

“It would require a new societal contract if you say, ‘Look, we want to hand this learning over to machines.’ That would be a change to the learning experience in ways we can’t really anticipate right now.”


70

CULTUUR — Kunsthistorica Barbara Baert over het wat en waarom van de kunstwetenschap

Kunde bij de kunst

In de zestiende eeuw al nam de Italiaanse schilder Giorgio Vasari in Le Vite de levens van kunstenaars onder de loep, van de middeleeuwen tot zijn eigen tijd. Maar wanneer zijn de kunst­wetenschappen een échte wetenschap geworden? Wat doet een kunstwetenschapper zoal? En welke recente evoluties loodsen het vakgebied de toekomst in? Professor Barbara Baert doet het uit de doeken en illustreert één en ander met voorbeelden uit haar eigen werk.


71

—

“De kunstwetenschap is een prachtige discipline omdat ze zo veelzijdig is.”

© KU Leuven – RS


72

Madonna del Parto, Piero della Francesca © Monterchi, Museo della Madonna del Parto

—

“Onlangs heb ik met studenten twee uur gepraat over één fresco van Piero della Francesca. Ik denk dat jongeren daar honger naar hebben, naar de mogelijkheid om langer dan gewoonlijk bij de dingen stil te staan.”

P

raten met kunsthistorica Barbara Baert voelt een beetje als tijdreizen. Het ene moment bevinden we ons in de bibliotheek van een negentiende-eeuwse kunstwetenschapper, het volgende neemt ze ons mee naar Woody Allens New York of naar een Italiaans kerkje uit de tijd van Da Vinci. De rode draad: begeestering voor de kunst én de wetenschap erachter. “De kunstwetenschap is een prachtige discipline omdat ze zo veelzijdig is”, vertelt ze. “Dat spreekt studenten er ook zo in aan, denk ik. Toch merk ik – jammer genoeg – dat ze zich soms moeten verantwoorden voor hun studiekeuze. Ik stel hen al tijdens de eerste les gerust: ‘Jullie hebben een fantastische keuze gemaakt. We gaan van jullie erudiete mensen maken.’ (lacht)”


“Beelden en motieven veranderen in de loop der tijd. Ze evolueren. Het is bijna darwiniaans.”

“Kunstwetenschappers hebben geleerd om beeld, kunst en – daar komt het op neer – schoonheid te vatten in taal. Ze kijken met een professionele blik, zodat ze kunnen zeggen uit welke periode een schilderij of beeldhouwwerk stamt, binnen welke kunststroming het past of van welke technieken de artiest heeft gebruikgemaakt. Sommigen gaan die kunst ook analyseren en inhoudelijk onder de loep nemen. En dan is er nog de praktijk: hoe je kunst of erfgoed bewaart en conserveert. Of hoe je werken verzamelt, tentoonstelt en duidt voor een breed publiek.”

Darwin in de kunsten Baerts eigen vakgebied is de iconologie, die de onderwerpen van beeldende kunst in een cultuurhistorisch kader plaatst. “Iconologen zijn geïnteresseerd in de bredere thema’s en de archetypes die door de eeuwen heen zijn ontstaan”, vertelt ze. “Om je een voorbeeld te geven: mijn laatste onderzoeksproject ging over ‘Kairos’. In de Griekse mythologie was de god Kairos de personificatie van ‘het juiste moment’, hét moment om iets voor elkaar te krijgen. Sinds de Grieken is dat concept blijven doorleven in de kunst en literatuur: het heeft talloze artiesten geïnspireerd en verschillende verschijningsvormen gekend. Bij de Romeinen had je bijvoorbeeld Occasio, de godin van de gelegenheid. En ook in de middeleeuwen en de renaissance duiken varianten op. Ik heb geprobeerd om Kairos in zijn verschillende gedaantes op te sporen en aan te tonen dat een beeldcultuur niet statisch is – beelden en motieven veranderen in de loop der tijd. Ze evolueren. Het is bijna darwiniaans.” Net zoals ze zich weigert te beperken tot één specifieke periode of cultuur, kijkt Baert ook geregeld over de grenzen van de vakgebieden heen. “De kunstwetenschap léént zich daar ook toe. Het is als het ware een ‘uitklapbaar’ vakgebied, omdat het raakt aan tal van andere disciplines binnen de humane wetenschappen. Onze studenten krijgen bijvoorbeeld ook vakken rond geschiedenis, literatuur en filosofie. En heel wat kunstwetenschappers werken samen met theologen. Dat moet ook: de Bijbel was lange tijd de belangrijkste bron voor kunst, dus als je daar dieper wil op ingaan, moet je ook weten wat de exacte kennis erover was in bepaalde periodes, of uit welk Bijbelvers of uit welke christelijke beeldtraditie de kunstenaar inspiratie haalde.”

