Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
Klinimetrie voor de bovenste extremiteit
Zingeving en spiritualiteit
jaargang 31 februari 2022
nr 1
Pijneducatie en transdisciplinaire behandeling
U kent Chemodol, de hypo-allergene afwasbare massage-olie. Maar Chemodis heeft meer massage-oliën. Zoals Chemotherm, een massage-emulsie met milde en verantwoorde warmtewerking. Het zuiver plantaardige Olivine, zonder conserveermiddelen en emulgatoren. Chemovine, speciaal voor de sterk behaarde huid.
Over de rug van Chemodol. En, speciaal voor de overgevoelige huid, Chemoderm met natuurlijke werkstoffen en de ongeparfumeerde Baselin Emulsion met biologische eigenschappen. Uw leveranciers kunnen u er alles over vertellen. Of bel voor meer informatie: +31 (0)72 - 520 50 83 www.chemodis.nl
Chemodis B.V.
CHEMODIS
Dat ligt voor de hand
Para-medische Farmacie Postbus 9160 NL-1800 GD Alkmaar Tel. +31 (0)72 - 520 50 83 E-mail: sales@chemodis.nl
colofon
FysioPraxis is het officiële tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en verschijnt 10 keer per jaar. Redactieadres
KNGF Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: fysiopraxis@kngf.nl Coördinatie en eindredactie
Liesbeth Immink E: fysiopraxis@kngf.nl T: 033 467 2953 Redactie
Saskia Bon (hoofdredacteur) Sander van de Hoef Corelien Kloek Niek Koenders Judith de Rooij Advertenties
Cross Media Nederland Sjaak Bruins E: sjaak@crossmedianederland.com Thijs de Koning E: thijs@crossmedianederland.com T: 010-760 73 26 www.crossmedianederland.com Adreswijzigingen KNGF-leden
www.mijnKNGF.nl
Abonnementen niet-KNGF-leden Een particulier abonnement kost per jaar € 109 en buitenlandse abonnees betalen € 50 voor een digitale versie (prijswijzigingen voorbehouden). Abonnementen kunnen op ieder moment starten en je betaalt aan het begin van het jaar voor het aankomend jaar. Beëindiging kan op elk moment, met inachtneming van één maand opzegtermijn. Er volgt een verrekening naar rato en teveel betaald abonnementsgeld wordt gecrediteerd.
KNGF, Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: ledenadministratie@kngf.nl T: 033 467 29 29 Verantwoordelijkheid
De redactie beslist over de samenstelling van FysioPraxis. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de door hen geschreven artikelen en het KNGF voor het KNGF-katern. Auteursrecht © 2022 KNGF. Artikelen mogen alleen worden overgenomen en/of vermenigvuldigd na schriftelijke toestemming van het KNGF en met bronvermelding. Voor overname voor commerciële doeleinden vragen we een passende vergoeding. Bladconcept
redactioneel
Een vernieuwend 2022 Het jaar 2021 is afgesloten en 2022 is geopend. Een nieuw jaar vol nieuwe uitdagingen in sport, beweging en gezondheid. Officieel mag het niet meer – het is Driekoningen geweest – maar voor iedereen de beste wensen voor 2022! We zijn nog geen maand bezig in 2022 ten tijde van schrijven, maar er zijn al enkele belangrijke gebeurtenissen voorbijgekomen. De strenge lockdown is niet meer actueel, er is een nieuw kabinet en gelukkig zijn er weer meer mogelijkheden om te sporten. Nederland is weer meer in beweging! Ook FysioPraxis is in beweging. Afgelopen jaar hielden we een lezersonderzoek. Dank allemaal voor het invullen daarvan! We analyseren de resultaten en gaan actief aan de slag met suggesties ter (verdere) verbetering. Een eerste verandering vindt plaats in de columns. Arianne Verhagen, hoogleraar in Australië, schreef voor dit nummer na vier jaar haar laatste column voor FysioPraxis. Daarvoor in de plaats komt nu een wisselcolumn, waar zij het startsein voor geeft (pagina 4). Dank je wel Arianne, namens alle lezers, voor al je inspirerende bijdragen! Wat wel gelijk blijft zijn de jaarlijkse tien edities die gepland staan, waarvan zeven reguliere uitgaven en drie themanummers. Die laatste staan dit jaar in het teken van ‘ondernemerschap’, ‘hardlopen’ en ‘hart & vaten’. Zo breed als het domein van de fysiotherapie is, zo breed is het scala aan onderwerpen dat dit jaar aan bod komt. In dit nummer lees je onder andere over klinimetrie voor de bovenste extremiteit (pagina 8), functioneel ademen (13), hersenletsel na een auto-ongeluk (pagina 15) en spiritualiteit en zingeving (pagina 16). We streven ernaar weer een mooie, prikkelende, inspirerende jaargang van FysioPraxis uit te geven, samen met jullie. Heel veel leesplezier en op naar een mooi 2022!
Jessica Dales, Dock35 Vormgeving en drukwerk Cross Media Nederland Foto omslag
Mcklin Fotografie ISSN
Namens de redactie, Sander van de Hoef
0927- 5983
fysiopraxis@kngf.nl @FysioPraxis
FysioPraxis februari 2022 | 3
op de cover
Klaartje Rieff Wie ben je?
Foto: Mcklin Fotografie
Ik ben Klaartje Rieff, sinds 2006 werkzaam als fysiotherapeut. Ik
werk als algemeen fysiotherapeut bij FysioHesse, geef gesuperviseerde looptraining voor Chronisch ZorgNet en verzorg bij Chronisch ZorgNet ook het praktijkgedeelte van de rookstopcoaching voor fysiotherapeuten. In 2020 ben ik gestart met de masteropleiding voor bekkenfysiotherapeut.
Ik ben er trots op dat...
Waar is de coverfoto gemaakt?
Ik heb gekozen voor fysiotherapie...
De foto is gemaakt tijdens een fotoshoot van het KNGF, waarvoor ik Sjoerd, een revalidant uit onze eigen praktijk, had meegenomen.
... omdat fysiotherapie maatwerk is en bij iedere patiënt weer anders is. Welke patiënt heb ik voor me, wat is het fysieke probleem, hoe gaat de patiënt daarmee om en wat is de hulpvraag? Daarmee puzzelen en zoeken naar de best passende oplossingen, vind ik iedere keer weer leuk.
Wat lees je in FysioPraxis vooral? Ik lees altijd het Specialistenkatern, maar ook de casuïstiek vind ik interessant.
... ik mijn masteropleiding weet te combi neren met werk en gezin in coronatijden. Ik vind het best zwaar om weer te studeren, en met steeds weer kinderen thuis voor thuisonderwijs of in quarantaine is het een grotere uitdaging geworden dan ik van tevoren had gedacht.
wisselcolumn
De pen: kick-off Dames en heren, er is een tijd van komen en gaan, en zo komt er ook een einde aan mijn columns vanuit ‘down under’. Om precies te zijn hebben er in 4 jaar tijd 35 columns in FysioPraxis gestaan. Maar nu heeft de redactie me gevraagd om de aftrap te geven voor een nieuwe rubriek: een wisselcolumn. Het idee: een hoogleraar of lector stelt een vraag aan een collega-hoogleraar of -lector. In de daaropvolgende column beantwoordt diegene dan de vraag van zijn of haar voorganger én stelt daarbij een nieuwe vraag aan een volgende collega. Dit moet allemaal niet moeilijk zijn, maar toch stapelen de problemen zich in rap tempo op in mijn hoofd. De eerste mensen aan wie ik dacht om de pen aan door te geven, voldeden niet. Van de redactie moet de columnist namelijk wel werkzaam zijn binnen de fysiotherapie, aangrenzende vakgebieden vallen dus af. Jammer
4 | FysioPraxis februari 2022
voor sommige collega’s aan wie ik graag de pen had doorgegeven. Ook mag ik niemand uit mijn regio kiezen. De redactie schreef er nog vrolijk bij dat dat voor mij geen probleem moet zijn. Klopt, maar dat is in Nederland misschien toch een tikje lastiger, want ‘de regio’ is niet gedefinieerd en dat baart onderzoekers altijd zorgen. Afijn, ik meld het alleen even, ik ga me er niet mee bemoeien. Oh, en of degene die de pen krijgt ook nog eens zoveel mogelijk kan aansluiten bij de komende themanummers. Ben ik even blij dat dit geen themanummer is, dan zou ik met mijn pragmatische musculoskeletale eerstelijnsprofiel ineens opgescheept zitten met een thema als ‘hart en vaten’. Tot slot dan een klein dingetje. Als er iets is wat me vanaf de andere kant van de wereld is opgevallen, is dat er in het Nederlandse fysiotherapiewereldje
niet echt gelet wordt op diversiteit. Daarom is mijn eerste vraag voor deze rubriek aan collega Cindy Veenhof: wat vind je ervan om een extra regel aan de voorwaarden van deze wisselcolumn toe te voegen, namelijk om deze een beetje afwisselend aan een man of vrouw te geven? Arianne Verhagen is sinds februari 2018 hoogleraar aan de University of Technology Sydney (UTS) in Sydney en was de afgelopen jaren een vaste columnist van FysioPraxis. In dit nummer geeft ze de aftrap voor een nieuwe rubriek: de wisselcolumn. Ze geeft de pen door aan Cindy Veenhof. Nog eens grasduinen in de eerdere columns van Arianne Verhagen?
arianne.verhagen@uts.edu.au
inhoud
VERDER 6 7 7 13 26 27
08
16
15
20
8 Klinimetrie
16 Zingeving
Letsel van de bovenste extremiteiten kan een forse impact hebben op het functioneren van patiënten. Dat kan gemeten worden met gevalideerde patiëntgerapporteerde vragenlijsten en functietesten. Maar een statistisch significante verandering tussen twee metingen betekent niet altijd een relevante verandering voor de patiënt. Charlotte Lameijer en Suus van Bruggen onderzoeken welke verschillen relevant zijn en wat de klinische toepasbaarheid is.
15 Hersenletsel
Op 30 december 2020 kreeg Gesina een ernstig auto-ongeluk. Na een maand in coma gelegen te hebben, startte ze met revalideren bij het Daan Theeuwes Centrum in Woerden. In het begin zat ze in een rolstoel en kon ze zichzelf met geen mogelijkheid verplaatsen. Inmiddels loopt ze met een rollator. Hoe zag haar revalidatietraject eruit en welke doelen stelt Gesina samen met haar fysiotherapeut?
Specialistenkatern 30 NVMT: Congres: ‘BackUpDate’ 32 NFP: Effectieve communicatie 33: NVFK: Spinale Musculaire Atrofie Amarins Wijma
Zingeving – dat wat maakt dat je zin hebt om de volgende ochtend weer op te staan – is in de kern de betekenis van kwaliteit van leven. Zingevingsvragen hebben een relatie met fysiotherapeutische behandeldoelen. De fysiotherapeut is natuurlijk geen zingevingsspecialist, maar kan wel aandacht geven aan zingevingsvragen. Daarvoor kan de fysiotherapeut bijvoorbeeld de Patient Dignity Question als tool gebruiken.
20 Pijneducatie
Studenten Kort nieuws Column Jeroen van Egmond Boekbespreking: Functioneel ademen Incidenten en uitspraken Wetenschap – samenvatting
Gemiddeld lijdt twintig procent van de bevolking aan chronische pijn. Daarnaast zijn acute en chronische pijnklachten de voornaamste reden voor mensen om een fysiotherapeut te bezoeken. Grote kans dus dat je als fysiotherapeut iemand met chronische pijnklachten in je behandelkamer treft. En dan? Hoe ziet een intake van iemand met chronische pijn er idealiter uit? Waarmee en hoe start je de behandeling?
KNGF-katern 35 In het zonnetje: Kimberley Bos 36 Achter het nieuws: Beroepsprofiel 38 FysioWijzer: Claudicatio Intermittens 40 Jaaroverzicht FysioPraxis 2021 FysioPraxis februari 2022 | 5
studenten
Steven van Driel (36)
Probleemgestuurd onderwijs
Steven van Driel moest wegens een chronische aandoening zijn studie geneeskunde staken. Na een jarenlange medische zoektocht en revalidatie is hij inmiddels derdejaarsstudent fysiotherapie aan de Hogeschool Rotterdam.
Probleemgestuurd onderwijs (PGO) is een manier van actief leren. Deze manier wordt gebruikt bij de opleiding fysiotherapie aan de Zuyd Hogeschool te Heerlen. De theorie en de praktische handelingen worden geleerd aan de hand van een casus uit de praktijk.
Wat is er gebeurd?
Elke casus wordt behandeld aan de hand van een zevensprong, die bestaat uit de volgende stappen: 1. Begrippen verhelderen 2. Probleemstelling formuleren 3. Probleem analyseren/brainstormen 4. Probleemanalyse systematisch inventariseren 5. Leerdoelen formuleren 6. Zelfstudie 7. Nabespreken
“Na de middelbare school ben ik geneeskunde gaan studeren aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Maar in het vierde jaar ontwikkelde ik langdurige klachten van overmatige vermoeidheid, hartkloppingen, duizeligheid en later zelfs cognitieve problemen waardoor ik mijn opleiding moest stopzetten. Vele jaren, artsenbezoeken en onderzoeken later werd eindelijk de diagnose posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) gesteld. Dit valt momenteel niet te genezen, maar door medicatie, leefstijlaanpassingen en fysiotherapie ben ik in drie jaar flink vooruitgegaan en valt er redelijk goed mee te leven. Ik kan zelfs weer studeren.”
Waarom fysiotherapie? “Voornamelijk om de persoonsgerichte aanpak. Als fysiotherapeut heb je veel meer tijd voor een cliënt dan een arts. Hierdoor leer je zo’n persoon en zijn of haar behoeften beter begrijpen. Samen kun je echt een behandelplan op maat maken. Ook de coachende rol in een behandeltraject spreekt me ontzettend aan.”
Hoe is het om te studeren met een ‘beperking’? “Een kwestie van vallen en opstaan. Zeker in het begin was het erg lastig om een goede balans te vinden tussen wat ik wilde en wat ik kon. Ik moest mezelf aanleren om de momenten te herkennen wanneer ik even op de rem moet trappen. Gelukkig gaat dat steeds beter en word ik ook goed ondersteund door de Hogeschool Rotterdam. Ik heb regelmatig contact met studieloopbaancoaches en een decaan om te bespreken hoe het gaat en wat er nodig is. Zo kan er geschoven worden met sommige onderdelen van de opleiding en gaan ze flexibel om met sommige verplichtingen, zolang ik uiteindelijk alle leerdoelen maar behaal.”
Toekomstplannen? “Ik zie mezelf wel werken als psychosomatisch fysiotherapeut. Ik begrijp maar al te goed de frustraties van onbegrepen lichamelijke klachten, gebrek aan vertrouwen in het eigen lichaam en het worstelen met verminderde belastbaarheid. Het ondersteunen van patiënten met dergelijke uitdagingen lijkt me een mooie manier om betekenis te geven aan mijn eigen ervaringen.”
6 | FysioPraxis februari 2022
De eerste vijf stappen vormen gezamenlijk de voorbespreking. Vervolgens gaan studenten zelf of in kleinere groepen over tot zelfstudie. In de daaropvolgende onderwijsgroep volgt de nabespreking, waarna de casus wordt afgesloten. Tijdens elke onderwijsbijeenkomst krijgt één van de studenten de rol van gespreksleider en één de rol van notulist. Elke onderwijsgroep wordt begeleid door een docent, de tutor. Die begeleidt het groepsproces, stuurt waar nodig de discussie en treedt op als inhoudsdeskundige. Ook vaardigheden als onderzoeken en behandelen worden aan de hand van de casus geoefend. Daarbij wordt begeleid oefenen aangeboden, waardoor het mogelijk is om praktische handelingen te oefenen en vragen te stellen. Op deze manier worden theorie en praktijk aan elkaar gekoppeld. Deze manier van leren biedt ruimte om zelf de diepgang te bepalen, de theorie gelijk aan andere medestudenten uit te leggen en de theorie aan de praktijk te koppelen. Lastig hieraan is dat de stof niet afgebakend is, daarom is het van belang dat je zelf de diepgang opzoekt. Door deze vorm van lessen hangt er een collegiale sfeer, omdat je je eigen leerproces bepaalt en je medestudenten en je docenten uiteindelijk allemaal je collega’s zijn.
kort nieuws
Hoe meet je positieve gezondheid? Positieve Gezondheid is een benadering die gezondheid opdeelt in zes dimensies: mentaal welbevinden, meedoen in de maatschappij, zinvol leven, lichaamsfuncties, dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. Aan de hand hiervan is een gespreksinstrument ontwikkeld voor zorgverlener en patiënt. Hierdoor krijgen mensen inzicht in hoe het met hen gaat. En vooral: wat ze vervolgens willen doen om zich gezonder te voelen. LUMC-onderzoekers Elske van den Akker-van Marle en Brian Doornenbal onderzochten hoe het gespreksinstrument een meetinstrument kan worden. Bron: LUMC
Valpreventie in Twente Samen met Twentse Koers en onder andere huisartsorganisaties, werkt de Twentse Fysiotherapeuten Organisatie (TFO) aan valpreventiebeleid. Twentse Koers is een samenwerkingsverband tussen de veertien Twentse gemeenten, GGD Twente, provincie Overijssel en Menzis. Het richt zich op een breed scala aan projecten. Hierdoor is er aandacht voor leefstijlgerelateerde interventies zoals valpreventie, de diabetes challenge en de GLI. Bron: Tubantia en KNGF
Secretaris gezocht De Stichting Geschiedenis Fysiotherapie (SGF) zoekt een ambitieuze secretaris die het enthousiaste, creatieve en hardwerkende bestuur van de SGF nog sterker wil maken. In deze rol krijg je een prachtig inkijkje in het ontstaan en de ontwikkeling van het beroep fysiotherapie en zijn beoefenaren. Daarnaast biedt de functie mogelijkheden om met vele boeiende contacten binnen en buiten ons vak te netwerken. Spreekt dit je aan? Bel of mail secretaris Wim Schoemans (M: 06-462 42 810; E: wschoemans@planet.nl) of voorzitter Anton de Wijer (M: 06-12 851 751; E: adewijer@gmail.com).
column
Ontwikkeling(en) Beste collega, Dat fysiotherapeuten professionals zijn, is een open deur, die toch de moeite waard is om nader te beschouwen. Dit beschouwen kun je doen vanuit onderwijs, psychologie, sociologie of recht, maar het zal je niet verbazen dat ik een ethische lens kies (dus feitelijk alle voorgaande perspectieven, aangevuld met de ordening van de samenleving, het politieke). Wat meestal onbesproken – en dus onbereflecteerd – blijft, is wat professional-zijn eigenlijk inhoudt. Dat is niet alleen een abstracte en academische vraag; ik denk dat deze ‘theorie’ van groot belang is voor onze praktijk van nu en in de toekomst. De vele omschrijvingen van professionaliteit hebben grofweg als kenmerkende onderdelen: een specialistische kennisbasis, interne motivatie voor kwaliteit en relatieve autonomie om daar invulling aan te geven en het feit dat het om specialisatie gaat, dus dat het een tijdje duurt voordat je het bent. Meerdere ontwikkelingen in de maatschappij leveren rond deze kenmerken spanning op. De eerste vraag is natuurlijk: wat is goede kwaliteit? Vreemd genoeg voor een beroep dat zichzelf ziet als onderdeel van de gezondheidszorg, hebben wij de universele en selectieve preventie in ons beroepsprofiel buitengesloten. Dat is gebeurd op basis van twee criteria: deskundig en uniek. Deze criteria dwingen tot een reflectie op wat onze deskundigheid dan is en wie daar nog meer gebruik van maken. Als ik om me heen kijk, zie ik veel mensen en beroepen die op een professionele manier (lees: voor geld) bezig zijn met gezondheid en bewegen, ook voor mensen met risicofactoren en/of klachten. Steeds minder duidelijk is hoe wij onze specialisatie afbakenen. Kennis is macht, daar hebben wij veel van geprofiteerd en veel goeds mee gedaan. We leven in een tijd waarin kennis steeds sneller verandert en waar die ook steeds vrijer beschikbaar komt, niet in de laatste plaats via digitale wegen. Leefstijladviezen komen van therapeuten, maar ook van sportschoolmedewerkers, influencers op sociale media, en vanaf begin dit jaar zelfs via de Albert Heijn-app! Daarin treden bekende gezichten op, waarbij we de vraag kunnen/ moeten stellen wat hun professie eigenlijk is én wat de basis is voor hun autoriteit. Ik denk dat het onze tijd nog wel zal duren, maar het is ook professioneel om een visie te vormen op waar het met je beroep, de samenleving en de wereld naartoe moet en hoe wij ons moeten ontwikkelen – in relatie tot anderen – om de autonomie die wij hebben op een verantwoorde manier te blijven invullen. Collegiale groet, Jeroen van Egmond docent fysiotherapie en zorgethicus j.van.egmond3@hva.nl
FysioPraxis februari 2022 | 7
wetenschap – klinimetrisch onderzoek
Wat is de klinische relevantie van veelgebruikte meetinstrumenten?
