Vakblad voor de fysiotherapeut - ledenblad KNGF
jaargang 30 juni 2021 nr 5
Thema beperkte gezondheidsvaardigheden Eenvoudig communiceren
Interview: hoogleraar Gezondheidsvaardigheden
Praktische tips voor in de praktijk
Een krachtig* topisch NSAID voor uw patiënt Gewrichtspijn?
Voltaren Emulgel Extra Sterk 2,32% Dubbele werking: Verlicht gericht de pijn en remt de ontsteking Extra sterk: 1x aanbrengen per 12 uur
Lage systemische absorptie
1 keer aanbrengen per 12 uur
UUR
*Diclofenac is een van de meest effectieve remmers van prostaglandine E2 productie en is gerapporteerd als 3-1000 keer meer krachtig op molaire basis in vergelijking met andere NSAID’s in het vermogen om COX-activiteit te remmen, in vitro. (Gan, 2010). Voltaren Emulgel 2,32% (diclofenac diethylammononium) is een geneesmiddel bij gewrichtspijn in knie en vinger. De verkorte SPC kunt u vinden elders in dit magazine. Handelsmerken zijn eigendom van of in licentie gegeven aan de GSK groep. © 2021 de GSK groep of de licentiegever. GlaxoSmithKline Consumer Healthcare B.V. PM-NL-VOLT-20-00040
colofon
FysioPraxis is het officiële tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en verschijnt 10 keer per jaar. Redactieadres
KNGF Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: fysiopraxis@kngf.nl Coördinatie en eindredactie
Liesbeth Immink E: fysiopraxis@kngf.nl T: 033 467 2953 Redactie
Saskia Bon (hoofdredacteur) Sander van de Hoef Corelien Kloek Niek Koenders Judith de Rooij Advertenties
Cross Media Nederland Dyron Bijl E: dyron@crossmedianederland.com Sjaak Bruins E: sjaak@crossmedianederland.com T: 010-7421945 www.crossmedianederland.com Adreswijzigingen KNGF-leden
www.mijnKNGF.nl
Abonnementen niet-KNGF-leden Een particulier abonnement kost per jaar € 106 en buitenlandse abonnees betalen € 45 voor een digitale versie (prijswijzigingen voorbehouden). Abonnementen kunnen op ieder moment starten en je betaalt aan het begin van het jaar voor het aankomend jaar. Beëindiging kan op elk moment, met inachtneming van één maand opzegtermijn. Er volgt een verrekening naar rato en teveel betaald abonnementsgeld wordt gecrediteerd.
KNGF, Postbus 248, 3800 AE Amersfoort E: ledenadministratie@kngf.nl T: 033 467 29 29 Verantwoordelijkheid
De redactie beslist over de samenstelling van FysioPraxis. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de door hen geschreven artikelen en het KNGF voor het KNGF-katern. Auteursrecht © 2021 KNGF. Artikelen mogen alleen worden overgenomen en/of vermenigvuldigd na schriftelijke toestemming van het KNGF en met bronvermelding. Voor overname voor commerciële doeleinden vragen we een passende vergoeding. Bladconcept
Jessica Dales, Dock35 Vormgeving en drukwerk Cross Media Nederland
redactioneel
Omgaan met gezondheidsvaardigheden Als redactie belichten we elk jaar een aantal specifieke onderwerpen. Dit doen we in zogenaamde themanummers. We verspreiden met themanummers kennis over bijvoorbeeld de schouder, COPD en bekkenfysiotherapie. Een speciale uitgave om je te verdiepen in de werking van een gewricht, aandoening of specialisme. Deze keer informeren we je over een onderwerp dat elke fysiotherapeut en zorgverlener aangaat: beperkte gezondheidsvaardigheden. Er wordt weinig over geschreven en gesproken, maar naar schatting hebben drie op de tien Nederlanders beperkte gezondheidsvaardigheden. Harriet Wittink (pag. 8) beschrijft in haar artikel drie typen gezondheidsvaardigheden waarin mensen beperkingen kunnen ervaren: 1) lezen en schrijven, 2) communiceren en 3) kritisch informatie beoordelen. Het valt hierbij op dat sommige personen ‘beperkt gezondheidsvaardig’ lijken, terwijl deze personen dat eigenlijk niet zijn. Zo komt het voor dat iemand voldoende gezondheidsvaardig is in zijn of haar eigen moedertaal, maar beperkt gezondheidsvaardig in de Nederlandse taal. Is hiermee de persoon beperkt gezondheidsvaardig? Of zou je kunnen zeggen dat degene die informatie wil overbrengen beperkt taalvaardig is in de moedertaal van de persoon in kwestie? Misschien kunnen we met deze gedachte net wat meer begrip hebben voor elkaar en tot betere fysiotherapie komen. Als fysiotherapeuten kunnen we in onze behandeling leren omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden. Zo geeft Susanne Willemsen (pag. 20) tips voor het gebruik van bepaalde meetinstrumenten, zoals de VAS-meetscore met het blije en boze gezicht en de Patiënt Specifieke Klachten-kaart met duim omhoog, opzij of omlaag. Ellis van der Scheer (pag. 17) adviseert om korte zinnen en simpele woorden te gebruiken, concreet te zijn en tips te beperken tot 3-5 kernpunten. Bij de totstandkoming van dit nummer merkten we als redactie meteen hoe moeilijk dat eigenlijk is. Uiteraard hopen we met deze uitgave kennis te verspreiden. Maar meer nog dan dat, hopen we het herkennen van en omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden te bevorderen. Met simpele hulpmiddelen en tips kunnen we veel voor elkaar betekenen.
Foto omslag ISSN
0927- 5983
Foto: Wiep van Apeldoorn
Wiep van Apeldoorn
Namens de redactie, Niek Koenders
fysiopraxis@kngf.nl @FysioPraxis
FysioPraxis juni 2021 | 3
op de cover
Jeroen Vos Wie ben je?
Ik lees FysioPraxis vooral…
Ik ben Jeroen Vos, fysiotherapeut bij Fysiotherapie Nieuw Plettenburgh in Utrecht. Sinds twee jaar ben ik hier als fysiotherapeut werkzaam. Het laatste half jaar houd ik me ook actief bezig met gezond bewegen en groepstraining voor ouderen.
… om op de hoogte te blijven van de nieuwste inzichten.
Waar is de coverfoto gemaakt? Foto: Wiep van Apeldoorn
Bij ons in de oefenzaal van Fysiotherapie Nieuw Plettenburgh. De dames op de foto zijn bij ons actief in de fysiofitness om hun algehele fitheid op peil te houden. In verband met alle coronamaatregelen deden we dat de afgelopen tijd buiten, maar nu mogen we ook weer naar binnen. We proberen altijd een gedeelte van de training in groepsverband te geven.
Ik ben er trots op dat… … ik mensen met soms maar kleine tips heel veel vooruit kan helpen. Dit met als doel dat zij weer kunnen doen wat ze willen doen.
Ik heb gekozen voor fysiotherapie omdat… … ik het leuk vind om met mensen te werken en om mensen vooruit te helpen. De vooruitgang die mensen van week tot week maken, motiveert mij om mensen nog sneller stappen te laten maken.
column
‘Ware kennis’ Beste collega, Even geleden riep ik op tot positieve vrijheidsstrijd, niet echt een gangbare manier om ons werk te bekijken of begrijpen. In het domein van de gezondheidsvaardigheden gaat het vaak over sociale rechtvaardigheid, ook een term die bij ons niet regelmatig gebruikt wordt. Ondanks de vele kennis over de ongelijke verdeling van gezondheid en de invloed van sociaal- economische aspecten op allerlei klachten die vaak door fysiotherapeuten onderzocht en behandeld worden, blijven wij over het algemeen vrij gefocust op ziekten en stoornissen. Ik ben iedere keer dat ik het lees weer van slag van hoe vaak zaken als eenzaamheid, depressie, laaggeletterdheid en tekort aan gezondheidsvaardigheden voorkomen. Zo vaak, dat je het waarschijnlijk dagelijks tegenkomt. Bij al deze problemen, die opvallend vaak lichamelijke gevolgen hebben, is het duidelijk dat je
4 | FysioPraxis juni 2021
ze alleen kunt opmerken, onderzoeken of behandelen, als je echt biopsychosociaal werkt. Het probleem kort samengevat: aan de ene kant zijn er mensen die minder gezond zijn, omdat ze geen toegang hebben tot de juiste informatie, of die niet kunnen verwerken of toepassen. Aan de andere kant zijn er professionals die jarenlang studeren om deze kennis te krijgen en te kunnen beoordelen. Het lijkt zo logisch dat de deskundigen de bekende kennis bundelen en doorgeven aan de mensen die minder handig zijn in PubMed of het lezen van richtlijnen. Wat waar is, is echter niet altijd duidelijk. Dat leidt tot problemen die je niet alleen bij Trump of Bolsonaro ziet, maar ook rond Rutte en De Jonge: het vertrouwen in ‘ware kennis’ neemt af. Corona leert ons: het ís ook onhandig om politieke besluiten te proberen te legitimeren met wetenschappelijke kennis. Veel mensen gaan naar de fysiotherapeut met klachten die vanzelf over gaan.
Je zou kunnen zeggen dat hulp vragen voor dit soort klachten automatisch de dominantie van psychosociale factoren aangeeft, juist in de acute fase, maar je zou ook kunnen concluderen dat deze mensen beperkte gezondheidsvaardigheden hebben. Tegelijk heeft iedereen waarschijnlijk de ervaring dat het vertellen van deze ware kennis aan iemand met bijvoorbeeld acute lage rugpijn, de verwachting dat je toch iets gaat ‘doen’ niet wegneemt. Of deze groep al meegerekend wordt in de prevalentie van beperkte gezondheidsvaardigheden of niet, onrechtvaardig blijft het: één op de drie mensen!
Collegiale groet, Jeroen van Egmond docent fysiotherapie en zorgethicus j.van.egmond3@hva.nl
inhoud
Verder
8
20
4 Op de cover & column Jeroen van Egmond 7 Stage-impressie: Marlotte Koudijs 7 Geschiedenis: congresdag 12 Factsheet gezondheidsvaardigheden 13 Patiënt in beeld 17 Begrijpelijk communiceren 28 Wetenschap – samenvatting 29 Tip van de redactie & column Arianne Verhagen
Specialistenkatern
14
26
8 ‘Moeilijke patiënt’?
20 Praktische tips
Er zijn van die patiënten die altijd te laat komen, niet goed kunnen vertellen waarom ze komen, die geen vragen stellen, hun oefeningen niet doen en snel boos worden. ‘Moeilijke patiënten’ vinden wij dat, maar de kans is groot dat het om patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden gaat. In dit artikel neemt Harriet Wittink je mee in het thema van dit nummer: beperkte gezondheidsvaardigheden. Wat verstaan we hieronder en hoe kunnen we er het beste mee omgaan?
14 Leg de lat niet te hoog
Drie op de tien Nederlanders hebben moeite met het vinden, begrijpen en toepassen van gezondheidsinformatie. Met andere woorden: zij kampen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Wat is de impact daarvan en hoe herken je deze mensen in de spreekkamer? Professor Jany Rademakers, werkzaam bij het Nivel en de Universiteit Maastricht, doet onderzoek naar gezondheidsvaardigheden en ziet ook voor fysiotherapeuten een belangrijke rol in het ondersteunen van deze groep.
Hoe is het om als fysiotherapeut te werken in een wijk waar de gezondheidsvaardigheden van patiënten lager zijn dan gemiddeld? Aan de hand van een casus geeft ervaringsdeskundige Susanne Willemsen, werkzaam in de Rotterdamse volkswijk ‘Oude Westen’, een aantal tips: waar kan je in de omgang met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden aan denken? Voor de keuzes binnen de behandeling van de knieklachten maakte ze gebruik van de KNGF-richtlijn Artrose heup-knie.
26 Inleven en luisteren
Onder de groep mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden vallen ook mensen afkomstig uit Arabische landen. De verschillen binnen de gezondheidszorg tussen die landen en Nederland zijn groot. Zo wordt in de Arabische wereld het succes van de behandeling vaak volledig op het conto van de zorgverlener geschreven. Fysio- en manueel therapeut Zyrian Barzinji, afkomstig uit Irak: “Je moet altijd proberen je in te leven in de belevingswereld van een patiënt. En je moet goed kunnen luisteren.”
32 NFP: Aandacht voor patiënten in lage SES-wijken 33 VHVL: Multidisciplinaire herstelzorg COVID-19 34 NVMT: Actuele kennis en attitude van pijn
KNGF-katern 37 In het zonnetje: Susanne Willemsen 38 Afscheidsinterview Kitty Bouten 40 Wetenschappelijk landschap 42 Ontwikkelingen cao – deel 1 43 E-learning: Blauwe plekken bij kinderen FysioPraxis juni 2021 | 5
Universitaire Masterstudie
Evidence Based Practice in Health Care MSc/Drs Start 20e academisch jaar september 2021 Tweejarige universitaire deeltijd masterstudie tot klinisch epidemioloog (medisch wetenschappelijk onderzoeker). Bridging health care and science ■ een eersteklas carrièrestap als startpunt naar een hoog wetenschappelijk niveau ■ modern en actueel onderwijs met een multidisciplinaire benadering ■ (inter)nationaal gerespecteerd en NVAO-geaccrediteerd ■ voor medici, paramedici, promovendi, verpleeg- en verloskundigen Voor contact, voorlichtingsdata, informatie en aanmelding: www.amc.nl/masterebp
Verkorte SPC behorende bij advertentie elders in dit blad Naam van het geneesmiddel: Voltaren Emulgel Extra Sterk 2,32%, gel Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling: Eén gram Voltaren Emulgel Extra Sterk 2,32% gel bevat 23,2 mg diclofenac diethylamine. Hulpstoffen met bekend effect: propyleenglycol (50 mg/g gel); butylhydroxytolueen (0,2 mg/g gel). Farmaceutische vorm: Gel. Witte of witachtige, zachte, homogene, crème-achtige gel. Therapeutische indicaties: Ter lokale verlichting van milde tot matige gewrichtspijn, veroorzaakt door exacerbatie van osteoartrose van de knie en van de vingers. Het effect van Voltaren Emulgel wordt gedurende de eerste week van de behandeling geleidelijk opgebouwd. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de vermelde hulpstoffen.Patiënten bij wie de inname van acetylsalicylzuur of een ander niet-steroïdaal anti-inflammatoir geneesmiddel (NSAID), gevolgd wordt door een astma-exacerbatie, urticaria of acute rhinitis. Gedurende het laatste trimester van de zwangerschap. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: De kans op ongewenste systemische effecten bij toepassing van Voltaren Emulgel Extra Sterk kan niet worden uitgesloten, bij gebruik op grote huidoppervlakten en gedurende een langere periode (zie productinformatie van de systemische vormen van diclofenac). Voltaren Emulgel Extra Sterk mag enkel op een intacte, gezonde huid worden aangebracht en niet op wonden of een beschadigde huid. Voltaren Emulgel Extra Sterk mag niet in aanraking worden gebracht met ogen of slijmvliezen, en mag nooit worden ingeslikt. Stop het gebruik van Voltaren Emulgel Extra Sterk als er zich een huiduitslag ontwikkelt. Voltaren Emulgel Extra Sterk kan gebruikt worden met niet-occlusieve verbanden, maar mag niet gebruikt worden onder een luchtdicht, occlusief verband. Voltaren Emulgel Extra Sterk bevat: Propyleenglycol, wat milde, gelokaliseerde huidirritatie kan veroorzaken bij sommige mensen. Butylhydroxytolueen, wat lokale huidreacties (bv. contactdermatitis) of irritatie aan de ogen en slijmvliezen kan veroorzaken. Bijwerkingen: Lichte en voorbijgaande huidreacties op de plaats van toepassing maken deel uit van de bijwerkingen. Zeer zelden kunnen allergische reacties optreden. Infecties en parasitaire aandoeningen: Zeer zelden: pustulaire rash. Immuunsysteemaandoeningen: Zeer zelden: overgevoeligheid (inclusief urticaria), angioneurotisch oedeem. Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen: Zeer zelden: astma. Huid- en onderhuidaandoeningen: Vaak: dermatitis (inclusief contactdermatitis), rash, erytheem, eczeem, pruritus. Zelden: bulleuse dermatitis. Zeer zelden: fotosensibiliteit. Farmacotherapeutische categorie: lokaal product voor gewrichtspijn. Antiinflammatoir preparaat, niet-steroïdaal, voor topisch gebruik, ATC code: M02A A15. Vergunninghouder: GlaxoSmithKline Consumer Healthcare B.V., Van Asch van Wijckstraat 55G, 3811 LP Amersfoort, Nederland Indeling van het geneesmiddel: Uitsluitend apotheek of drogist Datum: Mei 2020
er n t ar p e J eweging in b Wobenzym® sport:
Wobenzym® plus:
• Voedingssupplement • Met vitamine C voor extra weerstand bij lichamelijke inspanning1 • 4-5 dagen voor aanvang van de training of tijdens de training
Enzymcomplex aangevuld • met Vitamine D voor het behoud van soepele spieren • en vitamine C voor het behoud van gezond kraakbeen
1. Een gunstig effect wordt verkregen bij een dagelijkse inname van 200 mg Vitamine C naast de aanbevolen dagelijkse inname van Vitamine C.
Wobenzym Combi advertentie 185x132.indd 1
www.wobenzym.nl
24-03-21 12:30
studenten en SGF
De stage van Marlotte Koudijs
“Elke dag gestimuleerd om initiatief te nemen”
Wie ben je en waar studeer je?
Wat heb je gedaan?
Ik ben Marlotte Koudijs (21), ik studeer fysiotherapie aan Hogeschool Zuyd in Heerlen en zit in mijn derde jaar. Ik ben actief bij studentenvereniging Lux ad Mosam in Maastricht en ben graag buiten.
Er zijn veel verschillende soorten patiënten, van herstel na een knieoperatie tot revalidatie na een CVA. Zo zit er veel afwisseling in de stagedagen. Ik word door mijn stage begeleiders gestimuleerd om initiatief te nemen en ze geven mij de vrijheid om zelf te onderzoeken en behandelingen uit te voeren, vragen te stellen en klinisch te redeneren naar aanleiding van een casus. Daarnaast komt multidisciplinaire samenwerking in deze stage veel naar voren.
Waar loop je stage? Bij Maastricht UMC+ Herstelzorg, waar revalidatiezorg voor geriatrische patiënten wordt aangeboden. Ouderen kunnen hier revalideren na een ongeval of operatie, zodat ze zo snel mogelijk weer naar huis kunnen. Het soort klachten verschilt van orthopedisch tot neurologisch. Nu zijn er ook veel patiënten die revalideren na COVID-19.
Wat is anders in de praktijk dan je op de opleiding hebt geleerd? De opleiding richt zich met name op de theorie en hoe je die kan toepassen op
de patiënt, terwijl dit in mijn stage juist andersom is. Hier kijken we naar de patiënt en passen de theorie erop toe. Ook is er vaak sprake van meerdere pathologieën tegelijkertijd, waardoor je meer moet kijken naar het geheel en dan is multidisciplinaire samenwerking van groot belang.
Wil je in dezelfde setting en met dezelfde patiëntengroep werken? Ik ben enthousiast over mijn stage. Ik fiets met een blij gevoel terug naar huis en geniet van de gesprekken met patiënten. Ik ben mij aan het oriënteren om te zien waar mijn interesse nog meer ligt en kijk uit naar mijn volgende stage in de eerste lijn.
Hoe ben je aan je stageplek gekomen? Via de opleiding heb ik een adres toegewezen gekregen en kon ik contact leggen met het stageadres.
Beschrijf je stageadres in 3 woorden Leerzaam, multidisciplinair en dankbaar.