Grondleggers Voor haar onderzoek vindt Baert inspiratie bij de Duitse kunsthistoricus Aby Warburg, de grondlegger van de iconologie en volgens haar ook de vader van de moderne kunstwetenschap.

“Je kan de kunstwetenschap op verschillende momenten laten beginnen”, vertelt ze. “Een van de pioniers is bijvoorbeeld Giorgio Vasari. Een Italiaanse schilder en architect uit de zestiende eeuw, die een duizend pagina’s tellend boek uitbracht over de levens van kunstenaars vanaf het jaar 1300 tot zijn eigen tijd. Le Vite is een standaardwerk in de kunstgeschiedenis, tot op vandaag. Maar Aby Warburg vind ik belangrijk omdat hij ons vakgebied heeft ontvoogd, er een échte wetenschap van heeft gemaakt.” “Lange tijd was kunstwetenschap een metier dat werd uitgevoerd door ‘connaisseurs’. Veelal liefhebbers met een getrainde blik en heel wat achtergrondkennis, die op basis van bepaalde elementen in een werk konden zeggen: dit schilderij heeft Rubens volledig zelf geschilderd en dit is er eentje uit zijn studio, gemaakt door z’n medewerkers. Dat is uiteraard belangrijk, maar Warburg vond die benadering te beperkt. Hij zag kunstuitingen als beelden die reizen door tijdperken en culturen heen, en wilde uitzoeken waar motieven – terugkerende onderwerpen en thema’s – in hun ‘oervorm’ vandaan komen.” “Hij was daar erg ambitieus in”, zegt Baert. “Hij wilde een geschiedenis van het beeld maken, van de rotsschilderingen in Chauvet tot zijn eigen tijd. Hij had een gigantische bibliotheek, met meer dan 60.000 boeken die hij ‘associatief’ classificeerde. Zo was hij geïnteresseerd in het ‘oermotief’ van de nimf in de kunst en had hij daar in z’n bibliotheek een hele afdeling over. Vlak naast een boek over de nimf in de Griekse mythologie vond je er een over de Mesopotamische cultuur, omdat ze daar ook al opduikt. Bij elk nieuw inzicht dat hij opdeed, begon hij de bibliotheek opnieuw in te richten (lacht). Aan het eind van zijn leven werkte hij dan weer aan zijn Bilderatlas, een cultuurgeschiedenis die volledig bestond uit associatieve beelden, zonder tekst.”

Woody Allen Net als Warburg gaan iconologen op zoek naar verbanden binnen de kunst. Maar dat wil niet zeggen dat je er zomaar op los mag associëren, zegt Baert. “Er is begrenzing nodig. Daarom spits ik me toe op gevalstudies.” “Onlangs heb ik een boek geschreven over de representatie van regen in kunst, aan de hand van concrete voorbeelden. Ik werk rond de symboliek van regen, maar ga ook in op de weergave in het plastische medium. Veel kunstenaars vonden het moeilijk om iets atmosferisch als regen te boetseren of op doek te krijgen, sommigen waren er zelfs volledig door geobsedeerd. Dat laatste zie je bijvoorbeeld goed bij de Britse schilder William Turner. In één van de hoofdstukken ga ik dan ook uitgebreid in op zijn werk. Of ik zoom in op de rotsschilderingen van de Sãn, een volk dat 20.000 jaar lang in Zuid-Afrika leefde en veel belang hechtte aan regensymboliek en -ceremonies.”