Vragenlijsten bij letsel van de bovenste extremiteit Letsel van de bovenste extremiteit is veelvoorkomend en kan een forse impact hebben op het functioneren van patiënten. Functioneren kan gemeten worden met gevalideerde patiëntgerapporteerde vragenlijsten en functietesten. Een statistisch significante verandering tussen twee metingen betekent niet altijd een relevante verandering voor de patiënt. Ons onderzoeksdoel is het bepalen van relevante verschillen voor patiëntgerapporteerde vragenlijsten en functietesten, en de klinische toepasbaarheid hiervan voor patiënten met bovenste extremiteitletsel.
Tekst en beeld: Suus van Bruggen en Charlotte Lameijer
Van alle patiënten met letsel die jaarlijks in Nederland op de Spoedeisende Hulp (SEH) worden behandeld, heeft 39% letsel van de bovenste extremiteit.1 Letsel van de hand, pols en vingers komt het meest voor. Jaarlijks worden op de SEH 56.000 patiënten (leeftijd 20-64 jaar, 57% man) met hand- en pols letsel behandeld.1 De meeste patiënten stellen hoge eisen aan het functioneren van hun bovenste extremiteit.2 Behalve significante beperkingen in het algemeen dagelijks functioneren, kan dit soort letsel ook zorgen voor hoge zorgkosten en ziekteverzuim.1 Zo snel en zo goed mogelijk functieherstel is daarom van groot belang voor patiënt en maatschappij.
Figuur 1
0
10
20
PROMs en functietesten De meest gebruikte patiëntgerapporteerde vragenlijsten (Patient Reported Outcome Measures; PROMs) bij bovenste extremiteit letsel zijn de Disability of Arm, Shoulder and Hand questionnaire (DASH),3 Michigan Hand Questionnaire (MHQ),4 Patient Rated Wrist Evaluation (PRWE)5 en de Patient Reported Measurement Information System – Physical Function – Upper Extremity v2.0 (PROMIS-UE v2.0).6,7 De PROMIS-UE v2.0 is een itembank met 46 vragen ten aanzien van functie van de bovenste extremiteit, waarbij gebruik wordt gemaakt van Computer Adaptive Testing (CAT) op basis van de
8 | FysioPraxis februari 2022
goede betrouwbare indicatie van de functie worden geven.8 Functieherstel na letsel kan behalve met PROMs ook gemeten worden door middel van functietesten. De belangrijkste voorbeelden van functietesten bij letsel van de bovenste extremiteit zijn range of motion (ROM) en grijpkracht.
Item Response Theory (IRT) (zie figuur 1). Bij deze methode wordt aan de hand van het antwoord dat de patiënt geeft op een vraag, met behulp van een algoritme, een volgende passende vraag geselecteerd. Op deze manier kan de PROMIS-UE v2.0 CAT met gemiddeld 4,7 vragen en in 83% van de gevallen met maximaal 7 vragen een
30
40
50
60
70
80
90
100
Physical Functioning Item Bank Item 1
Item 2
Item 3
Item 4
Item 5
1. Kunt u sokken aantrekken? 2. Kunt u in en uit bed komen? 3. Kunt u van de ene naar de andere kamer lopen? 4. Kunt u gedurende 3 uur lopen? 5. Kunt u gedurende 4 uur fietsen? 6. Kunt u 16 kilometer rennen? 7. Kunt u een gehele marathon rennen? Grafische weergave van CAT.9
Item 6
Item 7
Klinische relevantie Bij het interpreteren van de uitkomsten van PROMs en functietesten wordt er voornamelijk gekeken naar het statistische significante verschil tussen twee metingen. Inmiddels is gebleken dat een statistisch significant verschil niet per definitie ook een relevant verschil voor de patiënt hoeft te zijn.10 Hierbij wordt er onderscheid gemaakt in het minimaal meetbare verschil (Smallest Detectable Change = SDC) en het minimaal relevante verschil (Minimal Important Change = MIC).11 De SDC is de kleinste waarde die nét groter is dan de meetfout. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met het oordeel van de patiënt over de verandering van de gemeten functie. De MIC is het kleinste verschil tussen metingen of scores, de drempelwaarde, waarbij een patiënt daadwerkelijk een verandering in functie aangeeft.11,12 Het gebruik van PROMs en functietesten met bekende MICs zou daarom mogelijk beter toepasbaar zijn in de klinische praktijk dan wanneer alleen het verschil in score of de SDC wordt gebruikt.11,12 Meer kennis over de klinische relevantie van PROMs en functietesten geeft zowel de patiënt als de behandelaar meer inzicht in het (verwachte) herstelproces en kan mede daardoor een positieve invloed hebben op het behandeltraject.
MIC in de praktijk Er zijn verschillende manieren om de MIC te bepalen, maar een gouden standaard is er nog niet. De verschillende methoden zijn onder te verdelen in twee grote groepen: ‘distribution based’ en ‘anchor based’.13 Bij distribution-based methoden wordt er statistisch berekend wat de MIC tussen twee metingen is op basis van area under the curve-methoden. Hierbij wordt er geen rekening gehouden met de mening van de patiënt.13-16 Deze methoden zijn daarom ook al grotendeels verlaten. Daarentegen worden de modernere anchor based- methoden tegenwoordig steeds vaker gebruikt. Hierbij worden de verschillen tussen metingen geobjectiveerd bij de patiënt door het stellen van ‘ankervragen’ waardoor er een patiëntgebonden oordeel aan het verschil wordt gehangen.14-16 Een voorbeeld van een ankervraag is: ‘Hoe is de functie van uw pols op dit moment, vergeleken met de vorige keer dat we de functie hebben gemeten?’ Een patiënt kan dan antwoorden op een 5-punts Likert-schaal:
‘veel slechter’, ‘een beetje slechter’, ‘geen verandering’, ‘een beetje beter’ en ‘veel beter’. Op deze manier wordt het klinisch relevante verschil dat de patiënt merkt gekoppeld aan een statistische uitkomst, resulterend in de MIC. Voor de meeste PROMs en functietesten zijn er nog geen MICs beschikbaar en wordt de MIC in de dagelijkse praktijk dan ook nog nauwelijks gebruikt.
Compacte basisset Naast meer inzicht in klinische relevantie van PROMs en functietesten door het bepalen van adequate MIC-waardes, willen we ook een compacte basisset ontwikkelen. Dit is een praktische set van PROMs en functietesten, die goed toepasbaar is in de klinische praktijk, waarbij de last van het afnemen van vragen en testen voor patiënt en clinicus zo beperkt mogelijk is. Met deze compacte basisset is snel inzicht te verkrijgen in het herstelproces. Mocht uit de metingen van de basisset blijken dat het herstelproces niet verloopt zoals verwacht, dan kan de behandeling bijgesteld worden. Het doel is behandeling op maat voor de individuele patiënt met een optimaal resultaat. Hiertoe kunnen aanvullende PROMs en functietesten nodig zijn. De onderzoeksdoelen die we hebben geformuleerd zijn: 1) Beschrijven wat er bekend is in de literatuur over de MICs voor PROMs en functietesten voor patiënten met bovenste extremiteitletsel. 2) Het bepalen van MICs voor specifieke PROMs en functietesten voor patiënten met bovenste extremiteitletsel in de COMIC-studie (Clinical relevance of Clinician and Patient Reported Outcome Measures in patients with upper extremity injuries by determining Minimal Important Change). 3) Het ontwikkelen van een compacte basisset van metingen om meer inzicht in het te verwachten herstelproces te verkrijgen. 4) Het implementeren van deze MICs in de klinische praktijk.
Methode Wat is er bekend over MICs voor PROMs en functietesten? Om inzicht te krijgen in wat er op dit moment bekend is over MICs voor
PROMs en functietesten in de huidige literatuur hebben we een systematische literatuurstudie verricht volgens de PRISMA-richtlijn.17 In PubMed, Cochrane en Embase is gezocht naar relevante literatuur. Artikelen over patiënten met bovenste extremiteitletsel waarin de MIC werd bepaald van de DASH, MHQ, PRWE of PROMIS-UE v2.0 werden geïncludeerd. Er werd niet specifiek gezocht naar de MIC voor functietesten, maar de MIC werd wel meegenomen als deze was bepaald naast de MIC voor PROMs. De methodologische kwaliteit van de geïncludeerde studies werd bepaald door het Newcastle-Ottawa-Scale (NOS) scoresysteem.18 Onderscheid werd gemaakt in hoge kwaliteit (NOS >6), redelijke kwaliteit (NOS 5-6) en lage kwaliteit (NOS <5). Het bepalen van de MIC voor functietesten en PROMs Een prospectieve multicenterstudie is opgezet om de MIC betrouwbaar te bepalen voor PROMs en functietesten bij patiënten met bovenste extremiteitletsel: de COMIC-studie. Deze studie loopt nog en includeert patiënten uit het Spaarne Gasthuis en uit het Amsterdam UMC, locatie VUmc en AMC. In totaal zullen 400 patiënten met acuut letsel van de bovenste extremiteit gedurende 6 maanden gevolgd worden met behulp van PROMs en functietesten op meerdere momenten. De PROMs die gebruikt worden, zijn de DASH, MHQ, PRWE en PROMIS-UE v2.0. De functietesten die gebruikt worden zijn diverse ROM- en grijpkrachttesten. Daarnaast beantwoorden patiënten op enkele momenten ‘ankervragen’ zodat de MIC kan worden bepaald van bovenstaande PROMs en functietesten. Bij de COMIC-studie gebruiken we de volgende anchor based-methoden om de MIC te bepalen: 1) ‘predictive modelling’ (voorspelde MIC) en 2) de vignetten-methode. De ‘predictive MIC’ is gebaseerd op de kans dat een patiënt behoort tot de verbeterde groep, waarbij er rekening is gehouden met de prevalentie van verbetering en de verandering in score.16 De ‘predictive MIC’ is waarschijnlijk specifieker, minder gevoelig voor steekproefvariatie en kan beter het effect van effect modificerende variabelen meewegen dan de reguliere FysioPraxis februari 2022 | 9
»
» anchor based-methoden.16 De ‘vignetten-MIC’ is een nieuwe methode van anchor based bepalen van de MIC. Een vignet beschrijft een hypothetische situatie waarbij een patiënt na letsel van de bovenste extremiteit verschillende problemen van het functioneren heeft.19 Vignetten kunnen worden ontwikkeld en gebruikt wanneer een PROM gebaseerd is op IRT.20 Alle items van de PROM hebben een T-score waardoor verschillende items gecombineerd kunnen worden tot een vignet, die een bepaalde mate van functioneren
weergeven.19 Voor de COMIC-studie hebben we vignetten ontwikkeld voor de PROMIS-UE v2.0 die getest worden met behulp van focusgroepen, waarna patiënten ze daadwerkelijk kunnen beantwoorden. Patiënten zullen op twee momenten de vignetten beantwoorden. Hiermee kan met het verschil in scores tussen de twee meetmomenten de MIC worden bepaald.
Resultaten Na beoordeling van de artikelen werden 38 Engelstalige artikelen geïncludeerd.
Tabel 1: Hand-/polsletsel PROM
Tabel 3: Schouderletsel
Letsel
MIC
DASH21-23
Chronisch
15,4 – 20,9 Nb* – 11
Q-DASH
Chronisch
10,4 – 10,6
PRWE24
Chronisch
PRWE25
Acuut
23,24
PRWE-functie26 Acuut
SDC
Referentiewaarden PROMs (gemiddelde verschilscore)
PROM
Letsel
MIC
12,4
DASH38-44
Chronisch
4,4 – 25,41 Nb* – 16,3 -23,3 – 24,53
Nb* – 30,1 3,6 – 18,8
DASH45
Acuut
6,7
19
-27,8
7,8
Nb*
25,3
Q-DASH44,46,47
Chronisch
8 – 13,6
11,2 – 17,1
-13,4 – 24,9
11,5 – 26
Nb* – 11
12,6 – 36
10
4,5
10,8
Chronisch
-1,4 – 22
Nb* – 12
-6,9 – 17
MHQ-functie30 MHQ-ADL30 MHQ-werk30
Chronisch Chronisch Chronisch
13 11 8
Nb* Nb* Nb*
33 – 36 33 36
MHQ-kort31
Chronisch
7
16
13
PROMIS-UE32,33
Chronisch
3,6 – 6,3
Nb* – 10,1 -0,7 – 5,5
MHQ
22,23,27-29
Bijna de helft van de geïncludeerde studies onderzocht patiënten met hand-/ polsletsel. De andere studies onderzochten letsels of blessures van de schouder, arm, elleboog of bovenste extremiteit in het algemeen. In totaal werd data van 5.104 patiënten geïncludeerd in bovenstaande studies. Er waren echter grote verschillen in steekproefgrootte van 28 tot 847 geïncludeerde patiënten. De gemiddelde kwaliteit van de studies was redelijk (gemiddelde NOS-score 5,3) met variatie van lage tot hoge kwaliteit (NOSscore 4-8). De vervolgmeting varieerde
SDC
Tabel 4: Algemeen bovenste extremiteitletsel PROM
Letsel
MIC
SDC
Referentiewaarden PROMs (gemiddelde verschilscore)
DASH48,49
Chronisch
-13 – 10
Nb* – -4,3
-13 – 15
DASH50-52
Chronisch/ 10 – 12,6 acuut
Nb* – 12,5
10 – 19,8
Q-DASH53,54
Chronisch
Nb* – 11
-10,6 – 19
Q-DASH50,52
Chronisch/ 14 – 15,91 Nb* – 12,85 14 – 21,9 acuut
Tabel 2: Elleboogletsel PROM
Letsel
MIC
SDC
DASH34-36
Chronisch
5,0 – 13,5
Nb* – 9,33 -17,7 – 12,6
Q-DASH37
Acuut
3,5
12,2
-11,1
PRWE35
Chronisch
17
7,7
-22,1
PRWE51,52
Nb* – 12,2
14 – 25,4
Chronisch Chronisch
12 6–8
Nb* Nb*
21,3 12
Chronisch/ 14 – 24 acuut
PROMIS-UE53
Chronisch
-
1,77
MHQ-functie MHQ-ADL36
36
Referentiewaarden PROMs (gemiddelde verschilscore)
Referentiewaarden PROMs (gemiddelde verschilscore)
6,8 – 19
2,1
Verklaring van de gebruikte afkortingen in de tabellen: – – – –
MIC: Minimal Important Change MHQ: Michigan Hand Questionnaire Nb* = niet bepaald in het artikel PROMIS-UE: Patient Reported Measurement Information System – Upper Extremity v2.0
10 | FysioPraxis februari 2022
– PROMs: Patient Reported Outcome Measures – PRWE: Patient Rated Wrist Evaluation – (Q-)DASH: (Quick) Disability of Arm, Shoulder and Hand questionnaire – SDC: Smallest Detectable Change
van 1 week tot 21 maanden na de eerste meting. Om de MIC te bepalen werd er in de artikelen gebruikgemaakt van één of meerdere distribution based- en/of anchor based-methoden. Voor een beter overzicht van de voorlopige resultaten van de literatuurstudie hebben we een indeling gemaakt naar locatie van het letsel, PROMs en acuut of chronisch letsel (gedefinieerd als letsel dat recent is ontstaan waarbij deelname aan de studie plaatsvindt enkele weken na letsel, versus patiënten met klachten die langer dan 1 maand bestaan. Zie tabel 1, 2, 3 en 4.) In slechts één van de geïncludeerde studies werd de MIC bepaald voor grijpkracht en in 1 andere studie werd de SDC bepaald voor de grijpkracht en ROM.29 De MIC werd bepaald in patiënten met trapezoid-metacarpale osteoartritis en was 1,5 kg. Er werd geen SDC bepaald. In pa tiënten met een humerus schachtfractuur werd de SDC bepaald voor grijpkracht (8) en ROM (9,9).29
Discussie Wat is er bekend over MICs voor PROMs en functietesten? In de literatuurstudie zagen we een grote variatie in beschreven letsels, PROMs, de methoden om de MIC te bepalen en de momenten van de vervolgmetingen. In meerdere studies werden de patiëntkarakteristieken onvoldoende beschreven. Dit was terug te zien in de resultaten van de meeste studies. Er kwamen zeer variërende SDC- en MIC-scores naar voren, ondanks het categoriseren naar type letsel of PROM. Het meest relevante opvallende punt was dat er regelmatig een hogere SDC- dan MIC-score werd gevonden. Dit betekent dat het minimaal klinisch relevante verschil in score lager zou zijn dan het kleinste daadwerkelijk meetbare verschil. In dat geval is de MIC-score onvoldoende te interpreteren en helemaal niet bruikbaar.10 Aangezien er meerdere beperkingen waren in de studies (variërende steekproefgrootte, heterogeniteit, onvoldoende karakteristieken beschrijving en verschillende methoden), achten wij het relevant om de SDC- en MIC-scores in een grotere steekproefgrootte met adequate methoden te onderzoeken.
COMIC-studie: MIC voor PROMs en functietesten Wij denken dat de MIC een veelbelovende methode is om de klinische relevantie van een PROM of functietest te bepalen. Het is duidelijk dat er nog relatief weinig bekend is over de MIC en dat er op gebied van bepaling en interpretatie van de MIC nog veel ruimte is voor verbetering. Met de lopende COMICstudie verwachten we hier meer inzicht in te verkrijgen. We verwachten nog in 2022 de inclusies compleet te hebben en hierover te kunnen publiceren. De klinische relevantie voor de fysiotherapeut Momenteel is er zowel een gebrek als een behoefte aan het objectiever kunnen interpreteren van functieherstel bij patiënten met letsel van de bovenste extremiteit. Meer duidelijkheid over de MIC voor PROMs en functietesten, de interpretatie ervan en een compacte basisset als vergelijkingsmodel zullen het vervolgen en voorspellen van functieherstel objectiever maken. Dit maakt het gebruik van PROMs en functietesten met bijbehorende MICs aantrekkelijker voor de fysiotherapeut. Het verhogen van inzicht in het herstelproces en het verbeteren van functionele uitkomsten kan leiden tot het verbeteren van de zorg en revalidatie, hetgeen de fysiotherapeut natuurlijk nastreeft.
Dankwoord Onze dank gaat uit naar alle betrokkenen bij en alle deelnemers aan de studie. Onze specifieke dank gaat uit naar de betrokken gipsverbandmeesters (JanCees, Suzanne, Nienke, Dennis, Circe en Maria), student-onderzoekers (HanneEva, Frederique, Maurits, Fleur, Minke en Maartje) en handtherapeuten (Daan, Mattie en Ernst) voor alle inspanningen bij het includeren en meten van de patiënten tot nu toe.
Suus van Bruggen, promovenda Amsterdam UMC, locatie VUmc & Amsterdam Movement Sciences (COMIC-studie), anios chirurgie in msterdam UMC, locatie VUmc A Dr. Charlotte Lameijer, trauma chirurg Amsterdam UMC
s.vanbruggen@amsterdamumc.nl
Literatuur: www.kngf.nl
FysioPraxis februari 2022 | 11
Onze missie Alle spierziekten bij kinderen verslaan
YVLO-ZwangerFit® Opleiding In 3 maanden tijd word je allround YVLO-ZwangerFit® Trainer. KRF NL: 98 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken
YVLO-Postpartum Problematiek KRF NL: 19 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken
Ook jij kunt je gezonde spieren inzetten voor zieke spieren!