Stichting Geschiedenis Fysiotherapie
Dag van de fysiotherapie geschiedenis Op vrijdag 24 september vindt het jaarlijkse congres plaats van de Stichting Geschiedenis Fysiotherapie (SGF). De bijeenkomst is op Urk in het Trefpunt Medische Geschiedenis in Nederland. Tekst: Huub Vossen en Anton de Wijer
Het programma start om 10.00 uur en eindigt om circa 13.30 uur. Op het programma staan de volgende sprekers:
• Dr. Anton de Wijer, voorzitter SGF: inleidende terug- en vooruitblik op de fysiotherapie. • Dr. Erik Hulzebos, assistant professor Medische fysiologie en (Sport)fysiotherapie: de ontwikkeling van de longfysiotherapie in Nederland. • Prof. dr. Annelies Pool, VU, SOMT: van practise based evidence naar context based evidence, een blik op onze geschiedenis. • Peter van Schie, voormalig docent en opleidingsmanager Hogeschool Leiden: de ontstaansgeschiedenis van de opleiding fysiotherapie in Leiden.
Het bestuur van Stichting Geschiedenis Fysiotherapie
Tussendoor vinden er diverse praktijkintermezzo’s plaats.
Kosten voor het congres: o bij inschrijving voor 1 augustus: € 35,- p.p. o bij inschrijving na 1 augustus: € 45,- p.p. o begunstigers SGF betalen € 10,- p.p. Voor inschrijving en meer informatie over Stichting Geschiedenis Fysiotherapie: kijk op www.sgfinfo.nl of mail naar stgefy@kpnmail.nl. FysioPraxis juni 2021 | 7
wetenschap - inleiding
Beperkte gezondheidsvaardigheden
‘Moeilijke patiënt’ of moeilijke communicatie? Iedereen kent ze wel: patiënten die te laat komen, niet goed kunnen vertellen waarom ze bij je komen, geen vragen stellen, niet in staat zijn om een concreet therapiedoel te verwoorden en hun vragenlijsten niet invullen. Ze worden ongemakkelijk of boos als er te veel vragen worden gesteld. En dan doen ze ook nog hun oefeningen niet en volgen ze jouw aanbevelingen niet op. Moeilijke patiënten vinden wij dat, maar de kans is groot dat het hier om een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden gaat. En dat het met een beetje geduld en begrip wel meevalt met die ‘moeilijke patiënt’.
Tekst: Harriet Wittink
Gezondheidsvaardigheden De gezondheidszorg gaat uit van de geïnformeerde patiënt, die zijn rechten en plichten kent en weloverwogen besluiten neemt over zijn gezondheid. Volgens de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) moeten zorgverleners patiënten op een voor hen begrijpelijke manier inlichten over hun gezondheidstoestand, onder zoek, behandeling en eventuele alterna tieven, met als doel informed consent. In de communicatie met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden lukt het de zorgverlener vaak onvoldoende om goed aan te sluiten bij de patiënt. ‘Gezondheidsvaardigheden’ is de gang bare Nederlandse vertaling van de term health literacy. Er bestaan veel ver schillende definities voor gezondheids vaardigheden. Een van de bekendste definities is de volgende: gezondheids vaardigheden zijn de persoonlijke, cog nitieve en sociale vaardigheden die men nodig heeft voor het verkrijgen, begrijpen en toepassen van informatie voor het bevorderen of behouden van een goede gezondheid.1 Bij gezondheidsvaardig heden gaat het om meer dan alleen het kunnen begrijpen van geschreven informatie en het succesvol maken van afspraken. Bevordering van gezondheids vaardigheden kan men beschouwen als een middel voor patiënten om meer
8 | FysioPraxis juni 2021
controle uit te kunnen oefenen over hun eigen gezondheid en de persoonlijke, sociale en omgevingsgebonden factoren die daarbij een rol spelen.
te gebruiken om meer controle uit te oefenen over het eigen leven (bijvoor beeld zelfstandig bloedsuikers onder controle houden bij diabetes en weten wanneer medische hulp nodig is).
Volgens een grote studie in Europa heeft 30% van de Nederlanders zeer beperkte of beperkte gezondheidsvaardigheden Nutbeam onderscheidt drie niveaus van gezondheidsvaardigheden:1 1) basis/functionele gezondheidsvaar digheden: het beschikken over vol doende basisvaardigheden op het gebied van lezen en schrijven om in alledaagse situaties effectief te kun nen functioneren (het kunnen lezen, begrijpen en invullen van vragenlijs ten); 2) communicatieve/interactieve gezond heidsvaardigheden: het vermogen om schriftelijke of mondelinge informatie te verkrijgen over ziekte en gezond heidszorg en om deze informatie toe te passen op de eigen situatie. (bij voorbeeld de dialoog aan kunnen gaan met een zorgverlener, vragen stellen en de antwoorden kunnen begrijpen); 3) kritische gezondheidsvaardigheden: de vaardigheden om gezondheids informatie kritisch te analyseren en deze
Laaggeletterd en laaggecijferd Volgens een grote studie in Europa heeft 30% van de Nederlanders zeer beperkte of beperkte gezondheidsvaardigheden.2 Dat betekent dat zij moeite hebben met het vinden, begrijpen en toepassen van informatie over gezondheid en dat voor hen zelfmanagement dus extra moeilijk is. Omdat (heel) beperkte gezondheids vaardigheden samenhangen met slecht kunnen lezen en schrijven (laaggelet terdheid) en rekenen (laaggecijferdheid), hebben deze mensen ook vaak proble men met klokkijken (en komen ze dus te laat, helemaal niet, of op de verkeerde dag), hun weg vinden in een ziekenhuis of gezondheidscentrum of het begrijpen van bijsluiters. En, voor fysiotherapeuten niet onbelangrijk, er lijkt een lineaire relatie te bestaan tussen gezondheidsvaardig heden en de mate van bewegen. Hoe lager de gezondheidsvaardigheden, hoe minder (vaak) mensen bewegen.2
Mensen met lagere gezondheidsvaardig heden rapporteren zelf vaker een matige of slechte gezondheid en hebben ook objectief minder goede gezondheidsuit komsten.3 Daarbij gaat het om het vaker voorkomen van bepaalde ziekten (zoals astma, diabetes, kanker, hart- en vaat ziekten, psychische aandoeningen) en om een grotere sterftekans op jongere leeftijd, het goed innemen van medicij nen en het goed interpreteren van labels en gezondheidsinformatie.3 Ze kunnen minder goed schriftelijke informatie (op papier of internet, als dat al beschikbaar is) lezen en/of begrijpen. Daarbij komt dat veel informatie over gezondheid geschreven is op een veel te moeilijk niveau voor de meeste lezers. Ze hebben over het geheel genomen een minder gezonde leefstijl en nemen minder vaak deel aan preventie- en screeningspro gramma’s. Omdat ze niet goed kunnen beoordelen wanneer ze een gezondheids probleem zelf kunnen oplossen en wan neer niet, gaan ze vaker dan nodig naar de huisarts of Spoedeisende Hulp. Dit leidt tot onnodige zorgkosten.4
‘Mijn leesbril ligt nog thuis’ Voor mensen met beperkte gezond heidsvaardigheden zijn vragenlijsten een probleem. Veel mensen met leespro blemen schamen zich en verbergen hun onvermogen om te lezen.5 Onderzoek liet zien dat deze mensen liever geen vragen stellen en liever niet duidelijk maken dat zij niet hebben begrepen wat er is gezegd, omdat ze bang zijn dat hun zorgverleners ontdekken dat zij leesproblemen heb ben. Zij verbergen hun leesproblemen door bijvoorbeeld te zeggen dat zij hun leesbril niet bij zich hebben, door naar een vertrouwenspersoon te verwijzen die bij het consult is, door te zeggen dat zij het later zullen lezen, of door een excuus te verzinnen om weg te gaan.6 Het is daarom belangrijk dat de vragenlijsten die je gebruikt, getest zijn op begrijpe lijkheid en toegankelijkheid bij mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Met voortschrijdende technologie wordt het steeds makkelijker om vragenlijsten digitaal te laten voorlezen, zodat zij ook eenvoudiger kunnen worden begrepen en ingevuld.7-9 Goede patiënt-zorgverlener-interacties zijn essentieel voor goede uitkomsten in de zorg.10-13 De volgende factoren
zijn geassocieerd met een hoge kwali teit patiënt-zorgverlener-interactie: de patiënt voelt zich serieus genomen, de betrokkenheid van de zorgverlener bij de patiënt, een duidelijke uitleg van de klacht en een open interactie tussen patiënt en zorgverlener.11
Gewone taal graag Een goede communicatie tussen patiënt en zorgverlener is hierbij essentieel. Mensen met beperkte gezondheidsvaar digheden hebben minder of geen kennis van hun lichaam en van gezondheid en ziekte. Zij kunnen daarom ook minder goed uitleggen wat hun (belangrijkste) klacht is. Zij realiseren zich niet goed welke informatie zorgverleners nodig hebben, hebben niet het vocabulaire om hun symptomen duidelijk uit te leggen of geven informatie in een niet logische chronologische volgorde.14 Dat maakt het een uitdaging voor de zorgverlener om de hulpvraag te achterhalen. Maar omge keerd rapporteren patiënten dat zij vaak niet goed begrijpen wat er wordt gezegd tijdens consulten en zij wijden dit gedeel telijk aan problemen in het begrijpen van de taal die gebruikt wordt door zorgverle ners. Verschillende studies laten zien dat zorgverleners beperkte gezondheidsvaar digheden niet herkennen in werkende volwassenen die in staat zijn een gesprek te voeren in de moedertaal, en dat ze hun communicatiestijl dus niet aanpassen.15-17 Bij het communiceren met beperkt gezondheidsvaardige patiënten helpt het om gewone taal te gebruiken. Gebruik de tegenwoordige tijd in korte zinnen met eenvoudige woorden of gebruik dezelfde woorden als jouw patiënten. Spreek duidelijk, niet te snel, wees specifiek en beperk de informatie (3-5 kernpunten). Gebruik als het kan eenvoudige afbeel dingen en/of tekeningen om uit te leggen. Het toevoegen van beeld aan geschreven en gesproken taal kan de aandacht van de patiënt, het begrip en het onthouden van informatie vergroten en daarmee de therapietrouw verbeteren. Onderzoek suggereert dat beelden mensen met lage gezondheidsvaardigheden kunnen helpen relaties te begrijpen, op voorwaarde dat ze de elementen begrijpen die met elkaar in verband worden gebracht. Uit onder zoek blijkt ook dat gesproken informatie, met behulp van beelden, in hoge mate kan worden gereproduceerd door mensen
met een lage geletterdheid. Dit zou mensen met een lage geletterdheid in staat kunnen stellen optimaal gebruik te maken van informatie die wordt gespro ken door zorgaanbieders.18 Voor beeldge bruik wordt geadviseerd om eenvoudige realistische beelden met beperkte inhoud te gebruiken.19 Denk aan beelden van het hele lichaam als referentie voor lichaams delen. Ook wordt geadviseerd het gebruik van abstracte symbolen te minimaliseren. Voor iemand zonder enige anatomische kennis is het bij een plaatje van de schou der bijvoorbeeld onduidelijk waar in het lichaam dat plaatje past. (Zie het kader op pag. 11 voor een h andige website met voorbeelden.)
Terugvraagmethode Een andere grote uitdaging in de com municatie in de gezondheidszorg is het vermogen van patiënten om zich de informatie te herinneren die aan hen wordt verstrekt. Het herinneren van informatie wordt beschouwd als een belangrijke mediator voor therapietrouw en betere gezondheidsuitkomsten.9,10 Uit onderzoek is gebleken dat minder dan de helft van de informatie over medicatie en dieet nauwkeurig door patiënten kan worden teruggehaald,10,11 en dat dit zelfs nog moeilijker kan zijn voor mensen met een laag opleidingsniveau.12 Om er zeker van te zijn dat een patiënt de gegeven informatie heeft begrepen, kan de teach back-methode worden gebruikt, ook wel bekend als show me of closing the loop of in het Nederlands als de terug vraagmethode(zie figuur 1). Door een patiënt te vragen om de gecommuni ceerde informatie in zijn eigen woorden te herhalen, kan het begrip van die infor matie worden vergroot. De vragen die daarbij kunnen worden gesteld zijn: FysioPraxis juni 2021 | 9
»
» “Ik heb net veel informatie gegeven. Ik wil graag weten of ik het goed heb uitgelegd. Kan je mij vertellen waarover we zojuist hebben gesproken om te zien of ik dui delijk was? Ik wil er zeker van zijn dat ik alles duidelijk heb uitgelegd.” Of: “Wil je me laten zien hoe je dit thuis gaat doen/ vertellen, zodat ik weet of ik het goed heb uitgelegd?” Als er iets niet begrepen is, dan wordt het opnieuw uitgelegd. Het proces gaat door tot het duidelijk is dat de patiënt de informatie heeft begrepen. Het is aangetoond dat het gebruik van de terugvraagmethode kennis vergroot en therapietrouw, eigen effectiviteit en zelf managementvaardigheden in patiënten met chronische ziekten verbetert.20
Figuur 1
Leesniveaus Leesbaarheid is het gemak waarmee een lezer een geschreven tekst kan begrij pen. Het is een belangrijk kenmerk van geschreven materiaal, dat het vermogen van de lezer om te begrijpen kan beïn vloeden. Het Europees Referentiekader (ERK) is algemeen geaccepteerd als de meetlat voor het leesniveau van teksten en andere taaluitingen. Het ERK onder scheidt zes niveaus:21 • A1: Ik kan vertrouwde namen, woorden en zeer eenvoudige zinnen begrijpen, bijvoorbeeld in mededelingen, op pos ters en in catalogi. Voorbeeld: Ik ga naar huis. Ik moet eten. Ga je ook mee? • A2: Ik kan korte eenvoudige teksten lezen. Ik kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alle daagse teksten zoals advertenties, menu’s en dienstregelingen en ik kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen. Dit is het niveau dat behaald moet worden door inburgeraars. • B1: Ik kan teksten begrijpen die hoofdzakelijk bestaan uit hoogfre quente, alledaagse of aan mijn werk gerelateerde taal. Ik kan de beschrij ving van gebeurtenissen, gevoelens en wensen in persoonlijke brieven begrijpen. Ongeveer 40 procent van de Nederlandse bevolking beschikt over dit taalniveau. Veel gratis kran ten hanteren dit taalniveau. Van de Nederlandse bevolking is 95 procent in staat om deze teksten te lezen en te begrijpen. • B2: Ik kan artikelen en verslagen lezen die betrekking hebben op eigentijdse problemen, waarbij de schrijvers een
10 | FysioPraxis juni 2021
Schematische weergave van de terugvraagmethode
bijzondere houding of bijzonder stand punt innemen. Ik kan eigentijds literair proza begrijpen. • C1: Ik kan lange en complexe feitelijke en literaire teksten begrijpen en het gebruik van verschillende stijlen waar deren. Ik kan gespecialiseerde artikelen en lange technische instructies begrij pen, zelfs wanneer deze geen betrek king hebben op mijn terrein. • C2: Ik kan moeiteloos vrijwel alle vor men van de geschreven taal lezen, inclusief abstracte, structurele of lin guïstisch complexe teksten, zoals handleidingen, gespecialiseerde artike len en literaire werken.22
Zorg voor eenvoud De gemiddelde volwassene in Nederland leest dus op B1-niveau. Taalniveau B1 staat voor eenvoudig Nederlands. Ook hoger opgeleiden en professionals lezen meestal liever teksten op B1-niveau dan op C1-niveau. Een tekst op B1-niveau leest namelijk gemakkelijker en sneller. Zeker als je teksten online leest, bijvoorbeeld op je smartphone. De National Institute of Health (NIH) suggereert ook dat het materiaal voor patiëntenvoorlichting op B1-niveau moet worden geschreven en geeft de volgende suggesties:16,17 • schrijf teksten op B1-niveau; • vermijdt onnodige woorden en jargon: gebruik geen medische termen, maar
• • • •
• •
korte, eenvoudige woorden die ieder een kent (vergelijk bijvoorbeeld rele vant, een woord op C1-niveau, en belangrijk, een woord op B1-niveau); vermijdt moeilijke en samengestelde woorden; schrijf korte zinnen (7-14 woorden); voorzie folders van meer beeldmateriaal; het lettertype, de lettergrootte en de regelafstand zijn belangrijk voor de leesbaarheid; werken met opsommingen geeft meer duidelijkheid; geef niet te uitgebreide informatie.
Het persoonlijk maken van de aandoe ning en het gebruik van de ervaring van de patiënt (bijvoorbeeld ‘pijnlijke voet’ in plaats van ‘plantar fasciitis’) vergroot de leesbaarheid. Het opdelen van het docu ment in beheersbare stukjes informatie met duidelijke koppen en meer afstand tussen de lijnen helpt de leesbaarheid ook.17 Het grootste deel van het beschik bare materiaal voor patiëntenvoorlich ting in de medische zorg wordt helaas geschreven op een leesniveau dat niet aan deze normen voldoet en dat te inge wikkeld is om begrepen te worden door een groot deel van de bevolking.18-24 In onderzoek binnen de fysiotherapie is er bijna geen informatie over de leesbaar heid van voorlichtingsmateriaal voor fysiotherapie, wat benadrukt dat dit een vergeten onderwerp binnen het veld is.
We hebben één document kunnen vinden over de leesbaarheid van online informa tie met betrekking tot het behandelen en managen van acute lage rugpijn. De leesbaarheidscores van deze site laten zien dat een groot deel van de informatie op deze website te complex is voor de gemiddelde lezer.23 Veel fysiotherapiewebsites hebben onaf gebroken, grote stukken tekst met infor matie (die vaak ook niet helemaal klopt), wat moeilijk te lezen en te begrijpen is door mensen met beperkte gezondheids vaardigheden. Een paar willekeurige voorbeelden van websites van fysio therapiepraktijken: • “Elke therapeutische prikkel, hetzij energetisch, biochemisch of biomecha nisch, kan het genezingsproces in uw lichaam in gang zetten.” Volgens de Accessibility Leesniveau Tool (zie kader) is dat C1-niveau, een niveau dat door het grote publiek niet of met veel moeite wordt gelezen en begrepen, terwijl deze tekst toch voor patiënten bedoeld is. • “Klachten worden veroorzaakt door een verstoring in het functioneren van spieren, pezen, banden en/of gewrichten, of zoals we dit noemen het houdings- en bewegingsapparaat. Deze verstoring wordt vaak veroor zaakt doordat de verhouding tussen wat u doet en wat uw lichaam aankan niet klopt. Dit kan zijn gekomen door
werk(houding), sportblessure, stress, ziekte of het ouder worden van het lichaam.” Ook dit voorbeeld heeft een te hoog leesniveau van B2/C1. • “De praktijk richt zich op het behan delen van klachten waarbij gekeken wordt naar het samenspel tussen lichaam en geest, dus naar de totale mens. Wij zijn namelijk niet alleen ons hoofd of alleen ons lijf, maar de ener gieke samenwerking tussen die twee.” Dit voorbeeld heeft leesniveau B2. De website ‘Is het B1’ (zie kader) helpt met het bepalen of een woord op B1-niveau is, maar beter nog is het om teksten te laten beoordelen op lees baarheid door patiënten zelf.
Ten slotte Het routinematig screenen van het niveau van gezondheidsvaardigheden van patiënten verbetert uitkomsten van de zorg niet en wordt niet aanbevolen. Wel wordt aanbevolen om begrijpelijke en toegankelijke informatie aan te bieden aan alle patiënten ongeacht hun gelet terdheid of opleidingsniveau. Dit omvat het vermijden van medisch jargon, het opsplitsen van informatie of instructies in kleine specifieke stappen, het beper ken van de focus van een bezoek tot drie belangrijke punten of taken, en het beoordelen van het begrip van de patiënt door de terugvraagmethode. Bovendien
moet gedrukte informatie worden geschreven op B1-leesniveau. Visuele hulpmiddelen, grafieken of afbeeldingen kunnen het begrip van de patiënt vergro ten.24 Wij moeten leren beter te luisteren naar onze patiënten en met hen te com municeren in een taal die zij begrijpen. Als laatste: zorg ervoor dat patiënten het antwoord hebben op de volgende ‘Ask Me 3’-vragen: 1) Wat is mijn voornaamste probleem? 2) Wat moet ik doen? 3) Waarom is dat belangrijk voor me?25 Dit alles gezegd hebbende: het is niet makkelijk om eenvoudig te communice ren. Ik heb geprobeerd om eenvoudige taal te hanteren in dit artikel, maar vol gens de tool is dit artikel toch geschreven op leesniveau C1.