73


74 “We hebben nogal snel de neiging om te zeggen dat we worden overspoeld door beelden. Maar dat zei men in de middeleeuwen ook al.”

Baert heeft ook de rol van regen in het werk van Woody Allen onderzocht: “Ik ben altijd een fan van zijn films geweest, en het viel me op dat regen er als een weerkerend motief in voorkomt. Een regenbui geeft aanleiding tot een soort van openbaring. Personages krijgen een inzicht, het scenario slaat om, of er volgt een sensuele scène. Denk aan de vrijscène in de regen uit Match Point. Of aan Manhattan, waarin de hoofdpersonages tijdens een regenbui een museum in vluchten en voor het eerst open met elkaar praten, zichzelf tonen. Dat vond ik frappant.”

Ruime blik Ook studenten kunstwetenschappen worden aangemoedigd om zélf na te denken over de betekenis van een kunstwerk en te zoeken naar originele invalshoeken. “Dat levert vaak fijne brainstorms op. Onlangs heb ik met studenten twee uur gepraat over één bepaald fresco van Piero della Francesca, uit de vijftiende eeuw. Ik vind het fantastisch dat zoiets kan, en ik denk ook dat jongeren daar soms honger naar hebben, naar de mogelijkheid om iets langer dan gewoonlijk bij de dingen stil te staan ...”

—

Grisaille met allegorie van de gelegenheid (omgeving van Andrea Mantegna (1431-1506)). Een jongeling reikhalst vergeefs naar een gevleugelde vrouw op een globe: Occasio of de unieke gelegenheid. “‘Kairos’ is een concept dat sinds de Grieken is blijven doorleven in de kunst en literatuur. Ook in de middeleeuwen en de renaissance komt het voor.”

Elke kunstwetenschapper moet ook een beetje literatuurwetenschapper zijn, aldus Baert. “Lezen maakt je rijker als mens, empathischer. En ook reizen is belangrijk. Musea bezoeken, maar ook de cultuur van een land in je opnemen. Kijk naar de landschappen, naar de mensen – dan begrijp je bepaalde werken beter. Het verruimt je blik. Als je naar Italië reist, ga dan kijken naar het werk van Da Vinci. Maar trek ook naar het platteland, naar de kleinere kerkjes waar werken van zijn tijdgenoten hangen. Pas dan begrijp je zijn genie en zie je hoe hij zich heeft losgemaakt van de heersende iconografie.” Heel wat studenten nu zijn opgegroeid met de beeldcultuur van social media. Dat kan gevolgen hebben voor hoe zij met beeld omgaan. “We hebben nogal snel de neiging om te zeggen dat we worden overspoeld met beelden. Dat zei men in de middeleeuwen ook al. Denk maar aan de gotische kathedralen, die versierd werden met beelden en sculpturen. Vroeger werden die ook nog eens verguld, of in felle kleuren geschilderd, dus dat moet een kakofonie zijn geweest (lacht). En de impact daarvan op de mens was wellicht óók zeer groot.”

© Museo della Città nel Palazzo di San Sebastiano

Digitaal “De digitalisering maakt het leven misschien wat jachtiger, maar het trage proces van lezen, kijken en opzoeken zal binnen de kunstwetenschappen niet verdwijnen”, zegt Baert. “Bovendien biedt die digitalisering heel wat voordelen. Voor het conserveren van erfgoed, bijvoorbeeld. Doordat we eeuwenoude manuscripten kunnen digitaliseren, hoeven onderzoekers ze niet meer aan te raken, met het risico op beschadiging. En algoritmes kunnen ons dan weer helpen bij analyses en het zoeken naar verbanden tussen beelduitingen en motieven in de kunst.” “Daarin ligt een deel van de toekomst van de kunstwetenschappen”, zegt Baert. “Eigenlijk is Aby Warburg te vroeg geboren. Mocht hij vandaag leven en horen dat je via algoritmes beeldengroepen kan clusteren, en zo de grote archetypes ontraadselen … hij zou een gat in de lucht springen (lacht).” ● (pjb) Looking Into the Rain. Magic, Moisture, Medium is uitgegeven bij De Gruyter.


