Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 31 juni 2022
nr 5
Thema hardlopen Preventie en behandeling van hardloopblessures
Wearables: mogelijkheden en beperkingen
Runningtherapie bij stress en burn-out
U kent Chemodol, de hypo-allergene afwasbare massage-olie. Maar Chemodis heeft meer massage-oliën. Zoals Chemotherm, een massage-emulsie met milde en verantwoorde warmtewerking. Het zuiver plantaardige Olivine, zonder conserveermiddelen en emulgatoren. Chemovine, speciaal voor de sterk behaarde huid.
Over de rug van Chemodol. En, speciaal voor de overgevoelige huid, Chemoderm met natuurlijke werkstoffen en de ongeparfumeerde Baselin Emulsion met biologische eigenschappen. Uw leveranciers kunnen u er alles over vertellen. Of bel voor meer informatie: +31 (0)72 - 520 50 83 www.chemodis.nl
Chemodis B.V.
CHEMODIS
Dat ligt voor de hand
Para-medische Farmacie Postbus 9160 NL-1800 GD Alkmaar Tel. +31 (0)72 - 520 50 83 E-mail: sales@chemodis.nl
colofon
FysioPraxis is het officiële tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en verschijnt 10 keer per jaar. Redactieadres
KNGF Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: fysiopraxis@kngf.nl Coördinatie en eindredactie
redactioneel
Het blessureleed dat hardlopen heet
Liesbeth Immink E: fysiopraxis@kngf.nl T: 033 467 2953 Redactie
Saskia Bon (hoofdredacteur) Sander van de Hoef Corelien Kloek Niek Koenders Judith de Rooij Advertenties
Cross Sjaak Bruins E: sjaak@cross.nl Thijs de Koning E: thijs@cross.nl T: 010-760 73 26 www.cross.nl Adreswijzigingen KNGF-leden
www.mijnKNGF.nl
Abonnementen niet-KNGF-leden Een particulier abonnement kost per jaar € 109 en buitenlandse abonnees betalen € 50 voor een digitale versie (prijswijzigingen voorbehouden). Abonnementen kunnen op ieder moment starten en je betaalt aan het begin van het jaar voor het aankomend jaar. Beëindiging kan op elk moment, met inachtneming van één maand opzegtermijn. Er volgt een verrekening naar rato en teveel betaald abonnementsgeld wordt gecrediteerd.
KNGF, Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: ledenadministratie@kngf.nl T: 033 467 29 29 Verantwoordelijkheid
De redactie beslist over de samenstelling van FysioPraxis. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de door hen geschreven artikelen en het KNGF voor het KNGF-katern. Auteursrecht © 2022 KNGF. Artikelen mogen alleen worden overgenomen en/of vermenigvuldigd na schriftelijke toestemming van het KNGF en met bronvermelding. Voor overname voor commerciële doeleinden vragen we een passende vergoeding. Bladconcept
Jessica Dales, Dock35
Sporten heeft veel voordelen voor zowel de fysieke als mentale gezondheid. Hardlopen is een van de meest uitgevoerde sporten en de coronapandemie heeft nog eens voor een flinke toename gezorgd. Wat niet zo gek is, want toen de sportscholen en sportverenigingen gesloten waren, was het wel mogelijk om de hardloopschoenen aan te trekken, de deur uit te stappen en een stuk(je) te gaan hardlopen. Heerlijk om even je hoofd leeg te maken. Naast de vele voordelen van hardlopen is er, net als bij elke sport, een keerzijde: de kans op een blessure. Blessures zijn vervelend, zorgen voor (lange) afwezigheid van sport en leiden soms tot verlies van plezier. Hardlopen staat al jaren in de top 3 van sporten waarbij de meeste blessures optreden. Niet alleen omdat zoveel mensen hardlopen, ook de blessure-incidentie staat bovenaan in de top 3. De fysiotherapeut speelt een belangrijke rol bij hardloopblessures. Zo werden er volgens de cijferrapportage van VeiligheidNL in 2020 1,1 miljoen hardloopblessures geregistreerd, waarvan een groot deel door de fysiotherapeut behandeld werd. Gelet op de incidentie en prevalentie kun je je afvragen hoe je verantwoord en blessurevrij kunt hardlopen. Wat zouden hardlopers en hun begeleiders anders kunnen of misschien moeten doen? Wat zou de rol van de fysiotherapeut hierin kunnen zijn? Hoe zouden (recidiverende) blessures voorkomen kunnen worden? Allemaal vragen die aanleiding waren om een themanummer over hardlopen te maken met nieuwe inzichten in blessurepreventie en behandeling van hardloopblessures. In dit themanummer vind je artikelen over technische onderwerpen, zoals het gebruik van bewegingsanalyseapparatuur en het gebruik van wearables (sensoren) als data-input. Daarnaast komt ook het mentale aspect van hardlopen aan bod, bijvoorbeeld in de casuïstiek over runningtherapie. We hopen dat dit themanummer je weer nieuwe inzichten en inspiratie biedt en wensen je veel leesplezier!
Vormgeving en drukwerk Cross Foto omslag
Wiep van Apeldoorn
Namens de redactie, Sander van de Hoef
ISSN
0927- 5983
fysiopraxis@kngf.nl @FysioPraxis
FysioPraxis juni 2022 | 3
op de cover
Ronald Dercksen Wie ben je? Mijn naam is Ronald Dercksen, ik ben fysiotherapeut en registerpodoloog en woon in Rhenen.
Waar is de coverfoto gemaakt? Op landgoed Prattenburg, een bos aan de rand van Veenendaal.
Ik lees FysioPraxis vooral… Foto: Wiep van Apeldoorn
… om op de hoogte te blijven van alle kanten van het vak fysiotherapie. Er zijn zoveel verschillende richtingen binnen het vak.
ik interesse in hardloopblessures en ik heb dit in de loop der jaren weten te ontwikkelen tot mijn specialisme. Ik werk nog steeds met veel plezier in deze richting.
Ik heb gekozen voor fysiotherapie omdat… … ik op het moment dat ik een studiekeuze moest maken niets anders kon bedenken… Het heeft gelukkig heel goed uitgepakt, het is ook gewoon een leuk vak!
Ik ben er trots op dat… … ik doe wat ik leuk vind. Al vanaf het begin van mijn loopbaan in 1992 had
wisselcolumn
Het nut van PROMS Van Maarten Schmitt kreeg ik de vraag “Wat levert het gebruik van PROMs op voor patiënten en fysiotherapeuten?” PROMs (Patient Reported Outcome Measures) zijn vragenlijsten die door patiënten worden ingevuld om aspecten van hun gezondheid te meten. Fysiotherapeuten gebruiken PROMs om het functioneren van patiënten in kaart te brengen voor diagnostiek, het stellen van doelen en het evalueren van de behandeling. De PSK is een mooi voorbeeld van een veelgebruikte PROM, ingebed in de patiëntspecifieke goal-settingmethode. De laatste jaren is er steeds meer aandacht om PROMs ook te gebruiken om kwaliteit van zorg te meten en te verbeteren door het vergelijken van behandeluitkomsten op groepsniveau. Via de landelijke databases van het KNGF en het Keurmerk worden uitkomsten van fysiotherapeutische zorg op groepsniveau teruggekoppeld. Daarmee kunnen fysiotherapeuten hun eigen uitkomsten vergelijken met collega’s en daarvan leren via intervisie, peer review en visitatie.
4 | FysioPraxis juni 2022
Ook voor andere zorgverleners wordt het gebruik van PROMs steeds vanzelfsprekender. Binnen het landelijk programma Uitkomstgerichte Zorg is een generieke PROM opgesteld voor het meten van uitkomsten binnen de medisch specialistische zorg. Daarvoor zijn vragenlijsten uit het Patient Reported Outcomes Information System (PROMIS) geselecteerd. PROMIS maakt gebruik van computer adaptief testen waarmee het antwoord op een gestelde vraag sturend is voor de volgende vraag. Daarmee wordt een vragenlijst korter en specifieker. Als een eerste vraag bijvoorbeeld is “Kunt u zonder problemen 5 kilometer hardlopen?” en deze positief wordt beantwoord, dan zal de volgende vraag een moeilijkere situatie uitvragen. Ook in de fysiotherapie wordt volop gebruik gemaakt van PROMIS. Binnen de l eerstoel Paramedische Wetenschappen doen we veel onderzoek naar het gebruik van PROMs. We hebben daarvan geleerd dat zowel patiënten als fysiotherapeuten het gebruik van PROMs waarderen als ze op
een zinvolle manier kunnen worden gebruikt in diagnostiek, behandeling en evaluatie. Ook het gebruik van PROMs op groepsniveau voor leren en verbeteren wordt gewaardeerd. Belangrijke voorwaarden daarbij zijn wel dat behandeluitkomsten valide en betrouwbaar gemeten worden en dat het leren en verbeteren in een veilige omgeving met collega’s plaatsvindt. Ik zou graag ‘de pen’ door willen geven aan Emmylou Beekman, lector Autonomie en participatie van chronisch zieken aan Zuyd Hogeschool, met de vraag: “Hoe kunnen we doelgericht en betekenisvol meten in de fysiotherapie verder ondersteunen?” Philip van der Wees is hoogleraar Paramedische Wetenschappen bij de afdelingen IQ healthcare en Revalidatie van het Radboudumc. Daarnaast is hij Associate Research Professor aan de George Washington University in Washington D.C.
inhoud
VERDER
08
4 6 7 7 11 17 18 30 31
22
Wisselcolumn: Philip van der Wees Studenten Kort nieuws Column Jeroen van Egmond Patiënt in beeld Fysio in actie: Luc Schout Promotie: hardloopblessures Wetenschap: samenvatting Tip van de redactie: 100 meters
13
26
8 Blessurepreventie
22 Videoanalyse in 2D
Onderzoek naar blessures en blessure preventie vormt de rode draad in het werk van Evert Verhagen, hoogleraar Epidemiologie van Sport, Bewegen en Gezondheid bij het Amsterdam UMC. Ook hardlopen komt binnen zijn onder zoeksthema volop aan bod. Welke tips voor preventie en behandeling van hard loopblessures heeft Evert Verhagen voor de fysiotherapeut?
13 De (on)zin van wearables
Footpods, drukzooltjes en sporthorloges zijn populair onder hardlopers: in real time geven ze feedback over verschil lende loopgerelateerde variabelen. Atleet en bewegingswetenschapper Bas van Hooren beschrijft samen met zijn medeauteurs wat de mogelijkheden en beperkingen van de huidige wearables zijn. Helpen ze bij het voorkomen van hardloopblessures en het verbeteren van loopprestaties? Ook kijkt hij naar de toe komst: wat kunnen we nog verwachten?
Foto: Judith Visser
Specialistenkatern
Fysiotherapeuten zien regelmatig pa tiënten met hardloopblessures. Omdat verschillende onderzoeken suggereren dat een bepaalde stand van de onderste extremiteiten en de romp van invloed kunnen zijn op pijn in het been, staat de 2D-videoanalyse steeds meer in de belangstelling. In de rubriek Test en tech niek nemen Rob Vergeer en Hans Bloo de 2D-videoanalyse onder de loep.
26 Rennen, een burn-out!
Voor veel mensen biedt therapeutisch hardlopen uitkomst als overspannen heid of een burn-out op de loer ligt. Runningtherapie helpt niet alleen stress te voorkomen of te verminderen, ook kan het – door gerichte ademhalingsoefenin gen – een disfunctioneel ademhalings patroon optimaliseren. In deze casuïstiek laten runningtherapeuten Simon van Woerkom en Fokkeline Zuidema zien welke rol de fysiotherapeut hierbij kan spelen.
34 NVMT: Psychologische factoren bij patiënten met lage rugpijn 37 NVFB: Postpartum hardlopen
KNGF-katern
39 In het zonnetje: Mick van Eeuwijk 40 Wet toetreding zorgaanbieders in werking 42 Terugblik Dag van de Fysiotherapeut FysioPraxis juni 2022 | 5
studenten
Onderzoek naar Excercise Induced Hypoalgesia
Hardlopen van Nijmegen naar Enschede
Miek Brus (24 jaar), Noëmi Aarts (24 jaar) en Marlotte Koudijs (22 jaar) zijn bezig met hun afstudeeronderzoek aan de Hogeschool Zuyd.
Femke Waardenburg (21 jaar) is vierdejaars student fysiotherapie aan de HAN in Nijmegen én voorzitter van paramedische studievereniging NOPFY. Dit jaar liep ze voor het eerst mee in de Batavierenrace. Deze jaarlijkse estafetteloop van Nijmegen naar Enschede, over een afstand van 175 km, is van oudsher een echt studenten evenement.
Waar gaat jullie onderzoek over? “Het onderzoek gaat over Excercise Induced Hypoalgesia (EIH), het pijndempende mechanisme dat veroorzaakt wordt door fysieke activiteit en de invloed van psychologische factoren. Het onderzoek maakt deel uit van een groter onderzoek met als uiteindelijk doel een meetinstrument te ontwikkelen voor mensen met chronische pijn. Bij chronische pijn werkt het pijndempende mechanisme vaak niet of minder goed, waardoor inzicht en evaluatie van dit mechanisme meerwaarde biedt om de behandeling van mensen met chronische pijn beter op hun behoeftes aan te laten sluiten. Wij verzamelen data bij een pijnvrije populatie om normwaarden te verkrijgen en te onderzoeken hoe dit systeem en het meetinstrument werken bij pijnvrije mensen. Het EIH-effect wordt gemeten door een pijndrempelbepaling middels een Pressure Pain Threshold (PPT). Vervolgens laten we mensen squatten, waarna de PPT-meting wordt herhaald. Het verschil tussen beide metingen is interessant, omdat we daaraan kunnen zien of er na inspanning een hogere pijndrempel aanwezig is. Om een zo compleet mogelijk beeld te schetsen worden er vele factoren meegenomen die invloed hebben op het pijndempende mechanisme. Zoals de menstruatiecyclus, alcoholgebruik en psychologische factoren. Uiteindelijk hopen we dat onze data bijdragen aan het verbeteren van de behandeling van mensen met chronische pijn.”
Wat is jullie ervaring met schrijven en onderzoeken? “Het is een interessant onderwerp en dat draagt bij aan onze motivatie. Maar het schrijven van een afstudeeronderzoek is iets heel anders dan waar de rest van de opleiding uit bestaat. De vaardigheden schrijfvaardigheid, leesvaardigheid en statistiek worden flink op de proef gesteld. Dit zorgt voor een ingewikkeld, maar leerzaam proces. Verder is het een uitdaging om een scriptie met zijn drieën te schrijven, omdat onze schrijfstijlen overeen moeten komen en we duidelijke afspraken moeten maken. Tegelijkertijd is het handig om van elkaars kwaliteiten te kunnen profiteren. Dat maakt het leerzaam en interessant, maar tegelijkertijd kijken we ook uit naar een tijd waarin we weer aan de slag kunnen in de praktijk!”
6 | FysioPraxis juni 2022
Tekst: Femke Waardenburg
Vanuit NOPFY is er elk jaar een team waarbij iedereen een van de 25 etappes voor zijn of haar rekening neemt. Mijn etappe dit jaar was 7,78 kilometer. Het bestuur en de actieve leden van NOPFY zijn vooral studenten fysiotherapie, maar onze studievereniging vertegenwoordigt ook studenten ergotherapie, logopedie en diëtetiek. Voorafgaand aan de Batavierenrace organiseren we gezamenlijke trainingen met onze leden. Ik heb in het verleden een aantal wedstrijden gelopen maar nooit echt competitief. Ik vind hardlopen leuk, maar zou niet snel een marathon lopen. De Batavierenrace is veel gezelliger, omdat je er met een heel team aan meedoet. Eenmaal aangekomen in Enschede sluiten we af met een groot feest. Als studente fysiotherapie snap ik nu beter hoe m’n lichaam zich aanpast door training en weet ik hoe ik stapsgewijs kan opbouwen zonder een blessure op te lopen. Als ik toch ergens een pijntje heb, weet ik vaak meteen wat het is en maak ik me geen zorgen meer. Ik had voorafgaand aan de race een vriendin die me om advies vroeg. Ze had iets te enthousiast getraind en liep met een runner’s knee. Voor iedereen die nog twijfelt om mee te doen volgend jaar; doe het! Er doen elk jaar ruim 8.500 studenten mee en het is echt superleuk. Er zijn etappes met afstanden voor elk niveau dus het maakt niet uit hoe gevorderd je bent. Via bijvoorbeeld de website van Runnersworld kun je eenvoudig een opbouwschema vinden bij jouw startniveau. Mij heeft zo’n schema erg geholpen: het gaf me houvast en een stok achter de deur voor als ik geen zin had.
kort nieuws
column
Input gevraagd voor Return-to-Run-onderzoek
#Zin-in?
Het Anna Ziekenhuis onderzoekt samen met The University of Melbourne welke criteria fysiotherapeuten gebruiken voor terugkeer naar hardlopen bij patiënten met een VKBblessure. Doe je mee aan het Return-to-Run-onderzoek? Het invullen van de vragenlijst duurt 10 tot 15 minuten.
Regeling Paramedische herstelzorg verlengd Het ministerie van VWS heeft het KNGF laten weten dat de regeling Paramedische herstelzorg met een jaar wordt verlengd. Daarmee is de vergoeding van de herstelzorg voor patiënten met long-COVID uit de basisverzekering tot 1 augustus 2023 gegarandeerd. In maart 2022 publiceerde het KNGF het herziene standpunt Fysiotherapie bij COVID-19. Daarin zijn de meest recente inzichten verwerkt.
De digitale zorggids vernieuwd De vernieuwde digitale zorggids van Patiëntenfederatie Nederland is beschikbaar voor iedereen die met zorg bezig is of zich daarin wil verdiepen. Je vindt er informatie over apps en digitale middelen per aandoening, aangeraden door mensen met een chronische aandoening. Ook staan op deze site verschillende praktische handleidingen, zoals: ‘hoe werkt beeldbellen?’ en ‘hoe kun je online je medisch dossier inzien?’ Tevens biedt de site een eerste versie van de nieuwe keuzehulp voor persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO’s).