Harriet Wittink PhD PT, lector Leefstijl en Gezondheid, Hogeschool Utrecht
Harriet.Wittink@hu.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
Meer informatie en handige websites:
Loketgezondleven.nl
Alliantie Gezond heidsvaardigheden
NIVEL Kennisvraag 2016: Zorg op maat. Hoe kunnen we de zorg beter laten aansluiten bij mensen met lage gezondheidsvaardigheden?
Accessibility Leesniveau Tool
Is het B1?
Pharos: werken met eenvoudig beeld- en voorlichtingsmateriaal
NIVEL Kennissynthese. Gezondheidsvaardigheden. Niet voor iedereen vanzelfsprekend
FysioPraxis juni 2021 | 11
wetenschap - overzicht
Plug & Play • • • •
1 op 1 training Circuittraining Past binnen de KNGF-richtlijn Lage rugpijn Eenvoudig te bedienen
SMART
• Specifiek: sturing, Motor Control • Meetbaar en reproduceerbaar • Aanwijsbaar, uw cliënt met Motor Control insufficiëntie • Realistisch, zichtbaar en voelbaar resultaat • Tijdsgebonden, binnen 2 tot 6 sessies
YVLO-ZwangerFit® Opleiding In 3 maanden tijd word je allround YVLO-ZwangerFit® Trainer. KRF NL: 98 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken
YVLO-Postpartum Problematiek KRF NL: 19 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken
YVLO-ZwangerFit® Mindful Ademen en Ontspannen T
010 416 93 93
www.veldon.nl
12 | FysioPraxis juni 2021
E
info@veldon.nl
Ademen en ontspannen volgens methode van Dixhoorn. KRF NL: 7 Accreditatiepunten Algemeen en Bekken Kijk voor de data en meer informatie op yvlo.nl.
patiënt in beeld
Verderop in dit nummer geeft de fysiotherapeut van Ruud een toelichting op de behandeling (zie pag. 25).
Foto: Wiep van Apeldoorn
Ruud: Op 12 januari werd ik op mijn scooter aangereden door een auto. Daarbij liep ik onder andere een breuk op aan mijn linkerduim, een Bennett-fractuur. In het ziekenhuis werd deze gezet en vervolgens moest mijn duim in het gips. Omdat de stand niet goed bleek, werd ik zes dagen later geopereerd, waarbij mijn duim met twee pinnen werd vastgezet (K-draden). Meteen voelde ik dat het beter zat en had ik nauwelijks pijn meer. Na vier weken mocht het gips eraf en werd ik doorverwezen naar de handtherapeuten bij het Paramedisch Expertisecentrum. Ik had me voorheen nooit gerealiseerd hoe beperkend het is als je je duim niet kunt gebruiken en ik voelde me in het begin enorm onthand. Fysiotherapeut Loek Peters heeft me begeleid met oefeningen en het opbouwen van beweeglijkheid en kracht in mijn duim. Omdat ik voor mijn werk in een magazijn de hele dag voorwerpen van verschillend gewicht moet pakken, was ik bang dat ik mijn duim zou forceren. Daarom maakte de ergotherapeut, Tom Cranen, een spalk voor me die mijn duim beschermde. Die ben ik zo’n zeven weken na de operatie gaan afbouwen en inmiddels kan ik mijn duim weer volledig gebruiken. De begeleiding door gespecialiseerde handtherapeuten gaf me veel vertrouwen in een goed herstel.
FysioPraxis juni 2021 | 13
uit het veld
Bijzonder hoogleraar Gezondheidsvaardigheden Jany Rademakers:
Aandacht voor beperkte gezondheidsvaardigheden Drie op de tien Nederlanders hebben beperkte gezondheidsvaardigheden. Zij hebben moeite met het vinden, begrijpen en toepassen van gezondheidsinformatie. Wat is de impact hiervan en hoe herken je deze mensen in de spreekkamer? Professor Jany Rademakers, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (Nivel) en de Universiteit Maastricht, doet onderzoek naar gezondheidsvaardigheden en ziet ook voor fysiotherapeuten een belangrijke rol in het ondersteunen van mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden.
Tekst: Brenda van Dam
“In mijn werk heb ik altijd de ambitie gehad om iets te doen voor mensen die hun leven niet op eigen kracht kunnen organiseren. Ik vind het een uitdaging om mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden te ondersteunen en de zorg daarop aan te passen.” Zo vat Jany Rademakers haar onderzoeksthema samen. Rademakers is dit voorjaar voor een tweede termijn benoemd als bijzonder hoogleraar Gezondheidsvaardigheden en patiëntparticipatie aan het Care and Public Health Research Institute (CAPHRI) van de Universiteit Maastricht. Deze bijzondere leerstoel wordt gefaciliteerd door het Nivel, waar Rademakers haar werkbasis heeft en een onderzoeksafdeling leidt. “Toen ik dertien jaar geleden bij het Nivel begon, werd de rol van de patiënt steeds belangrijker. Die patiënt moest zelf een zorgverzekering gaan uitzoeken en ook zelf een zorgverlener kiezen. Omdat ik wist dat patiënten vaak helemaal niet zo actief zijn, was ik benieuwd hoe dat in de praktijk zou uitwerken.” Het werd het begin van haar huidige onderzoeksterrein. “In Amerika sprak men van health literacy, gezondheidsvaardigheden. Ik vond dat een mooie invalshoek om te kijken naar de verschillen tussen mensen, naar gezondheidsverschillen en de oorzaken daarvan.”
Kwetsbare groepen Met haar leerstoel in Maastricht wil Rademakers aandacht genereren voor het feit dat niet iedere patiënt hetzelfde is en dat een specifieke groep patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden extra ondersteuning nodig heeft. In het huidige stelsel wordt een actieve patiëntenrol verlangd, maar voor veel mensen is dat lastig. Ongeveer drie
14 | FysioPraxis juni 2021
op de tien Nederlanders beschikken niet over voldoende gezondheidsvaardigheden. Dat zijn relatief vaker mensen met een laag opleidingsniveau en een lagere sociaaleconomische positie. Dat zijn echt niet alleen laaggeletterden, waarschuwt Rademakers. “Er is een grote groep van mensen die best redelijk kan lezen en schrijven, maar niet begrijpt wat de informatie betekent. Dan kom je in totaal op 29 procent van de Nederlanders boven de 18 jaar.” Dat zijn vaker ouderen en ook vaker mannen dan vrouwen. En dat heeft volgens Rademakers met socialisatie te maken: “Vrouwen zijn van jongs af aan meer met hun lichaam bezig, worden ongesteld en als ze later ook nog zwanger raken en moeder worden, zijn ze vaak de verantwoordelijke voor de gezondheid van het gezin.”
Impact Beperkte gezondheidsvaardigheden hebben allereerst een grote impact op gezondheidsuitkomsten. Globaal gezien leven mensen met een laag opleidingsniveau zes jaar korter en vijftien jaar in minder goed ervaren gezondheid. Rademakers: “Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben vaker een minder gezonde leefstijl. Ze hebben mede hierdoor meer kans op chronische ziekten, worden eerder ziek, hebben meer uitval op het werk en minder goede kwaliteit van leven. De WHO noemt health literacy als een van de belangrijkste determinanten van verschillen in gezondheid.” Daarnaast is er een impact op de kwaliteit van het zorgproces. Mensen met lagere gezondheidsvaardigheden geven lagere cijfers aan de zorg die ze krijgen. Dat komt met name doordat ze problemen ervaren met de communicatie- en informatievoorziening. “Ze hebben het gevoel dat ze de dokter of de zorgverlener niet begrijpen. En omgekeerd.” Het onderzoek dat Rademakers uitvoert, gaat dan ook vaak over communicatie- en informatiethema’s, zoals samen beslissen, risicocommunicatie en juist medicijngebruik.
Denken en doen Waar lopen patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden tegenaan? Rademakers: “Op individueel niveau gaat het bij patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden om twee aspecten: het denkvermogen en het doenvermogen. Het eerste gaat om cognitieve vaardigheden: mensen kunnen de informatie niet vinden of begrijpen. Omdat ze moeite hebben met lezen of onvoldoende digitale vaardigheden hebben. Dat geldt sterker voor mensen met een laag opleidingsniveau. Zodra het gaat om handelen, het toepassen van kennis in de eigen situatie, zie je dat het opleidingsverschil minder belangrijk wordt. Dan zie je dat er óók genoeg hoger opgeleide mensen zijn die dat lastig vinden.” Ook de context speelt een rol. Er zijn
situaties waarbij mensen hun gezondheidsvaardigheden even helemaal kwijt zijn. “Je kunt nog zulke goede vaardigheden hebben, maar als jij heel erg slecht nieuws hoort, weten we dat je in de minuten daarna geen informatie meer kunt opnemen. Je hoort niet wat er gezegd is of maar de helft.”
Het systeem Rademakers kijkt niet alleen naar de patiënt. “We hebben de zorg ingewikkeld georganiseerd. Het is moeilijk om de weg naar de juiste hulpverlener te vinden. Zeker in coronatijd kun je niet zomaar bij een zorgverlener binnenwandelen, maar moet je bijvoorbeeld online een afspraak maken. Als je slechte digitale vaardigheden hebt, is zoiets een probleem.” Ook de informatie en communicatie van zorgverleners is voor verbetering vatbaar. Als een zorgverlener een foldertje meegeeft, zal een laaggeletterde iemand anders moeten vragen wat erin staat. Ook mondelinge informatie wordt lang niet altijd opgepikt. “Als je iets uitlegt en mensen hebben geen vragen, dan is dat eigenlijk een slechte situatie. Patiënten vertellen niet makkelijk uit zichzelf dat zij moeite hebben met lezen of dat ze de informatie niet begrijpen. Ze zijn zenuwachtig als ze naar een zorgverlener moeten, bang dat men erachter komt dat zij het niet snappen en proberen zo snel mogelijk die spreekkamer uit te komen.”
Waar lopen zorgverleners tegenaan? In 2018 werden huisartsen, praktijkondersteuners, verpleegkundigen, medisch specialisten en andere zorgverleners (waaronder fysiotherapeuten) gevraagd naar hun ervaringen met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden. Problemen openbaarden zich op een drietal momenten: voor, tijdens en na het consult. Een veel genoemd probleem voorafgaand aan het consult is het niet komen opdagen voor een afspraak. “Dat gebeurt bij deze groep vrij vaak en kan allerlei redenen hebben”, legt Rademakers uit. “Het kan te maken hebben met basale dingen als niet goed kunnen klokkijken of geen agenda hebben. Het is dus heel belangrijk om mensen op een laagdrempelige manier nog even te herinneren aan hun afspraak.” Tijdens het consult blijkt dat mensen met beperkte vaardigheden vaak moeite hebben hun klachten op een chronologische manier uit te leggen. “Of je nu huisarts of fysiotherapeut bent, je wilt graag weten wat er eerst en wat er daarna gebeurde. Dat vinden mensen lastig. Je zult dus meer tijd moeten besteden om dingen uit te vragen, pro-actiever moeten zijn. Het is verder zinvol om visuele materialen te gebruiken bij het uitleggen van de diagnose; een zelfgemaakt tekeningetje helpt vaak al. Probeer op een eenvoudige manier uit te leggen hoe de dingen werken.” Eigenlijk vinden alle patiënten het prettig als dingen helder en eenvoudig uitgelegd worden,
» FysioPraxis juni 2021 | 15
»
maar bij deze groep is het extra belangrijk .“Bij de anderen kun je erop vertrouwen dat ze er nog eens naar vragen of het gaan opzoeken op internet. Deze groep doet dat niet.”
Terugvragen Rademakers noemt hierbij de teach back- methode, de terugvraagmethode. “Die kun je overal in de gezondheidszorg inzetten als je met iemand gesproken hebt. Het betekent niets anders dan dat je tegen iemand zegt: ‘Als u nou straks thuis komt en u moet tegen uw man of vrouw vertellen wat we hier besproken hebben, wat zegt u dan? Ik vind het fijn om dat nog eens in uw eigen woorden terug te horen. Dan weet ik of ik het u wel goed heb uitgelegd.’ Je ziet dan veel sneller wat mensen niet goed begrepen hebben.”
Houd het lijntje vast Ook na het consult kunnen zorgverleners tegen problemen aanlopen. “Ga deze mensen niet te veel zelf aan het werk zetten met grote tussenperioden”, adviseert Rademakers. “Verbreek het lijntje niet. Bel zelf of laat iemand even nabellen: lukt het met die oefeningen, waar loopt u tegenaan?” Zelfredzaamheid is best ingewikkeld, vindt Rademakers. “Ik ben niet tegen zelfredzaamheid, hoor. Ik zeg alleen dat je moet beseffen dat er bij een grote groep patiënten meer en andere ondersteuning nodig is. Focus niet zo zeer op kennis, maar oefen ook echt met bepaald gedrag in de praktijk. Leg de lat niet te hoog, werk met kleine stapjes en houd contact.”
Corona Rademakers heeft onderzocht hoe mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden de informatievoorziening rond COVID-19 ervaren. “Veel mensen begrijpen die niet. Ze worden overspoeld door de grote informatiestroom en dat leidt tot onrust, onvrede en angst. Dat heeft een negatieve impact op hun welzijn. Zorg werd uitgesteld of digitaal aangeboden. Dat is lastig voor mensen met beperkte digitale vaardigheden. Zij konden hun huisarts minder goed bereiken, terwijl ze juist veel behoefte hebben aan informatie op maat. Wat ook een rol speelt, is dat zij vaak minder vertrouwen hebben in de overheid. Dat, in combinatie met het gebrek aan begrip, kan ertoe leiden dat mensen de regels minder goed naleven.”
Fysiotherapeut is vertrouwd Rademakers ziet een duidelijke rol voor fysiotherapeuten weggelegd. “Net als de huisarts ben je als fysiotherapeut een vertrouwde hulpverlener en zou je bij deze groep patiënten een meer generieke taak kunnen vervullen. Of het nu over corona gaat of over andere gezondheidszaken, patiënten krijgen algemene informatie en vragen zich af hoe dat in
16 | FysioPraxis juni 2021
hun specifieke situatie zit. ‘Ik heb COPD, kan ik dan toch gevaccineerd worden?’ In elk onderzoek dat wij doen wordt gezegd: ‘Ik zou willen dat ik mijn zorgverlener daar vragen over kan stellen.’ Dat kan de huisarts zijn, maar ook een andere zorgverlener die ze regelmatig spreken. In die zin heb je als fysiotherapeut ook een iets bredere rol.” Fysiotherapeuten laten patiënten veel oefenen en daar ligt volgens Rademakers een belangrijke sleutel. De patiënt iets laten doen is voor deze groep een goede insteek. Een positieve benadering is daarbij van belang. “Gaat het bijvoorbeeld om leefstijlverbetering en valt iemand terug in ongezond gedrag? Kijk dan wat er wél gelukt is en benadruk dat. Het gaat om kleine stapjes. Leg de lat niet te hoog.”
Hulpmiddelen en tools Er zijn diverse hulpmiddelen die bij behandel- of voorlichtingssituaties kunnen worden ingezet, laat Rademakers weten. “Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben vaak een voorkeur voor visueel materiaal. Niet te veel tekst en zeker geen moeilijke woorden of medisch jargon. De stichting Pharos maakt bijvoorbeeld veel materialen gericht op mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Zij hebben boekjes en platen over hoe het lichaam in elkaar steekt en die begrijpelijk kunnen maken wat er nou precies aan de hand is. Eenvoudig materiaal, vaak in meerdere talen.”
Met stip! Hoe herken je een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden? Het is een vraag die Rademakers van alle zorgverleners krijgt. “Het liefste wil men dat iemand gewoon een stipje op zijn voorhoofd heeft of een aantekening in het dossier. Maar dat is niet zo en dat moet je ook niet willen, want het probleem is voor een deel contextafhankelijk. De juiste aanpak is toch om in je communicatie dicht bij de patiënt te blijven. Aan de ene kant denk ik zelf altijd dat zorgverleners redelijk goed in de gaten hebben welke mensen informatie niet goed oppikken. Aan de andere kant weten we uit onderzoek dat zorgverleners vaardigheden van patiënten kunnen overschatten. Je hebt altijd een paar indicatoren die een signaalfunctie kunnen hebben: laag opleidingsniveau, lage sociaaleconomische positie, ouderen, mensen met een licht verstandelijke beperking. Maar stigmatiseer niet en wees ook alert op die hoogopgeleiden die het niet begrijpen en dat goed kunnen verbergen!”
Meer informatie?
Lees hier het rapport Beter omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden in de curatieve zorg: kennis, methoden en tools (Nivel, 2018)
in de praktijk
Beperkte gezondheidsvaardigheden en fysiotherapie
Begrijpelijk communiceren ‘Luister naar je lichaam’ is een boodschap die de fysiotherapeut vaak gebruikt. Maar hoe komt deze uitspraak over bij de patiënt? Een patiënt die betrokken was bij ons onderzoek vond het een vreemde opmerking: “Mijn lichaam praat toch niet tegen mij?” Dit voorbeeld laat zien dat een fysiotherapeut zich ervan bewust moet zijn dat niet iedereen over dezelfde gezondheidsvaardigheden beschikt.
Tekst: Ellis van der Scheer, Wim van Lankveld en Bart Staal
Gezondheidsvaardigheden Gezondheidsvaardigheden zijn de vaardigheden van individuen om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen, te beoordelen en te gebrui ken bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen.1 Gezondheidsvaardigheden zijn com plex en lang niet iedereen beschikt over voldoende gezondheidsvaardigheden om de eigen gezond heidssituatie te kunnen begrijpen, beoordelen en er op een adequate wijze mee om te gaan. Uit Europees survey onderzoek is gebleken dat 12% van de Europese bevolking onvoldoende gezond heidsvaardigheden heeft en 47% beperkte (onvol doende of problematische) gezondheidsvaardig heden.2 In Nederland heeft 1 op de 3 volwassen (36,4%) beperkte gezondheidsvaardigheden.3 Patiënten met beperkte gezondheidsvaardig heden hebben minder kennis over hun eigen gezondheid en beschik ken over minder zelf managementvaardig heden ten aanzien van chronische ziekten.4,5 Dit resulteert in lagere gezondheidsuitkomsten bij chronische ziekten zoals hartfalen, dia betes mellitus, astma, kanker en chronische aandoeningen van het bewegingsapparaat.6-10 Daarnaast nemen mensen met beperkte gezondheidsvaardig heden minder deel aan preventieve initiatieven zoals mammografie- screening en vaccinatie programma’s.4,5 Tot
slot uiten beperkte gezondheidsvaardigheden zich in hogere ziekenhuisopnames, meer gebruik van de spoedeisende zorg en hogere zorgkosten.11,12 Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden zijn over het algemeen mensen met een laag opleidingsniveau, met een lage geletterdheid en een lage sociaal-economische status (SES).13,14
Beperkte gezondheidsvaardigheden en fysiotherapie Binnen de fysiotherapie wordt in toenemende mate nadruk gelegd op zelfmanagement van de patiënt. Het KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut schrijft hierover: “Ondersteuning van zelfmanage ment betekent dat de fysiotherapeut de cliënt stimuleert een actieve rol te nemen, zijn erva ringskennis in te zetten en zijn wensen en doelen duidelijk te formuleren.”15 Meestal wordt daarbij aangenomen dat de patiënt over voldoende gezondheidsvaardigheden beschikt voor een
»
FysioPraxis juni 2021 | 17
»
zinvolle en effectieve fysiotherapiebehandeling. Uit een RIVM-rapport blijkt echter dat mensen met een lage SES 20-50% meer gebruikmaken van fysiotherapie dan mensen met een normale SES.16 Binnen de fysiotherapie is nog relatief w einig onderzoek verricht naar de relatie tussen beperkte gezondheidsvaardigheden en gebruik en effect van fysiotherapie. Een gevolg is dat het tot op heden niet bekend is hoe fysiotherapeu ten zelfmanagement bij mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden het beste kunnen bevorderen. Om dit te bereiken is het belangrijk antwoord te krijgen op drie belangrijke vragen. De eerste vraag is in hoeverre wij als fysio therapeut in staat zijn om patiënten met lage gezondheidsvaardigheden te herkennen. Hiermee samenhangend is de tweede vraag in hoeverre wij als fysiotherapeut in staat zijn om onze communicatie aan te passen. Ten slotte is het de vraag in hoeverre patiënten met lage gezond heidsvaardigheden in staat zijn deze actieve rol op zich te nemen. Om hier meer duidelijkheid over te krijgen zijn wij vanuit het lectoraat Werkzame Factoren in Fysiotherapie en Paramedisch Handelen, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, bezig met praktijkgericht onderzoek gericht op de herken ning van beperkte gezondheidsvaardigheden en op de aanpassing van de communicatie bij patiënten met beperkte gezondheidsvaardig heden.17 Dit onderzoek wordt uitgevoerd in de fysiotherapiepraktijk en richt zich met name op patiënten met laaggeletterdheid. Het onderzoek bestaat onder meer uit focusgroep-interviews met patiënten met laaggeletterdheid en experts op het gebied van communicatie bij patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden. De focusgroep-interviews belichten enkele relevante aspecten van het communicatieprobleem in de fysiotherapie bij patiënten met beperkte functio nele gezondheidsvaardigheden. Dit zijn de vaar digheden die met name betrekking hebben op het kunnen lezen en schrijven.17
Mogelijke signalen van beperkte gezondheidsvaardigheden • Een patiënt komt te laat op een afspraak of komt op de verkeerde dag. Het zou kunnen dat de patiënt de digitale tijd niet begrijpt die op het afsprakenkaartje staat. • Een patiënt vindt het lastig om veel vragen te moeten beantwoorden en raakt geïrriteerd. • Het lukt een patiënt niet om een chronologisch verhaal te vertellen. • Een patiënt doet de huiswerkoefeningen niet omdat de patiënt ze niet begrepen heeft of ze thuis niet meer wist.