YVLO-ZwangerFit® Mindful Ademen en Ontspannen Ademen en ontspannen volgens methode van Dixhoorn. KRF NL: 7 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken Kijk voor de data en meer informatie op yvlo.nl.
Kom in actie Word partner Word vrijwilliger
TER OVERNAME AANGEBODEN
Organiseer een actie!
KINDERFYSIOTHERAPIEPRAKTIJK De praktijk (goed lopende eenmanszaak) is gevestigd in een gezondheidscentrum. Regio Delft-Den Haag-Zoetermeer-Rotterdam. Zeer gunstige voorwaarden, ook coaching mogelijk.
www.sportenvoorspieren.nl/doneren/kies
Interesse: stuur een mail naar kinderfysio-randstad@outlook.com
INSCHRIJVING OPENT IN APRIL
boekbespreking
Functioneel ademen kun je leren
Oefeningen om de adem haling te verbeteren Functioneel ademen is in eerste instantie een boek voor ontspannings therapeuten die de Methode Van Dixhoorn volgen. Eigenlijk wilde de auteur zijn handboek Ontspanningsinstructie opnieuw uitgeven, aangevuld met nieuwe theorie en oefeningen, maar uiteindelijk koos hij voor een uitbreiding. Functioneel ademen kan dus gezien worden als een aanvulling op het eerder verschenen werk, maar geeft ook op zichzelf goede inzichten ten aanzien van relaxatie en ademhaling. Tekst: Sandra Vermeulen-Jongenotter
Het boek gaat vooral over ontspanningsoefeningen voor gevorderden en bevat een herschreven hoofdstuk over de ademhalingstheorie. Vrij uitgebreid verhaalt de schrijver over het ontstaan van zijn technieken en cursussen en over de ontwikkeling van de beroepsgroep. De persoonlijke verhalen maken het boek makkelijk te lezen, ook voor fysiotherapeuten die de methode niet goed kennen. De wetenschappelijke onderbouwing die voor deze jonge beroepsgroep nog zeer beperkt is en daardoor extra belangrijk, wordt duidelijk beschreven. Evenals de manier van werken en verslaglegging. De Nijmeegse vragenlijst en Algemene Toestand Lijst samen met de MARM worden duidelijk uitgelegd en er wordt besproken hoe spanningsklachten en adembeweging kunnen worden gemeten.
Van Dixhoorn het benoemt, in de gehele bevolking toe. Daarbij trekt het dragen van een mondkapje de ademhaling als het ware omhoog, wat bij veel mensen als negatief en benauwend wordt ervaren. Een persoonlijke frustratie van mij is dat patiënten door hun fysiotherapeut vaak verteld wordt hoe te ademen: alleen een buikademhaling ofwel diafragmaal ademen zou goed zijn. Daarom was ik al in het eerste hoofdstuk blij dat Van Dixhoorn geen buikademhaling, maar een ademhaling van het gehele lichaam omschrijft. Ook een neutrale waarnemende benadering tijdens het oefenen vind ik heel prettig en nuttig. Zijn theorie over adembeweging en het dubbele tandrad legt Van Dixhoorn nog eens uit. Door de uitleg en ook de verschillende patiëntengroepen die beschreven worden is het boek zeker ook interessant
J.J. van Dixhoorn. Functioneel ademen. Adem- en ontspanningsoefeningen voor gevorderden. Amersfoort: uitgeverij Van Dixhoorn, 2021. ISBN 978-90-83-0960-18. 313 pagina’s. €55,-
voor fysiotherapeuten die veel te maken hebben met patiënten met spanningsklachten. Zonder dat ze de intentie hebben een ontspanningstherapeut te worden. Daarbij zijn de oefeningen praktisch en goed te gebruiken ter algehele ontspanning, bijvoorbeeld in de hartrevalidatie of ter lokale ontspanning bij problemen van de schouders of wervelkolom. De oefeningen zijn duidelijk omschreven en bij het oefenen met proefpersonen ervaarde niemand de instructies als storend, zweverig of onduidelijk. Het gebruik van de oefeningen in de dagelijkse praktijk als fysiotherapeut maakt je echter nog geen ontspanningstherapeut. Dus naast dat de oefeningen te gebruiken zijn in de dagelijkse praktijk is het ook waardevol om te weten welke patiënten je het best kan adviseren een ontspanningstherapeut te bezoeken.
Duidelijk en praktisch
Voor wie?
Aangezien ik geen Van Dixhoorntherapeut ben, vroeg ik me aanvankelijk af of ik de geschikte persoon ben om een recensie te schrijven. Ik was ten tijde van schrijven werkzaam als fysiotherapeut in het Erasmus MC op de afdeling Longziekten en COVID. In mijn dagelijks werk hield ik me dus meer bezig met ademen dan met ontspannen. Nieuwsgierig naar het boek was ik wel, aangezien patiënten met en na COVID-19 soms veel moeite hebben met ademregulatie en ontspanning. Daarnaast nemen spanningsklachten, of overspanning zoals
Voor ontspanningstherapeuten of trainers volgens de Methode Van Dixhoorn en voor iedereen die ontspanning in behandeling wenst te bereiken, zoals in de longrevalidatie, hartrevalidatie, post-COVID-zorg en bij spanning gerelateerd aan klachten aan het bewegingsapparaat.
Sandra Vermeulen-Jongenotter, Wmo-klantmanager BAR- organisatie, voormalig fysio therapeut Erasmus MC FysioPraxis februari 2022 | 13
Hallo fysiotherapeut Vraag jij wat je patiënt belangrijk vindt in het dagelijks leven?
Beslis samen met je patiënt welke zorg het beste past. Ga voor meer tips naar www.begineengoedgesprek.nl
Foto: Wiep van Apeldoorn
patiënt in beeld
Gesina: Op 30 december 2020 kreeg ik een ernstig auto-ongeluk. Ernstig mag ik het echt wel noemen, want ik heb er hersenletsel door gekregen. Heel januari heb ik in coma gelegen. Op 8 februari 2021 kon ik starten met revalideren bij het Daan Theeuwes Centrum in Woerden. Door de goede steun van mijn vrienden en familie blijf ik nog steeds vooruitgaan! Ook de therapeuten bij het Daan Theeuwes Centrum blijven me pushen mijn best te doen. Zo zat ik in het begin in een rolstoel en kon ik mezelf met geen mogelijkheid verplaatsen. Nu loop ik met rollator! Ik heb elke dag fysiotherapie. Daarnaast heb ik ook ergotherapie en krachttraining. Tegenwoordig ga ik vier dagen per week poliklinisch revalideren vanuit mijn eigen appartement waar ik zelfstandig woon. Ik maak weleens de grap: “Ik heb dan wel hersenletsel, maar met mijn brein is niks mis!”
Verderop in dit nummer geeft de fysiotherapeut van Gesina een toelichting op de behandeling (zie pag. 25). FysioPraxis februari 2022 | 15
opinie
Spiritualiteit of zingeving en fysiotherapie
De Patient Dignity Question Zingeving – dat wat maakt dat je zin hebt om de volgende ochtend weer op te staan – is in de kern de betekenis van kwaliteit van leven. Zingevingsvragen hebben een relatie met fysiotherapeutische behandeldoelen. De fysio therapeut is geen zingevingsspecialist, maar kan wel aandacht geven aan zingevingsvragen. De fysiotherapeut kan hiervoor de Patient Dignity Question gebruiken: ‘Wat moet ik van u als persoon weten om u goede zorg te geven?’
Tekst: Joost van Iersel, Remco Loykens, John Verhoef en Michael Echteld
Binnen de gezondheidszorg is in toenemende mate aandacht voor zingeving of spiritualiteit. In het model van positieve gezondheid is het een van de zes pijlers.1 Aandacht voor zingevingsvragen bij patiënten met een hulpvraag is daarom actueel voor de fysiotherapeut. De verschuiving van primair richten op de stoornis in functies naar stoornis in activiteiten en participatie binnen de fysiotherapie sluit goed aan bij een bredere kijk op gezondheid. Aandacht voor de zin die de patiënt geeft aan de te verbeteren functies en activiteiten vergroot de kwaliteit van de fysiotherapeutische interventie.2 De toevoeging van de zingeving aan het bio-psycho-sociaal model wordt ook bepleit binnen de geestelijke gezondheidszorg.3 Toename van het welbevinden, een positieve beïnvloeding van de motivatie en hogere therapietrouw zijn verwachte positieve effecten.
Zingeving en fysiotherapie ‘Zingeving of spiritualiteit is de dynamische dimensie van het menselijk leven, die betrekking heeft op de manier waarop personen (individueel zowel als in gemeenschap) zin, doel en transcendentie ervaren, uitdrukken en/of zoeken, en waarop zij zich verbinden met of verhouden tot het moment, zichzelf, anderen, de natuur, het betekenisvolle en/of het heilige.’4 Korter gezegd: zingeving is datgene wat maakt dat je zin hebt om de volgende ochtend weer op te staan. Het lijkt ons niet de bedoeling dat fysiotherapeuten zich ontwikkelen tot specialisten op het gebied van de gespreksvoering over zingeving. Daartoe zijn er tenslotte al andere professionals die dit veld bestrijken, zoals de psycholoog, de maatschappelijk werker of de geestelijk verzorger (zie het kopje ‘Schoenmaker blijf bij je leest’). Fysiotherapeuten kunnen wel meer aandacht hebben voor de manier waarop patiënten kijken
16 | FysioPraxis februari 2022
naar hun kwaliteit van leven en hoe een beter bewegend functioneren hier een rol in kan spelen. Aansluiten bij de persoonlijke doelen en waarden van de patiënt lijkt belangrijk om de kans op een succesvolle therapie te vergroten. Intrinsieke motivatie wordt immers sterk bepaald door het nut dat de patiënt ziet van een interventie, hoe deze past bij zijn eigen waarden en normen en of de activiteit als interessant en nuttig wordt ervaren.5 Informed consent over de interventie en de verwachte werkzaamheid ervan is vanzelfsprekend (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst). Het helpt hierbij afstemming te vinden over de waarde die de functieverbetering voor de patiënt heeft. Het gebruik van de zogenaamde Patient Dignity Question (PDQ)-vraag kan een voor de fysiotherapie helpend middel zijn.7
Zingevingsgesprekken en de PDQ-vraag Het lectoraat ‘Zorg rond het Levenseinde’ van de Avans Hogeschool voert een, door ZonMw gefinancierd, actieonderzoek uit binnen drie somatische verpleeghuisafdelingen en een hospice van drie zorgorganisaties voor langdurige palliatieve zorg.8 Dit onderzoeksproject ‘Een Betekenisvol Leven’ richt zich op het vergroten van de aandacht voor zingevingsvragen. In verschillende onderzoeken binnen het lectoraat gebruiken we het ars moriendi of Diamant-model van Leget als hulpmiddel bij het voeren van de gesprekken.9 Het model, als onderdeel van de richtlijn Zingeving en spiritualiteit in de palliatieve fase, biedt een handvat om in gesprek te gaan over levensvragen. De vragen en gespreks technieken zijn breed toepasbaar en kunnen helpen bij de gesprekken binnen de fysiotherapie. De vijf facetten – autonomie, handelen, relaties, balans en hoop – zijn verbonden met de centrale thema’s in ieder mensenleven. Ze zijn ook sterk verbonden aan de drie elementen die in de Self Determination Theory (SDT) als kenmerkend voor ons allen beschreven worden: autonomie, verbondenheid en competentie. 5
Mevrouw Buwalda van der Biezen (80) is gevallen en heeft haar been ernstig gekneusd. Ze komt bij de fysiotherapeut om weer te leren lopen. Haar dochter wil graag dat ze meer thuiszorg aanvaardt. Zelf vindt ze dat ze echter alles zelfstandig moet blijven doen. ‘Ik laat toch geen vreemden in huis.’ Bij doorvragen wordt duidelijk dat autonomie erg belangrijk is voor mevrouw Buwalda. Ze gruwt ervan om afhankelijk te zijn. Bovendien blijkt ze mensen die zij niet kent vaak achterdochtig te benaderen. Hier speelt het element relaties uit het ars moriendi-model. Het is voor fysiotherapeuten belangrijk goed met haar te bespreken hoe ze, ondanks de hulp die zij wellicht nodig heeft, toch zo veel mogelijk zelfstandig kan leven en invloed uit kan oefenen op de keuze van de mensen die haar helpen.
Dignity, in het Nederlands ‘waardigheid’ heeft te maken met zelfrespect en het respect dat je van anderen ervaart. Het is voor iedereen belangrijk, drukt de tevredenheid uit over wie je bent en is een product van de relatie met anderen. Het is subjectief en dus voor iedereen verschillend.10-11 Om als zorgverlener de patiënt respectvol te kunnen benaderen en waarderen moet je die ander als persoon leren kennen.
De praktijk Het stellen van de vraag ‘wat moet ik van u weten als persoon om u de best mogelijke zorg te kunnen verlenen’ lijkt een eenvoudig toe te passen hulpmiddel. Dat blijkt in de praktijk niet zo te zijn. Het is niet makkelijk om te verwoorden waarom we iets van belang vinden. De zin van dingen ligt vaak verstopt in het onbewuste en is niet direct toegankelijk. Een grote verandering of een crisis kan leiden tot zingevingsvragen. In de hulpvraag waarmee de patiënt naar de fysiotherapeut komt,
» FysioPraxis februari 2022 | 17
»
soc spiritueel zingeving
l iaa
ps yc ho -
Figuur 1
lichamelijk De positie van spiritualiteit4
»
zit altijd – alhoewel vaak verscholen – een zingevingsaspect. Het is belangrijk hier oog voor te hebben en na te gaan of het zingevingsaspect leidt tot een zingevingshulpvraag die geadresseerd kan worden door de fysiotherapeut. De inspanning die het functieherstel, de toename van activiteiten en uitbreiding van participatie kost, en de waarde die dit toevoegt aan het leven, nopen tot stilstaan bij zingevingsvragen over belangrijke waarden in het leven. Zo zal een mevrouw bij de therapie na een mastectomie misschien worstelen met haar zelfbeeld en haar
De antwoorden op zingevingsvragen zijn vaak niet pasklaar te vinden en ontstaan als de patiënt ruimte ervaart om stil te staan
waardigheid ten aanzien van haar partner. Een topsporter die na een ongeluk zijn of haar carrière vroegtijdig moet beëindigen heeft vragen over de invulling van de toekomst. De antwoorden op zingevingsvragen zijn vaak niet pasklaar te vinden en ontstaan als de patiënt ruimte ervaart om stil te staan. Vaak is er ambivalentie; zowel het een als het ander is van belang, verschillende mogelijkheden voelen goed of passen bij de uiteenlopende wensen. De diepere lagen zijn vaak raadselachtig, nauwelijks kenbaar of zegbaar. Gesprekken voe-
18 | FysioPraxis februari 2022
ren over de betekeniskant van de functieverbetering zijn een uitdaging. De patiënt lijkt gebaat bij een fysiotherapeut met een open houding waarin ruimte is voor zingevingsvragen. Deze gesprekken vergen specifieke competenties van een fysiotherapeut, zoals het vermogen om zich respectvol te verplaatsen in de ander, om de rust te nemen te luisteren en niet snel met oplossingen te komen. Het vereist de kunst om zich zonder oordeel te kunnen verhouden tot wat voor de ander van belang is.12 Naast het vaardig zijn in deze competenties is ook een verdieping van het fenomeen van de zingeving van belang. Zingeving heeft een centrale plek binnen de psychische, sociale en lichamelijke aspecten van het leven (figuur 1). Zingeving kan psychische, sociale en lichamelijke knelpunten erger maken, of juist minder erg. Omgekeerd kunnen bijvoorbeeld angst, eenzaamheid en pijn invloed hebben op zingeving.4 Dit is herkenbaar in de presentatie van klachten. Klachten in het bewegingsapparaat kunnen een sociale, psychische en zingevings- of existentiële grond hebben. Alle vier de elementen vragen om aandacht. Blauw et al. beschrijven dezelfde beweging over de GGZ.3
Schoenmaker blijf bij je leest Vraagstukken binnen het domein van de zorg en van welzijn hebben steeds meer een overlap met elkaar. Enkele voorbeelden: de fysiotherapeut werkt meer en meer in het gebied van de preventie en de beïnvloeding van de levensstijl, van origine het domein van welzijn. Hij of zij bedient zich daarbij van gespreksmethoden als motiverende gespreksvoering of de presentiebenadering. Deze verschuivingen dwingen tot de bezinning op wat kenmerkend is voor het eigen beroep en wat voor anderen is.2 Wat is de leest waar de fysiotherapeut bij moet blijven? Hoe breed is die en hoe diep kan men gaan? Het ABC-model geeft een goed handvat.4 Bij het bespreken van zingeving kan van elke zorgverlener verwacht worden dat hij aandacht (A) heeft voor wie de mens is die hij tegenover zich heeft en zo ook de betekenisgeving van functieverbetering meeneemt in zijn behandeling. Het tweede element van de begeleiding (B) van zingevingsvragen vergt meer competenties. Het is aan te raden om zich extra te scholen alvorens deze stap te zetten. De crisisinterventie (C) is het derde element. Behandelen van mensen die zich in een zingevingscrisis bevinden is voor specialisten op dit gebied. Doorverwijzen naar een maatschappelijk werker, een psycholoog of een geestelijk verzorger is hier belangrijk. Vanzelfsprekend is contact met de huisarts als regievoerder binnen de gezondheidszorg of met specialisten op het gebied van zingevingsissues belangrijk om door te kunnen verwijzen.
Aandacht voor zingeving en de gespreksvoering hierover is nog niet stevig verankerd in de opleidingen fysiotherapie. Aandacht voor de gehele mens is een algemeen gedeeld uitgangspunt. Iedere fysiotherapeut zou daarom aandacht (A) moeten hebben voor zinsgevingsaspecten in het verhaal van de patiënt. Begeleiding (B) van zingevingsvragen is aan te bevelen voor fysiotherapeuten met een vervolgopleiding op dit gebied. Voor crisisbegeleiding (C) is verwijzing naar specialisten.
Aanbeveling
Joost van Iersel, onderzoeker lectoraat Zorg rond het levenseinde, Avans Hogeschool
Remco Loykens, docent fysiotherapie, Hogeschool Leiden
John Verhoef, lector Eigen regie bij Fysio therapie & Beweegzorg, Hogeschool Leiden
Michael Echteld, lector Zorg rond het Levenseinde, Avans Hogeschool
loykens.r@hsleiden.nl
Literatuur: www.kngf.nl
Foto: DCStudio.nl
Door ook de dimensie van de zingeving te betrekken bij de therapie is het beter mogelijk om aan te sluiten bij wat van belang is voor de patiënt. Het kan de intrinsieke motivatie van de patiënt bevorderen om te werken aan functieherstel. De kans op een verandering naar duurzaam gezond beweeggedrag kan toenemen, ook als bewegen niet meer zo vanzelfsprekend is. Belangrijker nog is de toenemende beleving van welzijn, doordat de toegenomen eigen regie en beleving van nut sterker aanwezig zijn bij het functieherstel. Als fysiotherapeut is het bevredigend de mens als geheel te zien en terug te zien waar eigen arbeid aan bijdraagt.
Ingrid, een alleenstaande vrouw van 42 jaar, wordt in een revalidatiecentrum doorverwezen voor fysiotherapeutische behandeling bij de motorische beperkingen en incontinentie ten gevolge van een gecompliceerde bekkenbreuk. Bij behandeling blijkt dat ze moeilijk om kan gaan met de intimiteit die de behandeling met zich mee brengt. Ze vertelt over een verleden met traumatische seksuele ervaringen. In overleg met haar wordt dit in het multidisciplinair overleg besproken. De psycholoog begeleidt haar verder op dit gebied. De fysiotherapeutische behandeling wordt voorzichtig voortgezet. Door het groeiende vertrouwen dat ontstaat, vertelt ze over de moeite die ze heeft om intieme relaties aan te gaan. Graag zou ze kinderen krijgen, maar ze voelt zich onmachtig. Deze onmacht beperkt haar bij besluiten in haar dagelijkse leven. Als fysiotherapeut luister je empathisch naar haar (A: Aandacht). Je bespreekt wat binnen je fysiotherapeutische doelen relevant is. Voor de begeleiding (B) van de meer existentiële zingevingsvragen wordt ze ondersteund door de psycholoog. Als je de indruk krijgt dat de vragen van de vrouw zo zwaar voor haar zijn dat ze haar welzijn bedreigen, dan verwijs je haar door naar een specialist op dit gebied. Er kan dan sprake zijn van een crisis (C).