KORTVERHAAL — Writer in residence Annelies Verbeke

© KU Leuven – RS

Om bestwil Annelies Verbeke is een academiejaar lang ‘writer in residence’ aan KU Leuven. Speciaal voor Sonar schreef ze een tweeluik, waarvan u hier het eerste deel kan lezen.

75


76

E

n de hemel maar huilen. Druppels vallen op boomkruinen, op mensenkruinen, van boomkruinen op mensenkruinen. De honden ruiken nu vast intenser naar hond, denkt Juliette Van Brabant. In het park, de hoek die ze ervan kan zien, gooit een baasje een frisbee naar een labrador. Het dier springt verschrikt achteruit, zijn achterpoten reageren met enige vertraging, zijn mond valt ervan open. Hij schudt zijn natte vacht uit in de regen terwijl het baasje een braamstruik plattrapt om de frisbee te bevrijden. Hier mogen geen honden binnen, en ook alweer een tijd geen baasjes meer, niemand mag hier binnen, op het verzorgend personeel en de dokter na. Toen Kyara haar gisterenavond met de deken aan de matras kwam bevestigen, vertelde ze dat het bestuur de aankoop van enkele interactieve robothonden overwoog. Van het merk Hasbro. Voor de dementenafdeling, mogelijk zelfs voor alle bewoners. Juliette hoopt maar dat het er niet van komt. Niemand meer in de hoek van het park. Achter zich hoort ze het gerammel van de trolley; Sandrina vandaag, de deur, haar stem. Juliette is gevoelig voor stemmen, vooral voor die van Sandrina. De toon, met name. Betuttelen en zeuren tegelijk, Sandrina kan dat bij elke mededeling. Met haar neus boven haar mondmasker. 'Jij hebt geluk, hè, dat je hier binnen zit.' Ze wijst met haar kin naar het raam. Volmaakte blindheid voor andermans positie, dat kenmerkt Sandrina ook. Al wil Juliette de waterkans erkennen dat de vrouw het – onhandig en omslachtig – troostend bedoelt, in de trant van: 'Vandaag is het gezien de weersomstandigheden niet de allerergste dag om gevangen gehouden te worden in een woonzorgcentrum'. Ze zit inmiddels op haar knieën,

verwijdert met een pincet het kleverige compres van Juliettes sukkelbeen. Ze is voorzichtig maar snel, geroutineerd, ervaren. Juliette stoot een obligaat teken van leven uit, het wordt iets tussen knor en woord. Ze kijkt naar de regen. Naakt te zijn en jong! Met open armen in een stortvloed staan! Heeft ze nooit gedaan. Niemand deed dat, doet dat. Toch niet bij haar weten. 'Als je zo mompelt kan ik je niet verstaan!' roept Sandrina. 'Regen', zegt Julliette. 'Jaja, jij zit hier goed. Ik moest erdoor. Om voor jullie te komen zorgen.' 'Ik ben ook verpleegster geweest.' Juliette glimlacht begrijpend. Een opwelling. 'Serieus?' Sandrina's pupillen worden wijder, haar stem vloeit over in een minder invasieve versie, de zon die schijnt op een koude rivier. 'Dat heb je mij nooit verteld.' 'Vijfenveertig jaar op een geriatrische afdeling gewerkt', lacht Juliette. 'En zie mij hier nu zitten. Oud en kreupel.' 'Och!' Sandrina plakt het nieuwe compres vast met een speels vingergebaar, gaat staan en lacht mee met haar patiënte, die een collega blijkt, een lotgenoot. Ze wrijft haar over de rug, een aanraking die Juliette overrompelt, tot haar verbazing, tot haar schrik. 'Oud worden we allemaal!' roept Sandrina hyperenthousiast. Niet veroudering maar de dood is de grote gelijkmaker, weet Juliette. Ze denkt aan Elsje, haar lieve schat,

Naakt te zijn en jong! Met open armen in een stortvloed staan! Heeft ze nooit gedaan.


