Klein land, grote uitdagingen
Ruben Gowricharn
Klein land, grote uitdagingen Economische ontwikkelingen in Suriname
Klein land, grote uitdagingen
LM Publishers www.lmpublishers.nl info@lmpublishers.nl © 2026 – LM Publishers Redactie Katerna Tekst & Redactie | Clazien Medendorp Vormgeving Ad van Helmond Foto omslag Suriname Industrial Supplies ISBN 9789460229350 NUR 500 De publicatie van dit boek is mogelijk gemaakt door de bijdrage van oud-ambassadeur Rajendre Khargi. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
Voorwoord
7
1. Economische discussies
17
2. Agrarische transitie in Suriname?
19
3. Over de toekomstige vraag naar arbeid: de impact van de oliesector
31
4. Verbrokkelde arbeidsproductiviteit
41
5. Diaspora-economie
50
6. Onafhankelijkheid en ontwikkeling
59
7. Inflatiebestrijding in een kleine open economie
69
8. Regelen: allocatie in de publieke sector
80
9. Mentaliteit en overheidsfinanciën
89
10. Conspicuous consumption
101
11. Armoede en economie
110
12. Economische instituties
119
13. Resource curse
130
14. Ontwikkelingspolitiek
141
15. Brede welvaart
151
16. De wet van de remmende voorsprong
161
17. Een andere economie
170
Literatuur
179
Voorwoord Prof. dr. Jan Pronk
Vijftig jaar nadat Suriname haar onafhankelijkheid verkreeg is het zinvol zowel terug te kijken als vooruit te kijken. Dat is niet alleen voorbehouden aan politici en journalisten, maar ook aan wetenschappers: historici, bestuurskundigen en economen. Voor hen is Suriname een nog belangwekkender onderzoekscasus dan tal van andere landen die in de tweede helft van de vorige eeuw onafhankelijk werden, omdat het unieke kenmerken heeft. Het is een groot land met een kleine bevolking. Die is zeer gevarieerd samengesteld, niet spontaan, maar gedreven door een kolonisator. Buitenlanders hadden de oorspronkelijke bevolking gedecimeerd, tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika naar Suriname getransporteerd, contractarbeiders uit Azië binnengebracht, de grenzen van het land getrokken, de economische structuur vastgelegd, en de taal, cultuur en bestuursstructuur van de koloniale mogendheid aan de samenleving opgelegd. Het land had geen autonomie gekend, ook niet over de eigen economie. Het had onder buitenlands bewind gestaan, kapitalistisch georiënteerd, en was eeuwenlang een wingewest geweest. Dat wingewest had van het begin af aan de vorm van een plantage-economie, waarin al dan niet tot slaaf gemaakte arbeiders werden uitgebuit, een economie die vooral dreef op de kurk van een paar grondstoffen zoals suiker, cacao, koffie en katoen, die in ruwe vorm werden geëxporteerd. Die structuur was zeer winst gevend voor de buitenlandse eigenaars, die niet geneigd waren tot herinvestering van het surplus in Suriname. Integendeel, zij lieten het afgeroomde surplus ten goede komen van de verdere economische ontwikkeling van het land van de oorspronkelijke kapitaalverschaffers, de kolonisatoren zelf. Dat gold nog steeds toen in latere jaren de economie van Suriname eenzijdig ging drijven op de kurk van de bauxietmijnbouw: economische groei zonder verwerking van het gewonnen bauxiet in het land zelf, met weinig lokale toelevering en weinig vervolginvesteringen. Aan dergelijke verhoudingen wordt door het verwerven van staatkundige onafhankelijkheid niet plotsklaps een einde gemaakt. Ze laten onvermijdelijk 7
ook een halve eeuw nadien hun sporen na. De staat mag officieel autonoom geworden zijn, de maatschappij is nog lange tijd een palet van tegenstellingen, de cultuur op vele terreinen onderhevig aan voortdurende beïnvloeding uit het voormalige ‘moederland’ en de economische structuur onveranderd bepaald door buitenlands kapitaal en export van grondstoffen. Vooral dat laatste zal economische onderzoekers zorgen baren: Suriname had een onvoldoende gediversifieerde economie en een duale maatschappij waarbij de welvaartsgroei was geconcentreerd bij bepaalde groeperingen, terwijl een groot deel van de bevolking in armoede leefde, zonder noemenswaardige mogelijkheden tot sociale stijging. Dat resulteerde in een onvoldragen sociaaleconomische middenklasse en uitzonderlijk grote afhankelijkheid van het buitenland, waardoor in de halve eeuw die achter ons ligt van een zekere mate van economische verzelf standiging, die was beoogd ten tijde van de onafhankelijkheid, nauwelijks sprake was. Volledige economische verzelfstandiging is nooit mogelijk, zeker niet in deze tijd van economische en technologisch globalisering, maar het is wel gewenst dat een natiestaat, binnen grenzen die bepaald worden door de wereldeconomie, autonome beslissingen kan nemen over de richting die men in wil slaan en over de toekomstige structuur van de eigen economie.1 Ruben Gowricharn, de auteur van de essays die gebundeld zijn in dit boek, staat als econoom niet lang bij de geschiedenis stil. In een van de essays schrijft hij, terugkijkend op de onafhankelijkheid, ‘Ikzelf had op 25 november 2025 niet het gevoel dat er iets was om te vieren’. Daar kan hij verschillende redenen voor hebben gehad, maar hij maakt er verder geen woorden aan vuil. Voor zover het de geschiedenis betreft is hij vooral geïnteresseerd in de economische politiek die gevoerd werd in de periode na het bereiken van de onafhankelijkheid. Daarover laat hij zich kritischer uit dan over het vroegere verleden. De economische politiek van de eerste regering van het onafhankelijke Suriname, onder leiding van Henck Arron, schoot inderdaad op een aantal punten tekort. Verspreid over de hoofdstukken van dit boek stipt Gowricharn een aantal tekortkomingen aan: onvoldoende mobilisatie van eigen middelen en hulpbronnen, een onevenwichtige productiestructuur waarbinnen een enkele sector het overgrote deel van de beschikbare middelen opslokt, voortzetting van een overmatige oriëntatie op de export, toenemende armoede en sociale en economische ongelijkheid, patroon-cliëntrelaties in de publieke sector en op de arbeidsmarkt, nadruk op afzonderlijke projecten in plaats van geïntegreerde programma’s, afwezigheid van een plan voor de economie als geheel en, tot slot, corruptie. 8
Dat is nogal wat, maar mij lijkt enige nuancering geoorloofd. Een nieuwe natie is niet in staat op stel en sprong alles goed te doen. Dat kost tijd. Het verleden werkt door en in dat verleden had Nederland als kolonisator alle belangrijke economische beslissingen genomen, ook de verkeerde. Die leggen nog vele jaren een hypotheek op de capaciteit van een land om het beleid om te buigen. Wat Suriname betreft gold dat met name voor de eerste zes genoemde tekortkomingen: weinig eigen middelen, eenzijdige productiestructuur, exportoriëntatie, ongelijkheid, de praktijk van het ‘regelen’ en de obsessie met projecten. Bovendien had de emigratie naar Nederland van vele mensen die het niet eens waren met de onafhankelijkheid een gat geslagen in de capaciteit om een goed beleid uit te stippelen en uit te voeren. De beide andere tekortkomingen die Gowricharn noemt (onvoldragen planning en sluipende corruptie) legden niet zo’n zware hypotheek op de politiek als vaak is beweerd. Er was wel degelijk een plan, gericht op de langere termijn, tien jaar vooruit, met aandacht voor verschillende regio’s en sectoren: het Programma voor de Sociaaleconomische Ontwikkeling van Suriname.2 Het was weliswaar opgesteld door een Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen, maar het