Skip to main content

Wereldverbeteraars waren we

Page 1

Wereldverbeteraars waren we


Dion van den Berg & Peter Knip

Wereldverbeteraars waren we De VNG en het gemeentelijk internationaal beleid van 1945 tot 1991


Wereldverbeteraaars waren we

LM Publishers www.lmpublishers.nl info@lmpublishers.nl © 2026 – LM Publishers Redactie Katerna Tekst & Redactie | Clazien Medendorp Grafische vormgeving Ad van Helmond Druk Wilco Cartoon voorzijde omslag Len Munnik ISBN 9789460229343 NUR 697

Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door financiering en logistieke ondersteuning van VNG International, de organisatie voor internationale samenwerking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud

Ten geleide Chronologische tijdlijn Bestuursstructuur van de VNG

7 11 14

Het verhaal van de VNG en de groei van het gemeentelijk internationaal beleid Proloog 1. Samenwerking met andere verenigingen in het buitenland is een kerndoel (1945-1950) 2. Vorming van de Commissie voor Europese Zaken (1950-1955) 3. Ontwikkelingshulp op de agenda (1955-1962) 4. Nieuwe voorstellen aan de VNG (1962-1968) 5. In de greep van onduidelijke jurisprudentie (1969-1972) 6. Politisering van gemeentelijk internationaal beleid (1969-1977) 7. Groei van het beleidsterrein ontwikkelingssamenwerking in gemeenten (1972-1979) 8. Nieuwe internationale thema’s (1978-1982) 9. Ontwikkelingssamenwerking opnieuw op de VNG-agenda (1979-1986) 10. Gemeenten organiseren zich rond de betwiste thema’s (1983-1987) 11. De VNG omarmt het nieuwe beleidsterrein (1987-1991) Epiloog

67 73 81 94 105 123

Portretten Chris Matser Jan Marie Ravesloot Jacques Bissels Willem Ernest baron van Knobelsdorff Han van Putten Henk Letschert ZKH Prins Claus Jan Pronk Hilda Passchier

131 135 140 144 149 154 159 164 169

19 21 27 32 41 51 59


Paul van Tongeren Huib van Walsum Henk van der Pols Paul Scholten Henk Thomas Thea Fierens Jan Dirk van Ketwich Verschuur Cor de Vos Ton Rombouts Ben ter Veer Dieuwke de Graaff-Nauta Jaap Huurman Ronald van der Hijden Annemiek Toonen Jan Timmermans Janny Vlietstra James van Lidth de Jeude Klaas de Vries

173 179 185 189 196 201 207 213 218 223 229 235 241 247 251 256 262 268

Casussen Delft – Castrop-Rauxel: vroege jumelages 277 Velsen: eerste gemeentelijke oproep tot ontwikkelingshulp 281 Vroege contacten met gemeenten in de landen van het Warschaupact 286 Novib, de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand 293 Leersum: uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking 300 Komitee Zuidelijk Afrika 305 Papendrecht: eerste gemeentelijke boycotactie die op de VNG-agenda komt 311 Brede Vietnam Beweging Nederland 315 Vroege gemeentelijke uitspraken tegen kernwapens 322 Interkerkelijk Vredesberaad 324 Internationale kruisbestuiving 334 Centra voor Ontwikkelingssamenwerking 340 Centrum Kontakt der Kontinenten 345 De rol van de gemeenteambtenaren in de jaren 80 351 De rol van het particulier initiatief 358 Interview met de auteurs Bronnen Dankwoord Summary Lijst van afkortingen

365 372 381 383 387


Ten geleide

Wij vertellen u in dit boek een verhaal over de groei van aandacht van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor internationale vraagstukken vanaf de Tweede Wereldoorlog tot aan 1991. Een verhaal dat in hoofdlijn wel bekend is. Na beëindiging van de oorlog is er eerst de ‘jumelage beweging’: gemeenten gaan ertoe over contacten over de grens met andere West-Europese gemeenten te leggen om bij te dragen aan de (weder)opbouw van Europa. De VNG ondersteunt deze beweging. In de jaren 60 en begin 70 ondernemen steeds meer gemeenten activiteiten op het terrein van de ontwikkelingshulp, veelal voortkomend vanuit initiatieven in de lokale samenleving. Maatschappijkritische lokale actiegroepen zetten gemeenten later in de jaren 70 en 80 aan tot een sterker politieke benadering van internationale vraagstukken: gemeenten verzetten zich tegen kernbewapening en tegen apartheid in Zuid-Afrika en bieden steun aan het sandinistische lokaal bestuur in Nicaragua. Ze benaderen hun gemeente met voorstellen voor samenwerking met een gemeente in Oost-Europa en voor een lokale bijdrage aan ‘ontspanning van onderop’. De VNG speelt lange tijd een voorzichtige en soms ook afhoudende rol maar omarmt uiteindelijk volledig het gemeentelijk beleid op de terreinen ontwikkelingssamenwerking, internationale mensenrechten en vrede en veiligheid. Dat gebeurt in 1991 en dat moment markeert het einde van de periode die we onderzoeken. Tot zover het korte verhaal. Hoewel dit verhaal volgens ons ten onrechte in veel algemene terugblikken op de vaderlandse naoorlogse geschiedenis onvermeld blijft, is het in veel geschriften van direct betrokken personen en organisaties uitgebreider en meer in detail verteld. Wij hebben beiden in de jaren 80 deel uitgemaakt van de groeiende groep van mensen die een beroep deden op gemeenteraden om actief te worden op deze terreinen. Terugkijkend op wat geschreven is over deze ontwikkeling vanaf de Tweede Wereldoorlog vinden we dat er te weinig geschreven is over de rol die individuen hebben gespeeld. Onderbelicht is welke personen, welke interne discussies en welke initiatieven op dit gebied de erkenning en omarming van gemeentelijk beleid voor ontwikkelingssamenwerking, internationale mensenrechten en vrede door de VNG hebben bewerkstelligd en hoe deze personen onderling verbanden 7