77

haar eersteling, haar boreling, het blauwe neusje, het kleine graf. Dat ze al schandalig lang niet heeft bezocht. En ze mag hier niet weg! Een vuist balt zich om Juliettes maag, trekt aan haar onderbuik en hart.

Hun fladderende blikken raken elkaar maar even aan. De gemeenplaatsen loeren, de blijdschap wordt onwenniger. Onwenniger en vaster, dieper, iets wat een verlies zal worden.

'Maar zoetje, toch, niet wenen, zo is het leven toch.'

'Morgen komt Emine', zegt Sandrina. 'Maar overmorgen ben ik hier weer.'

Nee, zo is de dood, denkt Juliette, maar ze wil Sandrina niet tegenspreken, het strelen van haar rug gaat door, ze wil nu dat het doorgaat.

'Hou je goed.' 'Jij ook.'

'Toen ik verpleegster was kon ik soms gek worden van de gedachte dat ik aldoor naar pis en kak rook', zegt Juliette. 'Hahahahaha!' Sandrina laat de vullingen in haar kiezen zien. 'Dat ken ik!' Fascinerend, vindt Juliette, deze transformatie. Sandrina is veel mooier plots, ze is mooi dik, in feite, iets wat Juliette ook altijd van zichzelf vond. 'Koffietje?' vraagt ze. 'Ik zou wel willen, maar ik heb geen tijd.' Spijt op Sandrina's gezicht, het strelen stopt. Ze opent de pedaalemmer met haar voet en klaart weer op, gooit haar hoofd weer in haar nek: 'Dat ik naar pis en kak rook!' 'En wondvocht en braaksel en andermans zweet!' giert Juliette met haar mee. Sandrina komt niet meer bij. 'O, dat deed deugd', zucht ze na enkele melodieuze uitademingen, onderbroken door nog wat kabbelend gegrinnik. 'Merci.' 'Jij bent bedankt.'

De een houdt de blik op het raam gericht en de ander loopt zonder omkijken naar de deur. Naast het raam van Juliettes kamer staat een notenboom die aan bacteriebrand lijdt. Ze had het al langer in de gaten: nog zo'n vochtig jaar en alle walnoten verslijmen in hun bolsters. Te veel gesnoeid, ze had het nog gezegd, maar niemand had haar goede raad geregistreerd. Ze had toen besloten geen advies meer te geven, ze hield zich eraan, het viel niemand op, ze moet zich met de onzichtbaarheid verzoenen, dat is al langer de les. Haar grootste onderscheiding, haar diploma in de biologie, ze hebben er nooit toe gedaan. Ze kon even­ goed een ander leven hebben geleid. Als verpleegster, bijvoorbeeld. Juliette schaamt zich niet over wat ze Sandrina heeft verteld, integendeel. Te lang heeft ze de omgang met anderen als aderlatingen beschouwd. Dat hoeft niet, vindt ze nu. Mensen wachten op begrip en plezier, Juliette kan hun die verschaffen. Ze kan een verleden kiezen, geweest zijn wie ze wil. Ze heeft er de tijd voor nu, zeeën, waarin ze op haar rug kan drijven om dieren te zien in wolken. Ze voelt aan elk lichaamsdeel dat ze heeft gelachen. Steeds lichter worden voor het verdwijnen, dat zou nog eens een finale zijn. ●

Juliette schaamt zich niet over wat ze Sandrina heeft verteld, integendeel. Te lang heeft ze de omgang met anderen als aderlatingen beschouwd.


