Skip to main content

Genezen in de tropen

Page 1


Genezen in de tropen

Genezen in de tropen

vier eeuwen volksgezondheid

op Curaçao

Genezen in de tropen

Vier eeuwen volksgezondheid op Curaçao

LM Publishers

www.lmpublishers.nl info@lmpublishers.nl

© 2026 – LM Publishers

Tekst Jeannette van Ditzhuijzen

Vormgeving Ad van Helmond

Foto omslag Michel van Veldhoven

Foto auteur Lenneke Lingmont

Druk Wilco

ISBN 9789460229329

NUR 695

Mijn onderzoek op Curaçao en in Nederland is mogelijk gemaakt dankzij de zeer gewaardeerde steun van de volgende instanties:

Pieter van Foreest Stichting • Mongui Maduro Bibliotheek • Vertegenwoordiging van Nederland in Willemstad • Algemeen Pensioenfonds van Curaçao • Maduro & Curiel’s Bank • Corendon Curaçao • Stichting Historia Medicinae • NASKHO • Curaçaose Huisartsenvereniging • TUI Curaçao • Centrale Bank Curaçao & Sint Maarten • Sociale Verzekeringsbank • Vereniging Medisch Specialisten Curaçao • Landsloterij Curaçao • BZSE Law

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave

Voorwoord 7

Deel i – Vanaf de verovering van het eiland in 1634 tot de oprichting van de Openbare Gezondheidsdienst in 1916

I-1 Bebloed tandvlees en roode loop: de zorg voor slaven en manschappen

13

I-2 Kakkerlakken, kruiden en kwakzalvers: geneeskunde van het eerste uur 27

I-3 IJlhoofdigheid en zinkingen: gezondheidszorg in de eerste drie eeuwen

41

I-4 Kwaadaardige koortsen onder de inboorlingen –De angst voor ziekten en epidemieën 57

I-5 Bevallingen, artsenijbereidkunde en tandartsenij in voorbije eeuwen 76

I-6 ‘Nooddruftige lyders’: zorg voor de armen van Curaçao 91

I-7 ‘Ruime en luchtige zalen’: van een Militair Hospitaal tot een kliniek voor geslachtsziekten

Noten deel 1

Deel ii – De 20e en 21e eeuw: veel plannen, weinig uitvoering

II-1 Moeizaam gezondheidsbeleid in een kleinschalige gemeenschap

II-2 Een eeuw raffinaderij: zegen of vloek?

II-3 ‘Laksheid der bevolking’ en de pp-kaart

II-4 De stank van de krottenwijken: armoede en gezondheid op Curaçao

II-5 Lege straten en ‘blote-voetenvoorlichters’ –Medische crises en pandemieën

II-6 Van gouvernementsgeneesheer naar gespecialiseerde huisarts

II-7 Coschappen op een tropisch eiland – De rol van de NASKHO in de Curaçaose gezondheidszorg

II-8 Medisch specialisten: van vrije vogels naar dienstverband

II-9 Van thuisverzorging tot ziekenhuisopname

II-10 Het belang van onafhankelijkheid

II-11 Preventie, het stiefkind van de zorg

II-12 De toekomst van de Curaçaose volksgezondheid

Voorwoord

“Ik ben neerlandica en vind ‘tot slaaf gemaakt’ een tautologie.

In ‘slaaf’ zit alles al: dat je als mens ontmenselijkt werd, tot object werd gemaakt. Bovendien is het een slechte vertaling van het Amerikaanse enslaved.”

(Cynthia McLeod, Surinaamse schrijfster met specialiteit slavernijverleden, De Volkskrant, 21 december 2021)

Dit is een journalistiek boek. Dat wil zeggen dat ik het onderwerp ‘Vier eeuwen volksgezondheid op Curaçao’ heb benaderd alsof het een artikel voor een dagblad is. Ik heb me dus uitgebreid ingelezen, ik heb er oude kranten en diverse rapporten op nageslagen en ik heb met veel mensen gesproken die kennis van zaken hebben op dit gebied. Ik pretendeer dus niet een wetenschappelijk werk te hebben geschreven. Lezers die meer willen weten over bepaalde onderwerpen kunnen via de voetnoten mijn bronnen raadplegen, dus in die zin heeft dit boek wel wetenschappelijke pretenties.

Vanwege de leesbaarheid en de enorme hoeveelheid informatie over een slordige vier eeuwen volksgezondheid besloot ik al snel het boek op te delen. Deel I is historisch en beslaat de periode vanaf de verovering van Curaçao in 1634 tot aan de oprichting van de Openbare Gezondheidsdienst in 1916. In dat jaar wordt ook de Curaçaose Petroleum Maatschappij (CPM) opgericht, die na de bouw van de raffinaderij met een eigen medische dienst een belangrijke rol speelt in de Curaçaose gezondheidszorg.

Deel II, vanaf 1916 tot heden, volgt nog steeds de historie, maar nu beknopter, gezien de overvloed aan ontwikkelingen in de laatste eeuw. Ontwikkelingen die ik kritisch wilde volgen. Wat is er daadwerkelijk gebeurd om de medische zorg voor de bevolking te verbeteren? Waarom is dit niet altijd gelukt? Wat zou er dan wel moeten gebeuren?

De geschreven bronnen waren niet altijd voldoende of niet aanwezig en dus waren de gesprekken met mensen uit het veld van fundamenteel belang. Zij hielpen mij met informatie over de gang van zaken in een ziekenhuis, bij de huisarts of de specialist, over het belang van een Raad voor de Volksgezondheid of een Tuchtcollege.

Krap vier eeuwen medische informatie betekende wel dat ik mij moest beperken. Sommige onderwerpen uit de medische wereld zijn daardoor noodgedwongen blijven liggen. Denk hierbij aan fysiotherapie, consultatiebureaus, kruisverenigingen enzovoort. Ik vind het jammer dat ik daaraan geen aandacht kon schenken, maar ik moest een grens stellen.

Uiteindelijk gaat het ook niet om specialisten of vroedvrouwen, om huisartsen of fysiotherapeuten, maar om de organisatie van de zorg op Curaçao. Als die goed is geregeld met duidelijke kaders en voorwaarden, dan maakt het niet meer uit over welke beroepsgroep we praten. Dan staat de patiënt voorop, zoals het hoort.

Dank aan alle mensen die mij hebben bijgestaan bij de totstandkoming van dit boek. In het bijzonder de kritische meelezers Joe Alcalá, Marjan Brouwers, Ashley Duits, Izzy Gerstenbluth, Frans de Graaff, Carel de Haseth, Homan Jeung, Selwyn Maduro, Alex Roose, Franke Scheper, Gerbert Spijker en Arnolfo Trapenberg.

Almelo, mei 2026

Jeannette van Ditzhuijzen

Deel I Vanaf de verovering van het eiland in 1634 tot de oprichting van de Openbare Gezondheidsdienst in 1916

In dit pand in Amsterdam vergaderen de bestuurders van de WIC van 1623 tot 1647.

Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

i-1 Bebloed tandvlees en roode loop: de zorg voor slaven en manschappen

“De meester is niet alleen gehouden zyne slaven behoorlijke genees- en heelkundige behandeling te verzekeren, maar tevens zorg te dragen, dat zy in geschikte plaatsen verpleegd worden.” (Publicatieblad no. 2, 1857)

Hollandse zoutvaarders nemen in 1630 het Caribische eiland Sint Maarten in. Het heeft rijke zoutpannen en is met zijn ligging in de Caribische Zee ideaal als maritiem steunpunt voor de West-Indische Compagnie (WIC). Maar twee jaar later raken zij dit eiland alweer kwijt. Niet getreurd: op 31 juli 1634 veroveren de Hollanders onder leiding van Johannes van Walbeeck en Pierre le Grand het veel grotere Curaçao voor de kust van Venezuela. Dat eiland heeft ook zoutpannen en vormt een ideale maritieme uitvalsbasis.

Het begint met de slavenhandel

In 1635 beginnen de Hollanders met de bouw van Fort Amsterdam. Daar zorgt de chirurgijn-majoor, de hoogste chirurgijn in rang, voor de zieken en voor het verstrekken van medicijnen. Wanneer Curaçao rond de jaren zestig van de zeventiende eeuw uitgroeit tot het centrum van de Caribische slavenhandel1 , wordt de ziekenzorg pas echt belangrijk. De slavenhandel markeert daarmee het begin van de Curaçaose gezondheidszorg die in de eerste plaats om de zorg voor de slaven gaat. Zij vertegenwoordigen immers een kapitaal en moeten dus in goede conditie zijn voor ze kunnen werken of doorverkocht worden.