18 | FysioPraxis juni 2021
Herkennen beperkte functionele gezondheidsvaardigheden Voor de fysiotherapeut zijn beperkingen in func tionele gezondheidsvaardigheden vaak lastig te herkennen. Toch zijn er kenmerkende gedragingen van patiënten die hierop wijzen. Een patiënt met laaggeletterdheid uit het focusgroeponderzoek vertelde: “Wanneer ik een formulier in moest vullen zei ik altijd dat ik mijn bril niet bij me had en dat ik het formulier thuis wel zou invullen. Ik nam het formulier mee naar huis maar vulde het natuurlijk niet in.” Of een ander: “Ik raakte al in paniek als ik een formulier zag liggen dat ik in moest vullen.” Mensen schamen zich vaak voor hun laagge letterdheid. Ze zijn bang voor de reactie van anderen.14,18 Dit maakt dat sommigen heel goed in staat zijn hun beperkte vaardigheden te ver bergen. Tegelijkertijd is er de angst ontmaskerd te worden. Iemand vertelde: “Zelfs mijn eigen broers en zussen wisten niet dat ik moeite had met lezen en schrijven. Alleen mijn vrouw wist het en zij beschermde mij.” Mensen met laaggeletterdheid geven zelf ook aan dat ze heel goed zijn in het toepassen van trucjes om zo hun beperkte gezondheidsvaardigheden te verbloemen. Voorbeelden zijn het vergeten van een bril, zodat een vragenlijst niet ingevuld kan worden of het bij zich dragen van een lege pen, of het maken van excuses dat ze opeens weg moe ten.14 Maar juist door dit verbloemen van beperkte gezondheidsvaardigheden worden patiënten vaak overschat in hun gezondheidsvaardigheden door zorgprofessionals,19,20 met als gevolg dat ze infor matie over hun gezondheid niet goed begrijpen en daardoor minder de regie over hun gezondheid kunnen nemen. Hoewel het herkennen dus lastig is, zijn er wel signalen waar je als fysiotherapeut alert op zou moeten zijn (zie kader).21
Communicatie bij beperkte gezondheidsvaardigheden Adequate communicatie tussen fysiotherapeut en patiënt is essentieel. Communicatie wordt zelfs gezien als een van de belangrijkste (zo niet de belangrijkste) werkzame factor in de fysiothera pie.22 Een groot deel van de behandeltijd besteedt de fysiotherapeut immers aan communicatie. Maar hoe kan je communiceren met een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden? Het taalgebruik van een hoogopgeleide fysiotherapeut is anders dan het taalgebruik van een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden. Omdat het doel is zelfmanagement van de patiënt te bevor deren, is het nodig dat de fysiotherapeut het taal gebruik aanpast aan het niveau van de patiënt. Enkele aanbevelingen zijn: gebruik korte zinnen en simpele woorden, gebruik tegenwoordige tijd, gebruik dezelfde woorden als de patiënt, spreek
duidelijk en niet te snel, beperk de hoeveelheid informatie (3-5 kernpunten), wees concreet, en gebruik eenvoudige plaatjes of modellen.14,23,24 Het landelijk expertisecentrum Pharos heeft veel materiaal ontwikkeld waar ook de fysiotherapeut gebruik van kan maken (zie ook de factsheet op pag. 12, red.).25
Hierbij is het de taak van de zorgprofessional te zorgen dat de patiënt op alle drie de vragen een antwoord heeft en deze antwoorden ook begrijpt.
Conclusie De belangrijkste boodschap van dit artikel is dat patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden
Een patiënt uit de focusgroep: ‘Als ze met die Latijnse woorden gaan beginnen, ben ik weg, maar Jip en Janneke-taal moet ook niet. We zijn geen kleine kinderen, maar gewoon volwassenen’ Om zelfmanagement te bevorderen is het belang rijk dat de patiënt de informatie over zijn gezond heid of ziekte goed begrepen heeft. Vanuit de expertgroep werd benadrukt dat de terugvraag methode hierbij een belangrijk hulpmiddel kan zijn om vast te stellen of de patiënt de boodschap begrepen heeft.26 Je vraagt de patiënt om in zijn eigen woorden te vertellen wat er zojuist bespro ken is. Vanuit de expertgroep werd ook aangege ven dat zorgprofessionals, zoals fysiotherapeuten, het lastig vinden om deze methode toe te passen in de praktijk, omdat het belerend kan overkomen. Belangrijk hierbij is de vraag zo te stellen dat deze niet bedreigend is voor de patiënt. In plaats van te vragen “Ik wil graag weten of jij het goed begrepen hebt”, kun je dus beter vragen “Ik wil graag weten of ik het goed heb uitgelegd”. Daarmee voorkom je dat de patiënt het gevoel krijgt dat je hem of haar controleert. Iemand uit de focusgroep met laaggeletterden ver telde: “Ik vind het juist heel prettig als mij gevraagd wordt of ik het nog een keer wil navertellen. Dan weet ik dat ik het thuis ook goed kan vertellen.” Daarnaast gaf de expertgroep aan dat het goed is om de patiënten te stimuleren om vragen te stel len. Iemand uit de expertgroep adviseerde: “Vraag niet aan het einde van het consult: ‘Heeft u nog vragen?’, want dan wordt er een ontkennend antwoord gegeven, maar vraag de patiënt ‘Welke vraag heeft u nog voor mij?’” De expertgroep gaf aan dat de ‘Ask Me 3’-methode daarbij kan helpen. Dit is een methode die de patiënt stimuleert om de gezond heidstoestand beter te begrijpen en die de commu nicatie tussen patiënt en zorgprofessionals, zoals fysiotherapeuten, verbetert.14 In deze methode wordt de patiënt aangemoedigd om vragen te stel len aan de zorgprofessional: 1) Wat is mijn gezondheidsprobleem? 2) Wat moet ik daaraan doen? 3) Waarom is het belangrijk dat ik dat doe?
zeker aanwezig zijn binnen de fysiotherapieprak tijk. Daarom is het belangrijk om de signalen van beperkte gezondheidsvaardigheden te herkennen en het taalgebruik aan te passen. Denk hierbij aan het gebruiken van korte zinnen en simpele woor den, beperk de hoeveelheid informatie (3-5 kern punten), wees concreet en gebruik eenvoudige plaatjes of modellen. Daarnaast is het belangrijk om te checken of de informatie begrepen is. De terugvraagmethode is hiervoor een geschikte methode. Onderzoek en training van fysiothera peuten in het herkennen van laaggeletterdheid en het toepassen van deze terugvraagmethode is nodig. Want dit lijkt simpel, maar is nog niet zo eenvoudig toe te passen.
Drs. Ellis van der Scheer, fysiotherapeut en fysiotherapiewetenschapper Lectoraat Werkzame Factoren in Fysiotherapie en Paramedisch Hande len, Hogeschool Arnhem en Nijmegen Dr. Wim van Lankveld, psycholoog en onderzoeker Lectoraat Werkzame Factoren in Fysiotherapie en Paramedisch Handelen, Hogeschool Arnhem en Nijmegen Dr. Bart Staal, lector Lectoraat Werkzame Factoren in Fysiotherapie en Paramedisch Handelen, Hoge school Arnhem en Nijmegen
ellis.horst@han.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2021 | 19
casuïstiek, diagnostiek en behandeling
Omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden
Praktische tips voor in de praktijk Hoe is het om als fysiotherapeut te werken in een wijk waar de gezondheidsvaardigheden van patiënten lager zijn dan gemiddeld? Aan de hand van deze casus geeft Susanne Willemsen enkele tips: waar kan je in de omgang met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden aan denken? Voor de keuzes binnen de behandeling van de knieklachten maakte ze gebruik van de KNGF-richtlijn Artrose heup-knie.1
Tekst en beeld: Susanne Willemsen
De wijk waarin ik werk is een oude volkswijk in Rotterdam, genaamd ‘Oude Westen’. In deze wijk wonen mensen met een grote verscheidenheid aan nationaliteiten en sociaal-economische achtergronden. Een op de vijf patiënten in onze praktijk is naar schatting laaggeletterd in de Nederlandse taal en/of beheerst de Nederlandse taal onvoldoende. Dit betekent niet per se dat de persoon beperkte gezondheidsvaardigheden heeft, maar het niet begrijpen van de Nederlandse taal kan wel leiden tot beperkte gezondheidsvaardigheden met betrekking tot de Nederlandse zorg.2 Beperkte gezondheidsvaardigheden bij patiënten in onze praktijk uiten zich vaak in een onduidelijke hulpvraag, het niet kunnen spellen van de naam, het niet kennen van het eigen telefoonnummer of adres, moeite hebben om afspraken te maken, het lastig vinden om oefeningen (na) te doen en geen inzicht hebben in wat je zelf kan doen met de klacht. Daarbij lijkt het behandeltraject van mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden gemiddeld wat langer te duren. Redenen hiervoor zouden kunnen liggen in de kwaliteit van uitvoering van de oefeningen en het ontwikkelen van een actieve copingstijl. Graag neem ik jullie mee in een praktijkvoorbeeld aan de hand van een casus.
Casus In het najaar van 2020 maak ik een afspraak voor de intake met een
20 | FysioPraxis juni 2021
Marokkaanse vrouw van tweeënzestig jaar. Zij is verwezen door de huisarts en heeft bij ons op de wachtlijst gestaan, die ontstaan is door het beperkte aantal behandelafspraken door coronamaat regelen. Op de verwijzing staat: ‘Artrose in de rechterknie waarvoor oefentherapie’. Ik weet nog van een eerdere behandel serie voor haar diabetes mellitus type 2 (DM2) dat ze moeite heeft met de Nederlandse taal. Voor de eerste afspraak probeer ik een van haar volwassen kinderen te vragen om als tolk aanwezig te zijn bij de intake. Dat blijkt niet mogelijk te zijn. Daarom hebben we afgesproken dat we via de mobiel van mevrouw met de dochter bellen en dat we tijdens de intake met de speaker aan zo veel mogelijk informatie proberen in te winnen. Het voordeel van het bellen is dat de dochter niet fysiek mee hoeft met haar moeder. Dit heeft voordelen qua reistijd en infectiepreventie. Nadelen zijn dat de dochter niet mee kan kijken waar de patiënte klachten aangeeft en dat er enige vertraging in de communicatie zit. Hierdoor moeten we af en toe wachten en informatie herhalen, maar de verbetering in communicatie is voor de intake heel erg de moeite waard! Bij het inzetten van kinderen (<18 jaar) als tolk is het wel belangrijk aandacht te hebben voor de belasting van het kind. Het is belangrijk
*
DIT IS EEN KIND EN GEEN TOLK
tolkenterugindezorgalstublieft.nl
Figuur 1
VAS-meetscore met blij en verdrietig gezicht
een betrokken kind, in dit geval de dochter, niet alleen als tolk in te zetten, maar als familie te zien en als onderdeel van de oplossing mee te nemen in de behandeling. Kinderen zijn tenslotte kind en geen tolk.
Anamnese Mevrouw K. heeft al jarenlang last van haar rechterknie. Dit is geleidelijk aan begonnen en steeds erger geworden. Er is geen trauma aan vooraf gegaan. Na een vakantie in Marokko in het najaar van 2019 merkte mevrouw dat het lopen steeds moeilijker ging. Ze kan nu niet meer dan een halfuur lopen en moet dan stoppen, zoveel pijn doet haar knie. Traplopen en opstaan uit de stoel zijn lastig en pijnlijk. Ze geeft ook aan met opstaan ’s morgens een stijf gevoel in haar knie te hebben, wat pas vermindert als ze even in beweging is. Ik vraag haar hoe lang de stijfheid duurt in de ochtend. Ze geeft aan: “In ieder geval langer dan tien minuten.” Ze zakt soms door haar knieën tijdens het lopen. Ze is naar de huisarts gegaan en die heeft artrose van de rechterknie geconstateerd. De huisarts heeft voorgesteld naar de fysiotherapeut te gaan. Zelf is ze minder gaan bewegen de laatste maanden, ze is bang dat ze iets kapotmaakt in haar knie als ze beweegt terwijl ze de herkenbare pijn voelt. De dochter vraagt waarom er geen röntgenfoto wordt gemaakt en waarom haar moeder eerst naar de fysiotherapeut moet. Ik leg uit dat een röntgenfoto nu niet zinvol is en dat oefentherapie sterk aanbevolen wordt.3
Om de ernst van de pijnklachten te duiden gebruik ik de Visual Analogue Scale (VAS). Ik gebruik de VAS-meetscore met het blije en verdrietige gezicht (zie figuur 1). De VAS met de cijfers is te lastig, mevrouw gaf in de eerdere behandeling vaak een nul of tien aan de pijn. Het specifieker maken van de mate van pijn is dan moeilijk. De dochter legt aan haar moeder uit dat ik benieuwd ben naar de mate van pijn in haar knie als ze bijvoorbeeld een halfuur heeft gelopen. We komen uit op een VAS 8 uit 10. Het uitvragen van de Patiënt Specifieke Klachten (PSK) is voor mij ronduit lastig. Ik weet welke bewegingen moeilijk gaan: langer dan een halfuur lopen, opstaan uit een stoel en traplopen. Het geven van een cijfer met betrekking tot de hinder die ze ervan heeft, blijkt lastig, ondanks de hulp van de dochter. Ik besluit onze PSK-kaart erbij te pakken (zie figuur 2). Er staan diverse handelingen op, gevolgd door een duimpje omhoog, een duimpje opzij en een duimpje omlaag. Zo goed als het kan probeer ik hiermee inzicht te krijgen in de mate van hinder per activiteit. De vragenlijsten die verder voorgesteld worden in de richtlijn, zoals KOOS, laat ik achterwege. Die zijn te ingewikkeld. Verder vraag ik naar haar dagelijkse activiteitenniveau. Mevrouw geeft aan niet zo actief te zijn. Ze wordt in het huishouden geholpen door haar dochters en ze is weinig buiten. Twee en een half uur matig intensief bewegen per week, zoals het advies is volgens de Nederlandse Norm Gezond Bewegen, haalt ze niet.4
»
FysioPraxis juni 2021 | 21
Figuur 2 Huishoudelijke taken Stofzuigen
Activiteiten In bed liggen Goed
moeit e
Goed
Moeit e
Niet in st aat
niet in st aat
Opstaan uit bed
Dweilen
Opstaan uit een stoel
Gaan zitten op een stoel Koken
Zitten
Wassen Bidden
Patiënt Specifieke Klachten-kaart met pictogrammen
» Zelf vindt ze haar uithoudingsvermogen slecht. Ze is snel buiten adem. Haar verdere gezondheid is ook niet optimaal. Ze heeft DM2 en overgewicht (BMI:33). Sporten heeft ze nooit gedaan en buiten fietsen doet ze ook niet. Ze is ook bij de praktijkondersteuner huisarts (POH) onder controle voor haar DM2. In dat kader heeft ze ook deelgenomen aan een beweeggroep bij onze fysiotherapie praktijk. Er is toen geen follow-up geweest naar zelfstandig meer gaan bewegen. De redenen om niet te blijven sporten waren voor haar: “Er werd geen sport voor vrouwen alleen aangeboden” en “Sporten bij een sportschool is te duur”. Dit zijn belangrijke belemmerende factoren, waarmee ik rekening houd. Wat ze wil is weer lopen zonder pijn in haar knie, zodat ze naar haar dochter kan gaan. Dit is een wandeling van een halfuur. Dat lijkt me een mooi doel om naartoe te werken en dit overleg ik ook met de patiënt en haar dochter. We zijn door de tijd heen. Ik vraag aan de dochter of ze er de volgende afspraak bij wil zijn en noteer haar e-mailadres in het administratieprogramma, zodat zij ook
22 | FysioPraxis juni 2021
op de hoogte is van de afspraken die haar moeder hier heeft. Ik leg aan hen uit dat het voor informatieoverdracht en instructie van oefeningen prettig is als zij samen naar de behandeling komen.
Lichamelijk onderzoek en behandeling Voor het lichamelijke onderzoek is mevrouw samen met haar dochter gekomen. Als eerste beoordeel ik de bewegingsuitslagen. De actieve range of motion (AROM) van de rechterknie is beperkt in flexie, ze komt tot 100 graden waarbij crepitaties waar te nemen zijn. De passieve range of motion (PROM) flexie komt iets verder. De eindstand kan niet duidelijk worden bepaald vanwege te veel pijn. De rechterknie is licht gezwollen en niet warm. De spierkracht van de m. quadriceps is MRC 4, de timed-up-and- go (TUG) is 11 seconden. Er is ook een lichte valgusstand te zien van de rechterknie. Ik ben blij dat haar dochter erbij is voor de vertaling van de instructies bij het lichamelijk onderzoek. Deze begrijpt mevrouw beter in haar eigen taal. Bij de uitleg wat ik ga doen en waarom gebruik ik het whiteboard in mijn behandelkamer en teken ik de situatie van haar knie met de
beenspieren en waarom het zinvol is de bovenbeenspieren te versterken. Ik geef drie oefeningen mee voor thuis. De eerste oefening is opstaan vanuit een stoel zonder haar knieën helemaal te strekken en weer langzaam gaan zitten op een stoel. De tweede oefening is achter een stoel gaan staan met de benen iets uit elkaar. Daarna geef ik aan rustig met de billen te zakken, niet te diep, en weer op te komen. Ook hierbij is het fijn dat de dochter erbij is. Met het uitleggen van de oefeningen en “doe mij maar na” lukte het me niet de oefeningen duidelijk te krijgen. Het leek hierbij alsof de taalbarrière en het lichaamsbesef het technisch goed uitvoeren van de oefeningen in de weg zaten. In de oefenzaal begint ze met fietsen op de hometrainer. Verder vraag ik of ze elke dag een wandeling kan maken, minimaal een halfuur met één of meerdere rustpauze(s). Als laatste bespreek ik met patiënte en dochter haar overgewicht. Ik leg uit dat vijf kilogram gewichtsverlies al veel gezondheidswinst geeft voor de knie, maar ook voor de DM2. “Is het een idee om de diëtiste in te schakelen?” vraag ik. Daar moet ze nog even over nadenken. Ze
laat het weten als ze dit wil. Op wens van de patiënte bespreek ik met haar dochter de planning. We spreken af gedurende acht weken twee maal per week de fysiotherapiebehandeling voort te zetten.