78

ZES EEUWEN KU LEUVEN — Hoe Leuven zijn 'hortus botanicus' kreeg

De kiemen van de Kruidtuin

© KU Leuven – Universiteitsarchief

‘Den botanieken hof’, zoals de Leuvenaars hun Kruidtuin noemen, bestaat tweehonderd jaar. En zelfs langer dan dat, als je zijn bescheiden voorganger aan de overkant van de Kapucijnenvoer meerekent. In die twee eeuwen is de ‘hortus botanicus’ geëvolueerd van een onderwijstuin waar studenten kennis oogstten naar een plek waar bezoekers rust kunnen plukken.

—

Een tekening van de (tweede) ‘Jardin Botanique’, gemaakt rond 1825


79

© KU Leuven – Universiteitsarchief

Een blik in de oranjerie (ca. 1900), gebouwd voor het overwinteren van exotische en vorstgevoelige planten, zoals citrusbomen

H

oewel planten al in het oude Egypte en in Mesopotamië genezende krachten toegeschreven kregen, duurt het tot de zestiende eeuw voor universiteiten beginnen te denken aan een eigen tuin. Daarmee kunnen ze het botanica-onderwijs aanschouwelijk maken voor hun studenten geneeskunde. Pisa en Padua krijgen midden zestiende eeuw een hortus botanicus, de universiteit van Leiden begint vanaf 1590 een eigen tuin aan te leggen. Het wordt zowat een must voor elke zichzelf respecterende universiteitsstad. Toch zal Leuven nog een hele tijd moeten wachten. Waarom? Misschien beschikt de stad, dankzij haar talrijke kerken en kloosters, al over genoeg tuinen met studiemateriaal. Geneeskunde en botanica behoren aanvankelijk ook niet tot de speerpunten van de universiteit. Pas in 1617 krijgt botanica een officiële plaats in het curriculum: een apotheker moet voortaan zijn planten kennen.

Ach, die ananas Voor een eigen kruidtuin is het wachten tot de achttiende eeuw, wanneer geneeskundeprofessor Hendrik-Jozef Rega als rector volop investeert in de wetenschappelijke infrastructuur die nodig is voor proefondervindelijk onderwijs. Een hortus botanicus mag niet ontbreken. De keuze valt op een patriciërswoning met tuin en serres op de hoek van de Kapucijnenvoer en de Minderbroedersstraat. Vanaf 1738 wordt daar de eerste botanische tuin aangelegd. De planten komen onder meer van een hoogleraar die over een kleine tuin beschikt voor zijn apotheek. Studenten geneeskunde trekken in de zonnige maanden geregeld naar de universitaire tuin, waar ze onderricht krijgen van de titularis van de leerstoel botanica. Hij zorgt ook voor het beheer van de tuin: hij is hoofd van het personeel, kijkt toe op de bewaring van de zaden, en spreekt zijn netwerken aan om nieuwe planten te bemachtigen. De meest illustere is hoogleraar geneeskunde Joannes Michaux, die de rol bijna een halve eeuw lang vervult. Onder zijn impuls neemt het prestige van de tuin flink toe, maar er zijn ook klachten: hij zou te weinig tijd hebben voor zijn patiënten en te laat komen voor de mis. En welk nut hebben zijn geliefde ananassen in een medicinale plantentuin?


80 Voer voor zorgen Voor de universiteit is de hortus botanicus een stevige uitgavenpost. Vooral de onderhoudskosten swingen de pan uit. De tuin ligt vrij laag en krijgt geregeld te maken met wateroverlast als de nabijgelegen Voer overstroomt. De beschikbare oppervlakte is bovendien bescheiden, en de tuin moet nog wat ruimte prijsgeven als in 1744 het Anatomisch Theater gebouwd wordt. Toch wil Leuven zijn ‘Jardin des Plantes’ niet opgeven als de Franse bezetter in 1797 de universiteit opheft en haar eigendommen verkoopt. De stad weet het Anatomisch Theater en de botanische tuin daarvan te vrijwaren. Als Willem I na het verdrijven van de Fransen in 1817 de Leuvense Rijksuniversiteit opricht, krijgt die de tuin ter beschikking. Het Nederlandse bewind geeft het wetenschappelijk onderzoek ook extra impulsen, onder meer via een nieuw opgerichte faculteit wis- en natuurkunde.