was een Surinaams plan: de keuzes die daarin werden gemaakt waren door Suriname gemaakt. Die golden onder meer een keuze van zes centrale concentratiegebieden (Paramaribo, Nickerie-Wageningen-Coronie, Apoera-Kabalebo, Coppename, Moengo-Albina-Patamacca, Brokopondo en het binnenland). Voor elk van deze gebieden werd aangegeven welke economische sectoren (landbouw, veeteelt, visserij, bosbouw, mijnbouw en energievoorziening) tot ontwikkeling konden worden gebracht. Ook werd in dit plan ingegaan op de vereisten om onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale zorg tot ontwikkeling te brengen. Bovendien waren er steunrapporten: Frank Esseds Mobilisatie van het Eigene3 en het Intentieplan Sociaal Beleid Suriname opgesteld door Jan Breman en Bram Peper op verzoek van het Surinaamse Planbureau.4 De plannen werden bekritiseerd, ook door mij, maar die kritiek gold de inhoud. Het plan was erg ambitieus, zou in een bestek van tien jaar niet volledig kunnen worden uitgevoerd en mikte zo sterk op de ontwikkeling van de bauxietmijnbouw in West-Suriname dat, ook al was dit niet de opzet, andere sectoren en regio’s in de knel zouden komen. Bovendien was onvoldoende uitgewerkt hoe de plannen zouden worden uitgevoerd, niet in financiële zin, want de middelen waren beschikbaar, doch bestuurlijk. Maar die kritiek was van een tweede orde: de plannen bestonden, daar ging het om, en ze waren niet koloniaal, doch Surinaams eigendom. 9
Wat het tweede punt betreft: er was inderdaad corruptie, maar die verlamde vooral de uitvoering van het beleid, niet de grote politieke keuzes op economisch gebied. De ontwikkelingssamenwerking werd er niet door getroffen. Daarop werd zeer nauwgezet toegezien. Mede om corruptie te voorkomen was overeengekomen dat de gelden niet á fonds perdu zouden worden overgemaakt. Ze zouden worden gebonden aan overeenstemming over afzonderlijke programma’s, waarbij erop werd toegezien dat deze in gelijke mate aan alle bevolkingsgroepen ten goede zouden komen, en niet alleen aan de achterban van de regeringspartij. De gedachte, die aan het eind van de jaren zeventig postvatte in Nederland, dat in Suriname de corruptie weelderig tierde was dan ook niet op feiten gebaseerd. Premier Arron werd door Bouterse gevangengezet, mishandeld en voor de rechter gedaagd op beschuldiging van corruptie. Bouterse had er alle belang bij om die beschuldiging waar te maken, maar hij ving bot. Arron werd op alle punten vrijgesproken. Degenen die echt corrupt waren maakten deel uit van het regime dat na de staatsgreep de macht naar zich toetrok en de staatsfinanciën plunderde. Over de tekortkomingen van de economische politiek van Suriname in de beginjaren denk ik dus iets anders dan de auteur van dit boek. Het waren kinderziekten van een nieuwe staat. Ze waren bovendien minder ernstig dan de fouten die in het midden van de vorige eeuw gemaakt werden in vele andere nieuwe landen in Afrika en het Caraïbisch gebied. Sterker nog, in vergelijking met het buitenland had Suriname het voordeel enkele decennialang, gedurende de aanloop naar onafhankelijkheid, ervaring te hebben opgedaan met democratische processen. De maatschappelijke onvrede over het sociaaleconomisch beleid van de eerste vijf jaar na de onafhankelijkheid kon tot uiting komen in de voor maart 1980 geplande verkiezingen en dus in een eventuele nieuwe regering en een ander beleid. Daar is het helaas niet van gekomen, ten gevolge van de staatsgreep die in februari van dat jaar werd gepleegd en de moordpartij op 8 december 1982. Dat zette alles op z’n kop. In 1975 begon Suriname met een schone lei. Alle buitenlandse schulden werden kwijtgescholden. Van die last was het land bevrijd. Aan de vooravond van de staatsgreep was het land nog steeds schuldenvrij. Maar daarna ging het bergafwaarts. Door potverteren, begrotingstekorten en nieuwe buitenlandse schulden raakte de economie in verval. Telkens wanneer na verkiezingen een regering aantrad die de economie weer gezond wilde maken, moest er zoveel puin geruimd worden, zoveel aangepast en zoveel bezuinigd op basisvoorzieningen, dat kiezers zich de volgende keer opnieuw van die regering afwendden en het 10
populistische spilzieke regime van daarvoor een nieuwe kans gaven. Bouterse c.s. plunderden de economie, maar Venetiaan werd er politiek op afgerekend. Dat stuivertje wisselen is enkele malen achtereen doorgegaan, veertig jaar lang. Suriname raakte in economisch opzicht een paar decennia achterop. In het boek dat voor ons ligt, Klein land, grote uitdagingen, pretendeert de auteur niet om een volledige analyse van de economische politiek te presenteren. Het is niet bedoeld als een handboek, maar een bundel essayistische inzichten in een select aantal onderwerpen. Over het verleden is hij kort. Hij steekt geen beschuldigende vingers uit, maar hij gaat uit van de situatie zoals die nu eenmaal is ontstaan en die thans geldt. Zijn teksten zijn beleidsgericht: wat staat Suriname nu en straks te doen? Het resultaat is verfrissend. De auteur schroomt niet om heilige huisjes af te breken. De onderwerpen die hij bespreekt lopen wijd uiteen, maar zijn aanbevelingen hebben veel gemeen. Er lopen drie rode draden door de tekst: 1. Advies aan economen om met een bredere blik naar de maatschappij te kijken dan gebruikelijk is. 2. Advies aan beleidsmakers om niet naar Suriname te kijken als een klein land met beperkte mogelijkheden, maar als een natie met een groot potentieel. 3. Advies aan alle betrokkenen om een mentaliteit ‒ een mind shift, aldus de auteur – en een bestuurscultuur uit te dragen die ruimte bieden voor vernieuwing. Wat het eerste punt betreft windt Gowricharn er geen doekjes om. Dat is niet onverwacht: hij heeft zich ook in eerdere publicaties doen kennen als een econoom die over de grenzen van zijn eigen discipline heen kijkt.5 Gowricharn hekelt het geloof in de markt, want de schaarste waarvan het marktdenken uitgaat is geen natuurlijk gegeven. Markten zijn niet zo flexibel als theoretici veronderstellen en dat heeft gevolgen voor vraag- en aanbodverhoudingen en voor de prijsvorming. Bovendien, en dat is essentieel, het handelen van mensen op een markt vloeit niet alleen voort uit economische overwegingen. Culturele factoren, zoals religie, traditie en groepsbinding, zijn vaak nog belangrijker. Dat inzicht brengt Gowricharn tot kritiek op zijn vakgenoten. Die kijken volgens hem in Suriname vooral naar de factor kapitaal en naar de buitenlandse handel. Ze hebben weinig oog voor de factor arbeid en voor armoede en 11