Beste collega, Collega’s waarschuwen mij wel eens dat ik niet te ver voor de troepen uit moet lopen, dat ik te hard wil. Dat is echter niet het soort hardlopen waar deze FysioPraxis over gaat. Toch zullen ook hardlopers iets willen bereiken, er op enige manier op vooruit willen gaan. Aangezien voor veel hardlopers het begin- en eindpunt hetzelfde is, zal die vooruitgang waarschijnlijk vooral in figuurlijke zin worden ervaren. Aankomen is dus niet het doel (afvallen vaak wel). Let op het verschil tussen het resultaat (zoveel kilometer rennen) en het doel. Als ik mensen zie hardlopen (toegegeven, ik ben geen hardloper), doe ik dat meestal met bewondering, vaker nog met verbazing. Terzijde; beide zijn volgens mij hele goede basishoudingen voor filosofen én voor hulpverleners. Mijn eerste reactie is vaak: dat je daar zin in hebt, meteen gevolgd door: Ha! Er is een zin te vinden in het hardlopen. Dus ondanks dat veel fysiotherapeuten de spirituele pijler van gezondheid maar vaag en/of niet van toepassing vinden, is die in de praktijk heel herkenbaar aanwezig. Er zit natuurlijk zin ín hardlopen. Die zin leent zich goed voor kwantificeren en is daardoor ook makkelijk in ranglijstjes te zetten. Dat rankings meestal worden ingezet om saaie activiteiten te gamificeren, wordt een andere column. Technologie helpt hierbij; allerhande wearables houden van alles en nog wat in de gaten en rapporteren direct aan Meta en andere techbedrijven, opdat de (reclame) wereld mee kan kijken naar de prestaties. Maar laat ik niet doorschieten in gezeur, het is mooi dat er zo duidelijk een sociale component zit aan hardlopen, zie ook de vele hardloopgroepen. Het spreekwoord luidt dan ook: ‘Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’. Aan de andere kant, veel toplopers rennen met een haas, dus of het spreekwoord waar is…? Er is in ieder geval ook een zin rónd het hardlopen. Misschien moet ‘verder’ ook wel figuurlijk (dus: breder) opgevat worden. Nog zo’n volkswijsheid: hardlopers zijn doodlopers, en zolang dit maar figuurlijk blijft, zit daar voor ons de markt. Maar goed, de finish van deze column komt in zicht, dus vraag je je mogelijk af waar dit stukje naartoe gaat en verwacht je zelfs, terecht, een moraal in dit verhaal. Dus, als eindsprint: wees écht SMART en kijk eens vaker naar het doel en de betekenis van activiteiten, in plaats van alleen maar naar het resultaat.
Collegiale groet, Jeroen van Egmond docent fysiotherapie en zorgethicus
j.van.egmond3@hva.nl
Bron: Patiëntfederatie Nederland FysioPraxis juni 2022 | 7
uit het veld
Professor Evert Verhagen:
“Als je luistert naar je lichaam, ben je eigenlijk al een stap te ver” Evert Verhagen is hoogleraar Epidemiologie van Sport, Bewegen en Gezondheid bij het Amsterdam UMC. Ook is hij codirecteur van het Nederlands IOC Research Centre. Rode draad in zijn werk is onderzoek naar blessures en blessurepreventie. Hardloopblessures nemen daarbij een grote plaats in. Voor fysiotherapeuten heeft Verhagen diverse nuttige tips over preventie en behandeling van hardloopblessures.
Tekst: Brenda van Dam
Verhagen en zijn collega’s zijn actief op een breed onderzoeksterrein: alles van blessurepreventie tot (gezond) bewegen. “De helft van onze projecten gaat over letselpreventie. We doen onderzoek naar meerdere sporten, maar hardlopen is toch wel een grote stroom binnen dat thema. Dat komt ook een beetje vanuit mijn eigen achtergrond.” Als zeventienjarige liep Verhagen middellange afstanden. Hij behoorde tot de top vijf van Nederland, totdat een knieblessure roet in het eten gooide. “Vanuit mijn sportervaring wilde ik iets met sport gaan doen, dus ben ik bewegingswetenschappen gaan studeren en toen de kans kwam om iets met
8 | FysioPraxis juni 2022
blessures te gaan doen, ben ik daar meteen op ingesprongen. Ik heb toen een tijdje niet gesport. Daarna ben ik weer rustig gaan hardlopen en van het een kwam het ander. Omdat ik wist dat ik niet meer zo snel zou kunnen lopen, ben ik maar lange afstanden gaan lopen.”
Waarom hardlopers? Waarom komen blessures juist bij hardlopers zo veel voor en welke zijn dat? “Blessures aan de achillespees en aan de knieën zijn wel de meest voorkomende hardloopblessures. Het zijn vrijwel altijd overbelastingsletsels; acute letsels zijn zeldzaam. Laten we dat vooropstellen. Iedereen denkt dat hardlopen een makkelijke sport is: je koopt een
paar schoenen en je gaat op pad. Dat is natuurlijk ook wel zo, maar je gaat wel iets doen waar je lichaam niet aan gewend is. Je lichaam is misschien ook niet gewend aan een potje voetbal als je dat vanuit het niets doet, maar dan heb je toch al snel door dat je het niet zo gemakkelijk meer kunt bijbenen. Dan neem je even rust. Maar als je rustig loopt, kun je dat relatief makkelijk, zonder veel conditie, best lang volhouden. Maar elke stap is een belasting op je gestel.” En daar vergissen we ons wel eens in, denkt Verhagen. Want iedereen kan toch wel vijf kilometer hardlopen? “Dat kunnen we fysiologisch misschien ook wel, maar fysiek leg je je lichaam toch een belasting op die het niet gewend is. Getrainde lopers die moe worden, blijven op hun gewone manier doorlopen. Maar minder ervaren lopers die vermoeid raken, passen hun looppatroon aan, waardoor ze geforceerd gaan lopen. En door dat geforceerde lopen leg je weer een andere belasting op je lichaam die je niet gewend bent.” Ook andere zaken spelen een rol. “Stel je voelt je moe, maar je horloge zegt dat je nog één kilometer moet om je doel te bereiken. Nou, dan luister je vandaag maar even niet naar je lichaam. Dat soort kleine dingen, kunnen gaandeweg toch wel tot problemen leiden.”
Spieren en pezen Overbelastingletsels zijn altijd vervelend, maar sommige zijn uitdagender dan andere. “Spierletsels lossen zich nog wel redelijk makkelijk op, doordat spieren goed doorbloed zijn en een goed herstelvermogen hebben. Je kunt er wel redelijk lang last van blijven houden. Het probleem zit meer bij
overbelasting van een achilles of een knie. Dat zijn pezen en die herstellen zich heel langzaam. En op het moment dat jij iets voelt en beperkt bent in je lopen, dan is die blessure eigenlijk al zo ver gevorderd dat er van preventie al geen sprake meer is. Dan ga je mogelijk een langdurig behandel- en hersteltraject in.” Hoe zit het dan met luisteren naar je lichaam? “We roepen altijd wel dat je moet luisteren naar je lichaam, maar voor een aantal van deze veelvoorkomende letsels geldt dat zodra je lichaam je iets vertelt, je eigenlijk al een stapje te ver bent.”
Secundaire preventie Een hardloper komt negen van de tien keer pas bij de fysiotherapeut op het moment dat hij al klachten heeft. Hoe kun je dan aan preventie doen? “Dan moet je niet alleen werken aan herstel, maar ook zorgen dat het niet weer gebeurt. Secundaire preventie noemen we dat. We weten dat hardlopers een zelfregulatie hebben. Zij voelen heel goed wanneer ze te ver zijn gegaan, wanneer ze verder kunnen of wanneer ze net dat beetje extra kunnen pushen. Hoe meer gevorderd, hoe beter die zelfregulatie werkt. Maar die informatie om te reguleren halen lopers overal en nergens vandaan. Ik denk dat hier zeker voor de fysiotherapeut een belangrijke rol is weggelegd. Je kunt de loper leren wat er aan de hand is, wat er precies misgaat, wat de rode vlaggen zijn. Je kunt bijvoorbeeld uitleggen waarom een pees zo slecht herstelt, waarom dat je op het moment dat je iets voelt, je eigenlijk al te ver bent. Lopers begrijpen dat wel en zullen de volgende keer als ze een pijntje voelen in de ochtend wat voorzichtiger zijn, in plaats van erdoorheen te lopen.” Wat kun je nog meer doen? “Je kunt natuurlijk preventieve oefeningen meegeven. Heeft een loper ’s morgens ergens last van? Dan kan kun je hem adviseren een paar dagen oefeningen te doen voor het lopen. Of even een stapje terug te doen. Je kunt ook naar de hardloopschoenen kijken of naar een podotherapeut verwijzen. Sporters willen graag weten wat ze kunnen doen om die klacht niet nog eens te hebben.”
Primaire preventie Primaire preventie is vooral buiten de praktijk te vinden, in de samenwerking met partners. Verhagen: “Laten we de fysiotherapeut als behandelaar even opzijzetten en gewoon nadenken over
»
Evert Verhagen: ‘Als fysiotherapeut kun je de loper leren wat er aan de hand is, wat er precies misgaat, wat de rode vlaggen zijn’ FysioPraxis juni 2022 | 9
De tien meest voorkomende hardloopblessures • Hamstringblessure • Achillespeesblessure • Hielspoor • Lopersknie • Zweepslag • Shin splint • Heupklachten (scheenbeenvliesontsteking) • Stressfractuur • Enkelblessure • Kniepeesklachten Bron: www.hardlopen.nl
»
wat we aan blessurepreventie bij atleten kunnen doen. Je kunt bijvoorbeeld de trainer instrueren of begeleiden in het voorkomen van blessures. Je kunt ook via sportwinkels informatie verspreiden over gezond hardlopen en informatieavonden of informatiesessies aanbieden. Daarnaast kun je sportverenigingen ondersteunen. Misschien heeft een sportvereniging helemaal geen beleid over iets als een warming-up, preventieve opleidingen of informatie over wat coaches moeten weten. Op al die niveaus denk ik dat de fysiotherapeut een grote spil kan zijn in het terugdringen van blessures.”
Centrale boodschap? Wat is dan de belangrijkste boodschap bij die preventie? “Natuurlijk is dat luisteren naar je lichaam, maar wees ook gewoon slim! Je lichaam geeft signalen op het moment dat je eigenlijk te ver bent gegaan. Als je een beetje begrijpt hoe trainingen in elkaar steken en hoe lichamen in elkaar steken, kun je als loper zelf ook gewoon bedenken dat je te ver bent gegaan en een stapje terug moet doen. Dus luister niet alleen naar je lichaam, wees ook gewoon bedacht en raadzaam.” Verhagen wijst ook op het belang van materiaal. “Zorg dat mensen schoenen aanschaffen die goed zitten en lekker lopen. Eerst uitproberen voordat je er een heel stuk op gaat lopen. Een goede sportwinkel geeft goed advies en durft te zeggen dat je terug mag komen als schoenen toch niet goed zijn.”
Waar komt die blessure vandaan? “Die klacht heeft ergens zijn acute oorzaak gehad. Dat kan een opeenstapeling van overbelasting zijn. Je moet dus achterhalen waar de klacht precies vandaan komt. Heeft deze persoon te veel getraind? Zit het in het schema, zit het in de looptechniek, in de schoenen? Zijn er misschien andere beperkingen waardoor de loopbelasting is aangetast? Probeer dat te achterhalen en er oplossingen voor te verzinnen, zodat de sporter niet alleen met een oplossing voor zijn klacht, maar ook als betere loper naar buiten loopt.” Aan welke oplossingen moet je dan denken? “Dat kan bijvoorbeeld een gericht advies zijn om iets aan het looppatroon te doen, met loopoefeningen of loopscholing. Het kan een advies over warming-up zijn, het kunnen thuisoefeningen zijn of
10 | FysioPraxis juni 2022
een advies over schoeisel. Het kunnen ook flexibiliteitoefeningen zijn. Veel problemen in de onderste ledematen komen bijvoorbeeld uit de heup of uit de rug, omdat daar een bewegingsbeperking zit.”
Data Bijna iedere loper draagt tegenwoordig wel iets van een sensor of monitoring device. Daar kunnen fysiotherapeuten mogelijk nog wel iets mee. Tenminste, als de loper de data met zijn therapeut wil delen. Verhagen werpt een blik op zijn eigen sporthorloge: “Die van mij meet bijvoorbeeld paslengte, pasverschillen links en rechts, mijn slaap, mijn rusthartslag, mijn stressniveau: het zit er allemaal in. Ga vooral op zoek naar variabelen die plots veranderen en probeer te achterhalen waarom dat verandert. Als je bijvoorbeeld ziet dat iemand na vier kilometer lopen in één keer zijn paslengte verandert, betekent dit dat er bij die persoon na vier kilometer iets gebeurt in zijn looppatroon. Daar kun je samen naar op zoek gaan. Als iemand zegt dat hij na vier kilometer heel erg moe wordt, kun je adviseren om eens vier kilometer te lopen in plaats van vijf. Of die laatste kilometer te gaan wandelen. Die combinatie van inzicht in data en het verhaal van de sporter, kan heel erg helpen om de sporter van persoonlijk advies te voorzien.”
Wie heb je in de praktijk? Verhagen eindigt met te zeggen dat het belangrijk is om te weten welke hardloper je voor je hebt. “Probeer een beginnende loper wat te remmen. Een beginnende loper heeft minder kennis van zijn eigen lichaam en wat hij aankan. Die moet je top-down begeleiden met het geven van kennis. Getrainde lopers daarentegen hebben veel ervaring en kennis over hoe hun eigen lichaam reageert en functioneert. Die moet je ondersteunen bij hun doelen.” Mogelijkheden ziet Verhagen ook. “Misschien zit je in een regio waar veel hardloopclubs zitten of waar grote evenementen georganiseerd worden. We hebben net de marathon van Rotterdam gehad, dan kun je er prat op gaan dat in de omgeving van Rotterdam heel veel fysiotherapeuten vragen hebben gehad van lopers. Bereid je een beetje voor, zodat je dat aankan op het juiste moment, op de juiste plek.”
MEER WETEN?
Meer informatie over hardlopen en hardloopblessures is te vinden op: · Kenniscentrum letselpreventie: www.veiligheid.nl · Kenniscentrum sport en bewegen: www.kenniscentrumsportenbewegen.nl · Amsterdam Institute of Sport Sciences: www.aiss.nl
patiënt in beeld
Foto: Wiep van Apeldoorn
Verderop in dit nummer geeft de fysiotherapeut van Peter een toelichting op de aanpak (zie pag. 25).
Peter: In het dagelijkse leven werk ik als psychomotorisch therapeut in de eerste lijn. In mijn vrije tijd speel ik fanatiek en met veel plezier in het eerste elftal van S.V. Panter in Veenendaal. Toen ik tijdens de een-na-laatste wedstrijd van het seizoen alleen voor de keeper kwam, probeerde ik hem te omspelen. Maar daarbij raakte hij me vol op de binnenkant van mijn linkerknie. De pijn was zo heftig dat ik niet meer kon lopen en sprinten. Ik dacht dat er serieuze schade was aan mijn knie, waardoor ik de laatste wedstrijd van het seizoen niet zou kunnen spelen. Aangezien Daan en ik werkzaam zijn in hetzelfde gebouw was een consult bij hem zo geregeld. Aan de hand van zijn lichamelijk onderzoek en het echografisch onderzoek kwam hij tot de conclusie dat het ‘slechts’ om een spierkneuzing ging. Dit gaf mij voldoende vertrouwen om die laatste wedstrijd toch te spelen en zo het seizoen met een goed gevoel af te sluiten.
FysioPraxis juni 2022 | 11
-advertorial-
Beleef het nieuwe bewegen met Wobecare® CBD Active Cream Even naar buiten, hoe fijn is dat na een stressvolle week! Of het nu wandelen, fietsen of tennissen is – bewegen maakt je blij en het maakt je hoofd leeg. Maar velen voelen naast de euforie soms ook de keerzijde van bewegen: ze krijgen soms last van hun schouders, rug, benen of knieën. In dat geval is het goed om deze belaste lichaamsdelen eerst voorzichtig te behandelen. Een zachte massage of een verkoelende en ontspannende verzorging van de huid kunnen dan echt een zegen zijn! Precies voor zulke situaties heeft Wobecare de CBD Active Cream ontwikkeld. De crème zorgt voor ontspanning dankzij een verkoelend en verlichtend effect op de huid bij bijvoorbeeld de nek, schouders, rug of knieën. Daarnaast kan het voor een regenererende werking na het sporten gebruikt worden. Het belangrijkste ingrediënt van de crème is cannabidiol (CBD). We zien het jaarlijks steeds vaker terug in cosmetische
producten, omdat het veel positieve eigenschappen heeft. De cannabidiol die in Wobecare CBD Active Cream wordt gebruikt, is synthetisch verkregen. Dit zorgt ervoor dat het niet bedwelmend of verslavend is. Waardevolle botanische ingrediënten vullen elkaar in de verzorgende formule aan: Arnica en smeerwortel werken kalmerend en rustgevend. Menthol is aangenaam verkoelend. Aloë vera hydrateert en regenereert. Verzorgende oliën uit broccoli- en hennepzaad maken de formule compleet. Wobecare CBD Active Cream wordt direct op de huid aangebracht en ingemasseerd totdat het volledig is ingetrokken. De crème kan zo nodig tot maximaal vier keer per dag aangebracht worden. Het is dermatologisch getest door een onafhankelijk instituut en als “uitstekend” beoordeeld. Omdat de crème kamfer en menthol bevat, is deze niet geschikt voor kinderen onder de zeven jaar. Het product is veganistisch gecertificeerd. De verkoelende crème is in een handige tube van 100 ml verkrijgbaar. Daardoor is de crème gemakkelijk mee te nemen. Het product wordt volgens de hoogste kwaliteits- en veiligheidsrichtlijnen in Zwitserland geproduceerd. • Hoge dosering CBD en waardevolle botanische ingrediënten • Verkoelt en verlicht de huid • Kan direct op de huid aangebracht worden tot maximaal 4 keer per dag • 100 ml tube De Wobecare CBD Active Cream is dermatologisch getest* door een onafhankelijk instituut: • 92% vindt dat het product een kalmerend effect heeft op de huid • 86% vindt dat het product verlichting biedt aan de huid • 94% vindt dat de huid is gehydrateerd • 94% is tevreden met het product en 89% zou het kopen * Spincontrol Laboratory - tevredenheidsonderzoek 2021, 63 testers | cosmetica
Wobecare® CBD Active Cream. Cosmetisch product Ingrediënten: Aloe Barbadensis Leaf Juice, SD Alcohol 38-B, Isoamyllauraat, Glycerin, Aqua (water), Menthol, Menthyllactaat, Brassica oleracea italica (broccoli) Seed Oil, Cannabis Sativa Seed Oil, Carbomer, Sodium Stearoyl Glutamate, Cannabidiol, Arnica Montana Flower Extract, Symphytum Officinale Root Extract (gewone smeerwortel), Gaultheria Procumbens (wintergreen) Leaf Oil, Kamfer, Mentha Piperita (pepermunt) Oil, Helianthus Annuus (zonnebloem) Seed Oil, Glyceryl Stearate Citrate, Alcohol, Cellulose, Polyglyceryl-3 Stearate, Sodium Hydroxide, Gehydrogeneerde Lecithine, Xanthaangom, Tocoferol, Caramel, Sodium Phytate, Limoneen, Linalool.
www.wobenzym.nl
in de praktijk
Draagbare technologie voor hardlopers
Waar staan we nu en wat is de toekomst? Draagbare technologie, zoals een footpod op de schoen, drukzooltjes in de schoen en sporthorloges, zijn momenteel erg populair onder hardlopers, omdat deze in realtime feedback kunnen geven over verschillende loopgerelateerde variabelen. In dit artikel wordt besproken wat de mogelijkheden en beperkingen van huidige wearables zijn om hardloopblessures te voorkomen en loopprestaties te verbeteren. En wat gaat de toekomst brengen?