legden en samenwerkten. Met dit boek willen we daarin verandering brengen. Het boek is dan ook in eerste instantie een eerbetoon aan mensen die zich voor deze ontwikkeling hebben ingezet. Portretten van deze mensen en beschrijvingen van invloedrijke initiatieven met casussen van gemeenten en organisaties vormen de kern van dit boek. Onze algemene terugblik op deze bijzondere periode van ontwakend internationalisme in het Nederlands lokaal bestuur is eveneens sterk gericht op personen die binnen de VNG de koers van de Vereniging ten aanzien van gemeentelijke internationale bemoeienis hebben bepaald. Het is daarmee vooral een verhaal geworden waarin gesprekken, opinies, overwegingen en opvallende gebeurtenissen worden uitvergroot en analytische duiding minder centraal staat. Door een epiloog bij het chronologische verhaal over de discussies met en binnen de VNG en een interview met ons is er toch ruimte voor beschouwing. Om de lezer houvast te geven, hebben we af en toe een korte schets gegeven van wat er verder in de wereld, in Nederland en bij de VNG speelt. De tijdlijn aan het begin van het boek biedt steun om zicht te houden op de volgorde van gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor de groeiende erkenning van het terrein door de VNG. Wie meer wil lezen over deze naoorlogse nieuwe taakopvatting van gemeenten kan terecht bij de bibliografie. Met deze opzet bestaat het gevaar dat de rol van personen en unieke initiatieven sterker lijkt dan de invloed van grotere maatschappelijke en zelfs geopolitieke ontwikkelingen. Het is echter onze nadrukkelijke keus om juist deze personen en eerste initiatieven in de schijnwerper te plaatsen. Hun activiteiten kunnen overigens niet los gezien worden van de geopolitieke ontwikkelingen. Zij verhielden zich, zoals uit de portretten zal blijken, immers actief tot deze processen, en gaven er met hun initiatieven ook mede vorm aan. Met deze keus lopen we het risico mensen of initiatieven die er voor de ontwikkeling toe deden over het hoofd te zien. We beseffen echter dat volledigheid een illusie is. We hebben door een zorgvuldig keuzeproces geprobeerd de meest in aanmerking komende personen en initiatieven te selecteren. Mochten we evenwel cruciale actoren of initiatieven vergeten zijn, dan wordt dit hopelijk door volgend onderzoek rechtgezet. Bovendien willen we graag benadrukken dat de erkenning van het terrein in feite natuurlijk te danken is aan de inzet van duizenden mensen en initiatieven in gemeenten en organisaties in Nederland. In die zin is het uitlichten van enkele personen en initiatieven voor ons dan ook een eerbetoon aan alle mensen die zich hebben ingezet voor meer aandacht van gemeenten voor internationale bevordering van ontwikkeling, van mensenrechten en vrede. Het verhaal over de VNG-houding, de portretten en casusbeschrijvingen van invloedrijke organisaties of gebeurtenissen zijn alle zelfstandig te lezen. We hebben er daarom voor gekozen in alle onderdelen organisatienamen eenmaal voluit te 8


schrijven en daarna de afkorting te hanteren. Zo hebben we er ook voor gekozen alle personen die een rol spelen steeds de eerste keer dat ze genoemd worden met hun voor- en achternaam te vermelden. Vervolgens gebruiken we alleen de achternaam. In alle onderdelen vermelden we bij de politici de eerste keer dat ze voorkomen de politieke partij waarvan ze lid zijn. Na het algemene VNG-verhaal, de 27 portretten en 15 casussen volgt in dit boek nog de uitwerking van een interview met ons door de directeur en plaatsvervangend directeur van VNG International, Pieter Jeroense en Renske Steenbergen, een overzicht van bronnen, een dankwoord, een Engelstalige samenvatting, en een afkortingenlijst.

Over de auteurs Graag introduceren we onszelf kort. Wij hebben beiden onze wortels in de Nederlandse vredesbeweging van de jaren 70 en 80. Dion van den Berg heeft vanuit het IKV een belangrijke rol gespeeld in het mobiliseren van gemeenten in het verzet tegen de kernwapenwedloop en de bevordering van een gemeentelijke bijdrage aan de ontspanningspolitiek in het laatste decennium van de Koude Oorlog. Als dienstweigeraar en later beleids­medewerker van het IKV en daarna PAX zet hij zich vanaf 1980 in om de gemeentelijke aandacht voor vredesvraagstukken te ondersteunen. Hij is medeauteur van diverse publicaties over gemeenten en internationaal beleid in de jaren 80.

Links Dion van den Berg, rechts Peter Knip

9


Peter Knip is vanuit een lokale IKV-kern in Delft namens de lokale vredesbeweging betrokken geraakt bij de gemeente Delft. In 1986 is hij met wethouder Arie Pieter Hoogendam van de gemeente Delft naar de conferentie van kernwapenvrije gemeenten in Perugia gereisd, waar Van den Berg namens het landelijk IKV aanwezig is. Op die manier wordt hij medeorganisator van de Nationale Conferentie Gemeentelijk Vredesbeleid in Delft in 1987. Twee jaar daarna wordt hij de eerste secretaris van het Platform Gemeentelijk Vredesbeleid (PGV) bij de VNG. Ruim 30 jaar daarna neemt Knip vanwege zijn pensionering afscheid als directeur van VNG International. Aan zijn opvolger Pieter Jeroense legt hij een plan voor om samen met Van den Berg dit boek te schrijven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van VNG International in 2026. Een boek met een inhoud waarvoor overigens alleen wij als auteurs verantwoordelijk zijn. We waarderen het zeer dat Jeroense ons plan onmiddellijk steunt en dit boek wil uitgeven vanuit de VNG. Dit boek is een hulde aan al die mensen op wier schouders de huidige organisatie voor internationale samenwerking van de VNG verder bouwt. Dion van den Berg en Peter Knip