FysioPraxis februari 2022 | 19
wetenschap – promotie
Patiëntgecentreerde fysiotherapie bij mensen met chronische pijnklachten
Pijneducatie en trans disciplinaire behandelingen Gemiddeld lijdt twintig procent van de bevolking aan chronische pijn1 en acute en chronische pijnklachten zijn de voornaamste reden voor mensen om een fysiotherapeut te bezoeken.2 Grote kans dus dat je als fysiotherapeut iemand met chronische pijnklachten in je behandelkamer treft. En dan? Hoe ziet een intake van iemand met chronische pijn er idealiter uit? Waarmee en hoe start je de behandeling?
Tekst: Amarins Wijma
Bij veel mensen die chronische pijn ervaren spelen centraal mediërende mechanismen,3-7 ook wel bekend als centrale sensitisatie (CS),8,9 een belangrijke rol in de pijnervaring. Centrale sensitisatiegerelateerde pijn, of recent door de International Association for the Study of Pain nociplastische pijn genoemd,10 wordt gekenmerkt door hyperexcitabiliteit (overprikkelbaarheid) van neuroplastische processen (het continue proces van aanpassingen in het zenuwstelsel) op neurofysiologische, endocrinologische en immunologische niveaus.11 Dit zorgt voor een verhoogde responsiviteit van het zenuwstelsel,12,13 en kan leiden tot pijn zonder dat er sprake is van schadelijke perifere s timuli.4 Omdat lichaam en geest geen aparte onderdelen zijn, spelen biopsychosociale factoren altijd een rol bij pijn. Bij chronische pijnklachten kunnen biopsychosociale factoren de pijnervaring en voortzetting van pijn beïnvloeden.14-22 Het behandeltraject dient daarom al deze factoren mee te nemen. Indien nodig worden multi-, inter- of transdisciplinaire trajecten ingezet.23 In dit proefschrift is de klinische behandeling voor patiënten met chronische pijn onderzocht, in de vorm van de patiëntgecentreerde intake en een transdisciplinaire pijneducatie en behandeltraject.
20 | FysioPraxis februari 2022
Patiëntgecentreerde fysiotherapie Patiëntgecentreerde zorg verbetert niet alleen de therapeutische alliantie, de patiënttevredenheid en de patiëntgerelateerde uitkomsten, maar verlaagt ook zorgkosten.24-28 Patiëntgecentreerde fysiotherapie was al wel onderzocht, maar er was nog geen algemene definitie bekend. Daarom hebben wij een systematisch kwalitatief literatuuronderzoek uitgevoerd, waarin het fenomeen van patiëntgecentreerde fysiotherapie is bestudeerd vanuit zowel het perspectief van patiënten als het perspectief van fysiotherapeuten.29 Met een systematische zoektocht zijn 14 artikelen geïdentificeerd, waarvan 5 artikelen met een hoge methodologische kwaliteit. De data werden geëxtraheerd en geanalyseerd volgens thematische
synthese.30 Uit deze studie kwamen verschillende onderling samenhangende thema’s naar voren: individualiteit, communicatie, educatie, doelen stellen, ondersteuning, sociale kenmerken van een patiëntgecentreerde fysiotherapeut, een zelfverzekerde fysiotherapeut, kennis en vaardigheden van een patiëntgecentreerde fysiotherapeut (zie figuur 1).29 Kort gezegd bevat patiëntgecentreerde fysiotherapie een geïndividualiseerde behandeling, continue communicatie (verbaal en non-verbaal), educatie tijdens alle aspecten van de behandeling, werken met door de patiënt gedefinieerde doelen, een behandeling waarbij de patiënt wordt ondersteund en bekrachtigd door een fysiotherapeut met patiëntgecentreerde sociale vaardigheden, zelfvertrouwen en kennis.
Figuur 1 Voorgesteld conceptueel kader van patiëntgecentreerde fysiotherapie
Conceptueel model van patiëntgecentreerde fysiotherapie (oorspronkelijk gepubliceerd als Wijma et al.29)
Biopsychosociale intake van patiënten met chronische pijn Patiëntgecentreerde fysiotherapie zou in een ideale wereld de basis zijn voor elke behandeling. Educatie over gezondheidsproblemen is een belangrijk onderdeel van patiëntgecentreerde fysiotherapie.29 Binnen de behandeling van patiënten met chronische pijn wordt dit pijneducatie genoemd.31-40 Pijneducatie is de uitleg over de neurofysiologische veranderingen en invloed van biopsychosociale factoren bij chronische pijnklachten.41-43 Om pijneducatie geïndividualiseerd te kunnen geven is het van belang dat voorafgaand aan de educatie een patiëntgecentreerde intake van de patiënt met chronische pijn plaatsvindt. Hierbij is het cruciaal dat ook psychosociale factoren worden onderzocht, zoals cognities, pijncatastroferen en emotionele problemen. Uit onderzoek blijkt echter dat fysiotherapeuten het moeilijk vinden om met psychosociale problemen om te gaan, vooral als ze hier geen aanvullende opleiding in hebben gevolgd.44-50 Terwijl wij als fysiotherapeuten allemaal patiënten met chronische pijn tegenkomen in onze behandelkamer. Om fysiotherapeuten te ondersteunen met het uitvoeren van een patiëntgecentreerde intake hebben wij een narratieve review uitgevoerd.51 Hieruit is op basis van wetenschappelijk onderzoek en klinische expertise een praktische gids ontstaan voor de klinische praktijk. Data uit 54 studies werden geanalyseerd en gebruikt. Uit de review ontstond een aangepast model van het bestaande SCEGS-model van Spaendonck en Bleijenberg,52,53 genaamd het PSCEGSM-model: met predominant Pijnmechanisme, Somatische, Cognitieve, Emotionele, Gedragsmatige, Sociale en Motivationele factoren. Als eerste wordt hierin het predominante pijnmechanisme vastgesteld volgens het classificatie- algoritme van Nijs et al.,54 gevolgd door een evaluatie van de onderhoudende en beïnvloedende biopsychosociale factoren. Hierbij wordt de fysiotherapeut ondersteund met vragenlijsten die gebruikt kunnen worden en worden adviezen genoemd. Het specifieke pijnmechanisme van de patiënt met chronische pijn en de beïnvloedende factoren kunnen vervolgens worden ingevuld in een pijnanalyse-formulier. Deze kan
gebruikt worden in de daaropvolgende patiëntgecentreerde pijneducatiesessie.
Perspectieven op transdisciplinaire pijneducatie Teambenaderingen overtreffen vaak de expertise van monodisciplinaire zorg bij chronische pijnklachten.55 Transdisciplinaire zorg is een relatief nieuw begrip binnen teamverbanden. Transdisciplinair teamwerk houdt in dat de zorgprofessionals intensief samenwerken met gedeelde verantwoordelijkheden. Hoewel elk teamlid zijn/haar expertise heeft, zijn er flexibele grenzen en rollen en leren teamleden tegelijkertijd.9 De ervaringen van patiënten met deze intensievere samenwerkingen en behandeltrajecten, met onder andere pijneducatie, waren nog niet eerder onderzocht. Juist deze ervaringen zijn belangrijk om te kennen, zodat de implementatie goed verloopt en bijgesteld
kan worden. Daarom hebben wij een kwalitatieve klassieke Grounded Theorystudie uitgevoerd, waarbij 15 patiënten werden geïnterviewd. Verder hebben we een focusgroep met transdisciplinair werkende zorgprofessionals gehouden.56 Hieruit kwamen vier belangrijke topics naar voren (zie figuur 2). Het eerste topic was de fase voor de pijn educatie, waarin de basis gelegd werd voor de pijneducatie, met subthema’s een brede intake en de zorgprofessionals. Het tweede topic was een begrijpelijke pijneducatie met begrijpelijke verklaring en interactie tussen de fysiotherapeut en psycholoog, die de educatie verder verduidelijkte. Het derde topic bevatte de uitkomsten van de pijneducatie inclusief meer bewustwording, gemoedsrust vin den en minder klachten. En het laatste topic was scepsis met als onderdelen twijfel over de diagnose en pijneduca tie, niet eens zijn met de diagnose en
Figuur 2 De fase voor pijneducatie
Een duidelijke pijneducatie
Een brede intake
Een duidelijke uitleg
De zorgprofessionals
Interactie tussen de fysiotherapeut en psycholoog
Uitkomsten van de pijneducatie Bewustwording
Rust vinden Minder klachten ervaren
Scepsis Twijfel over de diagnose en uitleg
Weerstand tegen de diagnose en uitleg
Pijneducatie
Conceptueel model van de ervaring van patiënten met pijneducatie (oorspronkelijk gepubliceerd als Wijma et al.56) FysioPraxis februari 2022 | 21
»
» pijneducatie en pijneducatie kan confron terend zijn. Wat we onder andere uit de resultaten kunnen halen, is het belang van de therapeutische alliantie tussen de patiënt en de zorgprofessionals zoals de tijd nemen voor de patiënt, luisteren naar de patiënt, een duidelijke uitleg geven aan de patiënt en goede teaminteractie.
Patiënt-therapeut-interacties in pijneducatie Na deze studie waren we benieuwd naar de educatie zelf. Er was tot dan toe weinig bekend over de toepassing van pijnedcuatie.57 De belangrijke aspecten van de sociale processen die plaatsvinden tijdens de educatie kunnen het best geanalyseerd worden met kwalitatieve observaties. Daarom is er een kwalitatief observationeel onderzoek uitgevoerd, op basis van Constructive Grounded Theory.58 Het doel was de sociale processen tussen patiënt, partner en zorgprofessionals te onderzoeken en theoretiseren. Negen transdisciplinaire pijneducatiesessies van acht respondenten met chronische pijn werden opgenomen met audiovisuele apparatuur. Bij deze sessies waren een psycholoog en een fysiotherapeut aanwezig. Vier samenhangende en interacterende thema’s kwamen naar voren. Het eerste thema was het genereren van een veilig en comfortabel gevoel en situatie. Het tweede thema dat naar voren kwam was het pijneducatieproces. Het derde thema was het veranderingsproces van de respondent, waaruit het vierde thema voortvloeide: de uitkomst van het pijn educatieproces. Daarbij waren ook een paar overkoepelende thema’s aanwezig: de invloed van de veranderbaarheid van de respondenten, het samenspel tussen de zorgprofessionals en communicatieve vaardigheden. Wat onder andere naar voren kwam uit deze studie was het belang om een stapsgewijze, geïndividualiseerde benadering te gebruiken. Hierbij kan het gebruik van metaforen de educatie verduidelijken voor de patiënt. Daarnaast is het belangrijk om als therapeut actief het proces van de therapeutische alliantie te bewaken.
Pijncatastroferen en centrale sensitisatie De laatste studie in dit proefschrift was een moderatiestudie.59 Moderatie-studies
22 | FysioPraxis februari 2022
kijken naar de invloed van een factor, in dit geval pijncatastroferen, op de relatie tussen een predictor (ziekte percepties) en een uitkomstmaat (zelfgerapporteerde symptomen van CS). Er is een retrospectief kwantitatief observationeel onderzoek uitgevoerd binnen een transdisciplinaire pijnmanagement behandeling om de klinische resultaten te evalueren van onder andere pijncatastroferen, ziektepercepties en zelfgerapporteerde symptomen van CS. Tevens is onderzocht wat relaties waren tussen pijncatastroferen, ziektepercepties en zelfgerapporteerde symptomen van CS. Het derde doel was het onderzoeken van de modererende effecten van pijncatastroferen op de relatie tussen ziektepercepties en zelfgerapporteerde symptomen van CS. Er zijn data gebruikt van 78 patiën ten met chronische pijnklachten. In de moderatie-analyse zaten 60 patiënten. We vonden aanwijzingen voor een bilaterale relatie tussen catastrofaal denken en ziektepercepties. In de moderatie- analyses zagen we echter dat de relatie tussen veranderingen in ziektepercepties en gerapporteerde symptomen van CS niet gemodereerd werd door zowel baselinescores als scores in verandering van pijncatastroferen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de beginscores van de patiënten met chronische pijn op pijncatastroferen lager waren dan de cut offscore voor pijncatastroferen en er slechts kleine veranderingen aanwezig waren. Vanwege het retrospectieve design van de studie kunnen geen harde conclusies getrokken worden. Er zijn altijd meerdere interactieve en soms ook complexe factoren die de pijnervaring beïnvloeden. In toekomstig onderzoek is het daarom van belang om het samenspel van meerdere factoren, in plaats van alleen pijncatastroferen, te bestuderen.
Discussie In het eerste deel van het proefschrift is patiëntgecentreerde fysiotherapie en een model voor de fysiotherapeutische intake van patiënten met chronische pijn onderzocht. Het tweede deel van dit proefschrift richtte zich op het begrijpen van de processen rondom pijneducatie in een transdisciplinaire context. Vanuit dit proefschrift kan gezegd worden dat de intake van iemand met chronische pijn idealiter patiëntgecentreerd en
biopsychosociaal is. Daarnaast is uit de studies van dit proefschrift gebleken dat juist de intakefase een belangrijk onderdeel is van de behandeling. De volgende stap zou dan de pijneducatie zijn. Deze wordt bij voorkeur geïndividualiseerd gegeven, met gebruik van patiëntgecentreerde metaforen, waarbij de fysiotherapeut vaardigheden heeft om de therapeutische alliantie te onderhouden. Dit proefschrift bestond voor een groot deel uit kwalitatieve studies. Hieruit zijn verschillende modellen naar voren gekomen, zoals bijvoorbeeld het model over patiëntgecentreerde fysiotherapie (figuur 1) en de ervaringen van patiënten met pijneducatie (figuur 2). Daar waar kwalitatief onderzoek een goede aanvulling is op effectiviteitsstudies binnen de fysiotherapie, omdat ze juist de nuances zoeken en de leefwereld van de onderzochte mensen beschrijven, vergt dit van de lezer meer reflectiviteit. Wanneer je de uitkomsten van deze studies leest is het belangrijk om de context van deze studies te begrijpen (een deel van de studies vond plaats in transdisciplinaire trajecten) en te reflecteren op wat de uitkomsten van de studies betekenen voor je eigen praktijk. Concluderend zou je kunnen zeggen dat pijneducatie bij patiënten met chronische pijn veel meer inhoudt dan een eenzijdig ‘gesprek’. Pijneducatie is in de ideale situatie patiëntgecentreerde zorg, zorgen voor een goede therapeutische alliantie, een brede biopsychosociale intake en een interactieve educatie binnen een (transdisciplinaire) behandelsetting waarin de pijnklachten multimodaal worden benaderd.
Dankwoord Naast mijn promotoren Paul van Wilgen, Jo Nijs en Doeke Keizer wil ik hierbij graag de gelegenheid nemen om Lennard Voogt te bedanken voor zijn hulp binnen dit proefschrift. Ook wil ik graag de zorgprofessionals en patiënten van Transcarepijn bedanken voor hun hulp met de kwalitatieve onderzoeken. a.wijma@transcare.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
WAT KAN DE FYSIOTHERAPEUT MET DE RESULTATEN VAN DIT ONDERZOEK? Een groot deel van de patiënten die wij zien in onze behandelkamer heeft chronische pijnklachten. Bij alle problematiek, maar vooral ook bij chronische pijnklachten geldt: biopsychosociale factoren spelen een grote rol in de amplificatie en het persisteren van deze pijnklachten. Neem bijvoorbeeld de bilaterale associatie tussen de cognities die iemand over zijn klachten heeft en pijncatastroferen, die in dit proefschrift nogmaals werd gevonden. En toch toont onderzoek aan dat wij als beroepsgroep moeite hebben met het omgaan met psychosociale factoren. De genoemde studies in dit proefschrift kunnen gebruikt worden om de patiëntgecentreerde biopsychosociale fysiotherapie bij mensen met chronische pijn te ondersteunen. Dit proefschrift bestaat grotendeels uit kwalitatief onderzoek. Uitkomsten van kwalitatief onderzoek zijn niet één op één te generaliseren, maar vragen vooral reflectie van de lezer. Ik hoop dat dit proefschrift de collega’s dan ook uitnodigt om te reflecteren op zowel de inhoud van het proefschrift, als het eigen handelen. Laten wij samen gaan nadenken hoe we de fysiotherapeutische behandeling van mensen met chronische pijnklachten naar een hoger niveau kunnen brengen.
Hoe ben je tot dit promotietraject gekomen? Tijdens mijn master Fysiotherapie wetenschap kwam ik Paul van Wilgen tegen. We waren beiden erg enthousiast over de behandeling en het onderzoek rondom chronische pijn en via mijn masterdissertatie is het balletje verder gerold in de richting van dit proefschrift. Destijds was deze aanpak, de transdisciplinaire behandeling van patiënten met chronische pijn met daarin pijneducatie als belangrijk onderdeel, een nieuwe benadering. Het praktijkgerichte onderzoek hiernaar viel precies in mijn straatje. Ik
Waarom dit onderwerp? Ik kwam voor het eerst in aanraking met de multidisciplinaire behandeling van mensen met chronische pijn tijdens mijn stage bij Revalidatie Friesland. Daar viel mij op dat hoewel de behandeling van patiënten met chronische pijnklachten soms een complexe puzzel is, er zoveel kwaliteit van leven terug te geven is aan mensen. Toen ik in de eerste lijn ging werken als fysiotherapeut miste ik de helikopterblik en samenwerking van een team. Tijdens een lezing in Hoogeveen kwam ik Paul tegen die vertelde over transdisciplinair werken. De intensieve samenwerking, het gezamenlijke taalgebruik en vooral ook de manier waarop de patiënt centraal gezet werd in de behandeling greep mij en wilde ik graag beter begrijpen, maar ook kunnen vertalen voor andere zorgprofessionals. Vandaar dit onderwerp.
Hebben de conclusies je verrast? Ja en nee. Een groot deel van dit proefschrift bevat kwalitatieve studies. Bij kwalitatief onderzoek is het belangrijk om goed op je eigen visie te reflecteren, je daarvan bewust te zijn en de data te laten leiden in plaats van je eigen interpretaties. Terugkijkend denk ik dat de verrassingen vooral in de nuances zitten die we vonden, maar dat is ook wat
kwalitatief onderzoek zo mooi maakt: het laat zien hoe mensen de wereld ervaren, het gaat juist om ‘de 50 tinten grijs’, want geen enkele patiënt die onze behandelkamer binnen komt is gelijk.
Amarins Wijma
Titel proefschrift: Unravelling pain together – patient centered transdisciplinary pain neuroscience education Promotiedatum: 1 februari 2021, Vrije Universiteit Brussel Promotieteam: prof. Dr. Paul van Wilgen (promotor), prof. Dr. Jo Nijs, dr. Doeke Keizer (copromotoren)
ben dan ook heel blij dat dit promotieteam zich toen gevormd heeft. Ik heb de afgelopen jaren veel geleerd van de kennis en expertise van Paul, Jo en Doeke. Daarbij geldt ook zeker dat verschillende wetenschappers van de onderzoeksgroep Pain in Motion mij geholpen hebben. Dat is het fijne van samenwerken, niet alleen klinisch maar ook binnen de wetenschap.
Unravelling Pain Together Patient centered transdisciplinary pain neuroscience education
Amarins Wijma (PT, PhD) voltooide in 2008 haar opleiding fysiotherapie aan de Hanze Hogeschool te Groningen. Daarna studeerde ze Fysiotherapiewetenschap en Klinische Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit Utrecht (2010-2013). Haar doctoraat heeft ze uitgevoerd aan de Vrije Universiteit te Brussel. Momenteel werkt ze als eigenaar-fysiotherapeut bij Fysio de Tille (Kootstertille) en Transcare-pijn (Groningen). Daarnaast geeft Amarins les aan de Berenkuyl en verzorgt ze (inter)nationaal verschillende cursussen en webinars.