Vervolg Mevrouw K. is enthousiast en komt trouw twee keer per week trainen. Ik voer de intensiteit van de oefeningen op en maak steeds meer gebruik van leg press, hometrainer, loopband, step, balansoefeningen en losse oefeningen achter de stoel. Verder herhaal ik regelmatig de opdrachten voor thuis om te kijken of deze technisch goed worden uitgevoerd. Na vijf weken bel ik haar dochter voor een tussenevaluatie. Ze geeft aan dat mevrouw niet echt een verbetering ervaart. Ze is een beetje teleurgesteld dat ze nog steeds hetzelfde voelt. Drie weken later is haar dochter er weer bij. Mevrouw merkt langzaamaan dat ze weer wat meer kan. Met name het lopen en traplopen is minder pijnlijk. Ze kan haar knie beter buigen en komt nu tot AROM 110 graden. De VAS is nu 5 uit 10. De spierkracht is nog steeds MRC 4. De TUG is verbeterd naar 9 seconden. We besluiten dat we nog zes weken, één keer per week, doorgaan met de fysiotherapie. De diëtiste ziet ze vooralsnog niet zitten, maar ze realiseert zich wel dat ze moet afvallen.
Resultaat Na veertien weken fysiotherapie gaat het goed met mevrouw K. Ze kan zonder ernstige pijn in haar knie naar haar dochter lopen. De VAS is nu 3 uit 10. De spierkracht is MRC 5 en dat is ook te merken tijdens de oefeningen, waarbij ze met minder moeite meer herhalingen aankan. De TUG is 8 seconden. Ik overleg met haar en haar dochter hoe we verdergaan. Het is voor haar gezondheid belangrijk dat ze blijft bewegen, zeker omdat ze bekend is met DM2. Ik weet dat sporten in de sportschool niet haalbaar is, mede door de kosten, de onzekerheid over haar lichaam en schaamte voor haar gewicht. Zo twijfelt mevrouw of ze wel begrijpt waar welke apparaten voor gebruikt kunnen worden. Ze wil wel graag in de trainingsgroep in onze praktijk komen sporten. We hebben afgesproken dat ze doorgaat met het fietsen op de hometrainer, het wandelen en de oefeningen thuis die ik de afgelopen weken al wat zwaarder heb gemaakt.
9 tips voor in de praktijk Het behandelen van mensen met beperkte gezondheidsvaardigen kan lastig zijn, maar is zeker niet onmogelijk. Een paar tips op een rijtje: • Neem de tijd om geschikte meetinstrumenten te vinden, zoals de VAS met gezichten en de PSK-kaart. Hierdoor wordt communiceren makkelijker en ontstaat er wederzijds begrip. • Betrek familie of naasten: vraag er iemand bij tijdens het lichamelijk onderzoek. Hiermee kun je een beter beeld krijgen van de persoon en de hulpvraag. Schakel iemand in die vertrouwd is en die het verhaal goed kan overbrengen. Denk daarbij aan iemand die ook tijdens het dagelijkse leven makkelijk kan stimuleren. Hierbij is het overigens wel belangrijk rekening te houden met het bespreken van gevoelige informatie, die mensen meestal liever niet met familie of naasten willen delen. • Let op dat je alleen volwassen kinderen betrekt als tolk en onderdeel van de oplossing. Het is namelijk lastig in te schatten hoe een minderjarig kind belast wordt met betrokkenheid bij de fysiotherapeutische zorg. • Houd het uitvragen kort en stel gerichte vragen. • Soms lukt het niet om mensen te motiveren meer zelfstandig te bewegen. Soms wordt de oplossing van de klacht alleen bij de therapeut gelegd. Blijf daarom in gesprek en geef begrijpelijke behandeladviezen. • Leg rustig en geduldig uit wat er aan de hand is, wat je gaat doen en waarom. • Maak het visueel: gebruik tekeningen en plaatjes bij dat wat je uitlegt. • Neem oefeningen op met de mobiele telefoon of maak gebruik van beeldbellen voor monitoring van de huiswerkoefeningen. • Reserveer iets meer behandeltijd, zodat niemand zich opgejaagd voelt.
Susanne Willemsen, fysiotherapeut bij Fysiotherapie Mariastraat, Rotterdam
s.willemsen@gcmariastraat.nl
Literatuur: zie www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2021 | 23
Beter in Fysiotherapie Master
Kinderfysiotherapie É Inclusief scholingsvoucher t.w.v. € 1.500,-
Belastingvoordeel particulieren (tot 1 januari 2022) Twijfel je nog over wanneer je wilt starten met de opleiding? Dan is het goed om te weten dat alléén als je in 2021 nog start met je opleiding, je als particulier gebruik kunt maken van belastingvoordelen. Dit levert je fiscaal flink wat voordeel op!
É Onderwijs door uitsluitend kinderspecialisten. É Prijs: € 16.500,-
Scan deze code of ga naar:
É Start 7 september 2021
www.breederode.nl
Master Manuele Therapie met inleiding Extended Scope
É Onderwijs door manueel therapeuten, waaronder Jan Hermans en Marloes Thoomes. É Prijs: € 12.000,-
Scan deze code of ga naar:
É Start 8 september 2021
www.breederode.nl
Meer info? Geef je op voor de infobijeenkomst Maak kennis met docenten en
MSc-titel voor Manueel Therapeuten
kom van alles te weten over de
met inleiding Extended Scope
opleiding. Ook is er natuurlijk
Voor manueel therapeuten die hun mastertitel willen behalen.
van vragen.
É Onderwijs door manueel therapeuten, waaronder Jan Hermans.
Donderdag
ruime gelegenheid tot het stellen
É Prijs: € 7.500,É Te volgen als los traject É Start 8 september 2021
24 juni 2021 in Rotterdam
Scan deze code of ga naar: www.breederode.nl
Vragen over deze opleidingen? Breederode Hogeschool biedt een brede keuze aan scholing in zorg & welzijn als
Neem contact met ons op:
vervolg op je mbo of hbo; van opleiding tot kortlopende cursus of incompanytraject
Breederode Hogeschool
op maat. Studeer je bij Breederode Hogeschool, dan ben je er zeker van dat je als zorgprofessional een waardevolle bijdrage levert binnen de gezondheidszorg van nu én in de toekomst. Kijk voor alle opleidingen op www.breederode.nl.
E
info@breederode.nl
T
+31(0)10 - 304 23 40
patiënt in beeld
vervolg van pag. 13
Foto: Wiep van Apeldoorn
Loek Peters, fysiotherapeut/manueel Therapeut, gecertificeerd handtherapeut CHT-NL bij Pece Zorg in Eindhoven
Fysiotherapeut Loek Peters: Een Bennett-fractuur is een intra-articulaire luxatiefractuur van het basisgewricht van de duim, vaak ontstaan door een val op de duimtop of een val of stoot met de duim in de hand. Door de trekkracht van de m. abductor pollicis longus wordt het metacarpale 1 uit positie getrokken, waardoor deze fractuur in het algemeen na repositie met interne fixatie gestabiliseerd moet worden. Om de diagnose te kunnen stellen wordt goede röntgendiagnostiek door middel van Bett’s view en eventueel een CT-scan aangeraden. Meestal wordt er gekozen voor open repositie en fixatie door middel van K-draden, waardoor een vrij korte immobilisatie mogelijk is en er vroeg kan worden gestart met oefenen. Behandeling van de Bennett-fractuur is erop gericht een optimale gewrichtscongruentie en goede stabiliteit te bewerkstelligen. Het CMC I-gewricht is in zijn vorm een zadelgewricht, waardoor het een stabiele beweging mogelijk maakt in twee richtingen en waardoor we de duim tegenover de vingers kunnen plaatsen. Toen bij Ruud de K-draden na vier weken waren verwijderd, konden we beginnen met oefenen. Daarbij hebben we gebruikgemaakt van een op de hand gemaakte spalk om het CMC 1-gewricht uitwendig te stabiliseren. We hebben aanvankelijk geoefend op het herstellen van de mobiliteit van de pols, het CMC I- en het IP-gewricht. Zes weken na de operatie zijn we stapsgewijs begonnen met het versterken van de musculatuur rondom het CMC I-gewricht. Daarbij maakten we gebruik van hulpmiddelen als elastiek, Theraputty en voorwerpen van diverse breedtes en gewicht, zodat we zo veel mogelijk de belasting in de dagelijkse praktijk konden benaderen. Ruud was enorm gemotiveerd en heeft consequent geoefend met als resultaat een prima herstelde duimfunctie. Inmiddels kan hij zijn werkzaamheden in het magazijn weer volledig uitvoeren. Meer weten over de aanpak? Neem contact op met Loek Peters (loek@pece-zorg.nl).
FysioPraxis juni 2021 | 25
in de praktijk
In gesprek met Zyrian Barzinji
“Als je goed luistert, kan je iedereen helpen” Maar liefst een derde van de Nederlandse bevolking heeft beperkte gezondheidsvaardigheden. Daaronder vallen ook mensen die uit Arabische landen afkomstig zijn. De verschillen binnen de gezondheidszorg tussen Arabische landen en Nederland zijn groot. De manier waarop naar artsen of ander medisch personeel wordt gekeken, is compleet anders. Het succes van de behandeling komt meestal volledig op het conto van degene die de zorg verleent. Fysioen manueel therapeut Zyrian Barzinji, 41 jaar en afkomstig uit Irak, kan het weten. “Ik kan wat voor deze groep betekenen, maar ik wil ook zeker Nederlandse patiënten blijven behandelen.”
Tekst: Rietje Krijnen | Foto: PMI Rembrandt
Als veertienjarige vluchtte de Koerdische Zyrian Barzinji in 1995 uit Irak naar Nederland. Hij begon in de tweede klas havo/vwo. Maar in de vierde haakte hij af en stapte hij over naar de havo. Er waren zo veel andere dingen te doen en hij had zijn aandacht niet bij school. Zijn droom om ooit arts te worden, viel in duigen. “Ik moest voor mezelf zorgen én voltijd studeren. Dat was best moeilijk. Ik koos voor de HTS en wilde in de olie-industrie gaan werken, maar ik had geen talent voor wiskunde. Gelukkig zette een lerares Nederlands mij op het goede spoor. Ze wist dat ik graag geneeskunde had willen studeren en wees me op de mogelijkheid om fysiotherapie te gaan doen. In 2006 ben ik afgestudeerd aan de Hogeschool Utrecht. Ik werkte eerst een tijdje in Amsterdam, daarna vond ik een baan in Putten en Voorthuizen.”
Zyrian kreeg de smaak te pakken en rondde in 2012 aan de SOMT University of Physiotherapy zijn master of science in manuele therapie af. “Ik heb dry needling gedaan, heb me een tijdje gespecialiseerd op heupen, maar richt me nu vooral op de schouders en de wervelkolom.” Aanvankelijk voelde hij zich in Oost-Nederland net een ‘bedreigde diersoort’, maar hij ging vrolijk om met mensen die hem vreemd bekeken. Bijna drie jaar werkt hij nu in Veenendaal bij PMI Rembrandt en daar voelt hij zich op zijn plek. “Begrijp me goed: ik heb ook prima gewerkt in Garderen, Putten en Voorthuizen, maar ik kan me hier meer ontplooien. In deze regio wonen veel meer migranten en ik krijg dus ook direct met hen te maken. Nu behandel ik wat vaker migranten, maar ik wil niet alleen die doelgroep als patiënt hebben. Ik wil me breed blijven richten op alle patiënten.”
Andere verwachtingen Veel verschil zit er niet tussen Nederlandse patiënten die laaggeletterd zijn en sommige mensen met een migratie-achtergrond, vertelt hij. “Er leven wel andere verwachtingen onder de migrantengroep.
‘Iedereen wil zich goed voelen en als je de juiste benadering kiest, dan is iedereen ook bereid om iets te veranderen in zijn of haar leven’ 26 | FysioPraxis juni 2021
Als ik ze niet aanraak, geen injectie zet of medicatie geef, denken ze dat ik geen goede therapeut ben. Ik probeer het eerst in het Nederlands uit te leggen maar dat is niet voor iedereen voldoende. Leg ik het in het Arabisch uit, dan beginnen mensen te begrijpen wat ik doe. Het is een kwestie van waar ze vandaan komen en wat ze gewend zijn.” Zyrian haast zich te zeggen dat het niet bij alle migranten zo werkt. “Er zijn veel verschillen, hoor. Een aantal mensen uit Syrië of Irak is hoger opgeleid. Maar ook zij hebben een andere verwachting van een behandeling en zijn meer gericht op ingrijpen. Ik neem hen mee in het traject. Dan zeg ik: ‘Je hebt nu twee keer een injectie in je schouder gehad en dat heeft alleen tijdelijk geholpen. Misschien moet je er dan toch aan denken om je schouder weerbaarder te maken.’ Als ik uitleg wat er moet gebeuren, snappen ze dat en gaan ze aan de slag.” Waarmee hij maar wil zeggen dat er grote verschillen zijn in gezondheidsvaardigheden. Voor een deel hebben ze te maken met taalbeheersing, maar zeker ook met culturele verschillen in benadering van het menselijk lichaam, de relatie met de behandelaar en ook het begrip van het eigen lichaam. “Ik had een keer een Turkse vrouw die weinig Nederlands begreep en haar man bij zich had. Hoewel hij de taal beter beheerste, had ik ook niet het idee dat mijn opmerkingen bij hem goed overkwamen. Voor hen ben ik een autoriteit, dan wordt er wel veel ‘ja’ geknikt, maar moet ik mezelf toch afvragen of mijn boodschap overkomt. Je ziet dat aan de manier van oefenen. Als ze dat wél doen, heb je een snaar geraakt. Ik werk veel met mimiek en handgebaren. Ze vinden me vrolijk en vriendelijk, waardoor ze zich meer openstellen. Op die manier gaan ze mee in de behandeling die ik voorstel. Dat komt ook omdat ik me kwetsbaar opstel en niet autoritair. Dat verkleint de afstand.”
Inleven Zyrian ziet het verschil met Nederlandse collega’s die soms niet echt veel vooruitgang boeken met migranten. Vaak hebben ze onbewust een bepaald vooroordeel over de pijnbeleving of de taal van deze patiënten. “Als je dat uitstraalt dan ben je snel hun vertrouwen kwijt. Dat hoorde ik bijvoorbeeld van een van mijn patiënten. Hij zei letterlijk dat de therapeut dacht dat hij zich aan het aanstellen was. Patiënten die jou niet snappen en het vreemd vinden wat je voorstelt, ga je niet verder helpen. Ik denk dat geen enkele fysiotherapeut dat voor ogen heeft. Je moet altijd proberen je in te leven in de belevingswereld van een patiënt. En je moet goed kunnen luisteren. Mensen zeggen veel dingen tussen de regels door. Het begint met pijn. Daarna hoor ik dat iemand altijd moe is, maar tegelijkertijd ook alles in het huishouden doet, werkt in de schoonmaak en nog wat regelt voor ouders. Dan zeg ik:
‘Werken is goed, maar zorg dat je wat rust neemt. Neem een dagje vrij en doe wat leuks.’ Ik moet niet zeggen dat ze al het werk neer moeten leggen, want dat slaat niet aan. Sommige mensen zijn zo met hun rol in het gezin vergroeid, dat je andere wegen moet bewandelen. Dat vind ik overigens ook bij Nederlanders. Bij mensen met een andere culturele achtergrond praat ik veel meer in metaforen. Daar zit het Arabisch vol mee en dat is mooi, want dat begrijpen zij wel. Ik vind dat je niemand moet afschrijven. Iedereen wil zich goed voelen en als je de juiste benadering kiest, dan is iedereen ook bereid om iets te veranderen in zijn of haar leven.”
Hand bonkt Met Arabisch kan hij soms de verbinding maken, maar ook voor hem kunnen processen moeizaam zijn. “Turkse en Marokkaanse mensen vinden het moeilijk om persoonlijke zaken te delen. Ze laten gegevens weg of weten niet dat sommige informatie belangrijk voor mij is om mijn werk goed te kunnen doen. Ik zal een voorbeeld geven: een man zei een keer dat zijn hand bonkte. Dan weet ik dus dat hij bedoelt dat hij uitstralende pijn heeft. Hij komt zelf niet op de term ‘uitstraling’. Voor hem is de pijn in zijn hand anders dan in zijn schouders en dan wordt de connectie niet gelegd. Ook met hem kom ik dan verder. Heel veel dingen kan een lichaam zelf oplossen, maar dat wil er bij mensen met lage gezondheidsvaardigheden helemaal niet in. Daar moet ik stukje bij beetje terrein winnen.” Er zijn nog veel meer verschillen. Het zuidelijke temperament noemt hij als voorbeeld. “Ik moest een keer dry needling doen bij een Syrische man die het uitbrulde van de pijn. Ik heb hem op zijn gemak gesteld en daarna ging het veel beter.” Zyrian wil niet als migrantenspecialist worden gezien. Dat heeft hij toen hij bij deze werkgever kwam ook meteen gezegd. “Juist de mix vind ik mooi”, zegt hij. “Ik heb best veel Nederlandse patiënten die alleen mij willen hebben. Dan hoor ik dat ze vinden dat ik meer geduld heb, kundig, vriendelijk en gastvrij ben. Dat zit in mijn aard, denk ik. Eigenlijk wil ik voor iedereen evenveel tijd nemen. Als je dat doet, bereik je namelijk veel meer. Mensen voelen zich begrepen en ze zijn eerder bereid om mee te werken. Dat is universeel, dat geldt voor alle patiënten die hier komen.”
Zyrian Barzinji MSc, fysiotherapeut en manueel therapeut bij PMI Rembrandt, Veenendaal
zbarzinji@pmirembrandt.nl FysioPraxis juni 2021 | 27
wetenschap – samenvatting
How physical therapists can strategically effect health outcomes for older adults with limited health literacy Katherine Ennis, Kelly Hawthorne en Donna Frownfelter
Doelstelling Het artikel voorziet fysiotherapeuten van adviezen om het zorgproces te verbeteren bij ouderen met beperkte gezondheidsvaardigheden.
Conclusie van de auteurs Door een groter bewustzijn van het bestaan van beperkte gezondheidsvaardigheden kan de fysiotherapeut dit bij de oudere patiënt tijdig herkennen. De fysiotherapeut kan helpen door goed aansluitende patiën tenvoorlichting te geven en interventies te richten op het verbeteren van gezondheidsvaardigheden. Voorbeelden van interventies zijn het verbeteren van zelfmanagementvaardigheden en hulp bij het maken van gezonde leefstijlkeuzes.
Onderzoeksopzet
vertrouwen, het bespreken van waarden en doelen en het identificeren van de leerstijl. De auteurs geven adviezen voor communicatie en de ontwikkeling van voorlichtingsmaterialen, waarbij gebruik van ondubbelzinnige taal in korte woorden en zinnen, een groot lettertype (≥14) en een gebruikelijk lettertype geadviseerd worden. Daarnaast is het advies om informatie vooral te richten op gewenst gedrag en niet op medische feiten. Fysiotherapeuten kunnen zelfmanagement en gezonde keuzes bevorderen door oudere patiënten van voorlichting te voorzien via voor hen gebruikelijke informatiekanalen. Bij opleidingen ligt de taak studenten te trainen in het herkennen van en omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden in het zorgproces. Geert Rutten PhD, senior onderzoeker Lectoraat Organisatie van Zorg en Dienstverlening, Academie Gezondheid en Vitaliteit, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Geert.Rutten@han.nl
Narratieve review.
Onderzoekslocatie
Samengevat uit: J Geriatr Phys Ther. 2012;35(3):148-154
Verenigde Staten.