10


Chronologische tijdlijn

Juni 1950 Oktober 1954

Najaar 1954 Juni 1956 Najaar 1958 December 1959

Voorjaar 1960 Mei 1962

Mei 1963

Juli 1964

Eerste Duits-Nederlandse burgemeestersconferentie na WOII in Burgsteinfurt. Instelling ‘Commissie voor Europese Aangelegenheden’ door de VNG; ook ‘Commissie Buitenlandse Aangelegenheden’ of ‘Commissie Europese Zaken’ en vanaf 11 maart 1963 ‘Commissie voor Internationale Aangelegenheden’ geheten. Zoals binnen de VNG gebruikelijk noemen we deze commissie vaak ook de internationale commissie. Eerste VNG-inventarisatie van gemeentelijke internationale contacten. IULA-conferentie over internationaal contact- en uitwisselingswerk gemeenten in Stockholm. VNG-actie over herdenking totstandkoming ‘Verklaring van de Rechten van de Mens’ op 10 december 1948. Brief van gemeente Velsen waarin de VNG wordt verzocht de gemeenten in Nederland voor te leggen geld vrij te maken voor het lenigen van de nood in verscheidene landen in de wereld. Tweede VNG-inventarisatie van gemeentelijke internationale contacten. Thematische uitgave De Nederlandse Gemeente over ‘Internationale technische hulp van gemeenten aan gemeenten in ontwikkelingslanden’. De VNG ontvangt een uitvoerig plan voor een groot programma van gemeentelijke partnerschappen met gemeenten in ontwikkelingslanden om armoede te bestrijden, opgesteld door Jacques Bissels. Tweede thematische uitgave De Nederlandse Gemeente over ‘Internationale hulpverlening door Nederlandse gemeenten door het aanbieden van stages’.

11


Januari 1965 September 1966

Februari 1972

Maart 1972 Mei 1972

Mei 1972

Januari 1973

Juli 1975

Najaar 1975 Januari 1978 December 1979 Oktober 1981 Oktober 1982 Juni 1983

Derde thematische uitgave De Nederlandse Gemeente over ‘1965 Jaar van Internationale Samenwerking, ook voor de gemeenten’. Brief aan de VNG met voorstel voor ontwikkelingshulp door gemeenten aan partners in ontwikkelingslanden, opgesteld door burgemeester Van Knobelsdorff van Smallingerland. Kamervragen aan minister van Binnenlandse Zaken Geertsema over vernietiging van gemeentelijke besluiten om geld te besteden aan ontwikkelingsprojecten waarbij minister standpunt handhaaft dat het hier om een rijkstaak gaat. Brief aan de VNG van de gemeente Papendrecht inzake Boycot Outspan Actie (BOA). Artikel VNG-hoofddirecteur Van Reijen waarin hij betoogt dat besluiten over uitgaven voor ontwikkelingshulp tot de gemeentelijke autonomie behoren. Minister Geertsema wijzigt standpunt: gemeentelijke uitgaven voor ontwikkelingshulp zijn akkoord als de geestelijke belangen van de inwoners daar baat bij hebben, er sprake is van een band met het project en de gemeentebegroting sluit. Motie Delft waarin de VNG wordt gevraagd met de gemeenten te bezien of gezamenlijk aan de wederopbouw van Vietnam bijgedragen kan worden. Eerste medefinanciering van gemeentelijke ontwikkelingsprojecten door het ministerie van Buitenlandse Zaken (besluit minister Pronk voor Vietnam). Publicatie Novib-cahier ‘Gemeenten en Ontwikkelings­ samenwerking’. Motie gemeente Hoensbroek waarin afschuw wordt uitgesproken over de invoering of dreiging tot invoering van de neutronenbom. Gemeente Leiden organiseert de actieweek ‘Leiden tegen Apartheid’. Motie ‘Kernwapenvrij Hellevoetsluis’ gestuurd naar Rijk, parlement, alle Nederlandse gemeenten en de VNG. Studiedag Gemeente en Ontwikkelingssamenwerking van de NCO in samenwerking met de gemeente Tilburg, te Tilburg. Burgemeestersinitiatief in samenwerking met IKV voor een nationale conferentie over gemeenten en kernbewapening in Amersfoort.

12


Zomer 1985

September 1985

Oktober 1985

November 1985

Juni en oktober 1986

Juni 1987

Oktober 1987

April 1988

Maart 1989 April 1989 Mei 1990 April 1991

Uitgave brochure ministerie van Buitenlandse Zaken en NCO ‘Gemeenten en Ontwikkelingssamenwerking’ en aankondiging door minister Schoo dat vanaf 1986 1 miljoen per jaar beschikbaar zal zijn als medefinanciering van gemeentelijke initiatieven voor ontwikkelingslanden. Nationale conferentie over gemeentelijke stedenbanden Nederland-Nicaragua in Amsterdam, waarna in april 1986 de oprichting Landelijk Beraad Stedenbanden Nederland-Nicaragua (LBSSN) volgt. Tweede nationale Conferentie Gemeente en Ontwikkelings­ samenwerking van de NCO, dit keer in samenwerking met de VNG, in Veldhoven. Motie gemeente Deventer waarin regering wordt opgeroepen tot een sociaaleconomische boycot van Zuid-Afrika met bericht aan de VNG. VNG-onderzoek naar gemeenten en ontwikkelings­samenwerking en aanbieding van het rapport ‘Gemeenten over Grenzen’ aan ZKH Prins Claus tijdens studiedag in centrum Kontakt der Kontinenten te Soesterberg. Eerste Nationale Conferentie Gemeentelijk Vredesbeleid in Delft, waarna in april 1989 het Platform Gemeentelijk Vredesbeleid (PGV) wordt opgericht. Eerste Nationale Conferentie Gemeentelijk Anti-apartheids­beleid in Den Haag, waarna in juni 1988 Lagere Overheden tegen Apartheid (LOTA) wordt opgericht. Met subsidie van de NCO treedt eerste beleidsmedewerker ontwikkelingssamenwerking experimenteel voor 50% bij de VNG in dienst. Conferentie ‘Internationale aspecten gemeentelijk beleid’, Soesterberg. De VNG biedt experimenteel huisvesting aan het PGV met één fulltime medewerker. Eerste ‘Europese Conferentie Oost-West Stedenbanden’ te Rotterdam. De VNG besluit de beleidsterreinen gemeentelijke ontwikkelings­ samenwerking, bescherming internationale mensenrechten en vredesbeleid uit algemene contributiemiddelen te gaan ondersteunen.