Unravelling Pain Together Patient centered transdisciplinary pain neuroscience education
Amarins Wijma
Wat zou je doen met 1 miljoen euro onderzoeksgeld? Hier moest ik even over nadenken, er zijn zoveel interessante onderzoeksgebieden. Ik zou dan graag een onderzoeksopzet die al ontworpen is, maar helaas nog niet uitgevoerd, willen toepassen: biopsychosociale triage door een getrainde fysiothera peut voor matched care (mono-, multi- of t ransdisciplinair) bij mensen met chronische pijnklachten. Zodat mensen met chronische pijn de juiste zorg op de juiste plek en vooral ook op het juiste moment krijgen. Daarnaast zou ik aan de slag willen gaan met de vraag: hoe kunnen we de volgende stap binnen de fysiotherapie in Nederland maken, zodat wij nog meer patiëntgecentreerd en biopsychosociaal gericht worden?
FysioPraxis februari 2022 | 23
Master Musculoskeletale Fysiotherapiewetenschappen Leer klinisch experimenteel onderzoek doen naar musculoskeletale aandoeningen en werkingsmechanismen van fysiotherapie. Geen premaster vereist, part-time en HBO docentgraad mogelijk.
ADVERTEREN IN
FYSIOPRAXIS? Neem dan contact op met
Sjaak Bruins
010-742 10 20 sjaak@crossmedianederland.com
Bezoek 5 maart het online Masterevent
Plug & Play • • • •
1 op 1 training Circuittraining Inpasbaar binnen de richtlijnen RIVM Eenvoudig te bedienen
SMART
• Specifiek: sturing, Motor Control • Meetbaar en reproduceerbaar • Aanwijsbaar, uw cliënt met Motor Control insufficiëntie • Realistisch, zichtbaar en voelbaar resultaat • Tijdsgebonden, binnen 2 tot 6 sessies
vu.nl/MFW
Jouw vak vindt plaats in de praktijk, niet in de boeken.
T
010 416 93 93
E
info@veldon.nl
www.veldon.nl
Daarom maken wij jouw nascholing praktisch.
Ontdek de unieke link tussen kennis en praktijk op fysiolinks.nl
Foto: Wiep van Apeldoorn
vervolg van pag. 15
patiënt in beeld
Fysiotherapeut Jan Willem Smaling: Gesina heeft bij een eenzijdig auto-ongeval ernstig neurologisch letsel opgelopen. Haar letsel bestond onder meer uit een subduraal hematoom pariëtaal rechts, subarachnoïdaal bloed, contusiehaarden en DAI-beeld graad 1. Daarnaast heeft ze verschillende botbreuken opgelopen, waaronder een claviculafractuur rechts en een scapula fractuur links. In het Daan Theeuwes Centrum proberen we fysieke, logopedische en cognitieve doelen te combineren binnen onze therapieën. Al vrij snel zijn we gestart met staan in de statafel om haar rompbalans en conditie op te bouwen. Dit deed zij aanvankelijk bij de fysiotherapie, later ook bij andere therapieën, zoals logopedie en neuropsychologie. Dit is niet alleen erg efficiënt, maar daarnaast een goede manier om de witte stofbanen te stimuleren om aan het DAIbeeld te werken (meer stimulatie). Bij de start van haar revalidatie was Gesina door een ernstig beperkte rompbalans niet in staat om zelfstandig te zitten zonder steun. Door onder andere een diversiteit aan rompstabiliteitsoefeningen en training van de basale vaardigheden zit ze nu op het niveau van zelfstandig mobiliseren met een rollator. Door middel van een uitgebreide gangbeeldanalyse, redressiegips ter bevordering van de dorsaalflexie in de enkel en inzet van de Zero-G werken we op dit moment aan het optimaliseren van het looppatroon. Meer weten over de aanpak? Neem contact op met Jan Willem Smaling (jw.smaling@daantheeuwescentrum.nl).
Jan Willem Smaling, fysiotherapeut bij het Daan Theeuwes Centrum in Woerden FysioPraxis februari 2022 | 25
incidenten en uitspraken
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Uitspraak: 3 augustus 2021 Gepubliceerd: ECLI:NL:TGZCTG:2021:144 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.227
Tekst: Betty Kroes, KNGF
Grensoverschrijdend gedrag De uitspraak betreft een klacht tegen een fysiotherapeut. De klaagster verwijt de fysiotherapeut (1) dat hij haar jarenlang seksueel heeft misbruikt en (2) dat hij een situatie heeft laten ontstaan waarin zij steeds afhankelijker van hem werd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart het eerste klachtonderdeel ongegrond, omdat er geen bewijs is voor een seksuele relatie en deze ook niet aannemelijk is gemaakt. Het regionaal college laat zich niet uit over het tweede klachtonderdeel. De klaag ster stelt dat de fysiotherapeut haar in de periode van 2011 tot medio 2017 seksueel heeft misbruikt. Voor het misbruik kan de klaagster geen harde bewijzen aan voeren, maar zij is van mening dat, gelet op de door haar geschetste context van de hulpverleningsrelatie, het misbruik wel aannemelijk is gemaakt. Zij doelt daarbij onder meer op de lange duur van de behandelrelatie en het feit dat de fysio therapeut van een groot aantal gedeclareerde behandelingen geen aantekening in het medisch dossier van de klaagster heeft gemaakt. Het Regionale Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. De klaagster is daarop in beroep gekomen. De fysiotherapeut ontkent in beroep ten stelligste dat er sprake is geweest van een seksuele relatie tussen hem en de klaagster of van seksueel misbruik. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de lezingen van partijen over wat zich feitelijk in de behandelkamer en daarbuiten tussen hen heeft voorgedaan ook in beroep sterk uiteenlopen en komt tot de conclusie dat – kortgezegd – het Regionaal Tuchtcollege het klacht onderdeel over seksueel misbruik terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is echter van oordeel dat de fysio therapeut, door zich bij de klaagster, een kwetsbare patiënte, zo intensief bezig te houden met haar psychische en emotionele problemen, zich buiten zijn specifieke deskundigheidsterrein heeft begeven en niet de distantie heeft bewaard die van een professionele hulpverlener mag worden verwacht. Het Centraal Tuchtcollege acht aannemelijk dat de klaagster door de ver trouwelijke gesprekken met de fysiotherapeut over haar psy chische en emotionele problemen (mogelijk in combinatie met het lichamelijke contact waarvan bij de fysiotherapeutische behandeling sprake was) in steeds sterkere mate in emotioneel opzicht van hem afhankelijk is geworden. Niet waarschijnlijk is
26 | FysioPraxis februari 2022
dat dit voor de fysiotherapeut niet duidelijk was (of kon zijn). Deze afhankelijkheid blijkt immers al uit het feit dat de klaag ster gedurende zeer lange tijd en in een zeer hoge frequentie alleen door hem behandeld wilde worden. Door de klaagster desondanks al die tijd te blijven behandelen en haar behande ling niet te beëindigen en zo nodig over te dragen aan een col lega, is de fysiotherapeut niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dit betekent dat het klachtonderdeel over het laten ontstaan van een afhankelijk heidssituatie alsnog gegrond moet worden verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwijst in dit verband nog naar arti kel 39b Beroepsethiek en Gedragsregels voor de Fysiotherapeut (2012).
De maatregel Het Centraal Tuchtcollege acht dit handelen van de fysiothe rapeut zonder meer laakbaar. Daarom volstaat in dit geval de oplegging van de maatregel van een waarschuwing niet en wordt de maatregel van een berisping passend en toereikend geacht.
wetenschap – samenvatting
Using An Activity Tracker in Healthcare: Experiences of Healthcare Professionals and Patients Darcy Ummels, Emmylou Beekman, Susy Braun en Sandra Beurskens
Klinische vraag In dit onderzoek stonden twee vragen centraal; 1) Hoe gebruiken zorgprofessionals en patiënten een activiteitenmeter in de dagelijkse zorg? 2) Wat zijn de ervaringen van zorgprofessionals en patiënten met het gebruik van een activiteiten meter in de dagelijkse zorg?
Conclusie van de auteurs Zowel zorgprofessionals als patiënten waren positief over het gebruik van activiteitenmeters en ervaarden het gebruik als een meerwaarde. Zorgprofessionals hebben tijd nodig om een activiteiten meter betekenisvol in te bedden in het klinisch redeneren en zorgproces. Ze geven aan zich gesteund te voelen bij inbedding in de dagelijkse praktijk als ze met en van elkaar kunnen leren, feedback krijgen van patiënten, ondersteuning krijgen van management en begeleiding bij het implementatieproces. Deze studie levert concrete handvatten voor implementatie van een activiteitenmeter in de dagelijkse zorgpraktijk, zoals een handleiding waarin staat beschreven wanneer en met welk doel de activiteitenmeter kan worden ingezet en hoe data het beste besproken kunnen worden met patiënten.
doelgericht en betekenisvol konden inzetten. We vroegen aan zorgprofessionals de activiteitenmeters in te zetten tijdens de dagelijkse zorg. Er zijn 28 therapiesessies, vier reflectiesessies met zorgprofessionals en elf interviews met patiënten opgenomen. Uiteindelijk hebben zorgprofessionals het gebruik van een activiteitenmeter kunnen koppelen aan het pijn-gevolgenmodel. Zowel zorgprofessionals als patiënten waren positief over het gebruik van activiteitenmeters, omdat het zorgprofessionals objectief inzicht gaf in beweeggedrag waarna zij patiënten konden coachen. Darcy Ummels, docent-onderzoeker Lectoraat Autonomie en Participatie van Chronisch Zieken, Academie voor Fysiotherapie, Zuyd Hogeschool darcy.ummels@zuyd.nl Samengevat uit: Int J Environ Res Public Health. 2021;18(10):5147.
Criterion validity and responsiveness of the steep ramp test to evaluate aerobic capacity in cancer survivors participating in a supervised exercise rehabilitation program Anouk Weemaes, Milou Beelen, Bart Bongers, Matty Weijenberg en Ton Lenssen
Klinische vraag
Participatief actieonderzoek.
Is de steep ramp test (SRT) geschikt voor het evalueren van de aerobe capaciteit bij patiënten met kanker die deelnemen aan een trainingsprogramma?
Onderzoekslocatie
Conclusie van de auteurs
GGZ-centrum ‘Het Rughuis’.
Op groepsniveau is de SRT een valide meetinstrument voor het bepalen van aerobe capaciteit bij patiënten met kanker. De test kan daarnaast op individueel niveau gebruikt worden om een daadwerkelijke verandering (Engels: minimal important change) in aerobe capaciteit te detecteren. Een toename van ≥ 0,26 Watt per kilogram op de SRT duidt op een daadwerkelijke verandering. De SRT lijkt minder geschikt voor het meten van absolute verandering in aerobe capaciteit.
Onderzoeksopzet
SAMENVATTING Voor zorgprofessionals is het belangrijk om inzicht te hebben in de fysieke activiteit van een patiënt met een chronische aandoening. Activiteitenmeters kunnen objectief de fysieke activiteit meten. Het gebruik van activiteitenmeters is echter nog onvoldoende geïmplementeerd in de zorg. In dit actieonderzoek kregen zorgprofessionals de mogelijkheid om zelf te ontdekken hoe ze activiteitenmeters
Onderzoeksopzet Observationeel cohortonderzoek.
Onderzoekslocatie Maastricht UMC+.
SAMENVATTING De SRT is een korte, praktische test op een fietsergometer, waarbij de belasting snel wordt opgevoerd (25 Watt per 10 seconden). De gouden standaard voor het bepalen van aerobe capaciteit is het meten van de maximale zuurstofopname (VO2piek) tijdens een cardiopulmonale inspanningstest (CPET). Dit is echter een relatief dure, tijdsintensieve en belastende test. Bij een goede overeenstemming tussen de SRT en CPET, kan de SRT ingezet worden voor het schatten en monitoren van aerobe capaciteit. In dit onderzoek ondergingen patiënten met kanker een SRT en CPET voor (n=106) en na (n=59) een trainingsprogramma. Er was een sterke correlatie (Pearsons r 0,86) tussen de SRT-piekbelasting en CPET-VO2piek. De SRT heeft hiermee op groepsniveau een goede criteriumvaliditeit, dat wil zeggen overeenstemming met de gouden standaard, voor het schatten van aerobe capaciteit. Bij een verbetering van ≥0,26 Watt per kilogram in SRT-piekbelasting is er sprake van een daadwerkelijke verandering in aerobe capaciteit bij patiënten met kanker (sensitiviteit 70,7%, specificiteit van 66,7%). De Pearsons-correlatie tussen verandering in SRT-piekbelasting en VO2piek na het trainingsprogramma bedroeg r 0,51, waarmee de SRT een matige responsiviteit heeft en dus niet goed in staat is om de absolute verandering in aerobe capaciteit te meten. Het is op basis van deze resultaten mogelijk om de SRT in te zetten bij patiënten met kanker voor het bepalen van aerobe capaciteit en detecteren van een daadwerkelijke verandering hierin.
Anouk Weemaes, fysiotherapeut en promovendus, Maastricht UMC+
anouk.weemaes@mumc.nl Samengevat uit: Arch Phys Med Rehabil. 2021;102(11): 2150-2156 FysioPraxis februari 2022 | 27
Vereniging VvAA is op zoek naar een:
Bestuurslid fysiotherapeut Het aankomend bestuurslid is bij voorkeur werkzaam als fysiotherapeut. Daarnaast is bestuurs- en managementervaring gewenst. Van grote waarde zijn kennis van verhoudingen binnen de Nederlandse gezondheidszorg en bekendheid met het functioneren van beroepsorganisaties voor (para)medici en daarmee samenhangende besluitvormingsprocessen. Affiniteit met verenigingen, verenigingsstructuren en collegiaal besturen zijn een pré. Voor een goede Het bestuur van Vereniging VvAA bestaat uit negen zorgprofessionals die de brede achterban van VvAA-leden vertegenwoordigen. Gezamenlijk laten we onze stem horen met betrekking tot beroepsgroepoverstijgende onderwerpen zoals bezieling in de zorg, vrije artsenkeuze en vermindering van regeldruk/bureaucratie. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Loes van der Linden, bestuurssecretaris Vereniging VvAA, via 06 2222 1291 of loes.vander.linden@vvaa.nl
invulling van de functie is een actief en relevant netwerk in de gezondheidszorg onmisbaar. De bestuurstermijn is drie jaar, met de mogelijkheid om tweemaal met drie jaar te verlengen. De tijdsbesteding bedraagt gemiddeld een dag per week, waarbij in elk geval eens per maand een bestuursvergadering plaatsvindt (dinsdagmiddag/avond). De overige tijd wordt flexibel ingezet. Bestuursleden ontvangen een passende vergoeding. Een uitgebreid profiel van deze vacature kunt u opvragen via: bestuur@vvaa.nl
Wij zien uw sollicitatie met cv graag uiterlijk op 20 maart 2022 tegemoet via bestuur@vvaa.nl
specialistenkatern
Redactie: de Beroepsinhoudelijke Verenigingen Coördinatie & Eindredactie: Liesbeth Immink
NVMT
Hybride NMVT-congres 2022 ‘BackUpDate’ met professor Peter O’Sullivan
30
NFP
Het belang van effectieve communicatie Meer grip op patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten
32
NVFK
Vermoeibaarheid bij Spinale Musculaire Atrofie Quantificatie, karakterisatie en behandeling
33 FysioPraxis februari 2022 | 29
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
‘BackUpDate’ met professor Peter O’Sullivan
Hybride NMVT-congres op 17 september 2022 Op 17 september 2022 vindt voor de achtste keer het NVMT-ledencongres plaats op Papendal in Arnhem, dit jaar voor het eerst in hybride vorm. Uit een recente ledenpeiling onder bijna 500 leden kwam naar voren dat 20% de voorkeur geeft aan online deelname en bijna 40% aan zowel live als online deelname. Met een hybride congres komt de NVMT hieraan tegemoet. Bijkomend voordeel: in geval van beperkende maatregelen kan het congres altijd online doorgaan. Het thema is dit jaar ‘Back-UpDate’: een update over de lage rug. We zijn trots en blij dat professor Peter O’Sullivan speci aal voor dit congres een keynote lezing via livestream verzorgt. O’Sullivan is mis schien wel het schoolvoorbeeld van de ontwikkeling die het vak fysiotherapie doormaakt. Hij is al jaren zeer succesvol, bekend, geprezen en een veelgevraagd spreker. O’Sullivan werd bekend door zijn classificatiesysteem (movement pat terns) voor lage rugklachten. Ondanks zijn successen bleef hij kritisch, met name ook naar zichzelf en zijn eigen werk. Ook is hij een ‘nieuwe weg’ ingeslagen: de Cognitive Functional Therapy Approach (CFT). De CFT-approach is internationaal zeer goed ontvangen en alom geaccep teerd (ook in richtlijnen). CFT is een individuele gedragsmatige benadering om lage rugklachten te behandelen. De patiënt staat binnen dit concept centraal, waarbij er aandacht is voor ‘beliefs’ en de reactie op pijn, zowel op het emotionele als gedragsmatige aspect. CFT bestaat uit drie pijlers die allemaal terugkomen in ons congres programma.
bloot te durven stellen aan bewegingen die zij lang vermeden hebben. Exposure with control for low back pain is het onderwerp waar professor Julia Glombiewski ons in meeneemt.
2. Exposure with control: hierin wordt gebruikgemaakt van pain control strategies en worden bijvoorbeeld ontspanningsoefeningen en graded exposure toegepast. Patiënten krij gen hierdoor weer vertrouwen in hun lichaam (en rug) en kunnen weer acti viteiten gaan uitvoeren die moeizaam gingen of waar zij angst voor hadden. 3. Lifestyle change: hierin wordt aandacht besteed aan verbetering van lifestyle elementen, zoals slaap- en eetgedrag. Er is steeds meer evidentie dat de CFTapproach superieur is ten opzichte van de traditionele fysiotherapiebenadering, maar het is een uitdaging om de CFT-approach te implementeren binnen de dagelijkse fysio therapiezorg. Dit congres zorgt ervoor dat je hier meer kennis over krijgt en op maandag ochtend met een frisse blik naar je patiën ten met rugklachten kijkt.
Programma en sprekers
1. Making sense of pain: hierin wordt uit gelegd hoe pijn werkt en welke mythes er rondgaan met betrekking tot lage rugpijn (denk aan de compleet versle ten rug).
Naast Peter O’Sullivan, hebben we nog meer inspirerende sprekers. Zo verzorgt professor Johan Vlaeyen een lezing over Pain, Action and Interference. Om een patiënt inzicht te geven in pijn, maar ook in lifestyle en de invloed hiervan op pijn, is het van essentieel belang dat je goed kunt communiceren met je patiënt. Professor en psycholoog Steven Linton geeft daarom een lezing over Improving care for back pain: communication and psychologically informed treatment. In zijn presentatie krijg je tips over effectieve communicatiestrategieën en basistech nieken om mensen te helpen zich weer
Keynote-spreker Peter O’Sullivan, hoogleraar Musculoskeletal Physiotherapy, Curtin University (Perth, Australië)
Steven Linton, hoogleraar Clinical Psychology en directeur van het Center for Health and Medical Psychology (CHAMP), Örebro University (Örebro, Zweden)
30 | FysioPraxis februari 2022
Tijdens de lunch is er een uitgebreide informatiemarkt, die zowel live als virtu eel te bezoeken is. Ook zijn er onderzoe kers uit diverse Nederlandse onderzoeks groepen en opleidingen aanwezig om hun onderzoeken te presenteren. Een mooi moment, ook voor de online deelnemers, om met hen van gedachten te wisselen. Het geweldige visueel en interactief ont worpen eventplatform zorgt ervoor dat ook online deelnemers een live congres ervaring hebben. Net als andere jaren organiseren we een ontbijt- en pauzesessie. De eerste sessie is met Edwin de Raaij: How to implement new knowledge, the ups and downs, from a personal experience. Daarnaast is er de moge lijkheid om deel te nemen aan de workshop Motivational interviewing door Vincent Kortleve. Beide sessies zijn op inschrijving en zitten snel vol, dus wees er snel bij!