ongelijkheid. Ze verrichten onvoldoende studie naar de sociaaleconomische structuur, die in Suriname meer gelaagd is dan wordt verondersteld. De auteur pleit ervoor dat niet alles wordt verwacht van de export. De binnenlandse consumptie met al haar vertakkingen kan een belangrijke stimulans zijn in het ontwikkelingsproces. Over de factoren die een beslissende invloed hebben op dat ontwikkelingsproces is veel getheoretiseerd, niet alleen in de twintigste eeuw, toen de nadruk lag op economische groei en economische ontwikkeling, maar ook in de eenentwintigste eeuw, toen nieuwe theorieën opkwamen, waarbij de nadruk kwam te liggen op niet-economische factoren. Maar over die theorieën is Gowricharn niet minder kritisch. In een van de essays maakt hij gehakt van de theorie van Acemoglu c.s. waarin verschillen tussen landen geheel en al worden toegeschreven aan instituties die al naar hun aard stimulerend dan wel remmend kunnen werken.6 Hij acht die theorie te generaliserend, ook al omdat zij abstraheert van andere factoren, zoals de toegang tot grond, natuurlijke hulpbronnen, geografie, ecologie, en klimaat. Over een andere analyse die sinds de eeuwwisseling in het centrum van de belangstelling staat, de theorie van Banerjee en Duflow over de beste manier waarop armoede kan worden bestreden, is Gowricharn milder. Hij prijst de antropologische invalshoek, maar hekelt de technocratische benadering.7 Ik ben het niet op alle punten met Gowricharn eens, maar zijn betoog daagt de lezer uit om zowel oude als nieuwverworven inzichten kritisch te bezien. Al deze kanttekeningen, verspreid over verschillende essays, komen samen in een mooi slothoofdstuk getiteld ‘Een andere economie’. Daarin onderzoekt Gowricharn het onderliggende mensbeeld van de traditionele economische wetenschap ‒ de ‘homo economicus’ ‒, de praktische methodologie waarbij struc turen, processen en beleid worden weergegeven in de vorm van wiskundige modellen en, ten slotte, het negeren van het culturele karakter van de economie. Een herbezinning is nodig, aldus Gowricharn: ‘Dat zal ongetwijfeld leiden tot een andere vorm van economisch denken en hopelijk ook tot een betere economie.’ Die slotzin van het boek brengt me tot de tweede rode draad: een betere economie kan ontstaan wanneer beleidsmakers leren out of the box te denken en afstand nemen van algemeen aangehangen meningen. Het brengt hem tot verrassende voorstellen, niet radicaal of revolutionair, wel flink afwijkend van gevestigde ideeën, doch niet gespeend van realisme en daarom zeker uitvoerbaar. Ik noem er een paar: mik niet alleen op de landbouw, maar ook op de lichte industrie van consumptiegoederen, verwerking van land- en tuinbouwproducten 12
en moderne visserij. Mik op nieuwe sectoren als ICT, medische specialisaties en financiële dienstverlening. Probeer in deze sectoren niches te ontwikkelen in de Caraïbische regio. Maak een plan op langere termijn voor de oliesector. Denk daarbij niet alleen aan de financiering van de noodzakelijke investeringen, maar ook aan de ontwikkeling van de arbeidsmarkt die ermee gepaard gaat. Bereid je voor op een omvangrijke immigratie van geschoold personeel, zowel voor de oliesector als voor sectoren die ermee verweven zijn. Bereid je voor op sociale spanningen die daaruit voortvloeien en op de voorzieningen die moeten worden getroffen. Maak een plan voor de besteding van de olie-inkomsten. Die kunnen de weg bakenen naar een moderne economie, verbetering van de infrastructuur, vernieuwing van de voorraad kapitaalgoederen en verhoging van het opleidingsniveau. Maak op die manier de economie, ook al is de omvang gering, minder kwetsbaar. Ontwerp regionaal geconcentreerde groeikernen, waarbinnen meerdere economische pijlers tot ontwikkeling kunnen komen. Maak Nickerie tot een kern met een gemengde agro- en mijnbouweconomie. Dat district heeft vele logistieke voordelen. Doe iets dergelijks in Marowijne rond de houtkap en mijnbouw en in Commewijne rond digitale diensten en toerisme. Maak Suriname niet alleen afhankelijk van olie en goud, maar mik ook op nieuwe sectoren en producten als lichte industrie (met een accent op consumptiegoederen), tuinbouw, cacao en financiële diensten. Bouw een tweede brug over de Surinamerivier. Ontwikkel speciale niches waarin Suriname zich kan onderscheiden en die de markt in de regio kunnen bedienen. Doe dat, hoewel olie vooralsnog de belangrijkste bron van inkomsten zal zijn, ook voor waterkracht en zonne-energie, zodat Suriname kan voorsorteren op de wereldwijde substitutie van olie en gas naar schone energie. Bestrijd inflatie niet alleen met een rentebeleid, maar ook met fiscale maat regelen, bijvoorbeeld om graaiflatie tegen te gaan. Voorkom het stelselmatig uitdijen van de overheid door sommige voorzieningen over te hevelen naar de particuliere sector die minder overbodige banen schept en de banen die nodig zijn toewijst op grond van kwaliteit in plaats van etnische relaties en loyaliteit. Bouw het leger om tot een milieupolitie, die orde en gezag in het binnenland moet handhaven. Creëer een fiscale politie ter ondersteuning van de belasting dienst. Versterk de instituties van de rechtsstaat die een tegenmacht vormen jegens politici die zich door het wenkende perspectief van opbrengsten uit de oliewinning laten verleiden tot onverantwoorde beslissingen. Maak de Centrale Bank onafhankelijk van de politiek. 13
Ten slotte de derde rode draad: een mentaliteitsverandering die de weg opent naar vernieuwing van economie en maatschappij. Ik noem weer enkele voorbeelden van de suggesties die Gowricharn daartoe doet: Doe niet alleen in financiële zin een beroep op de diaspora – ‘Kom en investeer’ – maar gebruik haar potentieel (kennis, ervaring en menskracht) ook bij de ontwikkeling van specifieke sectoren, zoals universitair en beroepsonderwijs en de publieke sector. Ontwerp een diasporabeleid. Betrek de diaspora bij de ontwikkeling van het land, bijvoorbeeld door regelmatig overleg te plegen, zoals de regering van Kaapverdië dat doet. Besef dat een eventuele resource curse meer een politiek vraagstuk is dan een economisch probleem. Ontsla na verkiezingen geen deskundige hoge ambtenaren die door een vorige regering waren aangesteld. Ook hier geldt: kwaliteit gaat boven loyaliteit. Besteed bij het begrotingsbeleid niet alleen aandacht aan de inkomstenkant, maar breng de uitgaven op orde. Ontsla ambtenaren die niets doen of die een overheidsbaan beschouwen als een nevenactiviteit, naast een dik betaalde functie als adviseur, consultant of ondernemer in de particuliere sector. Leg de statusverheffing van politieke gezagsdragers aan banden en bestrijd de spilzieke bestuurscultuur. Rem de neiging van jonge mannen af om zonder adequate scholing een politieke carrière te zoeken om zich te verrijken. Versterk de fiscale moraal. Organiseer een publiek debat waarin alle delen van de bevolking via alle media hun zegje kunnen doen over de toekomstige ontwikkeling van het land. Het is een rijk arsenaal aan suggesties. Wie ze stuk voor stuk de revue laat passeren ziet dat het geen hoogdravende idealen betreft, maar down to earth realisme, behartenswaardig en haalbaar. Gowricharn heeft zijn essays niet in een ivoren toren geschreven. Hij weet waarover hij praat, niet alleen als een goed econoom, maar ook omdat hij de harde praktijk van het leven in Suriname aan den lijve heeft ondervonden. Daar getuigde hij van in een enkele jaren geleden verschenen relaas over zijn persoonlijke ervaringen met die praktijk. Dat boek, De Goudsmid, is een juweeltje, een zeer persoonlijke geschiedenis van zijn Hindostaanse familie.8 Maar het is meer dan dat. Het is ook een cultureel-antropologische beschouwing over de veerkracht van mensen en families in de marges van de economie. Dat is ook de kracht van de inzichten en uitdagingen beschreven in dit boek. Ze gaan over de veerkracht van een economie die een tijdlang gemarginaliseerd leek, maar een halve eeuw na de verkregen onafhankelijkheid nieuwe kansen heeft zich op te richten. Ook wie, zoals Gowricharn, op 25 november 2025 14
vond dat er weinig te vieren viel, kan zich vandaag laten leiden door een nieuw perspectief op verwezenlijking van brede welvaart voor iedereen.