13


De bestuursstructuur van de VNG

Voor wie minder bekend is met de VNG is het behulpzaam de bestuursstructuur van de VNG in hoofdlijn te kennen. In hoofdlijn, want statuten en huishoudelijk reglement zijn in de loop der jaren gewijzigd met gevolgen voor de samenstelling van bestuurlijke gremia van de vereniging. De Algemene Ledenvergadering (ALV), waarin alle gemeenten zijn vertegenwoordigd, is het hoogste orgaan binnen de VNG. De vergadering met alle leden van de vereniging vindt minimaal één keer per jaar plaats op de tweede en laatste dag van het VNG-jaarcongres, uiterlijk in juni. Sinds 1950 zijn alle Nederlandse gemeenten lid van de VNG. Gemeenten brengen tijdens de ALV hun stem uit. Het aantal stemmen van een gemeente hangt af van het aantal inwoners. De ALV kiest de leden van het bestuur, keurt jaarverslag en jaarrekening goed en spreekt zich uit over algemeen bestuursbeleid. Het VNG-bestuur, in de door ons beschreven periode bestaande uit een klein Dagelijks Bestuur (DB) en een Algemeen Bestuur (AB), bestuurt de vereniging en stelt de strategie van de vereniging vast. In het bestuur hebben alleen gemeentelijke vertegenwoordigers zitting, voornamelijk burgemeesters en wethouders. Het bestuur bereidt de Algemene Ledenvergadering voor en vertegenwoordigt de leden bij onderhandelingen met het Rijk en parlement. Het bestuur wordt bijgestaan door vaste adviescommissies. In de eerste naoorlogse jaren komen de Commissie Sociale Zaken, de Politiecommissie, de Commissie Volksgezondheid, de Commissie voor de Financiën en de Commissie Volkshuisvesting tot stand. In 1954 komt de Commissie voor Europese Zaken tot stand die later de Commissie voor Internationale Aangelegenheden wordt genoemd, maar waarnaar binnen de VNG algemeen wordt verwezen als de internationale commissie. De VNG-organisatie staat onder leiding van een algemene directie, die in de door ons beschreven periode bestaat uit een hoofddirecteur en een wisselend aantal andere directeuren. De directie is verantwoordelijk voor het onderhouden van de ledenrelaties en voor de uitwerking en de uitvoering van de strategie en de bedrijfsvoering van de VNG. De directie stuurt op inhoud, processen en resultaten en legt verantwoording af aan het VNG-bestuur. Het aantal medewerkers van de 14


De Willemshof in Den Haag, waar de VNG is gehuisvest

VNG is in de door ons beschreven periode sterk gestegen van minder dan vijftig personeelsleden direct na de oorlog tot begin jaren 90 rond de driehonderd personeelsleden bij de kernorganisatie en nog vele honderden personeelsleden bij VNG-organisaties zoals VNG-accountants, de VNG Uitgeverij, het VNGonderzoeksbureau SGBO, het VNG Centraal Inkoop Bureau en dergelijke.

15


Het verhaal van de VNG en de groei van het gemeentelijk internationaal beleid


De jonge Nicholas Arkema, VNG-adjunct-directeur vóór de Tweede Wereldoorlog


Proloog

In het regenachtige weekend van 5 en 6 mei 1945 denkt VNG-directeur Nicholas Arkema na over wat hij tegen zijn personeel zal zeggen op de eerste werkdag na de capitulatie van Duitsland. De vijf moeilijke jaren van zijn werk tijdens de bezetting laat hij in gedachten nog eens passeren. Het ontslag door de bezetter in 1942 van hoofddirecteur Aleid Jonker, met wie hij aanvankelijk als adjunct-directeur en sinds 1938 als tweede directeur heeft samengewerkt. Het overlijden van Jonker het jaar daarna. De aanstelling van een toezichthouder, de NSB’er Johan Carp. Zijn eigen twijfel of hij wel moest doorgaan. Heeft hij er goed aan gedaan om in 1940 met Jonker mee te werken aan de Duitse opdracht Joods personeel te ontslaan? Hij weet niet eens hoe het is met zijn collega David Simons, de directeur van het Verificatiebureau van de VNG, die daardoor in 1940 op straat kwam te staan. Hij voelt onverminderd de zwaarte van dat dilemma: meedoen om erger te voorkomen of maak je dan het ergere juist mogelijk? Pieter Oud, die in 1941 ontslag had genomen als burgemeester van Rotterdam en voorzitter was geweest van de VNG tot de ontbinding van het bestuur, had er bij hem op aangedrongen om op zijn post te blijven, voor zijn goede collega’s te zorgen en de vereniging overeind te houden. Hij denkt terug aan de verlammende onzekerheid over hoe lang de situatie zou gaan voortduren. Aan zijn inzet om de voortzetting van beantwoording van praktische vragen van gemeenten veilig te stellen. Zijn succesvolle verzet tegen het voornemen om als VNG aansluiting te zoeken bij de oprichting van een nieuwe internationale vereniging van gemeenten vanuit Duitsland. Hij denkt aan zijn contacten met ontslagen en zelfs ondergedoken burgemeesters. Zijn afwegingen om binnen of net buiten de lijn van wat was toegestaan te kleuren. Zijn pogingen met collega’s ongewenste nationaalsocialistische plannen te verhinderen. Zijn aanvaringen en grote moeilijkheden met de politiek toezichthouder Carp. Zijn medeleven met het vele, uiteenlopende lijden van zijn collega’s in deze onzekere jaren. Dat alles gaat door zijn gedachten.