Tekst: Bas Van Hooren, Jos Goudsmit, Juan Restrepo en Steven Vos
Figuur 1
Steeds meer mensen gebruiken draagbare technologie – ook wel bekend als wearables – tijdens hun looptraining (figuur 1). Deze wearables hebben meerdere verschijningsvormen en kunnen doorgaans verschillende fysiologische en biomechanische variabelen meten. Diverse wearables geven ook nog in realtime feedback (onmiddellijke terugkoppeling) in een poging het blessurerisico te verminderen of de sportprestatie en motivatie te verbeteren. Er zijn veelbelovende ontwikkelingen op het gebied van wearables, maar ook nog verschillende beperkingen in de manier waarop de meeste wearables momenteel proberen het blessurerisico, het prestatievermogen en de motivatie van hardlopers te beïnvloeden.1-5 Recent hebben we in een overzichtsartikel beschreven hoe ontwikkelaars van wearables, onderzoekers, trainers of (fysio)therapeuten die wearables gebruiken en recente ontwikkelingen uit de sportpsychologie, biomechanica en inspanningsfysiologie kunnen toepassen om feedback te geven op relevante variabelen zoals bijvoorbeeld de belasting op specifieke structuren als de achillespees. Tevens hebben we beschreven hoe wearables beter gebruik kunnen maken van inzichten uit het motorisch leren om op een betere manier feedback te geven.1 Hier zal ik een beknopte samenVerschillende wearables die gebruikt worden tijdens het hardlopen, zoals een footpod en hartslagband, die vatting geven van dit artikel, waarbij ik gekoppeld zijn aan een horloge voor realtime feedback (links) of een drukzool en armband met versnellingsde nadruk leg op 1) de mogelijkheden en » meter, die gekoppeld zijn aan een telefoon en hoofdtelefoon voor realtime feedback (rechts).6 FysioPraxis juni 2022 | 13
» beperkingen van huidige wearables om door middel van looptechnische feedback hardloopblessures te voorkomen en loopprestaties te verbeteren, 2) wat de toekomst gaat brengen wat betreft parameters, en 3) de toepassing voor (fysio) therapeuten.
Feedback op indicators van blessures en prestaties Tijdens het hardlopen kan over veel biomechanische variabelen feedback worden gegeven, zoals de pasfrequentie, grondcontacttijd, kniehoek en druk onder de voet.7-10 Met de grote hoeveelheid variabelen waarop feedback gegeven kan worden ontstaat de vraag welke variabelen het meest relevant zijn. In ons overzichtsartikel hebben we gesuggereerd dat variabelen alleen geschikt zijn om te gebruiken in realtime feedback wanneer deze 1) een sterke relatie hebben met blessure en/of loopefficiëntie, 2) nauwkeurig gemeten kunnen worden in verschillende condities, en 3) aangepast kunnen worden door de loper.1 Het is als (fysio)therapeut belangrijk om met deze criteria rekening te houden wanneer informatie van wearables gebruikt wordt bij een training of revalidatie.
Een greep uit de mogelijkheden Bestaande mogelijkheden om looptechniek te meten met wearables zijn vaak ontwikkeld om op basis van de technologische mogelijkheden verschillende relatief eenvoudig te meten variabelen te kwantificeren. SHFT.RUN (SHFT, Copenhagen, Denmark) meet bijvoorbeeld met behulp van een footpod en een sensor op de borst een scala aan looptechniekvariabelen, zoals pasfrequentie, houding van het bovenlichaam, en hoek van de voet bij de landing. Deze wearable biedt verder coaching aan, gericht op het verbeteren van de looptechniek. RunScribe (Scribe Labs Inc., San Francisco, CA, USA) is een wearable die uit een tweetal footpods bestaat en zich richt op wetenschappelijk onderzoek naar hardloopblessures en het maken van een loopanalyse. De variabelen die gemeten kunnen worden met deze wearable zijn zeer uitgebreid, waardoor uitgebreide kennis nodig is om deze variabelen te kunnen interpreteren. Enkele voorbeelden van de gemeten variabelen zijn schok, symmetrie en pronatie.
14 | FysioPraxis juni 2022
Feedback op de looptechniek: welke aanpak is er momenteel? Hoewel er dus verschillende wearables zijn die de looptechniek proberen te kwantificeren, hebben niet alle variabelen die gemeten worden een sterke relatie met het ontstaan van een blessure en/of loopefficiëntie. Zo is er zowel bij ontwikkelaars van wearables als hardlopers steeds meer interesse om de voetplaatsing te meten en te veranderen met wearables.11 De gedachte hierachter is doorgaans dat een haklanding minder efficiënt is en ook het blessurerisico vergroot en dus veranderd moet worden naar een midden- of voorvoetlanding. Uit wetenschappelijk onderzoek komt echter geen sterk bewijs voor deze aannames. Sterker nog, het gebruik van een voorvoet- of haklanding lijkt – in ieder geval voor snelheden tot ongeveer 16 kilometer per uur – geen verschil te maken in de loopefficiëntie, en ook voor blessures zijn er geen sterke bewijzen dat één type landing beter is.1,12,13 Wat blessures betreft lijkt het type landing bijvoorbeeld eerder een afweging tussen een groter risico op onder andere knieblessures bij een haklanding en een groter risico op onder andere achillespeesblessures bij een voorvoetlanding. Kortom, de relevantie van het meten en veranderen van de voetplaatsing middels wearables is erg twijfelachtig. (Fysio)therapeuten moeten daarom ook opletten met het gebruik van wearables die een verandering in de voetplaatsing proberen te bewerkstelligen en de sporters informeren dat de bruikbaarheid van dit advies twijfelachtig is wanneer er geen specifieke klachten aanwezig zijn. Wanneer iemand al klachten heeft, zoals een achillespees tendinopathie, en duidelijk op de voorvoet landt kan deze feedback echter wel zinvol zijn om de looptechniek te veranderen en daarmee de belasting op de achillespees te verminderen. Andere veelgebruikte biomechanische uitkomstmaten zijn variabelen die te maken hebben met de impact op de grond, zoals de piek in de verticale grondreactiekracht, de snelheid waarmee de verticale grondreactiekracht toeneemt (vertical loading rate) of minder duidelijk gedefinieerde variabelen zoals de eerder genoemde ‘schok’ bij RunScribe.14 De aanname bij het meten van impactgerelateerde variabelen is
vaak dat grotere en of snellere (externe) krachten of versnellingen (bijvoorbeeld ‘tibia acceleration’) gerelateerd zijn aan blessures en aan een hoger energieverbruik. Ook hier is er voor veel (externe) grondreactiekrachtvariabelen echter geen sterk en/of eenduidig bewijs voor een relatie met loopefficiëntie en/of blessures.1 De resultaten van enkele recente studies geven een interessante kijk op de relevantie van deze grondreactiekrachtvariabelen als voorspeller/indicator voor blessures.2,15 Deze onderzoeken hebben namelijk de relatie tussen (externe) grondreactiekrachtvariabelen en interne krachten op de distale zijde van de tibia onderzocht. Deze distale zijde van de tibia is een locatie waar vaak de bekende ‘shin splints’ blessure, ofwel mediaal tibiaal stresssyndroom optreedt.16 Uit deze onderzoeken blijkt dat de (externe) grondreactiekrachtvariabelen niet altijd een sterke relatie hebben met de interne krachten op botten en/of gewrichten. Sterker nog, soms is er een negatieve relatie, waarbij een hogere externe kracht gerelateerd zijn aan een lagere inwerkende kracht op de tibia (figuur 2). Dit heeft onder andere te maken met de compressie die veroorzaakt wordt door samentrekkende spieren. Deze compressie door spieren heeft een groter aandeel op de krachten op de tibia dan de grondreactiekrachten.17,18 Als de grondreactiekracht iets afneemt, maar de spierkracht flink toeneemt zal er daarom een netto toename zijn in de kracht op de tibia. Omdat de krachten die in het lichaam spelen een belangrijke indicator zijn voor de (mal)adaptaties van weefsels (zie kader) en de externe krachten niet altijd goed overeenkomen met de interne krachten, kan het schatten van blessurerisico en voorkomen van blessures met feedback op basis van externe krachten – zoals vaak gedaan bij wearables – dan ook misleidend zijn.
Feedback op de looptechniek: de toekomst Vanwege de zwakke tot matige relaties tussen externe en interne krachten proberen enkele recente onderzoeken wearables te gebruiken om inzicht te krijgen in de krachten die binnen in het lichaam spelen.2,4,5,15,19 Vaak wordt dit gedaan door in een lab-setting de interne krachten te berekenen met 3D-bewegingsanalyse in combinatie met spierskeletmodellering.
Figuur 2
Conclusie r = 0,89
(BW)
Ftibia,max
9
r = -0,64
r = -0,63
r = -0,68
7 n=29
5 2,0
2,4
Fvgrf,active (BW)
2,8
1,0
2,0
Fvgrf,impact (BW)
3,0
0
100
VALR
(BW/s)
200
0,32
0,36
0,40
Jvgrf (BW*s)
Correlatie tussen de krachten op de tibia en verschillende grondreactiekrachtvariabelen voor één proefpersoon. Ieder punt representeert een conditie zoals bergop lopen of vlak lopen met een bepaalde snelheid. Een hogere positieve correlatie geeft aan dat een toename in de grondreactiekrachtvariabele correspondeert met een toename in de inwerkende kracht op de tibia. Voor de meeste variabelen is er echter geen positieve relatie en hoewel er bij deze proefpersoon een sterke positieve correlatie was tussen de actieve piek in de grondreactiekracht en de kracht op de tibia (linkergrafiek), was deze bij een andere proefpersoon juist weer erg laag (r = 0,16). Deze resultaten geven daarom aan dat grondreactiekrachtvariabelen van beperkte waarde zijn om interne krachten en daarmee het blessurerisico te voorspellen. Aangepast overgenomen van Matijevich, et al.15 BW = lichaamsgewicht; Fvgrf, active = de actieve piek in de verticale grondreactiekracht; Fvgrf, impact = de impactpiek in de verticale grondreactiekracht; VALR = de snelheid waarmee de verticale kracht toeneemt; Jvgrf = de oppervlakte onder de verticale grondreactiekrachtcurve.
Een blessure ontstaat doordat compressie-, trek-, frictie- of torsiekrachten zorgen voor een bepaalde stress (kracht per oppervlakte-eenheid) en lengteveranderingen van weefsels die op hun beurt weer zorgen voor microschade.20-23 Zo zorgt rek op pezen voor microschade en neemt de hoeveelheid microschade toe bij een grotere rek en/of aantal keren rek.20,21 Ook bij spiervezels zorgt actieve verlenging (excentrische actie) voor schade en neemt de schade toe met een grotere hoeveelheid rek en/of excentrische spieracties.22 Hoewel botten doorgaans minder vervormen dan pees- of spierweefsel geldt hier ook dat lengteveranderingen kunnen leiden tot microschade.23 Hoewel deze microschade zinvol is om adaptaties te bewerkstelligen, kan bij snelle toenames in de belasting24 eventueel gecombineerd met onvoldoende herstel deze microbelasting niet herstellen en zich verder
uitbreiden. Dit kan zich vervolgens uiten in een (voelbare) blessure zoals een tendinopathie, een spierscheur of een stressfractuur.25 Om het blessurerisico in te schatten en daarmee mogelijk blessures te voorkomen moet daarom eigenlijk onder andere bekend zijn 1) hoeveel rek en/of compressie er op weefsels komt bij een individuele loper (hiervoor is naast informatie over de interne krachten ook informatie nodig over de geometrie van weefsels en de stijfheid), 2) de grens waarbij deze rek en/of compressie leidt tot een blessure bij die specifieke loper, en 3) hoe snel weefsels herstellen van een bepaalde belasting bij de individuele loper. Als al deze informatie beschikbaar is, zouden er modellen ontwikkeld kunnen worden die voor iedere individu een schatting kunnen maken over de optimale trainingsprikkel en het blessurerisico. Dit kan vervolgens weer worden omgezet in een trainingsadvies.
In dit artikel heb ik een kort overzicht gegeven van de huidige aanpak, en enkele ontwikkelingen op het gebied van draagbare technologie om loopblessures te voorkomen en de loopprestatie te verbeteren door middel van biomechanische feedback. Samenvattend kan gesteld worden dat wearables veel potentie hebben om het blessurerisico te verminderen en om sportprestaties en motivatie te verbeteren. Maar er zijn ook nog verschillende beperkingen waar (fysio) therapeuten zelf rekening mee moeten houden wanneer ze deze technologie toepassen. De ontwikkelingen in de technologie gaan echter razendsnel en door deze ontwikkelingen worden sensoren steeds kleiner, meer geïntegreerd en meer beschikbaar. Hierdoor zijn ook steeds meer data beschikbaar die – mits deze accuraat gemeten worden – mogelijkheden bieden om steeds meer (gepersonaliseerd) inzicht te krijgen in de belasting en belastbaarheid van een sporter.
Bas Van Hooren MSc, atleet, sportwetenschappelijk adviseur, trainer, medewerker van Sportgericht en promovendus aan de Universiteit Maastricht Jos Goudsmit MSc, docent-onderzoeker bij het lectoraat Move to Be aan de Fontys Sporthogeschool en promovendus aan de faculteit Industrial Design van de TU Eindhoven Juan Restrepo MSc, promovendus aan de faculteit Industrial Design van de TU Eindhoven Prof. dr. Steven Vos, hoogleraar aan de faculteit Industrial Design van de TU Eindhoven en lector ‘Move to Be’ aan de Fontys Sporthogeschool
Deze interne krachten kunnen dan met regressievergelijkingen of een neuraal netwerk worden geschat op basis van de tegelijkertijd gemeten wearable signalen. Zolang deze interne belasting echter nog niet als output terugkomt in commercieel beschikbare wearables is het voor (fysio)therapeuten belangrijk
om niet te veel waarde te hechten aan externe krachtgerelateerde uitkomstmaten. Het focussen op het verminderen van de externe krachten zou namelijk zomaar eens een tegenovergesteld effect kunnen hebben op de interne krachten en daarmee op het blessurerisico.
basvanhooren@hotmail.com
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2022 | 15
BIOCIRCUIT IT FITS YOU Technogym has always been committed to promoting a healthy Technogym heeft zich altijd ingezet voor de bevordering van lifestyle, leveraging the importance of exercise as an effective een gezonde levensstijl en het belang van lichaamsbeweging form of disease prevention and treatment. Thanks to Biodrive™ als een doeltreffende vorm van ziektepreventie en Technology, Biocircuit offers an effective and scientificallybehandeling. Dankzij de Biodrive™-technologie biedt Biocircuit proven training solution for elderly people. een doeltreffende en wetenschappelijk bewezen trainingsoplossing voor alle doelgroepen. Discover more at Ontdek meer op: technogym.com technogym.com
BIODRIVE™ TECHNOLOGY BIODRIVE™ TECHNOLOGY
Technogym’s patented Biodrive™ is an intelligent De gepatenteerde Biodrive™ technologie van Technogym drive that uses revolutionary aerospace technology is een intelligente aandrijving die gebruik maakt van for the best feeling and biomechanics ever. revolutionaire ruimtevaarttechnologie voor het beste gevoel en de beste biomechanica ooit.
fysio in actie
Pieken op het juiste moment
Fysiotherapeut op de Olympische Spelen
In de zomer van 2021 ging fysiotherapeut Luc Schout namens de Atletiekunie mee naar de Olympische Spelen in Tokio. We vroegen hem hoe hij het heeft ervaren om onderdeel te zijn van de Nederlandse atletiekploeg, die met een recordaantal van acht medailles op de zevende plaats in het medailleklassement wist te eindigen. Tekst: Luc Schout
Hardlopen is een essentieel onderdeel van mijn leven. Bij mijn werkzaamheden binnen Het Fysiolab ligt de nadruk op de curatieve kant en help ik sub-topsporters en recreatieve sporters. Als fysiotherapeut van de Atletiekunie ben ik dagelijks bezig om atleten te ondersteunen naar topprestaties. Of dit nu gaat om zo hard mogelijk sprinten, de marathon lopen of hoogspringen: in bijna alle onderdelen binnen de atletiek is hardlopen een cruciale skill. Bij de Atletiekunie is het mijn doel om de atleten te helpen pieken op het juiste moment. Voor deze atleten is deelname aan de Olympische Spelen het hoogst haalbare in hun carrière. Na een jaar extra voorbereiding en veel onzekerheid of de uitgestelde Spelen ondanks de coronapandemie nu wel door konden gaan, was het afgelopen zomer eindelijk zo ver: de Olympische Spelen in Tokio.
Fit, fitter, fitst Het andere klimaat, de reisafstand tussen het stadion en het olympisch dorp, het tijdschema en de grootte van de atletiekploeg (45 atleten) maakten van Tokio een enorme uitdaging. Samen met mijn collega-fysiotherapeuten was het mijn taak om ervoor te zorgen dat de atleten zo goed mogelijk aan de start van hun onderdeel stonden, zowel fysiek als mentaal. Dit betekende onder andere: kleine pijntjes en/of bewegingsbeperkingen in een warming-up behandelen, tapen en helpen de juiste spanning op het lichaam te zetten. Als hun onderdeel voorbij was, was het voor de atleten zaak om zo goed mogelijk te
V.l.n.r.: Emma Oosterwegel (brons op de zevenkamp), fysiotherapeut Luc Shout en Femke Bol (brons op de 400 meter horden)
herstellen, zodat ze in korte tijd weer fit waren voor het volgende onderdeel of de volgende ronde. Sommigen moesten al binnen een uur opnieuw presteren, anderen moesten enkele dagen later weer fit bij de start staan. Daarnaast voerde ik ook nog reguliere behandelingen uit.