Waarschijnlijk bouwt men ten zuiden van het fort rond 1675 een sieckenhuys annex apotheek, meesterwinkel genoemd.2 Ten oosten van dit ziekenhuis liggen een pockhuys en een sweethuys voor de slaven Uit een brief van de Kamer van Amsterdam uit 1697 blijkt dat er dan 22 slaven in het ziekenhuis werken. Sommigen worden er opgeleid tot onderchirurgijn. Tussen 1700 en 1729 werken ‘achter het fort’ één tot vier compagnieslaven als (leerling)chirurgijn.3 Aan de Overzijde zou in 1698 ook een ‘Pockhuys’ hebben gestaan.4

Uit een verslag uit 1713 blijkt dat D’Heeren van de Admiraliteyd na de slag bij Malpais, gelegen ten westen van de stad, diverse bedragen moeten betalen aan de Sirurgyns van ‘t gasthuys. In het sieckenhuys worden dan enkele Fransen behandeld voor onder meer messteken aan de hand, wonden aan de schouder en verbrande benen. Ook zieke of gewonde slaven en matrozen krijgen medische behandeling. Aan de compagniedokter Sigismund Druschke is meesterloon verschuldigd voor het behandelen van een schot door de knie.5

Weetje: Een pockhuys is bestemd voor slaven die besmet zijn met de Spaanse pokken, zoals syfilis in het moederland (Nederland) wordt genoemd.6 Het zweethuis is een algemeen ziekenhuis waar met zweetuitdrijvende middelen wordt gewerkt.

Bakker als ziekenzorger

Van Walbeeck heeft bij de verovering van Curaçao in 1634 ongetwijfeld een scheepschirurgijn aan boord gehad, maar zijn naam is niet bekend. Er is tijdens de invasie van Curaçao al wel vrij snel medische hulp nodig. Bijvoorbeeld wanneer een indiaanse bediende van de Spaanse bestuurder Lope Lopez de Morla gewond raakt. De Morla vlucht en laat zijn bediende voor dood op het slagveld liggen, waarna een Hollandse barbier – in feite de voorloper van de chirurgijn – hem verzorgt.7

Acht jaar na de verovering van het eiland, in 1642, vraagt Curaçao aan de WIC om 1 goet barbier met 2 knechts ende medicamenten voor de negres. 8 Twee jaar later klaagt directeur Peter Stuyvesant dat ‘t geheele lant quaelick door eenen barbier can voorsien worden. Hij deelt de Heeren XIX van de WIC mee dat een tweede chirurgijn absoluut nodig is vanwege de vele gewonden en zieken die in de coy liggen. Op aanbeveling van de enige barbier op het eiland heeft hij daarom Joan Piers van Behtouw als tweede barbier aangesteld. Ook om de manschappen te vergezellen die met slaven naar de veel rijkere zoutpannen van Bonaire worden gestuurd.9

In 1655 tobt men nog steeds met een tekort aan chirurgijns. Rond Kerstmis schrijft vicedirecteur Matthias Beck dat met smart gewacht wordt op medicijnen en een goede barbier-chirurgijn. Er is dan niemand op het eiland om zich om de zieken te bekommeren. Commissaris Nicolas Blanche, na een drie maanden durend ziekbed overleden, heeft bij gebrek aan een chirurgijn ziekenzorg gekregen van Hans Fredericks – bakker van beroep!10

op de rede van Vlissingen, begin 18e eeuw. Bron: Zeeuws Maritiem Muzeeum

Slavenschepen

De medische zorg begint in feite al op de schepen die de slaven van Afrika naar Curaçao brengen. Zoals bekend worden de slaven – vaak al verzwakt door een barre tocht naar de Afrikaanse kust – dicht op elkaar en onder ellendige omstandigheden vervoerd. Er is op de schepen wel altijd een chirurgijn aanwezig, een eis van de WIC. Deze chirurgijn-barbier zorgt niet alleen voor de bemanning, het is ook zijn verantwoordelijkheid om de kostbare ‘vracht’, de slaven, zo gezond en fit mogelijk op hun bestemming te laten aankomen.

Al in 1680 vaardigt de WIC de Instructie voor de schippers in den dienst van de Geoctroyeerde West­Indische Compagnie op den Slaef­handel varende uit. Hierin staan regels voor hygiëne aan boord en voor het bevorderen van de gezondheid van de slaven. Zo moeten de schippers de slaven dagelijks aan dek laten komen zodat hun ruimte onder het dek geschrobd en geboend kan worden en met hete azijn besprenkeld. Voor het verdrijven van den vuylen lucht zijn diverse middelen beschikbaar, zoals het uitroken met wierook en jeneverbessen.11

De scheepschirurgijns moeten hun eigen medicijnkist betalen en meenemen. Ze fungeren tevens als apotheker en verstrekken aan boord de medicijnen. Dat gebeurt pas als het schip buitengaats is. Dan wordt de medicijnkist geopend en verzamelt men de zieken. Zo’n kist is rijkelijk voorzien van onder meer braak- en purgeermiddelen, pijnstillers, pleisters, diverse poeders en pillen, lancetten, vijzels en spatels. Het zijn deze scheepschirurgijns van de WIC die met hun medicijnkisten Curaçao bekend maken met de West-Europese geneeskunde en farmacie.12

Slavenhaler

Scheepschirurgijns zijn weliswaar lager opgeleid dan geneesheren (zie I-2) en niet op de hoogte van tropische ziekten zoals gele koorts, ze zijn wel praktisch opgeleid. Onderweg van Afrika naar het Caribisch gebied is scheurbuik de voornaamste doodsoorzaak, maar ook dysenterie en vlektyfus, veroorzaakt door een bacterie die overgedragen kan worden door vlooien en luizen, eisen veel slachtoffers.

Weetje: Zieke bemanningsleden worden aan boord gratis behandeld. Dat geldt niet voor letsels of ziekten ‘van Mars of Venus’. Letsels van Mars zijn verwondingen als gevolg van onderlinge vechtpartijen. Met aandoeningen van Venus duidt men geslachtsziekten aan. Eigen schuld en dus ook maar zelf de kosten ervan dragen.13

Ziektebeelden en medicijnen

De Friese chirurgijn Petrus Couperus vaart midden achttiende eeuw vanuit Zeeland via West-Afrika met een slavenschip mee naar Berbice (in NederlandsGuyana) en beschrijft in zijn journaal de ziektebeelden en de door hem verstrekte medicijnen. Bij braken en koorts schrijft hij fometijf voor, een poeder van braakwortel. Of hij kookt een drankje van phitisana, gerstenat. Ook een laxeermiddel als sennablad zit in zijn medicijnkist.

Aan de scheepstimmerman die braakachtig is en ook nog eens koorts krijgt, dient Couperus een purgeermiddel toe. Hij heeft last van waterzugt, een oedeem, dat aan ‘t schrotum doorbreekt. Koorts en ijlhoofdigheid volgen; de timmerman overlijdt binnen enkele dagen, 51 jaar oud. Ook matroos Duijnkerken overleeft zijn ziekte niet. Hij heeft buikloop en krijgt van Couperus ipecacuanha (braakwortel) en een licht laxeermiddel.

Een van de net aangeschafte slaven wil meteen na vertrek uit Afrika al niet eten [...] waarop verval van kragten is gevolgt. Hem getragt hem telkens tot eten te brengen, ’tgeen ook enigsints scheen te gelukken, maar verviel doen aan den afgang of loslijvigheijt

Tijdens de 25 dagen durende reis krijgt Couperus te maken met twintig ziektegevallen onder de 33 bemanningsleden en 28 onder de 319 slaven. Alle 28 zieke slaven overlijden, plus nog eens vijf andere die zijn omgekomen door zelfmoord, verdrinking of een ongelukkige val.

Een vrouslaaf overlijdt volgens Couperus aan melancolij: hij vermoedt dat de Afrikaanse slavenhandelaar haar bij de aankoop haar baby heeft afgenomen. Couperus schrijft dat zij sterk vermagert en dat hij haar een licht laxeermiddel heeft gegeven en soms tinctura antihijsterica en puppa (waarin vermoedelijk cannabis zat). Tevergeefs.

Een andere ongelukkige slaaf is dootlijk mager, geleek eerder een geraamte dan een mensch. Couperus geeft hem geregeld een purgeermiddel en elke ochtend het elixir proprietatis Paracelsi, een alcoholisch aftreksel van saffraan, aloë en mirre dat volgens de middeleeuwse arts Paracelsus tegen onder meer scheurbuik helpt. Desondanks teert de man uit en overlijdt. De vele doden zitten Couperus niet lekker, want hij benadrukt in zijn verslag toch echt zijn best te hebben gedaan en alle middelen te hebben aangewend. Van de bemanning overleven drie hun ziekte niet. Het aantal sterfgevallen onder de slaven is verhoudingsgewijs vrijwel gelijk aan dat onder de bemanning.14

Onderrichtingen voor de slaafhandelaaren

De van geboorte Zwitserse scheepschirurgijn David Gallandat geeft in Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaaren uit 1769 tips over wat men aan boord kan doen om te zorgen dat de slaven de reis overleven. Gallandat werkt in Zeeland en heeft acht jaar ervaring op de slavenschepen van de WIC naar West-Indië.