19


Alom heerschende leugen en onwaarachtigheid Arkema besluit er die maandagochtend 7 mei 1945 niet heel diep op in te gaan. In het kantoor van de VNG in de Paleisstraat in Den Haag is het personeel bijeen. Een nog beperkt gezelschap, want de krachtige groei van de VNG zal pas in de jaren daarna optreden. Hoewel wars van uiterlijk vertoon, straalt hij met zijn lange postuur en grote lichtblauwe ogen gezag uit. Zijn openingszin luidt: “Na vijf jaar lang onder de vijandelijke bezetting te hebben geleden, is er dunkt mij alle aanleiding, nu wij van dezen vreeselijken druk bevrijd zijn, een oogenblik bijeen te zijn om dit feit te herdenken. Ik zal geen uitvoerige rede houden, al was het slechts hierom, dat de vreugde, die ons deze dagen beheerscht, zoo groot is, dat het nauwelijks mogelijk is passende woorden te vinden om daaraan uitdrukking te geven.”

In zijn toespraak schetst hij vervolgens kort hoe ze met elkaar hebben geprobeerd veel zaken juist níét uit te voeren. Hoe de hoop op tijdelijkheid een houvast is geweest. De kern van zijn – in het licht van de huidige bewuste verspreiding van desinformatie actuele betoog – is de zwaarte van de doorgemaakte periode: “Maar voor allen zonder uitzondering bracht deze tijd smartelijke beproevingen, die een gevolg waren van de alom heerschende leugen en onwaarachtigheid. Ik geloof dat van alles wat wij geleden hebben dit misschien de zwaarste beproeving is geweest. Niet alleen de kranten, de bekendmakingen, de radio, maar helaas ook een groot deel van de ambtelijke stukken, waarvan wij kennis moesten nemen, waren een aaneenschakeling van leugen en bedrog.”

En uiteraard staat hij stil bij de toekomst nu “zij, die ons in de leiding waren opgedrongen, spoorloos zijn verdwenen”. Hij roept zijn collega’s op de schouders te zetten onder het werk dat wacht. “Wij, in dienst van de Vereeniging van Nederlandse Gemeenten, hopen bij de herrijzing van de gemeenten ook een bescheiden aandeel te kunnen hebben in het werk van de wederopbouw van ons land.”

20


1 Samenwerking met andere verenigingen in het buitenland is een kerndoel (1945-1950)

Op 2 september 1945, als Duitsland zich al heeft overgegeven, tekent ook Japan, na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, de overgave en eindigt de Tweede Wereldoorlog. De eerste naoorlogse jaren staan in het teken van wederopbouw, economisch herstel en de wens een vreedzame ordening in de wereld te bouwen. De oprichting van de Verenigde Naties in 1948 is één van de meest zichtbare en positieve resultaten van het verlangen een betere wereld tot stand te brengen. De eerste spanningen tussen Oost en West worden echter al snel zichtbaar. De oorlog heeft ook in Nederland geleid tot enorme verwoestingen. In de eerste jaren na de oorlog is er een groot tekort aan voedsel en grondstoffen. Het proces van vergelding en rechtsherstel verloopt stroef en de door veel mensen gekoesterde doorbraakgedachte om los te komen van de verzuiling van voor de oorlog, mislukt. De wederopbouw gaat gepaard met wat velen zien als politieke restauratie. Niettemin zet Nederland met haar inwoners de schouders onder het herstel.

De wederopbouw van de binnenstad van Nijmegen

21


Uiteraard hebben de binnenlandse vraagstukken van de VNG-leden voor Arkema prioriteit. Het actieve overheidsbeleid voor wederopbouw doet de publieke voorzieningen snel toenemen. Gemeenten staan voor grote uitdagingen wat betreft de woningbouw en stadssanering, financiële zelfstandigheid, politie, het maatschappelijk opbouw- en ontwikkelingswerk, scholenbouw, sportvoorzieningen en verkeer. Arkema is sterk gericht op uitbreiding van taken en onderwerpen van de VNG. Hij heeft de volledige steun voor zijn beleid van het nieuwe VNG-bestuur, dat onder leiding van de teruggekeerde, gezaghebbende burgemeester Oud in Rotterdam in november 1945 voor het eerst weer vergadert. Oud is kortstondig betrokken bij de oprichting van de PvdA na de oorlog maar hij voelt zich daar onvoldoende thuis. In januari 1948 is hij medeoprichter van de VVD.

Rechts burgemeester en VNG-voorzitter Pieter Oud in gesprek met burgemeester William O’Dwyer van New York, vertegenwoordiger van de US Conference of Mayors. New York, 1948

Groei De VNG groeit in de naoorlogse jaren snel wat betreft taken en staf. Begin 1946 schrijft Arkema dat de omvang der werkzaamheden van de ‘Vereeniging’ na de bevrijding belangrijk is toegenomen. Dat inmiddels 1010 van de 1016 gemeenten lid zijn; in 1950 zijn voor het eerst alle gemeenten lid. “De contacten met gemeentebesturen en -ambtenaren en departementen en rijksinstellingen hebben een grooten omvang aangenomen.” 22


Arkema kent natuurlijk de internationale bestuurlijke traditie van de VNG van voor de oorlog. Het was immers VNG-erevoorzitter jonkheer Herman Adriaan van Karnebeek (Oud-Liberaal), burgemeester van Den Haag, die in 1913 – een jaar na de oprichting van de VNG – nauw betrokken was bij de oprichting van de eerste organisatie voor internationale gemeentelijke samenwerking: de Union Internationale des Villes et des Pouvoir Locaux (UIV), later hernoemd tot International Union of Local Authorities (IULA). En Arkema was al vier jaar bij de VNG werkzaam toen de Amsterdamse wethouder Floor Wibaut (SDAP) in 1924, als vicevoorzitter van de VNG, voorzitter van de UIV werd en een heel grote rol ging spelen in de internationale organisatie van gemeenten. Waar directeur Jonker voor de oorlog het werkterrein van de VNG tot enkele binnenlandse hoofdzaken wilde beperken, ziet Arkema ook internationaal meer mogelijkheden voor de VNG. Hij kan dan nog niet weten hoe veel gemeenten, leden van de VNG, in de jaren daarna een steeds grotere rol op internationaal terrein gaan spelen.