Bijzondere medailles Tijdens de Olympische Spelen maak je vaak lange dagen. Zo kan het zijn dat er na het behalen van een medaille, de persconferentie, prijsuitreiking, dopingcontrole en het eten er ook om 3 uur ’s
nachts nog behandeld moet worden. Maar de vele goede prestaties en de behaalde atletiekmedailles maken dat natuurlijk meteen goed. De meest uitgesproken prestatie was misschien wel die van Sifan Hassan, die een medaille haalde op de 1.500 meter, de 5 en de 10 kilometer. Hiervoor moest ze in totaal 6 keer lopen en zelfs met haar val op de 1.500 meter in de laatste ronde haalde ze de volgende ronde. Het was een eer dat allemaal van dichtbij mee te maken. luc.schout@atletiekunie.nl FysioPraxis juni 2022 | 17
wetenschap – promotie
Hardloopblessures
Risicofactoren voor hardloopblessures Hardlopen is een populaire sport die veelvuldig door zowel mannen als vrouwen wordt beoefend. Sinds de COVID-19pandemie is het aantal hardlopers toegenomen, omdat veel georganiseerde verenigingssporten niet toegestaan werden door maatregelen.1-2 Diverse positieve effecten op gezondheid zijn bekend, zoals een verbetering van fysieke en mentale belastbaarheid. Helaas gaat hardlopen soms ook gepaard met het ontstaan van blessures. De meeste blessures worden gerapporteerd rondom het kniegewricht en de achillespees.3
Tekst: Dennis van Poppel
De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar hardloopblessures en zijn modellen beschreven in relatie tot ontstaansmechanismen van hardloopblessures (zie figuur 1).4-5 De incidentie blijft echter enorm hoog.1-2 Het lijkt erop dat deze modellen nog onvoldoende inzicht verschaffen in de ontstaansmechanismen en mogelijkheden tot preventie, dan wel het verminderen van het aantal blessures. Als de ontstaansmechanismen immers inzichtelijk waren, zouden blessure preventieprogramma’s effectief daarop gericht moeten zijn en zou de incidentie moeten stagneren of afnemen. Hard lopen is inmiddels koploper als sporttak met de hoogste incidentie van blessures in Nederland.1 Veruit de meeste hardloopblessures zijn overbelastingblessures waarbij knieblessures het vaakst voorkomen. Veelal beschrijven risicovoorspellende modellen factoren die een causaal verband zouden kunnen hebben met, dan wel een risicofactor zouden kunnen zijn voor, een hardloopblessure. Maar kan een losse factor voldoende verklaren? Nagenoeg geen enkele studie heeft onderzocht of juist een combinatie van risicofactoren met een model voldoende verklarend is. Het doel van dit proefschrift was daarom inzicht te krijgen in de incidentie, het beloop, de risicofactoren en de ontstaansmechanismen van blessures bij recreatieve hardlopers.
18 | FysioPraxis juni 2022
Figuur 1
Model van Malisoux voor beschrijving etiologie van hardloopblessures
Start van een cohort Om de incidentie en prevalentie van hardloopblessures te onderzoeken is er door het lectoraat Diagnostiek van de Avans Hogescholen een grote cohort studie gestart. Tijdens de studie zijn 3.768 hardlopers in vier verschillende cohorten geïncludeerd; de Bredase Singelloop in 2009 en 2011, Rotterdam Marathon 2011 en Lage Landen Marathon Eindhoven 2012. Dit betrof recreatieve hardlopers die zich hadden ingeschreven voor het lopen van een afstand van 5 kilometer, 10 kilometer, halve marathon of marathon. Er is 4 weken voor aanvang van het betreffende hardloopevenement gemeten, 10
dagen na het event en daarna (gedurende 1 jaar) elke 3 maanden. Daarbij is een vragenlijst ingevuld met betrekking tot potentiële risicofactoren voor hardloopblessures op gebied van persoonlijke (sociaal-demografische) factoren, training en leefstijl. De incidentie hardloopblessures tijdens de Bredase Singelloop Studie (N=713) in 2009 was 8% en de drie-maanden-incidentie varieerde tussen 14%-16%. Met name knie-, kuit- en dijbeenblessures waren de meest voorkomende blessures. Tijdens de 12 maanden follow-up-periode zijn 277 nieuwe hardloopblessures gerapporteerd. In totaal 69% van de blessures bleek binnen 10
dagen hersteld te zijn. Er kan geconcludeerd worden dat hardloopblessures veelvuldig voorkomen onder recreatieve hardlopers.6
Risicomodellen Om hardloopblessures in de toekomst te voorkomen, is het belangrijk goede risicomodellen te ontwikkelen. Hiermee kan ingeschat worden wie een hoog of laag risico heeft op het ontwikkelen van hardloopblessures. Bij de Lage Landen Marathon Eindhoven 2012 (N=943) bleken bij de univariate analyses bij halve marathonlopers een BMI ≥ 26 kg/m2, minder dan 5 jaar hardloopervaring en het niet veelvuldig uitvoeren van intervaltraining significant geassocieerd met hardloopblessures (zie tabel 1 op www.kngf.nl/fysiopraxis).7 In het multivariate model bleken alleen minder dan 5 jaar hardloopervaring en het niet regelmatig uitvoeren van intervaltraining significant geassocieerd met hardloopblessures. Bij marathonlopers (N=150) werden geen univariate associaties gevonden en kon, door een laag aantal cases, geen multivariaat model gemaakt worden.7 In de totale groep (N=3.678) bleek dat hardloopblessures gerelateerd zijn aan loopafstand tijdens het event. Met logistische regressie werden risicomodellen per loopafstand, voor het ontstaan van hardloopblessures ontwikkeld. Het uiteindelijk generieke risicomodel bestond uit 4 risicofactoren; eerdere blessures (OR 3,7) en loopafstand tijdens het evenement (OR 1,3) verhoogden het risico op blessures en hogere leeftijd (OR 0,99) en een toename van aantal kilometers hardlooptraining per week (OR 0,99) verlaagden het risico enigszins. Concluderend
Tabel 2 Variabelen
OR
95% BI
P-waarde
< 5 jaar
1,87
1,13 - 3,11
0,02
5-10 jaar
1,14
0,64 - 2,01
0,66
> 10 jaar (referentie)
1
Hardloopervaring
0,04
Intervaltraining Altijd versus soms Nagelkerke R square
0,67
0,33 - 0,81
< 0,01 0,045
Multivariaat regressiemodel (forward stepwise) voor hardloopblessures versus geen hardloopblessures bij deelnemers aan de halve marathon (N=466) Variabelen die zijn opgenomen in het definitieve model; OR, odds ratio; BI, betrouwbaarheidsinterval
kan gesteld worden dat risicomodellen tussen korte- en langeafstandslopers maar minimaal verschillen. In alle modellen verhoogt een eerdere blessure en verlaagt een hoger aantal trainingskilometers per week de kans op het ontstaan van een hardloopblessure (zie tabel 3 op www.kngf.nl/fysiopraxis).8
Systematische review naar risicofactoren Naast de prospectieve cohortstudie hebben we een systematische review naar risicofactoren voor hardloopblessures uitgevoerd bij zowel korteafstandslopers (gemiddelde loopafstand van maximaal 20 kilometer per week en maximaal 10 kilometer per training) als langeafstandslopers (gemiddelde loopafstand van minimaal 20 kilometer per week en minimaal 10 kilometer per training). Prospectieve cohortstudies, die een multivariabele analyse hebben toegepast voor het bepalen van individuele risicofactoren of risicomodellen voor het ontstaan van hardloopblessures in de onderste extremiteit, werden geïncludeerd. Twee onaf-
hankelijke beoordelaars hebben studies geïncludeerd en beoordeeld op risk of bias door middel van de QUIPS (Quality in Prognostic Studies Tool).9 Daarnaast is de Grading assessment quality of evidence (GRADE) approach toegepast om de algehele kwaliteit van de evidentie te bepalen.10 Er werden 29 studies geïncludeerd; 17 studies hadden betrekking op korte afstandslopers en 11 op langeafstandslopers. Eén studie had onderzoek gedaan naar zowel korte- als langeafstandslopers. Een eerdere hardloopblessure (gemiddelde bewijslast) is de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van blessures bij lange afstandslopers. Een eerdere blessure die niet gerelateerd is aan hardlopen is de belangrijkste risicofactor (veel bewijslast) bij korteafstandslopers. Een hogere Body Mass Index (BMI), hogere leeftijd, mannelijk geslacht, geen hardloopervaring en relatief laag hardloopvolume per week (minder dan 2 uur per week) zijn ook risicofactoren met een gemiddelde bewijslast voor het ontstaan van blessure bij korteafstandslopers. Er is weinig tot FysioPraxis juni 2022 | 19
»
Tabel 4 Prognostische factor
Aantal studies
Aantal participanten
Fase
Studie limitaties
Inconsistentie
Indirectheid
Imprecisie
Publicatie bias
Effect grootte
Dosis effect
Algehele kwaliteit
+++
Langeafstandlopers
Persoonsgebonden factoren Leeftijd (generiek)
3
3138
1
V
↓
V
V
x
x
x
Leeftijd (vrouwen)
3
2322
1
↓
↓
V
V
x
x
x
++
BMI (generiek)
3
3138
1
V
↓
V
V
x
x
x
+++
BMI (mannen)
3
2322
1
↓
↓
V
V
x
x
x
++
Geslacht
3
3580
1
V
↓
V
V
x
x
x
+++
Hardloopervaring (generiek)
3
3138
1
V
↓
V
V
x
x
x
+++
Eerdere sportparticipatie (mannen)
2
1478
1
V
↓
V
↓
x
x
x
++
Voet morfologie (generiek)
2
1384
1
V
↓
V
↓
x
x
x
++
Traininggerelateerde factoren Lager wekelijkse hardloop volume (min)
2
2526
1
↓
V
V
V
x
x
x
+++
Loopafstand (km)
2
1366
1
V
↓
V
↓
x
x
x
++
Gezondheidgerelateerde factoren Eerdere hardloopblessures (generiek)
3
3138
1
V
↓
V
V
x
x
x
+++
Eerdere blessures niet gerelateerd aan hardlopen
2
2705
1
V
V
V
V
x
x
x
++++
↓
x
↑
x
+++
Langeafstandlopers
Gezondheidgerelateerde factoren Eerdere hardloopblessures
3
922
1
↓
V
V
Grading assessment quality of evidence (GRADE) samenvatting van de meest belangrijke risicofactoren die in minimaal 2 studies beschreven zijn Generiek behelst zowel mannelijke als vrouwelijke lopers. V=geen belangrijke limitaties, ↓=belangrijke limitaties, x=niet van toepassing. Als er maar 1 studie was gevonden met significante resultaten, dan is het vertrouwen in de uitkomst gedowngraded voor inconsistentie en imprecisie. Voor algehele kwaliteit: + erg laag; ++ laag; +++ gemiddeld; ++++ hoog
» geen bewijslast voor specifieke risico modellen met betrekking tot het ontstaan van hardloopblessures bij korte- en lange afstandslopers. Oftewel, er zijn diverse risicofactoren van hardloopblessures geïdentificeerd maar de sterkte van bewijslast is beperkt. Met deze informatie hebben wij geconcludeerd dat hardloopblessures een multifactoriële achtergrond lijken hebben.11
Discussie In 2017 is een model gepresenteerd met betrekking tot de etiologie van hardloopblessures.5 Hierin wordt de complexiteit van het ontstaan van hardloopblessures beschreven vanuit het kader van belasting, belastbaarheid en adaptie. In
20 | FysioPraxis juni 2022
de reeds gedane studies, inclusief van ondergetekende, is vanuit pragmatisch oogpunt een vragenlijst gebruikt waarbij deelnemers de gemiddelde loopafstand, tijd, en andere potentiële risicofactoren rapporteerden. In de toekomst zouden onderzoekers niet zozeer op groepsniveau gemiddelden van deze potentiële risicofactoren moeten meten, maar vooral onderzoek moeten doen naar de associatie van potentiële risicofactoren met hardloopblessures, waarbij rekening wordt gehouden met individuele veranderingen in trainingsbelasting en mentale gezondheidstoestand gedurende een jaar. De trainingsbelasting gedurende een jaar varieert, geen enkele hardloper loopt bijvoorbeeld in verband
met voorbereiding op events gedurende het jaar structureel hetzelfde aantal kilometers per week. Maar ook variatie in stressoren en ziekten, die belastbaarheid verlagen, kunnen hierin een rol spelen. Als deze variaties, in grotere prospectieve cohortstudies, onderzocht worden in relatie tot het ontstaan van hardloopblessures kan in de toekomst mogelijk een beter antwoord worden gegeven op welke wijze deze blessures kunnen worden voorkomen. Voor nu betekent dit dus dat we, naast eerdere (hardloop)blessures, nog onvoldoende inzichtelijk hebben welke (combinatie van) risicofactoren een rol spelen bij het ontstaan van hardloopblessure(s). Blessurepreventieprogramma’s
hebben op dit moment onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing. Mogelijkerwijs kan het begeleiden bij het opbouwen van een hardloopschema, ofwel loadmanagement, hierin toch een rol spelen. Indien een hardloper zich
meldt met een blessure, probeer dan vooral op individueel niveau te analyseren waar het mogelijk mis is gegaan in de balans met betrekking tot lichamelijke belasting en belastbaarheid en daar gericht op te interveniëren.
dennis@pece-zorg.nl
Literatuur en tabel 1 & 3: www.kngf.nl/fysiopraxis
WAT KAN DE FYSIOTHERAPEUT MET DE RESULTATEN VAN DIT ONDERZOEK? Uit dit onderzoek blijkt dat risicofactoren voor hardloopblessures nog onvoldoende bekend zijn en dat de ontstaansmechanismen complex lijken. Een eerdere blessure is de enige risicofactor waarvoor enige evidentie is. Daarmee lijken generieke blessurepreventieprogramma’s vooralsnog een wankele basis qua wetenschappelijke literatuur te hebben en dient vooral op individueel niveau een analyse gemaakt te worden met betrekking tot (trainings)belasting gedurende het seizoen.
Dennis van Poppel rondde achtereenvolgens de opleidingen Fysiotherapie (Hogeschool West-Brabant, inmiddels Avans Hogescholen), Gezondheidswetenschappen (Universiteit Maastricht), Sportfysiotherapie en Manuele therapie af. In 2007 kwam hij in aanraking met het lectoraat Diagnostiek van de Avans Hogescholen en startte hij zijn onderzoek naar risicofactoren voor hardloopblessures. Op dit moment werkt hij voor Progress Educations van waaruit hij nationaal en internationaal cursussen en lezingen verzorgt. Ook is hij werkzaam binnen PECE Zorg, dat zich richt op hoog kwalitatieve zorgverlening op het gebied van (sport)fysiotherapie, manuele therapie, geriatrie fysiotherapie en echografie. Vanaf 2021 is hij lid van het Regionaal Tuchtcollege voor de Zorg te Eindhoven. Titel proefschrift: Risk factors for Lower Extremity Injuries in Recreational Runners Promotiedatum: 5 n ovember 2021, Erasmus Universiteit Rotterdam Promotieteam: Prof. dr. Bart Koes, Prof. dr. Arianne Verhagen en dr. Wendy Scholten-Peeters
Hoe kwam je tot dit promotietraject? De aanleiding voor dit onderzoek is bottom-up ontstaan, vanaf de klinische werkvloer. In mijn praktijk ontstond een jaarlijks terugkerend fenomeen waarin het aantal hardlopers dat de praktijk bezocht vanaf de maand
juni flink toenam. Dit betrof nagenoeg zonder uitzondering allemaal hardlopers die in voorbereiding waren voor de (halve) marathon van Eindhoven die jaarlijks in het tweede weekend van oktober wordt georganiseerd. Hierop heb ik besloten om me aan te sluiten bij het lectoraat Diagnostiek om nader onderzoek te doen.
Waarom dit onderwerp? Mijn ultieme doel was om een manier te vinden om hardlopers die ‘at risk’ zijn vroegtijdig te herkennen, daarop te interveniëren en daarmee de incidentie van hardloopblessures te verminderen. Daarmee zou er dus een goed onderbouwd blessurepreventieprogramma voor hardlopers ontwikkeld kunnen worden.
Hebben de conclusies je verrast? In 13 jaar onderzoek verandert je perspectief gelukkig door voortschrijdend inzicht. Aanvankelijk was ik verrast door de grote incidentie van hardloopblessures en gebrek aan grote goed opgezette prospectieve cohortstudies om een gericht antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvraag. Naarmate de jaren vorderden werd ik minder verrast door de uitkomst van studies omdat vaak dezelfde methodiek werd gebruikt waarvan ik zelf al bedacht had dat dit niet de juiste wijze is om goed antwoord te kunnen geven op de vraag welke risicofactoren er zijn voor hardloopblessures en hoe die te voorkomen.
Wat zou je doen met 1 miljoen euro onderzoeksgeld? Ik zou het geld gebruiken om de methodiek van onderzoek naar risicofactoren
voor hardloopblessures te wijzigen. Tot op heden wordt door de grote prospectieve cohorten vaak pragmatisch gekozen voor een vragenlijst die hardlopers zelf in moeten vullen. Om een beter antwoord op de onderzoeksvraag te kunnen geven zouden we in de toekomst met digitale middelen (trackers, apps op telefoons) grote groepen hardlopers moeten volgen waarbij we gedurende een jaar de individuele veranderingen in trainingsbelasting en andere potentiële risicofactoren op gebied van persoonlijke factoren en gezondheid moeten meten. Gedurende een jaar verandert tenslotte de trainingsbelasting, ervaart men in meer of mindere mate stress en kunnen mensen ziek worden. Als deze veranderingen worden onderzocht in relatie tot het ontstaan van hardloopblessures dan lijkt het een kwestie van tijd tot we een gedegen inzicht hebben in deze risico factoren en daaropvolgend een blessure preventieprogramma kunnen ontwikkelen. Als dit gevalideerd wordt op een externe populatie kan het ultieme doel bereikt worden om de incidentie van hardloopblessure te verminderen.
FysioPraxis juni 2022 | 21
test en techniek
Een extra paar ogen?
De ins en outs van 2D-videoanalyse Volgens onderzoek werden er in 2020 naar schatting 1,1 miljoen blessures opgelopen in Nederland tijdens hardlopen.1 Een groot deel hiervan wordt gezien door de fysiotherapeut.1 Omdat verschillende onderzoeken suggereren dat een bepaalde stand van de onderste extremiteiten en de romp van invloed kunnen zijn op pijn in het been,2-4 staat de 2D-videoanalyse steeds meer in de belangstelling. De analyse kan dienen ter ondersteuning van de klinische besluitvorming bij diagnostiek, behandeling en mogelijk ook ter preventie.5
Tekst en beeld: Rob Vergeer en Hans Bloo
Er zijn verschillende systemen op de markt van waaruit een loopanalyse gemaakt kan worden. Variërend van hightech loopbanden met ingebouwde krachtplatformen, 3D-camerasystemen met Virtual Reality-schermen, en EMGsensoren tot aan opnames met een simpele camera of telefoon die via 2D-analysesoftware verwerkt kunnen worden. De keuze voor een systeem is afhankelijk van doel, kennis, kunde en
beschikbaarheid. Wij zullen de videoanalyse verder toelichten.