Ook voor niet-manueel therapeuten Dit congres is toegankelijk voor alle geïn teresseerden en zeer geschikt voor alge meen fysiotherapeuten, psychosomatisch fysiotherapeuten en sportfysiotherapeu ten. Ook studenten zijn van harte uitge nodigd om het congres te bezoeken. Datum: zaterdag 17 september 2022 Locatie: Papendal, Arnhem Accreditatie: accreditatie is aange vraagd voor de registers Manueel-, Algemeen fysio-, Psychosomatisch en Sportfysiotherapeut en het Keurmerk Fysiotherapie Vroegboekkorting: geldig tot 1 mei 2022; (live) plaatsen zijn beperkt, dus wees er snel bij en schrijf je nu in! Ga voor meer informatie over prijzen, abstracts en inschrijving naar: Belangstelling om jouw organisatie te presenteren op de informatiemarkt op 17 september 2022? Meld je dan aan als sponsor via bovenstaande QR-link.
MSG Science Netwerk Fysiotherapie
Eerste lustrumsymposium op 7 april 2022
On the move! Op 7 april 2022, tijdens het eerste lus trumsymposium On the move! (locatie: Vrije Universiteit Amsterdam) worden de resultaten en een overzicht gepre senteerd van de lopende MSG Science Netwerk Fysiotherapie-projecten. Richard Jaspers, hoogleraar bewegingswe tenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, opent de dag met een lezing over nieuwe inzichten in de rol van het immuunsysteem en technologie bij bewe gen en letsel. Daarna volgen drie plenaire sessies, waarin resultaten worden gepre senteerd van verschillende onderzoeks projecten, zoals: • Perifere neuro-immuunresponsen bij persisterende nekpijn en cervicale radi culopathie (Ivo Lutke Schipholt) • Risk assessment of vascular complicati ons following manual therapy, reprodu
In 2015 is het VU/MSG Science Netwerk Fysiotherapie officieel van start gegaan met de opdracht om wetenschappelijk onderzoek in het musculoskeletale domein te faciliteren en leden van de NVMT, NVFS, NVOF en NFP daarin een actieve rol te laten spelen. Het MSG Science Netwerk Fysiotherapie telt inmiddels ruim 150 leden en meer dan 100 aangesloten praktijken, verdeeld over het hele land. Met capita selecta lezingen, het jaarlijks MSG-symposium, nieuwsbrieven en scholing worden leden in staat gesteld direct te communice ren met onderzoekers, te participeren in wetenschappelijk onderzoek en op de hoogte te blijven van recente ontwikke
cibility and diagnostic accuracy of the IFOMPT framework (Rogier de Best) • Operatief behandelde kraakbeen let sels van de enkel, en dan? (Tristan Buck) • Fascia manipulations – Wetenschappelijke bewijslast? (Robbert van Amstel) Tijdens deze sessies is er gelegenheid voor discussies met de onderzoekers die zullen worden begeleid door de sessie voorzitters (dr. Wendy Scholten-Peeters, prof. Annelies Pool en dr. Igor Tak). Je wordt van harte uitgenodigd om hier een bijdrage aan te leveren. Ook is het mogelijk om posters te bekijken waarin onderzoekers, collega’s en studenten hun onderzoeksproject laten zien en zul len toelichten. Kortom, een interessant en gevarieerd programma met resul taten en projecten op het gebied van
lingen op het gebied van wetenschappe lijk onderzoek. Met de oprichting van het MSG Science Netwerk Fysiotherapie werd tegelijkertijd het startsein gegeven voor het uitvoeren van meerdere wetenschappelijke projec ten op het MSG-domein: zeer ambitieus en een grote uitdaging voor de leden om daarvoor patiënten te rekruteren, te includeren, vragenlijsten te laten invullen en/of behandelingen (volgens protocol) uit te voeren. Zeker tijdens de COVID-19pandemie. Samen hebben onderzoekers, begelei ders en leden van het VU/MSG Science Netwerk Fysiotherapie een geweldige prestatie geleverd door meerdere onderzoeksprojecten succesvol af te
fundamenteel, innovatief en preventief onderzoek.
Afsluitende lezing Het symposium zal worden afgesloten met een lezing door Michel Coppieters (hoogleraar en lid Raad van Toezicht MSG Science Netwerk Fysiotherapie), waarbij hij zal ingaan op de uitdagingen die voor ons liggen op het gebied van onderzoek binnen het MSG-domein. Dagvoorzitter op het symposium is Raymond Ostelo (hoogleraar en lid Adviesraad MSG Science Netwerk Fysiotherapie). Ga voor meer informatie en aanmelding naar: www.msg-sciencenetwerk.nl
ronden en artikelen te publiceren in toonaangevende tijdschriften. Het net werk heeft hiermee een substantiële bijdrage geleverd aan wetenschappelijk onderzoek binnen het musculoskeletale domein. Voor een overzicht van de MSGprojecten en -publicaties kan je terecht op de website van het MSG Science Netwerk Fysiotherapie (zie de QR-code hierboven).
Publiceren over manuele therapie? Stuur je bijdrage via secretariaat@ nvmt.nl naar Huub Vossen, redac teur namens de NVMT voor het Specialistenkatern van FysioPraxis.
FysioPraxis februari 2022 | 31
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
N F P | N E D E R L A N D S E V E R E N I G I N G V O O R F Y S I O T H E R A P I E V O L G E N S D E P S Y C H O S O M AT I E K
specialistenkatern
Meer grip op patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten
Het belang van effectieve communicatie De impact van aanhoudende lichamelijke klachten (ALK) op de patiënt, de zorg en de maatschappij is hoog. Zorgprofessionals ervaren weinig grip op deze patiënten. Want hoe herken je mensen met dit soort klachten? En hoe behandel je deze patiënten? Een overstijgend aandachtspunt is de communicatie.
Tekst: Els van Westrienen
Aanhoudende lichamelijke klachten Iedereen ervaart wel eens lichamelijke klachten. Met het dagelijks gebruik van digitale technologieën hebben de meeste mensen hun klachten al gegoogeld voordat ze een zorgprofessional bezoeken. Vaak zijn deze klachten van korte duur en maken mensen geen afspraak bij een zorgprofessional. Maar als de klachten aanhouden wordt frequent een afspraak gemaakt bij de huisarts en/of de fysiotherapeut. Naar schatting gaat het in een derde van de consulten die een huisarts dagelijks heeft om aanhoudende lichamelijke klachten (ALK).1 Voorheen werden deze klachten somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) genoemd. Sinds 2021 is dat aangepast naar aanhoudende lichamelijke klachten, omdat dat meer aansluit bij de internationale wetenschappelijke literatuur en de DSM-5. Aanhoudende lichamelijke klachten zijn klachten die minstens enkele weken duren en het functioneren beperken of lijdensdruk veroorzaken. Daarbij ligt de focus niet meer op de verklaring van de lichamelijke klachten, maar op de gevolgen van de klachten op allerlei gebieden en op de vraag hoe het natuurlijk herstel bevorderd kan worden.
Communicatie in de dagelijkse praktijk Bekend is dat veel huisartsen denken dat patiënten met ALK verschillen van andere patiënten omdat ze meer uitleg willen en een meer somatische insteek voor behandeling hebben. Toch blijkt dat de verwachtingen niet verschillen tussen patiënten met ALK en patiënten
32 | FysioPraxis februari 2022
met verklaarde klachten.2 Sterker nog, er is ook geen verschil in de communicatie van patiënten met ALK in vergelijking met patiënten met verklaarde klachten.3 Daarentegen is er wel een verschil in communicatiestijl en taalgebruik bij huisartsen naar patiënten met ALK in vergelijking met patiënten met verklaarde klachten.3 Huisartsen uiten meer onzekerheid tijdens de consulten bij patiënten met ALK, voornamelijk tijdens de diagnostische fase en behandeladviezen. Deze onzekerheid uit zich zowel expliciet (‘ik weet het niet’) als impliciet (‘zou kunnen/ misschien’). Impliciete onzekerheidsuitdrukkingen weerspiegelen de complexiteit van het communiceren over klachten zonder verklaring, maar blijken geen effect te hebben op de onzekerheid van patiënten.4
Aanbevelingen Patiënten met ALK willen graag serieus genomen worden.5 Hierbij is een drietal aandachtspunten van belang waar we ons op kunnen focussen: 1. Empathische aandacht voor de patiënt als individu; 2. De patiënt als gelijkwaardige partner behandelen in het gesprek; 3. Aandacht voor de problemen en klachten van de patiënt, waarbij de patiënt de behoefte heeft aan een verklaring voor zijn klachten.5 Deze aandachtspunten zullen veel fysiotherapeuten niet onbekend in de oren klinken. In de communicatie bij deze patiëntencategorie is ook het advies om aandacht te hebben voor subtiele
l inguïstische en interactionele aspecten.6 Denk hierbij aan de woordkeuze, het luisteren naar de mening van de patiënt, het geven van een symptoomverklaring op maat en het samen bespreken van de behandelmogelijkheden. Het geven van een verklaring die hout snijdt voor de patiënt vraagt ook dat de zorgprofessionals dezelfde taal spreken als de patiënt. De communicatie tussen zorgprofessionals is juist bij deze patiëntencategorie extra van belang. Een open deur, maar zoek contact en plan een overleg met de andere betrokken zorgprofessionals die de patiënt frequent ziet. Bespreek de biologische, psychologische en sociale factoren die mogelijk de klachten in stand houden en stem de focus van de behandeling af. Effectieve communicatie met de patiënt en tussen de zorgprofessionals in combinatie met een helder afgestemd beleid zal hopelijk zorgen voor meer grip op deze patiëntencategorie.
Dr. Els van Westrienen, senior onderzoeker Academische Werkplaats Fysiotherapie Utrecht, docent Fontys Paramedische Hogeschool Eindhoven, fysiotherapeut Leidsche Rijn Julius Gezondheidscentra e.vanwestrienen@fontys.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
Quantificatie, karakterisatie en behandeling
Vermoeibaarheid bij Spinale Musculaire Atrofie Op 3 september 2020 promoveerde dr. Bart Bartels aan de Universiteit Utrecht op het proefschrift Fatigability in SMA: quantification, characterization and treatment. Wat heeft dit proefschrift betekend voor mensen met deze neuromusculaire ziekte, wat kan de beroepsgroep (kinder)fysiotherapie hiervan leren en wat zijn de ontwikkelingen sindsdien?
Spinale Musculaire Atrofie is een ernstige, autosomaal recessieve neuromusculaire aandoening en een van de belangrijkste genetische oorzaken van sterfte op de kinderleeftijd. SMA wordt gekarakteriseerd door degeneratie van alfa-motoneuronen in het ruggenmerg, ernstige progressieve spierzwakte en spieratrofie. SMA heeft een breed klinisch spectrum, variërend van neonatale respiratoire insufficiëntie en sterfte tot relatief milde beperkingen op de volwassen leeftijd. Alhoewel er in de afgelopen jaren meerdere therapieën beschikbaar zijn gekomen die significante verbeteringen laten zien in overleving en motorische functie in voornamelijk jonge kinderen, is het een reële verwachting dat er bij de meeste patiënten veel restklachten aanwezig blijven. Vermoeibaarheid, gedefinieerd als het onvermogen om fysieke activiteiten vol te houden, is een veelvoorkomende klacht bij SMA, maar is altijd onderbelicht gebleven door het gebrek aan valide en betrouwbare klinimetrie. De prevalentie, mogelijke oorzaken en de relatie met spierzwakte, motoriek en ervaren vermoeidheid waren tot voor kort onbekend.
Endurance Shuttle Tests De Endurance Shuttle Tests (EST’s) bestaan uit de Endurance Shuttle Walk Test (ESWT), de Endurance Shuttle Box and Block Test (ESBBT) en de Endurance Shuttle Nine Hole Peg Test (ESNHPT). De methode van de EST’s is gebaseerd op de originele ESWT en is ontwikkeld om de vermoeibaarheid te bepalen van de benen, proximale arm en distale arm-hand bij mensen met SMA. De testuitvoering, inclusief materiaal, staat beschreven in de bijlage van de eerste wetenschappelijke publicatie.1
Belangrijkste bevindingen proefschrift 1) Vermoeibaarheid is een frequent voorkomende functionele beperking tijdens het uitvoeren van dagelijkse activiteiten bij zowel milde als ernstig beperkte mensen met SMA.1
2) De Endurance Shuttle Tests zijn valide en betrouwbare uitkomstmaten voor vermoeibaarheid bij zowel ernstig als relatief mild aangedane kinderen en volwassenen met SMA.2 3) Het gebruik van de Endurance Shuttle Test Combined Score maakt het mogelijk om patiënten met verschillende ziekte-ernst met elkaar te vergelijken en kan daardoor toegepast worden in kleine heterogene trials.2 4) Vermoeibaarheid is geassocieerd, maar niet equivalent aan spierzwakte (zie Figuur 1).3 5) Een deel van de mensen met SMA heeft de beschikking over een reservecapaciteit aan motoneuronen die ingezet kan worden tijdens vermoeibaarheid.4 6) De behandeling met Pyridostigmine leidt tot klinisch relevante verbeteringen in vermoeibaarheid bij relatief milde bijwerkingen.5
Impact op de patiënt met SMA Vermoeibaarheid wordt inmiddels internationaal erkend als een belangrijke beperking van mensen met SMA. De testen die ontwikkeld zijn in dit proefschrift worden inmiddels in meerdere internationale trials gebruikt, waardoor de kans toeneemt dat effectieve behandelingen van vermoeibaarheid beschikbaar komen. In Nederland worden inmiddels tientallen mensen met SMA succesvol behandeld voor hun vermoeibaarheid met Pyridostigmine.
Positionering van de fysiotherapie Het beschikbaar komen van effectieve behandelingen voor patiënten wordt niet alleen bepaald door de effectiviteit van het medicijn dat wordt onderzocht, maar is ook sterk afhankelijk van betrouwbare en valide klinimetrie die dit effect kan oppikken ondanks alle ruis die aanwezig is in een klinische trial. Dit proefschrift laat zien dat de expertise die de fysiotherapeut heeft op het gebied van klinimetrie een essentiële bijdrage kan leveren aan het succesvol behandelen van patiënten. Het is daarom ook van belang
Figuur 1: Uithoudingsvermogen – spierkracht ESTCS volhoudtijd (seconden)
Tekst: Bart Bartels
spierkracht (MRC-score)
MRC = Medical Research Council. ESTCS = Endurance Shuttle Test Combined Score. Kwadrant A: lage spierkracht en hoge volhoudtijd; B: hoge spierkracht en hoge volhoudtijd; C: lage spierkracht en lage volhoudtijd; D: hoge spierkracht en lage volhoudtijd.
dat fysiotherapiewetenschappers binnen dit onderzoeksveld zich hiervan bewust zijn en zich ook zo (durven te) profileren.
Het vervolg Op dit moment doet Laura Habets, promovenda binnen deze onderzoekslijn, onderzoek naar mogelijke oorzaken van vermoeibaarheid bij SMA. In een recente publicatie in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift BRAIN, laat zij met behulp van Magnetic Resonance Spectroscopy tijdens inspanning zien dat er bij SMA sprake is van ‘muscle remodelling’ ten gunste van oxidatieve spiervezels en mitochondriële dysfunctie van non-oxidatieve type 2 spiervezels.6 Naar verwachting zal zij in 2022 promoveren op dit onderwerp. Bekijk hier een achtergrondfilmpje over het proefschrift van Bart Bartels Dr. Bart Bartels, kinderfysiotherapeut, onderzoeker en afdelingshoofd van het Kinderbewegingscentrum, Wilhelmina Kinderziekenhuis. B.Bartels-4@umcutrecht.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis februari 2022 | 33
NVFK | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR KINDERFYSIOTHERAPIE
specialistenkatern
DE INRICHTING VAN JOUW BEDRIJFSRUIMTE – ALLES GEREGELD VAN A TOT Z Bij Fitshop hebben wij een ruim assortiment aan fitnessapparaten voor in praktijkruimtes en oefenzalen. In onze showrooms en op onze website vind je dan ook een scala aan (semi)professionele fitnessapparaten. Van crosstrainers tot halterbanken, maar je vindt ook de kleinere fitnessartikelen. Maar hoe weet je wat je nodig hebt voor jouw fitnessruimte? Allereerst bekijken wij samen met jou wat je wensen zijn, hoe de ruimte er uit ziet en welke mogelijkheden er zijn qua oppervlakte en budget. Wie zal de apparaten gebruiken, en hoe intensief wordt de apparatuur gebruikt? Samen met jou denken wij verder dan alleen de “grote” fitnessapparaten. Vloermatten voor de bescherming van de vloer en het apparaat, maar ook voor de demping van het geluid. Al met al bieden we je de totaaloplossing.
Klipperaak 2A 2411 ND Bodegraven Tel: 0172-619961 info@fitshop.nl www.fitshop.nl
Wil je meer weten of heb je interesse om een ruimte (of een deel daarvan) in te richten? Neem dan contact op met onze accountmanager Ben Treur via ben@fitshop.nl of bel naar 06-15303549.
SHOWROOMS: AMSTERDAM - BODEGRAVEN - DEN HAAG - EINDHOVEN - ROOSENDAAL - ROTTERDAM
Redactie: KNGF | Coördinatie: Saskia Bon en Liesbeth Immink | Eindredactie: Liesbeth Immink
36: Beroepsprofiel Fysiotherapeut 38: PRECISIE: Persoonsgerichte zorg voor personen met Claudicatio Intermittens 40: FysioPraxis overzicht 2021
In het z nnetje ‘Na mijn sportcarrière overweeg ik een master Kinderfysiotherapie’ Mensen die zich inzetten voor de fysiotherapie zetten we graag in het zonnetje. Deze keer olympiër en fysiotherapeut Kimberley Bos. Op het moment dat deze FysioPraxis naar de drukker ging, was ze nog op de Olympische Spelen in Peking, waar ze met een bronzen plak als eerste Nederlander ooit een skeletonmedaille wist te winnen. We spraken haar eind december tijdens haar voorbereidingen voor de World Cup.
Foto: Viesturs Lācis
Hoe gaat je carrière als fysiotherapeut?
Tekst: Vera van Hooff
Je bent geplaatst voor de Olympische Spelen! “Het doel is bereikt. Ik ben de eerste Nederlander die een wereldbeker skeleton heeft gewonnen. Dat is voor Nederland een unieke prestatie. Daarmee ben ik dus geplaatst voor de Olympische Spelen in 2022. Op dit moment ga ik nog van wedstrijd naar wedstrijd in de World Cup en heb ik de leiding in het wereldbekerklassement. Mijn droom is om de beste skeleton-atlete van de wereld te worden. Met mijn achtste plaats op de Olympische Spelen in PyeongChang 2018 ben ik al goed op weg. Maar ik blijf mij focussen om die prestatie te kunnen verbeteren en mijn droom te realiseren!”
“Fysiotherapie is mijn hobby op het moment. Ik werk van april tot oktober en doe dit omdat ik het vak mooi vind. Vijf jaar geleden ben ik afgestudeerd. Ik was altijd al geïnteresseerd in sport en bewegen. Omdat ik tijdens de middelbare school al bezig was met topsport (bobsleeën, red.), wilde de opleiding fysiotherapie mij eerst niet aannemen. Ze dachten dat ik dat niet kon combineren. Maar ik slaagde cum laude voor mijn vwo. Vanuit de opleiding in Groningen kon ik al snel overstappen naar Nijmegen. Daar kwam ik in een speciale klas met lesuren van 11.00 uur tot 15.15 uur en volgde ik veel lessen op Papendal, waar ik ook trainde.”