Internationale initiatieven Arkema laat zijn internationale interesse al snel merken. Opvallend is dat hij de samenwerking met andere verenigingen van gemeenten in het buitenland om gelijksoortige of gemeenschappelijke belangen te behartigen al vroeg in 1947 als één van de vijf kerndoelen van de VNG benoemt. Hij informeert het bestuur over de eerste naoorlogse bijeenkomst van IULA in Engeland en het besluit om in juli 1947 te Parijs weer voor het eerst een ledencongres te houden over de onderwerpen ‘gemeentelijke zelfstandigheid’, ‘de taak van gemeenten bij de wederopbouw’ en ‘de opvoeding tot burgerzin’. Arkema reist met een stevige delegatie van de VNGdirectie samen met de burgemeesters van Zaandam, Tilburg en Ede naar Parijs. De delegatie is onder de indruk van het appel dat hier wordt gedaan op solidariteit tussen steden in Europa om bij te dragen aan de wederopbouw na de oorlog. In een IULA-statement na de bijeenkomst staat dat zulke samenwerking “een geweldige bijdrage zou zijn aan de gevoelens van vriendschap tussen de volkeren en de consolidatie van vrede”. In augustus 1947 vraagt de IULA aan de VNG en andere leden of ze willen inventariseren of de gemeenten behoefte hebben aan internationale contacten. De VNG antwoordt dat daar geen tijd voor is maar vooral dat het geen zin heeft: “Wij trekken het nut van de aldus verzamelde gegevens ernstig in twijfel. Het peilt slechts de behoefte op een zeker moment. In een dynamische tijd als wij thans beleven, wisselen deze behoeften voortdurend. Bovendien zullen gemeenten met behoefte om contact niet wachten met contact tot wij ze verder kunnen helpen. In ons land stond men reeds voor de oorlog steeds open voor het onderhouden van contact met het buitenland. Dit is na de oorlog in nog versterkte mate naar voren gekomen.”

23


Eind 1947 stelt Arkema het bestuur wel voor om in te gaan op de uitnodiging van de Conference of Mayors in Amerika om op bezoek te komen en enkele steden aan te doen. Samen met de burgemeesters Oud en Chris Matser (KVP) van Arnhem reist hij met de boot naar New York. Tijdens de reis blijken de Amerikanen bereid bij te gaan dragen aan de versterking van de IULA op voorwaarde dat de organisatie beter zou worden aangestuurd. Een overname van het secretariaat dat nog in handen is van de inmiddels 77-jarige Emile Vinck – in 1913 de oprichter van de zwakke Belgische vereniging van gemeenten – door de VNG lijkt de Amerikanen een mogelijke oplossing. Arkema ziet zijn kans en voelt zijn verantwoordelijkheid. In de bestuursvergadering van mei 1948 zegt hij “dat er ook in Engeland zo over wordt gedacht omdat de VNG de sterkste vereniging van gemeenten is in Europa en in de hele wereld”. Het bestuur blijkt hiertoe ook bereid mits er voldoende financiële dekking is. Nog voor het eind van 1948 weet Arkema als uitmuntend organisator de overdracht met Vinck te regelen. Het secretariaat van IULA verhuist naar het kantoor van de VNG. Het personeel van IULA komt in dienst van de VNG. De IULA besluit verder per 1 januari 1949 VNG-voorzitter Oud tot president van IULA te kiezen en Arkema en zijn rechterhand bij de VNG, mejuffrouw Hermine Revers als respectievelijk Secretaris-Generaal (SG) en adjunct-SG aan te stellen.

Werkbezoek van de VNG-delegatie aan de Senaat van de VS in 1948. V.l.n.r.: Chris Matser, Nicholas Arkema en Pieter Oud

Verzoening met Duitsland Ondertussen gaan steeds meer gemeenten in Nederland contacten aan met gemeenten in Engeland, België, Frankrijk en Denemarken. Hoewel sommige gemeenten voor de oorlog ook al wel ontmoetingen met lokale bestuurders in 24


andere landen hadden, staan veel contacten nu in het teken van ‘nooit weer oorlog’. Aanvankelijk zijn contacten met de recente vijand Duitsland in Nederland nog een brug te ver. In 1948 koestert 50% van de Nederlanders nog onvriendelijke gevoelens over Duitsland. En slechts 27% voelt vriendschappelijke gevoelens. Toenadering met Duitsland hangt echter in de lucht. De sterk oplopende spanningen tussen de communistische Sovjet-Unie en de Westerse geallieerden zetten aan tot snelheid. De richting was al ingezet met toespraken in 1947 van de Amerikaanse president Truman (steun aan landen die door communistische expansie worden bedreigd) en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marshall (financiële steun om de economieën van de West-Europese landen te herstellen). Op 23 mei 1949 komt de Bondsrepubliek Duitsland tot stand uit de samenvoeging van de bezettingszones van Amerika, Engeland en Frankrijk. Dan is de oprichting van de NAVO in april en de Raad van Europa in mei van dat jaar al een feit. Op lokaal niveau in Nederland zijn het vooral kerkelijke kringen die al vroeg aandringen op verbreking van het isolement waarin de mensen in Duitsland verkeren. Op basis van kerkelijke uitwisselingen klinkt het signaal dat materiële en geestelijke nood in Duitsland kan leiden tot herlevend nationalisme. Eind 1947 schrijft de Apeldoornse Courant: “Tot voor kort was het moeilijk, zo niet onmogelijk te spreken en te schrijven over de vraag ‘Wat moeten wij met Duitsland en het Duitse volk beginnen?’. Het is een hoopvol teken en een uiting van groeiend verantwoordelijkheidsgevoel dat in vele kringen een openheid komt voor deze vraag. Thans wordt met ernst de vraag gesteld: ‘Kunnen wij de stelselmatige verpaupering van Duitsland nog langer laten voortduren?’”