Gallandat pleit niet voor afschaffing van de slavernij, omdat slaven volgens hem een beter leven krijgen in onze Amerikaansche landen. Hij meent dan

ook dat de handel zonder kwetzinge van ‘t geweten mag doorgaan. Wel pleit hij voor een betere behandeling van de slaven. En omdat het succes van de slavenhandel afhangt van de kunde van de heelmeesters doet hij de chirurgijns enkele aanbevelingen. Die moeten er bij de keuring in Afrika voor zorgen dat ze alleen gezonde slaven meenemen. Het is immers zeer bezwaarlyk om zieke slaven aan boord te genezen. Gallandat geeft nauwkeurige aanwijzingen waar de opperchirurgijn bij het keuren van slaven zoal op moet letten.

Verder krijgen de scheepschirurgijns, maar ook de kapiteins adviezen voor de behandeling van de slaven en de indeling van het schip. Frisse lucht, dagelijks de dekken schrobben en spoelen, verse dan wel goed geconserveerde etenswaren, vers drinkwater meenemen uit Afrika ter voorkoming van diarree en dysenterie, en: de slaven goed behandelen. Volgens Gallandat zijn de slavenopstanden aan boord meestal te wijten aan kwaad gedrag van het scheepsvolk. Ook vindt Gallandat het nodig dat de slaven aan boord de gelegenheid krijgen om te dansen.

Deze lichaamsoefening zou de gezondheid bevorderen.

Gallandat raadt de chirurgijns aan de slaven dagelijks te bezoeken en zich als een vader te gedragen. Indien nodig moeten zij ervoor zorgen dat de slaven tijdelijk van hun boeien worden verlost. En het zou zeker nuttig zijn wanneer zij hun licht opsteken bij de lokale, Afrikaanse natuurgenezers. Gallandat zelf heeft daar goede resultaten gezien.15 Dat de goedbedoelde tips regelmatig in de wind worden geslagen blijkt uit de opstanden aan boord van slavenschepen.16

Weetje: Er zijn opvallend veel Duitse chirurgijns en artsen werkzaam op Curaçao; een gevolg van de uitgebreide handel tussen Holland en enkele Duitse havensteden. Duitse artsen treden in dienst van de WIC die hen naar Curaçao uitzendt. Volgens schoolmeester Van Paddenburgh spreken de kooplieden en de elite nog begin negentiende eeuw niet alleen Spaans, Engels en Frans, maar ook Hoogduits.17 In Otrobanda krijgen de Duitse en Scandinavische Lutheranen eind achttiende eeuw een eigen kerk die in 1804 afbrandt. De Curaçaose gynaecoloog Arnolfo Trapenberg stamt af van de in Westfalen (Duitsland) geboren Hendrik Trappenberg. Hendrik trouwt in 1798 op Curaçao met Johanna Petronella Lingstuyl.

Genoegsame spys en drank Eenmaal aangekomen op Curaçao, blijkt het niet zo eenvoudig om de slaven gezond te houden, omdat er door droogte soms onvoldoende voedsel voor het

hele eiland is. De jaren 1714 tot 1720 zijn extreem droog waardoor vaak op het rantsoen van de slaven wordt beknibbeld. Dat slaven relatief vaak lijden aan waterzucht, diarree en dysenterie, heeft ongetwijfeld te maken met ondervoeding of onvolwaardige voeding.18

Hoe belangrijk de Compagnie de gezondheid van de slaven vindt, blijkt ook uit artikel 12 van de instructie uit 1764 aan W.C. Beeldsnijder, commissaris van de slavenhandel: omdat het de Compagnie grootelijk geleegen is aan de conservatie der slaven op ‘t eyland Curaçao wordt de commissaris geacht de slaven van genoegsame spys en drank te voorzien, zeker ook de zieken. Die moeten behoorlyke verversing van vleesch ontfangen. In deze termen krijgen de directeurs ook in 1682 al duidelijke instructies.19

Het lijkt op papier dus goed geregeld, maar directeur Van Liebergen krijgt kort na zijn aantreden in 1779 een hele serie klachten over zich heen: hij gooit er met de pet naar, verrijkt zichzelf, geeft de slaven niet genoeg te eten en verwaarloost de zieken. Het gerucht gaat zelfs dat enkele compagnieslaven van de honger een dooden neger hebben opgegraven en opgegeten. Van Liebergen zou hun ook vlees van zieke paarden hebben gegeven. Binnen drie jaar treedt hij af.20

De heren Van Grovestins en Boey die eind achttiende eeuw de politieke problemen op Curaçao in kaart brengen, schrijven in hun rapport dat de meesters hun slaven niet altijd voldoende eten verschaffen zoals wettelijk is vastgelegd. Omdat het onderhoud van de slaven een kostbare zaak is, worden in tijden van schaarste […] mondbehoeftes met alle mogelijke spaarzaamheid […] uitgedeeld. Zij concluderen dat slaven door gebrek aan eten van de honger omkomen.21

Kort daarvoor heeft de Zwitser Girod-Chantrans tijdens zijn reizen door ‘Amerikaanse koloniën’ juist vastgesteld dat de Curaçaose slaven betere voeding en kleding krijgen dan de slaven in de Franse en Engelse kolonies. Hij vermoedt dat dit voortkomt uit angst voor weglopen; immers met een enkele kano kunnen de slaven al de vaste kust bereiken.22

Slavendokters

De WIC neemt na het begin van de slavenhandel slavendokters in dienst die, alweer om economische redenen, voor het heil van de slaven zorgen. Zij worden op het eiland namelijk blootgesteld aan Europese ziekten waartegen ze nauwelijks bestand zijn. Ook de overheidsdienaren en het garnizoen vallen onder de ‘praktijk’ van deze artsen. Dat is wel nodig, want de Europeanen kunnen niet

goed tegen het klimaat. Ze dragen voor de tropen ongeschikte kleding of eten per ongeluk van de uiterst giftige manzaliña, een giftig appeltje.

De WIC neemt voor de verzorging van de slaven geen genoegen met chirurgijns. Er worden hoger opgeleide medicinae doctores aangetrokken. De voor zover bekend allereerste slavendokters zijn Dionysius van der Sterre en Gualterus Schagen. Zij kwamen in het laatste kwart van de zeventiende eeuw in dienst van de WIC.23

Overigens kunnen de compagnieartsen zo nodig ondersteuning krijgen van chirurgijns van de aan de kade liggende stationsschepen. Begin achttiende eeuw hebben ook Fort Beekenburg aan de Caracasbaai en de compagnieplantage Hato een eigen chirurgijn.

Met de in 1748 benoemde Duitse arts Carl Doerffel, die zichzelf ‘genees- en heelmeester van het hospitaal’ noemt, lijkt volgens de auteur Fons Rutten het tijdperk van de slavendokters definitief afgesloten. Vanaf dat moment is de geneesen heelmeester van ’s Lands Hospitaal beschikbaar voor de gehele bevolking van Curaçao, dus ook de burgers.24

Weetje: Het is opvallend dat een arts als Van der Sterre op het kleine Curaçao werkte. Hij produceerde diverse medisch wetenschappelijke publicaties, zoals in 1687 Voorstelling der noodzakelijkheid der keizerlijke snede en in datzelfde jaar Verhandeling der genees- en heel-konstige praktyk der medicynen. In 1690 wordt hij zelfs lid van Leopoldina, opgericht in 1652. Dit is het oudste, continu bestaande wetenschappelijke genootschap en heet tegenwoordig de Nationale Academie voor Wetenschappen Leopoldina.

Zieke slaven

Zieke stadsslaven krijgen de nodige verzorging in het huis van hun eigenaar. Op de plantage worden zieke slaven vaak in een eigen hospitaaltje verzorgd. Volgens Rutten zijn er alleen al voor de slavenziekenhuisjes zo veel geneesheren nodig, dat men toestaat dat onbevoegden de verzorging van de zieken op zich nemen. Vaak zijn dat huisslavinnen. In 1798 zou op de plantage Koraal Tabak een slaaf zelfs als chirurgijn zijn aangesteld.25

Tweede luitenant H.M. Van der Goes schetst in zijn dagboek een beeld van een plantageziekenhuisje na zijn bezoek aan plantage Mount Pleasant (Malpais) eind oktober 1825. Hij schrijft dat de zieken er zeer menselijk behandeld worden.