Skeleton en fysiotherapie: hoe combineer je dat? “De sport heeft mij geholpen tijdens mijn studie omdat ik al veel wist van bewegen en herstellen. En andersom was het fijn dat ik kennis van fysiotherapie had, omdat ik tijdens mijn studie nog geen eigen sportfysio had. Momenteel zit het elkaar in de weg. Ik heb eind oktober 2020 voor het laatst gewerkt, toen als ZZP’er. Maar de praktijk waar ik werkte moest ook een tijd dicht wegens corona. Mijn BIGregistratie is verlengd, maar er geldt aanwezigheidsplicht bij de scholingen en dat lukt niet in de winter. Ik zou willen dat ik de bijscholingscursussen online kon doen of in de zomer. Het is dus onzeker of ik wel kan blijven werken als fysiotherapeut in Nederland. Na de Olympische Spelen wil ik het liefst weer aan het werk.”
Foto: Garrett A. Wollman
Je bent nu 27, hoe zien de aankomende jaren eruit? “De meeste atleten zitten op hun dertigste op hun piek, dus ik heb nog wel een paar jaar. Ik wil eruit halen wat erin zit. Dus sport gaat nu voor. Skeleton is een ervaringssport en een gevaarlijke sport. Er wordt veel van je gevraagd, zowel fysiek als mentaal. Als je zelfvertrouwen hebt en geconcentreerd bent, ben je al halverwege. Na mijn sportcarrière overweeg ik een master Kinderfysiotherapie. Maar wie weet blijf ik wel in de sport hangen. Ik heb al ervaring met het coachen van teams.”
Hoe belangrijk is fysiotherapie voor jou als topsporter? “Als topsporter moet je op de top van je kunnen presteren. De fysiotherapeut kan bijdragen aan het herstel, maar ook aan preventie, zorgen dat je geen blessures krijgt. Naast mijn coach is ook mijn fysiotherapeut nu tijdens de World Cup aanwezig. Ik ben groot voorstander van preventieve fysiotherapie. Hierdoor zijn mensen ook sneller van hun klachten af.”
Vera van Hooff, communicatie KNGF
FysioPraxis februari 2022 | 35
achter het nieuws
Het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut
‘Een anker voor de fysiotherapeut’ Het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut beschrijft het beroep en de vakbekwaamheid van de fysiotherapeut in een wereld die volop in beweging is. Het vorig jaar vernieuwde Beroepsprofiel is een van de belangrijkste bouwstenen voor het vakgebied fysiotherapie. Het document beschrijft wat de fysiotherapeut uniek maakt en wat je daarvoor moet kunnen. Wat zijn de belangrijkste punten in het nieuwe document en waarom is het belangrijk daar kennis van te nemen?
Tekst: Brenda van Dam
Theo Ruitenbeek is een van de schrijvers van het Beroepsprofiel. Ruitenbeek is fysiotherapeut en praktijkhouder en heeft binnen de fysiotherapie ruime ervaring met bestuurswerk en het schrijven van beroepscompetentieprofielen. Hij vat de inhoud van het nieuwe Beroepsprofiel kernachtig samen: “Het Beroepsprofiel is zo’n beetje het anker van je vak. Het bespreekt de kern van wat je als fysio therapeut bent, maar het geeft ook aan wat dan de kwaliteit daarvan moet zijn. Het is de basis van de bacheloropleiding Fysiotherapie. Het kadert bovendien af waar jij als fysiotherapeut zit in het hele speelveld van de gezondheidszorg. We hebben in dit profiel vooral gekeken naar hoe je het dagelijks bewegend functione ren positief kunt beïnvloeden. Als iemand dat niet zelf kan, ben jij als fysiotherapeut het noodzakelijke aanspreekpunt.”
Het KNGF Beroepsprofiel wordt mede gebruikt voor: · Accreditatie bij scholing · Registers · Landelijk Opleidingscompetentie Profiel (bacheloropleiding) · Beroepsprofielen van de Beroeps inhoudelijke verenigingen · Positionering van de fysiotherapie
Ontwikkelingen in de context van het vak Het nieuwe Beroepsprofiel is ingedeeld in vier afzonderlijke modules. De eerste module schetst de context waarin de fysio therapeut werkt en beschrijft de belang rijkste veranderingen die plaatsvinden in de samenleving en in de zorg. De module gaat ook in op de groeiende behoefte aan onder bouwing en t ransparantie waar fysiothera
36 | FysioPraxis februari 2022
peuten mee te maken hebben. Ruitenbeek: “De meeste van die ontwikkelingen ken je waarschijnlijk wel, maar ze worden in het document goed vertaald naar wat die spe cifiek voor de fysiotherapie betekenen. De bevolking vergrijst, we krijgen te maken met een toenemend aantal patiënten met meer en langdurige zorgvragen. Als we blijven doen wat we altijd doen, komen we niet tot een passend aanbod van zorg en wordt die zorg onbetaalbaar. En als zorg als consump tiemiddel wordt gezien, blijft de patiënt veel te passief. We zullen dus moeten aansluiten en bijsturen bij die veranderende zorgvraag en patiënten helpen om naar zelfmanage ment te willen streven.”
Het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut bestaat uit vier afzonderlijke modules en beschrijft: 1. De context van de fysiotherapie 2. Het vakgebied fysiotherapie 3. De rollen van de fysiotherapeut 4. De competenties van de fysio therapeut
Wanneer en wanneer niet (meer)? In de tweede module wordt het vakgebied fysiotherapie gedetailleerd beschreven. Het woord domein uit het Beroepsprofiel 2014 is daarbij losgelaten. Door te spreken over het vakgebied van de fysiotherapie wordt meer eer gedaan aan de veelzijdigheid en de professionaliteit van de fysiotherapie en aan dat wat fysiotherapie specifiek maakt. Ruitenbeek: “Een centraal punt in het Beroepsprofiel is de indicatie voor fysiotherapie. Als fysiotherapeut ben je nodig wanneer er sprake is van bewegend disfunctioneren of dreigend bewegend dis functioneren. Als het nodig is, ben je er. Als het niet meer nodig is, treed je terug. Als er geen beperking is, blijf je weg. Het lichame lijk functioneren van de patiënt in zijn eigen leefomgeving is steeds het uitgangspunt. Daarop komt iemand binnen. Dan kijken wij vervolgens aan de hand van het biopsy chosociaal model breder dan naar alleen naar dat fysieke stuk. Hoe we dan kijken of handelen is geënt op de pijlers van evidence based practice: wat zegt de wetenschap, in welke hoedanigheid passen we dat toe en hoe past dit nou het beste bij deze patiënt?”
Tabel 1 Doelgroep
Doel preventie
Rol fysiotherapie
Vorm van preventie
Gezonde bevolking
Voorkomen van ziekte of aandoening Voorkomen van daadwerkelijk ziek worden
Geen vakgebied fysiotherapie Geen vakgebied fysiotherapie. De fysiotherapeut kan een signalerende rol vervullen Vakgebied fysiotherapie
Universele preventie
Vakgebied fysiotherapie
Zorggerelateerde preventie
Bevolkingsgroepen met een verhoogd risico op een aandoening of klacht Mensen met beginnende klachten
Mensen met een ziekte/ aandoening
Voorkomen dat beginnende klachten verergeren tot een aandoening Voorkomen van complicaties, beperkingen, recidieven, afname kwaliteit van leven, sterfte
Doelen van preventie en de rol van fysiotherapie
Selectieve preventie
Geïndiceerde preventie
achter het nieuws
Tabel 2 Competentiegebieden (2014)
Rollen Fysiotherapeut (2021)
Fysiotherapeutisch handelen
Zorgverlener
Maatschappelijk handelen
Gezondheidsbevorderaar
Samenwerken
Samenwerkingspartner
Organiseren
Organisator
Professioneel handelen
Reflectieve professional
Kennis delen en wetenschap beoefenen
Innovatieve professional
Communiceren
Communicator
Competentiegebieden (2014) en rollen fysiotherapeut (2021)
Waar ben je uniek? Preventie is een belangrijke ontwikkeling in de zorg. Hier komt volgens Ruitenbeek de uniciteit van de fysiotherapeut goed naar voren. “Iedereen moet beter bewegen, dat is een vorm van primaire preventie. Daarin zijn wij fysiotherapeuten weliswaar des kundig, maar echt niet uniek. Bij selectieve preventie gaat het om mensen die een verhoogd risico op een aandoening hebben. Daar weten wij natuurlijk best wat van, we kunnen bijvoorbeeld een Gecombineerde Leefstijl Interventie aanbieden, maar wij zijn niet de enigen. Als het daarentegen gaat om beginnende klachten bij een bekende
Belangrijkste veranderingen ten opzichte van het Beroepsprofiel uit 2014 · Modulaire opbouw van het document. · Centraal staat het bewegend functio neren van de patiënt, met zijn of haar wensen, behoeften, mogelijkheden, gezondheidsvaardigheden en speci fieke hulpvraag. · Meer focus op ondersteuning van het zelfmanagement van de patiënt, zorg op maat, gebruik van zorgtechnologie en intra- en interdisciplinaire samenwerking. · Het domein fysiotherapie is vervangen door het vakgebied van de fysiotherapie. · De indicatie voor fysiotherapie is specifieker beschreven, aan de hand van generieke criteria. · Beschrijving van de belangrijke rol van preventie en leefstijlverbetering in de fysiotherapeutische zorg en zorg van de toekomst. · Specifieke nadruk op het belang van professionele ontwikkeling, reflecterend vermogen en innoveren.
aandoening spreek je van geïndiceerde preventie. Dan zit je in de kern van het vak gebied! Daar ben jij als fysiotherapeut echt uniek. Dan komt jouw vak en jouw kennis aan de orde. Als fysiotherapeut ben je ook van belang bij zorggerelateerde preventie, bij het voorkomen van complicaties. Met jouw paramedische vaardigheden kun je mogelijk specialistische zorg voorkomen. Of als je iemand beter kan voorbereiden op een operatie of een ander zwaar traject, dan is dat traject minder belastend. Dan is de klinische fase korter, is de uitkomst beter en is de kans op herstel groter. Ook daar ligt de bijzondere kracht van de fysiotherapeut!”
Rollen en competenties In het Beroepsprofiel wordt de vak bekwaamheid van de fysiotherapeut beschreven aan de hand van zeven rol len. Elke rol is opgebouwd uit een aantal competenties, omschreven op ten minste EQF-6 niveau. Het zijn de kenmerken waar een fysiotherapeut na het afron den van de bacheloropleiding aan moet voldoen. Op basis van interesse, ervaring of persoonlijke ontwikkeling zal de één van nature wat meer een zorgverlener, een innovatieve professional of juist een organisator zijn, maar de rollen en compe tenties uit het Beroepsprofiel vormen de basis van iedere fysiotherapeut. Ruitenbeek: “In het Beroepsprofiel staat: ‘De fysiotherapeut handelt gewetensvol en oordeelkundig.’ Dat kan niet op de automatische piloot. Gewetensvol heeft onder andere te maken met een reflec tieve professional zijn, met het handelen vanuit deskundigheid. Oordeelkundig betekent dat je beoordeelt of de hulp vraag past bij het vak fysiotherapie, bij jouw scala aan interventies, bij jou als mens en of dat wat jij kunt bieden aansluit bij de belevingswereld van de
atiënt. Je zult je echt met enige regel p maat moeten afvragen: waar sta ik nu eigenlijk als professional? Het goede doen en het goed doen. Daar is het hele stuk van doordrenkt: er wordt aanspraak op jou gedaan, op wat jij bent, omdat je fysiotherapeut bent.”
Elevator-pitch Samenwerking is een belangrijke ont wikkeling in de zorg. Ruitenbeek: “Een aandoening of beperking zit bijna nooit op één dimensie. Je zult vaak moeten samenwerken met andere disciplines om tot een maximaal resultaat te komen. Je moet je positie als paramedicus ook een beetje bevechten. Dat doe je pas als je laat zien dat je ertoe doet. Als je uit dit boekwerk een elevator-pitch zou moeten maken, kun je bijvoorbeeld zeggen: ‘Als fysiotherapeut kijk ik naar het bewegend functioneren van een patiënt op het moment dat deze mij om hulp vraagt om beter te kunnen functioneren, om zijn rol in de maatschappij beter uit te voeren. Daar geef ik als fysiotherapeut de tools voor en ik kijk na een poosje of dat vol doende is.’ Ik denk dat je je na het lezen van het Beroepsprofiel echt veel beter bewust bent van de uniciteit van jouw vakgebied, dat je weet waar jouw kern ligt én dat je ook beseft wat je in de periferie allemaal nog meer weet.”
Meer weten over het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut? Download hier het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut. Via deze link vind je ook een filmpje met de belangrijkste punten uit het Beroepsprofiel.
FysioPraxis februari 2022 | 37
FysioWijzer
Persoonsgerichte zorg voor personen met Claudicatio Intermittens
Ik denk, jij wilt, wij beslissen
In januari 2021 is het PRECISIE-project van start gegaan. Voor dit project werken het KNGF, VvOCM, Chronisch ZorgNet, IQ healthcare en Harteraad samen aan het bevorderen van persoonsgerichte zorg en samen beslissen in de behandeling van personen met Claudicatio Intermittens (CI). Het doel van het project is de KNGF-richtlijn symptomatisch Perifeer Arterieel Vaatlijden (sPAV) van een statisch informatiedocument naar een dynamisch data-gestuurd product te veranderen. KNGF-richtlijn sPAV
In Nederland heeft ruim 19% van de 55-plussers een vorm van de chronische ziekte Perifeer Arterieel Vaatlijden (PAV).1 Ongeveer een derde hiervan is symptomatisch (sPAV).2,3 Het meest voorkomende symptoom van sPAV is Claudicatio Intermittens (CI).4 Personen met CI ervaren een pijnlijk, verkrampt of vermoeid gevoel in de been- en/of bilspieren dat ontstaat tijdens fysieke activiteit, zoals lopen of traplopen.5-7 De pijn wordt op een gegeven moment zo vervelend dat de persoon moet stoppen met de activiteit. Na enige minuten rust verdwijnen de klachten waardoor de persoon weer verder kan.5
In Nederland is de inhoud voor de fysioen oefentherapeutische behandeling vastgelegd in de KNGF-richtlijn sPAV.8 Uit de richtlijn blijkt dat er behoorlijk wat vrijheidsgraden zijn ten aanzien van het inrichten van een optimaal behandeltraject. Zo beschrijft de richtlijn dat zowel hoog- als laag-intensieve oefenprogramma’s effectief zijn voor het verbeteren van de loopafstand.12 Ook biedt de richtlijn ruimte om naast looptraining andere trainingsvormen in het plan op te nemen, zoals buiten wandelen of spierkrachtoefeningen.13,14 Dezelfde ruimte bestaat voor de frequentie en duur van de training. De richtlijn beveelt aan om beslissingen omtrent trainingsfrequentie, -intensiteit, -timing en -type (F.I.T.T.) samen met de patiënt te nemen en de patiënt dus centraal te stellen.
tijk nog te weinig gebeurt.21-23 Beslissingen omtrent de behandeling worden veelal door de therapeut zelf genomen. Ook worden beslissingen niet of nauwelijks besproken en/of bijgesteld op relevante criteria zoals de F.I.T.T.-factoren naar aanleiding van patiëntvoorkeuren. Een mogelijke verklaring is dat beslissingen worden genomen in het belang van de patiënt en daarom als het domein van de therapeut worden gezien.24 Uit observatieonderzoek binnen Chronisch ZorgNet blijkt dat ook in de behandeling van personen met CI ruimte is voor verbetering wat betreft samen beslissen. In dit onderzoek scoorden therapeuten op de OPTION-525 (een meetinstrument gericht op samen beslissen) gemiddeld 45 punten op een schaal van 0 tot 100, waarbij hogere scores een hogere mate van samen beslissen indiceren.26
Eerste-keuze behandeling
Samen beslissen
KomPas
Vanuit (inter)nationale richtlijnen worden gesuperviseerde looptherapie (GLT) en leefstijlbegeleiding aanbevolen als initiële behandeling voor personen met CI.1,6-8 GLT is immers een bewezen effectieve, veilige, niet-invasieve behandeling en resulteert in een gemiddelde toename van de loopafstand van meer dan 100%.8,9 Ten opzichte van invasieve behandelingen (bijvoorbeeld dotter-/bypassoperatie) geeft GLT nauwelijks tot geen complicaties en zijn de kosten significant lager.10,11 Tijdens het traject begeleidt een fysioof oefentherapeut de persoon met CI, waarbij het vergroten van het loopvermogen een veel gesteld trainingsdoel is. Daarnaast besteedt de therapeut aandacht aan leefstijlfactoren, zoals roken en voeding, om een gezonde leefstijl te bevorderen. Gaandeweg wordt de begeleiding afgebouwd en zet de patiënt de training zelfstandig voort.8
Samen beslissen is een aanpak waarbij de voorkeuren, wensen en verwachtingen van de patiënt worden gecombineerd met wetenschappelijke kennis.15 Dit betekent dat de therapeut een coachende rol aanneemt in het beslissingsproces. De therapeut onderzoekt de behoefte aan ondersteuning van de patiënt, brengt mogelijke behandelopties en bijbehorende voor- en nadelen in kaart, en probeert vervolgens inzicht te krijgen in de behandelvoorkeuren van de patiënt.16 Uiteindelijk nemen therapeut en patiënt samen een besluit waarin zowel wetenschappelijke kennis als patiëntvoorkeuren zijn geïntegreerd.17 Er zijn aanwijzingen dat samen beslissen de therapietrouw en patiënttevredenheid verbetert en tot duurzamere gedragsverandering leidt.18-20 Ondanks dat de KNGF-richtlijn oproept tot samen beslissen, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat dit in de prak-
Om het proces van samen beslissen te ondersteunen tijdens de behandeling van personen met CI hebben therapeuten van Chronisch ZorgNet sinds 2020 toegang tot een nieuw hulpmiddel, genaamd KomPas. Het KomPas, ontwikkeld door Chronisch ZorgNet en IQ healthcare (Radboudumc), geeft aan de hand van grafieken een gepersonaliseerde voorspelling van het te verwachten resultaat van de behandeling (zie figuur 3 op www.kngf.nl/fysiopraxis).27 De voorspelling wordt gemaakt op basis van specifieke persoonskenmerken (zoals leeftijd, leefstijlfactoren en huidige loopafstand) met hulp van historische data van vergelijkbare personen met CI. De historische data zijn door Chronisch ZorgNet-therapeuten verzameld via de Landelijke Database Fysiotherapie (LDF) van het KNGF (zie figuur 4 op www.kngf.nl/fysiopraxis).28
Tekst: Laura Marcellis, Annemarie Auwerda, Daniëlle Conijn, Mitchell van Doormaal, Noralie Krepel, Steffie Spruijt en Thomas Hoogeboom
38 | FysioPraxis februari 2022
FysioWijzer
Therapeuten kunnen het KomPas onder andere inzetten om de patiënt te motiveren, om samen realistische doelen te stellen of om de vooruitgang van de therapie te monitoren, maar ook om het behandelplan te personaliseren.29 Vragen die een therapeut bijvoorbeeld kan stellen: “Denkt u dat de gestelde doelen haalbaar zijn na het zien van de voorspelling?” of “Welke factoren zouden invloed kunnen hebben op het uiteindelijke behandelresultaat?” Het informeren over het te verwachten beloop en de uitkomst van de therapie vergroot de betrokkenheid van de patiënt. Therapeut en patiënt kunnen vervolgens samen beslissen over de invulling van het behandeltraject, waarbij de voorkeuren van de patiënt alsook de informatie vanuit de data worden meegenomen.