Niettemin loopt Arkema in gemeenteland flink voorop met zijn stap om in maart 1949 de Duitse vereniging van gemeenten (Deutsche Städtetag) in Frankfurt en Keulen te bezoeken. Het zal de terugkeer van de Duitse vereniging in IULA bevorderen. Arkema laat het hier niet bij. Vanuit de VNG neemt hij waar dat in 1950 de eerste contacten van gemeenten met gemeenten in Duitsland ontstaan. Venlo, Tegelen, Reuver, Almelo en Delft zijn vroege voorbeelden. Het initiatief van de burgemeesters van Arnhem, Zutphen en Hengelo om steun te verlenen aan een eerste Duits-Nederlandse burgemeestersconferentie op voorstel van de Arbeitsausschuss für Kulturelle Beziehungen mit Holland en de door de Nederlandse regering opgezette Commissie voor Culturele Betrekkingen met Duitsland, wordt door de VNG zonder aarzeling ondersteund. Van 8 tot 10 juni 1950 komen ruim dertig bestuurders van gemeenten en provincies uit Nederland met hun Duitse collega’s bijeen in Burgsteinfurt, net over de grens bij Enschede. Vier maanden later vindt al een tegenbezoek plaats met eenzelfde omvang, waarbij burgemeester Matser van Arnhem gastheer is. 25


Hiermee raken de gemeentelijke contacten tussen Duitsland en Nederland in een stroomversnelling. In de tien jaar na de burgemeestersconferenties ontstaan ruim vijftig jumelages met Duitsland. Daarmee is Nederland geen uitzondering; overal in West-Europa gaan gemeenten partnerschappen aan. Onmiskenbaar zijn deze gemeentelijke contacten gericht op vrede en samenwerking in Europa en hebben zij een grote bijdrage geleverd aan het proces van eenwording in Europa. Opvallend is dat, hoewel deze banden in het teken staan van verzoening en samenwerking in Europa, de jeugd-, sport- en cultuuruitwisselingen nauwelijks aandacht besteden aan de politieke oorzaken van de oorlog en de politieke vraagstukken die zich opnieuw voordoen. Onderling begrip en samenwerking tussen de volkeren gaan er door de contacten vanzelf komen, is de positieve toekomstverwachting.


2 Vorming van de Commissie voor Europese Zaken (1950-1955)

De toename van de spanningen in de wereld met de eerste Russische atoomproeven en het begin van de Koreaoorlog tempert de hoop op een vreedzame toekomst. Er is veel steun voor nauwere samenwerking in Europa met als resultaat de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Het verlies van Indonesië is weliswaar schokkend voor Nederland maar er zijn ook beloftevolle ontwikkelingen: onder het eerste kabinet Drees treedt het economisch herstel in en komt nieuwe sociale wetgeving (de WW) tot stand.

Premier Willem Drees

De VNG-directie onder leiding van Arkema is zich voortdurend bewust van de tegenstellingen tussen de leden: kleine en grote gemeenten, arme en rijke gemeenten, plattelands-, industrie-, en handelssteden, politieke richtingen, regiovertegenwoordiging en meer. Deze tegenstellingen hebben gevolgen voor hun standpunten waar de VNG rekening mee moet en wil houden. Niets wijst er echter op dat internationale samenwerking van gemeenten een controversieel onderwerp is. In 1952 geeft de VNG een brochure uit over haar werk waarin opnieuw wordt benadrukt dat “gemeentelijke internationale samenwerking bijdraagt aan de bevordering van goede verstandhouding tussen de volkeren en van eerbied, begrip en waardering voor elkaars aard en leefwijze”. Opvallend is dat één van de werkzaamheden van de VNG waarop wordt gewezen de bemiddeling bij studiereizen van gemeentebestuurders en -ambtenaren is. En ook de ontvangst in samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken van ‘Technical Assistance Fellows’ uit Perzië, Soedan, Noord-Borneo, Israël en veel Europese landen. 27


Arkema mag dan veel internationale belangstelling hebben, hij vindt niet dat het dan moet gaan om politieke standpunten over internationale vraagstukken. De wereldorganisatie van gemeenten moet neutraal zijn. In een speech in ZeeuwsVlaanderen in 1950 benadrukt hij dat gemeenten zich internationaal moeten richten op “het leren van elkaar”. Hij observeert dat gemeenten overal in de wereld tegen centraliserende tendensen aanlopen. Voor veel gemeenten zijn woningbouw en financiële verhoudingen met de nationale overheid volgens hem op dit moment de belangrijkste onderwerpen. Door uitwisseling van kennis en ervaring “kunnen gemeenten goed werk doen voor de bevordering van onderling begrip en samenwerking tussen de volkeren”.

Raad van Europese Gemeenten (REG) Ondanks het besef van het belang van Europese samenwerking ontsnapt de oprichting van de Raad van Europese Gemeenten (REG) lange tijd aan echte aandacht van de VNG. In januari 1951 zijn ongeveer vijftig Europese burgemeesters uit acht landen bijeen in Genève. Na het vreselijke drama van de oorlog, veroorzaakt door fascisme en nationalisme, beogen ze met de oprichting van de REG politieke druk uit te oefenen om tot een Europese federatie te komen. Het specifieke model van de jumelage, als een formeel vastgelegd partnerschap tussen gemeenten, is daartoe een instrument. In Nederland sluit alleen de gemeente Amsterdam zich bij de REG aan. Pas twee jaar later, wellicht mede door de aandacht die de VNG had voor de internationale hulpverlening aan Nederlandse gemeenten na de watersnoodramp op 1 februari 1953, staan deze ontwikkelingen ter bespreking op de agenda van het VNG-bestuur. Het VNG-bestuur, onder leiding van de nieuwe voorzitter, de hartelijke, wellevende en populaire Amsterdamse burgemeester Arnold d’Ailly (PvdA), vraagt in oktober 1953 aan Arkema wat eigenlijk de stand van zaken is van de betrekkingen tussen IULA, de International Union of Local Authorities, en de REG. Het verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken, Louis Beel (KVP), aan de VNG om advies te geven over een in Straatsburg aangenomen resolutie van de REG en de Raad van Europa om tot jaarlijkse vergaderingen van gemeenten te komen, draagt bij aan de noodzaak hierover te spreken. Arkema schrijft een uitgebreide, 13 pagina’s lange, nota waarin hij zijn zorg over de REG uit. Eerst biedt hij een zakelijke schets van ontstaan en werkzaamheden van de REG waarin duidelijk wordt dat bestuurders uit Frankrijk, overigens van vooral socialistische huize, een hoofdrol vervullen in het initiatief. Hij verwoordt zijn verontwaardiging over het feit dat de IULA met de oprichting van de REG voor een fait accompli werd gesteld: “Er had van de zijde van de initiatiefnemers van de C.C.E. (REG) van tevoren geen overleg plaats gehad; de Union (IULA) werd in geen enkel opzicht in de plannen betrokken, noch zelfs ervan in kennis gesteld.” De IULA heeft de leden laten weten dat een tweede 28