Noten 1
Ik heb een en ander wat meer uitvoerig beschreven in: Jan Pronk, Suriname. Van wingewest tot natiestaat, Volendam: LM Publishers (2023), blz. 51-59.
2
Programma voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname. Door de SurinaamsNederlandse Commissie van deskundigen, H.E. Rijsdijk en H.C. Bos (voorzitters), Stichting Planbureau Suriname, Paramaribo (1975).
3
De Mobilisatie van het Eigene. Een ruimtelijk-fysieke bijdrage aan de Integrale Planning. Rapport opgesteld door F.E. Essed e.a., Paramaribo (1975).
4
Intentieplan Sociaal Beleid Suriname. Een voortgangsnota. Rapport opgesteld door J.C. Breman en A. Peper, t.b.v. Stichting Planbureau Suriname (1973).
5
Zie bijvoorbeeld: Ruben Gowricharn, Miskend Verleden. Hindostaanse boeren in Suriname 1980-1980. Hilversum: Verloren (2020). Zie ook zijn afscheidsrede op de Vrije Universiteit: Wetenschap gerelativeerd. Kanttekeningen uit de leefwereld. Amsterdam: Amsterdam University Press (2021).
6
Daron Acemoglu & James Robinson, Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty. London: Profile Books (2013).
7
Abhijit Banerjee & Esther Duflo, Poor Economics. London: Penguin Books (2011).
8
Ruben Gowricharn, De goudsmid. Marginalisering en veerkracht van een Hindostaanse familie. Zutphen: Walburg Pers (2021).
15
1
Economische discussies
Het begon rond 2008. Ik begeleidde promovendi in Suriname, onder wie enkele bankeconomen. In die jaren viel me op dat de meeste economen, ook die buiten de bank, gefixeerd waren op balansen van de handel met het buitenland, de banken, de grote bedrijven en de overheid. Ze hadden net geen obsessie met monetaire vraagstukken. Dat vormde een groot contrast met de bankeconomen in Nederland, die meestal gespecialiseerd waren in onderdelen van de reële economie. Ook het IMF, de Wereldbank en de Europese Centrale Bank, hoewel het monetaire instellingen zijn, hebben een traditie om alle aspecten van de economie uitvoerig tegen het licht te houden. Dat verwachtte ik ook van Surinaamse economen, maar ik kwam van een koude kermis thuis. De meeste Surinaamse economen die ik in die periode sprak hadden, afgezien van het reilen en zeilen van een bedrijf of van de overheid, weinig belangstelling voor verschijnselen buiten de monetaire sfeer of alleen voor de zware trekkers van de economie zoals de belangrijkste exportproducten. Dus deed ik mijn best om hun aandacht te vestigen op andere zaken in de reële sfeer, maar dat lukte niet bij iedereen. Misschien deed ik ook te hard mijn best. Mij interesseerde vooral vragen over de werking van verschillende deelmarkten, zoals de arbeidsmarkt, de zorg, de huisvesting, het onderwijs, de ruimtelijke inrichting of de toekomstige ontwikkeling van het land. Vooral dat laatste onderwerp, breder geformuleerd als de ontwikkeling van de Surinaamse economie, kreeg nauwelijks aandacht. Zelfs de enkele experimenten met veelal agrarische producten, die overigens niet de potentie hadden om de economie te transformeren, werden nauwelijks besproken. Niet alleen economische onderwerpen probeerde ik onder de aandacht te brengen. Ook het arsenaal van de economische wetenschap en de bijbehorende redeneringen stelde ik af en toe ter discussie. Veel wetenschappelijke concepten zijn slechts in beperkte mate van toepassing op kleine samenlevingen omdat zij vaak gebaseerd zijn op grote economieën die als gesloten stelsel opgevat kunnen worden. Het streven naar generaliseerbare wetenschappelijke kennis maakt dat ook economische concepten vaak kritiekloos worden toegepast op postkoloniale landen van 17
allerlei soort. De werken van Caraïbische economen met een kritische focus, zoals William Demas (1965), Delisle Worrell (2023) en een oudere overzichtsstudie van economische publicaties (Bernal, Figueroa en Witter, 1984), bieden enige grondslag voor een nadere beschouwing. Maar de concepten van de mainstream-economie zijn, voor zover ik weet, ook door deze auteurs niet ter discussie gesteld. Wetenschappelijke concepten zijn extracties van eerdere ervaringen, een tweede reden om kritisch naar de concepten te kijken. Dat geldt vooral voor economische concepten die allemaal hun oorsprong vinden in Europa en de Verenigde Staten. Die concepten zijn daardoor niet per se onbruikbaar, maar vooral geldig in specifieke contexten. Zoals gezegd kunnen grote landen makkelijk als gesloten economieën worden benaderd, de sector buitenland is van minder grote invloed en de binnenlandse markt is groot genoeg om de illusie van een anonieme markt overeind te houden. Een kleine economie heeft deze kenmerken niet. Daarom dienen concepten ontleend aan grote landen voorzichtig te worden toegepast. Dat was zeker in het begin van mijn werkzaamheden in Suriname niet altijd, en soms helemaal niet, duidelijk. Andere kenmerken van de Surinaamse economie die afweken van mainstream economie waren bijvoorbeeld de etnische banden, de geringe omvang van de particuliere sector en de wijze waarop publieke goederen en diensten worden gealloceerd. De langdurige en soms verhitte gedachtewisselingen met de economen hebben mijn eigen denken op al deze punten geconcretiseerd en aangescherpt. Daardoor werd ik geconfronteerd met de beperkingen van mijn eigen kennis, de Europese en Amerikaanse oorsprong daarvan en de lacunes in de theoretische kennis van de modale Surinaamse econoom. Begin 2025 publiceerde ik een artikel in het tijdschrift Journal of Peasant Studies over de modernisering van de Surinaamse rijstbouw. Onderdeel van de dataverzameling was een groepsgesprek dat werd georganiseerd door Jayanti Hindori en Winston Ramautarsing. Swami Girdhari, secretaris van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), was ook aanwezig. Na de publicatie van het artikel vroeg hij mij om een verkorte Nederlandstalige versie te schrijven voor hun maandblad Inzicht. Dat stuk werd goed ontvangen en smaakte naar meer. Swami’s uitnodiging bood mij de gelegenheid om onderwerpen over de Surinaamse economie, zonder al te veel technische poespas, voor een breed publiek in grotere kaders te plaatsen. Ik heb getracht de teksten kort te houden, weinig literatuur te gebruiken en toegankelijk te schrijven. De literatuurlijst aan het einde van het boek is niet alleen bedoeld om de auteurs genoemd in de tekst te kunnen vinden, maar ook als referentie van het gedachtengoed waarop ik voortbouw. 18