Landhuis Mount Pleasant. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De eigenaresse, Adriana Duyckinck, vertelt hem dat een kraamvrouw vers vlees krijgt en zes weken verlof heeft. Dit is ongetwijfeld in het belang van de plantagehouder, want elk geboren slavenkind betekent een extra slaaf. Verder zou de bomba, de slavenopzichter, dagelijks om 12 uur bekijken of er zieke slaven zijn. Deze worden naar het ziekenhuisje op de plantage gebracht waar de dokter, meestal een slaaf, hen behandelt . 26

In de Publicaties nummers 56 resp. 78 van 1822 en 1824 krijgen slaveneigenaren aanwijzingen voor de verpleging en verzorging van hun zieke slaven. Verder zijn er aanwijzingen over het te verstrekken voedsel en zijn de eigenaren verplicht hun slaven van kleding te voorzien. Ook de werktijden zijn vastgelegd: van zonsopgang tot 12 uur en van 14 uur tot zonsondergang.

In Publicatie nummer 2 van 1857 is dit allemaal iets scherper geformuleerd: De meester is niet alleen gehouden zyne slaven behoorlijke genees­ en heelkundige behandeling te verzekeren, maar tevens zorg te dragen, dat zy in geschikte plaatsen verpleegd worden, met afscheiding van kunnen (geslacht).

Mocht de verzorging van een slaaf te wensen overlaten, dan kan het gezag deze - op kosten van de eigenaar - naar het hospitaal, gasthuis of een andere geschikte plaats laten overbrengen. Zo’n gasthuis voor de armen waar slaven op kosten van hun meesters kunnen worden opgenomen, bestaat sinds 1855. Bij overlijden moeten de eigenaren ook de kosten van de begrafenis op zich nemen.

Dat de overheid zich zelf niet aan de aanwijzingen voor een goede geneeskundige verzorging van de slaven houdt, blijkt onder meer op Bonaire. Daar komen de

slaven in 1765 in opstand omdat het gezag hun medische verzorging saboteert. Verder moeten ze langer werken dan de genoemde uren en krijgen ze bedorven maïs te eten waardoor veel slaven ziek worden.

Weetje: Bonaire krijgt pas aan het einde van de achttiende eeuw een klein slavenhospitaal met Johan Strack als landschirurgijn. In 1840 begint men in Kralendijk met de bouw van een stenen slavenhospitaal.27

Zeeliedenhospitaal

Zieke bemanningsleden vallen onder de dienstdoende scheepschirurgijn, maar die krijgt zo nodig ongetwijfeld hulp van de compagniearts. De scheepschirurgijns kunnen ook gebruik maken van het ziekenhuisje bij het fort. In 1675 hebben de Staten Generaal vastgelegd dat gequetsten [in dienst van de WIC] met goede middelen van chirurgijns sullen gecureert worden naar behoren. En wie een of meer ledematen moet missen of verlamd raakt, kan rekenen op een financiële vergoeding.28 Pas onder het bestuur van directeur Jan Du Fay (1721-1731) krijgt het eiland na veel geharrewar een zeeliedenhospitaal. Ook hier speelt de handelsgeest een rol. Kaapvaarders en zeerovers berokkenen de handel veel schade en daar moet tegen worden opgetreden. De Kamer van Amsterdam geeft Du Fay opdracht om ter beveiliging van de handel in de zeeën rond het eiland alle gespuis, dat dezelve troubleert […] uit te roeien. Het bericht bereikt de directeur kort nadat de beruchte zeepiraat Balthazar Carion drie Curaçaose schepen in een hardnekkig gevecht heeft overmeesterd. Een van de schepen is zelfs in de lucht gevlogen.

Daarop roept Du Fay begin 1727 de bevolking op om op het gouvernementshuis over een oplossing te praten. Vanuit de gedachte dat Curaçaose schepelingen beter gemotiveerd zijn om tegen kaapvaarders en zeerovers op te treden als zij bij eventuele verwondingen goed verpleegd worden, stelt hij de instelling van een hospitaal voor gewonde zeelieden voor. Curaçao zou namelijk vrijwel niets doen aan de verzorging en genezing van zeelieden.

Sommige zakenlieden menen dat deze oplossing vooral in het belang is van de Joden, zij beheersen immers vrijwel de gehele handel en scheepvaart. Het komt zelfs tot een handgemeen en de directeur moet tussenbeide komen. Desondanks komt het hospitaal er en de maatregel heeft succes. De piratenschepen worden overmeesterd en naar Curaçao gebracht. De kosten voor dit ziekenhuis, dat later ’s Lands Hospitaal wordt genoemd, moeten door vrijwillige bijdragen worden opgebracht.29

Reconstructie van Fons Rutten van de gebouwen in en achter Fort Amsterdam rond 1745. Nr. 5 Hospitaal/meesterwinkel. Nr. 7 Pokhuis. Bron: Even slikken (1998)

Is dit ziekenhuis te klein wanneer in 1737 zo’n tachtig zieke soldaten per schip op Curaçao aankomen? En biedt ook het ziekenhuis bij het fort onvoldoende plek? Feit is dat men wegens plaatsgebrek een woning aan de Overzijde huurt waar vijftig zieken verpleegd kunnen worden.30 Een paar jaar later huurt de kapitein van de ‘Brederode’ vier huisjes voor zijn doodzieke bemanningsleden – vermoedelijk gele koorts – plus één huisje voor de dokter en een officier. Al gauw zijn er honderd patiënten op de wal. Een maand later nog 74 en weer een maand later altijd nog 61. Van de 231 manschappen keren er 88 niet levend terug van deze reis.31

Een Militair Hospitaal voor de manschappen bestaat pas sinds begin negentiende eeuw.

Zorg voor de burgers

De joodse gemeente Mikvé Israel heeft haar eigen artsen voor de verzorging van de gemeenteleden. De eerst bekende arts is Isaac Gomes Casseres, die in 1690 op Curaçao aankomt, kort daarna gevolgd door Isaac de Acosta. De eerste arts van eigen bodem is Isaac Cardozo. Vanuit Curaçao vertrekt hij om op kosten van de joodse gemeente aan de Medische School in Zutphen te studeren waarna hij rond 1761 terugkeert naar het eiland.32 De Joodse artsen helpen de armen en behoeftigen uit de joodse gemeente zonder daar geld voor te vragen.

In 1787 werken er zo’n zestien geneesheren op het eiland, inclusief drie chirurgijns op het fort. Onder hen ook steeds vaker artsen die niet in dienst zijn van de WIC. De apotheker wijlen Fons Rutten noemt dokter August Statius Muller, die in 1763 aankomt.33

Waarschijnlijk bezoeken deze artsen de zieken aan huis, zoals dat in die tijd ook in Nederland gebruikelijk is. Er is in het begin immers alleen een hospitaal in het fort – voor de slaven – waar later een zeeliedenhospitaal bij komt, voor mensen zonder een thuis op het eiland.

Algemeen voorkomende ziekten

Ziekten waarmee geneesheren en chirurgijns op Curaçao zoal te maken krijgen zijn dysenterie, scheurbuik, pokken, venerische ziekten en gele koorts. Met de slaven doen gele koorts, lepra en dracontiase, de wormziekte veroorzaakt door de guineaworm, hun intrede. De slaven op hun beurt worden geconfronteerd met ‘Europese’ ziekten zoals influenza, pokken, mazelen en dysenterie.34

Van meet af aan bezwijken veel mensen aan pokken. Ook gele koorts overspoelt het eiland veelvuldig. Vooral pas aangekomen Europeanen zijn slachtoffers. Om dit soort besmettelijke ziekten te weren wordt in de negentiende eeuw quarantaine ingevoerd (zie I-4).

Andere veelvuldig voorkomende ziekten zijn paratyfus en trachoom, een bacteriële infectie van het oogvlies die onder meer het gevolg kan zijn van slechte hygiëne. Geslachtsziekten moeten een ware plaag zijn geweest, gezien de middelen daartegen die de meesterwinkel op voorraad heeft: kwikzout, kwikzalf, pokhout, sarsaparillawortel enzovoorts.35

Dankzij het ontbreken van meren en rivieren zijn ziekten als malaria en bilharzia het eiland bespaard gebleven. Door gebrek aan vers en schoon drinkwater is dysenterie daarentegen een alom voorkomende ziekte, en niet alleen op de slavenschepen. Er bestaan diverse geneesmiddelen tegen de krampen, zoals het opiumhoudende theriak, en verder worden antibraak- en stopmiddelen (tormentil resp. kaneelwater) toegediend. Rabarberwortel dient onder meer als laxeermiddel.36

Weetje: Omdat diarree vermengd met bloed een van de symptomen is van dysenterie, heet dysenterie ook wel roode loop. Op haar beurt kan dysenterie de ontwikkeling van scheurbuik versnellen.