SAMENVATTING Gezondheidsvaardigheid is gedefinieerd als de mate waarin individuen beschikken over de vaardigheid om basale gezondheidsinformatie en voorzieningen te verwerven, verwerken en begrijpen die zij nodig hebben om adequate beslissingen te nemen over hun gezondheid. Beperkte gezondheidsvaardigheden, bijvoorbeeld een onvermogen tot zelfmanagement, hebben een negatieve invloed op de effectiviteit van een behandeling. De fysiotherapeut kan beperkte gezondheidsvaardigheden herkennen aan signalen als onvolledig ingevulde formulieren, het verzoek om een tekst voor te lezen (‘ik ben mijn bril vergeten’), herhaaldelijk gemiste afspraken en het niet opvolgen van verwijzingen, huiswerkopdrachten en adviezen. Bij interventies met als doel mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden te helpen, benadrukken de auteurs het belang van een patiëntvriendelijke praktijkomgeving. Communicatie dient gericht te zijn op het creëren van
28 | FysioPraxis juni 2021
Validation of the short-assessment of health literacy (SAHL-D) and short-form development Anke Woudstra, Corine Meppelink, Henk Pander Maat, Janke Oosterhaven, Mirjam Fransen en Alexandra Dima
Klinische vraag Is het mogelijk om met de Rasch-analyse de Short Assessment of Health Literacy in Dutch (SAHL-D) te optimaliseren en in te korten ten gunste van de toepasbaarheid in de praktijk?
Conclusie van de auteurs De originele SAHL-D meet leesvaardigheid en leesbegrip van 33 medische woorden door middel van een taakgerichte test. De SAHL-D hebben we in dit onderzoek ingekort tot 13 medische woorden met behulp van de Raschanalyse. Zowel het originele als het ingekorte meetinstrument hebben betrouwbare en valide psychometrische
eigenschappen en kunnen worden toegepast in de praktijk.
Onderzoeksopzet Cross-sectionele studies.
Onderzoekslocatie Nederland.
SAMENVATTING Mensen hebben gezondheidsvaardigheden nodig om gezondheidsinformatie te verkrijgen, te begrijpen en toe te passen. Met deze vaardigheden kunnen zij een actieve rol innemen ten aanzien van hun gezondheid en zorg. Ons doel was een bestaand meetinstrument, de SAHL-D, in te korten voor gebruik in de praktijk. Hiervoor hebben wij gebruikgemaakt van vier bestaande cross-sectionele studies met data van 1.119 gezonde Nederlandse volwassenen en 112 personen met chronische musculoskeletale pijn. Uit de Rasch-analyse blijkt dat de schaal van de SAHL-D unidimensionaal is. Dit betekent dat er één begrip wordt gemeten, namelijk: gezondheidsvaardig heden. Het originele en verkorte instrument vertoonden, respectievelijk, een betrouwbaarheids-index van 0,83 (goed) en 0,66 (acceptabel). Zowel het originele als het verkorte instrument kan onderscheid maken tussen een laag, midden en hoog niveau van gezondheidsvaardigheden (index 2,22 en 1,40). De moeilijkheid van de verschillende items van de verkorte SAHL-D varieerde op een logits schaal van -3,27 (makkelijkste item: dwarslaesie) tot 2,95 (moeilijkste item: ventrikel). Het verkorte meetinstrument kan worden gebruikt om betrouwbare vergelijkingen te maken in gezondheidsvaardigheden tussen mensen met een verschil in opleidingsniveau, leeftijd of geslacht. Fysiotherapeuten kunnen de (verkorte) SAHL-D gebruiken voor het vaststellen van het niveau van gezondheidsvaardigheden of om de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van interventies te meten. Anke Woudstra PhD, afdeling Klinische Genetica, Amsterdam UMC, locatie VUmc. a.j.woudstra@amsterdamumc.nl Samengevat uit: BMC Med Res Method. 2019;19(1):122.
tip van de redactie
Steffie.nl Van Instragram tot YouTube, van tweets tot podcasts: ook online laat de fysiotherapie van zich horen. Als redactie van FysioPraxis voorzien we je graag van wat luister-, kijk- en leestips. Deze keer: Steffie.nl. Zorg op afstand heeft in de coronacrisis een vlucht genomen, maar niet iedere digitale toepassing of website is geschikt voor iedereen. Voor de groep mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden kan het zo zijn dat de inhoud niet aansluit op het vaardigheidsniveau. Daarnaast geeft Pharos aan dat 18% van de volwassen Nederlanders moeite heeft met het gebruik van computers en internet. Dat vraagt om toegankelijke en eenvoudige toepassingen. Een voorbeeld daarvan is www.steffie.nl. De website legt moeilijke dingen makkelijk uit. Op het gebied van gezondheid worden thema’s uitgelegd als
de basis zorgverzekering, corona en hoe je een afspraak met de huisarts maakt. Het meest interessant voor de fysiotherapie is het onderdeel ‘Kijk op gezond’ (ook direct te bereiken via www.kijkopgezond.nl), met onder andere een beweegtest, uitleg over gezond beweeggedrag en instructiefilmpjes van 15 oefeningen (‘Bewegen met Moef’), zoals ‘de stap op’, ‘de reus’ en ‘de krachtpatser’. Dat klinkt een stuk eenvoudiger dan bijvoorbeeld de squat, de lunge of de calf raise. Naast het taalgebruik valt op dat alle tekst te beluisteren is, dat er heel rustig wordt gesproken en dat de website overzichtelijk is.
Steffie.nl wordt ook aanbevolen vanuit het programma eHealth4All van Pharos, waarin de ontwikkeling en verspreiding van e-health voor iedereen wordt gestimuleerd. Wat ons betreft is Steffie.nl dan ook een aanrader voor iedereen, kijk er eens rustig rond!
Getipt door redactielid Corelien Kloek, senior onderzoeker, lectoraat Innovatie van Beweegzorg, Hogeschool Utrecht
column
Curlingouders In Australië is discriminatie een groot ding en er zijn veel regels om te voorkomen dat je bewust of onbewust discrimineert. Wij mogen bij de aanname van studenten natuurlijk ook niet discrimineren. Klinkt heel logisch, maar levert zo nu en dan toch wat hobbels op. Elk jaar worden we benaderd door mogelijke toekomstige studenten met de vraag of ze wel voldoen aan de toelatingseisen. Dit jaar zat er een jongen tussen die licht spastisch was, een meisje in een rolstoel en een jongen met visuele beperkingen. Het leverde in het team verhitte discussies op. We mogen ze op basis van deze beperkingen niet weigeren, maar onderwijs wordt wel lastig en de toekomstige beroepsuitoefening ook. Ineens werd ik wat paniekerig door collega F. gebeld. Collega F. regelt de selectieprocedure en is altijd erg alert
op ‘probleemgevallen’, maar deze was haar ontgaan. Wat bleek, een jongen die was toegelaten en al twee weken lessen volgde, meldde haar dat hij eigenlijk officieel blind was en toch wat last had van stress. Ik heb eerst bij het team van het eerste jaar gevraagd of hun een student was opgevallen met een visuele beperking: nee dus. Na enig heen-en- weergepraat met zowel de student als het team kwamen we tot de conclusie dat hij inderdaad visuele problemen heeft. Hij kan er in de les uitstekend mee omgaan, maar is erg angstig voor alles wat ongewoon is. Hij vraagt om allerlei aanpassingen van onze kant, bijvoorbeeld alleen stages bij hem in de buurt in een sportschool (want dat kent hij). Begrijpelijk, alleen kan dat niet omdat we aan de opleidingseisen moe-
ten voldoen. Ons vermoeden is dat hij zeer beschermd is opgegroeid. Hij was voordat hij bij ons begon nog nooit zelfstandig zijn wijk uit geweest en had nog nooit het openbaar vervoer gebruikt. Die arme jongen heeft naast een visuele beperking dus ook een participatiebeperking, dat is driedubbelhard werken voor hem. Helicopter parenting heet dat hier. In Nederland hebben we daarvoor een andere term: curlingouders. In elk nummer van FysioPraxis schrijft Arianne Verhagen een column over haar verblijf in Australië, waar zij sinds februari 2018 hoogleraar is aan de University of Technology Sydney (UTS) in Sydney. arianne.verhagen@uts.edu.au
FysioPraxis juni 2021 | 29
U kent Chemodol, de hypo-allergene afwasbare massage-olie. Maar Chemodis heeft meer massage-oliën. Zoals Chemotherm, een massage-emulsie met milde en verantwoorde warmtewerking. Het zuiver plantaardige Olivine, zonder conserveermiddelen en emulgatoren. Chemovine, speciaal voor de sterk behaarde huid.
Over de rug van Chemodol. En, speciaal voor de overgevoelige huid, Chemoderm met natuurlijke werkstoffen en de ongeparfumeerde Baselin Emulsion met biologische eigenschappen. Uw leveranciers kunnen u er alles over vertellen. Of bel voor meer informatie: +31 (0)72 - 520 50 83 www.chemodis.nl
Chemodis B.V.
CHEMODIS
Dat ligt voor de hand
Para-medische Farmacie Postbus 9160 NL-1800 GD Alkmaar Tel. +31 (0)72 - 520 50 83 E-mail: sales@chemodis.nl
specialistenkatern
Redactie: de Beroepsinhoudelijke Verenigingen Coördinatie & Eindredactie: Liesbeth Immink
NFP
Aandacht voor patiënten in lage SES-wijken Kennis delen en zorg verbeteren
32
VHVL
Multidisciplinaire herstelzorg voor COVID-19-patiënten
33
Innovatie vanaf de werkvloer
NVMT
Actuele kennis en attitude van pijn Verbeterd bij studenten manuele therapie
34 FysioPraxis juni 2021 | 31
N F P | N E D E R L A N D S E V E R E N I G I N G V O O R F Y S I O T H E R A P I E V O L G E N S D E P S Y C H O S O M AT I E K
specialistenkatern
Kennis delen en zorg verbeteren
Aandacht voor patiënten in lage SES-wijken De impact van gezondheidsvaardigheden op ziekte(beleving) en herstel krijgt steeds meer bekendheid, en dat is terecht. Met een juiste benadering van patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden en door de uitleg en interventies beter op hen af te stemmen is er veel te winnen. Zeker in de psychosomatische fysiotherapie. Hoe vaardig ben jij in het herkennen van deze groep? Tekst: Linda Slootweg
Gezondheidsvaardigheden zijn de cognitieve en sociale vaardigheden die mensen nodig hebben om gezondheidsinformatie te verkrijgen, te begrijpen en te gebruiken in hun eigen situatie. Van burgers wordt steeds meer verwacht dat zij zelf een actieve rol op zich nemen in hun gezondheid en het omgaan met ziekte. Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden zijn hier niet goed toe in staat.1 Uit recente cijfers van het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg blijkt dat ruim één op de drie Nederlanders (36,4%) lage gezondheidsvaardigheden heeft.2 Beperkte gezondheidsvaardigheden lijken vooral voor te komen bij mensen met een laag opleidingsniveau, mannen en ouderen. Maar ook mensen met een hoog opleidingsniveau en jongeren kunnen minder gezondheidsvaardig zijn. Gezondheidsvaardigheden fluctueren namelijk over tijd en situaties. Iemand die in de ene situatie heel vaardig is kan in een andere situatie, bijvoorbeeld onder invloed van emoties of een veranderende gezondheidstoestand, opeens veel minder vaardig zijn.3
Aandacht voor lage SES-wijken Een aanname is dat vooral allochtonen beperkt gezondheidsvaardig zijn, maar zoals hierboven al genoemd, lijkt het vooral voor te komen bij mensen met een lage sociaal-economische status (SES). Zo is bijvoorbeeld bekend dat in lage SESwijken de prevalentie van SOLK groter is dan gemiddeld door drie risicofactoren: 1) beperkte gezondheidsvaardigheden; 2) complexe psychosociale problematiek (herstel belemmerende factoren, waaronder eenzaamheid); 3) weerstand tegen psychologische benadering.4
Onbegrip bij patiënten De hoge prevalentie van mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden
32 | FysioPraxis juni 2021
zien we dus ook in de psychosomatische fysiotherapie. En dat zorgt bij interventies als pijneducatie voor een nieuwe uitdaging. Dr. Janke Oosterhaven heeft daar in haar promotieonderzoek aandacht aan besteed. Zij geeft aan dat de meeste patiënten de pijneducatie niet in zich opnamen zoals bedoeld was, de boodschap moeilijk konden begrijpen, de informatie negatief beoordeelden en niet in staat waren de informatie toe te passen in hun dagelijks leven.5 Haar conclusie is onder andere dat effectieve pijneducatie meer toegespitst zou moeten worden op verschillende niveaus van gezondheidsvaardigheden en de persoonlijke leerstrategieën en behoefte aan informatie. Ook blijkt de relatie tussen patiënt en hulpverlener de sleutel te zijn tot het toepassen van de geboden gezondheidsvaardigheden en gezondheidsinformatie.6
Expertgroep Omgaan met patiënten die beperkte gezondheidsvaardigheden hebben, vraagt dus een aanpassing van ons. Mede daarom is door collega psychosomatische fysiotherapeut Annet de Jong de expertgroep PSF in lage SES-wijken opgericht. Door kennis te delen en van elkaar te
leren over de behandeling van patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden kunnen we de zorg gericht verbeteren. Denk daarbij aan de terugvraagmethode, waarin je de patiënt vraagt in zijn eigen woorden jouw uitleg te herhalen. Het (blijven) verbeteren van de PSF-zorg voor deze groep is hard nodig. Wie nu nog denkt “In mijn praktijk komen beperkte gezondheidsvaardigheden niet voor”, mist waarschijnlijk een hoop signalen! Geïnteresseerd in de expertgroep PSF in lage SES-wijken? Mail dan naar linda.slootweg@hu.nl.
Linda Slootweg MSc, hoofd specialisatie Psychosomatische Fysiotherapie, Hogeschool Utrecht, psychosomatisch fysiotherapeut bij Medisch Training Centrum Delft linda.slootweg@hu.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
Innovatie vanaf de werkvloer
Multidisciplinaire herstelzorg voor COVID-19-patiënten Noord-Brabant werd als eerste provincie zwaar getroffen door de coronapandemie. Het Udense ziekenhuis Bernhoven stroomde al snel helemaal vol. Niet verwonderlijk dat Bas Wolbert van de gelijknamige fysiotherapiepraktijk in Uden, zich al snel geconfronteerd zag met grote aantallen COVID-19-patiënten met multi-problematiek. In eerste instantie mensen met een post-ic-syndroom, later kwamen daar de long COVID-patiënten bij. De extra tijd als gevolg van de coronamaatregelen, hebben Wolbert en zijn team benut om goed na te denken over wat hier nodig is.
Tekst: Marjo de Louw
Crisis betekent ‘beslissend keerpunt’ in het Grieks, verklaart Wolbert. Dat denkproces leidde onder meer tot contact met C-support. De zusterorganisatie van Q-support, die Wolbert nog kende van de behandeling van Q-koortspatiënten. Beide nazorgorganisaties ondersteunen mensen met langdurige postinfectieuze klachten respectievelijk na een Q-koortsof coronabesmetting. Uitgangspunt is een integrale aanpak waarbij de patiënt ondersteuning krijgt op alle leefgebieden waar de ziekte ingrijpt: gezondheid, psychosociaal, werk en inkomen. Bij C-support vond Wolbert een gewillig oor.
Passende zorg Medisch adviseur bij C-support en long arts Willem Pieters: “De ervaringen met Q-koorts hadden ons al geleerd dat het nauw luistert met belasting en belastbaarheid bij een postinfectieus klachtenpatroon. De eerste ervaringen met herstelzorg na COVID-19 laten zien dat die voor 95% uit fysiotherapie bestaat. Dat komt niet tegemoet aan de overige problemen, bijvoorbeeld bij het aanpakken van disfunctioneel ademen, waar een logopedist voor nodig is. De groep is daarom uitgebreid met praktijken in Oss en Schaijk, allemaal voedingsgebied Bernhoven, en samen zijn we gaan werken aan een multidisciplinair programma dat passende zorg kon bieden aan COVID-19-patiënten.”
Start pilot Deze maand starten de deelnemende praktijken met de pilot. De bedoeling is om, wanneer de eventuele kinderziektes eruit zijn, deze na de zomer verder uit te rollen in Nederland. Wolbert over de pilot: “Wanneer een patiënt zich meldt met complexe problematiek, beginnen we met een pre-intake. Daarmee vormen we een beeld van wat er nodig is. Vervolgens nodigen we de
relevante disciplines uit voor een multidisciplinair overleg. Denk aan de ergotherapeut, diëtist en logopedist. Daar maken we gezamenlijk en met de patiënt een plan van aanpak en stellen we de behandeldoelen vast. Dat mondt uit in een behandelplan. We starten met een 0-meting. Dat is een mix van testen en vragen gebaseerd op het meetinstrumentarium van de verschillende disciplines. Halverwege het traject vindt een tweede multidisciplinair overleg plaats: liggen we op koers, is bijstelling nodig? Aan het eind van het behandeltraject evalueren we met opnieuw een meting en met de patiënt. Hoe oordeelt die over de ervaren zorg en zijn de doelen behaald?”
De rol van de fysiotherapeut Deze manier van werken stelt eisen aan de fysiotherapeut, als casemanager van dit multidisciplinaire traject. Wolbert: “Het bewaken van de multidisciplinaire zorg zal moeten plaatsvinden door een fysiotherapeut met een extended scope, kijk op zorg en op diagnostiek. Er wordt nog nagedacht om samen met instanties als Chronisch Zorgnet hier criteria voor op te stellen. Het gaat erom dat we zinnige zorg leveren, niet onbelangrijk bij long COVID.”
Verkokering doorbreken Wolbert en Pieters hebben er vertrouwen in. Te meer omdat ze bij het eerste multidisciplinair overleg ook specialismen uit de tweede lijn kunnen betrekken; een sport arts, longarts of revalidatiearts. Pieters: “Dat is echt een andere benadering, echt vanuit het perspectief van de patiënt. Het levert zinnige zorg op die betaalbaar is. Het doorbreekt de verkokering en is toepasbaar op veel meer chronische aandoeningen.” Wolbert vult aan: ‘De transitie van de tweede naar de eerste lijn is mislukt, omdat de eerste lijn geen goed alternatief bood. Met deze aanpak komt dat er wel.” Is er dan geen enkel kritisch punt? Jawel, er is nog geen betaaltitel voor de multidisciplinaire overleggen in het traject. Maar, zo is de overtuiging, dat gaat vast lukken omdat er nu een goed en betaalbaar alternatief ligt.
Marjo de Louw, senior communicatie adviseur Q-support en C-support
m.d.louw@c-support.nu FysioPraxis juni 2021 | 33
V H V L | V E R E N I G I N G V O O R H A R T - , VA AT - E N L O N G F Y S I O T H E R A P I E
specialistenkatern
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
Verbeterd bij studenten manuele therapie:
Actuele kennis en attitude van pijn Bron: Beetsma AJ, Reezigt RR, Reneman MF. Knowledge and attitudes toward musculoskeletal pain neuroscience of manual therapy postgraduate students in the Netherlands. Musculoskeletal Sci Pract. 2021;52:102350. Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door een subsidie van het wetenschappelijk fonds van de Nederlandse Vereniging voor Manuele Therapie (NVMT).
De kennis en attitude van manueel therapeuten van musculoskeletale (MSK) pijn hebben invloed op de overtuigingen van patiënten en de gezondheidsuitkomsten.1-12 Het is onduidelijk in hoeverre studenten manuele therapie (MT-studenten) in Nederland over moderne neurowetenschappelijke kennis en attitude ten aanzien van pijn beschikken om het biopsychosociaal model toe te kunnen passen bij patiënten met MSK-pijn.
gevaarlijk’. De meeteigenschappen van de KNAP zijn adequaat.13 De 14 items tellende Pain Attitudes and Beliefs Scale for Physiotherapists (PABS-PT), waarvan zeven items behoren tot de biomedische (BM) subschaal en zeven items tot de biopsychosociale (PS) subschaal14 en de 12 items tellende Neurophysiology of Pain Questionnaire (NPQ)15 zijn als secundaire uitkomst maten gebruikt.