3D versus 2D 3D-videoanalyses worden gezien als de gouden standaard voor het analyseren en beoordelen van bewegingen tijdens het hardlopen.6 De apparatuur is echter complex en duur, de set-up tijdrovend en het systeem is lastig te verplaatsen. Hierdoor is de bruikbaarheid in de klinische setting beperkt.6 Deze praktische beperkingen zijn beduidend minder aanwezig bij
Visualisatie Pelvic Drop en meten eversie van de enkel
22 | FysioPraxis juni 2022
2D-videoanalyses. Met een normale camera, telefoon of tablet, tape als markers, eenvoudige software en een protocol kan er al een valide en betrouwbare 2D-videoanalyse worden gemaakt tijdens het hardlopen.5,7,8
Protocol In een protocol zijn de definities van de markeringspunten, de te meten hoeken, uitvoering van de test en kledingkeuze opgenomen.9 De loper draagt bij voorkeur strak omsluitende en effen kleding. De
Nauwkeurig meten vanuit twee hoeken
markers kunnen zowel high-end tracking markers zijn als simpele tapestrips. Hoewel een videoanalyse van het hardlopen ook in de vrije ruimte kan worden gedaan, zal om praktische redenen vaak de loopband worden gebruikt. Voordelen zijn dat de camera(’s) loodrecht op de hardloper gericht kunnen worden in het frontale en sagittale vlak, de snelheid goed te reguleren is en dat er een langere opnametijd gebruikt kan worden. Geadviseerd wordt om te starten met een warming-up/gewenningsperiode van minimaal 6 minuten op de loopband met als doel het verschil tussen een looptechniek op de grond en de loopband zo klein mogelijk te maken.10,11 De gekozen snelheid is afhankelijk van de hulpvraag en terwijl de hardloper na deze periode met dezelfde snelheid verder loopt, kunnen de opnames worden gemaakt.
Analyse De video’s worden geüpload in de analysesoftware. Er is een ruime keuze uit betaalde analysesoftwareprogramma’s, maar Kinovea is een voorbeeld van een valide en betrouwbaar opensourceprogramma dat gratis te downloaden is.12 De softwareprogramma’s stellen de the rapeut in staat om de beelden per video frame te analyseren om eenvoudig posi-
ties van het lichaam te bepalen, accuraat hoeken te meten en beelden synchroon vanuit verschillende hoeken te vergelijken. Omdat er nog geen afkapwaarden bekend zijn die voorspellend zijn voor een blessure13 en de loopsnelheid van invloed is op kinematische variabelen,14 ligt de uitdaging in een gedegen klinische redenatie.
Meerwaarde De therapeut kan door het inzetten van een videoanalyse gebruikmaken van meet- en evaluatiemomenten. Afhankelijk van het doel kan dat nauwkeurig zijn met gebruik van een protocol en markers, of minder nauwkeurig, waarbij de analyse voornamelijk dient als visuele feedback naar de patiënt. Door visuele feedback krijgt de patiënt inzicht in eigen functioneren en kan het bewustzijn worden vergroot met mogelijk een grotere betrokkenheid voor de voorgestelde behandeling.15-17 Een voorbeeld hiervan is het aanpassen van de landingstechniek van hiel naar voorvoet bij patiënten met chronisch anterieur compartiment syndroom. Dit proces vereist aanpassingen van motorische vaardigheden als techniek en coördinatie. Door gerichte feedback met daaraan gekoppelde oefenvormen kan dat leiden
tot een verlaging van de pijn, druk in de spier, functionele beperkingen en een verhoging van prestaties.2-4 2D-videoanalyse kan een mooie aanvulling zijn op de toolbox van de fysiotherapeut. Het is betrouwbaar, relatief goedkoop, geschikt voor het identificeren van mogelijke risicofactoren voor verschillende hardloopblessures en kan ingezet worden voor op maat gemaakte behandel- of looptrainingsprogramma’s.
Rob Vergeer MSc, fysiotherapeut bij Erasmus MC (t.t.v. schrijven bij Cureplus), klinisch epidemioloog en onderzoeker bij UMC Utrecht Hans Bloo MSc, (sport) fysiotherapeut bij PMI Rembrandt Veenendaal, bewegingswetenschapper en onderzoeker bij UMC Utrecht
r.vergeer-3@umcutrecht.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2022 | 23
Gymna Nederland
Je officiële Gymna leverancier
Ontdek de beste materialen voor de fysiotherapeut in onze ONE-STOP-SHOP: van braces tot behandeltafels en van sporttape tot ShockMaster.
Persoonlijk advies & bereikbaarheid
Deskundigheid & optimale service
Gebruiksgemak & one-stop shop
Vertrouwde Gymna topkwaliteit
Gymna Nederland | info@gymna.nl Industrieweg 52, 5527 AJ Hapert | Tel. 085 902 98 30 www.gymna.nl
Jouw praktijk. Onze zorg.
Plug & Play
Onze missie Alle spierziekten bij kinderen verslaan Ook jij kunt je gezonde spieren inzetten voor zieke spieren!
• • • •
13
1 op 1 training Circuittraining Toepasbaar op elke locatie Eenvoudig te bedienen
accreditatiepunten bij het Keurmerk Fysiotherapie
SMART
• Specifiek: sturing, Motor Control • Meetbaar en reproduceerbaar • Aanwijsbaar, uw cliënt met Motor Control insufficiëntie • Realistisch, zichtbaar en voelbaar resultaat • Tijdsgebonden, binnen 2 tot 6 sessies
T
010 416 93 93
E
info@veldon.nl
www.veldon.nl
Kom in actie Word partner Word vrijwilliger
ADVERTEREN IN
Organiseer een actie!
FYSIOPRAXIS? Neem dan contact op met
Sjaak Bruins www.sportenvoorspieren.nl/doneren/kies
010-742 10 20 sjaak@cross.nl
patiënt in beeld
Foto: Wiep van Apeldoorn
vervolg van pag. 11
Daan Gelsing, master musculoskeletale revalidatie, master musculoskeletale echografie en extended scope specialist bij Rembrandt fysiotherapie en revalidatie, Veenendaal
Fysiotherapeut Daan Gelsing: Binnen onze praktijk word ik, gezien mijn opleiding Musculoskeletale echografie, vaak door mijn collega’s ingezet voor aanvullend onderzoek met behulp van echografie. Aan de hand van de vraag van mijn collega én het verhaal van de patiënt zelf breng ik de regio in beeld. Meestal kan de patiënt met een rapportage van mijn bevindingen retour naar de behandelend therapeut. Ik doe deze echodiagnostiek niet alleen voor patiënten van onze eigen praktijk, maar ook voor de patiënten van collega-fysiopraktijken, huisartspraktijken (echogeleide interventies) en sportartsen. Zo ook voor collega en hardloopfysio Ronald Dercksen (zie de cover en pagina 4, red.), die ook bij ons in het pand zijn praktijk heeft. Echografie kan namelijk ook bij hardloopgerelateerde klachten van aanvullende waarde zijn. Denk aan spier- en peesletsel, maar ook bijvoorbeeld een entrapment van een zenuw kan in beeld worden gebracht. Bij echografie is het essentieel dat je hier veel ervaring in krijgt. Als ik twijfel over bepaalde beelden kan ik altijd afstemmen met collega-MSK-echografisten en ook radiologen. We hebben onderling een appgroep om casuïstiek te bespreken. In het geval van Peter leek het in eerste instantie om knieletsel te gaan, maar uit het lichamelijk onderzoek k wamen geen afwijkende zaken naar voren. Doordat ik de echo in kon zetten zag ik gezien de zwelling en veranderde spierstructuur dat het om een spiercontusie ging. Zo kon ik hem geruststellen en adviseren betreffende de laatste wedstrijd. Meer weten over de aanpak? Neem contact op met Daan Gelsing (dgelsing@pmirembrandt.nl).
FysioPraxis juni 2022 | 25
casuïstiek, diagnostiek en behandeling
Even rusten is goed, met rust laten nooit!
Runningtherapie: hardlopen bij overspanning en burn-out Hardlopen, je hoeft er geen ervaring in te hebben of er heel goed in te zijn om dreigende overspanning of burn-out te voorkomen en stress te verminderen. De (psychosomatisch) fysiotherapeut is een zorgprofessional die het therapeutisch hardlopen (runningtherapie) samen met de patiënt op kan starten. Tegelijkertijd kan ook het vaak disfunctionele ademhalingspatroon bij aanhoudende stress, overspanning en burn-out, geoptimaliseerd worden door ademhalingsoefeningen.
Tekst: Simon van Woerkom en Fokkeline Zuidema | Foto: Judith Visser
Runningtherapie is een vorm van bewegingstherapie waarbij iemand de vaardigheid wordt aangeleerd om 20 tot 30 minuten aaneengesloten te kunnen hardlopen. Voornaamste doel hiervan is psychische klachten te verminderen of te voorkomen. In de eerstelijnszorg past lichaamsbeweging echter wél in een stepped-care- aanpak van burn-out.1 Runningtherapie is wat anders dan een hardloop-opbouwschema dat is terug te vinden op internet. Het grootste verschil met bijvoorbeeld een start-to-run-hardloopgroep is de wijze waarop deelnemers instromen. Deelnemers aan runningtherapie worden meestal verwezen door de huisarts, prak tijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg (POH-Ggz) of psycholoog, als die menen dat een lichaamsgerichte therapie vorm ondersteunend kan zijn bij het herstel van de patiënt. Het vakgebied van een fysiotherapeut of runningtherapeut bevindt zich figuurlijk tussen de spreekkamerdeur van de huisarts, POH-Ggz of psycholoog en de toegangsdeur van een reguliere hardloopclub of sportschool. Bij burn-out treden er naast psychische klachten ook allerlei aspecifieke klachten op zoals pijn, spanningsklachten en vermoeidheid. Deze klachten zijn vaak een reden om sportieve fysieke activiteiten uit de agenda te schrappen, terwijl investeren in fysieke beweegactiviteiten en ademhalingsoefeningen deze klachten juist vermindert.
26 | FysioPraxis juni 2022
Therapeutisch hardlopen Ongeveer 1,3 miljoen werkenden ervaren burn-out klachten. Psychische klachten, overspanning en burn-out zijn daarnaast verantwoordelijk voor 8% van het totale verzuim op de werkvloer.2 Gelet op deze aantallen is het aannemelijk dat deze klachten veelvuldig in de eerste lijn behandeld worden, en daarmee ook door de fysiotherapeut. Runningtherapie wordt al sinds 1984 als beweeginterventie ingezet bij mensen met lichte en milde depressies.3-5 Bij een burn-out is dat (nog) niet het geval, maar inmiddels is aangetoond dat hardlopen burn-out en werkgerelateerde vermoeidheidsklachten kan verminderen.1 In deze casus laten wij zien op welke manier runningtherapie en ademhalingsoefeningen worden ingezet om subjectief ervaren vermoeidheidsklachten en stressgevoelens te verminderen. Aan de hand van 6 subdoelstellingen wordt de patiënt de vaardigheden aangeleerd om zelfstandig invulling te geven aan het therapeutisch hardlopen en het doen van ademhalingsoefeningen om psychisch welbevinden te optimaliseren.
als thuiszorgmedewerkster, gecombineerd met de zorg voor haar kinderen, onmogelijk maken. Het afgelopen half jaar is haar vader overleden, is haar relatie beëindigd en is ze niet meer toegekomen aan hetgeen haar ontspande en ze graag deed: hardlopen. Ze geeft aan er letterlijk geen energie meer voor te kunnen opbrengen en niet te weten waar ze de tijd vandaan moet halen. Ze heeft het idee dat hardlopen energie en tijd kost en dat dat nou juist hetgeen is wat zij mist. Nu zij zich heeft ziekgemeld, vindt ze helemaal dat hardlopen geen prioriteit heeft. Schuldgevoel vanwege haar ziekmelding ligt hieraan ten grondslag. Ze zou graag weer de ontspanning willen voelen die zij vroeger altijd had na het sporten maar om invoelbare redenen komt het er toch niet van. Mevrouw heeft aspecifieke nek-, schouderklachten en aanvalsgewijze momenten van benauwdheid zonder aanwezigheid van longpathologie. Voor de klinimetrie worden de Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL), de Multidimensionale Vermoeidheids Index (MVI) en de Nijmeegse Hyperventilatieschaal (NVL) gebruikt.6-8
Casus
Multi-disciplinaire aanpak
Mevrouw S., 34 jaar en alleenstaand met 2 jonge kinderen in de basisschoolleeftijd, wordt verwezen voor fysiotherapeutische behandeling vanwege burn-outproblematiek. Mevrouw heeft zich sinds enkele dagen ziekgemeld omdat vermoeidheid en spanningsklachten haar het werken
Voor burn-outbegeleiding is zij voor psychologische ondersteuning verwezen naar een psycholoog. Met de huisarts heeft ze tweewekelijkse voortgangsgesprekken afgesproken. Met de bedrijfsarts staat een afspraak gepland voor een intake. Omdat de aangeraden
sychologische hulp en de afspraak met p de bedrijfsarts pas over enkele weken op de agenda staan, heeft de huisarts besloten om mevrouw voor complementaire, fysiotherapeutische ondersteuning te verwijzen in de verwachting hiermee de vermoeidheid, pijn-, en spanningsklachten te verminderen. Interventies met een fysiek aangrijpingspunt zoals gedoseerde fysieke training en ontspanningsoefeningen hebben een aanwijsbaar stressreducerend effect. Wanneer gekozen wordt voor een activerende benadering bij een aanpassingsstoornis zoals burn-out, heeft rust een plaats in de crisisfase (1-3 weken). Rust is op dat moment niet het therapeuticum, maar een tijdelijke randvoorwaarde voor de fasen van probleemoplossing (3-6 weken) en de toepassingsfase (9-12 weken) waarin verworven inzichten en vaardigheden die zijn opgedaan tijdens de runningtherapiesessies en bij het uitvoeren van de ademhalingsoefeningen, in praktijk worden gebracht.9
Tweesporenbeleid: fysieke activatie en ontspanning Op basis van de scores op de 4DKL, de MVI en de NVL bij aanvang van de behan-
deling, wordt door de fysiotherapeut in overleg met mevrouw een behandelplan opgesteld. In dit behandelplan wordt runningtherapie als fysieke activiteit gecombineerd met ademhalingsoefeningen ter ontspanning. In het behandelplan worden de diverse doelen zo specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden (SMART) geformuleerd (zie tabel 1 op www.kngf.nl/fysiopraxis).
Fysieke activatie: het hardlopen Mevrouw heeft ervaring met hardlopen, zowel op de loopband als in de buitenlucht. Om gerichte huiswerkoefeningen mee te kunnen geven moet zij weten op welke snelheid zij moet gaan lopen, hoe lang er (ononderbroken) moet worden hardgelopen, met welke frequentie er geoefend moet worden en waar of met wie er gelopen zal gaan worden. Welke snelheid? Als ik haar vraag een tempo te zoeken dat zij als ‘matig intensief hardlopen’ (Borgscore 11-13) zou scoren, komt ze uit op een snelheid van 11 kilometer per uur (km/h). Op zich zegt deze snelheid nog niets, maar bij het hardlopen op deze snelheid blijkt dat zij niet meer in staat
is hele zinnen te formuleren en al bijna aan het hijgen is. Er is een discrepantie tussen de door haar ervaren mate van inspanning en de gevraagde intensiteit van de geleverde inspanning; wat S. zelf als ‘matig intensief hardlopen’ beoordeelt, komt niet overeen met de wijze van ademhalen en het bijna niet meer kunnen uitbrengen van hele zinnen, wat namelijk meer op een Borgscore 14-15 wijst. De eerst subdoelstelling wordt daarom: de subjectief ervaren mate van inspanning in lijn krijgen met de objectief geleverde inspanning. Hoeveel minuten? Wanneer mevrouw met een tempo van 11 km/h aan het hardlopen is en ik vraag hoe lang zij dit denkt te kunnen volhouden geeft zij aan dat dit, door de ervaren benauwdheid en haar huidige conditieniveau, maximaal 4 minuten zal zijn. De inspanningsgebonden benauwdheid zal afnemen zodra het tempo wordt verlaagd. De volhoudtijd zal ook toenemen door het looptempo te verlagen. Temporisering, het doseren van de fysieke inspanning door afwisseling van hardlopen met wandelen wordt daarmee de tweede subdoelstelling. FysioPraxis juni 2022 | 27
»
» Hoe vaak? Vaak wordt geadviseerd te werken met een 9 tot 12 weken durend programma waarin minstens 3 keer week een half uur getraind moet worden.10 Daarmee wordt nog niet voldaan aan de 150 minuten matig intensief bewegen zoals de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voorschrijft.11 Voldoen aan deze norm is niet de eerste prioriteit, maar door tenminste 3 keer per week 30 tot 40 minuten fysiek actief te worden vormt dit wel een goed vertrekpunt om op later moment wel aan deze norm te voldoen. Belangrijker is om prioriteit te geven aan fysieke inspanning om fitter te worden en de vermoeidheidsklachten daadwerkelijk te laten afnemen. Patiënten met burnout klachten hebben vaak de voor hen ontspannende, energie-opleverende activiteiten al wegbezuinigd. Het agenderen van 3 tijdsblokken van 60-75 minuten per week (30-45 minuten trainingstijd en 30 minuten omkleden/douchen) vormt de derde subdoelstelling. Met wie? Hardlopen onder supervisie is in eerste instantie wenselijk om voorgaande punten te kunnen oefenen. Naast de gesuperviseerde trainingssessie wordt mevrouw het advies gegeven ook zelf nog 2 keer per week te gaan hardlopen. Om de kans te vergroten dat dit zal gebeuren, wordt haar gevraagd om een vriend(-in), kennis, buurvrouw of lokale hardloopclub op te zoeken. Deze stap is belangrijk om na afsluiting van de behandelepisode het hardlopen een reële kans te geven onderdeel te blijven van een meer uitgebalanceerde leefstijl. Dit is subdoelstelling vier.
Ontspanning: ademhalingsoefeningen
Ademhalingsanalyse Voor analyse van het ademhalingspatroon en het vaststellen van de hartslagvariabiliteit wordt gebruik gemaakt van een softwareprogramma (Heartmath, emWave Pro). Via een oorsensor wordt de hartslagfrequentie (HSF) geregistreerd. Zodoende is het aantal in-, en expiraties per minuut eenvoudig vast te stellen. Bij patiënten met stress of burn-outklachten is het patroon van een stijgende HSF tijdens inspiratie en een dalende HSF tijdens de expiratie verstoord geraakt. Bij analyse kan er slechts een chaotisch patroon worden geconstateerd. Dit patroon is zichtbaar gedurende de eerste 90 seconden van het linkergedeelte van de grafiek in figuur 1. Met behulp van deze software wordt een start gemaakt met ademhalingsoefeningen. Accent ligt hierbij op vertragen van de ademhalingsfrequentie, wat duidelijk zichtbaar is in het rechtergedeelte van de grafiek (figuur 1). Hierdoor ervaart mevrouw al na enkele minuten dat de vertraagde ademhalingsfrequentie een ontspannen gevoel oplevert. Door gebruik te maken van de door de Nederlandse Vereniging van Fysiotherapie volgens de
Psychosomatiek (NFP) gratis verstrekte ademhalingsapp kan de juiste duur van de oefening, de gewenste ademhalingen per minuut en de adembalans (in-uit verhouding) zelf ingesteld worden. Er wordt bij verteld dat het niet de bedoeling is dat zij de hele dag door hoeft te ademen zoals tijdens de oefening. Het wordt als hulpmiddel gebruikt om tijdelijk de ademhalingsfrequentie te verminderen en zo spanningsgevoelens te laten afnemen. Tegelijkertijd draagt het ertoe bij dat zij zich vaker bewust wordt van de momenten dat de ademhalingsfrequentie hoger is dan noodzakelijk, en kan zij met slechts 2-5 ademhalingsexcursies haar stressgevoel laten afnemen. Per dag 5 tot 6 keer oefenen wordt subdoelstelling 5.