Scheurbuik

De geschiedschrijver Johan Hering schrijft in 1779 dat zo wel onder de Negers, als onder ‘t Scheepsvolk scheurbuik veel voorkomt. Hij meent dat deze ziekte te voorkomen is door een matig gebruik van verkoelende vruchten, spijs en drank in combinatie met goede lichaamsbeweging.37 Maar in feite tast men nog lang in het duister over de oorzaak van deze ziekte. Chirurgijns hebben goede resultaten bereikt met van de Afrikaanse kust meegenomen sinaasappel- en citroensap. Omdat men ervan uitgaat dat het zuur van het vruchtensap voor verbetering zorgt, krijgen opvarenden ook vaak zure tamarindestroop te drinken. Pas in 1753 ontdekt de Schotse scheepsarts James Lind dat gebrek aan vitamine C, in ruime mate aanwezig in citrusfruit, de oorzaak is. Kennelijk is dit nog niet overal doorgedrongen. Midden negentiende eeuw verschijnen diverse medicijnen tegen scheurbuik op de markt en worden mondspoelingen met azijn aanbevolen. De medicijnen zouden overigens tegen een scala van aandoeningen helpen, waaronder melaatsheid.38

De scheurbuikpatiënt krijgt onder meer te maken met ontstoken en bebloed tandvlees. Aan boord snijdt de chirurgijn dit gewoon weg. Vervolgens laat hij de zieke de mond met brandewijn spoelen en gorgelen. Wie daarna hoofdpijn krijgt, krijgt een aderlating. Dat wil zeggen dat bloed wordt afgenomen, wat de kwaal moet genezen.39

Vanwege verkeerde en eenzijdige voeding krijgen de bewoners in de arme delen van Curaçao tot ver in de negentiende eeuw en zelfs in de twintigste eeuw scheurbuik. Het is duidelijk dat armoede en ziekte van meet af aan hand in hand gaan op het eiland.

De Schotse arts James Lind dient een lijder aan scheurbuik aan boord een citrusvrucht toe.

Weetje: In 1908 heerst mede vanwege aanhoudende droogte – en daardoor een tekort aan verse groente – scheurbuik onder de arme Curaçaoënaars. Zelfs in Nederland zamelt men geld in voor onze in nood verkeerende stamgenooten. Een oproep van de Vereniging Oost en West in het Koloniaal Weekblad van 10 September 1908 levert ruim vierhonderd gulden op.40 Vier jaar later is het weer zo ver. Koningin Wilhelmina en haar dochter prinses Juliana maken op paleis Het Loo heideboeketjes die verkocht worden voor de arme menschen in West­Indië. De koningin schenkt 1.500 gulden aan de inzamelende comités.41

i-2 Kakkerlakken, kruiden en kwakzalvers: geneeskunde van het eerste uur

“Uitgewekene vreemdelingen oefenen hier onverholen de geneeskundige praktijk uit.” (Procureur des Konings 1861)

Vóór de verovering van het eiland praktiseren indiaanse natuurgenezers, kurandero’s, op het eiland. Na 1634 is de medische verzorging in handen van een scala aan genezers: natuurgenezers, chirurgijns, officieren van gezondheid en medicinae doctores (geneesheren). Met de West-Indische Compagnie komen (scheeps)chirurgijns en geneesheren naar Curaçao. In de negentiende eeuw volgen de officieren van gezondheid.

Hoewel sommige artsen doen of ze specialist zijn in bepaalde ziekten, zijn in feite tot begin twintigste eeuw alle artsen, chirurgijns en officieren van gezondheid die op Curaçao praktiseren algemeen opgeleid; een enkeling daargelaten. Chirurgijns hebben minder opleiding genoten dan geneesheren, maar kunnen wel een opleiding volgen tot officier van gezondheid en uiteindelijk chirurgijn-majoor worden.

Kurandero’s

De kurandero is vaak een wat oudere man of vrouw uit de gemeenschap die planten en kruiden gebruikt om ziekten en kwalen te genezen. Precies zoals men dat in Afrika gewend was, terwijl ook traditionele indiaanse methodes worden toegepast. Het spalken van gebroken botten, massage en zweetkuren behoren eveneens tot het terrein van de kurandero.42 De natuurlijke geneesmiddelen worden vaak ter plekke bereid en toegediend. In de buitengebieden vertrouwt men volledig op de kennis en kunde van de kurandero, die in hoog aanzien staat. Omdat dokters in de stad tot in de twintigste eeuw vrijwel onbereikbaar zijn voor bewoners van de buitendistricten Bándabou (west) en Bándariba (oost), zijn de districtsbewoners min of meer aangewezen op de kurandero’s. Weliswaar houden sommige artsen vanaf begin negentiende eeuw gratis spreekuur ‘voor de

armen’, maar dat gebeurt meestal in de stad. Wie in een van de buitendistricten ziek is, moet te voet naar de armendokter in de stad. In ernstige gevallen worden patiënten per ezel of paniweri (brancard) vervoerd: twee draagplanken met daarin een doek voor de zieke.

Bovendien denken veel districtbewoners dat geneesheren en chirurgijns geen benul hebben van inlandse ziekten. Die worden er pas bij gehaald als lokale middelen echt niet meer helpen of omdat een stadsbewoner erop aandringt.43 Omgekeerd bezoeken volgens wijlen pater Paul Brenneker mensen uit de stad soms bewust een kurandero of kurioso, een andere benaming voor de natuurgenezer. Wanneer de dokter in de stad een patiënt heeft opgegeven, hebben sommigen er wel een wandeltocht van vier tot vijf uur voor over om bijvoorbeeld voor kruiden en goede raad naar Barber te gaan. Eén kurandero krijgt zelfs patiënten uit Bonaire.44

Wanneer vanaf eind negentiende eeuw artsen vaker naar de districten komen, oefenen kurandero’s en artsen hun praktijk naast elkaar uit, schrijft De Haseth in haar boek over volksgeneeskunde. Ze nemen zelfs methodes van elkaar over. “Zo werken artsen hier en daar met kruiden en gebruiken kurioso’s soms onderzoekswerktuigen van de artsen.”45

Er bestaat geen opleiding tot kurandero. Jongeren leren het vak in de praktijk van vader, moeder, grootvader of grootmoeder en gaan vervolgens voor zichzelf aan de slag. Sommigen specialiseren zich op een bepaald terrein.46 Een vaste vergoeding voor het werk van de natuurgenezer bestaat niet, vertelde wijlen Dinah Veeris, kruidenkenner. De zieke geeft wat hij of zij heeft: eten, een geit of een kip.

In 1819 schrijft de onderwijzer Van Paddenburgh dat veel ziekten beter door geneeskrachtige planten en kruiden worden genezen dan door Europese geneesmiddelen.47

Weetje: Een geneeswijze voor bijvoorbeeld zweren en ontstekingen is ‘koppen’ of ‘kopzetten’. Daarbij steekt men een alcoholische vloeistof in een glas aan om het verwarmde glas direct op de zweer of ontsteking te plaatsen. Doordat de lucht daarna afkoelt, ontstaat een negatieve druk en wordt het bloed door de wond of zweer heen in het glas getrokken. Dan kan het glas worden weggenomen en de wond gereinigd.

Gebraden kakkerlakken, aloë en tunacactus Nicolaas van Meeteren noemt in zijn boek Volkskunde van Curaçao diverse probate middelen: Roet, vermengd met fijngeraspte bruine suiker geldt als een heel goed middel tegen wonden. Als dat echter niet helpt, dan worden tot poeder gestampte peulen van de watapana (saesalpina cotiaria 48 [sic]) over de wond gestrooid. Gebraden kakkerlakken zouden vooral goed zijn bij open wonden. Wie buikpijn heeft, snijdt de bladeren van de tunacactus overlangs in schijven en legt die als een kompres op het betreffende lichaamsdeel. Aloë werkt als laxeermiddel en kuki’i indjan (Agave vivipara) helpt bij astma of andere borstaandoeningen.49

Geneesheren en chirurgijns passen ook kruiden en planten toe. Zo gebruikt de achttiende-eeuwse dokter Joseph Capriles sagrado (Chenopodium ambrosioides) en basora kòrá (Melochia tomentosa).50

Zijn collega Carl Doerffel gebruikt lokale kruiden onder meer in voetendampbaaden. En de arts Daniel Peixotto meldt in een uitgebreide artikelenserie in de Curaçaosche Courant van 1823 dat hij aftreksels van onder andere chamomilla (kamille) voorschrijft bij chronische ‘buikziekte’.51