internationale vereniging versnippering veroorzaakt en extra geld kost. Het voorstel aan de REG om de Europese sectie van de IULA te worden is afgewezen. Hij vindt dat het federalistisch streven van de REG geen nieuwe organisatie rechtvaardigt omdat dit ook binnen IULA besproken kan worden en er bovendien al voldoende andere organisaties zijn die dit federalisme nastreven. Met de oprichting daarna van een eigen Commissie voor Europese Aangelegenheden door de IULA heeft zij, volgens Arkema, niet geprobeerd “de wind uit de zeilen van de REG te halen. De snelle ontwikkeling van de Europese samenwerking en integratie, zoals deze de laatste jaren is gegroeid, heeft de wenselijkheid van een ander contact tussen Europese gemeentebestuurders en een zich beraden op een contact van de georganiseerde Europese gemeenten met de nieuw ontstane of nog op te richten Europese instellingen naar voren doen komen.” Om een ‘oorlogssituatie’ te voorkomen, is door beide organisaties besloten de leden vrij te laten in hoe ze zich tot REG en IULA verhouden. Een ‘liaison-comité’ is ingericht om tussen beide organisaties te overleggen.

Staand bij de tafel Nicholas Arkema en Hermine Revers tijdens het IULA-congres in Rome in 1955

29


Het voornemen van de Raad van Europa om het overleg met gemeenten te versterken, juicht Arkema op zich toe, maar hij waarschuwt voor een vorm die voorbijgaat aan hoe gemeenten zichzelf al hebben georganiseerd. De VNG laat deze kritiek ook aan de minister weten. Het bestuur van de VNG besluit voorts niet toe te treden tot de REG. De nota wordt verder ter kennisgeving aangenomen en d’Ailly krijgt het advies er nog eens goed over door te praten met Arkema en Oud, die nog wel lid is van het Executive Committee van de IULA. Begin 1954 krijgt Arkema het met zijn standpunt dat de VNG de leden afraadt naar het REG-congres in Venetië te gaan nog even lastig. De Amsterdamse vertegenwoordiger in de REG, het ARPraadslid C. van Rij stuurt met de Secretaris-Generaal van de REG, Jean Bareth, een brief waarin Nederlandse gemeenten worden opgeroepen naar Venetië te komen. Burgemeester Frans Schokking (CHU) van Den Haag toont interesse maar raadpleegt de VNG. Ook andere burgemeesters, zoals Robert Geuljans (KVP) van Roermond, overwegen dit, zodat de houding van de VNG opnieuw in het bestuur wordt besproken. Na een gedachtewisseling wordt nadrukkelijk steun uitgesproken voor het standpunt van Arkema om burgemeesters te ontraden naar Venetië af te reizen.

Burgemeester Chris Matser koopt een steentje ter ondersteuning van voetbalclub Vitesse in 1967

30


Snel toegenomen complexiteit De verhouding met de REG en zeker ook met de Nederlandse sectie daarvan die in 1965 tot stand komt, blijft jarenlang de aandacht van VNG-bestuur en -directie opeisen. Voor het verhaal in dit boek is alleen deze begingeschiedenis relevant omdat die leidt tot de oprichting van de Commissie voor Europese Zaken van de VNG die “niet alleen in specifieke Europese maar ook in internationale zaken kan adviseren”. Arkema ziet de snel toegenomen complexiteit van de internationale omgeving en stelt voor deze nieuwe VNG-commissie op te richten. Hij wijst daarbij op de behoefte om over de problemen die aan de orde zijn in de recent door de IULA opgerichte Commissie voor Europese Aangelegenheden ook “in iets bredere Nederlandse kring van gedachten te wisselen”. Eind oktober 1954 gaan directie en bestuur akkoord en Arkema stuurt een uitnodiging aan burgemeesters en wethouders “waarvan wij weten of vermoeden dat zij zich speciaal voor deze problematiek interesseren” om op 23 december 1954 in het VNG-kantoorgebouw bijeen te komen. Burgemeester Matser van Arnhem, lid van het dagelijks bestuur van de VNG en al vertegenwoordiger van de VNG in de IULA, zal de vergadering voorzitten. Ondertussen heeft de VNG zeker oog voor de verdere groei van het aantal internationale contacten van de leden. En ziet ze het als haar taak daar zicht op te houden en waar mogelijk steun te bieden. Najaar 1954 doet de VNG dan ook een enquête onder de 189 gemeenten met meer dan 10.000 inwoners. Een vroeg signaal van wat later een groter probleem zal worden door onduidelijke jurisprudentie, is het bezwaar dat Gedeputeerde Staten van Noord- en Zuid-Holland hebben gemaakt tegen financiële bijdragen van gemeenten inzake hulp aan Oostenrijk na overstroming van de Donau. De directie kiest ervoor de reactie aan de gemeenten over te laten, “met zachte aandrang in de richting van standpunt handhaven en eventueel in beroep gaan bij de Kroon”. Al in de eerste vergaderingen van de nieuwe Commissie voor Europese Aangelegenheden wordt de koers uitgezet die de VNG-houding ten aanzien van internationale onderwerpen zal bepalen. De aanwezigen vinden in meerderheid dat de VNG zich niet moet begeven op het gebied van staatspolitiek. “Het vertrouwen dat de VNG geniet binnen en buiten de kring van de leden mag men niet beschamen door zich te laten trekken in de politieke sfeer.” Over de REG wordt dan ook unaniem geoordeeld dat zij gericht is op politieke actie en dat haar werkwijze en structuur niet in overeenstemming zijn met de structuur van de Nederlandse gemeenten en de VNG.

31


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Wereldverbeteraars waren we by LM Publishers - Issuu