In de economie worden twee termen vaak door elkaar gebruikt: het Bruto Binnenlands Product (BBP) en het Bruto Nationaal Product (BNP). Het eerste is het geheel van producten en diensten dat binnen de landsgrenzen wordt voortgebracht en het tweede is het geheel van producten en diensten dat Surinamers ook buiten de landsgrenzen produceren. Het verschil tussen deze twee grootheden is voor Suriname te verwaarlozen omdat het aandeel van wat Surinamers in het buitenland produceren gering is. Het maakt in feite dus weinig uit of er sprake is van BBP of BNP. Mede hierdoor en omdat de Centrale Bank van Suriname het BBP rapporteert heb ik mij aangesloten bij de officiële terminologie. Bij het schrijven van deze essays zijn twee personen behulpzaam geweest: Saira Jahangir-Abdoelrahman en Karel Eckhorst. Met hen heb ik de afgelopen twee decennia nauw samengewerkt. Zij waren zo vriendelijk om mij van de gevraagde data te voorzien en op sommige stukken feedback te geven. Met hun input en de inzichten achteraf zijn enkele stukken lichtelijk gereviseerd, behalve het eerste artikel over agrarische transitie dat is uitgebreid. Elk hoofdstuk bespreekt een thema en kan als een losstaand essay worden gelezen. De interpretaties in dit boek zijn niet vrij van persoonlijke opvattingen. Zij zijn geenszins bedoeld om het beleid van een regering te evalueren of te vergelijken. Zoals gezegd zijn mijn gedachten aangescherpt door de vele discussies met Surinaamse economen over een groot aantal jaren. Dat betekent niet dat we het altijd met elkaar eens waren ‒ dat was ook nooit de bedoeling. Het maakte mij weinig uit of ik wel of geen gelijk had; ik was al tevreden als anderen de onderwerpen die ik probeerde te agenderen oppakten en erover nadachten. Mijn belangrijkste oogmerk was om belangrijke kwesties onder hun aandacht te brengen en ‒ hopelijk ‒ een discussie in gang te zetten die het denken in termen van balansen en opbrengsten overstijgt. Dat is misschien te veel gevraagd, maar vanuit mijn positie als gewezen supervisor kon ik weinig meer doen. Dit boek bestaat dus uit persoonlijke keuzes van onderwerpen. Daarnaast heb ik mij laten leiden door de actualiteit en door thema’s die over een langere periode relevant zijn. De economische werkelijkheid in Suriname dringt zich op aan de waarneming waardoor er weinig ruimte bestaat voor een al te willekeurige selectie. Ook moet worden opgemerkt dat sommige specifieke onderwerpen wellicht meer aandacht van economen verdienen, maar in dit boek niet aan de orde zijn gekomen. Ik denk aan onderwerpen die in de sociologie en antropologie bekend staan als etnische economieën – specifieke vormen van ondernemerschap, spaargedrag, expertise, vaardigheden en consumptiepatronen – zoals die bijvoorbeeld bij 19
Marrons, Chinezen en andere groepen bestaan. Andere onderwerpen hadden de huishoudelijke arbeid, genderverschillen, de schade aan het milieu, criminaliteit en corruptie kunnen zijn. Nog een drietal opmerkingen over de methodologie. Waar mogelijk heb ik de voorkeur gegeven aan grafieken omdat die de besproken ontwikkelingen in één oogopslag zichtbaar maken. Dat is anders dan tabellen of vergelijkingen die tot nauwkeurige bestudering dwingen en soms inspannend en tijdrovend zijn. Ook heb ik prioriteit gegeven aan concepten en redeneringen die langere tijd houdbaar zijn en een economisch thema centraal stellen. De oriëntatie op concepten en redeneringen leidt tot een soort kwalitatieve economie die volgens mij meer aandacht mag hebben. Voorbeelden van deze benadering in dit boek zijn de essays over conspicuous consumption, het ‘regelen’ en economische insti tuties. Ook de bespreking van de grondslagen van de economische discipline, het laatste essay, mag gezien worden als een vorm van kwalitatieve economie. Ik benadruk dat dit geen nieuw perspectief is. De klassieke economen, de marxistische economen en ook antropologen (Karl Polyani bijvoorbeeld) en historici (als Immanuel Wallerstein) hebben goede voorbeelden gegeven om tot andere vormen van economiebeoefening te komen. Daarnaast heb ik gebruikgemaakt van waarnemingen en van wat in het geruchtencircuit wordt verteld. De waarnemingen zijn herhaaldelijk gedaan en zijn daardoor hardere feiten dan cijfers (zie het laatste essay). Dat kan niet gezegd worden van geruchten die met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden. Rudolf van Lier schreef in zijn studie over de sociale geschiedenis van Suriname dat sommige geruchten in Suriname te hardnekkig zijn om geheel van waarheid gespeend te zijn. Dat is niet alleen een mooie formulering, maar ook een punt om over na te denken. Niet alle essays in dit boek zijn verschenen in Inzicht, maar ze waren wel voor dat blad bestemd. De vraagstukken die in dit boek aan de orde komen zijn ingebed in grotere historische, politieke en intellectuele kaders. Suriname is een klein land, maar de problemen zijn in de loop van de afgelopen halve eeuw aangekoekt tot grote zorgen. De titel van dit boek geeft deze discrepantie weer: Klein land, grote uitdagingen.