De zusters in het Sint Elisabeth Gasthuis maken eveneens gebruik van de kennis van de lokale bevolking van geneeskrachtige planten. Moeder-overste Ursuline noteert in 1899 in haar dagboek […] wij hebben dan ook dadelijk bij de verschijnselen van [gele] koorts alle middelen aangewend, welke de Curaçaoënaars ons vroeger hebben geleerd, namelijk veel rusten, purgaties en zuurzak of aloë aan de voeten leggen.52

Ook armendokter David Capriles neemt eind negentiende eeuw zijn toevlucht tot de Curaçaosche Plantkunde. Wanneer hij denkt dat een patiënt difterie ontwikkelt, schrijft hij een kooksel voor van basora kòrá en watapana shimaron dat als gorgeldrank gebruikt kan worden. Hij noemt dit middel beter dan de ouderwetse wrijfmethode, die heden ten dage terecht veroordeeld wordt door beroemde schrijvers en deskundigen. Volgens hem is met zijn eenvoudige middel een epidemie van deze bijzonder besmettelijke ziekte te voorkomen, schrijft hij in 1875.53 Desondanks heerst in 1890 en 1894 een difterie-epidemie op het eiland.54

Weetje: Zowel chirurgijns als natuurgenezers gebruiken aderlating. Daarbij wordt bloed afgetapt, omdat de menselijke lichaamsvochten bloed, slijm, zwarte en gele gal in evenwicht moeten zijn. Het aderlaten gebeurt met een lancet of met bloedzuigers. De indianen kenden iets soortgelijks: scarificatie. Daarbij wordt bij bepaalde ziekten de huid tot bloedens toe ingekerfd, waarna kruiden onder de huid worden aangebracht.55

Chirurgijns

Het beroep van chirurgijn is in feite een uitvloeisel van dat van de middeleeuwse barbier. De chirurgijn houdt zich uitsluitend bezig met de uitwendige geneeskunde. Botbreuken bijvoorbeeld, wondverzorging, purgeren of het opensnijden van gezwellen. Hij mag officieel geen geneesmiddelen voorschrijven voor inwendig gebruik, zoals de geneesheer, de medicinae doctor.

Chirurgijns zijn in Nederland verenigd in gilden, waar jongens bij een ouder gildelid in de leer kunnen gaan. Ze helpen met het scheren, doen af en toe een boodschapje en doen geleidelijk de nodige kennis op van het chirurgijnsambacht.

De scholing vindt dus voornamelijk in de praktijk plaats, al kan de chirurgijnsknecht ook aanschouwelijke lessen in de anatomie volgen. Na drie tot vier jaar is de leerling knecht en kan hij voor verdere opleiding naar een andere meester. Na weer twee jaar wordt het tijd voor het Groot Examen. Dat bestaat onder meer uit een proeve in de kunst van het aderlaten, inclusief het slijpen van de lancetten. Vanaf 1709 zijn chirurgijnsknechts verplicht alle openbare lessen in chirurgie en anatomie bij te wonen.56

Aderlating is een geliefde methode van de barbier-chirurgijn om mensen van allerlei kwalen te genezen. Niet altijd verloopt dit aderlaten goed. Menig zieke laat het leven omdat een dokter iets te enthousiast bloed aftapt; of een niet geheel schoon lancet gebruikt. Dat aderlating in de negentiende eeuw populair is op het eiland, blijkt uit de veelvuldige advertenties in De Curaçaosche Courant waarin bloedzuigers te koop worden aangeboden. Geneesheren passen eveneens aderlating toe. Zo begint dokter Nicolaas Rojer tijdens de gele-koortsepidemie van 1843 de behandeling van een patiënt standaard met een aderlating.57

Weetje: In 1625 verschijnt het eerste Nederlandse medische studieboek:

Examen der Chirurgie. Het is geschreven door mr. Cornelis Herls uit Middelburg en is vooral bedoeld voor chirurgijns die naar de Oost of de West gaan. Aan de hand van de vragen die bij de examens gesteld worden, behandelt Herls diverse onderwerpen zoals de anatomie, de leer der elementen, wondbehandeling en chirurgische ingrepen.58

Scheepschirurgijns

De chirurgijnsknecht kan desgewenst na één jaar een eenvoudiger examen doen, de zogeheten Zeeproef, waarna hij dienst kan nemen op schepen, maar zich niet zelfstandig als chirurgijn mag vestigen.59 Zo zoeken talloze nieuwbakken scheepschirurgijns het avontuur op en gaan aan de slag op handelsschepen of op schepen van de WIC die naar het Caribisch gebied varen. Daar doen ze verdere ervaring op. Zo leren ze vaak proefondervindelijk om bijvoorbeeld een beenbreuk te behandelen.

Geleidelijk stijgen de eisen die aan de scheepschirurgijn worden gesteld. Zo moeten sollicitanten voor aanmonstering bij de WIC of de VOC blijk geven van hun kunnen via een toelatingsexamen. Dit wordt afgenomen door een commissie van chirurgijns en geneesheren. Niet alleen wordt de kunst van het aderlaten getoetst, maar ook de behandeling van breuken en schotwonden en soms moet de kandidaat patiënten verbinden.60

Omdat aan boord vaak eenoog koning is, bedrijven sommige scheepschirurgijns noodgedwongen veel meer dan de uitwendige geneeskunde, ook al is de uitoefening der interne geneeskunde aan de wal voor hen verboden terrein en voorbehouden aan geneesheren. Ze worden op de schepen immers met allerlei ziekten geconfronteerd zoals scheurbuik en gele koorts. Ook delen ze medicijnen uit voor inwendige ziekten, iets wat in het moederland niet wordt getolereerd. Chirurgijns zonder een officieel diploma moeten

op Curaçao vanaf 1838 van hunne kunde doen blijken door het afleggen van een examen voor een bevoegde commissie.61

Scheepschirurgijns beginnen na hun overtocht naar de West vaak een particuliere praktijk. De in 1816 gearriveerde Hendrik Schüler bijvoorbeeld vindt dat hij bij de WIC te weinig verdient en geen vooruitzichten heeft. In 1821 krijgt hij toestemming om op Curaçao de burgerlijke genees- en heelkunde uit te oefenen. Hij maakt carrière. Zijn vader Johann is sinds 1817 stadschirurgijn en benoemt hem in 1822 tot assistent. Enkele jaren later volgt Hendrik Schüler zijn vader als stadschirurgijn op.62

Weetje: Het begrip chirurgijn wordt in Nederland met de door Thorbecke ontworpen Wet op de Uitoefening der Geneeskunst van 1865 afgeschaft. Deze wet maakt een einde aan de wel twaalf verschillende artsendiploma’s die dan bestaan. Vanaf dat moment kennen de hogescholen uitsluitend het algemene artsendiploma met de bevoegdheid tot het uitoefenen van de genees­, heel­ en verloskunde.63

Medicinae doctores

Medicinae doctores (geneesheren) blijven liever in het moederland en verwaardigen zich zelden om scheeps- of compagnie-arts te worden. Zij houden zich in de eerste plaats bezig met inwendige ziekten en baseren hun diagnose op uitwendige verschijnselen zoals de tong, de pols en de kleur van de urine. Ze hebben kennis van planten en van de fysiologie van het menselijk lichaam en schrijven indien nodig een dieet voor of medicatie.64

Geneesheren zijn opgeleid in de genees-, heel- of verloskunde aan de medische faculteit van een hogeschool, meestal in Nederland. Zij krijgen daar de titel medicinae doctor en kunnen daarna promoveren tot artis obstetriciae doctor en/ of chirurgiae doctor. Dat betekent dat gepromoveerde geneesheren in feite ook gynaecoloog en/of chirurg zijn. In het laatste geval worden zij deels concurrenten van de chirurgijns, die immers bulten wegsnijden of botbreuken behandelen.

De promotie lijkt een vorm van specialisatie te zijn, maar deze stelt eigenlijk weinig voor en is niet te vergelijken met de specialistenopleiding van vandaag. In die tijd hebben artsen belangstelling voor een bepaald aspect en vervolgens leren ze de kneepjes van dit specialisme in de praktijk.

Begin negentiende eeuw zijn op Curaçao geneesheren in de minderheid. In 1816 telt het eiland zes chirurgijns en één geneesheer, de stadsdokter Jacob Hudig.

Later komen er meer geneesheren, van wie een groot aantal in beide vakken, gynaecologie en chirurgie, is gepromoveerd. De artsen Theodorus de Veer (18231882) en Nicolaas Rojer (1808-1888) bijvoorbeeld, die zich in advertenties Med. Chir & Art. Obst. Dr. noemen.

De geneesheren kunnen een zelfstandige praktijk voeren of zijn (deels) in dienst bij het gouvernement, bijvoorbeeld als stadsdokter, havendokter of armendokter.