Succeservaringen genereren en doelen stellen Runningtherapie kan gegeven worden aan de hand van talloze trainingsschema’s, afhankelijk van het beginniveau van de deelnemer. Er wordt gebruikgemaakt van een schema om houvast te bieden voor zowel de patiënt als de fysiotherapeut. Succeservaring en het daarmee toenemende competentiegevoel hoeft niet alleen verkregen te worden door
Figuur 1
Meting hartslagvariabiliteit (HRV) met op de Y-as de hartslagfrequentie (BPM)
Tabel 2
Patiënten met stress en burn-out zijn Taak Verbeterdoel Uitvoeringsdoel zich niet bewust van het feit dat zij runningtherapeut hyperventileren en een disfunctioneel ademhalingspatroon hebben. Om van Depressie Stimuleren, Progressie laten inzien van Ervaren dat je ‘geen idee dat je iets niet kan’ te komen motiveren (ononderbroken hardlopen, soms meer kunt tot de situatie waarin ‘je zonder nadendan je denkt tijd, afstand, HSF, etc.) ken doet wat je geleerd hebt’ worden Afremmen, leren inschatten (BPM).] Op gevoel leren [Figuur 3.Burn-out/ Hartslagvariabiliteit (HRV) meting met op Leren de Y-asdoseren, de hartslagfrequentie de leerfasen van Maslow doorlopen. overspanning doseren tijd, afstand, etc.) (hard)lopen, eigen Het letterlijk inzichtelijk maken van, en grenzen bewaken laten ervaren wat aanpassing van de Controle krijgen over HSF, Ontspannen leren Angst Geruststellen, ademhalingsfrequentie voor gevolgen (hard)lopen onder begeleiding ademhalingsfrequentie heeft, helpt de cyclus van onbewust- laten ervaren onbekwaam naar onbewust-bekwaam te doorlopen.
28 | FysioPraxis juni 2022
Taak van de runningtherapeut bij het stellen van verbeter- en uitvoeringsdoelen
Tabel 3 Meetinstrument
Aanvang
Week 3
Week 6
4DKL Distress
27/32
21/32
20/32
4DKL Depressie
4/12
4/12
3/12
4DKL Angst
14/24
14/24
9/24
4DKL Somatisatie
11/32
9/32
3/32
MVI Algemene vermoeidheid
16/20
16/20
12/20
MVI Fysieke vermoeidheid
19/20
16/20
16/20
MVI Verminderde activiteit
16/20
15/20
15/20
MVI Verminderde motivatie
16/20
16/20
13/20
MVI Mentale vermoeidheid
14/20
15/20
13/20
NVL
30/30
27/30
24/30
Uitslagen op de 4DKL, de MVI en de NVL
steeds langer, harder of verder te lopen. Vanuit de sportpsychologie zijn winstdoelen, verbeterdoelen en uitvoeringsdoelen bekend.12 Daarmee wordt het mogelijk om bij iedere therapiesessie ‘succes’ te generen, zowel in een-op-eensituaties als in groepsverband. Inzicht en vaardigheden in het gebruik van met name verbeter-, en uitvoeringsdoelen zijn voor een runningtherapeut zeer hulpzaam. In tabel 2 staan enkele voorbeelden hoe een fysio-/runningtherapeut dit bij diverse psychische klachten in de praktijk voor elkaar kan krijgen. Om, in het geval er in groepsverband wordt getraind, te voorkomen dat er een vorm van competitie ontstaat, zal er in beginsel hoofzakelijk met verbeter-, en uitvoeringsdoelen worden gewerkt.
Verbeterdoelen Voorbeeld: testen en meten of de deelnemer langer, sneller of met een lagere of hogere HSF kan lopen. Voordelen: deze doelen zijn meetbaar, je kunt de doelen zelf stellen, je hebt er controle over, je kunt jezelf stap voor stap verbeteren waardoor motivatie toeneemt. Nadeel: deze doelen worden fysiek begrenst, je hebt geen controle op externe factoren (weer, vorm van de dag) en mogelijk kan er te veel focus op individueel presteren komen te liggen.
Uitvoeringsdoelen Voorbeeld: oefenen of je zo mooi, geruisloos of op je voorvoeten kunt lopen. De focus verleggen door in een paar minuten
te onthouden welke geluiden je hebt gehoord, welke dieren je hebt gezien of hoeveel bomen of lantarenpalen je voorbij bent gelopen. Voordeel: het halen van deze doelen is onafhankelijk van anderen, deelnemers kunnen zich richten op individuele beleving in plaats van presteren. Nadeel: het behalen van uitvoeringsdoelen is moeilijk objectief meetbaar.
Welk trainingsschema? Figuur 2 (zie www.kngf.nl/fysiopraxis) toont de inhoud van het trainingsschema dat is gebruikt bij onderzoek onder werknemers en studenten en is als leidraad gebruikt in deze casus.
opneemt wanneer de motivatie om te gaan lopen voor meer dan 2 weken afwezig is en beschouwen dit als een terugvalpreventieplan. Van belang bij het aanbieden van runningtherapie is te zorgen voor een niet te hoog en te snel oplopende trainingsintensiteit, -frequentie en -duur. Runningtherapie onderscheidt zich van reguliere hardloopgroepen vanuit het besef dat patiënten met stress, overspanning en burn-out vaak de mogelijkheid hebben verloren om zelf invulling te geven aan het (therapeutisch) hardlopen. Hierbij beseft de runningtherapeut dat dit geen ‘motivatiedipje’ is, maar een wezenlijk onderdeel van de aandoening en klachten. Wel zal er bij de patiënt in elk geval een minimale wens om te gaan hardlopen aanwezig moeten zijn. De beslissing om runningtherapie en ademhalingsoefeningen aan te bieden bij patiënten met overspanning, burn-out en stress is mede afhankelijk van de ‘hardloopwens’ van de patiënt. Aanvullende theoretische scholing is voor fysiotherapeuten niet strikt noodzakelijk. Zij beschikken over het algemeen over voldoende theoretische kennis en praktische ervaring om fysieke trainingsactiviteiten veilig en verantwoord te begeleiden. Voor fysiotherapeuten die intensief met mentaal-emotioneel laag belastbare groepen willen gaan werken en verdieping willen van hun kennis over het werken met deze doelgroep, is aanvullende scholing aan te bevelen.
Resultaten In de afsluitende trainingssessie is het doel om 20 minuten ononderbroken hard te lopen en mevrouw S. weet dit succesvol uit te voeren. Om het bereikte behandelresultaat verder inzichtelijk te maken worden er metingen verricht waarvan de uitslagen zijn weergegeven in tabel 3. Na 6 weken is mevrouw S. in staat om 20 minuten aaneengesloten hard te lopen en doet zij 2 keer per dag 15 minuten ademhalingsoefeningen. Uitslagen op de 4DKL, de MVI en de NVL laten een afname van klachten zien die ook als zodanig ervaren wordt. Mevrouw geeft aan hierdoor gemotiveerd te zijn en er vertrouwen in te hebben om zowel het hardlopen als de ademhalingsoefeningen te blijven voortzetten. We spreken af de behandelperiode voorlopig af te sluiten. Wel maken we de afspraak dat zij contact
Simon van Woerkom, fystiotherapeut, runningtherapeut en praktijk eigenaar, Fysiotherapie & Sport De Kroonsteen, Malden Fokkeline Zuidema, fysiotherapeut, runningtherapeut en mindfulness trainer, Fysiotherapie & Sport De Kroonsteen, Malden
Kijk voor meer informatie over runningtherapie op https://runningtherapie.nl.
Literatuur, tabel 1 en figuur 2: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2022 | 29
wetenschap – samenvatting
Mental recovery and runningrelated injuries in recreational runners: The moderating role of passion for running Jan de Jonge, Yannick Balk en Toon Taris
Klinische vraag Wat is de rol van mentale aspecten (mentaal herstel, passie voor sport) bij zelfgerapporteerde hardloopblessures van recreatieve hardlopers?
Conclusie van de auteurs Hardlopers rapporteren relatief vaak sportblessures. Hardlopers rapporteren meer hardloopblessures als ze obsessief gepassioneerd zijn, terwijl zij minder hardloopblessures rapporteren als ze harmonieus gepassioneerd zijn en tevens mentaal kunnen herstellen na het hardlopen.
Onderzoeksopzet
95% betrouwbaarheidsinterval = 1,031,85). Ten slotte bleek dat harmonieus gepassioneerde lopers die tevens in staat waren om mentaal te herstellen na een training significant minder sportblessures rapporteerden dan andere lopers (odds ratio = 0,72; 95% betrouwbaarheidsinterval = 0,54-0,96). Obsessief gepassioneerde hardlopers kunnen baat hebben bij educatieve programma’s om het hardlopen meer harmonieus te integreren met andere aspecten van het leven. Bovendien is voorlichting over de cruciale rol van mentaal herstel belangrijk. Trainers en (sport-)therapeuten kunnen zich hier meer bewust van worden en hun t raining- en behandelschema’s daarop aanpassen. Prof. dr. Jan de Jonge, hoogleraar Arbeids- & Sportpsychologie, Technische Universiteit Eindhoven en Universiteit Utrecht.
Cross-sectioneel vragenlijstonderzoek.
Onderzoekslocatie Technische Universiteit Eindhoven.
SAMENVATTING Hardlopen is een zeer blessuregevoelige sport. Er zijn steeds meer aanwijzingen om naast fysieke factoren ook te kijken naar mentale factoren die het ontstaan van sportblessures kunnen verklaren. De hier onderzochte mentale factoren zijn mentaal herstel en passie voor sport. Onder mentaal herstel wordt verstaan dat een hardloper aangeeft enkele uren na het hardlopen geestelijk tot rust te zijn gekomen en mentaal afstand genomen heeft van zijn/haar sport. Verder zijn er twee typen passie voor sport: een goede (harmonieus) en een minder goede (obsessief). Harmonieuze passie impliceert intrinsieke motivatie en plezier om te lopen zonder druk, dwang of controle van buitenaf. Obsessieve passie lijkt op een verslaving: lopers moeten hardlopen van zichzelf en de activiteit is niet meer controleerbaar. Uit een vragenlijstonderzoek onder 246 recreatieve Nederlandse hardlopers bleek dat 51% van de lopers meldde geblesseerd te zijn geweest in het afgelopen jaar. Verder kwam uit logistische regressieanalyses naar voren dat obsessief gepassioneerde lopers significant vaker sportblessures rapporteerden dan andere lopers (odds ratio = 1,36;
30 | FysioPraxis juni 2022
j.d.jonge@tue.nl Samengevat uit: Int J Environ Res Public Health. 2020;17(3):1044
Is self-regulation key in reducing running-related injuries and chronic fatigue? A randomized controlled trial among longdistance runners. Luuk van Iperen, Jan de Jonge, Josette Gevers, Steven Vos en Luiz Hespanhol
Klinische vraag Is een app-interventie, gericht op het bevorderen van zelfregulatie bij langeafstandlopers, effectief in het reduceren van het aantal hardloopblessures?
Conclusie van de auteurs We vonden geen bewijs dat onze app- interventie de kans op hardloopblessures heeft verlaagd, noch dat de intensiteit van het gebruik van de app een rol heeft gespeeld. Psychologische profielen van hardlopers voorspelden de kans op hardloopblessures, maar speelden geen rol in de effectiviteit van de interventie.
Onderzoeksopzet Gerandomiseerde studie.
Onderzoekslocatie Leefomgeving deelnemers.
SAMENVATTING Het vergroten van het zelfregulerend gedrag van langeafstandslopers kan het risico op blessures mogelijk verminderen. Daartoe hebben we de app Running & Exercise Mental Break Optimization (REMBO) ontworpen. REMBO-gebruikers kregen via een zelftest inzicht in hun trainingsbelastbaarheid, herstelstatus en energieniveau. Verder kregen ze een gepersonaliseerd advies over hun geplande training via een verkeerslichtsysteem: ‘groen’ (training uitvoerbaar), ‘oranje’ (trainingseisen minderen), en ‘rood’ (training overslaan). Bij onze gerandomiseerde studie rapporteerde 63% van de controlegroep (n = 211) en 58% van de interventiegroep (n = 214) een hardloopblessure in de 12 maanden voorafgaand aan de interventie. Na de interventieperiode van 3 maanden waren de blessurepercentages over dit kwartaal respectievelijk 32% en 34%. De hoofdanalyse liet geen bewijs voor een effect van de app op blessurekans zien (odds ratio = 1,48; 95% betrouwbaarheidsinterval = 0,68 tot 3,28). Wel bleken de psychologische profielen ‘laag risico’ en ‘hoog risico’ de kans op blessures te voorspellen. De REMBO-app had bij de lange afstandslopers geen blessurevermindering tot gevolg. Wel zagen we dat REMBO-gebruikers een hoger bewustzijn van (mentaal) herstel en een gezondere omgang met hun hardlopen rapporteerden. Daarmee kunnen fysiotherapeuten de app en de onderliggende principes benutten bij het begeleiden van lange afstandlopers en preventie van blessures. Zo kunnen hardlopers bijvoorbeeld worden gewezen op het herkennen van een verminderde fysieke én mentale belastbaarheid.
Luuk van Iperen, docent Arbeids& Organisatiepsychologie bij de Technische Universiteit Eindhoven l.p.v.iperen@tue.nl Samengevat uit: J Appl Sport Psychol. 2022; doi:10.1 080/10413200.2021.2015479.
wetenschap – samenvatting
Lower extremity compression garments use by athletes: why, how often, and perceived benefit Thierry Franke, Frank Backx en Bionka Huisstede Klinische vraag
Welke sporters gebruiken onderbeencompressiekousen? Waarom en wanneer doen zij dit en wat zijn de ervaren effecten hiervan? Conclusie van de auteurs
Met name duursporters, vooral hardlopers, gebruiken compressiekousen. Zij gebruiken deze hoofdzakelijk tijdens het sporten. Meer dan 80% van de sporters die compressiekousen gebruiken, probeert hiermee een recidief van een blessure te voorkomen. Bijna 15% geeft als belangrijkste reden dat ze symptomen van een bestaande blessure willen reduceren. Onderzoeksopzet
Cross-sectioneel onderzoek.
Onderzoekslocatie
Nederland. SAMENVATTING
Sporters, die compressiekousen van het merk Herzog Medical dragen, vulden online een vragenlijst in. Zij rapporteerden over het type compressiekous, waarom en wanneer zij de compressiekous gebruikten en wat het ervaren effect ervan was. Van de 512 compressiekousen dragende sporters waren 451 (88%) duursporters, waarvan 382 (85%) hardlopers. De compressiesok (59%) en -tube (27%) waren het populairst. Compressiekousen werden veelal gebruikt tijdens het sporten. Meer dan 80% van alle sporters gebruikte compressiekousen voor secundaire preventie. Hiervan ervaarde bijna 90% een positief effect van de compressiekousen. Andere zelfgerapporteerde redenen voor gebruik van de compressiekous waren: 1) symptoomvermindering van een bestaande blessure, 2) primaire preventie en 3) bevordering van herstel na het
sporten. Van deze laatste groep sporters ervaart de meerderheid (80%) dat ze sneller herstelt én dat het de sportprestatie verbetert (70%). Onze multivariate regressieanalyse liet zien dat voor hardlopers het ‘altijd’ dragen van een compressiekous tijdens sporten en gemiddeld minstens 23 kilometer per week hardlopen significant geassocieerd was met een lagere prevalentie van huidige onderbeenblessures. Maar door de cross- sectionele opzet van deze studie konden we de causale relatie tussen het gebruik van compressiekousen en blessures niet bestuderen. Thierry Franke, adviseur Zorg, Twynstra Gudde en promovendus, afdeling Revalidatie, Fysiotherapiewetenschap en Sport, Divisie Hersenen, UMC Utrecht, Universiteit Utrecht T.P.C.Franke@umcutrecht.nl Samengevat uit: BMC Sports Scie Med Rehabil. 2021;13(1):31
tip van de redactie
100 Meters Van Instragram tot YouTube, van tweets tot podcasts: ook online laat de fysiotherapie van zich horen. Als redactie van FysioPraxis voorzien we je graag van wat luister-, kijk- en leestips. Deze keer: de film 100 Meters. 100 Meters (te vinden op Netflix) vertelt het waargebeurde verhaal van Ramón Arroyo, die lijdt aan Multiple Sclerosis. Na een periode van ontkenning en neerslachtigheid besluit hij te gaan trainen voor een Iron Man: 3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en 42 kilometer hardlopen. Er komen grote thema’s voorbij, zoals hoop en doorzettingsvermogen, inclusief de nodige clichés. Maar de rol van hoop en doorzettingsvermogen in revalidatie blijft een interessant fenomeen. De regisseur maakt met de film duidelijk dat hardlopen een cruciale rol kan spelen bij de wil om te leven. Hardlopen draagt bij aan zingeving,
vrijheid en veerkracht. Daarbij is niet de prestatie leidend, maar het doel. Zoals Ramón zegt: “Waarom zou iemand met MS een Iron Man willen doen? Juist met Multiple Sclerosis moet je proberen te bewegen. Hardlopen geeft me energie om te willen leven!” Een aanrader!
Getipt door redactielid Niek Koenders, fysiotherapeut en fysiotherapiewetenschapper, afdeling Revalidatie, Radboudumc, Nijmegen FysioPraxis juni 2022 | 31
Vermoeidheid Moeite met kauwen en/of slikken
Kortademig
Spierzwakte in arm en/of schouder
Spieratrofie Spierzwakte heupgordel
Verzwakte beenspieren Langdurige spierpijn
Met o.a . Tom v an ’t H ek en Prof. d r. Ludo v an de r Po l
WEBCAST HERKEN SPIERZIEKTEN ONMISBAAR VOOR IEDERE EERSTELIJNS ZORGVERLENER. In Nederland lijden er meer dan 200.000 mensen aan één van de ongeveer 600 verschillende spierziekten. Het herkennen van deze spierziekten is vaak lastig.
Deze on demand webcast is geaccrediteerd voor o.a. huisartsen en fysiotherapeuten.
Bekijk de webcast
MAT-NL-2200529-v1.0-052022
Bekijk daarom de gratis webcast Herken Spierziekten op herkenspierziekten.nl
specialistenkatern
Redactie: de Beroepsinhoudelijke Verenigingen Coördinatie & Eindredactie: Liesbeth Immink
NVMT
Psychologische factoren bij patiënten met lage rugpijn
34
Toepassingen van vragenlijsten
NVFB
Postpartum hardlopen (Weg)rennen voor urine-incontinentie?