20
2 Agrarische transitie in Suriname?
De politieke economie kent al heel lang een thema dat bekendstaat als agrarische transitie. De kern ervan is dat er in de landbouw een agrarisch kapitalisme ontstaat. Dat gebeurt doordat kleine boeren, al dan niet met geweld, worden verdreven en rijke boeren de grond weten op te kopen of anderszins de hand daarop weten te leggen. Op die manier raken productiemiddelen als grond en kapitaal geconcentreerd in handen van een agrarische kapitalistenklasse. De keerzijde van dit proces is dat de kleine boeren landloos worden en als loonarbeiders moeten gaan werken. Het komt ook voor dat middelgrote boeren uitgroeien tot kapitalisten zonder gewelddadige concentratie van productiemiddelen en op een gegeven moment arbeiders in dienst nemen. De kenmerken van een agrarische transitie zijn dus het ontstaan van een agrarische kapitalistenklasse en een klasse van loonarbeiders. Historisch heeft deze ontwikkeling geleid tot technologische innovatie in de landbouw. De agrarische kapitalisten concurreerden met elkaar en waren daardoor gedwongen hun prijzen te verlagen, wat het makkelijkst te doen was door nieuwe technologieën in te voeren. Dat leidt tot een verhoogde productie, een hogere arbeidsproductiviteit en schaalvoordelen, dus lagere kosten per eenheid product. Agrarisch kapitalisme is dus af te lezen aan het bestaan van een klasse van kapitalisten die loonarbeiders in dienst heeft en door de concurrentie gedwongen is haar productie te innoveren. Zelfs als er sprake is van een monopolie, blijft er enige druk tot innovatie bestaan omdat de monopolist moet voorkomen dat hij wordt ingehaald door mededingers. Het belang van een agrarische transitie ligt vooral in de binnenlandse financiering van een industrie. Uitgaande van een tweesectorenmodel – agrarische en industriële sector – levert de landbouw voedsel tegen lagere reële prijzen aan de industrie, ook wel urbane sector genoemd. Daardoor worden de loonkosten in de industriële sector lager of wordt een stijging ervan afgeremd. Door de innovatie in de landbouw komt er ook arbeid vrij voor de industrie. Ook fungeert de landbouw als een binnenlandse markt voor kapitaalgoederen en industriële 21
consumptiegoederen. Via de belastingen krijgt de overheid meer inkomsten en ook een eventuele export draagt via deviezen bij aan het ontwikkelingspotentieel van de economie. De landbouw is dus in dit model leverancier van voedsel, arbeid, inkomsten en deviezen. Met name lagere voedselprijzen en arbeidskosten zijn in deze optiek belangrijke prikkels om een industriële ontwikkeling te induceren of te stimuleren. Het komt erop neer dat de landbouw hulpbronnen aanlevert om een industriële ontwikkeling mogelijk te maken. Een dergelijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden in landen als India, China, Rusland, de VS en enkele Europese landen. Al deze landen vertonen twee ken merken: ze zijn geografisch en demografisch groot en ze kunnen als een gesloten economie worden benaderd. Dat laatste betekent dat het buitenland geen noemenswaardige invloed kan uitoefenen op binnenlandse ontwikkelingen. De aanname van geslotenheid roept de vraag op hoe het dan staat met landen die economisch en demografisch klein zijn, die per definitie open zijn en een beperkte schaal hebben. De vraag is of de agrarische sector in Suriname de functies heeft vervuld die op grond van de theorie verwacht mogen worden.
De Surinaamse landbouw De omvang van de Surinaamse bevolking bedroeg in 1972 380.000 inwoners en anno 2025 wordt die met de natte vinger geschat op 600.000 personen. Wat betreft de openheid: die is een structureel gegeven. Er is geen casus bekend waarbij een kleine open economie transformeerde tot een gesloten economie, behalve wanneer die door buitenlandse mogendheden om politieke redenen is afgesloten, zoals Cuba. De openheid van de Surinaamse economie, zoals geïndiceerd door de waarde van de Surinaamse import en export, bedroeg in de periode 1965-1970 ca. 92% van het BBP, terwijl het wereldgemiddelde 25% was. Die openheid is geen nieuwigheid. We kennen Suriname als een plantageeconomie die was ingericht om te produceren voor de wereldmarkt. Rond de wisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw begon het door verschillende oorzaken slechter te gaan, maar reeds kort voor de afschaffing van de slavernij kende het exportpakket balata en goud, en na het tweede decennium van de twintigste eeuw domineerde het bauxiet. Het exportkarakter van de economie werd dus bestendigd. Hier speelde schaal geen rol en was de openheid (de export) een fundamenteel kenmerk omdat de allocatie van haast alle productiemiddelen in dienst stond van het buitenland.
22
Ondertussen werden vanaf 1873 en 1890 respectievelijk Brits-Indische en Javaanse contractarbeiders ingevoerd. Het is een hardnekkig misverstand dat zij dienden om de vrijgekomen slaven te vervangen. Zij kwamen onder een stelsel van contractarbeid waarbij de lonen gedurende vijf jaar waren bevroren. Daardoor hadden de planters gedurende de contractperiode rust op het loonfront. Op dat loonverlagende of -stabiliserende effect anticipeerden de planters. De immigratie van contractarbeiders diende dus als loonpolitiek. De koloniale overheid streefde er ook naar een arbeidsreserve te creëren die zou concurreren met de vrije arbeiders op de plantages die hogere lonen konden bedingen. Maar om twee redenen mislukte dat beleid. De eerste was dat steeds meer voormalige slaven, die als loonarbeider op de plantages waren blijven werken, wegtrokken naar de balata- en goudwinning en de houtkap. Daardoor nam de gewenste concurrentie af. Rosemarijn Hoefte laat in haar proefschrift op overzichtelijke wijze zien dat in 1862 90% van de plantagearbeiders van Creoolse afkomst was, een proportie die in 1910 was gedaald tot 10%. De tweede reden was de sluiting van een toenemend aantal plantages. Als gevolg daarvan nam het aantal arbeidsplaatsen op de plantages af en oefenden vrije loonarbeiders door de afnemende concurrentie nauwelijks een neerwaartse druk op het loonpeil uit. De poging om een arbeidsreserve te creëren was mislukt. Omdat steeds meer plantages sloten en de arbeids- en loonpolitiek nagenoeg was mislukt, verlegde de overheid haar doelstelling naar het vergroten van de binnenlandse markt. Daartoe bood zij de immigranten de mogelijkheid zich als boer te vestigen. Eerdere pogingen om de vrijgemaakte slaven te bewegen tot een bestaan als boer – met premies in het vooruitzicht van wel 500 gulden wanneer zij de grond naar tevredenheid hadden bebouwd – liepen op niets uit. Ook de Brits-Indiërs (ik beperk me tot hen omdat zij de kleinlandbouw vorm zullen geven) werden verleid zich als boer te vestigen. Zij hadden contractueel recht op 100 gulden na afloop van het arbeidscontract en nog eens 100 gulden wanneer zij afzagen van de terugreis. Wat betreftandere regelingen, zoals vrijstelling van belastingen en de verwerving van het eigendomsrecht, was de bestaande wetgeving, zoals bedoeld voor de vrijverklaarde slaven, van toepassing. Dit kolonisatiebeleid was een succes. Een kleine twee derde van de immigranten vestigde zich als boer in Suriname. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de invoer praktisch stil kwam te liggen, nam de binnenlandse productie van voedsel een hoge vlucht. In de periode 191423
1919 verdubbelde de rijstproductie en het waren vooral de Brits-Indiërs die deze productie realiseerden. Tabel 2.1: Productie van kleine boeren, 1900-1919, in mln. kg Producten
Gemiddelden
Procentuele toename
1910-1914
1915-1919
Mais
4.7
7.9
68
Bananen
1.7
2.6
53
Aardvruchten
5.8
15.3
164
Rijst
12.1
36.7
203
Cacao
1.8
2.4
33
Bron: Heilbron 1982: 279