Weetje: In 1766 worden geneesheren en chirurgijns ingeschakeld bij kennelijk veel voorkomende vechtpartijen. Het gouvernement verbiedt blanken te vechten met stokken, baxen, vuystslagen en verwacht dat herbergiers aan het gerecht doorgeven wanneer een vechtpartij heeft plaatsgevonden – bij voorkeur met namen en rugnummers. Chirurgijns en geneesheren mogen niemand verbinden voordat hun verteld is wie de wond heeft toegebracht, waar en wanneer. Daarna mogen ze pas verbinden en vervolgens moeten zij de feiten doorgeven aan de fiscaal.65

Officieren van gezondheid

Chirurgijns en geneesheren die voor de geneeskundige dienst bij de troepen werken zijn officieren van gezondheid. Voor hen geldt het Reglement op den Geneeskundigen Dienst in de Nederlandsche Koloniën, dat Koning Willem I in 1815 ondertekent en dat tot 1901 van kracht blijft. Volgens het Reglement voert een chirurgijn of arts de directie en inspectie van de Militair Geneeskundige Dienst. Aan het hoofd van het Militair Hospitaal staat een chirurgijn-majoor, maar de officieren van gezondheid moeten in laatste instantie de orders van de gouverneur opvolgen.

Officieren van gezondheid die aan boord gaan voor de overtocht naar een van de koloniën ontvangen volgens het Reglement van landswege de chirurgicale werktuigen; de nodige zak­instrumenten dienen de officieren van gezondheid op eigen kosten aan te schaffen. Wel krijgen zij een of meer medicijnkisten mee voorzien van sloten. Daarin zitten onder meer instrumentarium, scheurlinnen, pluksel en dergelijke.

Geneesmiddelen komen uit ‘s Lands magazijn in de kolonie, Curaçao in dit geval. Het Reglement wijst erop dat men ervoor moet zorgen dat sommige geneesmiddelen niet aan te grote hitte worden blootgesteld. Verder dient men zich te houden aan de in 1805 uitgekomen pharmacopoea batava. Een farmacopee

is een officieel handboek dat de kwaliteitseisen beschrijft van de grondstoffen die men gebruikt bij de bereiding van geneesmiddelen.

De officier van gezondheid die twijfelt aan de doodsoorzaak van een militair wordt geacht het lichaam te openen voor zover dat zonder schade mogelijk is in de hitte van de koloniën. Van zijn bevindingen moet hij rapport opmaken voor zijn meerderen.66

Weetje: Volgens een kaart uit 1807 zetelt de chirurgijn­majoor, de hoogste chirurgijn in rang, in het fort tegenover het gouverneurshuis en naast de fortkerk. De tweede chirurgijn moet zich met een woning buiten het fort tevredenstellen.67

Opleiding in Militair Hospitaal

Sinds 1822 worden officieren van gezondheid opgeleid aan de Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen in Utrecht. Dit is de opvolger van de kweekschool voor Militaire Geneeskunde in Leiden. De ‘kwekelingen’ beginnen soms als chirurgijn waarna zij op de Rijkskweekschool officier van gezondheid 3e klasse kunnen worden. Via aanvullende examens klimmen zij dan op tot officier van gezondheid 2e en 1e klasse; in het laatste geval zijn zij chirurgijn-majoor.

Later in de negentiende eeuw kunnen officieren van gezondheid hun opleiding op Curaçao volgen en wel in het Militair Hospitaal (zie I-7). De kwekeling heet er élève (leerling) en na een examen kan de gouverneur hem benoemen tot chirurgijn 3e klasse. Een koninklijk besluit van 1844 meldt dat de Elèves by het Hospitaal, G. A. Ferguson en N. Anslyn, zijn benoemd tot officier van gezondheid 3e klasse.68

Aan de Rijkskweekschool in Utrecht worden in de 19e eeuw officieren van gezondheid opgeleid

Op Curaçao werken de officieren van gezondheid voornamelijk in het Militair Hospitaal. Net als in Nederland mogen zij aanvankelijk geen particuliere praktijk uitoefenen. Dat verbod wordt op Curaçao in 1838 opgeheven voor officieren van gezondheid 1e en 2e klasse. Zo vaart de uit België afkomstige Corneille Hubert Jonckheer vanaf 1832 regelmatig als scheepschirurgijn 2e klasse naar Curaçao. In 1840 neemt hij ontslag en een jaar later vestigt hij zich als geadmitteerde geneesheer in de kolonie aan de Breedestraat in Punda. Ook de Schutterij, een gewapende burgermacht die in 1821 het leven ziet, heeft een chirurgijn in dienst. De eerste is chirurgijn-majoor Johannes Groesbeek, tevens directeur van het Militair Hospitaal, die deze functie tot zijn pensioen in 1842 bekleedt. De Schutterij is actief tot 1902, maar blijft op papier bestaan tot 1924. Genees-, heel- en verloskundigen zijn vrijgesteld van dienst bij de Schutterij.69

Weetje: Corneille Jonckheer is drie jaar leerling geweest in het Sint

Elizabeth Gasthuis in Antwerpen, voordat hij in 1827, nog geen twintig jaar oud, examen doet op de Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen in Utrecht. Hij is dan officier van gezondheid 3e klasse en wordt in 1832 bevorderd tot de 2e klasse.

Stadschirurgijn-stadsgeneesheer

Al in de achttiende eeuw kent Curaçao stadsdoctoren en stadschirurgijns. Zo wordt Aron Israel St. Cruz in 1758 aangesteld als stadschirurgijn. De van oorsprong Duitse chirurgijn Johann Schüler, in 1779 nog hulpje van de oppermeester aan boord van de Nassau, wordt in 1794 stadschirurgijn en chirurgijn-majoor bij het garnizoen op Curaçao.70

Omdat tussen 1800 en 1816 de Engelsen tweemaal aan het bewind zijn, keert de functie van stadschirurgijn pas in 1816 terug wanneer de eerste Hollandse gouverneur, Albert Kikkert, aankomt. Samen met hem reist ook de nieuwe, maar tijdelijke stadsdokter Jacob Hendrik Hudig. Hudig vertrekt nog hetzelfde jaar om te worden opgevolgd door bovengenoemde Schüler.71

De stadschirurgijn houdt toezicht op de openbare gezondheid. Dat betekent niet alleen het geven van hygiënische wenken bij dreigende epidemieën, maar ook waarschuwen voor bijvoorbeeld het gebruik van sardientjes omdat die in de maanden mei, juni, juli en augustus gemeenlyk vergiftigd kunnen zijn.72 Verder behoort lijkschouwing tot zijn taken en moet hij op verzoek van de fiscaal gewonden onderzoeken. Vanaf 1822 is hij verplicht om van zonsopgang tot zonsondergang

de binnengekomen schepen te bezoeken en te controleren op de aanwezigheid van personen met een besmettelijke ziekte.73 Na 1849 is hij ook verantwoordelijk voor het verstrekken van gezondheidspassen aan de schepen.74 Met een dergelijke pas kan de kapitein bewijzen dat zijn schip vrij van besmettelijke ziekten is.

Andere taken die er gedurende de negentiende eeuw bij komen zijn de organisatie van en de zorg voor de pokkenvaccinatie en het verlenen van geneeskundige assistentie aan patiënten in het Lazarus- en Krankzinnigenhuis.75

Vanaf 1871 krijgen de stadsdokters de geneeskundige zorg opgelegd voor de marechaussees in de districten buiten de stad, waarmee eerder de officieren van gezondheid van het Militair Hospitaal waren belast. Dit wordt voor hen te omslachtig, omdat zij voornamelijk in het Militair Hospitaal werken. Om dezelfde reden kunnen officieren van gezondheid geen zitting nemen in een nieuw te benoemen quarantainecommissie, waarvoor ze naar diverse baaien op het eiland zouden moeten reizen.76

De naam stadschirurgijn verandert in 1874 in stadsgeneesheer.77 De titel chirurgijn is in Nederland immers al in 1865 wettelijk afgeschaft. In dat jaar worden opnieuw zijn taken en plichten vastgesteld, zoals het bezoeken van apotheken en het krankzinnigengesticht, en de medische zorg voor de gevangenen.

Weetje: De stadschirurgijn adviseert ook bij het geven van touwslagen. Volgens de regels voor behandeling van slaven uit 1857 is het raadzaam hunnen zedelyke toestand te verbeteren en hun eergevoel op te wekken, door aan dezelven eene betere behandeling te verzekeren. Tegelijk geeft de publicatie een lijst met mogelijke straffen waaronder touwslagen. Jongens onder de veertien, vrouwen onder de zestien en zwangere of zogende vrouwen mogen niet met touwslagen worden gestraft. Bij twijfel over de leeftijd of de zwangerschap volgt onderzoek door de procureur des konings desnoods met assistentie van den Stads Chirurgyn en Officier van gezondheid.78

Andere artsen

Aangezien de stadsgeneesheer een steeds breder takenpakket krijgt, komt er vanaf 1874 een aparte armendokter, die zich om de armen bekommert. Ook de handhaving van de quarantainemaatregelen worden de stadsgeneesheer in 1874 uit handen genomen. Er komt een quarantainegeneesheer tevens directeur van de quarantaine-inrichting. In I-4 en I-6 wordt hier nader op ingegaan.