37 FysioPraxis juni 2022 | 33
Psychologische factoren
Vragenlijsten bij patiënten met lage rugpijn Lage rugpijn is een aandoening met een risico op een chronisch beloop door de negatieve invloed van fysieke, psychologische en emotionele factoren.1, 2 Psychologische factoren zijn vaak geassocieerd met een slechte prognose en de ontwikkeling van chronische lage rugpijn.3, 4, 5, 6, 7
Tekst: Hank Hallegraeff, Leonie van Zweden, Emiel van Trijffel en Rob Oostendorp
Een van de aanbevelingen in internationale richtlijnen voor lage rugpijn is om psychologische factoren zoals distress, angst, onzekerheid, depressie, somatisatie, catastroferen, vermijdingsangst, kinesiofobie, ziektepercepties en kwaliteit van leven te inventariseren. In de recente KNGF-richtlijn Lage rugpijn en lumbosacraal radiculair syndroom wordt lage rugpijn ingedeeld in drie profielen op basis van een risicoanalyse van biomedische, psychologische en sociale factoren.8 Op basis van deze prognostische factoren stellen manueel therapeuten een risicoprofiel op en formuleren zij onderzoeksdoelen en -middelen. Bij patiën ten met profiel 2 of 3 zijn psychosociale factoren aanwezig die het beloop van lage rugpijn negatief beïnvloeden. In de KNGF-richtlijn, in tegenstelling tot internationale richtlijnen, worden specifieke psychologische vragenlijsten geadviseerd om de ernst en de aard van de psychologische factoren te kwantificeren.8 Het behandeladvies bij alle profielen bestaat uit pijneducatie (ontstaan van pijn, geruststelling, kans op recidief en kans op herstel). Bij profiel 2 of 3 ligt de focus meer op een gecombineerde gedragsgeoriënteerde benadering in combinatie met oefentherapie die aansluit bij de behoeften, voorkeuren en mogelijkheden van de patiënt en de kennis en vaardigheden van de manueel therapeut.4, 8, 9 Manuele therapie bij patiënten met profiel 2 of 3 wordt aanbevolen binnen de context van een bredere behandelstrategie.8, 10, 11, 12 Het evalueren van het risico op een slechte prognose voor functioneel herstel en de beslissing voor een meer
34 | FysioPraxis juni 2022
sychologisch georiënteerde aanpak zijn p voor manueel therapeuten belangrijke redenen om psychologische factoren te bevragen tijdens de anamnese en vast te leggen in het patiëntdossier. Eerder onderzoek liet zien dat psychologische factoren door manueel therapeuten onvoldoende worden geïntegreerd in de vier fasen van het klinisch redeneerproces (anamnese en onderzoek, behandelplan, behandeling en evaluatie) met name tijdens de anamnese, als onderdeel van de diagnostiek.13 Dit onderzoek richtte zich op de vraag of psychologische factoren tijdens de anamnese worden bevraagd en geregistreerd en hoe vaak psychologische vragenlijsten worden gebruikt door manueel therapeuten ter aanvulling op de anamnestische gegevens en ter bepaling van
Foto: Wiep van Apeldoorn
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
het behandelprofiel bij patiënten met lage rugpijn.
Methode Design Het design is een cross-sectionele online enquête onder manueel therapeuten die werkzaam zijn in de eerstelijnsgezondheidszorg. Deelnemers Inclusie: manueel therapeuten die zijn afgestudeerd na 2013 en patiënten met lage rugpijn behandelen. Via een rechtstreekse uitnodiging aan de alumni van SOMT University of Physiotherapy en via de nieuwsbrief van de Nederlandse Vereniging voor Manuele Therapie (NVMT) is de enquête uitgezet. In totaal zijn 944 manueel therapeuten
Tabel 1
Resultaten
Leeftijd in jaren (gemiddelde [SD])
33.4 (6.8)
Diploma manuele therapie (mediaan)
2016
Diploma fysiotherapie (mediaan)
2009
Ervaring manuele therapie (jaren; gemiddelde [SD]) Ervaring fysiotherapie (jaren, gemiddelde [SD])
4.1 (4.8) 10 (6.3)
Werkzaam per week (uren, gemiddelde [SD])
34.0 (8.2)
Werkzaam per week (uren) met patiënten lage rugpijn (gemiddelde [SD])
13.8 (6.5)
Functie binnen de praktijk (n; %) - Dienstverband - Praktijkeigenaar - Management - Freelance
82 (73) 20 (18) 9 (8%) 1 (0.8)
Kenmerken van de deelnemende manueel therapeuten (n=112); SD = standaarddeviatie
itgenodigd via e-mail of via de nieuwsu brief van de NVMT. Online enquête De vragenlijst bestond uit 13 items met een score op een vijfpunts-Likert-schaal variërend van ‘nooit’ tot ‘altijd’, voor aandacht voor psychologische factoren tijdens de anamnese (één item), gebruik van psychologische vragenlijsten (twee items), en aandacht voor psychologische aspecten tijdens de vier fasen van het manueel therapeutisch klinisch redeneerproces (anamnese en onderzoek, behandelplan, behandeling, en evaluatie; vier items). De overige zes items betroffen inventarisatie van demografische gegevens van de manueel therapeuten. De volgende psychologische factoren zijn geïnventariseerd: angst, depressie, distress, catastroferen, somatisatie, vermijdingsangst, kwaliteit van leven, kinesiofobie en ziektepercepties. De inhoud van de behandelmodaliteiten werd niet gedocumenteerd. De checklists van SURGE en CHERRIES zijn gebruikt als leidraad voor het rapporteren van de enquête en om vertekening, onjuist gebruik en verkeerde interpretatie te voorkomen. 14 Elektronische patiëntendossiers Geanonimiseerde elektronische patiën tendossiers (EPD) zijn retrospectief gescreend in vijf willekeurige praktijken in de provincie Zeeland. Het betreft EPD’s van patiënten met lage rugpijn die het afgelopen half jaar in behandeling zijn geweest bij manueel therapeuten. De EPD’s werden handmatig gescreend op het gebruik van de psychologische vragenlijsten die door de richtlijn worden geadviseerd: 8
- distress/depressie/angst/somatisatie: Vier Dimensionele Kwaliteit van Leven vragenlijst (4DKL); - depressie/angst: Hospital Anxiety Depression Scale (HADS); - catastroferen: Pain Catastrophizing Scale (PCS); - vermijdingsangst: Fear-Avoidance Beliefs Questionnaire (FABQ); - kinesiofobie: TAMPA Schaal (TSK); - ziekteperceptie: Illness Perception Questionnaire-B (IPQ-B); - kwaliteit van Leven: EuroQol 5-D (EQ-5D); - psychosociale factoren: Acute Low Back Pain Screening Questionnaire (ALBPSQ); - psychologische factoren: StarT Back Screening Tool (SBST). Aanvullend werd het gebruik van de volgende vragenlijsten geïnventariseerd: - angst: Pain Anxiety Symptom Scale (PASS); - kwaliteit van Leven: Quality of Life Short Form-36 (SF- 36). Data-analyse Demografische kenmerken (leeftijd, jaar van afstuderen, werkervaring, wekelijkse werktijd in het algemeen en met patiën ten met lage rugpijn en werksetting) werden beschreven als gemiddelden met standaarddeviaties (SD) van normaal verdeelde data, en met m ediaan en minimum-maximumwaarden bij niet-normaal verdeelde data. Beschrijvende ordinale variabelen werden berekend als medianen en interkwartiel afstand (IKA). De online enquête is in QuestionPro uitgevoerd en geanalyseerd met behulp van IBM SPSS Statistics versie 26.0.
Honderdtwaalf (12%) volledig ingevulde enquêtes waren beschikbaar voor analyse. De meeste deelnemers waren lid van de NVMT en hebben gestudeerd aan SOMT University of Physiotherapy te Amersfoort. Demografische gegevens van de deelnemende manueel therapeuten (n=112) zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 2 (zie www.kngf.nl/fysiopraxis) geeft de frequentie weer van de aandacht voor psychologische factoren tijdens het klinisch redeneerproces. De meeste aandacht voor psychologische factoren is tijdens de anamnese en onderzoek, daarna gevolgd door behandelplan, behandeling en evaluatie. Tabel 3 (zie www.kngf.nl/fysiopraxis) geeft de frequentie weer van de bevraging van psychologische factoren tijdens anamnese. De manueel therapeuten gaven aan ‘dikwijls’ of ‘altijd’ aandacht te besteden aan psychologische factoren tijdens de anamnese, met de meeste aandacht voor distress (n = 93 [82%]), kinesiofobie (n = 78 [70%]), en angst/ onzekerheid (n = 69 [61%]). Catastroferen werd het minst bevraagd. Tabel 4 (zie www.kngf.nl/fysiopraxis) laat zien hoe vaak manueel therapeuten psychologische vragenlijsten gebruikten als aanvulling op de anamnestische gegevens. De mediane scores waren ‘nooit’ voor de HADS, PASS, PCS, IPQ, ALBPSQ, en EuroQol en ‘zelden’ voor de overige vragenlijsten. De ondergrenzen van de interkwartiel afstanden lagen bij ‘nooit’ voor alle vragenlijsten, terwijl de bovengrens bij ‘dikwijls’ lag voor de StarT Back Screening Tool.
Dossieronderzoek Tweehonderdenvierenzeventig EPD’s zijn retrospectief en anoniem beoordeeld op de registratie van de aard en de frequentie van psychologische factoren tijdens de anamnese. Zeven EPD’s (2,6%) vermelden één psychologische factor; ‘kinesiofobie’ (3x), ‘distress’ (2x) en ‘coping’ (2x).
Discussie De resultaten zijn consistent met een vergelijkbare studie die concludeerde dat de toepassing van de biopsychosociale benadering niet wordt toegepast door manueel therapeuten.15, 16 FysioPraxis juni 2022 | 35
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
Toepassing van de richtlijn Implementatie van de aanbevelingen in de recente KNGF-richtlijn in het praktisch handelen van manueel therapeuten vraagt om een integratie van psychologische factoren en het gebruik van psychologische vragenlijsten binnen de context van het stapsgewijs klinisch redeneerproces om gevalideerde multidimensionale metingen te combineren tot diagnostische cues en expliciete behandeldoelen.8, 17 Vooral de kloof tussen de anamnese en onderzoeksdoelstellingen en onderzoek enerzijds en de behandelplan en behandeling anderzijds blijft een punt van aandacht voor manueel therapeuten. Helaas ontbreekt een op consensus en kwaliteitsindicatoren gebaseerd, meetbaar model voor het klinisch redeneren dat is gebaseerd op richtlijnen in het algemeen en deze richtlijn in het bijzonder.18
Knelpunten voor toepassing van biopsychosociale benadering Mogelijke oorzaken voor deze uitkomst van dit onderzoek zijn: onvoldoende scholing, gebrek aan uniforme aanbevelingen of onvoldoende gebruik van richtlijnen, niet geschikt voor de individuele patiënt, moeilijkheid om psychologische aspecten te integreren in het proces van klinisch redeneren, transparantie van het klinisch redeneren, gebrek aan kennis over pijnneurowetenschappen, een biomedische visie en benadering in een behandelstrategie gebaseerd op persoonlijke ervaring.13, 17, 19, 20 Bij de beoordeling van de EPD’s zagen we dezelfde trend.21, 23 Er wordt vermeld dat psychologische factoren wel worden besproken tijdens behandelcontacten, maar dat de mate waarin deze factoren tijdens het klinisch redeneerproces worden besproken, wellicht worden overschat. 13, 22
Gevolgen voor de praktijk Het is evident dat transparantie en meetbaarheid van het klinisch redeneerproces de implementatie van de aanbevelingen in richtlijnen ten goede komen en noodzakelijk zijn om de voorspellende waarde van psychologische factoren voor het behandelplan en behandeling te duiden.21 Het is bemoedigend dat de recente KNGFrichtlijn Lage rugpijn en lumbosacraal radiculair syndroom sturing geeft in de keuze van psychologische vragenlijsten. Manueel therapeuten lijken in de klinische praktijk echter meer te vertrouwen op intuïtie en persoonlijke ervaring dan op gevalideerde
36 | FysioPraxis juni 2022
vragenlijsten wat de transparantie van het klinisch redeneerproces ten goede zou komen en behandeldoelen zouden kunnen worden gekwantificeerd. Door patiënten wordt nog vaak een benadering vanuit biomedisch perspectief verwacht, in plaats van psychologische interacties te ontrafelen vanuit een biopsychosociaal perspectief.24 Manueel therapeuten voelen zich onvoldoende voorbereid om psychologische factoren te integreren in het behandelproces wat weer aansluit bij de meer biomedische oriëntatie van de manueel therapeut zelf en bij de verwachting van de patiënt.18 Bovendien worden veel psychologische factoren niet direct gerelateerd aan het lichamelijk disfunctioneren en zijn ook niet altijd beïnvloedbaar maar hebben wel invloed op de pijnbeleving.25
Beperkingen van dit onderzoek De term ‘enquête’ kan hebben geleid tot een lage respons en bias kan zijn ontstaan door non-respondenten, waarbij een herinnering binnen een kortere tijd een toename in de respons had kunnen geven.26 Het kan niet worden uitgesloten dat door regelmatige auditing de kwaliteit van EPD’s in de Nederlandse eerstelijns fysiotherapie adequaat is, maar dat het format van de onderzochte EPD’s een beperkende factor was om psychologische constructen en vragenlijsten te registreren.27 Bovendien kan de generaliseerbaarheid van deze studie beperkt zijn omdat de steekproef met name bestond uit jonge(re) manueel therapeuten.
Kansen Manueel therapeuten zouden zich bewust moeten zijn dat kennis over en de toepassing van psychologische factoren bij musculoskeletale aan doeningen in het algemeen en bij lage rugpijn in het bijzonder onvoldoende aanwezig zijn.28 Onderwijs in toepassing van het biopsychosociale model en daardoor een meer psychologisch georiënteerde benadering door manueel therapeuten zouden moeten worden aangemoedigd. Dit sluit aan bij de recente KNGF-richtlijn en internationale aanbevelingen.8,17,29 Ook toename van kennis van de pijnneurowetenschappen is wenselijk, zodat een op wetenschappelijke evidentie gebaseerde pijneducatie kan worden aangeboden in alle profielen van de richtlijn, met het bevorderen van beweeggedrag – met of zonder pijn – als uiteindelijk
doel.8, 30, 31, 32 In de KNGF-richtlijn worden prognostische (herstel belemmerende) factoren gekoppeld aan de meest passende interventie strategie.8 Het advies is bovendien om mobilisaties en/of manipulaties bij patiënten met profiel 2 of 3 niet als enkelvoudige interventie aan te bieden maar te integreren in een bredere aanpak.
Conclusie Manueel therapeuten geven aan dat zij psychologische factoren in ruime mate bevragen, maar registreren deze informatie nauwelijks in de dossiers van patiënten en gebruiken zelden psychologische vragenlijsten bij patiënten met lage rugpijn. Educatieve en implementatiestrategieën zijn nodig om het gebruik van en de toepassing van psychologische factoren te integreren in alle fasen van een transparant klinisch redeneerproces bij patiënten met lage rugpijn.
Dr. Hank Hallegraeff, hoofd Musculoskeletale Echografie, SOMT University of Physiotherapy, Amersfoort Drs. Leonie van Zweden, fysiotherapie en manuele therapie SaFyR, Krabbendijke Dr. Emiel van Trijffel, SOMT University of Physiotherapy, Amersfoort; Ziekenhuisgroep Twente, ZGT Academy, Almelo; afdeling Kinesitherapie, Menselijke Fysiologie en Anatomie, Faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie, Vrije Universiteit Brussel, België Prof. dr. Rob Oostendorp, Scientific Institute IQ heathcare, Radboudumc Nijmegen; Opleiding Manuele Therapie, Faculteit Geneeskunde en Farmacie, Vrije Universiteit Brussel, België; Pain in Motion International Research Group, faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie, Vrije Universiteit Brussel, België
h.hallegraeff@somt.nl
Literatuur en tabellen 2 t/m 4: www.kngf.nl/fysiopraxis
(Weg)rennen voor urine-incontinentie?
Postpartum hardlopen ‘Wanneer kan ik weer beginnen met hardlopen?’ Binnen de bekkenfysiotherapie wordt deze vraag regelmatig gesteld, bijvoorbeeld door vrouwen na de bevalling (postpartum). Soms valt dit samen met klachten rondom urine- incontinentie (UI) en/of prolaps. Tekst: Kristel Bonten
Hardlopen heeft verschillende fysieke en mentale gezondheidsvoordelen. Het is een veelvoorkomende activiteit bij postpartum-vrouwen, gezien de gemakkelijke toegang en minimale financiële en sociale beperkingen.1 Desondanks hebben weinig studies deze populatie beschreven.2 Zwangerschap en bevalling hebben een grote impact op het vrouwelijk lichaam en leiden tot unieke anatomische en fysiologische veranderingen.1,2 Er kunnen verschillende klachten optreden, zoals hormonale veranderingen, gewichtstoename, pijnklachten, bekkenbodemdisfuncties, verlies van buiksteun en bewegingsangst. Zwangerschap en bevalling zijn belangrijke risicofactoren voor UI in de zwangerschap, postpartum maar ook later in het leven.2,3,4 Het is denkbaar dat de combinatie van te vroeg terugkeren naar hardlopen met onvoldoende postpartum-revalidatie het UI-risico kan verhogen. Er is een groeiende erkenning voor de noodzaak om vrouwen na de bevalling te rehabiliteren voordat ze terugkeren naar sporten, zoals hardlopen.1
Onderzoek naar (S)UI Heidi Moossdorff-Steinhauser heeft in haar proefschrift duidelijk de problematieken van UI pre- en postpartum beschreven.3 Zo is onder andere de prevalentie en incidentie van UI bij 35.064 vrouwen tussen zes weken en één jaar postpartum in de westerse wereld onderzocht. De gemiddelde prevalentie UI was 32% na één jaar postpartum. Stress urine-incontinentie (SUI) is het meest voorkomende type: 54%. De ervaren last wordt aangegeven van mild tot matig.3,4 Uit de studie van Blyholder et al.,2 onder 507 postpartum-vrouwen die voor hun zwangerschap minimaal wekelijks hardliepen, gaf 27% SUI-klachten aan die
begonnen na hun eerste zwangerschap. Aan de studie van Moore et al.,1 participeerde 881 postpartum-vrouwen die voor de zwangerschap minimaal wekelijks hardliepen. 74% was postpartum weer gaan hardlopen, waarvan 36% op hetzelfde niveau van voor de zwangerschap. De gemiddelde tijd om te starten met hardlopen was na 12 weken. In dit onderzoek ondervond 29% hardloopgerelateerde SUI.