Sindsdien hebben zij een leidende positie in de rijstbouw weten te behouden. De omstandigheden waren echter niet bijzonder gunstig: de fysieke infrastructuur (met name de afwatering) liet veel te wensen over, de rijstvariëteiten waren oud (onder andere tot uiting komend in verkleuring en breuk van rijstkorrels), plagen van ratten en andere dieren tastten de productie aan, het transport kostte veel inspanning, de kennis van de rijstteelt schoot soms tekort en de investeringen waren onvoldoende. Weliswaar had de overheid rond de eeuwwisseling naar de twintigste eeuw boerenleenbanken opgezet (ook om de hoge rentes van woekeraars tegen te gaan), maar van die mogelijkheid werd weinig gebruikgemaakt. Ken merkend voor de kleine landbouwer was niet alleen de specialisatie in rijst en een langzame groei van de productie, maar ook een beklemmende armoede. En alternatieve bestaansmiddelen waren er nauwelijks. In 1933 werd Johannes Kielstra benoemd tot gouverneur van Suriname. Kielstra was hoogleraar koloniale staatshuishoudkunde (wat later ontwikkelingseconomie is gaan heten) aan de Universiteit van Utrecht en tevens als hoogleraar verbonden aan de Landbouwhogeschool Wageningen, de huidige Wageningen University & Research. Over zijn gouverneurschap is veel te zeggen, maar ik beperk me tot agrarische kwesties die hij vooral in Indonesië had bestudeerd. Kielstra bevorderde het gebruik van trekdieren, de overdracht van kennis via proefvelden, het gebruik van nieuwe rijstvariëteiten en de verbetering van de infrastructuur. Dit waren de eerste stappen naar mechanisatie van de rijstbouw in Suriname. Vooral in het district Nickerie kwam een categorie rijstboeren op die grotere 24
en vruchtbaardere stukken grond bezat, grotere gezinnen had, in goede gezondheid verkeerde, nieuwe rijstvariëteiten adopteerde en als eerste moderne middelen als tractoren zou gebruiken (uitgebreider in mijn Miskend Verleden, 2020). Al in de jaren twintig, maar vooral in de jaren dertig kwamen stemmen op om Hollandse boeren voor de moderne landbouw en veeteelt te laten immigreren. Het plan ging om diverse redenen niet door, maar in het verlengde hiervan werd steeds vaker gewezen op de noodzaak om technologisch te innoveren. Een van de pioniers op dit terrein was de Nederlandse ingenieur H.M. van Dijk, die in Nickerie experimenteerde met de mechanisatie en daar in 1941 een rapport over uitbracht. Van Dijk was stellig: de mechanisatie was hard nodig om de productie kwalitatief en kwantitatief op peil te brengen, maar, zo benadrukte hij, de kleine boer zou deze modernisering niet overleven. Daarvoor bezat hij onvoldoende land, kapitaal en kennis. Maar een agrarische transitie was ook bij de moderne rijstboeren nog ver te zoeken. Iets dat daarop leek, ontstond na de Tweede Wereldoorlog met de oprichting van de Stichting Machinale Landbouw (SML), opgezet als een rijst exportbedrijf voor de Europese markt, ondersteund door een researchcentrum dat was ondergebracht in de Prins Bernhardpolder. De kennis voortgebracht door het researchcentrum diende ook ten goede te komen aan boeren in de omgeving, maar waarom die distributie beperkt was tot Nickerie is onduidelijk. Feit blijft dat Nickerie zich ontwikkelde tot de rijstschuur van Suriname: waar het district volgens de Wageningse econoom Sital (2002) in 1960 49% van de rijstproductie leverde, was dat in 1980 toegenomen tot ca. 92%. De kleine rijstboeren in de andere districten werden gemarginaliseerd en zij en hun nazaten trokken vooral tijdens en na de Tweede Wereldoorlog naar de stad.
Wel of geen transitie? Was er in Suriname wel of geen agrarische transitie? Ik loop de belangrijkste elementen langs en baseer me deels op de gegevens in tabel 2.2. – De innovatie in de Surinaamse landbouw begon geleidelijk tijdens Kielstra maar heeft voornamelijk na de Tweede Wereldoorlog door Wageningen plaatsgevonden, niet door concurrerende agrarische ondernemers. Hier zien we iets waar steeds meer auteurs op wijzen, namelijk dat investeringen en innovatie in de landbouw voornamelijk door multinationale onder nemingen worden gerealiseerd. 25
Tabel 2.2: Economische indicatoren 1957-1980, in mln. USD, tenzij anders vermeld 1960
1965
1970
1975
1980
100
150
270
470
800
542,4
666,9
835,7
1799,7
2479,8
Annual average inflation in %
2,6
2,3
1,8
7,5
13,2
Imports
52,5
88,0
109,5
266,4
506,6
Exports
46,8
59,0
142,1
279,8
518,8
GDP GNI per capita
Bauxite
35,5
46,9
123,5
213,7
426,7
Rice
1,4
2,3
2,8
18,8
42,5
Balance of capital account
3,5
5,6
12,8
180,5
74,4
Importdekking in maanden
3,7
3,5
4,1
3,9
3,9
Bron: Centrale Bank van Suriname, statistical_compendium.pdf (cbvs.sr) GDP-cijfers (eerste rij) zijn verkregen van: Suriname GDP 1960-2024, MacroTrends. Opmerking: vanaf 1965 omvat ‘bauxite’ aluinaarde en aluminium.
– In Caraïbische economieën blijkt de bevolking een voorkeur te hebben voor buitenlandse consumptiegoederen, een verschijnsel waarop William Demas al in 1965 wees. De verwachting dat de voedselprijzen, met name van rijst, door innovatie lager zouden worden, is waarschijnlijk wel uitgekomen, maar vanwege de voorkeur voor buitenlandse voedingsmiddelen zijn de loonkosten waarschijnlijk eerder gestegen dan gedaald. – Een eventuele neerwaartse druk op het loonpeil is daardoor tenietgedaan door de hogere importprijzen. In Suriname was dat betaalbaar, gezien het nominale inkomen per capita in de periode 1960-1980 meer dan verdrievoudigde. – De landbouw heeft inderdaad arbeid ‘geleverd’ aan de stad, maar aangezien een industrialisatie is uitgebleven, is die bevolking in de overheidssector tewerkgesteld. Op die manier stabiliseert dit segment de binnenlandse koopkrachtige vraag, maar heeft het verder geen economische functie. – De binnenlandse markt is klein, een industrie die input levert aan de landbouw ontbreekt en haast alle multipliereffecten van uitgaven in en voor de landbouw verdwijnen via importen naar het buitenland. 26
– De bijdrage van de landbouw aan de deviezenreserve is gering. De waarde van de landbouwexport is nooit boven de 8% uitgekomen, hetgeen te begrijpen is door het overwicht van het bauxiet en later het goud in het exportpakket. Deviezen werden ook verkregen door de ontwikkelingshulp. De landbouw in Suriname heeft dus in de naoorlogse periode weinig geboden in termen van werkgelegenheid, inkomsten en deviezen en andere prikkels tot industrialisatie. Toch is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in heel het Caraïbisch gebied getracht te industrialiseren op basis van een aan de agrarische transitie verwante theorie. Deze industrialisatietheorie is betoogd door de BritsJamaicaanse Nobelprijswinnaar Arthur Lewis (1954). Hij veronderstelde een aanbod van een ‘unlimited supply of labourers’ (de aanvoer uit de landbouw) die op subsistentieniveau leefde en de industrialisatie een boost zou geven. Dit beleid is praktisch overal in het Caraïbisch gebied mislukt, vooral omdat buitenlandse investeerders het lieten afweten, de binnenlandse markten klein zijn en de voorkeur uitging naar geïmporteerde consumptiegoederen. De dominantie van rijst in het agrarisch exportpakket werd al vroeg erkend en om die eenzijdigheid te doorbreken experimenteerden ondernemers al voor de Tweede Wereldoorlog met onder andere bacoven, citrus en peulvruchten. Die experimenten liepen op niets uit, vooral omdat de producten niet lang geconserveerd konden blijven en de verzekeringskosten tijdens het transport naar buitenlandse bestemmingen vrij hoog waren. Wat minder aandacht kreeg, maar belangrijk was voor de voedselvoorziening, was de tuinbouw. Die was geconcentreerd rondom de hoofdstad en leverde niet alleen groente en fruit, maar ook vlees, melk en eieren. Het voedselpakket werd ook uitgebreid met vis, zowel met zwamp-, rivier- als zeevis. De levering vond plaats via de open markten en door venters die hun producten huis-aan-huis aan de man brachten. Een vraag die opkomt betreft de teloorgang van het rijstbedrijf Wageningen. Hoe komt het dat het technologische centrum van de rijstproductie in Suriname van de aardbodem is verdwenen? Om deze vraag te beantwoorden is diepgaand onderzoek nodig, maar auteurs als Ramadhin en Rest menen dat het bedrijf om raciale redenen de nek is omgedraaid door Creoolse politici. Zij wijzen erop dat de marktprijzen van rijst door minister Eddie Bruma, destijds van Economische Zaken, met opzet laag zijn gehouden om de voornamelijk Creoolse bevolking in Paramaribo van goedkope rijst te voorzien.