Omdat er steeds meer schepen gevisiteerd moeten worden en ook nog eens in andere baaien dan alleen de Annabaai, wordt de armendokter van het 2e district vanaf 1913 geacht de schepen in de baaien van zijn district bezoeken. Voor een visitatie mag hij hooguit 15 gulden rekenen.79 Een jaar later wordt de functie van havendokter gecreëerd, alweer om de stadsgeneesheer – en dus ook de armendokter van het 2 e district – te ontlasten. De havendokter moet de binnenkomende schepen bezoeken en toezicht houden op de hygiëne. De eerste havendokter is de Oostenrijkse arts Moses Gerstl, die deze functie tot 1926 vervult.80

De in 1916 opgerichte kliniek voor besmettelijke geslachtsziekten op Scharloo (I-7) krijgt ook een eigen gouvernementsarts. Een jaar later krijgen de gouvernements-geneeskundigen de zorg voor de on- en minvermogenden opgelegd die worden verpleegd in het Sint Elisabeth Gasthuis of Sanatorium Het Groene Kruis.81

Weetje: In 1898 maken artsen, onder wie stadsgeneesheer Hendrik Ferguson, onverbloemd reclame voor Stout bier van Lans en Zoon. In advertenties in de Amigoe vertelt Ferguson: Ik vond het smakelijk en goed; de gunstige verhouding van extract en alkohol daarin strekt het tot aanbeveling voor vele zieken en ik zal niet nalaten bij voorkomende gelegenheden, daarop te wijzen, terwijl er bij mij geen bezwaar bestaat, de Heeren H. Lans en Zoon toe te staan mijn naam te vermelden op hunne aanbevelingskaart. Hij vraagt meteen om hem een kist van acht dozijn toe te sturen. Andere artsen en apothekers – onder wie David Capriles, Carl Zeppenfeldt en Theodor Buys – prijzen het bier eveneens openlijk aan.

Specialisten in de negentiende eeuw

In alle officiële Publicaties van de negentiende eeuw gaat het vrijwel uitsluitend over geneesheren, chirurgijns en officieren van gezondheid. Medisch specialisten zijn er amper, net als in Nederland trouwens. Daar wordt pas in 1883 voor het eerst gerept van medisch specialisten. In de statistieken van dat jaar telt men er 32. Officiële registratie in het Medisch Specialisten Register volgt pas in 1931.82 Toch zijn er al vrij vroeg oogartsen op Curaçao, al dan niet als zodanig opgeleid. In 1823 bijvoorbeeld bezoekt chirurg en oogarts John Kearny Rodgers uit New York het eiland. Hij biedt zijn diensten gratis aan aan alle arme lieden […] zonder de minste belooning hoe ook genaamd. Gouverneur Cantz’laar stelt

deze weldoener daarvoor een huis in Fort Amsterdam ter beschikking. De arme lieden dienen wel een papier te overleggen, ondertekend door minstens twee leden van de Raad van Politie, waaruit blijkt dat ze de dokter echt niet zelf kunnen betalen.

De oogarts John Kearny Rodgers heeft aan de wieg gestaan van de Eye and Ear Infirmary in New York

Rodgers heeft zich in 1820 in Londen gespecialiseerd in oogziekten, waarna hij in New York aan de wieg heeft gestaan van de nog steeds bestaande New York Eye and Ear Infirmary. Volgens zijn biograaf is hij in 1823 gevraagd om voor een grote operatie naar Curaçao te komen. Om welke operatie het gaat, vermeldt hij helaas niet.83 Eenmaal op Curaçao voert Rodgers diverse operaties uit. Daarvoor schenkt Cantz’laar als opperhoofd dezer kolonie hem in een open brief de warmste dankbetuiging.84

Weetje: Oogheelkunde is het oudste medisch specialisme. Zo is bij de Griekse historicus Herodotus (vijfde eeuw voor Chr.) al te lezen dat de Perzische koning Cyrus de Egyptische farao Amasis verzoekt om een oogarts. Bij weigering zou Cyrus de oorlog verklaren aan Amasis.85

Zelfbenoemde specialisten

De eerste Curaçaoënaar die zich – voor zover bekend – als oogarts vestigt, is dokter Isaac Abinun de Lima. In de Curaçaosche Courant van 7 april 1827 kondigt hij aan dat hij naar zijn geboorte-eiland is teruggekeerd om zich als beoefenaar in de Genees, Heel en Vroedkunde, en ook als Occulist, nedertezetten. De Lima heeft zijn artsenopleiding genoten in Noord-Amerika, maar of hij zich gespecialiseerd heeft in de oogheelkunde, is onduidelijk. Ondanks lovende bedankbrieven van patiënten in de krant vertrekt hij na een paar jaar alweer, naar Puerto Rico. Andere artsen die we in feite als vroege specialisten in de annalen tegenkomen, zijn de uroloog José Antonio Diaz Rojas, die in 1887 op Curaçao verschijnt. Met toestemming

van het gouvernement behandelt hij op het eiland de ziekten der urine­organen. 86 De Curaçaoënaar

Maurice Cohen Henriquez is in 1905 in Amsterdam arts geworden en noemt zich chirurg. Hij voert op Curaçao regelmatig operaties uit. Waarschijnlijk is hij autodidact, net als de eind-negentiende-eeuwse psychiater David Capriles en de oogarts Hendrik Ferguson, wiens patiënten speciaal voor hem uit ZuidAmerika komen.

Capriles schrijft nog in 1883

Dokter Theo Lens rond 1900 op zijn kamer in Militair Hospitaal Plantersrust. Hij is van 1895 tot 1909 chef van de militair geneeskundige dienst

Chirurgie is in deze kolonie een dor gebied87, terwijl twee decennia later de rector van het Sint Elisabeth Hospitaal bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Sint Elisabeth Gasthuis (1905) de in Wiesbaden geboren arts Theo Lens noemt als de eerste chirurg […], die hier groote operaties verrichtte.88 Lens is in juni 1890 aan de Universiteit van Utrecht tot arts bevorderd en promoveert vier maanden later, in oktober, cum laude in het Duitse Giessen. De titel van zijn proefschrift luidt: Die Trepanation eines Falls Jackson’scher Epilepsie. In 1894 begint hij op Curaçao een praktijk met als specialisme chirurgie en gynaecologie.89

Rondtrekkende ‘artsen’

Naast deze opgeleide specialisten bezoeken in de negentiende eeuw buitenlandse artsen met enige regelmaat voor korte of langere tijd Curaçao om hun diensten aan te bieden. Maar of ze een medische opleiding hebben gevolgd, is niet altijd duidelijk. Zo belooft in 1823 ene William Morris dat hij patiënten met kanker en zweer behandelt in het Stadshotel aan de

huidige Handelskade. Twijfelaars trekt hij over de streep met geene geneezing, geene betaling.90

De (quasi) medicus H. Rhyner biedt in 1859 een zeer probaat middel aan tegen reuma. Men kan hem bereiken in de Breedestraat, Otrobanda, in het huis van de weduwe Koentze.91 Ook paramedici melden zich. Zo adverteert Juan Nogues in 1862 met vorstelijke pedicure. Zonder pijn kan hij in twee seconden eelt verwijderen, waarna de cliënt weer het strakste schoeisel kan aantrekken.92

Sommige rondtrekkende medici praktiseren met toestemming, maar zeker niet allemaal. In 1861 stelt de procureur des konings in de krant vast dat uitgewekene vreemdelingen hier onverholen de geneeskundige praktijk uitoefenen. Reden om nog maar eens de bepalingen van de Publicatie uit 1838 in herinnering te roepen: honderd gulden boete voor wie zonder toestemming de geneeskunde bedrijft, en bij herhaling zelfs tweehonderd gulden. Wie niet betaalt, verdwijnt voor maximaal drie weken in het cachot.93

Weetje: Een politiebericht in de Amigoe van 1898 verhaalt hoe een kwakzalver geneeskundige kennis heeft vergaard tijdens zijn dienst als koetsier bij een dokter op Martinique. Veel Curaçaoënaars zoeken kennelijk hun heil bij deze ‘dokter’, maar het lukt de politie niet hem in te rekenen voor het onbevoegd uitoefenen der geneeskunde.94

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Genezen in de tropen by LM Publishers - Issuu