Tekst: Anneke Beetsma, Roland Reezigt, Michiel Reneman
De wijze waarop het onderwijs over pijn werd aangeboden binnen de zes MT-programma’s verschilde qua didactiek, programmering in het curriculum en de hoeveelheid bestede tijd. Aan de programmamanagers werd de vraag gesteld: “Als je een positief verschil verwacht in kennis en attitude ten aanzien van pijn binnen het MT-curriculum, wanneer verwacht je dan het grootste verschil?” De hypothese was dat het meest positieve verschil in kennis en attitude van pijn werd waargenomen in het jaar waarin gericht onderwijs over pijn werd aangeboden. Verschillen in KNAP-scores tussen baseline (0), eerste jaar, tweede jaar
Het doel van deze cross-sectionele studie was het meten van moderne neurowetenschappelijke kennis en attitude ten aanzien van pijn bij MT-studenten bij aanvang en in de drie jaren van het MT-curriculum.
Methode De studenten (n = 662) aan de masterprogramma’s Manuele therapie van alle zes Universities of Applied Sciences in Nederland vulden een enquête in bij aanvang van de studie (baseline) en aan het einde van het eerste, tweede en derde jaar. De enquête werd tijdens een regulier fysiek lesmoment ingevuld en bestond uit drie vragenlijsten. De primaire uitkomstmaat was de 30 item tellende Knowledge and Attitudes of Pain (KNAP)13. Elke participant gaf op een 6-punts Likert-schaal aan in hoeverre hij of zij het eens was met de stelling, variërend van volledig oneens tot volledig eens. De totale score kan variëren van 0 tot 150 punten. Een hogere KNAP-score duidt op meer moderne neurowetenschappelijke kennis en attitude van pijn. Voorbeelden van stellingen zijn: ‘Als de weefselschade of ontsteking volledig is hersteld, verdwijnt de pijn’ en ‘Bij pijn is bewegen of sporten
34 | FysioPraxis juni 2021
Onderwijs over pijn
en derde jaar werden getoetst met een one-way ANOVA (hypotheses: baseline (0) < jaar 1 < jaar 2 < jaar 3). Hiervoor zijn vier tests uitgevoerd: 0-1, 1-2, 2-3, 3-4. Een twee-factor-ANOVA werd gebruikt om het interactie-effect te bepalen van gericht gegeven onderwijs over pijn en het jaar van het curriculum op de KNAP. Voor het bepalen van de algemene grootte van het effect werd de Omega squared (ω2) gebruikt. De grootte van dit effect werd geïnterpreteerd als klein ≥.01, matig ≥.06, en groot ≥.14. Een sensitiviteitsanalyse werd uitgevoerd met de PABS-PT en de NPQ om de robuustheid van de resultaten op de KNAP te bepalen.16
Verschil in kennis en attitude ten aanzien van pijn Alle KNAP-scores en verschillen zijn zichtbaar in tabel 1. De KNAP-scores tussen de jaren van het MT-curriculum verschilden met een matige effectgrootte (F(3, 218.18) = 13.56, p<.001, ω2 = .059). De omvang van het verschil tussen baseline en het eerste jaar was klein en tussen baseline en het derde jaar matig. De effectgroottes tussen de jaren varieerden van klein tot matig.
Tabel 1 Jaar
Gemiddelde [95%CI]
Baseline (n = 250)
p
Effectgrootte r
87.1 [86.3;87.9]
Jaar 1 (n = 164)
89.5 [88.5;90.4]
Jaar 2 (n = 192)
90.5 [89.6;91.4]
Jaar 3 (n = 56)
91.2 [89,5; 92,8]
Verschil 0-3
-4,1 [-5.9;-2.3]
<.001*
.44
Verschil 0-1
-2.4 [-3.6;-1.2]
<.001*
.20
Verschil 1-2
-1.0 [-2.3;0.3]
.116
.08
Verschil 2-3
-0.7 [-2.6;1.2]
.480
.07
KNAP-scores per jaar van het MT-curriculum KNAP; Knowledge and Attitude of Pain, CI; Confidence Interval, *p<.0125
Verschil gerelateerd aan gericht gegeven onderwijs over pijn Het verschil in kennis en attitude gerelateerd aan gericht gegeven onderwijs over pijn is grafisch gepresenteerd in figuur 1. Het interactie-effect van gericht gegeven onderwijs over pijn en de kennis en attitude ten aanzien van pijn was klein (F(6)=2.597, p=.017, ω2=.012). Een positief verschil in kennis en attitude van pijn is zichtbaar in jaar 2.
Sensitiviteitsanalyse De scores op de PABS-PT, PS-subschaal en BM-subschaal en de NPQ gerelateerd aan de KNAP-scores zijn gepresenteerd in figuur 2. Er was een klein effect tussen de jaren van het MT-curriculum op de PABS-PT/PS-scores, F(3, 212.22) = 2.95, p = .034, ω2 = .009 en op de PABS-PT/ BM scores F(3, 222.50) = 4.94, p = .002, ω2 = .017. De scores op de NPQ verschilden ook, F(3, 220.72) = 11.83, p<.001, ω2 = .052) met een matige effectgrootte. De effectgroottes tussen de jaren varieerden van klein tot matig.
Discussie Er zijn positieve verschillen gemeten bij MT-studenten op moderne neurowetenschappelijke kennis en attitude ten aan-
Figuur 1
98
Gericht gegeven onderwijs
96 94 KNAP-score
zien van pijn tussen baseline en jaar 1, 2 en 3 van het MT-curriculum. Effectgroottes tussen de groepen op KNAP waren matig tussen baseline en jaar 3 en klein tussen baseline en jaar 1. Sensitiviteitsanalyses waren consistent met de resultaten op de KNAP, wat suggereert dat de resultaten op de primaire effectmaat valide zijn. De resultaten betekenen dat MT-studenten in het verloop van hun studie meer richtlijnconforme kennis en attitude hebben ten aanzien van pijn. Of de effectgroottes groot genoeg zijn om positieve veranderingen van het klinische handelen en op patiënt-gerelateerde uitkomsten te bewerkstelligen, is vooralsnog onbekend. Dit zou onderwerp kunnen zijn voor verder onderzoek.17,18 Er was een interactie-effect van gericht gegeven onderwijs over pijn en het jaar in het curriculum. In een deel van de MT-programma’s was onderwijs over pijn duidelijk gedefinieerd in jaar 2, wat resulteerde in een zichtbaar positief verschil in resultaten. In de meeste gevallen werd het onderwijs over pijn geïntegreerd aangeboden in een andere MT-onderwijsmodule. In die gevallen hadden programmamanagers moeite om de vraag te beantwoorden waar het grootste positieve verschil te verwachten is in het MT-programma.
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Gemiddelde
90 88 86 84
Er zijn positieve verschillen van moderne neurowetenschappelijke kennis en attitude ten aanzien van pijn gemeten tussen de jaren van het MT-curriculum. Specifiek en duidelijk omschreven onderwijs over pijn lijkt het meest positieve effect te hebben. MT-studenten ontwikkelen gedurende hun studie meer richtlijnconforme kennis en attitude ten aanzien van patiënten met (aanhoudende) pijn.
a.j.beetsma@pl.hanze.nl Baseline
Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3
Interactie van jaar en gericht gegeven onderwijs over pijn
Roland Reezigt MSc, PhD-student, Academie voor Gezondheidsstudies, Hanze University of Applied Sciences Groningen
KNAP; Knowledge and Attitude of Pain
Gestandaardiseerde score
Conclusie
Anneke Beetsma MSc, PhD- student, Academie voor Gezondheidsstudies, Hanze University of Applied Sciences Groningen; Universitair Medisch Centrum Groningen, afdeling Revalidatie geneeskunde
92
Figuur 2
De neurowetenschappelijke kennis en attitude ten aanzien van pijn kan worden verbeterd als duidelijk gedefinieerd onderwijs over pijn, inclusief een module pain neuroscience education (PNE) wordt aangeboden in een formeel competentie gericht pijncurriculum met voldoende tijd.19,20 Deze kennis dient geïntegreerd te worden in casuïstiekbespreking waarbij actief klinisch redeneren en patiëntendemonstraties gebruikt worden.19-24 Deze vaardigheden kunnen bijdragen aan een meer omvattende, op het pijnmechanisme gebaseerde benadering van patiënten met (aanhoudende) pijn omdat MT-studenten beter in staat zijn het biopsychosociaal model te gebruiken in hun dagelijkse praktijk. Verder onderzoek is nodig om te bepalen welk type en hoeveelheid onderwijs het meest effectief is en ook langetermijnuitkomsten oplevert.5, 25-30
0.6 Vragenlijst KNAP PABS PS 0.4 PABS BM (omgekeerd) NPQ 0.2
r.r.reezigt@pl.hanze.nl
0.0
Prof. dr. Michiel Reneman, Universitair Medisch Centrum Groningen, afdeling Revalidatie geneeskunde
- 0.2 - 0.4 - 0.6 Baseline
Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3
m.f.reneman@umcg.nl
Sensitiviteitsanalyse KNAP, PABS-PT, NPQ KNAP; Knowledge and Attitudes of Pain, PABS PS; Pain Attitudes and Beliefs Scale for Physiotherapists Biopsychosocial subscale, PABS BM; Pain Attitudes and Beliefs Scale for Physiotherapists Biomedical subscale, NPQ; Neurophysiology of Pain
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
Questionnaire FysioPraxis juni 2021 | 35
NVMT | NEDERLANDSE VERENIGING VOOR MANUELE THERAPIE
specialistenkatern
Dankzij de partners van de DvdF Online hebben meer dan 1600 fysiotherapeuten interessante en inhoudelijke sessies bekeken. Nog niet (alles) gezien? Ga snel naar dvdfonline.nl. De sessies zijn beschikbaar tot half juli.
Orthopedic Solutions
With
Care
Redactie: KNGF | Coördinatie: Saskia Bon en Liesbeth Immink | Eindredactie: Liesbeth Immink
38-39: Interview Kitty Bouten 40-41: Wetenschappelijk landschap fysiotherapie 42: Ontwikkelingen cao – deel 1 43: E-learning: Blauwe plekken bij kinderen
In het z nnetje ‘Tot mijn pensioen zit ik hier nog!’ Mensen die zich inzetten voor de fysiotherapie verdienen het om in het zonnetje gezet te worden. Dus dat doen we! Deze keer: Susanne Willemsen. Al ruim 26 jaar werkt Susanne in de Rotterdamse oud-Vogelaarwijk ‘Oude Westen’. Eerst als waarnemer en binnenkort alweer 25 jaar in een maatschap. Hoe bevalt werken in deze wijk? En wat maakt het uitdagend? Tekst: Karen van Hameren
lossen. En begrijpen dat je ook zelf iets aan je klacht kunt doen door bijvoorbeeld meer te gaan bewegen of actiever te wor den.”
Wat voor soort mens moet je zijn?
Gezondheidsvaardigheden van bewoners in wijken als ‘Oude Westen’ zijn vaak lager dan gemiddeld. Waar merk je dat aan? “Aan de telefoon moet je al beslissen of je met een tolk de anamnese wilt doen. Is iemand een beetje taalvaardig, dan lukt het meestal wel, maar ook dan neem ik anders de anamnese af, met kortere vragen. En als iemand geen Nederlands spreekt, en dit zijn met name de oudere dames die ook laaggeletterd zijn in hun eigen taal, moet er de eerste keer echt iemand zijn die vertaalt. Vaak is dat een dochter of schoondochter. Het heeft ook te maken met inzicht. Inzicht in hoe klachten ontstaan en hoe je ze op kunt
“Een collega van me is gestopt omdat ze heel hoge eisen stelde, aan zichzelf en aan anderen. Dat maakt het lastig, omdat je doelen hier vrij klein moeten zijn. Bij bepaalde mensen kun je geen hele hoge doelen stellen. Ik ben soms bij voorbeeld al blij als iemand gaat sporten, want als ze dan na een paar jaar weer bij je komen, heb je meteen een heel ander ingangsniveau voor de behandeling. Je moet dus niet te hoge doelen stellen en niet te perfectionistisch zijn. Weer naar de markt kunnen lopen kan al een duidelijk doel zijn. Oh, én je moet geduld hebben, en duidelijke kaders stellen: wat kun je betekenen voor iemand en wanneer moet diegene zelf aan de bak. Maar goed, dat laatste geldt voor alle patiënten.”
En wat heb je als fysiotherapeut nodig? “Ik zou willen dat er tijdens de opleiding meer aandacht is voor gezondheids verschillen, dat is echt onderbelicht. Ik merk het aan stagiaires die het dan bijvoorbeeld over ‘die mensen’ hebben. Ze schrikken van wat het met zich mee brengt om fysiotherapie goed te kunnen
doen. Tijdens de opleiding ga je uit van de ideale patiënt bij wie je alle tests kunt doen. Maar bij sommige tests moet je differ entiëren op taal – matig, veel, heel veel – en dat gaat gewoon niet. Dat is soms echt te hoog gegrepen. En dan moet je ook nog tweeëndertig vragen stellen, nee, dan kan ik mijn tijd beter besteden. Testen is belangrijk, maar het zou mooi zijn als er meer aandacht voor is dat dat niet voor iedereen duidelijk, makkelijk en uit voerbaar is. Met een PSK ben je er al. Als fysiotherapeut in een wijk als deze moet je flexibel zijn, niet te veel in patronen denken en dingen op een andere manier bekijken en inpassen in iemands leven. En het is ook fijn als je een open iemand bent, mensen vertrouwen je sneller.”
Tip voor een fysiotherapeut met ambities in een ‘oud-Vogelaarwijk’? “Het zijn heel leuke wijken, juist omdat het zo divers is: de patiënten, de culturele achtergronden. Het is uitdagend om daar binnen naar oplossingen te kijken. Ik weet nog dat ik hier 26 jaar geleden kon waar nemen en toen dacht ‘Als ik hier een vaste baan kan krijgen, dan ben ik zo blij.’ Nou, ik zit hier nog wel tot mijn pensioen!” Lees ook de rubriek Casuïstiek, diagnostiek en behandeling op pag. 20, waarin Susanne aan de hand van een casus tips geeft voor in de praktijk.
Karen van Hameren, communicatie KNGF k.vanhameren@kngf.nl FysioPraxis juni 2021 | 37
achter het nieuws
Afscheidsinterview Kitty Bouten
“Wat wij aan kwaliteit hebben gedaan is extreem” Nou vooruit, ze wil wel geïnterviewd worden, maar haar verhaal heeft ze – als altijd goed voorbereid – al zo’n beetje klaarliggen. Na zeven jaar neemt Kitty Bouten, bewegingswetenschapper en fysiotherapeut, afscheid als bestuurslid van het KNGF. “Ik vind het een goed moment om afscheid te nemen. Kwaliteit is nooit af, maar een aantal belangrijke projecten is afgerond. Bovendien vind ik dat een KNGF-bestuurder dicht bij de praktijk moet staan. Dat is in mijn geval al een aantal jaren niet meer zo. En, zeven jaar is een mooie periode. Het is goed dat je dan ruimte maakt voor een ander.”
Tekst: Pieter Vonk | Beeld: Frans Kanters
Hoe was je, als bestuurder? “Die vraag kunnen anderen beter beant woorden. Het was niet mijn ambitie om bestuurslid te worden. Ik had wel een duidelijke mening over veel zaken die betrekking hadden op fysiotherapie en het beleid van het KNGF. Die heb ik vaak laten horen en dan moet je ook verant woordelijkheid nemen wanneer het erop aankomt.”
Dus je begrijpt het als mensen zeggen dat je onverzettelijk kunt zijn? “O ja, zeker, onverzettelijkheid herken ik wel, rigiditeit niet. Wat ik vaak hoor: als ik iets vind, dan breng ik mijn mening met overtuiging. Die mening is altijd gebaseerd op feitenkennis en analyse. Als je komt met betere argumenten, ga ik met je mee. Als ik geen goede tegen argumenten krijg, hou ik vast aan mijn conclusies.”
En, wat heeft ons dat opgeleverd? “Vooropgesteld dat ik het niet alleen heb gedaan, denk ik dat een belangrijke winst van de afgelopen jaren is dat de band tussen de leden en het KNGF ver beterd is. We zijn een beroepsvereniging, dus we zijn er voor onze leden. Zij mogen verwachten dat we ons optimaal voor hen inzetten. Hun belangen behartigen en hen ondersteunen. Onze lijfspreuk was: ‘Van disciplineren naar facilite ren.’ We hebben ervoor gezorgd dat elk individueel lid een eigen stem heeft in het KNGF én dat leden digitaal kunnen stemmen.”
38 | FysioPraxis juni 2021
Vertel, hoe is het gesteld met die belangenbehartiging? “Het KNGF heeft de afgelopen tien jaar tachtig miljoen euro in kwaliteit geïnves teerd. Een indrukwekkend bedrag, opge bracht door fysiotherapeuten zelf. Met onze eigen investering heeft de kwaliteit van fysiotherapie, de borging en transpa rantie, een enorme ontwikkeling doorge maakt. Daar mogen we echt trots op zijn! Kwaliteit is de kern van je bestaansrecht: fysiotherapie blijft alleen relevant wan neer fysiotherapeuten zorg leveren die relevant is voor de patiënt. Een goed kwa liteitsbeleid is dus óók belangenbeharti ging. Het lukt ons steeds vaker om extern budget te verwerven voor de ontwikkeling van kwaliteitsinstrumenten. Zo hoort het
ook: wanneer partijen (terecht) eisen stellen aan de kwaliteitsontwikkeling van een beroepsgroep behoren ze daarvoor budget beschikbaar te stellen. Iemand die nu nog beweert dat we onvol doende kwaliteit leveren, of die onvol doende aantonen, weet niet waar hij het over heeft. Wat wij aan kwaliteit hebben gedaan, is extreem!”
Dus de positie van fysiotherapeuten verbetert? “Nut en noodzaak van fysiotherapie staat niet meer ter discussie. Iedereen ziet inmiddels dat fysiotherapie een belangrijke bijdrage kan leveren aan het beheersen van de totale zorgkosten: door mensen langer zelfredzaam te houden en door substitutie. Ik ben er daarom van overtuigd dat méér fysiotherapie terug zal gaan naar de basisverzekering. Fysiotherapie is belangrijk om de Juiste Zorg op de Juiste Plek (JZOJP) te rea
Kitty Bouten: ‘Combinatie van evidence based practice én practice based evidence, dát leidt tot zorg op maat en kwaliteit van zorg!’
achter het nieuws
liseren. Daarvoor moeten we multi- en interdisciplinair samenwerken. Dat lukt alleen wanneer fysiotherapie in de basis verzekering zit en dus toegankelijk is voor iedereen.”