Kruidtuin 2.0 De bestaande plantentuin is wat te bescheiden voor de ambities. De oplossing ligt aan de overkant van de straat: de tuin van een voormalig kapucijnenklooster, die groter én hoger gelegen is. In 1819 koopt de universiteit de grond aan. De kiem voor Kruidtuin 2.0 is gelegd.

Charles vander Straeten, hofarchitect van Willem I, tekent een poortgebouw en een oranjerie in neoclassicistische stijl: strak en symmetrisch, met typerende rondbogen. Aan de zuidflank van het oranjeriegebouw voorziet Vander Straeten twee halfronde serres. De oranjerie is bedoeld voor het overwinteren van tropische planten zoals palmbomen, die een heuse hype zullen worden. Ten behoeve van de genadeloos groeiende palmen zal het dak nog enkele keren verhoogd worden en zelfs een glazen koepel krijgen. Vandaag heeft de oranjerie overigens weer het strakke silhouet dat Vander Straeten voor ogen had. Professor Adelman, de nieuwe tuindirecteur, zorgt samen met zijn ‘hortulanus’ of hoofdtuinier Andreas Donkelaar voor de aanleg en beplanting van de Kruidtuin. Voor de indeling van de planten volgen ze het systeem van de Zweedse botanicus Linnaeus. Een opmerkelijke figuur in die periode van de Rijksuniversiteit is professor scheikunde Jean-Baptiste van Mons, gerenommeerd pomoloog of fruitkundige. Met een zelf ontwikkelde

—

© KU Leuven – RS

© KU Leuven – Universiteitsarchief

De ‘hortus botanicus’ door de lens van fotograaf Edouard Morren, die de tuin op beeld vastlegde voor het fotoalbum dat de universiteit rond 1900 liet maken. Vooraan de ‘Botanische School’, waarin de planten volgens soorten en geslachten geordend en gelabeld zijn. Links in beeld de oranjerie met de twee halfronde serres, helemaal rechts het poortgebouw, met daarachter het Anatomisch Theater.


81 methode weet hij honderden nieuwe variëteiten te kweken, onder meer in de Kruidtuin. Hij maakt vooral naam als perenspecialist, maar ook de pruimensoort Belle de Louvain danken we aan hem.

Poort naar het verleden Bij de opheffing van de – inmiddels Belgische – Rijksuniversiteit in 1835 wordt de Kruidtuin overgedragen aan het Leuvense stadsbestuur. Als in datzelfde jaar de in Mechelen opgerichte katholieke universiteit naar Leuven verplaatst wordt, blijft de tuin stadsbezit, maar studenten en docenten mogen er gebruik van maken op afgesproken uren. Ook het brede publiek is welkom, zolang bezoekers het maar niet in hun hoofd halen om iets te plukken. De academische belangstelling voor de Kruidtuin verschuift geleidelijk. De analyse van planten voor farmaceutische doeleinden gebeurt steeds meer onder de microscoop, begin twintigste eeuw is de tuin veeleer interessant voor plantkunde an sich en voor het opkomende landbouwonderwijs. Maar naarmate de universiteit elders eigen serres en proefvelden in gebruikt neemt, verdwijnt ook die functie. De hortus botanicus krijgt gaandeweg zijn huidige recreatieve invulling als stadstuin.