27
Deze verklaring veronderstelt ten onrechte dat de bulk van de rijst op de binnenlandse markt werd afgezet. Op de binnenlandse markt werd de rijst van lagere kwaliteit, volgens ingewijden voornamelijk breukrijst, verkocht. Dat was een gering deel van de totale productie. Het leeuwendeel van de Wageningse productie was bestemd voor de Europese markt waar Suriname preferentiële rechten genoot. En het feit dat preferentiële rechten nodig waren om de rijst op de wereldmarkt overeind te houden, doet vermoeden dat Suriname niet opgewassen was tegen de concurrentie met opkomende Aziatische landen (India, Thailand en Filipijnen) waar een groene revolutie ontstond. Anders gezegd, Wageningen was niet competitief genoeg om zich staande te houden op de wereldmarkt. Haar focus was van meet af aan te zeer gericht op technologische innovatie en onvoldoende op de economische concurrentie op de wereldmarkt van rijst. Die technologische innovatie heeft wel geleid tot de opkomst van enkele hooggemechaniseerde rijstbedrijven die voornamelijk voor de export produceren. In een zeer lezenswaardig boek How Suriname Came to its Own Green Revolution beschrijft Sital hoe deze transformatie zich heeft voltrokken. Dat was mogelijk door technologie, de gezinsgrootte, de kennis en het kapitaal (grond en investeringen) dat de (grote) rijstboeren ter beschikking hadden. Samenvattend: alle effecten die de theorie over agrarische transitie voorspelde zijn, in elk geval voor Suriname, nauwelijks bewaarheid.
Welke lessen zijn er te trekken uit deze ervaring? Ik bespreek er drie. Les 1: Na 1990 zijn er in de rijstsector enkele hooggemechaniseerde rijstbedrijven ontstaan. Maar zij produceren voornamelijk voor de buitenlandse markt, waardoor eventuele transitie-effecten zoals lagere voedselprijzen aan het buiten land toevallen. Ook de bestedingen van deze bedrijven lekken via de importen weg en hebben geen effect op de economische activiteiten in Suriname. Daardoor blijven binnenlandse multipliereffecten uit. Door de kleine schaal van de agrarische sector en de import van veruit de meeste consumptiegoederen is de landbouw nauwelijks een binnenlandse markt voor een eventueel opkomende industrie. Les 2: Ondanks de modernisering van de rijstsector zijn de voedselprijzen in Suriname gestegen. Dat is volgens mij ook in reële termen het geval, al moet dat nog preciezer worden uitgezocht. Maar ook de reële lonen zijn waarschijnlijk toegenomen. Wat wel conform de theorie heeft plaatsgevonden, is de overheveling 28
van arbeid van de agrarische sector naar de stad. Dat was overigens niet het effect van een marktwerking – de bevolking is niet naar de stad getrokken omdat de werkgelegenheid daar expandeerde of omdat de loonhoogte aantrekkelijk was, maar omdat zij door politieke partijen ‘geregeld’ kon worden in de overheidssector. Les 3: Investeringen door particulieren vereisen een redelijke winstmarge en niet alleen in de rijstbouw. Bedrijven in de landbouw helpen elkaar, ze zijn soms concurrenten en soms partners. Maar de vereiste winstmarge is voor grote aantallen agrarische ondernemers lastig te realiseren: de importcontent is vrij hoog waardoor de ruimte voor binnenlandse toegevoegde waarde gering is, de productie vereist een hoge kapitaalintensiteit, en de werkgelegenheidseffecten zijn nauwelijks waarneembaar. Ook hieruit volgt dat de landbouw in Suriname voor enkele ondernemers profijtelijk kan zijn, maar als sector in de economie niet de functie vervult die het in grote landen als Duitsland, Rusland, de VS en India heeft vervuld. De algemene conclusie dat de landbouw geen belangrijke rol te spelen heeft in de economische ontwikkeling, zoals de theorie voorspelt, kan worden weerlegd met verwijzing naar enkele hightechbedrijven in de tuin- en landbouw. Maar dat argument gaat voorbij aan de kern van dit essay, waarin de functie van de landbouw is afgelezen aan de uitstoot van arbeid, de levering van goedkope voedingsmiddelen, de bijdrage aan de overheidsinkomsten en de deviezenreserve. Macro-economisch bezien is de bijdrage van de hightechbedrijven, zoals de hooggemechaniseerde rijstbedrijven, op deze punten gering te noemen. Zij vormen op zijn best een niche en moeten hun surplus aan producten in het buitenland afzetten. Ik bedoel geenszins te zeggen dat individuele ondernemingen niet succesvol kunnen zijn, maar transitie-effecten die de economische ontwikkeling aanzwengelen zijn niet te verwachten. Gelet op deze lessen is de conclusie hard: de Surinaamse landbouw biedt als sector weinig toekomst voor de economische ontwikkeling. Daarom geeft het te denken dat sommige ondernemers en economen menen dat de landbouw veel meer aandacht behoeft. In mijn optiek zou Suriname zich niet meer op oude sectoren moeten richten, maar op nieuwe. We kunnen met de kleine en sterk stedelijk georiënteerde bevolking proberen een niche te worden in de Caraïbische regio, bijvoorbeeld op het gebied van ICT, medische specialisaties, financiële dienstverlening, hoger onderwijs, maar ook visserij en verwerking 29
daarvan of specifieke land- en tuinbouwproducten. Met een paar niches zijn we minder afhankelijk van de grondstoffenexport en krijgt de economie meer veerkracht. Dat klinkt simpel, maar de ontwikkeling van elke niche vereist een sectortransformatie en eigen randvoorwaarden. In alle gevallen zal het hoger onderwijs een substantiële upgrading moeten ondergaan om regionaal concurrerend te worden door adequaat geschoold kader aan te leveren voor de ontwikkeling van het land. De toekomst hou je niet tegen, maar je kunt er misschien wat van maken.
30