En je levert de tent schoon op? “Nee, die pretentie heb ik niet. Zo vind ik het jammer dat het niet gelukt is om intervisie bij de invoering van KRF NL geaccepteerd te krijgen. Ik verwacht ech ter dat onze geregistreerden intervisie uit eindelijk zullen omarmen. Professionals leren het meest van andere professionals en dat is precies wat intervisie biedt. Verder zou ik graag willen dat we met z’n allen trots voor ons beroep gaan staan met een focus op wat we delen. Eenheid in al onze verscheidenheid. Niet iedere fysiotherapeut kan alles, maar fysio therapie als geheel heeft enorm veel te bieden. Samen onze successen uitdragen, of het nu gaat om een verbijzonderd, een algemeen fysiotherapeut, of een fysio therapeut uit een netwerk. Samen één boodschap: ‘Fysiotherapie doet er toe en fysiotherapie doet het goed’.” “Ik hoop ook dat we onze autonomie als professional vasthouden in de weerwil van de maatschappelijke druk op verant woording en standaardisatie. Richtlijnen, protocollen, kwaliteitsstandaarden zijn waardevolle hulpmiddelen, maar het blíjven hulpmiddelen. Een goed opge leide fysiotherapeut kent ze, maar durft daarvan af te wijken. Combinatie van evi dence based practice én practice based evidence, dát leidt tot zorg op maat en kwaliteit van zorg! Fysiotherapie is een vak dat je met hoofd, hart en handen uit oefent. Fysiotherapie is ook een vak met een breed scala aan interventies: oefenthe rapie, massage en andere manuele inter venties en fysiotechnische applicaties hebben waarde wanneer ze op het juiste moment bij de juiste patiënt worden inge zet. Dat brede scala maakt ons uniek en geeft veel aangrijpingspunten voor zorg op maat. Dat moeten we koesteren.” “Ik vind ook dat ons zelfbewustzijn moet verbeteren. Het zelfbewustzijn om fat soenlijke arbeidsvoorwaarden te claimen. Van de eerstelijnstarieven kan een rede lijke cao zoals van gezondheidscentra of tweede lijn niet betaald worden. Dat
Projecten waar Kitty trots op is: De actualisatie van het kwaliteitsregis ter tot een nieuw register KRF NL. Een register dat meer transparantie biedt, voortdurende kwaliteitsontwikkeling stimuleert en de kwaliteit beter borgt. En dat op een manier die beter aansluit bij de praktijk van het werkveld en daar door minder belastend is. De governance is verbeterd en het accreditatieproces transparant gemaakt. Daarnaast heb ben alle belanghebbenden, ook zorgver zekeraars, de mogelijkheid een klacht in te dienen tegen naar hun mening onder-presterende fysiotherapeuten. De formulering van de KNGF-visie op fysiotherapie in 2025, ‘Vertrouwen in beweging’. De uitvoeringsagenda ‘Bewegen naar de toekomst’, de nieuwe Beroepskolom en het nieuwe Beroepsprofiel. Deze laatste twee leg gen we komende ALV voor. Daarover zegt Kitty: “Vooral de manier waarop deze projecten gerealiseerd zijn
leidt ertoe dat deze organisaties fysio therapie vanuit financiële overwegingen outsourcen naar de eerste lijn. Dat fysio therapeuten nog steeds geen fatsoenlijk tarief en dus geen fatsoenlijke arbeids voorwaarden hebben, wordt veroorzaakt door louter financiële belangen. Toen we in de basisverzekering zaten had de minis ter geen budget. Nu we grotendeels in de Aanvullende Verzekering zitten, hebben de zorgverzekeraars een commercieel belang om de tarieven voor fysiotherapie te druk ken. De Aanvullende Verzekering is ten slotte een commercieel product, dat men sen stimuleert om alleen te verzekeren wat ze gaan gebruiken. Zo’n verzekering wordt te duur. De meeste mensen sluiten een aanvullende polis af omdat ze fysio therapie willen verzekeren. Daardoor is een goedkope voorziening als fysiotherapie binnen de aanvullende verzekering toch een grote kostenpost. Om de polispremie laag te houden, wordt fysiotherapie gekort op tarief en aantal behandelingen. Dat kunnen we alleen stoppen door solidair te zijn, ons niet meer te laten verleiden tot profilering ten koste van collega’s. Dat laatste kan op korte termijn verleidelijk zijn, maar het uiteindelijke resultaat is voor iedereen negatief. Zorgverzekeraars willen slechts een beperkt aantal fysio
met betrokkenheid van veel belang hebbenden van binnen en buiten de beroepsgroep, vind ik heel waardevol. Ik kijk daar met genoegen op terug. En nu dan de samenwerking met SKF waar over je je als lid in de komende ALV uit kunt spreken. Het bij elkaar komen van KNGF en SKF betekent een versterking van de positie van de beroepsgroep.”
therapeuten hun hoogste tarief toeken nen. Zodra méér fysiotherapeuten aan de eisen voldoen, gaat de lat omhoog. Ook SKF krijgt daar door hun groter aantal geregistreerden mee te maken. Registratie bij SKF betekent niet meer automatisch een hoger tarief. Daarom ben ik blij dat we nu gaan samenwerken met SKF, om te komen tot één kwaliteitshuis.”
Oké, en nu je nabrander nog… “Ik vind het echt een aanrader om je als professional in beleid te verdiepen en je daarmee te bemoeien. Ik roep vooral vrouwen op om dat te doen in een beroepsgroep die voor 60% uit vrouwen bestaat. Kom op meiden, we kunnen het toch niet laten bestaan dat veruit de meerderheid van onze bestuurders nog mannen zijn? Meld je aan, steek je vinger op en ga ervoor. Want er is nog wel wat winst te behalen. Het ga jullie en mijn opvolger goed!”
Pieter Vonk, communicatie KNGF p.vonk@kngf.nl FysioPraxis juni 2021 | 39
achter het nieuws
Wetenschappelijk landschap fysiotherapie Posterprijs op de Dag van de Fysiotherapeut 2019, gekozen uit ruim 50 posters waarin onderzoekers wetenschappelijke inzichten delen.
Winnaar WCF-proefschriftprijs. Met deze prijs kan Andreas Rothgangel zijn inzichten delen. Inmiddels geeft hij lezingen spiegeltherapie aan fysio therapeuten.
Onderzoekers vinden elkaar via het onderzoekersnetwerk.
Het KNGF Kennisplatform brengt wetenschap en praktijk samen.
Het Wetenschappelijk College Fysiotherapie (WCF) stimuleert sinds 2005 wetenschappelijk onderzoek binnen de fysiotherapie.
40 | FysioPraxis juni 2021
HET KNGF DRAAGT BIJ AAN DE VERBINDING TUSSEN WETENSCHAP, KENNISALLIANTIES EN HET WERKVELD Vakinhoud en wetenschappelijke onderzoeksresultaten vormen een belangrijk onderdeel van de ammunitie om beleidsmakers en verzekeraars aan fysiotherapie de rol en waardering te geven die passend is bij de kwaliteiten van de fysiotherapeut. Daarnaast vormen resultaten uit wetenschappelijk onderzoek samen met klinische expertise en patiëntwaarden de behandelrichtlijnen van de fysiotherapeut. Het Wetenschappelijk College Fysiotherapie (WCF) verzamelt vragen uit het werkveld, van de kennisallianties, brengt deze onder de aandacht van onderzoekers en financierders én verstrekt namens het KNGF financiering voor onderzoek. Daarnaast heeft het WCF een adviserende rol aan het KNGFbestuur. Innovaties worden in de fysiotherapie (door)ontwikkeld op initiatief van óf in samenwerking met onderzoekers. Fysiotherapeuten die (ook) onderzoeker zijn, kunnen zich met elkaar verbinden door lid te worden van het onderzoekersnetwerk. Zo blijven zij onderling in contact (o.a. door de jaarlijkse wetenschapsdag) en in contact met het werkveld. De academische infrastructuur is van belang om vragen op urgente en relevante domeinen uit het werkveld te kunnen beantwoorden. Het KNGF wordt jaarlijks meer dan 50 keer gevraagd om te participeren in subsidieaanvragen voor onderzoek in de fysiotherapie. Bij deelname aan onderzoek na honorering van de subsidie worden leden uit het werkveld, de kennisallianties of beleidsmakers afgevaardigd als vertegenwoordiging van de fysiotherapie. Om de resultaten uit het onderzoek praktisch toepasbaar te maken deelt het KNGF deze via het KNGF Kennisplatform, via Fysio E-nieuws, via scholingen, factsheets, kennisclips, webinars, e-learnings, presentaties op de Dag van de Fysiotherapeut, via de kennisallianties of hier in FysioPraxis.
KENNISALLIANTIES • Beroepsinhoudelijke verenigingen • Opleidingen • Kennisnetwerken • Gerelateerde disciplines
WERKVELD • Fysiotherapiepraktijken • Revalidatiecentra • Ziekenhuizen • Zorginstellingen
Er zijn 34.501 fysiotherapeuten geregistreerd in het BIG-register. Zij werken in veel verschillende rollen op verschillende soorten locaties. De meeste therapeuten komen dagelijks in klinische situaties terecht waarbij ze niet alle informatie voorhanden hebben die ze nodig hebben om de zorg aan de patiënt te bieden op de evidence-based manier zoals ze dat graag zouden willen. Er zijn veel verschillende manieren om aan de informatie te komen die kan helpen in deze situaties. Met dit overzicht laten we zien hoe het KNGF deze informatie ophaalt en zich inzet om gewogen en getoetste informatie naar het werkveld toe te brengen.
WETENSCHAP • 12 Hogescholen • 22 Lectoren • 8 Universiteiten • 23 Hoogleraren • > 600 gepromoveerde fysiotherapeuten
De opleidingen leiden de studenten op tot fysiotherapeuten die evidence-based werken. De masteropleidingen voorzien in aanvullende competenties om informatie uit wetenschappelijk onderzoek te beoordelen en te integreren in het handelen.
In Nederland zijn wetenschappelijke onderzoekers die oorspronkelijk opgeleid zijn als fysiotherapeut steeds beter vertegenwoordigd in de academische wereld. Er zijn 22 lectoraten en 23 leerstoelen waarbij fysiotherapie onderdeel is van het primaire aandachtsgebied. Ook internationaal geniet het Nederlands fysiotherapeutisch wetenschappelijk onderzoek een hoog aanzien.
De 13 beroepsinhoudelijke verenigingen (BI’s) streven ernaar dat leden handelen gebruikmakend van de laatste wetenschappelijke inzichten. Zij zijn voor het KNGF een belangrijke bron voor het aanleveren van vragen uit het werkveld en het verspreiden van kennis.
Er wordt fundamenteel, translationeel en klinisch (praktijkgericht) onderzoek gedaan om antwoord te geven op de vragen uit het werkveld en de kennisallianties.
Ook nascholingsaanbieders, kennisnetwerken en samenwerkingen met aan het beroep gerelateerde disciplines spelen een belangrijke rol in de kennisoverdracht.
De resultaten uit onderzoek worden gepubliceerd in artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, maar leiden vaak ook tot producten die in de praktijk toegepast kunnen worden.
FysioPraxis juni 2021 | 41
achter het nieuws
Stap voor stap dichterbij
Cao fysiotherapeuten in vrijgevestigde praktijk – Deel 1 De cao voor vele duizenden fysiotherapeuten in de vrijgevestigde praktijk is in wording: de onderhandelingen zijn volop gaande. Cao-partijen werken intensief en constructief aan cao-artikelen die straks in de cao moeten komen. In deze periode is dus vooral op inhoud werk aan de winkel voor goede en toekomstbestendige arbeidsvoorwaarden die aansluiten op de ontwikkelingen van het vak. Waar we nu staan? Bob van Ravensberg, voorzitter Fysiovakbond FDV en Daan Spanjersberg, voorzitter werkgeversvereniging WVF praten je bij.
Bob van Ravensberg: “Met de instemming van de leden met het visiedocument voor de cao weten we zeker dat leden grote behoefte hebben aan bijvoorbeeld afspraken over loonontwikkeling en pensioen, scholing en ontwikkeling en een passende functieomschrijving. Dit was het startschot voor de onderhandelingen. Vanaf het najaar zijn we als FDV (Vereniging van Fysiotherapeuten in Dienstverband in een Vrijgevestigde praktijk, red.) intensief met de werkgeversdelegatie aan de slag gegaan met onderwerpen die in de nieuwe cao uitgewerkt moeten worden. Niet lang daarna werden de eerste conceptteksten realiteit. En die vormen op dit moment de basis van de daadwerkelijke onderhandelingen. Zo praten we tijdens elke onderhandelingssessie om de paar weken met de werkgevers over een concepttekst met specifieke onderwerpen. We bespreken wat we willen bereiken en proberen scherp te krijgen wat beide partijen willen bereiken. Goed begrip voor elkaars beredenering is van belang om de opties helder te hebben en keuzes te maken. Tijdens de onderhandelingen moeten we elkaar daarin zien te bereiken. Voor ons staat daarbij heel scherp voor ogen dat fysiotherapeuten zich er straks wel in moeten kunnen vinden als we de gemaakte afspraken in het cao-akkoord ter stemming voorleggen. Tijdens het cao-proces denkt een klankbordgroep van fysiotherapeuten met ons mee en dat zorgt ervoor dat we scherp blijven op de te maken afspraken. In deze fase overleggen en schakelen we dus veelvuldig met verschillende betrokkenen. Zo zetten we zorgvuldig stappen vooruit. Uiteraard draait het er natuurlijk om dat er een goede cao tot stand komt. Dit draagt ook bij aan een steviger positionering en dat is zowel in het belang van werknemers als werkgevers. Vooralsnog verloopt het cao-proces zeer dynamisch en we vragen nog even geduld voordat de Cao Eerste Lijn Fysiotherapie een feit is. Maar dan levert het ook echt wat op!”
Daan Spanjersberg: “De cao- onderhandelingen voor de eerste lijn fysiotherapie zijn in volle gang. De onderhandelingscommissie komt wekelijks bij elkaar ter voorbereiding of voor de daadwerkelijke onderhandeling met de FDV (de werknemersvereniging). De gesprekken zijn scherp en er worden toch wel veel punten geparkeerd omdat er geen consensus over is. De onderhandelingscommissie heeft tot doel de belangen van de werkgevers optimaal te behartigen en dat strookt vaak niet met de uitgangspunten van de FDV. Zij willen er zoveel mogelijk uit halen voor hun achterban, de werknemers. In alle redelijkheid zijn we het over veel punten gelukkig wel eens, maar zodra het over geld gaat wordt het moeilijker, dat moge duidelijk zijn. Dat was natuurlijk ook wel de verwachting en het is zeker niet zo dat de onderhandelingen vast dreigen te lopen. We blijven in gesprek. Beter dat we het nu goed regelen dan heel snel met een resultaat komen dat geen draagvlak heeft. Voor de WVF geldt een duidelijk beeld, namelijk een fatsoenlijke cao (het liefst Algemeen Verbindend Verklaard) die betaalbaar is voor onze leden en het exploiteren van een fysiotherapiepraktijk rendabel maakt. Het ondernemersrisico moet tot een minimum worden beperkt en de opbrengsten moeten in verhouding staan met de omzet die een dergelijk bedrijf kan maken. We houden de moed erin en gaan door met de gesprekken. We hopen je op korte termijn teksten voor te kunnen leggen waarop jij als lid jouw mening kunt geven en ons kunt adviseren in het bepalen van de richting voor de verdere gesprekken. Onze klankbordgroep zal met je in gesprek gaan en ophalen wat onze achterban van de onderhandelings resultaten vindt. Blijf ons volgen op www.wvf.nu.”
Blijf via www.fysiovakbond.nl op de hoogte van de vorderingen of schrijf je daar in op de maandelijkse nieuwsbrief. Later dit jaar volgt deel 2 over de ontwikkeling van de cao.
42 | FysioPraxis juni 2021
FysioWijzer
E-learning: Blauwe plekken bij kinderen
Signaleren, handelen en communiceren Ieder kind heeft wel eens blauwe plekken. Maar wanneer zijn deze blauwe plekken mogelijk een signaal voor kindermishandeling? En hoe moet je als (kinder)fysiotherapeut dan in actie komen? Dat leer je in de nieuwe e-learning Blauwe plekken bij kinderen. Tekst: Jasmijn van Blijswijk, Ingrid van Bommel en Kim Kant-Smits
Kindermishandeling is veel in het nieuws geweest het afgelopen jaar. Kinderen zaten door de lockdown, als gevolg van de coronapandemie, noodgedwongen thuis. Vooral kinderen uit gezinnen waar al een zorgelijke en onveilige thuissituatie speelde, bleken extra kwetsbaar.1 Als de cijfers met betrekking tot prevalentie doorgerekend worden, lijdt in Nederland gemiddeld één kind per klas onder seksueel, fysiek of emotioneel misbruik. Het blijkt dat veel zorgverleners kindermishandeling niet herkennen of niet adequaat handelen als ze verdenkingen hebben op kindermishandeling. Als zorgverlener speel je een belangrijke rol bij het signaleren van kindermishandeling
Voorbeeldvraag uit de e-learning Hoeveel procent van de kinderen wordt lichamelijk mishandeld? • Ongeveer 2% tot 10% • Ongeveer 4% tot 16% • Ongeveer 10% tot 24%
Antwoord De werkelijke incidentie en prevalentie van lichamelijke kindermishandeling zijn niet bekend. In welvarende landen wordt elk jaar ongeveer 4% tot 16% van de kinderen lichamelijk mishandeld. Op basis van de nationale prevalentie studie kwam naar voren dat er 760 nieuwe gevallen van kindermishandeling werden vermoed in de onderzoeksgroep in de periode van september tot december 2010, waarbij in 137 gevallen lichamelijk werd mishandeld. Bron: NVK-richtlijn Blauwe plekken bij kinderen
en huiselijk geweld. Sterker nog, als je het vermoeden hebt dat een kind of volwassene mishandeld wordt, dan heb je als zorgverlener de plicht om advies in te winnen over de signalen bij Veilig Thuis. Kindermishandeling is en blijft een lastig en gevoelig onderwerp voor alle (zorg) professionals die ermee te maken krijgen. Om die reden heeft de Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie (NVFK) het idee opgevat om middels een e-learning kinderfysiotherapeuten hierin te ondersteunen.
Ontwikkeling e-learning De Special Interest Group (SIG) van de NVFK onderzoekt het gebruik van richtlijnen en gaat na welke acties nodig zijn om het gebruik te verbeteren. Uit een enquête van de SIG in 2015 (n = 289) bleek dat 90% van de kinderfysiotherapeuten een richtlijn of Evidence Statement (ES) gebruikt in de praktijkvoering, maar dat er slechts enkele veelvuldig worden gebruikt. Het bleek een barrière dat het lezen en toepassen van richtlijnen in de praktijk zoveel tijd kost. Door een richtlijn aan te bieden in de vorm van een e-learning kan deze barrière grotendeels worden weggenomen. E-learning blijkt minstens even effectief te zijn als traditionele vormen van leren.2 Met e-learning worden richtlijnen mogelijk toegankelijker en zullen ze vaker toegepast worden.2 Een ander voordeel van een e-learning is dat therapeuten deze op een eigen gekozen tijdstip en tempo kunnen volgen. Deze informatie resulteerde in de ontwikkeling van een e-learning over de richtlijn Blauwe plekken bij kinderen van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). Later werd daar ook de inhoud van de KNGFmeldcode ‘Huiselijk geweld en kindermishandeling’ aan toegevoegd. Het doel van deze e-learning is om (kinder)fysiotherapeuten te leren hoe ze aan de hand
van blauwe plekken kindermishandeling kunnen herkennen en hoe ze vervolgens in de klinische praktijk het beste kunnen handelen en communiceren.
Inhoud e-learning In de e-learning wordt aan de hand van de multidisciplinaire richtlijn Blauwe plekken bij kinderen (2016) beschreven hoe zorgverleners moeten handelen als zij bij kinderen blauwe plekken zien. Dit handelen wordt ondersteund door informatie uit de KNGF-meldcode. In de e-learning leer je welke stappen je als (kinder)fysiotherapeut moet nemen vanaf het moment van signaleren. De meldcode helpt bij het beslissen over de volgende stap in het beslisproces. De e-learning neemt je mee door de richtlijn en meldcode, en maakt daarbij gebruik van verschillende soorten vragen. Sommige vragen zetten je aan tot denken en andere vragen bereiden je voor op de eindtoets.
Jasmijn van Blijswijk, medewerker kwaliteitsbeleid, KNGF Ingrid van Bommel MPPT, kinder fysiotherapeut Fitaal Drachten, docent bij o.a. Avans+, SchrijvenNL & Pearson Academy, secretaris NVFK Kim Kant-Smits MSc, kinderfysiotherapeut, onderzoeker, Kinderbewegingscentrum Wilhelmina Kinderziekenhuis, Utrecht info@nvfk.nl
Literatuur: www.kngf.nl/fysiopraxis
FysioPraxis juni 2021 | 43
Tot wel 40% van uw revaliderende patiënten is ondervoed1 met verlies van spiermassa -en kracht als mogelijk gevolg!2
ONTDEK WAT JIJ KUNT DOEN Scan de QR-code voor meer informatie
over ondervoeding
Wilt u meer informatie of advies? Neem dan contact op met onze diëtisten van Nutricia Medische Voedingsservice: 0800-022 33 22 (gratis, op werkdagen van 8.30 tot 17.00 uur) medischevoeding@nutricia.com www.nutricia.nl Nutricia Nederland B.V. Postbus 445, 2700 AK Zoetermeer FortiFit® Energy is een voeding voor medisch gebruik. Dieetvoeding bij ziektegerelateerde ondervoeding en spierverlies. Uitsluitend te gebruiken onder medisch toezicht. 1. Van Zwienen-Pot J et al. Clin Nutr 2017;Jun;36(3):755-9. • 2. Verstraeten LMG, et al. Clin. Nutr. 2021; Feb 11:S0261-5614