Taboe SUI die postpartum aanhoudt kan negatieve effecten hebben op de dagelijkse kwaliteit van leven (QoL). De ervaren last is een voorspellende factor voor het zoeken van hulp. Spijtig genoeg worden deze UI-klachten vaak ‘voor lief’ genomen en/of worden bepaalde fysieke activiteiten die klachten opleveren niet meer uitgevoerd. UI blijkt nog steeds een taboe. Van verschillende gezondheidsissues, hebben Nederlandse vrouwen het meest moeite met het bespreken van UI (21%).5 UI wordt geassocieerd met een verlies van zelfrespect (51%) en beperking van het ADL (44%).6
Handige tools Om de zorg te verbeteren en ten behoeve van de preventie en reductie van bekken(bodem)klachten zoals UI zijn door de NVFB mooie tools ontwikkeld: ‘de Postpartum Screeningslijst’* en ‘het Postpartum-ConsultBekkenfysiotherapie’. Ze bevatten vragen naar mogelijke prognostische factoren voor de bekkenbodemdisfuncties UI, anale incontinentie, prolaps en bekkenpijn bij postpartum-vrouwen, die zijn gebaseerd op systematische reviews van Wiezer et al.7 en Hage et al.8 Moore et al.1 beschrijft verschillende negatief prognostische factoren voor de terugkeer naar postpartum hardlopen, bijvoorbeeld: bewegingsangst (aanpak: voorlichting pré- en postpartum) en vaginale zwaarte (advies: bekkenbodem onderzoek). Er zijn screeningslijsten en stappenplannen die handvatten geven in het postpartumherstel tot het bereiken van mogelijke doelen zoals het oppakken van sporten.
Zo heeft Donelly et al.9 een ‘return-tosport-postpartum-kader’ ontwikkeld en Goom et al.10 een ‘considerations-to-guide-return-to-postnatal-running’. In beide is screening en optimalisatie van de bekkenbodemfunctie belangrijk.
Oefenen en voorlichten Bekkenbodemspieroefeningen zijn bewezen effectief bij UI. De toevoeging van bekkenbodemtherapie door een geregistreerd bekkenfysiotherapeut is ook postpartum een meerwaarde: op vier en negen maanden postpartum was een significante subjectieve verbetering te zien in UI en QoL (p = 0,02).3,11 Onderzoek van Stroeder et al.12 bevestigt dit nogmaals met het advies om bij zwangeren het belang van oefeningen nóg meer te promoten. Ook bij postpartum hardloopgerelateerde SUI wordt vroege behandeling door een zorgverlener middels bekkenbodemspiertraining geadviseerd.1,13 UI veelvuldig ter sprake brengen, begrip tonen, verduidelijking en kennisoverdracht zijn mooie stappen om het taboe te doorbreken. Vraag patiënten eens naar klachten op dit gebied en stuur indien nodig door. Helaas is er nog gebrek aan kwalitatief hoogstaand onderzoek naar het terugkeren naar activiteiten met hoge intensiteit, zoals postpartum hardlopen. Duidelijk is wel dat vrouwen pré- en postpartum goede voorlichting en begeleiding verdienen. *De Postpartum Screeningslijst wordt door de vrouw zelf ingevuld en is beschikbaar via de consumentenwebsite van de NVFB, www.bekkenfysiotherapie.nl, en www.bekkenbodemcheck.nl.
Kristel Bonten MSc, fysiotherapeut en bekkenfysiotherapeut bij Fysiotherapie De Maat kristelbonten@hotmail.com
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2022 | 37
NVFB | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR BEKKENFYSIOTHERAPIE
specialistenkatern
Ontwikkeld volgens de laatste wetenschappelijke inzichten
Ervaar de nieuwe beweging
Wobecare CBD Active Creme • Met 500 mg cannabidiol en waardevolle botanische ingrediënten arnica, kamfer en menthol • Verkoelt en verlicht de huid • Hydraterend met Aloë Vera Wobecare CBD Active Cream is een cosmetisch product.
www.wobenzym.nl
Redactie: KNGF | Coördinatie: Saskia Bon en Liesbeth Immink | Eindredactie: Liesbeth Immink
40: Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) in werking 42: Terugblik Dag van de Fysiotherapeut
In het z nnetje ‘Hardlopen mag ook bijna stapvoets zijn’ In zijn kindertijd ging Mick van Eeuwijk elke winter naar de fysiotherapieschool van zijn opa in Zwitserland. “Daar is mijn interesse gewekt om fysiotherapie te gaan studeren.” In 2020 richtte hij Fysio Mick op, met als specialisme hardloopblessures.
maar de mens centraal stellen. Ik praat en werk met patiënten om ze zelfstandig te maken en motiveer ze om op hun eigen lijf te vertrouwen. Psychologisch is dat de uitdaging: om mensen te overtuigen van hun eigen kracht. Op mijn website staan blogs over diverse aandoeningen en blessures. De informatie wordt ondersteund met podcasts en video’s die ik maak. Met de instructievideo’s kunnen patiënten thuis zelf aan de slag. Aan de wereld wil ik laten zien wat mijn visie is.”
Wat is die visie dan?
Twee jaar geleden ben je je eigen praktijk gestart “Klopt, het mooie aan fysiotherapie vind ik dat je het bewegen vanuit een medische invalshoek kunt bekijken. Ik wil geen hip gedoe met een sportschool bij mijn praktijk. Dat is een tegenbeweging. Zo ben ik ook geen voorstander van methodes als dry needling en taping.”
Hoe omschrijf jij die tegenbeweging? “Ik heb een praktijkruimte met weerstandsbanden, foamrollers en een step up. De dingen die patiënten thuis eenvoudig kunnen aanschaffen om hun oefeningen uit te voeren. Ik heb geen fitnessapparaten in mijn praktijk, omdat de meeste mensen dat thuis ook niet hebben. Ik wil dat mensen geïnspireerd raken om zelf aan de slag te gaan. Ik wil niet de apparatuur of hulpmiddelen,
“Mijn doel is dat mensen zeggen: ‘als je een hardloopblessure hebt, moet je naar Mick gaan.’ Ik wil de specialist zijn en stop daar ook energie in. Ik wil, als hardloper, zelf het goede voorbeeld geven en hoop mensen daarmee blij te maken. Vanaf mijn zevende heb ik atletiek gedaan. Op mijn vijftiende trainde ik al een hardloopgroep van vrouwen rond de 50 jaar. Via de atletiekvereniging ben ik aan die bijbaan gekomen. Al jong kreeg ik het vertrouwen dat ik met hardlopen iets kan bijdragen. Nu doe ik hardloopanalyses en hardlooptrainingen buiten in de natuur.”
zijn. Hardlopen mag ook bijna stapvoets zijn.”
Wat als mensen niet kunnen hardlopen, hoe help jij hen dan? “Ik geef hydrotherapie. Dat is bewegen in het water met een medische insteek. Mensen met artrose doen daar graag aan mee. In het water kunnen ze bewegen op een manier die op het droge niet lukt. In het water kan ik goed duidelijk maken dat bewegen juist goed is voor hen. Je moet doen wat mogelijk is en niet al bij voorbaat zeggen, dat moet ik niet doen.”
Hoe werk je samen met andere fysiotherapeuten? “Ik heb THIM gedaan en was altijd aanwezig op school. Daardoor kende ik naast mijn studiegenoten ook leerlingen uit andere klassen. Dagelijks bel ik nog met mensen van de opleiding. We bespreken casuïstiek en hebben het over vervolgopleidingen. Ook lopen we af en toe met elkaar mee. Op die manier wisselen we kennis uit.”
Wat ben je van plan in de toekomst? “Ik wil een brug slaan tussen hardlopen en 60-plussers. Ouderen zijn gemotiveerd om bezig te zijn met hun gezondheid, omdat ze willen voorkomen dat ze steeds minder kunnen. Tegelijkertijd zijn zij erg terughoudend, omdat ze bang zijn dat ze te veel doen. Ik wil mensen laten zien dat ze ook nog kunnen hardlopen als ze ‘oud’
Vera van Hooff, communicatie KNGF
FysioPraxis juni 2022 | 39
achter het nieuws
Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) in werking
Wtza nog onbekend bij fysiotherapeuten Zoals ieder jaar voerde VvAA eind vorig jaar weer het Bekendheidsonderzoek zorgwetgeving uit. Meest in het oog springende resultaat: net voor inwerkingtreding bleek de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nog onbekend bij fysiotherapeuten. Dit beeld wijkt nauwelijks af als we inzoomen op de praktijkhouders en zzp’ers onder hen. Terwijl juist zij met de nieuwe wet aan de slag moeten. Daarnaast valt op dat de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in bekendheid afneemt. In brede zin zien we dat de informatiebehoefte aan begrijpelijke gezondheidsrechtelijke informatie onverminderd groot is. Tijd voor actie! Wkkgz-kennis daalt verder
Tekst: Erik van Dam
Ook wat betreft de bekendheid van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zien we geen vrolijk stemmende cijfers. Na de inwerkingtreding in 2016 was er nog sprake van intensieve communicatie over deze kwaliteitswet. De bekendheid schoot in het eerste jaar dan ook hard omhoog (zie figuur 2). Fysiotherapeuten haalden hun oorspronkelijke kennisachterstand ten opzichte van andere zorgverleners toen snel in. De laatste jaren zien we echter bij alle beroepsgroepen een tanende bekendheid, ook bij fysiotherapeuten. Waar in 2018 de helft van hen nog aangaf meer dan het doel van de wet te kennen (49%), bleek dat eind vorig jaar minder dan een op de drie te zijn (29%).
Wtza!? De meest actuele en opvallende uitkomst van het onderzoek is dat de op 1 januari dit jaar in werking getreden Wet toelating zorgaanbieders (Wtza) zich nog niet mag verheugen op veel bekendheid. Integendeel. Eind vorig jaar hadden althans twee van de drie fysiotherapeuten (een bovengemiddelde 63%) er überhaupt nog niet van gehoord (zie figuur 1). In dezelfde figuur is te zien dat bij elkaar opgeteld slechts 5% aangaf meer dan het doel van deze wet te kennen, een vergelijkbaar percentage als bij alle zorgverleners samen (de totaalrespons: 6%). In mei 2022 is een vervolgmeting uitgevoerd. Daaruit moet blijken in hoeverre alle inspanningen van de afgelopen maanden in kennisoverdracht van beroeps- en andere organisaties, waaronder het KNGF en VvAA, zich hebben uitbetaald.
Aandacht voor Wkkgz in 2021 De daling uit de meting van vorig jaar is op het eerste gezicht opmerkelijk. In 2021 was er namelijk juist weer extra aandacht
Figuur 1: Figuur 1 Wtza nog nauwelijks bekend bij fysiotherapeuten
(Bron: VvAA 2021)
voor de Wkkgz. Dit kwam bijvoorbeeld voort uit de wetsevaluatie (19 februari aangeboden aan de Tweede Kamer) en uit het kennis- en ervaringscongres over klachten en geschillen (18 november, georganiseerd door SKGE en De Geschillencommissie). Dit soort aandacht bereikt de gemiddelde zorgverlener in het land in de regel echter nauwelijks. De hoogste tijd dus voor hernieuwde informatieverstrekking en vertaling naar ‘het veld’ zelf.
Wtza en Wkkgz zijn familie De metingen van de bekendheid van de Wtza en de Wkkgz staan niet los van elkaar. Beide zorgwetten zijn rechtstreeks met elkaar verbonden. De doelgroep van de Wtza is immers afgeleid van die van de Wkkgz. Daarnaast heeft een belangrijk deel van de Wtza tot doel om zorgaanbieders te confronteren met concrete Wkkgz-verplichtingen die op hen rusten. Mogelijk wordt het effect hiervan
Figuur 2: Figuur 2 Bekendheid Wkkgz daalt verder
Kent u de Wtza (Wet toetreding zorgaanbieders)?
(Bron: VvAA 2021)
Aandeel dat meer dan alleen het doel van de Wkkgz kent 70%
70%
Respons november 2021
Respons november 2021 60%
Alleen fysiotherapeuten: 98 Alle zorgverleners: 697
63% 57%
50%
50%
40%
40%
30%
21% 10%
10% Ja, doel is bekend
4%
5%
Ja, doel en hoofdlijnen
1%
1%
0%
Ja, ben goed op hoogte
46%
32%
36% 30%
33%
33%
29%
27%
18%
De stem en 2021) steun van zorgverleners Wtza nog nauwelijks bekend bij fysiotherapeuten (Bron: VvAA
4% 2016
1
40 | FysioPraxis juni 2022
49%
10%
0% Ja, alleen van naam
45%
43%
20%
10%
Nee, niet van gehoord
46%
30%
27%
20%
Alleen fysiotherapeuten: 105 Alle zorgverleners: 718
60%
2017 1
2017 2
2018
2019
2020
202I
tweede kwartaal, 2 vierde kwartaal
Bekendheid Wkkgz daalt verder (Bron: VvAA 2021)
De stem en steun van zorgverleners
achter het nieuws
op de Wkkgz-kennis de komende jaren zichtbaar?
Veel op zorgverlener afgevuurd Het wordt de zorgverlener ook niet eenvoudig gemaakt: de afgelopen jaren is er veel op hem afgevuurd als het gaat over gezondheidsrecht in algemene zin. Het is veel, op onderdelen complex, en bij sommige middelen zijn ook vraagtekens te plaatsen bij de finaliteit (doelbijdrage) en de proportionaliteit (omvang van de regelgeving), met name voor kleine zorgaanbieders.
Aanzienlijke informatiebehoefte De laatste vier jaar is in het onderzoek gevraagd of het zorgverleners ‘duizelt als het om gezondheidsrechtelijke zaken gaat’. Met de stelling hierover meten wij de ‘gevoelstemperatuur’. Het deel dat bevestigend reageert (‘eens’ plus ‘helemaal eens’ op een ordinale vijfpuntschaal) schommelt onder alle zorgverleners samen jaarlijks rond de 50%. Fysiotherapeuten scoren hierop de laatste drie jaar nog wat hoger: zo’n 55%. Ter illustratie: van alle 681 responderende zorgverleners gaven er slechts 11 aan ‘helemaal geen’ last te hebben van
Meer over gezondheidsrecht
jaar opnieuw een dergelijke sessie, in samenwerking met KNGF-scholing.
Als het je duizelt als het over gezondheidsrecht gaat en als je behoefte hebt aan toegankelijke informatie hierover, dan vind je hieronder twee informatiemogelijkheden die je verder kunnen helpen.
2. Online minicolleges zorgwetgeving
Voor een snel, helder overzicht van de hoofdlijnen van een aantal ‘taaie thema’s’ ontwikkelde VvAA de online minicolleges. Drie daarvan zijn gericht op zorgwetgeving: het eerste geeft 1. Wtza-sessie op de Dag van de Fysiotherapeut inzicht over de volle breedte van de Nederlandse zorgwetgeving, een ander Op zaterdag 21 mei 2022 vond in specifiek over de Wkkgz en de meest ’s-Hertogenbosch weer een fysieke editie van de Dag van de Fysiotherapeut recente schetst alle onderdelen van de op 1 januari dit jaar in werking getreden plaats. Daar stond ook de sessie ‘Grip Wtza. De drie video’s bekijk op de Wtza. Een praktische aanpak’ je eenvoudig via vvaa.nl/ geprogrammeerd. Senior VvAA-jurist minicolleges of gebruik Arie Kreule nam zijn toehoorders mee direct de QR-code. in de belangrijkste gevolgen van de Wtza. Mogelijk verzorgt VvAA later dit Grip op zorgwetgeving in vier minuten
Algemene Nederlandse wetten
Stelselwetten
Zorgwetten
De Wkkgz in drie minuten
Kwz
Kwaliteit
Wkkgz
KNGF en zorgwetgeving • KNGF is van begin tot eind betrokken bij nieuwe wetgeving. We voeren de lobby tot aan het niveau van de minister. Zo behartigen we jouw belangen. • Wtza: afgelopen periode is er een actieve lobby gevoerd met de Eerstelijnscoalitie, publiceerden we de Wtza-handreiking, was er een speciale Wtza-nieuwsbrief en kon je gebruikmaken van diverse webinars. • Wkkgz: KNGF biedt haar leden een Klachten- en geschillenregeling en houdt u op de hoogte van wijzigingen binnen de Wkkgz. • KNGF werkt nauw samen met VvAA om meer toegankelijke informatie over gezondheidsrecht aan te bieden aan haar leden. Heb je vragen? Bel of mail naar KNGF Ledenvoorlichting. Of kijk voor meer informatie op www.kngf.nl.
Wkcz
Klachten
De Wtza in drie minuten Melding
Wtza Vergunning
Wtzi
Toezichthouder
Awtza (Wmg)
gezondheidsrechtelijke duizelingen (‘helemaal oneens’). Twee van hen zijn fysiotherapeut. In het verlengde hiervan kregen de zorgverleners de vraag voorgelegd in hoeverre ze ‘behoefte hebben aan (meer toegankelijke) informatie over gezondheidsrechtelijke zaken’. Fysiotherapeuten scoren hierbij grillig. Waar de totaalgroep in de periode 2018-2021 steeds rond de 64% scoorde, varieerde dat bij de fysiotherapeuten in
Jaarverantwoording
die periode tussen de 57% (2021) en 73% (2020). Kortom: er is de afgelopen jaren dus ook bij de fysiotherapeuten een grote behoefte aan informatie.
Drs. ing. Erik M. van Dam, senior consultant kennismanagement en onderzoeker bij de VvAA
erik.van.dam@vvaa.nl. FysioPraxis juni 2022 | 41
achter het nieuws
Terugblik
Dag van de Fysiotherapeut We hebben genoten van de zesde editie van de Dag van de Fysiotherapeut op 21 mei jl. en blikken graag nog even met jou terug op deze f antastische dag! Foto’s: Rienk Toorman
Het KNGF-team was al vroeg uit de veren om alles klaar te zetten voor jullie komst.
Na KNGF-voorzitter Guido van Woerkom opende Niek van den Adel de dag met zijn visie op de zorg.
Ook onze partners waren weer aanwezig op de gezellige beursvloer. Mede dankzij hen was het een geslaagde dag!
Er werd volop kennis uitgewisseld tijdens de inhoudelijke sessies.
In de wetenschapsarena werden de meest actuele onderzoeken gepresenteerd.
Koffie gemaakt door een barista en versgebakken wafels konden natuurlijk niet ontbreken.
42 | FysioPraxis juni 2022
achter het nieuws
Gouden Partners VvAA, Gymna, Lomed en Push deelden hun kennis in een inhoudelijke sessie én waren aanwezig op de beursvloer.
Studenten fysiotherapie hielpen het KNGF-team om ervoor te zorgen dat iedereen de weg kon vinden naar zijn of haar favoriete sessie.
Een van de belangrijkste én leukste dingen op de Dag van de Fysiotherapeut is vakgenoten ontmoeten en nieuwe kennis uitwisselen. En waar kan dat beter dan op de beursvloer of onder het genot van een lekker drankje en hapje?
We zien je op de volgende Dag van de Fysiotherapeut graag weer terug! Houd voor de datum de Fysio E-Nieuws en FysioPraxis in de gaten.
DVDF 2022
Met dank aan de partners van de DVDF
Masterprogramma Fysiotherapiewetenschap
FysioPraxis juni 2022 | 43
Volg nu een gratis proefcu rsus
Ik kies voor nascholen op mijn moment Vraag een gratis proefcursus aan via www.cme-online.nl/fy-gratis
24/7 beschikbaar
De beste docenten uit het vakgebied
Online nascholing voor fysiotherapeuten
Ruim 55 onderwerpen