In 1976 wordt de oranjerie als monument en de hele tuin als cultuurhistorisch landschap beschermd. In de decennia die volgen maken onder meer een nieuwe tropische serre en een ‘verzonken tuin’ naar Engels model de Kruidtuin extra aantrekkelijk voor de bezoeker. Vandaag kan je er tot rust komen tussen een 4.500-tal plantensoorten, van brandnetel tot blauwe regen. Het systematische deel van de tuin, met aparte perkjes voor 792 verschillende kruiden, herinnert aan zijn wetenschappelijke verleden. Je kan er dus – zeker in dit feestjaar – ook nog wat geschiedenis opsnuiven. Wie langs de Minderbroedersstraat komt, krijgt een extra dosis historie: daar kan je de toegangspoort tot de oorspronkelijke tuin nog zien, met opschrift ‘Hortus Botanicus’. Het plantenonderzoek vind je vandaag dan weer op talrijke plaatsen aan de universiteit: van de state-of-theart serres aan de Celestijnenlaan tot het fruitteeltcentrum in Rillaar. Ja, er is zelfs een KU Leuven Plant Instituut, dat de expertise uit verschillende disciplines bundelt. De universiteit zit misschien niet meer in haar tuin, maar het onderzoek is dus wijder vertakt dan ooit … ● (rvh)

Naarmate de universiteit elders eigen serres en proefvelden in gebruik neemt, krijgt de hortus botanicus gaandeweg zijn huidige recreatieve invulling als stadstuin.

—

Vandaag kan je in de Kruidtuin tot rust komen tussen een 4.500-tal plantensoorten.


82

STORIES

Een greep uit de onderzoeksverhalen op kuleuven.be/stories.

© Shutterstock

Online

Er loopt een communicatielijn tussen je darmbacteriën en je hersenen en die heeft mogelijk invloed op je gevoelens, zoals stress en angst. Psychiater en neuro­wetenschapper Lukas Van Oudenhove zoekt uit of we ooit mensen met een angststoornis kunnen behandelen met bijvoorbeeld pro-, pre-, of antibiotica of met een stoelgangtransplantatie. Korteketen­vet­zuren – die ontstaan als we veel voedingsvezels eten – blijken alvast zeer positieve effecten te hebben.

02 Aristoteles Latinus: puzzelen voor gevorderden

© Saint-Omer, Bibliothèque municipale

01 De lijntjes tussen je darmen en je brein

Middeleeuwse Aristoteles-vertalingen vanuit het Grieks naar het Latijn zorgden ervoor dat de inzichten van de filosoof een gigantische invloed kregen. Bijna een eeuw al bestudeert het project Aristoteles Latinus die vertalingen, om ze in de vorm van kritische edities te publiceren. De ‘Latijnse Aristoteles’ leert ons niet alleen hoe middeleeuwers naar de vader van de wetenschappen keken, maar brengt ons ook dichter bij zijn oorspronkelijke formuleringen.

Bijna de helft van alle fruit gaat verloren tussen pluk en consument. Vaak is schimmel de boosdoener. Onderzoekers aan de Afdeling Moleculaire Biotechnologie van Planten en Micro-organismen bestuderen samen met Ryp Labs hoe formules op basis van essentiële oliën de groei van schimmels kunnen verhinderen. Die formules zouden met een sticker op fruit kunnen worden aangebracht.

© KU Leuven – RS

03 Sticker op fruit voorkomt schimmel

In hun tweede jaar proeven rechtenstudenten voor het eerst van het advocatenberoep. Tijdens werk­colleges leren ze een casus uit te spitten en de rechter te overtuigen met een sterk pleidooi. Tijdens die pleit­ oefeningen behandelen ze uiteenlopende juridische casussen, zoals een geschil over een aangekochte auto, een burenruzie of een faillissement. Het geheim van het pleiten? “Met mooipraterij ben je niks. Je moet vooral inhoudelijk sterk staan.”

© Michiel Hendryckx

04 Het allooi van een mooi pleidooi


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Lothe Ramakers Annelies Verbeke

Lise Detobel Isabelle Van Geet

Met dank aan

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Redactie en beeldredactie

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen

Contact

Fotografie

Vormgeving

Rob Stevens

Altera

Freelancer

Druk

Gaston Kooijmans

Van der Poorten

Sonar@kuleuven.be Abonnement

U kunt een abonnement nemen op Sonar op kuleuven.be/stories.


KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

KULEUVEN.BE/STORIES

Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Oude Markt 13, 3000 Leuven


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
KU Leuven Magazine Sonar n°5 - Jan 2022 by KULeuven_publications - Issuu