Figuur 1
Een voorbeeld van een van de praktische tools uit KomPas+. De patiënt kan met deze schuifbalk aangeven in hoeverre hij of zij wel of niet samen met de therapeut wil gaan trainen in de praktijk
Figuur 2
PRECISIE-project Ondanks de implementatie van de KNGFrichtlijn sPAV en het KomPas, blijkt de toepassing van samen beslissen nog steeds beperkt.26,30 Om het proces van samen beslissen verder te verbeteren en voldoende personalisatie en participatie tijdens het behandeltraject van personen met CI te verzekeren, is in januari 2021 het PRECISIE-project van start gegaan. Voor dit project hebben Chronisch ZorgNet, IQ healthcare, het KNGF, VvOCM en Harteraad de handen ineen geslagen. Het doel van het project is de KNGFrichtlijn sPAV te veranderen van een statisch informatiedocument naar een dynamisch datagestuurd product. Hierdoor worden therapeuten geholpen om aanbevelingen uit de richtlijn gepersonaliseerd en in gezamenlijke besluitvorming aan te bieden. Door de vernieuwde richtlijn sPAV wordt ongewenste praktijkvariatie teruggedrongen, maar wordt gewenste variatie op basis van samen beslissen bevorderd.31 Als eerste stap heeft het afgelopen jaar in het teken gestaan van het doorontwikkelen van KomPas naar KomPas+. Met KomPas+ worden de richtlijnaanbevelingen gekoppeld aan het KomPas. Het systeem van KomPas+ bevordert door middel van praktische tools het proces van samen beslissen (zie figuur 1 en 2). De therapeut kan hierdoor samen met de patiënt keuzes maken op basis van de verschillende evidence-based aanbevelingen (denk aan de F.I.T.T.-factoren).
Een voorbeeld van een van de praktische tools uit KomPas+. Therapeut en patiënt beslissen samen hoe ze gaan trainen om het doel te bereiken
Behandelplan en -doelen worden uiteindelijk dus bepaald door: 1) ervaring en kennis van de therapeut; 2) voorkeuren van de patiënt; 3) inzicht uit de grafieken.
Wat staat er te gebeuren? Sinds het begin van dit jaar zijn we een groot onderzoek gestart om te leren van de implementatie en het gebruik van KomPas+. Daarom hebben de eerste therapeuten (van Chronisch ZorgNet, het KNGF en VvOCM) inmiddels toegang tot het nieuwe systeem. De geleerde lessen van dit onderzoek gaan we vervolgens gebruiken om de bestaande KNGF-richtlijn sPAV te updaten. Door de update verwachten we dat kennis vanuit de data uit de praktijk verweven gaat worden met de richtlijn. Hierdoor dragen therapeut en patiënt bij aan een continu lerend netwerk dat persoonsgerichte en participatieve zorg faciliteert, met in het hart de evidence based richtlijn.
Laura Marcellis, onderzoeker bij IQ healthcare
Annemarie Auwerda MSc, beleidsadviseur Harteraad Daniëlle Conijn MSc, beleidsmedewerker Kwaliteit en Wetenschap, VvOCM Mitchell van Doormaal MSc, senior medewerker Kwaliteit, KNGF Dr. Noralie Krepel, projectmedewerker Chronisch ZorgNet Dr. Steffie Spruijt, landelijk coördinator Chronisch ZorgNet Dr. Thomas Hoogeboom, senior onderzoeker Radboudumc, IQ healthcare, Nijmegen
Literatuur en figuur 3 en 4: www.kngf.nl/fysiopraxis Laura.Marcellis@radboudumc.nl FysioPraxis februari 2022 | 39
jaaroverzicht
Inhoud Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
2021
jaargang 30 februari 2021 nr 1
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 maart 2021 nr 2
1-2021 februari
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 april 2021 nr 3
2-2021 maart
3-2021 april
Thema bekkenfysiotherapie Bekkenfysiotherapie door de jaren heen
Postpartum Consult: de eerste resultaten
Mannen hebben ook een bekkenbodem
Themanummer bekkenfysiotherapie 01 FP 2021-01.indd 1
05/02/21 4:25 PM
4: Op de cover: Marieke RolversMetselaar 8: Geschiedenis, ontwikkelingen en opleidingsmogelijkheden bekken fysiotherapie 10: Nieuwe Praktijken: Nieuwe ontwikkelingen bekkenfysiotherapie: Post Partum Consult 13: Patiënt in beeld: Bert (incontinentie) 15: Wetenschap – Promotie: Bekkenbodemoefeningen tijdens en na de zwangerschap 18: Test & Techniek: Maple, Echo, Flow 21: Casuïstiek: Bekkenfysiotherapie bij mannen 24: Casuïstiek: Lage rug- en bekkenklachten 29: Wetenschap – Samenvatting: A Survey on Voiding Complaints in Women Presenting at a Pelvic Care Center/Physiotherapy for pelvic pain and female sexual dysfunction: an untapped resource 32: NVFVG: Bekkenfysiotherapie bij een verstandelijke beperking 33: NVMT: Casuïstiek: Dissectie van de arteria vertebralis tijdens fysiotherapie 37: In het zonnetje: Tine van den Bos 38: Interview nieuwe directeur KNGF: Heleen Post 40: Beweegziekenhuis-factsheet 42: KNGF achter het nieuws: Eelco Eikenaar: public affairs-activiteiten KNGF
40 | FysioPraxis februari 2022
Dansen met Parkinson, NAH en chronische pijn
01 FP 2021-02.indd 1
Patiëntwaarden in de praktijk
Behandeling van sportgerelateerde kramp
05/03/21 10:12 AM
4: Op de cover: Ronald van der Heijden 8: Nieuwe praktijken: Dans op Recept: Parkinson, NAH en chronische pijn 13: Patiënt in beeld: Tiny (borstkanker) 14: Wetenschap – Kwalitatief Onderzoek: Patiëntwaarden in de fysiotherapiepraktijk 18: Opinie: Reflectie Ethiekcommissie: reactie op artikel Carla Bastemeijer (pag. 14-17) 19: In de praktijk: Studenten springen bij – draaien op de ic 20: Wetenschap – Subsidie: Aanmoedingingssubsidie NVZF 22: Casuïstiek: Casus van een duursporter met sportgerelateerde kramp: behandeling van sportgerelateerde spierkramp 25: Lectorale Rede: Complexe pijn – Lennard Voogt 28: Incidenten en uitspraken: Uitspraak RTG 2020-0406 (zedendelict) 30: Wetenschap – Samenvatting: The clinical effectiveness of the COPDnet integrated care model/ Upper extremity muscle strength in children with unilateral spastic cerebral palsy: a bilateral problem? 32: NVMT: Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in de manuele therapie 33: VHVL: Hart-, vaat- en longfysio therapie erkend specialisme 35: In het zonnetje: Karin Haks 36: Update zzp-dossier VvAA – deel 1 39: Innovatie Platform Fysiotherapie 41: Jaaroverzicht: Inhoud FysioPraxis 2020
Patellofemorale klachten
01 FP 2021-03.indd 1
Van range of motion naar functioneren
Fysiotherapeut in Suriname
07/04/21 3:55 PM
4: Op de cover: Nicky van Melick 8: Casuïstiek: Patellofemorale klachten na een voorste-kruisbandreconstructie 13: Patiënt in beeld: Bart (multitrauma) 15: Tip van de redactie: Physio Matterspodcast 16: Wetenschap – Promotie: Verlies van gewrichtsflexibiliteit: wanneer is het een probleem? Van range of motion naar functioneren 20: Fysiotherapeut in het buitenland: Suriname 23: 50-jarig bestaan Surinaamse Vereniging voor Fysiotherapie (SVF) 24: Terugblik 1e jaargang: manuele therapie en fysiotherapie bij chronische rug-en nekklachten 26: Wetenschap – Kwantitatief onderzoek: Het herstel na lumbale microdiscectomie gevolgd door fysiotherapie: kunnen we dit adequaat voorspellen? 30: Wetenschap – Samenvatting: Using visual feedback manipulation in virtual reality to influence painfree range of motion in people with non-specific neck pain/Distinct trajectories of individual physical performance measures across 9 years in 60- to 70-year old adults 34: NFP: Onzekerheid in COVID-19-tijd 35: NVFK: Position Paper het sportende kind 36: NVMT: Hands on behandeling in de manuele therapie. De meerwaarde van aanraking 38: NVZF: Revalideren met TeleFit 39: In het zonnetje: Lotte van Delft 40: Update zzp-dossier VvAA – deel 2 42: Externe richtlijnen: overzicht
jaaroverzicht
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 mei 2021 nr 4
4-2021 mei Chronische moeheid na kanker
Fysiotherapeut in Shanghai
Postoperatieve pijnstilling: een pijnlijk protocol?
01 FP 2021-04.indd 1
07/05/21 11:40 AM
4: Op de cover: Rosanne Meester 8: Uit het veld: Interview Marije van der Lee, bijzonder hoogleraar in de psycho-oncologie 11: Patiënt in beeld: Karin (baarmoederhalskanker) 12: Fysiotherapeut in het buitenland: Shanghai 14: Opinie: Postoperatieve pijnstilling: pijnlijke protocollen 19: Wetenschap – Wetenschappers in de Beweegziekenhuizen: geleerde lessen 20: Wetenschap – Klinimetrisch onderzoek: Vragenlijst bij patellofemoraal pijnsyndroom 25: Wetenschap – Samenvatting: Preparing for an orthopedic consultation using an eHealth tool/ Validity and Usability of Low-Cost Accelerometers for Internet-Based Self-Monitoring of Physical Activity in Patients With Chronic Obstructive Pulmonary Disease 30: NVFK: Ondersteuningsroute Bewegen en Motoriek: de juiste zorg op de juiste plek! 31: NVOF: Factsheet kaakklachten 32: NVMT: Case-report: de alternerende lumbale laterale shift 35: In het zonnetje: Werner Eijsink 36: Herijking Beroepskolom en Beroepsprofiel 37: Samenwerking KNGF en SKF 38: Regionalisering
13: Patiënt in beeld: Ruud (Bennettfractuur linkerduim) 14: Uit het veld: Interview Jany Rademakers, hoogleraar Gezondheidsvaardigheden en patiëntparticipatie, Universiteit Maastricht 17: In de praktijk: Begrijpelijk communiceren 20: Casuïstiek: Praktische tips voor in de praktijk 26: In de praktijk: Zyrian Barzinji, Iraakse fysiotherapeut, over cultuurverschillen 28: Wetenschap – Samenvatting: How physical therapists can strategically effect health outcomes for older adults with limited health literacy/ Validation of the short-assessment of health literacy (SAHL-D) and short-form development 29: Tip van de redactie: Steffie.nl & Column Arianne Verhagen 32: NFP: Aandacht voor patiënten in SES- wijken. Kennis delen en zorg verbeteren 33: VHVL: Multidisciplinaire herstelzorg voor COVID-19-patiënten 34: NVMT: Actuele kennis en attitude van pijneducatie bij studenten manuele therapie 35: In het zonnetje: Susanne Willemsen 36: Afscheidsinterview Kitty Bouten 37: Wetenschappelijk landschap fysio therapie 38: Cao wvf-fdv – deel 1 39: E-learning: Blauwe plekken bij kinderen
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
6-2021 juli/augustus PTED-operatie bij hernia
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 juni 2021 nr 5
01 FP 2021-06.indd 1
5-2021 juni Thema beperkte gezondheidsvaardigheden Eenvoudig communiceren
Interview: hoogleraar Gezondheidsvaardigheden
Praktische tips voor in de praktijk
Themanummer Beperkte Gezondheidsvaardigheden 01 FP 2021-05.indd 1
31/05/21 5:49 PM
4: Op de cover: Jeroen Vos 8: Inleiding: ‘Moeilijke patiënt’ of moeilijke communicatie? 12: Factsheet Pharos
jaargang 30 juli/augustus 2021 nr 6
Winnaars van de Jaco den Dekker-prijs
Meer bewegen in het ziekenhuis
02/07/21 2:52 PM
4: Op de cover: Sanneke Don 8: In de praktijk: PTED-herniaoperatie (weer) in het basispakket 11: Patiënt in beeld: Daniël (nek- en schouderklachten) 12: Opinie: Ingezonden brief n.a.v. ‘Dissectie van de a. vertebralis tijdens fysiotherapie’ (FysioPraxis 2021; 30(1):33-35) 15: Wetenschap – Kwalitatief onderzoek: Communiceren kun je leren! 18: Wetenschap – Promotie: Beter uit bed. Bewegen stimuleren in het ziekenhuis
24: Casuïstiek: De rol van stress,zorgen en emoties. Functionele maag- darmklachten naar de psychosomatisch fysiotherapeut 28: NVMT: Neuro-immuunreacties na gewrichts- en zenuwmobilisatie bij neuro-musculoskeletale aandoeningen 32: NVZF: Seminar Hospital based physiotherapy: een terugblik 33: In het zonnetje: Margré Timmer 34: Kort nieuws: FysioFacts en externe richtlijnen
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 september 2021 nr 7
7-2021 september Aansturing ademhaling bij ziekte van Parkinson
01 FP 2021-07.indd 1
Sensomotorische functie na beroerte
Meting lumbaalpunctie bij hydrocephalus
04/09/21 11:51 AM
4: Op de cover: Marja Trogrlic 9: Column Arianne & Ureka challenge 10: Casuïstiek: Is ademhaling vanzelfsprekend bij de ziekte van Parkinson? Diagnostische en therapeutische overwegingen. 13: Patiënt in beeld: Lynn (gescheurde VKB) 14: Ingezonden: Wat is eigenlijk PNFrekken? Een nadere beschouwing. Reactie op: Behandeling van sportgerelateerd spierkramp (FysioPraxis 2021;30(2):22-24) 16: Wetenschap – Leerstoel: Raoul Engelbert 19: Geluiden uit het veld 21: Wetenschap – Promotie: Herstel van sensomotorische functie na een beroerte 26: Van wetenschap naar praktijk: Fysiotherapeutische diagnostiek bij normale druk hydrocefalie 30: Wetenschap – Samenvatting: Early termination in interdisciplinary pain rehabilitation: numbers, timing and reasons/Performance and self- reported functioning of people with chronic idiopathic axonal polyneuropathy: a 4-year follow-up study 34: NVBF: Nabespreking IEA-congres 2021 35: NVFK: Meten van spierkracht bij kinderen met een unilaterale spastische cerebrale parese 37: In het zonnetje: Janjaap van der Net 38: Multidisciplinaire richtlijn Multiple Sclerose 40: Communicatierichtlijn HASPparamedicus FysioPraxis februari 2022 | 41
»
jaaroverzicht
»
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 oktober 2021 nr 8
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 november 2021 nr 9
8-2021 oktober
Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 december 2021/ januari 2022 nr 10
9-2021 november
Thema hersenaandoeningen NAH: revalideren in het Daan Theeuwes Centrum
Angst voor wearing-off bij de ziekte van Parkinson
Geheugenproblemen en hersenmist door corona
Themanummer Hersenaandoeningen 01 FP 2021-08.indd 1
09/10/21 3:16 PM
4: Op de cover: Bart Steens & Column Arianne 6: Tip van de redactie: Tussen je oren-podcast 8: Interview over neurorevalidatie bij het Daan Theeuwes Centrum voor Intensieve Neurorevalidatie in Woerden 11: Patiënt in beeld: Daan Stroet (hersenletsel en gecompliceerde botbreuken) 12: Casuïstiek: Behandeling van wearing-off gerelateerde stress voor mensen met Parkinson 16: Interview revalidatiearts Esther Kruitwagen over patiënten met ALS 19: Test en techniek: Ontwikkeling van de RISE-app: meer bewegen na beroerte 22: Uit het veld: Autonome ontregelingsklachten na corona 27: Wetenschap – Samenvatting: Concussion in European professional football: a view of team physicians/ Trajectories of fatigue, psychological distress and coping styles after mild traumatic brain injury 30: NFP: Psychosomatische fysiotherapie bij NAH – Overprikkelingsklachten bij hersenschade 31: NVFB: Dementie en bekkenbodemdysfuncties 32: NVMT: Combinatie manuele therapie en oefentherapie effectief bij nekpijn? 34: NVOF: Behandeling van chronische pijn bij TMD-klachten 36: VHVL: Fysiotherapie bij COPD – Het belang van fysieke activiteit 37: NVZF: Poliklinische neurorevalidatie tijdens COVID-19: Hoe blended care de standaard werd 39: In het zonnetje: Muriel RutgersKoolstra 40: Subsidieronde KNGF en Hersenstichting 42: Behandelprotocol bij herseninfarct of -bloeding 45: Herziening KNGF-richtlijn Lage rugpijn 50: Groepsbehandelingen
42 | FysioPraxis februari 2022
De gecombineerde leefstijlinterventie
Zelfmanagement met de dr. Bart-app
Betere zorg voor schouderpatiënten
01 FP 2021-09.indd 1
03/11/21 6:14 PM
4: Op de cover: Wytse Brongers 8: In de praktijk: De Gecombineerde Leefstijl Interventie 13: Patiënt in beeld: Angelique (spierziekte Myasthenia gravis) 14: Wetenschap – Promotie: Praktische richtlijnen voor mensen met knie- en/ of heupartrose: de dr. Bart-app 18: Opinie: Pleidooi voor een radicale paradigmaverschuiving 22: Wetenschap – Promotie: Revalidatie bij gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit 26: Nieuwe praktijken: Anderhalvelijns schouderpoli 31: Wetenschap – Samenvatting: Physiotherapy in nursing homes. A qualitative study of physiotherapists’ views and experiences/Smartphone app with an accelerometer enhances patients’ physical activity following elective orthopedic surgery: a pilot study 34: NVMT: Pijngerelateerde angst en een hoog intramusculair vetgehalte in de Erector Spinae 36: NVFVG: De Rett Syndrome Gross Motor Scale 37: In het zonnetje: Joël de Jong 38: Cao Eerste Lijn Fysiotherapie – deel 2 40: Kort nieuws: SKF en KNGF 41: Nieuwe richtlijnen: Oncologie en Zelfmanagement
De Hoogstraat Revalidatie: toen en nu
01 FP 2021-10.indd 1
Fysiotherapie in Kameroen
Duidelijk en begrijpelijk communiceren
10-2021 december/ januari
04/12/21 5:22 PM
4: Op de cover: Mient Riddersma 8: Jubileuminterview: De Hoogstraat Revalidatie 11: Patiënt in beeld: Ramon (gescheurde VKB) 12: Fysiotherapeut in het buitenland: Kameroen 16: Casuïstiek: Eenvoudige communicatie bij lage rugpijn 21: Wetenschap – Promotie: Fysiotherapeutische behandelmogelijkheden bij de ziekte van Pompe 26: Casuïstiek: Shockwave-therapie en spasticiteit 30: Comparison of KOOS scores of middle-aged patients undergoing total knee arthroplasty to the general Dutch population using KOOS percentile curves/Predicting short stay total hip arthroplasty by use of the Timed Up and Go-test 33: NVMT: Systematische review: Manuele therapie, dry cupping, dry needling en pijnreductie 34: NVFK: Kinderfysiotherapie en kinderen met schrijfproblemen 37: In het zonnetje: Marja Reunis-de Rechter 38: Aanbevelingen fysiotherapeutisch handelen bij COVID-19 tijdens ziekenhuisopname 40: Kenniscirkel en onderzoeksagenda 42: Kort nieuws
Valt je iets op, heb je een opmerking of aanvulling? We horen het graag! Reacties kun je sturen naar: fysiopraxis@kngf.nl @FysioPraxis
OPROEP
Wil je zelf een artikel aanleveren? Wij nodigen je daar graag toe uit. Ga naar www.kngf.nl/fysiopraxis voor de auteursrichtlijnen. De redactie behoudt zich het recht voor bijdragen af te wijzen, die niet aan de kwaliteitseisen van FysioPraxis voldoen.
Als dingen niet meer passen, is er misschien meer aan de hand.
Als dingen niet meer passen, is er misschien meer aan de hand.
Bij patiënten met de zeldzame ziekte Acromegalie zorgt een goedaardige tumor op de hypofyse ervoor dat er te veel groeihormoon geproduceerd wordt. Patiënten met Acromegalie ervaren dat voeten, handen, kaak of tong gaan groeien. Dat kàn zichtbaar zijn, maar meestal is de groei sluipend. Als u deze veranderingen observeert dan kan doorverwijzing van levensbelang zijn. Wist u dat ook inwendige orgaanschade kan optreden? Bijvoorbeeld
PP-SOM-NLD- 0323
een vergroot hart. Vroege herkenning van signalen en diagnose van Acromegalie is van levensbelang.
Ontdek de check op
herkenacromegalie.nl
een Volg nu gratis rsus u c f e o r p
Ik kies voor nascholen op mijn moment Vraag een gratis proefcursus aan via www.cme-online.nl/fy-gratis
24/7 beschikbaar
De beste docenten uit het vakgebied
Online nascholing voor fysiotherapeuten
Ruim 55 onderwerpen